Tag: kolonialisme

  • De talen die verloren gaan door klimaatverandering

    De talen die verloren gaan door klimaatverandering

    Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Maar klimaatrampen en het verlies van biodiversiteit bedreigen het voortbestaan van talen over de hele wereld.

    Al generaties lang woont de familie van Lars Miguel Utsi in het dorpje Jokkmokk in Noord-Zweden, waar van oudsher rendieren worden gehouden. In dit deel van de wereld waar de meesten van ons slechts een eindeloze witte sneeuwvlakte zouden zien, ontwaart Utsi in het landschap minutieuze details. Hij herkent de subtiele kenmerken van het bevroren terrein die zo cruciaal zijn voor zijn bestaan.

    De Sami, Europa’s enige erkende inheemse groep, wonen hier al duizenden jaren en hun taal weerspiegelt hun diepe band met het land. De negen Samische talen die nog in gebruik zijn, hebben een uitgebreide woordenschat voor sneeuw: van åppås, onaangeroerde wintersneeuw zonder sporen, tot habllek, lichte, poederachtige sneeuw en tjaevi, vlokken die aan elkaar plakken en waar moeilijk in te graven is. Hun terminologie om rendieren te beschrijven is nog gedetailleerder en wordt gebruikt om de dieren te classificeren op basis van geslacht, leeftijd, kleur, vruchtbaarheid, tamheid en meer. Een reandi is bijvoorbeeld een mannelijk rendier met een lang gewei, ruvggáladat een rendier dat is weggelopen van de kudde, en čearpmat-eadni ‘een vrouwelijk rendier dat haar kalf van dit jaar heeft verloren, maar vergezeld wordt door het kalf van vorig jaar’.

    Maar rendierhouders zoals Utsi merken hoe snel hun taal verdwijnt en hoe snel hun landschap verandert. Hoewel Noord-Samisch zijn moedertaal is, is hij zich scherp bewust van de hiaten in zijn woordenschat: sommige termen lijken de sprong van generatie op generatie niet te maken. ‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal. Ze hebben meer woorden voor de natuur, voor landschapsvormen, dieren en vooral rendieren. En ze kennen veel meer woorden voor sneeuw,’ zegt Utsi, voormalig voorzitter van de taalraad en vicevoorzitter van het Samisch parlement van Zweden. ‘Het is treurig.’

    Eén woord illustreert in het bijzonder wat er op het spel staat: het Noord-Samische ealat, dat volgens Utsi ruwweg vertaald kan worden als ‘de ideale omstandigheden voor rendieren om korstmos te vinden om te grazen’. Het is een term die zich moeilijk laat vertalen, een complex begrip dat impliceert dat diverse factoren (planten, sneeuw, geografie, korstmossen en rendieren) met elkaar in harmonie zijn. ‘Tegenwoordig wordt het steeds minder gebruikt, omdat we die omstandigheden niet zo vaak meer zien,’ zegt Utsi.

    Bedreigde talen

    Jokkmokk is een belangrijk centrum voor rendierhouderij in Zweden, gelegen in de regio Lapland – of Sápmi, in het Noord-Samisch. Dit gebied beslaat delen van Noord-Noorwegen, Zweden, Finland en de Russische oblast Moermansk. De inheemse Sami hier zijn bijzonder kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering: wetenschappers stellen dat het Arctisch gebied bijna vier keer zo snel opwarmt als de rest van de wereld. 

    In de loop der eeuwen hebben rendieren zich aangepast aan de barre klimatologische omstandigheden van de regio; ze ontwikkelden schopvormige hoeven waarmee ze korstmos en andere planten onder de sneeuw kunnen opgraven. Maar door stijgende temperaturen valt er meer regen dan sneeuw, waardoor de grond verijst en het graven voor rendieren onmogelijk wordt. Vroege dooi leidt tot ongebruikelijke overstromingen voor het seizoen, wat het hoeden bemoeilijkt en de voedselvoorraad vernietigt. Onderzoek toont aan dat de rendierbiotopen in de afgelopen eeuw met 70 procent zijn afgenomen, deels doordat gebieden onder water werden gezet voor waterkrachtcentrales.

    ‘Als je met een ouder iemand praat, hoor je een rijkere taal’

    Deze veranderingen bedreigen zowel de wilde dieren als de culturele praktijken van de rendierhouderij die al generaties lang bepalend zijn voor de levenswijze van de Sami. Tegelijkertijd voeren de rendierhouders nog een andere strijd: het verlies van hun talen. Zweden en Finland hebben onlangs plannen gepresenteerd om de financiering voor de Sámi Giellagáldu in te krimpen, een orgaan dat is opgericht om de Sami-talen te beschermen en te behouden. De Unesco beschouwt alle negen resterende Sami-talen als bedreigd. Het Noord-Samisch is de meest gesproken taal, met naar schatting twintig- tot dertigduizend sprekers, terwijl het Ume-Samisch vermoedelijk nog maar amper vijftig sprekers kent.

    GettyImages 1925908071
    Een Sami-herder naast haar Noorse tamme rendier (Rangifer tarandus tarandus) op de vlaktes van Lapland. – © Getty Images

    Hoewel de achteruitgang van de Sami-talen verschillende complexe oorzaken heeft, weerspiegelt het in het algemeen de teloorgang van hun traditionele levenswijze. Rendierhouders zoals Utsi hebben er letterlijk geen woorden voor als ze worden geconfronteerd met hun veranderende omgeving. Dit duidt op een onzekere toekomst: wat blijft er over als de dingen waar je woorden voor hebt langzaam verdwijnen? De Sami-talen zijn gevormd door hun omgeving en vanuit de noodzaak om te overleven in barre omstandigheden. Als ze zouden uitsterven, zouden ook de diepgewortelde kennis en expertise die generaties lang zijn doorgegeven verloren kunnen gaan.

    Het verband tussen taal en natuur

    Wetenschappers en taalkundigen hebben een opvallend verband ontdekt tussen de biodiversiteit en de talen in de wereld. Gebieden die rijk zijn aan biologische diversiteit blijken ook vaak een grote taalkundige diversiteit te kennen, oftewel een hoge concentratie van talen. Hoewel het verband nog niet volledig is geduid, wijst de sterke geografische correlatie erop dat beide vormen van diversiteit door verschillende factoren (ecologisch, sociaal, cultureel) worden beïnvloed, en bovendien in zorgwekkend tempo afnemen. Deze gebieden hebben vaak het meest te lijden van de klimaatcrisis. Waar planten- en diersoorten verdwijnen, volgen talen, dialecten en unieke uitdrukkingen vaak eenzelfde patroon van achteruitgang.

    Bij een hotspot voor biodiversiteit denk je misschien eerder aan het Braziliaanse Amazonegebied of de bossen van Tanzania dan aan het Noordpoolgebied. Toch speelt dat een cruciale rol in het reguleren en stabiliseren van het klimaat op aarde, en in de ondersteuning van al het leven op onze planeet. Wetenschappers plachten te zeggen: ‘Wat in het Noordpoolgebied gebeurt, blijft niet in het Noordpoolgebied.’ Elke verstoring van deze habitat heeft verstrekkende gevolgen voor de mensheid. 

    Verzet tegen dominantie wereldwijde talen

    Van de zevenduizend talen die er in de wereld worden gesproken, verdwijnen er elk jaar ongeveer negen. Volgens ‘optimische schattingen’ van de Unesco kan het zelfs zo zijn dat de helft van alle talen ter wereld tegen het einde van deze eeuw zal zijn uitgestorven.

    Sommige talen verdwijnen met hun laatste sprekers, terwijl andere talen nauwelijks nog worden gebruikt. Ouders geven hun moedertaal niet meer door aan hun kinderen, woorden raken in de vergetelheid en steeds minder mensen kunnen hun eigen schrift nog lezen. Vaak kiezen mensen ervoor een gangbare taal te spreken die meer perspectieven biedt op een baan. Maar de laatste tijd groeit ook het verzet tegen de dominantie van wereldwijd gesproken talen die lokale tradities verdringen.

    De Nigeriaanse taalactivist Tochi Precious Friday is bezorgd over het uitsterven van het Igbo in haar land en werkt samen met de organisatie Wikitongues aan het documenteren van woorden, betekenissen en gebruiksvormen. Tegen The Guardian zegt ze: ‘Het gaat ook om de geschiedenis die eraan verbonden is, en de cultuur. Als een taal sterft, sterft alles wat ermee verbonden is.’

    Amrit Sufi uit India doet hetzelfde voor het Angika, een taal met zeven miljoen sprekers die nauwelijks nog wordt geschreven of onderwezen, en daardoor met de ondergang wordt bedreigd. Het Angika zou ‘inferieur’ zijn ten opzichte van het Hindi, dat met 600 miljoen sprekers na het Engels en het Mandarijn de meest gesproken taal ter wereld is.

    Inheemse gemeenschappen hebben een diepe band met het land dat ze al generaties lang bewonen, en die wordt weerspiegeld in de talen die ze spreken, de manier waarop ze over het landschap praten en de woorden die ze geven aan de overtuigingen en gebruiken die hun talen mede hebben gevormd. Als hun band met het land onder druk komt te staan, lijden hun talen daar automatisch ook onder. Vanuatu bijvoorbeeld, een eilandengroep in de Stille Zuidzee met de hoogste taaldichtheid ter wereld (110 talen op 12.190 vierkante kilometer), herbergt 138 bedreigde planten- en diersoorten. Het land is bijzonder kwetsbaar voor zeespiegelstijging en klimaatgerelateerde natuurrampen. Wetenschappers waarschuwen dat de klimaatcrisis de genadeslag dreigt te worden voor veel inheemse talen, nu kustgemeenschappen gedwongen worden te verhuizen.

    Als gemeenschappen niet langer kunnen vertrouwen op hun land, worden ze mogelijk gedwongen te verhuizen naar gebieden waar hun talen niet worden gesproken. Ze laten dan niet alleen hun moedertaal achter, maar ook alle wijsheid die erin besloten ligt. Ook zijn er aanwijzingen dat wanneer een taal ‘achteruitgaat’, bijvoorbeeld door economische of sociale factoren, mensen geleidelijk aan minder aandacht hebben voor het land. Als talen verdwijnen, gaat ook de traditionele ecologische kennis die ze bevatten verloren. Inheemse gemeenschappen wijzen dan ook steeds vaker op de onlosmakelijke band tussen taal en biodiversiteit als bewijs dat mensen niet losstaan van de natuur, maar er juist onlosmakelijk deel van uitmaken.

    Diversiteit in kaart gebracht

    Begin jaren negentig, toen natuurbeschermers begonnen te waarschuwen voor de alarmerende afname van biodiversiteit, bestudeerde taalkundige Luisa Maffi het verdwijnen van talen wereldwijd. Ze realiseerde zich dat deze twee trends mogelijk verband met elkaar hielden. ‘Opeens drong het tot me door: dit zijn allemaal vormen van diversiteit van leven op aarde,’ vertelt Maffi vanuit haar huis in Brits-Columbia (Canada). ‘Diversiteit in de natuur, maar ook de diversiteit van menselijke culturen en talen. Ze zijn met elkaar verbonden, verweven en wederzijds van elkaar afhankelijk. Wat er met de ene component gebeurt, beïnvloedt dus wat er met de andere gebeurt.’

    Al snel ontdekte ze dat ze niet de enige was die tot deze conclusie was gekomen. In 1988 verklaarde het Eerste Internationale Congres voor Etnobiologie in het Braziliaanse Belém dat er ‘een onlosmakelijke band bestaat tussen culturele en biologische diversiteit’. Na een congres in 1995, waar Maffi David Harmon ontmoette, een natuurbeschermer die onderzoek deed naar deze ‘samenvallende uitstervingscrisis’, richtten de twee de non-profitorganisatie Terralingua op. Volgens de website richt deze organisatie zich op ‘bioculturele diversiteit’, een term die zij extra bekendheid gaven en die uitdrukt hoe ‘biodiversiteit, culturele diversiteit en taalkundige diversiteit allemaal met elkaar verbonden zijn’.

    Gegevens over de talen van de wereld waren destijds moeilijk te vinden. Een van de weinige uitgebreide databases was The Ethnologue, waarin vanaf 1951 talen werden gecategoriseerd. Talen veranderen snel, en er bestaat niet altijd consensus over waar de ene taal ophoudt en de andere ontstaat. Daarom creëerde Terralingua de Index of Linguistic Diversity, die op hun website wordt omschreven als de ‘allereerste kwantitatieve maatstaf voor trends in de wereldwijde taalkundige diversiteit’. Deze index toonde aan dat de mondiale taalkundige diversiteit van 1970 tot 2005 met naar schatting 20 procent was afgenomen, waarbij inheemse talen het zwaarst waren getroffen. Als we deze gegevens naast die over biodiversiteit leggen, zien we iets onthullends. De trends in taalverlies weerspiegelen nauw de afname van de mondiale biodiversiteit. De Living Planet Index van het Wereld Natuur Fonds stelde vast dat in diezelfde periode planten- en diersoorten gemiddeld met 27 procent afnamen.

    ‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit’

    De Index of Linguistic Diversity van Terralingua bouwde voort op eerder werk van Harmon en Jonathan Loh, een wetenschapper die gespecialiseerd is in mondiale biologische en culturele diversiteit; dat werk wees op verbanden tussen de staat van ’s werelds taalkundige diversiteit en die van de biodiversiteit. In 2012 onthulde een studie in Proceedings of the National Academy of Sciences dat biodiversiteitshotspots en wilde natuurgebieden met een hoge biodiversiteit de thuisbasis zijn van 70 procent van de wereldtalen. De studie benadrukte ook dat veel van deze talen endemisch zijn in hun regio en met uitsterven worden bedreigd, en wees op de parallelle afname van mondiale taalkundige en biologische diversiteit.

    ‘We konden aantonen dat ongeveer driekwart van de talen op aarde wordt gesproken in gebieden met een hoge biodiversiteit, wat neerkomt op een kwart van het landoppervlak, Antarctica niet meegerekend,’ zegt Larry Gorenflo, medeauteur van de studie en hoogleraar landschapsarchitectuur, geografie, Afrikaanse studies en antropologie aan de Pennsylvania State University. ‘Van sommige van deze biodiversiteitshotspots is de taalkundige diversiteit ronduit fenomenaal.’ 

    Volgens Gorenflo kun je taalkundige diversiteit zien als een indicator voor culturele diversiteit in bredere zin, die traditioneel gezien moeilijker te definiëren was. ‘Lange tijd werd antropologie beschouwd als de sociale wetenschap die cultuur bestudeerde. Maar niemand was het helemaal eens over wat cultuur precies inhield,’ zegt hij. ‘Taalkundige diversiteit wordt in feite gebruikt als maatstaf voor culturele diversiteit.’

    De precieze redenen achter de verbanden tussen talen en natuur zijn niet volledig duidelijk, aldus Gorenflo. Eerdere studies wezen erop dat in gebieden met een groot aantal hulpbronnen taalkundige diversiteit ontstaat doordat mensen zich moeten aanpassen aan een complexere omgeving. Volgens anderen verkleinen overvloedige hulpbronnen de kans dat men deze moet delen en zodoende in tijden van nood moet communiceren met naburige groepen. Weer ander onderzoek suggereert dat de redenen achter dit gelijktijdig voorkomen veel ingewikkelder zijn en per gebied verschillen. Gorenflo benadrukt de noodzaak van meer onderzoek. ‘Als we dit verband begrijpen, kan dat de manier beïnvloeden waarop we omgaan met de relatie tussen inheemse volkeren en biologische diversiteit – en met de natuur.’

    Taal en ecologische wijsheid

    Taalkundigen schatten dat er ongeveer 8324 talen in de wereld zijn, waarvan er volgens de website Ethnologue nog 7164 worden gesproken. De verdeling van de wereldbevolking over deze talen is echter ongelijk. Meer dan de helft van de acht miljard mensen op aarde spreekt een van de 25 meest voorkomende talen. De meeste van de overige 7139 talen hebben maar weinig sprekers. Ongeveer de helft van alle talen wordt gesproken door gemeenschappen van tienduizend mensen of minder, en een paar honderd talen hebben slechts maximaal tien sprekers.

    Volgens Gary Simons, hoofdredacteur van Ethnologue, sterft er ongeveer elke veertig dagen een taal uit. Taalkundige Kenneth Hale vergeleek het verlies van één enkele taal met ‘een bom op het Louvre’, vanwege de cultuur en ‘intellectuele rijkdom’ die in elk ervan besloten ligt. De snelheid waarmee talen uitsterven zal naar verwachting toenemen naarmate kinderen ze niet meer leren en oudere sprekers overlijden. De meeste talen zijn spoorloos verdwenen doordat ze gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis uitsluitend mondeling werden overgeleverd. Maar het zijn juist de bedreigde talen die de schoonheid van de menselijke diversiteit en de flexibiliteit van de menselijke geest blootleggen. Zo kennen sommige talen zeer gespecialiseerde termen op het gebied van bijvoorbeeld kruidengeneeskunde, astronomie of zeewier.

    Náhuatl wordt een schoolvak in Mexico-Stad

    Clara Brugada, de nieuwe burgemeester van Mexico-Stad, wil het Náhuatl, een van de belangrijkste inheemse talen van Mexico, invoeren op openbare scholen in de hoofdstad. De taal is jarenlang genegeerd in het officiële onderwijssysteem en wordt nu een vak op 78 scholen.

    Mexico-Stad is een smeltkroes van meer dan zestig verschillende inheemse talen. Zo’n veertigduizend inwoners van de stad spreken nog Náhuatl en veel woorden die je er in het dagelijks leven regelmatig hoort komen uit het Náhuatl, zoals apapacho (liefkozing), tianguis (markt) en guacamole.

    Volgens Pablo Yanes Rizo, secretaris van Onderwijs in de Mexicaanse hoofdstad, is dit initiatief ook een manier om het bestaan te erkennen van een culturele realiteit met een lange geschiedenis. Veertig procent van de 25 miljoen mensen die zichzelf als inheems beschouwen, zegt vaak gediscrimineerd te worden. Er bestaat een duidelijke klassenscheiding in veel delen van het land, blijkt uit onderzoek, waarbij niet voor iedereen dezelfde rechten gelden.

    Het initiatief kreeg zowel applaus als kritiek. Taalkundige Yásnaya Aguilar Gil zegt in El País dat een eerdere poging in 2007 uiteindelijk op niets uitliep. Ze vindt dit ‘losse, tijdelijke acties zonder een breder beleidsplan die zelden een duurzaam effect hebben’. Volgens haar is er een hervorming nodig die de invoering van andere talen structureel mogelijk maakt, zoals in Catalonië of Baskenland.

