Tag: kleding

  • Tweedehands is hot. ‘Voor jongere generaties maakt het veel minder uit of iets nieuw is’

    Tweedehands is hot. ‘Voor jongere generaties maakt het veel minder uit of iets nieuw is’

    Van Ikea tot Vinted tonen jonge consumenten steeds meer interesse voor kleding en meubels met een tweede leven. Maar is deze sector aan het groeien of aan het commercialiseren? En is tweedehands wel lucratief genoeg?

    Toen Lego een initiatief startte om tweedehands legosteentjes in te zamelen en te hergebruiken, stuitte de Deense fabrikant op een probleem: men stuurde ook allerlei andere dingen op. Volgens een hooggeplaatste directeur kwamen niet alleen de welbekende steentjes binnen, maar ook lege blikjes, schoenen en haar.  

    Nog erger: werknemers openden een keer een Lego-schatkist die gevuld was met een volledige set melktanden.

    Merken als Shein en Zara, maar ook H&M en Lego storten zich in een bloeiende tweedehandseconomie. Ze treden in het voetspoor van veel opkomende ondernemingen zoals Vinted, Depop, ThredUp en Vestiaire Collective, en hopen te profiteren van een toenemende waardering voor ‘preloved’ artikelen, vanwege de prijs of omdat het beter is voor het milieu. Beroemdheden zoals Bella Hadid, Rihanna en Sarah Jessica Parker en zelfs tv-programma’s zoals Love Island hebben tweedehands helemaal omarmd. 

    ‘Tweedehands bruist,’ vertelt Adam Minter, auteur van Junkyard Planet en Secondhand. ‘Maar het is heel duur voor bedrijven. Het is niet makkelijk.’

    Ikea volgde de trend deze week met een nieuw verkoopplatform waar klanten gebruikte meubels direct aan elkaar kunnen verkopen. Deze dienst genaamd Ikea Preowned, die bedoeld is om te concurreren met sites zoals eBay, Craigslist, en Gumtree, ondergaat eerst een test in Madrid en Oslo voordat wordt bepaald of dit ook wereldwijd zal aanslaan. 

    Waar voor je geld

    Jesper Brodin, algemeen directeur van Ingka, de controleur van de meeste Ikea-warenhuizen, zegt dat de Ikea-groep zelfs een groter marktaandeel heeft in de tweedehandsmarkt dan in die voor nieuwe producten: ‘Zo kunnen we dus veel leren – wat voor producten verkopen het best?’ 

    Het is niet moeilijk te begrijpen waarom grote merken interesse hebben voor de tweedehandsmarkt. Deze groeit namelijk veel sneller dan de markt voor nieuwe producten, terwijl hij nog steeds kleiner is. Thredup, een herverkoopplatform uit de VS, schat in dat de wereldwijde markt voor tweedehandskleding is gestegen van € 134 miljard in 2021 naar € 220 miljard in 2024, en voorspelt dat deze in 2028 € 334 miljard bereikt, met een drie keer snellere groei dan de nieuwe kledingmarkt. Consulent Bain & Company schat in dat tweedehandsverkoop van luxeproducten van 2017 tot 2023 125 procent gegroeid is, terwijl dat bij nieuwe producten slechts 43 procent was. 

    Tweedehands wordt ook steeds populairder onder jonge klanten. Volgens een onderzoek van Euromonitor geeft meer dan 40 procent van Gen Z en millennials aan elke paar maanden een tweedehandsproduct te kopen, tegenover slechts 20 procent van de babyboomers. 

    ‘Er zat ooit een stigma aan tweedehandskleding, maar voor jongere generaties maakt het veel minder uit of iets nieuw is. Het gaat om verspilling, en om waar voor je geld. Het is een goede investeringskans,’ zegt een Europees private equity-directeur.

    Maar ondanks het enthousiasme zijn er ook risico’s. Tot niet zo lang geleden werd de westerse markt voor tweedehandsproducten gedomineerd door liefdadigheidsinstellingen en kringloopwinkels. Kunnen gevestigde merken en beginnende ondernemingen hier wel geld in verdienen? Er zijn vragen omtrent het verkrijgen van de juiste producten, maar ook omtrent fraude. Ook zijn er zorgen over de beweegredenen van grotere bedrijven, die zelf steeds meer producten uitgeven. Doen zij dit om de planeet te redden, of voor een goede marketingcampagne?

    ‘Hier zit zeker een pr-element in. Er is veel druk op grote bedrijven zoals H&M en Zara, en er zijn veel zorgen over de duurzaamheid van fast fashion,’ aldus Jennifer Hinton, onderzoeker bij Lund University, die schrijft over de tweedehandskledingmarkt. 

    Tweedehands kopen is niets nieuws. Kringloopwinkels zoals Goodwill, Oxfam en Het Leger des Heils verkopen al decennialang tweedehandskleding, -boeken, en nog veel meer.

    ‘In het Westen lijkt het alsof er nu pas een tweedehandsmarkt verschijnt. Maar hij is er altijd al geweest. Zolang er nieuwe spullen zijn, zijn er gebruikte spullen,’ zegt Minter. ‘In opkomende landen is de tweedehandseconomie voor dingen als kleding en meubels leidend, en die hangt weer af van export uit ontwikkelde landen.’

    ‘In het Westen lijkt het alsof er nu pas een tweedehandsmarkt verschijnt. Maar hij is er altijd al geweest’

    Er bestaan al complexe handelsketens die de liefdadigheidssector steunen. Als je in New York een tweedehands Led Zeppelin-T-shirt koopt voor honderd dollar is dat shirt waarschijnlijk afkomstig uit een berg Amerikaanse kleding die eerst naar Pakistan of Guatemala is verstuurd en daar is gesorteerd op de mooiste items, die dan weer teruggestuurd worden, aldus Minter. ‘Dat is die ene procent waar de celebrities naar zoeken,’ voegt hij toe.

    Kringloopwinkels hebben een proces ontwikkeld om uit te zoeken wat ze kunnen verkopen en wat ze naar ontwikkelingslanden exporteren. Daar verkopen ze het of wordt de kleding in ander materiaal veranderd, zoals vulling voor kussens of isolatiemateriaal. ‘Als je het niet kwijt kan op Depop gaat het naar Oxfam. Als zij het niet kunnen verkopen hebben zij allerlei opties,’ zegt Minter.

    Er zijn tekenen dat de aankomst van grote bedrijven de dynamiek van de liefdadigheidssector heeft veranderd; mensen verkopen hun beste kleding en doneren de rest. Erikshjälpen, een organisatie die Zweedse kringloopwinkels bestuurt, krijgt donaties van steeds slechtere kwaliteit en moet nu de vernietiging van ongeveer 70 procent van alle ontvangen kleding bekostigen, volgens een werknemer geciteerd in een wetenschappelijk artikel door Hinton en Ola Persson. 

    Veel grote bedrijven proberen deze problemen uit de weg te gaan door alleen maar een platform aan te bieden waarop consumenten onderling producten kunnen kopen en verkopen. Hierbij is het bedrijf slechts een bemiddelaar. 

    Een verkoper op Ikea Preowned typt bijvoorbeeld de naam van het product in, krijgt advies van de AI van het bedrijf om afmetingen en wat foto’s toe te voegen, laat de staat van het product weten en biedt hem aan voor verkoop. Een koper moet het ophalen dan zelf regelen en zelf de kwaliteit controleren. Een drijfveer voor verkopers is dat ze cash betaald kunnen worden, of 15 procent meer krijgen als ze voor een Ikea-voucher kiezen. ‘Een goeie manier om het contact met klanten te behouden,’ zegt Brodin.

    Op dit moment is deze service van Ikea gratis, en als er in de toekomst kosten aan worden verbonden, zouden deze ‘heel bescheiden’ zijn, voegt Brodin toe. Op deze manier probeert Ikea te concurreren met de verkoperskosten op websites zoals eBay, die ook aantrekkelijk zijn voor groot meubilair.

    Maar op deze manier is ook te zien hoe moeilijk het is om geld te verdienen met een dergelijk platform. Vinted, een marktplaats zonder verkoperskosten, werd dit jaar het eerste winstgevende tweedehandskledingplatform, door een nettowinst van € 18 miljoen bij elkaar te scharrelen uit € 596 miljoen aan verkoop.

    ‘Tweedehands is nog maar een druppel in een emmer. De uitdaging ligt bij het overtuigen van klanten om eerst naar tweedehandsopties te kijken, en dan pas naar nieuw,’ zegt Thomas Plantenga, algemeen directeur van het Litouwse startup-bedrijf. Zara, Shein en Cos bieden allemaal hun eigen platforms aan.  

    Volgens Minter is het moeilijk voor een Depop of een ThredUp om op te boksen tegen Goodwill, ’s werelds grootste tweedehandsorganisatie, die als non-profit handelt. ‘Ze krijgen hun inventaris gratis aangeboden, ze hebben goedgetrainde werknemers die weten hoe ze het moeten sorteren, en managers die weten waar ze het weer kwijt kunnen. P2P heeft dat soort expertise niet,’ voegt hij eraan toe.

    Omgekeerde logistiek

    Er zijn ook andere problemen. Fraude is er een van, zeker voor duurdere kleding. Vestiaire Collective en Monogram hebben allebei een authenticatieservice om te controleren of een tas wel echt van Gucci is. Vinted doet dit ook voor bepaalde items, tegen betaling door de koper.

    Sommige services kunnen onbedoelde achterdeuren hebben, zoals Ikea Preowned, waar verkopers aan zichzelf of aan vrienden kunnen verkopen om gratis vouchers te krijgen. ‘Hier leren we nog elke dag,’ zegt het bedrijf, ‘en we moeten begrijpen hoe, of, en waar er problemen zijn om ze uit de weg te kunnen gaan.’

    Dan zijn er nog de bedrijven die de producten zelf behandelen. De meeste Legoproducten worden aan vrienden of familie weggegeven, maar de speelgoedfabrikant richt zich erop dat wat overblijft niet wordt weggegooid, maar wordt hergebruikt of gerecycled. 

    Tim Brooks, voormalig duurzaamheidsdirecteur van Lego, liet vorig jaar in een interview weten dat het bedrijf al jaren leerde hoe om te gaan met ‘omgekeerde logistiek’ – het weer ontvangen van steentjes in plaats van het verkopen –, maar ook met alles eruit halen wat geen Lego is en het sorteren en schoonmaken van de steentjes.

    ‘Het was een lange weg voor een bedrijf dat gewend is aan lineaire productie. Het is een hele andere manier van denken’

    Het bedrijf test dit concept met hun service Replay in de VS, Canada en het Verenigd Koninkrijk. Mensen doneren gebruikte Legosets, en het bedrijf stuurt ze door naar goede doelen of scholen. Tot nu toe is er al 500 ton aan steentjes ontvangen. Een ander programma in Duitsland betaalt de klant € 8 in waardebonnen per kilo aan ingeleverde steentjes of figuurtjes. ‘Het was een lange weg voor een bedrijf dat gewend is aan lineaire productie. Het is een hele andere manier van denken,’ zegt Brooks.

