Tag: kapitalisme

  • Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Wat kunnen we 
leren over 
Aziatische waarden?

    Voorlopig is het economische succes van China en India voor andere landen het beste argument om beleid gebaseerd op niet-westerse ideeën te ontwikkelen. Verschillende perspectieven leiden meestal tot innovatie. Het wachten is op toetsbare modellen en theorieën.

    In 1998, toen de Chinese economie net aan zijn opmars was begonnen, stak Kishore Mahbubani de lont in het intellectuele kruitvat met zijn boek Can Asians Think? Twee decennia later, nu Azië het hart van de wereldeconomie vormt en China de Amerikaanse hegemonie in de Aziatisch-Pacifische regio en zelfs de hele wereld naar de kroon steekt, vindt Mahbubani’s vraag opnieuw weerklank, en misschien nog wel meer dan eerst.

    Het zal duidelijk zijn dat Mahbubani zich niet afvroeg of het de Aziaten ontbrak aan de cognitieve vaardigheden van andere wereldbewoners. Hij vroeg zich af of Azië – met zulke uiteenlopende landen als Japan en Singapore in de gelederen – over eigen intellectuele denkkaders beschikt, naast het dominante westerse paradigma. Beschikten Aziatische volken over specifieke waarden die konden verklaren waarom Azië zo razendsnel moderniseerde?

    Nieuwe impuls

    Sommige politieke beschouwers antwoordden op Mahbubani’s vraag dat Aziatische kernwaarden, zoals hard werken, pragmatisme en het gezin als hoeksteen, niet specifiek Aziatisch zijn. Anderen beweerden dat Aziatische waarden niet alleen uniek zijn, maar ook superieur aan die van het Westen. Ook Mahbubani vond dat Azië over eigen waarden en intellectuele tradities beschikt, die volgens hem minstens zo veel aandacht en waardering verdienen als de westerse, al was het maar vanwege het wisselvallige succes van die laatste. Op het moment waarop hij zijn boek publiceerde, had de Aziatische financiële crisis van 1997 nog maar net verschillende economieën in de regio de nek omgedraaid, volgens veel Aziaten als gevolg van overheersende westerse economische ideeën.

    Nu, twintig jaar na Mahbubani’s boek, krijgt de discussie over de intellectuele eigenheid van Azië opnieuw een impuls, deels door het zelfverzekerde politieke leiderschap van de Chinese president Xi Jinping en de Indiase premier Narendra Modi. Dat leidt tot de volgende drievoudige vraag: wat kunnen we leren van het debat over Aziatische waarden, wat schort eraan en hoe kan het op productieve wijze worden gestimuleerd?

    Toen Mahbubani’s boek verscheen, vormde het een schril contrast met Het einde van de geschiedenis en de laatste mens van Francis Fukuyama, dat vijf jaar daarvoor nóg enthousiaster was ontvangen. Fukuyama beweerde dat de liberale democratie en het vrijemarktkapitalisme na de val van het communisme als overwinnaars uit de strijd tevoorschijn waren gekomen. Geen ander politiek stelsel, aldus Fukuyama, kon zich met het democratisch kapitalisme meten als het ging om politieke vrijheid en economische welvaart.

    Een tijdlang bleek Fukuyama’s profetie juist. Voormalige communistische landen, zoals die in Midden- en Oost-Europa, werden democratischer en omarmden de markt. Dat zelfs Deng Xiaoping ervoor pleitte China te ‘hervormen en open te stellen’ leek de weg vrij te maken voor een toekomstige open houding van China ten opzichte van de democratie. Of er nu een ‘einde’ aan de geschiedenis was gekomen of niet, de democratische, kapitalistische wereld was the place to be.

    De Aziatische financiële crisis leek dat idee aanvankelijk te bevestigen, want maakte een einde aan enkele economische succesverhalen in de regio en bracht de Aziatische aanpak schijnbaar in diskrediet. Maar doordat landen als Maleisië, dat de door het IMF voorgestelde economische remedie afwees, zich veel sneller herstelden dan landen die de IMF-adviezen opvolgden, ontstond in heel Azië twijfel over de westerse wijsheid. Westerse ideeën waren misschien toch niet zo belangrijk geweest voor de overwinning van het democratisch kapitalisme.

    Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met problemen, belichaamd in president Donald Trump

    Tien jaar na de verschijning van Mahbubani’s boek leken de kansen nog verder te keren. De VS en Europa stortten zich in een zo ernstige zelf veroorzaakte crisis dat de rest van de wereldeconomie erin leek te worden meegesleurd, tot grote ergernis van Aziatische landen, die juist pijnlijke hervormingen hadden doorgevoerd om dat soort toestanden te voorkomen.

    Het zag ernaar uit dat halfbakken ideeën de crisis van 2008 hadden veroorzaakt. Om Friedrich von Hayek te citeren, toen hij in 1974 sprak bij de instelling van de Nobelprijs voor de economie, werden de ‘volmaakte’ economische modellen waarmee westerse regeringen en economen de toekomst voorspelden, ontmaskerd als ‘valse schijn’. Von Hayek schilderde het westerse economische denken af als een keizer die weliswaar nog niet al zijn nieuwe kleren aanhad, maar toch al in vergevorderde ontklede staat verkeerde.

    De gevolgen van deze schertsvertoning waren ernstig: behalve het ongedaan maken van tien jaar economische groei ook stagnatie, westerse overheden die zaten opgezadeld met enorme schulden en centrale banken die hun balans opkalefaterden met zoiets experimenteels als kwantitatieve versoepeling, een vorm van directe geldschepping. Tegelijkertijd namen de economische ongelijkheid, de kwetsbaarheid van de democratie en de politieke polarisatie toe, wat de Aziatische twijfel aan westerse ideeën alleen maar vergrootte, en ook die aan de westerse dominantie in de wereldeconomie.

    Sterker nog, het toenemende besef dat de panacee van de vrijemarktpolitiek, neergelegd in de zogeheten Washington-consensus, had gefaald, en ook de vooraanstaande politici die erin hadden geloofd, heeft bijgedragen aan de opkomst van schijndemocratieën en autocratieën in Hongarije, Polen, Turkije en andere landen. Zelfs de VS, het boegbeeld van het westerse democratische kapitalisme, kampt met dergelijke problemen, belichaamd in president Donald Trump, die het protectionisme heeft omhelsd en het systeem van ‘checks and balances’, de basis van de Amerikaanse democratie, met zo veel woorden op losse schroeven heeft gezet.

    Confucius (links) en Mencius.
    Confucius (links) en Mencius.

    Geen wonder dat de twijfel van Azië aan westerse ideeën er alleen maar groter op is geworden. In China wil de overheid dat scholen en universiteiten meer aandacht besteden aan het Chinese gedachtegoed (een hervorming die naadloos aansluit op de wens van de overheid om haar intellectuele en politieke legitimiteit te versterken). Ook andere Aziatische landen, zoals Zuid-Korea en India, proberen hun eigen intellectuele tradities op te poetsen, niet zozeer om ze rechtstreeks te laten concurreren met westerse ideeën, maar zodat ze op z’n minst kunnen dienen als gelijkwaardige tradities om de wereld te duiden.
    Eerlijk gezegd stonden Fukuyama en vergelijkbare beschouwers van de democratie niet kritiekloos te juichen over het Westen, zoals sommige experts ons hebben willen doen geloven. Integendeel, want Fukuyama gaf toe dat het dominante westerse liberaal-democratische stelsel feilbaar was en zelfs niet bruikbaar in elk land. In ‘Orde en verval’, het tweede deel van zijn boek De oorsprong van onze politiek uit 2014, ging hij zelfs een stap verder toen hij erkende dat de recente ervaringen van China laten zien dat ‘autoritaire overheden soms beter dan democratische in staat zijn om definitief met het verleden te breken’.

    Robert Skidelsky van de Universiteit van Warwick wijst erop dat de intellectuele schraalheid van de economische leer een zwakte van het westerse economische denken is. Uit de Grote Depressie van de jaren dertig kwam de keynesiaanse economie voort. De stagflatie van de jaren zeventig leidde tot het monetarisme van Milton Friedman, dat een revolutie in het overheidsbeleid teweegbracht. Maar tien jaar na de Grote Recessie bestaat er geen eensgezindheid over een nieuwe doorbraak in het westerse economische denken.

    ‘De rest’

    Terwijl het Westen met problemen blijft worstelen, gaat het Azië voor de wind. De economieën van China, India en Zuidoost-Azië zijn bij elkaar goed voor een groei van 63 procent van het wereldwijde bbp en meer dan de helft van de nieuwe consumptie in de afgelopen vijftien jaar. De landen die Fareed Zakaria ooit ‘de rest’ noemde, staan op het punt het Westen in te halen als het gaat om productie, consumptie en spaartegoeden.

    Dat doet vermoeden dat de recente groei van Azië niet zomaar kan worden afgedaan als een kwestie van een paar ontwikkelingslanden die de ontwikkelde landen hebben bijgehaald. In plaats daarvan lijken de Aziatische economieën, zoals Hamid Dabashi van Columbia-universiteit beweert, na eeuwenlange imperialistische overheersing eindelijk te draaien op eigen ideeën. In zijn boek Can Non-Europeans Think? uit 2015, een titel die zelfverzekerd naar die van Mahbubani verwijst, stelt Dabashi dat het probleem niet zozeer was dat ‘de rest’ niet over eigen theoretische kaders beschikte, maar dat die werden gebagatelliseerd en genegeerd.

    Dabashi wijst op het boek Oriëntalisten (1978) van wijlen Edward Said, ook van Columbia-universiteit, dat een overzicht biedt van neerbuigende westerse voorstellingen van ‘het Oosten’ als een regio met minder geavanceerde, minder rationele en uiteindelijk inferieure samenlevingen. Hun manier van denken en hun prestaties werden vaak als minderwaardig beschouwd: misschien waren ze ter plaatse toepasbaar, maar niet universeel, in tegenstelling blijkbaar tot eurocentrische kaders. Daardoor kostte het niet-westerse intellectuelen moeite om op voet van gelijkheid met hun westerse evenknieën te discussiëren.

    Maar hoe geïntimideerd niet-westerse denkers zich misschien ook hebben gevoeld, daar komt een einde aan nu de gebreken van westerse ideeën en modellen aan het licht treden. Dat Trump en de zijnen de feiten, de rede en de wetenschap onder vuur nemen verzwakt de positie van het Westen nog verder. De vraag is of niet-westerse denkers deze kans om de invloed van hun eigen intellectuele kaders uit te breiden zullen grijpen.

    Een belangrijke uitdaging voor Aziatische denkers is dat ze hardnekkige westerse vooroordelen moeten overwinnen. Engelstalige uitgevers hebben nog steeds de neiging om vanuit eurocentrisch perspectief bij te dragen aan de duiding van de wereldpolitiek. Er zijn bijvoorbeeld allerlei waardevolle wetenschappelijke publicaties over China, vooral van Chinese wetenschappers die in het Westen wonen en werken (onder wie Yasheng Huang en Minxin Pei). Die lijken echter vooral bedoeld om de Chinafobie aan te wakkeren of het risico van een crisis of een totale ineenstorting te benadrukken. Het werk van niet-westerse denkers blijft in Europese landen meestal onvertaald, hoewel de kennis en de waardering van kenners voor het werk van bijvoorbeeld Confucius, Mencius en Han Feizi [Chinese geleerden] niet-ingewijden ongetwijfeld zullen helpen hun politieke en zakelijke gesprekspartners in China beter te begrijpen.

    Het verschil tussen India en het Westen is alleen werkelijk te begrijpen als iemand de praktijk van _purva paksha_ (zoiets als “wederzijdse betrokkenheid”) begrijpt en erkent dat daar “harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei” voor nodig is

    Doordat zulken boeken maar weinig in het Westen worden uitgegeven, stellen vooral in het Engels schrijvende Indiërs het westerse denken ter discussie. Zo laat historicus Pankaj Mishra in zijn Op de ruïnes van het imperialisme (2012) zien hoe vroeg-twintigste-eeuwse Aziatische intellectuelen als Gandhi, Kang Youwei en Mohammed Abdoe zich genoodzaakt zagen hun eigen tradities – respectievelijk het hindoeïsme, het confucianisme en de islam – opnieuw vanuit westers perspectief te bezien.

    Om hun ideeën verder te verbreiden moeten niet-westerse denkers met doorwrochte, overtuigende betogen laten zien dat die origineel, waardevol en universeel zijn. Ze zouden dat kunnen doen op Mishra’s manier, namelijk door zich te bedienen van eurocentrische middelen. Ze zouden die aanpak ook links kunnen laten liggen en helemaal buiten Europese modellen om kunnen denken. Of ze zouden de twee kunnen integreren in een consistent, universeel analytisch denkraam.

    Welke aanpak niet-westerse denkers ook kiezen, denkwijzen, opvattingen en concepten die hun waarde in eigen land allang hebben bewezen, zullen moeten worden aangepast om ze universeel geldig te maken. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.

    De Indiase auteur Rajiv Malhotra laat met zijn boek Being Different: An Indian Challenge to Western Universalism zien hoe ingewikkeld dat is. Niemand zal betwisten dat India verschilt van het Westen. Malhotra beweert echter dat iemand dat verschil alleen werkelijk kan begrijpen als hij de praktijk van purva paksha (zoiets als ‘wederzijdse betrokkenheid’) begrijpt en erkent dat daar ‘harmonieuze maatschappelijke en spirituele groei’ voor nodig is. En dat kan alleen als hij ook het begrip ‘dharma’ uit Indiase religies begrijpt en aanvaardt.

    Een Chinese lezer zal dat niet zo heel veel moeite kosten, want dharma vertoont enige gelijkenis met het begrip ‘tao’ uit de traditionele Chinese filosofie. Maar een seculiere westerse wetenschapper zal zulke lastig te definiëren begrippen niet zomaar snappen. En zelfs al doet hij dat wel, dan zal hij misschien niet bereid zijn om dharma of tao te accepteren als grondslag voor een bruikbaar intellectueel kader, want geen van beide kan wetenschappelijk worden getoetst of empirisch worden geverifieerd.

    Een andere grote uitdaging voor niet-westerse denkers is dat ze hun ideeën – en vooral de intellectuele bouwstenen van het Chinese economische wonder – zodanig moeten verpakken dat die zich kunnen meten met de Washington-consensus. Ook al hebben miljoenen Chinezen een westerse opvoeding of opleiding genoten, er bestaat geen samenhangende of overtuigende Chinese analyse van de oorzaken van China’s economische succes. Doordat een dergelijke ‘Beijing-consensus’ ontbreekt, kunnen westerse waarnemers China’s ervaringen afdoen als idiosyncratisch, waarmee ze verhinderen dat de lering die eruit valt te trekken brede ingang vindt.

    Han Feizi.
    Han Feizi.

