Westerse musea van Parijs tot Leiden worstelen met hun omstreden koloniale collecties. Wat moest het AfricaMuseum in Tervuren bijvoorbeeld doen met het ‘Afrikaanse dorp’, compleet met strooien hutten en opgezette dieren?
Toen hij probeerde het Belgische Africa- Museum te moderniseren, zat de directeur van het instituut, Guido Gryseels, met een delicaat probleem: wat te doen met de menselijke dierentuin? Als het museum deze maand weer opengaat, na een verbouwing van vijftien jaar, moet het een nieuw verhaal vertellen over Belgiës nalatenschap in Congo. Niet eenvoudig om dat goed te doen. Want het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, zoals het officieel heet, speelt een centrale rol in de bloedige koloniale bezetting.
Het museum is gebouwd door koning Leopold II, met geld afkomstig van de exploitatie van de rubberplantages in Congo-Vrijstaat, dat hij aanvankelijk bestuurde als privéleengoed. Het begon in 1897 met een tijdelijke tentoonstelling die bedoeld was om de regering over te halen het bestuur van de kolonie (en haar schulden) over te nemen. Zo’n 1,3 miljoen Belgen, eenderde van de toenmalige bevolking, kwamen de menselijke dierentuin bekijken die de koning had opgezet op zijn landgoed in Tervuren, even buiten Brussel: een kopie van een ‘Afrikaans dorp’, compleet met strooien hutten, opgezette dieren en 267 mensen die voor de gelegenheid uit de Congo waren geïmporteerd.
De grote belangstelling voor de tentoonstelling droeg ertoe bij dat België in 1908 het beheer over de kolonie overnam, waarna het museum een permanent instituut werd ter verering van het koloniale project – een periode uit de geschiedenis die gekenmerkt werd door dwang- arbeid, massamoorden en stelselmatige verminking. Het aantal doden dat tijdens die bezetting is gevallen, loopt naar schatting op tot 10 miljoen.
De tijden veranderden, maar het museum bleef hetzelfde. Sinds de jaren zestig waren de uitstallingen nooit veranderd. Het museum was een symbool geworden van Belgiës verouderde en verheerlijkte versie van het koloniale verleden – en van zijn onvermogen om af te rekenen met de uitbuiting van de Congo. Aan directeur Gryseels de taak dat probleem op te lossen. Op een recent rondje door de nog halflege zalen van het museum wijst Gryseels naar de insignes van Leopold II – twee hoofdletters L, met de ruggen tegen elkaar – op het plafond van de grote hal van het oude gebouw. ‘Kijk, hij houdt je altijd in de gaten’, zegt hij.
Beschavingsmissie
Een koloniale nalatenschap aanpakken in een gebouw dat juist is opgericht om dat te verheerlijken, was een ‘enorme uitdaging’, vertelt Gryseels, die in 2001 startte als directeur en het jaar daarop plannen begon te maken voor de renovatie. ‘Alles in dat museum herinnert je aan dat koloniale verleden.’ Het paleisachtige gebouw geldt bovendien als monument, wat de veranderingen die Gryseels kon aanbrengen nogal beperkte.
In een lichte, marmeren gang die twee galerijen met elkaar verbindt, gedenkt een muurschildering de zestienhonderd Belgische mannen die in de begintijd van de kolonie de dood vonden. Een aantal nog recent opgepoetste, gouden standbeelden, die in de muren van de voormalige ingang zijn geplaatst, bewieroken Belgiës ‘beschavingsmissie’ in de voormalige kolonie.
Om de galerijen – met zalen gewijd aan biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen, taal en muziek, rituelen en ceremonieën, en kunsthistorie – te moderniseren heeft het museum omstreden woorden geschrapt, zoals ‘hut’, ‘oerwoud’, ‘pioniers’ en ‘ontdekt’. Elke nieuwe tekst werd onderworpen aan een gedegen en deskundige toetsing. Het museum onderzocht ook de nog niet vertelde verhalen en kamde de kolossale archieven uit om de verhalen achter anonieme Afrikaanse gezichten op talloze foto’s en videobeelden samen te voegen. Alles werd uit de kast gehaald om een compleet beeld te geven van Afrikanen in België, wier aanwezigheid in het land teruggaat tot de zestiende eeuw, iets wat grotendeels onbekend is gebleven bij het grote publiek.
Wat betreft Leopolds menselijke dierentuin: de staf van het museum heeft de kinderen die speciaal daarvoor naar Brussel werden gebracht een naam kunnen geven. Ze hebben ook bewijsmateriaal ontdekt van kinderen van gemengd ras uit Congo, Burundi en Rwanda, die na de onafhankelijkheid in de jaren zestig naar België werden gestuurd. Velen van hen proberen nu nog steeds hun ouders op te sporen.
Gryseels vertelt dat hij een poging heeft gedaan de prekoloniale Afrikaanse geschiedenis te beschrijven – ‘want veel Belgen denken dat Congo is ontdekt door (de Britse koloniaal Henry Morton) Stanley, terwijl het land in feite een lange, eigen geschiedenis heeft, ook op cultureel gebied’ – en het kolonialisme toe te lichten als wereldwijd fenomeen dat globalisering, slavenhandel en postkoloniaal Afrika omvat.
Om te vermijden dat het verhaal alleen vanuit een blank perspectief werd verteld, heeft het museum advies gevraagd aan een groep experts op het gebied van de Afrikaanse diaspora. ‘Die groep had bijvoorbeeld grote bezwaren tegen de zalen waarin dieren werden tentoongesteld’, zegt Gryseels. ‘Ze zeiden: “Jij laat dieren zien alsof Europa de cultuur heeft en Afrika de natuur, en wij moeten onze natuur in stand houden opdat de blanken hun eigen milieu niet meer hoeven te beschermen.”’
De grootste verandering is misschien wel de verschuiving in het eigen ideologische standpunt van het museum. ‘Wij zien onszelf als een forum voor debat. We veroordelen kolonialisme als systeem. Dat wordt nu zeer duidelijk gemaakt.’ Het nieuwe verhaal kon niet helemaal binnen de vier muren van het museum worden uitgedragen, zegt Gryseels, terwijl hij naar een nieuwe, nog lege zaal wijst waarin hedendaagse kunst van Afrikaanse en in de diaspora levende kunstenaars tentoongesteld zal worden. Het museum zal steunen op ‘nieuwe stemmen’ om werken te creëren die ‘een contrast vormen’ met de kolonialere aspecten ervan.
In de grote hal, onder een serie standbeelden die Leopold II bewieroken omdat hij ‘licht bracht waar slechts duisternis heerste’, staat een moderne sculptuur van een reusachtig menselijk hoofd van de Congolese kunstenaar Aimé Mpane op de marmeren vloer te wachten om aan de muur bevestigd te worden. ‘Er zijn nog steeds veel vraagtekens’, zegt Christine Bluard, die als kunsthistoricus meewerkte aan de renovatie. ‘Het idee is om het langzaamaan te voltooien, om aandacht te schenken aan de diaspora, om informatie te corrigeren en aan te vullen.’
Het is een poging die (op zijn best) gemengde reacties heeft gekregen vanuit de diaspora zelf. Het museum is ‘bereid te luisteren naar wat we te zeggen hebben, maar we hebben geen enkele beslissingsbevoegdheid’, zegt Mireille-Tsheusi Robert, activist en oprichter van de Afro-Belgische organisatie BAMKO. Zij noemt het feit dat het museum Afrikaanse kunstenaars en experts gebruikt een bewust geplande zet om het imago op te poetsen en internationale aandacht te genereren – wat niet zoveel verschilt van de menselijke dierentuin van Leopold II. ‘Als je mensen tentoonstelt, trek je meer bezoekers.’
In een onlangs gepubliceerde open brief bekritiseerde Robert het verzoek van een staflid dat haar ‘off the record’ had gevraagd om advies over hoe de samenwerking met de diaspora eruit moest zien. Ze beschuldigde het museum ervan Belgisch-Afrikaanse experts niet serieus genoeg te nemen om hen te betalen voor hun advies. Voor Laura Nsengiyumva, een Belgisch-Rwandese architect en promovendus, is de vernieuwing van het museum ‘hetzelfde oude verhaal van gemiste kansen’. Het plan om een zaal in te richten om het verhaal van de Afrikaanse diaspora te vertellen, kwam te laat in het renovatieproces en kreeg maar een ‘belachelijk klein’ budget, zegt Nsengiyumva, die was aangesteld als adviseur maar zich terugtrok toen ze het gevoel kreeg dat haar suggesties in de wind werden geslagen.
Een apart voorstel voor een performance waarin ze een ijssculptuur van Leopold II zou laten smelten – dat werd afgewezen – was ‘een test om te kijken hoe ver ze wilden gaan’. ‘Ik voelde me gecensureerd. Als excuus gaven ze dat dit een etnografisch instituut was dat geen ervaring heeft met het tonen van hedendaagse kunst. Maar eigenlijk is het hetzelfde koloniale gezichtspunt, want het museum staat vol met Afrikaanse kunst.’
‘Zolang er nog steeds koloniale standbeelden in onze straten staan, of zelfs zolang er nog geen monument voor de slachtoffers van de kolonisatie is opgericht, hebben we geen echte vooruitgang geboekt’, vindt Nsengiyumva. ‘Alleen nog maar piepkleine stapjes.’ De verschuiving in het aandachtspunt heeft ook mensen aan de andere kant van het ideologische spectrum tegen de haren in gestreken.
