Het eenzijdige verhaal van de economische neergang van het oude continent ligt wat genuanceerder als je ook naar andere factoren kijkt, zoals de koopkrachtpariteit.
Vergelijkingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie resulteren vaak in een pessimistische diagnose over de economie van het oude continent. De cijfers lijken dit verhaal te bevestigen: waar het Europese bbp in 2008 nog iets uitsteeg boven dat van de VS, viel het in 2022 een derde lager uit dan zijn Amerikaanse tegenhanger. Deze gegevens suggereren wat velen al vermoedden: dat de Europese economie niet in staat zou zijn het ritme van de VS bij te benen, deels vanwege haar onvermogen om dezelfde gunstige voorwaarden te scheppen voor het aanzwengelen van de productie. En dat zou best kunnen kloppen, maar je moet ook enkele andere factoren in overweging nemen.
Bij het maken van dit soort vergelijkingen wordt doorgaans voorbijgegaan aan de koopkracht van de verschillende valuta. Om hier een beter idee van te krijgen: prijzen ontwikkelen zich niet overal hetzelfde, wat inhoudt dat eenzelfde munteenheid ergens waar de prijzen sneller stijgen minder waard is. Daarom kun je eigenlijk nooit een accurate vergelijking maken, zelfs niet als je euro’s zou omrekenen in dollars. Eigenlijk heb je een soort kunstmatige munt nodig waarin je zowel de euro als de dollar kunt omrekenen, om de koopkracht gelijk te trekken. Alleen op die manier zou je kunnen vaststellen of er tussen Amerikanen en Europeanen werkelijk een verschil bestaat wat betreft hun vermogen om in dezelfde behoeften te voorzien. En hierbij moet je naar zowel prijzen als wisselkoersen kijken.
Vervormende lens
Allereerst moet worden opgemerkt dat de euro in 2008 genoteerd stond op 1,47 dollar, terwijl die in 2022 nauwelijks boven de dollar uitsteeg. Dit fluctueren van de koers, waaraan vele oorzaken ten grondslag liggen, vertekent vergelijkingen die worden gebaseerd op het bbp uitgedrukt in dollars. De wisselkoers fungeert als een vervormende lens die de werkelijke verschillen tussen beide economieën vergroot of juist verkleint – dat is een cruciale factor om rekening mee te houden bij het analyseren van deze cijfers. Maar zoals eerder gezegd is de wisselkoers slechts een van de vele puzzelstukjes. Om de werkelijke koopkracht van respectievelijk de euro en de dollar te kunnen vergelijken, moet je de ontwikkeling van de prijzen in aanmerking nemen. En de inflatie was in de VS de afgelopen 24 jaar hoger dan in de eurozone (86,3 procent versus 69,6 procent).
Wanneer je de wisselkoers euro/dollar corrigeert voor verschillen in prijsontwikkeling en de berekeningen per sector maakt, kun je in recente studies, zoals die van Zsolt Darvas van de Europese financiële denktank Bruegel, zien dat de EU geleidelijk is opgeschoven in de richting van de VS. In 1995 vormde het Europese bbp per hoofd van de bevolking 67 procent van dat van de VS, terwijl het in 2022 bleek te zijn gestegen tot 72 procent. Hoewel de kloof nog redelijk groot is, is die wel kleiner geworden in plaats van groter. Deze vooruitgang is des te opmerkelijker als je in aanmerking neemt dat in deze periode verschillende landen uit Oost-Europa met een aanvankelijk lager ontwikkelingsniveau tot de Unie zijn toegetreden.
Maar je moet niet alleen rekening houden met de koopkrachtpariteit van de verschillende valuta. Verschillen in gewerkte uren vormen nóg een cruciale factor die zelden wordt meegenomen in analyses. Europeanen, vooral in het westen en noorden van het continent, werken doorgaans minder uren dan Amerikanen. In Duitsland bijvoorbeeld wordt jaarlijks per werknemer 350 uur minder gewerkt dan in de VS.
Sommige Europese landen hebben een hogere output per uur dan de VS, hoewel hun bbp per hoofd van de bevolking lager uitvalt
Dat is deels een weerspiegeling van andere sociale voorkeuren – een sterkere waardering voor vrije tijd en een goede balans tussen werk en gezin – maar het geeft ook aan dat de productiviteit in sommige Europese landen opvallend hoog is. Duitsland, België en Denemarken en sommige andere Europese landen hebben een hogere output per uur dan de VS, hoewel hun bbp per hoofd van de bevolking lager uitvalt vanwege het kleinere aantal gewerkte uren. Dat is een sociale keuze, die je niet noodzakelijkerwijs moet zien als een teken van economische zwakte. We verkiezen meer vrije tijd boven meer gelegenheid om geld te verdienen.
Toch valt niet te ontkennen dat er terreinen zijn waarop Europa duidelijk de zwakkere is, zoals Enrique Feás en Judit Arnal laten zien in een recent rapport van het Real Instituto Elcano. De interne markt bijvoorbeeld werkt minder goed voor diensten dan voor goederen, waarvoor in het handelsverkeer met landen buiten Europa belangrijke regulerende barrières bestaan. Er wordt bijvoorbeeld ook significant minder geïnvesteerd in research & development dan in de VS (2,2 procent van het bbp versus 3,5 procent), en er is ook minder durfkapitaal beschikbaar voor start-ups. Dat verklaart waarom er weinig Europese ‘unicorns’ zijn en waarom de digitalisering langzamer verloopt, vooral bij mkb-bedrijven. Slechts 26 procent van de volwassenen in Europa bezit geavanceerde digitale vaardigheden, waarmee ze zeer achterlopen op de Amerikanen. En ten slotte is de gemiddelde omvang van een bedrijf in Europa veel kleiner, waardoor schaalvoordeel en innovatie lastiger te realiseren zijn. Zo lag het bbp per hoofd van de bevolking in Zuid-Europa in het eerste decennium van deze eeuw nog op 73 procent van het Amerikaanse, maar is dat gezakt naar 61 procent. Enkele oorzaken hiervan zijn een lagere productiviteit, een hogere structurele werkloosheid, zwakkere instellingen en weinig vernieuwingskracht.
Nuancering
Het concurrentievermogen van Europa ondervindt ook nadelen van de energiekosten, die fors hoger zijn dan in de VS, al wordt dit nadeel enigszins gecompenseerd door een grotere vooruitgang in hernieuwbare energie. Een andere hindernis vormen de complexiteit en de kosten van regulering, vooral voor middelgrote ondernemingen die willen groeien. Bovendien is het financiële systeem in Europa nog sterk gericht op het traditionele bankwezen, met minder goed ontwikkelde kapitaalmarkten dan in de VS.
Kortom, het verhaal over de Europese neergang ten opzichte van de VS verdient enige nuancering. Hoewel er inderdaad reële uitdagingen zijn die Europa moet aanpakken, vooral op het vlak van innovatie, digitalisering en de ontwikkeling van het zuiden, heeft het continent ook laten zien naar de VS toe te bewegen. De ogenschijnlijk grote verschillen in het nominale bbp zijn in grote mate te wijten aan de invloed van de wisselkoers en de verschillende sociale voorkeuren wat werktijd betreft.
De werkelijke uitdaging voor Europa het voortbestaan van zijn sociale model te garanderen en de transformatie van zijn economie te versnellen. Daarvoor is het van doorslaggevend belang om vooral wat diensten betreft de interne markt uit te breiden, innovatie en digitalisering te stimuleren, de groei van bedrijven te vergemakkelijken, de energiekosten te drukken, de regulering te vereenvoudigen, de kapitaalmarkten te ontwikkelen en het achterblijvende Zuid-Europa aandacht te schenken. Deze uitdagingen zijn belangrijk, maar niet ondoenlijk, als je tenminste niet het paniek zaaiende standpunt inneemt waar simplistische vergelijkingen op uitkomen. Europa heeft hervormingen nodig in plaats van drama.
We moeten deze tijd benutten om te heroverwegen wat belangrijk is, stelt de Franse filosoof Bruno Latour. ‘Mijn hypothese, en die van velen met mij, is dat de gezondheidscrisis de weg bereidt voor de klimaatcrisis.’
Het samenvallen van een algehele lockdown dit voorjaar met de vastentijd was weliswaar onvoorzien, maar bood een mooie gelegenheid om tijdens de deze seculiere en republikeinse ramadan na te denken over wat belangrijk is en wat niet.
Zo kon dit virus dienen als generale repetitie voor de volgende crisis, namelijk die waarin veranderen van levensstijl voor iedereen geldt en voor alle aspecten van het dagelijks leven, die we dan zorgvuldig moeten leren kiezen. Mijn hypothese, en die van velen met mij, is dat de gezondheidscrisis de weg bereidt voor de klimaatcrisis. Een opmaat die ons ertoe aanzet ons daarop voor te bereiden. Nu moeten we die hypothese nog testen.
De pandemie is net zo min een ‘natuurlijk’ verschijnsel als de hongersnoden van vroeger of de huidige klimaatcrisis
Het virus is maar één schakel in een keten. Wat het verbinden van deze twee crises rechtvaardigt is het plotselinge en pijnlijke besef dat de klassieke definitie van ‘de maatschappij’ – het samenzijn van mensen onder elkaar – geen betekenis meer heeft. De sociale orde hangt altijd af van verbanden tussen vele actoren, waarvan de meeste geen menselijke vorm hebben. Het geldt voor microben – dat weten we sinds Pasteur – maar ook voor het internet, het recht, de gezondheidszorg, de bevoegdheden van de staat en evengoed voor het klimaat.
En natuurlijk, ondanks al het lawaai rond de ‘oorlog’ tegen het virus, is dat virus maar één schakel in een keten waarin de beschikbaarheid van mondkapjes of coronatests, de regelgeving omtrent het eigendomsrecht, omgangsvormen en uitingen van solidariteit allemaal even zwaar meewegen in de mate van kwaadaardigheid van de ziekteverwekker.
Duidelijkheid
Als je begrijpt dat het virus maar een schakel is in een wereldwijd netwerk, is het niet verwonderlijk dat het op een andere manier te werk gaat in Taiwan, Singapore, New York of Parijs. De pandemie is net zo min een ‘natuurlijk’ verschijnsel als de hongersnoden van vroeger of de huidige klimaatcrisis.
De maatschappij houdt zich al heel lang niet meer aan de beperkte maatschappelijke grenzen.
Toch weet ik niet of die parallel veel verder gaat dan dat. Want uiteindelijk zijn gezondheidscrises niets nieuws, en het snelle en radicale ingrijpen van de staat lijkt tot nu toe niet veel verandering te brengen. Je hoeft alleen maar het enthousiasme van president Macron te zien, nu hij eindelijk het staatsmanschap kan tonen dat hem tot nu toe zo treurig ontbrak. Veel beter dan de aanslagen, die ondanks alles vooral een zaak voor de politie zijn, geven de pandemieën een soort duidelijkheid, zowel voor de leiders als voor hun volgelingen: ‘Wij moeten u beschermen’, en ‘u moet ons beschermen’. Door die duidelijkheid krijgt de staat zijn gezag terug en kan hij dingen eisen die in elke andere omstandigheid tot rellen zouden leiden.
Maar die staat is niet de staat van de eenentwintigste eeuw en van de ecologische veranderingen, het is de staat van de negentiende eeuw en van wat de ‘biomacht’ is gaan heten. Om met statisticus Alain Desrosières te spreken is het de staat van de statistieken: management van afgebakende populaties, van bovenaf uitgevoerd door een machtige groep deskundigen. Precies wat we nu weer zien opkomen, met als enige verschil dat het stap voor stap wordt gereproduceerd, tot het de hele wereld omspant.
Het nieuwe van de huidige situatie is in mijn ogen dat wij, opgesloten in ons eigen huis terwijl buiten de politiebevoegdheden worden uitgebreid en de ambulances loeien, collectief een karikaturale uitbeelding spelen van de grafiek van de biomacht die rechtstreeks weggelopen lijkt te zijn uit een college van filosoof Michel Foucault. Daarin ontbreken de vele onzichtbare arbeidskrachten die toch moeten werken opdat de anderen zich thuis kunnen blijven verschuilen – en niet te vergeten de migranten die onmogelijk op één plek te houden zijn. Maar zelfs dat is een karikatuur uit een tijd die niet meer de onze is.
Er is een immense kloof tussen de staat die kan zeggen: ‘Ik bescherm u voor eeuwig’ – dat wil zeggen: tegen de infectie door een virus dat alleen deskundigen kunnen opsporen en waarvan de effecten duidelijk worden door het bijhouden van de statistieken – en de staat die zou durven zeggen: ‘Ik bescherm u voor eeuwig, want ik zorg voor het behoud van de levensomstandigheden van alle levende wezens waarvan u afhankelijk bent.’
Laten we een gedachte-experiment doen. Stel je eens voor dat president Macron op even Churchilliaanse toon een reeks maatregelen had aangekondigd om de olie- en gasvoorraden in de aarde te houden, om een eind te maken aan het gebruik van pesticiden, om het diepploegen uit te bannen en om, het toppunt van stoutmoedigheid, terrasverwarming op terrassen te verbieden. Als je bedenkt dat alleen al het verhogen van de accijns op benzine de gelehesjesbeweging heeft ontketend, huiver je bij de gedachte aan de rellen die het land zouden overspoelen. En toch is de noodzaak om de Fransen voor hun eigen bestwil tegen de dood te beschermen bij de klimaatcrisis oneindig veel groter dan bij de gezondheidscrisis, want daarbij gaat het letterlijk om de hele wereld en niet slechts om een paar duizend mensen – en niet tijdelijk, maar voor altijd.
Welnu, het is duidelijk dat die staat niet bestaat. En nog zorgwekkender is dat we niet weten of de staat zich er wel op voorbereidt om van de ene crisis over te gaan op de andere. In de gezondheidscrisis speelt de overheid de klassieke pedagogische rol, en haar gezag valt volmaakt samen met de oude nationale grenzen: de archaïsche terugkeer naar Europese grenzen is daarvoor het treurige bewijs.
In de gezondheidscrisis is het inderdaad het volk dat opnieuw, als op de kleuterschool, braaf moet leren de handen te wassen en in de elleboog te niezen. Maar voor de ecologische ommekeer geldt het tegenovergestelde: daar is de overheid de leerling die van een veelvormig volk, op vele niveaus, moet leren hoe het bestaan eruit moet zien, op terreinen die totaal veranderd zijn door de noodzaak om uit de huidige geglobaliseerde productie te stappen. Dan kan de staat onmogelijk van bovenaf maatregelen opleggen.
Het zijn de mensen
Maar er is nog een reden die de statistiek van de ‘oorlog tegen het virus’ onbegrijpelijk maakt: in de gezondheidscrisis is het misschien zo dat de mensen met zijn allen ‘tegen de virussen vechten’, ook al trekken die zich daar niets van aan en doen ze via keel en neus gewoon hun dodelijke werk. Maar in de ecologische verandering is de situatie tragisch omgekeerd: de ziekteverwekker die met verschrikkelijke kracht de levensomstandigheden van alle aardbewoners heeft veranderd is hier niet het virus, het zijn de mensen! En niet alle mensen, maar bepaalde mensen die oorlog tegen ons voeren, zonder ons de oorlog te hebben verklaard. En op die oorlog is de nationale staat zo slecht voorbereid, zo slecht toegerust, zo slecht ingericht als maar mogelijk is, want er zijn vele fronten, die ons allemaal raken. In die zin bewijst de ‘algehele mobilisatie’ tegen het virus in geen enkel opzicht dat we klaar zijn voor de volgende. Militairen zijn niet de enigen die altijd een oorlog achter lopen.
Maar je weet het nooit, uiteindelijk kan een vastentijd, ook al is die niet-religieus en republikeins, misschien spectaculaire veranderingen brengen. Voor het eerst in jaren herontdekken miljoenen mensen die thuis opgesloten zitten deze vergeten luxe: tijd om na te denken en te zien waar ze zich altijd zo onnodig druk om maken. Laten we deze lange, onverwachte vastentijd goed benutten.
Amerikaanse openbare scholen promoten onderwijs met beeldscherm. In welgestelde gezinnen is persoonlijk contact juist een nieuwe luxe. Want hoe moet een kind later solliciteren als het niet geleerd heeft een normaal gesprek te voeren?
