Kernfusie zou binnen enkele decennia kunnen uitgroeien tot een onuitputtelijke bron van schone energie. Maar de veelbelovendste projecten voor deze nieuwe manier van kernenergie opwekken lijken allemaal naar de Verenigde Staten te trekken.
De resultaten die het Amerikaanse Lawrence Livermore National Laboratory (LLNL) boekt met kernfusie hebben ook Europa opgeschrikt. De doorbraak in de VS houdt namelijk evengoed een boodschap in voor ons: we kunnen ons beter richten op experimenteren en participeren dan op verbieden en stopzetten. Zodat de ‘toekomst van energie’ ook made in EU zal zijn.
Het criterium is de dynamiek in de VS. Daar is kernfusie een zaak voor het allerhoogste niveau. President Joe Biden zette de technologie in maart van dit jaar centraal op een topbijeenkomst van onderzoekers, ondernemers, ambtenaren en politici in het Witte Huis. Zijn regering deelt de waarneming van veel wetenschappers en zakenlieden dat kernfusie na tientallen jaren weleens vlak voor een doorbraak zou kunnen staan.
‘Wanneer de geschiedenisboeken over de fusietechnologie eenmaal geschreven zijn, zullen de achter ons liggende twaalf maanden worden gezien als een keerpunt waarop duidelijk werd dat de fusietechnologie zich uit de laboratoria naar de markt gaat bewegen’, schrijft de Fusion Industry Association in haar in juli verschenen jaarverslag 2022.
Zonnevuur
Anders dan bij kernsplitsing draait het bij kernfusie om het samensmelten van atoomkernen van een stof tot de kern van een andere stof. Uit waterstof wordt helium gemaakt. Een proces dat in de natuur op deze wijze alleen in sterren zoals de zon voorkomt. Daarom wordt bij kernfusie ook wel van zonnevuur gesproken. Deze vorm van kernenergie geldt als schoon, klimaatneutraal en vrijwel onuitputtelijk.
‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd’
En dus hebben de VS grote plannen: binnen de komende tien jaar moeten in het hele land diverse fusiepilotcentrales met uiteenlopende grootte en technologie van de grond komen. De voortekenen zijn gunstig. Enerzijds maakt de wetenschap grote vorderingen en pompt de regering veel geld in onderzoek. Zo accordeerde het Congres onlangs een programma van 713 miljoen dollar voor onderzoek en bouw, waarvan 50 miljoen voor public-privatepartnership. De klimaatmaatregelen uit de Inflation Reduction Act voegen daar nog eens een geldstroom van honderden miljoenen voor fusieprojecten aan toe. Anderzijds zijn de VS ook het land van de vrije markt – en die zet er vaart achter. De Duitse hoogleraar natuurkunde, laseronderzoeker en oprichter van de Duits-Amerikaanse fusiestart-up Focused Energy Markus Roth zegt: ‘Het publieke onderzoek heeft veel tijd en weinig geld, de industrie veel geld maar weinig tijd.’ Bij het omzetten van de resultaten van fundamenteel onderzoek in praktische toepassingen staan de Amerikanen met hun pragmatische aanzet ook in het geval van kernfusie aan de top.
Van de drieëndertig bedrijven wereldwijd die werken aan de ontwikkeling van bruikbare kernfusietechnologieën zijn er eenentwintig gevestigd in de VS. Technologiemiljardairs met ook maar een beetje gevoel van eigenwaarde permitteren zich investeringen in een kernfusiestart-up. Of het nu om Jeff Bezos gaat, Bill Gates, Peter Thiel, John Doerr, George Soros, Dustin Moskovitz (Facebook) of Reid Hoffman (LinkedIn) – ze doen allemaal mee. Over de hele wereld hebben kernfusie-ondernemingen dit jaar 4,74 miljard dollar aan kapitaal van private investeerders aangetrokken. De grootste onder hen kunnen terugvallen op comfortabele kapitaalreserves. Commonwealth Fusion, dat in 2018 als spin-off van het Massachusetts Institute of Technology ontstond, wist dankzij Gates, Doerr en Salesforce-oprichter Marc Benioff ruim 2 miljard dollar binnen te halen. Het door Thiel en Moskovitz gesteunde Helion verzekerde zich van 2,2 miljard dollar.
Tegenvallers
In de zomer leverde behalve Google en Chevron ook het Japanse Sumitomo Corp een bijdrage aan de financiering van de Amerikaanse start-up TAE Technologies. Het wil op industriële schaal fusiereactoren fabriceren en die vanaf 2030 aansluiten op de elektriciteitsvoorziening. Google is al sinds 2014 bij het bedrijf betrokken en voorziet het van computertechnologie en kunstmatige-intelligentiesystemen.
En in Europa? Wie zijn oor te luisteren legt stuit allereerst op het mammoetproject ITER in Zuid-Frankrijk. De oorsprong ervan gaat terug tot de tijd van de Koude Oorlog. Een gigantisch project dat zich echter al lange tijd voortsleept. Nog altijd zijn Europeanen, Amerikanen, Russen en Chinezen betrokken bij de bouw van de testreactor. Anders dan het project aan het Lawrence Livermore werkt ITER niet op basis van laser- maar van magneettechnologie. Een tot 100 miljoen graden Celsius verhit plasma wordt door magneten vrij zwevend in de lucht gehouden om via een complex procedé waterstof samen te smelten tot helium. Bij ITER is telkens weer sprake van tegenvallers. Ook liepen de kosten geregeld uit de hand. De reactor is sinds 2007 in aanbouw en moet halverwege dit decennium klaar zijn, in het komende decennium een kernfusie tot stand brengen en vanaf 2050 in serie kunnen worden geproduceerd.
‘Revolutionair’ en ‘bemoedigend’ noemt ITER de resultaten uit de VS. Maar qua commerciële toepasbaarheid ziet men daar nog altijd meer in de eigen opzet. Andere projecten, ook in Europa, beloven sneller te leveren dan ITER. Naast de eveneens op magneettechnologie gebaseerde en met publiek geld gefinancierde projecten Jet in Engeland, Wendelstein 7-X en Asdex in Duitsland spelen met Marvel Fusion en Focused Energy ook twee Duitse start-ups een vooraanstaande rol op het wereldwijde fusietoneel.
Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen
Zij maken gebruik van de laseropzet en zitten met hun methodiek dicht bij wat de Amerikanen bij het LLNL doen. ‘Dat is een fantastisch resultaat,’ zegt Markus Roth, hoogleraar natuurkunde aan de TU Darmstadt en oprichter van Focused Energy. ‘Het laat zien dat we op de goede weg zijn.’ Roth werkte enkele jaren bij het Lawrence Livermore en trekt voor zijn start-up nu een hele reeks toponderzoekers aan, onder wie twee wetenschappers van het LLNL.
Zijn team werkt momenteel aan de ontwikkeling van een klein proef- en een wat groter teststation. De standplaats van het proefstation wordt Texas, terwijl het teststation mogelijk in Darmstadt komt. Wel heeft Washington al duidelijk zijn interesse in dit tweede station laten blijken en nodigde het deze zomer vertegenwoordigers van de start-up uit in het Witte Huis. Aan het eind van dit decennium wil het team van Roth beide stations operationeel hebben. De kosten daarvan kunnen al met al oplopen tot meer dan 2 miljard euro.
Ook het Münchense Marvel Fusion sluit niet uit een geplande demonstrator in de VS te bouwen. Sinds de oprichting hebben de Münchenaren tot nog toe 65 miljoen euro bijeengebracht – volledig privaat kapitaal, zoals directeur ir. Heike Freund benadrukt. Zij hoopt voor operationalisering nu ook op politieke rugwind uit Europa, waar de publieke investeringen zich tot nog toe vooral concentreerden op ITER, met bouwkosten die tot 45 procent worden betaald door de EU. De start-up werkt samen met concerns als Trumpf, Siemens Energy en Thalens. Om binnen een termijn van ongeveer tien jaar fusiereactoren in serie te kunnen fabriceren, moeten er nog heel wat stappen worden gedaan.
Verwijzend naar het Roemeense Magurele (waar momenteel een sterke laserinstallatie van de grond komt) en de gigantische behoefte aan schone en betrouwbare energie geloven ze zowel bij Marvel Fusion als bij Focused Energy in Europa’s potentieel. ‘Het zal er niet vandaag of morgen zijn, maar als wij nu niet investeren, zal het er over tien jaar ook niet zijn,’ aldus Freund.
Wanneer het vroeger over ‘klimaatoorlog’ ging, doelde men vooral op de ecologische consequenties van klimaatverandering. Nu heeft de term er een geopolitieke dimensie bij gekregen.
Toen ik in 2015 klimaatverandering begon te verslaan, had het begrip ‘klimaatoorlog’ nog maar één betekenis. Als iemand toen zei dat klimaatverandering de wereldorde in gevaar bracht, dacht men hierbij aan de directe gevolgen van opwarming en de indirecte gevolgen die daaruit voortkwamen. Wetenschappers waren bang dat ongekende droogte en overstromingen steden zouden verwoesten en massale migratie zouden veroorzaken, waardoor economische verhoudingen zouden kantelen of extreemrechts nationalisme zou ontstaan. Of ze maakten zich zorgen dat wereldwijde hongersnood voor torenhoge voedselprijzen zou zorgen en ouderwetse grondstoffenoorlogen zou ontketenen. Afgaand op inzichten uit de sociale wetenschappen vreesden ze ook dat weerschommelingen tot revoluties en burgeroorlogen zouden leiden.
De wereld van 2015 is niet meer dezelfde als die van 2022. Landen boekten sindsdien aanzienlijke vooruitgang op het gebied van klimaatbehoud, waardoor ze tot nu toe de ergste scenario’s konden voorkomen. Canada begon CO2-vervuiling te belasten, Europa sloot de zogenaamde Green Deal en de Verenigde Staten konden wonderlijk genoeg de Inflation Reduction Act aannemen. Sterker nog, politieke leiders gingen bij verkiezingen op dit beleid inzetten – en wonnen. Dankzij een wereldwijde afkeer van steenkool. Ooit leek het mogelijk dat de wereld tegen het einde van de eeuw vier of vijf graden warmer zou worden, maar door een groeiende, wereldwijde afkeer van steenkool zal dat waarschijnlijk niet gebeuren.
Dat we de afgelopen zeven jaar succes boekten, drong vorige maand tot me door toen ik een mededeling van de Duitse overheid zag. In de boodschap werd decarbonisatie op één lijn geplaatst met de klassieke drie-eenheid van de Verlichting: ‘Demokratie, Vielfalt & Klimaschutz. Du Bist Europa.’ Ofwel: ‘Democratie, diversiteit en klimaatbescherming. U bent Europa.’ Wat een overwinning. Maar wat een ingewikkelde overwinning. Sinds 2015 is de kans op een klimaatoorlog niet geheel verdwenen. In plaats daarvan kregen de politieke risico’s een ander karakter. Steeds meer landen hebben de energietransitie in hun economie geïncorporeerd, maar het zou kunnen dat dergelijke inspanningen een politiek conflict in de hand werken.
Dubbele functie
Laat het duidelijk zijn dat die verschuiving niet doelbewust werd gecreëerd, maar het resultaat is van een ontwikkeling die klimaatactivisten al vroeg voorspelden: accu’s, hernieuwbare energiebronnen en koolstofvrije energie kwamen bovenaan de technologische ladder te staan. Milieufanaten nemen enthousiast waar dat Oekraïners e-bikes en elektrische drones inzetten voor verkenningen en de aanval op Russische tanks. Maar hierdoor wordt des te meer duidelijk dat dergelijke innovaties een dubbele functie hebben – ze kunnen zowel in een maatschappelijke als in een militaire context worden ingezet. Voor landen die voor hun veiligheid moeten vechten, zijn ze dus onmisbaar.
Dat er over dergelijke technologieën met een dubbele functie conflicten kunnen ontstaan, spreekt voor zich. In de Chinees-Amerikaanse handelsstrijd staan zulke conflicten al centraal. Vorige maand stemde de regering-Biden in met een verbod op de verkoop aan China van alle moderne apparatuur voor de fabricage van halfgeleiders. Ook werd ‘Amerikaanse personen’ – een groep waartoe Amerikaanse burgers en mensen met een Amerikaanse verblijfsvergunning behoren – verboden in de Chinese halfgeleiderindustrie te werken. Zoals Eric Levitz in New York Magazineschrijft, komt het beleid neer op een economische vorm van oorlogvoering: ‘het is nu officieel Amerikaans beleid om te voorkomen dat China zijn ontwikkelingsdoelen bereikt’.
Voor de overgang naar elektriciteit zijn halfgeleiders bijna geheel onmisbaar
Die logica is gevaarlijk, want halfgeleiders zijn van essentieel belang voor decarbonisatie. Voor de overgang naar elektriciteit zijn halfgeleiders bijna geheel onmisbaar. Computerchips regelen bijna elk onderdeel van het energiegebruik en de energieopslag van elektrische auto’s, scooters, boilers, inductiefornuizen en meer. Kleine verbeteringen aanbrengen in de computerchips en software van auto-accu’s geeft fabrikanten van elektrische voertuigen een belangrijke voorsprong op hun concurrenten. Nu is het type halfgeleiders waarop Bidens beleid van invloed is, veel geavanceerder dan het goedkopere type dat nodig is voor decarbonisatie. Maar wie de ontwikkeling van een ander land tegenwerkt, kan van een economisch meningsverschil in een militair meningsverschil terechtkomen – zoveel is duidelijk.
Wat die dynamiek nog ingewikkelder maakt, is dat de VS en China klimaatbeleid inzetten als middel in hun diplomatieke concurrentie. President Xi Jinping deed misschien wel de belangrijkste internationale klimaatbelofte van de afgelopen jaren toen hij verklaarde dat China ernaar streeft om in 2060 klimaatneutraal te zijn. Omdat hij deze doelstelling minder dan twee maanden vóór de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020 aankondigde, werd die opgevat als een scherpe boodschap voor en zelfs berisping van de Verenigde Staten en de regering onder Trump. ‘Het laat zien dat Xi de klimaatagenda wil gebruiken voor geopolitieke doeleinden,’ verklaarde Greenpeace-analist Li Shuo destijds in een interview met The New York Times.
Maar concurrentie hielp het Amerikaanse beleid ook vooruit. De Inflation Reduction Act werd deels aangenomen omdat Amerikaanse wetgevers de clean-techindustrie niet willen overlaten aan China. Dat heeft ertoe geleid dat de Verenigde Staten op het punt staan de binnenlandse productie van zonnepanelen massaal te subsidiëren. Het zou kunnen dat we in de VS over tien jaar een overschot aan goedkope zonnepanelen hebben. En hoewel dat economisch gezien enorm nadelig zou zijn, is het waarschijnlijk goed voor het klimaat. Als Amerika er dankzij geopolitieke rivaliteit voor kiest zonne-industrie te subsidiëren, kan concurrentie eerder bevorderlijk dan belemmerend zijn voor het klimaat. Een wereldwijde toename van goedkope zonne-energie geeft niet alleen een impuls aan decarbonisatie maar zet bedrijven er ook toe aan om zonnepanelen op nieuwe, creatievere manieren in te zetten.
Taiwan
Waarschijnlijk is de enige factor die een volwaardige oorlog tussen China en de Verenigde Staten kan ontketenen nog altijd Taiwan. Toch moeten we blijven beseffen dat een handelsconflict de internationale betrekkingen kan verslechteren en landen in de richting van ‘zero-sum‘-denken kan duwen. Zelfs wanneer zo’n conflict voortkomt uit de oprechte wens van politici om een binnenlandse industrie voor schone technologie op te zetten. En laat duidelijk zijn dat het grootste risico op door klimaatbeleid aangewakkerd geweld niet in de VS of China of Europa ligt. The Wall Street Journalberichtte onlangs dat er in de afgelopen maand in de Democratische Republiek Congo door rebellen zwaarder is gevochten dan in de voorgaande tien jaar, omdat groepen die door Rwanda zouden worden gesteund, aanspraak proberen te maken op Congolese delfstoffen. Congo produceert twee derde van het kobalt in de wereld en beschikt over de grootste voorraad aan tantalum, een metaalelement dat wordt gebruikt in condensatoren.
Decarbonisatie staat nu centraal in de toekomstvisie van de VS, China en Europa
Tegelijkertijd is ook de klassieke opvatting van een klimaatoorlog de wereld nog niet uit. Het afgelopen jaar is gebleken hoezeer de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme droogte, de prijs van belangrijke grondstoffen kunnen opschroeven. Dat zorgt in de rijke delen van de wereld voor inflatie en elders voor voedseltekorten. Conventionele energiebronnen, zoals fossiele brandstoffen, lokken veel eerder een dergelijk conflict uit dan hernieuwbare energiebronnen of klimaattechnologie, vertelt Dan Wang, technologie-analist bij het in China gevestigde economische onderzoeksbureau Gavekal Dragonomics. China blijft afhankelijk van olie en aardgas uit het buitenland, en de VS is een steeds grotere exporteur van aardgas naar China aan het worden. Als de VS die export zou stopzetten – net zoals ze de olie-export naar Japan in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog beëindigden – zouden de kans op en het risico van een groter conflict toenemen.
Jarenlang hebben klimaatactivisten betoogd dat milieuoverwegingen een centrale plaats verdienden in de economische en sociale beleidsvorming. Het klimaat is alles, zeiden ze. Tot op zekere hoogte hebben ze gelijk gekregen: decarbonisatie staat nu centraal in de toekomstvisie van de VS, China en Europa. Klimaatactivisten hebben een plaats veroverd aan de tafel waar de belangrijkste vraagstukken van de staat en samenleving worden opgelost. Wat een vooruitgang heeft de wereld geboekt, maar wat een lange weg hebben we nog te gaan.