    De tweedehandsmarkt is dus waarschijnlijk nog lang niet klaar met groeien. Bedrijven zoeken naar manieren om hun uitstoot te verminderen en hun handel cyclisch te maken door zo veel mogelijk te hergebruiken en te recyclen. 

    Brodin zegt zelf dat zijn ogen werden geopend toen hij de box van zijn kind op een tweedehandsplatform verkocht, maar daarna een nieuw kind kreeg. ‘Ik heb diezelfde box weer teruggekocht,’ voegt hij toe. ‘Vanuit duurzaamheidsperspectief is dit de slimste aanpak, zorgen dat je materialen goed gebruikt.’

  • Iran arresteert vrouw die in onderkleding protesteert tegen strenge kledingvoorschriften

    Iran arresteert vrouw die in onderkleding protesteert tegen strenge kledingvoorschriften

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Benyamin Netanyahu bezoekt Libanese grens, Hezbollah neemt Israël onder vuur

    » Pro-Europese president Maia Sandu wint verkiezingen in Moldavië

    Ze liep uit protest in haar ondergoed over straat

    Amnesty International heeft de Iraanse autoriteiten opgeroepen om ‘onmiddellijk en onvoorwaardelijk’ een studente vrij te laten. Ze werd in Iran gearresteerd nadat ze zich gedeeltelijk had uitgekleed. Dat deed ze naar aanleiding van wat de organisatie omschrijft als een publiek protest tegen de intimidatie in verband met de strenge kledingvoorschriften van het land, meldt The Guardian.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    ‘Op video’s die op sociale media zijn geplaatst lijkt de vrouw zich uit te kleden en in haar ondergoed de straat op te stappen,’ beschrijft de Britse krant. ‘Een tweede video lijkt te tonen hoe de vrouw in een auto wordt geduwd door mannen in burger.’

  • Fast fashion raakt uit de mode

    Fast fashion raakt uit de mode

    De vraag naar duurzame alternatieven voor fast fashion groeit, van het recyclen van textiel in het Italiaanse Prato, tot de plannen van de Europese Unie en de opkomst van tweedehands kledingplatforms. Verandering is hoognodig en haalbaar.

    Volgens de Europese Commissie had de Europese textielconsumptie in 2022 de op drie na grootste impact op het milieu en klimaatverandering, na voedsel, huisvesting en mobiliteit. De textielindustrie is de op twee na grootste verbruiker van water en land en staat op de vijfde plaats wat betreft het gebruik van primaire grondstoffen en de uitstoot van broeikasgassen.

    De Ellen MacArthur Foundation publiceerde in 2017 een rapport waarin wordt geschat dat de sector tussen de 792 en 931 miljard kubieke meter water per jaar gebruikt voor de textielproductie, van het verbouwen van katoen tot verven en andere bewerkingen. Dat komt overeen met 4 procent van alle zoetwaterwinning wereldwijd.

    We kopen steeds meer kleding, maar die gaat maar half zo lang mee. Kleren belanden vaak op stortplaatsen ver buiten Europa – uit het zicht en uit het hoofd. In Europa wordt minder dan de helft van de gebruikte kleding ingezameld voor hergebruik of recycling, en slechts 1 procent wordt uiteindelijk gerecycled tot nieuwe kleding. Dat leidt tot de grote vraag: is een duurzame paradigmaverschuiving nog haalbaar? 

    Italië

    De Italiaanse stad Prato is geen onbekende als het gaat om het recyclen van wol. De stad ligt op slechts een paar kilometer van het oude renaissancecentrum Florence, en is al sinds de middeleeuwen het textielcentrum van Europa, maar ook een centrum van de circulaire economie. Vanwege een oude wet die de import van ruwe wol verbood, werd de stad toonaangevend in het recyclen ervan en inmiddels produceert Prato 15 procent van alle gerecyclede textiel ter wereld. 

    Het Italiaanse bedrijf Comistra is marktleider op het gebied van het recyclen van wol. Het ruim honderd jaar oude bedrijf geeft nieuw leven aan tonnen gebruikte vodden die dagelijks in het magazijn aankomen.

    ‘Van de grondstoffen is 60 procent bestemd voor hergebruik,’ zegt Alice Tesi, hoofd marketing van Comistra. Ongeveer 35 procent wordt gerecycled en ongeveer 5 procent wordt weggegooid. De kleding komt aan in zakken en wordt met de hand gesorteerd. Zo besluiten we wat kan worden hergebruikt of gerecycled.’

    Na het sorteren op kleur wordt de wol uitgeplozen tot vezels en geregenereerd door machines. Nadat de wol is teruggebracht tot een staat van grondstof, wordt ze gemengd om er garens en stoffen mee te maken die kunnen terugkeren in nieuwe kleding. Het water dat in het proces wordt gebruikt, wordt gerecycled en hergebruikt, en daarmee is de cirkel rond.

    Europese Unie

    In de duurzame textielstrategie van de Europese Unie staat de circulaire economie centraal en wordt het gebruik van gerecyclede vezels en ecodesign aangemoedigd. Volgens Fabrizio Tesi, CEO van Comistra, is dit beleid de weg naar een meer verantwoorde kledingproductie.

    ‘Bij het ontwerpen van een kledingstuk moeten we er rekening mee houden dat het, wanneer het op zijn einde loopt, gemakkelijk gerepareerd, gerecycled en hergebruikt kan worden. Dat noemen we de magische cirkel van de circulaire economie, die ligt nu binnen ons bereik. De Green Deal en Europa wijzen ons de weg. Op deze manier kan de recyclingsector bovendien veel mensen werk opleveren,’ aldus Tesi.

    De EU overweegt een ‘paspoort’ met QR-codes dat kan helpen ‘greenwashing’ te bestrijden, doordat het informatie bevat over de recyclebaarheid en milieu-impact van een product. Dit staat bekend als het digitale productpaspoort. Het EU-initiatief maakt deel uit van een voorgestelde verordening inzake ecologisch ontwerpen van duurzame producten en vormt een belangrijke stap in het kader van CEAP; het actieplan voor een circulaire economie. 

    ‘De meeste goedkope stoffen zijn niet recyclebaar. En dat is een probleem’

    Niccolo Cipriani is oprichter van Rifo, een start-up die kiest voor natuurlijke vezels zoals katoen en wol en voor recyclebare ontwerpen van gerecyclede, enkelvoudige materialen. Hij is van mening dat de motivatie tot aankoop van een kledingstuk gebaseerd moet zijn op de totstandkoming ervan, en niet op het prijskaartje. 

    ‘De meeste stoffen worden tegenwoordig goedkoop op de markt ingekocht. Ze zijn niet recyclebaar. En dat is een probleem. Want de beste manier om een product winstgevend te maken is om natuurlijke en synthetische vezels met elkaar te mengen. Er bestaan technologieën die het mogelijk maken om vezels te scheiden, maar nog niet op industrieel niveau. Op een gegeven moment zullen we een criterium voor recyclebaarheid moeten introduceren,’ zegt hij.

    De Europese kaderrichtlijn voor afvalstoffen zal binnenkort worden herzien. Verwacht wordt dat industriële vervuilers moeten gaan betalen voor de gescheiden inzameling van gebruikt textiel. In Prato wordt volgend jaar een nieuw textielsorteercentrum gebouwd. Het doel is om het aantal ingezamelde stoffen te verdubbelen en de recyclingsector te moderniseren.

    Tweedehands

    Veel experts vinden dat minder kopen prioriteit moet zijn, maar is dat ook echt haalbaar? Een antwoord op die vraag vinden we misschien in Litouwen, de thuisbasis van Vinted, de app voor tweedehands kleding, en bij modejournalist Deimante Bulbenkaite.

    ‘Aan de ene kant biedt fast fashion veel mensen de mogelijkheid om zichzelf te kleden zoals ze willen,’ zegt zij. ‘Dus in dat opzicht is het logisch dat het bestaat. Aan de andere kant is de hoeveelheid kleding die wordt geproduceerd behoorlijk catastrofaal. Er wordt veel meer geproduceerd dan we hoeven te gebruiken – of zelfs kunnen gebruiken.’

    De term fast fashion wordt gebruikt voor goedkope kleding die snel wordt geproduceerd door winkelketens om in te spelen op de laatste trends. De Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties publiceerde in 2018 een rapport waarin staat dat 85 procent van het textiel op stortplaatsen terechtkomt. Dat komt neer op 21 miljard ton per jaar. Eurostat schat dat EU-burgers in 2020 6,6 miljoen ton kleding en schoeisel kochten. Dat is 14,8 kilo per persoon, bestaande uit 6,0 kilo kleding, 6,1 kilo huishoudtextiel en 2,7 kilo schoeisel.

    ‘Slechts 14 procent van de kledingtransacties is tweedehands’

    Een manier om minder massageproduceerde kleding te kopen, is naar kringloopwinkels te gaan, zoals Humana. Daar is de kleding goedkoop en van goede kwaliteit. Maar Bulbenkaite winkelt nog altijd het liefst op Vinted. Deze app, die vijftien jaar geleden in Vilnius werd opgericht, telt inmiddels 50 miljoen gebruikers.

    Vinted zegt mee te helpen de overproductie van textiel tegen te gaan. In het eerste rapport over klimaatverandering dat dit jaar door Vinted werd gepubliceerd, beweert het bedrijf dat het kopen van tweedehands spullen een uitstoot van 1,8 kilo CO₂ per artikel voorkomt.

    ‘Voor 40 procent van de honderden miljoenen transacties die via Vinted hebben plaatsgevonden, geldt dat er geen nieuw product is gekocht. Dat betekent dat er geen nieuw product geproduceerd hoefde te worden. Maar slechts 14 procent van de kledingtransacties is tweedehands. We hebben dus nog een lange weg te gaan voordat tweedehands de standaard manier van kopen wordt,’ zegt Adam Jay, CEO van Vinted Marketplace.  

    Daarnaast zijn steeds meer modeontwerpers op zoek naar manieren om oud textiel te upcyclen tot iets nieuws. Een zo’n merk is Behind Curtains. ‘De modeproductie voor de massa is te groot en groeit nog steeds enorm,’ zegt Monika Vaisova, ontwerper bij het bedrijf. ‘We hebben dat niet nodig. We kunnen spullen hergebruiken.’

    Hun boodschap is duidelijk: zorg dat fast fashion uit de mode raakt en koop iets waarvan naderhand opnieuw iets kan worden gemaakt.