    Gegeven die combinatie van conceptuele belemmeringen en weerstand tegen onbekende denkkaders zal het niet eenvoudig zijn het Westen ervan te overtuigen dat ‘de rest’ iets te bieden heeft. Voorlopig is het concrete bewijs dat het Aziatische beleid succes heeft waarschijnlijk het beste argument om niet-westerse opvattingen over te nemen. Zo zou de invoering, in India, van een unieke digitale identiteitscode (‘Aadhaar’ genaamd) meer kunnen betekenen voor de totstandkoming van een inclusieve economie dan welke academische publicatie ook.

    Toch zullen niet-westerse denkers hun ideeën op de lange termijn moeten vertalen in toetsbare modellen en theorieën. Vanwege de complexiteit en de onderlinge verbondenheid van bestaande stelsels zal dat waarschijnlijk niet de verdienste van één individu zal zijn, een nieuwe John Maynard Keynes of Milton Friedman, maar eerder een collectieve onderneming op basis van gedeelde kennis. De Chinese traditie om voor elke dynastie een ‘encyclopedie’ te maken, schept in dat verband een nuttig precedent.

    In het bedrijfsleven leidt grotere diversiteit tot groter succes. De verschillende perspectieven die verschillende partijen inbrengen, en zelfs het ongemak dat uit die verschillen kan voortkomen, leiden meestal tot innovatie. Nu de wereld de problemen probeert aan te pakken die voortkomen uit de westerse visie op groei en ontwikkeling, zoals economische ongelijkheid en maatschappelijke onvrede, is juist dat soort uit diversiteit geboren doorbraken nodig. Het Westen heeft zijn zegje gedaan. Nu is de rest aan de beurt.

    Auteur: Andrew Sheng
    Vertaler: Nico Groen

    Andrew Sheng is momenteel professor aan de Tsinghua-universiteit in Beijing. Zijn laatste boek verscheen onder de titel From Asian to Global Financial Crisis in 2009 bij de Cambridge University Press.

    Project Syndicate
    Praag | project-syndicate.org

    Deze non-profitorganisatie, opgericht in 1994, produceert commentaren en journalistiek door bekende economen, politici, academici en andere maatschappelijk betrokken schrijvers voor een wereldwijd publiek. PS levert content aan 459 media in 155 landen.

    mahbubani

    Hoe Azië het Westen pijlsnel inhaalt

    Het Westen stond de afgelopen tweehonderd jaar aan kop in de wereldgeschiedenis, maar die tijd is voorbij. Volgens Kishore
    Mahbubani, een van de bekendste denkers van Azië, zijn onder andere China en India hard bezig om het Westen over te nemen, op zowel
    economisch als intellectueel vlak.

    De Balie nodigde Mahbubani uit in de serie De Balie Invites om uit te vinden wat de oorzaak is van deze verandering. Hoe moet het Westen reageren?

    Podium. Zaterdag 14 april om 14:00 uur.

  • De shoppingmall 
is koning in Siam

    De shoppingmall 
is koning in Siam

    In de Thaise hoofdstad Bangkok schieten de overdekte winkelcentra als paddenstoelen uit de grond. Staan ze symbool voor het lege consumptiekapitalisme? Of juist voor de veerkracht van de nieuwe middenklasse?

    Ik ben geboren en getogen in Bangkok. Over welke stad ik ook fantaseer om er te wonen, altijd kom ik uiteindelijk weer uit bij de verstopte, vervuilde, bruisende straten van de hoofdstad van Thailand. Bangkok is mijn thuis. Maar het is wel een vreemd soort thuis. Mijn familie en vrienden wonen er, maar het is ook niet per se een thuis waar je dol op bent. Bangkok is een stad die wordt beleefd en ervaren, en minder een stad die wordt bewonderd of waarvan wordt genoten. Het is een soort haat-liefdeverhouding die moeilijk valt te begrijpen – tenzij je ervandaan komt. Altijd als buitenlandse vrienden vragen wat er te doen is in Bangkok, of wat wij er doen, luidt mijn antwoord: ‘Niet veel.’

    Vanwege de hitte kun je er in de openlucht niet zo actief zijn, en Bangkok is dermate dichtbevolkt dat een wandeling in het park of een bezoek aan een museum meer gedoe dan plezier oplevert. Het verkeer en het openbaar vervoer in de stad zorgen ervoor dat het twee keer zo lang duurt als elders eer 
je ergens bent. Sporten of iets kunstzinnigs doen kost geld – je moet je deze creatieve en fysieke inspanningen wel kunnen veroorloven. Wat blijft er dan voor de meeste inwoners van Bangkok over om te doen? De activiteit die het meest geschikt is, en waar we allemaal van kunnen genieten, is het bezoeken van shoppingmalls.

    Alles wat je mogelijkerwijs zou willen hebben, kun je kopen in een shoppingmall in Bangkok

    Alles wat je mogelijkerwijs zou willen hebben, kun je kopen in een shoppingmall in Bangkok. En je kunt er naar de film gaan, of bowlen. Iedere inwoner van Bangkok kan bevestigen dat we de meeste tijd doorbrengen in die shoppingmalls. Daar ontmoeten we mensen, daar wandelen we, eten we, winkelen we. Daar gaan we heen om gezien te worden – of om gewoon ergens heen te gaan. De laatste jaren 
is er een grote toename geweest van het aantal gewone overdekte winkelcentra en duurdere malls, vooral in 
de wijken Siam, Thonglor en Ekamai. Veel oude shoppingmalls, zoals het Emporium, zijn opgeknapt, terwijl kleinere overdekte winkelcentra zoals K Village, The Commons en Seenspace als paddenstoelen uit de grond schieten.

    In haar boek Meeting of Masks probeert Sophorntavy Vorng de reden van die snelle opkomst te achterhalen. Zij stelt dat de spectaculaire toename van het aantal shoppingmalls en andere stedelijke hotspots gelijke tred houdt met de opkomst van de middenklasse. De gewone man zou zeggen dat je tot de middenklasse behoort als je genoeg te eten en genoeg te besteden hebt. En in shoppingmalls kun je eten en geld uitgeven. Er is een ingewikkeld verband tussen de klasse waartoe je behoort en welke shoppingmall je bezoekt in Bangkok. Malls zoals EmQuartier, Siam Paragon en Central Embassy zijn chic, terwijl Tesco Lotus, Central Rama 3 en Big C minder klasse hebben. De middenklasse is de enige groep is het zich kan permitteren om zich in al die verschillende malls te laten zien. De middenklasse eet graag van meer walletjes, wil de luxe van de hogere klasse, maar gaat er ook prat op zich in verschillende sociale milieus te kunnen bewegen.

    In dit tijdperk van sociale media is het voor de Thaise middenklasse gebruikelijk om het beeld van ‘een perfect leven’ neer te zetten. De toename van het aantal shoppingmalls en ‘eetplekken’ is daar een gevolg van. Eten is altijd een integraal onderdeel geweest van de Thaise maatschappij, maar de sociale media hebben iets van prestige toegevoegd aan het uit eten gaan. Als in een restaurant het eten wordt geserveerd, halen de mensen hun telefoon tevoorschijn om een foto te maken van het gerecht en die op Facebook of Instagram te posten.

    Volgens Sophorntavy Vorng weerspiegelt het gedrag van de middenklasse het verlangen om de status te verwerven van de elite of de hogere kringen, met hun rijkdom, macht, roem en connecties. Dat klopt, maar vaak wordt over het hoofd gezien dat die middenklasse ongelooflijk hard moet werken om de huidige positie in de maatschappij vast te houden, in het besef dat ze misschien wel nooit door het Thaise glazen plafond heen kan breken.

    De Siam Paragon shoppingmall met beneden de ingang naar Siam Ocean World. – © Massimo Borchi / HH
    De Siam Paragon shoppingmall met beneden de ingang naar Siam Ocean World. – © Massimo Borchi / HH

    Afglijden in de voedselketen is geen optie, en de ultieme droom is natuurlijk dat je meer dan genoeg geld hebt om uit te geven. Geld maakt niet gelukkig, zoals het gezegde luidt, maar je kunt er wel dingen mee kopen die kunnen bijdragen aan het geluk. Met geld kun je luxe kopen voor jou en je familie. In de Thaise samenleving worden kinderen geacht te werken en te zorgen voor hun ouders als die oud zijn. Daarom doen ze jarenlang werk dat goed betaalt, maar niet het soort werk waar hun hart ligt. Daarom ook leven sommigen zich op sociale media uit in het scheppen van het imago dat ze alles hebben – een knap uiterlijk, een prachtig huis, schitterende kleren en een liefdevol gezin. Het is een soort koesteren van een illusie.

    Vorng beweert ook dat de onvrede van 
hen die niet tot de hogere klasse behoren de oorzaak is van de politieke onlusten tussen de roodhemden [aanhangers van oud-premier Thaksin, meestal afkomstig uit de lagere middenklasse] en de geelhemden, die zich al sinds 2005 voordoen. De macht, de mogelijkheden en de onschendbaarheid van een kleine groep in de samenleving hebben demonstranten aangezet tot geweld, schrijft ze. In mei 2010 stichtten roodhemden tijdens een demonstratie brand in shoppingmall Central World, een daad die wordt omschreven als een ‘bijzonder schrijnend voorbeeld van de reactie van de arbeidersklasse op hun uitsluiting van de Thaise economische vooruitgang en de shoppingmalls, die zo uitbundig symbool staan voor het moderne consumptiekapitalisme’. Maar naar mijn mening is het hele verhaal, zoals de meeste dingen in dit land, te ingewikkeld om één partij de schuld te geven, en is de waarheid te gecompliceerd om te simplificeren.

    In Thailand zijn politieke onlusten niets nieuws, vooral niet in de hoofdstad. Ik ben geboren ten tijde van de Black May-protesten in 1992, toen tweehonderdduizend mensen demonstreerden tegen het militaire bewind van generaal Suchinda Kraprayoon. Verhalen over bruut militair optreden en burgerslachtoffers mogen dan op scholen overal in het land weggemoffeld worden, ze maken nog steeds deel uit van de geschiedenis van Bangkok, er wordt nog steeds fluisterend over gesproken, zij het alleen onder heel goede vrienden. Die verhalen volgen ons overal, net als schaduwen, maar 
we draaien ons zelden om en testen 
ze op hun waarheidsgehalte.

    Wandelen en dromen

    Hoewel Vorngs onderzoek naar het Thaise klassenstelsel belangrijk is, slaagt ze er niet in een overtuigend verband aan te tonen tussen klasse 
en de politieke onrust in het land. 
Door zich alleen te richten op klasse 
als factor voor het geschil tussen de geelhemden en de roodhemden, negeert Vorng andere invloedrijke 
factoren die verweven zijn met het leven in Thailand, zoals propaganda, opvoeding, onderwijs en religie.

    Mijn ervaring als Thaise vrouw, opgegroeid met mensen uit verschillende milieus, heeft me geleerd dat niet alles in mijn land zo zwart-wit is als het lijkt. Klasse is niet altijd de factor die ons verdeelt. De geelhemden zijn niet alleen burgers uit de middenklasse, de roodhemden niet alleen woedende arbeiders.

    Ik heb een arbeider gekend die als het maar even kon naar bijeenkomsten van de roodhemden in Sanam Luang ging, maar ik heb ook een arbeidster gekend die de geelhemden hielp bij de blokkade van luchthaven Suvarnabhumi. Ik heb een vriendin gehad uit de middenklasse wier familie de straat op ging om de ochtend na de militaire coup in 2006 te feesten, maar ik heb ook een docente uit de middenklasse gehad die zonder scrupules haar lessen gebruikte om de standpunten van de roodhemden te verkondigen. Ook heb ik vrienden, familieleden en kennissen uit alle klassen die geen belangstelling meer hebben voor de politiek en die zich uit het debat hebben teruggetrokken, omdat ze alle partijen even slecht vinden. Het maakt nauwelijks uit wie het land bestuurt, zeggen ze: ons dagelijks leven zal daar echt niet beter van worden. Dus ja, het klassenonderscheid wordt misschien gebruikt om de woede bij sommige demonstranten aan te wakkeren, maar het is niet altijd de factor die iemands politieke voorkeur bepaalt.

    We weten alleen zeker dat voor veel mensen in Thailand het leven niet eerlijk is. Sommigen proberen die onrechtvaardigheid te bestrijden door zich aan te sluiten bij een politieke partij, anderen door hard te werken en te overleven en weer anderen door te dromen over en te streven naar betere tijden. In het bijzonder de mensen uit de middenklasse dromen van verandering. Altijd. Daar zijn ze beter in dan de meeste anderen. Ze kunnen dromen omdat ze glimpjes van het paradijs hebben opgevangen in een of andere duistere fantasie, die is ingegeven door manipulaties van de hogere klasse en door hun eigen hoop dat het gras aan de andere kant groener moet zijn.

    Misschien zijn de mensen in de middenklasse niet de onechte, zielloze mensen zoals ze vaak worden afgeschilderd

    Thai zeggen dat we naar de duurdere shoppingmalls gaan om te duen len, wat simpelweg betekent ‘om te wandelen’. En diezelfde wandeling ondernemen we allemaal, keer op keer. We struinen dezelfde winkels af en eten hetzelfde voedsel. Toch komen we steeds terug omdat er niets beters is om naartoe te gaan.

    Misschien vat die wandeling wel samen wat het betekent om tot de middenklasse van Bangkok te behoren. Misschien zijn de mensen in de middenklasse niet de onechte, zielloze mensen zoals ze vaak worden afgeschilderd. Misschien zijn het juist mensen die eeuwig in het tussengebied leven, die doelloos kuieren in helverlichte ruimten, etalages bekijken en maar een heel klein hapje van het feestmaal proeven.

    En schuilt daar niet een ingetogen soort veerkracht in, in dat wandelen en dromen? Ik zou het graag willen geloven. Anders wordt het allemaal zo ondraaglijk treurig.

    Auteur: Pim Wangtechawat
    Vertaler: Paul Bruijn

    Mekong Review
    Cambodja | oplage onbekend

    Kwartaalblad dat in 2010 werd opgericht in de Cambodjaanse hoofdstad Phnom Penh en tegenwoordig wordt gemaakt in Australië. Recensies, essays, poëzie, fictie, interviews en achtergrondjournalistiek over wat er op cultureel en politiek vlak speelt in Zuidoost-Azië. Zowel een platform voor schrijvers en geleerden in de regio als een politieke stem in landen waar de vrijheid van meningsuiting nogal eens wordt ingeperkt.

    CONTEXT: Shoppingmall in Indonesië minder populair

    De 82 winkelcentra in de Indonesische hoofdstad Jakarta maken een revolutie door om te kunnen overleven. De krant Kompas neemt een tiental van deze malls, zoals ze ook hier worden genoemd, onder de loep. Veertig jaar na de opening is in Blok M, een van 
de oudste winkelcentra, nog maar 37 procent van het oppervlak bestemd voor de detailhandel, tegenover 100 
procent een kleine twee jaar geleden. 
‘Met de indeling die we in 2018 zullen doorvoeren, willen we erkenning krijgen als cultureel centrum,’ zegt Medina Latief, de directrice. Er komen meer cafés en restaurants, en daarnaast zal 5000 vierkante meter worden bestemd voor gedeelde werkruimten (coworking), terwijl een hele etage wordt verhuurd aan onlinewinkels.