Voor de Belgische anciens coloniaux – die elke vrijdagmiddag in het museum bijeenkomen – is het een verraad aan de nalatenschap van Leopold II en het resultaat van een door de Afrikaanse diaspora geleide poging om de geschiedenis van België ‘zwart te maken’. ‘Dat dit museum vandaag nog bestaat, komt door Leopold II’, zegt Paul Vannes, voorzitter van Mémoire du Congo, die zegt dat zijn organisatie ‘Belgen hun echte koloniale geschiedenis wil laten zien’. ‘Dankzij Leopold II is Brussel nu de hoofdstad van Europa. Hij heeft België een grotere presentie gegeven, een grotere natie gemaakt wat invloed betreft.’
De groep ‘vertegenwoordigt een segment van de Belgische maatschappij dat nostalgisch terugkijkt en te oud is om zijn opvattingen te veranderen’, volgens kunsthistoricus Bluard. De groep is niet geraadpleegd over het renovatieproces. De ‘oude kolonialen’ vormen een kleine minderheid, maar hun trouw aan de mythe van Leopold II als humanitaire koning – een heerser die de slavernij heeft afgeschaft, wegen en scholen heeft aangelegd en Congo het christendom en de democratie heeft geschonken – past in een Belgisch nationaal verhaal dat moeilijk de kop ingedrukt kan worden.
In hun jeugd hebben veel oudere Belgen meegemaakt dat hun plaatselijke kerk donaties en kleren verzamelde voor ‘goede werken’ in de Congo. Tegenwoordig kent ongeveer een op de drie Belgen iemand die gewoond of gewerkt heeft in de voormalige kolonie. Het is een onderwerp waarover door de politiek liever niet wordt gepraat en dat geen deel uitmaakt van het officiële leerplan op scholen.
Om de machtsdynamiek te veranderen van een belangrijk openbaar instituut als het museum, dat voor ongeveer 80 procent door de overheid wordt gefinancierd, ‘heb je een lobby nodig’, zegt Adam Hochschild, schrijver van De geest van koning Leopold II, een geschiedenis van de Belgische bezetting van de Congo. ‘Geschiedenismusea weerspiegelen de machtsdynamiek in de maatschappij waarin ze bestaan’, zegt hij. ‘Geen enkel land gaat behoorlijk om met musea of openbare ruimten die van doen hebben met pijnlijke of moeilijke perioden uit het verleden, tenzij het daartoe gedwongen wordt.’
Gedekoloniseerd
Samen met De moord op Lumumba van Ludo De Witte, over de rol van België bij de aanslag op Congo’s eerste, democratisch gekozen leider, veroorzaakte Hochschilds boek in de late jaren negentig protesten die leidden tot een kort openbaar onderzoek naar de koloniale geschiedenis van het land. Maar over het algemeen wordt het onderwerp beschouwd als behorend tot ‘het verleden’.
Afrikanen vormen de op twee na grootste niet- Europese gemeenschap in België, maar ze hebben erg weinig politieke macht en nauwelijks enige vertegenwoordiging in het parlement, ondanks hun bovengemiddelde prestaties in het middelbaar onderwijs, zegt Ilke Adam, professor migratie en diversiteit aan de Vrije Universiteit Brussel. ‘In de laatste twee tot drie jaar zie je een paar zwarte stemmen verschijnen’, zegt Adam. ‘Het komt nu voornamelijk van een tweede generatie, een tweede golf van antiracisme. En het is nog maar héél recent. Op politiek niveau is er helemaal geen debat, daar is niets gebeurd. Mijn tienjarige dochter leert op school nog steeds dat Afrikanen in hutten wonen.’
Gryseels zegt dat hij en anderen zich terdege bewust zijn van de gecompliceerde relatie van het museum met het verleden, en met het heden. ‘We proberen daar iets aan te doen’, zegt hij. ‘Ruim honderd jaar lang heeft het museum in wezen de boodschap uitgedragen dat blanken superieur zijn aan zwarten. Hele generaties kregen dat beeld van blanke superioriteit voorgeschoteld. Dat leidt natuurlijk tot een bepaalde houding in de samenleving, en dat erkennen we nu.’
Wat het werk moeilijker maakt, is dat het museum zelf daar niet immuun voor is, zegt Bluard. ‘De mensen die hier werken, vormen een weerspiegeling van de Belgische maatschappij. Sommigen zijn gevoelig voor het onderwerp, anderen willen het gewoon niet erkennen. Het museum is een symbool, maar het is niet het enige dat gedekoloniseerd moet worden. Het gaat om de hele publieke ruimte.’
Europese editie van de Amerikaanse onlinekrant met politieke actualiteiten, voornamelijk gericht op de Europese Unie en haar lidstaten. Een papieren versie wordt wekelijks verspreid in Europese hoofdsteden.
Mauritius, ooit een Nederlandse, Franse en Britse kolonie, viert dit jaar vijftig jaar onafhankelijkheid. In die halve eeuw wist het eiland alle verwachtingen te overtreffen. Maar kan het dit succes nu ook verder uitbouwen?
Hoe Mauritius de sombere toekomstvoorspellingen wist te logenstraffen is een verhaal dat zich graag laat vertellen. Een paar jaar voor de onafhankelijkheid in 1968 schreef econoom en Nobelprijswinnaar James Meade het eilandje in de Indische Oceaan af als een hopeloos geval. Een paar jaar na de onafhankelijkheid noemde de schrijver V.S. Naipaul het een ‘overbevolkt barakkenkamp’.
Toch toonde Mauritius hun ongelijk aan en werd het een van Afrika’s meest geprezen landen. Het scoort van alle Afrikaanse landen vaak het hoogst op het gebied van politieke vrijheden, de rechtspraak en de menselijke ontwikkeling. Er zijn al tien eerlijke verkiezingen gehouden en er hebben zeven vreedzame machtswisselingen plaatsgevonden. Vaak wordt het land aangehaald als toonbeeld van politieke stabiliteit en cohesie, met alle verschillende etnische groeperingen – hindoes, moslims, creolen en Mauritianen van Chinese of Franse oorsprong – die in betrekkelijke harmonie samenleven.
In 2011 bracht het succes van het eiland Joseph Stiglitz ertoe een lyrisch artikel te schrijven over wat hij ‘het mirakel van Mauritius’ noemde. De Nobelprijswinnaar deed een beroep op de VS en andere ontwikkelde economieën om goed naar het land te kijken en te leren van Mauritius’ politiek op het gebied van gratis onderwijs, gezondheidszorg en het sterke sociale vangnet.
Haalbaar doel
Nu de vijftigste verjaardag nadert [deze is inmiddels gevierd op 12 maart jl.] is de huidige regering er begrijpelijkerwijs op uit om voort te bouwen op deze reputatie en erfenis. De regeringscoalitie onder leiding van premier Pravind Jugnauth (56) wil Mauritius in de komende jaren onder meer van een land met hogere middeninkomens een land met hoge inkomens maken. Voor een dapper buitenbeentje dat altijd de verwachtingen heeft overtroffen is dit zeer waarschijnlijk een haalbaar doel. Maar na vijftig jaar onafhankelijkheid zal Mauritius een nieuwe strategie moeten ontwikkelen als het verder wil groeien – zowel economisch als politiek – om niet in een midlifecrisis te belanden.
De economische groei van Mauritius bedroeg de afgelopen vijf jaar een bescheiden 3 à 4 procent. De Bank of Mauritius heeft voor 2018 een groei van 4,2 procent voorspeld. Veel landen zouden daar jaloers op zijn, maar het is een opmerkelijke achteruitgang vergeleken met de onstuimige jaren tachtig en negentig, toen de economie dankzij de suikerindustrie, het toerisme, textiel en de financiële diensten fors groeide. De huidige regering hoopt dat de oceaaneconomie een vergelijkbare expansie zal opleveren. De gedachte is dat activiteiten zoals de visvangst, de winning van koolwaterstof en mineralen, de maritieme biotechnologie en de opwekking van duurzame energie het bruto binnenlands product de komende jaren omhoog zal stuwen.
Tot dusver is de visteelt de belangrijkste ontwikkeling op dit front; er worden nu producten uitgevoerd naar Europa en de VS. Maar in het algemeen is het duidelijk dat er financiële en technische expertise vanuit het buitenland nodig is, willen er kapitaalintensievere ondernemingen van de grond komen. Zoals de Wereldbank in 2017 al in een rapport waarschuwde, ‘is een verdubbeling van de oceaan-economie van Mauritius mogelijk en de moeite waard, maar zal die wel enige tijd kosten’.
Bij zijn poging om buitenlandse investeerders aan te trekken heeft het eiland zeker wel voordeel bij het feit dat mondiale instellingen al lange tijd Mauritius’ stabiele regering, democratische structuur en openheid ten opzichte van het bedrijfsleven prijzen. Ook heeft het eiland er voordeel bij dat het in het verleden blijk heeft gegeven van visie en flexibiliteit ten aanzien van nieuwe economische uitdagingen. Of zoals het landenrapport van de Bertelsmann Stiftung’s Transformation Index (BTI) 2018 het formuleert: ‘In het verleden hebben regeringen van Mauritius bewezen zich creatief te kunnen aanpassen aan gewijzigde geopolitieke en geo-economische omstandigheden.’
Op sociaal gebied is Mauritius geprezen om het feit dat verschillende etnische groepen harmonieus samenleven. Het feit dat er geen inheemse bevolking is, is hierbij waarschijnlijk een belangrijke factor, omdat geen enkele bevolkingsgroep een grote claim op het eiland kan laten gelden. Een andere belangrijke factor die bijdraagt aan de goede onderlinge relaties is de hoge bevolkingsdichtheid – 1,3 miljoen inwoners samengeperst op 2014 vierkante kilometer – die de behoefte aan vriendschappelijke verhoudingen vergroot.