Keuze uit het archief
Ging een aantal decennia geleden de ‘digitale kloof’ tussen arm en rijk nog om toegang tot technologie, nu smartphones alomtegenwoordig zijn draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik. De begeleiding die kinderen ontvangen om op een verantwoordelijke manier met technologie om te gaan is volgens The New York Times in dit artikel uit 2018 namelijk nogal ongelijk verdeeld. Een probleem dat steeds groter wordt naarmate socialemediaplatforms als TikTok en Snapchat verslavender en algoritmen gewiekster worden. Helemaal nu bovendien AI-tools de verspreiding van nepnieuws makkelijker maken, is een gedegen digitale opvoeding van levensbelang voor de samenleving.
De ouders in Overland Park waren het zat. Ze wilden hun kinderen van hun beeldscherm af krijgen, maar dat konden ze niet alleen. Ten eerste omdat je als ouder niet wilt dat jouw kind als enige dat rare buitenbeentje zonder smartphone is. En ten tweede omdat het gewoon heel, heel moeilijk is om een scholier zijn mobieltje af te nemen. ‘We begonnen onze bijeenkomsten met de constatering: dit is lastig, het is onontgonnen terrein.
Wie kan ons hierbij helpen?’ zegt Krista Boan. Zij heeft in Kansas City de leiding over een programma genaamd START, wat staat voor ‘Stand Together And Rethink Technology’. ‘Dit is iets waarover we onze moeder niet om raad kunnen vragen.’ In Overland Park, een voorstad van Kansas City, komen zo’n honderdvijftig ouders daarom al zes maanden lang ’s avonds bijeen in schoolbibliotheken om over maar één ding te praten: hoe ze hun kinderen kunnen losweken van hun mobiel.
Zonder beeldschermen
Nog niet zo lang geleden was de grootste zorg dat rijke leerlingen veel vroeger in aanraking kwamen met internet, waardoor ze een technische voorsprong opbouwden die tot een digitale tweedeling zou leiden. Scholen vragen leerlingen om hun huiswerk online te doen, terwijl ongeveer eenderde van de Amerikanen thuis geen internet heeft.
Maar nu ouders in Silicon Valley zich steeds grotere zorgen maken over de impact van technologie op hun kinderen en steeds meer streven naar een huishouden zonder beeldschermen, groeit de vrees voor een nieuwe digitale kloof. Het zou zomaar kunnen dat kinderen in arme en modale gezinnen worden grootgebracht met beeldschermen, terwijl het kroost van de elite in Silicon Valley juist terugvalt op houten speelgoed en de luxe van persoonlijk contact.
Je ziet dat nu al gebeuren. In rijke wijken zijn ouderwetse, op fysiek spelen gerichte kleuterscholen in zwang. Anderzijds heeft de overheid in Utah juist een onlineonderwijs- programma voor kleuters gefinancierd dat circa tienduizend kinderen bereikt. De organisatie heeft al aangekondigd dat dit digitale kleuteronderwijs in 2019 met federaal overheidsgeld wordt uitgerold naar vijf andere staten.
Volgens onderzoek van Common Sense Media, een onafhankelijke mediawaakhond, besteden tieners uit armere milieus per dag gemiddeld 8 uur en 7 minuten aan beeldschermvermaak, tegen 5 uur en 42 minuten voor leeftijdgenoten uit rijkere milieus. (In dit onderzoek werd elk beeldscherm apart meegeteld: één uur append voor de tv hangen telde dus als twee uur beeldschermtijd.) In twee studies waarbij ook de etnische achtergrond werd meegenomen, bleek het beeldschermgebruik bij blanke kinderen beduidend lager dan bij kinderen uit Afro-Amerikaanse en latinogezinnen.
En ouders constateren zelf ook een groeiende tweedeling tussen openbare en particuliere scholen binnen dezelfde wijk. Op de particuliere Waldorf School of the Peninsula, zeer in trek bij het hogere kader van Silicon Valley, wordt beeldschermgebruik bijvoorbeeld vermeden. Een eindje verderop adverteert de openbare Hillview Middle School juist met zijn iPad-onderwijs.
De psycholoog Richard Freed schreef een boek over de risico’s van beeldschermgebruik voor kinderen en hoe je hen weer in contact kunt brengen met de echte wereld. Hij verdeelt zijn tijd tussen lezingen voor volle zalen in Silicon Valley en zijn praktijk met minder bemiddelde gezinnen in San Francisco. Bij die laatste is hij vaak de eerste van wie ouders horen dat beperking van het beeldschermgebruik de concentratie- en gedragsproblemen van hun kind kan helpen verminderen. ‘Ik ga van lezingen in Palo Alto [een schatrijke stad in Silicon Valley] naar consulten in Antioch [een arme gemeente die zwaar werd getroffen door de huizencrisis], waar ik de eerste ben om ze op die gevaren te wijzen’, zegt Freed.
Wat hem vooral zorgen baart, is het werk van collega-psychologen die techbedrijven helpen hun apps zo waanzinnig verslavend te maken. Zij zijn doorkneed in de technieken van persuasive design, oftewel het bespelen van beeldschermgebruikers. Een paar voorbeelden: de autoplay-functie van YouTube, de teller met ‘likes’ op Instagram die oploopt als een fruitautomaat, het ‘snapreeks’-icoontje op Snapchat.
Smartphones in de ban
‘Eerst ging de digitale kloof over gebrek aan toegang tot technologie. Nu iedereen er toegang toe heeft, draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik’, aldus Chris Anderson, oud-redacteur van het blad Wired. In het hele land maken ouders, artsen en leerkrachten zich hier sterk voor. ‘De bedrijven hebben de scholen voorgelogen en nu liegen ze de ouders voor’, zegt Natasha Burgert, een kinderarts
in Kansas City.
‘We worden allemaal in het ootje genomen’, vindt ze. ‘We onderwerpen onze kinderen, de mijne ook, aan een van de grootste sociale experimenten die we in lange tijd hebben gezien. Hoe moet het straks met mijn dochter, als ze geen normaal gesprek kan voeren onder het eten? Hoe moet ze dan aan de man komen? Hoe kan ze op sollicitatie gaan?’
‘Ik heb nu gezinnen die er helemaal van af willen’, zegt Burgert. ‘Die zeggen: het is welletjes, we kappen ermee.’ Zoals in huize Brownsberger. Smartphones waren daar al lang in de ban gedaan, maar nu heeft ook de tv met internetaansluiting het veld geruimd. ‘We hebben de tv van de muur gehaald en ik heb het kabelabonnement opgezegd’, zegt Rachael Brownsberger (34), moeder van twee zoons van elf en acht.
‘Hoe krankzinnig dat ook klinkt.’ Zij en haar man, eigenaar van een bedrijf in sierbeton, hebben hun kinderen nooit een smartphone gegeven. Maar ze merkten dat zelfs de geringste blootstelling aan beeldschermen al een slechte invloed had op hun gedrag. Haar oudste zoon, die ADHD heeft, werd vaak boos als de tv uit moest, zegt ze. Dat vond ze verontrustend. En zijn verlanglijstje voor Kerst bestond uit een Wii, een PlayStation, een Nintendo, een MacBook Pro en een iPhone. ‘Ik heb gezegd: die krijg je dus niet, jongen’, zegt Brownsberger. ‘Ja, dan ben ik de kwaaie pier.’
Ouders maken zich steeds grotere zorgen over de impact van technologie op hun kinderen
Maar één ding maakt het gemakkelijker: dat andere ouders in hun buurt hetzelfde doen. ‘Je moet dit met een hele gemeenschap doen’, zegt Brownsberger. ‘Ik had het er gisteravond nog over met mijn buurvrouw: ben ik soms zo’n slechte moeder?’ Krista Boan heeft in Overland Park drie proefprojecten met elk zo’n veertig ouders die samen naar goede methoden zoeken om hun kinderen af te krijgen van mobieltjes en andere beeldschermen.
De Kamer van Koophandel steunt het project en de gemeente wil in het komende beleidsplan ook een paragraaf opnemen over ‘digitaal welzijn’. ‘De gemeente en de Kamer van Koophandel zeiden: we zien de gevolgen voor onze stad’, zegt Boan. ‘We willen dat onze jongeren opgroeien tot zelfstandige burgers die verstandig met hun apparaten omgaan, maar daar moeten we ze wel toe in staat stellen.’
Ook in Silicon Valley maken sommigen zich zorgen over de groeiende tweedeling wat betreft beeldschermtijd. Kirstin Stecher en haar man, die bij Facebook werkt, voeden hun kinderen bijna volledig beeldschermvrij op. ‘Is dat omdat we goed geïnformeerd zijn en veel van de technologie weten?’ zegt ze. ‘Of is het omdat we bevoorrecht zijn en makkelijker zonder beeldscherm kunnen?’
‘Er heerst een gedachte dat je kind wordt achter- gesteld en in een andere dimensie opgroeit als het geen beeldschermtijd krijgt’, zegt Pierre Laurent, voormalig manager bij Microsoft en Intel en nu bestuursvoorzitter van de Waldorf School in Silicon Valley. ‘Maar die gedachte slaat in deze contreien niet meer zo aan’, meent hij. ‘Hier snappen de mensen dat het in die bedrijven vooral draait om big data, om AI, en dat is niet iets waarin je zelf heel bedreven wordt doordat je al vanaf je tiende een mobieltje hebt.’
‘Vaardigheden voor de toekomst’
Al krijgen de werknemers in deze sector steeds meer bedenkingen, de markt voor beeldschermtoepassingen voor kinderen groeit intussen als kool. Apple en Google proberen om het hardst hun producten aan scholen te slijten en leerlingen zo jong mogelijk aan zich te binden, als ze merkentrouw beginnen te worden. Google heeft onderzoeksresultaten gepubliceerd van zijn project in het schooldistrict Hoover City in Alaska.
Daar wil Google de leerlingen naar eigen zeggen ‘vaardigheden voor de toekomst’ bijbrengen. Chromebooks en Google-tools hebben volgens het bedrijf levens veranderd: ‘De leiding van het schooldistrict wil de leerlingen opleiden voor succes door ze de vaardigheden, kennis en gedragingen bij te brengen die ze nodig hebben om verantwoordelijke burgers in de wereldgemeenschap te worden.’
Maar volgens Richard Freed wordt bij kinderen uit armere milieus te snel naar deze technologische middelen gegrepen. Hij constateert die kloof iedere dag opnieuw in zijn werk met aan technologie verslaafde kinderen van ouders met modale en lagere inkomens. ‘Veel kinderen in Antioch zitten op scholen die geen geld hebben voor naschoolse activiteiten’, zegt hij, ‘en een kinderoppas kunnen hun ouders niet betalen.’
De kenniskloof over de gevaren van de nieuwe technologie is volgens hem enorm. Met tweehonderd andere psychologen heeft hij een open brief ondertekend waarin ze hun beroepsvereniging oproepen tot het veroordelen van de medewerking van psychologen aan persuasive design in apps gericht op kinderen. ‘Zodra die technologie eenmaal grip op een kind heeft, wordt het heel moeilijk het daar nog van te bevrijden’, zegt Freed.
De vluchtelingencrisis heeft een groeiende kloof aan het licht gebracht tussen de oude en nieuwe leden van de Europese Unie. Wiens schuld is dat? Had Brussel te weinig oog voor de geschiedenis, de mentaliteit en de wensen van Oost-Europa? Of leiden de Oost-Europese landen aan een slachtoffersyndroom, zoals Slavenka Drakulić schrijft?
Het Duitse weekblad Der Spiegel trekt in elk geval een sombere conclusie: de EU-uitbreiding naar het oosten was een fout.
De Europese Unie heeft zich te lang blindgestaard op economische doelstellingen, en te weinig oog gehad voor de geschiedenis, de mentaliteit en de wensen van Oost-Europa, aldus de Oostenrijkse krant Der Standard.
Op 1 mei 2014 vierden de leiders van de belangrijkste EU-instellingen niet de Dag van de Arbeid, zoals hun burgers. Ze herdachten ‘een succesverhaal, zowel van de oude als van de nieuwe lidstaten’. Dat waren de woorden van Herman Van Rompuy, de toenmalige voorzitter van de Europese Raad van staatshoofden en regeringsleiders. Het was de tiende verjaardag van de grootste uitbreiding in de geschiedenis van de EU, met de toetreding van onder andere Oost- en Midden-Europese landen. Tijdens bliksembezoeken aan Tsjechië en Slowakije werd Van Rompuy onderscheiden.
Eén jaar en de grootste vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog later ziet de ‘volmaakte’ wereld van de vreedzame hereniging na de val van communistische dictaturen er ietwat anders uit. En niet alleen in Praag en Bratislava. In veel West-Europese hoofdsteden neemt de verbittering toe omdat partnerregeringen weigeren op basis van een eerlijke verdeelsleutel vluchtelingen uit Syrië op te nemen.
De Hongaarse premier Viktor Orbán stelt zich hierbij keihard op. Hij blies de kwestie op tot een Kulturkampf om zijn christelijk-nationalistische wereldbeeld te versterken; hij, die in 1989 als student de charismatische leider van een liberale Fidesz-partij was. De Tsjechische president Milos Zeman, een oud-communist, maakte onlangs duidelijk waarom hij de immigratie van moslims afwijst: ‘Zodra ze in Europa zijn, botsen twee culturen die niet met elkaar te verenigen zijn.’
In het hoofd van de mensen bestaat het IJzeren Gordijn nog
De Hongaarse dominee en Europarlementariër László Tökés had deze situatie voorzien. Sinds de toetredingen tot de EU heeft er in Oost-Europa een grote ontnuchtering plaatsgevonden, zei hij een jaar geleden tegen Der Standard. ‘Mentaal, sociaal en in de structuren is er niet veel veranderd. In het hoofd van de mensen bestaat het IJzeren Gordijn nog, dus je kunt spreken van een virtuele deling van Europa.’ Hij klonk treurig. De integratie was helemaal op de economie gericht, men had zich niet bezig willen houden met de mentaliteit van samenlevingen uit een voormalige communistische dictatuur.
Interessant parcours
Dominee Tökés legde zelf ook een interessant parcours af. Als lid van de Hongaarse minderheid in Roemenië werd hij vervolgd door het regime van de gevreesde dictator Nicolae Ceausescu. Maar hij zwichtte nooit voor de druk van de Securitate, de geheime dienst. Zijn diensten op zondag werden een verzamelplaats van de oppositie. In de herfst van 1989 escaleerde de situatie in Roemenië toen het regime in Timisoara op demonstranten liet schieten. Enkele weken later was dictator Ceausescu dood, neergeschoten door soldaten van zijn eigen leger, dat tijdens de revolutie een dubieuze rol speelde.
Tökés werd een van de helden van de revolutie, en bleef in de jaren daarna altijd politiek geëngageerd. In 2007 kreeg hij na de toetreding van Roemenië tot de EU een zetel in het Europarlement als onafhankelijk lid en mensenrechtenactivist. Hij sloot zich aan bij de Europese Groene Partij, maar koos later voor de christendemocraten van de Europese Volkspartij (EVP). In mei 2014 nam hij, met een Hongaars paspoort op zak, zitting in het parlement namens Orbáns Fidesz-partij.
Het leven van Tökés lijkt op dat van Viktor Orbán en Milos Zeman: een verhaal met meerdere facetten dat een weerspiegeling is van het heterogene ‘nieuwe Europa’ van Donald Rumsfeld [de Amerikaanse minister van Defensie onder George Bush]. Het is zeker niet eenvoudig om alle tegenstellingen en breuklijnen in Europa te begrijpen, of om alle vouwen recht te strijken. Maar toch moeten we een poging doen om te verwijdering tussen West- en Oost-Europa, die door de vluchtelingenkwestie op scherp is gesteld, te verklaren.
Veel West-Europeanen leven al sinds jaar en dag in een postmateriële maatschappij. Ze hechten waarde aan het algemeen belang en een schoon geweten, en vinden een kopje biologische Fair Trade-koffie belangrijker dan een salarisverhoging. In de meeste Oost-Europese landen daarentegen worstelen brede lagen van de bevolking nog altijd om in het eigen levensonderhoud te voorzien en een bescheiden welvaart te bewerkstelligen.
