Tag: klimaatneutraal

  • Leuven zet in op ‘urban mining’ voor een circulaire toekomst

    Leuven zet in op ‘urban mining’ voor een circulaire toekomst

    De historische Belgische stad Leuven wil klimaatneutraal worden en heeft de manier waarop gebouwen worden gebouwd en afgebroken daarom radicaal vernieuwd.

    De vader van Kelly Sempels was bouwvakker, de meeste van haar vijf broers waren bouwvakker en zelf was ze eerder ook bouwvakker. Nu oefent ze, na een loopbaan als dakdekker en metselaar, een nieuw beroep uit: ‘urban mining’. Zij en de zes andere leden van haar team kleden zich nog steeds als bouwvakkers, maar hun focus ligt nu eerder bij sloop dan bij bouw. ‘Ik vind het heerlijk om ­tijdens mijn werk nieuwe dingen te leren,’ zegt de 43-jarige Sempels, wijzend naar een stapel laminaatvloer­tegels in de hoek van het rijtjeshuis in de Leuvense deelgemeente Kessel-Lo dat ze helpt strippen. ‘Bijvoorbeeld hoe je houten vloeren er heelhuids uit kan krijgen.’

    Sempels is een van de honderden werknemers en vrijwilligers in de historische Belgische stad Leuven die betrokken zijn bij een project om de hoeveelheid afval te verminderen en een ‘circulaire economie’ van de grond te krijgen. Het plan, dat in de officiële strategie van de stad – ‘Leuven Circulair’ – in 28 actiepunten is samengevat, heeft als doel het materiaalverbruik te verminderen en mensen ‘bewuster te maken van de grenzen van de planeet’.

    Drijvende kracht achter het idee is Thomas Van Oppens, lid van de Belgische partij Groen en schepen Klimaat en Duurzaamheid van de stad. In zijn kantoor, dat over een golvende zee van daken uitzicht biedt op het historische centrum van de stad, schetst Van Oppens een gloedvolle toekomst voor Leuven waarin alles, variërend van keukenafval tot restwarmte van fabrieken, verzameld, gerecycled en eindeloos hergebruikt zal worden. Zijn mantra luidt: ‘Wat de stad binnenkomt, blijft in de stad.’

    Nuchter

    Aan het ecologisch getinte optimisme ligt het nuchtere besef ten grondslag dat de circulaire ambities van de stad een pragmatische basis vereisen. Vandaar het besluit om in eerste instantie prioriteit te geven aan de bebouwde ruimte van de stad. ‘Wij hebben als stad de ambitie om in 2050 CO2-neutraal te zijn,’ zegt Van Oppens. ‘En als je puur naar de klimaatimpact kijkt, spelen gebouwen daarbij een zeer grote rol.’ Volgens de Europese Commissie wordt in de EU zo’n 40 procent van de energie in gebouwen verbruikt en is meer dan een derde van de energiegerelateerde broeikasgasemissies ook afkomstig van gebouwen.

    Voordat Sempels en haar urban mining-team ten tonele verschijnen met hun moersleutels, ijzerzagen en koevoeten, is er al uitvoerig onderzoek verricht. In nauwe samenwerking met architecten en ontwikkelaars bepaalt de afdeling stadsplanning welke panden gesloopt moeten worden en wordt er geïnventariseerd wat daaruit te redden valt.

    De Europese Commissie heeft verschillende pilots gefinancierd om met behulp van 3D-scanners en andere digitale tovermiddelen vast te stellen welke materialen herbruikbaar zijn, maar voorlopig komt het in feite nog neer op een vluchtige inspectie door recycling-experts. In Leuven wordt dat gedaan door de Materialenbank, een non-­profitorganisatie die de recycling en wederverkoop stimuleert van bouwafval dat anders op de vuilstort zou belanden.

    In de circulaire plannen van Leuven is het ‘hergebruik’ van mensen net zo belangrijk als dat van materialen

    In de circulaire plannen van Leuven is het ‘hergebruik’ van mensen net zo belangrijk als dat van materialen. In heel België bestaan initiatieven om een ‘sociale economie’ te ontwikkelen waarin mensen belangrijker zijn dan winst. Sempels heeft van deze aanpak geprofiteerd: ze kreeg haar baan na een lange periode van werkloosheid, net als de andere Belg in haar team. De vijf andere leden komen uit Irak, Palestina, Ethiopië, Mali en de Kaukasus.

    Ze zijn allemaal in dienst van Wonen en Werken, een sociale onderneming die allerlei publieke diensten levert, zoals park- en tuinonderhoud, schoonmaak en renovatie. Er werken ongeveer tweehonderd mensen, allemaal tegen een minimumloon of iets daarboven, dat deels wordt gesubsidieerd door de Vlaamse overheid. ‘Meestal werken we met laagopgeleide mensen die al lang werkloos zijn en buiten het werk nog veel andere problemen hebben, maar zeker niet kansloos zijn,’ zegt Patrick Wauters, coördinator bij Wonen en Werken.

    Wisselwerking

    Een soortgelijke wisselwerking tussen sociale en milieudoelstellingen voltrekt zich in het pakhuis aan de rand van de stad waarin de Materialenbank is gevestigd. Het hangarachtige onderkomen biedt genoeg ruimte voor de schoonmaak en opslag van het sloopmateriaal, maar ook voor werkplaatsen waar lokale ambachtslieden en ondernemers de geredde materialen tot nieuwe producten kunnen verwerken. Een van die ondernemers is Bram de Ridder, een 22-jarige klimfanaat die bezig is met het opzetten van een micro-onderneming die van resthout voetensteunen en handgrepen voor klimwanden produceert. Sinds een vriend hem over de Materialenbank vertelde, komt hij er regelmatig over de vloer om zich verder in het vak te bekwamen voor de opstart van zijn bedrijf. ‘Vroeger gebruikte ik oud hout dat mijn vader nog had liggen of struinde ik vuilnisbakken af op zoek naar oude meubels, maar nu kom ik hier. Ik mag de apparatuur hier gebruiken en materiaal dat anders heel duur zou zijn,’ zegt hij.

    De Materialenbank wil echter vooral een bemiddelaar zijn tussen de leveranciers van Leuvens bouwafval en projectontwikkelaars en bouwers. In de drie jaar van zijn bestaan is de jaarlijkse inzameling meer dan verdrievoudigd, van 20 tot meer dan 250 ton, zodat er naar een grotere locatie moet worden gezocht, zegt coördinator August Smessaert: ‘Het is hier moeilijk bereikbaar voor vrachtwagens met een zware lading en de ingangen zijn niet al te hoog. Mogelijk zamelen we tegen 2030 meer dan 5000 ton in.’

    Eén oplossing is om niet alles naar het pakhuis te brengen, maar de kopers zover te krijgen dat ze het materiaal rechtstreeks ophalen waar het ‘gedolven’ wordt. Bij bakstenen, ijzer en staal, waarvoor al een tweedehandsmarkt bestaat, is dat volgens Smessaert betrekkelijk eenvoudig, maar bij ander materiaal waarvoor meer herstelwerk nodig is of waarvan de nieuwprijs even laag of zelfs nog lager is, ligt dat moeilijker. Daarom geeft de Materialenbank de voorkeur aan het inzamelen van hout, omdat de vraag daarnaar groot is en de marge redelijk. Toch is het niet eenvoudig om kopers te vinden, zegt Smessaert. Bouwbedrijven staan niet alleen wantrouwig tegenover nieuwe ideeën, zegt hij, maar hechten ook aan de zekerheid die nieuwkoop biedt. Bij gerecycled materiaal is nogal eens sprake van onregelmatige aanvoer en variabele volumes en kwaliteit.

    Wat is er nodig om Van Oppens utopie van een volledig circulaire toekomst waar te maken? Strengere wetgeving zou helpen

    Om de situatie te verbeteren heeft de gemeenteraad van Leuven een overeenkomst gesloten met de drie grootste instellingen van de stad: de zeshonderd jaar oude KU Leuven, de Universitaire Ziekenhuizen (het grootste ziekenhuiscomplex van België) en Imec, het onderzoekscentrum voor halfgeleiders. Dit drietal heeft zich ertoe verbonden niet alleen afvalmateriaal aan de Materialenbank te leveren, maar ook gerecyclede items te gebruiken bij toekomstige bouw- en renovatieprojecten. Dus toen de faculteit Geneeskunde in het universitair ziekenhuis besloot tot de inrichting van een ‘chill-outzone’ voor studenten en de bouw van een aparte administratieve afdeling, zocht het eerst op de hergebruikmarkt, met als resultaat twee onlangs voltooide faciliteiten die grotendeels zijn opgetrokken uit materialen die waren bestemd voor de vuilstort.

    Hoewel de diverse circulaire bouwinitiatieven in Leuven veel potentieel hebben, zijn de meeste in feite pilotprojecten. Wat zal er dan nodig zijn om Van Oppens utopie van een volledig circulaire toekomst waar te maken? Strengere wetgeving zou helpen. De door de Europese Commissie voorgestelde wetgeving inzake een circulaire economie zou alle bouwers tot hergebruik kunnen verplichten. En andere Europese steden hebben al eigen circulaire eisen geformuleerd. Zo moet in Zürich in alle openbare nieuwbouw minstens 25 procent gerecycled beton of een soort­gelijke toeslagstof worden gebruikt.