  • Iran gaat kledingregels strenger handhaven in aanloop naar extreem hete zomer

    Iran gaat kledingregels strenger handhaven in aanloop naar extreem hete zomer

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Noorwegen zet vijftien Russen uit op verdenking van spionage

    » 21-jarige man in VS aangehouden voor lekken staatsgeheimen

    Regering verwacht massale schending van kledingvoorschriften

    Het Iraanse regime heeft voor de zomer maatregelen aangekondigd om de geldende islamitische kledingvoorschriften te handhaven. De islamitische republiek verwacht dat het in de zomer in Iran uitzonderlijk heet wordt, wat voor veel vrouwen aanleiding zal zijn om de kledingvoorschriften te negeren, schrijft Gazeta Wyborcza. Er worden temperaturen van 40 graden Celsius verwacht.

    Iraanse hardliners waarschuwen voor ‘naakte vrouwen’ die ’s zomers de straat op zullen gaan in korte rokjes en broeken en bloezen met korte mouwen, schrijft Financial Times. Daarom roepen religieuze leiders en parlementsleden op tot de invoering van strengere straffen voordat de zomer aanbreekt. De regering geeft daar nu gehoor aan.

    Op openbare plekken worden camera’s opgehangen om te controleren of vrouwen verhullende kleding dragen

    Als maatregel worden er op openbare plekken camera’s opgehangen om te controleren of vrouwen hun haar bedekken en verhullende kleding dragen. Bij de eerste overtreding krijgen ze een waarschuwing, bij de volgende keer worden ze gestraft. Die straf kan een arrestatie, een boete of verplicht onderwijs in de islamitische wetten zijn.

    Veel Iraanse vrouwen hebben genoeg van de islamitische kledingvoorschriften. De dood van de jonge Koerdische vrouw Mahsa Amini in september vorig jaar, die stierf nadat ze was opgepakt omdat ze haar hoofddoek niet volgens de regels droeg, was de aanleiding voor massale protesten in het hele land. Eerst waren die nog gericht tegen het harde optreden van de politie, maar op den duur richtten ze zich steeds meer tegen de overheid. Bij de protesten zijn honderden demonstranten omgekomen, waaronder tientallen kinderen, en duizenden mensen gearresteerd.

    Lees ook:

  • Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    Wordt het recyclen van kleding ooit net zo makkelijk als van een aluminium blikje?

    De afgelopen jaren is de kledingindustrie zich steeds bewuster geworden van de noodzaak om kleding te recyclen. Een veelbelovende ontwikkeling, maar is het genoeg om de enorme jaarlijkse hoeveelheid afgedankte kleding te verwerken?

    Het bedrijf Renewcell heeft in het Zweedse kustplaatsje Sundsvall een nieuwe textielrecyclingfabriek geopend die zo groot is dat werknemers een fiets gebruiken om van de ene kant van de productielijn naar de andere te komen. Grote balen katoenafval worden op een lopende band gestort, aan flarden gescheurd en in een natte smurrie veranderd met behulp van chemicaliën. Deze smurrie, die oplossende pulp wordt genoemd, wordt vervolgens gebleekt, gedroogd en tot vellen geperst die lijken op gerecycled kraftpapier en onder de merknaam Circulose naar fabrieken worden gestuurd om tot textielsoorten als viscose te worden verwerkt voor kleding.

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen of is ze gemaakt van waterflessen, visnetten en oude tapijten. (Er bestaat al technologie om polyester tot polyester te recyclen maar die is zo duur dat ze maar zelden wordt gebruikt.)

    De fabriek van Renewcell is een van de eerste stappen naar een systeem om van oude kleding nieuwe hoogwaardige kleding te maken die geheel uit gerecyclede weefsels bestaat. Het is ook een manier om de bergen textielafval aan te pakken die zich overal op de wereld ophopen en te zorgen dat er minder bomen uit ecologisch gevoelige bossen worden opgeofferd voor de vervaardiging van kledingweefsels. (Volgens Canopy, een Canadese non-profit die zich samen met de papier- en kledingindustrie inzet voor vermindering van ontbossing, worden er jaarlijks meer dan 200 miljoen bomen gekapt om oplossende pulp te produceren voor uit cellulose vervaardigde vezels als rayon, viscose, modal en lyocell.)

    Tot nu toe bevat de meeste kleding die als gerecycled op de markt wordt gebracht maar een klein percentage gerecycled katoen

    Veel consumenten lijken zich steeds ongemakkelijker te voelen over wat er met hun oude kleren gebeurt en kledingbedrijven zoeken naar manieren om te blijven uitbreiden en zich tegelijkertijd aan hun belofte te houden om hun negatieve ecologische voetafdruk te verminderen door via een circulair systeem te voorkomen dat afgedankte kleding op de vuilstort belandt. De Europese Unie heeft al haar lidstaten verplicht hun textielinzameling voor 2025 te intensiveren, wat naar verwachting tot een aanzienlijke afname zal leiden van de hoeveelheid kledingresten waarvoor geen bestemming bestaat.

    ‘Heel opwindend,’ noemt Ashley Holding, consultant op het gebied van duurzaam textiel en oprichter van het Duitse duurzaamheidsadviesbureau Circuvate, de opening van de fabriek. ‘Geweldig om te zien dat ze al zo ver zijn gekomen.’

    Winstoogmerk

    Circulariteit op kledinggebied is niet altijd zo ingewikkeld geweest. Vóór de industrialisering maakten de meeste mensen hun eigen kleren van geheel natuurlijke materialen. De rijken gaven hun oude kleren aan hun personeel, dat ze vervolgens weer aan mensen in plattelandsgemeenten gaf door wie ze werden versteld totdat ze niet langer draagbaar waren, waarna ze bij de voddenboer belandden. Uiteindelijk werd er papier van gemaakt of kunstwol (teruggewonnen wol) voor goedkope dekens en jassen.

    Als gevolg van het ontstaan van de kledingindustrie aan het eind van de negentiende eeuw begonnen mensen die voorheen al hun kleren thuis naaiden sommige kledingstukken in winkels te kopen. Adam Minter, auteur van het boek Secondhand: Travels in the New Global Garage Sale, schrijft in een e-mail: ‘Naarmate kleding in waarde daalde en meer vrouwen in fabrieken gingen werken, hadden consumenten minder reden en tijd om hun kleding te verstellen en repareren.’

    De stroom aan ongewenste goederen nam toe en het Leger des Heils, dat aan het eind van de negentiende eeuw het licht zag in New York, begon geld voor liefdadige doelen te verdienen met het repareren en doorverkopen van kleding en huishoudelijke artikelen, aldus Minter. ‘Maar rond 1910 was de hoeveelheid ongewenste kleding en andere consumentenproducten in de VS zo groot dat liefdadigheidsinstellingen de reparaties staakten.’

    ‘Tegenwoordig eindigt de kleding van ons Amerikanen grotendeels op de vuilstort,’ zegt Maxine Bédat, die in 2021 het boek Unraveled: The Life and Death of a Garment publiceerde. ‘Het is moeilijk om aan betrouwbare cijfers te komen over hoeveel er wordt afgedankt, vooral in de Verenigde Staten. Maar we gooien onze kleding voornamelijk weg.’ 

    Voor Europa is meer data beschikbaar. Volgens een recente studie eindigt in zes West-Europese landen 62 procent van de kleding die jaarlijks op de markt komt op de vuilstort of in een verbrandingsoven.

    Wat in de VS niet wordt weggegooid komt meestal nog steeds bij liefdadigheidsinstellingen als Goodwill terecht, die alles wat onverkoopbaar is doorsluizen naar sorteerbedrijven met een winstoogmerk, aldus Maxine Bédat. Nog draagbare kleding wordt verkocht aan doorverkopers in ontwikkelingslanden en ondraagbaar textiel wordt tot lompen en laagwaardige vezels verwerkt voor bijvoorbeeld isolatie. Kleding die via inzamelingsacties bij boerenmarkten of goedkope kledingbedrijven belandt, komt meestal ook bij de eerder genoemde sorteerbedrijven met een winstoogmerk terecht.

    Zo’n 40 procent van wat de westerse wereld naar een van de grootste doorverkoopmarkten in het Ghanese Accra verscheept wordt als afval beschouwd, aldus de Or Foundation die zich inzet voor een betere verwerking van kledingafval. Bergen oude kleding zijn gefotografeerd op stranden, vuilstortplaatsen en in woestijnen in Afrika en Latijns-Amerika. ‘De doorverkoopmarkt wordt in wezen verpletterd door het gewicht van de hoeveelheid afval die ze ontvangen,’ zegt Rachel Kibbe, die leiding geeft aan het kledingadviesbureau Circular Services Group. ‘We zien bedrijven die in feite afvalverwerkers aan het worden zijn.’

    We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld

    Op dit moment wordt van maar heel weinig textielafval nieuwe kleding gemaakt. Volgens het internationale platform Fashion for Good wordt maar 2 procent van het ingezamelde textiel – zuivere wol, zuiver katoen en acryl – mechanisch tot nieuw textiel gerecycled, voornamelijk modderkleurige dekens van kunstwol voor rampenbestrijding of goedkoop katoen dat met zuiver katoen moet worden vermengd voor nieuw textiel. Tellen we de lage inzamelingsgraad daarbij op, dan komt het erop neer dat minder dan een procent van de in West-Europa verkochte kleding tot nieuwe vezels wordt gerecycled. ‘We moeten ons goed realiseren dat onze kleren, als we er afstand van doen, in iemands woestijn of waterweg kan belanden of wordt verbrand in iemands veld,’ zegt Kibbe.

    Circulose

    De nieuwe fabriek van Renewcell accepteert alleen zuiver katoenafval, en veel kleding wordt van synthetische mengsels gemaakt. Toch zal er een heleboel zuiver katoenafval kunnen worden verwerkt, meer dan 120.000 ton per jaar. Volgens een recente studie van Fashion for Good zijn West-Europese landen jaarlijks goed voor zo’n 163.000 ton laagwaardig katoenafval dat rijp is voor chemische recycling.

    Van wereldwijd ingezameld katoen van denimfabrikanten en tweedehandswinkels maakt de fabriek vellen gedroogde oplossende pulp, Circulose genaamd, die worden verkocht als hoofdbestanddeel voor door mensen gemaakte synthetische vezels als viscose, rayon en modal. ‘Wij creëren circulariteit binnen de kledingindustrie,’ zegt Patrick Lundström, CEO van Renewcell. ‘Op dit moment bestaat circulariteit nog niet echt in de kledingindustrie. We praten al twintig jaar over hoe belastend de sector is voor het milieu, maar er is tot dusver maar bitter weinig vooruitgang geboekt.’