In Bulgarije bedroeg het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking in 2014 circa 12.500 euro. Om toch nog iets van voorspoed te kunnen tonen, steken mensen zich in de schulden om statussymbolen als auto’s en smartphones te kopen, vertelt een IT-manager met wie Der Standard sprak, maar die niet met zijn naam in de krant wil. Uit onderzoek blijkt dat de postmaterialisten in India, China en Oost-Europa nog altijd een uiterst kleine minderheid vormen, terwijl er in West-Europa in de jaren negentig van de vorige eeuw op elke vier materialisten al drie postmaterialisten waren.
Oost-Europa heeft het Holocaust-verleden nog niet verwerkt
Net als Griekenland hebben veel Oost-Europese landen economisch het hoofd boven water gehouden met kredieten uit het buitenland. Tegelijkertijd hebben ze draconische bezuinigingen doorgevoerd, tot de massale onteigening van de eigen burgers aan toe. Zo is in 2011 in Hongarije tien miljard euro uit particuliere pensioenfondsen genationaliseerd om onder andere eerder geprivatiseerde energiebedrijven terug te kopen. Die bieden de burgers nu lage energietarieven, maar zijn daardoor nauwelijks winstgevend en moeten als de nood aan de man is zelfs door de staat worden gesubsidieerd. Door deze gang van zaken zijn de Hongaren steeds armer geworden, zodat velen zelf emigreren – over economische vluchtelingen gesproken. De website Pester Lloyd maakte laatst melding van circa 600.000 emigranten uit Hongarije (dat tien miljoen inwoners heeft) sinds de machtsovername van Viktor Orbán in 2010.
Van communisme naar nationalisme
De Oost-Europeanen hebben lange tijd in bezette communistische satellietstaten geleefd. Hierdoor zijn ze pas heel laat naties gaan vormen, met alle oprispingen van nationalisme van dien. In een essay met de titel ‘Het onzichtbare gordijn’ schreef cultuurwetenschapper Wolfgang Müller-Funk: ‘Tussen de claustrofobische structuur van de kleine familie en het verlangen om in een homogeen gebied met de naam “land” te wonen, bestaat een innerlijk verband, net als tussen het overleven van autoritaire communistische structuren en de “illiberale” democratie die afstevent op een eenpartijstaat, waarin de andere politieke groeperingen en partijen geen concurrenten maar vijanden zijn, die je het best eens en voor altijd kunt uitschakelen. Onze buurlanden zijn communistischer dan ze waarschijnlijk voor zichzelf willen toegeven.’
Anders gezegd: terwijl West-Europa de moderne tijd al opgeruimd vaarwel heeft gezegd en van het voorvoegsel ‘post’ heeft voorzien, viert die in Oost-Europa hoogtij: communisme in een andere vorm, inclusief een vulgair nationalisme.
Sommige historici denken dat veel Oost-Europese landen zich onvoldoende hebben beziggehouden met de rol die veel van hun burgers tijdens de Holocaust hebben gespeeld. De Poolse historicus Jan T. Gross schreef hierover eerder in Der Standard: ‘Alle bezette Europese samenlevingen hebben tot op zekere hoogte bijgedragen aan de inspanningen van de nazi’s om de joden uit te roeien. Iedere samenleving heeft dat weer op een andere manier gedaan, afhankelijk van de specifieke omstandigheden die in dat land onder de Duitse bezetter golden. Maar het ergst heeft de Holocaust gewoed in Oost-Europa, wat kwam door het grote aantal joden in die landen en de weergaloze wreedheid van de naziregimes. Na de oorlog had Duitsland – vanwege de denazificatie door de zegevierende mogendheden en zijn verantwoordelijkheid voor de planning en uitvoering van de Holocaust – geen andere keuze dan zich door zijn moorddadige verleden “heen te werken”. Oost-Europa moet zijn moorddadige verleden daarentegen nog verwerken. Alleen als dat gebeurt, kunnen de mensen gaan inzien dat ze de plicht hebben om anderen die voor het noodlot vluchten te redden.’
Machismo
Oost-Europese mannen staan gewoonlijk dichter bij het ‘macho-ideaal’ dan hun seksegenoten in West-Europa. Volgens televisiedirecteur Gerhard Zeiler bedienen in Oost-Europa mannen de afstandsbediening en in West-Europa vrouwen. Dat zou ook bijvoorbeeld de populariteit van keiharde actiefilms en vechtsportacteurs als Jean-Claude Van Damme in Oost-Europa verklaren.
Dit leidt zo nu en dan tot ‘interessante’ percepties. Op de partijdag van Fidesz ontstond onlangs een rel omdat parlementsvoorzitter László Kövér zei: ‘Wij willen niet dat Hongarije een maatschappij wordt van vrouwen die mannen haten en verwijfde mannen die bang zijn voor vrouwen, en die in kinderen en gezinnen enkel een hindernis voor zelfverwezenlijking zien. Wij zouden blij zijn als onze dochters het als summum van zelfverwezenlijking zouden beschouwen om kleinkinderen voor ons te baren.’
De Hongaarse zanger Ákos Kovács deed er nog een schepje bovenop. Onlangs zei hij op de Hongaarse televisie dat het niet ‘de taak van vrouwen is om evenveel geld te verdienen als mannen, (…) wij zeggen juist dat de vrouw aan iemand toebehoort, hem kinderen moet schenken.’ Magyar Telekom [de Hongaarse aanbieder van telefoon- en internetdiensten] beëindigde hierop zijn sponsorcontracten, waarop de regering in Boedapest op haar beurt contracten met Telekom ontbond, met de verwijzing naar het ‘recht op vrijheid van meningsuiting’ van Kovács. Voor de overheid was het blijkbaar een principekwestie.
West-Europa is veel meer geseculariseerd dan Oost-Europa, ondanks de tientallen jaren communisme. In landen als Oost-Duitsland en Polen waren juist de kerken anticommunistische verzetshaarden. De in dat verzet gesocialiseerde politici bekleden nu de hoogste posities. Ze verdedigen niet meer alleen de religie, en de vrijheid die deze schonk tegenover het communisme, ze verdedigen nu ook Europa tegen de vluchtelingen. László Kiss-Rigó, de bisschop van Szeged-Csanád, ging in deze strijd zelfs recht tegen de paus in en koos de kant van Orbán. Volgens hem ‘doorziet Franciscus de situatie niet’, namelijk dat de moslims momenteel Europa proberen ‘over te nemen’.
Moeilijke en tijdrovende democratische processen worden als teken van zwakheid opgevat
De meeste Oost-Europese landen hebben nauwelijks tijd gehad om ervaring op te doen met democratie. En vaak werden democratische principes als oorzaak gezien van de negatieve gevolgen van de ondergang van het communisme. Voor autoritaire leiders is het relatief eenvoudig om in een dergelijke omgeving succes te boeken. Hoe verder je in de ‘Atlas van Europese waarden’ naar het oosten kijkt, hoe meer steun je vindt voor een sterke leider, die weinig belang stelt in het parlement en verkiezingen. Moeilijke en tijdrovende democratische processen worden als teken van zwakheid opgevat. Gecompliceerde constructies zoals de EU beschouwt men als nutteloos, hoewel er via de Unie elk jaar miljarden naar Oost-Europa stromen.
Geen toeval
Maar is dit nu allemaal alleen maar een probleem van de Oost-Europeanen? Zeker niet, zo kunnen we wel stellen na de recente successen van West-Europese rechtspopulisten als de Volkspartij in Denemarken en de FPÖ in Wenen. Net als het Front National van Marine Le Pen, dat de extreemrechtse fractie in het Europarlement aanvoert, doen deze partijen wat EU-scepsis betreft niet onder voor veel leiders in Oost-Europa. Wat ze gemeen hebben is een zekere bewondering voor de autocratische Russische president Vladimir Poetin.
Volgens de voormalige Tsjechische minister van Buitenlandse Zaken Karl Schwarzenberg is dat geen toeval. Hij zegt dat populisten, zowel die van links als die van rechts, niets geven om een EU-handvest, maar vooral op zoek zijn naar het autoritaire. Ook een zekere Adolf Hitler koos ‘heel bewust voor de naam “nationaalsocialistische arbeiderspartij”’.
Auteurs: Thomas Mayer en Christoph Prantner
Vertaler: Pieter Streutker
Der Standard Oostenrijk, dagblad, 103.000
Profileert zich als liberaal en onafhankelijk. Aanvankelijk vooral nationaal gericht, maar geeft sinds 2005 ook The New York Times International Weekly uit, met zes pagina’s internationaal nieuws.
De broers Fouad en Zouhair dreven jarenlang de beste falafelzaak van Libanon, die alle conflicten in het land overleefde. Tot ze een zakelijk geschil kregen. Nu hebben ze twee zaken, pal naast elkaar, en spreken ze niet meer met elkaar.
Vroeger, toen Mustafa Sahyoun jr. in de falafelzaak van zijn oom Zouhair werkte, bracht zijn vader Fouad hem ’s middags wel eens in zijn bonkige Peugeot 304 naar zijn werk, schuddend over de met kogelgaten en granaatkraters bezaaide weg. In het niemandsland tussen Oost- en West-Beiroet werden de wegen onbegaanbaar door het puin van kapotgeschoten gebouwen en moest Mustafa te voet verder. Hij stapte uit de veilige Peugeot en zocht zijn weg over een verlaten, stoffig pad dat door de ‘Groene Grens’ liep, een lange strook verwoeste gebouwen die tussen 1975 en 1990, ten tijde van de Libanese Burgeroorlog, als enige bufferzone tussen de strijdende christelijke en islamitische partijen had gediend.
Mustafa beschikte over een identiteitsbewijs waarmee hij langs de controlepost in de wijk Mathaf mocht. Hij hield een taxi aan, waarmee hij het resterende deel aflegde van de route naar Zouhairs falafelzaak in het christelijke Oost-Beiroet. Na zijn reis door de verwoeste stad stond Mustafa de rest van de dag kikkererwten te pureren en er knapperige falafelballetjes van te frituren, die hij met verse peterselie, plakjes tomaat, gehakte radijs en veel taratorsaus vol knoflook in pitabroodjes propte. Fouad en Zouhair, die in de roerige jaren zeventig en tachtig allebei hun eigen falafelzaak in Beiroet hadden, vonden het belangrijk dat de jonge Mustafa net als zij stap voor stap de kunst van het falafel maken leerde.
De broers waren erg close en beschouwden hun falafelzaken als een gezamenlijke onderneming, ook al had ieder de zijne. Toen de oorlog hen van elkaar scheidde, omdat ze ieder in een ander deel van de stad woonden, maakten ze de gevaarlijke reis door niemandsland om elkaar indien nodig te helpen.
Een witbetegelde muur scheidt de broers van elkaar
Veertig jaar later zijn de afstand en de conflicten die Fouad en Zouhair van elkaar scheidden er niet meer. Toch werden de broers opnieuw uit elkaar gedreven. Ze werken elke dag een paar meter bij elkaar vandaan en maken falafel op de manier die ze van hun vader hebben geleerd. Maar in plaats van dat ze een keuken delen, is Zouhair de enige eigenaar van de oorspronkelijke zaak aan de Damascusstraat met blauwe neonverlichting. Eén pand verderop heeft Fouad zijn eigen, nieuwe filiaal, versierd met rode neonlichten waar ‘Falafel M. Sahyoun’ op staat. Slechts een witbetegelde muur scheidt de broers van elkaar: een grens die nooit wordt overschreden. Ze wisselen geen woord meer.
Fouad en Zouhair erfden het familiebedrijf van hun vader, de eerste Mustafa Sahyoun, die in 1933 in een achterafstraatje een van de eerste falafelzaken in het centrum van Beiroet opende. Een paar jaar later, toen de stad was gegroeid, opende hij de grote zaak aan de Damascusstraat. In de twintig jaar daarna werd falafel meer dan alleen een manier om geld te verdienen: Mustafa droeg zijn geheime recept over aan Fouad en Zouhair, twee van zijn zes zoons, die nog steeds elke stap van de originele bereidingswijze volgen.
De oude Mustafa leerde zijn zoons het vak met vallen en opstaan, na school en in het weekend, en liet ze toekijken terwijl hij de broodjes falafel voor de klanten maakte. Van de soort peterselie die op de plaatselijke markt wordt gekocht tot de manier waarop het deeg voor het broodje wordt gekneed: elk onderdeel van het proces is uitgedacht en heeft een reden.
Fouad Sayhoun in zijn zaak.
Het beste recept
Falafel wordt overal in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee gegeten. Het zou zijn ontstaan in Egypte, waar Koptische christenen het tijdens de vasten bereidden als alternatief voor vlees. Maar zoals iedereen in Beiroet je kan vertellen, denken de Libanezen dat zij het gerecht hebben geperfectioneerd en wordt Sahyouns recept algemeen als het beste beschouwd, zowel door eetrecensenten als door het publiek. Het verschilt iets van de andere recepten: Mustafa stond erom bekend dat hij alleen bonen en kruiden toevoegde, en geen uien (omdat hij niet wilde dat zijn klanten uit hun mond roken), maar wel peterselie die koks uit andere culturen gebruiken. Het resultaat is een falafel die van buiten krokant maar vanbinnen vochtig is en iets vlezigs heeft: een zilt, rijk contrast met de knapperige radijs, de sappige tomaat en de verse peterselie en munt eromheen.
Falafel slecht alle sociaaleconomische grenzen. In de zaken van de broers kost een broodje falafel zo’n anderhalve euro. Je kunt ze meteen opeten of per tien meenemen in een plastic tasje. Vooraanstaande Libanese politici lopen er even gemakkelijk binnen als bouwvakkers in vieze overalls. Ze eten hun broodje buiten of staand aan een van de vitrines met natuurstenen blad. Volgens zowel Fouad als Zouhair stuurden verschillende voormalige Libanese presidenten lijfwachten of chauffeurs naar hun zaak om grote aantallen broodjes te halen.
De familie Sahyoun is islamitisch, maar daar merkte je in het bedrijf weinig van. Zelfs toen de Libanese burgeroorlog op zijn hevigst was, verkocht Falafel Mustafa Sahyoun broodjes aan alle partijen die deelnamen aan de bloedige sektarische strijd. Gemakkelijk was dat niet. De beide broers herinneren zich gewelddadige confrontaties op de stoep van de zaak en geschreeuw van mannen met kalasjnikovs. ‘Als er iets aan de hand was, lag het hele land plat,’ zei Fouad. ‘De volgende dag moest je weer door.’
Zouhair Sahyoun (rechts), in zijn zaak.
Doordat de zaak van Mustafa senior aan de Groene Grens lag die de moslims van de christenen scheidde, lag hij midden in het oorlogsgebied. Nadat Mustafa in 1977 was gestorven en het conflict was verhevigd door de moord op een prominente christelijke politicus, zagen de broers zich genoodzaakt de zaak te sluiten.
De stad werd letterlijk verscheurd, en Fouad en Zouhair kwamen ieder aan hun eigen kant van de scheidslijn te wonen. Fouad woonde in West-Beiroet, Zouhair in de buurt van het huis van zijn vader, in het oosten van de stad. Het was sowieso al moeilijk om tijdens de burgeroorlog een zaak draaiende te houden, maar de broers stonden ook nog eens voor de onmogelijke taak de Groene Grens over te steken wanneer ze wilden samenwerken. Uiteindelijk besloot Fouad een pand in West-Beiroet te kopen en erboven te gaan wonen, terwijl Zouhair een falafelzaak in Oost-Beiroet begon.
Toen er in 1990 eindelijk een einde aan de strijd kwam, bestond Falafel Mustafa Sahyoun nog steeds en keerden Fouad en Zouhair al snel terug naar de Damascusstraat. Hun zaak was na de jarenlange oorlog in één grote puinhoop veranderd, de straat waaraan hij lag was er nog erger aan toe. ‘Alles lag aan diggelen,’ zei Fouad. ‘We hadden een week nodig om het te herstellen. Er was geen weg meer, dus je kon er niet met de auto komen. Daarom parkeerden mensen om de hoek en kwamen ze hiernaartoe lopen.’
‘Hij is mijn broer niet meer. Het is afgelopen, voorbij’
De broers knapten de zaak op en sloegen aan het koken. Terwijl Beiroet opkrabbelde, kwamen de eerste klanten. ‘Toen onze voormalige klanten wisten dat we hier zaten, kwamen ze terug en vertelden ze het aan anderen door,’ zei Fouad. ‘Er ging een jaar overheen voordat iedereen het wist.’