Maar de derde belangrijke factor is de stilzwijgende verdeling van de politieke macht. Zo ambiëren Mauritianen van Chinese of Franse afkomst over het algemeen geen politiek ambt en laten zo het politieke speelveld over aan ambitieuze hindoes, moslims en creolen. Dat voorkomt bepaalde spanningen en rivaliteit, hoewel het politieke systeem van Mauritius hierdoor wel altijd gedomineerd wordt door hindoemannen uit de middenklasse, terwijl de hindoegemeenschap maar net iets meer dan de helft van de bevolking uitmaakt. Sterker nog, ondanks het feit dat er zeven machtswisselingen zijn geweest, is de echte top van de Mauritiaanse politiek nog exclusiever. Achtenveertig van de afgelopen vijftig jaar is het land geleid door Seewoosagur Ramgoolam en vervolgens Anerood Jugnauth, en daarna door hun respectieve zonen Navin en Pravind.
‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes’
Hoewel dit plaatsvond tegen een achtergrond van grote democratische betrokkenheid en vitaliteit, zijn er ook signalen dat de Mauritianen het beu zijn dat het premierschap bijna geheel wordt gecontroleerd door slechts twee families. In januari 2017 droeg Anerood Jugnauth zonder enige inspraak van het electoraat de macht over aan zijn zoon. Omdat de grootste partij in de huidige coalitie, de Mouvement Socialiste Militant (MSM), wist hoezeer deze beslissing haar impopulair maakte en haar imago van corruptie en vriendjespolitiek versterkte, besloot de partij-leiding om niet mee te doen aan een tussentijdse verkiezing.
Hoezeer de belangrijkste Mauritiaanse politici onderling ook mogen verschillen, over één onderwerp zijn ze het eens: de Chagoseilanden. Deze archipel had sinds 1814 deel uitgemaakt van het Mauritiaanse territorium. Maar enkele jaren voordat Mauritius onafhankelijk werd van Engeland, werden die eilanden onderdeel van het Brits Indische Oceaanterritorium (BIOT). Engeland leende het grootste eiland, Diego Garcia, aan de VS om het te gebruiken als militaire basis. Daartoe moesten vijftienhonderd eilandbewoners gedwongen verhuizen en werden ze gedumpt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius, en een klein gedeelte ook op de Seychellen.
De Mauritiaanse politiek is er de afgelopen jaren niet zozeer op gericht geweest om de Amerikanen hun basis te ontnemen, als wel om de aanspraak van de Engelsen op de Chagoseilanden te betwisten en de afschuwelijke behandeling van de verbannen eilandbewoners aan de kaak te stellen. Een door Mauritius bij de VN ingediende resolutie om het Internationaal Gerechtshof een uitspraak te laten doen over de soevereiniteit van de Chagoseilanden werd in juni 2017 met 94 tegen 15 aangenomen. Interessant is dat de meeste Europese landen, waaronder Frankrijk, Duitsland en Italië, en ook China zich van stemming onthielden, ondanks aanzienlijke druk vanuit Engeland en de VS. Een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag wordt later dit jaar of in 2019 verwacht.
Zoals uit de kwestie-Chagos en de economische vooruitgang en veerkracht van het land blijkt, heeft de onafhankelijkheid van Mauritius echt handen en voeten gekregen. Maar de vader-op-zoonmachtsoverdracht van vorig jaar en de vermeende betrokkenheid van de politieke elite bij corruptiepraktijken en drugsschandalen werpen een schaduw op de politieke toekomst van het land [deze maand nog trad president Ameenah Gurib-Fakim af vanwege een financieel schandaal].
Hierdoor wordt het voor Mauritius steeds urgenter om het politieke leiderschap aan te passen. Zoals in het komende BTI-rapport staat: ‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes, dat zich hoogstwaarschijnlijk nog zal voortzetten.’
Na vijftig jaar onafhankelijkheid zijn de voorspellingen van Meade en Naipaul gelogenstraft. Maar het eiland verder uitbouwen tot een land met hoge inkomens zal misschien een grotere uitdaging zijn dan de huidige regering bereid is toe te geven.
Het nieuwe Louvre Abu Dhabi wil laten zien dat mensen overal en altijd dezelfde verlangens, angsten en behoeften hebben. Missie volbracht, oordeelt Le Monde.
De vestibule zet de toon: op de lichte marmeren vloer is een denkbeeldige kaart getekend met, in symbolische wanorde, steden langs een kust. De Chinese, Indische, Arabische, Europese en Amerikaanse namen zijn in de oorspronkelijke taal geschreven. Lijnen en een windroos geven de kompaskaarten van de eerste zeevaarders aan. Deze lijnen bepalen de vorm van hoekige glazen huizen. Elk huis bevat drie werken. Zoals een net bevallen Yombe-moeder (Congo), een bronzen Egyptische Iris die de borst geeft en een ivoren gotische Maagd met kind. Of drie figuren in aanbidding: een neolithisch beeldje van de Cycladen, een uit Mari in Syrië en een Byeri Fang uit Gabon. Andere trio’s hebben weer andere onderwerpen: paard, zon, moord.
De werken die de trio’s vormen zijn volstrekt onbewust van elkaar gecreëerd, maar hebben een gemeenschappelijk onderwerp. Dat is het doel van het Louvre Abu Dhabi, aldus wetenschappelijk directeur Jean-François Charnier: laten zien dat mensen, op welke plaats of in welke tijd dan ook, dezelfde verlangens, angsten en behoeften hebben. De universaliteit van de mensheid, kortom, een gemeenschappelijke geschiedenis. Een uiterst eenvoudig voornemen, maar vreselijk ingewikkeld om uit te voeren als je aan het heden en verleden van de mensheid denkt, aan alle haat en oorlog. Dit museum lijkt een humanistische utopie.
Meestal vormt het Westen het middelpunt, van de klassieke oudheid tot de moderne tijd, en komt de rest van de wereld aan bod vanaf het moment dat die is ontdekt en veroverd door Europa, alsof hij voordien niet bestond. Zo niet in Abu Dhabi
Maar eigenlijk is het geen museum, maar een collectie voorwerpen die in de loop van de tijd zijn verzameld, zonder logica. In het Parijse Louvre en elders zijn duizenden stukken gerangschikt naar herkomst en periode: Griekenland aan de ene kant, het quattrocento aan de andere, en Oceanië of Cambodja aan de derde. Meestal vormt het Westen het middelpunt, van de klassieke oudheid tot de moderne tijd, en komt de rest van de wereld aan bod vanaf het moment dat die is ontdekt en veroverd door Europa, alsof hij voordien niet bestond.
Zo niet in Abu Dhabi. Ook al wordt de chronologie gerespecteerd, vergelijking en decentralisering zijn wet. Altijd de verschillende beschavingen onder de aandacht brengen zonder het Westen als belangrijkste ijkpunt te nemen; een beschavingsgeschiedenis schrijven die niemand bevoorrecht of vergeet; overeenkomsten, correlaties, uitwisselingen en hybridisering laten zien; een nieuw museaal voorbeeld stellen, niets minder dan dat. Een reusachtige ambitie.
Een ambitie die wonderwel is geslaagd dankzij zeshonderd werken, waarvan ongeveer de helft is aangekocht en de helft geleend. De aankopen zijn heel divers, omdat het project met niets is gestart. Een compositie van Mondriaan uit 1922, verworven in 2009 tijdens een veiling van Bergé, trok de aandacht. Maar dat is slechts een van de vele aankopen, waarvan sommige zelfs opmerkelijker zijn: een beeld van een vrouw in een wollen jurk uit de landstreek Baktrië (± 2300-1700 v.Chr.), de bewonderenswaardige sarcofaag van de Egyptische prinses Henoettaoey (± 950-900 v.Chr.), een niet minder bewonderenswaardige madonna tegen een zwarte achtergrond van Giovanni Bellini (±1480) en een vreemde tulbandhelm van staal die is getatoeëerd met zilveren letters (± 450) of, recenter, een veelluik van Cy Twombly (2008) en twee werken in opdracht, beide op hun eigen manier zeer geslaagd, van Jenny Holzer en Giuseppe Penone. Je kunt onmogelijk zien welke beschaving aan het aankoopbeleid van Agence France-Muséums is ontsnapt.
De geleende werken zijn afkomstig uit dertien musea, voornamelijk uit Frankrijk maar ook uit Jordanië en Oman. De meeste uit het Louvre, maar ook de Bibliothèque nationale, Cluny, Orsay, Guimet, Rodin en Beaubourg hebben zich buitengewoon gul betoond. De aandacht wordt vooral getrokken door Portret van een jonge vrouw van Da Vinci uit het Louvre en de Manet en Van Gogh uit Orsay, maar het gaat niet om het exposeren van een bloemlezing van meesterwerken – temeer omdat de meeste geleende werken binnen een jaar weer ‘naar huis’ zullen gaan –, maar om het construeren van een globaal correlatiesysteem waarbinnen de getoonde elementen veranderen zonder dat de algehele strekking verloren gaat.
Dit systeem komt in twaalf zalen tot uitdrukking. De eerste helft van het parcours is bedoeld om te laten zien hoeveel attitudes en ontwikkelingen verwant zijn zonder dat de volkeren weet van elkaar hebben. Mensen verzamelen zich in dorpen, koninkrijken, keizerrijken. Keramiek en metallurgie worden geperfectioneerd in Egypte en Iran. Vruchtbaarheidscultussen ontwikkelen zich in Jordanië, Pakistan en Ecuador, getuige de in deze landen gevonden figuren die dateren van tussen het zesde en derde millennium. Enzovoort: bij elk thema zijn werken naast elkaar tentoongesteld die zich goed tot elkaar verhouden, ook al komen ze overal vandaan. Ze suggereren dat de verbeelding weinig verschilt, Romeinse sfinx en Chinese draak, leeuwen en gehoornde monsters uit alle hoeken van de wereld. Godsdiensthistorici zijn zich al eeuwen van deze overeenkomsten bewust en hebben erover geschreven. Hier worden ze zichtbaar gemaakt.
