Tag: kapitalisme

  • In een abonnementeneconomie stijgt de vraag naar hebbedingetjes

    In een abonnementeneconomie stijgt de vraag naar hebbedingetjes

    Of het nu muziek, mode of meubels betreft, voor wat vroeger een aanschaf voor het leven was, betaal je tegenwoordig een flexibel maandbedrag. Hoe het moderne kapitalisme het bezit afschaft en in plaats daarvan toegang tot ‘kleine luxe’ verkoopt.

    Weet u nog wat monchhichi’s zijn? Die kleine, pluizige poppetjes die in de verte aan een aapje deden denken en waarvan je de rechterduim als een fopspeen in het mondje kon steken? Ik ken ze nog uit mijn kinderjaren, een paar van mijn vriendinnetjes hadden er een. Zelf wilde ik liever een tamagotchi: een elektronisch speeltje dat je door middel van drie knoppen en een piepklein beeldschermpje moest verzorgen als een alienbaby.

    Was ik vandaag weer kind, dan zou ik precies weten wat er op mijn verlanglijstje zou staan: een labubu! Een potsierlijk wezentje dat in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar is die je allemaal kunt verzamelen, en dat zowel bij kinderen als volwassenen zo populair is dat erom gevochten wordt.

    De wens je geld uit te geven aan een onnodig maar gehypet artikel is niet nieuw. Maar veranderd is de kortstondigheid van zulke trends. Nu zijn het de labubu’s, een paar maanden geleden was het nog de Dubai-chocolade – mierzoete repen tegen buitensporige prijzen. Daarvoor waren het de Stanley-cups: drinkbekers met een ingebouwd rietje, waarvoor je nog bijpassende zakjes en ijsblokvormpjes kon kopen.

    Terwijl het leven overal duurder wordt, moet gehypete prullaria snelle bevrediging brengen

    Op sociale media wordt deze vorm van consumptie ‘little luxury’ genoemd: terwijl het leven overal duurder wordt, moet gehypete prullaria snelle bevrediging brengen. De figuurtjes die je moet verzamelen, de trendy snacks en kleine gadgets zijn weliswaar veel te duur, maar tegelijkertijd veel voordeliger dan echte aankopen waarvoor je maandenlang zou moeten sparen.

    Die bereidheid om je geld uit te geven aan kleinigheden komt niet uit de lucht vallen. Dat behoeften niet gewoon bevredigd worden, maar steeds opnieuw gecreëerd moeten worden, is zo ongeveer een basisprincipe van het kapitalisme. Hoe moeten de omzetten anders nog stijgen als we op enig moment tevreden zijn met wat we hebben?

    Daar komt bij: om ons als betalende klanten steeds kooplustig te houden, heeft de markt ons jarenlang met zachte hand getraind in het uitgeven van ‘kleine bedragen’. Heb je een auto nodig? Huur er gewoon een vanaf 79 cent per kilometer! Wil je series kijken? Voor 13,99 euro per maand gaat de wereld van het streamen voor je open! Een nieuwe sofa nodig? Voor een flexibel termijnbedrag van slechts 30 euro kun je die de volgende 24 maanden gewoon afbetalen. Dat kan comfortabel klinken: een muisklik, en daar heb je de serie, de auto of de meubels. Maar het systeem bindt ons voor langere tijd. In plaats van één keer betalen, betalen we soms maanden- of zelfs een leven lang.

    Feodalisme

    Laten we eens een paar eeuwen teruggaan, naar de tiende eeuw. In die tijd ontstond het systeem van het feodalisme, dat de maatschappelijke en economische orde van de middeleeuwen in West- en Midden-Europa bepaalde: vorsten, de adel en de kerk vormden de heersende klasse en bezaten de grond van de landerijen. In ruil voor afdrachten en trouwe ondergeschiktheid mochten hun onderdanen een stukje land bewerken. Slechts in zeldzame gevallen gingen de verpachte landerijen over in handen van de boeren. Men bewerkte land dat men niet bezat en moest een deel van de opbrengst afstaan zolang men leefde. Eigendom was onbereikbaar, afhankelijkheid was het basisprincipe.

    In de moderne tijd is het feodalisme als economisch systeem afgelost door het kapitalisme. En toch ontkom je er niet aan parallellen te trekken. Wat vroeger ‘lenen’ waren, wordt tegenwoordig ‘subscription economy’ genoemd: om toegang te krijgen blijven we eindeloos betalen.

    Een voorbeeld: Adobe. Vroeger kon je Photoshop, de software om foto’s mee te bewerken, kopen en dan was het programma levenslang jouw bezit (dacht je!) Nu betaal je maandelijks aan Creative Cloud: wie opzegt, krijgt meteen geen toegang meer.

    Labubu’s of Stanley-cups zijn weliswaar te duur, maar toch betaalbaar en dan héb je uiteindelijk toch ook echt wat

    Ander voorbeeld: streamingdiensten. Om al je favoriete series en films te kunnen bekijken is één aanbieder niet meer genoeg, je moet er meerdere hebben. De prijzen worden steeds hoger; zelfs de versies met reclame zijn intussen niet meer gratis. Wat begon als innovatie en vooruitgang in vergelijking met tv-kijken, is intussen gewoon een aanzienlijk duurdere variant daarvan geworden.

    Huur, verzekeringen, energie: deze vaste lasten maken al een steeds groter deel uit van onze uitgaven. Maar ook de zogenaamde ‘kleine maandbedragen’ voor streamingdiensten, abonnementen en dergelijke lopen beetje bij beetje op en houden ons gevangen in een web van terugkerende uitgaven: nooit zijn we vrij van schulden, nooit onafhankelijk.

    Geen wonder dat die ‘kleine luxe’ daarom voor veel mensen zo verleidelijk is. Labubu’s of Stanley-cups zijn weliswaar te duur, maar toch betaalbaar en dan héb je uiteindelijk toch ook echt wat – al is het maar een trendy prul waar een paar maanden later meer naar omkijkt. Wat uiteindelijk slechts resteert is het besef dat iedere aankoop ons vasthoudt in een systeem waarin de markt de winnaar is.

  • Erven wordt bijna net zo belangrijk als werken

    Erven wordt bijna net zo belangrijk als werken

    De grote vermogens van babyboomers betekenen dat ze meer geld hebben om door te geven. Een groot aantal mensen in Europa kan al comfortabel leven van een erfenis en werken is zelfs niet altijd meer nodig. Dat vormt een gevaar voor het kapitalistisch systeem en het functioneren van onze samenleving.

    Als je hard werkt, zul je succes hebben, krijgen kinderen te horen. De afgelopen decennia heeft dit advies voor de getalenteerden en ijverigen onder ons goed uitgepakt. Veel mensen hebben zelf kapitaal vergaard en zitten er warmpjes bij, ongeacht de hoeveelheid geld die ze hebben geërfd. Maar tegenwoordig groeit het belang van overgeërfde rijkdom in rijke landen, en dat is problematisch. 

    In ontwikkelde landen wordt dit jaar rond de 6 biljoen dollar aan vermogen geërfd, ongeveer 10 procent van het bbp, terwijl dat halverwege de twintigste eeuw in een aantal rijke landen gemiddeld 5 procent was. Het aandeel in de nationale productie dat gevormd wordt door geldstromen afkomstig uit erfenissen is in Frankrijk sinds de jaren zestig verdubbeld, en in Duitsland sinds de jaren zeventig bijna verdrievoudigd. Of jonge mensen het zich kunnen veroorloven om een huis te kopen en in redelijke welvaart te leven wordt bijna in even grote mate bepaald door overgeërfde rijkdom als door hun carrière. Deze verandering heeft alarmerende economische en maatschappelijke gevolgen, omdat ze niet alleen het meritocratische ideaal, maar ook het kapitalisme zelf in gevaar brengt.

    Iedereen erft meer

    De erfenisexplosie is ten dele een weerspiegeling van een rijk geworden, vergrijzende samenleving. Naarmate economieën rijker werden, vergaarden ze kapitaal per werknemer: kapitaal dat iemand moet bezitten. Maar aangezien het tempo van de economische groei is afgenomen en de huizenmarkt is ontploft, is de omvang van dit vermogen ten opzichte van de inkomsten uit arbeid snel gestegen. Nergens is deze combinatie van enorme rijkdom en aanhoudende economische stagnatie zo duidelijk als in Europa, waar de productiviteitsgroei al tijden bedroevend laag is.

    Meer vermogen betekent meer geld voor babyboomers om door te geven. En aangezien vermogen veel oneerlijker verdeeld is dan inkomen uit arbeid, zien we nu een ‘erfocratie’ ontstaan.

    Kijk maar eens naar de ontwikkeling van de vermogens van de superrijken. Tijdens een groot deel van de twintigste eeuw gingen enorme familiefortuinen vaak verloren door slechte investeringen, of door oorlog en inflatie. Zo is weleens berekend dat als de rijkste Amerikaanse families in 1900 passief hadden belegd op de beurs, per jaar 2 procent van hun vermogen hadden uitgegeven en het gangbare aantal kinderen hadden gekregen, er nu ongeveer zestienduizend oudgeldmiljardairs in Amerika zouden zijn. In werkelijkheid zijn er nog geen duizend miljardairs, en de overgrote meerderheid daarvan heeft dat vermogen zelf vergaard.

    Vandaar dat je bankiers en advocaten nu tegen elkaar ziet opbieden om de huizen van overleden taxichauffeurs te kopen

    Maar deze trend wordt nu gekeerd, misschien omdat miljardairs niet alleen rijkdom vergaren, maar ook beter worden in het behouden ervan. Volgens cijfers van investeringsbank UBS werden in 2023 drieënvijftig mensen miljardair dankzij een erfenis, niet eens zo veel minder dan de vierentachtig nieuwe miljardairs die hun kapitaal zelf bij elkaar hadden verdiend. Dat komt wellicht doordat het tegenwoordig makkelijk is om je vermogen in een indexfonds onder te brengen en doordat de principes van vermogensbeheer nu beter worden begrepen. Bovendien zijn veel regeringen zo vriendelijk geweest om de erfbelasting te verlagen.

    Maar wat nog het meest opvalt aan de erfocratie, is dat het hierbij niet alleen om de superrijken gaat. De gemiddelde erfgenaam is iemand die een gewoon huis erft, of de opbrengsten uit de verkoop daarvan, niet een superjacht of een landgoed. En de waarde van woningen is de afgelopen decennia de lucht in geschoten, vooral in steden als Londen, New York en Parijs. Degenen die het geluk hadden om onroerend goed te kopen vóór de aanhoudende stijging van de huizenprijzen, hebben daar veel aan verdiend en hun erfgenamen heel wat meegegeven. Vandaar dat je bankiers en advocaten nu tegen elkaar ziet opbieden om de huizen van overleden taxichauffeurs te kopen. Nu woonruimte in steden als New York en Londen bijna niet meer te betalen is, kun je je daar met een gemiddeld inkomen geen gemiddelde levensstijl meer permitteren. Je hebt er een behoorlijk kapitaal voor nodig – of je dat nou erft of gewoon krijgt van je ouders.

    Rentenier werken niet

    Als je dit alles in ogenschouw neemt, wordt het groeiende belang van erfenissen duidelijk. In Groot-Brittannië zal naar schatting een op de zes mensen die in de jaren zestig zijn geboren een bedrag erven dat groter is dan tien jaar het gemiddelde jaarsalaris van die generatie. Bij degenen die in de jaren tachtig zijn geboren is dat aantal een op de drie. Ondertussen zijn er schrikbarend grote verschillen in de omvang van de erfenissen die mensen krijgen. Een vijfde van de 35- tot 45-jarigen zal naar verwachting minder dan 10.000 pond erven, terwijl een kwart naar verwachting meer dan 280.000 pond zal erven.

    Voor aanhangers van het vrijemarktdenken zou de opkomst van de nieuwe erfocratie zeer verontrustend moeten zijn. Om te beginnen ontstaat op deze manier een klasse van renteniers die aan een reeks negatieve drijfveren blootstaan. Een belastingsysteem vol mazen betekent dat de rijken veel tijd besteden aan het omzeilen van de regels; die tijd zouden ze beter kunnen gebruiken om hun kapitaal in te zetten voor productievere doeleinden. Om hun bezittingen te beschermen ontpoppen huiseigenaren zich als nimby’s, die de bouw van nieuwe woningen tegenhouden en woningen onbetaalbaar maken voor degenen die niet op een erfenis kunnen rekenen. In de wetenschap dat ze kunnen terugvallen op hun erfenis zullen renteniers bovendien weinig motivatie hebben om te werken of te innoveren.

    Nog grotere zorgen baart het feit dat een erfenisloze onderklasse achterblijft – en steeds ontevredener zal worden

    Nog grotere zorgen baart het feit dat een erfenisloze onderklasse steeds verder achterblijft – en steeds ontevredener zal worden. Als het almaar moeilijker wordt om een woning te kopen en een comfortabel leven te leiden, zullen jonge mensen die zich op de arbeidsmarkt begeven steeds minder gemotiveerd zijn om zich in te spannen. En als ze het gevoel krijgen dat het systeem ze geen kansen biedt, zal hun vertrouwen in politieke middenpartijen verdampen.

    Daarom moet het probleem zo snel mogelijk worden opgelost. Het zou idioot zijn om te hopen dat vermogens worden vernietigd door inflatie en oorlog, zoals in de twintigste eeuw is gebeurd. The Economist is al lange tijd van mening dat erfbelasting de beste manier is om de erfocratie mee aan te pakken. Maar er bestaat zo veel weerstand tegen deze belasting dat regeringen allerlei mazen in de wet hebben gecreëerd, de drempel waarboven de erfbelasting geldt hebben verhoogd of de belasting maar helemaal hebben afgeschaft.

    Gelukkig zijn er andere middelen voorhanden. Op de juiste plek genoeg huizen bouwen is de allerbelangrijkste actie die regeringen kunnen ondernemen om het verband tussen werk en vermogen te herstellen. Het heffen van voldoende onroerendezaakbelasting, vooral grondwaardebelasting, zou ook helpen, omdat dit tot een verlaging van de huizenprijzen zou leiden en de kloof tussen huizenprijzen en inkomen zou verkleinen. En alles wat de in Europa zo broodnodige economische groei aanzwengelt zou de verhouding tussen het vermogen en het nationale inkomen omlaag brengen. De hoogtijdagen van de meritocratie brachten sociale mobiliteit, groei en welvaart met zich mee. Met een beetje hard werken kan die tijd terugkeren.

  • Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Waarom jongeren steeds minder vertrouwen hebben in de democratie

    Het fascisme uit de jaren dertig veroorzaakte een genocidale oorlog. Inmiddels zijn de herinneringen vervaagd, net als het stigma dat aan extreemrechts kleeft. En dat is gevaarlijk voor de democratie.

    Overal ter wereld sterft de democratie uit. Dit klinkt misschien als paniekzaaierij, en roept op zijn minst een aantal vragen op. Want wat betekent dat eigenlijk? Komen er dan geen verkiezingen meer? Wordt de oppositie als crimineel afgespiegeld? Als dat de maatstaven zijn, is het Rusland van Vladimir Poetin nog altijd een democratie. Er zijn namelijk zes politieke partijen vertegenwoordigd in de Doema, het federale parlement, en er zijn in Rusland meer dan twintig geregistreerde politieke partijen. Maar zoals je waarschijnlijk begrijpt, is Rusland geen democratie: het is een natie die van een autoritair naar een totalitair regime afglijdt. Sinds Stalins tijd werden er niet zo veel Russen om politieke redenen vervolgd.

    Het geloof in de democratie is onmiskenbaar op zijn retour. Uit nieuw onderzoek blijkt dat een vijfde van de Britten onder de vijfenveertig gelooft dat het land het best kan worden bestuurd door ‘een sterke leider die zich niet druk hoeft te maken over verkiezingen’, terwijl dit onder hun oudere landgenoten 8 procent is. Deze cijfers weerspiegelen wereldwijde trends.

    Uit een onderzoek van Cambridge-onderzoekers in 2020, uitgevoerd in honderdzestig landen, bleek dat jongere generaties steeds minder vertrouwen hebben in de democratie. Daarnaast toonde een analyse van het Pew Research Center aan dat in 2024 bijna twee derde van de burgers in twaalf hoge-inkomenslanden ontevreden was over de democratie, een aanzienlijke stijging ten opzichte van net onder de helft in 2017.

    Economische uitsluiting

    Waar komt dit vandaan? Het Cambridge-onderzoek concludeerde dat economische uitsluiting een belangrijke reden was voor ontevredenheid onder jongeren. We kunnen een wijze les trekken uit het geval van Rusland. Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, verklaarde de nieuwe Russische president, Boris Jeltsin, in 1990: ‘We zorgen ervoor dat de levensstandaard van de mensen niet daalt, en in feite moet die op den duur kunnen stijgen.’

    Binnen vier jaar werd het reële inkomen van Russen gehalveerd, en door de schoktherapie-beleidsmaatregelen belandden 32 miljoen Russen in armoede. In 2021 sprak nog slechts 16 procent van de Russen zich uit voor ‘het westerse model van democratie’. De chaos van het vrijemarktkapitalisme werd gepresenteerd als democratie, wat leidde tot een diep gevoel van desillusie – iets waar Poetin handig op inspeelde.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen

    Groot-Brittannië heeft niet geleden onder de verschrikkingen van het Rusland van de jaren negentig. Toch vormde de giftige combinatie van neoliberaal economisch beleid en bezuinigingen een zware last voor de jongeren. Het thatcherisme beloofde vrijheid, maar leverde in plaats daarvan onzekerheid op. Stabiele banen zijn verdwenen, huurprijzen zijn gestegen, lonen gedaald, de jeugdzorg is gedecimeerd en afgestudeerden worden geconfronteerd met torenhoge schulden voor het volgen van een universitaire studie.

    Jonge Britten zijn het slachtoffer geworden van een beleid waar de meesten van hen nooit voor hebben gekozen. Het is geen wonder dat democratie steeds meer aan aantrekkingskracht verliest voor hen en voor hun leeftijdsgenoten in andere landen die evengoed lijden onder het neoliberalisme. In Frankrijk bijvoorbeeld zegt bijna een derde van de jongeren het vertrouwen in de democratie te hebben verloren.

    Maar er is nog iets anders aan de hand. Neem de Verenigde Staten. De jaren zestig en zeventig vormden de ideale voedingsbodem voor de opkomst en triomf van een Trump-achtig figuur. De economie zat in een crisis: een giftige mix van hoge inflatie en stagnerende groei. Er vonden agressieve racistische protesten plaats tegen de burgerrechtenbeweging en er waren rellen door heel de VS. Er was ook veel meer criminaliteit en geweld, met een verdubbeling van het aantal moorden tussen het midden van de jaren zestig en het einde van de jaren zeventig.

    Nadat bijna zestigduizend Amerikaanse soldaten omkwamen in de oorlog in Vietnam, eindigde het conflict in een pijnlijke nederlaag en ontstond het gevoel dat de macht van de VS aan het afbrokkelen was. Het verzet tegen links was veel wijdverspreider, zoals blijkt uit de Hard Hat Riot van 8 mei 1970, toen in New York antioorlogsdemonstranten door honderden bouwvakkers werden belaagd. 

    Een vervaagd verleden

    De persoon die in die tijd het dichtst in de buurt van Trump nu kwam was George Wallace, een racist en aanhanger van segregatie, zij het nog altijd minder grof en leugenachtig dan de huidige gekozen president. Hij haalde 13,5 procent in de presidentsverkiezingen van 1968, en de VS kregen uiteindelijk Richard Nixon als president en daarna Ronald Reagan, een rechtse rakker van een heel ander soort. 

    Toch vertoonden de VS van de jaren zestig en zeventig veel minder ontvankelijkheid voor fascistische sympathieën dan in de jaren dertig. Charles Coughlin, een priester met nazisympathieën, had 30 miljoen luisteraars voor zijn radioshow op een Amerikaanse bevolking van minder dan 130 miljoen. Uit één opiniepeiling leek naar voren te komen dat hij wat populariteit en invloed betreft enkel voor president Franklin D. Roosevelt onderdeed.

    Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd

    Wat is er dan veranderd? De schaduw van het fascisme uit de jaren dertig, dat resulteerde in een genocidale vernietigingsoorlog, verliest aan kracht. Het stigma dat kleeft aan dictatuur en extreemrechts is verminderd. Amerikaanse kiezers uit de jaren zeventig waren misschien diep gedesillusioneerd, maar een Trump zouden ze te veel naar Mussolini vinden neigen, of zelfs een Hitler. Van deze angst is nu geen sprake meer.