    Mentaliteitsverandering

    Wil urban mining echt van de grond komen, dan is er bij alle inwoners van een stad een mentaliteitsverandering nodig, niet alleen bij de bouwers. De natuurlijke neiging om oude spullen weg te gooien zal plaats moeten maken voor het zoeken naar andere toepassingen voor die spullen, zegt ingenieur Kobe Vaes, die werkt als coördinator bij de Maakleerplek, een multifunctioneel centrum dat zich toelegt op reparatie en hergebruik. Het centrum ligt in de schaduw van twee voormalige graansilo’s van bierbrouwer Stella Artois.

    Het hart van de Maakleerplek wordt gevormd door een grote makersruimte vol 3D-printers, draaibanken, persen en andere apparatuur, plus rekken met timmergereedschap en dozen met resten plexiglas, multiplex en repen stof. Te midden van deze georganiseerde chaos tref je sleutelhangers, telefoonhoesjes, kaasplanken en handwerkproducten aan van de honderden schoolkinderen die het centrum regelmatig bezoeken. ‘’s Zomers gaan we elke week met kinderen kanoën op het kanaal om plastic afval te verzamelen, dat we hier in de werkplaats verwerken,’ zegt Vaes.

    In het binnenkort te slopen rijtjeshuis in Kessel-Lo is ook Sempels heilig overtuigd van de mogelijkheden die een circulaire aanpak van afval biedt. Ze pakt haar telefoon en toont trots een paar foto’s van een nieuwe door de gemeente geïnstalleerde vuilnisbakkenstalling op straat. Die is gemaakt van houten planken die ze heeft ­helpen redden, zegt ze. ‘Ik word blij als ik zie wat er met het materiaal gedaan wordt,’ voegt ze eraan toe. ‘Het is een prachtige stalling geworden, vind je ook niet?’ 

  • Europa had pionier op het gebied van warmtepompen moeten zijn

    Europa had pionier op het gebied van warmtepompen moeten zijn

    Ondanks ambitieuze plannen en de roep om een groene toekomst blijkt de praktijk weerbarstig. Door zigzagbeleid, desinformatie en afgezwakte plannen voor een klimaatneutraal Europa in 2050 zijn er minder elektrische warmtepompen verkocht dan de bedoeling was.

    In de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement besloot Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie – wellicht uit vrees niet te zullen worden herkozen – impopulaire milieubeleidsplannen af te zwakken. Von der Leyen had in 2019 verklaard dat de Europese Green Deal, een pakket beleidsinitiatieven voor een klimaatneutraal Europa in 2050, het Europese ‘man-op-de-maanmoment’ was.

    Maar in februari trok ze het wetsvoorstel voor halvering van het pesticidegebruik in de landbouw in en maakte ze de voorwaarden voor het toekennen van subsidies in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU minder streng. Nog opvallender was haar besluit om de lancering van het warmtepompactieplan, die begin dit jaar had moeten plaatsvinden, uit te stellen tot enig moment na de verkiezingen.

    Het uitstellen van dit plan, dat wordt beschouwd als cruciaal voor het succes van de Green Deal, heeft bij veel Europese beleidsmakers geleid tot verbijstering. Volgens Eurostat, het statistiekbureau van de EU, wordt de helft van de verbruikte energie in de EU aangewend voor verwarmen en koelen, en meer dan 70 procent daarvan komt nog steeds van fossiele brandstoffen, voornamelijk aardgas. Gebouwen zijn goed voor ongeveer 35 procent van de broeikasgasemissies. En zo’n 80 procent van het energieverbruik van woningen gaat naar verwarming en warmwatervoorziening.

    Omgekeerde koelkast

    EU-leiders zijn in het algemeen vóór het verduurzamen van de warmteopwekking, al zijn ze niet allemaal even enthousiast. De overstap van cv-ketels op warmtepompen, die als een soort omgekeerde koelkast werken, kan duur zijn (een warmtepomp is twee à drie keer zo duur als een cv-ketel) en ontwrichtend (in sommige gebouwen is een grondige verbouwing nodig om de warmtepompen te kunnen installeren), waardoor veel kiezers er niet voor voelen. Maar het belangrijkste is dat ze op elektriciteit werken in plaats van op aardgas of -olie – en die elektriciteit kan duurzaam worden opgewekt. Zonder aan te sturen op een schonere warmteopwekking loopt de EU het risico de doelstellingen voor 2050 niet te halen. Half mei hebben vijftien lidstaten de Europese Commissie schriftelijk laten weten dat ze het uitstel van de lancering van het warmtepompplan betreuren.

    Het gebrek aan heldere en consequente beleidsplannen schept verwarring en heeft ervoor gezorgd dat woningverwarming in verschillende Europese landen een heet politiek hangijzer is geworden, vooral in Duitsland en Italië. Vorig jaar werd een Duits wetsvoorstel voor een verbod op olie- of gasgestookte cv-ketels en subsidie voor duurzaam aangedreven warmtepompen, door de roddelpers en de extreemrechtse AfD smalend ‘de warmtemoker’ genoemd. De regering zwichtte. Volgens het nieuwe, afgezwakte wetsvoorstel hoeft een nieuwe ketel maar op minstens 65 procent duurzame energie te draaien.

    ‘Er circuleert veel desinformatie over warmtepompen en de mensen zijn er huiverig voor’

    Italië stelde royale subsidies in om warmtepompen te promoten, maar verprutste de uitvoering van deze regeling. In 2020 lanceerde de regering van Giuseppe Conte het populaire initiatief Superbonus 110%, dat huiseigenaren een belastingvermindering van 110 procent bood op uitgaven voor de verbetering van de energie-efficiëntie van hun huis, bijvoorbeeld door middel van de installatie van warmtepompen of zonnepanelen. Vorig jaar heeft de radicaal-rechtse premier Giorgia Meloni deze regeling teruggeschroefd, omdat de kosten uit de klauwen liepen vanwege grootschalig misbruik van de bonus. Het gevolg was grote ergernis bij huiseigenaren, investeerders en aannemers. De verkoop van warmtepompen in Italië kelderde.

    ‘Er circuleert veel desinformatie over warmtepompen en de mensen zijn er huiverig voor,’ vertelt Mario Kohle, algemeen directeur van Enpal, een Duits greentechbedrijf dat zonnepanelen en warmtepompen verkoopt. Sommigen geloven dat ze wel honderdduizend euro kosten en dat je vloerverwarming nodig hebt als je een warmtepomp wil installeren. In werkelijkheid beginnen de prijzen van een warmtepomp bij 7800 euro als je in aanmerking komt voor de overheidsregeling, zegt Kohle. Vloerverwarming verhoogt de efficiëntie van een warmtepomp, maar is geen vereiste.

    In Scandinavië is de bevolking doorgaans goed op de hoogte van de langetermijnvoordelen van koolstofarme verwarmingssystemen, maar in de rest van Europa wordt de algemene kijk op warmtepompen verstoord door hardnekkige mythen, zegt Martin Lewerth, CEO van Aira, een Zweeds bedrijf dat warmtepompen maakt. Onderzoek van energiedeskundige Jan Rosenow legde achttien van dat soort vooroordelen bloot. Dit zijn de vier die volgens Lewerth het schadelijkst zijn voor zijn bedrijfstak: warmtepompen werken niet in bestaande gebouwen; ze werken niet wanneer het koud is; ze drijven je energierekening op; de technologie erachter is nieuw en onvoldoende getest.

    Sinds 1856

    Tegen al die kritiek op warmtepompen kan worden ingebracht dat ze in koude Scandinavische landen de dominante technologie zijn geworden. Dat ze dermate efficiënt zijn dat ze zelfs in landen als Groot-Brittannië, waar elektriciteit aanzienlijk duurder is dan gas, de verwarmingskosten kunnen verlagen. En dat ze al bestaan sinds 1856, toen de Oostenrijkse ingenieur Peter Ritter von Rittingen ze uitvond.

    Als Europa, zoals het zich ten doel heeft gesteld, in 2030 60 miljoen warmtepompen wil hebben geïnstalleerd (het zijn er nu 20 miljoen), zullen de EU en haar lidstaten veel meer moeten doen om deze technologie te promoten, vooral aangezien de verkoop van warmtepompen vorig jaar in veertien EU-landen gemiddeld 5 procent is gedaald, na eerst tien jaar lang sterk te zijn gestegen. NIBE, een Zweedse producent van warmtepompen, heeft in februari 500 medewerkers moeten ontslaan. Vaillant, een Duitse producent, heeft 700 banen geschrapt, terwijl Stiebel Eltron, een Duitse concurrent, honderden werknemers moest laten gaan.

    De belangrijkste oorzaak van de dalende verkoop van warmtepompen is waarschijnlijk het recente zigzagbeleid geweest, zoals de geschrapte overheidssubsidie voor warmtepompen in Italië en het Heizhammer-debacle in Duitsland. De Europese Commissie zou haar warmtepompactieplan zo snel mogelijk moeten lanceren, zodat de Europese burger meer zekerheid krijgt – hoewel het misschien al te laat is. De strijd tegen klimaatverandering is een terrein waarop Europa zich nog altijd aanvoerder mag noemen. De Green Deal van de EU kan nog steeds het Europese Apolloprogramma worden. 

  • Om de rijstcrisis te bezweren heeft Azië een nieuwe groene revolutie nodig

    Om de rijstcrisis te bezweren heeft Azië een nieuwe groene revolutie nodig

    In zowel Afrika als Azië dreigt een rijsttekort – geen enkel gewas is zo kwetsbaar voor de opwarming van de aarde. Maar naast slachtoffer is rijst, een belangrijke voedingsbron voor 60 procent van de wereldbevolking, ook een aanjager van klimaatverandering.