Falafel Mustafa Sahyoun liep twaalf jaar lang als een trein, tot 2006, opnieuw een gewelddadig jaar. Hoewel de zaak lang niet zo leed onder de Israëlische invasie als onder de burgeroorlog, eindigde het jaar met een onoverkomelijk verschil van inzicht tussen de broers over de toekomst van het bedrijf. Fouad stapte eruit, trok in het pand naast de oorspronkelijke zaak en begon een concurrerend falafelrestaurant met hetzelfde menu, logo en recept.
Geen van beide broers laat zich uit over de breuk, maar de sfeer van verbittering is te proeven in de paar meter die hen van elkaar scheidt. ‘Ik doe het niet voor het geld, maar om de naam van mijn vader hoog te houden,’ zei Fouad. ‘Of je doet het voor je naam óf voor het geld. Ik heb voor de naam gekozen. Hij is mijn broer niet meer. Het is afgelopen, voorbij.’
Nu de broers geen woord meer met elkaar wisselen, moeten klanten tussen de twee zaken kiezen, hoewel het product min of meer hetzelfde is. In Fouads zaak kun je ook pittige chilisaus krijgen, terwijl Zouhairs oorspronkelijke vestiging uitsluitend de op tahin gebaseerde taratorsaus serveert. De broers zitten op maar een paar meter bij elkaar vandaan achter de kassa. Ze groeten hun vaste klanten en houden scherp in de gaten welke zaak een nieuwkomer binnengaat.
Roads & Kingdom VS, roadsandkingdoms.com
Tijdschrift voor eten, politiek, reizen en cultuur. Begon in Myanmar met de focus op Birmees nieuws maar wordt inmiddels gemaakt in New York en Barcelona. Onlangs uitgeroepen tot Best Travel Journalism Site. Werkt o.a. samen met Slate.
Algerije verkeert in crisis sinds de olieprijs is gekelderd. Per 1 januari heeft president Bouteflika strenge bezuinigingsmaatregelen ingevoerd. Maar, vraagt journalist Abdou Semmar zich af, zouden die niet voor iedereen moeten gelden?
Het is crisis. De financiële reserves van de overheid verdwijnen als sneeuw voor de zon. Megaprojecten als de uitbreiding van de metro in Algiers zijn in de ijskast gezet. 2016 begint met verhogingen van de elektriciteits- en brandstofprijzen en een groot aantal andere consumptiegoederen. De dinar is in een vrije val geraakt, de inflatie is op hol geslagen. Ondertussen stuurt Abdelaziz Bouteflika, de president die zich alleen in geschreven vorm tot zijn volk richt, ons een boodschap waarin hij zonder blikken of blozen aan ons vraagt om ‘offers te brengen’ vanwege deze crisis, waarvan het einde nog niet in zicht is nu de prijs van een vat olie rond de 25 dollar zit en mogelijk richting de 20 dollar zal zakken.
Tot het tegendeel bewezen is, hangen de prestaties van een leider niet af van hoe fraai zijn dienstauto glanst
Opofferingen. Het is een term die nogal gevoelig ligt bij een volk dat het klappen van de zweep in dit opzicht kent. Maar zijn onze leiders in deze crisis eigenlijk bereid om zelf offers te brengen? Bouteflika heeft ze op dit punt tot nu toe helemaal niets opgedragen. Zo blijven, midden in een financiële crisis, onze hoge ambtenaren, ministers, directeuren van staatsbedrijven en hoge pieten van militaire en civiele instellingen in glanzende Duitse auto’s rondrijden. Van de president tot de ambtenaren op ministeries en bij overheidsinstellingen, allemaal zitten ze met hun doorluchtige derrières nog steeds in Audi’s, Volkswagens en Mercedessen. Zou het nu echt zo’n opoffering voor ze zijn om van die luxe wagens over te stappen op Renaults Symbol made in Oran? De overheid zou mooi kunnen bezuinigen en tegelijk een krachtig signaal aan de samenleving afgeven door deze schandalig luxe wagens af te schaffen, ze te verkopen en de inkomsten uit de verkoop in de schatkist te storten.
Demonstraties tegen de bezuinigingen vanuit het Algerijnse parlement, 12 januari 2016.
Privileges
Tot het tegendeel bewezen is, hangen de prestaties van een leider niet af van hoe fraai zijn dienstauto glanst. Er is dus geen reden om deze levensstijl voort te zetten terwijl ons land steeds meer gebrek lijdt. Opofferingen zegt u, meneer de president? Waarom dan niet voor altijd de Club des Pins [een soort gated community] sluiten, dat ‘groengebied’ waar de bobo’s van het regime en hun trouwe aanhang op kosten van de Algerijnse schatkist verblijven? Elk jaar gaan er zonder enige transparantie aanzienlijke sommen geld op aan voedsel, onderdak en onderhoud van de villa’s van onze leiders. Zou dit geld niet beter besteed zijn als het in meer strategische sectoren werd geïnvesteerd, om zo de huidige financiële crisis het hoofd te bieden? Trouwens, waarom zou de Club des Pins niet opnieuw een toeristendorp kunnen worden en op die manier weer inkomsten genereren?
Jammer genoeg heeft op dit moment alleen nog maar de kleine man met opofferingen te maken, terwijl die het al zwaar te verduren heeft door de hoge kosten van levensonderhoud. Erger nog, de overheid blijft privileges uitdelen aan hoge functionarissen. Kijk maar naar die majestueuze villa die een Chinees bedrijf in Hydra [een wijk in Algiers, op zo’n zes kilometer van het centrum] heeft gebouwd, vlak bij het ministerie van Energie en Mijnbouw. Het is een waar paleis, van alle gemakken voorzien. Volgens meerdere bronnen zou deze villa van ruim een miljoen euro moeten dienen als tweede officiële residentie van onze geëerde Abdelaziz Bouteflika, de president die zijn volk vraagt zich opofferingen te getroosten.
Dovemansoren
Zelfs ons leger voorziet zichzelf geregeld van nieuw materieel en nieuwe wapens. Zijn deze dure uitgaven echt nodig voor de nationale veiligheid? Wie het weet, mag het zeggen. In ieder geval is het totaal niet transparant hoe de megabegroting van het leger – ruim twaalf miljard dollar – wordt beheerd.
Financiële crisis zegt u? Maar dan wel alleen voor het voetvolk. Want onze leiders, beneveld als ze zijn door de hoogte van hun ivoren torens, blijven doof voor de wanhoopskreten van de samenleving en zetten hun comfortabele levens gewoon voort. Die dovemansoren van ze, die kunnen ons land nog wel eens heel duur komen te staan!
Algérie-Focus Algerije, website, www.algerie-focus.com
Onafhankelijk en geëngageerd, brengt sinds 2008 Algerijns nieuws en achtergronden onder het motto ‘De plicht om te weten’.
Terwijl de kloof tussen arm en rijk in Amerika toeneemt, wordt ze in Ogden (Utah) juist kleiner. En dat terwijl de voormalige spoorwegstad in de jaren negentig volledig aan de grond zat. Hoe hebben ze ’m dat geflikt?
Uit het archief
Ongelijkheid staat de laatste jaren hoog op de politieke agenda, nu de kloof tussen arm en rijk wereldwijd onhoudbaar is geworden. Recente televisieprogramma’s, zoals Sander en de kloof van journalist Sander Schimmelpenninck en de HUMAN-serie Klassen, tonen aan dat ongelijkheid in het zogenaamd egalitaire Nederland ook groeiende is. De Amerikaanse stad Ogden (Utah) laat zien hoe het anders kan: zelfs het bedienend personeel van restaurants koopt er huizen. Een inspirerend voorbeeld voor de rest van de wereld.
Tom Christopulos stuurt een zwarte Nissan Armada door de rechthoekige stratenblokken van Ogden, Utah, een historische metropool zo’n vijftig kilometer ten noorden van Salt Lake City, aan de voet van de hoog oprijzende Wasatch Mountains. Huis voor huis inspecteert hij de verschillende buurten, terwijl hij ondertussen hardop de nummers opnoemt. Al rondrijdend bestudeert hij het gebied gretig, bijna dwangmatig, en elk detail dat hij ziet, slaat hij op in zijn geheugen – een ritueel dat hij nu al bijna tien jaar lang uitvoert. ‘Ik ken elk huizenblok in deze stad, elk huis,’ zegt hij. ‘Zie je die huizen daar aan Jefferson Avenue? Jaren geleden waren die opgesplitst in appartementen – goedkope huurkamers eigenlijk. Wij hebben ze opgekocht, gerenoveerd en er weer eengezinswoningen van gemaakt.’
Tien jaar geleden zag het er hier somber uit. Nu rijzen wolkenkrabbers op uit de afgebrokkelde infrastructuur
Christopulos is geboren en getogen in Ogden en heeft de afgelopen acht jaar keihard gewerkt als hoofd van het gemeentelijk bureau dat verantwoordelijk is voor economische ontwikkeling in de wijken. Langzaam en met grote moeite is hij erin geslaagd om nieuwe welvaart te halen uit verlaten spoorwegemplacementen, oude slachthuizen en bouwvallige gebouwen, in een poging de middenklasse terug te brengen in Ogden. ‘Het is echt heel hard werken geweest,’ zegt hij.
Nu heeft Ogden, met zijn 86.000 inwoners, een naam opgebouwd in het hele land: in een tijd dat de Verenigde Staten – net als veel andere gebieden in de rest van de wereld – worstelen met de schadelijke gevolgen van de steeds groter wordende welvaartsongelijkheid, is Ogden tot veler verbazing een baken van egalitarisme geworden. Volgens het vijfjaarlijkse nationale statistisch onderzoek door het U.S. Census Bureau kent de stad, samen met zijn buurgemeenten, de smalste kloof tussen rijk en arm van alle grote stedelijke gebieden van Amerika.
Iets meer dan tien jaar geleden zag de toekomst er hier somber uit. De hoofdstraten van Ogden waren verlaten, de winkelgebieden lagen in puin en het centrum werd bevolkt door drugshandelende zwervers. Op een online forum in 2009 werd geklaagd over de stedelijke woestenij van Ogden en over de reputatie van de stad als ‘een verlopen, door bendes beheerst gebied’, en daar werd wanhopig aan toegevoegd: ‘Helaas, is de Ogden-mentaliteit zo diepgeworteld’ dat pogingen om de stad nieuw leven in te blazen werden tegengewerkt en dat ‘velen zich stoorden aan het streven naar verandering’.
Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.
Al meerijdend met Christopulos en zijn economische team afgelopen zomer, kon ik alleen maar onder de indruk zijn van de schoonheid van dit stukje land aan de westelijke rand van de Rocky Mountains. Voor ons lagen vervallen spoorbanen, een wrede herinnering aan het glorieuze handelsverleden van de stad. Maar nu rijzen er wolkenkrabbers van staal en glas op uit de verroeste, afgebrokkelde infrastructuur, als symbolen van het nieuwe landschap. Hoe Ogden zo ver is gekomen, is een waardevolle les voor een land dat grote moeite heeft om de kloof tussen de haves en de have-nots te overbruggen.
Geen eerlijke kaarten
De notoir libertair en voormalig hoofd van de Federal Reserve Alan Greenspan, de eigenzinnige miljardair Warren Buffett en de diverse presidentskandidaten zijn de afgelopen jaren allemaal tot dezelfde conclusie gekomen: gewone Amerikanen krijgen tegenwoordig geen eerlijke kaarten meer toebedeeld. In de nasleep van de financiële crisis van 2008 beschreef Greenspan de opkomst van twee verschillende Amerika’s – ‘heel fundamenteel, twee afzonderlijke soorten economie’ – een waarin de rijken een ‘duidelijk herstel’ hadden doorgemaakt, en een waarin het grootste deel van de Amerikaanse beroepsbevolking financieel op een dood spoor bleef zitten.
De Republikeinse presidentskandidaat Jeb Bush noemde dit jaar, met zijn gebruikelijke retoriek, de groeiende kloof ‘de belangrijkste kwestie van onze tijd’. ‘Meer Amerikanen dan ooit zitten vast op hun inkomensniveau,’ zei hij. Over de oorzaken van deze trend wordt eindeloos gediscussieerd, maar de statistieken liegen niet. Sinds 1979 zijn de reële salarissen met 17 procent gestegen, volgens het Economic Policy Institute, een non-profit, niet-partijgebonden denktank in Washington. Die langzame groei maakt het voor de meeste Amerikanen moeilijk om de rekeningen te betalen, laat staan enige rijkdom te vergaren.
In Ogden koopt zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen
Maar wanneer Amerikanen hun televisie aanzetten, zien ze hun minister van Financiën, Jack Lew, juichen over de indrukwekkende economische groei, die hij onlangs een van de enige ‘lichtpunten’ in de wereld noemde. Zo’n gebrek aan verbinding kan ontwrichtend werken, zegt Joseph Stiglitz, hoogleraar economie aan Columbia University en winnaar van de Nobelprijs voor economie, omdat ‘voor velen het leven van de middenklasse niet langer binnen bereik ligt.’
De gevolgen voor de samenleving gaan verder dan dollars en centen. Onderzoek naar de wisselwerking tussen economische en sociale patronen is nog relatief nieuw, maar toont volgens Stiglitz toch aan dat ‘steeds meer mensen patronen van sociaal disfunctioneren vertonen’ – ze stellen zaken als trouwen, een huis kopen en kinderen krijgen uit, zijn vaker alleenstaande ouder. Vroeger hoorden dit soort gedragspatronen, zegt Stiglitz, bij gezinnen ‘die zich op of onder de armoedegrens bevonden’, nu gelden ze voor iedereen die niet rijk is.
Volgens Stiglitz is de groeiende ongelijkheid niet zozeer het gevolg van de natuurlijke krachten van het kapitalisme, maar van wat hij een ‘ersatz’-kapitalisme noemt, waarin een ‘roofzuchtige’ minderheid aan de top meer moeite doet om ‘een groter stuk van de economische taart van het land te krijgen dan om die taart zelf groter te maken’, voor iedereen.
Mochten de ultrarijken denken dat dit hen niet zal raken, recent onderzoek van Barry Cynamon en Steven Fazzari in samenwerking met het Institute for New Economics toont aan dat de groeiende inkomensongelijkheid misschien wel de belangrijkste reden is waarom de economie van het land zich zo traag herstelt. Zij wijzen op een daling van 17 procent in de consumentenvraag, vergeleken met voor de crisis.
Mondiaal gezien dreigt de ongelijkheid ‘de strijd tegen de armoede tientallen jaren terug te zetten’ door meer rijkdom in minder handen te concentreren, zegt de internationale anti-armoede organisatie Oxfam. Als de huidige trends zo doorgaan, verwacht Oxfam dat de rijkste 1 procent van de wereldbevolking in 2016 meer dan 50 procent van de totale rijkdom op de wereld zal bezitten. Eerder dit jaar heeft ook paus Franciscus geklaagd over wat hij ‘de economie van uitsluiting’ noemde.
Rijkste 0,1 procent
Emmanuel Saez, hoogleraar economie aan de University of California en directeur van het daaraan verbonden Center for Equitable Growth, en Gabriel Zucman, assistent-hoogleraar aan de London School of Economics, laten in een baanbrekende studie van het National Bureau of Economic Research zien wanneer de ongelijkheid in de VS is begonnen te groeien: in 1978.
Saez en Zucman hebben een hele eeuw aan belastinggegevens doorgespit – de enige cijfers over de lange termijn die in de VS consequent zijn bijgehouden – en zij ontdekten dat de groeiende welvaartskloof in de VS niet zozeer moet worden toegeschreven aan de bovenste 1 procent als wel aan de bovenste 0,1 procent – zo’n 160.000 families met een netto bezit van meer dan twintig miljoen dollar. (De welvaartskloof en de inkomensongelijkheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde; in dit onderzoek is ‘rijkdom’ gedefinieerd als de huidige marktwaarde van al het bezit dat huishoudens hebben na aftrek van schulden.)
De gemiddelde reële groei aan rijkdom per Amerikaanse gezin lag tussen 1986 en 2012 op 1,9 procent, maar dat getal werd scheefgetrokken door de rijkste 160.000 van het land, die tussen 1986 en 2012 hun reële rijkdom met 5,3 procent per jaar zagen groeien. De onderste 90 procent in de VS kende daarentegen helemaal geen groei in rijkdom.