    De democratie onder het kapitalisme wordt altijd al sterk ingeperkt door bedrijfsbelangen en plutocraten die veel meer macht hebben dan de gemiddelde kiezer. Wanneer het kapitalisme in een crisis belandt, zoals in 2008, wekken de fundamentele tekortkomingen ervan de woede op van het volk. Het gaat erom wie hiervan profiteert. Extreemrechts heeft een verbijsterend succesvolle sociale mediastrategie ontwikkeld die steeds meer volgelingen radicaliseert, terwijl links lichtjaren achterloopt.

    Mensen hebben alle reden om woedend te zijn, maar hun woede is verkeerd gericht. Het geloof in de democratie brokkelt af als gevolg van een falend economisch systeem, en als er geen overtuigende antwoorden op deze crisis komen, kan dat fataal blijken te zijn.

  • Filosoof Kohei Saito is voorvechter van economische krimp

    Filosoof Kohei Saito is voorvechter van economische krimp

    De Japanse hoogleraar filosofie vindt dat we moeten ontgroeien en minder buitensporig moeten consumeren. ‘Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is.’

    Stel je een wereld voor waarin je maar drie of vier dagen per week hoeft te werken. In je vrije tijd kun je sporten, tijd aan je dierbaren besteden, tuinieren of actief zijn in de lokale politiek. Bezorging binnen 24 uur, reclame en privévliegtuigen zijn verleden tijd, maar gezondheidszorg, onderwijs en groene stroom zijn voor iedereen gratis. Dat is het radicale ideaal dat de marxistische hoogleraar filosofie Kohei Saito voorstaat. Hij houdt een pleidooi voor ‘degrowth’, ‘ontgroei’, een doelbewuste krimp van de economie om zo de rijkdom beter te verdelen en over te gaan op een trager economisch stelsel waarin het welzijn van mens en planeet centraal staat.

    In de VS en andere rijke landen woedt onder voorvechters van klimaatmaatregelen steeds meer discussie over de vraag of economische groei moet worden ontmoedigd om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Het stimuleren van duurzame energie en groene technologie zal tot nieuwe banen en meer economische activiteit leiden. En ontwikkelingslanden hebben groei nodig om hun levensstandaard te verhogen.

    Maar pleitbezorgers van krimp zoals Saito en economen zoals Jason Hickel en Tim Jackson zeggen dat het vervangen van fossiele brandstoffen door groene energie niet volstaat. Volgens hen moeten de rijke landen, die verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de uitstoot van broeikasgassen, ook gaan minderen in hun energieverbruik en hun gebruik van grondstoffen uit ontwikkelingslanden, en zich meer richten op het voor hun burgers gratis maken van elementaire levensbenodigdheden als voedsel, onderdak, schoon water en energie.

    Waarom denkt u dat er steeds meer interesse is in kritiek op het kapitalisme en in economische krimp in het algemeen?

    De afgelopen decennia zijn onze samenlevingen overal ter wereld ernstig ontwricht door neoliberale hervormingen. En er is veel debat over het oplossen van de klimaatcrisis en het tegengaan van economische ongelijkheid. Maar de maatregelen werken niet en de klimaatcrisis wordt alleen maar erger. De mensen hebben te lijden onder banen zonder zekerheid, lage lonen en veel concurrentie. Mensen worden er ongelukkig van.

    Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie

    Krimp en een postkapitalistische samenleving zijn op dit moment in zekere zin natuurlijk nog een utopie. Maar anderzijds: voor mensen die echt op zoek zijn naar een alternatief, die zich echt zorgen maken om de crisis, is er binnen het bestaande kader geen oplossing te vinden. Ik zeg niet dat mijn oplossing alleen zaligmakend is, maar hij raakt wel een snaar, in deze algehele sfeer van onvrede en onbehagen, zeker onder de jongere generatie.

    Ik wil wat dieper ingaan op de kritiek op het kapitalisme zoals u die uiteenzet in Slow Down. Kunt u uitleggen waarom het kapitalisme volgens u de aanjager is van de ongelijkheid in de wereld en van de klimaatverandering?

    Karl Marx heeft aangetoond dat het kapitalisme de tendens vertoont om de economische ongelijkheid te vergroten, omdat onder dat systeem arbeiders worden uitgebuit, zodat het kapitaal zich ophoopt bij een kleine minderheid. En Marx zei ook dat in zo’n systeem van uitbuiting niet alleen mensen, maar ook de natuur wordt uitgebuit. Van die tendens waren we ons jarenlang niet bewust omdat rijke landen zoals de VS, Japan en de EU veel kosten elders konden onderbrengen. We hadden ons rijke leventje veelal te danken aan goedkope producten en grondstoffen die werden verkregen door uitbuiting van mens en natuur in het mondiale Zuiden.

    Door de globalisering heeft het kapitalisme nu de hele wereld veroverd. Dat betekent dat we alle kosten elders hebben ondergebracht. En nu kunnen we er nergens meer mee terecht, want China groeit, Brazilië groeit, India groeit: iedereen wil nu een kapitalist zijn en dan loopt het spaak. We hebben te maken met de wereldwijde ecologische crisis, de pandemie, de klimaatcrisis, de wedijver om grondstoffen, en dat is allemaal nauw verbonden met het kapitalisme en de neiging tot constante groei.

    Veel klimaatbeleid van tegenwoordig, zoals plannen voor een Green New Deal, zijn sterk gericht op meer hernieuwbare energie en groene technologie, met daarbij aanhoudende groei van de werkgelegenheid en de economie. Waarom is dat volgens u niet genoeg om iets tegen de klimaatcrisis te doen?

    Om te beginnen ben ik niet tegen technologie. We hebben hernieuwbare energie nodig. Elektrische auto’s en zo, die hebben we nodig. Ik ben voor het ontwikkelen van nieuwe technologieën en het investeren in goedkopere groene energie. Ik ben geen pleitbezorger van ‘terug naar de natuur’.

    Het probleem is dat we in het streven naar groei steeds meer en steeds grotere producten gaan verkopen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de SUV. Ook al stappen we over op elektrisch rijden, als we steeds grotere auto’s blijven maken, zullen we nog steeds veel energie en grondstoffen verbruiken die vooral uit het mondiale Zuiden komen. Dan komt er dus geen eind aan de roof van land en grondstoffen, de uitbuiting van mijnwerkers en de vernietiging van inheemse gemeenschappen, de ontbossing enzovoort.

    Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen

    Wat volgens mij nodig is: investeer vooral in die groene technologieën. Maar we moeten ook eens gaan praten over bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal auto’s, of van de vleesconsumptie, of van het vliegverkeer. Misschien moeten we privévliegtuigen verbieden. Misschien moeten we korte binnenlandse vluchten verbieden, omdat je evengoed de trein kunt nemen. Dat moet ook prioriteit krijgen.

    Het probleem met het mainstream debat over groen kapitalisme is dat het nooit gaat over het terugdringen van onze buitensporige consumptie en productie, want dat is iets wat het kapitalisme niet kan accepteren. Wil iedereen op aarde een fatsoenlijk leven kunnen leiden, dan moet het mondiale Noorden opgeven wat niet noodzakelijk is. Daar is het kapitalisme niet toe in staat.

    Daarom komt u met uw alternatieve economische visie van degrowth-communisme. Waarom zou het daarmee beter lukken om de mondiale klimaatdoelen te halen?

    Degrowth houdt in dat het bbp niet meer je enige toetssteen voor vooruitgang is. En dat je stopt met dingen die niet echt nodig zijn.

    Je kunt het bbp verhogen door dingen te produceren die niet echt nodig zijn, zoals privévliegtuigen. En ik zeg: misschien hebben we geen behoefte aan die dingen, want ze zijn alleen voor rijkelui en je maakt er de planeet mee kapot. Dus waarom steken we onze energie en ons geld niet in dingen die duurzamer zijn en die iedereen nodig heeft? Zoals gratis internet, gratis openbaar vervoer, gratis onderwijs, gratis zorg. Al die dingen die meestal aan commerciële partijen worden overgelaten, zeker in de VS, moeten uit handen van de commercie worden gehaald.

    Ons huidige model is dat de economie steeds groeit, zodat de taart groter wordt en iedereen een steeds groter stuk krijgt. Maar als we de economie zo laten groeien, produceren we enorm veel overbodige zaken. Als we overgaan op een economie zonder groei, wordt de taart niet meer groter. Dan moeten we de bestaande rijkdom met elkaar delen.

    Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten

    Er zijn natuurlijk dingen die we niet kunnen delen, zoals privé-eigendom. Maar wat we wel kunnen delen is bijvoorbeeld kennis en onderwijs, openbaar vervoer, cultuur, gemeenschappelijke landbouw, elektriciteit enzovoort. Dan kunnen we gelukkiger zijn, over meer essentiële goederen en diensten beschikken en een stabieler leven leiden.

    Dan hebben we niet meer om de twee jaar een nieuwe iPhone. Hebben we geen wegwerpmode meer. Geen industriële vleesproductie. Misschien ook geen McDonald’s meer, maar wel gezonder eten. Dan hebben we duurzamere kleding, die je jarenlang kunt dragen. Je levert er misschien iets voor in, maar je wint aan maatschappelijke rust, gemeenschapszin en betere producten.

    Sommigen wijzen erop dat het vertragen van de economische groei schadelijk kan zijn voor de landen die nog in ontwikkeling zijn. Wat zou krimp betekenen voor het mondiale Zuiden?

    Ik zeg niet dat het mondiale Zuiden de beginselen van krimp meteen moet omarmen. We moeten daar nog meer wegen aanleggen en huizen, scholen en ziekenhuizen bouwen. We moeten daar ook meer energiecentrales bouwen en zonnepanelen aanleggen.

    Maar ik vind dat ook die landen in hun groei meer prioriteit moeten geven aan het voorzien in basisbehoeften dan aan het stimuleren van winstgevendheid en concurrentie, de manier waarop ontwikkeling nu door de Wereldbank met structurele aanpassingsprogramma’s wordt afgedwongen. We hebben voor het mondiale Zuiden andere ontwikkelingsmodellen nodig.

    Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag

    Het verbruik van grondstoffen en energie zal in het Zuiden natuurlijk eerst stijgen, want hun verbruik ligt nu te laag. Hun ontwikkeling zal onvermijdelijk meer verbruik van energie en grondstoffen met zich meebrengen. Dat legt druk op de planetaire grenzen. Dat betekent dus dat het mondiale Noorden bewust naar krimp moet streven, omdat het zich te ver ontwikkeld heeft en overmatig produceert en consumeert.

    U schrijft in uw boek dat de transitie naar krimp niet van het ene op het andere moment hoeft plaats te vinden, en dat die overgang zelfs nu al gaande is. Kunt u een paar voorbeelden geven van stappen in de richting van degrowth?

    Frankrijk heeft een verbod ingesteld op korte binnenlandse vluchten, dat is een belangrijke stap. Sommige Europese landen experimenteren nu met minder arbeidstijd, zoals een werkweek van vier dagen. Gratis onderwijs en gratis zorg zijn andere voorbeelden. Gratis internet hoort daar ook bij, iets wat Jeremy Corbyn een paar jaar geleden in zijn verkiezingsprogramma had opgenomen.

    Verder de invoering van een maximum op jaarinkomens, en van werknemerscoöperaties, en de nationalisering van sommige bedrijven, zoals nutsbedrijven. Dat zijn een paar elementaire tegenmaatregelen die we binnen het kapitalisme kunnen nemen.

    Volgens sommigen is krimp een te grote politieke opgave en maak je jezelf niet populair als je de bevolking in het mondiale Noorden vraagt om bijvoorbeeld te gaan consuminderen. Wat is ervoor nodig om te zorgen dat de politieke prioriteiten zo breed worden verlegd? Is het wel realistisch om naar krimp te streven?

    In zekere zin is het een utopie, denk ik. Maar de gedachte dat het kapitalisme de komende decennia tot grote bloei zal leiden is ook utopisch, want we krijgen meer natuurrampen, inflatie en oorlogen, en met de klimaatcrisis wordt dat alleen maar erger. Dus het is naïef om te denken dat we op de een of andere manier ons leventje wel kunnen voortzetten. 

    Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild

    Ik denk dat er nu meer mensen zijn, zeker onder de jonge generatie, die radicalere verandering eisen. Ik vermoed dat bewegingen als de Sunrise Movement, Fridays for Future, Extinction Rebellion en Just Stop Oil vijftien jaar geleden nog niet op veel steun onder de bevolking konden rekenen en niet genoeg media-aandacht kregen. Maar ons wereldbeeld is nu radicaal aan het veranderen en mensen als Greta Thunberg hebben het debat echt naar een hoger plan getild. De herwaardering van waarden kan eigenlijk best snel gaan. 

    Capital in the Anthropocene (2020), is in november bij Arbeiderspers uitgegeven als Systeembreuk. Een nieuwe visie op kapitaal, natuur en maatschappij als antwoord op de klimaatcrisis. Het dit jaar in het Engels verschenen Slow Down: The Degrowth Manifesto is nog niet in het Nederlands vertaald.

  • Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Ondanks alle kritiek is het einde van het kapitalisme nog lang niet in zicht, schrijft de Duitse econoom Otmar Issing. ‘Het wordt tijd dat intellectuelen die af willen van de markteconomie zich bij die realiteit neerleggen.’

    Bij elke crisis van enige omvang verschijnen profeten ten tonele die het einde van het kapitalisme verkondigen. Dat soort voorspellingen kennen we al eeuwen. Maar tot nu toe zijn ze nooit uitgekomen, het kapitalisme heeft steeds weten te overleven en kwam vaak zelfs sterker uit crises tevoorschijn. Marx’ these van de noodzakelijke economische en sociale ontwikkeling en de onvermijdelijke ondergang van het kapitalisme bleek gewoon onjuist.

    Door een lang voor onmogelijk gehouden oorlog in Europa, de dreiging van een wereldwijde milieucrisis, het verwachte einde van het fossiele tijdperk, toenemende geopolitieke spanningen met het risico van handelsoorlogen, een voorspelbare strijd over de verdeling van inkomen en vermogen en het indrukwekkende succes van het Chinese economische model is een constellatie ontstaan waarin allerlei profeten wederom, en dit keer zeer nadrukkelijk, het einde van het kapitalisme zullen voorspellen. Door de veelheid aan crisishaarden verwachten ze min of meer dat het kapitalisme dit keer voorgoed schipbreuk zal lijden.

    De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem

    Behalve door deze cyclische bewegingen wordt het kapitalisme begeleid door een constante, je zou bijna zeggen ‘trouwe’ oppositie van talrijke intellectuelen. Ze maken over het algemeen geen onderscheid tussen het ongebreidelde negentiende-eeuwse Manchester-kapitalisme met zijn erbarmelijke omstandigheden en de moderne marktsystemen waarin de staat een essentiële rol speelt, door middel van allerhande interventies de economie corrigeert en stuurt, en zorgt voor een steeds breder sociaal vangnet. De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem. Hun aanval is simpelweg gericht op het ‘kapitalisme’ als zodanig, en onder die vlag vervalt dan ook de noodzaak tot differentiatie tussen de veelheid aan uitdrukkingsvormen.

    Creatieve vernietiging

    De Oostenrijkse macro-econoom Joseph Schumpeter heeft de markt beschreven als een medium van ‘creatieve vernietiging’ dat achterhaalde activiteiten verdringt en ruimte creëert voor vooruitgang; de markt functioneert als effectief stimuleringssysteem door succesvolle innovaties te belonen met winst. In de economische geschiedenis zijn daarvan ontelbaar veel voorbeelden te zien. Tijdens de pandemie werd de superioriteit van het marktmechanisme opnieuw overtuigend aangetoond. Neem alleen al BioNTech: het echtpaar Sahin reageerde op de uitbraak van de pandemie door, grotendeels gefinancierd door particulier durfkapitaal, zijn onderzoek te concentreren op het vinden van een vaccin. In onverwacht korte tijd presenteerden ze een oplossing die miljoenen mensen het leven heeft gered.

    Dat dit onderzoek is uitgevoerd op basis van door de overheid gefinancierd fundamenteel onderzoek doet geen afbreuk aan de effectiviteit van de markt als stimuleringsmechanisme. De markteconomie opereert tenslotte niet in een beleidsvrije ruimte, maar is geïncorporeerd in het staatsbestel. Het bevorderen van de wetenschap is een kerntaak van de overheid. In het samenspel van staat en markt ontstaan de beste resultaten.

    De voornaamste bron van scepsis of zelfs vijandschap ten aanzien van de markteconomie is echter de kritiek dat dit systeem onvermijdelijk in strijd is met fundamentele beginselen van rechtvaardigheid. Onder economen woedt al jaren een verhit debat over de ongelijkheid in de verdeling van inkomen en vermogen. Ook voorstanders van het marktsysteem zien hier het risico dat de grote en vooral toenemende ongelijkheid tot afnemende politieke acceptatie leidt. Deze opvatting gaat samen met het verwijt dat economische macht ook de politiek in zijn greep krijgt en dan ook het staatsbeleid in vergaande mate bepaalt. Die combinatie maakt dat de weg naar hervorming van het systeem definitief is afgesloten.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig. Voor hen is het marktmechanisme per definitie asociaal en onrechtvaardig. Aan meer motivering hebben ze geen behoefte, vooral omdat het socialisme klaarstaat als superieure, op rechtvaardigheid gebaseerde orde. Publicaties die deze lijn volgen, krijgen vaak religieuze trekjes.

    De oorsprong van deze antipathie ligt in een ver verleden. Plato staat als een prominent vertegenwoordiger vooraan in de rij. Zijn minachting voor alle economische activiteit, vooral voor handelaren, gecombineerd met het idee van een optimale staatsinrichting met een filosoof-koning aan het hoofd, heeft door de eeuwen heen diepe sporen achtergelaten, niet alleen in de filosofie. Het lijkt op het eerste gezicht vergezocht om van Plato via allerlei tussenstadia een lijn te trekken naar de pretenties van moderne intellectuelen; en toch zijn hun gemeenschappelijke wortels makkelijk te herkennen. De vergelijking strookt ook met de observatie dat deze elitaire, zich althans elitair voelende, groep zich vrijwel zonder uitzondering niet in de actieve politiek mengt. De rol van koning is nu eenmaal niet te vergeven, dus zou men zich in een democratie moeten bezighouden met de problemen van alledag. Dan kun je beter het idee van een betere wereld propageren, en daar is het socialisme bij uitstek geschikt voor.

    Een paar eeuwen later hebben de grote religies in dezelfde richting gewerkt. De geschiedenis van het communisme in de vroege kerkgemeenschappen dient nog steeds als referentiepunt voor een betere samenleving. De ontwikkeling van het christendom is te complex verlopen om het christelijke standpunt over de economie onder één noemer te kunnen brengen. Maar men doet de twee christelijke kerken geen onrecht door ze niet bepaald als verdedigers van het kapitalisme te zien. (De school van Salamanca en de katholieke sociale leer vormen belangrijke uitzonderingen. De huidige paus belichaamt als het ware het kerkelijke speerpunt tegen het kapitalisme.)

    Overlevingskunstenaar

    Met zijn veelsoortige, buiten het economische liggende wortels is en blijft het socialisme een idee dat, ondanks alle in de praktijk mislukte pogingen, kan worden beschouwd als een soort intellectuele overlevingskunstenaar. Het socialisme zien als een hopeloos mislukt idee is iets heel anders dan het kapitalisme in al zijn vormen goedkeuren. Ook is het niet voldoende om te wijzen op de fundamentele verschillen tussen het ongebreidelde Manchester-kapitalisme en moderne markteconomieën. Gebeurtenissen zoals de bankencrisis, waarbij na grote particuliere winsten de verliezen op de samenleving werden afgewenteld, perverteren de argumenten voor de markteconomie. Die zondeval wordt niet goedgemaakt door het feit dat de staat ongehoord heeft gefaald bij het reguleren van en toezicht houden op de banken.

    Het volstaat evenmin om sociale rechtvaardigheid een ‘wezelwoord’ (als een ei dat door een wezel is leeggezogen en zo van zijn inhoud is beroofd) te noemen, zoals de Oostenrijkse Nobelprijswinnaar voor economie Friedrich A. von Hayek deed. Met de roep om meer (sociale) rechtvaardigheid worden wereldwijd ideologische gevechten geleverd en verkiezingscampagnes uitgevochten en ook vaak gewonnen. Het is een hele uitdaging om liberale boodschappen, zoals die van de filosoof John Rawls, in een krachtige slogan uit te drukken.

    Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen?

    Het verdelingsvraagstuk vraagt om antwoorden, net als om het voor een zelfstandig leven, gelijke kansen en participatie noodzakelijke onderwijs. Het paal en perk stellen aan de macht van het geld is altijd al een belangrijk agendapunt van de neoliberalen geweest. In het tijdperk van de moderne netwerkeconomie is het een even urgente als moeilijke opgave geworden. Tegenover de vermoedelijk nooit aflatende beloften van een beter leven zal de markteconomie, met haar hoge eisen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, altijd haar uiterste best moeten doen de goedkeuring van de burgers te krijgen.