De Amerikaanse journalist David Wallace-Wells boezemde in 2017 angst in met zijn boek De onbewoonbare aarde. Nu schrijft hij met iets meer optimisme. De voorspellingen over de opwarming van de aarde van een aantal jaar geleden vallen minder apocalyptisch uit dan gedacht. Wat betekent dat voor onze toekomst?
Je kunt nooit echt in de toekomst kijken, je kunt er alleen over fantaseren en vervolgens proberen de nieuwe wereld te begrijpen zodra die zich aandient. Een paar jaar geleden klonken de klimaatvoorspellingen voor deze eeuw nog vrij apocalyptisch. De meeste wetenschappers waarschuwden voor een opwarming van de aarde met vier of vijf graden als de wereld op de oude voet doorging. Dat zou zo ingrijpend zijn dat er niet alleen voedselcrises, toenemende hittestress en economische en andere conflicten tussen staten werden voorspeld, maar dat we volgens sommigen afstevenden op de totale ondergang van de beschaving, einde oefening voor de mensheid. (Misschien hebt u hier zelf al eens nachtmerries over gehad of er voortekenen van ontwaard in uw nieuwsfeed.)
Nu de aarde inmiddels al 1,2 graden is opgewarmd, schatten wetenschappers dat de opwarming deze eeuw waarschijnlijk op ergens tussen de twee en drie graden zal uitkomen. (Een schatting die wordt bevestigd in een VN-rapport dat eind oktober werd uitgebracht in de aanloop naar de klimaattop COP27 in het Egyptische Sharm-el-Sheikh.) Met wat meer gezamenlijke daadkracht kan het nog iets lager uitvallen, en met wat pech en minder daadkracht ook iets hoger. Die getallen klinken misschien abstract, maar waar het op neerkomt is dit: dankzij de verbluffende daling van de prijzen voor groene energie, een waarlijk wereldwijde politieke mobilisatie, een scherpere blik op de toekomst van onze energie en serieuze aandacht voor dit thema bij wereld-leiders zijn we er in amper vijf jaar tijd in geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren.
In amper vijf jaar tijd zijn we erin geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren
Decennialang werd het denken over de toekomst van het klimaat gedomineerd door enerzijds een kinderlijk naïef geloof dat we heus wel op de oude voet zouden kunnen doorleven, en anderzijds het doemdenken over een ecologische eindtijd waarin het leven of het bestaan van misschien wel miljarden mensen gevaar zou lopen. De afgelopen jaren zagen we deze twee uitersten ook terug in de klimaat-modellen. Als we de meest ambitieuze doelen van het akkoord van Parijs maar zouden halen en de opwarming onder de anderhalve graad konden houden, zo was de algemene gedachte, zou ons leven min of meer bij het oude kunnen blijven. Maar als we niet snel iets aan de uitstoot van broeikasgassen deden en de opwarming lieten stijgen tot boven de drie of zelfs vier graden, zouden we onze ondergang tegemoet gaan.
Tragisch uitstelgedrag
Geen van beide scenario’s lijkt nu nog erg waarschijnlijk. De meest angstaanjagende voorspellingen zijn onwaarschijnlijk geworden door de vergroening die nu al plaatsvindt, en de meest hoopvolle zijn inmiddels nauwelijks nog haalbaar door tragisch uitstelgedrag. Het aantal haalbare toekomst-scenario’s wordt snel kleiner, en dat geeft ons een duidelijker beeld van wat ons te wachten staat: een nieuwe, ernstig verstoorde wereld, met een bevolking van miljarden mensen en een klimaat dat ver afstaat van het oude normaal, maar dat gelukkig nog lang niet tot een echte apocalyps hoeft te leiden.
De afgelopen maanden heb ik tientallen gesprekken gevoerd – met klimaatwetenschappers, economen en beleidsmakers, met opiniemakers en activisten, en met schrijvers en filosofen – over die nieuwe wereld en hoe we ons die moeten voorstellen. De meest stimulerende en ruimdenkende kijk op het vraagstuk kwam misschien wel van Kate Marvel van de NASA, een van hoofdauteurs van de vijfde National Climate Assessment [het periodieke milieurapport voor de Amerikaanse overheid]. ‘De wereld wordt wat wij ervan maken,’ zegt Marvel. Zelf kom ik steeds weer terug bij drie aanknopingspunten om de mogelijke toekomstroutes enigszins mee in kaart te brengen.
De doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn
Ten eerste: de doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn. Dat is ontegenzeggelijk goed nieuws en, in een tijd van wanhoop en klimaatpaniek, een ondergewaardeerd teken van de vooruitgang die al geboekt is en die van mondiaal belang is.
Ten tweede, en dit is minstens zo belangrijk: de meest waarschijnlijke toekomstscenario’s behelzen nog steeds een mate van opwarming die lange tijd rampzalig werd geacht – een bewijs van het mondiale onvermogen om de opwarming binnen ‘veilige’ grenzen te houden. Door decennialang bijna geen maatregelen te nemen hebben we die kans verspeeld. En wat misschien nog zorgwekkender is: hoe meer we te weten komen over de mogelijke gevolgen van zelfs een relatief beperkte opwarming, des te akeliger en problematischer die lijken te zijn. In het persbericht bij het recente VN-rapport werd voorspeld dat een opwarming van meer dan twee graden zal resulteren in ‘onafzienbaar leed’.
Ten derde heeft de mensheid nog steeds heel veel zelf in de hand: hoe warm het zal worden en hoeveel inspanningen we ons getroosten om elkaar tegen die dreigingen en verstoringen te beschermen. Als we erkennen dat een werkelijk apocalyptische opwarming van de aarde nu een stuk minder waarschijnlijk lijkt dan nog maar enkele jaren geleden, halen we de toekomst uit het domein van de mythevorming en brengen haar terug in de arena van de geschiedenis: iets waarin en waarover we strijd kunnen leveren, een verhaal van zowel welvaart als leed – al zullen die niet gelijkelijk over iedereen worden verdeeld.
Klimaatpolitiek
Het is niet zo gemakkelijk om dit beeld helemaal helder te krijgen. Deels omdat klimaatactie nog een open vraag blijft, deels omdat het moeilijk is de schaal van de klimaatverandering af te wegen tegen mogelijke reacties van de mens, en deels omdat we niet meer zomaar kunnen teruggrijpen op dat handige narratieve stramien van apocalyps versus het oude normaal. Maar door het hele palet aan mogelijke klimaatscenario’s te beperken, verruilen we de ene verzameling onzekerheden (over de mate van opwarming) voor een andere: die van politieke keuzes en menselijke reacties daarop. We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken. Dat begint nog steeds met het terugdringen van de broeikasgassen, maar het is niet langer redelijk om te denken dat het daarbij kan blijven. De politiek van vergroening zal zich ontwikkelen tot een politiek die ook kijkt naar wat er daarna moet gebeuren, op het vlak van klimaatadaptatie, financiering en rechtvaardige verdeling (om maar enkele kwesties te noemen). Lange tijd leek de toekomst van de wereld af te hangen van het welslagen van de vergroening, maar een duidelijk pad naar een toekomst met twee of drie graden opwarming betekent dat die toekomst nu ook afhangt van wat we gaan doen als het zover is. Met andere woorden: onze toekomst hangt af van een nieuwe en breder georiënteerde klimaatpolitiek.
We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken
‘We leven in een verschrikkelijke wereld, en we leven in een prachtige wereld,’ zegt Marvel. ‘Het is een verschrikkelijke wereld die nu al meer dan één graad is opgewarmd. Maar ook een prachtige wereld waarin we beschikken over heel veel manieren om stroom op te wekken die goedkoper, rendabeler en makkelijker toepasbaar zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er verschijnen uiterst geloofwaardige artikelen in wetenschappelijke tijdschriften die betogen dat een snelle overstap naar hernieuwbare energie per saldo geen kostenpost zal zijn, maar een winstmaker,’ zegt ze, en ze schudt haar hoofd alsof ze het zelf bijna niet kan geloven. ‘Als je me dat vijf jaar geleden had verteld, had ik gedacht: wauw, dat is een wonder.’
Hoe is dat zo gekomen? Om te beginnen heeft de wereld er werk van gemaakt om af te stappen van steenkool.
Steenkoolgebruik
In 2014 werkte klimaatwetenschapper en podcastmaker Justin Ritchie nog aan zijn proefschrift. Daarin vroeg hij zich af waarom zo veel klimaatmodellen rekenden op een grote piek in het steenkoolgebruik in de eenentwintigste eeuw. Iedereen wist wel dat de decennialange economische groei van China op steenkool dreef, maar wetenschappers die zich met de energietoekomst bezighielden, betwijfelden toen al of datzelfde model ook voor alle andere opkomende landen van kracht zou zijn, en al helemaal of de rijke landen ooit weer structureel op steenkool zouden terugvallen.
Alleen was dat inzicht nergens terug te vinden in de mix van economische, demografische en materiële veronderstellingen over toekomstige ontwikkelingen die als basis diende voor de talrijke modellen waarmee klimaat-wetenschappers prognoses maakten over de klimaatgevolgen, onder meer voor het VN-klimaatpanel IPCC. Het opvallendste voorbeeld was een emissievoorspelling getiteld RCP8.5, die uitging van een op z’n minst vijfvoudige groei van het steenkoolverbruik in de loop van deze eeuw. Dit was het somberste scenario, waarin de mens geen enkele maatregel nam – in de wetenschappelijke literatuur en door journalisten wel betiteld als het ‘business as usual’-scenario. Toen Ritchie en zijn promotiebegeleider in 2017 hun onderzoek publiceerden in het tijdschrift Energy Economics, gaven ze het de suggestieve ondertitel: ‘Zijn gevallen van een enorme toename in steenkoolverbruik nog aannemelijk?’ Gezien de huidige ontwikkelingen is het antwoord daarop nu simpelweg: nee.
Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie
Al jaren leefden er vragen over de toekomst van steenkool, vooral bij de mensen die meenden dat in prognoses over duurzame energie de groei van wind- en zonne-energie belachelijk laag werd ingeschat. Maar de inmiddels brede scepsis over de somberste doemscenario’s voor de uitstoot van broeikasgassen is toch vooral terug te voeren op het kleine groepje mensen dat het werk van Ritchie las en daarmee Twitter op ging. Onder hen Roger Pielke Jr., een hoogleraar milieukunde die door de Republikeinen vaak als deskundige wordt opgeroepen bij hoorzittingen in het Congres over het klimaat. En ook de uitgesproken Britse investeerder Michael Liebreich, oprichter van een door Michael Bloomberg opgekocht bedrijf voor groen beleggingsadvies, die in 2019 op sociale media steeds luidkeels riep dat RCP8.5 ‘gelul’ is. En tot slot de wat ingetogener klimaatwetenschappers Zeke Hausfather en Glen Peters, die in 2020 een opiniestuk in Nature publiceerden waarin ze stelden dat ‘het “business as usual”-verhaal misleidend is’. (Ik had het jaar daarvoor een artikel gepubliceerd waarin ik hetzelfde spoor volgde.)
Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie. Maar Hausfather schat dat het naar beneden bijstellen van die aannames verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de vastgestelde vooruitgang die we hebben geboekt, en dat alleen de andere helft te danken is aan oplossingen afkomstig van technologie, overheidsbeleid en de markt.
Neem om te beginnen de technologie. Energienerds hoef je het niet meer te vertellen, maar buiten dat wereldje beseft bijna niemand hoe snel en drastisch de kosten van technieken voor groene energie zijn gedaald. Dat is net zo’n verbluffend en misschien ook wel net zo’n belangrijk verhaal als dat van de nieuwe mRNA-vaccins, die binnen enkele maanden werden ontwikkeld en verspreid om de wereldwijde pandemie te bestrijden.
Zonne-energie
De kosten van zonne-energie en van de technologie van lithiumbatterijen zijn sinds 2010 met ruim 85 procent gedaald, en die van windenergie met ruim 55 procent. Het Internationaal Energieagentschap heeft onlangs voorspeld dat zonne-energie ‘de goedkoopste bron van elektriciteit in de geschiedenis’ zal worden. En volgens een rapport van [de onafhankelijke financiële denktank] Carbon Tracker woont 90 procent van de wereldbevolking op plaatsen waar nieuwe groene energie goedkoper zou zijn dan nieuwe vuile energie. Ter vergelijking: als de benzineprijs net zo sterk was gedaald, zou de [Amerikaanse] prijs aan de pomp, die in 2010 bijna 3 dollar per gallon bedroeg, nu gezakt zijn tot onder de 50 cent.
De markten hebben dit ook door. Het volume aan investeringen in groene energie is dat van de investeringen in fossiele brandstoffen dit jaar voorbij-gestreefd, ondanks de stormloop op gas en het ‘terugvallen op steenkool’ als gevolg van de Russische inval in Oekraïne. Na decennia van dalingen zijn de kosten van duurzame productie nu weer een klein beetje gestegen door problemen in de toeleveringsketen, maar de algehele trend is toch met het blote oog zichtbaar: er worden wereldwijd genoeg fabrieken voor zonnepanelen gebouwd om daarmee de zonne-energie te produceren die nodig is om de opwarming onder de twee graden te houden. En het aantal zonneparken dat de VS in de planning hebben, is groter dan de totale mondiale capaciteit van dit moment. Liebreich heeft het al over een kantelpunt, waarna het toekomstplaatje van energie er volledig anders uit zal zien.
Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid
Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid. Vijf jaar geleden had nog bijna niemand gehoord van Greta Thunberg en de schoolstakingen van Fridays for Future, van Extinction Rebellion en de Sunrise Movement. Toen was er geen serieuze discussie over de Amerikaanse Green New Deal en de Europese Green Deal, er werd nog niet eens gefluisterd over het ‘Fit for 55’-programma [waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil terugdringen], de Inflation Reduction Act van de VS [die in feite neerkomt op een klimaatwet] of de belofte van China dat zijn uitstoot vanaf 2030 zal afnemen. Een paar prominente wereldleiders waren klimaatsceptici. Er was bijna geen land ter wereld dat serieus sprak over het elimineren van alle broeikasgassen, het gesprek ging alleen over verlaging van de emissie en veel landen hadden het daar niet eens serieus over. Inmiddels is meer dan 90 procent van het mondiale bbp en ruim 80 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen gebonden aan diverse toezeggingen te streven naar nettonuluitstoot, die elk een historisch ongekend tempo van vergroening beloven.
Nu zijn dat grotendeels nog papieren toezeggingen, die op de korte termijn veel te vrijblijvend zijn om te kunnen doorgaan voor echte maatregelen en meer weg hebben van een minzame uitsteltactiek. Maar je kunt toch spreken van een nieuw tijdperk voor klimaatactie als de overgrote meerderheid van de wereldleiders zich genoodzaakt ziet om zulke beloften te doen – onder druk van demonstranten, van de angst bij het brede publiek en de wensen van kiezers, en ook steeds meer onder druk van de krachtige logica van nationaal eigenbelang. Wat vroeger vooral een moreel moetje leek, wordt nu steeds meer gezien als een economische kans, zozeer dat er zelfs al sprake is van geopolitieke rivaliteit. Toen Boris Johnson nog premier van het Verenigd Koninkrijk was, zei hij dat hij zijn land het ‘Saoedi-Arabië van de windenergie’ wilde maken. En de Inflation Reduction Act is vooral gericht op versterking van de Amerikaanse concurrentiepositie op het vlak van groene energie. China, dat al bijna evenveel capaciteit voor de productie van duurzame energie aan het opbouwen is als de rest van de wereld bij elkaar, maakt ook 85 procent van alle zonne-panelen ter wereld (en verkoopt bijna de helft van alle elektrische voertuigen die wereldwijd worden gekocht). Volgens een recent artikel over de energietransitie in het wetenschappelijk tijdschrift Joule kan snellere vergroening de wereld in 2050 al biljoenen dollars opleveren.
Andere kant op
Met voorspellingen koop je nog niets. Maar ze sturen ons wel een andere kant op. Marshall Burke, een klimaatwetenschapper aan de Stanford-universiteit die verontrustende voorspellingen heeft gedaan over de kosten van het broeikaseffect (bijvoorbeeld dat het mondiale bbp door klimaatverandering een kwart lager kan uitvallen), zegt dat hij de grafieken die hij in zijn colleges gebruikt heeft moeten aanpassen en dat hij zijn prognoses van enkele jaren terug nu al moet herzien. ‘Het klimaatprobleem is een gevolg van keuzes van de mens, en de winst die we nu boeken is daar ook een gevolg van,’ zegt hij. ‘En die keuzes moeten we toejuichen. Het is nog niet genoeg. Maar het is wel verbazingwekkend.’
Kernfusie in Frankrijk
Gaat het misschien in Zuid-Frankrijk gebeuren, in de gemeente Saint-Paul-lès-Durance, 30 kilometer ten noordoosten van Aix-en-Provence?
Daar bouwen ruim dertig landen sinds 2010 aan een installatie voor kernfusie, een proces dat van nature voorkomt in de zon en de sterren, maar dat bijzonder moeilijk is na te bootsen op aarde. Mocht het lukken, dan is de winst enorm. Kernfusie belooft een vrijwel onbeperkte vorm van energie die, anders dan fossiele brandstoffen, geen broeikasgassen uitstoot en, in tegenstelling tot de huidige kernsplijting, de wereld niet opzadelt met langdurig gevaarlijk kernafval. Slechts 1 gram brandstof levert het equivalent op van 8 ton olie aan fusie-energie. Ofwel: een rendement van 8 miljoen op 1, aldus CNN .
Experts waren altijd terughoudend over de vraag wanneer fusie-energie op grote schaal beschikbaar zal zijn. Tot februari van dit jaar. Toen berichtten Britse wetenschappers een recordhoeveelheid van 59 megajoule fusie-energie te hebben opgewekt die gedurende vijf seconden in stand te werd gehouden in een reusachtige, donutvormige machine die een ‘tokamak’ wordt genoemd. Het was slechts genoeg om één huis een dag lang van energie te voorzien, en er ging meer energie in het proces zitten dan eruit kwam. Maar het bewijs was geleverd dat kernfusie inderdaad mogelijk is op aarde. Alle ballen op Zuid-Frankrijk dus.