Men observeert elkaar, vecht met elkaar, handelt met elkaar, imiteert elkaar, en soms begrijpt men elkaar
Vanaf het moment dat de contacten toenemen, verspreiden zich de proeven van bekwaamheid en de verhalen. Materialen, voorwerpen en stijlen vermengen zich. Een zilveren relikwieënkast met kostbare edelstenen uit een Germaans atelier uit de achttiende eeuw staat tussen gepolijste en gebeeldhouwde plakken rotskristal uit Egypte van drie eeuwen eerder. In de zestiende eeuw ciseleerden ivoorwerkers uit Benin zoutvaatjes met christelijke motieven die waren overgebracht door Portugese handelaren. En zo kun je eindeloos doorgaan. Bij de onderlinge relaties tussen karavanen en schepen in Azië, op de Indische Oceaan en langs de Afrikaanse kust voegen zich vanaf 1492 de trans-Atlantische reizen.
Men observeert elkaar, vecht met elkaar, handelt met elkaar, imiteert elkaar, en soms begrijpt men elkaar. Slavernij, kolonisering: vanaf de zeventiende eeuw globaliseert de wereld – met alle tragische gevolgen van dien. Dit geweld komt tot uitdrukking in de verbazingwekkende zaal over de negentiende eeuw, een van de grootste: oosterse fantasmen en de plundering van Afrika en Oceanië, weelderige decoratieve kunst en zware industrie, impressionisme en symbolisme. Visuele botsingen, de chaos van de wereld in beeld gebracht. Nooit eerder is er zo’n keiharde presentatie geweest van de kunstgeschiedenis en haar tegenstrijdigheden.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
ARCHITECTUUR
Het Louvre Abu Dhabi is zonder meer een van de hoogtepunten in het werk van de Franse architect Jean Nouvel. De harmonie tussen gebouw en omgeving is perfect, een immens koepeldak, van waaronder fragmenten ontsnappen van een hagelwitte architectuur, kenmerkend voor de Arabische medina.
Het 40 meter hoge stalen koepeldak heeft een doorsnede van 180 meter en weegt 7500 ton, net zo veel als de Eiffeltoren. Het bestaat uit 10.000 elementen die tot 85 grotere elementen van elk 50 ton zijn geassembleerd, welke samen een plafond van 8000 metalen sterren vormen, dat slechts 1,8 procent van het buitenlicht doorlaat. Door de constructie van deze stalen hemelboog wordt een fijne regen van witte stralen gevormd, zoals het zonlicht in oases wordt gefilterd door de palmbladeren. De bijzondere constructie houdt bovendien de warmte buiten.
Het kunstmatige eiland Saadiyat, waarop het museum is gebouwd, moet het culturele centrum van Abu Dhabi (en van het geheel van de Verenigde Arabische Emiraten) worden. Op het programma staan (voor 2030) een Guggenheim Museum van Frank Gehry zoals in Bilbao, het Zayed National Museum van Norman Foster en een maritiem museum van de Japanse architect Tadao Ando.
De ‘bruikleen’ van de merknaam ‘Louvre’ aan Abu Dhabi legt de Franse staat, in het bijzonder het Agence France-Muséums, geen windeieren. Het agentschap is speciaal voor deze gelegenheid in het leven geroepen. Voor het gebruik van de naam alleen al betaalt het emiraat 400 miljoen euro. In totaal levert de hele operatie Frankrijk bijna een miljard euro op.
Niet iedereen in Frankrijk is overigens blij met de nauwe samenwerking. De website La Tribune de l’Art heeft ernstige kritiek op de overhaaste opening van ‘het filiaal’ aan de Perzische Golf. Het museum is volgens de Tribune te snel ingericht, omdat de opening moest samenvallen met de grote internationale beurs voor moderne kunst begin november. De website spreekt van ‘amateurisme’ en heeft ook ernstige kritiek op de kwaliteit van de Franse staf van het nieuwe museum.
Politicoloog Alexandre Kazerouni zegt in het blad Le Journal des Arts: ‘De voornaamste kwaliteit van de betrokken westerse organisaties is niet hun expertise, maar hun grote volgzaamheid en cliëntelisme jegens de heersende families in de Golfstaten.’
Tot 19 november is in de Kunsthalle van Bremen een tentoonstelling te zien rond het koloniale verleden van de stad. Een dappere expo waar veel andere instellingen wat van kunnen leren, vindt Die Welt.
De naam klinkt provinciaals, maar de tentoonstelling in de Kunsthalle van Bremen opent een wijde horizon. Aan de titel ‘Bremen en de kunst van de koloniale tijd’ gaan immers drie woorden vooraf: ‘De blinde vlek’. Die woorden geven aan waar het hier om gaat: de sporen van de grote jaren van die stad, van handel en verovering, liggen nog altijd tussen de museumcollecties verborgen. Hoewel overal in Duitsland etnologen min of meer buiten het zicht van het publiek om onderzoek doen en er al tientallen jaren lang contacten bestaan met de gemeenschappen in de landen van herkomst, kreeg de museumbezoeker nooit eerder een inkijkje in hoe het er in die tijd aan toe ging: wie geïnteresseerd waren in het halen van objecten naar Duitsland en hoe zeer de mentaliteit verweven was met het leven van alledag. Niet eerder werd de koloniale geschiedenis door een Duits kunstmuseum van zo veel kanten belicht.
Grenzeloos en interdisciplinair
Een korte uitleg over de ontstaansgeschiedenis van de tentoonstelling is hier op zijn plaats. Curator Julia Binter werkte, dankzij een beurs van de Federale Cultuurstichting, vanaf het voorjaar van 2016 met de plaatselijke universiteit en het Afrika-netwerk in Bremen aan manieren om die tijd over het voetlicht te brengen, te leren begrijpen en te bediscussiëren. Met deze expositie reageert de etnoloog, die eigenlijk in Oxford promoveert, op de crisis in haar vak dat zich al jarenlang veel moeite getroost om de Europese en de buiten-Europese geschiedenis in onderling verband te benaderen.
Wat is hier nieuw? Haar tentoonstelling is grenzeloos en interdisciplinair, ook al omdat ze gehouden wordt in een kunstmuseum – ze behandelt de geschiedenis vanuit allerlei perspectieven: stadsgeschiedenis, etnologie, kunstgeschiedenis, en tezamen met hedendaagse kunstenaars en burgers stelt ze kritische vragen aan onze eigen tijd.
Bremen is daarvoor de perfecte plek: de kooplieden, vaak ook vooraanstaande mecenassen in het culturele leven, waren sterk betrokken bij de kolonisatie van West- en Zuidwest-Afrika. Nog na de Eerste Wereldoorlog eiste de Bremer Ausschuss des Reichsverbands der Kolonialdeutschen de overzeese Duitse gebieden terug en onder het nationaalsocialisme werd Bremen aangeduid als de ‘Stadt der Kolonien’. De Kunsthalle zelf is het product van de door het kolonialisme nieuw verworven rijkdom. Kooplieden stonden in 1823 aan haar wieg. Inmiddels huisvest ze een voortreffelijke collectie, vanaf de veertiende eeuw tot heden.
De tentoonstelling is ingericht als een langzaam aanzwellende golf. Ze begint met de in de vroege twintigste eeuw groeiende belangstelling bij kunstenaars voor het primitivisme. Emil Nolde gaat rond 1910 de oervolken in de musea van Berlijn bestuderen en reist in 1913-1914 zelf naar de Stille Zuidzee. ‘Rechts van mij lag de gespannen revolver en achter mij stond, mij in de rug dekkend, mijn vrouw met die van haar, eveneens ontzekerd. Misschien werkte nooit eerder een schilder onder zulk een spanning,’ schreef hij in zijn dagboek.
Op artistiek hooggekwalificeerde vellen papier ontstaan portretten van mensen die niet uit vrije wil model zitten, wier blikken verraden hoe bruut deze toe-eigening in zijn werk ging, hoe zeer het vreemdsoortige hier geconstrueerd werd. Tientallen jaren wilde niemand in Europa die details zien.
Het spel herhaalt zich bij Georg Kolbe en Fritz Behn, ze persen vreemdsoortigheid in sjablonen. De ‘hurkende negerin’ van Herbert Kubica werd nog in 1948 met financiële steun van de Hanzestad door het museum aangekocht. Bremen profiteert van de uitbuiting. Schilderijen tonen mondaine gezelschappen aan de thee. Een stilleven van Paula Modersohn-Becker uit 1905 is in onze ogen simpel, zo niet saai: een schaal met fruit. Maar de bananen op het schilderij verhalen van een veranderend consumptiepatroon – aan het begin van de twintigste eeuw werden ze voor het eerst massaal op de Europese markt gebracht.
‘Wij eisen koloniën, omdat elk volk het recht en de plicht heeft mee te werken aan het verspreiden van beschaving en cultuur, waarheid en recht en aan het exploiteren van de goederen der aarde’
Tussen dit door de kunst gegeven beeld weeft de tentoonstelling historische documenten, relicten. Een oude schoolkaart maakt reclame voor de Duitse koloniën uit die tijd. Een aanplakbiljet van het Bremer Reichsverband der Kolonialdeutschen vraagt om handtekeningen. Het toont een zwarte jongen met een palmenwaaier en daaronder de oproep: ‘Wij eisen koloniën, omdat elk volk het recht en de plicht heeft mee te werken aan het verspreiden van beschaving en cultuur, waarheid en recht en aan het exploiteren van de goederen der aarde.’