    Een ander voormalig winkelcentrum, Pasaraya, is in zijn geheel – zeven verdiepingen – verhuurd aan Go-Jek, het Indonesische Uber. ‘Dat trekt jonge, creatieve mensen. Het centrum is er trots op dat het beschikt over de meest “professionele” moskee van Indonesië’, aldus de krant.

    Pondok Indah Mall daarentegen, een van de luxere winkelcentra, houdt vast aan ‘tastbare koopwaar’. ‘De mensen komen omdat ze producten in het echt willen zien en kunnen aanraken,’ meent de directie. ‘Goedkope spullen kun je online kopen, maar duurdere niet.’

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © HH
    © HH

    MUZIEK – De comeback 
van Jamiroquai

    Gerijpt als goede wijn

    Bij de start van de nieuwe wereldtour, 
dit voorjaar in Londen, bekende zanger Jay Kay (47) van de Engelse band Jamiroquai dat hij grote moeite had met ouder worden. Nadat hij tot twee keer toe vader was geworden, kreeg hij zelfs het idee dat hij dood was en begraven. Maar sinds Jamiroquais nieuwste album Automaton hoog genoteerd staat 
in de internationale hitlijsten, kijkt hij daar heel anders tegenaan.
    Jamiroquai maakt dit jaar een comeback die slechts weinig artiesten is gegeven. De groep vergaarde 
halverwege de jaren negentig wereldroem met een subtiele mix van funk en acid jazz. Jamiroquai sleepte tal van internationale prijzen in de wacht (ook voor video’s en dans), noteerde wereldhits als Cosmic Girl en Virtual Insanity, en wist 35 miljoen albums te 
verkopen.

    Live weet de band nog altijd te overtuigen. Na haar bezoek aan het concert in Londen vroeg popjournalist Harriet Gibsone zich in The Guardian af of Jay Kay (de artiestennaam van Jason Luís Cheetham) en zijn collega’s het nog wel van hun extravagante kleding en uiterlijke vertoon moeten hebben als ze zulke goede liedjes blijven maken. Om daar zelf het antwoord op te geven: ‘Voor wie bedenkt hoe serieus, smaakvol en ingehouden popmuziek tegenwoordig 
is geworden, is het een verademing om weer eens zo’n idioot spektakel op het podium te zien. Meer 
dan ooit vormt Jamiroquai een tegendraadse act; 
hun terugkeer is hoogst welkom.’

    Op de site Concertandco omschreef de Franse criticus Lily Rosana het optreden van Jamiroquai tijdens het Musilac-festival in Aix-les-Bains als ‘uitzonderlijk goed’. Rosana vond dat de band en met name Jay Kay niets aan kracht hadden ingeboet: ‘Natuurlijk is zijn stem nog altijd even zuiver. En ja, hij is mooi oud geworden. Gerijpt, als goede wijn. Maar goed, hij heeft iets wat anderen missen: dat is waarom ze 
hem the groovy baby noemen.’

    Jamiroquai, 8 november Ziggo Dome Amsterdam, 
11 november Sportpaleis Antwerpen

    ontzielde wereld franklin foer boek cover 9789023468653

    LITERATUUR – Ontzielde wereld

    Franklin Foer tegen 
het monopolie op informatie

    In Ontzielde wereld doet de Amerikaanse journalist Franklin Foer (broer van Jonathan Safran Foer) zijn beklag over de immense invloed die het kwartet GAFA (Google, Apple, Facebook en Amazon) uitoefent op de samenleving. 
De individuele vrijheid en autonomie wordt er volgens hem hoe langer hoe meer door ingeperkt. Door steeds meer 
en steeds sneller informatie toegankelijk te maken en kennis te delen, zorgen de vier wereldspelers er bijvoorbeeld voor dat de journalistiek wordt uitgehold en dat het echte schrijven tegenwoordig alleen nog is weggelegd voor hobbyisten.

    Steven Poole toont zich in The Wall Street Journal niet bijster onder de indruk van het boek. De aanklacht van Foer, die eerder How Soccer Explains the World publiceerde, is volgens Poole al vaak genoeg te horen geweest en bovendien 
al wel eens stukken beter onderbouwd. Poole vindt het interessanter wanneer Foer zijn persoonlijke ervaringen als redacteur van The New Republic beschrijft. Zo beëindigde Amazon het advertentiecontract na een kritisch stuk van Foer over de bedreigende en intimiderende manier waarop het bedrijf met uitgevers omgaat. En: ‘Foer vertelt, niet zonder 
het air van de verongelijkte artiest, hoe 
de jonge investeerder Chris Hughes, steenrijk geworden met Facebook, zich aanvankelijk opwierp om het tweewekelijkse cultuurmagazine in leven te houden. Maar tot afgrijzen van de redactie bleek hij er uiteindelijk vooral op uit om via het tijdschrift zo veel mogelijk webtraffic te genereren.’

    De persoonlijke betrokkenheid van Foer, die uit onvrede met het beleid van 
Hughes opstapte bij The New Republic, maakt Ontzielde Wereld er niet subtieler 
en onpartijdiger op, stelt de recensent 
van Publishers Weekly. Steve Zeitchik spreekt in de Los Angeles Times van een ‘anti-Silicon Valley-manifest’. Volgens Zeitchik toont Foer aan ‘hoe Big Tech-bedrijven hun wil hebben opgelegd aan 
de consument zonder diens inbreng of toestemming. Foers lezers mogen daar misschien minder zeker van zijn, ze worden in het boek wel opgezadeld met een hoop verhalen om bang van te worden.’

    Ontzielde wereld verschijnt half oktober 
bij De Bezige Bij.


    FILM – In tranen de zaal uit

    Ontroering en reserves bij aidsfilm van Robin Campillo

    Na de wereldpremière van de aidsfilm 120 battements par minute in Cannes liepen de meeste van de tweeduizend professionals in tranen de zaal uit. Een paar dagen later werd 
de film van de Franse regisseur Robin Campillo bekroond met de Grote Juryprijs van het filmfestival.

    Campillo maakte met Eastern Boys in 2015 een film over de Parijse gayscene. Was dat meer een thriller, ditmaal koos hij voor engagement met een drama over de aidsepidemie. Campillo (55) maakte in de jaren negentig deel uit van de militante protestbeweging Act Up-Paris. Onder dat motto gingen jonge homo’s en lesbiennes 
de straat op om het gebrek aan aandacht voor de vele aidsdoden en de ronduit lauwe opstelling van de overheid en de farmaceutische industrie aan de kaak te stellen.

    De Franse filmpers liet zich lovend uit over 120 battements par minute. Volgens Le Monde maakt Campillo nergens gebruik van goedkoop effectbejag en laat hij de jonge acteurs met succes hun grenzen opzoeken: ‘Aandacht voor het onderwerp en empathie voor de slachtoffers zitten de luciditeit en milde ironie nergens in de weg.’ Le Figaro prijst de Franse dj Arnaud Rebotini, want door los te gaan op diens danskrakers worden seropositieven in de film eens 
te meer geconfronteerd met de eindigheid van hun leven: ‘Hoe kun je blijven feesten en dansen terwijl je weet dat je binnenkort gaat sterven? Hoe kun je blijven leven en de liefde bedrijven als je weet dat je al je krachten moet aanspreken om te overleven? Er is geen film geweest, 
misschien op Les témoins van André Téchiné na, die zo goed alle facetten van aids (intimiteit, politiek en gezondheidszorg) heeft laten zien.’

    In de film vormt de dansvloer het decor om het leven te vieren, al zit de dood de personages 
op de hielen. Ze dansen op pulserende housemuziek, met de internationale hit Small Town Boy van Bronski Beat als belangrijkste track. En, zoals Lieven Trio het in De Morgen uitdrukt: ‘Ze protesteren en neuken alsof hun leven ervan afhangt.’

    Buitenlandse critici hebben de nodige reserves over 120 battements. Volgens Stéphane Gobbo 
van de Zwitserse nieuwssite Le Temps hinkt 
de film op twee gedachten: ‘Campillo wil maar wat graag het naturalisme van de Belgische gebroeders Dardenne (bekend van onder meer Rosetta en La fille inconnue) benaderen. Tegelijkertijd probeert hij de fictieve kracht van Olivier Assayas (vooral in Après mai, over het Parijse 
studentenoproer in ‘68) te evenaren. Helaas slaagt hij er niet in om echt in de buurt van 
dat niveau te komen.’ David Rooney van The Hollywood Reporter vindt de film met tweeënhalf uur aan de lange kant. Bovendien constateert hij tegen het eind een breuk in het ritme, ‘wanneer de emotie plotsklaps de overhand krijgt’. Rooney had liever gezien dat Campillo zich nog meer op de intieme scènes had 
toegelegd.

    Vanaf 28 september in de Nederlande bioscopen

    Auteur: Diederik Samwel

  • Karl Marx is big business

    Karl Marx is big business

    Het is een boosaardige grap van de geschiedenis. Honderdvijftig jaar nadat Karl Marx met Das Kapital zijn beroemde kritiek op het kapitalisme publiceerde, is hij zelf een product geworden waarmee geld wordt verdiend.

    Het kapitalisme is meedogenloos. Vriend noch vijand ontziend dringt het door tot in de kleinste poriën van de maatschappij; alles en iedereen moet zich eraan onderwerpen. Zo ongeveer beschreef Marx de dynamiek van de moderne economische wereld. De man had gelijk – op een klein schoonheidsfoutje na. Waar Marx als uiteindelijke ommekeer een zegetocht van het proletariaat voorspelde, trok de wereldgeschiedenis een heel ander plan en bezorgde het kapitalisme de definitieve overwinning.

    Wie daarvoor nog bewijs nodig heeft, moet naar Trier gaan. Daar staat in het voetgangersgebied tussen ijssalons en schoenwinkels een huis waar de filosoof zijn kinderjaren en jeugd heeft doorgebracht. Een stenen gedenkplaat herinnert aan de vroegere bewoner. Nu is er een EuroShop gevestigd: zonnebrillen, haarklemmen, fietspompen, alles kost hier een euro. Het is een boosaardige grap van de geschiedenis. In zijn belangrijkste werk Das Kapital (1867) waarschuwde de beroemdste telg van Trier immers voor minimale lonen, bedenkelijke arbeidsomstandigheden en globalisering. In 2017 is hijzelf allang een product waarmee geld wordt verdiend.

    De man met de volle baard die zijn hele leven kritiek uitoefende op de rijken en met zijn grote gezin in soms bittere armoede leefde, maakt vlak voor zijn tweehonderdste geboortedag een revival door. Hij wordt weer gelezen, zijn werk is voor honderdduizenden mensen over de hele wereld een geestelijk kompas door bewogen tijden en zijn naam is de garantie voor toeristen en bezoekers. ‘Het is interessant om te zien hoe de grote analyticus van producten, waarde en prijsmechanismen nu zelf een product wordt,’ zegt Marien van der Heijden, hoofd Collectievorming van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Daar liggen diep weggestopt in de archieven handgeschreven documenten en alle bewaard gebleven manuscripten van Marx.

    De recente financiële crisis heeft hernieuwde belangstelling gewekt voor de crisisprofeet en ook het komende jubileum zorgt voor een opleving in de Marx-business: in Trier, in Berlijn, in China – en ook een beetje in Londen. In de Britse hoofdstad heeft Marx meer dan de helft van zijn leven doorgebracht. Op de Highgate Cemetery in het noordwesten van Londen, waarvoor de toegangsprijs vier pond bedraagt, ligt hij begraven. Wie op een lentezondag in de metropool op zoek gaat naar sporen van Marx, stuit op Piccadilly Circus op een clubje geïnteresseerden – en op Heiko Khoo, een overtuigd marxist.

    Khoo geeft enkele toeristen een twee uur durende rondleiding door de wijk Soho. Tien pond betalen ze ervoor. ‘U mag van geluk spreken dat u er op tijd bij bent,’ zo begroet hij zijn klanten, ‘want zodra de Chinezen horen dat Marx in Londen is geweest, komen er miljoenen hiernaartoe om deze excursie te maken.’ Een grap die maar ten dele grappig is bedoeld. De Marx-kenner heeft onlangs een boek geschreven over de Londense periode van de grote man. Dat wordt allereerst in China uitgegeven, zegt Khoo, daar waar hij de grote groeimarkt voor zijn nering vermoedt. De Chinese ambassade benadert hem nu al voor rondleidingen. Ook Chinese bankiers die op zakenreis in Londen zijn, volgen samen met hem het spoor van Marx. Maar op deze zondagmorgen zijn er geen Chinezen van de partij. Er is een bont gezelschap uit de hele wereld komen opdagen, onder wie de Amerikaan Joe. ‘Het kapitalisme is negentiende-eeuws. Wij hebben een economisch model voor de eenentwintigste eeuw nodig,’ vindt hij. Daarom is hij hier.

    De eerste stop is bij een kroeg op een hoek, maar een paar straten van Piccadilly Circus. Tegenwoordig is hier een cocktailbar gevestigd, maar in de tijd van Marx heette deze zaak The Red Lion. In de vergaderruimte op de bovenverdieping van de pub kwamen Marx en zijn aanhangers in 1847 bijeen. Hier kreeg hij opdracht om Het Communistisch Manifest te schrijven. Khoo citeert de beroemde eerste zin: ‘Een spook waart door Europa. Het spook van het communisme.’

    Armzalige jaren in Soho

    Tijdens zijn leven was vrijwel niemand geïnteresseerd in de Duitse immigrant uit Trier, die in het Engeland van de industriële revolutie het grootste deel van zijn werk schreef. Hij was naar de stad aan de Theems gekomen omdat hij in Frankrijk en Duitsland als revolutionair werd vervolgd door de overheid. Een hoogopgeleide rebel.

    Londen was de wereldhoofdstad van het kapitaal. Het was groot, rijk en duur. Het waren armzalige jaren voor Marx in Soho, zegt Khoo. Op de gevel van een huis in Dean Street is een blauwe gedenkplaat geschroefd. Vijf jaar heeft het gezin hier in een klein huisje gewoond, drie kinderen zijn hier gestorven. In de British Library verderop in de stad werkte Marx aan zijn boek. Tegenwoordig parkeren er dure sport- en terreinauto’s in Dean Street. Aan het einde van de rondleiding heft Khoo op straat De Internationale aan: ‘Makkers, ten laatste male.’ De voorbijgangers trekken hun wenkbrauwen op, de deelnemers applaudisseren.

    In het IISG-archief in Amsterdam staan tientallen dikke boeken met daarin de bekendste citaten, stellingen en uitdrukkingen van Marx. Het manuscript van _Das Kapita_l is in juli 1943 verbrand bij het bombardement van Hamburg, zegt Van der Heijden. Het manuscript van Het Communistisch Manifest is vlak na de druk in 1848 door de zetter in Londen verscheurd. In Amsterdam hebben ze nog de handgeschreven eerste bladzijde van het manifest en de eerste druk van Das Kapital, met persoonlijke notities van Marx.