    Een onbevooroordeelde blik op de geschiedenis levert een eenduidige diagnose op. Alle experimenten om het socialisme in de praktijk te realiseren zijn uiteindelijk mislukt. Vrijheid en welvaart gedijen op lange termijn alleen in de combinatie van een democratische rechtsstaat en markteconomie. Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen? Ook al geeft het beeld van de ideeëngeschiedenis daarvoor niet veel hoop, het is toch zaak steeds opnieuw het debat aan te gaan. 

    Lees ook:

  • Davos 2022 maakte duidelijk dat de industriële elite niet klaar is voor ‘woke kapitalisme’

    Davos 2022 maakte duidelijk dat de industriële elite niet klaar is voor ‘woke kapitalisme’

    Op het World Economic Forum van mei 2022 in Davos kwamen rechtse populisten en sceptici uit de industriële sector in het geweer tegen een visie op zakendoen die verdergaat dan winst maken. Maar is de kentering nog tegen te houden?

    Het World Economic Forum (WEF) dat afgelopen mei [2022] plaatsvond in Davos had een triomf moeten worden voor gastheer Klaus Schwab. Bijna een halve eeuw nadat deze econoom in Zwitserland zijn eerste bijeenkomst organiseerde voor wereldleiders, CEO’s en financiers, leek zijn overtuiging dat bedrijven het algemeen belang moeten dienen te hebben gezegevierd over het oude idee dat bedrijven alleen maar bestaan om winst te maken voor hun aandeelhouders.

    In een boek dat tijdens het forum gratis verkrijgbaar was, verklaarden Schwab en zijn coauteur er zeker van te zijn dat het idee van ‘stakeholder-kapitalisme’, kapitalisme in dienst van alle belanghebbenden, eindelijk ‘gemeengoed was geworden’.

    Maar veel Davos-gangers leken daar minder zeker van, ook al liepen ze van het ene naar het andere panel dat toezeggingen deed om de CO2-uitstoot te verminderen en bezochten ze cocktailparty’s waar werd gelobbyd voor steun aan de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN. Het baarde hun steeds meer zorgen dat de grondbeginselen van het stakeholderkapitalisme – en de toenemende investeringen op het gebied van milieu, maatschappij en governance die daarmee gepaard gaan – onder vuur komen te liggen van populistische politici, tegenstanders uit de financiële sector en een ander soort activisten dan Schwab zich had voorgesteld.

    Elon Musk

    Elon Musk, misschien wel de meest prominente kapitalist van onze tijd, bestempelde de ESG-criteria voor duurzame beleggingen (milieu, maatschappij en governance) afgelopen mei als ‘zwendel’ nadat zijn bedrijf Tesla, baanbrekend producent van elektrische auto’s, was verwijderd uit de ESG-index van Standard and Poor’s (S&P). De scores van zulke indexen zijn afhankelijk van ‘hoe links een bedrijf is’, beweerde hij in een meme die op Twitter werd gedeeld.

    Tariq Fancy, in een vorig leven hoofd duurzaam beleggen van de Amerikaanse vermogensbeheerder BlackRock, noemt duurzaam beleggen nu ‘een gevaarlijke placebo’. Deze scepsis heeft overheden ertoe aangezet om strengere regels op te leggen. De Amerikaanse toezichthouder SEC stelt regels op om de ESG-referenties van beleggingsproducten kritisch door te lichten, en de ‘taxonomie voor duurzame financiering’ van de EU definieert inmiddels wat als groen geldt.

    ‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen’

    De conservatieve activisten die op jaarlijkse bijeenkomsten recordaantallen proteststemmen verzamelen, beijveren zich nu om de ESG-criteria en het stakeholderkapitalisme om te dopen tot iets wat holler, hypocrieter en zelfs schadelijker is: ‘woke kapitalisme’.

    Volgens Vivek Ramaswamy, een conservatieve ondernemer en auteur, is deze felle reactie veroorzaakt doordat de elite over de schreef is gegaan. Hij haalde deze maand meer dan 20 miljoen dollar op bij de libertaire techinvesteerder Peter Thiel en anderen om een anti-ESG-investeringsgroep te beginnen die volgens hem graag de olie- en gasaandelen zal kopen die grote vermogensbeheerders steeds meer mijden. ‘Ik werk hier al meer dan twee jaar aan en het voelde lange tijd alsof ik tegen de stroom in moest zwemmen,’ zegt hij. ‘Maar nu is het tij gekeerd.’

    Bekertje moraliteit

    Na de financiële crisis van 2008 werden de leiders van het bedrijfsleven en de financiële wereld gezien als ‘het tuig van de Amerikaanse richel’, zegt Ramaswamy, en hun wens om hun reputatie te herstellen viel samen met die van jongere werknemers om met hun werk een hoger doel te bereiken. ‘Bedrijven grepen die kans aan door ze naar Ben & Jerry’s te sturen, waar ze een bekertje ijs konden bestellen met een bekertje moraliteit erbij,’ zegt hij, verwijzend naar het merk van Unilever dat Black Lives Matter heeft gesteund en zich verzette tegen Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden. Het gevaar van dit soort activisme, zegt hij, is dat naarmate de stemmen uit het bedrijfsleven luider klinken, ‘een kleine elite daarvan gaat bepalen wat goed is voor de samenleving als geheel’. Volgens Ramaswamy gaat de bepalende culturele en politieke strijd van onze tijd niet tussen links en rechts, maar ‘tussen de kaste van managers en de moderne burger’. 

    Terwijl peilingen een scherpe daling laten zien van het Republikeinse vertrouwen in grote bedrijven, werken rechtse activisten aan het terugdraaien van veel veranderingen die zijn doorgevoerd onder de vlag van ESG en het stakeholderkapitalisme.

    De afgelopen twee maanden heeft een conservatieve belangengroep een rechtbank in Californië overgehaald om twee staatswetten tegen te houden die diversiteitsquota zouden hebben opgelegd aan raden van bestuur. Tijdens jaar-vergaderingen zijn tal van CEO’s, van Goldman Sachs tot Meta, door conservatieve aandeelhoudersgroepen onder druk gezet vanwege hun liefdadigheidsdonaties of gelijkheidsbeleid. Eén zo’n groep, het Free Enterprise Project, beweert het Amerikaanse bedrijfsleven te willen behoeden voor ‘de socialistische fundamenten van woke’.

    Sinds enkele jaren voelen CEO’s zich aangemoedigd door hun personeel en hun klanten (en door peilingen waaruit blijkt dat het bedrijfsleven meer vertrouwen geniet dan regeringen, non-profitorganisaties of media) om openbare standpunten in te nemen over onderwerpen die ze vroeger misschien hadden vermeden. Ook dit jaar kregen Davos-gangers van Edelman, een Amerikaans pr-bedrijf dat daar onderzoek naar doet, te horen dat de meeste mensen vinden dat CEO’s de verantwoordelijkheid hebben om zich uit te spreken over kwesties als klimaatverandering en discriminatie. Maar recent wetenschappelijk onderzoek toont aan dat de calculus achter het innemen van het soort sociaal-liberale standpunten dat een kapitalist als ‘woke’ zou kunnen bestempelen, complexer is.

    Nadelen

    ‘Uit mijn onderzoek blijkt dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen,’ zegt Vanessa Burbano van de Columbia Business School in New York, die de reacties heeft bestudeerd van werknemers van bedrijven die zich uitspraken over de ‘wc-wetsvoorstellen’ van 2017, bedoeld om voor te schrijven van welke wc’s transgenders gebruik zouden moeten maken. Ze ontdekte dat CEO’s die een standpunt over de kwestie innamen werknemers die het niet met hen eens waren demotiveerden, terwijl werknemers die het wel met hen eens waren niet op een zinvolle manier werden gemotiveerd. 

    Sommige bedrijven lijken zulke risico’s al in te calculeren bij het nemen van beslissingen over hun politieke interventies. Swarnodeep Homroy, universitair hoofddocent finance aan de Rijksuniversiteit Groningen, ontdekte dat bedrijven in staten met een sterk gepolariseerd electoraat eerder geneigd waren om te stoppen met het doen van donaties aan Republikeinen die de verkiezingsoverwinning van Joe Biden in 2020 ontkenden. Ze waren minder geneigd om dit te doen als ze politieke risico’s liepen, zoals het verspelen van overheidscontracten. 

    In Davos zeiden Amerikaanse CEO’s dat ze pragmatische ‘probleemoplossers’ in het Congres wilden aanmoedigen, maar een van hen klaagde off the record dat hij momenteel niemand zag in het midden van een steeds sterker verdeeld politiek landschap.

    ‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden’

    Die polarisatie zal er waarschijnlijk toe leiden dat meer CEO’s hun stem zullen laten horen bij de sociale geschillen die hun werknemers het meeste aan het hart gaan, zegt Vanessa Burbano. ‘Werknemers realiseren zich dat hun leiders voor een keuze staan over wat ze moeten zeggen en doen, en zijzelf kunnen daar mogelijk invloed op uitoefenen op een manier die vijf jaar geleden nog ondenkbaar was,’ zegt Burbano.

    Hoewel ze de motieven van hun critici wantrouwen, erkennen diverse voorstanders van duurzamere manieren van zakendoen de beperkingen van de ESG-criteria, die weliswaar ambitieus van opzet zijn, maar onduidelijk zijn omschreven.

    ‘Ik ben echt bang dat de ESG-criteria in een lippendienst zijn ontaard en dat het te veel een kwestie van afvinken is geworden,’ zegt lady Lynn Forester de Rothschild, wier Coalition for Inclusive Capitalism een invloedrijke groep op stakeholders gerichte CEO’s vertegenwoordigt.

    Bedrijven hebben geen andere keus dan milieuvriendelijker te worden

    Homroy op zijn beurt vermoedt dat bedrijven geen andere keus hebben dan milieuvriendelijker te worden, maar hij vreest ook dat ze steeds meer zullen terugschrikken voor een sociaal activisme dat hen kwetsbaar maakt voor aanvallen.

    De meeste Davos-gangers zijn nog steeds overtuigd van de commerciële kans die in elk geval door de ‘E’ in ESG wordt geboden, die van ‘environment’ oftewel ‘milieu’. De noodzaak om de overgang naar emissiearme technologieën te financieren is een aankondiging van wat McKinsey-consultants ‘de grootste herverdeling van kapitaal in de geschiedenis van de mensheid’ hebben genoemd. Sommigen geloven ook dat hun nieuwe sociale positionering zal helpen bij het aantrekken en vasthouden van talent.

    Vooralsnog, zegt Rothschild, zijn veel CEO’s vooral verbijsterd door de aanvallen op hun experimenten met een ander soort kapitalisme en weten ze niet wanneer ze opnieuw op de korrel zullen worden genomen. ‘Je weet nooit wanneer de piano op je hoofd zal vallen als je over straat loopt,’ zegt ze. En ook niet wie hem een zetje zal geven. 

    Lees ook:

  • Gedesillusioneerd door het kapitalisme keren deze Noord-Koreaanse vluchtelingen naar huis

    Gedesillusioneerd door het kapitalisme keren deze Noord-Koreaanse vluchtelingen naar huis

    Meer dan 33.000 Noord-Koreanen hebben de afgelopen decennia hun leven geriskeerd om de oversteek naar Zuid-Korea te maken. Een op de vijf zegt overwogen te hebben terug te gaan.

    Het is nog niet lang donker op de avond van Nieuwjaarsdag als een kleine, tengere man bij een van de zwaarst bewaakte grenzen ter wereld een plek uitkiest en over een 3 meter hoog hek klimt, zo’n 400 meter van de dichtstbijzijnde militaire post. Waarschuwingslichten flitsen, een alarm loeit. De man loopt haastig over het ruwe, met sneeuw bestoven terrein en zoekt zijn weg, hopend verborgen landmijnen te vermijden die hier na een oorlog in de vorige eeuw zijn achtergebleven. Zijn bewegingen worden af en aan geregistreerd door warmtecamera’s. Tegen middernacht heeft hij de overkant van de 4 kilometer brede gedemilitariseerde zone (DMZ) bereikt. Hij is weer thuis. In Noord-Korea.

    Enkele uren later beseffen Zuid-Koreaanse soldaten, die de beroering van de afgelopen avond als vals alarm beschouwden, dat ze de voetafdrukken van de man hebben gemist, net als de plukjes dons van zijn winterjack, die aan het prikkeldraad boven op het grenshek zijn blijven hangen. 

    Meer dan 33.000 Noord-Koreanen hebben de afgelopen decennia hun leven geriskeerd om hun repressieve thuisland te ontvluchten, met achterlating van de verzwakte economie, de angst die wordt gekweekt door de politieke goelags en de al drie generaties beslaande persoonlijkheidscultus die onvoorwaardelijke eerbied eist voor leider Kim Jong-un en zijn voorouders. De nieuwjaarshekklimmer, wiens naam niet bekend is gemaakt, behoorde tot het veel kleinere aantal mensen dat naar de geïsoleerde communistische staat terugkeert, na aan het leven in de buitenwereld te hebben geroken. 

    Honderden

    Officieel is volgens de Zuid-Koreaanse inlichtingendienst van dertig Noord-Koreanen bekend dat ze zijn teruggegaan nadat ze zich in het Zuiden hadden gevestigd. Onderzoekers en advocaten denken dat het werkelijke aantal veel hoger ligt, misschien wel in de honderden loopt. Soms wordt iemand die terugkeert een propaganda-instrument voor het Noord-Koreaanse regime en verschijnt dan in video’s of op persconferenties om in tranen zijn spijt over zijn vertrek te betuigen. Een handjevol verandert vervolgens weer van gedachten en ontsnapt nog een keer.

    ‘Het is lastig een schatting te maken, maar waarschijnlijk zijn het er veel meer,’ zegt Baek Nam-seol, hoogleraar aan de Korean National Police-universiteit, die met Noord-Koreaanse vluchtelingen heeft gewerkt en onderzoek naar hen heeft gedaan. ‘Er zijn er zeker die niet door de Noord-Koreaanse autoriteiten worden opgemerkt. Wij krijgen alleen een bevestiging wanneer Noord-Korea ervoor kiest om er publiciteit aan te geven.’

    Dat de man de grens over had weten te komen, zorgde in Zuid-Korea voor onrust over gebreken in de grensbewaking, helemaal toen bekend werd dat de man in november 2020 via dezelfde route Zuid-Korea was binnengekomen en dus twee keer aan de aandacht van de Zuid-Koreaanse militairen was ontsnapt. Maar voor mensen die zich in hun werk of onderzoek bezighouden met de integratie van Noord-Koreanen in het Zuiden, toont zijn besluit om al na een jaar weer terug te gaan vooral aan hoe moeilijk het voor Noord-Koreanen is om zich aan hun nieuwe thuisland aan te passen, zeker nu de pandemie hun isolement en economische problemen alleen maar vergroot.

    Buitenbeentje

    Bijna een op de vijf Noord-Koreaanse vluchtelingen in Zuid-Korea zegt overwogen te hebben om terug te gaan, volgens een onderzoek uit 2021 door het Database Center for North Korean Human Rights, een Zuid-Koreaanse non-profitorganisatie. De meesten gaven als reden dat ze hun eigen stad of hun familie misten. Sommigen zeiden dat ze zich gediscrimineerd voelden in Zuid-Korea, of dat ze de kapitalistische samenleving te competitief vonden.

    ‘Elke gemeenschap kent buitenbeentjes en dat geldt ook voor de Noord-Koreaanse vluchtelingengemeenschap’

    Joo Seong-ha, die in 2002 uit Noord-Korea is weggegaan en nu vooraanstaand journalist is bij een Zuid-Koreaanse krant, zegt dat hij nog steeds aan thuis terugdenkt: ‘Ik heb erover gedacht. Als je daar familie hebt, hoe kun je er dan niet over denken?’ Toch lukt het de meeste Noord-Koreanen na een paar jaar wel om zich te wortelen en hun weg te vinden in hun nieuwe land. ‘Elke gemeenschap kent buitenbeentjes en dat geldt ook voor de Noord-Koreaanse vluchtelingengemeenschap. Dit buitenbeentje besloot de DMZ over te steken.’

    Volgens Park Young-ja, onderzoeker bij de door de Zuid-Koreaanse regering gefinancierde denktank Korea Institute for National Unification, is het voor mensen die geen familieleden in het Zuiden hebben moeilijker om zich aan te passen. Dat zij tegen problemen blijven aanlopen – hoewel er al tientallen jaren duizenden Noord-Koreanen in Zuid-Korea leven, op televisie verschijnen, kandidaat zijn bij verkiezingen en eigen bedrijven beginnen – bewijst volgens hem dat de Zuid-Koreaanse samenleving veel meer moeite moet doen om hen te omarmen. ‘Het laat zien hoeveel belemmeringen er bestaan tussen Noord- en Zuid-Koreanen. Uiteindelijk is er integratie van het hart nodig.’

    Verschillen

    De beide Korea’s mogen dan een gemeenschappelijke taal, eetgewoonten en cultuur delen, in de zeven decennia sinds de Korea-oorlog zijn de verschillen in het leven aan beide kanten van de grens alleen maar toegenomen naarmate het Zuiden welvarender werd en Noord-Korea verder geïsoleerd raakte. Boven op de internationale economische sancties vanwege Kims nucleaire en militaire ambities heeft het Noord-Koreaanse regime ook nog eens strenge coronabeperkingen ingevoerd en daarmee een nog sterkere greep gekregen op de bevolking en op informatie die het land in- of uitgaat.

    Na een korte periode van dooi in de onderlinge betrekkingen in 2018, waarin Kim een ontmoeting had met de Zuid-Koreaanse president en beide kanten wat wachtposten in de gedemilitariseerde zone ophieven als blijk van goede wil, heeft Kim alle toenaderingspogingen en aanbiedingen voor hulp door de Zuid-Koreaanse regering van de hand gewezen. 

    Kims vader, Kim Jong-il, die zeventien jaar aan de macht was, had weinig op met vluchtelingen: dat waren in zijn ogen verraders. Maar niet lang nadat zijn zoon in 2011 de macht had over-genomen, begon Noord-Korea een bewuste campagne om gevluchte landgenoten tot terugkeer te verleiden; ze kregen amnestie aangeboden en een gemakkelijk leventje in ruil voor informatie over Noord-Koreaanse vluchtelingen in Zuid-Korea.

    ‘Er werd veel meer moeite gedaan om mensen op andere gedachten te brengen en ze te verleiden terug te keren’

    ‘Onder Kim Jong-un ging het regime de vluchtelingen in Zuid-Korea zien als een bedreiging voor zijn erfelijke leiderschap,’ zegt Kim Yun-young, universitair docent aan de Universiteit van Cheong en voormalig onderzoeker bij het Police Science Institute. ‘Er werd veel meer moeite gedaan om mensen op andere gedachten te brengen en ze te verleiden terug te keren, waarbij hun achtergebleven familieleden soms als gijzelaars werden gebruikt.’

    In een video uit 2016, gepost door een aan de Noord-Koreaanse regering gelieerde website, vertelt een veertigjarige man die was teruggekeerd uit bezorgdheid om zijn echtgenote die hij had achtergelaten, dat hij last had gehad van discriminatie en economische beproevingen toen hij in Zuid-Korea een nieuw bestaan probeerde op te bouwen. ‘Ik ben maar anderhalf jaar in Zuid-Korea geweest, maar elk moment daar voelde als tien jaar en elke dag was een hel,’ zei Kang Chul-woo in de video, gekleed in een donker Mao-pak met ter hoogte van zijn hart een button waarop de gezichten van Kim Jong-uns vader en grootvader stonden afgebeeld. ‘Overal waar ik kwam, werd ik minachtend en arrogant behandeld, omdat ik een Noord-Koreaanse vluchteling was.’

    Diezelfde man ontsnapte acht maanden later weer uit Noord-Korea, zo blijkt uit Zuid-Koreaanse rechtbankverslagen. Hij werd tot drieënhalf jaar cel veroordeeld omdat hij de Noord-Koreaanse autoriteiten informatie over medevluchtelingen had gegeven.

    Wanhoop

    In andere rechtszaken rond Noord-Koreaanse terugkeerpogingen klinkt de wanhoop door die ontsnapten ertoe drijft om weer terug te gaan. Een man die als dagloner in de bouw werkte, was voor zo’n 44.000 euro opgelicht en werd achtervolgd door deurwaarders. Iemand anders was de aanbetaling voor zijn huis kwijtgeraakt toen hij een schuld van 700 euro niet kon terugbetalen aan de man die zijn aanvankelijke ontsnapping had geregeld. Een man van in de zestig had een beroerte gehad en wilde zijn vrouw en zoon nog één keer zien voor hij stierf; volgens rechtbankgegevens beklaagde hij zich erover dat hij in Zuid-Korea als een gastarbeider werd behandeld.