Het kolonialisme aan de schandpaal, maar de tentoonstelling gaat dieper. Tot nu toe werd de koloniale geschiedenis altijd op één manier verteld: de actieve veroveraar uit Europa en het slachtoffer in de veroverde gebieden. In een van de meest overtuigende ruimtes wordt ook hier het perspectief omgedraaid – met Afrikaanse voorstellingen van Europeanen. Hun parodieën getuigen van een behoorlijk intelligentieniveau bij deze zogeheten primitieve volken. Figuurtjes uit Togo tillen draagstoelen waarop dikke veroveraars zich met een pijp uitstrekken. De slaven zongen onder hun last hun liederen, waarin de blanke reiziger het woeste gezang van een oervolk meende te ontwaren. Maar in werkelijkheid dreven hun woorden de spot met de luie blanke man.
Ook de Europese kunst was niet helemaal verblind: de Indisch-Hongaarse kunstenares Amrita Sher-Gil, dochter van een wereldomspannend leven, een Indische aristocraat en een Hongaarse operazangeres, schilderde in 1934 een ‘zelfportret als Tahitische vrouw’. We zien haar en profil. Naakt. Ze houdt haar armen voor haar borst, haar blik is – anders dan bij de vrouwen van Gauguin – wellustig op de toeschouwer gericht, haar haren vallen niet op haar schouders, maar zijn samengebonden in een knot. Op de achtergrond is de donkere schaduw van een man zichtbaar, een referentie aan de Zuidzee-schilder Paul Gauguin, die zich op deze wijze in zijn Tahiti-schilderijen vereeuwigde.
Maar in Bremen mag deze schaduw niet ver meer reiken. Als de tentoonstelling bij onze eigen tijd komt, verbleekt hij – definitief. In plaats daarvan kijken we naar een wand met portretten van de Nigeriaanse kunstenares Ngozi Schommers. Ze toont zwarte vrouwen die het lot in eigen hand nemen. Sommigen ontmoette ze op reizen naar Nigeria en Ghana, op de luchthaven of onderweg op busstations tussen Accra en Takoradi, anderen in Europa, tussen Bremen, Hamburg en Zürich. We lezen op hun gezichten de kernboodschap van deze tentoonstelling: vreemdsoortigheid wordt geconstrueerd.
Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.
De rellen van de laatste weken in de Franse banlieues hebben hun wortels in de Franse koloniale geschiedenis, betoogt Andrew Hussey in zijn boek De Franse intifada.
Op 27 maart 2007 was ik laat in de middag na een werkdag in Parijs-Oost met de metro onderweg naar huis. Op het Gare du Nord stapte ik uit om van trein te wisselen. Als in trance liep ik, opgaand in de muziek op mijn koptelefoon, werktuiglijk naar de winkelgalerij die de verbinding vormt tussen de boven- en benedenverdieping van het station. Normaliter kocht ik hier een krant en koffie en pakte ik daarna een trein naar mijn at in zuid.
Maar het was geen gewone avond. Toen ik de trap naar de uitgang op liep, drong de geur van rook mijn neus binnen en hoorde ik geschreeuw. In de gangen was het meer dringen dan gewoonlijk en waren de mensen iets gespannener en slechter gehumeurd dan doorgaans tijdens het spitsuur. Toen ik het hoofdplein van de galerij naderde, prikte rook in mijn ogen en neusgaten en werd het geschreeuw luider. Ik zag gewapende politieagenten en honden. Niettemin had ik niet het idee dat er echt iets mis was. Het enige wat me zorgen baarde, was hoe ik door de inmiddels tot stilstand gekomen stroom forenzen naar de trein kon komen die me naar huis zou brengen.
Ik wurmde me door de menigte, stapte het plein op en zat plots gevangen in een lege ruimte tussen twee gevechtslinies – aan de ene kant politiemensen in zwart-blauwe uitrusting die met wapenstokken op hun doorzichtige, harde schilden sloegen, aan de andere kant een ordeloze verzameling kinderen en jongeren, voornamelijk zwart of Arabisch, jongens en meiden in hiphopkleding die zongen, lachten en met dingen gooiden. Je kon uit hun accent en manier van doen opmaken dat het geen Parijzenaars waren; het waren kinderen uit de banlieues – de arme voorsteden ten noorden van Parijs die via treinen met Gare du Nord als eindbestemming waren verbonden met de stad. Een Afrikaans uitziende jongen slingerde met een kreet een ijzeren staaf de lucht in, die tegen een fotocabine en een drankautomaat knalde. Een paar meter verderop werd brandgesticht bij een loket.
Vrolijk
De sfeer was vreemd genoeg vrolijk. Achter het staal en glas van de eindhalte van de Eurostar escorteerden soldaten met machinegeweren net gearriveerde passagiers uit Londen naar Parijs, de schitterende hoofdstad van Europa, waar het nu zo te zien oorlog was. Ze sloegen het tafereel met afschuw gade. Jongeren sprongen over metropoortjes, rookten stickies, schreeuwden, liepen waar ze wilden en negeerden de normaal geldende regels rond de toegang naar het station. Het was een vermakelijk gezicht, maar riep tegelijkertijd angst op, want deze jongeren konden je nu zomaar iets aandoen als ze er zin in hadden. Regels en wetten – ze trokken zich nergens iets van aan.
In de dagen daarna las ik de kranten erop na. De meeste reporters en ooggetuigen waren het eens over de chronologie. Om halfvijf ’s middags was een Congolese jongeman, een bekende van de politie, opgepakt toen hij zonder kaartje het station probeerde binnen te komen. Bij de arrestatie ging het niet zachtzinnig toe, en toen de politieagenten op de jongen begonnen in te slaan, kwamen voorbijgangers tussenbeide om het op te nemen voor de underdog. De agenten grepen naar hun geweren en knuppels, en algauw ontstond een niet meer een-twee-drie in te tomen rel.
Maar hoe had dit kunnen gebeuren? Wat maakte het Gare du Nord tot een zodanig explosief kruitvat dat het binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder was veranderd in een wetteloos stukje Frans grondgebied? Op dit punt liepen de interpretaties uiteen. In Le Parisien, de krant die verslag doet van het dagelijks leven in de stad, werden de gebeurtenissen omschreven als ‘une émeute populaire’ (een volksoproer). De toon was er een van gematigde instemming. Le Parisien is niet bepaald links te noemen, maar staat altijd, zo wil een diep gekoesterde Parijse mythe, aan de kant van het ‘volk’. Dit woordgebruik plaatste de gebeurtenissen in het Gare du Nord in een lange traditie van volksopstanden in de stad – ze behoren, te beginnen bij de tijd van La Fronde en zo door tot de Franse Revolutie en de Commune, tot de onlosmakelijke elementen van de geschiedenis van Parijs. Een paar andere kranten, waaronder de rechtse Le Figaro, schreven erover met een huivering van afkeer en meldden dat de oproerkraaiers ‘A bas l’état, les flics et les patrons’ (Weg met de staat, de wouten en de bazen) hadden gescandeerd, waarmee ze de rel een plek gaven in de rebelse folklore van de stad.
Maar het probleem met deze berichtgeving was dat er weinig van klopte. De jongeren die ik zag gaven geen moer om de staat of de ‘bazen’. De meesten van hen hadden sowieso geen werk. En ze hadden weliswaar een grondige hekel aan de politie, maar zouden nooit een ouderwets scheldwoord als flics hebben gebruikt, dat behoort tot het Parijse equivalent van de generatie van de Krays. Politieagenten waren voor de relschoppers keufs of schmitts. Het gescandeer dat ik hoorde ging voornamelijk in het Frans: ‘Nik les schmitts’ (Rot op, juten), en soms in het Engels: ‘Fuck the police!’ Maar er was nog een slogan, die werd gescandeerd in gewoon Arabisch en het hardst leek aan te komen: ‘Na’al abouk la France!’ (Fuck Frankrijk!). Deze slogan – het is eigenlijk meer een vloek – staat volledig los van Franse tradities van opstandigheid.
Frankrijk herbergt vandaag de dag de grootste moslimbevolking in Europa. Daartoe behoren ruim vijf miljoen mensen uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de zogeheten ‘zwarte landen aan de Atlantische Oceaan’, het langgerekte gebied in West-Afrika dat zich uitstrekt van Mali tot Senegal. Bij een korte wandeling in de overbevolkte wijk Barbès in het noorden van Parijs, waar bijna al deze nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, krijg je een goed beeld van de diversiteit van deze bewoners en kun je aardig wat opsteken over het Franse koloniale verleden.
Het Gare du Nord in het hart van deze wijk is grensterrein. Het vormt de scheidslijn tussen de miserabele omstandigheden in de banlieues, de voorsteden rond Parijs, en de relatieve overvloed in het centrale deel van de stad. Dit is de plek waar jonge banlieusards naartoe gaan om rond te hangen, de andere sekse te ontmoeten, te winkelen, te roken, zich te laten zien en te flirten – de dingen die jonge mensen graag doen. Parijs is zowel dichtbij als veraf; je bent er in een wip, maar als het gaat om banen, huisvesting, een leven opbouwen, is het voor deze jonge mensen net zo ontoegankelijk en ver weg als Amerika. En dus koesteren ze dit kleine stukje van de stad dat hun toebehoort.