Ook Matthew Huber van de Purdue-universiteit, een van de klimaatwetenschappers achter het idee dat hitte en vochtigheid een drempelwaarde kunnen bereiken die fataal is voor het menselijk voortbestaan, zegt dat hij zich tegenwoordig een stuk minder zorgen maakt dan vroeger. Al denkt hij op basis van de lange geschiedenis van onze planeet nog wel dat de aarde eerder drie dan twee graden zal opwarmen. ‘Sommige collega’s hebben bij die drie graden iets van: O nee, dat is verschrikkelijk, we doen het helemaal verkeerd!’ zegt hij. ‘En dan zegt iemand als ik: Nou ja, vroeger dachten we dat we afstevenden op vijf graden. Dan is drie graden dus al winst.’
Wel een schrijnend soort winst. ‘Het goede nieuws is dat we beleid hebben gemaakt waarmee de voorspelde gemiddelde mondiale temperatuur significant naar beneden kan worden bijgesteld,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Katharine Hayhoe, een van de hoofdauteurs van meerdere National Climate Assessments in de VS, en een evangelisch christen met een zekere faam als een soort klimaatfluisteraar van centrumrechts. Het slechte nieuws, zegt ze, is dat we ‘de snelheid en de hoogte van de extremen systematisch hebben onderschat’. Zelfs als de temperatuurstijging beperkt blijft tot twee graden, zouden de extremen volgens haar ‘overeen kunnen komen met wat je zou hebben voorspeld bij een opwarming van vier tot vijf graden’.
Sneller en extremer
‘De dingen gebeuren sneller en extremer,’ beaamt de Britse econoom Nicholas Stern, die in 2006 leiding gaf aan een belangrijk onderzoek naar klimaatrisico’s. Met groene technologie ‘hebben we het groeiverhaal van de eenentwintigste eeuw in handen,’ zegt hij. Maar hij maakt zich zorgen over de toekomst van het Amazonegebied, het smelten van de CO2-rijke permafrost in het Noordpoolgebied en de instabiliteit van de ijskappen: stuk voor stuk potentiële kantelpunten ‘die ons boven het hoofd kunnen groeien’. ‘Met elk IPCC-rapport is het weer erger dan je dacht, ook als je al dacht dat het heel erg was,’ zegt hij. ‘Een opwarming van twee graden betekent niet per se het einde van de mensheid, maar er gaan dan wel veel doden vallen, je krijgt veel migratiestromen, veel conflicten om ruimte en water.’
‘We zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat al onder water’
‘Ik bedoel, we zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat toch al onder water?’ zegt de Nigeriaans-Amerikaanse filosoof Olufemi O. Taiwo, die de afgelopen jaren veel heeft geschreven over klimaatrechtvaardigheid in de context van herstelbetalingen voor slavernij en kolonialisme. ‘Als je kijkt naar wat we nu al zien bij nog geen twee graden opwarming: dat geeft geen enkele aanleiding tot optimisme.’
Wat allemaal weer een heel andere kijk op de nabije toekomst oplevert, ook dat is waar. De wereld zal steeds warmer worden en het resultaat daarvan steeds schadelijker, zelfs al wordt de vergroening zodanig versneld dat we de meest ambitieuze doelstellingen halen: een halvering van de uitstoot in 2030 en twintig jaar later netto nul. ‘Die jaartallen, 2030, 2050, die zeggen helemaal niets,’ aldus Gail Bradbrook, een van de Britse oprichters van Extinction Rebellion. ‘Waar het om gaat is de totale hoeveelheid CO2 in de lucht, en die is al veel te hoog. Die jaartallen kunnen worden gebruikt als excuus om het probleem op de lange baan te schuiven. Maar het belangrijkste is dat we op dit moment schade aanrichten, en dat we absoluut zo snel mogelijk een eind moeten maken aan alle activiteiten die de situatie verergeren.’
Het is allemaal dus maar net hoe je ernaar kijkt. In de toekomst zal het klimaat er slechter aan toe zijn dan nu, maar beter dan veel mensen tot voor kort hadden gedacht. De wereld is harder op weg om te vergroenen dan we ooit voor mogelijk hielden, maar nog lang niet snel genoeg om ernstige problemen te voorkomen. Zelfs als we met gemak onder de twee graden blijven, gaan we nog een roerige toekomst tegemoet, met zodanige verstoringen van het natuurlijk evenwicht dat die een gevaar kunnen vormen voor veel maatschappelijke en politieke zeker-heden die we al generaties lang vanzelfsprekend vinden.
Extreem weer
Delhi telde het afgelopen voorjaar 78 dagen met temperaturen van boven de 100 graden Fahrenheit (37,8 graden Celsius), en de kans op zo’n maandenlange hittegolf is door de klimaat-verandering dertig keer zo groot geworden. Op het noordelijk halfrond is de kans op droogte twintig keer zo groot geworden. Resultaat: droge rivierbeddingen van de Yangtze en de Donau tot de Colorado. Ineens kwamen er gedumpte lijken bloot te liggen in Lake Mead, en voetafdrukken van dinosaurussen in Texas, explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en een ‘Spaans Stonehenge’ in Guadalperal. In landbouwgebieden op meerdere continenten stonden gewassen zo te stoven in de zon dat oogsten geheel of gedeeltelijk mislukten. Alleen al in de stad Phoenix stierven honderden mensen van de hitte; in Engeland, Portugal en Spanje waren het er meer dan duizend.
Wekenlang stond een derde van Pakistan blank door overstromingen na de moessonregens, wat tientallen miljoenen mensen op de vlucht dreef en de katoen- en rijstoogst verwoestte. Allemaal factoren die meer dan bevorderlijk zijn voor het aanwakkeren van migratie, conflicten en besmettelijke ziekten in een land dat het toch al moeilijk heeft – een land dat in zijn hele industriële bestaan ongeveer evenveel CO2 heeft uitgestoten als de Verenigde Staten alleen al in dit jaar. In het Caribisch gebied en de Stille Oceaan groeiden tropische stormen in nog geen 36 uur uit tot hevige orkanen.
Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden?
China zuchtte maandenlang onder zo’n intense hitte dat, zoals een meteoroloog het mooi verwoordde, ‘er in de hele wereldgeschiedenis van het klimaat niets ook maar in de verte mee vergelijkbaar is’. Net als met de pandemie probeerde China de verstoringen van het dagelijks leven zo veel mogelijk te verbloemen. Maar doordat fabrieken werden stilgelegd, voelde de rest van de wereld toch de gevolgen in de toe-leveringsketens voor halfgeleiders, geneesmiddelen, zonnecellen, iPhones en Tesla’s. Allemaal productieketens die dus al in de problemen kwamen bij een opwarming van slechts 1,2 graden.
Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden? Extreem weer, nog heviger en veel vaker dan nu. Verstoringen en ontwrichting op bijna alle niveaus, van bacteriologisch tot geopolitiek. Honderden miljoenen mensen die ten prooi vallen aan leed en onrecht, omdat de baten van industriële activiteit zich ophopen in die delen van de wereld die juist niet onder de ergste gevolgen lijden. Innovatie ook, waaronder nieuwe oplossingen die we ons nu nog niet kunnen voorstellen, en een beetje nieuwe welvaart, zij het minder dan als de aarde niet zou opwarmen. Gewenning aan rampen die steeds groter zullen zijn en meer schade aanrichten, en daardoor wellicht een zekere moeheid als het gaat om medeleven met de in het mondiale Zuiden aangerichte ravage, uitmondend in het soort antisociale afstandelijkheid die dit soort salondiscussies mogelijk maakt.
Apocalyptisch denken
Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven – en dan met klimaatverstoringen die steeds groter en schadelijker worden, die we het hoofd zullen bieden met een nog onbekende combinatie van mislukking en succes, verdriet en nieuwe kansen.
‘Wat het Westen altijd parten speelt is het eindtijddenken – de zondeval, het christendom en zo,’ zegt Tim Sahay, een in Mumbai geboren klimaatexpert en medeoprichter van het nieuwe tijdschrift The Polycrisis. ‘Dat is onuitroeibaar, wij zien alleen de mogelijkheden voor doemdenken.’ De uitdagingen zijn groot en reëel, en komen voor een onevenredig deel op het bordje van de ontwikkelingslanden, zegt hij, maar de uitkomst staat niet bij voorbaat vast, althans niet per se. ‘We denderen de donkere berg af,’ zegt hij. ‘Ergens is dat natuurlijk eng, maar het kan op zoveel verschillende manieren aflopen. Ik vind het allemaal heel spannend. Wat voor steden zal Brazilië bouwen? Wat voor land wordt Indonesië?’
Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven
Er zijn plaatsen waar de klimaatretoriek zachter begint te klinken – of misschien moet je het juist harder noemen, omdat existentiële abstracties plaatsmaken voor keihard realisme. In 2009 zei Mohamed Nasheed als president van de Malediven op de klimaattop in Kopenhagen nog: ‘Hoe kunt u mijn land vragen om uit te sterven?’ Tegenwoordig klinkt hij pragmatischer. Hij wijst op de noodzaak van klimaat-financiering – geldelijke steun van ontwikkelingsbanken en noordelijke instituties om de groene transitie en de weerbaarheid van de lokale bevolking te stimuleren – en filosofeert over de noodzaak van lastenverlichting voor arme landen door schulden kwijt te schelden. Ook stimuleert hij wetenschappelijk onderzoek naar genetisch gemodificeerd koraal dat beter bestand is tegen het opwarmende water.
Mia Mottley, de premier van Barbados, neemt het op tegen het IMF en de Wereldbank en spoort andere kwetsbare landen aan om het ook harder te spelen. Greta Thunberg, het onverzettelijke gezicht van het klimaat-activisme, heeft onlangs haar steun bevestigd voor het in gebruik houden van bestaande kerncentrales. En Rupert Read, ooit woordvoerder van Extinction Rebellion, roept inmiddels op tot de vorming van een ‘gematigde vleugel’ in de klimaatbeweging. De klimaatwet die de Verenigde Staten uiteindelijk kreeg, behelsde geen Green New Deal, geen zware CO2-heffing of strenge regelgeving voor vermindering van de uitstoot, maar een breed vertakt, op positieve prikkels gebaseerd vergroeningspakket dat ook steun omvat voor kernenergie en zelfs voor CO2-opslag, wat voor ‘klimaatlinks’ lange tijd taboe was.
Problematische puinhoop
Dit klinkt misschien alsof er nu sprake is van een groeiende consensus, en tot op zekere hoogte is dat ook zo. Maar de wereld waar dit over gaat is nog steeds een problematische puinhoop. Economisch historicus Adam Tooze heeft het afgelopen jaar het woord ‘polycrisis’ populair gemaakt als aanduiding voor de lawine aan grote uitdagingen die de fundamentele stabiliteit en continuïteit van de wereldorde bedreigen. De Franse president Macron, de belichaming van soepel neoliberaal optimisme, heeft de huidige roerige tijd al getypeerd als ‘het einde van de overvloed’. De voormalig voorzitter van het Europees Parlement Josep Borrell gebruikte ‘radicale onzekerheid’ als omschrijving voor ons tijdsgewricht, en vergeleek Europa later ook nog met een ‘tuin’ in de ‘jungle’ van de wereld, waarbij hij waarschuwde dat ‘de jungle de tuin kan binnendringen’.
India: Industrieel eigenbelang
Het laatste land waarvan je een energierevolutie verwacht, is wellicht India.
Het haalt immers bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld en verbrandt meer steenkool dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow blokkeerde India voorstellen om het gebruik van steenkool af te bouwen. Maar toch deed de Indiase premier Narendra Modi op diezelfde conferentie een belofte die, als hij wordt nagekomen, van zijn land één groene energiecentrale zal maken. Volgens Modi heeft India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’. Grootspraak? Niet als het aan India’s grootste industriëlen ligt, de multimiljardairs Gautam Adani en Mukesh Ambani, schrijft The Economist.
Adani beweert dat zijn bedrijven tegen 2030 zo’n 70 miljard dollar zullen besteden aan groene energie in India. Met bijna 5 gigawatt (GW) aan zonne-energiecapaciteit sinds medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green Power, als ’s werelds grootste ontwikkelaars van zonne-energie. Ambani laat zich ook niet onbetuigd en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Hij wil in 2025 20 GW aan zonne-energiecapaciteit hebben gebouwd, die volledig door zijn eigen bedrijven zal worden gebruikt.
De Amerikaanse klimaatgezant John Kerry heeft, wellicht per ongeluk, erkend dat de kosten van klimaatschade in het mondiale Zuiden al in de ‘biljoenen’ lopen. Hij noemde dat bedrag niet om aan te geven hoeveel steun die regio nodig heeft, maar om te illustreren waarom de noordelijke landen die schade niet zullen vergoeden. (Hij voegde eraan toe dat hij weigert zich daar schuldig over te voelen.) Schrijver en activist Bill McKibben is bang dat de transitie, ook al wordt die nu opgevoerd tot een snelheid die voorheen ondenkbaar was, toch niet snel genoeg zal komen: ‘Het gevaar bestaat dat je straks een wereld hebt die draait op zon en wind, maar in wezen nog steeds een defecte planeet is.’ De prangendste vraag is nu of dit defect gerepareerd kan worden – of we de komende verstoringen in de hand weten te houden en de talloze miljoenen mensen die erdoor worden bedreigd weten te beschermen. Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?
Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?
Middelen daarvoor zijn er genoeg – een schier eindeloos aantal. Aangezien het grootste deel van de infrastructuur in de wereld berekend is op klimaatomstandigheden die nu al achter ons liggen, vergt het een mondiaal bouwproject om ons tegen klimaatverstoringen te beschermen. Met de aanleg van waterwerken tegen overstromingen bijvoorbeeld, zowel op natuurlijke wijze met mangrovebossen en wetlands als op kunstmatige wijze met dijken en dammen, zeeweringen en zeesluizen. Strengere bouwvoorschriften voor woningen, robuustere bouwmaterialen en stedenbouwkundige ontwerpen die meer rekening houden met het weer. Spoorlijnen, asfaltwegen en alle andere soorten infrastructuur die hittebestendig worden gemaakt. Betere systemen om het weer te voorspellen en voor extremen te waarschuwen. Zuiniger waterbeheer, ook in uitgestrekte landbouwgebieden zoals in het westen van de Verenigde Staten. Koelcentra, droogtebestendige gewassen en effectievere investeringen in noodhulp voor wat Juliette Kayyem, een voormalige ambtenaar van het Amerikaanse departement voor Binnenlandse Veiligheid, ons nieuwe ‘tijdperk van rampen’ noemt.
Stormen richten steeds meer schade aan, mede doordat we maar blijven uitbreiden en bouwen in de richting van wat wel het uitdijende middelpunt van de storm wordt genoemd. Dat onrustbarende patroon zie je zowel bij opkomende stadjes langs de kust van Florida als in de delta van Bangladesh: steeds meer mensen die zich ophopen op plaatsen waar ze gevaar lopen, soms tegen beter weten in.
Optimistischere klimaatwaarnemers wijzen er vaak op dat we ons dan misschien wel steeds meer blootstellen aan extreem weer, maar dat het aantal doden als gevolg van natuurrampen niet toeneemt. Sterker nog: dat is zelfs spectaculair gedaald, van gemiddeld zo’n vijfhonderdduizend doden per jaar een eeuw geleden tot ongeveer vijftigduizend nu – terwijl het aantal klimaatgerelateerde natuurrampen volgens de Wereld Meteorologische Organisatie vervijfvoudigd is.
Trend
Maar of deze trend zich in een wereld met twee graden opwarming zal voortzetten is niet duidelijk. Met de orkaan Ian kreeg een welvarend en goed voorbereid stukje van het mondiale Noorden dit jaar bijvoorbeeld te maken met zijn dodelijkste orkaan sinds 1935. De drastische daling in het aantal dodelijke slachtoffers van natuurgeweld vond vooral plaats tussen de jaren twintig en de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen het zakte tot net onder de honderdduizend. In de afgelopen vijftig jaar, toen de destabilisering van ons weer als gevolg van de opwarming van de aarde begon, is het veel minder scherp gedaald. En de daling was nog lager – of misschien zelfs nul, afhankelijk van de cijfers waarnaar je kijkt en hoe je die interpreteert – in de laatste drie decennia, toen de temperatuurstijging sterker werd en de wereld opgewarmd raakte tot boven de leefbare bandbreedte waarbinnen de temperatuur op aarde zich gedurende heel de geschiedenis van de mensheid had bevonden.
Bij veel initiatieven wordt prioriteit gegeven aan kortetermijnbeperking van het klimaatrisico
Misschien betekent dit dat de wereld het laaghangend fruit van de adaptatie al grotendeels heeft geoogst. Betere meteorologische voorspellingen en waarschuwingssystemen hebben we immers al: daardoor werd het aantal doden als gevolg van recente moessons in Bangladesh en orkanen in Florida drastisch beperkt. De mondiale kosten van de klimaatschade lopen al in de biljoenen, en in ontwikkelingslanden kan de rekening voor adaptatie in 2030 al 300 miljard dollar per jaar bedragen. In Texas is men in Galveston begonnen met de aanleg van de ‘Ike Dike’ om de haven te beschermen, à raison van 31 miljard dollar. New York denkt aan een stelsel van stormvloedkeringen. Kosten: 52 miljard. Met andere woorden, de opwarming maakt adaptatie nu al moeilijker en duurder, en het zou weleens heel moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen blijken om de in de vorige eeuw geboekte vooruitgang voort te zetten tot in de volgende.