    Volgens een Indonesische legende schonk de godin Dewi Sri rijst aan het eiland Java. Cassave was tot dan toe de belangrijkste voeding, maar omdat ze medelijden had met de Javanen vanwege die saaie cassave, leerde ze hun hoe ze rijstzaailingen konden laten groeien in weelderige, groene rijstvelden. In India zou de hindoegodin Annapurna een soortgelijke rol hebben gespeeld en in Japan was deze voorbehouden aan Inari. In heel Azië wordt aan rijst een goddelijke – en meestal vrouwelijke – oorsprong toegekend.

    Die mythologisering is begrijpelijk. De zaden van de grasplant Oryza sativa (bekend als Aziatische rijst) zijn rijk aan zetmeel, en al duizenden jaren vormen ze het belangrijkste voedingsmiddel van het continent. Azië is goed voor 90 procent van zowel de wereldproductie als de wereldconsumptie van rijst. Aziaten halen er ruim een kwart van hun dagelijkse calorieën uit. De VN schatten dat een gemiddelde Aziaat 77 kilo rijst per jaar consumeert – meer dan de gemiddelde Afrikaan, Europeaan en Amerikaan bij elkaar. Honderden miljoenen Aziatische boeren zijn afhankelijk van de rijstteelt, en de meesten verbouwen het gewas op een klein lapje grond. Maar er vertonen zich barsten in de rijstkom van de wereld.

    Zowel in Afrika als in Azië stijgt momenteel de wereldwijde vraag naar rijst, terwijl de opbrengst stagneert. Grond, water en arbeid die nodig zijn voor de rijstproductie worden schaarser. Klimaatverandering is een nog grotere bedreiging. Het wordt steeds warmer, waardoor de gewassen verdorren, en er vinden vaker overstromingen plaats, die de rijst vernietigen. De rijstteelt is niet alleen slachtoffer maar ook een belangrijke oorzaak van de opwarming van de aarde, omdat rijstvelden veel van het krachtige broeikasgas methaan uitstoten. Zo is het gewas dat als voeding voor 60 procent van de wereldbevolking dient, een bron van onzekerheid en een bedreiging geworden.

    Stijgende vraag

    Het probleem wordt verergerd door de stijgende vraag. In 2050 zullen er 5,3 miljard mensen zijn in Azië tegenover 4,7 miljard nu, en 2,5 miljard in Afrika tegenover 1,4 miljard nu. Volgens een studie in het tijdschrift Nature Food zal deze groei de vraag naar rijst met 30 procent doen toenemen. Alleen in de rijkste Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, beconcurreren brood en pasta het monopolie van rijst als basisvoedsel.

    Toch neemt de groei van de rijstproductiviteit in Azië af. Volgens gegevens van de VN steeg de opbrengst het afgelopen decennium met gemiddeld slechts 0,9 procent per jaar, tegenover ongeveer 1,3 procent in het decennium daarvoor. De daling was het sterkst in Zuidoost-Azië, waar het stijgingspercentage daalde van 1,4 procent tot 0,4 procent – Indonesië en de Filipijnen voeren al veel rijst in. Als de opbrengsten niet stijgen, zullen deze landen steeds afhankelijker worden van andere om hun 400 miljoen inwoners te voeden, aldus de studie in Nature Food.

    De rijstteelt is niet alleen slachtoffer maar ook een belangrijke oorzaak van de opwarming van de aarde, omdat ze methaan uitstoot

    Jarenlang hield de productie gelijke tred met de stijgende vraag dankzij het aanhoudende effect van de groene revolutie, die in de jaren zestig begon. Om slechte oogsten te voorkomen, ontwikkelden wetenschappers van het Internationaal Instituut voor Rijstonderzoek (IRRI), gevestigd op de Filipijnen, een variëteit, IR8, die het goed doet in combinatie met kunstmest en irrigatiesystemen. China had net een hongersnood achter de rug terwijl India zich juist op de rand van een hongersnood bevond. IR8 heeft toen op grote schaal levens gered.

    Toen IR8 zich over Azië verspreidde – van de Filippijnen tot Pakistan – nam de rijstopbrengst toe. De grotere productiviteit maakte rijst aantrekkelijker om te verbouwen, waardoor er ook meer middelen voor werden uitgetrokken. De zorg om voedselzekerheid nam af en stelde Aziatische regeringen in staat zich te concentreren op industrialisatie en economische groei.

    Het IRRI heeft nieuwe rijstvariëteiten ontwikkeld die iets van dit succes zouden kunnen herhalen. Ze leveren meer op, zijn klimaatbestendiger en hebben minder water nodig. Toch lijkt het moeilijker dan in de jaren zestig om aan de groeiende vraag te voldoen. Verstedelijking en meedogenloze verkaveling slokken veel land op. Tussen 1971 en 2016 werd een gemiddeld landbouwbedrijf in India meer dan de helft kleiner, van 2,3 tot 1,1 hectare.

    Het wordt daardoor steeds moeilijker om winst te maken met de productie, vooral ook als de arbeidskrachten schaars zijn. Zaden planten in keurige rijen, zaailingen herplanten en oogsten is slopend werk, waaraan steeds meer Aziatische arbeiders weten te ontkomen. Water – ook een belangrijke factor – wordt schaarser. Op veel plaatsen is de bodem uitgeput en zelfs vergiftigd doordat er overmatig gebruik is gemaakt van kunstmest en pesticiden.

    De rijstvelden van Vietnam produceren meer koolstofequivalent dan de vervoersector van het land

    Geen enkel gewas is zo kwetsbaar voor de opwarming van de aarde als rijst, aldus wetenschappers van het IRRI. Uit een studie uit 2004 bleek dat een stijging van de minimumtemperatuur met 1°C zorgt voor een daling van de opbrengst met 10 procent. De stijging van de zeespiegel, een ander gevolg van de opwarming, zorgt nu al voor toename van het zoutgehalte in laaggelegen gebieden van de Mekong-delta, waardoor de rijstopbrengsten daar afnemen. Massale overstromingen vorig jaar in Pakistan, de op drie na grootste rijstexporteur ter wereld, vernietigden naar schatting 15 procent van de oogst.

    Rijst draagt bij aan de opwarming van de aarde en is een feedback loop die vaak over het hoofd wordt gezien. Door irrigatie van de rijstvelden krijgt de grond geen zuurstof, zodat de groei van methaan-uitstotende bacteriën wordt bevorderd. En zo is de rijstproductie verantwoordelijk voor 12 procent van de totale uitstoot van methaan en 1,5 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Deze aantallen zijn vergelijkbaar met de luchtvaart. De rijstvelden van Vietnam produceren meer koolstofequivalent dan de vervoersector van het land.

    Glucose

    Een ander toenemend probleem is de voedingskwaliteit van rijst. De korrel bevat veel glucose – wat bijdraagt aan diabetes en obesitas – en weinig ijzer en zink, twee belangrijke micronutriënten. In Zuid-Azië kan de grote aanwezigheid van diabetes en ondervoeding worden teruggevoerd op een te grote afhankelijkheid van rijst.

    Het aanpakken van al deze problemen is ingewikkeld. Ging de eerste groene revolutie over productiviteit, zegt Jean Balié, directeur-generaal van het IRRI, de volgende moet gaan over ‘systemen in plaats van oplossingen op plant- of perceelniveau’. Een beter rijstbeleid en betere variëteiten dus.

    De meeste zorgen over productiviteit en het milieu zijn het gevolg van slechte of verouderde overheidsmaatregelen. Deze verstoren de markten en belemmeren stimulansen voor verandering. Neem Sandeep Singh uit Bassi Akbarpur, een klein dorp in de Noord-Indiase deelstaat Haryana. Hij verbouwt rijst maar eet liever roti, een brood gemaakt van tarwe. Dat gewas is veel geschikter voor het hete, droge klimaat van Haryana. Toch dwingen stimuleringsmaatregelen van de regering Singh tot wisselteelt van rijst en graan.

    India koopt rijst van boeren tegen een gegarandeerde prijs, die vaak boven de marktprijs ligt. De oogst wordt aan de armen verkocht tegen een gesubsidieerde prijs, zodat de rijstconsumptie bevorderd wordt. Ook meststoffen en water worden gesubsidieerd. Dergelijke maatregelen komen overal in Azië voor. De meeste werden ingevoerd in tijden van aanhoudende voedselonzekerheid, toen diabetes en het milieu nog veel minder zorgen baarden dan nu.

    Het is moeilijk om aan beleid te tornen dat al decennialang steeds strakker wordt doorgevoerd. De boeren zijn bovendien goed voor vele stemmen – overheden durven ze niet tegen zich in het harnas te jagen. De regerende Bharatiya Janata Party van India, die er prat op gaat harde maar noodzakelijke maatregelen door te voeren, ondervond dat aan den lijve toen zij zich in 2021 gedwongen zag landbouwhervormingen terug te draaien als gevolg van boerenprotesten.

    Vietnam presenteerde onlangs een ambitieus plan om op een miljoen hectare ‘koolstofarme’ rijst te verbouwen

    Hoewel er niet één oplossing is voor de groeiende rijstcrisis, zijn er vele kleinere oplossingen. In delen van Azië waar de opbrengst laag is, zoals Myanmar en de Filipijnen, is het mogelijk de productiviteit te verhogen door meer kunstmest en pesticiden te gebruiken, zonder dat het milieu ernstige schade wordt toegebracht.