In het Gare du Nord kunnen de gemoederen daarom snel hoog oplopen. De sfeer is er over het algemeen gespannen maar stabiel: iedereen houdt zich bij het zijne, van het politie tot de dealers. Maar wanneer de politie hard optreedt, kan dat lijken op het zoveelste vertoon van koloniale macht. De strijdkreet ‘Na’al abouk la France!’ is zodoende ook een kreet van pijn en woede. Er komen oude emoties van verlies, schaamte en angst in tot uitdrukking. En daarom is het zo’n krachtige vloek.
De relschoppers in de banlieues afficheren zich vaak als soldaten in de “lange oorlog” tegen Frankrijk en Europa
De relschoppers in het Gare du Nord en in de banlieues afficheren zich daarnaast ook vaak als soldaten in de ‘lange oorlog’ tegen Frankrijk en Europa. Een begrip als ‘beschaving’, dat ze zien als een Europese uitvinding, is voor hen iets om zich tegen af te zetten. De zogenoemde ‘Franse intifada’, de guerrillaoorlog met de politie aan de randen en in het hart van Franse steden, is slechts de nieuwste en meest dramatische vorm van confrontatie met de vijand.
Het geweld begon op 27 oktober 2005 na de dood door elektrocutie van twee jongemannen die waren weggevlucht in een transformatorhuisje om te ontsnappen aan de politie. Bijna een week lang ontstonden daarna elke avond rellen, waarbij duizenden auto’s in brand werden gestoken. Vervolgens sloeg de onrust over naar andere Franse plaatsen. President Jacques Chirac kondigde de noodtoestand af, die op 8 november om middernacht inging. De regering en de politie kregen hierdoor speciale bevoegdheden om mensen op te pakken en het recht om een avondklok in te stellen en huiszoekingen te doen. Maar dit maakte de situatie er niet beter op. Op 11 november viel in een deel van Amiens de stroom uit toen een elektriciteitscentrale werd belaagd – wat tot schrik van de politie een vaak gebruikte en doeltreffende tactiek werd. Verder werden kerken bestookt met brandbommen.
Uiteindelijk was het na twee weken gedaan met de rellen. Maar het was voor de politie allesbehalve een makkelijke overwinning – integendeel zelfs. Het geweld werd deels gevoed door het agressieve optreden van de politie en door de onverzettelijke houding van Nicolas Sarkozy, op dat moment minister van Binnenlandse Zaken, die een beleid van zero tolerance afkondigde en zei dat hij het ‘racaille’ (tuig) van de straat zou vegen. Deze harde woorden deden de verontwaardiging in de banlieues alleen maar toenemen – het was onmiskenbaar oorlogstaal. Toen de Franse regering eind november aan het bijkomen was van de onthutsende gebeurtenissen, kon de rekening opgemaakt worden: de rellen in Frankrijk hadden duidelijk gemaakt dat de jongeren van de banlieues met succes de strijd konden aanbinden met de autoriteiten wanneer ze maar wilden.
De gebeurtenissen in 2005 hebben onvermijdelijk geleid tot een bijna eindeloze stroom artikelen, boeken en debatten in Frankrijk. Hoewel menigeen zich te buiten ging aan luidruchtige retoriek, waren er een paar belangrijke punten waarop rechts en links het met elkaar eens waren. Ten eerste waren beide kampen van mening dat de ernst van de crisis was overdreven door de Engelstalige media, die weinig wisten van Frankrijk en de rellen hadden aangegrepen om de aandacht af te leiden van hun eigen problemen met immigratie en immigranten in hun eigen landen. Uiteraard is dit iets wat de perfide Britten en Amerikanen altijd al hebben gedaan.
Ten tweede was er de breed gedeelde consensus dat de rellen weinig of niets te maken hadden met de islam en de historische aanwezigheid van Frankrijk in delen van de islamitische wereld. Linkse intellectuelen sloofden zich in Le Monde en Libération uit om aan te tonen dat de rellen op geen enkele wijze terug te voeren waren op de woede die ook een voedingsbodem was geweest voor radicaliserende islamisten. Volgens deze journalisten waren de rellen te wijten aan een ‘fracture sociale’ en een gebrek aan ‘justice sociale’. Zelfs de Franse inlichtingendienst, de Renseignements Généraux, droeg haar steentje bij. Ze kwam met een rapport waarin de rellen werden omschreven als een ‘volksopstand’ en de rol van islamistische groepen en de allochtone afkomst van de relschoppers werden gebagatelliseerd. Aldus werden de rellen van 2005 ontdaan van hun bijzondere lading en weggezet als een zoveelste uitbarsting van traditioneel Frans protest.
Er is in het hedendaagse Frankrijk echter sprake van een hoogst reëel conflict tussen de tegengestelde beginselen laïcité en communautarisme, dat tot uiting kwam in de rellen. Het begrip laïcité is moeilijk te vertalen; de strekking ervan is simpel gezegd dat het volgens de Franse wet verboden is om onderscheid te maken tussen individuen op grond van hun godsdienst. De Franse notie laïcité is, anders dan het Engels-Amerikaanse model van de seculiere staat, waarin staatsbemoeienis met religieuze aangelegenheden uit den boze is, te beschouwen als een dam tegen elke vorm van religieuze inmenging in staatsaangelegenheden. Dit dateert van de revolutie van 1789 en wordt traditioneel gezien als een manier om de katholieke kerk kort te houden. De Dreyfus-affaire, die in 1905 leidde tot de officiële scheiding tussen kerk en staat, dient nog altijd als schoolvoorbeeld waarom de katholieke kerk op deze wijze in toom gehouden dient te worden. Laïcité garandeert als specifiek antireligieus concept, zo wordt gesteld, de morele eenheid van de Franse natie – de ‘République indivisible’.
In de voorbije jaren is tegenover deze kernwaarde van de Franse Republiek iets anders komen te staan: communautarisme, waarin de behoeften van de ‘gemeenschap’ worden afgezet tegen de behoeften van de ‘maatschappij’. Opnieuw is er voor het losse Engels-Amerikaanse model, waarin ‘verschillen’ op grond van seksualiteit, godsdienst of handicaps worden getolereerd of zelfs op prijs worden gesteld, geen plaats in Frankrijk, waar ‘verschillend zijn’ wordt gezien als een vorm van sektarisme en een bedreiging voor de Republiek. Het acuutste probleem voor de recente generaties moslimimmigranten in Frankrijk is dat de met nadruk beleden universaliteit van de republikeinse waarden, en met name laïcité, algauw doet denken aan de ‘beschavingsmissie’ in de koloniale tijd. Met andere woorden, als moslims ‘Frans’ willen zijn, moeten ze eerst leren burgers van de Republiek te zijn en pas op de tweede plaats moslims; dit is voor velen niet te doen, en vandaar de zorgen of de moslims in Frankrijk musulmans de France zijn of musulmans en France.
Heftige emoties
Maar in dit conflict gaat het niet alleen om politiek of godsdienst. Het gaat daarin ook om heel heftige emoties. De meeste mensen zijn banger voor aftakeling dan voor de dood. Dit is vertrouwd terrein voor psychiaters die patiënten behandelen voor stoornissen als schizofrenie en depressies. Een deel van het proces van geestelijk verval dat kenmerkend is voor deze aandoeningen is een gevoel van gedeeltelijke of algehele vervreemding. Wanneer mensen niet meer het idee hebben een eigen identiteit te bezitten en er van hun ik-gevoel nog maar zo weinig over is dat ze in hun beleving niet meer bestaan, kunnen ze letterlijk vreemden voor zichzelf worden.
Dit is wat er in de koloniale tijd gebeurde in de door Frankrijk veroverde gebieden en wat er nu gebeurt in de banlieues. En daarom is het voor immigranten uit voormalige Franse kolonies bijna onmogelijk om zich echt ‘thuis’ te voelen in Frankrijk. Ondanks al hun moderniteit lijken deze stadswijken qua ontwerp nog het meest op immense gevangenenkampen. De banlieue staat in de meest letterlijke zin voor ‘anders-zijn’ – het anders-zijn van uitsluiting, van de onderdrukten, van angstige en geminachte mensen, die fysiek en cultureel worden weggehouden van de mainstream van de Franse ‘beschaving’.
Dit is de stelling die de politicoloog Gilles Kepel poneert in zijn boek Quatre-vingt-treize (2012), een titel die verwijst naar Victor Hugo’s grootse roman over het schrikbewind in 1793 en naar de beruchte Parijse wijk Seine Saint-Denis, die vanwege de postcode bekendstaat als ‘Drieënnegentig’. In dit boek onderwerpt Kepel de recente geschiedenis van dit stadsdeel aan een diepgaand onderzoek, en zijn conclusie is dat de diverse varianten van de islam elkaar weliswaar bestrijden, maar dat ze verenigd zijn in hun vijandigheid tegenover de seculiere Franse staat.
Kepel is er daarnaast van overtuigd dat de Franse Republiek moet vrezen voor bedreigingen van ‘buiten’, waarmee hij zowel de banlieues als de voormalige Franse gebieden in de moslimwereld bedoelt. In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten denkt hij dat de recente veranderingen in de Franse maatschappij nauw verband houden met gebeurtenissen in de Arabische wereld, die in het Westen amper begrepen worden. ‘Veel Franse politieke commentatoren zijn blind,’ vertelde hij me in zijn krappe werkkamer vlak bij boulevard Saint-Germain. ‘Ze weigeren verder te kijken dan Frankrijk. En dus snappen ze niet dat wat hier gebeurt te maken heeft met onze relatie met de Arabische wereld en ons verleden daar.’