Het laatste IPCC-rapport, van afgelopen februari, stelt dat er ‘vooruitgang bij de planning en invoering van adaptatiemaatregelen’ is geboekt, maar waarschuwt ook dat ‘bij veel initiatieven prioriteit wordt gegeven aan onmiddellijke kortetermijnbeperking van het klimaatrisico, wat de kans op transformationele adaptatie verkleint’ – oftewel: middelen die worden besteed aan reparatie en aanpassing van bestaande structuren zijn niet meer beschikbaar voor nieuwe infrastructuur en herhuisvesting. ‘In sommige ecosystemen zijn de harde grenzen van de adaptatie al bereikt,’ stelt het IPCC: ‘met de toenemende opwarming van de aarde zullen de verliezen en de schade toenemen en zullen ook andere natuurlijke en menselijke systemen tegen de grenzen van hun adaptatievermogen aanlopen’.
Menselijke aanpassing
‘Wat we bij het huidige niveau van opwarming zien, geeft volgens mij al een indruk van waar de grenzen van de menselijke aanpassing liggen,’ zegt Fahad Saeed van Climate Analytics. Deze Pakistaanse wetenschapper uit Islamabad zag zijn land het afgelopen halfjaar ten prooi vallen aan maandenlange extreme hitte, misoogsten en overstromingen als gevolg van moessonregens waardoor een derde van het land blank stond, een miljoen huizen werd verwoest en 30 miljoen mensen ontheemd raakten. De totale schade is geraamd op minstens 40 miljard dollar: 11 procent van Pakistan bbp in 2021. ‘Je kunt je niet voorstellen wat er gaat gebeuren als de opwarming anderhalve graad bereikt,’ zegt hij. ‘Nog extremere situaties? Dan krijg je nog meer verwoesting.’
‘Twee graden is een stuk beter dan vier graden,’ zegt Michael Oppenheimer, een van de klimaatwetenschappers die in 1988 de inmiddels legendarische waarschuwing voor het broeikaseffect aanboden aan de Amerikaanse Senaat. ‘En anderhalve graad is nog beter dan twee graden. Maar in beide gevallen betekent dat niet dat er niets meer te doen valt.’
Oppenheimer heeft zich de laatste jaren steeds meer beziggehouden met de vraag wat we moeten doen en waaraan we kunnen afmeten hoe het ervoor staat met onze adaptatie. ‘Hoe goed kunnen we tegenwoordig omgaan met een situatie waarin overstromingen niet eens in de honderd jaar maar vaker plaatsvinden?’ vraagt hij zich af. ‘Niet zo goed.’ Hij vindt dat we hogere eisen aan onszelf moeten stellen, dat we het niet normaal mogen gaan vinden dat een orkaan in Florida honderd levens kost. Extreme natuurrampen ontwikkelen zich nu veel sneller, en dat betekent dat ‘succes niet langer een kwestie is van hoe goed je op zo’n gebeurtenis bent voorbereid en hoe goed je die te boven komt, maar ook hoe snel’. Hij verwijst naar het IPCC-rapport uit 2019 over de oceanen, waarin stond dat overstromingen die ooit tot de categorie ‘eens in de honderd jaar’ werden gerekend, rond 2050 in veel delen van de wereld jaarlijks zouden plaatsvinden. ‘Dus je moet alles weer op orde krijgen voordat de volgende toeslaat, in een situatie waarin die volgende overstroming datzelfde jaar nog kan plaatsvinden – en in het ergste geval dezelfde maand nog. Op sommige plaatsen overstroomt het op den duur al bij hoogtij.’
Woorden voor klimaatverdriet
Het begon met ‘solastalgia’, een samentrekking van het Engelse solace [troost] en nostalgia [nostalgie].
Die term werd door de Australische filosoof Glenn Albrecht bedacht voor de pijn die mensen voelen door veranderingen in hun nabije leefomgeving, zoals het verlies van een lievelingsplek. Kunstenaars Alicia Escott en Heidi Quante gingen een stap verder: met hun Bureau of Linguistical Reality bedachten ze, samen met mensen over de hele wereld, duizenden woorden om gevoelens van klimaatverdriet te beschrijven, schrijft Smithsonian Magazine.
Hun project begon acht jaar geleden, toen ze geen woorden konden vinden om hun zorgen over de droogte in Californië te beschrijven. In 2015 reisden ze tijdens het klimaatakkoord naar Parijs, waar ze een mobiel kantoor inrichtten. Gekleed in bijpassende jumpsuits hingen ze spandoeken en borden op met de naam van hun project en begonnen ze gesprekken met iedereen die nieuwsgierig was naar hun activiteiten. Het leverde fraaie resultaten op: Yonderlonging – rouwen om een grote open ruimte waarvan je vreest dat die snel zal verdwijnen. Morbique – het morbide verlangen om naar plekken te reizen voordat ze veranderen door klimaatverandering. Shadowtime – het plotse bewustzijn van de mogelijkheid dat de nabije toekomst drastisch anders zal zijn dan het heden.
Meer woorden vind je op hun website, waar je zelf ook bijdragen kunt leveren: bureauoflinguisticalreality.com
‘Dan wordt herstel iets heel anders dan waar we tegenwoordig aan denken,’ zegt Oppenheimer. ‘Dan krijg je een totaal andere leefsituatie en moet je accepteren dat sommige plekken bijna continu blank staan. Of je verwezenlijkt de droom die sommige mensen over adaptatie koesteren, dat we het leven totaal anders inrichten. De hele opzet van productie en infrastructuur, totaal anders.’
Adaptie
Als je maar lang genoeg over adaptatie praat, komt het gesprek vanzelf op kwesties die vrij technisch klinken. Kunnen er nieuwe dijken worden aangelegd, kunnen de kwetsbaarste gemeenschappen worden verplaatst? Kunnen landbouwgronden worden verplaatst, kunnen er nieuwe droogtebestendige zaden worden ontwikkeld? Kan een infrastructuur voor afkoeling soelaas bieden tegen de nieuwe hitterecords, en kunnen waarschuwings-systemen voorkomen dat er doden vallen door natuurrampen? Wat kunnen we verwachten van innovatie bij de aanpak van milieuproblemen die ongekend zijn in onze geschiedenis?
Maar de fundamentelere vragen hebben misschien eerder betrekking op de verdeling van middelen. Wie krijgt die zaden? Wie kan die dijken bouwen, en wie loopt er gevaar als ze niet voldoen of niet gebouwd worden? En wat is het lot van de mensen die het zwaarst door de opwarming worden getroffen? Het politieke debat over dit soort vraagstukken wordt grofweg geschaard onder de noemer ‘klimaatrechtvaardigheid’: in hoeverre zal de klimaatverandering de nu al buitensporige ongelijkheid in de wereld versterken en verdiepen, en in hoeverre kunnen de landen in het mondiale Zuiden zich ontworstelen aan de nu al onrechtvaardige situatie die de klimaatwetenschapper Farhana Sultana ‘klimaatkolonialiteit’ noemt?
‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie’
‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie,’ zegt filosoof Taiwo. ‘In de prognoses die ik heb gezien voor ontheemding bij twee graden opwarming, zowel voor migratie binnen landen als voor migratie over grenzen heen, gaat het over tientallen zo niet honderden miljoenen. En ik denk niet dat we al een politiek discours hebben over de implicaties daarvan.’
De schattingen hierover lopen enorm uiteen, en die verscheidenheid is een van de duidelijkste tekenen dat ondanks alle kennis die we over de toekomst van ons klimaat hebben opgebouwd, heel veel van de complexe en elkaar versterkende effecten van de opwarming nog steeds schuilgaan achter de onvermijdelijke onzekerheid die rond de reactie van de mens hangt. Op de korte termijn zal migratie volgens het IPCC waarschijnlijk vooral het gevolg zijn van sociaaleconomische omstandigheden en falend bestuur. ‘Er zal sprake zijn van een, laten we zeggen sociaal-ecologische druk op een schaal die een stuk groter is dan wat we nu zien,’ zegt Taiwo. ‘Of dat zich vertaalt in mensenstromen binnen landen en daarbuiten, of het zich vertaalt in grootschalige adaptatiestrategieën waarvoor we nog geen politiek kader hebben, of simpelweg in sterfte op een schaal waarvoor we dat ook niet hebben, of in een combinatie van al die zaken – wie het weet mag het zeggen. Misschien is er een andere mogelijke uitkomst van deze combinatie van spanningen bij twee graden opwarming. Zoals grotere weerbaarheid en duurzaamheid van lokale gemeenschappen, en innovatie op het gebied van energie en politiek, landbouw en cultuur.
Uit kwetsbare landen hoor je al een generatie lang steeds variaties op één simpel thema: dat de rijke landen de schade moeten compenseren. ‘Het is niet alleen een kwestie van aanpassen,’ zegt de Keniaanse klimaatactivist Elizabeth Wathuti, ‘want je kunt niet van mensen vragen dat ze zich aanpassen aan het verlies van hun huis. Hun huizen worden weggespoeld, hun vee en hun kinderen worden meegesleurd. Ze gaan dood. Hoe moeten ze zich daaraan aanpassen? En misoogsten, hoe kun je je daaraan aanpassen? Hoe kun je je aanpassen aan honger? Als je twee dagen niet hebt gegeten, is dat geen kwestie van aanpassen.’
Sahay, van het tijdschrift The Polycrisis, beschrijft een wereld met een door de klimaatverandering opgestookte machtsstrijd waarin allianties van minder ontwikkelde landen de rijkere mogendheden tegen elkaar uitspelen, een soort geestelijke erfgenaam van de door Indonesië aangevoerde beweging van niet-gebonden landen tijdens de Koude Oorlog. Hij noemt de opkomende alliantie van ongebonden landen rond Brazilië, Rusland, India en China (BRIC) ‘een nieuwe troefkaart’ en schetst de mogelijkheid van een nieuwe groep ‘elektrostaten’, als opvolger van de oliestaten van de vorige eeuw, die agressief zullen onderhandelen over de toegang tot hun eigen hulpbronnen.
‘Westerlingen gaan er klakkeloos van uit dat mensen in het mondiale Zuiden zich wel tegen fossiele brandstoffen zullen keren als ze zwaar worden getroffen door een klimaatramp,’ zegt de Indiase romanschrijver Amitav Ghosh, die ook een aantal indringende essays over het onrecht van het broeikasprobleem op zijn naam heeft staan. ‘Maar dat is volkomen uit de lucht gegrepen. In het Zuiden beseft iedereen dat toegang tot energie het verschil bepaalt tussen armoede en geen armoede. Daar beschouwt niemand fossiele brandstoffen als het grote probleem. Daar wordt juist het veel te kwistige gebruik van fossiele brandstoffen door het Westen als het grote probleem gezien.’
Onvoorstelbare toekomst
‘We leven in een onvoorstelbare toekomst,’ zegt essayist Rebecca Solnit, die zich in haar werk steeds meer richt op de politieke en sociale uitdagingen van klimaatverandering. ‘Zaken die tot voor kort nog onmogelijk, ondenkbaar of onwaarschijnlijk werden geacht, zijn inmiddels volkomen normaal.’ Tegenwoordig merkt ze dat ‘mijn hoop vooral neerkomt op radicale onzekerheid’, zegt ze. ‘Je ziet dat de wereld niet zo kan doorgaan, dat is waar. Maar dat betekent niet dat de wereld niet kan doorgaan. Het betekent dat de wereld wel zal doorgaan, niet zoals ze nu is, maar in een nu nog onvoorstelbaar veranderde gedaante.’
Een conservatief perspectief
Moet het Westen herstelbetalingen doen aan ontwikkelingslanden vanwege aangerichte klimaatschade?
Niet als het aan de aartsconservatieve columnist Allison Pearson van de Britse Telegraph ligt. De recente klimaatconferentie in Sharm-el-Sheikh vindt ze ‘een gigantische oplichterstruc die door de mondiale elites wordt losgelaten op goedgelovige bevolkingsgroepen die de gedachte aan een groenere, schonere wereld mooi vinden (wie niet?), maar die nog steeds geen idee hebben van de enorme kosten en opofferingen die komen kijken bij het behalen van nul uitstoot’.
Het Westen wordt volgens haar ’verantwoordelijk gehouden voor miljardenbetalingen aan landen waar het slecht weer is, omdat wij fabrieken hebben uitgevonden. En auto’s.’ Buigen voor dergelijke ‘emotionele chantage door ontwikkelingslanden terwijl je eigen landgenoten met enorme problemen kampen is niet alleen verkeerd, maar ook immoreel’. Vervolgens schrijft ze in een denkbeeldige brief aan de regering van Pakistan: ‘Als u volhardt in uw oneerlijke eisen voor “klimaatherstel”, stellen wij voor dat u ons royalty’s betaalt voor het volgende: de verbrandingsmotor, spinmachines, stoomkracht, asfalt, spoorwegen, auto’s, vliegtuigen, radio, televisie, computers, geneesmiddelen en het world wide web.’
De conclusie: ‘Het is uiteraard absurd om compensatie te eisen voor alles wat het Verenigd Koninkrijk aan de wereld heeft bij- gedragen. Even absurd is het toezeggen van miljarden die we eenvoudigweg niet hebben om historische “schadeclaims” af te handelen.’
Toen ik in 2017 terugkeek op meerdere decennia van politiek onvermogen, hield ik de politieke mobilisatie van de afgelopen vijf jaar nog niet voor mogelijk. Als je me toen had verteld over de radicale versnelling van groene technologie die ophanden was, had ik je misschien wel willen geloven, maar zou ik vooral verbaasd zijn geweest. Maar redenen voor optimisme mogen geen redenen zijn om achterover te leunen. Integendeel, want de bijgestelde verwachtingen zijn niet alleen een blijk van hoeveel er de afgelopen vijf jaar is veranderd, maar ook van hoeveel er de komende vijf, vijfentwintig en vijftig jaar nog meer kan veranderen.
De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt
Twee graden opwarming is niet onvermijdelijk. Het kan nog steeds zowel beter als slechter uitpakken. De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt. Er moet dus veel meer worden gedaan om dat doel te halen, en nog meer om de wereld onder de twee graden opwarming te houden, zoals in het akkoord van Parijs werd beloofd. (Doordat de benodigde maat-regelen uitbleven of te lang zijn uitgesteld, zal zelfs het IPCC-scenario dat was bedoeld om de opwarming tot anderhalve graad te beperken nu de prognose opleveren dat we die anderhalve graad al in het volgende decennium overschrijden.) En omdat de vergroening weer kan stokken en het klimaat gevoeliger kan blijken te zijn dan verwacht, is ook een uitkomst van drie graden opwarming nog steeds mogelijk, zij het iets minder waarschijnlijk dan tot voor kort werd gedacht.
De totale uitstoot van broeikasgassen daalt nog steeds niet, en er is nog een hele weg te gaan om van de toekomstige piek tot nul te komen. Daardoor zijn al deze aanpassingen van de verwachtingen voorlopig nog vooral theorie – een nieuwe reeks lijnen die we naïef op een whiteboard tekenen terwijl we wachten tot ze werkelijkheid worden. Zowel dit jaar als volgend jaar zal de totale uitstoot waarschijnlijk een nieuwe recordhoogte bereiken. Dat betekent dat er op dit moment meer schade wordt toegebracht aan het toekomstige klimaat van onze planeet dan op enig ander moment in de geschiedenis. Het zal allemaal eerst erger worden voordat het zich stabiliseert.
Maar we krijgen wel een steeds duidelijker beeld van de klimaatverandering, en hoe dreigend dat er ook uitziet, we zullen die nieuwe wereld begaanbaar moeten maken – door stappen te zetten om de schade te beperken en ons met adaptaties te beschermen tegen wat niet meer te voorkomen valt. Met vier graden opwarming lijken de gevolgen onoverkomelijk. Met twee graden opwarming ligt niet het hele voortbestaan van de mensheid in de waagschaal, maar verandert alleen het landschap waarin we onze nieuwe toekomst moeten bouwen.
‘We hebben al een lange weg afgelegd en we hebben nog een lange weg te gaan,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Hayhoe. ‘We zijn al halverwege de helling, het was buffelen. Rust even uit, geef jezelf een schouderklopje, en kijk dan weer omhoog: daar moeten we naartoe. Dus voorwaarts, mars.’
In de VS spelen pr-bedrijven een belangrijke rol in het publieke debat over klimaat- en energiebeleid. Ze hebben de afgelopen dertig jaar een sleutelrol gespeeld bij het verspreiden van desinformatie en het belemmeren van maatregelen tegen klimaatverandering, door voor de fossiele brandstofindustrie campagnes op te zetten waarin de ernst van klimaatverandering werd gebagatelliseerd, en door de industrie gewenste oplossingen te positioneren als de te volgen strategie, schrijft EcoWatch.
Dit blijkt uit een studie van Robert J. Brulle en Carter Werthman van Brown University in Providence, Rhode Island. De onderzoekers bekeken 214 organisaties in vijf grote sectoren – steenkool/staal/spoor, olie en gas, nutsbedrijven, hernieuwbare energie en de milieubeweging – en ontdekte dat elektriciteitsbedrijven het vaakst pr-bureaus inschakelden, gevolgd door olie- en gasbedrijven. Die organisaties gebruikten voornamelijk een handjevol grote pr-bedrijven, zoals Edelman, Glover Park Group, Cerrell en Ogilvy.
‘Pr-bedrijven vormen een groot deel van de propagandamachinerie van bedrijven en ze sturen de manier waarop Amerikanen denken over de problematiek’, aldus Robert Brulle.
Wanhoop niet, schrijft de auteur van Mannen leggen me altijd alles uit in reactie op de klimaatpaniek die ons dreigt te verlammen. Want de strijd is pas over als je denkt dat hij over is. ‘We kunnen nog steeds het gunstigste scenario nastreven in plaats van het ongunstigste.’
Keuze uit het archief
Sinds donderdag is de klimaattop COP28 in Dubai begonnen. Diplomaten en regeringsleiders uit 198 landen zijn aanwezig om met elkaar de toekomst van onze planeet te bespreken. Het belangrijkste agendapunt is het beoordelen of de wereld op schema ligt om de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 te halen.