Dit is een scherpe omkering van de welvaartstrend waarin de onderste 90 procent van de Amerikaanse verdieners in de jaren twintig 20 procent van de rijkdom van het land bezat en dat aandeel zag groeien tot het halverwege de jaren tachtig was gestegen tot 35 procent, volgens Saez en Zucman. Na 2012 is de onderste 90 procent teruggevallen tot een aandeel van slechts 23 procent.
Ondertussen hebben de 160.000 rijkste families van Amerika hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd, van 7 procent in 1978 tot 22 procent in 2012, een niveau dat niet meer is voorgekomen sinds 1916 en 1929, de piekjaren van ongelijkheid. ‘Het is een zeer zorgwekkende trend,’ zegt Marjorie Wood, die als adviseur verbonden is aan het Global Economic Project van het Institute for Policy Studies. Deze denktank in Washington richt zich op sociale rechtvaardigheid. Wood ziet de huidige welvaartskloof als een tweede ‘Gilded Age’ (de periode aan het eind van de negentiende eeuw in Amerika, waarin de kloof tussen arm en rijk ook enorm was, Gilded Age is een term van Mark Twain), met dit verschil dat de tegenwoordige rijkdom vaak niet echt in het oog springt. ‘In het verleden waren er veel meer protesten onder de bevolking, omdat de rijkdom toen zo veel zichtbaarder was.’
Amerikaanse droom
Dat de ongelijkheid stijgt is op zichzelf al veel Amerikanen een doorn in het oog, omdat het ingaat tegen de Amerikaanse droom en het breed levende idee dat dit een land van gelijke kansen is. Toch kennen Amerikaanse onderzoekers het probleem al jaren. In 2011 – het jaar waarin Greenspan de opkomst van twee Amerika’s signaleerde – toonde Miles Corak, hoogleraar economie aan de Graduate School of Public and International Affairs van de University of Ottawa, de problematische relatie aan tussen ongelijkheid en sociale mobiliteit, in zijn artikel ‘Inequality From Generation to Generation’. Later werd dit verschijnsel door het Witte Huis ‘the Great Gatsby Curve’ genoemd.
Uit Coraks onderzoek bleek dat wat een kind in de toekomst gaat verdienen, sterk wordt beïnvloed door het gezin waarin het wordt geboren. Op zijn internationale ranglijst van de landen met de slechtste intergenerationele mobiliteit stonden Chili, het Verenigd Koninkrijk, Italië en de Verenigde Staten (in die volgorde). Landen met de beste intergenerationele mobiliteit waren Denemarken, Noorwegen en Canada. Daar tussenin vielen Spanje, Japan, Duitsland en Nieuw-Zeeland. ‘Er is een discrepantie tussen hoe Amerikanen zichzelf zien en hoe de economie en samenleving in werkelijkheid functioneren,’ schreef hij. ‘Veel Amerikanen blijven geloven dat hard werken de manier is om vooruit te komen, maar in werkelijkheid is het veel moeilijker om vooruit te komen dan het lijkt.’
Dit jaar heeft Janet Yellen, voorzitter van de Federal Reserve, ook haar steentje bijgedragen aan de discussie. ‘We weten dat het gezin de plek is waar zowel kansen als barrières voor economische mobiliteit worden bepaald,’ zei ze, en ze riep op tot meer onderzoek naar dit onderwerp.
Yellen heeft heel wat over zich heen gekregen van critici die vinden dat de Fed zich niet met zaken als inkomensongelijkheid moet bemoeien, omdat dat volgens hen te politiek is. Zij verwierp die kritiek: ‘De Federal Reserve houdt zich al lang bezig met economische ongelijkheid’ en die ongelijkheid is ook een steeds grotere zorg voor Amerikanen.
Helaas zijn er geen makkelijke oplossingen. Pogingen om van bovenaf de ontwikkeling om te buigen zijn nog weinig succesvol geweest. Deskundigen zoals de Amerikaan Stiglitz, de Franse econoom Thomas Piketty en de Britse wetenschapper Anthony Atkinson hebben voorstellen gedaan om geld van de rijken over te hevelen naar de minder rijken, via diverse constructies, bijvoorbeeld via successierechten, het instellen van een ‘erfenis voor iedereen’, publiek gefinancierde ‘universele sociale vangnetten’ en het garanderen van banen in de publieke sector tegen een minimumloon voor mensen die anders werkloos zouden zijn.
In een artikel in The New York Review of Books schreef Piketty goedkeurend over het voorstel dat Atkinson deed in zijn recente boek Inequality: What Can Be Done? om terug te keren naar een progressief mazenvrij belastingstelsel waarin de rijken meer moeten gaan betalen en de werkende klasse minder. ‘Het spectaculair verlagen van de belastingtarieven voor de hoogste inkomens heeft sinds de jaren tachtig sterk bijgedragen aan de groei van de ongelijkheid, zonder daarbij voordelen voor de samenleving als geheel op te leveren,’ schreef Piketty. In Amerika zal zo’n verschuiving in ieder geval niet snel plaatsvinden. Integendeel: het belastingplan van Bush wil de hoeveelheid belastingen die topverdieners in Amerika betalen verminderen.
Nu er in de VS weer verkiezingen aankomen, horen de Amerikanen presidentskandidaten van beide kanten weer dezelfde sussende woorden uitspreken als in eerdere rondes. Wel probeert Democratisch koploper Clinton het oplossen van de ongelijkheid tot een hoeksteen van haar campagne te maken, door te verklaren dat ‘degenen aan de top nog steeds de beste kaarten krijgen.’ ‘Tegenwoordig is de kans groter dat je arm blijft, als je arm geboren bent’, erkende ook Bush onlangs.
Senator Bernie Sanders uit Vermont, die lang onafhankelijk was en nu een gooi doet naar de Democratische nominatie, stelde de welvaartskloof van het land al aan de kaak in de dagen dat Nixon nog president was. Hij schreef toen dat 2 procent van de Amerikanen meer dan een derde van de rijkdom van het land in handen had: ‘Een handvol mensen bezit bijna alles, en bijna iedereen bezit niets.’ Dat was in 1973. Korter geleden heeft hij gepleit voor een minimumloon van vijftien dollar per uur in 2020 (dat ligt nu op 7,25 dollar), maar andere kandidaten hebben nog geen steun voor dat voorstel uitgesproken.
De onderlinge strijd en het gebrek aan consensus zijn frustrerend geweest, ook voor de kandidaten. Clinton kreeg in september de mantel uitgeveegd door Republikeins kandidaat Donald Trump omdat haar lijst met sponsoren meer voordeel zou opleveren voor de superrijken dan voor gewone Amerikanen. Sanders zei op Twitter: ‘De in snel tempo groeiende ongelijkheid in inkomen en rijkdom is niet alleen grotesk en immoreel, hij is ook economisch onhoudbaar.’
Als die ongelijkheid zo enorm groot blijft en de onderste 30 procent niet in staat is om weer rijkdom te vergaren (vergeet niet dat hun welvaart tussen 1986 en 2012 vrijwel niet is gestegen), zal de ongelijkheid die daarvan het gevolg is, tientallen jaren vooruitgang tenietdoen,’ waarschuwen Saez en Zucman. ‘Dat wil zeggen dat over tien of twintig jaar alle democratisering van de welvaart die sinds de New Deal en de jaren na de oorlog is bereikt, verloren kan zijn. De rijken zijn dan extreem rijk, terwijl gewone gezinnen vrijwel niets verdienen en schulden hebben die bijna even groot zijn als hun bezittingen.’
Dit alles roept de duivelse vraag op: stel dat het ongelijkheidsprobleem zo groot is dat geen enkele leider – of team – het kan oplossen, wat dan? In plaats van eindeloos over dit probleem te blijven discussiëren is het misschien nuttiger om te kijken naar een gemeenschap, liefst van een behoorlijke omvang, die veel van deze problemen al heeft meegemaakt en succesvol heeft opgelost.
Voor dit artikel heeft Newsweek gekeken naar de laatste welvaartsgegevens uit de vijfjaarlijkse enquête van het U.S. Census Bureau in grote stedelijke gebieden met minstens 300.000 inwoners. Volgens die gegevens is de grootste welvaartskloof in Amerika te vinden in drie steden in Connecticut: Bridgeport, Stamford en Norwalk – dé hedgefondsregio van Amerika vanwege de vele miljonairs en miljardairs die zich er hebben gevestigd en die vaak in het nabijgelegen Greenwich werken. Op de tweede plaats kwam Naples, Florida, waartoe ook het chique Immokalee-Marco Island behoort. Op de derde plaats stond het gebied dat New York City, Newark en Jersey City in New Jersey omvat.
Hoe staat het met Ogden, vergeleken met hedgefondsland Connecticut? De rijkste 20 procent van de huishoudens in Ogden bezit ongeveer 40 procent van het inkomen van de stad. Maar als je ook Bridgeport, Stamford en Norwalk tot de metropool rekent, bezit de rijkste 20 procent bijna 60 procent van het inkomen. Ogden heeft niet alleen de smalste welvaartskloof, deze middenklasse-oase biedt zijn inwoners ook hogere lonen en lagere kosten voor levensonderhoud dan het landelijk gemiddelde, en is een van de steden met de laagste werkloosheid en grootste banengroei in het land.
Het is een van de plekken waarvan de meeste Amerikanen dachten dat ze ergens tussen Studio 54 en ‘Reaganomics’ in een wolk van cynisme waren verdwenen.
Mark Muro van het prestigieuze onderzoeksbureau Brookings schreef in juni een rapport waarin hij Ogden noemde als een van de ‘vijftien belangrijkste steden voor hoogwaardige industrie,’ een stad die hard zijn best heeft gedaan om werkgelegenheid in groeisectoren aan te trekken. Dankzij het feit dat Ogden zich richt op technische banen en op beroepsopleidingen voor niet-universitaire studenten is de stad een centrum voor banen in onderzoek, technologie, techniek en wiskunde geworden, volgens Muro.
De 160.000 rijkste families van de Amerika hebben hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd
Terwijl academici in Ogden minder dan de helft van de volwassen bevolking uitmaken, heeft de stad op scholen en op een speciaal college, Weber State University, veel programma’s ingevoerd waarmee studenten en volwassenen meer werkgelegenheidskansen krijgen in de hightechindustrie. En het trainen van technische kennis begint al op de kleuterschool, zegt Terrence Bride, die in Ogden verantwoordelijk is voor het aantrekken van bedrijvigheid. Zo kunnen mensen die van een opleiding komen, beter betaalde banen vinden, zonder eerst vier jaar naar de universiteit te hoeven.
Daardoor hoeven ze ook minder schulden te maken en krijgen ze uiteindelijk de kans om vermogen op te bouwen.
‘Ik ben vanuit Californië hierheen ge‑ komen met mijn man, die luchtvaarttechnicus is,’ vertelt Carrie Vondrus, eigenares van een winkel in vintage kleding in het centrum van Ogden. ‘Dankzij de lage kosten voor levens‑ onderhoud hier kon ik thuis blijven om voor mijn kinderen te zorgen, wat niet mogelijk was geweest waar we vroeger woonden. Nu heeft mijn zoon van vijfentwintig een huis met vijf slaapkamers in de stad gekocht. Hij is bedrijfsleider bij Dick’s Sporting Goods en het is zijn eerste huis. Hij en zijn vriendin betalen het helemaal zelf.’
Dit soort verhalen hoor je veel in Ogden, waar de gemiddelde leeftijd dertig is en zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen koopt – voor velen de eerste stap naar het opbouwen van vermogen. Het gemiddelde inkomen in de stad ligt met 35.844 dollar nog onder het nationaal gemiddelde, maar stijgt, aangedreven door de hightechbanensector, waarin het gemiddelde jaarsalaris volgens Brookings op 60.580 dollar ligt.
Ommekeer
De ommekeer begon in 2002, met de verkiezing van de achtentwintigjarige Matthew Godfrey, in die tijd een van de jongste burgemeesters van de VS, die in het decennium daarop gebouwen afbrak, het centrum van de stad opnieuw opbouwde – vaak ondanks protesten – en bedrijven verleidde om zich te vestigen in Ogden, dat hij nieuwe allure probeerde te geven als het mekka voor hightechtalent. ‘Ik was zo jong en we hadden zulke grootse plannen, de meeste mensen verwachtten denk ik niet dat we het voor elkaar zouden krijgen,’ zegt hij.
‘Aanvankelijk was er totaal geen belangstelling. Onze tech-industrie bestond nauwelijks. We waren alleen maar een smerige, verlopen oude spoorwegstad,’ vertelt Godfrey, die nu 45 is. ‘Bedrijven kwamen kijken en verhuisden dan naar Salt Lake City, of zoiets. Dus lieten we de hightech‑ bedrijven maar zitten en gingen we er alles aan doen om outdoor-bedrijven binnen te halen. En toen die rond 2008 verschenen, waren de hightechbedrijven ineens wel geïnteresseerd. Opeens waren we die hippe, coole, buitensportstad.’
Christopulos, die zowel onder Godfrey als onder diens opvolger, Caldwell, heeft gewerkt, was ondertussen begonnen met het opkopen van vervuilde grond, oude bedrijfsgebouwen en verkrotte wijken, waarvoor hij alle fondsen bij elkaar schraapte die de stad maar kon opbrengen. ‘Mijn team en ik zetten onze eigen geheime project op, om de fondsen bij elkaar te brengen die we nodig hadden, via federale en staatssubsidies, leningen, aannemers en milieuregelingen,’ vertelt hij.
In 2007 begonnen hun inspanningen om commerciële huurders te vinden voor de gerenoveerde historische gebouwen van Ogden, hun vruchten af te werpen. Het leverde de stad miljoenen dollars op in de vorm van extra belastingen, huren en omzetbelasting, die gebruikt konden worden voor investeringen in andere verbeterprojecten. Tot nu toe heeft de stad meer dan vier miljard aan nieuwe belastinginkomsten gegenereerd.
Van levensbelang voor het masterplan was een levendig stadscentrum. Nadat hij tientallen jaren had staan wegrotten, werd Ogdens historische 25th Street, waar Al Capone ooit illegaal alcohol verhandelde, uitgeroepen tot een van de mooiste doorgangswegen in Amerika, vanwege zijn amfitheater, zijn festivals en straatkunst (volgens Christy McBride, hoofd planning van de stad, vinden er in het centrum, dat nu voor 95 procent bezet is, zo’n 650 evenementen per jaar plaats, waar tienduizenden mensen op af komen.)
Afgezien van Albuquerque, New Mexico, was Ogden de enige grote stedelijke agglomeratie in het westen die banengroei kende in 2009, toen in de rest van het land de recessie nog steeds woedde. Het was in datzelfde jaar een van de eerste steden in het land waar de productie terug was op zijn oude niveau van voor de recessie. En vóór de recessie was het aantal banen in de hightechsector in Ogden tussen 2002 en 2007 met 12,6 procent gestegen. Nu biedt Ogden onderdak aan een diverse groep groeiende, geavanceerde bedrijven, die samen goed zijn voor zo’n 26.500 banen, volgens Brookings. Onder de werkgevers bevinden zich Northrop Grumman, Rossignol, Universal Cyces, Mercury Wheels, US Foods, Amer Sports, Comerstone Research, Home Depot, Hart Skis ConAgra Foods en Hershey’s.
Elke stad is anders en zelfs de beste groeistrategieën zullen niet overal toepasbaar zijn, maar wat in Ogden is gebeurd kan elders ook gebeuren. Volgens een van de meest vooraanstaande economen ter wereld, Raj Chetty van Harvard University, kunnen beleidsoplossingen op staats- of federaal niveau weliswaar economische groei bevorderen (bijvoorbeeld door te zorgden dat meer mensen een universitaire opleiding volgen), maar heeft iemands geboortestad de grootste invloed op zijn kansen om vooruit te komen.
In het kader van het Equality of Opportunity-project bekeek Chetty samen met een groep onderzoekers de cijfers van steden in de hele VS en hij ontdekte dat de stad waar een kind geboren is enorme invloed heeft op zijn of haar kansen om vooruit te komen in het leven. Volgens de data van het project, die eerder dit jaar werden gepubliceerd, zou een kind uit een gezin met een laag inkomen in Ogden op zijn 26ste jaarlijks 2.440 dollar oftewel 9 procent, meer verdienen dan het nationaal gemiddelde. Uit dezelfde onderzoeksgegevens blijkt ook dat in Weber County, waar Ogden toe behoort, de inkomensmobiliteit groter is dan in 76 procent van alle county’s in de VS. ‘Denken op lokale schaal is van groot belang, want ik denk dat er binnen een beperkt gebied meer beleidsoplossingen mogelijk zijn,’ zegt Chetty. ‘Beleid van de federale of de staatsoverheid zal niet alles kunnen oplossen, want de problemen per plaats verschillen en er is dus maatwerk nodig.’