    Van der Heijden heeft voor beide een aanvraag ingediend voor opname op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, en op beide een positieve reactie gekregen. De twee geschriften zijn tegenwoordig onbetaalbaar. Op veilingen in Londen kost een simpele brief van de hand van Marx nu evenveel als een Volkswagen Golf en een kopie van Das Kapital met een handtekening van de auteur heeft de prijs van een Porsche. De kostbaarheden in Amsterdam liggen achter dikke deuren van staal. De archivarissen hebben er een waardevol pakket uit samengesteld, dat volgend jaar in bruikleen wordt gegeven aan Duitsland. In Trier moet de handel in Marx een economische factor van belang worden.

    In zijn geboortehuis, waar hij ook zijn eerste levensjaar doorbracht, is al lange tijd een museum van de Friedrich-Ebert-Stiftung gevestigd. Meer dan 40.000 bezoekers heeft het afgelopen jaar getrokken, van wie een op de drie Chinezen. Een kaartje kost € 4, een fles Marx-wijn uit het Moezelgebied € 8,99. Dat is alleen maar een voorproefje: volgend jaar viert Trier de tweehonderdste geboortedag van Marx. Uit de hele wereld zullen bewonderaars toestromen. De oude Romeinse stad is zich aan het opmaken voor die stormloop.

    De straten van de grote steden zijn weliswaar het decor van Porsches en Gucci-winkels, maar dat is niet meer dan een tussenstap op China’s pad naar het einddoel van de klasseloze maatschappij

    Rainer Auts, verantwoordelijk voor de organisatie, bereidt met tien medewerkers de Groβe Landesausstellung in de zomer van 2018 voor. Dat moet een ‘kritisch eerbetoon’ aan de denker worden. De Bondsregering stelt 1,5 miljoen euro beschikbaar. De stad en de deelstaat doneren samen nog een miljoen. Het gemeenschapsgeld verhoogt de druk. ‘De wereld zal toekijken hoe we het doen,’ zegt Auts.

    Evenals in Londen heeft men in Trier zijn hoop gevestigd op de Chinezen. Auts heeft een medewerkster naar een beurs in Xiamen gestuurd, de partnerstad van Trier. ‘Het potentieel is daar enorm,’ zegt hij. Een juiste bewering, want in China, het land dat binnenkort zeventig jaar lang door één partij wordt geregeerd die volgens velen alleen nog in naam communistisch is, heeft de commercialisering van Marx net een hoogtepunt bereikt. Bovendien is China het land met de meeste nieuwe rijken ter wereld.

    Er zijn inmiddels meer dan een miljoen miljonairs. Sinds Deng Xiaoping aan het einde van de jaren zeventig met zijn hervormingen begon, propageert de Partij namelijk een ongebreideld kapitalisme in plaats van de klasseloze maatschappij. Juist daarom wordt de merknaam Marx graag gebruikt door de heersers van China: als bewijs voor het bestaansrecht van de dictatuur van het proletariaat in de vorm van de Partij. Zo’n 250 miljoen yuan (ongeveer 34 miljoen euro) aan subsidies stelt de Chinese president Xi Jinping, die zijn doctorstitel in de marxistische theorie behaalde, elk jaar beschikbaar: aan universiteiten, scholen, denktanks en nieuwe Marx-archieven ter ere van de denker. Een etikettenzwendel waar iedereen van weet.

    Marx, aldus de propaganda, is voor China nog altijd actueel. De straten van de grote steden zijn weliswaar het decor van Porsches en Gucci-winkels, maar dat is niet meer dan een tussenstap op China’s pad naar het einddoel van de klasseloze maatschappij. Zo vond anderhalf jaar geleden in Beijing de eerste ‘wereldconferentie van het marxisme’ plaats. De Partij had professoren uit de hele wereld laten invliegen. Ze luisterden naar de toespraken van wetenschappers van de Partijscholen, die probeerden te motiveren waarom Marx nog een rol speelt in het China van nu.

    Marx-merchandising.
    Marx-merchandising.

    In China oefent de staat controle uit over de Marx-business. In Duitsland loopt die vlak voor het kroonjaar helemaal vanzelf. In de bioscopen heeft wekenlang de film Der junge Karl Marx gedraaid, met August Diehl in de hoofdrol. In de boekhandels liggen pas verschenen biografieën. En dan zijn er nog de werken van Marx zelf, waarmee – dankzij verlopen auteursrechten – goed geld kan worden verdiend. In Duitsland wordt dat in praktijk gebracht door de Karl Dietz Verlag, een kleine uitgeverij van vakliteratuur met een ‘lang en ondanks alle verdiensten op uitgeefgebied toch roemloos verleden’, aldus directeur Martin Beck.

    Tot 1989 heeft de Dietz Verlag als ‘een vlaggenschip van de SED-rechtvaardigingspropaganda’ gefungeerd, nu verschijnt daar Das Kapital als onderdeel van de Marx-Engels-Werke. Het boek behoort ‘tot onze kassuccessen’, zegt Beck. Op het dieptepunt van de financiële crisis in 2008 zijn er van het eerste deel ruim 3100 exemplaren verkocht, twee jaar daarvoor waren het er nog geen 800. Nu ligt het aantal ergens daartussen. De toenemende belangstelling in tijden van crisis heeft hebzucht gekweekt. Ook de uitgeverijen Kröner en Faber & Faber hebben de dikke pil opnieuw uitgegeven.

    Geld verdienen met Marx is in trek. Maar is het niet een contradictie om de criticus van het kapitalisme zelf tot product te maken? Rainer Auts, de tentoonstellingsmanager in Trier, moet daar even over nadenken. Dan zegt hij: ‘Tegen dat verwijt kun je niets inbrengen.’ Voor hem staat de educatieve taak echter duidelijk op de voorgrond. Zullen de kaartjes in Trier dan goedkoper zijn dan bij vergelijkbare tentoonstellingen? Auts schudt het hoofd. ‘Ook wij staan bloot aan het kapitalistische streven naar meerwaarde.’

    Auteur: Johannes Pennekamp, Marcus Theurer, Hendrik Ankenbrand, Stephan Finsterbusch
    Vertaler: Pieter Streutker

    Frankfurter Allgemeine Zeitung
    Duitsland | dagblad | oplage 382.000

    Een van de belangrijkste kranten van Duitsland. Hoewel politiek onafhankelijk, wordt de FAZ over het algemeen een gematigd conservatief profiel toegedicht.

  • Singapore vs. Hongkong: the battle

    Singapore vs. Hongkong: the battle

    De succesvolle Aziatische metropolen Hongkong en Singapore worden vaak in één adem genoemd. Toch hebben de twee steden tegengestelde kapitalistische modellen: de een is ultraliberaal, de ander ultradirigistisch. Le Monde legde de rivalen langs de meetlat.

    De rivaliserende steden Hongkong en Singapore vergelijken zich onophoudelijk met elkaar. Er gaat geen week voorbij of er is een enquête of peiling waarin ze met elkaar wedijveren, of het nu over de beheersing van het Engels gaat (voorsprong Singapore), over het aantal beursintroducties (voorsprong Hongkong) of zelfs over het gemiddelde IQ (gelijkspel: de twee steden zouden tot de wereldtop behoren). De kleinste nieuwtjes van de een worden angstvallig in de gaten gehouden door de ander.

    Zo lanceerde de Michelingids in 2016 een editie voor Singapore – zeven jaar na Hongkong, het werd tijd! Eind februari maakte de pers in Hongkong melding van een sterke stijging van de watertarieven in Singapore, en vroeg zich meteen af of zo’n maatregel er ook in zat voor Hongkong.

    De rivaliteit strekt zich uit tot alle sectoren, met name die van de ‘FinTech’ (nieuwe financiële technologieën). Hongkong hield van 7 tot 11 november 2016 zijn FinTech Week. Singapore ging daar drie dagen later overheen met zijn FinTech Festival. Hongkong groter, Singapore schoner; Hongkong Chinezer, Singapore kosmopolitischer; Hongkong dynamischer, Singapore ordelijker – aan het spelletje ‘zoek de verschillen’ tussen de Aziatische schijntweeling komt nooit een eind.

    Tegenovergestelde modellen

    Beide steden wekten in de eerste helft van de negentiende eeuw de hebzucht van de Britse kroon. De twee ‘parels van de Oriënt’, gescheiden door 2600 kilometer zee, waren strategisch gelegen langs de maritieme zijderoute: Singapore met de Straat van Malakka, Hongkong met de Parelrivierdelta. Hun identiteit is daarom sterk getekend door de internationale vrijhandel, en beide hebben hun essentiële rol daarin weten te behouden. In 2005 onttroonde Singapore Hongkong als grootste containerhaven ter wereld, om in 2010 zelf naar de tweede plaats te worden verwezen door Shanghai. Hongkong nam revanche door de grootste luchthaven voor vrachtverkeer te wereld te worden.

    Ten tijde van de kolonisatie was hun geringe omvang een voordeel. ‘De 
twee gebieden waren gemakkelijk te besturen voor het Verenigd Koninkrijk, dat dan ook flink investeerde in infrastructuur (opslagplaatsen, wegen, waterleiding) en openbare instellingen (rechtbanken, scholen, ziekenhuizen). Daarna zijn er andere initiatieven genomen, zoals een enorm programma voor sociale huisvesting,’ aldus Donald Low van de Lee Kuan Yew-school voor Openbaar Bestuur van de Nationale Universiteit van Singapore. Ook het rechtssysteem is een erfenis van de Britse kolonisator. ‘De rechtsstaat die beide steden kennen onderscheidt ze van alle andere landen in de regio,’ voegt Low eraan toe. ‘Alleen op die manier konden ze uitgroeien tot geloofwaardige financiële centra.’ Zowel Singapore als Hongkong richtte een agentschap op om corruptie te bestrijden. Dit weerhoudt beide er 
overigens niet van om te flirten met 
de status van belastingparadijs.

    Beide voormalige parels aan de Britse kroon hebben hun bijzondere ontwikkeling natuurlijk mede te danken aan hun geografische ligging, aan het uiterste noorden en zuiden van de Zuid-Chinese Zee. Hongkong, dat zich in 1997 bij de Volksrepubliek China aansloot (volgens het principe ‘een staat, twee systemen’), is altijd sterk 
op China georiënteerd geweest. Het is inmiddels een belangrijk financieel centrum voor grote Chinese bedrijven. Singapore is de onontkoombare 
metropool van Zuidoost-Azië en het Zuid-Pacifische gebied geworden.

    1. Skyline Singapore; 2. Skyline Hongkong. Welke vindt u mooier? – © HH
    1. Skyline Singapore; 2. Skyline Hongkong. Welke vindt u mooier? – © HH

    Na twee eeuwen parallelle ontwikkeling behoren de twee steden tot de wereldtop op het gebied van moderniteit en technologie. Toch hebben ze 
ook de nodige crises en epidemieën gekend. Bovendien zijn ze tussen 1941 en 1945 door de Japanners bezet. 
Hun wegen scheidden zich met het uitroepen van de Republiek Singapore in 1965, nadat de stad zich in 1963 had afgescheiden van de Federatie van Maleisische Staten en onafhankelijk was geworden. Hoewel de microstaat zich aan de Britse betutteling heeft ontworsteld, zijn de Britse instituties en het architecturale erfgoed er behouden gebleven, evenals het Engels als lingua franca, waarvan de gesproken variant met zijn speciale intonatie 
zich tot het singlish (Singapore English) heeft ontwikkeld. Het Engels dat er gesproken wordt is nog altijd van een hoger niveau dan dat in Hongkong, dat weliswaar tot 1997 Engels is gebleven maar waar slechts 6 procent van de bevolking de taal voldoende beheerst en slechts 1,5 procent deze vloeiend spreekt, volgens een studie van de 
Universiteit van Hongkong uit 2015.

    Tegenwoordig onderscheiden de steden zich vooral door hun diametraal tegenovergestelde maatschappijmodellen. Het ‘dirigistische’ model van Singapore, waarvan de resultaten overal ter wereld bewondering afdwingen, behoort tot de meest geavanceerde en vreemdste van de planeet. Alles wordt er berekend, geanalyseerd, voorzien 
en gemonitord. ‘Planning’ is het sleutelwoord. De stad belichaamt orde, properheid, veiligheid, excellentie en perfectie. Singapore is tegenwoordig 
de ‘smartste’ van de ‘smart cities’: 
up-to-date, doelmatig, duurzaam en toonaangevend op onderzoeksgebied.

    De openbare orde lijkt er tot het uiterste doorgedreven, zoals blijkt uit het beroemde verbod op kauwgum. 
Ook het milieu is een prioriteit. In Hongkong zijn het de burgers die, geconfronteerd met de apathie van 
de overheid, het initiatief nemen om de stranden schoon te maken. Wie in Singapore afval niet in een vuilnisbak deponeert, riskeert de eerste keer een boete van 1350 euro, de tweede keer 
het dubbele en de keer daarna vijf keer zoveel. Hardnekkige overtreders 
worden gedwongen te werk gesteld 
bij de gemeentereiniging.

    Sinds de onafhankelijkheid heeft 
Singapore nauwelijks sociale conflicten gekend, afgezien van twee stakingen (in 1986 en 2012) die beide nog geen twee dagen duurden. De Hongkongers gaan meerdere keren per jaar massaal de straat op. In de herfst van 2014 transformeerde de jeugd verschillende wijken in de stad tot surrealistische kampen om te protesteren tegen het plan van Beijing om de invloed van stemmingen te beperken. Dit zogeheten ‘parapluprotest’ duurde 79 dagen, wat in de tuinstad ondenkbaar zou zijn. ‘Singapore is het eerste land ter wereld dat het communisme in de marxistische zin van het woord heeft gerealiseerd,’ chargeert Jake van der Kamp, commentator van de ultraliberale 
South China Morning Post. ‘Zo’n 85 procent van de woningen wordt gesubsidieerd door de staat, de regering houdt naast andere belastingen 37 procent van alle salarissen in voor een collectief verzekeringsfonds en de hele zakenwereld staat onder overheidstoezicht.’

    De buitenlanders mogen maar twee soorten werk doen: werk waarvoor de Singaporezen hun neus optrekken of werk waarvoor kwalificaties zijn vereist die ter plekke niet voorhanden zijn

    De Singaporese regering bestuurt haar volk met dezelfde chirurgische precisie. Het geboortebeperkingsbeleid van de jaren zeventig, dat niet gespeend was van eugenetische trekjes, was zo doeltreffend dat de tegenovergestelde opdracht, aan het eind van de jaren tachtig, niet aansloeg. Om in de behoeften van de plaatselijke economie te voorzien moet de stad sindsdien mensen van buiten laten komen. Inmiddels is 40 procent van de bevolking van buitenlandse afkomst, wat 
het toch al multiculturele, Chinees-Indonesisch-Maleise Singapore een veel kosmopolitischer gemeenschap maakt dan Hongkong, dat voor 95 procent door Chinezen wordt bevolkt. De buitenlanders mogen maar twee soorten werk doen: werk waarvoor de Singaporezen hun neus optrekken of werk waarvoor kwalificaties zijn vereist die ter plekke niet voorhanden zijn. Nieuwe ondernemingen die zich er komen vestigen worden actief ondersteund.