In dit artikel van The Guardian uit 2019 schrijft de Amerikaanse auteur Rebecca Solnit dat er geen reden is om bij de pakken neer te zitten vanwege de dreigende gevolgen van de klimaatcrisis. Aan de hand van de grote veranderingen die eerder in de geschiedenis tot stand zijn gebracht, betoogt ze dat we ook de klimaatcrisis een halt kunnen toeroepen als we ons ‘met alle passie, kracht en intelligentie die we in ons hebben inzetten voor het uitwerken van betere alternatieven. In plaats van af te wachten wat er gebeurt, kunnen we er zelf voor zorgen dat er iets gebeurt.’
Als reactie op de publicatie van het IPCC-rapport over de klimaatcrisis postte een bevriende stand-upcomedian op Facebook: ‘Klimaatverandering is gewoon angstaanjagend. Is er nog iets om optimistisch over te zijn?’
Veel van haar vriendinnen postten variaties als ‘we zijn verloren’ en ‘het is hopeloos’, wat hun wellicht het gevoel geeft dat ze in ieder geval íéts in deze overweldigende situatie onder controle hebben: de feiten. Dat hebben ze natuurlijk niet.
Ze zetten hun begrijpelijk grote zorgen over het nieuws om in de veronderstelling dat ze precies weten hoe de toekomst gaat uitpakken. Maar dat weten ze niet.
De toekomst ligt nog niet vast. Dat wil zeggen: klimaatverandering is de onweerlegbare realiteit van nu en de toekomst, maar de essentie van het rapport van IPCC (het Intergovernmental Panel on Climate Change van de VN) is dat we nog steeds het gunstigste scenario na kunnen streven in plaats van het ongunstigste.
‘Als je een vrij iemand wil zijn, kom je niet op voor de mensenrechten omdat je succes zult hebben met die actie, maar omdat dat het enige juiste is om te doen’
Natan Sharansky, die negen jaar in een goelag heeft gezeten omdat hij had samengewerkt met Sovjetdissident Andrej Sacharov, herinnert zich wat zijn mentor heeft gezegd: ‘Ze willen ons laten geloven dat er geen kans is op succes. Maar het gaat er niet om of er wel of geen hoop op verandering is. Als je een vrij iemand wil zijn, kom je niet op voor de mensenrechten omdat je succes zult hebben met die actie, maar omdat dat het enige juiste is om te doen. We moeten het fatsoen in ere houden.’
Het fatsoen in ere houden betekent dat iedereen van ons die de middelen daartoe heeft serieuze maatregelen tegen klimaatverandering moet nemen of de huidige inspanningen nog moet vergroten.
Klimaatacties gaan over mensenrechten, omdat de klimaatverandering de kwetsbaarsten het eerst en het zwaarst treft – dat gebeurt al, met perioden van droogte, bosbranden, overstromingen, mislukte oogsten. Die verandering treft de talloze soorten en leefgebieden die van deze aarde zo’n prachtig en complex geheel maken, van de koraalriffen tot de kariboekuddes.
Bezorgdheid en ontzetting over de situatie staan die acties niet in de weg; je kunt klimaathelden kiezen ook al ben je somber gestemd
Nu beslissen we over hoe het leven er in 2100 uit zal zien voor de kinderen die nu worden geboren, en voor hun kleinkinderen, en de kleinkinderen van die kleinkinderen. Ze zullen het tijdperk vervloeken waarin de planeet werd verwoest en misschien zullen ze de herinnering koesteren aan hen die probeerden die verwoesting tegen te gaan.
Volgens het rapport moeten we het gebruik van fossiele brandstoffen in 2030 met 45 procent hebben verminderd; dan zijn die kinderen 12. Dat is moeilijk, maar niet onmogelijk. Actie ondernemen is de beste manier om crises en rechtenschendingen het hoofd te bieden, zowel voor je eigen geweten als voor de samenleving.
Bezorgdheid en ontzetting over de situatie staan die acties niet in de weg; je kunt klimaathelden kiezen ook al ben je somber gestemd. Er is geen garantie op succes – maar net zoals Sacharov en Sharansky zich waarschijnlijk niet konden voorstellen dat de Sovjet-Unie begin jaren negentig uit elkaar zou vallen, zo kunnen wij ook niet precies weten wat er zal gebeuren en hoe onze acties de toekomst mede zullen vormgeven.
Doorbraken
De verhalen over grote veranderingen in het verleden waar ik mijn hoop uit put, gaan vaak over kleine groepen waarvan de ambities aanvankelijk niet realistisch leken. Of ze nu streden tegen de slavernij in het Amerika van voor de burgeroorlog of opkwamen voor de mensenrechten in het Oostblok, die bewegingen groeiden exponentieel en veranderden het bewustzijn en brachten daarna instituties of regimes ten val.
Ook weten we niet welke technologische doorbraken, grootschalige maatschappelijke veranderingen of catastrofale ecologische gevolgen de komende twintig jaar zullen vormgeven. De wetenschap dat we dat niet weten biedt wellicht geen vertrouwen, maar is wel een krachtig middel tegen wanhoop, wat ook weer een vorm van zekerheid is. De toekomst is zo onzeker als die altijd is geweest.
Er zijn in de mondiale klimaatbeweging talloze bemoedigende ontwikkelingen gaande. Twaalf jaar geleden was de beweging klein, versnipperd en gematigd en waren de klimaataanbevelingen vooral bescheiden, met een te grote ‘spaarlampenfocus’ op de individuele moraal.
Maar de individuele moraal heeft alleen invloed als die wordt opgeschaald (en zelfs individuele daden zijn afhankelijk van collectieve beslissingen – ik heb thuis bijvoorbeeld honderd procent groene stroom omdat andere burgers onze amorele energiemaatschappij hebben gedwongen te veranderen, en het is voor mij nu makkelijker om de fiets te pakken omdat er in mijn stad overal fietspaden zijn aangelegd).
De beweging die heeft geageerd tegen pijpleidingen en het vervoer van brandstof per trein, tegen raffinaderijen en overlaadterminals, tegen fracking en het afgraven van bergtoppen, tegen investeerders, de politiek en justitie, en soms heeft gewonnen, laat zien wat er in twaalf jaar kan gebeuren. Sommige van de voorheen als onzinnig beschouwde eisen van klimaatactivisten zijn nu algemeen aanvaard en beleid geworden.
Er zijn nu zo veel projecten, van plaatselijke maatregelen om geleidelijk van fossiele brandstoffen af te stappen tot pogingen om de aanleg van pijplijnen tegen te houden (met enkele grote overwinningen, zoals het stoppen van de Trans Mountain-pijplijn in Canada, waartoe de rechter in augustus 2018 besloot), tot het proces tegen de Amerikaanse regering namens 21 jongeren die de overheid beschuldigen van het schenden van hun rechten en van het vertrouwen van de samenleving.
Bemoedigend
Wat ik ook heel bemoedigend en zelfs indrukwekkend vind, is hoe ingrijpend het mondiale energielandschap in deze eeuw al is veranderd. In het begin van de eenentwintigste eeuw waren duurzame energiebronnen kostbaar, inefficiënt en was de technologie nog niet voldoende ontwikkeld om aan onze energiebehoefte te voldoen.
In een revolutie die bijna even baanbrekend was als de industriële revolutie hebben de toepassing van wind- en zonne-energie alles veranderd; we hebben nu de technologische kennis om grotendeels van fossiele brandstoffen af te kunnen stappen. Toen was dat niet mogelijk, nu wel.
In juli 2018 besloot Californië dat in 2045 de elektriciteit 100 procent CO2-vrij gewonnen moet worden
Dat is verbluffend. En bemoedigend. In Costa Rica is 98 procent van de energie groen, fantastisch. Schotland sloot in 2016 zijn laatste kolencentrale en de totale uitstoot is daar nu de helft van wat die was in 1990. Texas gebruikt steeds meer energie gewonnen uit wind in plaats van uit kolen – op redelijke dagen ongeveer een kwart en op zeer gunstige dagende helft. Iowa wint al meer dan een derde van zijn energie uit wind omdat wind al rendabeler is dan fossiele brandstoffen, en er worden steeds meer windmolens gebouwd.
Steden en staten in de VS en elders stellen ambitieuze doelen om het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen of om helemaal duurzaam te worden. In juli 2018 besloot Californië dat in 2045 de elektriciteit 100 procent CO2-vrij gewonnen moet worden.
Overal ter wereld vertellen dergelijke verhalen ons dat de transitie al aan de gang is. De schaal en de snelheid moeten omhoog, maar we staan vandaag in ieder geval niet helemaal aan het begin.
Actie ondernemen is de beste manier om crises en rechtenschendingen het hoofd te bieden
Het IPCC-rapport beveelt aan dat er op veel fronten dringend iets moet gebeuren – van hoe we voedsel produceren tot hoe we het land inrichten (meer bossen) tot hoe we energie genereren en gebruiken (en de niet zo sexy aanbeveling om zuinig met energie om te gaan). Het rapport noemt vier routes die ons vooruit moeten helpen, waarvan er drie afhankelijk zijn van nog niet ontwikkelde CO2-afvang en oplsagtechnologie en de vierde onder meer inhoudt dat we het gebruik van fossiele brandstoffen drastisch reduceren en heel veel bomen planten.
De voornaamste hindernissen voor deze transitie zijn politiek; de energiemaatschappijen, de oliemaatschappijen en de regeringen die hier onbeschaamd mee verweven zijn. Ik sprak Steve Kretzmann, sinds lange tijd de directeur van de beleids- en actiegroep Oil Change International (waarvan ik bestuurslid ben), en hij vertelde over de twee punten waar klimaatacties zich op moeten richten: het veranderen van de consumptie en het veranderen van de productie.
Vechten
Het aanpakken van de productie wordt vaak vergeten, en plaatsen zoals Alberta in Canada scheppen graag op over hun energiebesparende projecten terwijl de energieproductie – in het geval van Alberta de teerzanden – een gevaar vormt voor de toekomst van de planeet. Het aanpakken van de productie betekent dat je moet vechten tegen enkele van de machtigste en meest meedogenloze bedrijven ter wereld en de regimes die hen beschermen en door hen worden beloond, of, zoals bij Rusland en Saoedi-Arabië en tot op zekere hoogte ook bij de VS, er onlosmakelijk mee verbonden zijn.
‘Hier moeten we reëel over zijn,’ zei Steve: ‘We hebben het over de olieindustrie en daar worden oorlogen om gevoerd. Er ligt daar veel politieke macht en veel mensen verdedigen die macht.’ Maar hij merkt ook op: ‘Zodra duidelijk wordt dat die macht substantieel en onomkeerbaar afneemt, spat die uit elkaar.’
Dat uit elkaar spatten kun je bespoedigen door te snijden in de gigantische subsidies, en door afstand te nemen van de oliemaatschappijen – tot op heden heeft de eens zo bespotte ‘divestment’-beweging er al voor gezorgd dat vele miljarden aan investeringen zijn teruggetrokken.
Zoals Damien Carrington het verwoordt: ‘De grote oliemaatschappijen zoals Shell hebben dit jaar [2018] desinvestering genoemd als een wezenlijke bedreiging voor hun bedrijf.’ Ook moeten we de productie van fossiele brandstoffen direct stoppen, met een rechtvaardige overgangsregeling voor de mensen die in die sector werken.
Vijf landen – Belize, Ierland, Nieuw-Zeeland, Frankrijk en Costa Rica – werken al aan een verbod op verdere exploratie en winning, en de Wereldbank deed de wereld in december 2017 opschrikken toen de bank aankondigde na 2019 te stoppen met de financiering van de winning van olie en gas.
December vorig jaar kondigde ook Denemarken aan om per 2050 te stoppen met de winning van olie en gas:
Omdat de komst van schone energie voor veel nieuwe banen zorgt – banen die geen zwarte longen veroorzaken en niet de leefomgeving vergiftigen – zijn er veel bijkomende voordelen. Fossiele brandstof is, nog afgezien van de koolstof die in de atmosfeer wordt gepompt, puur gif: van de kwik die de lucht verontreinigt als kolen worden verbrand en de bergen steenkoolas tot de giftige emissies en waterverontreiniging door fracking en de kwaadaardige chemicaliën die door raffinaderijen worden uitgestoten tot de fijnstof uit auto’s.
Het mondiale energielandschap in deze eeuw al ingrijpend veranderd
Over brandstof wordt vaak gesproken alsof we het gebruik daarvan moeten ‘opgeven’, alsof het om een verlies gaat, maar afzien van het gebruik van gif hoeft niet als een offer gezien te worden.
Het is niet alleen onze taak ons een beeld te vormen van de door de klimaatverandering veroorzaakte verwoesting en het immense verschil tussen een opwarming van 2 à 3 graden of van 1,5 graad, maar ook van de voordelen die de transitie naar duurzame energie met zich brengt. Het afnemen van de kwaadaardige macht van de oliemaatschappijen zou al een zeer ingrijpende verandering zijn, zowel politiek als ecologisch.
Ik weet niet precies of we zullen uitkomen waar we moeten zijn, of hoe we dat moeten doen, maar ik weet wel dat we ons met alle passie, kracht en intelligentie die we in ons hebben moeten inzetten voor het uitwerken van betere alternatieven. Wat we nodig hebben is een revolutie, en we kunnen beginnen met ons die ten doel te stellen en onze uiterste best te doen om hem te realiseren. In plaats van af te wachten wat er gebeurt, kunnen we er zelf voor zorgen dat er iets gebeurt.
Trouwens, de stand-upcomedian die ik eerder noemde: zij organiseert al benefietvoorstellingen ten bate van klimaatgroepen.
Dat de hele wereld – in meer of mindere mate – werd platgelegd om corona te bestrijden, had als bijeffect dat ook de CO2-uitstoot omlaagging. Maar heeft het klimaat wel prioriteit als straks de economie weer uit het slop moet worden getrokken?
Dossier Klimaat
Nu vrijwel overal ter wereld is begonnen met vaccineren en het einde van de coronacrisis in zicht is, selecteren wij artikelen voor u uit ons archief die onze blik weer op een ander urgent probleem richten: de klimaatcrisis.
Dit artikel verscheen eerder op 11 juni 2020 in nummer 181 van 360 Magazine.
Hoe zal de strijd tegen de opwarming van de aarde er over een jaar uitzien, in de wereld na corona? Die vraag wordt dezer dagen vaak gesteld door beleidsdeskundigen en activisten, en het is een vraag met grote implicaties. Sommigen hopen dat de crisis het beste in ons en onze leiders naar boven zal brengen, en dat de heropleving van stevig overheidsingrijpen in deze pandemie perspectief biedt voor de strijd tegen klimaatverandering.
Anderen vrezen het ergste: dat in het streven om de zwaar getroffen wereldeconomie nieuw leven in te blazen het klimaat straks weer onderaan de internationale agenda zal belanden.
De optimisten vinden, net als Bill Gates, dat de strijd tegen de pandemie en die tegen de klimaatverandering politiek gezien op hetzelfde neerkomen. In beide gevallen hebben we volgens Gates behoefte aan ‘innovatie en wetenschap en een wereld die samenwerkt’. De manier waarop covid-19 ons leven op zijn kop zet, zal ons volgens de optimisten doordringen van de voordelen van onderlinge hulp en zal beleidsmakers voorzichtiger maken bij toekomstige gevaren; ze zullen meer geneigd zijn om gehoor te geven aan de waarschuwingen van deskundigen, en minder om te blijven denken dat het allemaal wel zal loslopen.
Krachtige overheid
Ze hopen ook dat de samenleving als geheel zal erkennen dat de overheid de macht en de taak heeft om doortastend op te treden in het algemeen belang, of dat nu met het opleggen van een lockdown is of met daadkrachtig beleid om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. ‘De overheid heeft een grote centrale rol in de bescherming van onze veiligheid en gezondheid in tijden van crisis,’ zegt Mark Maslin, een klimatoloog van University College London. ‘We moeten deze nieuwe acceptatie van de dominantie van de overheid in ons leven gebruiken om de economie in ons land en elders een grondslag van grotere duurzaamheid te geven.’
De optimisten weten zich gesterkt door mensen als Fatih Birol, de directeur van het Internationaal Energieagentschap in Parijs, die de crisis vorige maand omschreef als ‘een historische kans om energie-investeringen de richting van de duurzaamheid op te sturen’. De regeringen van de G20 hebben samen al zo’n 5 biljoen dollar uitgetrokken voor de stimulering van hun eigen economie na de lockdown, en Birol roept ze op om ‘van schone energie de kern te maken van hun plannen ter bestrijding van de coronacrisis’.
Als ze dat doen, zou het een keerpunt kunnen zijn. Nu door de lockdown de vervuiling enorm is afgenomen, voorspelt Glen Peters, directeur van het Center for International Climate Research in Oslo, dat 2020 ‘met goed beleid het jaar kan worden dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen zijn historische hoogtepunt heeft bereikt’.
Maar er gaan ook pessimistischer stemmen op. Die waarschuwen dat de gunstige effecten van de kortstondige lockdown worden overschat. Volgens de meeste analisten zal de daling van de CO2-uitstoot van zeer korte duur zijn. In China daalde die uitstoot in februari met zo’n 25 procent, omdat er veel kolencentrales werden stilgelegd. Maar Lauri Myllyvirta van het Finse Center for Research on Energy and Clean Air zegt dat de verbranding van steenkool eind maart alweer op het oude niveau was.
‘De coronacrisis levert in de strijd tegen klimaatverandering meer tijdverlies dan -winst op’
Wereldwijd zal de daling van de CO₂-uitstoot in 2020 waarschijnlijk heel klein zijn, ergens tussen de 0,5 en 2,2 procent, aldus Zeke Hausfather en Seaver Wang, klimaatwetenschappers van het Californische Breakthrough Institute. [Volgens ramingen die in december door het Global Carbon Project zijn vrijgegeven, is de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 5,6 procent gedaald.] De CO2-concentratie in de dampkring, de thermostaat van de aarde, zal waarschijnlijk blijven stijgen. ‘Zo te zien gaat de coronacrisis ons in de strijd tegen klimaatverandering meer tijdverlies dan tijdwinst opleveren,’ zegt Hausfather.