    Wetenschappers van het IRRI en andere onderzoeksinstellingen hebben rijstvariëteiten ontwikkeld die bestand zijn tegen overstromingen, droogte en hitte. Ze hebben ook voedzamere soorten ontwikkeld. Deze veranderingen, gecombineerd met innovaties in de teelt zoals direct zaaien – een manier van planten die minder water en arbeid vergt – kunnen milieuschade beperken en de opbrengst verhogen.

    Experimenten in heel Azië bevestigen dit. Boeren in Bangladesh die Sub1 verbouwden, een rijstsoort die tolerant is voor overstromingen, behaalden 6 procent hogere opbrengsten en 55 procent meer winst, volgens een studie die in 2021 werd gepubliceerd in het tijdschrift Food Policy. Een studie van veldproeven in Global Food Security toont dat rassen die resistent zijn tegen droogte een opbrengstvoordeel van 0,8-1,2 ton per hectare behalen.

    Het is nog een uitdaging ervoor te zorgen dat verbeterde zaden en methoden op grote schaal ingang vinden. Veel boeren weten niet dat ze bestaan, anderen zijn huiverig iets nieuws te proberen. Uit een landelijk onderzoek onder rijstboeren in India in 2017 en 2018 bleek dat slechts 26 procent werkte met nieuwe rassen, hoewel deze al sinds 2004 beschikbaar zijn.

    Regeringen kunnen een belangrijke rol spelen door de voordelen van nieuwe rassen en methoden onder de aandacht te brengen. Vietnam heeft onlangs het voortouw genomen met de aankondiging van een ambitieus plan om op een miljoen hectare ‘koolstofarme’ rijst te verbouwen. Het land ziet dit als een middel om op arbeid te besparen en efficiëntie te verhogen. Een essentiële stap die voorkomt dat emissiebeperking een extra last op de boeren legt, zegt Bjoern Ole Sander, klimaatwetenschapper bij het IRRI.

    Ook een bottom-upbenadering is belangrijk. Landbouwvoorlichters kunnen een grote rol spelen bij kennisoverdracht, maar ze worden vaak veronachtzaamd door beleidsmakers. De meeste overheidsuitgaven voor landbouw gaan naar subsidies en irrigatie en komen ten goede aan rijkere boeren met grotere stukken grond.

    Diversifiëren

    Regeringen zullen ook veel meer moeten doen om mensen minder afhankelijk te maken van rijst. Op verzoek van India heeft de VN 2023 uitgeroepen tot het jaar van de gierst. India hoopt boeren en consumenten te overtuigen van dit gewas, dat veel voedzamer is dan rijst of tarwe en veel minder water nodig heeft. Ook Indonesië promoot het. Momenteel zullen enkel gezondheidsbewuste hipsters in Delhi een biryani van gierst verkiezen boven een biryani van rijst. Maar waar de elite vooroploopt, volgt vaak de massa. Als de afzetmarkt groter wordt, zal dat eerst enkele boeren over de streep helpen en zullen uiteindelijk zelfs de meest fervente rijsttelers omschakelen of diversifiëren.

    Door de eerste groene revolutie werd een Aziatische catastrofe afgewend. Vandaag de dag is de situatie dan misschien minder precair, maar in sommige opzichten is de uitdaging groter. Landen zullen meer moeten produceren met minder middelen en met veel meer zorg voor het milieu. En dat vereist een ‘echte groene revolutie’, aldus IRRI-baas Balié.

    De beloning zou ongekend groot kunnen zijn. Duurzamere teelt en hogere opbrengsten kunnen de boeren een hoger en stabieler inkomen opleveren. Dat kan hen motiveren zich aan te passen aan de klimaatverandering, terwijl ze er minder aan bij hoeven dragen. Dat succes, dat nu nog niet verzekerd is, kan de voedselzekerheid voor Aziaten – en voor de wereld – helpen garanderen.

    Lees ook:

  • EU neemt wet aan om CO2-uitstoot van auto’s tot nul te reduceren

    EU neemt wet aan om CO2-uitstoot van auto’s tot nul te reduceren

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Negen militairen omgekomen bij aanval ELN op leger Colombia

    » Paus Franciscus in ziekenhuis met luchtweginfectie

    Vanaf 2035 moeten nieuwe auto’s een nuluitstoot hebben

    Landen van de Europese Unie hebben dinsdag een baanbrekende wet goedgekeurd om ervoor te zorgen dat alle nieuwe auto’s die vanaf 2035 worden verkocht geen CO2 meer uitstoten. De overeenkomst werd wekenlang vertraagd nadat Duitsland had gevraagd een uitzondering te maken voor auto’s die op e-brandstoffen rijden, schrijft de BBC. Vanaf 2030 moeten nieuwe auto’s 55 procent minder CO2 uitstoten dan in 2021.

    E-brandstoffen zouden koolstofneutraal zijn omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van opgevangen CO2-emissies om de CO2 te compenseren die vrijkomt wanneer de brandstof in een motor wordt verbrand. Verwacht werd dat de nieuwe wet de verkoop van auto’s met verbrandingsmotor in de EU vanaf 2035 onmogelijk zou maken. Doordat Duitsland echter deze vrijstelling erdoorheen heeft geloodst, kunnen mensen deze auto’s blijven kopen, terwijl e-brandstoffen nog niet op grote schaal worden geproduceerd.

    ‘Het is duidelijk waar we heen willen: in 2035 moeten nieuwe auto’s en bestelwagens een uitstoot van nul hebben’

    Personenauto’s en bestelwagens zijn volgens de Europese Commissie verantwoordelijk voor respectievelijk ongeveer 12 en 2,5 procent van de totale EU-uitstoot van CO2, het belangrijkste broeikasgas. Eerder deze maand waarschuwden de VN dat de doelstelling om de stijging van de temperatuur wereldwijd te beperken tot 1,5 graden Celsius waarschijnlijk niet zal worden gehaald.

    De Duitse minister van vervoer Volker Wissing zei dat de overeenkomst van dinsdag ‘belangrijke opties voor de wereldbevolking mogelijk maakt op weg naar klimaatneutrale en betaalbare mobiliteit’. Frans Timmermans, hoofd klimaatbeleid van de EU, voegde daaraan toe: ‘Het is duidelijk waar we heen willen: in 2035 moeten nieuwe auto’s en bestelwagens een uitstoot van nul hebben.’

    Lees ook:

  • ‘Klimaatneutraal voedsel is een farce’

    ‘Klimaatneutraal voedsel is een farce’

    Steeds meer consumenten vragen zich af hoe schadelijk hun voedsel is voor het klimaat. Maar de informatie van fabrikanten is vaak niet transparant. Sommige spreken zelfs van ‘klimaatneutrale’ steaks of ‘klimaatpositieve’ babyvoeding. Niets anders dan greenwashing, aldus journalist Silvia Liebrich.

    De exotische mango heeft een glansrijke carrière achter de rug. Hij is naast zoet en sappig ook nog eens heel gezond – een superfood dus. In amper twintig jaar tijd heeft de tropische globetrotter een plek in de schappen van de supermarkt veroverd. Wat de consument in zijn winkelwagentje legt, komt meestal uit Zuid-Amerika, Zuid-Afrika of Thailand, en sinds kort ook uit Spanje en Italië – dankzij de opwarming van de aarde.

    Hier begint het probleem. Steeds meer consumenten vragen zich af hoe schadelijk hun voedsel is voor het klimaat. Wat veroorzaakt meer CO2? De mango uit Thailand die de halve wereld heeft afgereisd op een door diesel aangedreven containerschip, of het fruit uit Spanje dat tegen hoge kosten moet worden bevloeid? En hoeveel meer CO2 veroorzaakt een ingevlogen mango uit Brazilië, die – het moet gezegd – qua smaak moeilijk te overtreffen is? Kopers zoeken tevergeefs naar informatie.

    Voor één vrucht moeten een heleboel gegevens worden verzameld om een betrouwbare CO2-balans op te kunnen stellen. Welke machines worden op de plantage gebruikt, welke pesticiden en meststoffen? Levert de zon of een kolencentrale de energie voor de koelcel? En hoe zit het met verpakking, transport en logistiek? Het wordt nog ingewikkelder wanneer de mango belandt in yoghurt, ijs of een kant-en-klare Aziatische saus. Consumenten weten dat weinig of geen vlees eten hun eigen CO2-afdruk aanzienlijk verbetert. Maar dat alleen is niet genoeg. Uit studies blijkt dat veel mensen het klimaateffect van verschillende levensmiddelen verkeerd inschatten. Ze zien een bio-label ten onrechte als indicatie van klimaatvriendelijkheid.

    ‘Klimaatneutraal’

    Consumenten hebben betrouwbare informatie nodig, willen ze hun klimaatvoetafdruk kennen en kunnen naleven. Alleen voedingsleveranciers kunnen die informatie geven. Dit betekent dat de industrie en handel in voeding, net als andere sectoren, de komende jaren een enorm probleem moeten oplossen. Om de klimaatdoelstellingen te halen, moet de CO2-voetafdruk in de hele toeleveringsketen aanzienlijk worden verminderd. Duitsland wil in 2045 een redelijk klimaatneutrale economie hebben. De complete voedingssector – van land tot keukentafel en vuilnisbak – is goed voor 40 procent van de totale uitstoot in de Europese Unie. Er moet dus heel wat aan gesleuteld worden.

    De balans opmaken voor afzonderlijke levensmiddelen is een enorme uitdaging en gaat gepaard met fouten – zoveel is nu al duidelijk.

