De controverse draait om een fresco in de Basilica di San Lorenzo in Lucina in Rome, meldt The Times. De engel werd eerder gerestaureerd door kerkkoster Bruno Valentinetti, waarna bezoekers opmerkten dat het gezicht opvallend veel leek op dat van Meloni. Na kritiek vanuit het Vaticaan werd het gezicht opnieuw aangepast.
Na de nieuwe restauratie suggereren online commentatoren en kunsthistorici dat de engel nu lijkt op Marina Berlusconi, dochter van oud-premier Silvio Berlusconi en een invloedrijke figuur binnen de Italiaanse zakenwereld. Anderen zien dan weer gelijkenissen met Alessandra Mussolini of de Italiaanse zangeres Elodie.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De kwestie leidde eerder al tot politieke discussie in Italië. Oppositiepartijen spraken van een vorm van persoonsverheerlijking, terwijl kerkelijke autoriteiten benadrukten dat religieuze kunst geen politieke figuren hoort af te beelden. Meloni zelf reageerde eerder luchtig op de controverse en grapte op sociale media dat ze ‘er niet uitziet als een engel’.
De priester van de kerk houdt vol dat de nieuwste versie van de engel niet op iemand specifiek is gebaseerd. Toch blijven bezoekers en media speculeren over de gelijkenissen, waardoor de kerk opnieuw veel aandacht trekt.
De schutter stak de kerk in brand en werd daarna gedood
Een man reed zondagmorgen met een pick-up een mormoonse tempel in de plaats Grand Blanc in Michigan binnen en stapte uit het voertuig om het vuur te openen op de gelovigen die de dienst bijwoonden, meldt USA Today. Daarbij zijn vier doden en acht gewonden gevallen. De politie verklaart dat hij vervolgens ‘opzettelijk’ de gebedsplaats in brand heeft gestoken. Het kerkgebouw is compleet afgebrand.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De schutter kwam om het leven tijdens een vuurgevecht met de politie op de parkeerplaats van de kerk. ‘De verdachte is dood, maar er valt nog veel te leren. Het lijkt erop dat dit een nieuwe aanval is op christenen in de Verenigde Staten van Amerika’, aldus Donald Trump in een post. ‘Deze epidemie van geweld in ons land moet onmiddellijk worden beëindigd’, voegde de Amerikaanse president eraan toe.
Over de hele wereld probeert de katholieke kerk de harten van jongeren terug te winnen. In Brazilië worden daar influencers, dj’s en twee dansende en zingende nonnen voor ingezet.
Het is feest in het klooster. Een breakdancer die zich voorstelt als de Wizard doet backflips. Een andere tolt rond op zijn rug. Een rapper, spotlights, twee cameramensen en een blitse Chevy met een geluidsinstallatie in de kofferbak en de bas op vol volume. En in het middelpunt: twee nonnen die in Brazilië plotseling sterren zijn geworden, zuster Marizele Rego en zuster Marisa Neves, omringd door danseressen compleet met kruis, habijt en nonnenkap.
Ze maken een videoclip voor hun nieuwe nummer ‘Vocação’: ‘Roeping’. Dat is een internethit sinds zuster Marisa enkele weken geleden in een katholiek tv-programma een dansje deed terwijl zuster Marizele het aanstekelijke refrein aanhief en begon te beatboxen. Dat tv-fragment ging meteen de wereld rond en werd tien miljoen keer bekeken. Gevolgd door memes, imitaties en optredens in talkshows. Whoopi Goldberg sprak in het tv-programma The View van een ‘real life Sister Act’.
Dus staan ze nu op de binnenplaats van hun klooster te playbacken, in een poging hun kortstondige roem te verlengen met een videoclip. God liet ze viraal gaan om meer jongeren naar de kerk te trekken, zeggen ze, en ze willen zijn missie volvoeren. ‘Hoe kon iets zo eenvoudigs en spontaans ineens zo groot worden?’ zegt zuster Marizele, die als zingende non al honderdduizend Instagram-volgers had voordat ze een wereldwijde sensatie werd. ‘Omdat de Heilige Geest de harten van de mensen wil raken.’
‘En naast de Heilige Geest,’ zegt ze erbij, ‘is er ook nog het algoritme.’ Zuster Marizele (46) en zuster Marisa (41) vertegenwoordigen een bredere beweging die binnen de katholieke kerk de teugels wat wil vieren, spontaner wil zijn en jongeren wil aanspreken waar ze zitten: online. Ook in Brazilië, het grootste katholieke land ter wereld, raakt de kerk al jaren gelovigen kwijt. Volgens cijfers die de overheid deze maand vrijgaf, noemt nog geen 57 procent van de tweehonderd miljoen Brazilianen zichzelf nu katholiek, tegenover 83 procent dertig jaar geleden. Katholieke influencers, zangers en popgroepen doen hun best om dat tij te keren. Sommige Braziliaanse priesters, gespierde, knappe en muzikale mannen, hebben al tientallen miljoenen volgers op Instagram. Zoals pater Marcelo Rossi, een van de bestverkopende Braziliaanse artiesten aller tijden. En katholieke dj’s spelen tegenwoordig elektronische muziek op zogenaamde katholieke raves, zoals in januari bij het enorme Christusbeeld in Rio de Janeiro.
De katholieke Grammy’s
Dit streven ligt in het verlengde van de charismatische vernieuwingsbeweging en andere groeperingen die al tientallen jaren proberen de katholieke kerk toegankelijker en aantrekkelijker te maken, en dat nu ook in het digitale domein doen. Volgende maand vinden in Rome met steun van het Vaticaan nieuwe evenementen plaats om katholieke influencers bij elkaar te brengen en prijzen uit te reiken aan katholieke artiesten die al zijn omschreven als ‘de katholieke Grammy’s’. Maar behalve de nieuwe paus kreeg in juni enkele dagen lang waarschijnlijk niemand meer aandacht dan zuster Marizele en Marisa.
De twee nonnen zijn lid van Copiosa Redenção (Overvloedige Verlossing), een vijfendertig jaar oude congregatie van zo’n tachtig nonnen en vijfentwintig broeders die jonge drugsverslaafden helpen af te kicken, waarbij ze kunst en muziek vaak als middel inzetten. Deze maand werd er in een klooster van de congregatie in Zuid-Brazilië veel gelachen. Vooral door zuster Marizele en Marisa. ‘Heb je wel een levensverzekering?’ vroeg zuster Marizele terwijl ze plaatsnam achter het stuur. Toen de auto over een helling snelde – ze waren bijna te laat voor de mis – gilde zuster Marisa het uit alsof ze in een achtbaan zat.
Het zijn allebei dochters van maïs- en sojaboeren in de landbouwstaat Paraná, en ze zijn allebei opgegroeid in een huis vol muziek. Een van haar broers hoefde maar muziek op te zetten, zegt zuster Marisa, en zij en veel van haar tien broers en zussen stopten met het werk op de akker en begonnen te dansen. ‘Alles waar maar op gedanst kon worden,’ zegt ze. Nadat ze op haar drieëntwintigste in het klooster was gegaan, is ze blijven dansen en heeft ze hiphop- en breakdancelessen gevolgd. Later kreeg ze een positie bij een katholieke tv-zender waarvoor ze soms verslag deed van evenementen, en soms in beeld een dansje deed met een priester.
Zuster Marizele komt uit een familie van muzikanten. Haar grootvader bouwde gitaren en haar tantes zongen op de radio. Ze werd non op haar vijfentwintigste, nadat haar moeder door een wonder van kanker was genezen. Daarna zong ze geregeld op religieuze retraites en heeft ze met een aantal andere zusters een gospelalbum opgenomen.
De twee leerden elkaar kennen in 2007 en het was al snel duidelijk dat het klikte. ‘Je hoeft maar een beat te beginnen en zij begint te dansen,’ zegt zuster Marizele over zuster Marisa. Beatboxen heeft ze zichzelf geleerd, zodat ze de andere nonnen tijdens het zingen van ritme kon voorzien. ‘Ik begon gewoon ritmes te maken met mijn mond,’ zegt ze. ‘Ik wist niet eens dat zoiets beatboxen heet.’ Gaandeweg beseften ze dat beatboxen en hiphop iets is wat de jonge vrouwen in de afkickcentra aanspreekt. Die komen vaak van de straat en hebben weinig gemeen met de nonnen. ‘Het is een middel om contact te maken en muren te slechten,’ zegt zuster Marizele.
Goud
Vanwege die aantrekkingskracht werden zuster Marizele en Marisa door de congregatie aangewezen voor de werving van nieuwe nonnen, in een tijd waarin steeds minder vrouwen voor een leven in het klooster kiezen. Volgens het Center for Applied Research in the Apostolate, een non-profitorganisatie die onderzoek doet naar de katholieke kerk, is het aantal nonnen in de VS de afgelopen twintig jaar bijvoorbeeld met de helft gedaald tot circa 36.000. Het aantal priesters is in diezelfde periode met 18 procent gedaald tot 34.000.
Op 20 mei kwamen zuster Marizele en Marisa in een katholieke talkshow praten over een retraite waarmee ze nieuwe nonnen willen werven. Zuster Marizele begon daar ‘Vocação’ te zingen, een jaren geleden door haar congregatie geschreven lied over de roeping van de non. Maar ze had er een nieuwe hook aan toegevoegd: ‘Voc-a-çao, oh, ohh’. En zuster Marisa moest toen wel een dansje maken, zegt ze. Ze stonden op en zuster Marizele begon te beatboxen. Buiten beeld werd de diaken die hen interviewde door de regisseur aangespoord om mee te doen, zegt zuster Marisa, die de regieaanwijzingen in haar oortje kon horen. De diaken had het ritme al snel te pakken en volgde de passen van zuster Marisa op de voet. Dat moment, samengebald in een clipje van dertig seconden, bleek op internet goud waard. Volgens de data-analisten van Tubular is het alleen al op TikTok meer dan 34 miljoen keer bekeken. Al snel stroomden van heinde en ver de interviewverzoeken binnen.
De oudere nonnen in het klooster roken hun kans. Zuster Daniely Duarte Santos, hoofd communicatie van de congregatie, riep een collega terug van vakantie, en om de ontstane aandacht optimaal te benutten begonnen ze het filmpje herhaaldelijk op sociale netwerken te plaatsen. Binnen enkele dagen hadden al ruim vijftig vrouwen geïnformeerd naar de mogelijkheid om non te worden. Normaliter werven ze maar een handjevol nieuwe leden per jaar.
Ze schakelden een lokale dj in om een muziektrack te maken, en tussen de interviews door nam zuster Marizele de zangpartij op. Het resultaat, met bas en synthesizers en al, is volgens zuster Marizele ‘technopop’. Het nummer bestormde de Braziliaanse ranglijst van katholieke muziek op Spotify. Zuster Marizele en Marisa waren overal op tv te zien met hun beatbox en hun dansje. Ze maakten de clip, geregisseerd door zuster Daniely, met een headset onder haar nonnenkap. Op straat worden ze staande gehouden door fans die om een selfie vragen. ‘Wij vragen één weesgegroetje per foto,’ zegt zuster Marizele.
De kerk zou nog steeds onder Russische invloed staan
Dinsdag stemde het Oekraïense parlement over de laatste lezing van een wetsontwerp dat de Orthodoxe Kerk verbiedt die verbonden is aan het patriarchaat van Moskou, dat vaak wordt gezien als een kanaal van invloed voor het Kremlin. Deze Russische tak, die ooit de populairste was in Oekraïne, verbrak in 2022 de banden met de Russische patriarch Kirill omdat hij het Russische offensief op Oekraïens grondgebied steunde.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De Oekraïense autoriteiten zijn echter van mening dat de kerk nog steeds onder Russische invloed staat en hebben het aantal juridische maatregelen tegen de kerk verhoogd. Sommige van haar ‘priesters en financiële helpers zijn betrapt op het helpen van het Russische leger in Oekraïne’, meldt de Europese editie van het tijdschrift Politico. De toepassing van de nieuwe wet zal waarschijnlijk veel tijd in beslag nemen, omdat het verbod voor elke parochie of bisdom door een rechtbank moet worden bekrachtigd.