    Daarnaast is het de vraag of onderwijs in het Náhuatl de toch al zwakke positie van het Engels in het openbare onderwijs verder zal ondermijnen. In een wereld waarin het Engels vaak toegang biedt tot hogere studies en betere banen, blijft Mexico achter: volgens ­studies beheerst zo’n 97 procent van de leerlingen in het openbaar onderwijs het Engels niet op basaal niveau. Voorstanders van het Náhuatl-initiatief erkennen dat, maar benadrukken dat het leren van inheemse talen ook cognitieve voordelen en een dieper cultureel bewustzijn met zich meebrengt.

    Talen zijn schatkamers van wijsheid die generaties lang zijn doorgegeven. Vaak is deze wijsheid ecologisch van aard. In het westen van Canada en de Verenigde Staten geven uitdrukkingen in inheemse talen aan wanneer wilde planten geoogst moeten worden. Australische Aboriginals definiëren de seizoenen op basis van signalen zoals de bloei van inheemse bomen, die op hun beurt informatie bieden voor het bestrijden van bosbranden. Traditionele Sami-kalenders kennen dertien maanden, gebaseerd op plantengroei en dierlijke activiteit in een bepaalde periode van het jaar, zoals miessemánnu (rendierkalfmaand) en borgemánnu (rendiervachtwisselmaand). Maar de uitdrukking Mitákuye Oyás’in, van de Lakota, die zowel ‘al mijn verwanten’ (menselijk en niet-menselijk) betekent als ‘alles is verwant’, verwoordt de onderlinge verbondenheid van mens en natuur misschien nog wel het best.

    Veel bedreigde talen drukken eerbied en respect uit voor de natuur en een besef van het evenwicht dat moet worden bewaard. ‘Voor gemeenschappen die een innige band hebben met hun directe omgeving is het land de leermeester. Je moet de lessen van het land leren om te overleven en te gedijen, en dat raakt natuurlijk verankerd in je waardensysteem, dat tot uiting komt in taal,’ zegt Maffi. ‘Nergens zul je een filosofie vinden die zegt: neem zo veel als je maar wilt en trek je van de toekomst niks aan.’

    Taal als koloniaal wapen

    De opmerkelijke concentratie van talen in ’s werelds meest biodiverse regio’s, vooral in de tropen en gebieden nabij de evenaar, kan deels worden verklaard door de beschermende rol die deze wildernisgebieden speelden tegen kolonisatie. Historisch gezien werd het uitsterven van talen vaak veroorzaakt door kolonialisme. Zoals Alfred Crosby betoogt in Ecological Imperialism, gaven Europese kolonisten doorgaans de voorkeur aan gebieden met vlak, vruchtbaar land dat makkelijker te bewonen en bebouwen was. 

    Tropische regio’s daarentegen brachten meer uitdagingen met zich mee, waaronder ziektes waar Europeanen vatbaarder voor waren wegens een gebrek aan immuniteit. En het zijn de geïsoleerde, moeilijk bereikbare gebieden die naar meer diversiteit neigen. ‘In berggebieden en op eilanden vind je veel biodiversiteit. En als het lastig is om je er te verplaatsen, tref je er ook al snel behoorlijk wat culturele diversiteit aan,’ vertelt Gorenflo.

    GettyImages 578262616
    In Balwina, in West-Australië, zoeken Balgo-vrouwen naar bijzondere kikkers die water in hun lichaam opslaan. – © Getty Images

    Europeanen beseften al snel dat in de gebieden die ze wel koloniseerden, taal cruciaal was voor hun missie. Om politiek en economisch te overheersen, zagen de koloniserende machten in dat ze ook op het gebied van taal moesten domineren. De Spaanse geleerde Antonio de Nebrija pleitte voor het belang van het schrijven van grammatica’s en woordenboeken in het Castiliaans. In 1492 schreef hij: ‘Taal en het rijk gaan immer hand in hand.’ Tegen het begin van de twintigste eeuw was door eeuwenlang kolonialisme zo’n 20 procent van de inheemse talen in Australië, de VS, Zuid-Afrika en Argentinië verloren gegaan.

    ‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’

    Door hun moedertalen uit te roeien, ontnamen kolonisatoren de lokale bevolking hun band met de cultuur, alsook herinneringen, gemeenschappelijke identiteit en de relatie met het land, dat hun eveneens was afgenomen. ‘Taal, elke taal, heeft een dubbel karakter: het is zowel een communicatiemiddel als een drager van cultuur’, schreef de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o. Zo werd de bevolking dus verhinderd om hun kennis door te geven aan de volgende generatie. Ngugi sprak treffend van ‘kolonisatie van de geest’. 

    Tegenwoordig is taalverlies vaak een gevolg van wat veel mensen in geïndustrialiseerde samenlevingen ‘vooruitgang’ zouden noemen: gemengde huwelijken, het onderwijzen van ‘populairdere’ talen op scholen en migratie voor betere kansen. Inheemse talen zijn moeilijk te behouden wanneer de sprekers zich aanpassen aan nieuwe levensomstandigheden en hun talen niet meer in de oorspronkelijke context gebruiken.

    Conservatie en inheemse kennis

    Paradoxaal genoeg stond het idee dat mensen losstaan van de natuur ook centraal in de ideologie rond natuurbehoud. Tijdens een reis naar de Verenigde Staten in 1919 bezocht koning Albert I van België drie nationale parken: Yellowstone, Yosemite en de Grand Canyon. Dit was enkele jaren nadat president Woodrow Wilson een wet had ondertekend die een National Park Service in het leven riep, met de bedoeling 35 nationale parken en monumenten te beschermen. Koning Albert, geïnspireerd door wat hij aan de andere kant van de Atlantische Oceaan had gezien, besloot een paar jaar later, in 1925, zijn eigen park op te richten in Belgisch-Congo. Hij noemde het het Albert Nationaal Park. Dit park, nu bekend als het Virunga Nationaal Park in Congo, wordt beschouwd als het eerste nationale park op het Afrikaanse continent.

    Het concept van een ‘nationaal park’ stamt uit een negentiende-eeuwse natuurbeschermingsbeweging met de overtuiging dat de natuur gescheiden moest worden van en beschermd tegen de mensen die er wonen. De Belgische autoriteiten beweerden dat er slechts zo’n driehonderd mensen in het park in Congo woonden, maar in werkelijkheid verdreven ze duizenden Hutu’s en Tutsi’s met geweld uit het gebied. Door de jaren heen is de biodiversiteit er bedreigd door oorlog, ontbossing, stroperij en olie- en gasboringen, terwijl het ‘fort’-beschermingsmodel (waarbij omgevingen onaangetast blijven door menselijke invloed) onder vuur is komen te liggen doordat de lokale bevolking niet langer bij de hulpbronnen kan.

    Een vergelijkbaar verhaal speelde zich enkele decennia eerder af in de vallei die nu bekendstaat als Yosemite. Toen natuuronderzoeker John Muir er in 1868 arriveerde, stond hij versteld van het adembenemende landschap. Hij besefte niet dat die schoonheid het resultaat was van zorgvuldig beheer door de Ahwahneechee, een stam die een mengeling was van de Noordelijke Paiute en de Sierra Miwok. Deze gemeenschappen, wier talen een diepgaand begrip van de lokale planten en dieren weerspiegelden, werden in 1851 met geweld verdreven door het Mariposa-bataljon onder leiding van James Savage. 

    ‘Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven’

    Na de oprichting van het nationale park, gebaseerd op Muirs idee van ‘pure wildernis’, werd de leefwijze van de Ahwahneechee steeds meer aan banden gelegd. Inheemse bewoners werden verplaatst naar het dorp Indian Canyon, dat uiteindelijk werd vernietigd, waarbij de bewoners werden verdreven. In haar boek Savage Dreams schrijft Rebecca Solnit dat in 1969 ‘het oorspronkelijke doel van het Mariposa-bataljon dichterbij kwam: de verdrijving van de Ahwahneechee uit de vallei waar ze duizenden jaren waren verbleven’.

    Tegenwoordig spreken nog slechts vierhonderd mensen de taal van de Noordelijke Paiute, terwijl dat van de Sierra Miwok is geslonken tot een handjevol sprekers. Studies hebben inmiddels aangetoond dat hun verdrijving leidde tot ecologische achteruitgang. Een rapport uit 1996 van het Sierra Nevada Ecosystem Project concludeerde dat er ‘een ecologisch “vacuüm” of onevenwicht in de Sierra Nevada ontstond door het vertrek van de inheemse Amerikanen die deze ecosystemen beheerden’. De verwijdering van inheemse gemeenschappen en hun landbeheertechnieken, die vaak gericht waren op natuurbehoud, heeft de aantasting van het milieu waarschijnlijk verergerd, zoals ook blijkt uit de verwoestende bosbranden die onlangs in Los Angeles woedden.

    Voordelen van meertaligheid

    Meertaligheid maakt mensen slimmer, socialer en gezonder.

    Ondanks oude vooroordelen tonen moderne onderzoeken overtuigend aan dat tweetaligheid mentale voordelen biedt. Tweetaligen presteren beter in cognitieve en sociale taken, herstellen sneller van een beroerte en ontwikkelen later dementie dan eentalige mensen, aldus Mosaic Science. Het brein van tweetaligen is flexibeler, multitaskt beter en heeft meer grijze stof. Taal beïnvloedt ook het wereldbeeld en het gedrag. Kinderen die tweetalig onderwijs krijgen, zijn vaak zelfverzekerder en betrokkener.

    Bovendien is, bijvoorbeeld in de VS, de vraag naar tweetalige werknemers sterk gestegen, vooral naar sprekers van het Spaans, Chinees en Arabisch. Van 2010 tot 2016 verdubbelde het aantal vacatures waarin tweetaligheid vereist is, schrijft Boston Globe. Het gaat om zowel hoog- als laagopgeleide functies, veelal in het onderwijs, de gezondheidszorg en de klantenservice. Vooral eerstegeneratie-immigranten zijn hierbij in trek.

    En hoewel native speakers op het eerste gezicht een streepje voor lijken te hebben binnen een internationale werkomgeving, biedt werken in een tweede taal verrassende voordelen, onderzocht The Economist. Niet-native speakers worden soms onderschat, wat strategisch kan uitpakken in onderhandelingen. Ze denken vaak zorgvuldiger na, nemen rationelere beslissingen en herkennen culturele gevoeligheden beter. Tweetaligheid stimuleert ook empathie en een ‘afwijkend accent’ wordt vaak charmant gevonden. Werken in een vreemde taal kan dus, ondanks de moeite, leiden tot scherpere analyses en betere communicatie.

    ‘Mensen vormen een essentieel onderdeel van een ecosysteem,’ zegt Gorenflo. ‘Het verlies van talen kan leiden tot verlies van biodiversiteit, deels doordat er een afstand ontstaat tot traditionele gedragspatronen, zoals landschapsbeheer.’ Hij voegt eraan toe dat er inmiddels een groeiend besef bestaat dat inheemse volkeren en lokale gemeenschappen de beste beheerders zijn van hun land. ‘Als je de taal verliest, is dat een van de puzzelstukjes die verloren gaan. De mensen die deze talen spreken, volgden in veel gevallen traditionele gebruiken – op het gebied van landschapsbeheer, grondstoffengebruik en in sommige gevallen zelfs natuurbehoud – en die komen de biodiversiteit uiteindelijk ten goede.’

    Uiteraard is het meeste inheemse land niet verloren gegaan aan nationale parken, maar aan grootschalige landbouw en stedelijke wildgroei. In de Sonorawoestijn [in Mexico en de VS] heeft de afname van planten als de mesquite en de populier invloed gehad op de traditionele ceremonies van de inheemse Yoeme-gemeenschappen, die voor veel van hun rituelen afhankelijk zijn van de natuur. Hun kennis van het landschap komt in veel van hun liederen tot uiting, maar naarmate deze gebieden meer bebouwd raken en planten verdwijnen, verliezen deze liederen hun betekenis en worden ze niet langer doorgegeven aan toekomstige generaties.

    Taalbehoud als conservatie

    Maffi ziet de overvloed aan talen, culturen en biodiversiteit binnen een gebied als onderling afhankelijke elementen die elkaar wederzijds versterken. Het behoud van de talen in de wereld kan dan ook worden gezien als een essentieel instrument in de strijd tegen de klimaatcrisis. Op Hawaï is de groene zeeschildpad, of honu – een bedreigde diersoort die wordt beschermd door de Amerikaanse wet – al van oudsher een krachtig symbool van de lokale cultuur. De honu staat voor wijsheid, bescherming en spirituele leiding. Volgens traditioneel geloof is de honu een ‘aumakua, een persoonlijke of familiegod, of een vergoddelijkte voorouder. Veel ‘aumakua zijn dieren, maar het kunnen ook planten zijn – een traditie die doet denken aan hoe de Lakota alle andere levende wezens als ‘verwanten’ beschouwen.

    GettyImages 1288684526
    De bedreigde groene zeeschildpad in de warme, ondiepe wateren rond Hawaï. – © Getty Images

    Naast deze tradities is de Hawaïaanse taal essentieel voor de identiteit van de eilandengroep. Beide ondergingen echter een verwoestende neergang in de twintigste eeuw: de populaties honu kelderden door overbevissing, terwijl het Hawaïaans bijna verdween door een wet die het Engels tot 1987 uitriep tot de enige onderwijstaal op alle openbare en privéscholen. In die periode werden leerlingen gestraft als ze Hawaïaans spraken.

    De afgelopen decennia zijn zowel de honu als de Hawaïaanse taal echter centraal komen te staan in de heropleving van de Hawaïaanse cultuur. De nestpopulaties van de honu zijn de laatste twintig jaar jaarlijks met 5 procent gegroeid, terwijl het aantal Hawaïaans-sprekers in dezelfde periode spectaculair is toegenomen (van 1500 in 1980 tot 18.000 in 2016) dankzij programma’s en een verbeterde taalvaardigheid onder jongere generaties. Biodiversiteit en taal vormen samen het hernieuwde herstel van het natuurlijke en culturele erfgoed van Hawaï, en beide spelen een essentiële rol in de herverbinding van de bewoners met hun voorouderlijke tradities en identiteit.

    Een universeel woord: huh?

    Een van de resultaten uit een vergelijkende taalstudie door onderzoekers van het Max Planck Instituut in Nijmegen is dat bijna elke taal een variant van het woord ‘huh?’ kent. Het klinkt zelfs overal vrijwel hetzelfde, al wordt het vaak net iets anders geschreven: ehh, hè, hein of eh. Maar in elke taal is duidelijk wat ermee wordt bedoeld: een vraag om herhaling of duidelijkheid.
    Mark Dingemanse, Francisco Torreira en Nick Enfield bestudeerden talen over de hele wereld en ontdekten dat er overal wel een woord is dat qua vorm en betekenis lijkt op ‘hè?’ Dat ‘hè’ of ‘huh’ helemaal geen woorden zouden zijn, weerleggen Dingemanse en zijn collega’s. Ook andere taalkundigen kwamen tot de conclusie dat ‘hè’ grammaticaal verbonden is aan een zin die eraan voorafgaat, en niet zomaar losstaat. Het is te begrijpen in verschillende contexten, bijvoorbeeld bij verbazing of om instemming te vragen.

    Het zou een vorm van convergente evolutie zijn, een fenomeen dat bekend is uit de evolutionaire biologie. Als verschillende soorten in een gelijksoortige omgeving leven, kunnen ze onafhankelijk van elkaar gelijkenissen gaan vertonen. Haaien en dolfijnen bijvoorbeeld hebben een verschillende evolutionaire afstamming, maar toch heeft hun lichaam eenzelfde soort vorm, aangepast aan het water. Op een vergelijkbare manier, zo stellen Dingemanse en zijn collega’s, kunnen woorden eenzelfde vorm aannemen als ze voorkomen in dezelfde omgeving.

    Het wereldwijde gebruik van ‘huh’ of ‘hè’ is dus niet slechts een toevallige gelijkenis, maar een hulpmiddel dat illustreert hoe menselijke communicatie, ondanks de linguïstische diversiteit, op een ­fundamenteel niveau universele ­kenmerken deelt.

    Op het Japanse eiland Okinoerabu zijn sprekers van het Shimamuni – een lokale variant van het Kunigami, een taal die als ‘ernstig bedreigd’ wordt beschouwd – een schoolproject gestart. Kinderen komen dagelijks bijeen om het strand schoon te maken terwijl ze in hun taal zingen. Ook houden ze in dezelfde taal een dagboek bij. Deze aanpak bleek niet alleen effectiever dan lesgeven in een klaslokaal, maar verbeterde ook de communicatie over milieukwesties met oudere eilandbewoners. Zo bleken sommigen van hen te denken dat zwerfafval vanzelf zou vergaan. Dit voorbeeld toont de risico’s van het verlies van communicatie tussen generaties, met schadelijke gevolgen voor de gemeenschap als geheel.

    Het belang van meertaligheid

    Zonder inspanningen voor heropleving zal het taalverlies volgens wetenschappers binnen veertig jaar zijn verdrievoudigd. Taalkundigen voorspellen dat 50 tot 90 procent van de wereldtalen aan het eind van deze eeuw zal zijn uitgestorven, met rampzalige gevolgen voor de betreffende gemeenschappen, de wetenschap en het cultureel erfgoed. Het feit dat leerlingen die langer op school zitten eerder met dit taalverlies te maken hebben, wijst erop dat de snelle achteruitgang kan worden gelinkt aan een eentalige manier van denken. Hoewel meertaligheid dominant is onder mensen (zo’n 60 procent van de wereldbevolking spreekt meer dan een taal), zien veel landen zichzelf als eentalige natiestaten, waarin één enkele taal cruciaal wordt geacht voor het behoud van de nationale identiteit. ‘Het idee van niet alleen nationale maar ook taalkundige eenheid en uniformiteit kwam pas echt op met de vorming van de natiestaat in de moderne tijd,’ vertelt Maffi. ‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’ 

    Lange tijd was de overtuiging dat de dominante taal zogenaamd minder ‘wenselijke’ talen moest vervangen, in plaats van dat co-existentie bevorderd werd. De overtuiging dat tweetalige kinderen in de war raken of moeite hebben met het leren van meerdere talen tegelijk, is door onderzoek veelvuldig ontkracht. Studies tonen juist consequent de talrijke cognitieve voordelen van meertaligheid aan. Willen de duizenden ‘kleinere’ talen ter wereld overleven, dan is dringend een andere aanpak nodig, waarbij we afstappen van eentaligheid als norm en erkennen dat het ‘nut’ van een taal niet per se wordt bepaald door het aantal sprekers.