    De ‘klimaatneutrale’ biefstuk of zelfs ‘klimaatpositieve’ babyvoeding die het etiket belooft, is niets anders dan greenwashing. Zo’n label verdoezelt het feit dat geen enkel levensmiddel echt klimaatneutraal kan worden geproduceerd. In het beste geval worden producten ‘klimaatneutraal’ gemaakt doordat hun uitstoot wordt gecompenseerd met het planten van bomen. Met twijfelachtige uitkomst, want het is eenvoudigweg niet mogelijk om goed te voorspellen hoeveel CO2 dergelijke bossen op lange termijn daadwerkelijk opslaan. Geschikte gebieden zijn sowieso schaars. Bovendien blijken herbebossingsprojecten bij nader inzien een fabel te zijn. En zelfs als alles volgens het boekje verloopt, vormen natuurkrachten en menselijke roofbouw onvoorspelbare variabelen.

    Tot nu toe is het klimaatlabel op voedselverpakkingen vooral een reclameboodschap

    Het label ‘klimaatneutraal’ is al helemaal een farce als bedrijven niet transparant maken hoe ze aan hun cijfers komen en tegelijkertijd nauwelijks iets doen om hun CO2-uitstoot in de hele toeleveringsketen te verminderen. Winkelketens als Rewe en Rossmann trokken hun labels in na kritiek van consumentenvoorvechters en een shitstorm in sociale media. De belangrijkste brancheorganisatie, de Bundesvereinigung der Deutschen Ernährungsindustrie, waarschuwt leden nadrukkelijk dat bedrijven zich met hun beloftes blootstellen aan greenwashing.

    Tot nu toe is het klimaatlabel op voedselverpakkingen vooral een reclameboodschap waarvan de consument het waarheidsgehalte niet kan controleren. Er ontbreken algemeen geldende normen voor beloftes over klimaatbescherming. De EU-Commissie wil die tekortkoming wegwerken met regels die vergelijkbaar zijn met de zogenaamde Health Claims van ruim vijftien jaar geleden. Het geschil over die voedings- en gezondheidsclaims sleepte zich jarenlang voort, en een soortgelijke situatie kan zich ook voordoen bij de klimaatbeloftes op voedingsmiddelen.

    Consumenten zijn daar niet mee geholpen. Zij hebben behoefte aan betrouwbare informatie over hoeveel broeikasgas de koekjes, chips, worst of melk in hun winkelwagentje daadwerkelijk veroorzaken, bij voorkeur uitgesplitst naar porties of gewicht. Informatie op de verpakking verwijst vaak naar honderd gram; een CO2-vermelding kan daar gemakkelijk aan worden toegevoegd. De lezer krijgt geleidelijk aan een gevoel voor verhoudingen, wat een positief neveneffect is. Wie leert dat koemelk vier keer zo veel CO2 produceert als havermelk, kiest misschien vaker voor het plantaardige alternatief.

    De Europese Unie wil het tempo van klimaatmaatregelen opvoeren

    De voedingsindustrie moet zich aan deze eisen aanpassen. Zij heeft duurzame oplossingen nodig voor een klimaatvriendelijker toekomst. Elk bedrijf zal inspanningen moeten leveren om te hervormen en moet dat holistisch aanpakken. Grote bedrijven zoals Nestlé, maar ook enkele kleinere producenten, zijn al aan het herstructureren en hebben zichzelf duidelijke klimaatdoelstellingen opgelegd. Maar het grootste deel van de industrie staat nog aan het begin van deze transformatie. Die zal alleen slagen als het klimaatprobleem de chefsache wordt: het centrale criterium bij elke bedrijfsbeslissing. Alleen wie zijn processen tot in de puntjes kent, kan uitstoot effectief verminderen.

    De politieke druk om te handelen neemt toe: de Europese Unie wil het tempo van klimaatmaatregelen opvoeren en voor steeds meer emissies een CO2-toeslag opleggen. Economische activiteiten die schadelijk zijn voor het klimaat worden een kostenfactor, waardoor voedsel voor de consument uiteindelijk nog duurder wordt. Bedrijven die hun CO2-voetafdruk onder controle hebben, zijn in het voordeel. De CO2-toeslag krijgt dus een sturende functie.

    Bedrijven moeten waar mogelijk hun eigen uitstoot verminderen. De belangrijkste hefboom hierbij is de energievoorziening. Wie overschakelt op hernieuwbare energiebronnen staat er al beter voor. Wie goed naar het productieproces kijkt, ziet nieuwe mogelijkheden om te besparen. Wie zijn werknemers daarbij betrekt, wint op twee manieren. Creatieve oplossingen en samenwerking worden gestimuleerd. Wie werkt er niet graag voor een baas die klimaatmaatregelen serieus neemt? Zo wordt het ook nog eens gemakkelijker om geschoold personeel – dat schaars is – te werven.

    Stap voor stap

    Er moet wel een enorme hoeveelheid gegevens worden verzameld en geanalyseerd voor elk product en de ecologische voetafdruk. Dat baart veel levensmiddelenbedrijven zorgen. Vertegenwoordigers van de industrie benadrukken vaak dat dit onredelijk is en voor veel bedrijven eenvoudigweg niet te financieren valt. Maar wie dat beweert, sluit zijn ogen voor de veranderingen die er hoe dan ook aankomen. Bovendien verwacht niemand dat bedrijven van de ene op de andere dag een perfecte klimaatbalans presenteren; de transformatie kan alleen geleidelijk tot stand worden gebracht. Die begint meestal op het hoofdkantoor en wordt dan stap voor stap uitgebreid tot de hele toeleveringsketen.

    Daarnaast moeten fabrikanten ook het voedsel dat zij produceren analyseren en balanceren. Digitalisering is daarbij een cruciaal instrument. Particuliere dienstverleners zoals de start-up Eaternity bouwen steeds grotere databanken met CO2-gegevens voor allerlei soorten voedsel. Zelfs exotische specerijen worden geïnventariseerd en individueel geëvalueerd naar herkomst en productieomstandigheden. Dergelijke programma’s zijn gebaseerd op wetenschappelijke gegevens, bewegen mee met de stand van het onderzoek en worden regelmatig bijgewerkt. Zij verschaffen dus redelijk betrouwbare informatie.

    Ingevlogen fruit veroorzaakt tien keer meer broeikasgassen dan fruit dat per schip wordt vervoerd

    Sommige exploitanten van bedrijfskantines en restaurants gebruiken dergelijke databanken al om de CO2-voetafdruk van individuele recepten te berekenen. Gasten kunnen ze gebruiken als leidraad bij het kiezen van gerechten. Dit is ook een betaalbare oplossing voor de levensmiddelenindustrie en de detailhandel.

    Vandaag is er al veel mogelijk. Zelfs de mango in de supermarkt is geen CO2-raadsel meer. Het is bijvoorbeeld bekend dat ingevlogen fruit tien keer meer broeikasgassen veroorzaakt dan fruit dat per schip wordt vervoerd. Er is niet veel voor nodig om de consument hierover te informeren met een mededeling op de fruitafdeling. Maar zonder politieke druk zal dat waarschijnlijk niet gebeuren. Detailhandelaren en fabrikanten moeten daarom in de toekomst verplicht worden om CO2-informatie bij levensmiddelen te vermelden. Alleen dan ontstaat de transparantie die de consument nodig heeft om klimaatvriendelijk te kunnen eten.

    Lees ook:

  • Europa stevent af op einde van benzineauto in 2035

    Europa stevent af op einde van benzineauto in 2035

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Wordt Moldavië het volgende slachtoffer van Rusland?

    » Nederland en Denemarken leveren definitief geen Leopard 2-tanks aan Oekraïne

    CO2-uitstoot van auto’s moet vanaf 2035 nul zijn

    Het Europees Parlement heeft dinsdag een nieuwe verordening aangenomen om de CO2-uitstoot van nieuwe auto’s in Europa vanaf 2035 tot nul te reduceren. Dit betekent feitelijk het einde van de verkoop van benzine- en dieselauto’s in de EU tegen die datum, evenals van hybriden (benzine-elektrisch), ten gunste van volledig elektrische voertuigen, aldus Le Temps.

    De auto, Europa’s belangrijkste vervoermiddel, is op het moment verantwoordelijk voor iets minder dan 15 procent van de CO2-uitstoot van het continent. Deze nieuwe maatregel is daarmee een belangrijke stap in het bereiken van de klimaatdoelen van de EU: een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 55 procent in 2030 ten opzichte van 1990 en klimaatneutraal in 2050.

    ‘We hebben een historisch akkoord bereikt, dat de auto-industrie en het klimaat met elkaar verzoent’

    ‘We hebben een historisch akkoord bereikt, dat de auto-industrie en het klimaat, twee gezworen vijanden, met elkaar verzoent,’ zei het groene parlementslid Karima Delli, voorzitter van de vervoerscommissie van het Europees Parlement. De Europese regeringsleiders moeten nog formeel groen licht geven om het voorstel in werking te laten treden, maar hebben al in een eerder stadium ingestemd met de maatregelen.

    Zoals het Zwitserse dagblad opmerkt, heeft de Europese Commissie ‘toevallig’ kort na de stemming in het Europees Parlement haar voorstellen bekendgemaakt voor de regulering van zware voertuigen (onder andere vrachtwagens en bussen). Die categorie veroorzaakt 6 procent van de uitstoot van broeikasgassen. Vanaf 2030 moet hun uitstoot ‘gemiddeld’ met ten minste 45 procent dalen ten opzichte van het niveau van 2019, vervolgens vanaf 2035 met 65 procent en vanaf 2040 met 90 procent, aldus het voorstel waarover de lidstaten en de leden van het Europees Parlement zullen onderhandelen.