    ‘In hoeverre was Zuid-Korea echt bereid om deze vluchtelingen te verwelkomen en te accepteren?’

    Sommigen hadden een groot bedrag aan contant geld bijeengebracht om ‘loyaliteitsgeld’ aan de heersende Arbeiderspartij van Noord-Korea te kunnen betalen. Ze hoopten zo vergiffenis te krijgen voor het feit dat ze het land hadden verlaten, iets waarvoor mensen normaal gesproken tot een strafkamp of dwangarbeid worden veroordeeld.

    De nieuwjaarshekklimmer, die rond de dertig was en onderzoekers zou hebben verteld dat hij turner was geweest in Noord-Korea, werkte als conciërge en kon maar moeilijk rondkomen, volgens berichten in plaatselijke media. 

    De economische narigheid waarmee Noord-Koreaanse vluchtelingen soms te kampen krijgen, bleek in 2019 nog eens extra duidelijk toen een alleenstaande moeder en haar zesjarige zoon dood werden aangetroffen in hun flat in Seoel, mogelijk omgekomen van de honger. De dood van deze moeder en zoon werd voor hun medevluchtelingen een symbool voor het protest tegen hun situatie. 

    Teken aan de wand

    Zuid-Korea biedt vluchtelingen de eerste vijf jaar geld om zich een nieuwe plek te verwerven, maar de meesten houden daar niets van over nadat ze de mensensmokkelaars hebben afbetaald. Ze vinden maar heel moeilijk een vaste baan. Volgens Jeon Su-mi, die als advocaat Noord-Koreaanse vluchtelingen bijstaat, raken velen van hen gedesillusioneerd door het individualisme en kapitalisme van hun zuiderburen. Dat vluchtelingen ervoor kiezen om vrijwillig terug te gaan, zou Zuid-Korea aan het denken moeten zetten, vindt zij. ‘In hoeverre was Zuid-Korea echt bereid om deze vluchtelingen te verwelkomen en te accepteren? Zij hebben hun leven gewaagd om hierheen te komen en riskeren het dan nog eens om weer weg te gaan. Dat zou een teken aan de wand moeten zijn.’ 

  • Waarom de hel van Squid Game bij Koreaanse kijkers veel minder afgrijzen wekt

    Waarom de hel van Squid Game bij Koreaanse kijkers veel minder afgrijzen wekt

    De Zuid-Koreaanse politiek filosoof Park Lee Dae-seung stelt dat de hitserie Squid Game van Netflix veel realistischer is dan zij lijkt. En die neiging tot ‘anti-fantasy’ is kenmerkend voor de Zuid-Koreaanse populaire cultuur.

    Een van de geheimen van de populariteit van Squid Game ligt in de speciale relatie met de realiteit. De serie is waarachtiger dan je zou denken. Het idee dat een machtig en mysterieus wezen mensen insluit om hun dodelijke spelletjes op te leggen, is al eerder verbeeld, maar dan vooral in het fantasygenre. Het geweld in deze serie daarentegen, hoe extreem ook, is realistisch, waardoor het geheel meer thriller dan horror is.

    Een van de schokkendste scènes is die waarin de gastheren van het spel hun maskers afzetten. Het blijken geen almachtige wezens te zijn, maar gewone mensen, net als de gamers. Achter het geweld waarbij bloed in het rond spatte en inwendige organen zijn gemutileerd, zit niet een transcendent wezen, maar zitten echte mensen met een gezicht.‘

    Opvallend is dat de Zuid-Koreaanse pers minder aandacht heeft besteed aan de inhoud van de serie dan aan de grote zegetocht van de nationale culturele industrie die Squid Game belichaamt. Misschien is de hel die in de serie wordt weergegeven niet heel schokkend of vreemd voor Koreaanse kijkers, maar de buitenlandse pers kijkt er gefascineerd en met afgrijzen naar.

    De wereldwijde rage die de serie heeft ontketend, toont de breedgedragen angst dat zo’n hel bestaat of dat die ons in de toekomst misschien wacht. Invloedrijke internationale media als The New York TimesThe GuardianLe Monde en Der Spiegel publiceerden artikelen waarin de ongelijkheden en het geweld in de Zuid-Koreaanse samenleving worden belicht. En dat heeft Koreaanse kijkers op hun beurt perplex doen staan. Ze zijn er niet meer zo zeker van of ze het wereldwijde succes van dit nationale product moeten vieren of dat ze hun wenkbrauwen moeten optrekken omdat de serie hun samenleving als een hel neerzet.

    ‘Squid Game is een allegorie van de Koreaanse samenleving, en die is op haar beurt een allegorie van het mondiale kapitalisme’

    Die neiging tot ‘anti-fantasy’ is kenmerkend voor de Zuid-Koreaanse populaire cultuur. Scheppers uit Hollywood of Japan geven eerder de voorkeur aan een andere planeet of een verre toekomst om eenvoudig en schaamteloos een metafoor voor sociaal geweld neer te zetten, omdat dat geweld in het echte leven vaak verborgen is. Sommige waarheden kunnen ze niet anders weergeven dan door middel van dystopische of apocalyptische fictie.

    Koreaanse kunstenaars daarentegen blinken juist uit door zich te richten op de realiteit. Het kelderappartement in de film Parasite van Bong Joon-ho uit 2019 werkt beter om sociale ongelijkheid te illustreren dan de laatste treinwagon die kriskras over een verwoeste planeet rijdt in Snowpiercer, een film van de Koreaanse regisseur uit 2013. Aangezien het verleden en het heden van Zuid-Korea er zelf van getuigen hoe sociaal geweld werkt, is het niet nodig is om toevlucht te zoeken in het fantasygenre.

    Het is lastig om een andere samenleving dan Zuid-Korea te vinden die zo duidelijk laat zien hoe het kapitalisme sociaal geweld reproduceert. Mensen in de toekomst hoeven alleen maar naar de geschiedenis van het land te kijken om het kapitalisme van de eenentwintigste eeuw te begrijpen, vooral als ze willen weten hoe mensen louter als object worden behandeld. Squid Game is een allegorie van de Koreaanse samenleving, en die is op haar beurt een allegorie van het mondiale kapitalisme.

    De personages Gi-hun (gespeeld door Lee Jung-jae) en Sang-woo (Park Hae-soo) nemen niet deel aan de games omdat ze arm zijn. Ze worden niet gedreven door een zucht naar rijkdom, maar hopen op een waardig leven zodra hun schulden zijn afbetaald. De spelleider belooft de winnaar niet zomaar winst, maar een morele beloning, namelijk teruggave van de menselijke waardigheid. Maar daarmee stelt hij de deelnemers voor het dilemma of ze bereid zijn te moorden om hun waardigheid terug te krijgen. Het morele gebod om schulden af te lossen drijft hen tot extreem geweld en verandert hen in moordenaars.

    Schuld of geen schuld

    Armoede en grote schuldenlast liggen in elkaars verlengde, maar veroorzaken op verschillende manieren ongelijkheid en geweld. Veel van de tragedies die zich in arme landen hebben voorgedaan, ontstonden door hun schulden aan westerse landen. Het sociale geweld dat ontstond in Zuid-Korea na de economische crisis van 1997 was niet te wijten aan de armoede van de staat, maar aan de schuldenlast. Het huidige kapitalisme is niets anders dan een mondiaal systeem van schulden waarin het financiële kapitaal heerst, dankzij het lenen van geld.

    Het verschil tussen schuld of geen schuld is niet hetzelfde als het verschil tussen arm en rijk, want ook iemand die rijk is kan in de schulden komen. Sterker, schrijft hij, je kunt alleen maar rijk worden door schulden aan te gaan. Want een ‘rijke’ is niet alleen iemand met veel geld, maar ook iemand die grote schulden aankan.

    Het daadwerkelijke probleem schuilt niet in de enorme kloof tussen arm en rijk, maar in de ongelijkheid tussen degenen die steeds meer verdienen aan schulden en degenen die verpletterd worden onder een schuldenberg. Het meest extreme geweld begint niet wanneer een kapitalist de armen uitbuit, maar wanneer financiers geld lenen aan de armen. Het verschil tussen ‘uitbuiting’ en te betalen ‘rente’ is net zo groot als het verschil tussen arbeider en slaaf.

    ‘De publieke opinie richt haar aandacht en woede ondertussen niet op sociale ongelijkheid, maar op de kloof tussen degenen die de jackpot hebben gewonnen en degenen met een enorme schuldenlast’

    En dit alles wordt weerspiegeld in Zuid-Korea. Ongelijkheid op de arbeidsmarkt, een groot aantal kleine tot zeer kleine ondernemingen, stijgende vastgoedprijzen, een bbp dat een ontwikkeld land waardig is en de drang naar financieel gewin hebben gezamenlijk investeringen en het aangaan van leningen aangejaagd. Reclame moedigt dit nog eens aan.

    Online zijn tal van verhalen te vinden over mensen die te veel schulden hebben gemaakt. De publieke opinie richt haar aandacht en woede ondertussen niet op sociale ongelijkheid, maar op de kloof tussen degenen die de jackpot hebben gewonnen en degenen met een enorme schuldenlast, als het gaat om onroerend goed, de aandelenmarkt of bitcoin.

    Falen betekent dat je niet opnieuw kunt beginnen, maar dat je in de afgrond van schulden wordt gestort. In Squid Game is Gi-hun het slachtoffer van een bedrijfsreorganisatie. Hij gaat ondernemen met een lening, faalt en leent opnieuw om de vorige lening af te betalen, enzovoort. Kapitaalverschaffers staan niet toe dat een verslagene bewegingloos en inactief blijft. Zolang hij nog kracht over heeft, zijn ze bereid hem terug te brengen in het economische systeem. Leningen zijn het instrument waarmee het kapitalisme de mens het meest effectief kan vangen.

    Financieel kapitalisme wordt vaak omschreven als een occult systeem dat het begrip van gewone mensen te boven gaat; als een geheim dat alleen kan worden onthuld met statistische formules die zijn bedacht door een wiskundige op Wall Street. Maar als je de aard ervan wilt begrijpen, hoef je alleen maar de route te bekijken die de kleine ondernemer in deze Koreaanse serie aflegt om hoe dan ook van zijn schulden af te komen: ziedaar het sociale wezen dat het kapitalisme heeft gefabriceerd uit schulden.

    Lees ook:

  • Hoe liegen de normaalste zaak van de wereld werd

    Hoe liegen de normaalste zaak van de wereld werd

    De drempel voor onoprechtheid ligt in het kapitalisme lager dan ooit. Betrouwbaarheid, nauwgezetheid en harmonie spelen in de race om het grote geld niet mee. Het is zelfs de vraag of we oprechtheid nog kunnen vertrouwen.

    Tranen liegen niet, zeggen ze. Als je huilt, heb je principieel gelijk, want je stelt je kwetsbaar op en vraagt om begrip. Je tranen zijn het bewijs dat je het eerlijk meent.

    Maar zakenvrouw Maria-Elisabeth Schaeffler werd belachelijk gemaakt nadat ze tegenover haar personeel in tranen was uitgebarsten. Van deze miljardair, die met de overname van bandenfabrikant Continental verkeerd had gegokt, werd dat niet geaccepteerd. En Madeleine Schickedanz, de erfgename van Quelle – of Arcandor, zoals het bedrijf sinds de fusie met Karstadt heet – verging het niet beter. In een interview zei ze dat ze sinds de surséance van het concern moest rondkomen van 600 euro in de maand en haar boodschappen nu bij de discounter haalde. Schickedanz was een paar weken daarvoor nog een van de rijkste vrouwen van de Bondsrepubliek, nu deed ze zich als slachtoffer voor  –  zonder tranen weliswaar – en hoopte op mededogen. Vergeefs. Haar openhartigheid werd gezien als zelfmedelijden, als cynisme tegenover de veel realistischer angst van de bezorgers van Quelle en de verkoopsters van Karstadt.

    Het is een van de paradoxen van onze mediademocratie dat we van onze elite authenticiteit verwachten, maar dat we, als ze eens authentiek proberen te zijn, juist weigeren hen te geloven. Want je hart uitstorten is niet moeilijk en tranen kunnen wel degelijk liegen als ze het resultaat van pure berekening in plaats van oprecht verdriet.

    ‘Niets is artificiëler, geconstrueerder, dan pure oprechtheid,’ schrijft Wolfgang Engler in zijn boek Lüge als Prinzip (De leugen als principe). We moeten elke demonstratie van eerlijkheid wantrouwen. Desondanks pleit de Berlijnse socioloog, voormalig rector en nog steeds docent aan de Ernst Busch Schauspielschule in Berlijn, voor een nieuwe cultuur van ‘oprechtheid in het kapitalisme’; zo luidt ook de ondertitel van zijn boek.

    ‘Om iemand recht in zijn gezicht voor te liegen moet je over een flinke dosis onverschilligheid beschikken’

    Want het tegenovergestelde van oprechtheid is de leugen. En de leugen heeft het kapitalisme daar gebracht waar het zich nu bevindt: in een crisis. Toch is de leugen lang onopgemerkt gebleven, omdat ze zich vermomd had. ‘Om iemand recht in zijn gezicht voor te liegen moet je over een flinke dosis onverschilligheid beschikken. Maar iemand “slechte schulden” aansmeren, gecombineerd met andere activa, is een stuk makkelijker,’ constateert Engler. Zijn diagnose is onverbiddelijk: ‘In de geschiedenis van het moderne kapitalisme ligt de drempel voor onoprechtheid lager dan ooit. Het bedrog volgt de wereldomspannende geld- en goederenstromen als een schaduw en is in de beschutting daarvan de gewoonste zaak van de wereld geworden.’

    Die ontwikkeling is begonnen met het ontstaan van een nieuw type ondernemer, de in onze samenleving freischwebende financiële jongleur. De financiële jongleur, door Franz Müntefering, de voormalig sociaaldemocratische vicekanselier, ‘aasgier’ gedoopt, is ‘ondernemer zonder onderneming’. Hij is voortdurend op zoek naar ondergewaardeerde bedrijven die hij infiltreert en naar start-ups die kapitaal nodig hebben, om ze inclusief hun ideeën op te kopen en vervolgens te verpatsen. Traditionele kwaliteiten als betrouwbaarheid, nauwgezetheid of harmonie doen er in deze race om het grote geld niet meer toe, hier regeren de deugden van het casino: waaghalzerij, gokken, wedden, speculeren.

    De globalisering leidt tot oneindig wijdvertakte handelsketens. ‘Risico’s worden verpakt, verkocht, afgelost, herschikt en van een nieuw etiket voorzien tot niemand er nog iets van begrijpt.’ Het is een systeem zonder gisteren en morgen. Het behalen van zo veel mogelijk winst komt in de plaats van langetermijndenken, tradities worden schouderophalend bij het grofvuil gezet. Soms doet Engler met zijn kritiek op het neoliberale gedachtegoed denken aan de retoriek van de partij Die Linke, maar in wezen is zijn argumentatie minder op de klassenstrijd dan op conservatieve waarden gebaseerd.

    Gutmensch-achtig

    Lüge als Prinzip is niet een eventjes snel geschreven pamflet over de crisis, het boek gaat veel dieper. Op zijn zoektocht naar een uitweg uit de huidige conflicten belandt Engler diep in de geschiedenis van het denken en de cultuur. Hij plaatst de financiële jongleur tegenover de achttiende-eeuwse burger, die bij zijn bevrijding van de adellijke hegemonie een reeks eigen morele principes heeft ontworpen. Oprechtheid, vertrouwen en eerlijkheid zijn tot op heden de voornaamste beginselen van de Verlichting. Er is geen andere manier om vertrouwen tot stand te brengen dan ‘tegenover onze naaste alles wat zijn nut bevordert of hem voor schade kan behoeden openhartig uit te spreken’, staat in een encyclopedie uit 1731.

    Een dergelijke onbaatzuchtigheid mag tegenwoordig gutmensch-achtig en naïef overkomen, in die tijd was het revolutionair. De woede richtte zich tegen het hof, tegen de uitspattingen en intriges van de barok, tegen de pruiken, jurken met korsetten en ruches en tegen een taal die verworden was tot een instrument van versluiering. ‘De taal is de mens gegeven om zijn gedachten te verbergen,’ merkte de Franse minister van Buitenlandse Zaken Talleyrand cynisch op. Napoleon, zijn toenmalige werkgever, noemde hem daarop een ‘mestvaalt in zijden kousen’.

    De mens in het algemeen moet weer ‘in de waarheid’ gaan leven. Rousseau wilde hem bevrijden uit de ketenen van de cultuur en hem naar de ‘vrije collegezaal van de natuur’ leiden. Diderot en de encyclopedisten beschrijven oprechtheid als een utopie van eerlijke communicatie, waarbij het erop aankomt niets voor zich te houden en zo de ander een onbelemmerde blik in het eigen innerlijk te gunnen. In zijn drama Le fils naturel treedt Diderot zelf als personage op om te verklaren dat alles wat op het toneel plaatsvindt, ook in werkelijkheid zo is gebeurd.

    ‘Echte gevoeligheid’ wordt steeds lastiger te onderscheiden van ‘gespeelde gevoeligheid’

    ‘Waarachtige fijngevoeligheid’ wordt een morele imperatief van het tijdperk van de Verlichting. De briefroman – van Goethe, Choderlos de Laclos of Laurence Sterne – beleeft een bloeiperiode, want in zijn brieven lijkt de ziel van de mens het meest tot uitdrukking te komen. ‘Fijngevoelige gesprekken’ vinden echter ook buiten de literatuur plaats, maar het wordt steeds moeilijker ‘echte gevoeligheid’ te onderscheiden van ‘gespeelde gevoeligheid’. Al bij de geringste aanleiding vloeien de tranen rijkelijk, bijvoorbeeld bij het afscheid van een vriend.

    Johann Heinrich Voβ, de Duitse vertaler van Homerus, heeft in 1773 in een brief aan Ernestine Boje zo’n melodrama beschreven. ‘De 12e september gaat me nog heel wat tranen kosten. Het was de dag dat Graf Stolberg afscheid moest nemen van zijn voortreffelijke hofmeester Clauswitz. We hadden punch laten maken, want het was een koele avond. We wilden de treurige stemming verdrijven door wat te zingen; we kozen Millers Abschiedslied. Hier was geen veinzen meer mogelijk; de tranen vloeiden rijkelijk en de ene na de andere stem viel weg.’ De brief eindigt met: ‘Ik kan niet verder, lieve Ernestientje, ik ben alweer in tranen.’

    Wolfgang Engler heeft met zijn lucide, af en toe haast poëtische essay een huzarenstukje geleverd. Een historisch panorama van een verre tijd die de onze weerspiegelt. De tranen van Maria-Elisabeth Schaeffler en Johann Heinrich Voβ hebben veel van elkaar weg, zoveel is duidelijk. We weten alleen niet of we ze kunnen vertrouwen.

  • Hoe een groep internetnerds het opnam tegen Wall Street – en won

    Hoe een groep internetnerds het opnam tegen Wall Street – en won

    GameStop, een noodlijdende winkelketen die videogames verkoopt, werd binnen een paar weken ineens een rijzende ster op de beurs. Hoe dat kan? Dankzij een groepje beleggers op een internetforum dat boos is op Wall Street en het systeem.

    ‘Iedereen heeft de koppen wel gezien. De aandelenkoers van de verlieslijdende winkelketen GameStop, een fysieke winkel die videogames verkoopt – in feite de Blockbuster Video [een videotheek] van onze tijd – is in de afgelopen drie dagen [sinds 24 januari] met 500 procent gestegen’, schrijft Ed Weinberg, zelf particulier belegger, in de Britse onlinekrant The Independent.

    Het begon allemaal met ‘activistische shortsellers’. Een shortseller is een speculant die erop gokt dat de aandelenkoers gaat dalen en winst maakt op het prijsverschil. Een activistische shortsheller haalt bovendien publiekelijk het desbetreffende bedrijf naar beneden, om mensen aan te moedigen hun aandelen te verkopen en de koersdaling een duwtje in de goede richting te geven.

    En dat is precies wat er ook gebeurde met GameStop. Volgens de shortsellers zou de winkelketen ten dode opgeschreven zijn. Maar de activistische shortshellers, waaronder beruchte Wall Street-hedgefondsen als Melvin Capital, hadden niet gerekend op de wraak van een groep particuliere beleggers op het Reddit-forum wallstreetbets – waarop 3,4 miljoen mensen actief zijn –, aldus Weinberg.

    Miljoenen kleine investeerders

    ‘Een makelaar uit Valparaiso in Indiana. Een voormalige kok uit de Bronx. Een evangelische dominee en zijn vrouw uit Huntington Beach in Californië. Een middelbare scholier uit de buitenwijken van Milwaukee’, somt The New York Times op. Ze behoren allemaal tot de miljoenen kleine investeerders die het opnemen tegen de grote Wall Street-jongens en -meisjes, en ze lijken het nog te winnen ook.