Nieuwe welvaart
Door als gemeenschap aan het vergroten van de welvaart te werken, heeft Ogden de discussie onder economen over de verdeling van de bestaande welvaart al achter zich gelaten. De stad kan zich nu richten op het aantrekken van nieuwe welvaart, door bedrijven aan te trekken die hogere salarissen bieden aan zijn inwoners en zo ‘de taart groter te maken’ zoals Stiglitz het noemt.
Hogere salarissen in combinatie met lagere kosten voor levensonderhoud leidt tot meer sparen en het vergaren van rijkdom. Misschien is deze periode niet het eind van de Amerikaanse droom, zegt Christopulos, maar wordt die droom nu opnieuw gedefinieerd. ‘Filosofisch gezien zouden we best een manier kunnen vinden om welvaart te creëren en het niveau van alle inkomens te verhogen,’ zegt hij. ‘Dat heeft meer te maken met economische mogelijkheden dan met een kloof tussen rijk en de arm.’
Terwijl hij door het centrum van Ogden rijdt, werpt Christopulos veelzeggende blikken op een volgende rij huizen die hij zou willen strippen, opnieuw inrichten en weer teruggeven aan de buurt. ‘We proberen economische instrumenten te gebruiken om sociale veranderingen te bewerkstelligen, maar dat is moeilijk,’ zegt hij. ‘Anders dan Uncle Sam kan ik de geldvoorraad niet vergroten. Wij hebben dat soort beheersinstrumenten niet. Elke situatie is anders en heeft veel aspecten. Er is geen oplossing die overal past.’
Hoe de oplossing voor Amerika er ook uitziet, Christopulos is er aardig zeker van dat die niets te maken zal hebben met politiek – en zeker niet met partijpolitiek die de werkelijke scheidslijn verhult: financiële ongelijkheid. ‘Ik ben Republikein geweest en Democraat,’ zegt Christopulos. Nu ben ik communitarian – een man van de gemeenschap.’
Willen we meer gelijkheid dan moeten we twee dingen doen, stelt Michael Marmot: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen.
De levensverwachting van een jongen die in het armste deel van Westminster, Glasgow, Baltimore of Washington woont, is twintig jaar korter dan die van een jongen in het rijkste deel; voor meisjes ligt het iets gunstiger. Maar de meeste mensen wonen niet in het armste deel van een stad en kunnen dus gerust zijn dat dit voor hen niet opgaat. Ze hebben ongelijk. Die gerustheid is niet op zijn plaats.
Er is een opmerkelijk nauw verband tussen je plek op de sociaaleconomische ladder en je gezondheid – hoe hoger op de ladder, hoe beter de gezondheid. Ik noem dat de sociale gezondheidscurve. U en ik, die niet tot de rijksten of de armsten behoren, zullen naar verwachting korter leven dan de rijksten en langer dan de armsten. De gemiddelde Brit zal acht jaar korter in gezondheid leven dan degene boven aan de ladder. Ongezond zijn betekent dat je vroeger sterft en dat nog tijdens je leven de greep van je hand verzwakt, je mobiliteit achteruitgaat, net als je geheugen en je andere cognitieve vermogens, en dat je verschillende ziektes krijgt. Hoe lager je in de sociale hiërarchie staat, hoe sneller deze dingen gebeuren. Wie zich in het midden bevindt, is niet immuun. Wij maken allemaal deel uit van de sociale gezondheidscurve. En de schaal van het probleem is enorm.
We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen
Er zouden elk jaar zo’n 202.000 minder voortijdige sterfgevallen zijn als iedereen in Groot-Brittannië een even laag sterftecijfer had als degenen met een academische opleiding (die minder dan 10 procent van de bevolking uitmaakten toen de mensen die vandaag sterven de studentenleeftijd hadden). Dat is zo’n 500 sterfgevallen per dag. Een mogelijke calamiteit voor ons allemaal, en een tragedie voor het land. Als een vervuilende fabriek zo’n hoge tol eiste, zouden mensen de straat opgaan en maatregelen eisen.
We zouden ook maatregelen moeten eisen. De oorzaak is ongelijkheid in de omstandigheden waaronder mensen worden geboren, opgroeien, leven, werken en oud worden, én de ongelijke verdeling van macht, geld en hulpbronnen waardoor deze ongelijkheid wordt veroorzaakt.
Lakmoesproef
Het goede nieuws is dat we nu weten hoe we dit aantal voortijdige sterfgevallen kunnen verminderen en gezond kunnen leven. Om te beginnen leren ervaringen over de hele wereld dat het verband tussen iemands plaats op de sociale ladder en zijn slechte gezondheid weliswaar overal bestaat, maar dat de omvang van het probleem sterk varieert. Sommige landen doen al wat nodig is. Ook weten we nu wat er gedaan kan worden. We zullen ons minder moeten richten op de zorgen over de druk op de National Health Service of over ongezonde levensstijlen, en meer op de oorzaken van slechte gezondheid. Dat begint met de aard van vroege ontwikkeling van kinderen, gaat verder in de schooltijd en het werkende leven, en eindigt met de omstandig‑ heden waarin oudere mensen in de laatste fase van hun leven verkeren.
De curve verandert alles. Stel je even voor dat het probleem van ongelijkheid in gezondheid beperkt bleef tot een slechte gezondheid voor de armen. Dat zou een lakmoesproef kunnen zijn. Als we een bepaald type rechtse rakker waren, vonden we misschien dat de armen de architecten van hun eigen ongeluk zijn, nietsnutten, en zouden we dus weinig sympathie voelen voor de ongelijkheid in gezondheid die gerelateerd is aan armoede: als arme mensen goede gezondheid willen, moeten ze worden als wij, harde werkers. Elders op het politieke spectrum zou het ons misschien wel kunnen schelen, een beetje. Maar nog steeds stellen we onszelf dan gerust met het idee dat ‘zij’ het zijn, de armen, die lijden; ‘wij’ hebben geen last van sociale achterstelling.
Maar de curve betekent dat iedereen die onder de top zit de handen ineen zou moeten slaan om de omstandig heden te scheppen voor een goede gezondheid. Er is een duidelijke sociale curve in metingen van vroege ontwikkeling van kinderen: hoe armer het gezin, hoe lager de scores op cognitieve, sociale en gedragsontwikkeling. Ja, de armen hebben de laagste scores. Maar in het midden van de sociale schaal bereikte slechts 52 procent van de kinderen het niveau dat nodig is om klaar te zijn voor school. We moeten voor de hele sociale curve actie ondernemen. Onze samenleving moet twee dingen doen: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren – het is geen goed idee om Sure Start-kindercentra te sluiten – en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen. De Joseph Rowntree Foundation hanteert het criterium van een minimum levensstandaard in het Groot Brittannië van nu. Daarbij horen voedsel, kleding en onderdak. Maar ook dat je genoeg hebt om te kunnen profiteren van de kansen en keuzes die nodig zijn om in de samenleving te participeren. In 2010 zat 31 procent van de huishoudens met kinderen onder dat minimum. Drie jaar later was dat percentage gestegen naar 39 procent. Aandacht besteden aan die onderste 39 procent gaat om veel meer mensen dan alleen ‘de armen’.
Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert
Werk zou natuurlijk een manier moeten zijn om het minimum inkomen te verwerven dat nodig is om aan de samenleving deel te nemen, maar is dat niet. In maar 19 procent van de tweeoudergezinnen die in 2013 onder het inkomensminimum zaten, werkte geen van beide partners. In meer dan 80 procent van de huishoudens met een laag inkomen werkte minstens een van de partners. Het probleem is niet dat uitkeringen te genereus zijn en ook niet dat mensen hun best niet doen. Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert. Net zo min als uitkeringen. Uit onder‑ zoek in Europa blijkt dat in landen waar de uitkeringen hoger zijn, de gezondheid beter is en de ongelijkheid op het gebied van gezondheid kleiner. Interessant is ook dat in landen met hogere uitkeringen de werkgelegenheidssituatie ook beter is.
Ik heb in rijke en arme landen in‑spirerende voorbeelden gezien van de manier waarop landen actie ondernemen om het leven van hun inwoners te verbeteren en ongelijkheid in gezondheid te verkleinen. De belangrijkste factoren zijn sociale cohesie en emancipatie. In plaats van de samenleving te verdelen in twee grote klassen – ofwel die van Marx ofwel die van de nietsnutten en de harde werkers uit een andere politieke taal – kunnen we beter denken aan curves. We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen. Het is niet onredelijk om te zeggen dat alle sociale groepen de goede gezondheid zouden kunnen hebben van de rijkste groep. Maar daarvoor is actie nodig, gebaseerd op nuchtere feiten, voor de hele samenleving.
Volgens econoom Anthony Atkinson heeft de inkomenskloof niets onvermijdelijks. Hij komt met voorstellen waardoor de ongelijkheid afneemt én de economie verbetert.
President Barack Obama heeft de stijgende inkomensongelijkheid ‘de belangrijkste uitdaging van onze tijd’ genoemd. Paus Franciscus roept overheden op om de armen te laten delen in de rijkdom, in een nieuwe geest van gulhartigheid.
Zelfs IMF-baas Christine Lagarde heeft gezegd dat ongelijkheid de stabiliteit van de wereldeconomie bedreigt.
Maar wat deze wereldleiders niet hebben gezegd is wat ze daaraan wilden doen. Om op die vraag antwoord te geven heb ik het boek geschreven dat in 2015 is verschenen: Inequality: What can be done?
Positief geluid
Er heerst een klimaat van kommer en kwel: een gevoel dat er weinig tegen de economische ongelijkheid te doen valt. Ik wil een positiever geluid laten horen. De belangrijkste boodschap is dat huidige omvang van de ongelijkheid en armoede niet onontkoombaar is. We kunnen stappen ondernemen om de ongelijkheid en armoede te verkleinen. Die zijn niet gemakkelijk en er hangt een prijskaartje aan. We zouden sterke economische en politieke overtuigingen moeten loslaten. Maar het is mogelijk.
De eerste stap is het herstellen van de verzorgingsstaat. Sinds 1980 is in de OESO-landen de herverdelingspolitiek afgebouwd, en dat heeft geleid tot het tegengestelde van inkomensspreiding. Dit is een van de redenen waarom in Canada, waar een op de acht mensen op een laag inkomen leeft, het armoede‑ cijfer zo hardnekkig hoog blijft. Het is een van de redenen waarom de ongelijkheid in Canada groter is dan in Frankrijk, Duitsland of Japan.
Om dit te veranderen moet de belasting omhoog. Niet gemakkelijk, maar ik stel een reeks belastingmaatregelen voor die de ongelijkheid moeten verkleinen, met als uitgangspunt de terugkeer van de progressieve inkomstenbelasting. Aan de uitgavenkant pleit ik ervoor de kindertoeslagen te verhogen en werkloosheidsverzekeringen nieuw leven in te blazen. Ik denk zelfs aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen, een radicaal idee, maar het heeft steun gevonden bij Nobelprijswinnaars van zeer uiteenlopende signatuur: Milton Friedman ter rechterzijde en James Tobin op links.
Herstel de verzorgingsstaat
De ongelijkheid verkleinen is echter niet alleen een kwestie van belastingen en uitgaven. Veel van mijn voorstellen hebben te maken met de marktverdeling van inkomen: wat mensen ontvangen aan loon, rente en andere vormen van kapitaalinkomen. Dit betekent in de eerste plaats dat de werkloosheid moet worden aangepakt en dat de vermindering van werkloosheid dezelfde prioriteit moet krijgen als het beheersen van de inflatie. Banen zijn echter maar een deel van het verhaal. Het salarisniveau is belangrijk. Slechts de helft van de werklozen in de EU verdient als ze een baan vinden genoeg om hun gezin boven de armoedegrens te houden. Armoede onder werkende mensen is een groot probleem.
Hoe zit het met rijkdom? De zeer grote ongelijkheid in de verdeling van de rijkdom blijkt uit het feit dat de bovenste 10 procent in Canada meer dan 40 procent van het bruto nationaal inkomen verdient. Ik stel dan ook een grote nieuwe vermogensoverdrachtbelasting voor, die gebaseerd is op het bedrag dat iemand gedurende zijn leven ontvangt in de vorm van legaten en giften. Zo’n belasting zou bijdragen aan het scheppen van gelijke kansen en de eerlijker verdeling zou nog versterkt worden als de opbrengst van die belasting op vermogensoverdracht gebruikt werd om iedereen op zijn achttiende verjaardag een minimum-erfenis te geven.
Zo denk ik aan een reeks voorstellen om de ongelijkheid te verkleinen en armoede aan te pakken. Er valt natuurlijk over te discussiëren. Sommigen zullen zeggen dat door deze uitruil tussen billijkheid en efficiency het nationale inkomen en de groei daarvan zullen afnemen. Ik zou daarop antwoorden dat dit bezwaar voornamelijk afhangt van de manier waarop je de werking van een moderne economie ziet. Als je kijkt naar de onvolmaakt‑ heden van de markteconomie, wordt duidelijk dat er omstandigheden bestaan waarin we zowel qua vermogen als qua efficiency vooruitgang kunnen boeken. Het tegengaan van de ongelijkheid zou wel eens hand in hand kunnen gaan met het verbeteren van de economische performance.
Mensen zullen misschien zeggen dat ‘in een geglobaliseerde economie, een land niet in zijn eentje een koers kan volgen die tot minder ongelijkheid leidt’. Maar landen zijn niet alleen maar passieve deelnemers op het wereldwijde speelveld. Het effect op de herverdeling van inkomen hangt af van de manier waarop nationale overheden inspelen op een veranderende wereld.
De derde tegenwerping is dat ‘we het ons niet kunnen veroorloven.’ Inderdaad moeten er harde keuzes gemaakt worden. Willen we werkelijk de ongelijkheid verkleinen en de armoede aanpakken, dan moeten we de belastingen verhogen en de manier heroverwegen waarop marktinkomens worden bepaald.
Maar we kunnen niet zeggen dat er niets aan te doen is.
Auteur: Anthony B. Atkinson
Vertaler: Annemie de Vries
Anthony B. Atkinson is als senior onderzoeker verbonden aan het Nuffield College, Oxford en als professor aan de London School of Economics. Hij schreef Inequality: What can be done?, Harvard University Press, 2015.
Toronto Star Canada, dagblad, oplage 400.000
Grootste krant van Canada. Een van de weinige titels die een plechtige ‘principeverklaring’ in ere houdt, te vinden op de site. Daarin staat als kerntaak van de krant ‘het publiek te wijzen op misstanden en de mogelijke oplossingen daarvoor’.
Ooit werd Frankrijk bestierd door tweehonderd families. In de VS gebeurt nu iets soortgelijks: uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 superrijke families bijna de helft van al het campagnegeld bijeen hebben gebracht.
Het zijn in overgrote meerderheid rijke, oudere blanke mannen in een natie die in toenemende mate wordt gevormd door jonge kiezers, vrouwelijke kiezers en kiezers met een kleurtje. In dit onmetelijk grote land wonen zij vooral in een kleine archipel van exclusieve rijke wijken verspreid over een handjevol steden. En in een economie waarin miljardairs van oudsher fortuin maakten in een onafzienbare reeks verschillende industrieën, danken zij hun rijkdom grotendeels aan slechts twee sectoren: financiële dienstverlening en energie. Met hun enorme rijkdom hebben ze nu de politieke arena betreden. Bijna de helft van al het campagnegeld van de Democratische en Republikeinse kandidaten is van hen afkomstig. Uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 families, deels via bedrijven die geheel of gedeeltelijk in hun handen zijn, nu al 176 miljoen dollar aan de campagnes hebben bijgedragen. Sinds Watergate is het niet meer gebeurd dat zo’n klein aantal mensen en bedrijven in zo’n vroeg stadium van de verkiezingen zo veel geld heeft ingebracht. Overwegend via kanalen die pas wettelijk zijn toegestaan sinds het Hooggerechtshof met het Citizens United-arrest vijf jaar geleden de weg vrijmaakte voor super-PAC’s [zie kader onderaan dit artikel]
De samenstelling van deze groep donateurs weerspiegelt de veranderende samenstelling van Amerika’s economische elite. Er zitten betrekkelijk weinig mensen bij met oud geld of uit het traditionele bedrijfsleven. De meesten hebben zelf een bedrijf opgebouwd en zijn rijk geworden met een combinatie van lef en talent: door het oprichten van een hedgefonds in New York, door het opkopen van onderschatte olievelden in Texas of door kassuccessen in Hollywood. Meer dan een dozijn van deze donateurs is niet geboren in de VS maar in Cuba, de voormalige Sovjet-Unie, Pakistan, India of Israël.