    De oprichters van Renewcell, onderzoekers Mikael Lindstrom en Gunnar Henriksson van het Koninklijk Instituut voor Technologie in Stockholm, ontwikkelden de technologie voor de verwerking van katoenafval in 2012. In 2014 produceerde het bedrijf genoeg gerecyclede stof voor een jurk en in 2017 werd er een demonstratiefabriekje gebouwd. Dat wekte de belangstelling van merken als Stella McCartney, dat een levenscyclusanalyse financierde waaruit bleek dat Circulose de laagste klimaatimpact had van tien verschillende synthetische vezels. In 2017 nam H&M een minderheidsaandeel in het bedrijf.

    Het bedrijf ging naar de beurs en werd in 2020 in Zweden opgenomen in de Eerste Noordelijke Groeimarkt van Nasdaq. H&M, Levi Strauss en Bestseller, een internationale kledingketen uit Denemarken, verwerken inmiddels Circulose in hun kleding. (In 2021 startte Levi’s met een capsulecollectie die 16 procent Circulose bevatte.)

    ‘De Circulose die wordt geproduceerd is heel erg waardevol omdat het een gerecycled weefsel is met de eigenschappen van onbewerkte stof,’ zegt Paul Foulkes-Arellano, de oprichter van Circuthon, een adviesbureau voor circulaire economie.

    Ook een handvol andere bedrijven nam deel aan de wedloop om op een commerciële schaal gerecyclede weefsels te produceren. Twee Finse start-ups, Spinnova en Infinited Fiber Company, hebben een patent op de technologie om van plantaardig afval weefsels te maken die aanvoelen als katoen. Spinnova zegt in 2024 op commerciële basis te zullen gaan draaien. Infinited hoopt in 2026 een fabriek te openen. De Amerikaanse start-up Evrnu zegt 31 miljoen dollar te hebben opgehaald voor zijn recyclingtechnologie en verwacht in 2024 open te gaan.

    De technologie voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels loopt nog wat achter terwijl die mengsels een groot deel vormen van de oude kleding die wordt afgedankt. De Australische start-up Block Texx hoopt in 2023 de eerste recyclingfabriek voor de verwerking van polyesterkatoenmengsels op commerciële basis te openen. De Britse start-up Worn Again Technologies verklaarde afgelopen oktober meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald en bouwt in Zwitserland een fabriek voor het sorteren en recyclen van textielmengsels. De Amerikaanse start-up Circ maakte afgelopen juli bekend meer dan 30 miljoen dollar te hebben opgehaald via een financieringsronde die werd geleid door Breakthrough Energy Ventures van Bill Gates en waartoe ook een investering behoorde van Inditex, het moederbedrijf van Zara.

    ‘Plotseling loopt het storm,’ zegt Kathleen Rademan, directeur van het innovatieplatform van Fashion for Good dat een aanjager is voor duurzame kledingtechnologie. ‘Maar ik denk dat we nog maar aan het begin staan. Er wordt in dit stadium nog gevochten om geld.’

    Adviesbureau McKinsey schatte in een rapport uit 2022 dat er tot 2030 6 tot 7 miljard euro zou moeten worden geïnvesteerd om ten minste 18 procent van het in Europa gegenereerde textielafval te verwerken.

    De duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken

    Gloeiende plaat

    Critici wijzen erop dat het de duurzaamste oplossing zou zijn om kleding opnieuw te dragen of te repareren en stoffen tot nieuwe kledingstukken te vermaken, zoals in de negentiende eeuw gebeurde.

    Zelfs Renewcell, dat op waterkracht draait, is niet helemaal circulair omdat het geen katoen van katoen maakt, al moet daar wel bij worden gezegd dat Levi’s bij sommige producten Circulose heeft gebruikt ter gedeeltelijke vervanging van katoen en dat laboratoriumtesten aantonen dat dit proces tot zeven keer toe kan worden herhaald, net als papierrecycling.

    ‘Recycling is energie-intensief,’ zegt Foulkes-Arellano. ‘Als we verstandig zouden zijn zouden we gewoon alle oude denim en T-shirts in stukken knippen en tot nieuwe kleding verwerken. Ik bedoel, er zijn een heleboel echt goede bedrijven die geupcycled denim verkopen. Maar grote bedrijven willen nu eenmaal nieuwe stoffen.’

    Rademan denkt dat het nog minstens tien jaar zal duren voordat iemand een versleten sweatshirt zal kunnen recyclen zoals een aluminium blikje. Volgens haar is er meer geïnvesteerd kapitaal nodig voor de bouw van recyclingfabrieken, meer bereidheid bij merken om gerecyclede vezels te kopen en meer bereidheid bij kledingfabrikanten om gerecyclede producten in hun aanvoerketen op te nemen. Volgens haar zal er ze pas over tien jaar gerust op kunnen zijn dat als ze een trui in de afvalbak gooit, die niet op een slechte plek terecht zal komen. Maar in de Verenigde Staten, zegt ze, is vooruitgang afhankelijk van het politieke landschap. ‘Het ligt er maar aan wie het voor het zeggen heeft.’ 

    Holding voorspelt dat het nog tot 2050 zal duren voordat textiel op wereldwijde schaal tot nieuw textiel wordt gerecycled. Hoewel Renewcell een belangrijke ontwikkeling is, is het volgens hem nog maar een druppel op een gloeiende plaat vergeleken bij de bestaande hoeveelheid te verwerken textiel en de hoeveelheid materiaal die er elk jaar bij wordt geproduceerd.

    Lees ook:

  • Modestad Dakar: ‘tradi-modern, dat is onze stijl’

    Modestad Dakar: ‘tradi-modern, dat is onze stijl’

    De hoofdstad van Senegal is vergeven van de naaiateliers en trekt ontwerptalent uit heel Afrika, met clientèle van ver over de grens. In zekere zin is Dakar zelf één grote modeshow.

    In het kleine naaiatelier van Bada Seck, in het arrondissement Ngor in Dakar, hangen aan één wand jassen. Aan een andere hangen jurken. Een stapel half afgemaakte |kledingstukken ligt op een ongebruikte naaimachine en de vloer staat vol zakken met textiel. Secks atelier, in dit voormalige vissersdorp aan de westelijke rand van de Senegalese hoofdstad, mag dan klein zijn, maar zijn clientèle reikt tot in Frankrijk.

    Met het Offerfeest en het Suikerfeest komen we om in het werk. Al zouden we hele nachten doorhalen, dan nog zouden we het niet aankunnen

    ‘Ik combineer Europese kledingstijlen met Afrikaanse stoffen,’ vertelt hij. Ter illustratie haalt hij een bontgekleurde colbert van de muur. Rond de feestdagen, als iedereen zich wil opdoffen, heeft hij het extra druk. ‘Met het Offerfeest en het Suikerfeest komen we om in het werk. Al zouden we hele nachten doorhalen, dan nog zouden we het niet aankunnen. Het is lastig: de vraag is groot en dit is tijdrovend werk.’

    Seck maakt vooral maatkleding. Klanten brengen hun eigen stof mee, op de markt gekocht, waar kleermakers als hij vervolgens kaftans, wijdvallende boubous, jurken of westerse maatpakken en bomberjacks van maken. De lokale mode-industrie wordt gevormd door de talloze kleermakers als Seck, en daarnaast heeft Dakar inmiddels grote modenamen aangetrokken: Tommy Hilfiger en Levi’s hebben onlangs winkels in de Senegalese hoofdstad geopend.

    Dakar Fashion Week

    Terwijl Seck in zijn atelier in het zanderige straatje zat te knippen en te naaien, vonden aan de andere kant van de stad de voorbereidingen plaats voor de twintigste Dakar Fashion Week, die werd gehouden in de eerste week van december. Voor het eerst presenteerde Chanel zijn Métier d’Art-collectie – die om het werk van gespecialiseerde ambachtslieden draait – in een Afrikaanse stad.

    GettyImages 1230102806
    Openluchtmodeshow van Senegalese ontwerpers, vlak bij hoofdstad Dakar. ©  Finbarr O’Reilly / Getty Images

    Behalve Adama Ndiaye, oprichter van de Dakar Fashion Week, toonden ook ontwerpers Karim Tassi uit Marokko, het Nigeriaanse merk Emmy Kasbit en Mimi Plange uit Ghana op het eiland Gorée hun collecties op de catwalks. Ondanks ‘de beladen geschiedenis’ is Gorée, ooit het centrum van de internationale slavenhandel, nu een plek waar ‘twee verschillende culturen elkaar ontmoeten’, aldus Ndiaye tijdens de persconferentie. 

    ‘Er zit hier om de 10 meter een atelier’

    ‘Senegal, en vooral Dakar, ademt een en al cultuur. Zelfs moderne outfits hebben vaak nog een traditioneel randje,’ zegt Roméo Moukagny, een Gabonese ontwerper die in de Liberté 6-wijk werkt. ‘Er zit hier om de 10 meter een atelier. Als buitenlander heb je evenveel kansen als iemand van hier. Je hoeft niet uit Senegal te komen om aan een competitie mee te mogen doen. Je kunt een eigen bedrijfje beginnen. Het is allemaal heel toegankelijk.’

    Aton Tsiba, een modeontwerper uit Congo die zijn collectie onlangs toonde op een modeshow voor aanstormend talent, is druk aan het werk in Moukagny’s atelier. ‘Mijn collectie is een eerbetoon aan iedereen die heeft bijgedragen aan de vooruitgang van cultuur,’ zegt Tsiba, terwijl een kleermaker in de kamer ernaast de laatste hand legt aan outfits die klaar zijn om te worden geshowd.

    Stijl in opkomst

    ‘Het is hier in Dakar allemaal net wat makkelijker,’ vertelt hij. ‘Er is geen tekort aan stoffen. Het stikt hier van de ontwerpers. Op modegebied zijn ze hier gewoon een stuk verder. Het is een omgeving die bij me past.’

    ‘De Senegalese – en West-Afrikaanse – stijl is in opkomst,’ zegt de Senegalese ontwerper Selly Raby Kane, die een capsulecollectie presenteerde met haar modeontwerpen van het afgelopen decennium. ‘Senegal kent een heel sterke cultuur van mode, textiel, borduurwerk, handborduurwerk… savoir faire,’ zegt ze. ‘Daar hechten we veel waarde aan. Nigeria heeft ook een sterke mode-industrie (…) Senegal wordt enigszins beïnvloed door Lagos, vooral op gebied van traditionele kleding. Er is dus een dialoog gaande in West-Afrika.’

    Het leeuwendeel van de Senegalese mode-industrie staat volledig los van de Dakar Fashion Week

    In zekere zin is Dakar zelf één grote modeshow. Anseme René Carvalho staat thee te drinken bij een lunchstalletje tegenover een moskee waar gelovigen naar binnen schuifelen. Hij draagt een mosterdgele kaftan die vrijwel tot aan zijn voeten reikt. Maar hij komt hier niet om te bidden. ‘Ik ben geen moslim,’ zegt Carvalho, die tot de kleine christelijke minderheid in het land behoort. ‘Maar op vrijdagen gaan we zo gekleed. Dit is ons traditionele tenue.’