De aan Rusland gelieerde Orthodoxe Kerk heeft de afgelopen jaren veel van haar volgelingen in Oekraïne verloren naarmate het Oekraïense nationale sentiment groeide. Dit proces versnelde met de oprichting van een onafhankelijke Oekraïens-orthodoxe kerk in 2018.
Tot tweeduizend kinderen zijn sinds de jaren vijftig misbruikt
Bijna tweeduizend minderjarigen zijn sinds de jaren vijftig slachtoffer geworden van seksueel misbruik door geestelijken van de Rooms-Katholieke Kerk in Illinois. Dat schrijft The New York Timesop basis van een rapport van een openbaar aanklager in de staat. Zelf heeft de kerk in Illinois altijd gezegd dat het om maximaal vijfhonderd slachtoffers ging.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ondanks de onthulling zal het waarschijnlijk niet tot veel veroordelingen komen, zo verwacht de Amerikaanse krant. Veel betrokken daders, waaronder priesters, zijn inmiddels overleden, net als sommige slachtoffers van het misbruik. Andere zaken zijn inmiddels verjaard. Toch worden er meerdere namen in het rapport genoemd, volgens de aanklager in de hoop nog enig recht te doen aan de slachtoffers van het jarenlang verborgen gehouden schandaal.
Massaal seksueel misbruik binnen de Rooms-Katholieke Kerk is de afgelopen decennia in meerdere Amerikaanse staten ontdekt. In april kwam aan het licht dat in de staat Maryland ruim zeshonderd kinderen waren misbruikt door geestelijken, in een periode van ruim zestig jaar. Ook elders in de wereld zijn schandalen aan het licht gekomen, met een geschat totaal aantal misbruikslachtoffers van zeker honderdduizend.
De 86-jarige paus kwakkelt al langer met zijn gezondheid
Paus Franciscus is opgenomen in het ziekenhuis met een infectie aan zijn luchtwegen. Dat schrijft Vatican News. De paus had al meerdere dagen last bij het ademen en moet de komende dagen in het ziekenhuis blijven om te herstellen.
De zesentachtigjarige Franciscus zou naast ademhalingsproblemen ook hartklachten hebben gehad. Hij werd met een ambulance naar een speciale afdeling voor pausen gebracht in een ziekenhuis in Rome. De paus kwakkelt al langer met zijn gezondheid: naast darmproblemen heeft Franciscus last van zijn knieën, waardoor hij steeds vaker in het openbaar in een rolstoel verschijnt.
De komende week staat er met Pasen een drukke week op de agenda van de paus, en het is nog onzeker of de leider van de Rooms-Katholieke Kerk aanwezig is bij de vieringen. Franciscus is inmiddels tien jaar paus en heeft al eerder gezegd niet in het harnas te willen sterven, maar te zullen terugtreden als hij niet meer de kracht heeft om zijn taken uit te voeren.
Het dorp staat al 30 jaar leeg en kent een hotel, school en kerk
Mensen die op zoek zijn naar een nieuwe woning en de overhitte woningmarkt in Nederland zat zijn, doen er wellicht beter aan om over de grens te kijken. In het noordwesten van Spanje wordt volgens de BBC een heel dorp verkocht voor de luttele som van 260.000 euro. Het gaat om Salto de Castro, vlak bij de grens met Portugal, op drie uur rijden van hoofdstad Madrid.
In het Spaanse stadje vind je 44 huizen, een hotel, een kerk, een school, een openbaar zwembad en zelfs een oude kazerne. Het stadje is al dertig jaar verlaten, alle inwoners zijn vertrokken en de huidige eigenaar is een tachtigjarige man die het dorp begin 2000 kocht met het idee er een toeristische hotspot van te maken. Dat project kwam mede door de financiële crisis niet van de grond.
Hoewel Salto de Castro een leuke buitenkans is voor een investeerder met grote plannen, vertelt de leegstand in het stadje het verhaal van grote delen van ruraal Spanje. Vanwege vergrijzing en een gebrek aan arbeidskansen trekken steeds meer mensen weg uit dorpen en ontstaan er spookstadjes waar niemand meer in leeft. In andere Zuid-Europese landen kunnen jonge gezinnen in zulke stadjes gratis aan woningen komen, zolang ze er zich maar vestigen en zo het voortbestaan van dorp garanderen.
De Franse kerk ligt onder vuur vanwege een misbruikschandaal
Het seksueel misbruikschandaal in de Franse kerk is maandag verder uitgedijd. Volgens Le Monde worden nog eens elf bisschoppen beschuldigd van seksueel misbruik in de afgelopen decennia. Onder hen is Jean-Pierre Ricard, een Franse kardinaal, die heeft bekend dat hij een minderjarige heeft misbruikt.
In 2021 onderzocht een commissie seksueel misbruik binnen de Franse kerk. Hun bevindingen logen er niet om: in de afgelopen zeven decennia zouden ruim 210.000 minderjarigen zijn misbruikt binnen kerken en religieuze instituten. Er was amper sprake van vervolging van daders en slachtoffers werden aangemoedigd te zwijgen over hun leed.
Momenteel probeert de kerk te onderzoeken hoe ze een herhaling van dergelijk misbruik kan voorkomen. Franse bisschoppen zijn daarvoor deze week bijeengekomen in Lourdes. Daders van seksueel misbruikt moeten harder gestraft worden, vinden de aanwezige geestelijken.
In geen enkele stad ter wereld draait het dagelijks leven zo om religie als in Jeruzalem. ‘De Stad van de Vrede’ – die ironisch genoeg nooit vrede heeft gekend – herbergt zelfs burgers met het zogenoemde Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.
Keuze uit ons archief
Al eeuwenlang is Jeruzalem een stad die betwist wordt door christenen, moslims en joden. Ook nu zwelt het conflict tussen Israël (joods) en Palestijnse groeperingen (islamitsch) weer aan na hard optreden van de Israëlische politie tegen Palestijnse betogers bij de Al-Aqsamoskee op de Tempelberg – belangrijke heiligdommen van beide religies –, waarop Hamas reageerde met een spervuur aan raketten. Wat is toch die speciale kracht van Jeruzalem die het hart en hoofd van vele gelovigen op hol brengt, zelfs in zo’n mate dat er een syndroom naar is vernoemd? Dimitrij Kapitelman – atheïst, maar van joodse origine – zocht het uit.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 138, april 2018.
In de waarschijnlijk meest gloedvol beschreven stad aller tijden is het deze decemberavond rustig. Bedeesd bijna. In elk geval binnen de majestueuze muren van de Oude Stad. Niet dat er een sacrale stilte hangt, eerder een geconcentreerd zwijgen. Zodra de handelaren hun souvenirshops op slot doen, raken de dicht opeen gelegen, heuvelachtige steegjes tussen de hoge muren van Jeruzalem leeg. Uit de portofoons van de Israëlische soldaten die overal tussen de rijen huizen in groepjes op wacht staan, knetteren korte mededelingen. Het is 18 december 2017.
Twaalf dagen eerder heeft de Amerikaanse politieke komediant Donald Trump aangekondigd dat hij het gedeelde Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent. In het Joodse West-Jeruzalem is de zevende kaars van de chanoekia [de negenarmige kandelaar die met Chanoeka wordt gebruikt] ontbrand, in het oosten de woede van de Palestijnen over dit goddeloze paternalisme. De zogeheten Arabische wereld heeft Dagen van Woede afgekondigd. Jeruzalem heeft koorts. En als Jeruzalem koorts heeft, loopt de temperatuur van de hele mensheid op. Van Bali tot Berlijn klinken brandende redevoeringen, worden dure eden gezworen en wapperen de vlaggen. En dooft het levenslicht.
Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt?
Ondertussen stinkt de Via Dolorosa, de lijdensweg waar Jezus ooit zijn kruis overheen sleepte, naar de pis van de krolse katers die je overal in de steegjes van de Oude Stad hoort krijsen. Tegenover het geboortehuis van de Maagd Maria staan twee lege diepvrieskisten met reclame van Ola. Iets verderop verwisselen Arabischsprekende bouwvakkers putdeksels.
Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt? Waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam voor hij tijdelijk overleed om vervolgens in de Kerk van het Heilig Graf te worden opgebaard? Waar de profeet Mohammed opsteeg naar het hemelrijk met achterlating van de Rotskoepel? Waar de tempel van de joden heeft gestaan en waar ze aan de laatst overgebleven muur daarvan, de Klaagmuur, nog altijd bidden? En waar ze zelf in 2004 een heel grote en veel beklaagde muur hebben gebouwd om zich hermetisch af te sluiten?
Door een beetje heiligdomhoppen kun je de symbolen van de drie wereldgodsdiensten in een kwartier aflopen. En door slechts één keer in deze stad te verblijven kun je je verstand kwijtraken. Of God vinden. Of je verstand kwijtraken én God vinden. Of God en dus pas eigenlijk je verstand vinden. Of toekijken hoe God zijn verstand verliest. De wisselwerking tussen deze vondstverlies-verliesvondsten is in Jeruzalem omstreden. Maar dat ze bestaan, valt niet te bestrijden.
Er is een officieel erkende psychose die alleen in deze stad optreedt: het Jeruzalemsyndroom. Overweldigd door de alomtegenwoordigheid van het hemelse gaan sommige toeristen − het maakt niet uit van welke religie − denken dat ze een heilige zijn. Een engel, een apostel, soms zelfs de op dat moment wedergeboren messias. Eerst stoppen ze met slapen, dan met lichaamsverzorging en ten slotte met hun gehele burgerbestaan tot dan toe. Gehuld in beddenlakens zwerven ze door de stad en verkondigen psalmen, hun eigen wedergeboorte, soms het naderende einde.
Uit de vakliteratuur komt niet naar voren of de alomtegenwoordigheid van de hemel in deze stad echt de ziekteverwekker is, of juist het blijkbaar teleurstellende ontbreken daarvan: de onbeheerde Ola-diepvrieskisten, het onderhoudswerk aan putdeksels. Hoe dan ook, meestal laten de zelfverklaarde verlossers zich met klinische zorg en kalmeringsmiddelen van gemiddelde sterkte weer tot individuen terugverplegen.
De ‘Stad van de Vrede’ heeft de facto nooit vrede gekend
Toch lijkt het nog krankzinniger dat uitgerekend de voor miljoenen gelovigen wereldwijd heiligste plaats op aarde, Yerushalayim − etymologisch: ‘Fundament van God’ of ook ‘Stad van de Vrede’ − de facto nooit vrede heeft gekend. Dit feit is bij wijze van spreken een nog kolossaler Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.
Het gaat dus om gezond mensenverstand en het begrijpen van God in Jeruzalem. Om vermijdbare misvattingen en openbaringen, krampen en verlossingen, wonderen en niet-wonderen die hier elke dag opnieuw worden vastgesteld, alsof ze even natuurlijk zijn geschapen als de mens zelf.
Op een bepaalde manier wordt de grootste psychiatrische kliniek van Jeruzalem, Kfar Shaul, omringd door geestelijke blijmoedigheid. Ertegenover staan twee synagogen en twee joods-orthodoxe godsdienstscholen, waar ook iedere dag en even onverstoorbaar wereldbeschouwingen worden ingestudeerd. Maar als je de leerlingen van de jesjiva naar de kliniek vraagt die een paar meter verderop staat, maken ze een wegwerpgebaar, alsof het een onwelkome indringer van wereldse verdwazing is.