    ‘Het belang van meertaligheid moet opnieuw worden erkend.’ 

    Talen zijn, zoals Ralph Waldo Emerson het in zijn boek The Poet verwoordt, ‘historische archieven’. Taalkundige Nicholas Evans merkte op dat ‘ze ons niet alleen inzicht geven in menselijke cognitie, maar ook in het rijke weefsel van menselijke ervaringen door de eeuwen heen’. Als we ze verliezen, riskeren we niet alleen een groot deel van de menselijke geschiedenis kwijt te raken, maar ook het vermogen om verschillende manieren van kijken naar en leven op de wereld te begrijpen. 

    Utsi, de rendierherder, noemt nog een Noord-Samisch woord dat illustreert hoe zijn taal uniek is toegesneden op de omgeving waarin deze ontstond. ‘Guorban is een woord dat “overgraasd” betekent, tot op het punt waar de korstmossen zullen verdwijnen. Je wilt dus eigenlijk niet guorbadit [overgrazen], want dan vernietig je de weide voor de volgende generatie,’ vertelt hij.

    Volgens Gorenflo worden de factoren die de gelijktijdige aanwezigheid van taalkundige en biologische diversiteit veroorzaken, en die aanvankelijk raadselachtig leken, steeds helderder. ‘Ik beschouw taal als een verlengstuk van het culturele systeem, dat op zijn beurt deel uitmaakt van de bredere ecologie van de wereld. Het is dus bovenal belangrijk om te verkennen hoe deze ecologie eruitziet.’ 

    Het behoud van bedreigde talen gaat om meer dan alleen het redden van woorden. Het kan cruciaal zijn voor het veiligstellen van eeuwenoude menselijke kennis en helpt ons de systemen die ons allen in stand houden beter te begrijpen.

  • Niet iedereen in het Globale Zuiden is rouwig om de teloorgang van USAID

    Niet iedereen in het Globale Zuiden is rouwig om de teloorgang van USAID

    Volgens de Keniaanse opinieschrijver Patrick Gathara heeft ontwikkelingshulp altijd in dienst gestaan van een wereldwijd koloniaal systeem. De implosie van deze bedrijfstak, waar de ontmanteling van USAID een voorbeeld van is, biedt de kans om een ​​nieuwe wereldorde te scheppen met meer onafhankelijkheid en gelijkheid.

    De bliksemcampagne van Donald Trump tegen het US Agency for International Development (USAID) heeft deze organisatie, die als ‘grootste donor ter wereld’ te boek staat, te gronde gericht. Aan de betrokkenen de ondankbare taak het internationale systeem voor ontwikkelings- en humanitaire hulp van de totale ondergang te redden. Velen betreuren de ernstige gevolgen van dit ongeëvenaarde besluit van de Amerikaanse president, die hierin overigens niet helemaal alleen staat, want ook andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, willen bezuinigen op ontwikkelingshulp.

    Ontwikkelingswerker Luca Crudeli, naar eigen zeggen sinds 2003 gepassioneerd bezig met zijn vak, schreef op LinkedIn dat hij gebukt gaat onder het gevoel ‘dat de morele kern van ons werk geruisloos uit onze handen glipt’ en onder het verontrustende besef ‘dat de humanistische essentie van ontwikkelingshulp zoek kan raken in een wirwar van contracten en strategische statistieken’.

    Maar die omschrijving van ontwikkelingshulp als iets essentieel humanistisch zal veel mensen in het Globale Zuiden nogal wrang in de oren klinken. Ongetwijfeld zijn veel ontwikkelingswerkers fatsoenlijke mensen met moreel besef die zich oprecht bekommeren om het welzijn van hun medemensen wereldwijd. Ook staat vast dat de hulpindustrie ervoor zorgt dat miljoenen mensen kunnen overleven.

    Desalniettemin is de essentie van ontwikkelingshulp altijd al veel minder humanistisch geweest dan de pleitbezorgers ervan beweren. In werkelijkheid is de hulpindustrie een instrument voor geopolitiek beheer geweest, een middel om wereldwijde ongelijkheid en de onttrekking van middelen die deze voedt in stand te houden in plaats van tegen te gaan. De afgelopen dagen, na de teloorgang van USAID, heeft deze realiteit steeds meer aandacht gekregen ​​– bewust of onbewust.

    Amerikaanse belangen

    Een verklaring van InterAction, een alliantie die ‘de stemmen van Amerika’s leidende humanitaire en ontwikkelingsorganisaties bundelt en versterkt’, maakte dat heel duidelijk. Deze organisaties, zo stond er vóór een haastige herschrijving, ‘werken onvermoeibaar om levens te redden en de Amerikaanse belangen wereldwijd te bevorderen’. Met de toevoeging dat de aanval op USAID ‘programma’s ter ondersteuning van Amerikaans mondiaal leiderschap’ heeft opgeschort en ‘gevaarlijke vacuüms heeft gecreëerd die China en onze tegenstanders snel zullen opvullen’. Klinkt dit ‘humanistisch’?

    Marina Kobzeva, die bijna twintig jaar als hulpverlener heeft gewerkt, schreef in een reactie hoe verschillend er op de verklaring is gereageerd. Collega’s uit het Globale Noorden repten van een ‘slechte formulering’ en ‘een oprechte vergissing’, terwijl die uit het Globale Zuiden een soort genoegdoening leken te voelen: ‘Eindelijk laten ze hun ware aard zien.’

    Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme

    Het westerse humanitarisme is vanaf het begin nauw verbonden geweest met westers kolonialisme. Zo werd de Berlijnse Conferentie van 1884-1885, die de opmaat vormde voor de verovering van Afrika door Europa, als een humanitaire aangelegenheid gepresenteerd. En hoewel de eerste humanitaire organisaties werden opgericht om de gruwelijke gevolgen van conflicten in Europa aan te pakken toen wederopbouwprojecten na de Tweede Wereldoorlog op een lager pitje kwamen te staan, begonnen veel organisaties zich te roeren in het Globale Zuiden, waar ze het westerse hegemonisme actief ondersteunden.

    Goed beschouwd was de hulpindustrie een rechtstreeks vervolg op de ‘beschavingsmissie’ van het kolonialisme. Het weldoenersimago verdoezelt de uitbuitende natuur van het internationale systeem, en probeert de ergste excessen te verzachten zonder daadwerkelijk aan dat systeem te tornen. Feitelijk is er sprake van een symbiotische relatie. De hulpindustrie legitimeert wereldwijd op exploitatie gerichte handels- en bestuursstelsels, en wat die opleveren legitimeert weer het bestaan ​​van hulporganisaties.

    Structurele transformatie

    Hierdoor is de geracialiseerde wereldorde nauwelijks veranderd en blijft er diepe ongelijkheid bestaan, ondanks de groei van hulp- en ontwikkelingsorganisaties. Een onderzoek uit 1997 van het Amerikaanse Congressional Budget Office concludeerde dat buitenlandse hulp hooguit een marginale rol speelde in economische ontwikkeling en het menselijk welzijn, en die ontwikkeling zelfs kon belemmeren, afhankelijk van plaats en omstandigheden.

    Het is daarom niet verrassend dat nu de hulpsector bezig is om te vallen, sommige zogenaamde begunstigden daar niet zo rouwig om zijn. Heba Aly, voormalig directeur van het persbureau The New Humanitarian, merkte op dat tijdens een recente bijeenkomst ‘sommige activisten uit het Globale Zuiden zich minder zorgen maakten over bezuinigingen op hulp dan de donoren. Het zou hun eigen leiders misschien dwingen verantwoordelijkheid te nemen en niet langer afhankelijk te zijn van ondersteuning.’ Hieruit blijkt hoe hulpverlening fundamentele hervormingen van zowel mondiale als nationale systemen van koloniale exploitatie vervangt door liefdadigheid.

    ‘Als dit het begin is van het einde van hulp, moeten we ons richten op een structurele transformatie’

    De uitholling van westerse hulp zal ongetwijfeld tragisch en pijnlijk zijn. Sommige van ’s werelds meest kwetsbaren zullen lijden, velen zullen sterven. Dit aspect verdient een belangrijke plaats in discussies over de rechtvaardigheid of kwalijkheid van hulp in het algemeen. We moeten de wereld tegemoet treden zoals die is, niet zoals we willen dat die is, en al het mogelijke in het werk stellen om ongunstige effecten te verzachten.

    Maar dit is ook een kans om een wereld zonder ontwikkelingshulp op te bouwen. ‘Als dit het begin is van het einde van hulp,’ schrijft Aly, ‘moeten we ons richten op een structurele transformatie’: de hervorming van mondiale handels- en financiële systemen die ervoor hebben gezorgd dat de armsten hebben betaald voor de levensstijl van de rijken.

    Dat betekent niet dat we een Hobbesiaanse wereld krijgen zonder solidariteit. Wel een wereld waarin liefdadigheid geen dekmantel is voor onrechtvaardigheid. Het einde van hulp betekent idealiter ook het einde van ’ontwikkeling’, een verderfelijke ideologie die ervan uitgaat dat de ‘ontwikkelde wereld’, waarvan de welvaart stoelt op de ruïnering van andere samenlevingen en van de aarde, een voorbeeld is dat navolging verdient. We moeten werken aan een wereldorde die werkelijk humanistisch is.

  • Franse minister annuleert reis naar COP29 wegens spanningen met Bakoe

    Franse minister annuleert reis naar COP29 wegens spanningen met Bakoe

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » RN-proces: gevangenisstraf en onverkiesbaarheid geëist tegen Marine Le Pen

    » Brazilië: man geladen met explosieven sterft voor het Hooggerechtshof

    Frankrijk steunt Armenië, een grote rivaal van Azerbeidzjan

    De Franse minister van Landbouw en Voedselbeleid Agnès Pannier-Runacher heeft woensdag bekendgemaakt dat ze niet naar de grote klimaatconferentie in Azerbeidzjan zal gaan als reactie op de ’onacceptabele‘ aanvallen van de Azerbeidzjaanse president Ilham Aliev ’tegen Frankrijk en Europa’. Geen enkel lid van de Franse regering zal dit jaar de top bijwonen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In een toespraak tot vertegenwoordigers van eilandstaten tijdens COP29 op woensdag, hekelde Aliev de koloniale geschiedenis van Frankrijk, in het bijzonder de kernproeven in het verleden, en wat hij omschreef als de misdaden ’van het regime van president Macron’ in overzeese gebieden, met name Nieuw-Caledonië.

    ’De betrekkingen tussen Parijs en Bakoe zijn bekoeld vanwege de langdurige steun van Frankrijk aan zijn rivaal Armenië, dat vorig jaar door Azerbeidzjan werd verslagen in een bliksemsnel militair offensief waarbij de afgescheiden regio Nagorno-Karabach werd heroverd’, aldus Al-Jazeera.

  • Niger geeft straten en monumenten met Franse namen een nieuwe naam

    Niger geeft straten en monumenten met Franse namen een nieuwe naam

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Brazilië wil strengere straffen voor milieudelicten invoeren

    » IJsland: kabinet gevallen, vervroegde verkiezingen aangekondigd

    Het land wil afrekenen met zijn koloniaal verleden

    Op dinsdag gingen in Niger verschillende leden van de junta, op de klanken van militaire muziek, de straten van de hoofdstad Niamey op om een nieuwe naam te geven aan een aantal historische plaatsen die verwijzen naar de voormalige koloniale mogendheid die het regime de rug heeft toegekeerd.

    Zo is de Avenue Charles de Gaulle omgedoopt tot de Avenue Djibo Bakary, als eerbetoon aan deze politicus en voorvechter van de onafhankelijkheid die in 1960 werd bereikt.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    In de hoofdstad liepen de meningen dinsdag uiteen ‘over de gepastheid en het belang van deze beslissing’, meldt Deutsche Welle. ‘Aangezien we al in een nieuw Niger leven, geloof ik dat dit ons land een nieuw gezicht zal geven’, zei een inwoner die geïnterviewd werd door de Duitse media.

    Een ander daarentegen zag het als ‘pure folklore en populisme’. ‘Wat heeft het vernoemen van lanen vandaag de dag te maken met het lijden en de toenemende onveiligheid die de mensen in Niger ervaren?’ vroeg hij zich af.

  • Verder kijken dan de schoonheid van een Vermeer: ‘In de schilderijen ligt koloniaal verdriet besloten’

    Verder kijken dan de schoonheid van een Vermeer: ‘In de schilderijen ligt koloniaal verdriet besloten’

    Als je weet waar je moet kijken, kun je het geweld van Vermeers tijd terugvinden in zijn serene meesterwerken. Zijn schilderijen kunnen niet slechts als decoratief of technisch hoogstaand worden gezien, betoogt kunstliefhebber en schrijver Teju Cole. Ze dragen de last van eeuwen koloniale geschiedenis op hun schouders.

    Ik maakte kennis met Vermeer toen ik op een middag door de boeken en publicaties bladerde die bij ons thuis, in Lagos, in de boekenkast stonden. Ik was veertien of vijftien. Tussen de oude studieboeken van mijn ouders (Nigeriaanse toneelstukken, Franse geschiedenisboeken, handboeken over bedrijfsmanagement) vond ik iets dat ik nog niet eerder had gezien: het jaarverslag van een multinational. Ik weet niet meer welk bedrijf het was, maar het moet iets met eten of drinken te maken hebben gehad, want op de voorkant stond een schilderij van boeren in een glooiend veld en op de achterkant dat van een vrouw die melk inschenkt.

    Ik weet nog hoe kalm ik me die middag voelde en hoe gefascineerd ik was door de afbeeldingen in het verslag. Ze leken de ruimte om me heen te transformeren. De onderschriften vertelden me dat het de schilderijen De korenoogst van Pieter Bruegel de Oude en Het melkmeisje van Johannes Vermeer betrof. Ik kende deze werken niet, maar ik was al wel een groot kunstliefhebber en wist wanneer iets me echt raakte. Vooral het schilderij van Vermeer had een indrukwekkende, mysterieuze aantrekkingskracht. Nog nooit had ik een muur zo goed geschilderd gezien, of een menselijke figuur zo overtuigend gesitueerd in de visuele ruimte. En alles was doordrenkt van licht dat het tafereel, meer nog dan andere schilderijen, levensecht maakte. De term ‘Noordelijk licht’ kwam toen nog niet in me op, maar ik wist wel dat ik naar iets vreemds en verleidelijks keek, iets dat zich afspeelde in een wereld die radicaal verschilde van mijn tropische omgeving.

    Portaal

    Nog steeds ontroert het me als ik terugdenk aan het stille wonder dat zich op die middag voor mijn adolescentenoog voltrok. Sindsdien is mijn band met kunst veranderd: nu zoek ik naar het problematische. Een schilderij van Vermeer is voor mij niet meer simpelweg ‘vreemd en verleidelijk’, maar een artefact dat getuigt van ’s werelds complexiteit: de tijd waarin het schilderij gemaakt werd, bijvoorbeeld, is verstrengeld met onze tijd. Op deze manier kijken doet in geen enkel opzicht afbreuk aan die kunstwerken. Integendeel, het verleent ze openheid: wat eerst een tweedimensionaal oppervlak was, wordt een portaal waarlangs nieuwe onthullingen worden gedaan.

    Dit voorjaar stond ik in het Rijksmuseum in Amsterdam opnieuw oog in oog met Het melkmeisje, drieëndertig jaar na die dag in Lagos. Opnieuw maakte ik kennis met haar nederigheid, degelijkheid en met het huishoudelijk werk dat ze constant moest verzetten. Ik houd niet minder van haar dan vroeger. Zij was het die Wislawa Szymborska’s inspireerde tot het schrijven van haar epigrammatische gedicht ‘Vermeer’ (door Karol Lesman vanuit het Pools naar het Nederlands vertaald):

    Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum

    in geschilderde stilte en concentratie

    uit een kan in een schaal

    dag in, dag uit melk giet,

    verdient de Wereld

    geen einde van de wereld.

    Het was een veelgeprezen tentoonstelling. De conservatoren van het Rijksmuseum brachten het grootste aantal schilderijen van Vermeer bijeen die ooit samen zijn getoond: achtentwintig van de ongeveer vijfendertig overgebleven schilderijen die over het algemeen aan hem worden toegeschreven. Het is een enorme prestatie, die flink wat coördinatie van de organisatoren vereist heeft en waarvoor bruikleengevers vrijgevig zijn geweest. Onze generatie gaat een dergelijke verzameling op deze schaal waarschijnlijk niet nog een keer meemaken.

    Toch had ik tot dan toe geen echte interesse in de tentoonstelling gehad. De redenen hiervoor begonnen zich op te stapelen. Alle toegangskaartjes, bij elkaar opgeteld zo’n 450.000 stuks, waren binnen een paar weken na de opening uitverkocht en zelfs als het me was gelukt er een te bemachtigen, was het ongetwijfeld druk geweest in de museumzalen. Bovendien had ik mijn twijfels over de beperkte insteek van de tentoonstelling: de ene Vermeer na de andere… De meeste succesvolle tentoonstellingen vereisen simpelweg meer contextualisering. Maar wat me echt begon tegen te staan, was de niet-aflatende lovende feedback. De naam Vermeer is een soort codewoord geworden: Vermeer is synoniem voor artistieke uitmuntendheid. Veel van de lovende recensies klonken evengoed als emotionele codes. Waar ‘grootheid’, ‘perfectie’ en ‘sublimiteit’ eigenlijk voor stonden, was een heel specifiek soort culturele ervaring. Wie de tentoonstelling wel had gezien, riep jaloezie op bij de wegblijvers. Met een haast religieuze toewijding werd beloofd dat het een ‘once-in-a-lifetime’-ervaring zou zijn. (Maar hebben we onze mooiste kunstervaringen niet juist in een klein museum, op een rustige dag? En zijn de momenten waarop we bewust van kunst genieten niet allemaal ‘once-in-a-lifetime’-ervaringen?) De overtuiging dat de kunstwerken prachtig waren was op de een of andere manier tot een dogma verworden: ze waren niets dan prachtig. Iedereen leek eensgezind in het enthousiasme, en het was bijna onmogelijk om iemand te vinden die een kritisch tegengeluid vertegenwoordigde.