Kepel beklemtoont dat de huidige spanningen in Frankrijk niet los te zien zijn van de zogenoemde ‘Arabische Lente’ – de golf van opstanden die in 2011 de moslimwereld overspoelde. Ofwel preciezer gezegd: de Arabische Lente heeft ertoe geleid dat de algemeen aanvaarde waarheden over Noord-Afrika, waarvan de wereld tot nu toe een door Franse ogen bepaald beeld had, flink op de schop zijn gegaan.
Op 14 januari 2011 ontvluchtte president Zine Ben Ali eindelijk zijn paleis om in ballingschap te gaan in Saoedi-Arabië. In Parijs heerste die dag op straat net zo’n feeststemming als in de steden in Tunesië. Dit kwam doordat het ondenkbare was gebeurd: Ben Ali was sinds 1987 aan de macht geweest, en het leek een uitgemaakte zaak dat hij nog lang aan het roer zou blijven – wat gezien zijn goede gezondheid en eigenwaan heel lang had kunnen zijn – maar binnen een paar weken was hij weg.
De katalysator voor de woedende demonstraties die hadden geleid tot zijn vertrek was de zelfdoding van Mohammed Bouazizi, een zesentwintigjarige straatverkoper in de tot dan toe onbekende Tunesische plaats Sidi Bouzid. Op 17 december 2010 zette ‘Besboos’, zoals hij plaatselijk bekendstond, om acht uur ’s morgens zoals gebruikelijk zijn kar met fruit neer in het centrum van Sidi Bouzid. Rond tien uur kreeg hij het aan de stok met politieagenten die zeiden dat hij geen vergunning had en daarom niet mocht staan waar hij stond.
Het werkelijke probleem was dat Mohammed de lokale politie niet genoeg smeergeld had betaald, hoewel hij zich door geld te lenen al voor tweehonderd dollar in de schulden had gestoken om beambten om te kopen. Maar Mohammed was die dag niet in de stemming om met zich te laten sollen en hield voet bij stuk toen een agente van middelbare leeftijd hem beledigde, zijn overleden vader vervloekte en zijn kar in beslag probeerde te nemen. Toen de agente zijn weegschaal pakte, zijn duurste apparaat dat hij, wilde hij zakendoen, absoluut niet kon missen, werd het hem te veel. Hij raakte buiten zichzelf van woede en rende, niet meer in staat zijn tranen te bedwingen, naar het kantoor van de lokale gouverneur om zijn beklag te doen over het hem aangedane onrecht. De gouverneur weigerde vlakaf hem te ontvangen.
Mohammed verliet heftig gefrustreerd het kantoor van de gouverneur en overgoot zichzelf buiten met een blik benzine. Tot afschuw van de groep mensen die om hen heen was komen staan, stak hij de benzine vervolgens in brand. De vlammen sloegen van zijn lichaam terwijl hij in stille pijn rondwankelde. Dit was om halftwaalf, ongeveer een uur na aanvang van de ruzie over zijn kar.
Mohammed overleed een paar dagen later in een ziekenhuis. Zijn dood staat nu te boek als de vonk die het vuur van de Tunesische revolutie deed ontbranden. Toen hij op sterven lag, stonden de gewone mensen van Sidi Bouzid op tegen de lagere ambtenaren die hen tot dan toe in toom hadden gehouden. Toen de opstand aan kracht won, staakte het leger zijn pogingen om er paal en perk aan te stellen en beseften honderdduizenden Tunesiërs dat dit hun eerste kans was om in verzet te komen tegen de autoriteiten. De rellen verspreidden zich over het land, en een paar spannende weken later maakte president Ben Ali, voor wie de haat van zijn volk niet meer te trotseren viel, zich uit de voeten.
Het was het sprookjesachtige karakter van de revolutie dat op de dag van Ben Ali’s vertrek in de straten van Parijs werd gevierd. In Frankrijk wonen ruim zevenhonderdduizend Tunesiërs, grotendeels geconcentreerd in de regio Parijs. Tijdens de revolte in Tunesië stonden overal waar je in Parijs kwam in winkels, afhaalrestaurants en cafés draagbare tv’s waaruit op volle geluidssterkte een polyglot, polyfoon gebabbel op- rees van Al-Jazeera, Al-Arabiya en Franstalige kanalen uit de Maghreb. Iedereen was opgewonden en wilde praten, vooral de Tunesiërs zelf.
Het verbluffendste aan deze gebeurtenissen – althans voor mensen die Tunesië niet kenden – was dat ze in gang waren gezet in een land dat het Westen beschouwde als een gematigde, stabiele en onopvallende speler in de politiek van de regio. Tot dat moment was Tunesië in de ogen van de buitenwereld een goedkope vakantiebestemming geweest, een land met een gedienstige houding jegens het Westen. De Tunesiërs wisten dat dit beeld op zijn best niet meer dan wensdenken was, en op zijn slechtst een bewuste leugen.
De pesterijen waarmee Bouazizi te maken had, waren in Tunesië een alledaags fenomeen. Ze waren rechtstreeks terug te voeren tot de mensen op hoge, machtige posities, die deze intimidatie op laag niveau niet alleen toestonden, maar zelfs actief aanmoedigden. Toen Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak, wekte dat zo veel verontwaardiging bij de Tunesiërs dat ze alles op het spel zetten voor de vrijheid. Het recht kreeg met de vlucht van Ben Ali eindelijk zijn beloop. ‘Toen Ben Ali wegging, was dat een prachtig moment,’ kreeg ik te horen van een jonge vrouw die in Tunis de straat op was gegaan om tegen hem te protesteren. ‘Ik wist niet dat mensen zo blij konden zijn.’
Verrast
In de regeringsburelen van Frankrijk heerste die dag, anders dan onder de Tunesische bevolking in Parijs, geen jubelstemming. De val van Ben Ali was wel het laatste wat de Franse regering had gewild. Vanaf het moment dat hij in 1987 aan de macht kwam, hadden de opeenvolgende Franse leiders zich achter zijn regime geschaard, daartoe aangezet door zijn verwijzingen naar Algerije en de mogelijke dreiging van islamistisch terrorisme in Tunesië. De Fransen hadden Ben Ali op zijn woord geloofd en zich blind gehouden voor de wanpraktijken waarvan hij zich bediende om in Tunesië de ‘stabiliteit’ te handhaven. Daarnaast hadden ze in de veronderstelling verkeerd dat zijn positie onaantastbaar was.
‘We werden verrast,’ zei Henri Guaino, speciaal adviseur van Nicolas Sarkozy op het terrein van mediterrane aangelegenheden. ‘Niemand had door wat er gaande was. Het ging allemaal heel snel, een reeks gebeurtenissen waardoor de boel razendsnel uit de hand liep.’ Verder gaf hij toe: ‘Ik was niet waakzaam genoeg geweest ten aanzien van de ontwikkeling van het regime en de Tunesische publieke opinie.’ Dit was wel heel zwak uitgedrukt. Sinds eind jaren tachtig waren de opeenvolgende Franse regeringen verstrikt geraakt in compromitterende en inconsistente relaties met Tunesië. Franse diplomaten hadden al in 1990 melding gemaakt van het brute karakter van Ben Ali’s regime, maar de autoriteiten in Parijs hadden de andere kant op gekeken.
Michèle Alliot-Marie, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, zette zich op 11 januari 2011 schandelijk te kijk toen ze ten overstaan van de Nationale Assemblee in Parijs meedeelde dat de opstand in Tunesië ‘een complexe situatie’ was, en dat het niet aan de Franse regering was om ‘het regime de les te lezen’. Een arrogantere en zelfgenoegzamere verklaring was moeilijk voorstelbaar op het moment dat het Tunesische volk vocht voor zijn vrijheid. Maar het werd allemaal nog erger: Alliot-Marie bood Ben Ali’s regime vervolgens het ‘wereldbefaamde savoir-faire’ van het Franse leger aan en zei bereid te zijn dit ‘savoir-faire’ over te laten brengen naar Tunis. Alle Assembleeleden, het maakte niet uit van welke partij, reageerden vol ongeloof. Bedoelde de Franse minister daadwerkelijk dat Franse soldaten of politiemensen ingezet zouden worden om de mensenmenigten in Tunis onder vuur te nemen?
Sarkozy nam in het openbaar onmiddellijk afstand van haar – zijn adviseur deelde mee dat Alliot-Marie haar ‘eigen persoonlijke analyse van de situatie’ had gegeven. Links reageerde trager, deels omdat veel linkse politici, onder wie de burgemeester van Parijs, zelf problemen hadden met Tunesië. In de regio en in de banlieues van Frankrijk wekte de toespraak echter woede. In Algerije stelde het dagblad Liberté dat Michèle Alliot-Marie in haar arrogantie ‘kennelijk niet bang is om de herinneringen op te rakelen van mensen die in het verleden al kennis hebben gemaakt met het militaire “savoir-faire” van Frankrijk. Deze herinneringen zijn feiten: ten aanzien van Algerije kunnen we terugdenken aan 11 december 1960 in Algiers, in de wijk Belcourt, en aan 17 oktober in Parijs in 1961 – om slechts twee voorbeelden te noemen.’ Tunesische bloggers – bloggen was inmiddels de voornaamste vorm van communicatie in het land – waren furieus en sarcastisch. ‘Merci la France!’ luidde de reactie in een campagne op Facebook.
De controverse liep in de volgende paar dagen nog hoger op toen aan het licht kwam dat Alliot-Marie, die hechte vriendschappelijke banden onderhield met Ben Ali, de kerst van 2010 had doorgebracht in een luxeresort in Tabarka, en dat ze daarheen was gereisd in een privévliegtuig van een goede vriend van Ben Ali, die tevens een crimineel was. Daarna werd bekend dat ze recent een appartement had gekocht in het vakantiecomplex te Gammarth niet ver van Tunis. En ondertussen ging Tunesië op in vlammen.