Achter de goed bewaakte ingang ligt geen knots van een kliniek maar een voormalig dorp, met verspreide huisjes en binnenweggetjes. Het Israëlische leger heeft de voorheen Arabische nederzetting in 1948 bezet. Nou ja, eigenlijk ligt er voor de ingang nog, naast een palm, een man met zijn gezicht in de modder van het grasveld. Naar zijn vuile kleding te oordelen ligt hij er al een hele tijd. Vlak daarnaast zit een groepje sombere patiënten op een houten bank naar droevige muziek te luisteren, het klinkt als een vooroorlogse crooner, maar dan op zijn Hebreeuws.
‘Het leven in de kliniek heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen’
Een paar meter verder klinkt uit de kliniek martiaal geschreeuw: de kleine fitnessruimte. Een kamer verder, in het zogeheten resocialiseringscentrum, zit een man met een volle baard en roodomrande ogen in zijn eentje achter de computer en bekijkt aanbiedingen voor cruises in de Cariben. Dr. Gregory Katz is de hoofdarts van Kfar Shaul. Als overtuigd zionist emigreerde hij in 1989 vanuit Moskou naar Jeruzalem, vertelt hij. Hij is mager, begin vijftig en praat vermoeid maar geconcentreerd. Hij was er ook van overtuigd dat het Joodse volk op de berg Sion, de oorsprong van hun geloof, thuishoort. Maar van die overtuiging is nog maar weinig over en godsdienstig is hij überhaupt nooit geweest. ‘Destijds in Rusland leken joden me bijzonder, op een of andere manier verlichter, voor iets voorbestemd. Maar het leven hier heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen. En dat een idee altijd alleen een idee blijft.’
Katz heeft het Jeruzalemsyndroom niet direct ontdekt (de eerste teksten waarin van een dergelijk syndroom sprake is dateren al uit de zestiende eeuw) maar wel in toonaangevende medische tijdschriften beschreven. En hij heeft meer patiënten met het Jeruzalemsyndroom behandeld dan enig ander. Hoewel ook dat aantal overzichtelijk blijft: vroeger waren het ongeveer vijf tot zes gevallen per jaar. De zuivere vorm, waarbij een tot dan toe psychisch onopvallende persoon in Jeruzalem manisch wordt, komt toch al extreem weinig voor. In de regel is het type B: mensen met een bestaand ziektebeeld dat in Jeruzalem heviger wordt.
‘Alles bij elkaar is het een ziektebeeld dat verdwijnt. Pelgrims kunnen de Oude Stad op Google Street View tot in detail bekijken. Daarom blijft de shock na aankomst uit. Bovendien reizen mensen meer, zijn ze beter opgeleid er geloven ze niet meer zo direct in religie en wonderen’, vertelt Katz
De laatste keer dat hij een patiënt behandelde, was een halfjaar geleden. Een wat oudere Engelse toeriste, protestants, die dacht dat ze een heilige was en die een eind wilde maken aan het conflict in het Midden-Oosten. ‘Een ernstig geval, omdat ze leed aan eeen bipolaire stoornis en er rotsvast van overtuigd was dat ze een directe verbinding met God had.’
‘Maar hoe kun je iemand op een geloofwaardige manier, met argumenten uitleggen dat hij geen rechtstreekse verbinding met God heeft?’
‘Dat is ook onmogelijk. Als ze een aanval krijgen, geven we ze medicijnen.’
‘Wat geeft u de zekerheid dat medicijnen een goede uitleg kunnen vervangen?’
‘Je kunt dit probleem niet filosofisch oplossen. In individuele gevallen zijn medicijnen veel praktischer. Zeker, een religieus iemand gelooft dat God alles ziet en dat hij onder Zijn hoede staat. Na het bidden ervaart hij een zekere extase, een zekere band met God. Daar is bidden tenslotte ook voor. Maar als iemand stemmen hoort die van God komen en die hem concrete opdrachten geven, bijvoorbeeld om zich uit te kleden, dan zijn dat hallucinaties.’
‘Denkt u dat de meeste mensen in Jeruzalem een gezonde verhouding tot het geloof hebben?’
‘U kunt zich niet voorstellen hoe verschillend mensen zijn. We kunnen ze niet over één kam scheren. Iemand die in een ultra-orthodox gezin is opgegroeid kijkt op een bepaalde manier naar de wereld. Goed of niet goed: het is een andere wereld. Ja, de joodse godsdienst kent heel veel concrete voorschriften. Dat kan de basis vormen voor een manie. Maar uit onderzoek blijkt dat godsdienstige mensen minder vaak aan psychische ziektes lijden. Dat ze minder vaak zelfmoord plegen, meer motivatie hebben, na lichamelijke kwalen sneller weer gezond zijn.’
‘Anderzijds heeft religie er aantoonbaar toe bijgedragen dat de Stad van de Vrede altijd omstreden is gebleven, en nu gedeeld is. Het heeft geleid tot zelfmoordaanslagen en een schijnbaar onoplosbaar conflict.’
‘Ja, maar dat is het principiële probleem van ideeën. Groepsideeën als religie of nationalisme leiden altijd tot felle discussies. Wie aan een bepaalde god gelooft en daarnaar leeft, zal altijd in conflict komen met andersdenkenden. Natuurlijk, je kunt cynisch worden en nergens in geloven. Dan wordt het makkelijker en heb je geen last van tegenspraak. Maar kan een mens überhaupt zonder ideeën leven? Ik betwijfel het.’ Na een korte denkpauze voegt Katz eraan toe: ‘Zo ambivalent is de mens nu eenmaal.’
‘En uw eigen idee? U bent een niet-gelovige Jood, en een cynicus lijkt u me ook niet.’
‘Ik teer op de resten van mijn humanisme.’
‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab’
Omdat humanisme goed is, maar metaalscanners beter, staat er altijd een tiental securitymannen bij de ingang van het hoofdbusstation van Jeruzalem. Een paar dagen eerder stak een jonge Palestijn een van deze mannen een mes in de borst. Misschien het begin van de gevreesde Derde Intifada. Of alleen maar een van de gebruikelijke, als alledaagse angst geïnternaliseerde basisgruwelen in deze verscheurde stad.
En toch komt ook het gelukkige, domweg onbezorgde Jeruzalem steeds opnieuw te voorschijn. De vader met lange lokken voor zijn oren die zich bij het verkeerslicht omdraait naar zijn kinderen op het achterzitje om een liedje te zingen of met ze te praten. De monnik die op een biscuitje staat te kauwen. De rabbi die, moge het Gode welgevallig zijn, naar een van de vele over de hele stad verspreide lottokantoortjes loopt om een kraslot te kopen. De kleine Ali die in een van de uitgestorven maar zeer steile straatjes in de Oude Stad op zijn brandweerwagen naar beneden suist, aangevuurd door zijn twee zusjes die in koor scanderen: ‘Ali, Ali!’
Hemelsbreed vijftig meter van de onverschrokken Ali de brandweerman staat de Verlosserskerk, omringd door louter handelaren die van hun religieuze relikwieën af willen: kruisjes, iconen, beschilderde houten eieren, sieraden. Allemaal schelden ze op Trump, die uitgerekend in de kersttijd de toeristen heeft afgeschrikt.
Kafr Aqab
En dan is er nog de onbeschrijfelijke wijk die niemand wil hebben. Toen in het stadhuis van Jeruzalem voor de laatste keer over Kafr Aqab werd gesproken, was dat om te bezien of de wijk niet afgescheiden moest worden en overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit, die daar ook al niet buitengewoon happig op was. Tot 2004 was Kafr Aqab een onopvallende burgerlijke nederzetting met twaalfduizend voornamelijk islamitische inwoners. Officieel hoorde ze bij Jeruzalem, waaraan ook belasting werd betaald. Toen bouwde Israël de grensmuur en lag Kafr Aqab opeens op de Westelijke Jordaanoever. Dit leidde ertoe dat het stadsbestuur zich nauwelijks meer om de verwilderde wijk bekommerde, waarna die er een bouwboom inzette die het inwonertal deed vervijfvoudigen.
Door de hoofdstraat van deze onbeschrijflijke wijk, Ramallah Road, persen zich vergeefs toeterende en God noch gebod erkennende auto’s. Hoog in de lucht stapelen bouwkranen nog meer flats op elkaar. Het kleurrijkst in deze troosteloze berg beton zijn de talloze kinderen en de enorme hoeveelheid vuilnis langs de straten. ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab. Niemand die vraagt wie u bent of waar u vandaan komt. Hier bestaan geen verkeersregels, geen politie, geen justitie,’ zegt de 69-jarige Munir Zagheir. Het buurtcomité heeft hem gekozen als hun vertegenwoordiger. Als de pseudoburgemeester van Jeruzalems onbeschrijflijke wijk in woede ontsteekt − over huizen die op instorten staan, de marginale drinkwatervoorziening, de leeggeroofde scholen of de drugsdealers − vormen zich in zijn mondhoeken speekselresten zo groot als een kwartje. Die hij even vastberaden wegslikt als zijn voortdurende hoest.
Een van Zagheirs grootste professionele successen is dat hij voor een Israëlische administratieve rechtbank een bodemsanering van Kafr Aqab heeft bevochten. ‘Ik heb de rechtbank duidelijk gemaakt dat ik wel honden en katten bij de vuilnishopen kan weghouden, maar vogels niet, die vervolgens met hun bacillen over de apartheidsmuur naar West-Jeruzalem vliegen.’
‘Het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt’
In de ontvangstruimte van zijn huis hangen aan de muur portretten van zijn oudste zoon en van sjeik Ahmad Yassin, een van de oprichters van Hamas. Zagheirs positie is even duidelijk, maar helemaal onverzoenlijk is hij niet. De grenzen van 1967, Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de soevereine staat Palestina, en dan vrede. Soms vertelt hij met zijn stralend groene ogen dat alleen wie bloemen zaait, bloemen kan oogsten. Dan weer spreekt hij met kleurloze ogen over soldaten, tegen de bezetting en gasmaskers. Toen het Israëlische parlement een paar weken geleden beraadslaagde over de afscheiding van zijn wijk, werd Zagheir uitgenodigd. ‘Ik heb gezegd: nooit van mijn leven. Want ze willen het leven in Kafr Aqab helemaal niet verbeteren. Het is alleen een demografische truc om het kiezersbestand te verschuiven ten guste van de orthodoxe joden in Jeruzalem.’
‘Is de ellende in Kafr Aqab het resultaat van religieuze conflicten?’
‘Nee, het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt. Wij moslims weten heel goed dat Jeruzalem voor alle drie de godsdiensten even belangrijk is. Waarom zouden wij dan de stad alleen voor onszelf willen? Ons aller leraar Jezus Christus predikte de wereld al: behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelden.’
Schooluniforms
Zagheir laat foto’s van de wijk zien: zonder vergunning neergezette gebouwen die de stad Jeruzalem inmiddels zelf moet huren voor privéscholen en klinieken. Vijf van deze wolkenkrabbers moeten worden afgebroken. Wanneer Zagheir de verslaggever door zijn wijk leidt, wordt hij onderweg door waanzinnig veel mensen gegroet. Hij kent ze allemaal, de schoolkinderen, shoarmaverkopers, sigarettenhandelaren en invaliden. ‘Salam Abu’, ‘Salam aleikum’, klinkt het uit de openstaande ramen. Een geliefd man in een liefdeloos oord. Wie wil, kan in Zagheir een profeet zien.
Aan de met sloop bedreigde huizen wordt intussen stug doorgebouwd. Blok na blok. Of ze blijven, weten noch de bouwvakkers, noch de meubelverkopers op de hoek die de eveneens speculerende inwoners ijverig van lederen sofa’s voorzien. Op een paar balkons hangt al was te drogen, op de zevende verdieping hangen twee vogelkooitjes.