    De laatste golf reguliere bezoekers werd naar buiten geleid, zodat wij, de drie gelukkigen, als enigen overbleven met achtentwintig Vermeers

    Een paar Nederlandse vrienden wisten toch een toegangskaartje voor me te regelen, waardoor mijn vastberadenheid afzwakte. Toen nodigde Martine Gosselink, directeur van het Mauritshuis (de thuisbasis van Meisje met de parel en tevens een van de belangrijkste bruikleengevers van de tentoonstelling), me uit om na sluitingstijd met haar door de tentoonstelling te lopen. Dat aanbod afslaan zou compleet absurd zijn geweest. Samen met een vriend bezochten we op 13 maart de tentoonstelling. De laatste golf reguliere bezoekers werd naar buiten geleid, zodat wij, de drie gelukkigen, als enigen overbleven met achtentwintig Vermeers.

    Vermeer was geen productief schilder: waarschijnlijk heeft hij in totaal maar tweeënveertig schilderijen gemaakt. Logischerwijs dachten kunsthistorici lange tijd dat dit lage productietempo het gevolg was van een bijzonder nauwgezette techniek. Maar uit röntgenfoto’s en infraroodbeelden blijkt dat hij niet veel tijd besteedde aan zijn onderschilderingen en maar heel weinig voorbereidende tekeningen maakte. Wat deed hij dan met al die extra tijd? Allereerst werkte hij overdag als kunsthandelaar, het beroep dat hij van zijn vader overnam. Bovendien was hij zelf vader van vijftien kinderen (waarvan vier tijdens zijn leven overleden). Het moet een luidruchtig huishouden zijn geweest. 

    Terwijl het op de achtergrond dus waarschijnlijk steeds lawaaierig was, maakte Vermeer verbluffende, evenwichtige schilderijen, twee of drie per jaar. In zijn schilderijen doet hij dingen met licht die geen enkele schilder vóór hem had gedaan. Volgens kunsthistoricus Lawrence Gowing neemt Vermeer zijn onderwerp nauwelijks in acht; hij richt zich alleen op de uiterlijke verschijning ervan. ‘Vermeer lijkt niet geïnteresseerd in, of zich zelfs niet bewust van wat hij schildert. Hoe het licht hier valt… Noemen andere mensen dat een neus? Een vinger? Wat weten we van de vorm ervan? Voor Vermeer doet dit er allemaal niet toe, de conceptuele wereld van namen en kennis vergeet hij en hij houdt zich alleen bezig met wat zichtbaar is: de toon, de lichtval.’

    We bleven staan voor Brieflezende vrouw. Het was adembenemend. Er zijn maar een paar tinten verf gebruikt: de muur is gebroken wit met blauwe ondertonen; de grote kaart van de regio’s Holland en West-Friesland is lichtbruin met een vleugje groen; de twee stoelen aan weerszijden van de vrouw hebben glinsterende koperen spijkers die de diepblauwe bekleding op zijn plaats houden. De ene stoel is groter dan de andere, staat dichter bij de kijker. Tussen de stoelen bevindt zich de ruimte waarin de vrouw staat. Ze draagt een blauw jasje en een donkere, olijfgroene rok. Alle kleuren zijn zo dof dat het lijkt alsof je ze niet op een schilderij bekijkt, maar in een verre herinnering. De vrouw is en profil weergegeven en lijkt diep in gedachten verzonken. Ze heeft haar ogen dromerig neergeslagen en houdt met beide handen een brief vast. Er zitten linten in haar haar. Het blauwe, klokvormige huisjasje is een zogenaamde beddejak. Ze is zwanger. Geleerden betwijfelen of ze zwanger is, of zeggen dat we het niet zeker kunnen weten. Maar van geleerden vragen we dat ze ons uitleggen wat voor ons nog onzichtbaar is, niet wat we overduidelijk wél zelf kunnen zien.

    Hebzucht

    Wat heeft hij haar geschreven – want het moet toch zeker een hij zijn, de vader van haar kind? Haar mond staat een beetje open. Vermeers suggestiviteit begint langzaam vorm te krijgen. De kaart, de vroege ochtend, de brief die door de nacht reisde om bezorgd te worden: onder de stilte van de scène gaat een verhaal schuil. Er is hier sprake van drama, zo niet van melodrama. We stellen ons iemand voor die ver weg is en wiens afwezigheid wordt overpeinsd door degene die hij heeft achtergelaten. Misschien is hij wel een soldaat of een zeeman. De rugleuning van de stoel links werpt zachte, blauwachtige schaduwen op de muur. Het raam waarlangs het licht binnenvalt, wordt alleen geïmpliceerd, niet afgebeeld, en het licht valt op het voorhoofd van de vrouw en op haar flauw opbollende beddejak, blauw als de zee. Het is het resultaat van penseelwerk dat precies maar niet pietluttig is; een streepje licht hier, een streepje licht daar. Als kijker houd je je adem in, omdat je niet wil onderbreken wat hier ook maar gaande is. De vrouw wacht op de terugkeer van haar geliefde, op de geboorte van haar kind. De schilder wacht, na elke ochtend achter zijn ezel te hebben gewerkt, tot de volgende ochtend aanbreekt, en de ochtend daarop. Hij wacht op de momenten dat het licht hem gunstig gezind is, wacht tot het werk af is. Lawrence Gowing heeft gelijk: Vermeer schildert het licht. En hij schildert, op voortreffelijke wijze, de tijd.

    Maar laten we nu op zoek gaan naar het problematische. Overal in het oeuvre van Vermeer zie je voorwerpen zoals die in Brieflezende vrouw, voorwerpen die ons herinneren aan de enormiteit van de wereld. De wereld van Vermeer ontstond na de langdurige strijd die de Nederlanden voor onafhankelijkheid van de Spaanse overheersing voerden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog en de directe nasleep ervan vestigden de Nederlanders handelsposten in Azië, Afrika en Amerika. In binnen- en buitenland bloeide het kapitalisme op – en daarmee werd de basis van een koloniaal rijk gelegd. Hoewel Nederlanders aan den lijve hadden ondervonden hoe onderwerping voelde, nam hun verlangen om anderen te onderwerpen niet af. De Verenigde Oost-Indische Compagnie domineerde de zeeroutes waarlangs haar aandeelhouders het geld binnen harkten. De West-Indische Compagnie was een belangrijke speler in de handel in tot slaaf gemaakten. Gewone Nederlandse burgers werden rijk van deze criminele ondernemingen. Zich opnieuw bewust van hun positie in de wereld, vulden ze hun huizen met zeldzame objecten en vergezochte snuisterijen. Je kon luxe voorwerpen hebben, en ze bovendien op schilderijen laten afbeelden. Die schilderijen herinnerden je onder andere aan je sterfelijkheid, maar ook aan je rijkdom.

    In zijn treffende boek Vermeer’s Hat (2008) geeft historicus Timothy Brook een overzicht van de herkomst van de verschillende voorwerpen die op Vermeers schilderijen zijn weergegeven. Ze komen van over de hele wereld. Brook zegt bijvoorbeeld dat het zilver op de tafel in Vrouw met weegschaal afkomstig zou kunnen zijn uit de beruchte Potosí-zilvermijn, een helse plek die draaide op de arbeid van tot slaaf gemaakte mensen in het toenmalige Peru (tegenwoordig Bolivia). Het vilt op de hoed van de soldaat in De soldaat en het lachende meisje is vrijwel zeker gemaakt van beverhuiden die Franse avonturiers uit de gewelddadige handelsnetwerken van het zeventiende-eeuwse Canada haalden. De luchtige scène die op dit zogenaamde genreschilderij staat afgebeeld, brengt Brook in verband met de bittere geschiedenis van de ‘hongerwinter van 1649-50’. De Europese hebzucht naar pelzen leidde tot verdrijving, oorlog en de uitmoording van de Huron-indianen.

    Martine vertelt dat de beddejak in Brieflezende vrouw is geschilderd met ultramarijn, het zeldzaamste en duurste blauwe pigment waarover een zeventiende-eeuwse Nederlandse schilder kon beschikken. Ultramarijn werd gemaakt van lapis lazuli, dat naar West-Europa werd geïmporteerd vanuit Afghaanse mijnen; het kwam van ergens voorbij de zee (in het Latijn ‘ultra marinus’). Waarschijnlijk gaf zo’n duur pigment Vermeer meer prestige en stelde het hem in staat een hogere prijs voor zijn schilderijen te vragen. Waarschijnlijk bracht hij zijn werk graag in verband met schilderijen uit vroeger tijden, waarin lapis lazuli werd gebruikt voor het blauw van het gewaad van de Maagd Maria. Het effect van ultramarijn is oogverblindend en emotioneel. Maar wie ontgon de lapis lazuli in Afghanistan? En onder welke omstandigheden?

    Elk kunstwerk zegt iets over de materiële omstandigheden van zijn tijd. De allerbeste kunstwerken tonen niet alleen aan – ze vertellen er ook iets over. Binnen de omlijsting van één groot schilderij bestaan medeplichtigheid en transcendentie naast elkaar. Dat is wat ik dacht toen ik door de museumzalen liep. In de tentoonstelling kwamen deze onderwerpen niet aan bod en ik las de catalogus, die wetenschappelijk en inzichtelijk was, pas later, maar eerder die middag had ik geluncht met Valika Smeulders, hoofd van de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum. Smeulders was medecurator van de baanbrekende slavernijtentoonstelling die in 2021 in het museum werd gehouden. Daar werden artefacten uit de eigen collecties van het Rijksmuseum en uit een breed scala aan andere bronnen getoond. Er waren schilderijen, prenten, tekeningen en documenten, maar ook plantagebellen, voetstokken, een koperen halsband, een brandijzer met een logo (waarschijnlijk van de WIC) en een ceremonieel glas dat succesvolle slavendrijvers gebruikten om te toasten. Regelmatige bezoekers van het Rijksmuseum waren gewend om lovende verhalen over hun nationale geschiedenis te horen. Hier werden ze geconfronteerd met de wreedheid op de plantages in Batavia, Zuid-Afrika en de Banda-eilanden en met de verhalen van een selecte groep van de honderdduizenden mensen die door de Nederlanders tot slaaf werden gemaakt.

    Ze biedt haar lichaam en haar land aan. Het schouwspel is van een onverbloemde brutaliteit

    Eén schilderij in die tentoonstelling was van Pieter de Wit, mogelijk een leerling van Rembrandt. De directeur-generaal van de Goudkust staat erop afgebeeld, ene Dirk Wilre, in een sierlijk interieur in Elmina Castle, in het huidige Ghana. Schildertechnisch kan De Wit zich absoluut niet meten met Vermeer, maar het valt me op dat een paar details in zijn werk overeenkomen met De geograaf, een schilderij dat Vermeer maakte in hetzelfde jaar, 1669. In beide schilderijen bevindt zich links een buitenraam met glas-in-lood, er staat een globe en op tafel ligt een bont tapijt. Maar op het schilderij van De Wit zijn twee figuren te zien die niet op De geograaf staan afgebeeld. Een van hen is een vrouw: ze is zwart, heeft een ontbloot bovenlichaam en knielt op één knie, in een duidelijke staat van dienstbaarheid. Als de slippers die op de vloer liggen van haar zijn, zou die dienstbaarheid ook seksueel van aard kunnen zijn. De geknielde vrouw overhandigt Wilre een landschapsschilderij met daarop Fort Sint George. Ze biedt haar lichaam en haar land aan. Het schouwspel is van een onverbloemde brutaliteit.

    De tentoonstelling in het Rijksmuseum, die tot en met 4 juni te zien was, hing vol aangrijpende schilderijen. Vele daarvan maakte Vermeer ergens midden jaren 1660, toen hij op het hoogtepunt van zijn focus en inventiviteit was. In die jaren maakte hij een aantal onsterfelijke werken: onder andere de verschillende variaties op het thema van een eenzame vrouw in een verstild interieur met een met bont afgezette beddejak aan. In Vrouw met weegschaal is ze zwanger en is de kamer donkerder dan gewoonlijk, met enkel een glimp van daglicht dat zich van achter het citroengele gordijn een weg naar binnen heeft gebaand. De weegschaal die de vrouw omhooghoudt is leeg; ze is aan het balanceren, niet aan het wegen. Op de tafel voor haar liggen gouden en zilveren munten en parels en achter haar hangt een schilderij van het Laatste Oordeel. 

    Op een ander schilderij staat de Vrouw met parelsnoer en profil; ze kijkt naar links. Het is hetzelfde gele gordijn, ditmaal opengetrokken, waardoor zacht licht naar binnen valt. Links in de schaduw staat een donkerblauwe porseleinen pot met een harde glans die contrasteert met de zachte textuur en gele kleur van haar beddejak – een iets kouder geel dan dat van het gordijn. Schrijvende vrouw in het geel bestaat ook weer voornamelijk uit geel en blauw. We weten niet wie ze is, deze vrouw uit lang vervlogen tijden; van alle vrouwen weten we het niet en zullen we het waarschijnlijk ook nooit weten. Ook deze vrouw draagt een geel jasje. (Vermeers weinige rekwisieten hebben iets weg van de favoriete acteurs van een toneelschrijver.) Ze zit aan haar schrijftafel en kijkt ons rechtstreeks aan met iets wat lijkt op diepmenselijk begrip. Het is een prachtig schilderij, afkomstig uit de collectie van de National Gallery in Washington. Ik had het al eerder gezien, maar nog nooit goed bekeken. Tenslotte ga je daarom naar het museum: om opnieuw te leren kijken, om schoonheid en ook problemen te ontdekken. En ja, daar is het Meisje met de parel, verbluffend en direct. Zo bezien, in de context van alle werken bijeen, is het domweg het zoveelste hoogtepunt. Maar wat een reeks schilderijen, en wat een hoogtepunt.

    Troost en terreur

    Als we de tentoonstelling bijna verlaten, haast ik me terug om nog één keer te gaan kijken naar het schilderij dat me het meest heeft verrast: Schrijvende vrouw in het geel. Haar blik heeft een schaduwachtige complexiteit, een zachte glimlach; op haar irissen zitten witte puntjes. (Ze voelt voor mij veel echter aan dan de Mona Lisa.) Er zitten ook witte accenten op haar enorme pareloorbellen. Als ze echt zijn, zijn de parels geoogst door parelduikers in de Golf van Mannar, gelegen tussen het huidige Sri Lanka en India. Met haar rechterhand houdt ze een ganzenveer vast. Daaronder staat een streep witte verf die perfect een stuk papier verbeeldt. De sierlijke schrijfdoos, gemaakt van verschillende houtsoorten en versierd met ronde metalen noppen, komt waarschijnlijk uit het Goa van de Portugese overheersing. Wie zou hem gemaakt hebben? vraag ik me weer af. Onder welke omstandigheden? Achter haar is een schilderij te zien waarop in een donkere omberkleur een viola da gamba staat afgebeeld: verstilde muziek die suggereert of bevestigt dat het in dit schilderij om de liefde draait. Maar als haar geliefde afwezig is, wie heeft haar aandacht dan gegrepen? Naar wie glimlacht ze met zo’n zachte vertrouwdheid?

    Naar jou. Haar blik heeft de jouwe eeuwenlang vastgehouden, de tijd voor jou opgeschort. Nergens in het schilderij is een harde lijn te zien, alleen lagen verf die naast elkaar zijn gezet. De kleurvlekken vloeien in elkaar over alsof je kijkt door een oude cameralens die maar niet scherp wil stellen. De zachtheid van Schrijvende vrouw in het geel is zo doordringend dat het lijkt alsof het schilderij op het punt staat in rook op te gaan. Ochtend na ochtend zit Vermeer achter zijn ezel, terwijl buiten de wereld raast, een wereld waar mensen knielen in onderwerping, waar mensen worden gebrandmerkt met een heet ijzer. Zelfs vóór zijn eigen deur is er de gewelddadige zwager die dreigt de vrouwen in zijn huishouden in elkaar te slaan. De afbeeldingen zijn onherroepelijk met deze externe problemen verbonden. Die amoureuze soldaten houden geen verkleedpartijtje. Ze vechten en doden. In Vermeers oeuvre is geen enkel schilderij te vinden van een eenvoudig, gelukkig gezin, van een moeder, vader en kind in huiselijke vrede. Nee, de wereld van de schilderijen is poëtisch en lyrisch, maar ook gebroken, kwetsbaar, geïsoleerd en vol angst. Zijn schilderijen (en die van anderen; mijn betoog reikt verder dan Vermeer) kunnen niet slechts als decoratief of technisch hoogstaand worden gezien. In de schilderijen ligt verdriet besloten en ze hebben recht op een eerlijker context, een groter verhaal. We bewijzen ze geen gunst als we ze alleen maar zien als advertenties voor schoonheid of eenvoudige symbolen van cultuur en elegantie. Op hun lange reis door de eeuwen heen hebben de schilderijen van Vermeer zowel troost als terreur meegebracht. En zolang dat het geval is, verdient de wereld geen einde van de wereld.

    Teju Cole is romanschrijver, essayist en fotograaf. Van 2015 tot 2019 schreef hij de rubriek On Photography die werd genomineerd voor een National Magazine Award. Hij is docent schrijven aan Harvard.

    Lees ook:

  • Deze Venezolanen trainen AI voor een hongerloon. ‘Het is slavenarbeid’

    Deze Venezolanen trainen AI voor een hongerloon. ‘Het is slavenarbeid’

    Achter de miljardenindustrie van kunstmatige intelligentie gaan honderden Venezolanen schuil die algoritmes trainen voor een schamele vergoeding. Door de diepe economische crisis in het land is dit een van de weinige manieren om te overleven. Experts spreken van ‘kolonialisme door AI’.

    De economische crisis in Venezuela dwong Oskarina Fuentes zeven jaar geleden om aan de slag te gaan als onzichtbare werker in de wereld van kunstmatige intelligentie (AI). Haar rol is het taggen van data, met als doel de prestaties van internetrobots te verbeteren. Daarvoor krijgt ze een minimale vergoeding waarvan ze moet zien te overleven. ‘Het gaat om meer dan alleen zoekopdrachten,’ zegt de drieëntertigjarige vrouw. Ze legt zich toe op het verzamelen van data van bedrijven en mensen, het selecteren van het beste antwoord op zoekopdrachten, het modereren van inhoud zodat sommige gruwelijke content niet online kan circuleren – een oneindige hoeveelheid werk waarmee ze enkele dollarcenten toevoegt aan haar Appen-account.

    Appen is een Australisch virtueel platform dat data verzamelt voor techreuzen als Microsoft, Amazon en Google om hun AI-systemen te verbeteren. Medewerkers uit meer dan honderdzeventig landen registreren zich op het platform en kiezen er welke taken ze zullen uitvoeren.