Maar hoe ze hun geld ook hebben verdiend, in hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs aan de verkiezingscampagnes naar rechts. Ze hebben al tientallen miljoenen gedoneerd aan Republikeinse kandidaten die paal en perk beloven te stellen aan regelgeving en overheidstoezicht, aan de belastingtarieven op inkomen, vermogenswinst en erfenissen en aan subsidies en sociale voorzieningen. Allemaal beleidskeuzes die hun eigen rijkdom beschermen, maar die ze om andere redenen zeggen te omarmen: volgens hen leidt dit tot economische groei en behoud van een stelsel dat ook anderen in staat stelt rijk te worden.
‘Veel families die op eigen kracht rijk zijn geworden, vinden dat kleine ondernemingen last hebben van het woud aan regelgeving,’ zegt Doug Deason, een belegger uit Dallas die vijf miljoen in de campagne van de Texaanse gouverneur Rick Perry had gestoken. (Nu Perry zich heeft teruggetrokken, dingen veel andere kandidaten naar zijn gunsten.) ‘Zij hebben goed geboerd. En ze gunnen het andere mensen om ook goed te boeren.’
Het zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn bergen te verzetten, en graag tegen de stroom inroeien
Tegenwicht voor demografie
Met al dat geld voor Republikeinse kandidaten bieden deze rijke donateurs financieel tegenwicht aan de demografische ontwikkeling. Die levert juist steeds meer electorale steun op voor de Democraten en hun economische beleid. Uit een peiling van The New York Times en CBS News bleek in juni dat twee derde van alle Amerikanen voorstander is van een hoger belastingtarief voor wie meer dan een miljoen per jaar verdient. Zes op de tien is voorstander van actiever overheidsbeleid om de kloof tussen arm en rijk te dichten. En volgens het Pew Research Center is bijna zeven op de tien Amerikanen voor behoud van ons huidige uitkeringen- en ziektekostenstelsel.
Republikeinse kandidaten hebben moeite om stemmen te winnen onder latino’s, vrouwen en zwarte kiezers. Maar in deze campagne blijken de Republikeinen een grote voorsprong op de Democraten te hebben in de wereld van de zogenaamde super-PAC’s. Voor donaties aan het campagneteam van een kandidaat geldt een strikte limiet, maar aan zo’n ‘onafhankelijk’ political action committee mag iedereen zo veel geven als hij wil. De meeste donaties vloeien dan ook daarheen. Tot 30 juni hadden de 158 grootste donateurs in de campagne ieder al minstens 250.000 dollar bijgedragen, zo blijkt uit gegevens van de Federale kiescommissie en andere bronnen. En nog eens 200 andere families gaven ieder meer dan 100.000 dollar. Bij elkaar opgeteld waren deze twee groepen verantwoordelijk voor meer dan de helft van al het campagnegeld tot nu toe, en het leeuwendeel daarvan ging naar Republikeinen. ‘Het stelsel voor campagnefinanciering werkt nu als tegenkracht tegen de feitelijke ontwikkeling van het electoraat en het beleid dat kiezers willen,’ zegt Ruy Teixeira, een politicoloog van het linkse Center for American Progress.
In hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs naar rechts
Eigen klasse
Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten. De meeste families die wij benaderden, wilden ons niet te woord staan over hun campagnebijdragen of hun politieke denkbeelden. Veel donaties waren afkomstig van bedrijfsadressen of postbusnummers, of ze liepen via brievenbusfirma’s of trustfondsen. Allemaal nieuwe methoden die mogelijk zijn gemaakt door het Citizens United-arrest, dat bedrijven veel meer speelruimte geeft om verkiezingscampagnes te financieren. Sommige donateurs staan vanwege hun privacy of om belastingtechnische redenen niet ingeschreven als eigenaar van het huis waar ze wonen. Dat maakt het nog moeilijker de sociale verwevenheid en de familiebanden van deze kleine groep te achterhalen.
Maar uit interviews en onderzoek in openbare bronnen – zoals kiezersregistraties, bedrijfsgegevens en data van de federale kiescommissie – komt een beeld naar voren van een heel eigen klasse die geografisch, sociaal en economisch sterk samenklit. De wijken waar ze wonen, zouden samen bijna allemaal binnen de stadsgrenzen van New Orleans passen. Maar nog geen vijfde van de totale bevolking van die wijken bestaat uit minderheden, en praktisch niemand is zwart. De bewoners verdienen er vierenhalf keer zo veel als de gemiddelde Amerikaan en de kans dat ze een universitaire opleiding hebben genoten is tweemaal zo hoog. De meeste families wonen in slechts negen steden, vaak vlak bij elkaar in buurten zoals het chique Bel Air en Brentwood in Los Angeles of River Oaks in Houston, een wijk die vooral in trek is bij topmannen van energiebedrijven. Of Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met een eigen beveiligingsdienst, 35 villa’s en een 18 holes-golfbaan. Soms zijn ze, Republikeinen zowel als Democraten, donateur van dezelfde musea, symfonieorkesten of hulpprogramma’s voor achterstandskinderen. Ze doen samen zaken, ze trouwen met elkaar en zitten soms in hetzelfde pokerclubje. Meer dan vijftig leden van deze families staan in de Forbes 400-lijst van de rijkste miljardairs van het land. Ze zijn zo rijk dat zelfs een campagnebijdrage van een miljoen dollar voor hen een kleinigheid is.
Neem hedgefondsmiljardair Kenneth C. Griffin uit Chicago: volgens de gegevens die zijn vrouw indiende in hun echtscheidingszaak, bedraagt zijn besteedbaar inkomen 68,5 miljoen dollar per maand. Hij heeft in totaal 300.000 dollar aan lobbygroepen van Republikeinse presidentskandidaten gegeven. Dat lijkt een enorm bedrag, maar gemeten naar zijn jaarinkomen is het evenveel als 21,17 dollar voor een gemiddeld Amerikaans huishouden (uitgaande van cijfers over het gemiddeld besteedbaar inkomen van het Congressional Budget Office [de Amerikaanse rekenkamer]).
De rijkdom van deze families is deels een gevolg van de enorme groei van de financiële dienstverlening en de hausse in de olie- en gasindustrie, twee ontwikkelingen die de Amerikaanse economie in de afgelopen decennia ingrijpend hebben veranderd. De families profiteren bovendien van de politieke en economische ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de groeiende kloof tussen arm en rijk. Terwijl het aandeel van de middenklasse in het nationaal vermogen en het nationaal inkomen is gekrompen, is dat van deze families juist gegroeid.
Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten
De vermogensgroei is vooral hard gegaan in de hogere echelons op Wall Street. Waar beleggers voorheen vooral het geld van anderen beheerden, werden ze steeds vaker zelf schatrijk. Eén tiende procent van de Amerikaanse belastingbetalers werkt in de financiële sector, en volgens één onderzoek is hun aandeel in het nationaal inkomen sinds 1979 vervijfvoudigd. Van de hier besproken families zijn er 64 rijk geworden in de financiële sector. Dat is de grootste subgroep onder de superdonateurs in deze verkiezingsrace. De meeste hebben zich daarbij niet omhooggewerkt binnen een gevestigd bedrijf als Goldman Sachs of Exxon. Ze hebben, al dan niet in samenwerking met anderen, eigen ondernemingen opgezet. In de financiële sector beheerden ze hedgefondsen en andere risicovolle beleggingsfondsen die profiteerden van het gunstige belastingklimaat voor schulden en beleggingen, en van de aantrekkende beurzen en lage rentetarieven van de laatste tijd. In de energiesector gaat het onder meer om avonturiers die als eersten profiteerden van de nieuwe boortechnieken en de hoge energieprijzen die de winning van schaliegas in North Dakota, Ohio, Pennsylvania en Texas rendabel maakten. Anderen maakten fortuin door die pioniers te voorzien van pijpleidingen, vrachtwagens en apparatuur om te ‘fracken’.
In beide sectoren kan een succesvol bedrijf in korte tijd enorme winsten opleveren – in tegenstelling tot sectoren waar het kapitaal vastzit in investeringen. En als ze niet worden gehinderd door aandeelhouders of een raad van bestuur, hebben deze ondernemers alle vrijheid om met dat geld hun politieke passie uit te leven. Meer dan de helft van het geld van de 158 grootste donateurs komt uit deze twee sectoren. ‘Als ik die families zie: dat zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn om bergen te verzetten, en die graag tegen de stroom in roeien,’ zegt David McCurdy, vroeger Congreslid voor Oklahoma en nu voorzitter van de Vereniging van Amerikaanse Aardgasbedrijven.
Grote beursgenoteerde bedrijven laten zich doorgaans niet in met super-PAC’s, vanwege de negatieve publiciteit over de invloed van het grote geld op de campagnes. Maar deze zelfstandige ondernemers stoppen er rustig miljoenen in. En ze zetten hun geld soms op kandidaten waar het partijestablishment en traditionele donateurs de neus voor ophalen. Neem de drie families die tot nu toe de grootste campagnebijdragen hebben gedoneerd: de familie Wilks uit Texas, die miljarden heeft verdiend met vrachtwagens en boorapparatuur voor de schaliegasvelden; de familie Mercer uit New York, van hedgefondsbelegger Robert Mercer; en Toby Neugebauer, een private equity-belegger uit Texas. Allemaal steunen zij de Texaanse senator Ted Cruz, de uiterst conservatieve Tea Party-hardliner die slecht ligt bij de Republikeinse partijtop.
‘Veel geld inzetten op iets waar anderen nog niets in zien. Dat is de overeenkomst tussen het succes in die twee sectoren, energie en beleggingen,’ zegt Tim Phillips. Hij is de voorzitter van Americans for Prosperity, een conservatieve lobbygroep gelieerd aan de Republikeinse geldschieters Charles G. en David H. Koch.
Sommige families zitten in netwerken van ideologisch gedreven partijdonateurs die, zowel op links als op rechts, fundamentele invloed proberen uit te oefenen op de koers van hun partij. Zo zijn meer dan een dozijn donateurs of hun familieleden ook betrokken bij Koch Seminars, de tweejaarlijkse conferentie van de gebroeders Koch, die via diverse lobbygroepen onder meer ijveren voor afschaffing van de Export-Import Bank [een bank van de federale overheid, die kredieten verstrekt om de export van Amerikaanse goederen te bevorderen. Het rendement hiervan is omstreden en rechts-conservatieven zoals de gebroeders Koch beschouwen dit als een ongewenste vorm van staatsinmenging in de economie]. Dat geldt bijvoorbeeld voor bovengenoemde Deason en zijn vrouw, voor beleggingspionier Charles Schwab, wiens vrouw Helen veel aan de partij doneert, en voor Karen Buchwald Wright, van de familie die compressoren voor de winning en het transport van aardgas maakt. ‘De meeste deelnemers aan de conferentie zijn ondernemers die hun bedrijf helemaal zelf, van de grond af, hebben opgebouwd,’ zegt Deason, die alle vormen van subsidies en sociale uitkeringen wil afschaffen, ook als zijn eigen investeringen ervan profiteren.
Anderen, zoals hedgefondsbelegger George Soros en zijn zoon Jonathan, hebben juist banden met de Democracy Alliance, een netwerk van linkse partijdonateurs die willen dat de Democratische partij veel meer doet aan klimaatbeleid en een progressief belasting- stelsel. Deze groep geldschieters, die hun rijkdom veelal te danken hebben aan Hollywood of Wall Street, hebben miljoenen in de campagne van Hillary Clinton gestoken.
Veel op het spel
Tot op zekere hoogte doneren deze families geld omdat ze persoonlijke, regionale of professionele banden hebben met de kandidaten die ze steunen. De vader van Jeb Bush heeft zijn geld verdiend in de olie en Jeb Bush heeft zelf miljoenen verdiend op Wall Street. Sommige kandidaten die door de superrijken worden gesteund, hebben een politiek ambt bekleed in Florida of Texas, de twee staten waar de meeste families op de lijst van 158 wonen. Maar dat deze families de mogelijkheden van het Citizens United-arrest ten volle uitbuiten, is vooral een teken dat er voor hen ook veel op het spel staat, juist in de financiële dienstverlening en de energiesector. De regering Obama, de Democraten in het Congres en zelfs Jeb Bush zijn voorstander van regelgeving en belastingmaatregelen die een fikse lastenverhoging voor durfkapitaal- en private equity-fondsen kunnen betekenen. Hedgefondsen kenden van oudsher weinig regelgeving, maar zijn sinds 2010 gebonden aan de regels van de Dodd-Frank-wet [848 pagina’s aan financiële regulering die in juli 2010 werden doorgevoerd ter bestrijding van de financiële crisis]: verschillende Republikeinse kandidaten hebben beloofd om die terug te draaien, terwijl Clinton hem juist wil handhaven.
En de schaliegashausse heeft in korte tijd weliswaar heel veel geld opgeleverd, maar ook geleid tot overproductie van olie, waardoor de prijzen nu dalen. Binnen de industrie bestaat brede steun voor opheffing van het veertig jaar oude verbod op de export van olie, om Amerikaanse olieproducenten een nieuwe afzetmarkt te geven, en voor de aanleg van de omstreden Keystone XL-oliepijpleiding [vanuit Canada naar de VS. Olie-raffinaderijen, milieuactivisten en enkele leden van het Amerikaanse Congres spanden rechtszaken aan die de bouw moesten dwarsbomen]. ‘Ze vragen geen hulp van de overheid, ze willen alleen graag olie exporteren, en de meesten willen ook de Keystone-pijpleiding,’ zegt T. Boone Pickens, belegger en voorstander van aardgaswinning, over zijn collega’s in de energiesector. ‘De olie- en gasindustrie heeft wonderen verricht voor dit land. Ze betalen zich krom aan belasting, en toch blijven de mensen je aanvallen,’ vervolgt Pickens, die 125.000 dollar heeft gedoneerd aan steuncomités voor Jeb Bush of Carly Fiorina. ‘Het zijn ondernemers, en ze hebben overal een mening over.’
Nicholas Confessore, Sarah Cohen en Karen Yourish
Kader: Wat zijn super-PAC’s?
Amerikaanse presidentskandidaten krijgen in hun campagnes vaak bijval van zogenaamde political action committees (PAC’s), lobbygroepen die in naam onafhankelijk zijn, maar in feite actie voeren voor (en vooral ook tegen) specifieke kandidaten. Net als de financiering van campagneteams is die van PAC’s aan strikte regels gebonden: donaties mogen niet anoniem plaatsvinden en niet meer bedragen dan 5000 dollar per persoon. Maar twee uitspraken van het Hooggerechtshof in 2010, waaronder het Citizens United-arrest, hebben de weg vrijgemaakt voor zogenaamde super-PAC’s. Daaraan mogen particulieren en bedrijven zo veel geld doneren als ze willen. Officieel mogen de super-PAC’s niet met een kandidaat of zijn campagneteam overleggen over de te volgen koers, maar in de praktijk spelen hun publiciteitscampagnes al sinds 2012 een grote rol in de verkiezingen.
Tien jaar na Katrina is de hamvraag of New Orleans bestand is tegen een nieuwe superstorm. De staat Louisiana heeft een masterplan bedacht om de stad te beschermen. Maar dat gaat vele miljarden dollars kosten.
Deze stad heeft altijd een ander ritme gehad. Totaal anders dan dat van New York. Het schijnt dat iemand ooit een havenarbeider heeft horen zeggen: ‘Red je het niet in The Big Easy, dan red je het nergens’, en die kreet werd gemeengoed, eerst in de zwarte gemeenschap, vervolgens in Newsweek en van daaruit in de rest van het land. Tientallen jaren waren de jonge ambitieuze mannen en vrouwen hier verknocht aan hun stad, maar gingen ze er toch weg, terwijl nieuwkomers een plek voor zichzelf vonden in de bestaande huizen, zich er nestelden en de stad in hun hart sloten.