Deze Franse dubbelhartigheid wekte bij de Tunesiërs amper verbazing. In de voorbije paar jaar hadden ze moeten aanzien hoe Ben Ali en zijn familie en vrienden schatrijk waren geworden door de natie te plunderen. Tunesië was geen rijk Arabisch land – het heeft bijvoorbeeld geen inkomsten uit olie. Maar dit weerhield Ben Ali en zijn kompanen er niet van om zich de nationale hulpbronnen toe te eigenen en het geld te spenderen in Frankrijk.
Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn “echte hoofdstad”, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan
Toen ik op een middag in de herfst van 2012 in Tunis uit het vliegtuig stapte, waren er vrijwel geen andere westerlingen te bekennen. Ik zag meteen dat alles was veranderd na mijn laatste bezoek in 2011. Ik had Tunis vanaf 2005 vrij vaak bezocht, maar sinds de revolutie was ik er niet meer geweest. De stad had nu een heel ander aanzien.
Tijdens de korte rit van het vliegveld naar de stad zagen de buitenwijken er smeriger en vervallener uit dan tevoren. De meest in het oog lopende verandering in de stad was de afwezigheid van de enorme portretten van Ben Ali, die tot de revolutie langs elke hoofdstraat in en rond de stad hadden gestaan. Toen we het stadscentrum in reden, was er overal graffiti te zien, vaak in diverse talen, niet alleen het Arabisch; in de graffiti in het Engels, Frans en Spaans werd opgeroepen tot meer revolutie en de oorlog verklaard aan het Westen en iedereen die de islam haatte.
Een paar dagen eerder was de Amerikaanse ambassade in Tunis belaagd en de American School in brand gestoken door een salafistische menigte die naar verluidt demonstreerde tegen de provocerende anti-islamitische film The Innocence of Muslims. Slechts een paar dagen hiervoor was de Amerikaanse ambassadeur in Libië vermoord door een jihadistische militie. De Amerikanen hadden in Tunesië al hun personeel en burgers weggehaald om de Tunesiërs duidelijk te maken dat ze niet gediend waren van agressie. De sfeer werd nog onbestendiger door de publicatie in Frankrijk van afbeeldingen van de Profeet in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Toen de salafisten daarna met doodsbedreigingen kwamen, achtte de aanzienlijke populatie Fransen in Tunesië het verstandiger om niet meer de straat op te gaan en thuis te blijven.
Bij mijn vorige bezoeken aan Tunis was het er steeds makkelijk werken geweest, vond ik; het was er veilig en alles was goed geregeld. Maar ondanks de schoonheid en ogenschijnlijke orde had het leven in Tunesië altijd een geheime en sinistere kant. Je had er niet te maken met het soort geweld en extremisme waardoor Algerije werd geteisterd, en de armoede was er minder schrijnend dan in Marokko. Desalniettemin deed Tunesië me denken aan mijn tijd in Roemenië begin jaren negentig, waar gewone mensen zelfs na de val van Ceausescu nog zo bang waren dat ze liever niet zeiden wat ze werkelijk dachten. De Roemenen noemden dit ‘zelfcensuur’ en zeiden dat het veel effectiever was dan de Securitate, de geheime politie. Bijna iedereen die ik voor de revolutie ontmoette in Tunesië, had zich deze gewoonte eigengemaakt. Het was een land waar je met niemand echt contact kon krijgen. De geheime politie was overal, luisterde overal mee en hield alles in de gaten. Maar feitelijk was hun werk overbodig, want de mensen durfden sowieso geen kritiek te leveren op de regering.
Toen de journalist Christopher Hitchens in 2007 hier was om een stuk voor Vanity Fair te schrijven, noteerde hij dat zijn vriend Edward Said hem had verteld dat Tunesië het ‘aangenaamste land van Afrika’ was. Hij werd niet teleurgesteld: de elegantie van de avenue Habib Bourguiba, de verkeersslagader in Tunis, sprak hem zeer aan, en datzelfde gold voor de olijfgaarden en de adembenemende pracht van het eiland Djerba (waar in 2002 overigens negentien toeristen waren omgekomen bij een aanslag van Al-Qaida). Tunesië was in Hitchens’ ogen een ‘mild’ land, en hoewel hij vraagtekens had bij de twintig jaar dat Ben Ali aan de macht was, de alomtegenwoordigheid van diens portret en de onwil van de mensen om over politiek te praten, was het voor hem bemoedigend dat je er anticonceptiemiddelen kon krijgen, dat jonge men- sen elkaars hand vasthielden, dat er andere duidelijk zichtbare tekenen van ‘westerse waarden’ te bespeuren waren, en dat er onverschilligheid heerste ten aanzien van de puriteinse waarden van het islamisme. Dit was wat iedereen zag wanneer je voor het eerst in Tunesië was. Onder de oppervlakte telde de Tunesische werkelijkheid echter tal van wrange facetten die de psyche van de natie niet onberoerd lieten.
Net als in Algerije en Marokko behoorden voetbalwedstrijden tot de schaarse gelegenheden waar je een glimp kon opvangen van de innerlijke woede van de Tunesiërs. In september 2008 zag ik hoe een groep van niet meer dan honderd fans van Espérance Sportive Tunis – de grootste club van het land – het in de achterafstraten rond place de Carthage en place de Barcelone opnam tegen de oproerpolitie. Wat vooral indruk op mij maakte, was dat de ‘hooligans’ behendig en goedgeorganiseerd te werk gingen – ze vormden een beweeglijke, voortdurende veranderende formatie, maar bleven desondanks een solide geheel. Ze sloegen ruiten stuk en trokken al schreeuwend door de stegen en straatjes. Ze hadden de situatie volledig onder controle en vonden het zo te zien prachtig om het gevecht aan te gaan met de voetsoldaten van het regime. Later sprak ik in bar Celestina, een met rook gevuld dranklokaal nabij het metrostation, met een aantal van hen. Ze maakten meteen al duidelijk dat ze niet vochten met fans van andere clubs, alleen met de politie, die de gewapende vleugel van de regering vormde. Niemand had het over Ben Ali, maar hij was uiteraard de grote vijand.
En de andere grote vijand waren de Fransen. Tunesië was ten tijde van Ben Ali onofficieel Frankrijks meest begunstigde natie in de Maghreb. De banden tussen Ben Ali en een reeks Franse presidenten, van Mitterrand tot Chirac en Sarkozy, waren altijd stevig. Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn ‘echte hoofdstad’, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan. Ben Ali’s tweede vrouw Leila was lid van de Trabelsifamilie, een maffia-achtige organisatie met onderkomens in de duurste quartiers van Parijs en Nice die in Tunesië feitelijk de dienst uitmaakte als was het hun persoonlijke bezit. De Tunesiërs wisten dat de val van Ben Ali niet alleen was toe te schrijven aan de ideologische steriliteit van zijn regering, maar ook aan het feit dat op korte termijn aan het licht zou komen dat hij het land samen met de Trabelsi’s flink had geplunderd. Dat was de reden waarom hij zo snel Tunesië ontvluchtte.
De rebellie duurde slechts vier weken. Maar het veranderde alles in Tunesië en de rest van de Arabische wereld: gewone mensen van Marokko tot Jemen raakten zo begeesterd dat ze hun angst opzijzetten en zich tegen hun leiders keerden. De meeste Tunesiërs, niet alleen de salafisten, voelen zich nu tweemaal verraden door Frankrijk, het land dat de politieke en culturele identiteit van Tunesië ruim een eeuw lang heeft gedomineerd en vormgegeven. Of ze nu wilden of niet, ze waren opgegroeid in de overtuiging dat Frankrijk hun moederland was, en dat de Fransen het beste met hen voorhadden. Nu was echter in de onstuimige tijd van de revolutie gebleken dat Frankrijk een cynische en corrupte vijand was.
Op 14 oktober 2008 was er ’s avonds in het Stade de France een vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Tunesië. Sinds de rellen in Clichy-sous-Bois in 2005 waren wedstrijden tegen Noord-Afrikaanse teams aldoor een potentiële aanleiding geweest voor trammelant in Parijs. Niettemin werd Tunesië voor een minder instabiel en gevaarlijk land gehouden dan Marokko of Algerije en werden Tunesiërs in Parijs niet beschouwd als gangsters of islamitische radicalen. Maar om mogelijke spanningen weg te nemen hadden de autoriteiten besloten dat de elftallen voor aanvang door elkaar in de rij zouden gaan staan, en dat de ‘Marseillaise’ gezongen zou worden door Laam, een jonge r&b-zangeres van Frans-Tunesische komaf.
Zodra Laam de microfoon oppakte, begon het gefluit, en algauw klonk het zo hard dat het van links naar rechts door het stadion galmde. De jonge vrouw keek om zich heen voor hulp, maar die bleef uit. Ze probeerde er ondanks de orkaan van herrie toch nog iets van terecht te brengen, maar het was hopeloos. Toen ze eindelijk klaar was, lachten de Tunesische fans en gaven ze elkaar high fives alsof ze met 3-0 voorstonden.
‘Waar kwam dat vandaan, die muur van haat?’ vroeg ik een Tunesische gozer naast me in de bar waar ik de wedstrijd bekeek. Hij glimlachte sullig en sloeg zijn laatste restje bier achterover: ‘Made in France!’
Dit is een voorpublicatie uit De Franse intifada van Andrew Hussey, dat onlangs verscheen bij De Arbeiderspers.
Vertaler: Jan Braks
ISBN: 9789029510455
Prijs: € 22,99
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.