    Door het ‘labelen’ of ‘annoteren’, zoals Oskarina Fuentes doet, krijgen rekenmodellen informatie op basis waarvan ze beslissingen kunnen nemen, uiteenlopend van het verbeteren van zoekopdrachten op het web tot het mogelijk maken van complexere algoritmen, zoals die van een zelfrijdende auto. ‘Het systeem leert van het werk dat deze werkers doen,’ zegt Alberto Delgado, een AI-expert aan de Universidad Nacional van Colombia.

    Achter de schermen van deze miljardenindustrie schommelt de betaling aan Fuentes tussen de 200 en 300 dollar per maand, wat dicht in de buurt komt van het minimumloon in Colombia (209 dollar), het land waarnaar ze in 2019 migreerde met haar moeder. De diepe economische crisis die Venezuela al tien jaar teistert, heeft velen gedwongen op zoek te gaan naar alternatieve methoden om te overleven. En platforms voor het ‘labelen van data’, waarvoor geen speciale kwalificatie is vereist, bieden mogelijkheden om de honger te stillen.

    Slavenarbeid

    Fuentes, die afgestudeerd is als ingenieur in de olie-industrie, lijdt aan diabetes en heeft een slechte gezondheid. Daardoor kan ze haar beroep niet uitoefenen en kan ze ook geen andere baan vinden. Honderden Venezolanen met wie ze op het sociale netwerk Telegram praat over hun ervaringen op Appen vonden evenmin een alternatief voor hun levensonderhoud.

    Het platform Appen, dat volgens een Australisch mediakanaal zo’n 500 miljoen dollar waard is, belooft dat de beloning van zijn werknemers ‘het minimumloon in de regio overstijgt’. Na meer dan vijf jaar hyperinflatie is dat in Venezuela niet zo moeilijk.

    ‘Met veel moeite kan ik ongeveer 200 dollar per maand bij elkaar schrapen,’ zegt een werknemer die haar naam liever niet bekend wil maken uit angst voor represailles van het bedrijf. Haar inkomsten komen van haar werk bij Appen en vergelijkbare sites zoals Toloka, Hive Micro, Testable Minds en Paidera. Het geld dat ze verdient is nauwelijks genoeg om zichzelf, haar man en twee kinderen te kunnen voeden. Een ander inkomen is er niet. ‘Het is slavenarbeid die slecht wordt betaald,’ zegt de vrouw, die zich in de Venezolaanse stad Cabimas vastklampt aan dit virtuele werk.

    Rodrigo Sircello, die werkt vanuit Maracaibo, zegt dat hij en zijn partner zich in 2016 hebben ingeschreven na de belofte van een goed inkomen. ‘Mijn vrouw kreeg voortdurend e-mails van Appen (…) In hun advertenties stond dat het ging om werken op afstand en dat je veel geld kon verdienen,’ zegt de zevenenvijftigjarige.

    Nu, in 2023, hebben hij en zijn gezin moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Er is geen werk. ‘Sinds het begin van dit jaar lukt het nauwelijks om een minimumbedrag van 10 dollar per week te halen,’ zegt Sircello, die het geld van zijn maandelijkse pensioen dat hij heeft opgebouwd als bibliothecaris gebruikt om de internetverbinding te betalen die hij nodig heeft voor Appen. Hoeveel jaar ze ook ingeschreven staan bij het platform, de medewerkers hebben geen vast dienstverband bij het bedrijf en kunnen ook niet rekenen op gegarandeerde opdrachten of andere garanties. Bovendien valt het werk vaak niet samen met de tijdzone in het gebied waar ze zich bevinden; als de nood hoog is, geven Venezolanen zich op om te werken op welk tijdstip dan ook.

    ‘Ik voel me geen slaaf van Appen of van AI. We zijn slaven van het Latijns-Amerikaanse systeem’ 

    ‘Ik heb slaapproblemen,’ benadrukt de werknemer uit Cabimas, die haar computer ‘vierentwintig uur per dag aan heeft staan’, voor het geval ze in de vroege ochtenduren een melding krijgt over een opdracht. Als er problemen zijn op het platform, zegt ze, doet Appen er lang over om te reageren op klachten, áls er al wordt gereageerd. ‘Ze beantwoorden mijn tickets niet,’ zegt de vrouw. Voortdurende stroomuitval bemoeilijkt haar werk. Op vragen over hoe het zijn werknemers behandelt, antwoordde Appen in een e-mail aan El País dat het bedrijf ‘veel waarde hecht aan zijn werknemers, omdat zij het weefsel vormen van de samenlevingen waarin ze actief zijn’. Appen beantwoordde geen specifieke vragen over de omstandigheden van Venezolaanse werknemers.

    Het verhaal van Fuentes kwam in april 2022 aan het licht door een reeks artikelen van het tijdschrift van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), waarin wordt gesproken over ‘kolonialisme door AI’. Aan de hand van verschillende gevallen brengt het tijdschrift de macht in beeld die grote bedrijven in deze industrie hebben over medewerkers in ontwikkelingslanden, die in precaire omstandigheden verkeren. Deze gevallen versterken ‘het idee dat AI een nieuwe koloniale wereldorde creëert’, aldus het tijdschrift.

    Naar aanleiding van de artikelen werd de naam van Fuentes vervolgens wereldwijd aangehaald in de media, op een manier waar ze het niet helemaal mee eens is. ‘Ik voel me geen slaaf van Appen of van AI,’ zegt de jonge vrouw. ‘We zijn slaven van het Latijns-Amerikaanse systeem,’ verduidelijkt ze. Fuentes is van mening dat het leven in een lage-inkomensregio de oorzaak is van het gebrek aan garanties.

    Eerder dit jaar meldde tijdschrift Time vergelijkbare gevallen bij het bedrijf OpenIA. Dat besteedt werk uit aan mensen in Kenia, profiterend van de zwakke economie van het Afrikaanse land. Medewerkers filteren ongewenste teksten uit ChatGPT tegen een betaling van twee dollar per uur.

    Gedragscode

    Oskarina Fuentes, liefhebber van anime en dieren, benadrukt dat ze haar ervaringen graag kenbaar maakt zodat Appen naar zijn medewerkers gaat luisteren, ‘ervaren, hardwerkende mensen’. ‘We willen erkenning voor onze inspanningen en meer kansen krijgen,’ zegt de jonge vrouw vanuit haar woonplaats in een stad in Antioquia in Colombia. AI-expert Alberto Delgado zegt dat de problemen van de medewerkers komen door het gebrek aan controle in deze branche. ‘AI treft mensen. Daarom moeten we ethische principes en regulering toepassen,’ aldus de universiteitsdocent.

    Vorige maand kondigden de Europese Unie en de Verenigde Staten vooruitgang aan wat betreft een ontwerp van een gemeenschappelijke ‘gedragscode’ voor AI, die in de toekomst op vrijwillige basis zou kunnen worden toegepast. UNESCO stelt in een handleiding uit 2021 met aanbevelingen over dit onderwerp dat er aandacht moet komen voor landen met lagere middeninkomens ‘die kwetsbaarder zijn voor mogelijk misbruik door een dominante marktpositie’.

    Maar ook zonder actieve regelgeving of garanties willen Fuentes en haar collega’s in Venezuela dat ‘Appen blijft functioneren’, zodat ze hun rekeningen kunnen betalen. Ze vragen om ‘meer opdrachten’, wachten vierentwintig uur naast hun computers, gedreven door angst veroorzaakt door de ineenstorting van hun geboorteland.

    Lees ook:

  • Het Engels, de wereldtaal met een slecht geweten

    Het Engels, de wereldtaal met een slecht geweten

    Is de meest gesproken taal op aarde een geschenk uit de hemel of een veelkoppig monster? Beide opvattingen leiden af van waar het werkelijk om draait. ‘Het zijn mensen, niet talen, die domineren en onderworpen worden’, schrijft universitair docent Engelse Taal en Cultuur Mario Saraceni.

    De afgelopen vierhonderd jaar groeide het Engels uit van een kleine taal die op de Britse eilanden werd gesproken tot een taal die de wereld domineert. In het jaar 1600, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth I, spraken vier miljoen mensen Engels. Tegen 2020, aan het eind van de regeerperiode van Elizabeth II, was dat aantal gestegen tot bijna twee miljard. Nu is Engels de voertaal in het Verenigd Koninkrijk, Ierland, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland en de ‘intranationale’ taal in voormalig Britse koloniën als India, Singapore, Zuid-Afrika en Nigeria. Het is de lingua franca van onze planeet.

    Sommigen zien het Engels als het grootste ‘geschenk’ dat Groot-Brittannië de wereld ooit gaf. In mei 2022 zei Suella Braverman, nu de Britse minister van Binnenlandse Zaken, in een online interview met ConservativeHome dat ze trots was op het Britse Rijk, omdat het zijn koloniën had begiftigd met infrastructuur, rechtssystemen, het ambtenarenapparaat, militairen en ‘natuurlijk de Engelse taal’.

    Hetzelfde geluid klinkt aan de andere kant van het politieke spectrum: in 2008 hield toenmalig premier Gordon Brown een toespraak waarin hij verklaarde dat hij namens ‘Groot-Brittannië een nieuw geschenk aan de wereld’ wilde geven door steun te bieden aan iedereen die buiten het Verenigd Koninkrijk Engels wilde leren. In hetzelfde jaar kondigde The Times voorstellen aan voor een nieuw museum gewijd aan de taal, om ‘het omvangrijkste geschenk van Engeland aan de wereld te vieren’. Onlangs nog beschreef Mark Robson van de British Council het Engels als ‘het grootste geschenk van het Verenigd Koninkrijk aan de wereld’. Het idee van het Engels als een Brits geschenk is zo ingeburgerd dat het haast niet opvalt.

    Bullebak

    Het Engels mag dan wel universeel zijn geworden, toch beschouwt niet iedereen de taal als een geschenk. Sterker nog, veel mensen denken er totaal anders over. In 2018 beschreef journalist Jacob Mikanowski het Engels in The Guardian als een ‘behemoth, bully, loudmouth, thief’ (boeman, bullebak, schreeuwlelijk, dief). Hij benadrukte dat de dominantie van het Engels een bedreiging vormt voor lokale culturen en talen.

    Doordat het Engels wereldwijd terrein blijft winnen, worden veel talen steeds minder gesproken of sterven ze zelfs uit. Dit heeft niet alleen gevolgen voor relatief kleine talen als het Welsh of het Iers; ook grotere talen, zoals het Yoruba in Nigeria, moeten eraan geloven. In het bedrijfsleven, de handel, het onderwijs, de media en de technologie worden ze door het Engels overschaduwd.

    Sommige sociolinguïstische wetenschappers beschouwen het Engels daarom als een dodelijke taal. Ze zien het als een monster, vergelijkbaar met de dodelijke, veelkoppige Hydra uit de Griekse mythologie. Vanuit dit perspectief bezien is de wereldwijde invloed van het Engels een vorm van taalimperialisme. Het is een systeem van verregaande ongelijkheid, waarin andere talen worden verpletterd door de vuisten van de voormalige kolonist, Groot-Brittannië, en de huidige globale supermacht, de VS.

    In The Oxford Handbook of World Englishes uit 2017 merken sociolinguïsten Robert Phillipson en Tove Skutnabb-Kangas op dat ‘het internationale prestige en de instrumentele waarde van het Engels ertoe kunnen leiden dat taalgebieden verdwijnen, wat ten koste gaat van lokale talen en van de grote democratische rol die nationale talen spelen’.

    Dekolonisatie is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied

    De term ‘taalimperialisme’ laat zien dat de dominantie van het Engels het gevolg is van vier eeuwen Britse overheersing. Dat drukt zwaar op het geweten van de taal. Het Engels verspreidde zich tussen het einde van de zestiende eeuw en de tweede helft van de twintigste eeuw over het Britse imperium. Die imperialistische expansie ging gepaard met landroof, genocide, slavernij, hongersnood, onderwerping, plundering en uitbuiting.

    Deze geschiedenis zou centraal moeten staan in elke discussie over het Engels als wereldtaal. Niet alleen omdat het historisch correct is, maar ook omdat het Engels, zoals de Nigeriaanse schrijver Chinua Achebe in 1965 schreef, ‘onderdeel was van een reeks dubieuze transacties, waaronder de regelrechte gruwel van raciale arrogantie en andere vooroordelen’.

    Waarom staat in debatten over dekolonisatie het Engels dan niet centraal? Dekolonisatie werd in het begin van de eenentwintigste eeuw vooral besproken in de context van musea of bejubelde historische figuren die banden hadden met het Britse imperium. Maar net als het British Museum of het standbeeld van Cecil Rhodes op een Oxford-gebouw, is het wereldwijde bereik van het Engels een uitvloeisel van het imperium.

    Wat bedoel ik precies met ‘dekolonisatie’? Ik heb het hier niet over het politieke proces waarmee koloniën in de tweede helft van de twintigste eeuw onafhankelijk werden. Dekolonisatie geldt tegenwoordig voornamelijk als alternatief voor een kennissysteem dat kolonisten in de tijd van het kolonialisme invoerden en systematisch afdwongen.

    Die manier van denken maakte een morele rechtvaardiging van het kolonisatieproces mogelijk en draaide om één centraal principe: aangezien de kolonist superieur was aan de gekoloniseerde, was overheersing niet alleen geoorloofd, maar zelfs moreel verantwoord. Op basis van dit principe werden de kolonist en de gekoloniseerde aan tegenovergestelde uiteinden van het beschavingsspectrum geplaatst:

    kolonist < – – – > gekoloniseerde

    beschaafd < – – – – > primitief

    religie < – – – > bijgeloof

    democratie < – – – – > absolute heerschappij

    naties < – – – > stammen

    literatuur < – – – > mondelinge overlevering

    talen < – – – – > dialecten

    In de twintigste eeuw vond politieke dekolonisatie plaats: koloniën werden onafhankelijk. Maar hiermee was het kennissysteem waarop kolonisatie was gebaseerd, zowel op het noordelijk als zuidelijk halfrond, niet automatisch verdwenen. Die mentaliteit heeft een erfenis achtergelaten en bepaalt nog steeds deels de manier waarop we de wereld zien en begrijpen. Hedendaagse dekolonisatie draait dus om wat de Keniaanse schrijver Ngugi wa Thiong’o in 1986 ‘dekolonisatie van de geest’ noemde.

    Allereerst moeten we ons bewust worden van het nog levende kennissysteem van de kolonist en dat verwerpen. Vervolgens moeten we het vervangen door evenwichtige, diverse, complexe en lokaal relevante inzichten in menselijke samenlevingen en hun onderlinge relaties. En ten slotte moeten we op basis van die inzichten ons gedrag veranderen. Dit is een lang en moeizaam proces, waarbij veel meer komt kijken dan het vervangen van een vlag of het veranderen van een volkslied.

    Vorm van censuur

    De Engelse taal, het British Museum en Cecil Rhodes delen een problematische koloniale erfenis. Ze staan voortdurend ter discussie, waarbij het de vraag is of ze ‘geschenken’ of ‘monsters’ zijn. In het British Museum worden de bronzen beelden uit Benin tentoongesteld: meer dan negenhonderd decoratieve sculpturen uit het Koninkrijk Benin in het huidige Zuid-Nigeria. Ze bieden mensen weliswaar de gelegenheid om historische kunstwerken te bewonderen, maar zijn ook een tastbaar bewijs van de systematische plundering die in de koloniale tijd plaatsvond.

    Het standbeeld van Rhodes dat op de Oxfordcampus staat mag dan een eerbetoon zijn vanwege de hoeveelheid geld die de politicus de universiteit heeft geschonken, het is ook een uitermate controversieel beeld van een staatsman die tijdens de Britse overheersing in Zuid-Afrika handelde vanuit de stellige overtuiging dat de ‘witten’ het ‘opperras’ waren.

    Kunstwerken en standbeelden van historische figuren zijn onderwerp geworden van een verhit debat omdat ze de problematische koloniale erfenis vertegenwoordigen. Musea worden steeds meer onder druk gezet om artefacten terug te sturen naar hun land van herkomst, vooral als die artefacten in kwestie aantoonbaar ‘verworven’ zijn met koloniale plundering. In dat opzicht zou het teruggeven van de geroofde bronzen beelden van Benin aan Nigeria niet alleen een fout rechtzetten. Het zou ook symbool komen te staan voor de bestrijding van het koloniale geloofssysteem dat de beeldenroof ooit mogelijk maakte. Met andere woorden: het zou een vorm van dekolonisatie zijn.

    Op eenzelfde manier vinden veel mensen het belangrijk dat het standbeeld van Rhodes verwijderd wordt. Alleen dan kunnen we in hun ogen ons wereldbeeld rechtzetten – een wereldbeeld dat lange tijd scheef is geweest door kolonisatie en haar voortdurende ideologische erfenis.

    Natuurlijk is er ook veel weerstand tegen dit idee. Mensen die sceptisch zijn over dekolonisatie interpreteren het voorvoegsel ‘de-’ veelal als een vorm van censuur. In hun ogen zou dekolonisatie elke band met het koloniale verleden uitwissen. In juni 2020 twitterde de toenmalige Britse premier Boris Johnson over het omverwerpen van het standbeeld van slavenhandelaar Edward Colston in Bristol: ‘We moeten niet proberen ons verleden te bewerken of te censureren.’

    Naar aanleiding van het voorstel om het Victoria and Albert Museum te dekoloniseren, zei directeur Tristram Hunt in februari 2020 iets vergelijkbaars: ‘De oorsprong van het Victoria and Albert Museum is ingebed in Britse imperiale en koloniale verhalen.’ Daarom ‘heeft het in veel opzichten geen zin om het V&A te dekoloniseren, het is simpelweg niet mogelijk’.

    Als dekolonisatie gezien wordt als uitwissen, lijkt het al snel een onmogelijke of zelfs onwenselijke opgave. Maar deze interpretatie gaat totaal voorbij aan wat dekolonisatie nu echt betekent. Zoals ik hierboven heb uitgelegd, houdt dekolonisatie in de eerste plaats een diepgaand en kritisch engagement met het koloniale verleden in. Dat is iets heel anders dan het verleden uitwissen.

    We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn

    Hoe zit dat met de Engelse taal? Hoe zou dekolonisatie van het Engels eruitzien? Er zijn wat dat betreft twee belangrijke denkstromingen geweest. De ene beschouwt het Engels als een ‘ongewenst geschenk’: omdat het nu eenmaal een wereldtaal is, kan het uit pragmatische overwegingen maar met tegenzin worden aanvaard – zolang het wordt aangepast, omgesmeed en in nieuwe vormen gebogen. Het Engels zou dan ‘gede-angliseerd’ worden en veranderen in een Afrikaanse en Aziatische taal. Het is niet langer het exclusieve eigendom van de Britten en de Amerikanen maar wordt op andere plekken in de wereld eigen gemaakt.