De pessimisten zijn bang dat de crisis op politiek gebied ook eerder een stap achteruit dan vooruit zal betekenen. De combinatie van burgers die angstig zijn en overheden en bankiers die met alle macht proberen de economische groei weer aan te zwengelen zal politieke kortzichtigheid en nationalisme stimuleren. De doemdenkers waarschuwen dat de economische stimuleringspakketten vooral steun zullen bieden aan oude, energie- intensieve en fossiele brandstof slurpende sectoren en ruim baan zullen geven aan de verdere plundering van natuurlijke hulpbronnen zoals de regenwouden.
‘Het virus heeft een economische crisis veroorzaakt, en de mensen zullen minder bereid zijn te betalen voor het redden van toekomstige generaties,’ zegt Dieter Helm, die als energie-econoom aan de Universiteit van Oxford meerdere Britse kabinetten van advies heeft gediend. Hij vraagt zich af of met de uitbraak van het virus ‘het neutraliteitsstreven wellicht over zijn hoogtepunt is’: dat het eindelijk breed gedragen doel van volledig klimaatneutrale energiewinning rond 2050 straks weer van de politieke agenda verdwijnt.
Op oude voet
Volgens de pessimisten zal men ook driftig proberen om ‘belemmerende’ regelgeving terug te dringen door milieuwetgeving te schrappen of simpelweg niet te handhaven. En de ‘oorlog’ tegen het virus zal ten koste gaan van de aandacht voor andere gevaren die ons voortbestaan bedreigen, zoals de klimaatverandering.
‘Als er verkeerd mee wordt omgegaan, kan de pandemie alle vaart uit de al genomen maatregelen en beleidsvoornemens halen,’ zegt Andrew Norton, directeur van het in Londen gevestigde International Institute for Environment and Development. Als er biljoenen dollars worden uitgegeven om bedrijven te helpen op de oude voet voort te gaan, ‘houden we geen financiële middelen meer over om te investeren in een emissieloze toekomst’, beaamt Martin Siegert, medeoprichter van het Grantham Institute for Climate Change van Imperial College London. Dus welke kant gaat het op?
De Verenigde Staten zijn slecht begonnen. De Amerikaanse milieu-inspectie heeft al aangekondigd de industrie in deze zware tijden te helpen door de handhaving van de milieuwetgeving grotendeels op te schorten. En het Congres heeft een stimuleringspakket van 2,2 biljoen dollar goedgekeurd waarmee het weliswaar geen belastinggeld stopt in een reddingsplan voor de toch al noodlijdende steenkolenindustrie, maar ook geen duurzaamheidseisen stelt aan de bedrijven die wel steun krijgen. Zoals de luchtvaartsector: hun lobbyisten hebben met succes geijverd voor het schrappen van de voorwaarde dat hun CO2-uitstoot in 2050 gehalveerd moet zijn – ook al had de sector zich daarop al eerder vastgelegd.
Activisten zijn hier boos over en voeren de druk op om aan toekomstige steunpakketten wel milieueisen te verbinden. Maar volgens Ted Nordhaus en Alex Trembath van het Breakthrough Institute zullen ze, om de komende maanden iets te bereiken, ‘minder tijd moeten stoppen in het klimatologische pleidooi tegen de infrastructuur die ze willen afbreken, en meer in de economische onderbouwing van de infrastructuur die ze willen bouwen.’
Myllyvirta waarschuwt dat ook China’s aangekondigde stimuleringspakket ‘niet rept over de milieu- of klimaataspecten van veel stimuleringsmaatregelen’. En de laatste weken is er ineens een hele reeks nieuwe kolencentrales goedgekeurd. Het enige goede nieuws is dat ook de productie van zonnepanelen enorm is gestegen. Eén Chinese fabrikant, GCL Systems, heeft plannen ingediend voor een fabriek die jaarlijks genoeg panelen kan leveren om 60 gigawatt aan stroom te produceren – de helft van de huidige wereldmarkt.
In Europa heerst meer optimisme. In de woorden van de Britse milieu-econoom en VN-adviseur Nicholas Stern: ‘Dit is het moment om een nieuw internationalisme te smeden en uit deze crisis te komen met een economie die veel duurzamer en weerbaarder is en meer in harmonie met de natuur, om voort te bouwen op onze verbondenheid en gedeelde kwetsbaarheid.’
Het beeld van ‘afgelaste vluchten, lege winkels en wegen, van consumptie teruggebracht tot het zuiver noodzakelijke, van videovergaderen en thuiswerken, dwingt ons na te denken over alles wat we altijd vanzelfsprekend hebben gevonden,’ zegt Chris Hilson, hoofd van het Reading Center forClimate and Justice van de Universiteit van Reading.
Green Deal
De Europese Unie zegt zich met haar stimuleringspakket te willen houden aan de onlangs aangekondigde Green Deal om de CO2-uitstoot terug te dringen. Maar er klinken ook tegengeluiden. De Tsjechische premier Andrej Babis heeft al opgeroepen om de Green Deal op te geven ten bate van de strijd tegen het virus. De Poolse regering pleit voor opschorting van het Europese systeem van emissiehandel, dat grote vervuilers bestraft. En de belangenvereniging van Europese autofabrikanten ACEA roept op tot uitstel van de invoering van de voorgenomen doelen ter verlaging van de CO2-uitstoot.
Maar Frans Timmermans, de vicevoorzitter van de Europese Commissie die over de Green Deal gaat, twitterde vanuit zelfisolatie: ‘We brengen nu terecht veel offers, maar als er betere tijden komen – en die zullen komen – dan zijn we vastberadener dan ooit om onze mensen en onze planeet te beschermen en te genieten van de natuur die ons omringt.’
En misschien is dat geen wensdenken. Sommige marktanalisten denken dat deze crisis net het duwtje is dat de wereld nodig had om het oude energiebeleid naar de mestvaalt van de geschiedenis te verwijzen. Zij wijzen vooral op de olieprijzen, die eind maart kelderden tot een niveau dat ze in geen achttien jaar hadden gehaald. En als later dit jaar de rem eraf gaat in de economie, kunnen die lage prijzen weliswaar leiden tot een grote stijging van de vraag, maar door de lage prijzen zijn veel olieputten nu verlieslatend en toekomstige investeringen in nieuwe olie- en gasvelden onrendabel. Volgens deze analisten zou de prijsschok ons dan ook versneld naar de absolute piek in olieproductie kunnen leiden, waarna de oliewinning gestaag zal afnemen.
‘Vergroening blijft het komende decennium een aantrekkelijke beleggingsoptie’
Jessica Alsford, hoofd duurzaamheidsonderzoek bij Morgan Stanley, publiceerde in april een artikel waarin ze op basis van gesprekken met investeerders concludeert dat de ontwikkeling van klimaatbeleid op de korte termijn weliswaar vertraging kan oplopen, maar ‘vergroening het komende decennium een aantrekkelijke beleggingsoptie blijft’. Het dalende rendement van de olie-industrie ‘kan geld vrijmaken voor duurzame energie’. De lage prijzen kunnen overheden er ook toe aanzetten een eind te maken aan de bestaande subsidies voor fossiele brandstoffen en over te stappen op economische stimuleringspakketten voor schone energie. Al met al, schrijft ze, ‘blijkt uit onze analyse dat de huidige crisis het afscheid van fossiele brandstoffen kan versnellen’.
Valentina Kretzschmar van het energieadviesbureau Wood Mackenzie denkt ook dat het investeringsrendement voor duurzame energie door de lage olieprijzen alleen maar beter wordt: ‘Kapitaal stroomt niet meer alleen naar Big Oil. Projecten voor hernieuwbare energie gaan er opeens net zo aantrekkelijk uitzien.’ Veelzeggend: de grootste schaliegasproducent in North Dakota, Whiting Petroleum, volgens de website nog steeds een bedrijf met een ‘sterk en verantwoord plan voor het creëren van langetermijnwaarde’, heeft op 1 april faillissement aangevraagd.
Terugslag
Maar ook als groene investeringen het economische tij meehebben, kan het in de politiek nog heel anders lopen. Optimisten mogen graag beweren dat de door het coronavirus veroorzaakte onzekerheid het publiek weer doet verlangen naar de kennis van deskundigen en daadkracht van bestuurders, zodat de waarschuwingen van klimaatwetenschappers serieuzer genomen zullen worden. Maar sommige pessimisten vrezen juist een rechtse terugslag: dat op de een of andere manier niet het virus zelf, maar de experts de schuld zullen krijgen van de crisis en de nawerking daarvan. Een begin daarvan hebben we vorige maand misschien al gehoord in Trumps speculatie dat de (door experts voorgestelde) ‘remedie niet erger mag zijn dan het probleem zelf’.
Milieuactivisten krijgen nu al kritiek van libertarisch rechts omdat ze juichen over de afname van de luchtvervuiling, terwijl het virus de economie verwoest. Brendan O’Neill, de hoofdredacteur van het mede door de conservatieve Charles Koch Foundation gefinancierde onlinetijdschrift Spiked, zegt dat ‘deze pandemie ons toont hoe het leven eruit zou zien als de milieuactivisten hun zin kregen’. Carl-Friedrich Schleussner van de internationale denktank Climate Analytics heeft er op de website Carbon Brief al voor gewaarschuwd: ‘Het verhaal dat de economische catastrofe van het coronavirus “goed” is voor het klimaat, is een gevaarlijke boodschap, die de steun voor klimaatmaatregelen kan ondermijnen.’
De strijd om de steun van de burger is dus begonnen. Nu de VN-klimaattop van november is uitgesteld naar medio volgend jaar, zullen zowel de optimistische als de pessimistische geluiden nog geruime tijd te horen zijn. Het is afwachten of de afgevaardigden op de top van 2021 in Glasgow met verdubbelde kracht zullen trachten de klimaatcrisis af te wenden, of dat het klimaat dan inmiddels nog maar een voetnoot bij de agenda van hun regering is.
Het valt niet meer te ontkennen: watertekorten, natuurbranden, een stijgende zeespiegel en extreem weer staan voor ieders deur. Strijdbaarheid is de sleutel, beweren klimaatactivisten. Wanhoop en verlamming slaan pas toe als we denken dat er niets meer aan te doen is.
Keuze uit het archief
Afgelopen week was het weer zover: klimaatactivisten gooiden soep over een schilderij om aandacht te vragen voor de klimaatverandering. Dit keer was de Mona Lisa de klos. Verder vonden er boerenprotesten plaats naar aanleiding van het plan van de EU om boeren meer milieuregels op te leggen.
Wat men ook van zulke acties vindt, één ding is zeker: er is dringend actie nodig om een dramatische ontwikkeling van het klimaatprobleem af te wenden, aldus David Wallace-Wells in zijn boek De onbewoonbare aarde, dat ruim vier jaar geleden uitkwam. Het boek schetst niet alleen rampzalige klimaatscenario’s, maar wijst ook een oplossing aan: tijdig actie ondernemen en niet bij de pakken neerzitten.
De onbewoonbare aarde, het nieuwe boek van David Wallace-Wells over de gevolgen van klimaatverandering voor de mens, begint met de zin: ‘Het is erger dan je denkt, veel erger.’ Steden waar de extreme hitte het asfalt doet smelten en spoorlijnen kromtrekken. Grote delen van de aarde die na vijf graden opwarming continu met droogte kampen. En als de zeespiegel maar zes meter stijgt – een optimistisch scenario – komen gebieden waar nu 375 miljoen mensen wonen onder water te staan. Sommige van zijn apocalyptische verhalen zijn geen toekomstvoorspellingen, maar komen uit het recente verleden: eind 2018 grepen de bosbranden in Californië zo snel om zich heen dat evacués ‘langs exploderende auto’s moesten rennen terwijl hun schoenen aan het smeltende asfalt bleven plakken’.
De grote lijnen van het door Wallace-Wells geschetste beeld kunnen geen verrassing zijn voor iedereen die een beetje heeft opgelet. We stevenen af op – of bevinden ons eigenlijk al in – een tijdperk van watertekorten, natuurbranden, een stijgende zeespiegel en extreem weer. Wanneer zou de stad waar ik woon onder water lopen? Waar moet ik dan gaan wonen? Waar moeten mijn toekomstige kinderen wonen? Moet ik wel kinderen willen?
Maar Wallace-Wells benadrukt ook dat fatalisme uit den boze is. In een radio-interview op National Public Radio zei hij dat ‘elke honderdste graad opwarming verschil maakt’: we kunnen de opwarming niet volledig ongedaan maken, maar we hebben nog wel in de hand of het uitloopt op een toekomst die apocalyptisch is of ‘alleen maar beroerd’.
Enkele jaren geleden vroeg ik de klimaatactivist en schrijver Bill McKibben al eens hoe hij erin slaagde niet depressief te raken van al dat denken over de klimaatverandering. Hij zei dat strijdbaarheid de sleutel is. De wanhoop slaat pas toe als je denkt dat er niets meer aan te doen is. ‘Dit is de belangrijkste strijd in de geschiedenis van de mensheid, een strijd waarvan de uitkomst zal nagalmen op de geologische tijdsschaal, en die strijd moet nu worden geleverd,’ zei hij.
Mentale blokkades
In 2008 en 2009 zette de American Psychological Association (APA) een werkgroep op om de relatie tussen psychologie en klimaatverandering te onderzoeken. De uitkomst was dat mensen klimaatverandering wel belangrijk vonden, maar ‘geen gevoel van urgentie’ hadden. De werkgroep beschreef verschillende mentale blokkades die aan deze genoegzaamheid bijdroegen: onzekerheid over de ernst van de klimaatverandering, argwaan jegens de wetenschap en ontkenning van het menselijk aandeel in het probleem. Ondervraagden hadden de neiging de gevaren te bagatelliseren en te denken dat er nog genoeg tijd was om veranderingen door te voeren voordat de gevolgen echt merkbaar zouden worden.
Tien jaar later lijkt deze manier van denken al iets uit een ver verleden. Maar twee door de werkgroep beschreven mechanismen die mensen ervan weerhouden om in actie te komen, spelen nog steeds een cruciale rol: de macht der gewoonte en een gevoel van machteloosheid. ‘Ingesleten gedragspatronen zijn bijzonder moeilijk te veranderen’, schreef de werkgroep. ‘Mensen denken dat wat zij zelf doen nooit veel kan uithalen, dus doen ze maar niets.’
29% van de respondenten van een onderzoek uit 2018 is verontrust als het gaat om klimaatverandering
Ook Wallace-Wells schrijft in zijn boek dat ‘we ons het beste [lijken] te voelen bij een houding die wordt gekenmerkt door machteloosheid’. Nu de ernst van het klimaatprobleem steeds minder wordt betwijfeld, maken ontkennende reacties plaats voor al even verlammende gevoelens van paniek, angst en berusting. We beginnen de enorme gevaren van de klimaatverandering inmiddels aan den lijve te ondervinden en, zoals een psycholoog het tegen mij uitdrukte, ‘dan belanden we op het terrein van de psychologie, of we het leuk vinden of niet.’
John Fraser is een klimaatpsycholoog die zich heeft verdiept in burn-out en trauma’s bij mensen die zich inzetten voor het milieu. ‘We moeten meer doen dan mensen alleen maar de stuipen op het lijf te jagen met gruwelverhalen,’ zegt hij. Reacties op de klimaatverandering worden vaak beschreven als een breed spectrum, variërend van ontkenning en verdringing aan de ene kant tot grote verontrusting aan de andere.
En onze verontrusting groeit. In een onderzoek van Yale en de George Mason-universiteit werden Amerikaanse reacties op de klimaatverandering in 2009 onderverdeeld in zes categorieën: verontrusting, bezorgdheid, bedachtzaamheid, verdringing, twijfel en ontkenning. In 2009 toonde 18 procent zich verontrust, in 2018 was dat aantal gestegen tot 29 procent.
“De eerste stap is het gevoel dat het probleem oplosbaar is”
Fraser vindt dat je mensen beter kunt stimuleren dan verontrusten en meet zich daarom een onverwoestbaar positieve en oplossingsgerichte houding aan. ‘We zijn erin geslaagd om binnen een paar jaar spoorlijnen door heel Amerika te leggen, en om binnen een paar jaar mensen op de maan te zetten,’ zegt hij. En er zijn volop ideeën voor ambitieuze klimaatoplossingen. Installaties die CO2 uit de lucht halen zijn onmogelijk duur, maar ze bestaan. Sommigen pleiten ervoor om kernenergie weer te stimuleren. Voorstanders van de Green New Deal pleiten tegen de winning en subsidiëring van fossiele brandstoffen en voor drastische uitbreiding van het openbaar vervoer.
Uit Silicon Valley komen ideeën die meer technologisch dan politiek zijn: woestijnen onder water zetten om er algen te kweken die CO2 opnemen. Of een elektrochemisch procedé waardoor gesteente CO2 gaat opnemen. Naar mogelijke oplossingen wijzen is volgens Fraser de beste manier om over milieuproblemen te praten. ‘We moeten de hoop aanjagen,’ zegt Fraser. ‘De eerste stap naar een gezonde reactie is het gevoel dat het probleem oplosbaar is.’
‘Is het goed om doodsbang te zijn? Nee,’ zegt hij, ‘want dan blokkeer je alleen maar.’