    ‘Aangespoord door een mix van hebzucht en verveling, vastbesloten om Wall Street een lesje te leren, en turbocharged door een eindeloze stroom van wordt-snel-rijkhypes en instructies via sociale media, hebben deze beleggers zich op de aandelen van verschillende bedrijven gestort, en de betreffende aandelenkoersen naar stratosferische hoogten doen stijgen’, schrijft NYT.

    GameStop-beleggers aan het woord

    The New York Times sprak met verschillende particuliere beleggers.

    ‘Ben Patte, zestien jaar, een middelbare scholier uit Wisconsin, zegt dat hij 750 dollar heeft verdiend met GameStop-aandelen, en dat de campagne voelde als gerechtigheid voor hemzelf en jonge collega-handelaars. “Het is een goede gelegenheid om geld te verdienen en de hedgefondsen de duimschroeven aan te draaien,” zegt hij. “Door GameStop te kopen, is het een beetje alsof je ze een koekje van eigen deeg geeft.”

    Naast GameStop heeft de wallstreetbets-groep ook de koers van Blackberry en bioscoopketen AMC opgestuwd om shortsellende hedgefondsen dwars te zitten.

    ‘Doordat de acties werden geframed als een stammenstrijd, een soort teamsport waarbij dappere nieuwkomers het opnemen tegen de Wall Street-elite, raakten veel particuliere beleggers gemotiveerd om deel te nemen’, aldus de New Yorkse krant. Deze week heeft Elon Musk, topman van Tesla, de handel aangewakkerd door op Twitter over het Reddit-forum te berichten. En er wordt steeds meer gespeculeerd dat andere beleggers nieuwe mogelijkheden zien om de waarde van GameStop nog verder op te drijven.

    bdd991239b958431386a22100ec09a6b
    De aandelen zijn sinds december met meer dan 1700 procent gestegen.

    Een bijkomend effect is een zogenaamde short squeeze. Een short squeeze doet zich voor wanneer een aandeel met een groot aantal shortsellers in prijs begint te stijgen, en shorters aandelen proberen te kopen tegen de huidige hogere prijzen om hun verliezen te beperken, legt de Amerikaanse tv-zender CNBC uit.

    ‘Ze zijn bezig met een door woede gedreven opstand tegen de gevestigde orde’

    Door al deze factoren steeg de marktwaarde van GameStop in enkele dagen tijd van 2 miljard dollar tot meer dan 24 miljard dollar. De aandelen zijn sinds december met meer dan 1700 procent gestegen. Tussen dinsdag en woensdag steeg de marktwaarde met meer dan 10 miljard dollar, noteert NYT.

    ‘Is dit gewoon een vreemde technische situatie, van het soort dat zich om de zoveel jaar voordoet, die verder kan worden genegeerd? Of vertelt deze ontwikkeling ons iets belangrijks over de marktomstandigheden in het algemeen?’ vraagt John Authers zich af in een opinieartikel op Bloomberg.

    Corrupt establishment

    Hoewel grote koersstijgingen normaal gesproken kunnen worden verklaard met ongebreidelde hebzucht en roekeloosheid, ziet Authers nu een andere motivatie: ‘Particuliere beleggers die een short squeeze forceren, worden niet gemotiveerd door hebzucht. Ze zijn bezig met een door woede gedreven opstand tegen de gevestigde orde.’

    En die woede heeft een diepere oorzaak dan het teloor zien gaan van je favoriete gamewinkel, waar je zulke goede jeugdherinneringen aan hebt: ‘De mensen die nu [in GameStop] investeren, worden gedreven door gerechtvaardigde woede, over de onrechtvaardige welvaartsverdeling tussen generaties [boomers en millennials, zoals Authers later beschrijft], over wat zij zien als de corrupte en oneerlijke manier waarop banken in 2008 werden gered zonder daarvoor de rekening te hoeven betalen, en over schrijnende armoede en ongelijkheid. Er is dus een groot verschil met alle speculatieve rally’s [als beleggers massaal een aandeel opkopen] en crashes die eerder hebben plaatsgevonden.’

    GameStop-beleggers aan het woord

    ‘Pablo Batista is een van de drijvende krachten achter de hausse. Sinds het restaurant in Midtown Manhattan, waar hij als kok werkte, door de pandemie werd gesloten, handelt hij in aandelen vanuit zijn ouderlijk huis in de Bronx. In het begin handelde Batista, 25 jaar, om de tijd te doden tijdens de lockdown, maar hij is serieuzer geworden nu zijn investering van 4000 dollar in aandelen is opgelopen tot meer dan 67.000 dollar Hij brengt de meeste dagen door op het communicatieplatform Discord, waar hij aandelen verhandelt samen met vroegere vrienden van de middelbare school.

    “Op dit moment ben ik overdonderd,” zegt hij over de 11.440 dollar die hij maandag verdiende met de handel in aandelen GameStop. “Het is belachelijk. Het is gestoord.”’

    Authers gaat verder: ‘Dit alles is fascinerend. In twaalf jaar tijd is de rol van de shortseller op zijn kop gezet. In 2008 waren het de shorters die de status quo verstoorden, onthulden wat er verrot was op Wall Street en de grote jongens ten val brachten. Ze waren zelfs de helden van een grote film [The Big Short (2015)]. (…) Shortsellende hedgefondsen worden nu gezien als onderdeel van een corrupt establishment.’

    Rimpeleffect

    Een van de getroffen hedgefondsen is Point72, geleid door Steve Cohen die ook eigenaar is van de New Yorkse honkbalclub The Mets. Het bedrijf heeft 15 procent verlies geleden door de koersstijging van GameStop, schrijft The New York Times in een ander artikel.

    De verliezen bij Point72, dat bijna 19 miljard dollar aan activa beheert, komen deels voort uit de investering van het bedrijf in Melvin Capital, een hedgefonds dat massaal was short gegaan op GameStop.

    Toen de aandelen stegen, werd Melvin opgezadeld met plotselinge verliezen en moest het fonds gered worden met een kapitaalinjectie van 2,75 miljard dollar van twee externe investeerders. Een van de redders was Point72, dat al ruwweg 1 miljard dollar onder beheer had bij Melvin, en deze week 750 miljoen dollar toevoegde om Melvin te helpen stabiliseren, aldus NYT.

    Vóór het GameStop-debacle was Melvin Capital een van de succesvolste hedgefonds met een kapitaalopbrengst van 30 procent, schrijft nieuwssite Popular Information.

    ‘Hedgefonds manager Gabe Plotkin is belachelijk rijk. In november kocht Plotkin een herenhuis van 32 miljoen doller in Miami met negen slaapkamers, twaalf volledige badkamers en vier halve badkamers. Om zijn privacy te beschermen, kocht hij ook het huis ernaast voor 12 miljoen dollar’, schrijf PI. ‘Plotkin genereert enorme winsten door grote risico’s te nemen.’ En die risico’s hebben dit keer verkeerd uitgepakt.

    ‘In de beleggingswereld noemen we deze beleggers lemmingen, ze volgen de massa’

    Dat heeft niet alleen gevolgen voor Cohen van Point72 en Plotkin van Melvin Capital. Het lijkt erop dat de short squeeze op GameStop voor een rimpeleffect op de beurs zorgt. Aandelen presteerden woensdag [27 januari] het slechtst sinds oktober, deels omdat beleggers zich zorgen maken dat andere grote fondsen ook met verliezen te maken kunnen krijgen, aldus de NYT.

    GameStop-beleggers aan het woord

    ‘Justin Speak, 27, een evangelische dominee uit Californië, en zijn vrouw, die onlangs haar baan opgaf om voor de kinderen te zorgen, hebben de afgelopen week 1700 dollar verdiend met GameStop-aandelen. Speak zegt dat ze het geld tot nu toe vooral hadden besteed aan een nieuw bed. Hij beschrijft hoe gefrustreerd hij zich voelt over hoe goed het degenen in de financiële sector is vergaan sinds de financiële crisis van 2008.

    “Verdienen aan hun pijn biedt een soort van catharsis,” zegt hij over zijn bescheiden verdiensten met GameStop. Zijn vrouw gebruikt stelligere bewoording: “Eet de rijken [Eat the rich].”’

    ‘Er is een nieuwe instroom van particuliere beleggers’, analyseert Weinberg in The Independent, ‘die volwassen zijn geworden in de tijd van automatisering en Bitcoin. Zij geloven niet in “waarde” – of eerder, zij begrijpen dat waarde is losgekoppeld van productie.’

    De opkomst van belegginsapps als Robinhood heeft miljoenen jongere en meer onlinegerichte beleggers naar de beurs getrokken, daardoor is de aandelenhandel ‘gegamificeerd’, aldus Weinberg. ‘Uit een onderzoek bleek dat Robinhood-gebruikers 88 keer zoveel optiecontracten kochten en verkochten als belegggers bij de meer traditionele beleggingsfondsen.’

    Ook nare gevolgen

    Maar Weinberg waarschuwt dat de GameStop-hausse ook nare gevolgen kan hebben voor de particuliere beleggers in de winkelketen. ‘In 2020 zag ik hoe Robinhood-gebruikers zich stortten op dwaze rally’s, zoals de run op het failliete autoverhuurbedrijf Hertz. In de beleggingswereld noemen we deze beleggers lemmingen, ze volgen de massa. Ze maken de minste winst wanneer een aandeel stijgt, en stappen er als laatste uit wanneer het aandeel daalt. En hetzelfde zal dit keer gebeuren.’

    Ondertussen zoekt de wallstreetbets-groep naar nieuwe mogelijkheden om short squeezes te forceren en Wall Street-hedgefondsen dwars te zitten, schrijft The New York Times.

  • De overheid als verzekeringsbedrijf

    De overheid als verzekeringsbedrijf

    Corona heeft de wereld niet alleen in een gezondheidscrisis en een recessie gestort, het luidt volgens Capital ook een nieuw economisch bestel in, nu belangrijke principes van het kapitalisme buiten werking zijn gesteld.

    Toen Berlijn in het voorjaar wegkwijnde, toen de meeste kantoren, restaurants en hotels waren gesloten en er geen toerist te bekennen was, werd één gast on-gewoon vaak in de hoofdstad gesignaleerd: Carsten Spohr, de baas van Lufthansa. Vaak zat hij te lunchen bij Midtown Grill op de Potsdamer Platz, waar ze uitstekende hamburgers serveren, maar vanwaar je ook de belangrijkste adressen – zoals het ministerie van Financiën en het kantoor van de Bondskanselier – snel te voet kunt bereiken. Na een paar minuten van de zon en de frisse lucht te hebben genoten, begaf de baas van Europa’s een-na-grootste luchtvaartmaatschappij zich dan naar bijeenkomsten met advocaten, ambtenaren, staatssecretarissen en ministers. 

    Op dat moment mocht het merendeel van de bijna zevenhonderd Lufthansa-vliegtuigen niet meer vliegen en zag de luchtvaartmaatschappij elk uur 1 miljoen euro verdampen. Spohr wist dat er maar één partij was die hem nu nog kon helpen: de overheid.

    Zoals bekend had hij succes, want in juni redde de federale regering Lufthansa met een staatsbelang en een lening voor een totaalbedrag van 9 miljard euro. Maar dat was nog maar het begin. Ook reisconcern Tui kreeg een kapitaalinjectie, en nog eens dertig bedrijven – waaronder werven, staalconcerns en toeleveranciers in de auto-industrie – hebben Berlijn inmiddels laten weten dringend geld nodig te hebben. De regering heeft voldoende kapitaal gereserveerd, in de eerste ronde alleen al 100 miljard euro voor staatsdeelnames.

    Corona heeft de wereld niet alleen in een gezondheidscrisis en een recessie gestort, het luidt ook een nieuw economisch bestel in. Belangrijke principes van het kapitalisme zijn buiten werking gesteld en de overheid dringt diep door in bedrijven, branches en markten. Centrale banken, staatshuishoudingen en bedrijven zijn met elkaar ‘verstrengeld als een bord spaghetti’, zegt top-investeerder Mohamed El-Erian.

    In een crisis als deze lijkt de overheid het enige instituut dat het vliegwiel van de economie weer kan aanzwengelen, en daarom komt ze overal tussenbeide. Sinds maart is dat ook noodzakelijk, om het verlies van miljoenen banen te voorkomen. Wat dit aangaat hebben regeringen en centrale banken geleerd van de economische crises in het verleden. En toch heerst er bij veel mensen een diep gevoel van onbehagen: waar leidt dit toe op de lange termijn?

    liam mcgarry ERp8mLTYE3k unsplash 2
    Over twee, drie jaar, als het virus hopelijk geen schrik meer inboezemt, treden de oude problemen weer op de voorgrond en waarschijnlijk nog nadrukkelijker: de groei zal nog altijd mager zijn, de kloof tussen arm en rijk zal groter zijn geworden. – © Unsplash

    Nieuwe macht

    Die vraag is des te meer gerechtvaardigd als je ervan uitgaat dat de nieuwe macht van de overheid niet met het virus zal verdwijnen. Als we zijn bekomen van de schrik over de pandemie, zullen de oude twijfels terugkeren over de zegen van een vrijemarkteconomie, over de grote belofte van het kapitalisme dat het groei en welvaart voor iedereen zal brengen. En misschien zullen die twijfels zelfs nog dringender zijn. Daarom heeft Joe Biden, de verkozen president van de Verenigde Staten, een plan gemaakt voor een nieuw pakket van 3 à 4 biljoen dollar. Duizenden miljarden dus voor de gezondheidszorg, de consumptie, de modernisering van de openbare infrastructuur, de ecologische energietransitie, zuinigere auto’s, nieuwe koelkasten. 

    Natuurlijk zullen er nog altijd bedrijven en branches zijn waarvoor het business as usual is, die winst maken en gezond zijn – dat is zoals gewoonlijk een kwestie van vraag en aanbod. Ook zullen er op de financiële markten elke dag weer biljoenen de wereld over worden gejaagd. En toch breekt er een nieuw tijdperk aan voor het kapitalisme.

    De dag dat de oude wereld teloorging, was 9 maart van dit jaar. De financiële markten waren al langer nerveus, maar die maandag stortten de beurzen en de grondstoffenmarkten in – de olieprijs daalde met ruim een kwart, de aandelenmarkten met 8 tot 10 procent. De besluiten die de belangrijkste centrale banken van de wereld in de dagen daarna namen, waren en zijn ongekend. De Amerikaanse Fed koopt sindsdien onbeperkt staats- en bedrijfsobligaties op. De Europese Centrale Bank (ECB) kwam eveneens met een extra programma om alle mogelijke waardepapieren op te kopen. Bijna veertig andere centrale banken over de hele wereld volgden die voorbeelden. 

    Dit soort interventies van centrale banken hebben iets onwerkelijks, door de onvoorstelbare bedragen en het hoge abstractieniveau. En ons dagelijks leven gaat gewoon door. We werken, doen boodschappen, proberen opdrachten binnen te slepen of wachten tot het leven weer is genormaliseerd. Maar ook wij merken de effecten van het vele geld; zo hebben de beurzen sinds de crash in maart 30 tot 40 procent aan waarde gewonnen en zijn ook de huizenprijzen in Duitsland onverstoorbaar verder gestegen. Wie voor de crisis vermogen had, zal tijdens de crisis waarschijnlijk nog rijker worden.

    Geld speelt geen rol meer, is het devies van de postcoronawereld

    Circa 2800 miljard euro aan staatsobligaties heeft de ECB inmiddels opgekocht, waarvan 700 miljard euro sinds eind maart. Van alle nieuw aangegane schulden door de eurolanden in 2020 heeft de centrale bank ruim 70 procent overgenomen. Nog eens 600 miljard euro heeft de ECB gestoken in bedrijfs- en consumentenleningen en pandbrieven. In totaal hebben de Fed, de ECB, de Bank of England en de Bank of Japan inmiddels schulden opgekocht ter waarde van omgerekend circa 18 biljoen dollar.

    Het aanbod van de centrale banken in 2020 luidt dus: om de boel in coronatijd en daarna draaiende te houden verlenen we onbeperkt krediet. Geld speelt geen rol meer, is het nieuwe devies van de postcoronawereld. En als bedrijven aarzelen, delen regeringen gewoon uit aan het volk. ‘De schuldenlast van de overheid is irrelevant,’ zegt de invloedrijke Amerikaanse econoom Stephanie Kelton in een interview met Capital.

    Paradigmaverschuiving

    Historicus en econoom Adam Tooze heeft dit beleid als geen ander geanalyseerd. Hij zegt: ‘De kredietsystemen voor het bedrijfsleven zijn nauw verbonden met de staatshuishoudingen en de centrale banken.’ De scheiding tussen het fiscale en het monetaire beleid, vele decennia een dogma van het kapitalisme, is ten grave gedragen. Michael Heise, hoofdeconoom van vermogensbeheerder HQ Trust, spreekt van een ‘paradigmaverschuiving’ en waarschuwt: ‘Er wordt niet gesproken over de mogelijke gevolgen voor de lange termijn.’ 

    De effecten van dit beleid zijn bijvoorbeeld te zien in de auto-industrie. Er zijn maar weinig branches waar de handel zo vaak via schulden verloopt. Deze nemen de vorm aan van leasecontracten of leningen, meestal van de huisbanken van de autofabrikant, die het geld daarvoor via obligaties verkrijgen. Zowel de leningen als de obligaties worden uiteindelijk opgekocht door de ECB, die al voor corona over circa 40 miljard euro aan obligaties en gesecuritiseerde leningen beschikte. Dat zou inmiddels wel eens aanzienlijk meer kunnen zijn. Het ontvangen geld van de ECB is beschikbaar voor nieuwe leningen, nieuwe auto’s of – via op de pof gefinancierde overheidssubsidies – voor elektrische auto’s.

    In principe zijn er twee mogelijkheden voor de overheid om de conjunctuur 
    te ondersteunen. Ten eerste door de consumptie te stimuleren, bijvoorbeeld via belastingverlagingen of cheques. Daarvan profiteert iedereen, maar dergelijke instrumenten zijn duur en het effect ervan is omstreden. Daarom nemen regeringen graag hun toevlucht tot gerichte hulp aan bedrijven en branches. Afgezien van de btw-verlaging is Duitsland met het conjunctuurpakket van 130 miljard euro vooral deze tweede weg ingeslagen. Directe hulp heeft verschillende voordelen, want het is beter te sturen en regeringen kunnen er doelen aan verbinden die ze belangrijk vinden. 

    Verzekeringsbedrijf

    Zo trok de federale regering tot 9 miljard euro uit voor de opbouw van een waterstofeconomie, 5 miljard voor verbetering van het mobiele netwerk, 5 miljard voor kunstmatige intelligentie, 2,5 miljard voor de uitbreiding van de elektromobiliteit, nog eens 2 miljard voor de auto-industrie, 1,2 miljard voor nieuwe bussen en vrachtwagens, 1 miljard voor luchtvaartmaatschappijen die nieuwe vliegtuigen kopen (Lufthansa) en 2 miljard voor bouwbedrijven. ‘Alleen wie geen belangenbehartiger aan tafel had, stond met lege handen,’ zegt econoom Jan Schnellenbach hierover.

    János Kornai, een voormalig hoogleraar economie aan de Harvard-universiteit, beschreef in 1986 wat er gebeurt wanneer bedrijven zich tot de overheid richten voor geld: ‘De bedrijfsleiding houdt zich dan niet bezig met de verkopen en de markt, maar met contacten met de bureaucratie.’ De overheid ‘functioneert dan als een allesomvattend verzekeringsbedrijf’, schreef Kornai. ‘Ze neemt alle verantwoordelijkheid voor riskante transacties op zich.’

    Groei en welvaart

    Lang voor corona zette econoom Mariana Mazzucato al vraagtekens bij het belangrijkste principe van liberale economen, namelijk dat groei en welvaart het best gedijen daar waar ondernemers ongehinderd zaken kunnen doen. Dat standpunt werd het felst verdedigd door de Oostenrijkse econoom Friedrich August von Hayek. Mazzucato bracht daartegen in dat alle varianten van hayekiaanse idealen – hoe mild ook – naïef zijn. Volgens haar onderschatte Hayek de rol van de overheid als ondernemer en manager schromelijk, omdat die tegenwoordig niet alleen de regels bepaalt, maar ook ideeënleverancier, grondlegger, financier en ontwikkelaar is. Van het begin van de spoorwegen tot de uitbreiding van atoomenergie en de ontwikkeling van internet, telkens hadden regeringen geld verstrekt, ideeën ingebracht, opdrachten gegeven en prioriteiten gesteld.