    Verschillende Afrikaanse en Aziatische schrijvers hebben zich fervent voorstander van dit idee getoond: van Achebe in de jaren zestig tot Salman Rushdie in de jaren tachtig en, recenter nog, Chimamanda Ngozi Adichi. Het standpunt krijgt echter ook kritiek. Het zou te optimistisch zijn en alleen relevant voor een beperkte en nogal bevoorrechte elite, waartoe de internationaal bekende Engelstalige romanschrijvers behoren. Volgens critici is het de-angliseren en toe-eigenen van het Engels een privilege voor slechts een paar mensen. Alle anderen blijven lijden aan de erosie van hun taal, cultuur en identiteit.

    De tweede stroming is radicaler. Vanuit dit perspectief is het Engels als wereldtaal niet alleen maar het toevallige resultaat van het kolonialisme, maar blijft het een inherent en onvermijdelijk imperialistische taal. Het toe-eigenen van de taal is volgens aanhangers hiervan slechts een illusie die afleidt van het echte probleem: dat het Engels het leven van honderden miljoenen mensen blijft beïnvloeden, hun samenleving binnendringt en lokale talen uit het onderwijs, de media en de algemene cultuur verdrijft. Dekolonisatie zou moeten betekenen dat er een groter en gezonder evenwicht tussen het Engels en lokale talen ontstaat. Lokale talen komen weer tot bloei en krijgen de status en rol terug die ze door het Engelse monster zijn kwijtgeraakt.

    Er zijn er ook die geen relevant verband zien tussen het Engels en dekolonisatie. Gordon Brown beschrijft het Engels in zijn eerdergenoemde toespraak als ‘het medium dat wereldwijde communicatie en wereldwijde toegang tot kennis mogelijk maakt’; ‘een middel waarmee honderden miljoenen mensen uit alle landen met elkaar in contact komen’; ‘een brug tussen grenzen en culturen’ en ‘een bron van eenheid in een snel veranderende wereld’. Volgens Brown mag het Engels geen onderdeel worden van dekolonisatie.

    Het is veelzeggend dat hij de verspreiding van het Engels beschrijft als het resultaat van een ‘historische toevalligheid’. The English Effect, een publicatie van de British Council uit 2013, beschrijft de taal eveneens als een die ‘groei en internationale ontwikkeling aanstuurt’ en ‘levens verandert’. En als het Engels een ‘geschenk’ is, moet het worden gevierd en niet ter discussie gesteld.

    Metaforen

    Dekoloniseren of niet dekoloniseren? Dat is de vraag, en om daar genuanceerd op in te gaan, helpt het misschien om te weten dat beide partijen in het debat iets fundamenteels gemeen hebben. Wanneer ze over het Engels praten of nadenken, gebruiken ze metaforen. Een ‘geschenk’, een ‘monster’, ‘bullebak’, ‘medium’, ga zo maar door… Woorden die in principe niets met een taal te maken hebben. Want dat is de essentie van de metafoor: spreken over X alsof het Y is.

    Soms, zoals in de zojuist genoemde voorbeelden, is het duidelijk wanneer dit gebeurt. Maar meestal hebben we het niet eens door als taal metaforisch omschreven wordt. Dat komt doordat niet allee metaforen een duidelijke ‘X is Y’-vorm hebben – zoals bij ‘Engels is de weg naar succes’ – en doordat ze zodanig zijn ingeburgerd dat we ze vaak niet meer als metafoor of creatief taalgebruik herkennen.

    In gesprekken over taal gaat het vaak over ‘geboorte’, ‘leven’, ‘groei’, ‘ontwikkeling’ en ‘dood’ – alsof een taal een levend organisme is. Een uitdrukking als ‘taal ontwikkelt zich voortdurend’ komt niet direct over als een metafoor, omdat taal hier niet expliciet wordt beschreven als iets anders. We beschrijven taal zo vaak als een levend organisme dat de twee begrippen in onze voorstelling haast niet meer van elkaar te onderscheiden zijn.

    We gebruiken voortdurend metaforen, vooral wanneer we complexe verschijnselen beschrijven met begrippen die simpeler, vertrouwder en eenvoudiger zijn. Taal is een complex, sociaal fenomeen dat onlosmakelijk met cultuur en maatschappij is verweven, en leent zich dus bij uitstek om te worden beschreven aan de hand van metaforen. Maar een metafoor is meer dan een retorisch middel dat complexe verschijnselen begrijpelijker maakt. Een metafoor beschrijft iets alsof het iets anders is en kan daardoor een krachtig ideologisch instrument zijn. Door het ‘iets anders’ in kwestie zorgvuldig uit te kiezen, kunnen we met metaforen verschillende ideologische standpunten uitdrukken.

    Wanneer we het Engels bijvoorbeeld een ‘geschenk’ noemen, impliceren we dat het uiterst waardevol is: een middel dat wereldwijde communicatie verbetert alsook de vooruitzichten van mensen. Door het te beschrijven als een ‘monster’ schilderen we de taal af als een bedreiging voor de culturele en taalkundige diversiteit: als een wapen dat de Anglo-Amerikaanse neo-imperialistische belangen dient.

    Het wordt nog interessanter als we kijken naar metaforen die sterk ingeburgerd en daarom minder zichtbaar zijn. Nogmaals, de British Council stelt dat Engels ‘groei en internationale ontwikkeling stimuleert’ en ‘levens verandert’. Om de metaforische essentie van deze stelling te ontleden, moeten we zorgvuldig letten op zowel de grammatica als de betekenis ervan.

    Wie zegt dat het Engels groei stimuleert en levens verandert, beschouwt het als een entiteit, die zelf in staat is om handelingen te verrichten. Hier is sprake van een grammaticale en semantische verschuiving: van het Engels als een object dat door mensen wordt geleerd, gesproken en gebruikt, naar het Engels als een doener die andere dingen of mensen zelfstandig kan beïnvloeden. De formule ‘X is Y’ is hier dus impliciet, maar kan wel degelijk worden ontleed. In dit geval impliceert ‘Engels verandert levens’ dat het Engels ‘een doener’ is. En als het Engels autonomie heeft, kan het zelfstandig handelen, onafhankelijk van mensen. Deze gedachtegang kan een groot ideologisch effect hebben.

    Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit

    De tweede editie van English as a Global Language werd gepubliceerd in 2003 en geldt nog steeds als een van de populairste beschrijvingen van het Engels als wereldtaal. Het boek is geschreven door de Britse taalkundige David Crystal, een van de bekendste anglicisten. In het boek staat een voorbeeld dat perfect illustreert wat voor ideologische implicaties een metafoor kan hebben. Crystal schrijft dat ‘een terugkerende opvallendheid die kan helpen om de opmerkelijke groei van deze taal te begrijpen’ is dat ze ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’. Op het eerste gezicht lijkt zo’n uitspraak misschien nietszeggend, maar er zit een complete ideologie in verscholen.

    Allereerst impliceert het woord ‘groei’ hier natuurlijk de metafoor van het ‘levend organisme’. Afgezien daarvan lijkt het Engels hier net een reiziger die tijdens zijn wereldreis compleet bij toeval op bepaalde plaatsen belandde. De metafoor van de reiziger schetst het Engels bovendien als iemand met mensachtige kwaliteiten en een eigen wil. Dit suggereert dat de taal zich wereldwijd heeft verspreid middels handelingen die het Engels op verschillende momenten in zijn ‘leven’ heeft ondernomen. Volgens de logica van deze metafoor werd het Engels verspreid door het Engels zelf, niet door het kolonialisme. Door het Engels als een reiziger voor te stellen, wissen we de invloed van het imperialisme uit. Hoe kon het Engels zo groot worden? Gewoon, door ‘een historische toevalligheid’, aldus Brown.

    Wie het imperialisme buiten beschouwing laat, maakt de wereldwijde verspreiding van het Engels als het ware onschadelijk. Zo komt de nadruk te liggen op hoe bijzonder de expansie was, hoe heilzaam de wereldwijde aanwezigheid van het Engels is, enzovoort. Met andere woorden, het Engels kan als een ‘geschenk’ aan de wereld worden omschreven, waarbij de ongemakkelijke implicaties van dat geschenk achterwege worden gelaten. Critici als Robert Phillipson noemen Crystals beschrijving van het Engels als een wereldtaal die ‘herhaaldelijk op het juiste moment op de juiste plaats was’ dan ook ‘eurocentrisch’ en ‘triomfalistisch’. Met andere woorden: een beschrijving die moet worden gedekoloniseerd.

    Aan de andere kant van het debat wordt het Engels eveneens beschreven met een metafoor. Een voorbeeld is de essaybundel English Language as Hydra uit 2012, die gaat over ‘de immense macht die het Engels wereldwijd uitoefent’. In deze bundel is het Engels geen geschenk, maar een dief, een bullebak, een monster, enzovoort. In de inleiding schrijven redacteuren Vaughan Rapatahana en Pauline Bunce:

    ‘Bepaalde structuren en vormen van discours zijn inherent aan het Engels. De taal neemt die overal waar ze opdruikt met zich mee, en op een schijnbaar heilzame manier. Zo worden de mensen die de taal leren opgescheept met een hele reeks aan inherente controles, verwachtingen, houdingen en overtuigingen die vaak tegengesteld zijn aan die van henzelf.

    Ook schrijven ze dat: ‘(…) de Hydra van het hedendaagse Engels erin is geslaagd haar geografische bereik uit te breiden tot de hele planeet. Het Engels heeft zich aangepast aan een breed scala van omgevingen door op verschillende plaatsen verschillende koppen te ontwikkelen en soms verschillende koppen op dezelfde plaats. De taal heeft specifieke, symbiotische relaties ontwikkeld met samenlevingen, bedrijven, regeringen en onderwijssystemen.’

    Entiteit

    Hoewel ik begrip heb voor het sentiment dat aan deze stelling ten grondslag ligt, denk ik dat deze weergave van het Engels niet volledig recht doet aan ons doel: de manier waarop we over het Engels praten dekoloniseren. Het Engels wordt nog steeds beschreven als een entiteit die in staat is zijn eigen beslissingen te nemen en onafhankelijk van mensen te handelen.

    In de bovenstaande citaten lijkt het Engels een reiziger en een soort bovennatuurlijk, verraderlijk wezen dat de hele wereld over gaat door zich op fenomenale wijze te transformeren. Net als de reiziger van Crystal, die toevallig op het juiste moment op de juiste plaats was, leidt deze weergave de aandacht af van het fundamentele probleem: een wereldorde die is gevormd en nog steeds sterk wordt bepaald door vierhonderd jaar Europees imperialisme.

    De metafoor van het geschenk is machtig. Maar als we dit idee proberen te bestrijden met monstermetaforen, belanden we in een retorische strijd waarvan de spelregels nog steeds door de tegenstander worden bepaald. Deze strategie kan hoogstens leiden tot een afgezaagde conclusie: dat de werkelijkheid complex is. Binnen dit referentiekader is het Engels noch geheel ‘slecht’ noch geheel ‘goed’. Maar het ideaal – dat het Engels een minder dominante rol krijgt en andere talen verloren terrein terugwinnen – blijft zo niets meer dan een theoretische wens zonder een geloofwaardig en uitvoerbaar actieplan.

    We moeten de dekolonisatie van het Engels radicaler aanpakken, door op een nieuwe manier over de taal na te denken en te praten. Taal is geen object of ding, zoals een artefact in een museum of een standbeeld in een stad. En het is al helemaal geen levend wezen dat in staat is ‘deuren te openen’, ‘levens te veranderen’ of ‘andere talen te doden’. Taal is onlosmakelijk verbonden met ons sociale gedrag: we gebruiken allemaal taal in ons dagelijks leven – vaak zelfs meerdere talen.

    ‘Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort’

    Geen enkele taal, ook het Engels niet, is inherent ‘goed’ of ‘slecht’, ‘rijk’, ‘machtig’ of ‘arrogant’. Geen enkele taal, ook het Engels niet, ‘doet’ iets. Ze breidt zich niet uit, past zich niet aan, evolueert niet, domineert niet. Die formuleringen zijn allemaal manieren om de relaties tussen mens en taal verdoezelen.

    Het zijn mensen, niet talen, die machtig zijn, bedreigd worden, hebzuchtig zijn, vrijgevig zijn enzovoort. Het zijn mensen, niet talen, die hun invloed uitbreiden, zich aanpassen aan situaties, hun gewoonten veranderen (inclusief hun taalgebruik), domineren, onderworpen worden, enzovoort.

    De wereldwijde ‘dominantie’ van het Engels en het daarmee gepaard gaande verlies van andere talen, identiteiten en culturen zijn directe gevolgen van de enorme ongelijkheid die er in de wereld nog altijd is. Die ongelijkheid is een rechtstreeks gevolg van de kolonisatie en de langdurige gevolgen die eruit voortkwamen. Het Engelse ‘monster’ is een symptoom van een ernstige ziekte, niet de oorzaak.

    De dekolonisatie van het Engels houdt niet in dat een object wordt weggenomen of teruggegeven. Dekolonisatie betekent dat we op een nieuwe manier gaan nadenken over wat het Engels is en, belangrijker nog, wat het niet is.

    Lees ook:

  • ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    ‘Ik kreeg te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis hoorde’

    Wat voor ‘anders’ of ‘de ander’ doorging is eeuwenlang bepaald door de koloniale Europese samenleving. Volgens Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy, grondlegger van de xenologie, is elke vorm van anders-zijn een construct. In zijn leer gaat het altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Eeuwenlang werden geschiedenis en filosofie bepaald door de koloniale Europese samenleving. Die definieerde wat voor anders doorging, en creëerde zo perspectief, hiërarchie en uitbuiting. Met zijn eigen ervaringen in de vroegere Duitse kolonie Kameroen als vertrekpunt ontvouwde Leopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy een theorie die hem tot een pionier in de postkoloniale kritiek maakte. De xenologie die hij ontwikkelde maakt het anders-zijn los van het subject en heeft in plaats daarvan oog voor systemen die, gedreven door belangen, het concept ‘anders’ gebruiken om macht te kunnen uitoefenen. Een gesprek over een theorie die niet alleen inzichten wil bieden, maar ook gerechtigheid tot doel heeft.

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn

    Professor Duala-M’bedy, men ziet u als de grondlegger van de xenologie. Wat is de kern van haar kennisleer?

    Xenologie is een fundamentele kritiek op het Europese discours van anders-zijn, en daarmee een principiële kritiek op antropologie en etnologie. Ten grondslag aan de klassieke etnologie ligt het evolutionistische denken dat een hiërarchische indeling van de mensheid rechtvaardigt. Het schortte echter aan een wetenschappelijk gefundeerd vertoog tegen een dergelijke denkwijze. Met mijn theorie van de xenologie is dat veranderd.

    Welke gedachte ligt aan deze theorie ten grondslag?

    In de xenologie worden het anders-zijn en ook de wijze van omgaan met het anders-zijn vervangen door het concept van het ‘xenische systeem’.

    Uw vertrekpunt is dus niet het anders-zijn maar het extern ontwikkelde systeem.

    Precies, want achter het fenomeen ‘anders’ schuilt geen subject maar een construct, een systeem. Het ‘xenische systeem’ is dus een filter waardoor elke samenleving een andere samenleving omzet in taal en symbolen. En zoals bij ieder systeem gaat het hierbij om ideologie.

    WIE IS DUALA-M’BEDY?

    Léopold-Joseph Bonny Duala-M’bedy (Duala, 1936) is een Kameroens politicoloog, socioloog, etnoloog en xenoloog. Hij is de grondlegger van de wetenschappelijke discipline van de xenologie. Duala-M’bedy komt uit het geslacht Duala-Bell, het koningshuis van Kameroen. Op veertienjarige leeftijd ging hij in Parijs naar een middelbare school; daarna studeerde hij er aan de Sorbonne. In 1962 promoveerde hij aan de Universiteit van Wenen en in 1972 habiliteerde hij (een soort tweede promotie waarmee het doceerrecht wordt verworven) als Alexander von Humboldt-bursaal bij de geschiedfilosoof Eric Voegelin. Zijn belangrijkste boek Xenologie: Die Wissenschaft vom Fremden und die Verdrängung der Humanität in der Anthropologie verscheen in 1977.

    Met als consequentie?

    Het discours over anders-zijn is altijd ook een discours over macht. Met behulp van de xenologische methode analyseren we zulke systemen om te achterhalen wie het anders-zijn creëert, en met welk doel. Want ten principale bestaat anders-zijn niet. Elke vorm van anders-zijn is een construct. Xenologie is niet alleen de wetenschap van het andersoortige en van de extern ontwikkelde systemen, ze ziet zichzelf ook als de wetenschap van die mensen die in de perceptie van de Europeanen geen geschiedenis hebben.

    Wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens

    Hegel bijvoorbeeld schreef dat Afrika geen geschiedenis had; Afrika had geen aanspraak op geschiedenis. Maar wie geen geschiedenis heeft, is ook geen mens. De mensen uit het zogeheten Zuiden werd daarmee het mens-zijn ontzegd, in een dergelijke logica bestonden zij eenvoudigweg niet. Dat is het lot van allen die ‘ontdekt’ werden, dus van alle mensen die ‘ontdekt’ werden door mensen die het wetenschappelijke discours domineerden. Ik heb daarom gezocht naar een wetenschappelijke categorie die recht doet aan het fenomeen ‘anders’. Het door mij ontwikkelde xenische narratief benoemt elke manifestatie van het anders-zijn en legt de machtsberekening bloot. Overigens doe ik met deze kennisleer niet alleen recht aan de Afrikaanse mens, het gaat in de xenologie altijd om het gezamenlijke referentiekader van de gehele mensheid.

    Heeft u in de ontwikkeling van de xenologie eigen ervaringen verwerkt?

    De xenologie kent een sterke biografische impuls, mijn levensverhaal volgt het voetspoor van de veroveraars van Afrika. Het begint bij de invloed van mijn ouders. Wij waren een godsdienstig gezin, gingen regelmatig naar de kerk. Mijn vader heeft me bijgebracht wat rechtvaardigheid betekent, mijn uitgesproken gevoel voor gerechtigheid heb ik van hem. Mijn moeder gaf me rechtlijnigheid en scherpzinnigheid mee. Beiden wilden dat ik priester werd, mijn zus woont als abdis in Zuid-Frankrijk. De eerste kerkmensen die bij ons in Duala arriveerden, waren Duitse protestanten. Mijn vader sprak vloeiend Duits en ook vloeiend Engels. In ons gezin werd Frans gesproken, de taal van de kolonisator.