    GettyImages 1245350550
    De 20e Fashion Week op het eiland Gorée, Dakar, Senegal. – © Fatma Esma Arslan / Anadolu Agency via Getty Images

    Het leeuwendeel van de Senegalese mode-industrie staat volledig los van de designwinkels of events zoals de Dakar Fashion Week. ‘Ik creëer met mijn hoofd,’ zegt Seck, die niets van de Fashion Week heeft meegekregen. Met een bbp per hoofd van de bevolking van rond de 1500 euro is een kaartje voor een modeshow à 50.000 CFA [76 euro] voor de meeste mensen ook niet weggelegd.

    Nieuwe outfit

    Marktverkoper Mamadieng Diallo vertelt dat hij om de drie maanden een nieuwe outfit aanschaft, feestdag of niet. ‘Als ik een mooie lap stof zie, koop ik hem en ga ik langs bij mijn kleermaker,’ zegt hij. ‘Als het even kan zelfs iedere twee maanden.’

    Mame Diary Diouf, die vlak bij Moukagny’s naaiatelier een werkplaats runt, noemt Dakar ‘een goudmijn’ voor kleermakers. ‘Klanten komen in alle soorten en maten,’ zegt ze. ‘We proberen elke maand nieuwe ontwerpen aan te bieden. Maar klanten kunnen ook hun eigen stof meebrengen.’ ‘Het borduurwerk wordt met de hand gedaan. Dat is onze stijl: tradi-modern,’ voegt ze eraan toe. ‘En die kan door iedereen worden gedragen.’

  • Sokken meest gekochte kledingstuk in VS tijdens pandemie

    Sokken meest gekochte kledingstuk in VS tijdens pandemie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Macron, Scholz en Draghi in Kyiv: aandringen op onderhandelen met Rusland

    » VS: experts keuren Pfizer en Moderna goed voor baby’s vanaf zes maanden

    Sokken verdringen T-shirts

    De belangrijkste kledingstukken die Amerikanen kochten tijdens de pandemie waren… sokken. Volgens marktonderzoekbureau NPD Group zijn sokken sinds twee jaar de belangrijkste kledingaankoop en hebben ze de aankoop van T-shirts verdrongen, aldus Quartz. In 2020 en 2021 was een op de vijf kledingitems die in de VS werden gekocht een paar sokken.

    De verkoop van slaapsokken groeide wel vier keer zo snel als die van sokken in het algemeen

    Sokken om mee te slapen vertegenwoordigen slechts 3 procent van de sokkenmarkt, maar de verkoop van slaapsokken groeide wel vier keer zo snel als die van sokken in het algemeen. Volgens de marketeers kwam dat doordat mensen tijdens de pandemie meer tijd doorbrachten in bed.

    Een verklaring voor de verkoopgroei ligt mogelijk ook in de explosieve groei van e-commerce: sokken zijn relatief goedkoop en worden gemakkelijk aan een bestelling toegevoegd als een klant nog maar een paar dollar verwijderd is van gratis verzending, aldus NPD.

    Lees ook:

  • Duurzame mode bestaat niet

    Duurzame mode bestaat niet

    Iedere consument zou moeten weten dat er 7500 liter nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek. En dat de kledingindustrie een van de vervuilendste industrieën ter wereld is. Niet de voetafdruk maar de prijs bepaalt nog altijd het dwangmatige koopgedrag van het winkelend publiek.

    Onderzoek wijst uit dat de kledingindustrie haar ecologische voetafdruk moet verkleinen. Een verplichting die een ingrijpende verandering vereist van de productie- en marketingmethodes van de branche, maar ook van ons consumptiegedrag.

    De cijfers over de CO2-afdruk van de mode-industrie zijn het gesprek van de dag op Instagram en TikTok. De sector is goed voor 10 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgas. Het is waarschijnlijk een van de vervuilendste industrieën ter wereld, na de energie- en de voedingsmiddelensector. Iedere consument zou moeten weten hoeveel water er nodig is voor de productie van zijn spijkerbroek: 7500 liter. De stranden van Ghana zijn vervuild door tonnen gebruikte kleding, terwijl de Atacama-woestijn in Chili een treurige reputatie geniet als gigantische dumpplaats van tweedehandskleding, het niet-gerecyclede overschot van de 59.000 ton aan kledingstukken die jaarlijks in de haven van Iquique arriveert. Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand. 

    Volgens een studie van de Verenigde Naties uit 2019 wordt er in de woestijn elke seconde een vuilniswagenlading textiel begraven of verbrand

    Het woord ‘duurzaam’ ligt tegenwoordig op ieders lippen. De Franse start-up Circle Sportswear, in 2019 opgericht door Romain Trébuil, maakt zijn kleding van ‘gerecyclede of recyclebare materialen’, waaronder lyocell, een stof die gemaakt is van cellulose. ‘Het milieu zo min mogelijk belasten, dat is de plicht van onze generatie,’ zegt Adrien Garcia, oprichter van de modesite Réuni die gespecialiseerd is in pre-orderverkoop. En om hun clientèle te behouden die haar consumptie steeds meer wil vergroenen, beginnen ook de grootste kledingfabrikanten en -distributeurs op het gebied van ‘fast fashion’ zich aan te passen.

    De Amerikaanse jeansfabrikant Levi’s heeft sinds april 2021 een nieuwe slogan: ‘Buy better, wear longer’. ‘Wereldwijd is de kledingconsumptie de afgelopen vijftien jaar verdubbeld. Dat kunnen we helpen veranderen door te mikken op betere kwaliteit,’ aldus de fabrikant van de 501 in een reclamespot. ‘We hebben het nu voor het eerst openlijk over duurzaamheid. Maar daar is onze bedrijfscultuur al meer dan dertig jaar op gericht,’ verzekert Diana Dimitian, adjunct-directeur van Levi’s Zuid-Europa. Het Spaanse Inditex, het grootste kledingbedrijf ter wereld, nodigt zijn klanten uit om hun oude kleding voor recycling in te leveren bij een van zijn acht ketens, waaronder Zara. Het Zweedse H&M, ook een grote speler op de fastfashionmarkt, heeft eveneens bakken neergezet die bestemd zijn voor recycling. Geef ons uw oude spijkerbroek in ruil voor een tegoedbon, aldus de distributeur van goedkope kleding.

    En alle grote merken verzekeren dat ze hun toevlucht zullen nemen tot minder vervuilende materialen. Inditex belooft vanaf 2023 in al zijn Zara-winkels alleen nog maar duurzame katoen aan te bieden en vanaf 2025 alleen nog linnen of gerecyclede polyester. H&M zal tussen nu en 2030 volledig overstappen op duurzame materialen. Het Duits-Nederlandse C&A gebruikt al meer dan tien jaar biokatoen, om ‘ons milieu, de katoenproducenten en hun leefomgeving te beschermen’. Het Japanse Fast Retailing belooft aanpassingen op het gebied van zijn beroemde gewatteerde Uniqlo-jacks; in 2020 heeft het merk een voor 100 procent gerecycled jack gelanceerd. Het moederbedrijf garandeert dat zijn CO2-uitstoot in 2050 zal zijn teruggebracht tot nul, en dat in 2030 de helft van de kleding deels van gerecyclede vezels zal worden gemaakt.

    Taboeonderwerp

    Het meest luxe en modieuze segment blijft niet achter. Het LIFE-programma van de Franse groep LVMH (Louis Vuitton Moët Hennessy) richt zich met name op de strijd tegen klimaatverandering en belooft een groter beroep te zullen doen op de kringloopeconomie, terwijl Kering (met onder andere Balenciaga, Brioni, Gucci en Yves Saint Laurent) zegt zich ‘vooral op de aanvoerketen te concentreren’, omdat ‘het behoud van de biodiversiteit en het verkleinen van onze ecologische voetafdruk beginnen bij het “sourcen” van grondstoffen’.

    Toch gaan er steeds meer stemmen op, onder meer van Maxine Bédat van de Amerikaanse denktank New Standard Institute, die zeggen dat dit allemaal niet genoeg is. ‘Omdat duurzame mode geen kwestie van grondstoffen is,’ verduidelijkt Guillaume Declair, medeoprichter van het Franse merk Loom. ‘De hele sector geeft hoog op van de kringloopeconomie en het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Maar als je ziet hoe weinig van alles wat er wordt verkocht gerecycled is, is kringloopmode geen oplossing. Er is een paradigmaverschuiving nodig, een andere manier van produceren,’ meent Elisabeth Laville, oprichter van het adviesbureau Utopies, dat bedrijven begeleidt bij de transitie naar een duurzame toekomst.

    Akkoord van Parijs

    Om zich te houden aan het Akkoord van Parijs van 2015, dat bepaalt dat de gemiddelde temperatuur van de planeet ten opzichte van het pre-industriële tijdperk met niet meer dan 2 graden mag stijgen, zou de kledingproductie tot 2050 met twee derde moeten worden teruggebracht. Maar welk merk is bereid om zijn productie en verkoop te verminderen? Om zich van zijn gematigde kant te laten zien? ‘De groei van het aantal verkochte producten blijft de norm,’ zegt Dimitri Caudrelier, algemeen directeur van adviesbureau Quantis; hij pleit ervoor ‘vraagtekens te zetten bij de businessmodellen van de industrie’. Volgens deze specialist op het gebied van de klimaatstrategie van bedrijven ‘is het onderwerp volume 
    nog altijd taboe in de bedrijfstak’.

    Dat blijkt wel uit het Fashion Pact dat in 2019 werd ondertekend op instigatie van de Franse president Emmanuel Macron, na de G7-top in Biarritz. Meer dan tweehonderd internationale merken zegden toe ‘hun gebruik van milieuvriendelijke materialen tot 2025 met 25 procent te verhogen, en hun gebruik van duurzame energie tot 2025 met 50 procent en tot 2025 met 100 procent’. De overige afspraken gaan over biodiversiteit en de bescherming van de oceanen ‘door beperking van de hoeveelheid plastic verpakkingsmateriaal’. Tot de ondertekenaars behoorde een aantal luxe merken, zoals Chanel, Saint Laurent en Gucci, maar ook merken voor een groter publiek, zoals Adidas, Decathlon, Mango en H&M.

    ‘Maar het Fashion Pact rept met geen woord van fast fashion,’ zegt Elisabeth Laville. ‘Die term komt niet eens in de tekst voor. Dit pact is hooguit een poging om de milieu-impact van fast fashion te beperken. Het lijkt wel of ze hun economische model willen bestendigen zonder er vraagtekens bij te zetten. Dat is ontoelaatbaar,’ zegt ze, verwijzend naar ‘de grote jongens die hun businessmodel niet willen loslaten, ook al is het achterhaald’. Oftewel de grootschalige productie in lage-lonenlanden en de permanente vernieuwing van hun winkelcollecties.