    Zo beschouwd is de nieuwe rol van de overheid geen blinde escalatie, maar een consequente uitbreiding. Maar wie betaalt, wil meepraten, en die kans laten politici zich niet ontgaan. Integendeel: net als in de VS en Frankrijk, waar actief industriebeleid traditie is, willen ook de meeste Duitse politici in deze crisis niet meer het verwijt krijgen dat ze alleen maar geld aan het uitgeven zijn. Zo is er niet simpelweg een kooppremie voor auto’s, maar een voor de mobiliteitstransitie.

    Maar wie dit interventiebeleid volgt, raakt al snel verstrikt in een spiraal van interventies. Aan de basis van elektromobiliteit lag de wens om de CO₂-uitstoot op straat terug te dringen. Daarom werden er voor fabrikanten reductiedoelstellingen geformuleerd; en omdat elektrische auto’s geen uitlaatgassen uitstoten, werden die met nul uitstoot in de berekeningen opgenomen. De autofabrikanten begonnen dus met het ontwikkelen van elektrische auto’s, zij het aarzelend, want de klanten bleven sceptisch. Dus greep de federale regering opnieuw in, dit keer met miljarden voor koopprikkels en de uitbreiding van het aantal laadpalen. Maar omdat ook dat niet voldoende was, kregen autofabrikanten subsidie voor de ontwikkeling van voertuigen, het onderzoek naar nieuwe accu’s en het opzetten van accufabrieken in Duitsland. En dit jaar zijn er ook nog eens hogere subsidies voor de aankoop.

    ‘De ECB zou de schulden voor eeuwig moeten laten staan’

    Nu worden er inderdaad meer elektrische auto’s verkocht. Maar doordat de verkoop van benzine- en dieselauto’s slecht loopt, groeit de hoop – ook onder bedrijven die te lijden hebben onder de transformatie van de branche – op een volgende interventie van de overheid, in elk geval een verlenging van de werktijdverkorting tot eind 2021. Dan zijn de bedrijven tenminste de last van de loonbetalingen kwijt. De last om in de verkeerde tijd de verkeerde producten te fabriceren weegt dan nog maar half zo zwaar. 

    Groei noch winst

    Martina Merz is niet te benijden. De algemeen directeur van staalconcern ThyssenKrupp strijdt op tal van fronten en na de verkoop van het enige bedrijfsonderdeel waarvan nog groei en winst mocht worden verwacht, de liftentak, is er niet veel meer over waarvan ze nog iets van een toekomstplan kan smeden. Sinds de zomer maakt ze er dan ook geen geheim van: ‘Staatsdeelname is een optie.’ En de politiek zegt geen nee, maar zegt momenteel alleen dat er een onderzoek naar loopt. 

    Een directe deelname van Duitsland zou prima in het plaatje passen: van Lufthansa, van Tui, en zelfs van de farmaceutische start-up CureVac in Tübingen, die als toonaangevende ontwikkelaar van een coronavaccin bepaald niet krap bij kas zit, heeft de federale regering bijna een kwart van de aandelen. Waarom dus niet ook van een staalconcern? Zo ontstaan perspectieven, zeggen politici. Of ‘zombie-bedrijven’ die zonder overheidshulp helemaal niet meer kunnen bestaan, waarschuwen economen. 

    Een deelname in ThyssenKrupp roept twee vragen op, die veel verder strekken dan het bedrijf en de crisis. De eerste luidt: hoeveel verandering en hoeveel vernieuwing staan we nog toe in onze economie? De thuisbasis van de staalgigant, het Ruhrgebied, is eigenlijk aansporing genoeg om een structuurverandering niet doelloos decennialang uit te stellen [het Ruhrgebied had in de tweede helft van de twintigste eeuw al te maken met een kolen- en staalcrisis]. Uit een onderzoek in opdracht van Allianz bleek onlangs dat er in Europa inmiddels zo’n dertienduizend bedrijven zijn, met in totaal negen miljoen werknemers, die eigenlijk te veel schulden hebben en alleen nog dankzij de lage rente overleven. Analoog aan de zombiebedrijven spreken de auteurs van ‘zombiebanen’.  

    De tweede vraag betreft de capaciteiten van de overheid, die controle zal willen uitoefenen op de deelname in beurs-genoteerde concerns. Maar er zijn nu al minstens dertig bedrijven die een staatsdeelname verlangen – en die lang niet allemaal zo professioneel zullen worden geleid als een DAX-concern. Waar zijn de ambtenaren, de juristen, de accountants en de bedrijfseconomen in overheidsdienst die dit deelnamemanagement op zich moeten nemen? Het gevaar dat de overheid met een groot aantal deelnames het overzicht kwijtraakt, ligt nadrukkelijk op de loer. Ze kan zich niet genoeg vakkennis eigen maken.

    Toch klinken zelfs de duidelijkste liberale stemmen inmiddels gereserveerd. Zo zegt Karen Horn, oud-voorzitter van de Hayek-Gesellschaft, dat de situatie lastig is: eerst het Chinese staatskapitalisme als tegenmodel van het democratische kapitalisme in het Westen en nu ook nog corona – waarschijnlijk is dat te gecompliceerd voor de oude leer van de pure markteconomie. Zelfs ThyssenKrupp had zich zonder corona mogelijk weten te herpakken, en Tui en Lufthansa hadden waarschijnlijk zelfs uitstekende zaken gedaan. ‘Om dat ten onder te laten gaan vond ook ik verkeerd,’ zegt Horn. ‘Als zich ooit een keynesiaanse situatie heeft voorgedaan, dan is het nu wel.’

    De belangrijkste functie van de markt – de beste verdeling van schaarse 
    middelen – is niet meer van toepassing, althans niet overal en onbeperkt. De plaats van de markt wordt steeds meer ingenomen door redders, regelgevers, politici en ambtenaren. Ze bepalen niet alleen de regels, maar ook de koers, producten en productienormen. Of bedrijven daarmee tegemoetkomen aan de wensen van hun klanten, en of ze daarmee winst zullen maken, is van secundair belang. De overheid staat borg.

    De aansprakelijkheid van ondernemers en managers wordt vervangen door een staatsverzekering, waarbij het eigen risico in geval van schade omgekeerd evenredig is met de grootte van het bedrijf. Heette het na de financiële crisis van 2008-2009 dat banken nooit meer zo groot mochten zijn dat hun faillissement niet kon worden geriskeerd met het oog op de gezondheid van de reële economie, vandaag de dag geldt dit voor grote delen van juist die reële economie, voor zowel bedrijven als hun personeel: we zijn allemaal too big to fail.

    Des te meer als de crisis van het kapitalisme langer gaat duren dan de 
    pandemie. Over twee, drie jaar, als het virus hopelijk geen schrik meer inboezemt, treden de oude problemen weer op de voorgrond en waarschijnlijk nog nadrukkelijker: de groei zal nog altijd mager zijn, de kloof tussen arm en rijk zal groter zijn geworden. Langlopende onderzoeken tonen aan dat het stimulerende effect van schulden op de groei gestaag afneemt, maar dat de verhouding schulden-vermogen stabiel blijft. Het zullen dus vooral de rijken zijn die door de met schulden gefinancierde coronaprogramma’s nog rijker worden. Dat zal helemaal tot de conclusie leiden dat de markt alleen het niet klaarspeelt en dat we een sterke overheid nodig hebben die financiert, opricht en op gang helpt. Waarbij de centrale banken nog altijd voor het geld zorgen.

    Vermogensbeheerder Jens Ehrhardt, een marktliberaal van de oude school, beschouwt de huidige weg desondanks als de enige mogelijke. Over een paar decennia kun je het erover hebben wat je met al die schulden doet, zegt hij. 

    ‘De ECB zou de schulden gewoon voor eeuwig moeten laten staan,’ stelt hij in een interview met Capital, ‘of ze meteen helemaal moeten afschrijven’. Zo’n schuldsanering, de bevrijding van oude verplichtingen, zou voor Ehrhardt zelfs een manier zijn om afscheid te nemen van de staatseconomie – en terug te keren naar de markteconomie. 

  • Noord-Korea experimenteert met kapitalisme

    Noord-Korea experimenteert met kapitalisme

    Al jaren geleden werd in Noord-Korea een liberalisering van het economische systeem in gang gezet. Een journalist uit Hongkong ging ter plaatse kijken en gaf zich uit voor investeerder.

    Onder de grijze hemel strekt een vlak landschap zich tot in het oneindige uit. Een oude trein, afkomstig uit Dandong in de Chinese provincie Liaoning en met bestemming de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang, doorkruist het landschap onder het uitspuwen van rookpluimen.

    Het verstoort de rust van deze geïsoleerde plek. De wagon zit vol oude Chinezen die de Culturele Revolutie van 1966 tot 1976 nog hebben meegemaakt en die de afstand en de moeilijke reis trotseren om in Noord-Korea hun oude socialistische droom nieuw leven in te blazen.

    Dan komen er plotseling enkele vrouwen met gouden kettingen, met edelstenen bezette oorbellen en zijden blouses de coupé binnen. Vanwege hun reistassen van Hugo Boss en hun perfecte beheersing van het Mandarijn hield ik hen in eerste instantie voor Chinezen die een uitstapje maakten, maar vervolgens zag ik op hun borst een bordje gespeld met ‘Kim Il-sung, Kim Jong-il’, en dat verried hun identiteit. Een koude douche voor de groep oude Chinezen. ‘Voor nostalgie is geen plaats meer’, leek het verzorgde uiterlijk van deze Noord-Koreaanse vrouwen duidelijk te maken.

    Modelstad

    Het eerste halfjaar van 2018 was rijk aan opzienbarend nieuws op het Noord-Koreaanse schiereiland, maar nu was dan toch de tijd aangebroken voor de langverwachte opheffing van de sancties en de openstelling van het land. Een week voor de top tussen de Verenigde Staten en Noord-Korea begaf ik me naar vijf grote Noord-Koreaanse steden, waar ik me uitgaf voor investeerder.

    Gedurende deze dagen heb ik proefondervinderlijk kunnen vaststellen wat de deskundigen van internationale betrekkingen bedoelen als ze het hebben over de ‘risico’s’ (stroomuitval in het hotel, een geannuleerde vlucht…). Maar één ding blijft als een paal boven water: de Engelstalige boodschap van het ontvangstcomité: ‘We welcome foreign investment’.

    We vertrekken vanuit hotel Ryugyong.

    Deze piramidevormige wolkenkrabber van 105 verdiepingen in de wijk Potonggang van Pyongyang is onlangs op het elektriciteitsnet aangesloten – een hele gebeurtenis. Het is een prestigeproject dat een mooi beeld geeft van de staat van de Noord-Koreaanse economie. Het kostte niet minder dan dertig jaar om het hotel te bouwen; het werd ‘het langst durende bouwwerk uit de geschiedenis’ genoemd. De werkzaamheden lagen een tijdlang stil als gevolg van geldgebrek en diverse keren moesten delen weer worden gesloopt. Aan het interieur lijkt nog het een en ander te moeten gebeuren, maar de gevel kan als voltooid worden beschouwd.

    Als je naar een plattegrond van Pyongyang uit 2012 kijkt, ontbreken er drie verkeersaders: Changjon Street, Mirae Scientists Street (straat van de Toekomstige Wetenschappers) en Ryomyong Avenue. Deze straten zijn pas na 2012 aangelegd – overigens wel binnen een jaar, dankzij een mobilisatie van het leger. De ‘modelstad’ die Pyongyang is, blijft zich voortdurend vernieuwen: er worden nieuwe hotels gebouwd en andere gerenoveerd, en er worden nieuwe winkelcentra in gebruik genomen.

    Als de werkzaamheden zijn voltooid, hebben de rode slogans op een witte ondergrond van weleer dikwijls plaatsgemaakt voor in grijs graniet gegraveerde inscripties met een minder uitgesproken politieke connotatie. Het belang van de economie laat zich steeds sterker voelen en de skyline van Pyongyang blijft nauwelijks meer achter bij die van Hongkong.

    Duizenden Noord-Koreanen stromen toe voor de openingsceremonie van Ryomyong Street, een nieuw woongebied in Pyongyang met 5000 hypermoderne flats. – © Getty
    Duizenden Noord-Koreanen stromen toe voor de openingsceremonie van Ryomyong Street, een nieuw woongebied in Pyongyang met 5000 hypermoderne flats. – © Getty

    De ene wolkenkrabber na de andere schiet uit de grond, want volgens Noord-Koreakenners is Kim Jong-un commerciëler ingesteld en minder aan ideologie gehecht dan Kim Il-sung en Kim Jong-il, zijn grootvader en vader. Terwijl het land eerder voorrang gaf aan het leger en daarop mikte voor zijn ontwikkeling, heeft Kim Jong-un duidelijk te kennen gegeven dat hij ‘alle pijlen op de economie’ wil richten.

    Eerder al had de jonge leider in alle discretie enkele maatregelen genomen om de economie te liberaliseren, zoals het vaststellen van productiequota per huishouden, het toestaan dat landbouwers oogstoverschotten voor eigen gebruik behielden en het creëren van verscheidene speciale economische zones.

    Al moet de effectiviteit van deze maatregelen nog worden aangetoond, de inwoners van Pyongyang kunnen eindelijk op een andere manier door het leven. De mensen gaan niet langer gekleed in ‘de kleuren van het socialisme’ (zwart, wit, grijs of blauw) en de wachtkamer voor binnenlandse vluchten op Sunan International Airport biedt inmiddels een totaal andere aanblik dan die van uitgehongerde en sjofele Noord-Koreanen die ik had verwacht: de jonge moeders doen denken aan pas getrouwde Japanse vrouwen, met hun ton sur ton-outfits en hun westers geklede kinderen. Zelfs de ajumma (wat boerse vrouwen van middelbare leeftijd) pronken met tassen van Prada.

    Natuurlijk, het gaat hier maar om een minderheid van nieuwe rijken, maar in slechts zeven dagen heb ik kunnen constateren dat ook buiten de hoofdstad, zoals in Sinuiju, kinderen rondlopen op sneakers van Adidas. Zijn dat geïmporteerde producten die worden gedistribueerd door de staat? ‘Zeker niet, die hebben de mensen zelf gekocht’, zegt een inwoner. Het laat niet alleen zien dat ouders bereid zijn veel geld uit te geven voor hun kind, maar ook dat de Noord-Koreanen over talrijke kanalen beschikken om artikelen te kopen die zijn geïmporteerd.

    150 noord korea 1

    ‘Toen hij in 2011 zijn vader opvolgde als leider van Noord-Korea, kondigde Kim Jong-un niet aan dat hij het economische beleid van zijn land drastisch wilde veranderen. Dat beleid is in grote lijnen gehandhaafd, al zijn er onmiskenbaar veranderingen doorgevoerd’, meldt het Zuid-Koreaanse weekblad Sisa In. De Noord-Koreaanse economie zou langzaam gezonder worden, al ‘blijft het aandeel van de buitenlandse handel in de sterke ontwikkeling beperkt’.

    Er zijn verscheidene verklaringen gegeven voor deze verbetering: ‘Allereerst wordt op institutioneel niveau de vrije markt inmiddels getolereerd. Ook bemoedigend is dat de staat zijn investeringen heeft herverdeeld in het kader van een pragmatischere benadering, die voorrang geeft aan terreinen met een snel rendement. Bovendien heeft, naast de diversificatie van de in het land geproduceerde producten, de vooruitgang op het gebied van wetenschap en technologie positieve effecten, zoals de modernisering van talrijke sectoren.’

    Het blad licht toe: ‘Op de markten en in de winkels concurreren steeds meer lokaal gefabriceerde producten met producten die uit China zijn geïmporteerd. Apparaten waaraan nieuwe technologie te pas komt, hebben de wind mee dankzij de toegenomen welvaart van de beter gesitueerden, en de assemblage ervan vindt vaak plaats in het land zelf, met enkele geïmporteerde onderdelen.’ Ook op energiegebied zou de situatie sterk verbeteren, dankzij door de staat toegestane investeringen in de renovatie van hydro-elektrische en thermische centrales, evenals in duurzame energie.

    Volgens een andere inwoner kost een Adidas-outfit 200 dollar, ‘en dat kunnen de mensen nog betalen’. Al heeft de langdurige boycot verhinderd dat Noord-Korea veel buitenlands kapitaal kon aantrekken, toch is het land erin geslaagd talrijke buitenlandse producten naar zijn grondgebied te halen. Om de koopkracht van de Noord-Koreanen te meten is er geen betere maatstaf dan de spullen van Adidas.

    Wat het bruto binnenlands product per inwoner betreft, bevindt Noord-Korea zich op het niveau van Myanmar en Cambodja, de twee laatste landen met een autocratisch regime voordat ze hun handelsgrenzen opengooiden. ‘In 2017 bedroeg het gemiddelde jaarinkomen per inwoner 1500 dollar, maar volgens andere schattingen is dat 2000 à 3000 dollar’, zegt Rick Chu, de eerste academicus die onderwijs over Noord-Korea geeft in Taiwan.

    Volgens hem blijven de regionale verschillen groot en komt men, zodra men Pyongyang verlaat, in een andere wereld. Desondanks erkent de onderzoeker ‘dat de economische situatie van Noord-Korea de afgelopen zes jaar aanzienlijk is verbeterd’. Ik had nooit kunnen vermoeden dat ik zo veel dure merken (Gucci, Michael Kors, Louis Vuitton) zou tegenkomen tijdens mijn verblijf. In een kledingzaak aan Ryomyong Avenue telde ik een keur aan merken waarop de ‘buitenwereld’ jaloers kan zijn.

    Ook al gaat het bij deze merken veelal om fraaie kopieën, goedkopere luxeartikelen zijn volop aanwezig. De inwoners van de wijk, veelal docenten aan de Kim Il-sung-universiteit, zijn behoorlijk koopkrachtig. Volgens een inwoner die elke dag de winkels afgaat, ‘kun je beter iets kopen als je het ziet, want morgen is het er niet meer’. Je hoort geregeld dat Noord-Koreaanse vrouwen een voorkeur hebben voor Franse parfums en tassen van Hermès. Hier steken de mensen hun liefde voor dure merken niet onder stoelen of banken, al zijn die meestal nep. Als ik een tas van Hermès omdraai om de prijs te bekijken, lees ik ‘90 dollar’.

    Het is een beetje een déjà vu. ‘Noord-Korea doet denken aan China rond 1980’, zeggen veel analisten de laatste tijd, en ze constateren ‘een overdaad aan goede namaak’. In China konden maar weinig mensen in de jaren tachtig zich een echte Louis Vuitton veroorloven. Als het in een land dat economisch achterloopt beter begint te draaien, kunnen de burgers maar zelden echte producten betalen. Hoeveel Noord-Koreanen zouden deze ‘Hermès’ kunnen betalen als er twee nullen achter de prijs zouden staan? Het voorbeeld van China laat zien dat het tijd kost om consumenten van dure producten te kweken.

    Handelhausse

    Maar hoe heeft een land dat lange tijd onder een embargo gebukt is gegaan, zich zodanig kunnen ontwikkelen? Sinds 1995 publiceert Noord-Korea geen cijfers meer, maar Zuid-Korea maakt elk jaar een schatting. Daaruit blijkt dat Noord-Korea in 2016 een groei van 3,9 procent zou hebben gerealiseerd, de hoogste van de afgelopen zeventien jaar en hoger dan die van Zuid-Korea zelf.

    In feite is dit land ‘achter een ijzeren gordijn’ niet langer op zichzelf aangewezen: de handel met het buitenland beleeft een hausse en levert deviezen op. Noord-Korea exporteert voornamelijk wapens, drugs (met name heroïne) en steenkool. De wapens vinden vooral aftrek in Afrika, de andere twee producten in China. De lange duur van het embargo heeft de ‘immuniteit’ van Noord-Korea alleen maar versterkt, en de ‘Koreaanse rijkdom’ heeft zich steeds meer gediversifieerd.

    Het socialistische Noord-Korea kent allang geen planeconomie meer. ‘Rantsoenen zijn van twintig jaar geleden, alle mensen slaan hun slag op de zwarte markt’, legt een zekere meneer Kim me uit, rustig gezeten in zijn huis in Zuid-Korea. Ik interview hem via Skype over zijn leven in Noord-Korea, voordat hij de wijk nam naar het zuiden. Tijdens de grote hongersnood van de jaren negentig is het rantsoeneringssysteem bezweken: omdat de staat geen middelen meer had om in voedsel en andere basisbehoeften te voorzien, begonnen de mensen stiekem onderling handel te drijven.

    Volgens een enquête die de Nationale Universiteit in Seoul in 2015 hield onder Noord-Koreaanse vluchtelingen, kwam meer dan de helft van het voedsel in die tijd van de zwarte markt. Maar wat het meest opleverde, volgens meneer Kim, waren ‘drugs, artikelen voor dagelijks gebruik, Zuid-Koreaanse tv-series, usb-sticks en cd’s met K-pop’.