    Waar de dynamische Singaporese overheid altijd tuk is op verbeteringen, is het gebrek aan visie bij de overheid in Hongkong een vast thema onder lokale zakenlui. Hongkong zou zijn critici kunnen antwoorden dat het zijn dynamiek en aantrekkelijkheid dankt aan zijn bewoners en zijn markteconomie, en niet aan de overheid. In tegenstelling tot Singapore hangt Hongkong het ultraliberalisme aan. De economie zou er zelfs de liberaalste ter wereld zijn, volgens de zeer conservatieve Amerikaanse denktank Heritage Foundation. De werkloosheid van maar 3 procent (tegen 2 procent in Singapore) lijkt aan te tonen dat dit recept ook werkt.

    Behalve vanwege de vrijheid en faciliteiten voor ondernemers is Hongkong ook aantrekkelijk vanwege zijn belastingstelsel. Door de geringe douanebarrières is het bijna een vrijhaven. Een beroemd voorbeeld blijft de afschaffing van de accijns op geïmporteerde wijn in 2008, die de ontwikkeling van een hele economische sector mogelijk maakte. Een ander voorbeeld is de markt voor moderne kunst die bloeiender is dan in Singapore, waar toch forse subsidies bestaan. Binnen enkele jaren hebben zich internationaal gerenommeerde galeries en grote veilinghuizen in Hongkong gevestigd, evenals een beurs voor moderne kunst, Art HK, die al snel werd opgekocht door wereldleider Art Basel. ‘De dynamiek van Hongkong is onvergelijkbaar. Dat is voor 
een groot deel te danken aan buurman China,’ bevestigt een ondernemer die beide steden goed kent. De energie 
die wordt geleverd door de nabijheid van China is onmiskenbaar. Singapore, daarentegen, is een beetje provinciaals. ‘De Hongkongers komen naar Singapore om op adem te komen; de 
Singaporezen gaan naar Hongkong om zichzelf weer te motiveren,’ zo vat een Singaporese taxichauffeur de situatie samen op grond van zijn dagelijkse observaties.

    Gardens by the Bay in Singapore. Het park bestaat onder meer uit een futuristisch bos van metalen bomen (‘Supertree grove’) en twee grote kassen. – © Getty Images
    Gardens by the Bay in Singapore. Het park bestaat onder meer uit een futuristisch bos van metalen bomen (‘Supertree grove’) en twee grote kassen. – © Getty Images

    De Hongkongers koesteren hun vrijheden en aarzelen niet om daarvan te profiteren, tot leedwezen van Beijing. ‘De ironie wil dat de burgers in Hongkong het recht hebben om te betogen en hun ongenoegen te uiten maar dat ze niet hun eigen leiders kunnen kiezen, terwijl in Singapore, waar kritiek amper wordt getolereerd, de burgers het recht hebben om naar de stembus te gaan,’ constateert Cherian George, hoogleraar Journalistiek.

    Paradoxaal genoeg hebben deze zeer verschillende systemen tot soortgelijke resultaten geleid, en tot soortgelijke gebreken. Geen enkele ontwikkelde 
economie ter wereld kent momenteel zulke grote verschillen tussen rijk en arm als deze twee steden. Op de grote avenues van Hongkong duwen dubbelgevouwen oude vrouwtjes karretjes met kartonnen dozen voor recycling voort tussen glimmende Ferrari’s en Tesla’s. Huisvesting is zo duur voor wie geen toegang heeft tot sociale woningbouw, dat een Chinese ondernemer op het idee is gekomen om ‘capsuleappartementen’ te introduceren, een moderne versie – met wifi – van de oude ‘kooiwoningen’, stapelbedden met tralies ervoor die dienst deden als onderkomen.

    De twee steden blinken ook uit in 
crony capitalism, nepotistisch kapitalisme. Op een ranglijst van de grootste plutocratieën ter wereld die in 2014 werd opgesteld door het Britse weekblad 
The Economist, prijkte Singapore op de vijfde en Hongkong zelfs op de eerste plaats. Onder het mom van grote economische vrijheid is Hongkong in vijftig jaar tijd uitgegroeid tot een oligarchie waar maar enkele families de dienst uitmaken in 
de belangrijkste economische sectoren.

    Als we de balans opmaken van het voortdurende duel tussen de twee 
steden, lijken economische argumenten zwaarder te wegen dan elke andere politiek-filosofische overweging. De vrees voor een braindrain van Hongkong naar Singapore is een steeds terugkerend thema in de pers van Hongkong. Met als reden de exorbitant hoge huren, de luchtvervuiling en de toenemende bemoeienis van China. Of, doodeenvoudig, het charmeoffensief van de Singaporese regering. Singapore lijkt zich plotseling te bevrijden van zijn lichte minderwaardigheidscomplex. 
De periode van beroering die de wereld momenteel doormaakt, heeft de kritiek op het sociale en politieke model doen verstommen. Dat doet weliswaar 
verstikkend aan, maar als puntje bij paaltje komt is het behaaglijk en geruststellend.

    Auteur: Florence de Changy

    Openingsbeeld: © HH

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders).

    uss buffalo and uss stethem depart changi naval base for the at sea 28506939156

    CONTEXT: Washington of Beijing? Een dilemma voor Singapore

    De stadstaat ging een keus tussen de supermachten altijd slim uit de weg, maar dreigt nu voor het blok te worden gezet.

    Washington of Beijing: voor Singapore, dat 14.000 keer kleiner is dan China en een militaire bondgenoot van de VS, is het lastig kiezen. Beijing sluit overal in Zuidoost-Azië bondgenootschappen, terwijl Washington met twee monden blijft spreken over de duur van zijn betrokkenheid bij de regio. Lee Kuan Yew, de stichter van de in 1965 uitgeroepen Republiek Singapore, onderhield uitstekende betrekkingen met zowel Henry Kissinger, als met Deng Xiaoping, van 1956 tot 1967 secretaris- generaal van de Communistische Partij van China. Lee Kuan Yew bracht zelfs zijn ‘vakantie’ door in Taiwan; dat ging allemaal probleemloos. Maar de tijden zijn veranderd.

    ‘Binnen drie tot vijf jaar dreigt Singapore moeilijke keuzes te moeten maken,’ voorspelt Donald Low van de Nationale Universiteit van Singapore. Tot overmaat van ramp hebben de Verenigde Staten op 23 januari jl. het Trans-Atlantisch Partnerschap (TPP) geannuleerd, een verkiezingsbelofte van Donald Trump. ‘Dat heeft de Singaporese regering ernstig in verlegenheid gebracht,’ bevestigt een diplomaat. ‘Hier is de vrijhandel meer dan een religie, het is het hart van het systeem. Als de internationale handel tot stilstand komt, gaat Singapore dicht.’ In werkelijkheid beschikt Singapore nog altijd over een twintigtal bilaterale vrijhandelsverdragen, met onder andere de VS, Japan en China. Dat neemt niet weg dat de houding van Washington weinig goeds belooft voor het regionale evenwicht en dat Singapore beseft hoe kwetsbaar zijn positie is.

    Singapore wordt inmiddels ook het hof gemaakt door China. De economische betrekkingen tussen de twee nemen een hoge vlucht. En Beijing duldt geen kritiek meer van deze stadstaat die het als Chinees beschouwt

    In augustus 2016 verzekerde president Barack Obama: ‘Singapore is de ankerplaats van onze aanwezigheid in de regio.’ Dit bondgenootschap berust op een memorandum van overeenstemming. ‘De marinebasis van Changi ontvangt Amerikaanse vliegdekschepen, het commando van de Amerikaanse strijdkrachten in de Grote Oceaan heeft zijn logistieke basis in Sembawang (aan de noordkant van Singapore) en de VS beschikken over een eskader op de luchtmachtbasis Paya-Lebar,’ aldus Eric Frecon, onderzoeker aan het marine-instituut en coördinator van het Observato- rium voor Zuidoost-Azië.

    Singapore wordt inmiddels ook het hof gemaakt door China. De economische betrekkingen tussen de twee nemen een hoge vlucht. En Beijing duldt geen kritiek meer van deze stadstaat die het als Chinees beschouwt. In november 2016 liet China zijn ongeduld blijken door negen Singaporese pantservoertuigen die terugkwamen uit Taiwan, waar Singapore al meer dan veertig jaar zijn troepen laat oefenen, tijdens een tussenstop in Hongkong in beslag te nemen. De voertuigen werden teruggegeven ter gelegenheid van het Chinees Nieuwjaar. Er was minstens één geheime missie naar Beijing nodig om dat voor elkaar te krijgen.

    Een andere bron van Chinese ergernis is het feit dat Singapore in juli 2016 het Hof van Arbitrage heeft ingeschakeld in het conflict over de Zuid-Chinese Zee. Als reactie daarop voerde de Global Times, de propagandatabloid van de Communistische Partij van China, een felle lastercampagne tegen Singapore. Sommigen mompelen dat de boodschap is doorgekomen: de oefeningen in Taiwan zijn opgeschort, in elk geval ‘voorlopig’. Hoe dan ook lijkt de ergste kou tussen de landen uit de lucht. De vergadering van de bilaterale samenwerkingsraad, die in 2016 wegens spanningen was geannuleerd, is op maandag 27 februari jl. alsnog gehouden in Beijing.

  • Gelukkig in het spel

    Gelukkig in het spel

    Lacht het geluk je als beginnend gamer opvallend vaak toe? Dat is geen toeval: met een extra portie mazzel stimuleren de makers je om door te spelen.

    Op 16 september 2007 uploadde een Japanse YouTuber die zich ‘Computing Aesthetic’ noemde een 48 seconden durende video met de oorverdovende titel ‘ULTRA MEGA SUPER LUCKY SHOT’. De video toont een hoog scorende shot in Peggle, een immens populaire videogame waarin een balletje over het scherm klettert en punten verzamelt terwijl het door een menigte snoepkleurige pinnen stuitert, die kort nadat ze zijn aangeraakt verdwijnen; hoe meer stuiteringen, hoe meer punten. Hoewel Peggle enige vaardigheid vergt – voordat je het balletje schiet moet je als speler zorgvuldig op de lanceerder mikken die boven aan het scherm bungelt – ben je in principe overgeleverd aan de genade van de stuitering. Op het filmpje van Computing Aesthetic stapelen de punten zich op terwijl het balletje op goed geluk tussen pinnen stuitert. Bij het filmpje, dat bijna een kwart miljoen keer is bekeken, heeft hij geschreven: ‘Ik kon mijn ogen niet geloven toen dit gebeurde!!!!!!’

    Maar deze speler had misschien minder geluk dan hij dacht. ‘Bij Peggle wordt het schijnbaar willekeurige stuiteren van de balletjes tegen pinnen soms gemanipuleerd om de speler een beter resultaat te geven,’ geeft Jason Kapalka, een van de gameontwerpers, toe. ‘We geven de spelers bij ongeveer de eerste zes levels een flinke portie extra “geluk”, zodat ze niet gefrustreerd raken.’ Het bijsturen van elke stuitering met maar een paar kompasgraden – maar niet zo veel dat het balletje op een onrealistische manier door de luchtledige zwalkt – is genoeg om beginners aan te moedigen en het spel niet te ongeloofwaardig te maken, aldus Kapalka.

    Collectief onderhandelen

    Eerlijkheid is de onuitgesproken belofte van de meeste videogames. Een alwetende en almachtige ontwerper ziet erop toe dat een videogame ultiem rechtvaardig kan zijn, en dat verwacht de speler ook. Maar als videogames helemaal volgens de regels worden gespeeld, kan de speler zich toch bedrogen voelen. Sid Meier, ontwerper van het computerspel Civilization, waarin spelers een land door geschiedenis, politiek en oorlog heen loodsen, kwam er algauw achter dat hij de kansen moest vergroten om deze psychologische plooi glad te strijken. Na uitgebreid testen bleek dat een speler die te horen had gekregen dat hij 33 procent kans had op succes tijdens een wedstrijd en toch drie keer op rij van zijn tegenstander verloor, woedend en ongelovig zou worden. (Bij Civilization kun je drie keer opnieuw dezelfde wedstrijd doen totdat je wint, al kost elk verlies je wel punten.) Dus veranderde Meier het spel om het beter te laten aansluiten bij cognitieve menselijke functies; als je kans om een wedstrijd te winnen een op drie was, garandeerde het spel dat je bij de derde poging zou winnen – iets wat indruist tegen de wetten van de kansberekening, maar wel de illusie van eerlijkheid wekt. Noem het de geluksparadox: geluk hebben is leuk, maar te veel geluk is onrealistisch.

    Het voortdurend onderhandelen tussen spelers en ontwerpers dat eruit voortvloeide moet als een van onze meest abstracte vormen van collectief onderhandelen worden beschouwd.

    In vroeger tijden werd geluk in de regel toegeschreven aan goddelijk ingrijpen; spellen waren evenzeer het terrein van de goden als een manier om menselijke bekwaamheid te testen. Geluk was een belangrijke component van de spellen van de oude Egyptenaren, wier godheid Thoth volgens Plato de uitvinder van de dobbelsteen was. De dobbelstenen werden oorspronkelijk gemaakt van astragali, de kootbeentjes van gehoefde viervoeters, die na het polijsten voor Egyptische bordspellen werden gebruikt en voor een vorm van goddelijke waarzeggerij die astragalomantie werd genoemd. In graftombes zijn vervalste dobbelstenen aangetroffen samen met oeroude spelborden; ook al geloofden de oude Egyptenaren dat een dobbelsteenworp de goddelijke wil uitdrukte, ze waren er niet vies van om het lot een handje te helpen.

    Olaf Haraldsson, een elfde-eeuwse Noorse koning, stelde eens zijn geloof op de proef tijdens een potje dobbelen om een koninkrijk. Olaf was in een territoriaal dispuut verwikkeld met de koning van Zweden over het eiland Hissing; uiteindelijk besloot het tweetal het geschil met dobbelstenen te beslechten. De Zweedse koning gooide twee zessen en zei dat het geen zin had om verder te spelen. Olaf stond erop dat hij ook mocht gooien; als recente bekeerling tot het christendom was hij ervan overtuigd dat God de dobbelstenen gunstig voor hem zou laten rollen. Zijn geloof werd beloond met twee zessen. De mannen bleven om beurten hun dobbelstenen gooien, telkens twaalf punten. De zaak werd uiteindelijk beklonken toen bij Olafs laatste worp een van de dobbelstenen in tweeën spleet, wat resulteerde in een zes en een een en hem het koninkrijk opleverde met een ongeëvenaard gelukkige dertien.


    Geluk is even belangrijk bij moderne spellen, of het nu gaat om het rammelen met dobbelstenen in een beker of de verraderlijke kanskaarten bij Monopoly. Maar de rol ervan is veranderd: mensen hebben de teugels overgenomen van de goden en geluk is een designtool geworden dat de ervaringen en verwachtingen van spelers kan veranderen.