‘Als u me wilt verontschuldigen, ik moet nog iets zakelijks doen,’ zegt Zagheir na een kleine rondgang.
‘Mag ik vragen wat?’
‘Ik moet naar een naaiatelier.’
‘Een naaiatelier?’
‘Ja. Ontwerpen voor schooluniformen bekijken. Ik ben eigenlijk ontwerper.’
De aanhanger van Hamas en vertegenwoordiger van de rechten van 58.000 mensen is twintig minuten later een schooluniforminspecteur geworden. Nauwkeurig bestudeert hij in het nabijgelegen Aram de op de Amerikaanse honkbalstijl gebaseerde jacks. Vierhonderd stuks voor de laatste klas van de Rhashadiaschool. Omringd door de al even geconcentreerde jacks evaluerende mannen van het atelier. De vrouwen blijven in de achterruimte achter hun naaimachines zitten, in een sober, geheel door videocamera’s bewaakt atelier. Uiteindelijk geeft Zagheir opdracht de rode kragen beter vast te zetten.
Op de terugweg gaat de pseudoburgemeester binnendoor, door het vluchtelingenkamp Kalandia. Een kamp dat al meer dan dertig jaar bestaat en intussen qua infrastructuur wel een stad lijkt. Voor veel Palestijnen is het daarom het symbool geworden voor de nakba, de Verdrijving.
Weer wordt Zagheir allerhartelijkst begroet.
‘Ze willen graag dat ik ook hier de boss word,’ geeft hij als reden voor zijn populariteit.
‘En wordt u dat?’
Zagheir zwijgt even. Hoest. Onderdrukt zijn hoest weer.
‘Misschien. Maar het stelt hoge eisen aan je als je geliefd bent bij de mensen.
‘O ja, hoe dan?’
‘Je moet oprecht zijn. Van de mensen houden als van jezelf. Eerlijk en waarachtig blijven. Maar als je dat ter harte neemt, heb je ook succes.’
‘En beschikt u over al die deugden?’
‘Die heeft mijn godsdienst me geleerd.’
Zagheir komt bij een kruispunt zo smal als een potlooddoosje. Drie vrachtwagens uit drie richtingen, zijn eigen gammele Toyota uit de vierde. Geen verkeersborden, geen regels. Met gebaren maken ze elkaar duidelijk wat ze willen en ze manoeuvreren langs elkaar terwijl het middaggebed van de muezzin over het onbeschrijflijke gebied schalt.
Twee uur later zal er op Ramallah Road van begrip geen sprake zijn. Eerst is er extase, wanneer vijfduizend mensen met Palestijnse vlaggen naar de gehate grensovergang marcheren. Voor de Dag van Woede, met borden waarop staat dat Jeruzalem voor eeuwig bij Palestina hoort. Om dat mee te maken komen de burgers van Kafr Aqab trots uit hun tapijtenwinkels en garages, en staan ze op hun ongeautoriseerde en instortingsgevaarlijke balkons. Ze filmen met hun mobieltjes en zingen luidkeels. Al snel staan er barricades in brand en gooien schreeuwende jongeren uit Kafr Aqab stenen naar de soldaten. Totdat ze Israëlisch traangas inademen uit de lucht die even eerder vol was van enthousiasme.
De nieuwe messias
Omri Szmulewicz zit achter zijn MacBook in café HaMiffal in West-Jeruzalem, dat niets heeft meegekregen van de Dag van Woede die zich een paar kilometer daarvandaan afspeelt. HaMiffal was tot voor kort een leegstaand gebouw, nu is het superhip als verblijf voor kunstenaars uit de hele wereld. Op dit moment presenteert een Ierse kunstenares er werk dat ze, gezichten van haar onbekende mensen aftastend, met haar ogen dicht heeft getekend. Szmulewicz organiseert in HaMiffal alles wat met muziek te maken heeft. Hij zorgt voor het geluid en bespeelt zelf een groot aantal instrumenten. Daarnaast organiseert hij de fundraising voor een biomedische start-up. Maar zijn eigenlijke roeping, de reden waarom Szmulewicz überhaupt naar Jeruzalem is gekomen, heeft niets met biomedisch werk te maken. Eerder met psychologie. Hij wil de nieuwe messias worden. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik sinds mijn openbaring niet het gevoel heb dat ik de Ene ben,’ zegt hij. ‘Een stem in mijn hoofd zegt steeds opnieuw: jij hebt de gave, jij moet de boodschap verkondigen.’
Szmulewicz is een uit de kluiten gewassen, modern geklede man van begin dertig met lang zwart haar en de aanstekelijke open grijns van een echte schelm. Hij beschikt over een aanmerkelijke tegenwoordigheid van geest, een bombastische welbespraaktheid en zelfspot. Het tegendeel dus van een in beddenlakens wandelende manische Jeruzalemsyndroomzwamneus, zou je denken. Zijn openbaring, of ‘opwekking tot de psycho magic’ zoals hij het zelf noemt, heeft ook niet plaatsgevonden op een heilige plaats, maar in een psychotherapeutische praktijk waar hij therapie volgde.
Eigenlijk komt hij uit een welgesteld voorstadje van Tel Aviv. Met weldenkende ouders, een huis met kasten vol filosofieboeken en een frequent bespeelde concertvleugel in een woonkamer met glazen pui. ‘Waar ik weinig liefde heb ervaren en ben opgevoed tot scepticus.’ Daarom ook heeft hij in therapie geprobeerd het klaarblijkelijk nutteloze, naar contact snakkende kind in zichzelf te vermoorden. ‘Het zit op de punt van een driehoek. En wat ik ook probeer, ik slaag er niet in het te bereiken. Ik weet dat ik zal sterven als ik val. Ik zit gevangen tussen twee werelden. Ik word gruwelijk depressief, ga zitten, probeer een sigaret te draaien en val omlaag. Maar op dat moment verschijnen er engelen boven me die me opvangen. Ik haal drie keer diep adem, de drie beste ademteugen in mijn leven. Ik realiseer me dat ik het kan. Begin weer op te stijgen, langzaam, beetje bij beetje. Nu om het kind in mezelf te omarmen. En ik begrijp: dit is het dilemma van de mensheid. De top en de afgrond, het gewicht en de gewichtloosheid, het tijdrovende scheppen en het ellendig snelle verwoesten.’
‘God is precies de idee die je van de onverdraaglijkheid van de wereld redt, die met open ogen doet dromen’
Sindsdien begrijpt Szmulewicz het leven als een magische droom die iedereen door liefde kan vormgeven. Daarbij ziet hij heel goed dat veel om ons heen een voorliefde heeft voor het doden: ‘Rationeel beschouwd is de wereld onverdraaglijk. En dat altijd geweest. Maar God is precies de idee die je van deze onverdraaglijkheid redt, die met open ogen doet dromen.’
Szmulewicz wil een avondwandeling maken in de Oude Stad. Op weg daarheen zien we op veel gebouwen affiches hangen met het opschrift ‘God bless Trump’. De achtste kaars van de chanoekia is aangestoken, en de Mamilla Mall die naar de Oude Stad loopt, met zijn luxe winkels, is vol kleurige rijen lampjes en dikke portemonnees. ‘So, so you think you can tell heaven from hell?’ covert een grijze, orthodoxe man Pink Floyd op zijn gitaar. Zonder haast slaat Szmulewicz een van de stille zijstraatjes in. Toevallig lopen we tegen het kerkje van de Arameeërs aan, de eerste leerlingen van Jezus. Voor de onverlichte toeschouwer toevallig, maar voor Szmulewicz een teken.
‘Toeval bestaat niet. Vandaag moest ik deze plaats zien. Eraan herinnerd worden dat ook de grote godsdiensten een paar duizend jaar geleden zijn gevestigd door mensen met openbaringen. En dat geen van hen in zijn tijd erg geliefd was. Abraham heeft zijn familie verlaten om de epische weg naar het beloofde Land op te gaan. Jezus was een jood vol pretenties die iedereen tegensprak. Daarom is hij vermoord. Zelfs Boeddha kwam uit een streng religieus milieu en verklaarde ooit: u kletst allemaal maar wat. Religies hebben behoefte aan iemand die van tijd tot tijd de decadent geworden orthodoxie overwint.’
Smalle treden leiden naar een dak waar je de gouden Rotskoepel bijna kunt aanraken. Eigenlijk is het een aaneengesloten areaal van daken, en ze zeggen dat je over deze daken de Oude Stad helemaal kunt doorkruisen. Achter de al-Aqsamoskee strekt zich de Tempelberg uit, daarboven schitteren zachtgouden sterren. Op een moment als dit is er misschien wel geen plaats op de wereld die wereldser is dan Jeruzalem.
‘We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten’
Szmulewicz gaat zitten om te mediteren. Na ongeveer twintig minuten gaat hij verder: ‘Ik heb de laatste maanden zo veel tekens gekregen en gezien. Soms moet ik ergens aan denken, dan sla ik de kabbala op een willekeurige plaats open, en precies datgene waaraan ik dacht staat daar geschreven. Altijd als ik duistere gedachten krijg, klop ik driemaal op hout om ze te verdrijven. Zo doen wij joden dat. Toen ik het onlangs in de kelder van mijn ouders deed, vormde zich uit deze punten opeens een driedimensionale davidster om me heen.’
Syndroomsteden
Jeruzalem is niet de enige stad waaraan een bepaald syndroom is toegerekend.
Heel ‘betoverend’ bijvoorbeeld is het Florencesyndroom. Dit al in het begin van de negentiende eeuw door de Franse schrijver Stendhal beschreven syndroom zou vooral kunstenaars overkomen die zich in Florence tegenover de alomtegenwoordige kunst opeens bewust worden van hun eigen onbeduidendheid. En als gevolg daarvan symptomen als ademhalingsproblemen en hartritmestoornissen ontwikkelen.
Bekender is het zogenoemde Stockholmsyndroom, waarbij een gijzelaar tijdens een gijzeling sympathie voor zijn gijzelnemer ontwikkelt. Het omgekeerde bestaat ook: een gijzelnemer ontwikkelt positieve gevoelens voor zijn gijzelaar; in zo’n geval spreekt men van het Limasyndroom. Minder extravagant, maar niet minder ernstig is het New Yorksyndroom, dat paradoxaal genoeg niet het verlies van realiteitszin, maar juist het verkrijgen daarvan beschrijft. Achter een bedrukte stemming zitten existentiële angsten en depressies verborgen die zich voordoen bij jonge mensen die hopend op de American dream en een succesvol leven naar New York komen. Om dan te concluderen dat hun droom niet zo eenvoudig te realiseren is.
‘Bent u weleens bang dat u de controle verliest? Dat u uzelf van louter verlichting niet meer herkent?’
‘Ik ben al heel erg veranderd. En dat maakt me een beetje bang. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook de zin van bekering. Natuurlijk is God in de mensen en natuurlijk bezoekt de messias ons af en toe.’
‘En nu bent u de messias?’
‘Misschien. Maar te geloven dat je “de Ene” bent, is tegelijk infantiel. Ik heb de gave, niet mijn ego. En zolang ik mijn ego niet heb overwonnen, ben ik terughoudend. We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten.’
Op donderdag, een dag voor de sabbat, zijn de nachten in de meest bezongen stad van de wereld het levendigst. De Ben-Yehudastraat staat vol gouden keeltjes, breakdancers, trommelaars en jongleurs en de uitpuilende cafés doen een wedstrijdje wiens installatie het hardst kan. Opgedoft, vrolijk van de wodka, opgewonden van de drugs: het kan er hier bijna carnavalesk uitzien. Ook al heeft de stad steeds minder seculiere inwoners.