    WAT IS XENOLOGIE?

    Qua kennistheorie bouwt de xenologie voort op de basisveronderstelling dat ‘de ander’ als zodanig niet bestaat, maar dat de aanduiding van mensen als ‘anders’ altijd wordt ingegeven door belangen met als oogmerk het creëren van machtsverschil. Het racistische discours over de ‘ander’ dat sinds de ontdekking van Amerika de relatie tussen Europa en de niet-Europese wereld heeft bepaald, komt volgens Duala-M’bedy voort uit het idee dat niet-Europese culturen een ‘voorstadium van de hoogontwikkelde Europese samenleving’ zijn. Die gedachte diende ter rechtvaardiging van onderwerping, ontrechting en uitbuiting van de niet-Europese koloniale wereld tot ver in de twintigste eeuw.

    Ten tijde van de Franse kolonisatie zat u in Kameroen op school. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Ik ervoer het als een groot onrecht. Met mijn broer Moise, die later diplomaat werd, nam ik een boot naar Europa. We arriveerden in de haven van Marseille, waar twee van onze oudere broers ons afhaalden. We woonden in Parijs bij een oom. Daar dompelde ik me als veertienjarige onder in een ander leven. Natuurlijk waren er ook heimwee, tranen, nostalgie en verlangen naar mijn ouders en naar Kameroen. De romantische kant in mijn denken vindt hier zijn oorsprong.

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière

    Uiteindelijk koos u niet voor het priesterschap, maar voor een wetenschappelijke carrière.

    Ja, en die stond in het teken van de idee van gerechtigheid. Ik kwam naar Europa, ging me er bezighouden met etnologie en kreeg daar te horen dat ik tot de mensheid zonder geschiedenis behoorde. Etnologen doceerden mij een ‘surrogaatverhaal’.

    Hoe bedoelt u dat?

    De etnologie bood ons mensen die zogenaamd geen geschiedenis hebben een schadeloosstelling aan: ‘We doceren jullie geschiedenis. Alsjeblieft, hier is een cadeautje van ons: dit is jullie geschiedenis.’ Dat choqueerde me, het raakte mij ook persoonlijk, want aan de positieve ervaringen van het gezin waarin ik was opgegroeid werd volledig voorbijgegaan. In deze schok ligt de grondslag voor mijn wetenschappelijke werk.

    U promoveerde in Wenen bij de etnoloog Walter Hirschberg, die van meet af aan een vurig nationaal-socialist was en ook na 1945 als overtuigd racistisch evolutionist naar buiten trad. Ook was hij voorstander van het rekolonisatieproject. Welke herinneringen heeft u aan die tijd?

    Geen van de docenten sprak over het onrecht dat aan Afrikanen ieder historisch vermogen werd ontzegd. Er was geen enkele gevoeligheid voor onrecht. Walter Hirschberg begeleidde in Wenen jonge promovendi in de etnologie. Hij werd dus ook geacht mij en mijn kritische dissertatie te begeleiden, maar ik kreeg geen steun van hem, integendeel. Ik moest heel lang op zoek naar een promotor, naar een spirituele mentor. Ik volgde colleges van de etnoloog Claude Lévi-Strauss in Parijs over het structuralisme, maar hij maakte geen indruk op mij. Pas toen stuitte ik op Eric Voegelin, voor mij een geweldige gebeurtenis.

    Wat was er zo bijzonder aan uw ontmoeting met Voegelin?

    Eindelijk iemand die verstandige taal uitsloeg! (lacht) Zijn colleges gaven me een goed gevoel. Hij deed niet neerbuigend, hij kleineerde ons niet. Hij was inclusief en fair. Nooit eerder had ik een academicus ontmoet die eerlijk was in de omgang. Hij behandelde zijn studenten haast als collega’s. We zogen elk woord op dat hij doceerde.

    Kunt u die integere benadering concreet maken?

    Hij deed absoluut geen misplaatste of neerbuigende uitlatingen. Hij maakte korte metten met het concept ‘ras’ vanwege het ontbreken van wetenschappelijk bewijs daarvoor. Als bursaal van de Alexander von Humboldt Foundation werkte ik als onderzoeker samen met hem aan de Universiteit van München. Cruciaal was voor mij het moment dat hij voor het eerst mijn ouders ontmoette. Mijn vader en mijn docent spraken Duits met elkaar, en mijn vader zei: ‘Mijn zoon heeft me veel over u verteld.’ Voegelin antwoordde: ‘Uw zoon heeft een voortreffelijke studie geschreven.’

    Hoe heeft Voegelin uw zelfbesef als wetenschapper gevormd?

    Voor mij is hij de grootste denker van de twintigste eeuw. Voegelin schreef een cultuurgeschiedenis van het begrip ‘ras’; hij plaatste er negatieve connotaties bij, hij zag het als een nieuwe classificatie ter vervanging van het oude klassensysteem van de aristocratie. Voegelin hechtte ook sterk aan het maken van onderscheid tussen realiteit en ideologie.

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit

    Ideologie definieerde hij als een in corrupt denken teloorgegane realiteit. Zijn in 1956 verschenen boek Order and History is een klassieker. Voegelin zag de geschiedenis als Casus Philosophicus. Hij benaderde de geschiedenis als geschiedfilosoof en zag haar niet als een verzonnen verhaal. Rechts georiënteerde studenten uit de Bondsrepubliek probeerden hem in diskrediet te brengen. Maar ik was zijn denken toegedaan. Ik pretendeerde te voltooien wat Voegelin had laten liggen. En ik heb die pretentie heel serieus genomen.

    Hoe ervoer u de sfeer op de Duitse universiteiten in de jaren zeventig en tachtig?

    De universiteiten en onderzoeksinstellingen in Duitsland waren uitermate homogeen qua etniciteit, geslacht en sociale herkomst. Dat zijn ze nog altijd. Wie op enigerlei wijze als anders wordt gezien, maakt minder kans op een hoogleraarschap, op wetenschappelijke onderscheidingen, op toegang tot onderzoeksgelden en invloedrijke posities. De bevoegdheid om te duiden wat vanuit wetenschappelijk oogpunt valide is en wie gekwalificeerd is een bijdrage te leveren aan kennisgeneratie, ligt nog altijd vast verankerd in koloniaal bepaalde structuren. Dat moet ter discussie worden gesteld. Het onvermogen de waarheid te onderkennen was en is mijn thema; voor mij is de functie van theorie dat zij de waarheid aangeeft. Wetenschap dient in dienst te staan van de waarheid. Zij moet observeren, analyseren, vragen naar het waarom, heroverwegen. Maar dat gaat niet wanneer een groot deel van de mensheid met zijn ervaringen, perspectieven en mogelijkheden van dit proces is uitgesloten. Een wetenschap die spreekt vanuit de positie van een kleine homogene groep is falsifieerbaarheid noch universeel.

    De xenologie is een enorme theoretische prestatie, ze heeft een groot deel van het Europese begrip van de ‘ander’ op losse schroeven gezet. Heeft deze aanval op de antropologische en etnologische status quo een tegenreactie uitgelokt?

    De redacteur van de uitgeverij waar ik mijn boek publiceerde zei destijds: ‘Hier maakt u vijanden mee.’ En zo is het ook gegaan. Er was veel onwetendheid en weinig discussie met mij, maar er was in de jaren tachtig en negentig ook sprake van een enorme boost in aanverwante disciplines. Interculturele germanistiek en filosofie kwamen tot ontwikkeling. In Bayreuth kwam een cultuurwetenschappelijke xenologie van de grond, die echter mijn eigen theorie van de xenologie links laat liggen. In Bochum werd de fenomenologie van het andere ontwikkeld, en daar was ik al evenmin bij betrokken. Aan de universiteit, en dat geldt vooral in Duitsland, moet je vechten om gezien te worden. Collegialiteit komt maar zelden voor. Het ontbrak zichtbaar aan steun, de omgangsvormen waren vaak kwetsend en vulgair.

    KONING RUDOLF

    Van 1884 tot 1918 was het West-Afrikaanse Kameroen een Duitse kolonie. Van 1908 tot 1914 regeerde koning Rudolf Duala Manga Bell. Hij had zijn opleiding genoten in Duitsland en stond in hoog aanzien bij het Duitse koloniale bestuur in Duala. Na de gewelddadige verdrijving en brute onteigening van de Duala door het koloniale bestuur, stelde de jonge koning zich aan het hoofd van een verzetsbeweging en protesteerde hij tegen het buitensporige geweld door de Duitse koloniale machthebbers. Met petities probeerde hij de Duitse regering ertoe te bewegen de met de Duala gesloten verdragen na te komen. Daarmee wekte hij het ongenoegen van de voorstanders van koloniale onteigening. Beschuldigd van hoogverraad werd hij in 1914 op 41-jarige leeftijd ter dood veroordeeld en opgehangen. Bij zijn procesgang werden zelfs de minimale wettelijke normen niet in acht genomen. Drie dagen lang hing zijn lijk aan de galg – ter afschrikking.

    Toen u begin jaren zeventig uw theorie over de xenologie presenteerde, was rassenscheiding nog een belangrijk issue in de VS. Ook de antikoloniale strijd was nog maar net achter de rug en Zuid-Afrika kende een systeem van apartheid.

    Het intellectuele dispuut over het kolonialisme begon doorgaans pas nadat de militante confrontatie was beëindigd. Wetenschappers als Frantz Fanon, Aimé Cesaire, Léopold Senghor en Cheikh Anta Diop waren de eersten die het kolonialisme benaderden als een politiek en ideologisch systeem. De xenologie past in de reeks revolutionaire geschriften van toen. Wereldwijd kreeg de wetenschappelijke eis van rechtvaardigheid de wind mee. Ik las toen alles wat ik maar te pakken kon krijgen, ik luisterde aandachtig naar alles wat fluitend langs mijn oren vloog.

    Vanaf de jaren negentig ontstond er een veelheid aan postkoloniale theorieën. Als baanbrekend boek geldt Edward Saids in 1978 verschenen studie over het oriëntalisme, terwijl u uw xenologie al een jaar eerder presenteerde. Staan de huidige postkoloniale theorieën in de traditie van uw werk?

    Ja, want net als bij de huidige uitingen van de postkoloniale theorie gaat het bij het xenologische werk om het analyseren van extern ontwikkelde systemen – en zodoende ook om het analyseren van asymmetrische relaties. De belangrijkste vragen zijn: welke machtsverhoudingen liggen aan die systemen ten grondslag en in hoeverre begunstigen ze uitbuitingsstructuren? Welke hiërarchieën zijn immanent, en welke vormen van culturele representatie en politieke controle maken dat die telkens weer in stand kunnen blijven? In mijn boek Xenologie is deze fundamentele kritiek op die Europese perceptie- en duidingspatronen met betrekking tot de niet-Europese mens al te vinden; sinds Saids werk wordt zij ook opgepakt en bediscussieerd in postkoloniale theorieën. Veel antiracistische debatten en bewegingen van nu beroepen zich op dat brede spectrum van kritische confrontatie met historische en hedendaagse machtsverhoudingen.

    Als wetenschapper en academisch docent heeft u het denken van diverse generaties studenten gescherpt en gevormd. Wat vond u in uw onderwijs belangrijk?

    Ik probeerde zo fundamenteel mogelijk te denken. Het ging me om het vermogen tot kritisch denken en om inzicht. Om een taal die veraf ligt van de hiërarchisering door de etnografie, een etnografie die spreekt van ‘stammen’, ‘natuurmensen’, ‘opperhoofden’ en ‘primitieven’. Zo’n taal bestaat nog niet. De ideologische vervorming door taal en wetenschappelijke categorieën moest ik tegemoet treden met theoretische precisie en taalgevoeligheid. Het ging om het blootleggen van machts- en gezagsverhoudingen, om vragen naar het waarom van privileges en om reflectie op waarderingssystemen. Ik heb heel veel gedoceerd en veel voortreffelijke scripties en afstudeeropdrachten begeleid. Met veel oud-studenten heb ik tot op de dag van vandaag contact.

    colonial troops german govt station ebolowa kamerun ie cameroon w africa
    Duitse koloniale troepen in Ebolowa, Kameroen, 1916 
    © Library of Congress.

    Welke bijdrage kan de theorie van de xenologie leveren aan het huidige wetenschappelijke discours?

    Het xenologische denken draagt bij aan het onderzoek van machtsverhoudingen en uitbuiting. Naast haar belangstelling voor wetenschappelijke inzichten heeft de xenologie ook een normatieve kant: ze wil gerechtigheid. Ze wil elk mens centraal stellen. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Xenologie heeft ook een normatieve kant. Ze wil niet alleen beschrijven, maar ook verandering mogelijk maken. 

    Welke betekenis heeft de xenologie voor het actuele politieke debat over bijvoorbeeld genderrechtvaardigheid, uitsluiting en racistisch geweld, waaruit bewegingen zoals Black Lives Matter zijn voortgekomen?

    Black Lives Matter heeft het racisme en de creatie van het andere op de politieke agenda gezet. Hoewel er in dit specifieke geval vanuit Europa graag werd gewezen naar de VS, vonden er ook hier straatprotesten plaats, waarbij een relatie werd gelegd met het koloniale verleden. En eindelijk wordt er nu geruzied over de omgang met museumschatten die in de koloniale tijd werden buit-gemaakt. Denk aan het debat over het teruggeven van roofkunst uit de voormalige koloniën. Nieuw aan deze discussies is enerzijds de aanwezigheid van sterke, goedopgeleide jongeren die hun recht opeisen en anderzijds het bestaan van wetenschappelijke categorieën om dit debat te voeren, zodat er dus begrippen zijn waarmee onrecht ook theoretisch kan worden benoemd.

    Ook in Duitsland wordt er voor het eerst breed gediscussieerd over koloniale herstelbetalingen.

    Om een voorbeeld te geven: de genocide die tussen 1904 en 1908 door Duitse koloniale troepen op de Nama en Herero werd gepleegd, bepaalt tot op de dag van vandaag de bestaansbasis van deze volkeren in Namibië. Destijds werd bijna 80 procent van het Hererovolk uitgeroeid. Door erkenning van deze genocide erkent Duitsland voor het eerst zijn rol in de misdaden uit de koloniale tijd. Maar helaas laat Duitsland het afweten als het weigert de toegezegde gelden uit te betalen aan de nakomelingen – en als deze gelden geen ‘herstelbetalingen’ mogen heten maar ‘ontwikkelingshulp’. De oplossing voor de vele disputen van tegenwoordig moet ook niet alleen van de wetenschappelijke theorievorming komen. Er is op heel veel vlakken nog heel veel te doen, maar ik heb groot vertrouwen in de kritische, mondiaal denkende jongeren. 

  • Keniaanse overheid wijt onrust op scholen aan drugsgebruik

    Keniaanse overheid wijt onrust op scholen aan drugsgebruik

    Op sommige scholen en internaten in Kenia worden sinds enige tijd leerlingen getest op drugsgebruik. De stap volgt op eerdere conflicten tussen studenten en overheid. De Keniaanse pers is verdeeld en roept op om toch vooral de dialoog tussen betrokkenen te herstellen.

    Vorige maand publiceerde 360 Magazine een artikel over boze leerlingen in Kenia die hun scholen en internaten in brand steken uit onvrede over het corrupte, rigide en ongelijke onderwijs waar ze dagelijks mee te maken hebben. Die storm van onvrede is allesbehalve gaan liggen. De scholen zijn weer begonnen en het land blijft zich verwonderen over de crisis die de onderwijssector op zijn grondvesten doet schudden.

    In de hoop de problemen aan te pakken is een van de stappen die wordt ondersteund door de minister van Onderwijs om studenten drugstesten te laten ondergaan. De Keniaanse pers reageert er wisselend op.

    Het dagblad Nation ziet wel wat in zitten in dat voorstel en noemt het in een hoofdredactioneel commentaar een ‘veilige manier’ om een einde te maken aan de excessen op de scholen. De krant weigert de branden te zien als een vorm van protest en stelt dat ‘de studenten maar al te goed weten dat hun ouders hoge boetes zullen moeten betalen om de schade aan de scholen te herstellen’. De krant is ervan overtuigd dat ‘drugsmisbruik een sleutelfactor is rond de problemen met de studenten’.

    ‘In belangrijke mate vernielen jonge criminelen de hun ter beschikking gestelde infrastructuur onder invloed van harddrugs of alcohol’. Marihuana, cocaïne en heroïne zouden volgens de krant ‘gemakkelijk verkrijgbaar zijn in scholen, kantines en bars’. Drugtests zullen scholen helpen ‘ontregelde studenten te identificeren’, waarna ze kunnen worden geïsoleerd en onder toezicht worden gesteld, waardoor de instellingen weer goed kunnen functioneren, aldus het dagblad.

    Gedwongen testen

    Sommige scholen zijn al begonnen met het uitvoeren van tests, maar er gaan veel stemmen op tegen die aanpak. ‘Ouders, docenten, advocaten en psychologen hebben laten weten geschokt te zijn over het gedwongen testen van leerlingen’, meldt The Standard, en voegt daaraan toe dat tegen het testen beroep kan worden aangetekend bij de rechtbank. De krant citeert een advocaat die bevestigt dat deze verplichte testen het recht op privacy van studenten schenden. Een psycholoog zet vraagtekens bij het gesuggereerde verband tussen drugsgebruik en het opstandige gedrag van leerlingen.

    Volgens Nation zoekt een vakbond van schoolhoofden via heel andere wegen naar oplossingen. De vakbond roept op kostscholen af te schaffen en om te bouwen tot dagscholen, zodat ‘ouders betrokken worden bij de opvoeding van hun kinderen’. De vakbond ziet overvolle scholen als een belangrijke factor in de toename van brandstichtingen in de afgelopen maanden.

    Half december opperde Teresa Wasonga, een onderzoeker die is verbonden aan de Universiteit van Northern-Illinois in de VS, in The Standard dat ‘de geweldsuitbarstingen van studenten een reactie is op de onderdrukkende en vernederende omstandigheden op kostscholen’.

    ‘Zoals in de meeste landen in Afrika ten zuiden van de Sahara, zijn kostscholen in Kenia populair bij ouders die traditioneel het geloof koesteren dat ze kwalitatief goed onderwijs bieden in vergelijking met gewone middelbare scholen’, aldus The Standard. Maar in werkelijkheid, meent Teresa Wasonga, zijn deze instellingen opgezadeld met een koloniale erfenis die onder meer wordt gekenmerkt door autoritarisme, geweld en een strikte opvatting van discipline. Ondanks dat lijfstraffen bij wet verboden zijn, worden veel studenten nog steeds geslagen door onderwijzend personeel, zegt Wasonga.