Gezonde reactie
Margaret Klein Salamon, die na haar opleiding als klinisch psycholoog een actiegroep voor klimaatbewustwording heeft opgericht, is het daar helemaal niet mee eens. Volgens haar werkt angst niet verlammend, maar is het een noodzakelijke emotie die mensen helpt gevaren te onderkennen en in actie te komen. En gezien de huidige toestand van de aarde is grote angst niet meer dan logisch. ‘Het is belangrijk om bang te zijn voor dodelijke bedreigingen. Dat is een gezonde reactie,’ zegt ze. Volgens haar moeten mensen eerst van de omvang van het probleem zijn doordrongen, voordat ze worden geprikkeld tot verantwoord gedrag en de mentale vruchten kunnen plukken van het ‘leven met klimaatwaarheid’.
Salamon, zelf een kind van psychiaters, noemt therapie ‘een beetje een familiebedrijf’ en werkt aan een zelfhulpboek over het onderwerp, getiteld Transform Yourself with Climate Truth. Volgens haar is het niet zo gek dat mensen de waarheid over de klimaatcrisis niet aankunnen en allerlei afweermechanismen ontwikkelen. Ga maar na: wat wij nu nog een hittegolf noemen, is over twintig jaar waarschijnlijk de normale temperatuur.
In 2045 zullen meer dan 300.000 Amerikaanse woningen aan de zee ten prooi zijn gevallen. In 2100 zal alleen al in Amerika voor 1 biljoen dollar aan vastgoed verloren zijn gegaan. Hoe meer CO2 er in de lucht komt, hoe meer suiker en hoe minder andere voedingsstoffen er in gewassen zitten: in 2050 is groente een soort junkfood. En alles wat slecht is voor het klimaat, valt voor een groot deel samen met onze materialistische versie van een fijn leven: vlees, vliegreizen, airco. ‘Het hoort bij het menselijk bestaan dat we geregeld met tegenstrijdige belangen kampen.
In 2045 zullen meer dan 300.000 Amerikaanse huizen ten prooi zijn gevallen aan de zee
Daaruit ontstaan onze afweermechanismen,’ zegt Salamon. Ze houdt af en toe een telefonisch spreekuur waarop mensen kunnen inbellen om te praten over klimaatverandering en klimaatactivisme. Dan komen er allerlei emoties naar boven: schaamte en schuldgevoel, verdriet, paniek, machteloosheid en zelfs een soort ‘vrolijke vernielzucht’ bij mensen die boos zijn dat hun waarschuwingen zijn genegeerd. Salamon vindt het belangrijk dat we ook leren met de klimaatverandering om te gaan als een persoonlijk en emotioneel verschijnsel, niet alleen als wetenschappelijk fenomeen. Iedereen moet kunnen rouwen om zijn of haar toekomst, zegt ze, omdat die er anders zal uitzien dan we hadden gedacht. Met meer droogte en overbevolking, meer gevaar en minder luxe.
In oktober 2017 nam Wallace-Wells op de jaarlijkse conferentie van de Society of Environmental Journalists deel aan een paneldiscussie getiteld ‘Doem-denken: ethiek en doelmatigheid van de berichtgeving over doemscenario’s’. Daarin kwamen grofweg dezelfde twee keuzes aan bod: je lezers bang maken of hoop bieden. Wallace-Wells koos heel duidelijk voor het eerste en verwees daarbij naar iets wat de schrijver Ta-Nehisi Coates tegen hem had gezegd: ‘Dat mensen hoop nodig hebben, mag geen reden zijn om ze niet de waarheid te vertellen.’ Bovendien kan angst ook nuttig zijn, zei Wallace-Wells: de dreiging van gegarandeerde wederzijdse vernietiging dreef wereldleiders ertoe een eind te maken aan de Koude Oorlog, en uit angst voor kanker stoppen mensen met roken. ‘Het is iets te simplistisch om te denken dat alles wat eng is meteen ook verlammend werkt, en ik vind het ook een beetje betuttelend,’ zei hij.
Verzoenen
Ook in het panel zat de psycholoog en communicatiedeskundige Renee Lertzman, die het tijd vond om ‘korte metten te maken met de valse tegenstelling’ tussen vrees en hoop, of tussen waarheid en optimisme. Het probleem van de doemscenario’s is volgens haar niet per se dat ze beangstigend zijn, maar dat ze bijna als een film aan ons voorbijtrekken: we worden buiten de actie geplaatst en in de ‘politiek neutraliserende’ positie gemanoeuvreerd van ‘geprikkelde, opgehitste, bange toeschouwers’. In haar boek Environmental Melancholia schrijft ze dat onverwerkte rouwgevoelens over de ecologische verwoesting eraan bijdragen dat mensen niet in actie komen tegen de klimaatproblemen.
Dit ‘gestolde, onvolgroeide rouwproces’ werkt verlammend, schrijft ze. Lertzman vindt dat we over het klimaat moeten praten op een manier die mensen de ruimte geeft hun gevoelens te verwerken of althans onder ogen te zien. Alleen al door in het begin van het gesprek ruimte te laten voor een simpele verzuchting als ‘God, wat heftig’, zegt Lertzman, ‘maak je een heleboel energie vrij om te kunnen doorpakken naar een oplossingsgerichtere houding’. Het is een gangbare tactiek in de psychologie: eerst erkennen hoe moeilijk iets is, om er vervolgens dieper in te duiken. Het doet mij denken aan de tact van een goede arts die een nare boodschap moet brengen.
Er zijn volop ideeën voor ambitieuze klimaatoplossingen
Maar volgens Lertzman is het nog lastiger: omdat we zelf schuld dragen aan de klimaatcrisis, is het meer alsof je een nare diagnose te horen krijgt die het resultaat is van je eigen leef-gewoontes. Je krijgt niet alleen een sombere toekomst te verhapstukken, maar ook nog je eigen aandeel daarin. ‘We moeten ons ermee verzoenen dat onze manier van leven niet meer houdbaar is, en dat we zelf het roer moeten omgooien,’ zegt ze.
‘Wat heel goed werkt, is mensen het gevoel geven dat je ze uitnodigt en stimuleert om deel te nemen aan iets constructiefs, en ze een veilige sfeer bieden om te verwerken hoe ingrijpend het allemaal is,’ zegt Lertzman. Dat sluit aan bij Bill McKibbens advies dat activisme de enige remedie tegen klimaatangst is. Susan Clayton, hoogleraar sociale psychologie en milieustudies (en tien jaar geleden lid van de hierboven genoemde APA werkgroep over klimaatverandering), zegt ook zoiets: gezamenlijke inspanningen ten bate van het klimaat zijn volgens haar ook heilzaam voor de geest. ‘Het is net zoiets als bij de burgerrechtenbeweging,’ zegt ze. ‘Je samen ergens voor inzetten geeft kracht en bevestiging.’
Kinderachtig
In een indringend essay op de website Medium stelt Mary Annaïse Heglar, werkzaam bij de milieuorganisatie Natural Resources Defense Council, dat de klimaatbeweging nog veel van de burgerrechtenbeweging kan leren. Klimaatverandering mag dan misschien de eerste existentiële bedreiging vormen voor de hele mensheid, de Verenigde Staten vormen al eeuwenlang een existentiële bedreiging voor zwarte mensen. Over het doelbewuste geweld in de tijd van de segregatie schrijft ze: ‘Probeer te begrijpen hoe overweldigend en onontkoombaar dat toen moet hebben gevoeld. Besef dat er geen einde in zicht was. (…) Als zij kinderen op de wereld zetten, vreesden ze ook altijd voor hun toekomst.’
De bosbranden en overstromingen van ons veranderende klimaat zijn in de geschiedenis misschien nooit eerder voorgekomen, maar de dreiging van totale vernietiging wel: Wallace-Wells en Salamon noemen allebei het voorbeeld van hun voorouders, die de Holocaust hebben meegemaakt. Zo bezien is het niet alleen onhoudbaar maar ronduit kinderachtig om te vervallen in het soort stille klimaatontkenning waarbij je het fenomeen niet zozeer ontkent, als wel je kop ervoor in het zand steekt omdat het zo akelig is om over na te denken. Zoals Heglar schrijft: ‘Tegen zoiets vecht je niet omdat je denkt dat je kunt winnen. Je vecht omdat het moet.’
Halverwege De onbewoonbare aarde geeft Wallace-Wells de ‘moedige lezer’ een schouderklopje dat die zijn boek nog niet heeft weggelegd, ondanks de opsomming van ‘genoeg gruwelen om paniek te zaaien, ook bij de meest optimistische personen’. Zelf had ik een heftige fysieke reactie op het boek: mijn hart begon te bonzen toen ik las welke rampen ons allemaal te wachten staan. De tranen sprongen me in de ogen toen ik zijn tijdlijnen naast die van mijn eigen leven legde, of van mijn eventuele kinderen. Maar al lezend begon het na enkele dagen wel te wennen. Ik kon het steeds beter zuiver verstandelijk lezen, zonder dat meteen mijn vecht-of-vluchtreactie opspeelde. Dat gaf gek genoeg een gevoel van kracht.
Wallace-Wells schrijft dat de afgelopen eeuw van fossielebrandstofwinning en industrieel kapitalisme een manier van leven mogelijk heeft gemaakt waarvan ik de vruchten pluk. Dat dankzij dit systeem ‘miljarden mensen zich nu tot de middenklasse kunnen rekenen’. Toch is dat systeem toe aan radicale herziening. Moderne mensen hebben de neiging, schrijft hij, om menselijke systemen onaantastbaarder te wanen dan natuurlijke systemen: ‘Daarom komt het idee om het kapitalisme zo te verbouwen dat het uit de grond halen van fossiele brandstof niet meer loont, ons onhaalbaarder voor dan het idee om zwavel de lucht in te blazen, zodat we een rode hemel krijgen en de planeet een paar graden afkoelt.’ En daarom lijkt het misschien makkelijker, schrijft hij, om overal ter wereld fabrieken neer te zetten die CO2 uit de lucht moeten halen dan om gewoon een eind te maken aan de subsidiëring van fossiele brandstof.
Dat zijn de conflicterende waarheden die we met elkaar moeten verzoenen: dat een leefbare wereld onverenigbaar is met het gebruik van fossiele brandstof, en dat we de wereld waarin wij leven aan fossiele brandstof te danken hebben.
Het is een hele klus om onze economie te laten afkicken van fossiele energie, maar het is nodig. Het wordt moeilijk, maar niet zo moeilijk als het wordt om het hele scala aan rampen te overleven dat ons te wachten staat als we het niet doen. Dat is wat mij betreft de grote kracht van de manier waarop Wallace-Wells zijn verhaal brengt. We moeten zorgen dat we straks niet om de teloorgang van ons leefbaar klimaat rouwen, maar om het verlies van een eeuw lang argeloos autorijden en onbekommerd ontbossen, van de jaren van onbeperkt vlees eten en goedkoop vliegen en de gigantisch economische groei die daardoor mogelijk werd.
Hervorming van de fossiele economie zal een groot offer vergen, maar dat zinkt in het niet bij de offers die het alternatief met zich meebrengt. Het zal op allerlei hindernissen stuiten: de moeizaamheid van collectieve actie, wetenschappelijke onzekerheid, technologische uitdagingen, politieke mobilisatie en tal van andere problemen. Maar als je het niet doet, word je stapelgek.
Rachel Riederer is redacteur van The New Yorker en schrijft voornamelijk over klimaatverandering, milieu en natuur.
Het gebeurt zelden of nooit dat we 360 openen met een stuk over Nederland, maar dit artikel wilden we u niet onthouden. Een verslaggever van The New York Times maakte in Rotterdam een jubelende reportage over het Nederlandse klimaatbeleid. ‘Vanuit Nederlands perspectief is de klimaatverandering geen hypothese of een rem op de economie, maar een kans.’
De wind zorgt voor schuimkoppen op de rivier en laat de parasols op het terras klepperen. Roeiers roeien zwoegend naar de finish en toeschouwers staan langs het water. Henk Ovink, een tanige man met een kaal hoofd en scherpe gezichtstrekken, kijkt toe vanaf een VIP-steiger. Met één oog houdt hij de boten in de gaten en met het andere zoals gewoonlijk zijn telefoon.
Ovink is de eerste internationale gezant voor de vermarkting van de Nederlandse expertise op het gebied van het stijgende water en de klimaatsverandering. Net zoals met kaas in Frankrijk of auto’s in Duitsland valt in Nederland aan de klimaatverandering geld te verdienen. Maand in, maand uit komen delegaties uit Jakarta, Ho Chi Minhstad, New York en New Orleans een kijkje nemen in de haven van Rotterdam. Vaak huren ze daarna Nederlandse bedrijven in, die de top vormen van de wereldmarkt in geavanceerde techniek en watermanagement.
Nationale identiteit
Sinds de eerste mensen die zich hier vestigden water begonnen weg te pompen om land voor hun boerderijen en huizen te creëren, is water in Nederland een realiteit geweest waar alles in het bestaan om draaide, een zaak van overleven en nationale identiteit. Geen plek heeft aan grotere gevaren blootgesteld gestaan dan dit waterland aan de rand van het vasteland van Europa. Het land ligt grotendeels onder de zeespiegel en zakt ook langzaam weg. En nu krijgt de aarde dankzij het broeikaseffect in de toekomst te maken met een hogere zeespiegel en heftigere stormen.
Vanuit Nederlands perspectief is de klimaatverandering geen hypothese of een rem op de economie, maar een kans. Terwijl de Amerikaanse regering onder Trump zich terugtrekt uit het akkoord van Parijs, banen de Nederlanders zich verwoed een weg naar voren.
Het komt erop neer dat ze het water willen toelaten, niet dat ze Moeder Natuur willen onderwerpen: dus om mét water te leven in plaats van het uit alle macht proberen te verslaan. De Nederlanders richten meren, garages, parken en pleinen niet alleen in voor de gemakken van het dagelijks leven, maar ook om als reusachtig reservoir te dienen als de zee en de rivieren overstromen. Je kunt natuurlijk net doen alsof de stijgende zeespiegel een grap is afkomstig van wetenschappers en de goedgelovige media. Of je kunt gigantische dijken gaan bouwen. Maar uiteindelijk bieden geen van beide voldoende bescherming, is de redenering van de Nederlanders.
En wat geldt voor het managen van de klimaatverandering geldt ook voor de sociale structuur. De veerkracht van het milieu en van een sociale gemeenschap zouden hand in hand moeten gaan, is de mening van de overheid hier: verbeter wijken, spreid het risico en bedwing het water tijdens een ramp. Aanpassen aan het klimaat, als het tenminste rechtstreeks en vakkundig wordt aangepakt, zou een sterker en rijker land opleveren.
‘Je kan zeggen dat we onze expertise vermarkten, maar per jaar komen er duizenden mensen om vanwege het stijgende water en de wereldgemeenschap faalt collectief bij de aanpak van de crisis, wat zowel geld als levens kost’
Dat is de boodschap die de Nederlanders uitdragen. Nederlandse consultants die de overheid van Bangladesh hebben geadviseerd over noodopvang en evacuatieroutes, hebben ertoe bijgedragen dat tijdens recente overstromingen het aantal doden enkele honderden bedroeg waar het er voorheen duizenden waren, zo vertelt Ovink ons.
‘Dat is precies wat we proberen te doen,’ zegt hij. ‘Je kan zeggen dat we onze expertise vermarkten, maar per jaar komen er duizenden mensen om vanwege het stijgende water en de wereldgemeenschap faalt collectief bij de aanpak van de crisis, wat zowel geld als levens kost.’ Hij somt de laatste feiten op: 2016 was het warmste jaar dat ooit was gemeten, de gemiddelde zeespiegel steeg tot recordhoogte.
Trots laat hij de nieuwe roeibaan net buiten Rotterdam zien, waar vorig jaar zomer de wereldkampioenschappen roeien werden gehouden. De baan maakt deel uit van een gebied dat de Eendragtspolder heet, een negen hectare grote lappendeken van herwonnen land en sloten – een uitstekend voorbeeld van een plek die zowel voor recreatieve doeleinden is aangelegd als, in geval van nood, voor retentiedoeleinden. Het is bijna het laagst gelegen punt in Nederland, zo’n zeven meter beneden de zeespiegel. Met de fietspaden en alle gelegenheid voor watersport is de Eendragtspolder een populair toevluchtsoord geworden. Nu dient het ook als retentiebekken voor het stroomgebied van de Rotte als de naburige Rijn overstroomt, wat vanwege de klimaatverandering naar verwachting eens in de tien jaar zal gebeuren.
Het project is een van de vele uit ‘Ruimte voor de rivier’, een nationaal programma waar al jaren geleden aan is begonnen en dat de eeuwenoude strategie waarbij land werd gewonnen van rivieren en meren door dammen en dijken te bouwen overboord gooide. Nederland ligt eigenlijk in de goot van Europa, laagland dat aan één kant aan de Noordzee grenst en waar grote rivieren als de Rijn en de Maas uit Duitsland en Frankrijk het land binnenstromen. De strategie van de Nederlanders is veranderd na de gedwongen evacuatie van honderdduizenden mensen tijdens de overstromingen in de jaren negentig van de vorige eeuw. Die overstromingen ‘hebben ons doen inzien dat we beter wat van de ruimte die we hadden gewonnen konden teruggeven aan de rivieren’, zoals Harold van Waveren, een belangrijke adviseur van de overheid, uitlegt.
‘We kunnen niet maar gewoon steeds de dijken blijven verhogen, want dan wonen we uiteindelijk achter tien meter hoge muren,’ zegt hij. ‘We moeten de rivieren meer ruimte geven om te stromen. De verdediging tegen de klimaatverandering is zo sterk als de zwakste schakel in de keten, en in ons geval bestaat die keten niet alleen uit grote sluizen en dammen bij de zee, maar uit een totale filosofie van ruimtelijke ordening, crisismanagement, onderwijs, apps en openbare ruimtes.’
Van Waveren vertelt over een gps-gestuurde app waarop inwoners altijd precies kunnen zien hoe diep ze onder de zeespiegel zitten. Om vrij te kunnen zwemmen in een openbaar zwembad moeten Nederlandse kinderen eerst een diploma halen waarvoor ze met hun kleren en schoenen aan moeten kunnen zwemmen. ‘Dat behoort tot onze cultuur, net als fietsen,’ vertelt Rem Koolhaas, de Nederlandse architect.