    Lees ook:

  • Mumbai wil 20 jaar eerder dan de rest van India klimaatneutraal worden

    Mumbai wil 20 jaar eerder dan de rest van India klimaatneutraal worden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Netflix verliest abonnees en crasht op aandelenmarkt

    » Huiskatten vormen grote bedreiging voor inheemse fauna Australië

    Megalopolis presenteert ambitieus klimaatplan

    Op 13 maart onthulde het gemeentebestuur van Mumbai een verstrekkend ‘klimaatactieplan’. Op dat moment werd de stad werd geconfronteerd met temperaturen van bijna 40 graden Celsius, 7 graden warmer dan normaal voor de tijd van het jaar, merkt The Economist op. Het gemeentebestuur wil tegen 2050 een een CO2-uitstoot van netto nul bereiken, twee decennia eerder dan het doel dat de nationale regering heeft gesteld.

    Mumbai is uiterst kwetsbaar voor klimaatverandering. Het is een smal en dichtbevolkt eiland, dat grotendeels bestaat uit drooggelegd land en aan drie kanten wordt omringd door de Arabische Zee. Het wordt vier maanden per jaar geteisterd door moessonregens en staat regelmatig bloot aan Bijbelse overstromingen, vooral bij vloed, aldus The Economist. ‘Dat is al erg genoeg voor de bewoners van de binnenstad. Maar het is nog erger voor de 42 procent van de bevolking die in sloppenwijken woont, die het risico lopen weggespoeld of bedolven te worden door aardverschuivingen.’

    In sloppenwijken kan de temperatuur zo’n 6 tot 7 graden hoger liggen dan in de rest van de stad

    De ruggengraat van het plan is een voorstel om op termijn fossiele brandstoffen volledig in de ban te doen voor de energievoorziening van Mumbai. Om dat te bereiken wil de stad het aandeel van hernieuwbare energie verhogen. Ze onderzoekt bijvoorbeeld of zonnepanelen op daken geïnstalleerd kunnen worden. Een andere prioriteit is het verbeteren van de kwaliteit en efficiëntie van de gebouwen in de stad. Vooral sloppenwijken zijn hitte-eilanden, waar de temperatuur zo’n 6 tot 7 graden hoger kan liggen dan in de rest van de stad.

    Het plan bevat helaas weinig details over de manier waarop de ambities moeten worden verwezenlijkt, oordeelt het Britse zakenblad.

    Lees ook:

  • ‘Klimaatneutrale’ kaas en vuilniszakken: greenwashing of stap in de goede richting?

    ‘Klimaatneutrale’ kaas en vuilniszakken: greenwashing of stap in de goede richting?

    CO2-neutrale kaarsen, kaasproducten, vuilniszakken: wat op het eerste gezicht milieuvriendelijk lijkt, is vaak pure greenwashing waarmee bedrijven als Hochland, Aldi Süd en Nestlé zich er gemakkelijk van afmaken. Zelf verklaren de bedrijven dat ze op weg zijn naar ‘net zero’.

    Als we zuivelbedrijf Hochland mogen geloven is vrijwel geen kaas zo duurzaam als zijn eigen Grünlander-plakken met milde nootachtige smaak. Met maar liefst vier ecolabels (Marke Eigenbau) prezen de Allgäuers tot voor kort hun product aan: aan de beloftes van ‘natuurlijke ingrediënten’, ‘meer dierenwelzijn’ en ‘een optimaal recyclebare verpakking’ werd als nieuwste snufje van duurzaam marketen het keurmerk ‘100% klimaatneutraal geproduceerd’ toegevoegd. Deze kaas riep klimaatverandering een halt toe.  

    Met die belofte worden niet alleen de plakken kaas met milde nootachtige smaak verkocht. Van vis en kaarsen tot fruit en vuilniszakken – in alle branches prijzen fabrikanten hun waar als ‘klimaatneutraal’ aan. Emissievrij lijkt het nieuwe bio. Maar hoeveel daarvan is werkelijk milieubescherming – en hoeveel greenwashing?

    Hochland kreeg in elk geval problemen met zijn kwalificatie ‘100% klimaatneutraal geproduceerd’. De Wettbewerbszentrale, het zelfregulerende orgaan van het Duitse bedrijfsleven, beoordeelde deze aanprijzing onlangs als ‘misleidend’. Het mededingingscentrum gaf een waarschuwing aan in totaal twaalf bedrijven die op soortgelijke wijze de term ‘klimaatneutraal’ hanteerden. Onder hen ook Aldi Süd. Deze discountreus pocht ermee Duitslands ‘eerste klimaatneutrale levensmiddelendetaillist’ te zijn.

    CO2-certificaten

    Het keurmerk klimaatneutraal suggereert dat dit resultaat ‘uitsluitend bereikt wordt door zelf emissie te vermijden’, zegt Tudor Vlah van het mededingingscentrum. Vaak is dat helemaal niet het geval. Bedrijven kopen doorgaans via aanbieders als ClimatePartner CO2-certificaten die hun uitstoot moeten compenseren. Het eigen productieproces kan zo grotendeels intact blijven. Bovendien komen deze certificaten vaak van projecten in ontwikkelingslanden, waarvan de effectiviteit omstreden is. 

    Zuivelbedrijf Hochland staat erom bekend dat het alles graag een beetje aandikt: hun reclame met ‘uitloopkoeien’ kreeg al eerder een waarschuwing. Alleen uit de kleine lettertjes viel op te maken dat de dieren niet vrij in de wei konden lopen, maar alleen in de stal. Met zijn ‘klimaatneutrale productie’ doet Hochland nu exact hetzelfde: op basis van de laatste cijfers stoten de beide grote vestigingen van het bedrijf elk jaar ruim 20.000 ton CO2-equivalenten uit. Die hoeveelheid is ongeveer vergelijkbaar met de uitstoot van het op een neer vliegen van alle regeringsambtenaren tussen Berlijn en Bonn. 

    De afgelopen jaren heeft Hochland op eigen kracht precies 11 procent besparing per ton eindproduct gerealiseerd – en grotendeels door om te schakelen op stroom uit hernieuwbare energiebronnen, zoals het bedrijf bevestigt. De resterende kloof naar zogeheten klimaatneutraliteit werd gedekt door certificaten.

     ‘Bij termen als “klimaatneutraal produceren” gaan bij mij alle alarmbellen af’

    Matthias Finkbeiner, directeur van het Institut für Technische Umweltschutz van de TU Berlijn, is uiterst kritisch over deze aflaathandel. Certificaten kunnen vaak zo goedkoop verkregen worden dat ze elke prikkel om de eigen productie energie-efficiënt te maken tenietdoen, zegt de expert in levenscyclusanalyse. ‘Bij termen als “klimaatneutraal produceren” gaan bij mij alle alarmbellen af.’ Dat soort formuleringen verdoezelt vaak dat de eigen bijdrage aan uitstootvermindering ‘uitermate gering is’.

    Dat geldt vooral voor branches die voor hun emissies niet hoeven te betalen. Terwijl energieconcerns voor elke ton CO2 inmiddels nog altijd ruim 50 euro moeten ophoesten, is compensatie voor bijvoorbeeld de levensmiddelensector vrijwillig – zij kunnen zich tegen een koopje ‘klimaatneutraal’ maken. Zo betaalde Hochland hooguit 3,70 euro per ton.

    Als klimaatkoopman voor het zuivelbedrijf fungeerde Plant for the Planet, een organisatie die door activist Felix Finkbeiner (23) werd opgericht. Hij hielp Hochland niet alleen aan gunstige compensatieprojecten, maar initieerde ook acties met een hoogst dubieus nut voor het klimaat – bijvoorbeeld het aanplanten van bomen in Mexico om de klimaatopwarming af te remmen. Daarvoor oogstte hij veel lof van de Friday for Future-beweging, maar uiteindelijk kwamen er zoveel berichten over de gebrekkige controleerbaarheid van Finkbeiners succesverhalen, dat Hochland de samenwerking met zijn organisatie opschortten. 

    Finkbeiner zelf verzekert dat voor elke euro een boom wordt geplant en dat aan verbetering van de transparantie hard wordt gewerkt.

    Hypothese

    In de markt voor verhandelbare CO2-compensatie gaan miljarden om – het is een speelplaats voor tal van valideerders, certificeerders, adviseurs en handelaren die concerns inpalmen met de belofte dat ze hen de verantwoordelijkheid voor het klimaat uit handen nemen. In werkelijkheid verschuiven ze het probleem vaak alleen maar, naar projecten in armere landen. Zelfs in de verplichtende emissiehandel worden zulke vreemde plannen goedgekeurd dat het verantwoordelijke VN-klimaatsecretariaat steeds weer certificeerders moet buitensluiten. Onder hen inmiddels ook TÜV Süd.

    Hochland heeft gevolg gegeven aan de waarschuwing van het mededingingscentrum en is met zijn reclame gestopt. Aldi Süd daarentegen voelt zich ten onrechte aan de schandpaal genageld. De slogan van ‘eerste klimaatneutrale levensmiddelendetaillist’ willen ze zich kennelijk niet door de mededingingshoeders laten ontnemen. 

    ‘Onze missie: nauwelijks emissie,’ rijmt Aldi op zijn homepage

    ‘Bewust hebben we onszelf niet “emissievrij” genoemd, maar alleen “klimaatneutraal in de zin van evenwicht in de CO2-balans”,’ zegt het bedrijf spitsvondig. Daarvoor is een heleboel werk verzet, ze hebben het energiemanagement efficiënter gemaakt en in nieuwe technologieën geïnvesteerd. Maar evenals Hochland claimt de discounter dat hij de grootste besparing gerealiseerd heeft door ‘omschakeling op 100% groene stroom’.  