    Bij mechanische spellen is geluk de beschermende factor tegen het mechanisme zelf. Aan het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw merkte flipperkastenfabrikant Gottlieb uit Chicago dat beginnende flipperaars soms al tijdens de eerste momenten van het spel een bal verspeelden. Daarom introduceerden ze een metalen wandje in de vorm van een omgekeerde V, dat tijdens de eerste spelsecondes omhoogkwam tussen de flippers aan de onderkant van het apparaat zodat een verdwaald balletje niet in de goot verdween. Bij nieuwere flipperkasten wordt het blokkerende wandje door software bediend; of het omhoogkomt of niet is een kwestie van geluk en is versleuteld in het algoritme.

    Bij volledig digitale videogames is geluk nog dieper ingebakken in de ervaring en moet het actief worden gestimuleerd. Als de voetbal bij FIFA langs de doelman zeilt, of als een meute raceauto’s om onverklaarbare reden vaart mindert om je te laten inhalen, is er sprake van een spookachtige ingreep van de hand van de gameontwerper. Het gevolg van deze manipulatie is dat je je gevleid voelt en daarom betrokken blijft. Maar het is een truc die subtiel moet worden toegepast. Een speler die voelt dat hij stiekem door het spel geholpen wordt zal zich betutteld voelen; geluk is tenslotte alleen geluk als het echt onvoorspelbaar is.

    En daar beginnen de problemen.

    Toen de goden verantwoordelijk werden gehouden voor geluk, konden we daar alleen maar om bidden. Nu kunnen de architecten van ons spelerslot worden opgezocht op LinkedIn. Door die kennis zijn we gevoeliger voor geluk dat niet helemaal koosjer lijkt, en dat moeten de ontwerpers compenseren.

    Of de proefpersoon nu een duif, een rat of een mens is, de beste manier om aangeleerd gedrag te versterken is door het op willekeurige momenten te belonen

    ‘Zodra de speler zich bewust wordt van een vorm van pseudowillekeurigheid dreigt het plezier in geluk hebben ondermijnd te worden,’ zegt Paul Sottosanti, ontwerper bij Riot Games dat League of Legends uitbrengt, de meest gespeelde onlinegame ter wereld. Games waarbij je schijnbaar willekeurige beloningen krijgt maken vaak gebruik van een ‘pechtimer’, aldus Sottosanti, die garandeert dat je iets schijnbaar gelukkigs overkomt na een langdurige periode van tegenslag, variërend van tien minuten tot een uur, afhankelijk van het spel. Bij World of Warcraft hopen spelers elke keer dat ze een vijand verslaan met een ‘Legendary’ te worden beloond, een van de krachtigste wapens van de game. De kans dat je een Legendary krijgt is oneindig klein, maar ook daarvoor geldt een pechtimer. ‘Als een speler alleen maar wacht tot de pechtimer in werking treedt, kan de vermoeidheid toeslaan,’ zegt Sottosanti. ‘Het eerste wat ze voelen als ze eindelijk een Legendary krijgen is geen vreugde maar opluchting, misschien vermengd met treurigheid.’

    Hoewel pseudowillekeurigheden in sommige gevallen zijn ontworpen om een gevoel van eerlijkheid te creëren, speelt soms ook winstbejag een rol. Met de toename van het aantal zogenoemde ‘freemium games’ – gratis games die echt geld opleveren tijdens het spel door de verkoop van virtuele items – ontstaat de verleiding om een schijnbare speling van het geluk zodanig te manipuleren dat er meer geld wordt uitgegeven. Als voorbeeld van een goed gebruikte pechtimer noemt Sottosanti het populaire virtuele kaartspel Hearthstone. ‘De kans op een waardevolle kaart neemt toe met elk pak dat er niet een bevat,’ zegt hij. ‘Na ongeveer veertig pakken heb je de virtuele garantie dat je er een trekt.’ De pakken zijn te koop voor spelers.

    Deze techniek is rechtstreeks afkomstig uit een spelboek van de Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner, uit de jaren vijftig. Of de proefpersoon nu een duif, een rat of een mens is, zo ontdekte Skinner, de beste manier om aangeleerd gedrag te versterken is door het op willekeurige momenten te belonen. De ontwerpers van gratis spellen ontdekten dat ze door met variabele tussenpozen kleine prijzen uit te delen spelers langer geïnteresseerd konden houden – en geld konden laten uitgeven.

    Natasha Schüll is hoofddocent Media, Cultuur en Communicatie aan New York University en de auteur van Addiction by Design: Machine Gambling in Las Vegas. Wanneer een speler het gevoel heeft dat het geluk met hem is, zegt ze, ‘kun je dat toeschrijven aan een toegenomen activiteit van de neurotransmitters, zodat je weet dat er dopamine vrijkomt. Zelfs de dwangmatige pogingen om dat gevoel van euforie opnieuw op te roepen worden gestuurd door het beloningscentrum in de hersenen.’ Het vermogen van dopamine om ons in geluksjagers te veranderen is het duidelijkst zichtbaar in de effecten van sommige geneesmiddelen tegen de ziekte van Parkinson, die patiënten gokverslaafd kunnen maken doordat ze de hersenen vol dopamine laten stromen.

    En de verleiding om het zich voordoen van waarschijnlijkheden te manipuleren, en daarmee het menselijk brein aan te spreken, is nergens groter dan in de gokindustrie, waar de berekeningen meestal door software worden gemaakt, zowel bij internetspellen als bij fysieke spellen in een casino. De resultaten van elke moderne fruitmachine zijn gebaseerd op een geheimzinnig computernetwerk dat willekeurige getallen genereert, en niet op het fortuinlijke samenspel van drie houten wieltjes. Maar het verliezen van dat soort geluk kan demotiverend werken. Daarom maken gokmachines vaak gebruik van de fictie van fysiek geluk – door bijvoorbeeld de indruk te wekken dat je net een riante uitkering bent misgelopen doordat de laatste corresponderende goudstaaf of citroen net te vroeg tot stilstand kwam. Dat verleidt je ertoe om nog een keer voor die nog steeds astronomische pot te gaan.

    ‘Op een haar na gemiste kansen genereren letterlijk gemengde gevoelens,’ zegt Luke Clark, die als psycholoog onderzoek naar gokken doet aan de University of British Columbia. ‘Aan de ene kant wekken ze aversie bij mensen op, aan de andere kant doen ze de motivatie toenemen omdat je het gevoel hebt dat je het spel onder de knie krijgt.’


    Voor games die zwaar op geluk leunen is het handhaven van de illusie dat je er beter in wordt cruciaal. ‘De belangrijkste hersenstructuur is hier het striatum, een verzameling nuclei in het centrum van het brein, dat over het algemeen zowel beweging als beloning reguleert,’ zegt Clark. Dat gebied van de hersenen lijkt uitzonderlijk belangrijk voor het gevoel dat we de hand in ons eigen geluk hebben gehad. ‘Datzelfde gebied speelt een rol bij de vorming van gewoonten, die duidelijk ook relevant zijn voor verslaving.’

    Als je een speler ervan overtuigt dat hij beter wordt in een spel dat op geluk is gebaseerd, neemt de kans toe dat hij zijn geluk gaat tarten. ‘De gokindustrie is al jaren in staat om individuele spelers te volgen, duidelijke historische profielen van klanten op te stellen en algoritmen toe te passen die kunnen voorspellen wanneer iemand dreigt te stoppen,’ zegt Schüll. Op basis van deze profielen kunnen de uitkeringskansen midden in een goksessie worden aangepast door een speler een kleine beloning te geven zodat hij blijft doorspelen. Veel Amerikaanse staten hebben wetten die deze manipulaties verbieden. Freemiumgames, die momenteel niet onder dezelfde wetten vallen als de gokindustrie, kunnen deze bonusuitkeringen vrijelijk blijven geven zodat een speler denkt dat hij geluk heeft – en dus blijft spelen en geld uitgeven.

    Sommige ontwerpers hebben het manipuleren van het geluk überhaupt afgezworen. Larry DeMar, een bekende flipperspelontwerper, heeft de ballenredder lange tijd weggelaten omdat hij vond dat die de zuiverheid van het spel ondermijnde. Als je verliest, verlies je – pech gehad.

    Deze zuivere spelbenadering weet spelers helaas niet altijd te overtuigen. ‘Tegenwoordig zien mensen bijna overal manipulatiepatronen die er helemaal niet zijn,’ zegt Jason Kapalka, de ontwerper van Peggle. ‘Toen ik aan onlinegames werkte, was het bijna onmogelijk om sommige spelers ervan te overtuigen dat er niet op de een of andere manier met de resultaten was gesjoemeld. Mensen kwamen met ingewikkelde theorieën over dat beginners betere resultaten kregen zodat ze een abonnement namen, of dat ervaren spelers met betere resultaten werden beloond omdat ze zulte trouwe klanten waren enzovoort.’

    Ook gameontwerpers kunnen de draad kwijtraken. ‘Zelfs een ervaren ontwerper kan sommige details uit het oog verliezen als het project maar groot genoeg is,’ zegt Adam Saltsman, zelf een ervaren ontwerper, ‘en zelfs een ervaren speler kan een systeem verkeerd begrijpen en vaardigheid met geluk verwarren, of andersom.’

    Als spelen de manier is waarop mensen oefenen voor het leven, volgt daaruit dat we willen dat onze spellen vol onzekerheden zitten, vol grillige momenten waaraan we onze strategie moeten aanpassen. Maar we zijn veeleisender geworden ten aanzien van de hoeveelheid geluk die spellen ons gunnen – niet te veel, niet te weinig. Wat constant blijft is onze belangstelling voor het geluk dat we ervaren. ‘Als we geluk hebben bij een spel ervaren we een sterk gevoel van harmonie en verbondenheid, bijna alsof we het patroon hebben ontdekt, en het hebben voorspeld,’ zegt Schüll.

    De bron van dit geluk – of het nu de goden zijn of een willekeurige verdeling van kansen – is een kwestie van cultuur. Maar de boodschap van een ontmoeting met het geluk tijdens een spel is overal even troostrijk: we hebben gevonden wat we zochten.

    Auteur: Simon Parkin
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: © Justin Chin / Bloomberg via Getty

    Nautilus
    Verenigde Staten | nautil.us

    Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.

  • 7. Context: ‘Dit is pas het begin’

    7. Context: ‘Dit is pas het begin’

    Brazilië, Mexico, Algerije, de rest van Afrika, Griekenland, Groot-Brittannië, Oost-Europa…

    Sociale verantwoordelijkheid in Brazilië

    Sinds 2010 overweegt de Chinese graanmaatschappij Chongqing twee miljard dollar te investeren in het aanleggen van sojaplantages in de Braziliaanse deelstaat Bahia. ‘Maar in die zes jaar is er verder niets gebeurd, behalve dat de Chinezen er studie na onderzoek op hebben losgelaten. En nu dreigt het project zelfs te worden afgeblazen’, schrijft de Chinese zakenkrant Shiji Jingji Baodao. Waarom? Het project had immers de steun van de Braziliaanse overheid? ‘We denken dat Chongqing het vraagstuk van de sociale verantwoordelijkheid in Brazilië over het hoofd heeft gezien’, schrijft de krant.

    Volgens de Braziliaanse wet bestaat naast het recht op grondbezit ook het recht op vruchtgebruik van grond, aldus de krant uit Kanton, die zich baseert op een recent rapport van de Chinese overheid over agrarische investeringen in het buitenland. ‘In Bahia hebben bezitloze landarbeiders de gronden bezet die Chongqing op het oog had. De landarbeiders protesteren tegen de verkoop van de grond door de lokale overheid, omdat die transactie met een buitenlandse eigenaar de plaatselijke bevolking geen enkel perspectief biedt.’

    Voorzichtigheid in Mexico

    De Chinese investeringen in Latijns-Amerika zijn niet zonder risico voor de ontvangende partij. Daar hamert Jorge Guajardo op, de voormalige Mexicaanse ambassadeur in Beijing. In een interview met de Argentijnse televisiezender Cadena 3 zei de diplomaat dat de ontvangende landen geconfronteerd kunnen worden met het afbrokkelen van hun industriële capaciteit.

    De Chinezen verbinden als voorwaarde aan hun investeringen, vooral in de petrochemie en de metaal, dat zij uitsluitend willen werken met Chinese ingenieurs, Chinese arbeiders en Chinees materiaal. Dat leidt volgens Guajardo voor het betrokken land tot een definitief verlies aan banen en vooral ook van kennis in de betreffende sector.

    ‘Made in USA by China’

    Het ‘Made in USA’ verdwijnt langzamerhand en maakt plaats voor ‘Made in USA by China’, aldus U.S. News & World Report. De Chinese investeringen in de VS bereikten vorig jaar een recordbedrag van 15,7 miljard dollar, 30 procent meer dan het jaar daarvoor. Ruim 90.000 Amerikanen werken inmiddels voor een bedrijf met Chinese eigenaren.

    Sommige investeringen roepen weerstand op, zoals de aangekondigde overname van de aandelenbeurs in Chicago door de Chinese Chongqing Group. De transactie wacht nog op de goedkeuring van de federale overheid.

    Andere aankopen liggen minder gevoelig, zoals dat van onroerend goed, een markt waarop de Chinezen steeds actiever worden. ‘Probeert China de Amerikaanse economie binnen te dringen?’ vraagt U.S. News zich af. Maar volgens David Dollar van de denktank Brookings Institution getuigen de Chinese investeringen simpelweg van het streven naar diversificatie in een economie die stabieler is dan de Chinese.

    ‘De Chinese Exim Bank verschaft het geld, Chinese ondernemingen bouwen de fabriek, China legt heffingen op de natuurlijke bronnen van het land waarin wordt geïnvesteerd, verkoopt die op de wereldmarkt en lost zo de bankschuld weer af’

    Bruggenhoofd naar Afrika

    ‘Een Chinese onderneming gaat in Algerije mobiele telefoons produceren’, kondigde in september de website Tout sur l’Algérie aan. Volgens de directie van het Chinese bedrijf KVD, fabrikant van het merk Doogee, betreft het ‘de eerste telefoonfabriek in Afrika die naar andere landen op het continent zal exporteren’.

    Het is de eerste belangrijke Chinese investering in de Maghreb. Daar was een schenking aan voorafgegaan van Beijing aan de Algerijnse regering van 15 miljoen dollar, te besteden aan culturele projecten. ‘Maar laat men zich niet verkijken op de Chinese strategie bij het investeren in de Maghreb’, aldus de Algerijnse krant El Watan. ‘De Chinese Exim Bank verschaft het geld, Chinese ondernemingen bouwen de fabriek, China legt heffingen op de natuurlijke bronnen van het land waarin wordt geïnvesteerd, verkoopt die op de wereldmarkt en lost zo de bankschuld weer af.’

    Duits wantrouwen

    De Duitse regering heeft goedkeuring verleend voor de overname (voor 4,6 miljard euro) van de Duitse fabrikant van industriële robots Kuka door de Chinese fabrikant van huishoudelijke apparaten Midea. ‘Er is geen enkele aanwijzing dat door de overname de nationale veiligheid in gevaar wordt gebracht.’

    Toch heeft de overname in de politiek zo veel debat opgeleverd ‘dat Midea op voorhand gewaarschuwd is’, schrijft de _Frankfurter Allgemeine Zeitun_g. ‘Bij het minste geringste wordt Kuka een politieke affaire.’