    Donju

    Deze zwarte markt heeft op een verkapte manier aan de wieg gestaan van de eerste generatie Noord-Koreaanse kapitalisten. Die maakten aanvankelijk naam met smokkelwaar, om vervolgens langzaam maar zeker geld te verdienen aan het doorverkopen van goederen. Tegelijkertijd werd hun handel steeds exclusiever, van eenvoudige zaken als mais tot bankbiljetten in buitenlandse valuta (deviezen).

    Twintig jaar later, na het vergaren van een flink fortuin, zijn ze ‘geldmeesters’ geworden, donju in het Koreaans. Ze vormen een opkomende kapitalistische klasse die zich vooral bezighoudt met grensoverschrijdende handel, bijvoorbeeld het samen met Chinezen exploiteren van mijnen, het met grote winstmarges exporteren van farmaceutische producten of thee naar Europa, of de handel in zeevruchten.

    De Noord-Koreaspecialist Andrej Lankov schat dat privéondernemingen 30 tot 50 procent bijdragen aan het Noord-Koreaanse bbp. Ook de gewone arbeiders profiteren van het nieuwe elan dat de donju aan de economie verlenen. De afgelopen tien jaar zijn de salarissen in de staatsbedrijven met meer dan 250 procent gestegen, en in de niet-officiële sector (zoals privéondernemingen) zelfs met 1200 procent. Dat schept nieuwe commerciële perspectieven voor de donju op de binnenlandse markt, met name voor consumptieartikelen van de lichte industrie.

    Noord-Korea is al lange tijd een geïndustrialiseerd land, maar voorheen waren politici geneigd voorrang te geven aan de zware industrie. Volgens de Duitse econoom Rüdiger Franck heeft Noord-Korea zijn lichte industrie herhaaldelijk opgeofferd aan de chemische en zware industrie. Vóór het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, aan het eind van de jaren tachtig, hielpen socialistische landen elkaar nog. Ook kon Noord-Korea, hoewel zijn lichte industrie niet in staat was aan de binnenlandse vraag te voldoen, kleding onder zijn inwoners distribueren, al was die qua snit niet bepaald origineel en qua kleur nog minder.

    De Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un opent Ryomyong Street. – © Getty
    De Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un opent Ryomyong Street. – © Getty

    Maar dat is allemaal verleden tijd. Als je over de grote avenues wandelt, zie je dat de Noord-Koreanen bijdetijds zijn geworden en liefhebbers van buitenlandse producten. Hoe komen ze daaraan? Via de vrije markt. De staat gedoogt dat mensen bedrijfjes beginnen, bijvoorbeeld een dameskledingwinkel. ‘Veel Noord-Koreaanse vrouwen zouden graag een winkel openen, maar ze laten zich vaak afschrikken door de administratieve rompslomp’, wordt me uitgelegd door een Noord-Koreaanse die vaak een handje helpt in dat soort winkeltjes.

    Talrijke plekken die onzichtbaar zijn voor de ogen van toeristen bruisen van de commerciële activiteit. Zo werd me in een wijk in de buurt van het Kim Il-sung-plein (die vanwege zijn vele wolkenkrabbers door buitenlandse inwoners ‘Pyongattan’ wordt genoemd, een samentrekking van Pyongyang en Manhattan) verteld dat een winkel daar zeer veel winst maakt met de verkoop van kleding van Uniqlo.

    Om succesvol te zijn in de verkoop van confectie in Noord-Korea, moet men twee belangrijke zaken in het oog houden. Ten eerste moeten de kleren voldoen aan de kledingregels: Noord-Koreaanse vrouwen dragen over het algemeen vrij elegante kleren die ze opluisteren met een broche. Ze dragen gewoonlijk jasjes die de armen bedekken en rokken die tot de knieën reiken. Strakke kleding is verboden, evenals kleding die lichaamsdelen bloot laat.

    In de tweede plaats verdient het aanbeveling om Japanse kleding te importeren, want als verstandige consumenten weten Noord-Koreanen dat die wereldwijd bekend staat om de kwaliteit.

    Ze mopperen over de Chinese producten van slechte kwaliteit die je aantreft op Taobao, de Chinese verkoopsite die tal van Noord-Koreanen hebben uitgeprobeerd.

    Europese producten daarentegen zijn te duur en hebben vaak een snit die niet beantwoordt aan de Noord-Koreaanse normen. Wel tref je artikelen aan van het Chinese merk Miniso, dat door sommigen in Hongkong wordt beschouwd als een illegale kopie van het Japanse Muji. Ze zijn erg gewild in Pyongyang, vooral bij de elite die zich de luxe kan permitteren, en worden veel verkocht door de winkels aan Ryomyong Avenue. Toch vertelde een vertegenwoordiger van het merk me dat het bedrijf geen filiaal in Noord-Korea heeft.

    De Chinezen hebben oog gekregen voor de enorme commerciële mogelijkheden die de stad biedt: ‘Je kunt een fortuin verdienen als je het goed aanpakt’

    Gezien de ontwikkeling die Noord-Korea doormaakt, is Pyongyang niet meer de enige bestemming waar de mensen naartoe stromen. Ze begeven zich ook naar Sinuiju, een stad die door zijn ligging in de buurt van het Chinese Dandong veelvuldig contact met Chinezen mogelijk maakt.

    Onder hun invloed hebben de mogelijkheden om via internet te communiceren zich vermenigvuldigd, en veel inwoners van Sinuiju zijn bekend met Taobao, het sociale netwerk WeChat en ‘Xi Dada’, zoals [de Chinese] president Xi Jinping wel in de volksmond heet. De Chinezen hebben oog gekregen voor de enorme commerciële mogelijkheden die de stad biedt: ‘Je kunt een fortuin verdienen als je het goed aanpakt’, vertrouwde een inwoner me toe. ‘Sinuiju is tamelijk vrij.’

    Hervormers

    De woorden ‘vrijheid’ en ‘kiezen’ maken steeds vaker deel uit van het dagelijkse spraakgebruik in Noord-Korea. In zijn boek See You Again in Pyongyang: A Journey into Kim Jong-un’s North Korea schrijft de Amerikaanse auteur Travis Jeppesen dat de donju een klasse vormen waarvan de regering niet op aan kan, omdat ze geen onvoorwaardelijke aanbidders van Kim Jong-un zijn en niet klakkeloos geloven wat de propaganda zegt.

    De hervormers zijn altijd bang geweest dat het ‘gif van het kapitalisme’ de Noord-Koreanen zal besmetten en tot oproer zal leiden. De term ‘donju’ heeft een zeer individualistische connotatie, die misplaatst lijkt in een land dat onbekend is met het begrip privébezit – maar geen enkele regel is heilig.

    De onroerendgoedsector beleeft inmiddels een ongekende bloei. Volgens Zuid-Koreaanse onderzoeksorganisaties geven verscheidene Noord-Koreaanse steden tot op zekere hoogte toestemming om onroerend goed in privébezit te nemen. Zo kent Pyongyang een regeling die transacties tussen particulieren toestaat. Ook Sinuiju en Nampo gedogen dat een deel van het bestand aan onroerend goed in privébezit overgaat.

    Maar laten we niet vergeten dat we in Noord-Korea zijn. ‘Natuurlijk, marktwerking wordt inmiddels oogluikend toegestaan, maar iedereen moet zich wel naar de staatsmarkt richten’, zegt de naar Zuid-Korea uitgeweken meneer Kim. De regering heeft privéhandel verboden; elke markt valt onder staatstoezicht, ‘zodat er belasting kan worden geheven’. De ‘onzichtbare hand’ begint zich te roeren in Noord-Korea, hetgeen Travis Jeppesen doet opmerken dat ‘als Noord-Korea een verdrag met de Verenigde Staten sluit, Kim Jong-un zelf misschien ook wel tot de gelederen van de donju zal toetreden’.

    Andrej Lankov op zijn beurt legt uit dat ‘privéondernemingen op zijn Noord-Koreaans ondernemingen in handen van de staat zijn, die worden geleid door iemand die een deel van de winst zelf mag houden en de rest moet afdragen aan de overheid’. Deze ondernemingen, die actief zijn in onroerend goed, de mijnbouw en zelfs het toerisme, werken geheel volgens een kapitalistisch model. Maar uiteindelijk heet de directeur… Kim Jong-un.

    CONTEXT: 1,46

    
… miljoen Zuid-Koreaanse won (ca. 1140 euro). Dit was het bruto nationaal product per inwoner van Noord-Korea in 2017, volgens berekeningen van de centrale bank van Zuid-Korea. Dat komt neer op 4,4 procent van de inkomsten per inwoner van Zuid-Korea.

    CONTEXT: Krimp

    In 2017 heeft de Noord-Koreaanse economie zwaar te lijden gehad onder de internationale sancties ten gevolge van de ballistische en nucleaire proeven van het land.

    Auteur: Lee Yun-yan

    Shun Po Monthly
    Hongkong | maandblad | monthly.hkej.com

    Het maandblad Shun Po (Hong Kong Economic Journal), dat sinds 1977 verschijnt, biedt lange reportages en onderzoeksartikelen op economisch gebied, maar ook over politiek, cultuur en maatschappij. Het richt zich voornamelijk op Hongkong en China, maar ook op de rest van de regio. Een deel van de artikelen is alleen toegankelijk via de website.

  • 6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    6. ‘We moeten tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken’

    Als je verandering wilt, moet je een officiële organisatie op de been brengen die daar dagelijks aan werkt, aldus de Hongaarse activist Márton Gulyás.

    Márton Gulyás bracht in april jongstleden een bezoek aan Bratislava om een Face 
to Face-conferentie bij te wonen en te praten over de mogelijkheid om het publieke protest in fatsoenlijke banen te leiden. In een interview met The Slovak Spectator vertelt hij waarin de Hongaarse protestbeweging momenteel tekortschiet en waarom ze niet heeft kunnen voorkomen dat 
Viktor Orbán de recente Hongaarse verkiezingen met een tweederdemeerderheid won.

    Hoe zou een ‘fatsoenlijk publiek protest’ eruitzien?

    Voor een ontwikkelde, beschaafde samenleving zijn alleen niet-gewelddadige betogingen acceptabel. Maar als een protestbeweging het zonder officiële vertegenwoordigers, een duidelijke agenda en een vastomlijnde achterban moet stellen, kunnen mensen die aan betogingen deelnemen verder 
nergens heen. Ook al gaan er in Boedapest op dit moment honderdduizenden mensen de straat op, 
er zit geen officiële organisatie achter de betogingen die dag in dag uit aan een agenda werkt. Dat is iets wat we moeten leren van andere protestbewegingen: als je voor verandering strijdt, moet je je focussen op een officiële organisatie, of desnoods op niet-officiële groeperingen, en zorgen dat die hun voordeel kunnen doen met de massale betogingen. Verandering bereik je alleen als je je daar elke dag voor inzet.

    Hoe komt het dat er in Hongarije geen officiële protestbeweging is?

    Om te beginnen krijgen alle oppositiepartijen de schuld van het verkiezingsresultaat. Ze hebben natuurlijk enorm gefaald en worden daarom 
gewantrouwd. Uit hun kringen zou nooit een goede vertegenwoordiger van het verzet kunnen komen. Aan de andere kant zijn er geen massabewegingen 
of grote vakbonden die door de mensen in mijn land worden gerespecteerd. De vraag is op dit moment wie de eerste beweging zal vormen die zal proberen de mensen te verenigen en hun een agenda te 
bezorgen waaraan ze dagelijks kunnen werken. Er zijn kleine bewegingen die dat doen, maar daar zijn slechts enkele tientallen mensen bij betrokken. Voor echte verandering hebben we een massabeweging van tienduizenden mensen nodig. Daar moeten we over nadenken, en we moeten leren van onze eerdere fouten: zonder politieke vertegenwoordiging kunnen we de problemen waarmee we op dit moment worden geconfronteerd niet oplossen.

    En een burgerlijke, niet-politieke beweging?

    Het zou ook een politieke beweging kunnen zijn. 
We zullen moeten vertrouwen op partijen. Het probleem is dat deze partijen met een enorm gebrek aan vertrouwen en authenticiteit kampen. Vakbonden, die ook politieke organisaties kunnen zijn, zijn niet toegerust voor dit soort werk. Het belangrijkste is dat mensen die nu furieus zijn, niet alleen in Hongarije maar ook in Slowakije, zich inzetten voor de vorming van een beweging of organisatie die de problemen aan de orde blijft stellen. Met alleen maar boze mensen op straat schiet je niks op.

    Massaal protest tegen de regering in Boedapest. – © Zoltan Balogh / HH
    Massaal protest tegen de regering in Boedapest. – © Zoltan Balogh / HH

    In Slowakije zijn recentelijk enkele kleinere organisaties opgestaan die niet bij de ‘Beweging voor een fatsoenlijk Slowakije’ horen. Bestaat 
met zoveel bewegingen niet het risico dat de kern van het probleem ondergesneeuwd raakt en het hele verzet instort?

    Ik ben niet zo goed bekend met de situatie in 
Slowakije, maar één ding is zeker: deze bewegingen of organisaties die voor verandering strijden moeten een duidelijke agenda en ideologie hebben. Mensen moeten niet bang zijn voor ideologische verschillen. Daar gaat politiek tenslotte over: op een vreedzame manier tegen andere ideologieën strijden. Maar 
als er te veel organisaties zijn, kan dat schadelijk 
zijn voor het grotere doel waarvoor ze strijden. Mijn advies zou zijn: heb een duidelijke agenda voor de specifieke politieke kwesties en zoek ruimte voor gemeenschappelijke doelen.

    Sommige Slowaakse politici, onder wie de ex-premier, impliceerden dat deze protesten vanuit het buitenland georganiseerd konden zijn, met name door George Soros. Beschouwt u zulke retoriek als een veeg teken?

    Allereerst moeten alle protestbewegingen volstrekt transparant zijn wat al hun inkomsten en uitgaven betreft. Ze mogen geen kosten verzwijgen die ze hebben gemaakt en ook niet waar hun geld vandaan komt, of het nou om kleine of grote donateurs gaat. Maar waar ik de Slowaakse samenleving voor wil waarschuwen is het volgende: sta niet toe dat politici de mensen die zich tegen hen verzetten en hen bekritiseren, afdoen als ‘soldaten van Soros’. Dat is in Hongarije gebeurd. Eerst waren het alleen maar een paar politici die burger-ngo’s, activisten, advocaten en anderen die voor verandering strijden ervan 
probeerden te beschuldigen dat ze naar de pijpen 
van Soros dansten.

    En op dit moment doet de hele Hongaarse staat niets anders dan mensen zoals ik, op reclameborden, op televisie, radio en in kranten, ervan beschuldigen dat ze door Soros worden betaald of dat we op een oneerlijke manier tegen de regering vechten en dat we de werkelijke reden waarom we dat doen verzwijgen. Niets daarvan is waar. Ik heb verscheidene processen gewonnen waarin werd bepaald dat deze beweringen moesten worden herroepen. Je moet je focussen op politici die met deze beschuldigingen begonnen zijn en alles uit de kast halen om te voorkomen dat het uit de hand loopt.

    Voorafgaand aan de parlementsverkiezingen 
in Hongarije heeft u alles in het werk 
gesteld om te voorkomen dat Fidesz met een tweederdemeerderheid zou winnen. Wat was 
de belangrijkste reden voor het mislukken 
van deze pogingen?

    Het gebrek aan samenwerking tussen de oppositiepartijen. Die waren niet alleen arrogant, maar ook uitermate dom om de realiteit zo te negeren. We hadden minstens vier kandidaat-premiers om het tegen Orbán op te nemen. De verkiezingsuitslag was volstrekt in strijd met de realiteit van de Hongaarse samenleving. We hebben geprobeerd met de oppositie in gesprek te raken en haar duidelijk te maken 
dat ze in de afzonderlijke kiesdistricten moest samenwerken om de tweederdemeerderheid te voorkomen. Maar zelfs daar waren ze niet toe in staat.

    Het is duidelijk dat Fidesz de partij met de grootste aanhang is, maar toch verbaasde het ons hoeveel stemmen ze op nationaal niveau behaalden: 49 
procent, wat ongeëvenaard is. Maar ze kregen de tweederdemeerderheid door bedrog en geknoei met het kiesstelsel. De oppositiepartijen hadden dat kunnen voorkomen als ze rationeler en coöperatiever waren geweest. Dit is hun fout geweest. Nu zitten 
we in een volstrekt andere situatie. We hoeven niet meer na te denken over hoe ze over vier jaar moeten samenwerken, want dat is een gepasseerd station. We moeten van voren af aan beginnen om een nieuwe kijk op het land en de samenleving te ontwikkelen, die de kijk van Fidesz zal kunnen verslaan. We moeten een nieuwe meerderheid tegenover die van Orbán vormen.

    Is er een reële kans op verandering?

    Jazeker. Het beleid dat Orbán voorstaat is onhoudbaar. De welvaart van de EU-economie heeft hem flink geholpen. Maar als je onze welvaart vergelijkt met die van andere landen in de regio, zoals Slowakije, de Tsjechische Republiek of Roemenië, dan hebben we nog heel wat in te halen. Dit zal op een dag ophouden, er zullen nieuwe wereldcrises komen, want we leven nog steeds in een kapitalistisch systeem waarin dit soort dips zijn ingebakken. Als dat gebeurt zal Orbán zijn onaantastbare positie van dit moment verliezen. Maar dat zal niet genoeg zijn. Daarom moeten we er van nu af aan voor zorgen dat we tot de verbeelding van de nieuwe meerderheid spreken.

    Met welke concrete stappen denkt u dat te bereiken?

    Daar denk ik op dit moment over na. Ik moet een paar maanden uit de publiciteit blijven. Als we alleen maar op ons instinct afgaan zullen we onze fouten voortdurend herhalen. We moeten ons focussen op de intellectuele arbeid die we de afgelopen acht jaar hebben verwaarloosd. Het is tijd voor analyses en het ontwikkelen van een nieuwe strategie. Alleen dan kunnen we met ons land aan een nieuw hoofdstuk beginnen.

    Gulyás debateert over het belang van artistieke en democratische vrijheid op 31 mei
    20:30 in De Balie

    Marton Gulyas, foto van B1 Blog
    Marton Gulyas, foto van B1 Blog

    Wie is Márton Gulyás?

    Een Hongaarse activist die door de regering aldaar als veiligheidsrisico wordt bestempeld. Na een betoging tegen een wetswijziging om de Central European University van George Soros aan te pakken werd hij drie dagen gevangengezet en tot een taakstraf van driehonderd dagen veroordeeld. Na zijn vrijlating richtte Gulyás de beweging ‘Land voor iedereen’ 
op, die het huidige Hongaarse kiesstelsel probeert te veranderen door de invoering van een 
nieuwe wet.

    Vertaler: Martinette Susijn

    The Slovak Spectator
    Slowakije | maandblad | oplage nb

    De enige Engelstalige krant in Slowakije. Wordt eens in de maand als bijlage 
gepubliceerd bij het dagblad Sme en biedt behalve cultuur lokaal en financieel nieuws.

  • Waarom Amerikaanse immigranten zo dol zijn op Ferrero Rocher

    Waarom Amerikaanse immigranten zo dol zijn op Ferrero Rocher

    Voor Liana Aghajanian vormden de in goudfolie verpakte chocoladebolletjes in de jaren tachtig en negentig hét symbool van het goede leven in de VS. Dit gevoel bleek universeel onder immigranten.

    Voor mij en vele andere immigranten is leven in Amerika nauw verbonden met Ferrero Rocher. Ik kwam aan het einde van de jaren tachtig met mijn ouders vanuit het Midden-Oosten naar de Verenigde Staten. We waren Iraans-Armeense vluchtelingen die na de oorlog tussen Irak en Iran een nieuw bestaan probeerden op te bouwen. Zoals zoveel andere immigrantengezinnen omarmden we onwennig onze nieuwe, vreemde Amerikaanse identiteit terwijl we ons vastklampten aan de oude, die ons duizenden jaren lang van een bestaan had verzekerd.

    Naast de Amerikaanse dollar en de Iraanse toman was Ferrero Rocher het derde wettige betaalmiddel dat voor mij heilig en reëel was. De in goudfolie verpakte zoete lekkernij was een glanzend bolletje waarin tussen laagjes chocoladevulling en stukjes hazelnoot de pijn, de vreugde en de dromen van immigranten schuilgingen. Het was een verholen handdruk, een teken van respect en goede smaak. Het was een symbool van het ‘goede leven’, iets wat als geen andere eetwaar stond voor sociaaleconomische aspiraties.