    Ook bij Quantis leeft ergernis. ‘Leidt het Fashion Pact tot een vermindering van de ecologische voetafdruk? Ja, dat is het voornaamste doel. Maar tot een volumeverlaging? Nee,’ zegt Dimitri Caudrelier geïrriteerd. Alma Dufour, woordvoerder van de Franse milieu- en mensenrechtenbeweging Amis de la Terre, noemt het Fashion Pact ‘de grootste grap van de sector. Wie kan geloven dat ze hun CO2-uitstoot zullen reduceren door het gebruik van meer biokatoen en meer ledlampen in hun winkels?’ 

    Prijs bepaalt

    Wat moet er dan gebeuren? De kleding-productie terugverhuizen naar Europa? ‘Door in Frankrijk te produceren in plaats van in China kunnen we de CO2-voetafdruk van de kledingindustrie halveren,’ stelt het Franse verbond van kledingproducenten. Op papier heeft ‘made in France’ alleen maar voordelen. Sommige Franse producenten hebben hun productie al terugverhuisd, in navolging van FashionCube, een groep kledingmerken van het Franse familiebedrijf Mulliez dat afgelopen februari een jeansfabriek heeft geopend in de buurt van de Noord-Franse stad Tourcoing.

    Maar veel Franse merken lopen tegen aanvoerproblemen op. ‘De nationale leveranciers van onze basismaterialen blijven in gebreke,’ zegt een vertegenwoordiger van een confectiebedrijf. Bovendien bieden niet alle sectoren van de kledingmarkt ruimte voor de extra kosten van productie in eigen land. Zo kosten de jeans van FashionCube in Tourcoing 60 euro, wat tweeënhalf keer zo duur is als de gemiddelde vrouwenjeans die in Frankrijk worden verkocht.

    Kunnen we nu zeggen dat de duurzame mode is aangepast aan de economische realiteit van de kledingmarkt? Want de keus van de consument wordt nog altijd bepaald door de prijs. Voor 41 procent van de Fransen is de prijs het eerste aankoopcriterium, terwijl maar 4 procent de voorkeur geeft aan het ecologische en ethische aspect. Tweedehandskleding, die vaak als een middel tegen milieukwalen wordt gezien, ontsnapt niet aan dit fenomeen: 70 procent van de Fransen koopt die om economische redenen.

    Dat is niet erg, volgens Elisabeth Laville, die voorspelt dat de prijs ‘geen obstakel zal zijn voor een duurzamer aankoopgedrag’. Als we haar mogen geloven, zou in de toekomst ‘om zowel economische als ecologische redenen’ kunnen worden gekozen voor een duurzamere modeconsumptie, zoals dat op vervoersgebied met autodelen gebeurt. Alles zou in dat geval afhangen van de mate waarin het consumptiegedrag kan worden aangepast.

    Overconsumptie

    Eenvoudig zal dat niet zijn. Want de goedkope mode heeft ons gedrag ingrijpend veranderd. De marketingmethodes van de fast fashion op sociale media zetten ertoe aan om te kopen zonder rekening te houden met je behoeften, dus tot overconsumptie. En de neurowetenschap heeft aangetoond hoezeer die methodes ons zelfbeeld strelen en onze dopamine, het hormoon van de onmiddellijke behoeftebevrediging, activeren. Onze hersenen ‘zijn een vijand van de planeet’, oppert neurowetenschapper Sébastien Bohler in zijn essay Le bug humain. 

    Er moet een remedie komen tegen ‘dwangmatig koopgedrag’, zegt Dimitri Caudrelier. En een manier om de consumenten te genezen van de boulimie die zich van hen meester kan maken wanneer ze de Primark binnenlopen, het Ierse merk dat ‘ongelooflijke mode voor ongelooflijke prijzen’ belooft, of wanneer ze op de Chinese site Shein klikken, het walhalla voor pubers.

    Diverse milieubewegingen beijveren zich ervoor de sector aan banden te leggen. Zo bepleit Greenpeace een verbod op reclame die schadelijk is voor het milieu ‘door het creëren van kunstmatige waarden, zoals het associëren van koop- en consumptiegedrag met zelfverwezenlijking en plezier’. Het collectief En Mode Climat, afkomstig uit de Franse kledingsector zelf, dringt ook aan op ‘bestraffing van strategieën die de consumptie sterk aanwakkeren’. Bijna vierhonderd Franse kledingbedrijven hebben zich aangesloten bij deze in 2021 opgerichte beweging, die ‘meer regulering’ eist en voorstelt de huidige Franse milieubijdrage van 6 cent per kledingstuk te verhogen tot 5 euro in 2025 voor de vervuilendste kledingmerken.

    Zijn dit allemaal zoete dromers in een gemondialiseerde sector? De Ellen MacArthur Foundation, opgericht door en vernoemd naar de voormalige Britse zeilster, pleit voor een andere weg, die van de persoonlijke kringloopeconomie: ze roept consumenten op te dragen wat ze in hun kast hebben hangen of liggen. Vaker en langer. 

  • Talk to the Hoodie

    Talk to the Hoodie

    De Amerikaanse sweater met capuchon is al langer het uniform van de tegencultuur. Maar verschijnt Mark Zuckerberg of Trayvon Martin erin, dan heeft de hoody weer een andere politieke zeggingskracht.

    Een doodgewone katoenen stof, soms met wat polyester erdoorheen, een eenvoudige snit met weinig naden, en eventueel als enig opvallend detail een buidelzak of ritssluiting. Er is weinig luxueus of protserigs aan de sweater met capuchon, ook wel hoody: het goedkope kledingstuk dat populair is bij alle seksen en maatschappelijke klassen.

    Op het eerste gezicht lijkt het een basic kledingstuk, dat nauwelijks opvalt omdat iedereen erin loopt. Maar aan het lijf van Mohamed Ali, Mark Zuckerberg of Trayvon Martin heeft de hoody opeens een complexe betekenis gekregen – zo niet een radicale politieke zeggingskracht.

    Sweatshirts werden in de jaren twintig en dertig aan de Amerikaanse oostkust gedragen door magazijnbedienden in de immense loodsen in New York, als bescherming tegen de bijtende kou in de winter. Eerst werden ze populair in de sportwereld: een sweater houdt je warm, is comfortabel en je kunt er vrij in bewegen.

    Later werd het sweatshirt algauw opgepikt door de Ivy League-universiteiten, bolwerken van de amateursport. Leden van hun prestigieuze roei- en footballteams gingen sweatshirts met ronde hals en later ook hoody’s dragen. Op deze sweatshirts werden in grote letters de namen van de universiteiten, teams of studentencorpsen gedrukt, zodat de drager zich ermee kon onderscheiden. De preppy look van de sportieve elitestudenten aan de Amerikaanse oostkust groeide uit tot een onvervalste Amerikaanse esthetiek, en zo bevond het van oorsprong proletarische sweatshirt zich ineens in 
betere kringen.

    Tegenwoordig loopt zowel de elitejeugd als de arbeidersklasse erin en daarmee is het sweatshirt als verbindend element in de Amerikaanse cultuur nu even belangrijk geworden als het volkslied. Mark Zuckerberg, die zich graag associeert met de ambitieuze, innovatieve startupondernemers van Silicon Valley en Wall Street-maatpakken van 15.000 dollar verafschuwt, heeft dat goed begrepen.

    Schoolhoofd Kenneth Crowley van de East High School in Denver, Colorado, poseert met zo'n 100 leerlingen in hoody's, ter nagedachtenis aan Trayvon Martin. – © Getty Images
    Schoolhoofd Kenneth Crowley van de East High School in Denver, Colorado, poseert met zo’n 100 leerlingen in hoody’s, ter nagedachtenis aan Trayvon Martin. – © Getty Images

    Tegelijkertijd heeft de hoody echter ook een ander maatschappelijk domein bereikt: dat van de grootsteedse tegencultuur. Eerst adopteerden de skaters aan de westkust het in de jaren zeventig als 
must-have, in de jaren tachtig volgden de graffitikunstenaars en rappers aan de oostkust.

    In deze subculturen wordt het kledingstuk vooral gewaardeerd omdat de drager er anoniem mee kan blijven. En uiteraard is ook de volkse, anti-elitaire connotatie ervan een pre. De hoody werd een signaal waarmee je kon laten zien dat je tot een subversieve subcultuur behoorde, en je kon er ook als dat nodig was je gezicht mee verbergen. Dat laatste was erg aantrekkelijk voor skaters die zich stiekem uitleefden in de lege zwembaden van de betere buurten van Californië, en voor graffitikunstenaars die ’s nachts in metroremises binnendrongen om treinen te 
verfraaien.

    Mettertijd, en dankzij de kracht van symboliek, 
groeide de hoody aan weerszijden van de Atlantische oceaan uit tot een embleem van de kansloze jeugd uit ‘kwetsbare’ buurten. En een maatschappelijk fenomeen: sinds 2007 is de hoody verboden in een winkelcentrum in het Engelse Kent, met als reden dat de drager ervan alleen maar slechte bedoelingen kan hebben.

    Universitair hoofddocent Frédéric Godart van de HEC in Parijs, specialist in de sociologie van de mode, vertelt dat de wens om anoniem te blijven een tweesnijdend zwaard kan worden. Nergens werd dat zo duidelijk als bij het tragische einde van de zwarte Amerikaanse tiener Trayvon Martin.

    De ongewapende 17-jarige werd op 26 februari 2012 in Sanford (Florida) gedood door George Zimmerman, op wie de jongen een verdachte indruk maakte louter en alleen omdat hij een zwarte hoody droeg. Godart: ‘Dat kan je niet los zien van de centrale plek die de hoody in de hiphopcultuur heeft. Je drukt ermee uit dat je je wilt afsluiten’, zowel van het geweld in de buurt als van de maatschappij die jou uitsluit.

    ‘Na de dood van Trayvon Martin groeide de hoody voor zwarte Amerikanen uit tot politiek symbool tegen het politiegeweld en de vooroordelen jegens mensen uit sommige bevolkingsgroepen, die automatisch als misdadig of gevaarlijk worden gezien’, zegt Godart. Van sociaal embleem, beschermend omhulsel en middel om anoniem te blijven, werd de hoody na Martins dood meer en meer een militant symbool van een bevolkingsgroep die niet alleen aan zijn lot werd overgelaten, maar ook tot doelwit werd bestempeld.

    Linkse activisten protesteren in Lille tegen de opening van de extreemrechtse privébar La Citadelle. – © Getty Images
    Linkse activisten protesteren in Lille tegen de opening van de extreemrechtse privébar La Citadelle. – © Getty Images

    Het is een van de eerste signalen die we naar anderen uitzenden. Onze kledingkeuzes lijken misschien triviaal, maar in werkelijkheid hebben ze veel betekenis. ‘Door een simpel T-shirt van een rockband aan te treken van niet meer dan twintig dollar, druk je al zo veel uit. Niet alleen geef je daarmee aan dat je deel uitmaakt van een bepaalde sociale klasse, van een culturele groep, maar je zegt ook welk soort mensen je leuk vindt, enzovoorts,’ vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia in de Verenigde Staten.