    Volgens Handelsblatt belegden de Chinezen in het eerste semester van dit jaar al 10,8 miljard dollar in kleinere Duitse bedrijven, tegen 526 miljoen in heel 2015.

    Chinese columnist: ‘Dit is pas het begin’

    De Chinezen die door Europa reizen beperken zich niet langer tot de aankoop van luxe goederen, ze kopen de bedrijven op die deze goederen produceren, schrijft columnist Tao Duanfang op de economische website Caixin Wang. De poging dit jaar van de staalreus Jinjiang om zijn aandeel in het Franse staalbedrijf Accor van 15,6 tot 29 procent te verhogen, joeg de Fransen schrik aan.

    ‘Die angst van “het oude Europa” is niet onterecht, want deze episode is slechts het topje van de ijsberg van Chinese aankopen van de laatste tijd in Europa. Er zijn nog maar twee economische grootmachten in de wereld: China en de Verenigde Staten. De Europese weerstand daartegen, of die zich nu zachtjes manifesteert of hardop wordt uitgesproken, heeft niet veel om het lijf. Wat zal er van Europa overblijven?’


    Welkom in Griekenland

    De Chinezen, zowel toeristen als investeerders, zijn van harte welkom in Griekenland waar de Chinese onderneming Cosco sinds augustus voor 280 miljoen euro eigenaar en beheerder is van de haven van Piraeus, tot groot genoegen van zelfs een linkse krant als Efimerida Ton Syntakton. De krant zwijgt daarbij over de staking van de dokwerkers, die wekenlang uit protest de haven platlegden.

    To Vima meldt dat Piraeus door toedoen van de Chinezen dit jaar 14 procent meer containers zal verwerken dan vorig jaar, en het huidige record van 2 miljoen stuks ruimschoots zal verbeteren.

    Britse kerncentrale

    ‘De Chinese business rijst de pan uit’, zette de Britse krant i onlangs boven een bericht over de toenemende Chinese investeringen in de Britse economie, die in zes jaar tijd met 500 procent zijn gestegen. In 2016 hebben de Chinezen nu al al 4,1 miljard euro gestopt in Britse fusies en overnames. En als klap op de vuurpijl nemen zij voor 6,9 miljard euro een aandeel in de bouw van een kerncentrale in Hinkley Point in Engeland.

    In september gaf premier Theresa May het groene licht voor de centrale van het type EPR. De Chinese president Xi Jinping noemde dit volgens de Financial Times ‘een lichtend voorbeeld’ in ‘de gouden eeuw’ van de Chinees-Britse samenwerking.

    Toch hebben sommigen bedenkingen. In dezelfde krant schreef een Britse hoogleraar in internationale betrekkingen dat ‘Chinese staatsondernemingen een probleem kunnen gaan vormen’. Niet zozeer omdat het staatsondernemingen zijn, maar ‘omdat ze gecontroleerd worden door de Communistische Partij en in sommige gevallen door het Volksbevrijdingsleger’. ‘Het is zonneklaar dat als het om een politiek strategische industrie gaat als de energie-industrie, men dit soort instanties op afstand dient te houden.’

    1000 miljard voor Oost-Europa

    China is in 2012 een samenwerkingsverband aangegaan met zestien landen in Midden- en Oost-Europa. In deze gebieden investeren de Chinezen vooral in energie en infrastructuur. Zo heeft Beijing een contract gesloten met Bosnië en Herzegovina voor de bouw van een energiecentrale in Tuzla, en in 2015 een akkoord bereikt met Roemenië over een kerncentrale in Cernavoda. Eerder dit jaar opende een Chinese fabrikant van windmolens een kantoor in de Servische hoofdstad Belgrado met de bedoeling de hele Balkan van windmolens te voorzien.

    ‘Ter vergelijking’, schrijft de Servische krant Politika; ‘de Amerikaanse hulp bij de wederopbouw van Europa na de Tweede Wereldoorlog bedroeg 130 miljard dollar (omgerekend naar de huidige waarde). Nu zijn de Chinezen bereid om duizend miljard dollar in Europa te investeren!’

    Chinese ontwikkelingshulp: win-winsituatie?

    Er is veel kritiek op de Chinese ontwikkelingshulp in met name Afrika. Toch werkt het systeem wel, stellen onderzoekers.

    De Chinese strategie van ontwikkelingshulp bestaat sinds kort naast de westerse variant en verdient nadere beschouwing, schrijven drie onderzoekers in een artikel op de website The Diplomat. Hoewel zeer omstreden, lijkt de Chinese methode niettemin doelmatiger, stellen de auteurs – Ron Matthews, hoogleraar economie aan de Britse Defence Academy, Pling Xiaojuan, onderzoekster aan het Instituut voor Oost-Azië van de Universiteit van Singapore, en Li Ling, die economie doceert aan Chinese militaire academie. ‘De Chinese methode biedt (…) de mogelijkheid om gelijktijdig zowel de ontwikkeling van het betreffende land als de Chinese belangen te bevorderen.’

    Dankzij de ‘naar buiten gerichte’ Chinese regeringspolitiek hebben op dit moment 28 sectoren die voor China van strategisch belang zijn geïnvesteerd in meer dan 160 multinationale ondernemingen, waarmee voordelige handelscontracten zijn afgesloten in het kader van hulpprojecten, voornamelijk in Afrika. De investeringen richten zich voornamelijk ‘op sectoren die van gemeenschappelijk belang zijn voor de economische zekerheid, zoals voedsel, energie en delfstoffen’.

    ‘De hulp is niet altruïstisch, maar een mechanisme dat bedoeld is om de autonome ontwikkeling te bevorderen van het ontwikkelingsland’

    ‘De hulp is niet altruïstisch, maar een mechanisme dat bedoeld is om de autonome ontwikkeling te bevorderen van het ontwikkelingsland, waarbij wordt vermeden dat de burgers van het donorland een te zware last moeten dragen.’

    Een kenmerk van de Chinese strategie zou zijn dat ‘de hulp niet aan voorwaarden is gebonden, in tegenstelling tot de paternalistische westerse hulp, die wordt geboden op voorwaarde dat de ontvanger zich houdt aan de principes van de vrijemarkteconomie en van democratische hervormingen’.

    De Chinese hulp wordt vrijwel volledig bilateraal verstrekt, hetgeen Beijing in staat stelt de projecten te controleren die geheel worden uitgevoerd met Chinese partners. De hulp is verder samengesteld uit giften en renteloze leningen of leningen tegen lage rente, en gaan vergezeld van tal van scholingsprogramma’s en het sturen van medisch personeel en preventie- of hulpteams bij rampen.

    De miljarden dollars aan hulp en investeringen vanuit China hebben niets te maken met een neokoloniaal imperialisme, ondanks de westerse beschuldigingen van het tegendeel, concluderen de auteurs.

    Samengesteld door Lambiek Berends

  • Joseph Stiglitz: ‘De euro heeft niet de beloofde welvaart gebracht’

    Joseph Stiglitz: ‘De euro heeft niet de beloofde welvaart gebracht’

    In zijn nieuwe boek veegt Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz de vloer aan met de euro. Om de muntunie te redden zou het volgens hem goed zijn als sommige landen de eurozone verlaten.

    Keuze uit het archief

    Met ingang van 1 januari 2026 is Bulgarije toegetreden tot de eurozone. Daarmee hebben nu 21 van de 27 EU-landen de euro als betaalmiddel. Maar is dat wel zo positief? Niet als je het aan de econoom en analist Joseph Stiglitz vraagt. In dit interview van Le Monde van tien jaar geleden legt hij uit waarom de eurozone gebaat is bij minder leden.

    Een hoog werkloosheidscijfer, lage groei, groeiend populisme: volgens Nobelprijswinnaar economie Joseph Stiglitz draagt de euro schuld aan de ergste kwalen van de eurozone van dit moment. Als er niets verandert, voorspelt hij, zal de eenheidsmunt de lidstaten in een impasse drijven. In zijn onlangs verschenen nieuwe boek, De euro. Hoe de gemeenschappelijke munt de toekomst van Europa bedreigt, bespreekt hij welke hervormingen de muntunie mogelijk zouden kunnen redden. Daarbij schuwt hij het taboe niet van een ‘scheiding in goed overleg’ tussen de Unie en sommige lidstaten.

    U beschrijft de euro als een economische mislukking. Welke fouten hebben we gemaakt?

    ‘De weeffouten in de eenheidsmunt zitten er al in sinds de invoering. In 1992 dacht Europa dat een muntunie, waarbinnen de landen hun eigen economie niet meer via wisselkoersen en het renteniveau konden beïnvloeden, kon werken als de regeringen hun overheidsfinanciën maar op orde hielden en de inflatie in toom hielden. Ze voerden strenge begrotingsregels in en riepen een centrale bank in het leven die de prijzen moest bewaken. De markt, dachten ze, zou het evenwicht wel bewaren. Maar ze hadden het mis. De euro heeft niet de beloofde welvaart gebracht, maar in plaats daarvan tot verdeeldheid en ongelijkheid geleid. En toen de crisis toesloeg, ging het van kwaad tot erger.’

    ‘De Europese begroting moet veel ambitieuzer worden dan de huidige’

    Waarom?

    ‘Tijdens de crisis konden de zuidelijke eurolanden hun munt niet meer devalueren om hun export aan te jagen en zo hun economie te ondersteunen. In plaats daarvan moesten ze, om toch nog concurrerend te blijven, snijden in de salarissen, terwijl de werkloosheid explodeerde. Jonge hogeropgeleiden hadden geen andere keus dan massaal te emigreren, wat deze landen van hun kostbaarste bezit beroofde. Gedwongen door hun strakke begrotingen stopten deze regeringen vervolgens met nog in infrastructuur en onderwijs te investeren en trokken daarmee een wissel op hun toekomstige groei. Deze vicieuze cirkel moet hoognodig worden doorbroken.’

    De eurozone heeft sinds het uitbreken van de crisis haar instellingen versterkt, vooral door het invoeren van een bankenunie. Is dat niet voldoende?

    ‘Jawel. Maar de derde pijler van die bankenunie, het depositogarantiestelsel, is er bijvoorbeeld nog niet. Sommige landen schrikken ervoor terug om het in te voeren. Maar hoe langer de eurozone wacht met het doorvoeren van dergelijke noodzakelijke hervormingen, hoe groter het risico op een nieuwe crisis wordt. En als die er komt, zullen landen sneller de eurozone verlaten.’

    Wat zou er allereerst moeten gebeuren?

    ‘De bankenunie compleet maken en een garantiestelsel voor overheidsschulden invoeren. Maar ook moet er een Europees solidariteitsfonds komen ter bevordering van de stabiliteit, dat landen helpt die in een recessie dreigen te raken. Er bestaat momenteel ondersteuning voor landen die zich aansluiten bij de Europese Unie. Waarom zou je die landen opeens niet meer ondersteunen als ze eenmaal binnen zijn? Tot slot is het essentieel om de begrotingsregels te versoepelen, zodat landen niet langer gedwongen worden om tijdens een recessie in hun toekomstige uitgaven te snijden.’

    U roept op om de overheidsuitgaven te verhogen. Waar moet dat geld vandaan komen?

    ‘Je kunt niet heen om een veel ambitieuzere Europese begroting dan de huidige. De inkomsten daarvoor zouden kunnen komen uit een kleine progressieve belasting voor particulieren en bedrijven. Dat zou een dubbel voordeel bieden: er komen Europese belastinginkomsten binnen, en tegelijk wordt er geharmoniseerd hoe er nu in de verschillende lidstaten mee omgegaan wordt. Dat zou ook helpen om de fiscale concurrentie, waar vooral Ierland en Luxemburg zich schuldig aan maken, terug te dringen. Verder maakt een Europese belastinggrondslag de uitgifte van Europese obligaties geloofwaardiger.’

     


    Europese obligaties uitgeven op het moment dat regeringen zo weinig vertrouwen in elkaar hebben klinkt utopisch…

    ‘Het argument van het gebrek aan vertrouwen tussen landen is een slecht excuus. Je kunt prima zulke obligaties uitschrijven, zolang je maar regels opstelt die budgetoverschrijdingen beperken en verstandig beheer van de overheidsfinanciën door lidstaten garanderen.’

    Wat is het probleem met de Europese Centrale Bank?

    ‘Het mandaat van de bank – ervoor zorgen dat de inflatie niet boven de grens van twee procent uitkomt – is te zwak. Dat heeft tot enorme fouten geleid, zoals in 2011, toen die op het hoogtepunt van de crisis het rentetarief verhoogde. De missie van de ECB zou moeten worden uitgebreid met groei en werkgelegenheid, waarbij een grote flexibiliteit mogelijk moet zijn om van moment tot moment te reageren. Op dit moment zou bijvoorbeeld de prioriteit moeten liggen bij het omlaag brengen van de werkloosheid.’

    U heeft het over de mogelijkheid van een ‘scheiding in goed overleg’ tussen lidstaten. Hoe zou die in zijn werk gaan?

    ‘Een vertrek uit de eurozone van een lidstaat zou, zolang het maar goed geregeld is, relatief pijnloos kunnen verlopen. Daarbij zijn meerdere scenario’s denkbaar. Als Duitsland uittreedt, dan daalt voor de andere lidstaten de euro vanzelf in waarde, wat hun export een impuls zou geven. Duitsland zou in dat geval profiteren van zijn sterkere munt, waardoor de schuldenlast – die dan nog steeds in euro’s is – vermindert. Als een land als Griekenland de eurozone verlaat, stort meteen de waarde van de nationale munt in – waardoor dat land veel concurrerender wordt. De hoogte van de overheidsschuld, nog steeds in euro’s, zou daarentegen door het plafond gaan. Een herstructurering van de schuld wordt dan onvermijdelijk: maar als dit goed uitonderhandeld wordt, levert het geen al te grote problemen op. Het voorbeeld van Argentinië laat zien dat het een land, wanneer het van zijn schuldenlast bevrijd is en zijn wisselkoers weer zelf kan bepalen, economisch opeens voor de wind kan gaan.’

    Maar Argentinië zit juist aan de grond!

    ‘Vanaf het moment dat Argentinië zichzelf in 2002 failliet verklaarde en weer vanaf nul begon, maakte het een sterke groei door, van wel acht procent per jaar. Die hield aan tot 2008. De problemen waar het land nu in zit hebben te maken met het rampzalige economisch beleid dat daarna is gevoerd.’

    Wordt een land dat de eurozone verlaat niet altijd onmiddellijk door speculanten aangevallen?

    ‘De eurozone wordt inderdaad voortdurend door speculanten bedreigd. Als bij het referendum over de grondwetswijziging in Italië van dit najaar het Nee gaat winnen, dan zullen speculanten de verzwakte banken van dat land waarschijnlijk genadeloos aanvallen. Maar er bestaan instrumenten om ze tegen zulke aanvallen te beschermen, bijvoorbeeld door de kapitaalpositie van deze banken te controleren. Dat deed IJsland in 2008 om zijn munt te beschermen, en de economie van dat land staat er nu goed voor.’