    De meeste Amerikanen kennen Ferrero Rocher tegenwoordig van Nutella, maar lang voordat die hazelnootcrème als ingrediënt in bijna elk recept voor een hip dessert voorkwam, was de uitwisseling van een doosje Ferrero Rocher (met 48 stuks erin als je geluk had) een geheime, universele taal onder immigranten uit de jaren tachtig en negentig. Die was in zwang in de o zo gastvrije cultuur van je familie: je ging nooit zonder lege handen bij iemand langs, zelfs al waren het onbekenden. En nam je Ferrero Rocher mee, dan wisten je gastheren zeker dat ze met jou op goud gestuit waren. Ook stond de lekkernij steevast op tafel bij immigranten thuis, waar ze werd gepresenteerd ter ere van de gasten.

    Bij schrijfster Tasbeeh Herwees en haar Libisch-Amerikaanse familie hadden ze dankzij haar moeder altijd Ferrero Rocher in huis, maar was het een soort verboden vrucht die was voorbehouden aan bezoekers. ‘Het was het soort chocola dat ze altijd ergens verstopte,’ zegt ze. ‘Ze werd hels als we aan haar voorraad Ferrero Rocher kwamen.’ Herwees groeide in het Californische Culver City op in een appartementencomplex waar alleen maar Libisch-Amerikaanse gezinnen woonden, allemaal met een schaaltje Ferrero Rocher op tafel voor de gasten. Ze associeerde het chocoladesnoepje met de Libische cultuur, want ze hadden het alleen bij haar thuis, op Libisch-Amerikaanse bruiloften en in Libië zelf. ‘Ik had een tante die altijd een Ferrero Rocher tevoorschijn toverde wanneer ik bij haar langsging. Ik kon ervan op aan dat ze ze in huis had,’ zegt ze. ‘Daardoor werd ze een van mijn favoriete tantes. Voor mij had het iets decadents. Zelfs wanneer ik er nu een eet, heeft het nog iets speciaals.’


    De hevige emotionele reactie die dit ene chocolaatje bij immigrantengezinnen opriep was universeel. Hun leven was doortrokken van oorlog, geweld, politieke onrust en sociaaleconomische ongelijkheid. Terwijl hun wereld veranderde, was Ferrero Rocher een constante factor, een toegankelijke brug tussen heden en verleden. Inmiddels is het een nostalgische herinnering aan wat het voor immigrantenkinderen zoals ik betekende om in Amerika op te groeien.

    Ook al zit er goudfolie om het snoepje, de maker was van eenvoudige komaf. (Niettemin bleek het vermogen van de erfgenamen van het Ferrero-Rocher-imperium uiteindelijk meer dan 20 miljard dollar waard.) Toen aartsvader Pietro Ferrero tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn banketbakkerszaak dreef, waren ingrediënten als chocola schaars. Vandaar dat hij ter compensatie hazelnoten toevoegde. Het smeersel dat hij uitvond heette eerst SuperCrema voordat het begin jaren zestig werd omgedoopt tot Nutella, een combinatie van het woord voor ‘noot’ en het Italiaanse achtervoegsel waarmee iets zoets wordt aangeduid, ella.

    Ferrero Rocher kwam in 1982 in Europa op de markt. Een variant met kokosnoot en amandel, Raffaello, volgde acht jaar later. Pietro’s zoon Michele, die de eer toekomt dat hij het buitenste chocoladelaagje toevoegde, was een vrome katholiek die elk jaar een pelgrimage naar het Franse heiligdom Lourdes ondernam. Toen hij op Valentijnsdag 2015 op negentachtigjarige leeftijd overleed, werd bekend dat zijn inspiratie voor Ferrero Rocher de Roc de Massabielle was geweest, een bolvormige grot in Lourdes waar de maagd Maria zou zijn verschenen aan de heilige Bernadette, een veertienjarige boerenmeisje dat hout aan het sprokkelen was.

    Het is dus niet zo vreemd dat het eten van een Ferrero Rocher een welhaast religieuze ervaring is. Onder de chocola en de stukjes hazelnoot zit een dun, krokant korstje, met daar weer onder een klodder romige, Nutella-achtige chocola. In het midden bevindt zich één hele hazelnoot, als het beeld van de Notre Dame van Lourdes in de grot waar Maria aan Bernadette verscheen.

    Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep

    Maar hoe kon een religieus geïnspireerd Italiaans snoepje zo geliefd worden onder Amerikaanse immigranten? Zoals zo vaak heeft het antwoord alles te maken met marketing. Terwijl andere fabrikanten van chocoladesnoepjes, bijvoorbeeld Godiva, zich in luxueuze winkelcentra positioneerden, was Ferrero Rocher overal te vinden in etnische supermarkten die het snoepje importeerden, en uiteindelijk ook in goedkope Amerikaanse drogistenketens als CVS en Rite Aid. Het had meer glans en was duurder dan Whitman’s en Russell Stover en het had dat exotische vleugje Europese verfijning, waardoor het op slag een betaalbaar luxeartikel werd. ‘Het lekkerste chocolaatje ooit!’ aldus Amerikaanse advertenties voor Ferrero Rocher, en we konden er geen genoeg van krijgen. Het werkte. Het was de ideale marketingtruc voor de ideale doelgroep.

    In een poging de internationale chocolademarkt te domineren bouwde Ferrero Rocher fabrieken en productiecentra in Oost-Europa, Azië, het Midden-Oosten en Afrika. De lekkernij drong door tot het onderbewustzijn van Roemenen, Indiërs, Armeniërs, Libanezen, Chinezen, Nigerianen en vele anderen die zich door de aura van het geïmporteerde luxeartikel aangesproken voelden. In Hongkong, waar het chocolaatje bekendstaat als ‘goudzand’, vertegenwoordigde het van meet af aan een bepaalde sociale status. Zakenlieden uit Hongkong brachten het als geschenk mee naar het vasteland van China, vooral met Chinees Nieuwjaar. ‘De Hongkongse cadeautraditie en -gebruiken werden gretig overgenomen, vooral door de 80 miljoen Chinezen in Guangdong, en zo ontstond de band tussen Ferrero Rocher en de Chinese geschenktraditie,’ schreef Lawrence L. Allen in Chocolate Fortunes: The Battle for the Hearts, Minds, and Wallets of China’s Consumers. Chinese handelsbeperkingen hielden Ferrero Rocher eerst nog buiten de deur. Toen het snoepgoed in 2007 ten slotte toch voet aan de grond kreeg, waren er al nepversies in omloop. Een populaire was volgens Allen Fretate Relish, een andere Tressore Dore, dat in 2008 gedwongen werd de productie te staken en het Italiaanse bedrijf een schadevergoeding van 43.000 dollar moest betalen.

    Alice Chung, van wie de ouders vlak voor haar geboorte in 1984 vanuit Hongkong naar de VS emigreerden, herinnert zich het in ‘goud verpakte chocolaatje’ als een essentieel onderdeel van haar kindertijd. Ze weet nog dat haar ouders grote partijen bij Costco en Price Club insloegen. Niet alleen hadden ze altijd Ferrero Rochers in huis – en verstopten ze die zelfs omdat ze zo gewild waren –, ze namen ze ook in hun koffer mee naar China, tot groot genoegen van hun familie. ‘De verpakking is simpel, maar feit is dat we op goud belust zijn,’ zegt ze. ‘Het staat voor de voorspoed en de rijkdom die we anderen toewensen.’

    De liefde voor Ferrero Rocher is zo groot dat het snoepje zelfs als smeergeld wordt gebruikt. Een Ferrero-Rocher-liefhebber die halverwege de jaren negentig in Oekraïne woonde en anoniem wenst te blijven, vertelde dat hij als tolk uitstapjes en vervoer begon te regelen voor wie steden als Kiev en Charkov wilde bezoeken. Toen hij een keer op zeer korte termijn een verzoek voor zo’n reisje kreeg, waar speciale reserveringen voor nodig waren die niet alleen duurder bleken, maar ook uitsluitend weggelegd voor de hogere kringen, verzon hij een list. ‘Ik wilde best meer betalen, maar nam ook een bos bloemen of een doosje Rafaello’s of Ferrero’s mee naar het reisbureau, want die waren in Oekraïne helemaal je van het. De medewerkers waren diep onder de indruk,’ zegt hij. ‘De meesten zijn vrouwen die vaak overwerken zonder daarvoor betaald te krijgen, want de economie van Oekraïne is een zootje. Chocolaatjes en wat extra geld was beter dan extra geld zonder chocolaatjes. Het heeft diverse malen gewerkt.’

    Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.
    Nutella zit tegenwoordig in elk hip dessert.

    Of we nu wel of geen Ferrero Rochers kregen of weggaven, ik vond altijd wel een manier om er een te jatten van een tafel vol zelfgebakken taart, dadels, noten en overvloedige hoeveelheden van de stroperige koffie die overal in het Midden-Oosten wordt gedronken. Dan at ik hem heel langzaam op, een eindeloos proces, wat iemand mogelijk op het idee bracht dat ik ondervoed was. Ik at me door elk laagje van het gouden ei heen totdat ik bij de hazelnoot in het midden was aanbeland. Ik wilde dat het eeuwig duurde, maar dat is nooit gebeurd. Als ik geen geduld had, slokte ik hem in één hap op, wat evenveel voldoening gaf. Daarna pulkte ik de stickertjes met ‘Ferrero Rocher’ in gouden letters van het doosje en plakte ze op mijn kleren, als een naambadge.

    De aantrekkingskracht was alleen niet zo universeel als ik dacht, en waarschijnlijk geeft niets de minachting voor Ferrero Rocher beter weer dan de uitzinnige reactie op de beruchte reclame die bekendstaat als ‘het ambassadeursfeestje’ en die in 1993 voor het eerst in het Verenigd Koninkrijk werd vertoond. Hij vervulde het klassenbewuste Britse publiek, dat zich lang voor de Brexit al niet erg Europees voelde, met afschuw. De commercial, met beroerde nasynchronisatie en de gezwollen achtergrondmuziek van een Italiaanse soap, speelt zich af op de receptie in een anonieme Europese ambassadeursresidentie. Een plichtgetrouwe butler loopt door de zaal met een berg Ferrero Rochers op een dienblad en palmt de zwijmelende internationale gasten in, onder wie een Française: ‘Monsieur, wiz zis Rocher you are really spoiling us!’

    Met één iconisch zinnetje werden het chocolaatje én de merkpositionering op verrukkelijke wijze belachelijk gemaakt en voor eeuwig opgestoten in de Britse popcultuur. Achttien jaar geleden sprak William Cook in een artikel over de commercial in de New Statesman van de ‘eeuwige spagaat tussen de mythe van het ambassadeleven en de realiteit van de winkel op de hoek’. De boodschap van hang naar luxe en goede smaak was in de ogen van sommigen juist smakeloos. ‘Britse kijkers maken zich vaak vrolijk óver buitenlanders, niet mét buitenlanders,’ schreef Cook.

    Kapitalistisch spel

    Tientallen jaren later is de reclame-die-zo-slecht-was-dat-hij-weer-goed-werd en die compleet over the top is grappiger dan ooit. Maar juist die spanning tussen mythe en werkelijkheid sprak immigranten zo aan: wat fantastisch dat je je een luxeartikel kon permitteren met daaraan de herinnering dat je het al je hele leven met je familie deelde. Misschien was het gewoon niet te bevatten voor mensen die nooit door een verhuizing waren gedwongen hun in de loop van generaties gevormde welvaart en cultuur vaarwel te zeggen.

    Ferrero Rocher speelde in op die relatie, bijvoorbeeld door het product in verband te brengen met het hindoeïstische lichtjesfeest Divali. ‘Waarom hebben we het zo speciaal gemaakt?’ zegt de voice-over van een in India uitgezonden commercial. ‘Omdat we weten hoe speciaal het is om met Divali bij je dierbaren te zijn.’ Het was een geniale zet in het wereldwijde kapitalistische spel, precies wat mijn familie nodig had toen we destijds de enorme veranderingen in ons leven doormaakten die ons thuisgevoel langzaam uitholden.

    Tegenwoordig is de Ferrero Group niet alleen doorgedrongen tot de Amerikaanse markt, hij neemt die ook over. Eerder dit jaar kocht het bedrijf voedingsconcern Nestlé voor een slordige 2,8 miljard dollar nadat het eerder al Fannie May Confections voor 115 miljoen dollar had overgenomen, evenals gomproducent Ferrara Candy Company. Het afgelopen jaar noteerde de Ferrero Group volgens het vakblad voor de snoepindustrie Confectionary News een wereldwijde omzet van 12,96 miljard dollar. In de VS is Ferrero Rocher volgens marketingdirecteur Shalini Stansberry van Ferrero Premium Chocolates USA het op drie na grootste chocolademerk.

    In een tijd vol jarennegentignostalgie en met een hevig Amerikaans immigratiedebat speelt Ferrero Rocher nog net zo’n grote rol in mijn leven als toen ik opgroeide. Ik koop de chocolaatjes nog altijd en neem ze nog steeds mee wanneer ik bij iemand op bezoek ga, zoals mijn ouders dat deden. Ik mag graag denken dat de Amerikaanse immigrantenbevolking Ferrero Rocher aan zijn succes in dat land heeft geholpen, zoals het ons ook ooit van dienst is geweest.

    Auteur: Liana Aghajanian
    Vertaler: Nico Groen

    Liana Aghajanian is een Armeens-Amerikaanse journalist. Ze is gespecialiseerd in narratieve journalistiek en internationale verslaggeving. Aghajanian werd geboren in Iran, en groeide op in Los Angeles.

    Thrillist.com
    VS | thrillist.com

    Opgericht in 2004. Amerikaanse website over eten, drinken, reizen en entertainment.

  • Wild, direct, 
energiek en rusteloos

    Wild, direct, 
energiek en rusteloos

    De Amerikaanse kunstenaar Jean-Michel Basquiat liep vooruit op de digitale cultuur; zijn kunst past bij het levensgevoel van de Instagramgeneratie. Een tentoonstelling in Frankfurt documenteert zijn bliksemcarrière.

    Het korte leven van Jean-Michel Basquiat 
laat zich lezen als een actiestrip: uit een teenager met een spuitbus groeide een superster van de kunstwereld, die op 27-jarige 
leeftijd stierf aan een overdosis heroïne. Hij schiep 
in nog geen tien jaar ongeveer duizend werken – waarvan er maar weinig in openbare musea te zien zijn, want al tijdens zijn leven verkocht Basquiat heel goed. Op zijn eenentwintigste was hij de jongste deelnemende kunstenaar tot dan toe van documenta 7 in Kassel en tegenwoordig geldt hij als een van de belangrijkste kunstenaars van onze tijd. In het 
afgelopen jaar bracht zijn schilderij Untitled (1982) op een veiling 110,5 miljoen dollar op. Waanzinnig.

    Toen Jean-Michel Basquiat de eerste golf van roem achter de rug had, was hij nog maar net twintig jaar. Als graffitiartiest had hij onder het pseudoniem SAMO (same old shit) in Manhattan naam gemaakt 
met cryptisch-poëtische schrifttekens. Vanaf die tijd werd hij steeds opnieuw gefotografeerd, gefilmd, in kranten beschreven – hij was eerzuchtig en werkte onafgebroken, maar behield tegelijkertijd ook zijn jeugdige charme en coolness, waardoor alles zo 
moeiteloos leek.

    De tentoonstelling Boom for Real in de Schirn Kunsthalle Frankfurt toont nu een groot retrospectief 
dat eerder in Londen te zien was. Het probeert te 
verklaren waarom de hyperactieve zwarte jongen uit de Brooklynse middenklasse een kunstenaar werd die uitzonderlijk was in zijn tijd.


    Want waarom dat zo was, is niet meteen duidelijk. De kunstkritiek heeft zo nu en dan van alles op Basquiat aan te merken: is zo’n komeetachtige carrière als van een popster wel gerechtvaardigd zonder enige formele opleiding? Zijn zijn portretten eigenlijk niet alleen maar neergekwakte pictogrammen? Is die 110 miljoen dollar niet een groteske overwaardering door de kunstmarkt? Is hij misschien alleen maar door zijn vroegtijdige drugsdood een mythe geworden?

    Aan de drugs die zijn ondergang betekenden, maakt Boom for Real, ondanks een duidelijk biografisch accent, geen woord vuil. In plaats daarvan komen we veel te weten over de New Yorkse scene rond 1980. In het trappenhuis ontvangt Basquiat de bezoeker op een videowand, trippelend op de muziek van Duke Ellington; in de volgende ruimtes zijn krantenartikelen uit eind jaren zeventig te zien, polaroids met Grace Jones, Madonna, Fab 5 Freddy en andere creatievelingen uit de postpunkunderground. Dan komen de portretten van en met zijn vriend Andy Warhol. De bezoeker wordt geïnformeerd over waar Basquiat ging dansen, wanneer hij Warhol leerde kennen, hoe de uitnodiging voor zijn verjaardagsfeestje eruitzag, hij kan 
Basquiats brieven, ansichtkaarten, cheques en huurcontracten bekijken. Een hele zaal toont uitsluitend bladzijden uit zijn notitieboekjes.

    Brok energie

    Hoort een zo gedetailleerde biografische documentatie thuis in een kunsttentoonstelling? Zou de kunst niet voor zichzelf moeten spreken? Misschien niet in het geval van Basquiat, want zijn kunst is een mix van zijn leven, politiek-maatschappelijke invloeden en de samplemethode van de hiphopcultuur die toen ontstond. ‘Hij verslond ieder beeld, ieder woord, ieder snippertje informatie dat op zijn pad kwam’, schreef de auteur Glenn O’Brien na Basquiats dood in 1988. ‘De stortvloed aan informatie waarmee wij leefden veranderde zo in iets dat een verbluffende nieuwe betekenis opleverde.’

    Deze hoogbegaafde brok energie zoog alles op, 
reageerde op elke impuls in zijn omgeving, schijnbaar ongefilterd. Het zelfportret Dos cabezas (1982) met Andy Warhol schilderde hij in twee uur en hij schonk het aan zijn idool terwijl de verf nog nat was. Zelfs de teksten op zijn cornflakesdoos zou hij af en toe verwerkt hebben, steeds omringd door bergen boeken, alsook een tv en een platenspeler die tegelijk aan staan. Zo schilderde hij zich als eerste zwarte 
de elitaire witte kunstwereld in.

    Basquiats schilderijen spiegelen deze permanente toestand van overprikkeling. Ze zijn wild, geïmproviseerd, direct, vol energie en rusteloosheid, elk schilderij als een fragment uit zijn tijdlijn. Hij 
vermengt citaten met anatomische tekeningen, krantenknipsels met grove verfstreken, hij 
vervreemdde elementen van Picasso en Leonardo 
da Vinci, kopieerde en voegde in: een copy-pastekunstenaar. En hij hield van selfies, steeds weer schilderde hij zelfportretten. Je zou kunnen zeggen: hij liep vooruit op de huidige digitale cultuur, waarin veel mensen voortdurend druk zijn met het verwerken van de input die op ze af komt.

    Untitled (1982).
    Untitled (1982).

    Misschien is dat wel de reden waarom Basquiat zo veel mensen bevalt – omdat bij hem uit de synthese van onsamenhangende futiliteiten een nieuwe 
betekenis lijkt te ontstaan. Het zijn snelle, spontane werken die de thema’s van zijn tijd symbolisch samenvoegen; Basquiat is bovendien de zwarte held tegen een witte achtergrond. Steeds opnieuw toont hij zich in zelfportretten als donkere schedel, 
omgeven door politiek aandoende slogans, zoals in Famous (1982) of Glenn (1984).

    Racisme, politiegeweld, kritiek op het kapitalisme – Basquiats thema’s zijn ook nu nog actueel. Hij 
verplaatst ze, doordat hij het private en het openbare in elkaar laat overgaan – ook daarin lijkt zijn werk 
op de huidige digitale cultuur. In Boom for Real is er daarom geen sprake van smetvrees of academische drempels, want het levensgevoel van de Facebook- 
en Instagramgeneratie lijkt sterk op de directheid waarmee Basquiat werkte.

    Zijn grote formaten, zoals Ishtar (1983), bevatten zo veel dat je er moeilijk niet van kunt houden. Basquiat raakt aan alles tegelijk: muziek, wetenschap, 
politiek, economie, tv. Het zijn schilderijen als 
overvloedige buffetten, waarin iedereen iets voor zichzelf kan vinden.

    Auteur: Carola Padtberg
    Vertaler: Piet Meeuse

    Tentoonstelling Basquiat. Boom for Real. Schirn 
Kunsthalle Frankfurt, Frankfurt am Main. Tot 17 mei 2018

    Openingsbeeld: Jean-Michel Basquiat met American Football-helm in 1981.

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 758.900

    Belangrijk en uiterst onafhankelijk 
onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947, dat verscheidene politieke schandalen 
aan het licht heeft gebracht.