De orkaan Katrina, deze maand tien jaar geleden, heeft veel veranderd. De essentie van de stad – zijn ritme en zijn geuren – heeft de storm overleefd, ook al lijkt het er nu meer op Disneyland dan ooit. Maar het is ook een dynamische plek geworden. Na de storm kwamen tienduizenden hierheen om de stad weer op te bouwen; duizenden, vaak jonge mensen, zijn gebleven. Zij kwamen niet om zich in bestaande ruimtes te nestelen: ze kwamen om ruimte voor zichzelf te maken, niet te vinden, om een nieuwe Amerikaanse stad te scheppen.
Dankzij hun energie, plus 71 miljard dollar overheidsgeld voor Louisiana, waarvan het grootste deel voor de hoofdstad New Orleans, is veel veranderd. Tot verbazing van degenen die de stad kennen is die niet alleen springlevend, maar trekt hij ook jong talent aan. In 2014 had New Orleans volgens zakenblad Forbes het snelst groeiende aantal afgestudeerden van het land, en in 2013 was het de stad waar de meeste werkende Amerikanen naartoe verhuisden. Ook het ondernemersklimaat is hier volgens het blad het beste van het land, onder andere dankzij de jaarlijkse Entrepreneur Week, waar dit jaar tienduizend deelnemers op afkwamen.
De armoede en criminaliteit zijn gebleven, maar in New Orleans heerst nu ook een klimaat van kansen en mogelijkheden dat tien jaar geleden ondenkbaar was. Er is één vraag over de toekomst die steeds maar blijft hangen: hoe veilig is deze stad?
In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm
100-jarige storm
Die vraag gaat niet over criminaliteit, een ernstig, maar oplosbaar probleem. De kwestie is: zal de oceaan de stad verslinden – kan de stad blijven bestaan? Het antwoord daarop is lastig en ook belangrijk voor andere steden, waaronder New York. New Orleans heeft een nieuw systeem dat overstromingen tegen moet gaan. Het systeem dat er vóór Katrina was, faalde als gevolg van fouten van de Army Corps of Engineers [die in de VS de rol speelt van een soort militaire Rijkswaterstaat], maar dit nieuwe systeem moet wél zijn werk doen. Het biedt bescherming tegen een zogenaamde 100-jarige storm, ofwel een storm die eens in de honderd jaar voorkomt – het soort bescherming dat ook New York wil, maar nog niet heeft.
Maar er zijn drie problemen: die norm van ‘eens in de honderd jaar’ zelf, de geologie en zeespiegelstijging, en de politiek. De eerste twee kunnen opgelost worden, het derde zou wel eens ongeneeslijk kunnen zijn. Bescherming tegen een storm die eens in de honderd jaar voorkomt klinkt veilig, maar is het niet. Het betekent dat de stad beschermd is tegen een storm waarvan de kans dat hij in een bepaald jaar toeslaat 1 procent is; de kans dat de gemiddelde inwoner tijdens zijn leven minstens één storm zal meemaken die even krachtig is als de norm, of krachtiger, is echter meer dan 50 procent. De 100-jarige norm is in 1973 vastgelegd in het National Flood Insurance Program en diende oorspronkelijk alleen voor verzekeringsdoeleinden. Hij is nooit bedoeld geweest als veiligheidsnorm.
Vóór 1973 legde het Army Corps of Engineers stormvloedkeringen aan die de stad moesten vrijwaren van de ergste overstroming die zou kunnen optreden. Dat was de norm in de jaren dertig, toen na een overstroming van de rivier de Mississippi in 1927 – die rampzaliger was dan Katrina – dijken en afvoerkanalen werden aangelegd langs de benedenloop van de rivier. Dat was maar goed ook, want in 1937, 1973 en 2011 kwam het water bij de benedenloop van de Mississippi ook hoger dan het 100-jarige record, maar richtte het weinig schade aan, dankzij de dijken en afvoerkanalen. Daarentegen zijn delen van het land met dijken van vóór de 100-jarige norm herhaaldelijk overstroomd. Voor New Orleans, dat altijd afhankelijk is geweest van de goede wil van vreemden, is het dom om zichzelf op de borst te kloppen over die 100-jarige bescherming; voor het rijke New York is het idioot om naar die 100-jarige norm te streven. Toen Katrina aan land kwam, werd het water opgestuwd tot de hoogte van een 400-jarige storm; Sandy had op sommige plekken de kracht van een 200- tot 500-jarige storm.
In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm; dat is financieel onhaalbaar aan de Golf van Mexico en aan de oostkust, die met veel zwaardere stormen te maken krijgen dan de Nederlanders. Maar de norm moet hoger zijn dan die honderd jaar; vijfhonderd jaar zou het minimum moeten zijn. Dat is zeker bereikbaar in New York, gezien de draagkracht van die stad. Is het ook haalbaar in New Orleans?
Nieuw Atlantis
Om die vraag te beantwoorden moeten we ons realiseren dat de hele kust van Louisiana gevormd is door sedimentafzettingen die zijn aangevoerd door de rivier de Mississippi. Het sediment sloeg neer op het moment dat de rivier de oceaan bereikte, vormde eerst zandbanken, en daarna, toen daar planten op gingen groeien, stevig land – 20.000 vierkante kilometer land dat zich uitstrekt tot aan Texas in het westen. Mensen hebben in dit natuurlijke proces ingegrepen en sinds 1932 is zo’n 5000 vierkante kilometer – een gebied zo groot als Delaware – van de kust van Louisiana verdwenen. Dat land vormde ooit een buffer tegen stormvloeden.
Het landverlies gaat voort in zo’n tempo dat een gebied ter grootte van Manhattan in achttien maanden verdwenen kan zijn. Wordt er de komende vijftien jaar niets aan gedaan, dan verdwijnt nog eens 700 tot 1300 vierkante kilometer van Louisiana – en gaat het verlies verder tot New Orleans een Nieuw Atlantis wordt, met muren van dijken die de zee tegenhouden.
Toch heeft New Orleans wel een kans om te overleven, om twee redenen. Om te beginnen heeft de stad het concept van ‘leven met water’ omarmd – al is er weinig gedaan om dat ook werkelijk door te voeren – bijvoorbeeld door huizen op palen te bouwen. Ten tweede, en dat is veel belangrijker, zouden dezelfde natuurkrachten die de kust hebben gevormd, ook dienst kunnen doen om de kust die er nog is te bewaren, zodat de kuststreken van Louisiana een kans krijgen op een duurzame toekomst. Wat verdwenen is kan niet meer worden hersteld, en er zal nog steeds land verdwijnen, maar zelfs met de komende zeespiegelstijging kan, als er genoeg sediment en zoet water wordt aangevoerd, op strategische plekken nieuw land worden gevormd om de bevolking te beschermen.
De werkelijke kosten van het masterplan zullen meer dan 100 miljard dollar bedragen
Het is nu zelfs zo dat het dijkensysteem van New Orleans de stad waarschijnlijk zal beschermen tegen een eens in de vijfhonderd jaar voorkomend ‘stil hoogwater’, ofwel een stijging van het water zonder golven. Golven verspreiden zich over land, dus het opnieuw opbouwen van een landbuffer kan de veiligheid van de stad aanzienlijk vergroten. De Mississippi geeft New Orleans en Louisiana dus een kans, en duidelijk een veel betere dan bijvoorbeeld Miami, Tampa of Houston hebben, die geen beroep op de Mississippi kunnen doen.
Masterplan
Zal dit gebeuren? De staat heeft er een ‘masterplan’ voor ontwikkeld. Het grootste technische probleem is het sediment, dat met 50 procent is afgenomen, waardoor de technici minder hebben om mee te werken dan vroeger. De staat hoopt het sediment te verspreiden via pijpleidingen of ‘omleidingen’: openingen in dijken om natuurlijke stromen na te bootsen. Maar hoe lastig de techniek ook is, de politiek is nog lastiger. De meeste deskundigen zien het omleiden van het water als de enige mogelijkheid om op de lange termijn land te laten aangroeien. Nu al zijn oesterkwekers daar echter een campagne tegen gestart, omdat oesterbedden er volgens hen door vernietigd worden terwijl er geen land zal worden opgebouwd, en maakt de scheepvaartsector zich zorgen om veranderingen in het vaargebied.
En het gevecht om de omleidingen is nog maar het begin. De strijd zal pas echt losbarsten wanneer mensen buiten de beschermde gebieden beseffen dat hun gemeenschap zal verdwijnen, of als de staat het voorstel aanneemt – waarvan veel deskundigen voorstander zijn – om een nieuwe riviermonding te creëren, waardoor een deel van de staat wordt afgesneden. Nu al zijn er in een regio felle protestacties gaande, omdat het voorstel kan betekenen dat mensen moeten verhuizen uit gebieden met ‘zware, herhaaldelijke overstromingen’. Dan is er natuurlijk nog de kwestie van het geld.
Officieel zal het masterplan voor de hele staat 50 miljard dollar kosten. Ongeveer een vijfde daarvan is bestemd voor de 500-jarige bescherming van New Orleans. Maar volgens een onderzoek van de Yulane University zullen de werkelijke kosten van het masterplan meer dan 100 miljard dollar bedragen. En zelfs die begrote 50 miljard kan de stad al bij lange na niet opbrengen.
Oliemaatschappijen
De politieke realiteit is dat de belastingbetalers van het land heus niet tientallen miljarden dollars naar Louisiana zullen sturen, zeker niet zolang de politici van Louisiana zelf geen maatregelen nemen tegen een andere belangrijke oorzaak van het verlies aan land.
Olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen hebben naar schatting 15.000 kilometer aan kanalen door het kustgebied gegraven. Het zoute water dat daardoor het land in kon stromen, was dodelijk voor planten, en zonder de wortels daarvan kalfde het land af. Bovendien hebben bedrijven zo veel stoffen uit de grond gehaald dat het oppervlak is verzakt. Toch gaat niemand serieus de discussie aan over de rol van het bedrijfsleven in het landverlies. Zelfs een onderzoek dat werd gefinancierd door de Louisiana Mid-Continent Oil and Gas Association, de brancheorganisatie van grote oliemaatschappijen, kwam tot de conclusie dat activiteiten van het bedrijfsleven ‘de grootste oorzaak’ waren voor landverlies in gebieden waar dat verlies het ernstigst was. Volgens een onderzoek van de staat Louisiana komt 76 procent van het landverlies in diezelfde gebieden voor rekening van energiebedrijven. Een onderzoek onder leiding van de Amerikaanse geologische dienst, waaraan ook wetenschappers uit de bedrijfstak meededen, schreef 36 procent van het verlies over een groter stuk van de kust toe aan het bedrijfsleven.
Voor de meeste activiteiten van het bedrijfsleven waren vergunningen afgegeven, en daarin stond steeds specifieker de vraag om de schade zo veel mogelijk te beperken. In 1980 eiste de staat expliciet dat aangetast gebied ‘in zijn oude staat hersteld’ zou worden. Bedrijven hebben daar maar heel zelden aan voldaan. Een voorbeeld: in 1982 kreeg een bedrijf een vergunning van de staat, met daarin de eis om een kanaal ‘binnen negentig dagen af te sluiten; achttien jaar later had het bedrijf er echter niets aan gedaan en betaalden de belastingbetalers 5 miljoen dollar voor de afsluiting.
Sindsdien zijn nog tientallen miljoenen dollars aan belastinggeld uitgegeven aan het herstellen van dit soort schade waarbij het bedrijfsleven in gebreke is gebleven. Als olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen het geld zouden bijdragen dat nodig is om gebieden in hun oude staat te herstellen, zou daarmee een groot deel van het masterplan kunnen worden gefinancierd – misschien wel het hele plan.
Maar olie heeft lang de boventoon gevoerd in de politiek van Louisiana. De staat en de federale overheid hebben geen eisen gesteld aan het bedrijfsleven. Dat deed de Southeast Louisiana Flood Protection Authority East twee jaar geleden wel. Deze dijkraad, die na Katrina door hervormers werd ingesteld, en die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de regio New Orleans, daagde 97 bedrijven voor de rechter wegens het doen toenemen van stormvloeden.
Een van de leden van deze raad is voorzitter van een panel van de National Academy of Science over het verkleinen van risico’s aan de kust, en was daarvoor voorzitter van de American Society of Civil Engineers, waarin waterbouwkundigen en overstromingsexperts samenwerken. (Ik heb zelf zes jaar in de raad gezeten.) De raad hoopte met deze rechtszaak te bewerkstelligen dat in de hele staat regelingen konden worden getroffen ter financiering van het masterplan, hetzij via aanvullende gerechtelijke uitspraken, hetzij via belasting op het bedrijfsleven.
Twee buurgemeenten van New Orleans spanden inderdaad een proces aan, maar de burgemeester van de stad, Mitchell J. Landrieu, heeft dat niet gedaan, ook al heeft hij ooit gezegd dat de industrie ‘haar eigen rotzooi moest opruimen’ en zou hij met het winnen van zo’n zaak de ‘leven met water’-benadering kunnen financieren. Ondertussen reageerde het grootste deel van de gevestigde politici en ondernemers met verbijstering en woede. De Republikeinse gouverneur, Bobby Jindal, probeerde de raad de nek om te draaien, bijvoorbeeld door een nationaal erkend overstromings-expert, die hoofdingenieur was bij de aanleg van 2300 kilometer aan federale dijken in Californië, te vervangen door een lobbyist die de financiële man is van de stichting van Jindals vrouw.
Het parlement van de staat stelde oliemaatschappijen zelfs boven de wet en nam wetgeving aan die de rechtszaak van de raad met terugwerkende kracht onmogelijk maakte (die wetgeving is door een gerechtshof ongrondwettelijk verklaard). De voorstemmers hadden maar een krappe meerderheid, dus zei Chris John, hoofd van de organisatie van oliemaatschappijen, waarvan het eigen onderzoek zijn leden schuldig had verklaard aan het landverlies, dat hij ‘deze keer meer geld dan ooit zou besteden’ aan de staatsparlementsverkiezingen in 2015.
300-jarig bestaan
Wat betekent dit allemaal voor New Orleans? Op dit moment is de situatie beter dan vóór Katrina, maar echt veilig is de stad nauwelijks, en het gevaar wordt met de dag groter. Toch kan de veiligheid wel verbeterd worden, zelfs nu we geconfronteerd worden met een stijgende zeespiegel. De staat heeft het geld om zelf een programma te starten, ook al heeft het bij lange na niet genoeg om het noodzakelijke werk voort te zetten, laat staan af te maken, als de BP-regeling [de schadevergoeding die BP moet betalen voor de olievervuiling na de ramp met de Deep Horizon in de Golf van Mexico, in 2010] eenmaal opgebruikt is. Er is een ongelukkig precedent. Na orkaan Betsy in 1965 begon de federale overheid met de aanleg van de orkaanbescherming van de stad. In 2005, toen Katrina toesloeg, waren die waterwerken nog niet voltooid.
Op de tiende verjaardag van Katrina zullen er veel felicitaties zijn voor alles wat de stad heeft bereikt. Burgemeester Landrieu heeft verklaard dat de herbouw klaar is, en wil nu van New Orleans een internationaal pronkstuk gaan maken voor het 300-jarige bestaan van de stad in 2018. Als de stad en de staat zich concentreren op de enige echt ernstige bedreiging waarvoor ze staan, kan New Orleans een duurzame toekomst tegemoet gaan. Maar als ze hun aandacht verspreiden, als de politiek daadwerkelijke maatregelen tegenhoudt, is dat 300-jarige bestaan hoogstwaarschijnlijk het laatste eeuwfeest dat de stad zal vieren.
Zoals T.S. Eliot schreef, wordt de kracht van water ‘vaak vergeten / door de bewoners van steden – maar hij is onverbiddelijk / kent zijn seizoenen en zijn woedes, vernietiger, die herinnert aan / wat de mens wil vergeten. Niet geëerd, niet verzoend /… maar hij wacht, kijkt toe en wacht.’
John M. Barry
John M. Barry (1947) is een Amerikaanse auteur en historicus. Hij schreef voor zo’n beetje alle grote Amerikaanse bladen en publiceerde verschillende boeken over natuurrampen uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.