    Aldi Süd lijkt met ruim 100.000 ton CO2-uitstoot bepaald een kleintje vergeleken met concerns als Bosch of Nestlé die boven de 100 miljoen uitkomen. Hoe hen dat lukt? De discounter berekent alleen de eigen CO2-voetafdruk en niet die van de totale keten aan toegevoegde waarde. 

    ‘Onze missie: nauwelijks emissie,’ rijmt Aldi op zijn homepage. Het bedrijf presenteert er vier compensatieprojecten. In India bijvoorbeeld krijgt de discounter op zijn balans ruim 30.000 ton per jaar gecrediteerd vanwege zijn financiële steun aan een zonne-energiecentrale. Deze vervangt volgens Aldi ‘de stroom uit fossiele energiedragers door zonnestroom’.

    ‘Dat klinkt mooi, maar is niet meer dan een hypothese,’ zegt expert Matthias Finkbeiner. In India is sprake van een groeiende primaire energiebehoefte; daarom ligt het niet voor de hand dat bestaande kolencentrales vervangen worden.

    Houtskooloventjes

    Ook het project in Ghana waar kleine efficiënte houtskooloventjes het kappen van brandhout in de bossen en de luchtverontreiniging moeten minimaliseren, lijkt geen eenduidig effect op te leveren. Toch crediteren 24 bedrijven hun emissiebalans met dit project. De controleurs van het Chinese filiaal van TÜV Rheinland moesten de besparingsprestaties van deze oventjes al volgens een beoordelingsverslag uit 2014 met circa 40 procent terugschroeven. Maar dankzij uitbreiding van het aantal ovens zijn de emissiedoelen volgens de promotors van het project toch behaald.

    Al even omstreden is een door de discountketen gefinancierd bosbeschermingsproject in Brazilië. Met dit plan in de nabijheid van de stad Portel in het oostelijke Amazonegebied kan Aldi 66.000 ton CO2-equivalenten compenseren, het merendeel van zijn emissies. Exploitant van dit project is Michael Greene, een Amerikaanse ingenieur, die ruim tien jaar geleden zijn baan bij Honda opgaf om het Braziliaanse regenwoud te redden. Na alles wat Greene aan de telefoon en per mail heeft laten weten, lijkt ‘het beste er maar van hopen’ een wezenlijke parameter van het project. 

    De Amerikaan heeft kennelijk een groep bosbezitters gevonden die hun 150.000 hectare waarop ze voorheen hout kapten, tot privaat beschermingsgebied verklaarden. Bedrijven als Aldi betalen als het ware een schadeloosstelling aan de bosbezitters om af te zien van kaalslag in het beschermde gebied; in ruil daarvoor krijgen de concerns emissierechten. Jaarlijks zou het project 364.000 ton aan CO2-equivalenten opleveren; naast Aldi rekenen nog ruim honderd bedrijven zich hiermee groen.

    Nestlé stoot met ruim 100 miljoen ton broeikasgassen meer dan tweemaal zoveel uit dan thuisbasis Zwitserland

    Maar of het werkt, weet zelfs Greene niet precies. ‘Het is hier wildwest,’ zegt hij aan de telefoon. De eigendomsrechten zijn vaak onduidelijk en of de hier traditioneel levende rivierbewoners, die Greene ook aan zijn project wil verplichten, hun land niet toch verzilveren, houden zij voor zich: ook de rivierbewoners kunnen volgens Greene ‘doen met hun land wat ze willen’. Bovendien wil de Braziliaanse president Jair Bolsonaro legalisering van illegale houtkap door kolonisten zelfs achteraf mogelijk maken. 

    Nestlé wil nu het goede voorbeeld geven. Het grootste levensmiddelenbedrijf ter wereld heeft aangekondigd in 2050 klimaatneutraal te willen werken en heeft daartoe onlangs zijn net zero roadmap uitgebracht. Er moet nogal wat gebeuren: met ruim 100 miljoen ton broeikasgassen stoot het bedrijf meer dan tweemaal zoveel uit dan zijn thuisbasis Zwitserland.

    Nestlé gelooft in groene groei en wil dit doel vooral bereiken via toepassing van klimaatvriendelijke technologie. Maar zelfs dan blijft er een miserabele rest over van toch altijd nog een paar miljoen ton broeikasgassen. Die moet eveneens gecompenseerd worden met gigantische boomplantacties in met name ontwikkelingslanden.

    Michel Pimbert, hoogleraar agrarische ecologie aan de universiteit van Coventry, vertrouwt het plan niet. Zulke compensatieprojecten kunnen volgens hem ‘tot een nieuwe golf van grootschalig landjepik op het zuidelijk halfrond leiden en gewelddadige conflicten met verdreven lokale gemeenschappen vooroorzaken’.

    In plaats van hen met onze compensatieprojecten op te zadelen zou het volgens Pimbert eerlijker zijn om nu eindelijk eens de consumptie in de westerse wereld te verminderen. 

  • Duurzaam dineren is een lucratieve groeimarkt

    Duurzaam dineren is een lucratieve groeimarkt

    In de VS worden klimaatneutrale restaurants steeds populairder. Zeker nu blijkt dat je er ook goed aan kunt verdienen.

    Dossier Klimaat

    Nu vrijwel overal ter wereld is begonnen met vaccineren en het einde van de coronacrisis in zicht is, selecteren wij artikelen voor u uit ons archief die onze blik weer op een ander urgent probleem richten: de klimaatcrisis.

    Dit artikel verscheen eerder op 3 december 2015 in nummer 89 van 360 Magazine.

    Bij Farmers Fishers Bakers, in Washington D.C., zet men zich al zeven jaar lang in voor klimaatneutraal dineren – en dat begint op het moment dat de klant de deur door komt. Een klein bordje nodigt de gasten uit om het restaurant te betreden door de uitbundig versierde draaideur. (Draaideuren, zo heeft een onderzoeksteam van het Massachusetts Institute of Technology ontdekt, zijn acht keer zo energie-efficiënt als traditionele deuren.) Eenmaal binnen in het chique, biologische restaurant, ziet de klant hergebruikt sloophout, herwonnen marmer en waterkaraffen uit een buurtwinkel. Op de menukaart staat uitdrukkelijk vermeld dat de ingrediënten afkomstig zijn van plaatselijke leveranciers en dat de restjes de volgende dag gebruikt kunnen worden voor een voorafje.

    ‘We verleiden de klant met duurzaamheid, verse producten, het aangename gevoel dat je weet waar alles vandaan komt,’ zegt Jennifer Motruk, plaatsvervangend hoofd marketing en communicatie van de Farmers Restaurant Group, waar Farmers Fishers Bakers onder valt, net als de Founding Farmers-restaurantketen. ‘Bij elke beslissing die we nemen stellen we onszelf de vraag: Zou ik hier ook voor kiezen als ik een boer was?’ Men streeft ernaar dat alles wat op tafel staat zo van het land komt, en dat alles in een omgeving die zo veel mogelijk klimaatneutraal is.

    Alles wat er gedaan kán worden op het gebied van duurzaamheid, wórdt ook gedaan. Founding Farmers composteert, recyclet, gebruikt linnen servetten, drukt de menukaarten met soja-inkt op hergebruikt papier, geeft het eten mee in bakjes van afbreekbaar materiaal, gebruikt natuurlijke schoonmaakmiddelen, maakt zelf groente in en bakt het brood ter plaatse.

    14230941594 a60f1ad8ca k 1
    Founding Farmers Restaurant. – © Davis Staedtler

    Deze filosofie wordt doorgetrokken tot op het toilet, met bewegingssensoren en waterbesparende stortbakken. Tot slot wordt de klant op het hart gedrukt dat het bedrijf doet aan klimaatcompensatie via Carbonfund.org, om de schadelijke uitstoot te compenseren van het wekelijkse transport van een kleine duizend kilo graan vanuit North Dakota naar Washington.

    Sinds de eerste Founding Farmers-zaak in 2008 de deuren opende is de keten uitgegroeid tot een concern met vier vestigingen die ongekende populair zijn. Volgens Motruk voeren de Founder Fathers al 49 maanden de lijst aan van restaurants die worden gereserveerd via OpenTable. Daarnaast is de keten ongekend winstgevend. In 2014 bedroeg de omzet meer dan 35 miljoen. En hoewel Founding Farmers slechts een kleine keten is in een industrietak van immense omvang, wordt het concept van klimaatneutraal eten en het verkleinen van de ecologische voetafdruk steeds populairder. Het bedrijf probeert iets te veranderen binnen een energieverslindende bedrijfstak.

    Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor

    Het systeem waarin voedsel wordt verbouwd, verscheept, bereid en weggegooid, is wereldwijd verantwoordelijk voor 30 procent van de koolstofemissie. Van elke dollar die een Amerikaan aan eten uitgeeft gaat 47 procent naar een restaurant – en daarvan is het land er bijna één miljoen rijk, afgaande op de cijfers van de National Restaurant Association [volgens de gegevens uit 2015].