Zowel de orthodox-joodse als de moslimmoeders in Jeruzalem krijgen gemiddeld 6,5 kind, en die gaan op donderdagen echt niet feestvieren. Ze krijgen in de eerste plaats zo veel kinderen omdat hun God hun voorschrijft dat ze vruchtbaar moeten zijn. In de tweede plaats omdat met de grootte van hun groep ook hun macht bij de verkiezingen toeneemt. Daar komt nog bij dat veel orthodoxe joden van een wereldlijke broodwinning afzien om zich helemaal aan de studie van de Heilige Schrift te wijden. Mede daardoor is de beroemdste stad van de wereld ook de armste stad in het Heilig Land. Hoe dan ook, op donderdag feesten degenen die overdag werken en doorgaans voorbehoedmiddelen gebruiken.
Een stukje bij deze levensader vandaan, aan een achterafpleintje met regenboogvlaggetjes, ligt de Videobar, de enige bar − zo niet de enige plek − in Jeruzalem voor homo’s. Opzettelijk in de buurt van een politiebureau, voor het geval er weer met molotovcocktails wordt gegooid. Af en toe komen er nachtvlinders naar de deur van de Videobar, blijven even staan en gaan weer weg. Om later terug te komen, iets dichterbij, en opnieuw haastig om te keren. Een paar van deze donderdagavondklanten vatten pas bij hun derde aanloop voldoende moed om echt naar binnen te gaan.
Tegen een van de muren staan Batman en Robin te vrijen, het achterste gedeelte heeft een kleine dansvloer. Britney Spears zingt over de ‘taste of a poison paradise’. Arabisch en Hebreeuws klinken zo uitgelaten door elkaar als in deze stad maar zelden voorkomt. Waarom ook niet? Het is moeilijk voor te stellen dat de door alle religies uitgestotenen elkaar in de Videobar in de lange haren van hun toupetjes vliegen over de toegang tot de al-Aqsamoskee.
‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop’
Alona, vandaag meer vrouw dan man, met luipaardjas, rode lippenstift en hoge hakken, voorkomt dat homo’s die door hun familie zijn verstoten zelfmoord plegen. Dat zegt ze in elk geval, terwijl ze staat te roken op de veranda. ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop. Geloof me, er zitten verdomd veel verkapte flikkers onder de orthodoxen.’
‘En hoe leer je die kennen?’
‘Dat hoeft niet. Zij kennen mij en komen naar me toe. Heel verlegen, overdag of bij het boodschappen doen op de Mahane Yehuda-markt.’
‘En dan?’
‘Dan geef ik ze waar ze zo hevig naar verlangen. Ik vind ze sexy in hun zwart-witte pakjes. Met hun maagdelijkheid.’
‘Het klinkt alsof je hier in Jeruzalem als queer een nogal vrij leven leidt, Alona.’
‘Ik kan met iedereen goed overweg, ook in Jeruzalem. Ik ben gewoon ik, ik heb geen andere keus.’
‘Zo,’ moppert Joat, Alona’s metgezellin − eveneens flink opgemaakt, meer vrouw dan man, en met een volumineuze paarse sjaal gedrapeerd om haar gouden jurk, die op zijn beurt strak om haar tamelijk dikke lichaam zit. ‘Als jij zo vrij bent, waarom ga je dan niet in deze outfit naar je werk? Of op zijn minst opgemaakt?’
‘Dat mag niet,’ antwoordt Alona, die als veiligheidsbeambte in een openbaar gebouw in Jeruzalem werkt.
De dansvloer is inmiddels propvol en het aantal seksuele toespelingen per nummer benadert het Jeruzalemse religieuze vruchtbaarheidscijfer.
Mea Shearim
Of een van de dansers bij het aanbreken van de dag terug zal sluipen naar Mea Shearim, de oudste ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem? Heel ver liggen beide werelden niet uit elkaar, te voet misschien tien minuten. Maar wie over de drempel stapt, ziet een Joods leven dat nauwelijks door de moderne tijd is beroerd, tussen bouwvallige huisjes, met een oerwoud van stroomdraden en vreselijk vervuilde straten waar desondanks orde heerst. Een leven in liefdevolle, nauwe dorpsstraatjes, waar de buitenwereld niet binnenkomt. Waar kinderen, kinderen en nog eens kinderen hand in hand over straat lopen en sommige moeders zich geheel bedekken. Ze dragen een sluier over hun hoofd en ook van hun lichaam is niets te zien.
Hier kent iedereen iedereen, een donderdags uitje zal hier niet lang verborgen blijven, ook al is het vlak voor sabbat heel erg druk. Iedereen moet zijn vrijdagse vis en zijn pretzels nog in huis halen. Ingewikkelde consumentenverlangens moet je hier niet hebben, Britney Spears’ ‘Toxic’ of een tv-toestel zijn in Mea Shearim niet te vinden. Om drie uur ’s middags klinken overal in de wijk de luidsprekers. Melancholieke Hebreeuwse muziek schalt door Mea Shearim en kondigt het begin van de sabbat aan. De wijk wordt dan afgesloten, om een dag lang nog ongestoorder met God, met zichzelf en met nietsdoen bezig te zijn. Hoe mooi moet die muziek niet klinken als die je je leven lang het wonderschone, strikt voorgeschreven dolce far niente heeft verkondigd? Hoe moeilijk moet het niet zijn om hier weg te gaan en deze muziek nooit meer te horen, om niet alleen op donderdagavond stiekem een vrije zondaar te zijn?
‘Deze stad rukt iedereen zijn masker af. Ze duldt geen veinzerij,’ bevestigt pater Nikodemus Schnabel, priester en hoofd van de Dormitio-abdij, een benedictijnenklooster op de berg Sion. Hij woont sinds zestien jaar in Jeruzalem, is in 1978 in Stuttgart geboren en volgens zijn gelofte tot het eind van zijn leven aan zijn orde in het Nabije Oosten gebonden. En hier wilde pater Nikodemus ook precies naartoe. Zijn abdij staat op de plaats waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam. Een plaats van diepe contemplatie, hoog verheven boven het alledaagse lawaai van de Heilige Stad. ‘Om vijf uur in de ochtend, tijdens het eerste gebed bij zonsopgang, is Jeruzalem juist door die diepe godsvrucht om verliefd op te worden. Dan heeft Jeruzalem geen syndroom en al helemaal geen behoefte aan therapie.’
‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden’
Als er geen aanslagen met brandbommen op zijn klooster werden gepleegd. Of als er niet op de voorgevel werd gekalkt dat alle christenen dood moeten. Vlakbij liggen de nederzettingen van de radicaal-religieuze Heuveljoden. Vanwege hen moest er een permanente politiepost voor zijn deur worden neergezet. ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden. Op gewone dagen word ik, als ik het klooster uitga, bespuugd, beledigd en geschopt. De radicale religieuzen roepen graag: “Oprotten naar Rome!” Hier is niets hetzelfde, iedereen is hier naakt. Ik ook.’
Als je pater Nikodemus ziet, is hij een open, zachtaardige en levenslustige man met rode wangen. Je kunt je de pas 39-jarige pater makkelijk voorstellen als gangmaker in het café, terwijl hij met zijn diepe joviale lach handen schudt en moppen vertelt. Een indruk die meteen vervliegt als de pater op de empathische toon van een zielzorger spreekt.
‘En welk gezicht zag u in de spiegel toen Jeruzalem u ontmaskerde?’
‘Ik zag en ik zie mijn valkuilen. Soms wil ik degenen die me bespuwen gewoon op hun bek slaan. Maar als ik mijn zoektocht naar God serieus neem, met de gedachte dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, dan is zoeken naar God ook zoeken naar de mens. Wie ben ik, als ik me van iemand afmaak? Als ik iemand in een la stop?’
‘Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’
Ook van degenen die in de spiegel plotseling een godheid ontwaren en bij dr. Katz terechtkomen, wil de pater zich niet afmaken. ‘Die hebben we hier altijd. Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’ Het zou in elk geval een probleem worden als deze zwaarbelaste mensen troost vinden in de tuin van het klooster en daar helemaal niet meer weg willen. Over een paar uur zal pater Nikodemus de nachtmis lezen. Waarschijnlijk als enige katholiek op de wereld preekt hij voor een gehoor dat voor het grootste deel joods is.
Bethlehem
Ondertussen is in Bethlehem, de geboorteplaats van Christus, het feest al aan de gang. Eigenlijk maar negen kilometer, maar ook een omweg om een hele lange grensmuur heen verder. Op de markt waar de Geboortekerk en de Omarmoskee oog in oog staan, is een parade. Een bigband in militair ogende uniformen speelt ‘Jingle Bells’ met een Arabisch accent. Maar het Palestijnse Bethlehem lijkt op dit moment niet zo ontvankelijk voor kerstliedjes uit Trumpistan. Een affiche met een in het paars geklede Sinterklaas wenst ons Merry Christmas, een nog groter affiche dat eroverheen geplakt is herinnert ons eraan dat Jeruzalem voor eeuwig de hoofdstad van Palestina blijft.
De bewoners van de stad volgen de parade met een merkwaardige mengeling van plichtsbewustzijn, kijklust en ergernis. Tussen de rijen door dringen minderjarige kauwgom- en parapluverkopers naar voren. Eromheen cirkelen geconcentreerde Palestijnse soldaten en een groot aantal internationale cameraploegen. En om iedereen heen jaagt een akelige wind die maling heeft aan het milde winterzonnetje. En hoe verder je van de theoretisch zo feestelijke markt af komt, in de richting van Jeruzalem, in de richting van de gemilitariseerde scheidingsmuur, des te voelbaarder het wordt dat Bethlehem weinig zin heeft om feest te vieren.
De wind die over het feest joeg heeft tegen de avond dankzij de talloze regenbuien een zee van plassen in de Oude Stad veroorzaakt. Desondanks is de Dormitio-abdij voor de nachtmis van pater Nikodemus tot de laatste plaats bezet. Ook Omri Szmulewicz, die zich in staat acht de erfgenaam van de jarige te zijn, is gekomen. Hij luistert met gesloten ogen, een steentje dat zijn derde oog moet symboliseren tegen zijn voorhoofd gedrukt. Soms glimlacht hij enthousiast, dan weer kijkt hij een beetje mistroostig.
‘Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij’
Pater Nikodemus weet het verrassend jonge joodse publiek snel voor zich te winnen. In een wit met gouden kazuifel schertst hij vanaf de preekstoel: ‘Ik ben hier niet om u te bekeren. Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij.’ De pater verklaart dat God niet alleen een over ons wakende en wraakzuchtige God is. ‘Maar vol liefde en hartstocht. Almachtig, zeker, maar een God van vrede, van licht en van vergeving.’
Szmulewicz vergeeft de pater na afloop snel dat de mis ‘te mainstream’ was. En ook wil hij wel door de vingers zien dat het publiek zijn aandacht niet voldoende bij de dienst hield en dat ze ondertussen foto’s maakten met hun mobieltjes. ‘Maar misschien is het alleen mijn ego dat kritiek heeft. Waar moet de pater anders over preken dan over liefde en vergeving? Religie moet niet te ingewikkeld zijn.’
Een paar kilometer verderop staan de straten van de onbeschrijflijke wijk Kfar Aqab een halve meter onder water. De Dagen van Woede gaan verder. Dr. Gregory Katz moet over een paar uur met zijn restje humanisme in een dokterstas naar zijn werk. In de meest aanbeden stad ter wereld is het vandaag geen feestdag.
Life of Brian
Nooit is het Jeruzalemsyndroom zo prachtig en komisch ad absurdum gevoerd als in de klassieker Monty Python’s Life of Brian: in deze satirische film uit 1979 wordt de jonge Brian tegen zijn zin tot messias uitgeroepen, terwijl hij alleen de mooie Judith voor zich wil winnen. Verder wil hij met rust gelaten worden. Aan het bittere slot van de film klinkt de song ‘Always Look on the Bright Side of Life’, terwijl Brian en een tiental andere veroordeelden aan kruisen bungelen. De song werd even beroemd als de film: de laatste werd door het British Film Institute ondanks veel controverse gekozen als een van de honderd beste Engelse films.