Geen paradijs
In Nederland zorgen wetenschappelijke artikelen over de smeltende Noordpoolkap voor grote koppen in de krant. Lang voordat klimaatontkenners actie begonnen te voeren tegen de wetenschap in de VS, bereidden Nederlandse ingenieurs zich al voor op de apocalyptische eens-in-de-duizend-jaarstormen. ‘Voor ons staat klimaatverandering boven de politieke ideologie,’ vertelt Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam. Op een ochtend heeft hij me meegenomen naar een nieuw oeverproject in een voormalig arme industriebuurt, om te laten zien hoe stadsvernieuwing aansluit bij strategieën om de effecten van klimaatverandering te verzachten.
‘Als er een schietpartij is geweest in een café, krijg ik talloze vragen,’ zegt Aboutaleb. ‘Maar als ik zeg dat iedereen een boot zou moeten hebben omdat we voorspellen dat er een enorme toename zal zijn in zware regenbuien, krijgt de politiek geen vragen. Rotterdam ligt in het kwetsbaarste deel van Nederland, zowel economisch als geografisch. Als het water komt, uit de rivier of uit zee, kunnen we misschien vijftien op de honderd mensen evacueren. Dus evacuatie is geen optie. We kunnen hoge gebouwen in vluchten. Een andere keuze hebben we niet. We moeten leren leven met water.’
Aboutaleb is een in Marokko geboren moslim en een rijzende ster in de Nederlandse politiek, een man die godsdienstextremisten en reactionaire nationalisten gelijkelijk de mantel uitveegt. Hij bestuurt een traditioneel lastige arbeidersstad. Het huidige Rotterdam is absoluut geen paradijs.
Er is een grote kloof tussen arm en rijk en er is veel onenigheid over immigratie. Maar de afgelopen tijd is er wel een verbetering in gang gezet: de stad is groener en diverser geworden. Als ik hem vraag naar de gevaren van de klimaatverandering, heeft de burgemeester het over het creëren van een minder verdeelde, aantrekkelijkere, gezondere stad – beter in staat om de spanning aan te kunnen die de klimaatverandering voor de maatschappij met zich mee zal brengen.
‘Een kwestie van logisch nadenken,’ zegt Aboutaleb. De Eendragtspolder is volgens hem een voorbeeld waar de investeringen van Rotterdam worden terugbetaald met groene ruimtes en een roeibaan, die nog wat extra gewicht in de schaal legt bij de kandidaatstelling van Nederland als organiserend land van de Olympische Spelen in 2028.
Zwaar getroffen door de Duitse bombardementen in de Tweede Wereldoorlog is Rotterdam niet zo pittoresk en toeristisch als Amsterdam, maar bedrijvig en nuchter, een verrassend stijlvol succes onder Europa’s culturele centra, met een erfgoed aan hypermoderne architectuur die jonge ontwerpers en ondernemers aantrekt. Door de Rotterdamse vrijheidstraditie werd het een magneet voor mensen van buitenaf en kon het herstellen van de moeilijke jaren tijdens de jaren zeventig, tachtig en negentig, toen de misdaad er hoogtij vierde, de stad vervuilde en de rijken wegvluchten.
In de afgelopen tijd heeft de stad die eraan gewend is om opnieuw te beginnen een nieuwe start gemaakt als stad van ondernemingszin en inventiviteit op het gebied van het milieu. De stad heeft als eerste parkeergarages gebouwd die noodreservoirs kunnen worden, waardoor de riolen alles toch nog kunnen verwerken als de stormen die één keer in de vijf of tien jaar worden verwacht zich gaan voordoen. Ook heeft Rotterdam pleinen met fonteinen aangelegd, parken en basketbalveldjes in achterstandswijken die kunnen dienen als retentiemeertjes. In de havens en op stukken oever waar voorheen industrie gevestigd was komen nu nieuwe ondernemingen, scholen, woningen en parken.
Die plekken worden bij de standaardrondleiding van buitenlandse delegaties allemaal aangedaan: stedelijke proof-of-conceptinterventies, of beter gezegd totaaloplossingen, waarmee klimaatbedreigingen worden aangepakt op een manier die in toenemende mate de economie en de maatschappelijke behoeften dient.
‘Een op innovaties gerichte stad, een zogenaamde smart city, moet een holistische visie hebben die verder reikt dan dijken en sluizen,’ stelt Arnoud Molenaar, de klimaatbaas van de stad. ‘De uitdaging bij het aanpassen aan het klimaat is om daar veiligheid, riolering, woningen, wegen, rampen en hulpdiensten bij te betrekken. Je kunt niet zonder de aandacht van het publiek. Ook heb je een veilig internet nodig, want dat is de volgende uitdaging bij klimaatveiligheid. De systemen die zeesluizen, bruggen en riolen bedienen moeten niet kwetsbaar zijn. En je hebt goed beleid nodig, op hoog en op laag niveau.’
‘Het begint met kleine dingen, zoals mensen zover proberen te krijgen dat ze de tegels uit hun tuin weghalen waardoor de grond regenwater kan opnemen,’ zegt Molenaar. ‘Het eindigt bij de reusachtige stormvloedkering bij de Noordzee.’
Maeslantkering
Dat is dan de Maeslantkering, gebouwd aan de zeemonding, ongeveer een half uur rijden van het centrum van Rotterdam – de eerste verdedigingslinie. De buizenconstructie van de kering heeft de vorm van twee omgevallen Eiffeltorens.
In de twintig jaar dat de kering bestaat, is de Maeslantkering nog niet nodig geweest om een overstroming te voorkomen, maar de sluis wordt natuurlijk wel regelmatig getest. Picknickers zitten op de kant toe te kijken. De proefsluitingen zijn een beetje de Nederlandse variant van Macy’s Thanksgiving Day Parade.
Op een dag ben ik er met Van Waveren heen gereden om het zelf te zien. Het is niet ongebruikelijk om hier naar het spektakel van de hoog boven je uit torende zeeschepen te gaan kijken. Dit is een land waar de snelwegen vaak beneden de zeespiegel liggen.
De Maeslantkering is het gevolg van een lange historie van rampen. In 1916 overspoelde de Noordzee de Nederlandse kust, wat de aanzet gaf tot de aanleg van extra bescherming, maar die bleek onvoldoende om het water tegen te houden in 1953 , toen ’s nachts een zuidwesterstorm meer dan 1800 mensen het leven kostte. De Nederlanders noemen het nog steeds de Watersnoodramp. Ze verdubbelden de nationale inspanningen en begonnen aan de Deltawerken waarbij twee grote waterwegen werden afgesloten en de Maeslantkering werd gebouwd – een reusachtige zeesluis, die klaar was in 1997, houdt de grote waterweg open die toegang verleent tot de hele haven van Rotterdam.
De bescherming van de haven is prioriteit nummer een. Eens was het de drukste haven van de wereld, nu is Rotterdam de belangrijkste haven van Europa, waar ieder jaar tienduizenden schepen van overal ter wereld aankomen om staal te leveren voor Duitsland, petrochemicaliën voor Zuid-Amerika en wat al niet meer voor overal ter wereld. De haven is volgens de havenautoriteiten nog steeds de kernindustrie in deze stad met meer dan 600.000 inwoners, goed voor 90.000 banen, en nog eens werk voor 90.000 mensen wier werk eveneens afhankelijk is van de haven. De haven ondersteunt vijf olieraffinaderijen, die behoren tot bedrijven zoals Shell en Koch Industries en ook een grote kolencentrale. De haven zou goed zijn voor zeventien procent van Nederlands CO2-voetafdruk. In de zelfpromotie als milieustad schuilt een paradox – en voor sceptici de ultieme hypocrisie – namelijk dat het hart van de Rotterdamse economie nog steeds wordt gevormd door de fossiele brandstofindustrie.
Hoe de haven uiteindelijk moet overstappen naar een groenere economie, zo geven de autoriteiten toe, is de grootste uitdaging die hun te wachten staat, samen met de klimaatverandering. Ze beschrijven plannen voor immense windmolenparken in de Noordzee en methodes om de warmte op te vangen in fabrieken die draaien op fossiele brandstoffen en daarmee de kassen te verwarmen die weer tuinbouwproducten voor het land opleveren. Nederland exporteert 100 miljard dollar aan tuinbouwproducten, alleen de VS exporteert meer.
Wim Quist, de architect, ontwierp een constructie van een onvergetelijke schoonheid, een van de minder bekende wonderen van het moderne Europa
Maar goed, de veiligheid van het transport van al die grondstoffen, maar ook de verantwoordelijkheid voor de droge voeten van de mensen in de stad zijn nu en ook in de toekomst afhankelijk van de Maeslantkering.
Het idee erachter, dat tientallen jaren geleden voor het eerst ter tafel kwam, was uniek – een immense zeesluis met twee armen die aan beide kanten van de waterweg rusten, iedere arm zo lang als de Eiffeltoren maar twee keer zo zwaar. Het is een verbluffend staaltje ingenieurswerk. Wim Quist, de architect, ontwierp een constructie van een onvergetelijke schoonheid, een van de minder bekende wonderen van het moderne Europa.
Van Waveren legt uit hoe de waterkering werkt. Als de sluis wordt gesloten drijven de armen de waterweg op en sluiten ze in elkaar; de buizen vullen zich met water, zinken op een betonnen bedding en vormen zo een ondoordringbare stalen muur tegen de Noordzee. Dat proces duurt tweeëneenhalf uur. De druk vanuit de zee wordt dan van de muur overgedragen op de grootste balscharnieren ter wereld, elk verankerd in een oever van de rivier.
Computers, die een gesloten elektronisch systeem gebruiken om cyberaanvallen te voorkomen, monitoren ieder uur het zeeniveau en kunnen de sluisdeuren automatisch sluiten – of openen. Dat laatste is ook heel belangrijk: dertig pompen in de sluis zijn verbonden met een van de elektriciteitsnetten van het land. Ze pompen water uit de buizen als de Maeslantkering geopend moet worden.
Als het elektriciteitsnet uitvalt, is er een reservenet en uiteindelijk is er ook nog een generator, want nog gevaarlijker dan een sluis die niet dichtgaat is een sluis die niet meer opengaat. In dat geval zou het water uit de Rijn en de Maas niet meer de zee in kunnen stromen en zou Rotterdam nog sneller onder water staan dan bij een stormvloed vanuit zee. Ontsnappen kan dan niet meer, zoals burgemeester Aboutaleb opmerkte.
‘In het uiterste geval moeten we de sluis opblazen,’ zegt Ovink half schertsend. De Maeslantkering is duidelijk gebouwd met een rampenfilmscenario voor ogen: overal zijn driedubbele beveiligingen ingebouwd en de kering is berekend op de extreemste klimaatveranderingsmodellen, met zeespiegels die stijgen boven de huidige voorspellingen.
Desalniettemin hebben de Rotterdamse havenautoriteiten plannen klaarliggen om de sluis nog een halve meter hoger te maken.
Achter de Maeslantkering liggen in de stad talloze versterkingen, groot en klein, weggewerkt in straten en pleinen. Op een zonnige middag heb ik in het Dakpark afgesproken met Wynand Dassen, manager van het Rotterdamse resilience-team, en Paul van Roosmalen, die toezicht houdt op de ontwikkelingen op daken in de stad. Het Dakpark is een dijk in een arme, voornamelijk door immigranten bewoonde wijk die grenst aan de industriële oever. Vroeger was het een spoorwegemplacement, een akelige verlaten plek vlak naast een wijk vol sociale woningbouw. Daar lag de rosse buurt, berucht vanwege de drugsdealers en misdaden.
De dijk doet meer dan alleen het water tegenhouden. Er is ook een winkelcentrum, waar de buurt behoefte aan had, en een park op het dak. De winkels kijken uit op het water en dragen financieel bij aan het onderhoud van het park. Het park glooit van het dak naar de straten en de huizen, zodat er een grashelling ontstaat die park en buurt verbindt.
Bij mooi weer liggen mensen te zonnebaden op het gras en zijn ze aan het frisbeeën. Het park is een kilometer lang. En schitterend. Het succes – niet alleen als kering maar ook als een toevoeging voor het bedrijfsleven en de buurt – heeft de gemeente overgehaald om buurtbewoners te raadplegen en geld opzij te zetten voor door de buurt geïnitieerde projecten. ‘We hebben ons tot doel gesteld om meer mensen te betrekken bij allerlei stedelijke problematiek,’ vertel Dassen. ‘En water zal onvermijdelijk integraal deel gaan uitmaken van dat proces. Wij zijn ervan overtuigd dat je de slimste oplossing krijgt als de buurten erbij betrokken worden en helpen de verbinding te maken tussen water en de ontwikkeling van de buurt.’
Daar is Van Roosmalen het mee eens. ‘Dat is een voorbeeld van wat je kan doen als je het controleren van een stormvloed verbindt met het sociaal welzijn en met het aanbrengen van verbeteringen in de buurt,’ zegt hij. ‘Dat bedoelen we hier in Rotterdam met “resilience planning”.’
In een buurt vlakbij, waar drugsverslaafden wonen die helemaal uit Frankrijk hierheen trokken om goedkoop heroïne te kunnen kopen, raak ik in gesprek met Marleen ten Vergert, een alleenstaande moeder met een dochtertje die moet leven van een bescheiden ambtenarensalaris. Vrouwen met hoofddoekjes sjouwen met boodschappen, oude mannen zitten op parkbankjes en kinderen zijn aan het skateboarden op brokkelige betonnen paden, langs oude huizenblokken. Een huizenblok omringt een waterplein dat is aangelegd om overtollig water op te vangen. Jonge gezinnen werden met spotprijsjes gelokt om leegstaande huizen eromheen te kopen. Veel gezinnen kwamen en gingen weer. Het waterpark had veel te verduren van vandalisme. Maar langzaam, heel langzaam, werd het plein toch door de buurt in de armen gesloten.
‘Nu werkt het grotendeels wel,’ vertelt Vergert. ‘De mensen willen het waterplein, dus ze zorgen er beter voor. Vlakbij is een kas die wordt beheerd door de Turkse gemeenschap. De waarde van de huizen in deze buurt is gestegen.’
Als ik Van Wingerden vraag of het niet een beetje eng is om in een stad te wonen die grotendeels onder de zeespiegel ligt, zegt hij: “Het lijkt ons minder gevaarlijk dan om op de San Andreasbreuk te wonen”
Een paar straten verderop is in een verbouwd industrieel gebouw aan de Maasoever een nieuw bedrijfje varende drones op zonne-energie aan het ontwikkelen die plastic afval uit de zee moeten gaan verzamelen, en in het centrum van de stad hebben een pakhuis met een Brooklynachtige mix aan ambachtelijke eetkraampjes, een circusschool en een flipperkastmuseum een voormalige vervallen pier nieuw leven ingeblazen. Waar het oude hotel New York, een honderd jaar oud statig herkenningspunt, vroeger het hoogste gebouw aan de Maasoever was, zijn nu wolkenkrabbers omhoog geschoten. Hier is een compleet nieuw zakendistrict gebouwd, met een fotomuseum tegenover de meest kenmerkende kantoortoren van de stad, De Rotterdam, van Remco Koolhaas, en de op een harp lijkende Erasmusbrug van Ben van Berkel.
Rotterdam probeert duidelijk zichzelf te profileren als voorbeeld van inventief urbanisme. Een Rotterdamse zakenman, Peter van Wingerden, heeft een toekomstbeeld van drijvende zuivelboerderijen langs de Maasoever. Een op de drie vrachtwagens die de stad in komen, vervoert etenswaar. Drijvende boerderijen zouden het vrachtverkeer en de CO2-uitstoot verminderen door de stad van eigen melk te voorzien. Met subsidie van de stad bouwt hij een prototype van 2,2 miljoen dollar voor veertig koeien, die een half miljoen liter melk per jaar produceren. ‘De rivier is niet langer alleen voor de industrie,’ zegt hij. ‘We moeten nieuwe gebruiksmogelijkheden zoeken, die ons beveiligen tegen de klimaatverandering, en de stad helpen groeien en bloeien.’
Dat is de mantra van de stad. Als ik Van Wingerden vraag of het niet een beetje eng is om in een stad te wonen die grotendeels onder de zeespiegel ligt, zegt hij: ‘Het lijkt ons minder gevaarlijk dan om op de San Andreasbreuk te wonen. Als er een overstroming dreigt, worden we tenminste gewaarschuwd voordat onze voeten nat worden.’
Hij vertelt dat de Nederlanders echt niet begrijpen dat er in New York na de orkaan Sandy zo weinig actie wordt ondernomen om de inwoners te beschermen tegen de volgende ramp. Nederlanders vinden dat plekken waar de meeste mensen wonen en waar economisch het meest te verliezen valt, de beste bescherming moeten hebben. Het idee dat een mondiaal economisch centrum zoals Lower Manhattan, dat tijdens de orkaan Sandy overstroomd werd wat de gemeenschap miljarden dollars heeft gekost, toch zo weinig bescherming heeft, vinden klimaatdeskundigen hier verbijsterend.
Arnoud Molenaar, de klimaatbaas van Rotterdam, vat de Nederlandse visie samen: ‘We hebben het aanpassen aan de klimaatverandering hoog op de publieke agenda kunnen zetten terwijl we al jaren geen ramp hebben gehad, omdat we de voordelen hebben kunnen aantonen van het verbeteren van de openbare ruimte – de toegevoegde economische waarde van het investeren in resilience.’
‘Het zit in onze genen,’ zegt hij. ‘Watermanagers waren de eerste bestuurders van het land. De stad zo inrichten dat we het water kunnen verwerken was onze eerste taak om hier te kunnen overleven, en dat bepaalt ook wie we zijn. Het is een proces, een beweging. Het is niet zomaar een stelletje dammen en dijken, het is een manier van leven.’
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.