    Met elk van die signalen geef je, onbewust of niet, zonder woorden iets prijs over je identiteit. Denk maar aan het portret van Che Guevara dat zo vaak op T-shirts van tieners prijkt. Een kledingstuk kan ons op de sociale ladder situeren, maar ook een politiek statement zijn, zonder dat we eventuele slogans nu meteen in de praktijk willen brengen.

    Door de keuze voor een bepaalde stof, flanel, een snit, een sweater, of een merk, zoals Fred Perry, dat de laatste jaren een sterke politieke lading heeft gekregen, drukken we zo veel uit met onze stijl. Onze tweede huid is allesbehalve onschuldig.

    Het Zwarte Blok

    In het uniform van de militanten van het Zwarte Blok kreeg de capuchonsweater een nog radicalere ideologische betekenis. Het Zwarte Blok kwam in de jaren zeventig op in West-Duitsland. De naam staat voor een demonstratietactiek, waarbij groepen in het zwart geklede demonstranten met verhulde gezichten de confrontatie met de politie opzoeken.

    Beeldcultuuronderzoeker Maxime Boidy van de universiteit van Straatsburg vertelt hoe de hoody, nadat sportkleding ook in Europa een rage werd, in de 
uitrusting van het Zwarte Blok terechtkwam. Daar waren vooral praktische redenen voor. ‘De katoenen hoody is een stuk minder stevig dan de leren jasjes die de militanten hadden geadopteerd uit de punktraditie. Maar de capuchon beschermt de nek beter tegen klappen en bovendien biedt die bescherming tegen traangas en pepperspray.’

    Naast dit praktische en defensieve aspect speelt ook de symbolische lading mee: hij is zwart, de kleur van het Europese anarchisme. Onderzoeker Francis Dupuis-Déri van de universiteit van Montréal beschreef het Zwarte Blok ooit als ‘een reusachtige zwarte vlag van lichamen die bij demonstraties wordt uitgespreid’, maar Boidy benadrukt het verband tussen deze symbolische lading van kleding en politieke theorieën over zichtbaarheid.

    ‘De idee van anonimiteit gaat veel verder dan de simpele wens om de eigen identiteit niet prijs te geven’, zegt hij. ‘Ze weerspiegelt een veel algemenere, bijna filosofische opvatting van subjectiviteit, een wijdverspreide manier om dingen anders te zien.’ De massaal gedragen capuchonsweater geeft vorm aan die gedachte.
    De hoody is in de Amerikaanse cultuur even belangrijk geworden als het volkslied

    Boidy ziet dezelfde relatie tussen kledingstijl en 
politieke theorie in de manier waarop feministen 
en LGBT’ers anonimiteit gebruiken om hun punt te maken. ‘De stijl van het Zwarte Blok wordt meestal gezien als expliciet gewelddadig, een militair tenue als het ware. Maar door onder je kleding te verdwijnen en je gezicht te verhullen, verhul je ook je geslacht. Dan ben je niet meer herkenbaar als man 
of vrouw, omdat je een standaardsilhouet krijgt. Daarmee wijs je de identiteit af die de maatschappij je oplegt.’

    Een hoody, die tegenwoordig overigens ook wel wordt vervangen voor een zwarte K-Way [een sportief jack met rits], creëert zo een alternatief beeld van de samenleving door de individuen in die samenleving te onttrekken aan de codes van de heersende hokjes. Het is een even krachtige politieke boodschap als de naaktheid van de Femen-demonstranten, al gaat het in beide gevallen maar om een klein aantal, sterk geëngageerde personen.

    Hoewel, terwijl ik deze regels schrijf, zit tegenover mij aan tafel een jonge studente haar scheikundeopgaven te maken. Op haar pastelblauwe sweater met capuchon staat de waarschuwing: ‘Please don’t forget to wash your hands after killing your enemies’. (Denk eraan uw handen te wassen nadat u uw vijanden heeft gedood.) Zo groot is de macht van een trui die nog altijd uitersten in zich verenigt, van nonchalance en zeggingskracht tot onschuld en rebellie.

    Neo-nazi's, witte racisten en andere alt-rechtse groeperingen zijn in Charlottesville, Virginia, op weg naar het Emancipation Park voor de ‘Unite The Right’-rally, die later zou worden geannuleerd wegens rellen. – © Getty
    Neo-nazi’s, witte racisten en andere alt-rechtse groeperingen zijn in Charlottesville, Virginia, op weg naar het Emancipation Park voor de ‘Unite The Right’-rally, die later zou worden geannuleerd wegens rellen. – © Getty

    De nieuwe kleren van extreemrechts Polo’s en pantalons maken de nationalist

    Tijdens een besloten verkoop van kledingmerk Fred Perry in Parijs werd in juni 2013 de extreemlinkse actievoerder Clément Méric gedood. Er was ruzie ontstaan tussen twee rivaliserende groepen, skinheads en antifascisten, die beide hun look kwamen perfectioneren. Later werden twee van de drie betrokkenen bij een proces veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Uit dit proces kwam naar voren hoe absurd de trieste gebeurtenis was: Clément Méric zou nog in leven zijn geweest als twee groepen die in alles van elkaar verschillen behalve een voorkeur voor hetzelfde kledingmerk, niet allebei zo dolgraag een shirt van Fred Perry 
hadden willen kopen.

    Een Fred Perry-poloshirt met korte mouwen is een van de meest gewilde items in zowel de antifascistische als de extreemrechtse garderobe. ‘Als je teruggaat in de tijd zie je al dat Engelse mods [een culturele jongerenbeweging in Londen] in de jaren zestig veel prestige ontleenden aan het dragen van elitaire kleding, vooral tenniskleding van Fred Perry,’ legt universitair docent en onderzoeker Samuel Bouron van de universiteit Paris-Dauphine uit.

    ‘Uit die mod-cultuur kwam de skinheadbeweging voort, die eerst volstrekt apolitiek was. Later veranderde dat en splitste de beweging zich in twee kampen: de antifascistische redskins en de extreemrechtse boneheads. Hun politieke opvattingen zijn radicaal verschillend en je kunt ze niet over één kam scheren, maar voor beide groepen geldt dat ze zich door hun kleding willen laten gelden.’

    De extreemrechtse skins gaven het Fred Perry-poloshirt een speciale betekenis door er een nieuwe symboliek aan op te hangen, vertelt Cynthia Miller-Idriss, professor in de sociologie en specialist in extreemrechtse bewegingen van de American University in Washington. ‘Sommige modellen hebben op de kraag drie fijne lijntjes, zwart, rood en wit. Voor de skinheads stonden die voor een nazivlag. Ook aan het Fred Perry-logo, een laurierkroon op borsthoogte, gaven ze een andere interpretatie. De tekening en vorm deden hun denken aan een nazi-insigne.’

    ‘Hun uiterlijk past helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’

    De schare liefhebbers van het shirt heeft zich inmiddels vergroot en ook de Franse Identitaires [een Europese nationalistische beweging] hebben zich de Fred Perry-polo toegeëigend. ‘Zij hebben de extreemrechtse garderobe een update gegeven,’ zegt Samuel Bouron. ‘Ze hebben behouden wat ze elegant vonden, onder andere dit poloshirt, dat als bijkomend voordeel heeft dat het erg duur is. Maar omdat ze willen breken met alles wat aan de arbeidersklasse doet denken, hebben ze de bretels en de schoenen met de bolle neuzen van de skinheads weggedaan.

    Ook de haardracht is anders: in plaats van een kale kop hebben ze liever een modieus kapsel.’ De viriele reflex is echter nooit ver weg: de Identitaires houden ook zo van de Fred Perry-shirts omdat die meestal strakker zitten dan andere modellen en de mouw, die tot aan de biceps komt, de spierballen goed laat uitkomen.

    De Rudolf-spijkerbroek

    Aandacht voor kledingstijl trekt zich van landsgrenzen niets aan. Het nieuwe extreemrechts is zich, overal waar het voet aan de grond krijgt, scherp bewust van kledingcodes. In 2017 hielden veel demonstranten in Charlottesville zich strikt aan de instructies die ze van hun alt-rightleiders hadden ontvangen: toon vooral geen tatoeages en draag in plaats van een spijkerbroek liever een beige pantalon – een klassieker in de garderobe van de Amerikaanse familievader – met daarboven een wit overhemd of poloshirt. ‘Deze jongemannen waren allemaal ongeveer hetzelfde gekleed, wat erg verwarrend was. Hun uiterlijk paste helemaal niet bij wat je je bij witte racisten voorstelt’, vertelt Cynthia Miller-Idriss.

    De sociologe onderzocht ook de kleding van de opkomende extreemrechtse beweging in Duitsland. Deze groep houdt de kledingcodes veelal ambigu, om geen last te hebben van de strenge Duitse wetgeving tegen neonazistische symbolen. In haar boek The Extreme Gone Mainstream vertelt Miller-Idriss bijvoorbeeld dat sommige kledingmerken T-shirts verkopen met het woord ‘swastika’ erop, maar dan zonder klinkers. Iedereen begrijpt wat er bedoeld wordt, maar 
wettelijk is het gewoon toegestaan.

    Op deze nichemarkt zijn allerlei kledingmerken actief, met namen als Thor 
Steinar, Ansgar Aryan en Phalanx Europa. Thor Steinar bracht de Rudolf-spijkerbroek op de markt, als ode aan de bekende nazi Rudolf Hess. Met deze – verder doodgewone – spijkerbroek kan 
de drager deel uitmaken van een, in zijn ogen, roemruchte geschiedenis. Phalanx Europa verkoopt T-shirts met obscure slogans, zoals ‘Versterk de grenzen, hijs de vlag, de vloedgolf komt’.

    ‘Op de website van het merk staat wat dit betekent: de vloedgolf zijn de migranten, en daar moeten we ons op voorbereiden,’ zegt Miller-Idriss. ‘Phalanx Europa probeert deze boodschap voor het grote publiek te verhullen, maar haar voor ingewijden volkomen helder te maken.’ En zo weeft zich een geheime genootschap in katoen, klaar om gewelddadige instincten en kuddegedrag aan te wakkeren.
    De hoody heeft ook de grootsteedse tegencultuur bereikt. – © Pexels
    De hoody heeft ook de grootsteedse tegencultuur bereikt. – © Pexels

    Hoe flanel weer hip werd

    Rond de eeuwwisseling werden twee types populair. Ze vertegenwoordigden een liberale utopie en de hoop dat klassentegenstellingen voortaan tot het verleden zouden gaan behoren. [Het ene werd bobo genoemd, een samentrekking van bourgeois en bohemian; het andere was de hipster.] Ze woonden in volkswijken, en adopteerden ook de kledingstijl van de arbeidersklasse.