De auteur
Dmitrij Kapitelman (31) heeft Jeruzalem in zijn leven tot nu toe drie keer bezocht, en de stad als ‘waanzinnig vermoeiend’ ervaren. Maar ook als een bijzondere plaats. ‘Het is moeilijk in woorden uit te drukken,’ zegt hij, ‘maar je voelt daar veel directer dan elders hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn.’ Kapitelman is zelf van joodse origine, maar noemt zichzelf een ‘Hebreeuws gevormde atheïst’.
Met miljarden aan Chinees kapitaal denkt Ethiopië de concurrentie aan te kunnen met goedkope kledingproducenten in Azië. Tenzij er een burgeroorlog komt.
Opgetogen staat Raghav Pattar, vicedirecteur van Indochine International, in het zonnige kantoor van de splinternieuwe fabriek van dit kledingbedrijf. Het is november, nauwelijks een half jaar sinds Hawassa Industrial Park werd geopend en er zijn al veertienhonderd lokale arbeiders aan het werk. Pattar streeft ernaar om in 2019 twintigduizend Ethiopiërs in dienst te hebben. ‘Twee jaar geleden was de grond waar deze fabriek op staat nog landbouwgrond,’ vertelt hij. ‘Welk land kan in twee jaar tijd zo snel veranderen? Ethiopië!’
Pattar is een enthousiaste immigrant uit India, die ook in Bangladesh en Egypte in de kledingindustrie heeft gewerkt. Vanuit het raam van zijn kantoor heeft hij zicht op de fabrieksvloer, waar tientallen vrouwen zomen naaien, logo’s stempelen en ondergoed aan het persen zijn voor Warner’s, een merk dat voornamelijk bij Walmart wordt verkocht. ‘De overheid werkt enorm mee,’ zegt hij. ‘Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week hebben ze hier mensen aan het werk gezet om dit complex mogelijk te maken. En er is geen corruptie. Helemaal niet!’
Hawassa Industrial Park werd heel snel gebouwd, dankzij een Chinees staatsbouwbedrijf dat in hoog tempo 56 identieke rood-grijze metalen grote loodsen neerzette, waar volgens de Ethiopian Investment Commission in negen maanden tijd al voor 250 miljoen dollar textiel is geproduceerd. Maar Pattar is zo enthousiast omdat hij Belay Hailemichael op bezoek heeft, de vriendelijk pratende manager die de leiding heeft over het centrale helpcentrum. Belay helpt bedrijven aan import- en exportvergunningen en visa voor hoger personeel en stroomlijnt de aanvoer van nieuwe arbeidskrachten. Dat zijn vooral vrouwen, die een lange stoffige busreis uit hun dorpje achter de rug hebben en urenlang hebben gewacht om te solliciteren naar een baan met een basissalaris van 25 dollar per maand. Het helpcentrum test hun handvaardigheid en verdeelt ze in drie categorieën: de getalenteerden, die achter de naaimachine komen te zitten en de minder getalenteerde ‘tweetjes’ en ‘drietjes’, die dozen moeten inpakken en de vloer moeten aanvegen.
We staan aan het begin van een nieuw tijdperk in de kledingindustrie. Dit door droogte geteisterde, nergens aan zee grenzende land met honderd miljoen inwoners in de Hoorn van Afrika komt onder in de distributieketen te staan die zogenaamde fast fashion en sportsokken van ‘vijf voor een tientje’ produceert. Gelokt door belastingvoordelen, beloofde investeringen in de infrastructuur en zeer goedkope arbeidskrachten zijn landen waar de westerse wereld eerst hun productie naartoe verhuisden, met name China en Sri Lanka, nu de tussenpersonen geworden die de productie hier opvoeren voor Guess, Levi’s, H&M en andere merken. Deze ondernemingen waarderen Ethiopië omdat de regering hun zo veel goedkope arbeidskrachten en belastingvoordelen levert als ze maar willen. De opening van het Hawassa Industrial Park is slechts het recentste onderdeel van een uitgebreid gecentraliseerd programma: sinds 2014 heeft Ethiopië vier reusachtige door de staat gerunde industrieterreinen geopend, en er staan er tot 2020 nog acht in de planning.
De ondernemingen die zich hier vestigen zijn de eerste vijf jaar gevrijwaard van inkomensbelasting en hoeven ook geen belasting te betalen op de import van kapitaalgoederen en bouwmateriaal. Ethiopië kan zo gul zijn omdat het land heel veel geld uit China ontvangt: volgens het China Africa Research Initiative aan de John Hopkins University School of Advanced Studies 10,7 miljard dollar aan leningen tussen 2010 en 2015. Nu wordt veel van dat geld besteed aan lucratieve contracten met Chinese bedrijven die met behulp van Ethiopische arbeidskrachten dammen, wegen en mobiele netwerken aanleggen. Met deze infrastructuur zal het land volgens de Ethiopische regering bij de mondiale middenklasse gaan behoren. ‘Het plan is dat er eind 2025 in totaal 2 miljoen banen gecreëerd zijn in de verwerkende industrie,’ aldus Belachew Mekuria van de Ethiopian Investment Commission. ‘We zijn nu een agrarisch land, maar dat gaat veranderen.’
Burgeroorlog
Tenzij er eerst een burgeroorlog komt. Tijdens de Olympische zomerspelen in Rio de Janeiro van 2016 vroeg marathonloper Feyisa Lilesa aandacht voor de crisis waar zijn land in verzeild dreigde te raken. Toen hij als tweede over de eindstreep kwam, hief hij zijn armen in een ‘X’ – een antiregeringssymbool. Feyisa behoort tot de grootste etnische groep in het land, de Oromo. Sinds 2015 organiseren de Oromo massademonstraties om hun ongenoegen te uiten over onder andere de landroof van boeren ten behoeve van door de autocratische regering geplande fabrieken. De Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) heeft de macht in het parlement en beweert alle meer dan zeventig etnische groepen van Ethiopië te vertegenwoordigen, maar in de praktijk hebben vooral Tigray het voor het zeggen, die slecht zes procent uitmaken van de bevolking. De afgelopen jaren zijn tijdens onlusten honderden Oromo omgekomen, fabrieken afgebrand en veel dissidenten in de gevangenis beland.
Half februari verraste de Ethiopische regering het land door honderden gevangen vrij te laten – een verzoenend gebaar naar de Oromo en misschien ook naar de investeerders van wie de transitie in Ethiopië afhankelijk is. Bovendien trad premier Haile Mariam Desalegne af.
Het Hawassa Park heeft tot weinig protesten geleid. De vijfhonderd kleinschalige boeren die het veld moesten ruimen voor het industrieterrein, dat vlak buiten het stadje Hawassa ligt, zijn Sidama, een etnische groep die weinig politieke invloed heeft. Maar hun beschuldigingen van landroof zijn een herhaling van de aanklachten van de Oromo. Urese Dinsa (69), een boer en voormalig voorzitter van de kieswijk waar het terrein nu gesitueerd is, zegt dat hij erin werd geluisd met de belofte van 37.000 dollar en banen voor zijn kinderen in ruil voor het achterlaten van het stukje grond van 1 hectare waarop hij zeventien jaar had verbouwd. Hij merkt op dat in het begin veel van hun stukje grond verdreven vrouwen werk in de fabriek konden bemachtigen, maar dat nu nog niet eens tien procent daar nog werkt. Ze zijn niet gewend aan de strak geregelde werkdagen. ‘Ze krijgen maar een half uur om te lunchen,’ vertelt Urese. ‘Ze hebben pijn in hun rug. Ze zijn doodmoe. Van dat werk wordt iedereen ziek.’
Veel van de managers op het industrieterrein – vooral Sri Lankanen die zijn ingevlogen om de efficiënte werkmethoden over te brengen die in de naaiateliers in hun land zijn ontwikkeld – zouden die kritiek zien als een illustratie van een van hun belangrijkste klachten: de geschiedenis van Ethiopië heeft zijn burgers niet geschikt gemaakt voor de ontberingen van de industrie. ‘Ethiopië is nooit gekoloniseerd geweest,’ legt David Müller uit, die uit Sri Lanka was overgekomen om personeelsmanager te worden van Hela Indochine, een Chinees-Sri Lankaans kledingbedrijf in een van de loodsen op het industrieterrein. ‘Daar zijn ze trots op en dat brengt een zekere opstandigheid met zich mee.’
Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopische Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren
Efficiency is een probleem en Müller is strikt. Al zijn werknemers krijgen eerst een vijfdaags introductieprogramma waarin de nadruk wordt gelegd op persoonlijke hygiëne, persoonlijke verzorging en discipline. ‘Het is een lastig proces,’ vertelt Müller, ‘en soms pikken ze het niet op.’
Een Ethiopische vrouw met een afgeronde opleiding, die anoniem wil blijven omdat ze represailles vreest, beschrijft hoe ze in een depressie geraakte nadat ze zes weken lang leiding had gegeven aan veertig vrouwen die aan een productielijn werkten waar broeken werden gemaakt. ‘Steeds als de vrouwen een doel niet haalden, begonnen de bazen te schreeuwen,’ vertelt ze. Als gevolg hiervan gingen de vrouwen langzamer werken, verstopten ze zich op het toilet of gingen buiten een luchtje scheppen in plaats van dat ze harder gingen werken. Ze heeft vaak gezien dat een naaister op haar rug werd geslagen. Als ze op hun enige vrije dag moesten werken of moesten overwerken, kregen ze niet het beloofde extra loon. (Pattar zegt niets te weten van problemen met de betaling of van mishandelingen.) ‘Ik zei tegen mijn chefs: “Die vrouwen zijn niet opgeleid of geschoold. Je kan niet verwachten dat ze honderdtwintig broeken per uur afleveren. Als je ze opjaagt, zullen ze alleen maar slechte producten afleveren.”’ Ze nam ontslag en werkt nu als receptioniste in een hotel waar ze 63 dollar per maand verdient, iets meer dan in de fabriek.
Bijna net zo lastig als het leidinggeven aan niet-opgeleide arbeidskrachten die in een hoog tempo goederen moeten produceren is het om die goederen de fabriek uit te krijgen. Hawassa Industrial Park ligt 270 kilometer van de hoofdstad Addis Abeba en 1000 kilometer van de dichtstbijzijnde haven in Djibouti. Het ligt dus eigenlijk enorm afgelegen. Alemayehu Geda, een econoom verbonden aan de universiteit van Addis Abeba, denkt dat, hoewel de bedrijven het industrieterrein dichterbij de haven gebouwd hadden willen hebben, ‘de regerende partij de indruk wil wekken dat ze iedereen tevreden proberen te stellen’.
Het transport naar de kust zou binnenkort al sneller kunnen. De China Civil Engineering Construction Corp. heeft een 3,4 miljard dollar kostende, 750 kilometer lange spoorweg aangelegd van de hoofdstad naar Djibouti. Die is sinds januari al in gebruik voor passagiers, maar het vrachtvervoer kan pas van start gaan als de politieke onrusten voorbij zijn. Voorlopig moeten Hawassa’s fabrikanten hun goederen per vrachtwagen naar de haven vervoeren. Dat is een ramp. De route loopt dwars door het woongebied van de Oromo. Demonstrerende boeren blokkeren urenlang het verkeer. Uitgebrande bussen en vrachtwagens liggen verspreid over het droge landschap en botsingen tussen grote vrachtwagens en kamelen komen regelmatig voor. Bovendien zijn er drie douaneposten met steeds heel veel papierwerk. Feestdagen zorgen voor extra oponthoud: de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kent talloze heiligendagen en douaniers hebben per jaar minstens een maand vrij om die dagen te vieren. Het gevolg is dat chauffeurs twee of drie dagen vast komen te zitten bij een douanepost en in hun vrachtwagen moeten slapen.