    Laura Abshire, hoofd duurzaamheidsbeleid en overheidszaken van de National Restaurant Association, qua ledental de grootste vakbond in de voedselindustrie ter wereld, zegt dat restaurants zich er terdege van bewust zijn dat ze een grote invloed kunnen hebben op het milieu, maar ze willen het natuurlijk ook de klant naar de zin maken. Wat de klant meer en meer wil, zegt ze, is dat de zaak die hij bezoekt begaan is met het milieu.

    foundingfathers 1
    Het filiaal van Farmers Fishers Bakers in Washington D.C.

    ‘Klanten zijn steeds meer gericht op duurzaamheid, en sommige lokale overheden schrijven dat ook voor,’ zegt Abshire. ‘Restaurants hebben er alleen maar bij te winnen. Ze kunnen geld besparen en klanten trekken.’

    In San Francisco opent binnenkort een nieuw restaurant haar deuren, een restaurant dat vanuit een iets andere invalshoek streeft naar een klimaatneutrale bedrijfsvoering. The Perennial is de droom van het echtpaar Anthony Myint en Karen Leibowitz, die al naam hebben gemaakt in de Bay Area met twee andere restaurants met een charitatief oogmerk.

    [The Perennial sloot begin 2019 alweer zijn deuren gesloten, de voormalige eigenaren concentreren zich nu op het adviseren van andere restaurants om duurzamer te werken.]

    Ze zullen gebruikmaken van een bijna tweehonderd vierkante meter grote kas en een ecologisch verantwoorde combinatie van visteelt en hydrocultuur om de voedselrestanten te verwerken en groenten en kruiden voor het restaurant te verbouwen. Ze gaan de samenwerking aan met leveranciers die klimaatneutraliteit hoog in het vaandel hebben staan bij de productie van rundvlees en graan, en ze zullen gebruikmaken van typisch milieuvriendelijke pijlers als energiezuinige keukenapparatuur en een daktuin. Met al die middelen hopen Myint en Leibowitz een aangename, educatieve omgeving te scheppen die duidelijk maakt dat het voedselsysteem ook op een meer verantwoorde wijze kan functioneren.

    Spitsroeden

    ‘Het is lastig omdat klimaatverandering en milieukwesties mensen ook kunnen afschrikken,’ zegt Myint. ‘Het is een beetje spitsroeden lopen om dat aan de kaak te stellen in een restaurant waar mensen het vooral naar hun zin willen hebben.’

    Myint is ook een van de oprichters van een non-profit-consultancy dat een richtlijn met ‘best practices’ beschikbaar wil stellen voor restaurants die hun ecologische voetafdruk willen verkleinen – Zero Foodprint geheten. Ze willen een klimaatneutrale bedrijfsvoering binnen de restaurantwereld presenteren als iets om trots op te zijn, vergelijkbaar met vrijhandel, waarbij chefs of restauranthouders een bepaalde procedure moeten doorlopen om gecertificeerd te worden. Kennis is macht, zegt Myint, en nadenken over klimaatverandering wil nog niet zeggen dat je niet langer zou nadenken over eten. ‘Rundvlees heeft een gigantische ecologische voetafdruk,’ zegt hij. ‘Ik eet nog steeds rundvlees, maar met de kennis die ik nu heb ben ik wel kieskeuriger.’

  • Het ei van Columbus in Venray?

    Het ei van Columbus in Venray?

    Een verslaggever van The Guardian reisde af naar het Limburgse Venray, waar kippenboer Ruud Zanders onlangs begon met de productie van het ‘Kipster-ei’. Volgens Zanders is zijn productiemethode niet alleen goed voor het dierenwelzijn, maar ook zo goed als klimaatneutraal.

    Bij eieren heb je de keuze uit exemplaren uit de legbatterij en duurdere biologische en vrije-uitloopvarianten. Maar in Nederland heb je nu ook Kipster-eieren, afkomstig van een gloednieuwe kippenfarm bij Venray die zich profileert als ‘’s werelds milieuvriendelijkste boerderij’. De naam Kipster is een samentrekking van ‘kip’ en ‘ster’ en het is geen toeval dat dit rijmt op ‘hipster’. Volgens Ruud Zanders, universitair docent en de kippenboer achter deze boerderij – met bezoekerscentrum, vergaderzaal en zelfs gratis cappuccino – is het tijd om de positie van dieren in de voedselketen te heroverwegen.

    Legbatterijen en andere grootschalige kippenboerderijen leveren goedkope eieren, maar dat gaat ten koste van het milieu en de dieren. Bovendien leidt deze manier van produceren geregeld tot voedselpaniek in Noord-Europa, zoals onlangs bij het fipronilschandaal.

    Biologische en vrije-uitloopeieren, waarbij boeren het welzijn van de kippen vooropstellen, worden voor een hogere prijs verkocht, maar gaan ook ten koste van het milieu omdat deze kippen dure, geïmporteerde maïs krijgen die beter kan worden gebruikt om mensen te voeden. ‘Het slaat nergens op dat we met dieren moeten concurreren voor ons eten,’ zegt Zanders. ‘De CO2-voetafdruk van eieren wordt voor zeventig procent bepaald door het kippenvoer.’ Zanders (44), die ooit zijn vaders traditionele eierbedrijf leidde met een omzet van 45 miljoen euro, gelooft heilig in zijn nieuwe onderneming, waar sinds vijf weken 24.000 kippen eieren leggen die worden verkocht bij supermarktketen Lidl.

    De eieren kunnen tegen betaalbare prijzen worden verkocht omdat het bedrijf niet probeert te voldoen aan een aantal volgens Zanders minder zinnige beperkingen die nodig zijn om het stempel biologisch of vrije uitloop te krijgen

    Zanders’ verkoopargument is dat zijn boerderij de hoogste dierenwelzijnsnormen, bevestigd door de Stichting Wakker Dier, combineert met de laagst mogelijke belasting voor het milieu. Dat laatste punt wordt onderschreven door Wageningen University, die de CO2-voetafdruk en uitstoot van fijnstof van het bedrijf onderzocht.

    De eieren kunnen tegen betaalbare prijzen worden verkocht omdat het bedrijf niet probeert te voldoen aan een aantal volgens Zanders minder zinnige beperkingen die nodig zijn om het stempel biologisch of vrije uitloop te krijgen.

    Elke ochtend om tien uur gaan op de Kipsterboerderij de luiken omhoog tussen de slaapvertrekken van de kippen en een overdekte binnenplaats. Druk fladderend wagen duizenden stevige witte kippen zich in het daglicht om zich, tot de luiken om half acht ’s avonds weer dichtgaan, in de bomen op hun speelterrein te verschansen of rond te scharrelen.

    Formeel zijn het geen vrije-uitloopkippen, want ze beschikken niet over de wettelijk verplichte tien hectare open veld. Volgens Zanders zijn kippen echter van nature bosdieren die vaak angstig worden van open, onbeschutte ruimtes, dus is een kleinere buitenruimte in combinatie met de overdekte binnenplaats voor de dieren volegns hem de beste setting. ‘Ook al heb je tien hectare, iedere boer met vrije-uitloopkippen weet dat de dieren er maar negen van gebruiken,’ zegt hij. ‘Wij hebben 6,7 kippen per vierkante meter. Een vrije-uitloopboerderij meestal negen.’

    Ondernemer Ruud Zanders tussen zijn kippen. – © Bart van Overbeeke / HH
    Ondernemer Ruud Zanders tussen zijn kippen. – © Bart van Overbeeke / HH

    Het dak boven de binnenplaats heeft de vorm van een onregelmatige driehoek en bestaat voor een derde uit glas, waardoorheen het daglicht binnenvalt. De rest is ondoorzichtig door de 1078 zonnepanelen die genoeg elektriciteit opleveren om de boerderij van stroom te voorzien. Wat over is wordt verkocht aan het elektriciteitsnet.

    Het voer van de kippen bestaat uit verwerkte gebroken beschuit en rijstwafels en andere ‘afvalstromen’ van bakkerijen uit de omgeving. De geproduceerde eieren zijn niet biologisch, omdat het voer niet biologisch is, maar op deze manier past het dier in de voedselketen in plaats van met mensen te concurreren om maïs, zegt Zanders. Ook door afvalproducten als voer te gebruiken, wordt de CO2-voetafdruk verkleind.

    ‘Door de CO2-voetafdruk te verkleinen en zonne-energie te verkopen, denken we op basis van voorlopige berekeningen van Wageningen University dat we CO2-neutrale eieren produceren,’ aldus Zanders. ‘Mocht in de toekomst blijken dat dit niet zo is, dan zullen we elders in zonnepanelen investeren om de CO2-uitstoot te verminderen.’

    Na zeventig weken worden de kippen geslacht, maar niet, in tegenstelling tot wat vaak gebeurt, op de Afrikaanse markt gedumpt, waardoor de kippenboeren dáár de hoop op een winstgevende onderneming kunnen opgeven. In plaats daarvan worden ze verwerkt tot kippenburgers en kipnuggets voor de lokale markt.

    Hanenburgers

    De Kipsterboerderij heeft ook een overeenkomst gesloten met de kippenfokker die de hennen levert. In Noord-Europa is het voor kippenfokkers gebruikelijk de mannelijke kuikens te vergassen als ze uitkomen; dat zijn er in totaal 350 miljoen per jaar. Ze worden dan gebruikt als voer in dierentuinen of ze worden, maar al te vaak, weggegooid.

    ‘Die van ons worden gedurende zeventien weken grootgebracht en dan geslacht om hanenburgers van te maken,’ zegt Zanders. ‘Mensen nemen misschien aanstoot aan de behandeling van hanen, maar we proberen tenminste een oplossing te vinden.’

    Auteur: Daniel Boffey
    Vertaler: Martinette Susijn

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.