    ‘Contant geld is zoiets twintigste-eeuws! In veel landen, vooral in Noord-Europa, is het al bijna helemaal verdwenen’

    U vindt dat wanneer Griekenland de eurozone verlaat, het land een elektronische munt zou moeten voeren. Gaat dat werken, in een land waar contant geld nog koning is?

    ‘Contant geld is zoiets twintigste-eeuws! In veel landen, vooral in Noord-Europa, is het al bijna helemaal verdwenen. Consumenten betalen contactloos, bedrijven boeken geld over… Gewoontes op dat vlak veranderen razendsnel. De overgang naar een elektronische munt in Griekenland, net als in heel Europa, zou de traceerbaarheid van financiële transacties een stuk eenvoudiger maken. Dat beperkt de mogelijkheden van fraude en belastingontwijking.’

    De Brexit is een eerste test hoe een scheiding zou kunnen verlopen. Hoe kan een Britse uittreding uit de Europese Unie het beste worden geregeld?

    ‘Er bestaat het risico dat men de scheiding voor Groot-Brittannië erg pijnlijk zal willen maken, zodat het Britse voorbeeld andere landen zal afschrikken die met het idee van uittreding spelen. Maar dat zou betekenen dat de Europese Unie verder door angst bijeengehouden wordt in plaats van door solidariteit. Dat zou een erg slecht signaal afgeven. De Europese leiders kunnen beter een nieuwe vorm van economische integratie met de Britten zoeken, waarbij aan ieders belangen gedacht wordt en waar iedereen van profiteert. Gebeurt dat niet, dan eindigen we allemaal als verliezer.’

    Naast een scheiding in goed overleg noemt u ook de mogelijkheid van een ‘flexibele euro’. Hoe zou die functioneren?

    ‘Het idee zou zijn om in de muntunie een pauze in te lassen, zodat er tijd is om hervormingen door te voeren die de levensvatbaarheid van de eenheidsmunt vergroten. Er worden dan tijdelijk binnen de eurozone drie of vier homogene groepen van landen gecreëerd, die ieder een andere euro gebruiken, elk met een andere wisselkoers. Zodra de hervormingen zijn doorgevoerd, gaan ze weer over op dezelfde munt, maar dit keer onder voorwaarden waarbij aan de welvaart van alle landen is gedacht.’

  • Het plezier van het ondernemen

    Het plezier van het ondernemen

    Sinds de Cubanen zelf bedrijfjes mogen oprichten, ontstaan overal op het eiland kleine initiatieven. Voormalig ambtenaar Luís verkoopt bijvoorbeeld sinds kort zijn eigen koffie.

    Bij het krieken van de dag hebben de slapelozen, de reizigers en de nachtwakers de primeur om van een kopje koffie te genieten dat de naam van dit heerlijke brouwsel alle eer aandoet. Vanaf drie uur ’s ochtends begint Luís Armando Cabrera Soler met de bereiding van zijn nectar in de dokterspraktijk aan de Calle 27 de Noviembre in Pinar del Río, 150 kilometer ten zuiden van Havana, waar hij woont. Zijn vrouw Madalina, arts, helpt hem bij het in gereedheid brengen van zijn uitrusting voor de straatverkoop: thermosflessen, tassen en een draagstel.

    Ondertussen snuift de bewaker die in de buurt werkt genietend het aroma op van de koffie die gezet wordt. ‘Ik heb een lampje op mijn pet gemonteerd zodat een klant niet naar een straatlantaarn hoeft te lopen om goed te kunnen zien, en uiteindelijk is dit lichtpunt ook een vorm van reclame,’ vertelt Luís. Hij is begonnen met één thermosfles en nu heeft hij er elke ochtend vijf. ‘Ik heb mijn assortiment allereerst uitgebreid met een cortadito, koffie met een wolkje melk, zoals me was aangeraden door een taxichauffeur die dat in Havana had gezien. Daarna ben ik verdergegaan met cappuccino en koffie met een chocoladearoma of gecondenseerde melk.’

    Een café beginnen is niet nodig: de klanten verdringen zich. ‘Kwaliteit is de beste reclame,’ verkondigt Luís. ‘Als ze me met een groot biljet willen betalen en ik heb geen wisselgeld, dan serveer ik ze gratis. Dat kost me geen geld, want uiteindelijk levert het me meer klanten op.’

    Luís met een klant in Pinar del Río.
    Luís met een klant in Pinar del Río.

    Over de koffie die hij gebruikt doet Luís niet geheimzinnig: ‘Café 100% Soler,’ zegt hij, terwijl hij het logo laat zien dat hij zelf heeft ontworpen. ‘Koffie die door mijn familie wordt geoogst en door mijzelf gebrand en gemalen. Mijn plantage in een dorpje hier in de buurt is niet groot, en daarom ben ik niet verplicht mijn productie aan de staat af te staan; maar ze is toereikend voor een heel jaar,’ legt hij uit.

    In principe is de Cubaanse staat de enige die koffieoogsten mag opkopen, en overtreding van deze wet staat gelijk aan diefstal of illegale export. De enige manier om koffie te vercommercialiseren is door het in winkels te kopen waar je betaalt in CUC’s, de Cubaanse peso die inwisselbaar is tegen een tarief dat veel te hoog is voor gewone Cubanen. Door de hoge prijzen in deze winkels nemen de onafhankelijke ondernemers (cuentapropistas) hun toevlucht tot de informele markt.

    ‘Het moeilijkste is om aan weggooibekers te komen,’ zegt Luís terwijl hij een klant zijn koffie serveert. ‘Omdat je die nergens kunt kopen, ben ik aangewezen op de welwillendheid van buren en vrienden die ze voor me meenemen uit het buitenland.’

    Door zijn creoolse humor weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen

    Eerst werkte Luís bij de inkoopafdeling van de benzineverkoopdienst van Pinar del Río, die onder het ministerie van Energie en Mijnbouw valt. Voorzichtigheidshalve heeft hij deze baan eerst met zijn straatverkoop van koffie gecombineerd, ‘Veel mensen zijn bang om hun baan op te zeggen en een eigen bedrijf te beginnen. Ik heb de sprong alleen maar gewaagd omdat mijn bedrijfsinkomsten regelmatig begonnen te worden en de werkuren voor mijn baan mijn bedrijfje in de weg begonnen te staan.’

    Door zijn creoolse humor en de vriendelijkheid waarmee hij een vuurtje geeft aan degenen die er eentje willen opsteken bij hun koffie, weet Luís zelfs de lastigste klanten voor zich te winnen. ‘Biljetten van hoeveel wil je terug hebben?’ grapt hij tegen een klant die geen kleingeld terug wil. ‘Ik zorg dat de mensen over de kleinste details tevreden zijn,’ licht hij toe.

    Om negen uur ’s ochtends loopt zijn verkoop ten einde, maar begint de voorbereiding voor de volgende dag: hij moet de koffie branden en malen, de thermosflessen schoonmaken met chloor, de servetten wassen waarmee hij de druppels opneemt, de vlekken verwijderen van het witte blad waarop hij zijn koffie serveert en ten slotte zijn boekhouding doen. Zo eindigt de werkdag van Luís Armando Cabrera, die er geen spijt van heeft dat hij een kleine ondernemer is geworden.

    Auteur: Ricardo Fernández
    Vertaler: Peter Bergsma

    14ymedio
    Cuba | 14ymedia.com

    Eerste onafhankelijk digitale medium in Cuba. Opgericht in 2014 door de Cubaanse activistische blogger Yoani Sánchez en de Cubaanse journalist Reinaldo Escobar. Omdat Cuba van alle landen in de wereld zo ongeveer de laagste internetconnectiviteit heeft, en de onlinecontent bovendien voortdurend door de overheid wordt gecheckt en gecensureerd, werkt de redactie niet online maar zet de content klaar en loadt die dan op in hotellobby’s. Van de 11,2 miljoen mensen in Cuba heeft iets meer dan een vijfde toegang tot het internet, en dan nog met name tot intranet, dat door de regering wordt beheerd.

  • Het morele kompas van de EU

    Het morele kompas van de EU

    Ze stond model voor de principiële premier Birgitte Nyborg in de tv-serie Borgen en voert onvervaard rechtszaken tegen Apple en Google. Maak kennis met de Deense Eurocommissaris Margrethe Vestager.

    Niemand had van haar, de dochter van twee lutherse pastores uit het strenge Jutland, zo’n pikante toespeling verwacht. Het was halverwege 2014 en Margrethe Vestager, op dat moment vicepremier van Denemarken, lag onder vuur vanwege haar pakket groeimaatregelen om de economie aan te jagen. De oppositie, onder aanvoering van Lars Løkke Rasmussen, smaalde dat haar bestedingsplannen ‘klein’ waren.

    ‘Sommigen vinden het een nogal klein plan,’ riposteerde ze met een ondeugende grijns. ‘Maar als mannen het over formaat hebben, zegt me dat niet zoveel – misschien omdat ik het vanuit vrouwelijk perspectief bekijk – mij interesseert vooral het effect.’ Het is een typerend voorbeeld van Vestagers scherpe humor en haar vermogen om verrassend uit de hoek te komen. Beide eigenschappen waren een goede basis voor haar reputatie als EU-commissaris, de rol die ze later dat jaar ging vervullen.

    Rasmussen, inmiddels premier, kan opgelucht ademhalen sinds zij is afgereisd naar Brussel, maar nu ontdekken de topmensen van de grootste multinationals tot hun frustratie hoe lastig Vestager te peilen is.

    Onlangs was het de beurt aan Apple-topman Tim Cook om te proberen haar van haar ingeslagen koers af te brengen, nu een onderzoek naar belastingconstructies in Ierland de makers van de iPhone miljarden kan gaan kosten. Maar naar verluidt waren zelfs de verwoede pogingen van de hartstochtelijke Cook om door haar koele, klinische gereserveerdheid heen te breken, 
tevergeefs.

    Antitrustzaken

    Apple is misschien wel haar meest politiek beladen dossier, want de zaak kan tot een ernstige diplomatieke breuk met Washington leiden. Maar Vestager is ook geruchtmakende antitrustzaken begonnen tegen het Amerikaanse technologiebedrijf Google en het Russische gasexportmonopolie van Gazprom. Beide bedrijven verwerpen beschuldigingen dat ze misbruik maken van hun dominante positie op de markt. Daarnaast heeft Vestager onlangs aangekondigd dat ze de belastingpraktijken van Google in het Verenigd Koninkrijk onder de loep gaat nemen en heeft ze miljoenenboetes opgelegd aan een kartel van Japanse auto-onderdelenproducenten. De EU zelf mag dan op belangrijke punten uiteen dreigen te vallen, de EU-commissaris voor Mededinging baant zich onvervaard een weg door de dossiers die variëren van multimiljardenfusies in de telecomwereld tot subsidies aan Poolse kolenmijnen. Maar het is de vraag hoe standvastig 
ze zal blijken in het afronden van haar opvallendste zaken. Nog niet duidelijk is of ze Google en Gazprom grote boetes zal opleggen, of uit is op een schikking.

    Voor de koffiedikkijkers die proberen te voorspellen hoelang ze haar rug recht zal houden, is Vestager een lastig te vangen persoonlijkheid. In de ogen van sommigen is haar benadering ongebruikelijk moreel gedreven, misschien als gevolg van haar kerkelijke opvoeding in het stadje Ølgod. Over haar meest complexe zaken praat ze vaak in krachtige termen: eerlijk of niet eerlijk.

    Margrethe Vestager in haar kantoor in het Berlaymont-gebouw in Brussel. – © Nick Hannes / HH
    Margrethe Vestager in haar kantoor in het Berlaymont-gebouw in Brussel. – © Nick Hannes / HH

    In veel interviews komt ze over als een harde tante, die liefst al voor zonsopkomst haar rondjes rent. Maar ze vertelt ook graag dat ze het leuk vindt om wollen olifantjes te breien en koekjes 
te bakken. De 47-jarige Vestager heeft een brede culturele belangstelling 
en noemt als haar favoriete fictie Het Alexandriakwartet, de vier boeken van Lawrence Durrell over de verwikkelingen van verschillende personages 
in het Egypte van de jaren dertig. Om niet al te intellectueel te klinken voegt ze daaraan toe dat de films die ze het vaakst heeft gezien die van de _Die Hard_-reeks zijn, over de heldendaden van Bruce Willis als onkwetsbare agent.

    Het moederschap is een belangrijk onderdeel van haar politieke identiteit. Ze vertelde enthousiast over het internetgebruik van haarzelf en haar drie dochters tijdens de persconferentie waarop ze de finesses van de antitrustzaak tegen Google uiteenzette.

    Op haar bureau staat altijd een hand van keramiek met een geheven middelvinger, die haar eraan herinneren moet dat er altijd wel iemand kwaad zal worden om haar beleid

    Voordat ze eind 2014 in Brussel aan de slag ging, werd Vestager beschouwd als de drijvende kracht in de centrumlinkse regering van Helle Thorning-Schmidt, waarin ze zowel minister van Economische Zaken als vicepremier was. Sidse Babett Knudsen, de hoofdrolspeelster van de Deense televisieserie Borgen, heeft zich in Vestager verdiept om zich voor te bereiden op haar rol als de principiële premier Birgitte Nyborg.

    Vestager, afgestudeerd econome, steeg snel op de politieke ladder; op haar negenentwintigste werd ze benoemd tot minister van Onderwijs en Kerkelijke Zaken, waarmee ze in feite de baas van haar ouders werd.

    Ze bracht zichzelf in problemen toen ze als minister van Economische Zaken de werkloosheidsuitkeringen moest verlagen. In een interview daarover gebruikte ze de zin ‘Sådan er det jo’ – zo is het gewoon. Die woorden veroorzaakten een storm van protest, waarin ze ervan werd beschuldigd gevoelloos en onverschillig te zijn. Met de uitdagende houding die typerend voor haar is speelde ze de controverse later uit door dezelfde zin negen keer in een belangrijke toespraak te gebruiken. 
Op haar bureau staat altijd een hand van keramiek met een geheven middelvinger, die een boze vakbond haar stuurde in de woelige nasleep van dit incident; die hand moet haar eraan herinneren dat er altijd wel iemand kwaad zal worden om haar beleid.

    Alec Burnside, een ervaren Brusselse advocaat die al zes commissarissen voorbij heeft zien komen, heeft Vestagers harde opstelling al bij eerdere dossiers gesignaleerd. Hij wijst op de ingrijpende beslissingen die ze heeft genomen door een fusie op de Deense telecommarkt te blokkeren en door haar voornemen om Google en Gazprom te vervolgen. Daarentegen heeft ze ook twee van de belangrijkste kartelzaken van de Commissie afgesloten, omdat ze niet verwachtte dat die nog ergens toe zouden leiden. ‘Je kunt dus niet zeggen dat ze een hardliner is,’ concludeert hij, ‘maar wel dat ze de regels toepast en bereid is moeilijke besluiten te nemen, ten goede of ten kwade.’

    Auteurs: Christian Oliver en Alex Barker
    Vertaler: Annemie de Vries

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.