Ook levert het problemen op als je Ethiopische spullen wilt kopen. Een Sri Lankaans bedrijf dat overhemden produceert, de Hirdaramani Group, importeert iedere maand vijf scheepscontainers met kartonnen dozen uit hun eigen land. ‘Als je ze in Ethiopië koopt,’ legt manager Gayan Nanayakkara uit, ‘zitten er nietjes in en dan komen ze bij de douane niet langs de metaaldetector.’
Dat zou in theorie een kans zijn voor kleine, lokale ondernemingen. In 2014 begon de Wereldbank een project van 270 miljoen dollar om ‘de Ethiopische competitiegeest’ aan te wakkeren, deels door ‘de banden tussen de industriële zone en de lokale economie te versterken’. Maar daarvoor moeten culturele verschillen worden overbrugd. Al langer dan drie jaar is de Wereldbank zeven binnenlandse bedrijven – producenten van dozen, knopen en afgewerkt leer – aan het klaarstomen voor hun entree in de mondiale distributieketen. Susan Kayonde, een ontwikkelingsspecialist bij de Wereldbank, schreef in een e-mail dat ‘de impact van onze steun (bijvoorbeeld hogere verkoopcijfers, toegenomen werkgelegenheid) pas over drie tot zes maanden gemeten kan worden’. De nieuwe bedrijven zijn net begonnen met het aanschaffen van machines en het opleiden van werknemers.
Het verschil tussen het initiatief van de Wereldbank en de leningen van de Chinese regering is dat bij die leningen geen filantropische richtlijnen zitten, die op zijn minst de illusie wekken dat Ethiopië zijn eigen groei controleert. Stefan Dercon, een ontwikkelingseconoom aan de Universiteit van Oxford die onlangs een jaar lang onderzoek heeft gedaan bij Ethiopische fabrieken, vreest dat het land ‘tegen de wind in vaart en kan omslaan. Ik vind echt dat ze zouden moeten minderen met de leningen en de ontwikkeling van de infrastructuur.’ Hij is echter wel voorstander van meer industrie in Ethiopië. ‘Als meer buitenlandse bedrijven zich daar vestigen en gaan concurreren bij de werving van personeel, zullen uiteindelijk de lonen omhooggaan,’ aldus Dercon. Tot dan is een baan in de fabriek beter dan het alternatief: ‘Die vrouwen zullen anders de hele dag niets anders doen dan van koeienvlaaien brandstofplaggen maken.’
‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’
Alemayehu is sceptisch. Volgens hem zullen de industrieterreinen in Ethiopië het niet redden. Ik heb een artikel gelezen over een Chinees schoenenbedrijf, Huajian,’ vertelt hij. ‘Hun logistieke kosten zijn verachtvoudigd in Ethiopië. ‘Stel nu dat al die bedrijven eerst alle belastingvoordelen meepikken en dan over een paar jaar gewoon weer weggaan. Wat betekent dat dan voor ons?’ Alemayehu heeft de bewering van zijn regering dat de economie jaarlijks elf procent zou groeien tegen het licht gehouden, en schat dat de werkelijke groei ongeveer zes procent zal zijn. Hij hekelt de regering voor haar pogingen om buitenlandse investeerders te lokken door haar munteenheid te devalueren. Vorig jaar oktober bijvoorbeeld verlaagde het land de waarde van de birr met vijftien procent. ‘Ik heb honderd exportfirma’s geïnterviewd,’ zegt hij, ‘en niemand noemde de wisselkoers een probleem. Iedereen noemde de logistiek en de bureaucratie als de grote problemen in Ethiopië. Door de birr te devalueren worden alleen de armen getroffen. De voedselprijzen zijn al gestegen.’
Desalniettemin zijn sommige jonge arbeiders razend enthousiast. ‘We hebben het nu beter in de stad,’ vertelt een arbeidster die broekzomen naait voor Indochine. (Ze vroeg om niet haar naam te vermelden.) Ze is met zeven broertjes en zusjes opgegroeid op een boerderij met 1 hectare grond op tachtig kilometer van de stad en deelt nu een kamer met een andere arbeidster in een betonnen flat met een golfplaten dak in een buitenwijk van Hawassa. ‘Ver weg van de stad kunnen we ons niet schoon en netjes houden. En we doen hier ervaring op,’ zegt ze.
Ze hoopt dat ze ooit een zelfstandige kleermaakster kan worden. Haar maandsalaris bedraagt 23,70 dollar, plus 7,30 dollar voor maaltijden en als ze elke dag aanwezig is geweest, een aanwezigheidsbonus van 7,30 dollar. Haar deel van de huur is 9 dollar per maand, dus dan houdt ze 29,30 dollar over als ze haar bonus heeft gekregen. Ze geeft per dag ongeveer 50 cent uit aan eten en houdt maar net genoeg geld over om wasmiddel en vervoer naar de kerk te kunnen betalen. ‘Wasmiddel is duur,’ zegt ze.
Onlangs heeft ze een dag moeten missen op haar werk omdat ze kou had gevat. Toen kreeg ze haar bonus niet en ze is bang dat ze nu schulden moet maken. Haar kamer wordt verlicht door één enkel bungelend peertje. Ze slaapt op het kale beton en ook de muren zijn bijna helemaal kaal, op een doek na waarop staat: ‘Of ik nu een makkelijk of een moeilijk leven heb, ik ben God dankbaar.’
Businessweek schrijft zinnig en intelligent over het zakenleven wereldwijd.* Aarzelt niet om een mening te geven of standpunt in te nemen.* Sinds 2009 onderdeel van Bloomberg News, met 15.000 medewerkers.
Met drie presidentskandidaten, tientallen gouverneurs, honderden congresleden en miljoenen volgelingen krijgt de evangelische beweging steeds meer politieke invloed in Latijns-Amerika.
Onlangs waren de ogen van heel de wereld gericht op de begrafenis van Billy Graham, een van de invloedrijkste predikers van de twintigste eeuw. In het Capitool in Washington bewezen de meest vooraanstaande figuren van het land hem de laatste eer, terwijl op sociale media mensen van de statuur van Bill Clinton, George W. Bush en Barack Obama ‘de predikant van de Verenigde Staten’ hun laatste groet brachten.
Het massaevenement waarmee zijn afscheid gepaard ging, vormt het bewijs dat het meer dan zeventig jaar lang prediken van het woord van God in 185 landen zijn vruchten heeft afgeworpen. Niet alleen neemt het aantal volgelingen van de evangelische beweging nog steeds toe, maar ook op andere terreinen worden de evangelisten belangrijker en invloedrijker, met name in de politiek.
Latijns-Amerika is een van hun belangrijkste bolwerken. In deze regio is het katholicisme zijn vijfhonderd jaar oude geloofsmonopolie in slechts drie decennia kwijtgeraakt. Twintig procent van de Latijns-Amerikanen is evangelist, de grens tussen wat van God is en wat van de keizer vervaagt steeds meer. Tot de beweging behoren presidenten als Jimmy Morales (Guatemala) en presidentskandidaten als Fabricio Alvarado (Costa Rica), Jair Bolsonaro (Brazilië) en zelfs Javier Bertucci (Venezuela). En hoewel alle ogen op deze grote namen zijn gericht, ligt de werkelijke macht van de evangelische beweging vooral bij de burgemeesters, ministers, afgevaardigden, congresleden, adviseurs en andere hoge overheidsfunctionarissen.
Door het groeiende aantal evangelisten in Latijns-Amerika is de religieuze beweging een belangrijke politieke speler geworden. In Peru, Ecuador, Colombia, Venezuela, Argentinië en Panama is meer dan vijftien procent van de bevolking evangelist, in Brazilië, Costa Rica en Puerto Rico twintig procent en in landen van Midden-Amerika zoals Guatemala, Honduras en Nicaragua zelfs veertig procent.
Al vormen ze in geen enkel Latijns-Amerikaans land een meerderheid, vanwege het gemak waarmee evangelisten hun populariteit weten om te zetten in stemmen zijn ze van grote politieke waarde. Zoals Javier Corrales, politicoloog en docent aan het Amherst College (Massachusetts), uitlegt: ‘Evangelisten zijn uiterst gedisciplineerd en gehoorzaam, ze gaan regelmatig naar de kerk (ze luisteren dus naar politieke boodschappen), ze roeren zich in de traditionele media en op sociale media én ze zijn enorm bedreven in het mobiliseren van mensen.’
Daarom jagen presidentskandidaten op hun stem. In Brazilië, een land met 42 miljoen evangelisten, speelde de alliantie (én breuk) van oud-president Dilma Rousseff met de evangelische kerk Iglesia Universal del Reino de Dios een cruciale rol bij haar overwinning en daaropvolgende afzetting. En in Chili bewees het feit dat Sebastián Piñera vier predikanten als campagneadviseurs had dat hij dit deel van het electoraal aan zich wilde binden tijdens de presidentsverkiezingen van 2017.
Conservatieve allianties
Toch beperkt de invloed van de evangelisten zich niet tot hun electorale potentieel. Ze veranderen de politiek in Latijns-Amerika met een agenda die meer wegheeft van een moreel dan van een politiek project.
In Costa Rica belandde evangelist, presentator en zanger Fabricio Alvarado Muñoz bovenaan in de peilingen toen het Inter-Amerikaans hof voor de Mensenrechten (CIDH) zich uitsprak vóór het homohuwelijk. Alvarado beloofde vervolgens om het CIDH niet langer te erkennen, en op deze manier het gezin en het leven te beschermen. Dat leverde hem nog eens een flinke sprong in de peilingen op. Zijn beoogde vicepresident, Francisco Prendas, moest onlangs [na felle reacties uit de LHTB-beweging] zijn excuses aanbieden omdat hij had gezegd dat hij nooit een homoseksueel op een hoge post zou benoemen aangezien hij de meerderheid van de bevolking niet voor het hoofd wilde stoten. [Nadat hij de eerste ronde had gewonnen, werd Fabricio Alvarado op 1 april verslagen door zijn rivaal en naamgenoot Carlos Alvarado Quesada. Maar intussen wordt het politieke debat nog steeds gedomineerd door het homohuwelijk.]
Het grote aantal evangelische partijen, presidentskandidaten en stemgerechtigden geeft een nieuwe impuls aan de conservatieve beginselen van andere politieke en religieuze groeperingen in Latijns-Amerika. Onderwerpen als abortus, gelijke rechten voor man en vrouw binnen het huwelijk en de slecht gemunte term ‘genderideologie’ hebben evangelisten en katholieken verenigd in een gezamenlijke strijd.
Met leuzen als ‘handen af van onze kinderen’ stroomden duizenden gelovigen, die zulke vrijheden zien als een bedreiging, de straten op van Colombia, Paraguay, Ecuador, Peru, Mexico en Chili. De enorme druk die hiermee werd uitgeoefend vertaalde zich vrijwel meteen in maatregelen op overheidsniveau: in Paraguay is een docentenhandboek ter preventie van vrouwenmishandeling op school geschrapt. Hun enorme invloed betaalt zich politiek uit. Bijvoorbeeld in Colombia, waar het Nee-kamp triomfen vierde tijdens het referendum [over vrede met guerrillabeweging FARC].
De relatie tussen politiek en geloof wordt steeds nauwer. Terwijl conservatieve partijen weer opleven en nieuwe kiezers winnen voor hun politieke programma’s, winnen de evangelisten electoraal terrein door parlementaire fracties te vormen en allianties te smeden met conservatieve partijen, aldus Andrew Chesnut, hoofd Catholic Studies aan de Virginia Commonwealth University [in de VS].