    Zelf behoorden ze tot de ‘creatieve’ middenklasse. Ze presenteerden zichzelf als de bemiddelaars tussen de hogere en lagere klassen van de maatschappij. Hun project had zijn eigen esthetiek, waarin één stofje het bijzonder goed deed: flanel. ‘Voor de bobo staat ruwheid voor authenticiteit en deugd’, en daarom ‘draagt hij overhemden van flanel en niet van zijde’, legt de conservatieve columnist David Brooks van de New York Times uit in het boek Bobos in Paradise (2000), waarin hij de term bobo introduceerde. Hipsters, die iets later opkwamen, deelden met bobo’s deze voorkeur voor flanel. Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn.

    Flanel is sindsdien hip. In een beetje garderobe mag een ruitjeshemd tegenwoordig niet ontbreken. [Met bijbehorend snobisme.] Het online merk voor duurzame kleding Asphalte gaat bijvoorbeeld prat op de superieure kwaliteit van het flanel dat het voor zijn hemden gebruikt. Het flanel is gemaakt in Oostenrijk en ‘houdt de pure traditie van geweven wol in ere’, staat vol trots vermeld op de website.

    Deze hippe hang naar nostalgie past goed in een bredere tendens die sinds een jaar of tien in de mannenmode zichtbaar is. ‘De nieuwe kledingstijl voor mannen grijpt terug op ambacht. Kledingmerken leggen consumenten omstandig uit hoe elk element van het kledingstuk zorgvuldig geselecteerd is. Zo kan de klant met zijn kleding uitdrukken dat hij deel uitmaakt van een selecte groep die kwaliteit weet te waarderen.

    Tegelijkertijd schuilt er een subtiele 
kritiek in op de huidige tijd: de moderne man heeft liever een goed jasje dat niet snel uit de mode raakt dan eentje van een snit en stof die hij een seizoen later al niet meer kan dragen’, vertelt Monica Sklar, professor modegeschiedenis aan de universiteit van Georgia.

    Tweed in de ban

    Tegenover deze herwaardering van flanel staat de verguizing van tweed. Franse katholieken die strijden voor bescherming van de seksuele moraal willen ervan af. Dat lieten ze al zien in hun demonstraties tegen geregistreerd partnerschap in 1999, in hun strijd tegen het homohuwelijk, in hun steun voor de kandidatuur van Christine Boutin voor de presidentsverkiezingen van 2002 en in de Life Parade van 2005.

    In 2013 gaf Frigide Barjot, een van de organisatoren van Manif pour Tous [de Franse katholieke progezinsbeweging die in 2012 spontaan ontstond in reactie op het voornemen van de Franse regering om het homohuwelijk in te voeren], zelfs strikte richtlijnen: geen tweed, geen ribfluwelen broeken, geen diademen, maar leer, jeans en push-upbeha’s. En vooral T-shirts in vrolijke kleuren.

    ‘Zelfs kleren als Barbour-waxjassen waren verboden. Niet zozeer omdat die voor conservatisme staan, maar omdat 
ze het moeilijk maken om de juiste boodschap te verkondigen door het stigma dat ze hebben gekregen’. vertelt Yann Raison du Cleuziou van de universiteit van Grenoble, die onderzoek doet naar de geschiedenis van het militante katholicisme.
    Zonder ruitjeshemd van deze stof zou hun mondaine houthakkerslook met keurig geknipte baard niet compleet zijn

    De organisatoren van Manif pour Tous deden hun uiterste best om een dresscode te verzinnen die niet stond voor het cliché van het provinciale katholieke gezin, dat graag zeilt en jaagt en daarom parka’s en andere outdoorkleding draagt. ‘Hun kledingcodes zijn op zich niet religieus, maar omdat het antiabortusactivisme in dat milieu sterk vertegenwoordigd is, associeer je die manier van kleden natuurlijk snel met katholicisme.

    Daarom kozen de organisatoren er juist voor om duidelijk te laten zien dat het doel waarvoor werd gestreden een zaak van iedereen was. Specifieke of onderscheidende kledingcodes dienden daarom te worden vermeden, om te laten zien dat 
de demonstranten uit alle gelederen van de samenleving kwamen,’ vertelt de politicoloog.

    Deze strategie heeft boven verwachting goed gewerkt. Een beetje te goed misschien. Tegenwoordig herkennen veel katholieke jongeren zich niet meer in de traditionele look. Eugénie Bastié, journalist voor Le Figaro en medeoprichter en hoofdredacteur van kwartaalblad Limite, dat wordt gezien als het tijdschrift voor ultraconservatieve katholieke jongeren, draagt een leren bikerjack. En dat is geen strategische keuze.

    Auteurs, resp.: Marion Dupont, Marc-Olivier Bherer

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan zijn naam (‘De Wereld’) onderhoudt Le Monde een groot netwerk van correspondenten.

  • Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Rwanda heeft genoeg van afdankertjes

    Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.

    Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?

    Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.

    Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.

    De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt

    De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.

    Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.

    De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.

    ‘Made in Rwanda’

    President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.

    Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.

    De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.

    Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.

    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images
    Rwandezen zoeken tweedehandskleding uit op een markt in de hoofdstad Kigali. – © Getty Images

    De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.

    Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’

    ‘Banenverlies in VS’

    De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.

    Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.

    Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.

    Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.

    ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’

    Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.

    Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’

    Auteurs: Max Bearak en David J. Lynch
    Vertaler: Tineke Funhoff

  • Alleen nog tiptop achter het stuur

    Alleen nog tiptop achter het stuur

    Taxichauffeurs in Barcelona moeten zich aan nieuwe kledingvoorschriften houden. Hemdjes, korte broeken en slippers zijn verleden tijd.

    Het Institut Metropolità del Taxi (Imet) scherpt de kledingvoorschriften van taxichauffeurs in Barcelona aan. Binnenkort mag deze beroepsgroep geen hemdje, trainingspak, sportkleding, korte broek of bermuda meer dragen tijdens het werk. Ook slippers zijn verboden. De taxichauffeurs zelf zijn wel te spreken over het plan. Op taxistandplaatsen aan de Plaza de Cataluña en de Plaza de Francesc Macià zeggen de chauffeurs dat het gros van hun collega’s netjes gekleed, gaat maar dat een enkeling zich slecht verzorgt, vooral in de zomer, als de hitte toeslaat.

    ‘En mogen de vrouwen ook geen hemdjes met spaghettibandjes meer dragen?’ vraagt een taxichauffeur zich af. ‘De nieuwe voorschriften zeggen niets over rokken, mogen wij mannen een rok dragen? Ik scheer mijn benen wel, als het moet,’ grapt een ander. ‘En hoofddoeken en haarbanden?’ wil nummer drie weten, ‘daar staat niets over in de nieuwe voorschriften.’

    ‘Genoeg grappen gemaakt, jongens,’ onderbreekt een taxichauffeur zijn collega’s. ‘Dit is een serieuze zaak. De chauffeurs van Cabify moeten verplicht een pak met stropdas dragen, en ook de Uberchauffeurs zien er tiptop uit. Dat soort details zijn belangrijk. Collega’s met blote armen achter het stuur moeten we niet willen. Dan worden we weggeconcurreerd.’

    Het is verboden om tijdens de dienst een T-shirt of een korte (sport)broek te dragen of schoenen aan te hebben die tijdens het rijden gevaar kunnen opleveren

    María Teresa Carillo, manager bij Imet, legt uit dat de raad van bestuur tijdens zijn laatste vergadering een aanpassing van artikel 42 van het taxireglement heeft aangenomen, omdat de huidige regels te veel aan de interpretatie van de inspecteur van dienst overlieten. De oude voorschriften dateren van vijftien jaar geleden en zijn vrij algemeen geformuleerd: taxichauffeurs dienen zich te kleden conform de huidige sociale standaarden, hun kleding mag niet stinken of vies zijn. Het is verboden om tijdens de dienst een T-shirt of een korte (sport)broek te dragen of schoenen aan te hebben die tijdens het rijden gevaar kunnen opleveren.

    Alberto Álvarez, woordvoerder van Élite Taxi, de belangrijkste brancheorganisatie, juicht het initiatief van Imet eveneens toe. ‘De branche is wakker aan het worden. Er zijn steeds meer bedrijven die ook oog hebben voor dit soort details. Lastig alleen is dat Imet maar vier inspecteurs in dienst heeft, die overigens uitstekend werk leveren, maar hun kwaliteitseisen nauwelijks kunnen waarborgen.’ Imet laat weten dat hun inspecteurs vorig jaar 550 waarschuwingen hebben uitgedeeld aan taxichauffeurs die er slonzig uitzagen. Vijf van hen kregen een boete die tussen de 60 en 250 euro lag. Imet is niet van plan de boetes te verhogen met de invoering van nieuwe taxiregels.

    ‘Ons doel is het kwaliteitsimago van onze taxi’s te benadrukken,’ zegt Imet-manager Carrillo. ‘Deze taxiregels zijn duidelijker en kunnen efficiënter worden toegepast. Zo kunnen vrouwen en werknemers met een andere culturele achtergrond makkelijker toetreden tot de taxibranche.’ Mesa Técnica del Taxi, de organisatie waarin alle taxichauffeurs worden vertegenwoordigd, is het eens met de maatregel. ‘We gaan continu inspecteren en zullen nauwlettend in de gaten houden of deze regels worden nageleefd.’

    Zomerpolo’s

    De wereld van de taxidiensten is aan het veranderen. Taxi Ecològic, Radio Taxi Sant Cugat, Taximés: er zijn steeds meer taxibedrijven die zich willen onderscheiden. ‘Wij dragen sinds vijf maanden onze eigen T-shirts,’ zegt Pedro Barrera van Taxi Ecològic, ‘en over een paar maanden introduceren we onze zomerpolo’s. Er hebben zich al meer dan driehonderd taxichauffeurs bij ons aangesloten. Iedereen draagt nette schoenen en een bandplooibroek in gedekte kleuren. En al onze auto’s zijn hybride of elektrisch. We willen een merk zijn. Daarom hebben we een eigen autoparfum. Wij willen dat onze klanten in onze taxi’s de Middellandse Zee ruiken.’ Om deze reden liet men een exclusieve bedrijfsgeur ontwikkelen. Die heeft het bedrijf vijf maanden geleden geïntroduceerd.

    Auteur: Luis Benvenuty
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    Beeld: Taxichauffeurs in Barcelona protesteren in 2014 tegen Uber. – © David Ramos / Getty Images

    La Vanguardia
    Spanje | dagblad | oplage 196.824

    Sinds 1881 in handen van de familie Godó. ‘De Voorhoede’ is de vierde krant van Spanje, maar met Barcelona als thuishaven de nummer één van Catalonië.