Het meest in het oog springende voorbeeld van zo’n alliantie is de omstreden kandidatuur van Jair Bolsonaro voor het presidentschap van Brazilië. Bolsonaro is oud-militair en hoewel hij publiekelijk nooit heeft verklaard evangelist te zijn, wordt zijn politieke boodschap, die aanschuurt tegen rechtsextremisme, gesteund door de christelijke Partido Social Cristiano. Met uitspraken als: ‘Gays zijn het gevolg van drugsgebruik’, ‘Je verdient het niet eens verkracht te worden’, en ‘De vergissing van de dictatuur was dat er gemarteld werd in plaats van gedood’, wist Bolsonaro de tweede plek te veroveren in de peilingen, achter president Lula, die vleugellam is vanwege corruptieschandalen.
In Brazilië, het grootste land van Latijns-Amerika, is de opmars van de evangelisten het meest zichtbaar. Ze kunnen er intussen bogen op negentig congresleden, het burgemeesterschap van Rio de Janeiro (de meest kosmopolitische en multiculturele stad van het land) en rond de veertienduizend nieuwe kerken per jaar. En hun economische positie is gigantisch. Volgens het Amerikaanse tijdschrift Forbes overstijgt het opgetelde vermogen van de vijf rijkste Latijns-Amerikaanse predikers de 1,5 miljard dollar.
De steeds sterkere aanwezigheid van het geloof in de politiek vormt een grote uitdaging voor de democratieën in Latijns-Amerika. ‘Het is niet altijd zo, maar áls ze invloed willen uitoefenen op de manier waarop we ons gedragen kunnen ze met hun extreme opvattingen over zonde en moraal de vijand worden van de vrije gedachte, de privacy en de vrije wil,’ aldus politicoloog Corrales. ‘We moeten hun macht niet onderschatten en niet vergeten dat de evangelisten achter de verbijsterende overwinning van Donald Trump zaten.’
Alberto Camargo was tweemaal president van Colombia. Tussendoor richtte hij dit tijdschrift op. Het ging in 1961 ter ziele maar werd opnieuw gelanceerd. Semana geldt als een van de beste bladen uit Latijns-Amerika. Onafhankelijk en altijd goed geïnformeerd.
De Grieks-orthodoxe kerk, volgens zeggen de grootste particuliere vastgoedeigenaar van Israël, verkoopt haar onroerend goed tegen bescheiden prijzen aan brievenbusmaatschappijen, zodat bewoners hun woning dreigen te verliezen.
Een in een belastingparadijs geregistreerde naamloze vennootschap heeft onlangs 2,8 miljoen euro betaald voor de aankoop van 240 appartementen, een winkelcentrum en bouwgrond in het centrum van Jeruzalem. Deze transactie werd tegen een bespottelijk lage prijs tot stand gebracht door het patriarchaat van de Grieks-orthodoxe kerk in Jeruzalem, na de Israëlische vastgoedautoriteit de grootste eigenaar van onroerend goed in Israël. Sinds enkele jaren verkoopt het patriarchaat zijn onroerend goed overal in het land aan in belastingparadijzen geregistreerde brievenbusmaatschappijen, tegen zulke lage prijzen dat men zich afvraagt of de kerk zich niet kost wat het kost van haar bezit probeert te ontdoen.
De drijfveer achter deze massale verkoop en de lage prijzen blijft een mysterie, maar Haaretz heeft de hand weten te legen op drie koopaktes die deze transacties enigszins verklaren. Zo is de in Jeruzalem verkochte grond inmiddels doorverkocht aan een andere maatschappij, die ook in een belastingparadijs is gevestigd. Op diezelfde manier is in de buurt van de Klokkentoren van Jaffa 0,6 hectare met tientallen winkels verkocht voor 1,3 miljoen euro. In Caesarea is 43 hectare verkocht voor maar 850.000 euro. Alle kopers zijn bedrijven die in belastingparadijzen staan geregistreerd, en het is onmogelijk ook maar enige informatie in te winnen over hun eigenaren. Over enkele decennia, als de pachtovereenkomsten zijn verjaard, zal het lot van deze grond in handen van de anonieme kopers liggen.
Paniek
Het grootste deel van deze grond is in de negentiende eeuw door de kerk verworven. Traditioneel verkocht de kerk de grond niet door, maar verpachtte die voor 95 jaar aan publieke instellingen als het Joods Nationaal Fonds (KKL) of de Israëlische vastgoedautoriteit. Zes jaar geleden heeft het patriarchaat van Jeruzalem, dat onder leiding staat van Theofilus III, diverse transacties gesloten met privéondernemingen, waardoor het vastgoedbezit van de kerk aanzienlijk is afgenomen. Voor zover bekend heeft de kerk bijna al haar grond in Jeruzalem verkocht en grote percelen in Jaffa, Caesarea, Ramla, Nazareth en Tiberias, evenals panden en appartementen in Jeruzalem en Jaffa.
De eerste grote transactie werd gesloten in 2011, toen de orthodoxe kerk honderden hectare in Jeruzalem (in de wijken Talbiya, Rehavia en Nayot) verpachtte aan een Israëlisch vastgoedbedrijf, genaamd Nayot Komemiyut. Een jaar geleden is al deze grond verkocht aan deze zelfde vastgoedgroep, die inmiddels Nayot-Komemiyut Investments is gedoopt. We hebben slechts één bestuurder van deze groep kunnen identificeren, de zakenman Noam Ben David. De twee transacties hebben paniek gezaaid onder een duizendtal appartementsbezitters in deze wijk, die hun woning dreigen te verliezen. Als het pachtcontract over dertig jaar afloopt, zullen deze grond en woningen volgens de wet automatisch in handen vallen van de nieuwe pachtheren en zullen de bewoners hun eigendomsrecht verliezen. Bovendien zijn de vastgoedprijzen in deze gebieden gekelderd als gevolg van de abnormaal voordelige contracten, hetgeen de huidige eigenaren ervan weerhoudt ze te verkopen.
Onlangs hebben de Israëlische staat en het KKL, die dit onroerend goed van de kerk pachten, onder druk van de publieke opinie geprobeerd een oplossing te vinden. Parlementslid Rachel Azaria van Kulanu, een middenpartij die zich heeft afgescheiden van Likoed, heeft een wetsvoorstel ingediend dat de regering het recht moet geven het door de kerk verkochte vastgoed te onteigenen om te voorkomen dat de bewoners uit hun huis worden gezet. Maar deze wet komt er voorlopig niet door.
Na het uitlekken van de transactie in Jeruzalem zijn er ook andere aan het licht gekomen. Sommige leden van het patriarchaat, zowel in Jaffa en steden in Galilea als in Jordanië en binnen het gebied van de Palestijnse Autoriteit, hebben woedend gereageerd. Ze hebben de corruptie van het patriarchaat veroordeeld evenals de funeste invloed van deze transacties op de status en autonomie van de Grieks-orthodoxe gemeenschap in Israël. De laatste tijd roepen de tegenstanders zelfs op tot een boycot en afzetting van de patriarch.
‘Naar onze mening dreigt de christelijke gemeenschap van Israël aan deze transacties ten onder te gaan,’ zegt Victor Zakak, directeur van een Arabische christelijk-orthodoxe liefdadigheidsinstelling in Jaffa. Zakak behoorde tot de honderden Palestijnen die in de oude stad van Jeruzalem onder de ramen van het patriarchaat kwamen demonstreren.
Lezing van de documenten die Haaretz heeft verkregen wijst uit dat de Grieks-orthodoxe kerk op deze manier grond in de Jeruzalemse wijk Givat Oranim voor de belachelijke prijs van 2,8 miljoen euro heeft verkocht aan Kronti Investments Ltd, een bedrijf dat geregistreerd staat op de Maagdeneilanden. Het gaat hierbij om 2,7 hectare aan kavels, 240 appartementen en een reusachtig winkelcentrum. Maar alleen al een klein appartement in deze geprivilegieerde wijk is 480.000 euro waard…
“Dit is geen handel maar diefstal,” schampert Peter Habash, een activist van de Arabische christelijk-orthodoxe gemeenschap van Jaffa
Ook al loopt het pachtcontract pas over 52 jaar af, de bewoners ondervinden nu al de gevolgen van deze transactie. ‘Vanaf het moment dat die openbaar is geworden, is de prijs van onroerend goed met zestig procent gezakt,’ zegt Navat Bat Tzur, een bewoonster die de mensen uit de wijk probeert te mobiliseren. ‘Ons vastgoed wordt onverkoopbaar op de markt. Ik heb mijn huis voor een forse prijs gekocht zonder de ins en outs te kennen. Nu dreig ik met lege handen komen te staan.’ Inmiddels is er een andere pachtheer gekomen. Vijf jaar na de eerste transactie is de grond doorverkocht aan een ander bedrijf, genaamd Oranim Limited, dat geregistreerd staat op de Kaaimaneilanden. Niemand weet wat het bedrijf ervoor heeft moeten betalen.
Bij een andere transactie in december 2013 met Bona Trading Ltd is een winkelgebied van een halve hectare in de buurt van de Klokkentoren van Jaffa verkocht, evenals tientallen winkels en appartementen in de Yefet-, Beit Eshel- en Shimon HaTzadikstraat, voor een totaalbedrag van 1,3 miljoen euro. Bona Trading Ltd staat geregistreerd op het Caraïbische eiland Saint Vincent en de eilandengroep de Grenadines. ‘Dit is geen handel maar diefstal,’ schampert Peter Habash, een activist van de Arabische christelijk-orthodoxe gemeenschap van Jaffa.
In augustus 2015 kocht Senet Ventures 43 hectare terrein in Caesarea, in het duurste gebied van heel Israël. Het bedrag van de transactie? 850.000 euro… Het grootste deel van het terrein ligt in het nationale park en omvat het antieke amfitheater en grond van de kibboets Sdot Yam. Toen wij onze bezorgdheid kenbaar maakten, onthielden de woordvoerders van Kronti, Bona, Senet en het patriarchaat zich van ieder commentaar.
De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.
CONTEXT: Christenen op heilige grond
De christelijke Arabieren vormen ongeveer 20 procent van de totale bevolking van Israël en 80 procent van de Arabisch-Israëlische. De twee belangrijkste christelijke groeperingen zijn de door Rome erkende Grieks-katholieke kerk (60 procent) en het Grieks-orthodoxe patriarchaat van Jeruzalem (30 procent). De orthodoxe kerk van Jeruzalem, die ook jurisdictie heeft over Israël, Palestina, Jordanië en de Sinaï, neemt een speciale plaats in binnen de orthodoxe kerk omdat ze waakt over de Heilige Plaatsen.
De orthodoxe patriarch van Jeruzalem is een Griek, maar de meeste geestelijken en gelovigen zijn Arabische Palestijnen. Het aantal leden van deze gemeenschappen slinkt, voornamelijk door de niet-aflatende emigratie naar Zuid-Amerika. Het patriarchaat van Jeruzalem was lange tijd een van de grootste vastgoedbezitters van Israël. In Jeruzalem zijn de Knesset, de ambtswoning van het staatshoofd en de grote synagoge gebouwd op grond die eigendom is van het patriarchaat. Onder het Britse mandaat (1922-1948) zijn veel Joodse steden en dorpen verrezen op grond die gekocht was van het patriarchaat, met name in de kustvlakte (Tel Aviv en zijn voorsteden). Dit historische antecedent maakt de Palestijnen extra gevoelig voor vastgoedtransacties van het patriarchaat. De vorige patriarch van Jeruzalem, Irénée I, werd in 2005 afgezet op verdenking van grondverkoop aan Israëlische investeerders. Hij werd vervangen door Theofilus III. Maar de transacties gaan door.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.