    ‘De enige “oplossing” die tot nu toe werd gesuggereerd (…) is de terugkeer van lijfstraffen’

    Tot schrik en wanhoop van het dagblad The Star is een oproep tot officiële herinvoering van lijfstraffen het debat binnengeslopen. ‘De schoolbranden in het hele land hebben miljoenen gekost, maar de enige “oplossing” die tot nu toe werd gesuggereerd door onderwijsbestuurders, is de terugkeer van lijfstraffen.’ De krant betreurt het dat niemand die toeziet op het onderwijs geneigd lijkt te zijn om de daadwerkelijke oorzaken van de brandstichtingen te onderzoeken.

    ‘Sommige schoolhoofden runnen hun scholen als militaire kazernes waar studenten niets te zeggen hebben, ondanks het bestaan van gekozen studentenraden. Studenten zijn veranderd in robots waarvan wordt verwacht dat ze zes dagen per week lange studiedagen maken en alleen op zondag rusten. Dezelfde studenten zijn ondervoed of krijgen heel slecht eten aangeboden en ze mogen geen recreatieve activiteiten ondernemen zoals tv-kijken, dansen of sporten’, schrijft de krant gealarmeerd. Om de onrust op de scholen te bestrijden ziet de krant daarom veel meer heil in het betrekken van leerlingen bij de besluitvorming.

    Maar dat is niet de weg die de Keniaanse regering in lijkt te willen slaan. Minister van Onderwijs George Mahoga heeft al meerdere keren opgeroepen tot harde maatregelen tegen ‘criminelen’ die brand stichten op scholen.

    ‘Lijfstraffen noch gespierde taal zullen de discipline op scholen terugbrengen’

    ‘Het ministerie van Onderwijs heeft jarenlang dezelfde strategieën toegepast zonder het systeem te verbeteren. Het ministerie vertrouwt op dwang en dreigende taal richting schoolhoofden, leraren, studenten en zelfs ouders’, stelt Nation vast. Volgens het dagblad ligt dergelijk top-downbeheer, waarbij niet wordt gekeken naar noden van de belangrijkste betrokkenen, ten grondslag aan de angst en demotivatie die leeft bij onderwijzers, ouders en leerlingen.

    Net als The Star pleit Nation voor dialoog en is de krant van mening dat ‘het echte probleem ligt bij het ministerie van Onderwijs en zijn instanties’. ‘Lijfstraffen noch gespierde taal zullen de discipline op scholen terugbrengen. De uitdrukking “straffen is een gemakzuchtige aanpak van ongedisciplineerdheid”, bestaat niet voor niets’, zo concludeert het dagblad.

    Lees ook:

  • Sophie Oluwoles invloed op de Afrikaanse filosofie

    Sophie Oluwoles invloed op de Afrikaanse filosofie

    Volgens het koloniale gedachtegoed bestonden er slecht één waarheid en realiteit, met als gevolg dat culturen werden verdrukt, onthecht en soms zelfs onderling in strijd kwamen. De Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole benadrukt het belang van een Afrikaanse filosofie, die een andere blik werpt op gewoontes, overtuigingen en een ‘geïmporteerd probleem’ als gender.

    Grote denkers in De Balie

    Op 29 mei hield in De Balie in Amsterdam Grâce Ndjako een lezing over de recent overleden Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole (1935-2018). Oluwole streed fel voor erkenning van de rijke filosofische tradities van het Afrikaans continent. Wat was haar positie binnen de Afrikaanse filosofie en wat maakt haar gedachtegoed zo relevant?

    Nadat ze als eerst Nigeraanse vrouw haar doctoraat haalde in westerse filosofie, verdiepte professor Sophie Oluwole zich in de Yoruba-overlevering, een orale traditie die deels wél op schrift gesteld is. In haar opus magnum zette ze twee grondleggers van de klassieke filosofie naast elkaar: Socrates en Orunmila. Daarin zet ze uiteen dat anders dat het oppositionele westerse denken (man-vrouw, goed-kwaad, ik-jij) de Afrikaanse filosofie uitgaat van complementair dualisme, waar verschil juist als een belangrijke aanvulling wordt gezien.

    In de programmaserie Grote Denkers staan vooruitstrevende en eigenzinnige vrouwelijke denkers uit de wereldgeschiedenis centraal.

    ‘Om tot ware wijsheid te komen, moeten we ons eerst aan ernstige overpeinzingen wijden om het zaad van de verwarring weg te nemen. Gegronde besluiten zijn het resultaat van diep nadenken over de ideeën en overtuigingen volgens welke wij leven. Een ieder die een onnadenkende persoon volgt zal dat uiteindelijk betreuren en zich de haren uit het hoofd trekken.’

    Dit zijn de woorden van Orunmila, Yoruba-denker uit ongeveer 500 voor Christus, over het belang van het cultiveren van wijsheid. Uit het citaat blijkt dat het niet alleen belangrijk is om te reflecteren, maar ook om te reflecteren op de wijze waarop we reflecteren, op de concepten die we gebruiken en de geloofsregels waarnaar we leven. Wie dit niet doet, zal er spijt van krijgen. Over het leven moet worden gereflecteerd, wijsheid moet worden gekoesterd, begeerd. Wijsheid biedt ons oplossingen voor de problemen van het menselijk bestaan. 

    ‘In de loop van de tijd worden mensen wijzer. Dit is niet het wezenlijke beginsel waardoor “Weet-nog-niet” zich liet leiden toen hij niet wist hoe hij een bepaalde kwestie moest aanpakken. Hij dacht na en sliep er een nachtje over. Bij het ochtendgloren zag hij het licht en wist wat hem te doen stond. Dus laten we dag op dag laten volgen; is dat niet genoeg, laten we dan maand op maand laten volgen; op de lange duur zullen we door voortdurend nadenken oplossingen vinden voor de meest verbijsterende problemen van het menselijk bestaan.’

    Deze preoccupatie met wijsheid, deze liefde voor wijsheid, noemen we ook wel filosofie.

    ‘Dat Afrikanen niet kunnen denken, zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn’

    Orunmila zei dit ongeveer vijf eeuwen voor Christus. Toch werd het bestaan van Afrikaanse filosofie lange tijd ontkend. Dat is een feit waar Sophie Oluwole helaas haar hele leven mee te maken heeft gehad. ‘Mijn leven lang is mij verteld dat Afrikanen niet kritisch zijn en niks analyseren. Dat Afrikanen niet kunnen denken. Dat zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn. Ik wilde het tegendeel bewijzen.’ Aldus Oluwole in een interview uit 2017 toen ze in Nederland was. Het idee dat je alleen bent als je denkt prevaleerde tijdens de verlichting bij denkers als Kant en later Hegel, en geldt in sommige academische kringen tot op de dag van vandaag. 

    Wat Oluwole ook bijzonder maakt is het feit dat zij de eerste vrouw was die in Nigeria promoveerde in de filosofie. Ze werd uiteindelijk hoofd van de afdeling filosofie van de universiteit van Lagos. Op meerdere fronten is zij dus een pionier geweest binnen dit vakgebied. 

    Superioriteitsdenken

    Afrikaanse filosofen hebben verschillende reacties geformuleerd op het idee dat filosofie in Afrika niet zou bestaan, en dat dit bovendien niet mogelijk zou zijn. Reacties lopen uiteen van denkers die zich identificeren met de Europese filosofie en stellen dat Afrikaanse filosofen de Europese denktraditie moeten volgen, de zelfbenoemde professionele filosofen, tot denkers die beweren dat Afrikaanse filosofie het product is van de culturele ervaringen van Afrikanen, en dat het wereldbeeld van Afrikanen om deze reden moeten worden gedocumenteerd. Zij worden etnofilosofen genoemd.  

    Oluwole vond geen van deze reacties adequaat. De zogenaamde ‘professionele’ filosofen zouden zelf geen onderzoek hebben uitgevoerd naar Afrikaanse orale tradities. Deze zouden door hen zelfs volledig worden verwaarloosd in de zoektocht naar principes die intellectueel overtuigender en sociaal gezien relevanter zouden zijn voor de hedendaagse Afrikaanse ervaring. Etnofilosofen zouden volgens Oluwole dan weer te essentialistisch zijn, en in sommige gevallen het racistische discours van de kolonisten hebben overgenomen. 

    Onderzoek naar het Afrikaans denken gaat niet om het zoeken naar paralellen van westerse metafysica in Afrikaanse talen. Het gaat ook niet om het vinden van de Afrikaanse metafysica of epistemologie; men definieert het Europese denken immers ook niet aan de hand van één soort metafysica of epistemologie. Onderzoek naar het Afrikaanse denken zou moeten gaan over de intellectuele idealen die in Afrikaanse talen ingebed zijn. De intellectuele idealen, de intellectuele cultuur, liggen immers ten grondslag aan iedere intellectuele onderneming, en dus ook filosofie. 

    Oluwole was tegen het klakkeloos overnemen van Europese paradigma’s en denksystemen. Het overnemen van Europese paradigma’s zou wijzen op een bepaalde mate van superioriteitsdenken. 

    ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten’

    ‘De bewering dat de westerse filosofie in een universeel voorbeeld voorziet van de menselijke intellectuele cultuur is op ernstige bezwaren gestuit. Zelf ben ik van mening dat de verbreiding ervan alleen maar tot intellectuele dweepzucht leidt.’ Ze gebruikte ook wel de term intellectueel nationalisme. De westerse filosofie zou een weerspiegeling zijn van de Europese intellectuele cultuur. De principes van de Europese intellectuele cultuur zouden zijn gebaseerd op het uitbouwen van een heel systeem en een zoektocht naar absolute kennis.

    Het probleem hiervan is dat dit algauw leidt tot het geloof in één enkele absolute waarheid die overal altijd geldig is, en voor iedereen geldig is, en dat er dus maar één realiteit bestaat. Oluwole zegt het als volgt: ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten die door elk van deze rationale pogingen kunnen worden omvat.’ Ze typeerde de westerse intellectuele cultuur daarom als een monotheïsme.

    Volgens Oluwole is het belangrijk dat we ons afvragen of principes uit het westerse denken wel zo neutraal zijn, en objectief genoeg om te kunnen zeggen dat ze universeel zijn en voor iedereen opgaan. We spreken tegenwoordig steeds vaker over dekolonisatie. Dat is niet alleen een politieke dekolonisatie, dus politiek onafhankelijk zijn; we spreken ook over dekolonisatie van instituten en dekolonisatie op het gebied van het denken, doordat we ons steeds meer bewust zijn van de reikwijdte van het koloniale gedachtegoed en de implicaties van de gedachte dat er maar één enkele waarheid en realiteit bestonden. Bij gekoloniseerden heeft deze gedachte gezorgd voor de vernietiging van bestaande structuren en vervreemding van de eigen cultuur. Ook zijn er verschillen en ongelijkheden geïntroduceerd of vergroot die daarvoor niet of nauwelijks bestonden. 

    Paradigma’s en patronen

    Het dekoloniseren van het denken heeft daarom niet alleen implicaties voor de filosofie, voor het bestaan van een Afrikaanse filosofie, maar ook voor de politiek en het denken over gender. Als we vanuit het Afrikaanse gedachtegoed denken over politiek, kunnen we met andere stelsels komen. Oluwole zegt hierover: ‘Een totale afhankelijkheid van de paradigma’s en patronen van democratie zoals die in veel Europese landen worden toegepast, is misschien niet de enige manier om vooruitgang te boeken.’ We kunnen ook vanuit het Afrikaanse denken kijken naar sekse en gender.

    Oluwole doet dit via onderzoek naar de orale traditie. Dat komt de Afrikaanse filosofie volgens haar ten goede, omdat filosofie voornamelijk draait om wat door filosofen wordt gezegd: ‘In tegenstelling tot de geschiedkunde en de sociale wetenschappen richt de filosofie zich niet in de eerste plaats op wat mensen doen maar op wat ze zeggen, dus op de verbale expressie van mensen. Daarom is een van de meest gebruikte zinnen in de filosofie:  “X heeft gezegd…” Maar zelden horen we: “Plato deed dit” of: “Russell deed dat”. Wij verwijzen altijd naar wat bepaalde mensen hebben gezegd. Vanwege het onmiskenbare feit dat we weinig of geen geschreven documenten bezitten waarin de feitelijke woorden van onze voorouders aan ons worden doorgegeven, zullen de woorden van onze wijzen worden gebruikt als gemeenschappelijk referentiekader, zeggen de Yoruba.’

    Ze baseert zich hierbij ook op een gezegde uit het Yoruba: ‘Owe I’esin òrò, bí òrò bá sonú, òwe I’ a fi n wà a. (‘Spreekwoorden zijn de analytische denkinstrumenten; als we het denken kwijtraken, gebruiken we spreekwoorden om het te zoeken.’)

    Teksten zoals die voorkomen in de taal van een volk – het woord tekst past ze toe in de brede zin van het woord en omvat dus ook orale overlevering – bieden veel inzicht in sociale principes en religieuze gebruiken.

    ‘Daarom is er behoefte aan een Afrikaanse renaissance die de Afrikaanse orale literatuur op een kritische manier onderzoekt om zo een betrouwbare Afrikaanse sfeer te ontdekken en te bevorderen die eerder is gebaseerd op “verhalen die beantwoorden aan de waarheid van hun taal en authenticiteit” dan aan een realiteit die is vervormd door de modaliteiten van niet-Afrikaanse talen of “resultaten van theoretische manipulaties”.’

    Oluwoles belangrijkste bijdrage aan de Afrikaanse filosofie is dan ook deze terugkeer geweest naar de eigen teksten, terugkeer naar de Afrikaanse orale traditie. Op deze manier heeft ze veel van de mythes die tijdens het kolonialisme zijn ontstaan verworpen; ‘Ga terug naar feitelijke “teksten” van de orale traditie in plaats van te vertrouwen op de “bedenksels” van sociale wetenschappers,’ aldus Oluwole. 

    Man/vrouw-verhoudingen

    Als gezegd heeft het onderzoeken van de taal en orale traditie tot belangrijke inzichten geleid op het gebied van sekse en gender in Afrika. Oluwole keek hierbij specifiek naar de Yoruba-taal. Kenmerkend bij de Yoruba is het complementair denken, en dit vindt ook zijn weerslag in het denken over man/vrouw-verhoudingen. 

    – ‘Er is geen godheid zoals een moeder. Alleen zij is het aanbidden waard.’

    Er zijn teksten die lijken te wijzen op de superioriteit van mannen:

    – ‘De man geeft leiding aan de vrouw.’

    En teksten die het tegendeel beweren:

    – ‘Een vrouw werd gevraagd een zwakkeling mee te brengen die ze kon laten doen wat ze wilde, en ze kwam terug met haar man.’

    – ‘Voor mannen is geen plaats in de hemel.’

    – ‘Het kind van een vrouw is haar echte man.

    Alleen omdat de kou ondraaglijk is

    Neem je een man om je warm te houden

    Een kind is de echte man van haar moeder’

    -‘Vraag: Hoeveel mensen in het dorp?

    Antwoord: Twee, mannelijk en vrouwelijk.’

    Oluwole: ‘De implicatie is uiteraard dat de samenleving beide geslachten moet erkennen en niet maar een van beide.’

    Vrouwen werden niet uitgesloten van het maatschappelijk leven. Vrouwen hadden politieke inspraak, en hadden soms leidinggevende functies:

    ‘Het sociale basisprincipe op grond waarvan Yoruba-vrouwen handelden, bijvoorbeeld, was dat als de samenleving besluiten moest nemen die ernstige gevolgen hadden voor hun leven, voor hun economische, politieke en religieuze bestaan, ze te allen tijde het recht hadden te worden geraadpleegd en rechtstreeks dan wel via democratische vertegenwoordiging te worden betrokken bij de besluitvorming’ (2014: 102). Op economisch vlak liepen vrouwen zelfs voorop; zij waren degenen die goederen verkochten op de markt, zowel die van haar man als haar eigen producten. Vrouwen konden kapitaal bezitten, erven en nalaten. 

    ‘Gender’ is in Yoruba een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in die taal

    Haar invloed is te zien in het onderzoek dat door hedendaagse Afrikaanse denkers en wetenschappers wordt verricht op het gebied van sekse en gender. De Nigeriaanse denker Oyèrónkẹẹ Oyěwùmí stelt door te kijken naar de Yoruba-taal dat ‘gender’ een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in het Yoruba. Ook zij wijst op het complementaire denken en het belang van een terugkeer naar de taal, de teksten, om koloniale mythes te verwerpen.

    ‘Omdat onvoldoende wordt ingezien dat het wereldbeeld van een volk bepaald wordt door taal, worden westerse categorieën als universeel beschouwd. In de meeste Yoruba-studies worden de inheemse categorieën niet onderzocht maar geassimileerd in het Engels. Dit heeft tot een ernstige verdraaiing en een volstrekt onbegrip van de Yoruba-realiteit geleid. Geslachtskenmerken zijn belangrijk geworden in Yoruba-studies, omdat het leven van de Yoruba in het Engels is vertaald om in het westerse lichaamsbeeldpatroon te passen.’

    Oluwole zei over taal: ‘Taal is een product van menselijke ervaring. Wanneer ze voor educatieve doeleinden wordt gebruikt, moet er een aantal regels en beginselen worden geleerd, niet alleen op grammaticaal gebied maar ook conceptueel.’ 

    Haar inzichten vinden we ook terug bij Afrikaanse schrijvers. De Keniaanse schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o stelt bijvoorbeeld dat cultuur en taal moeilijk van elkaar te scheiden zijn. ‘De keus van een taal en het gebruik dat van die taal wordt gemaakt is bepalend voor de manier waarop mensen zichzelf definiëren ten opzichte van hun natuurlijke en sociale omgeving, en zelfs ten opzichte van het hele universum.’ Hij schrijft over de vervreemding die hij ervoer doordat hij op school in een andere taal, een Europese taal, werd onderwezen dan hij thuis sprak; het Gikuyu. De geschreven taal die hij op school sprak, kwam niet meer overeen met zijn wereld. 

    Gesproken tekst

    Oluwole hechtte waarde aan de orale traditie omdat deze voor een nauwere relatie zorgde tussen de auteur en diens publiek. Meer dan het schrift weet de orale traditie te zorgen voor een emotionele band tussen orator en toehoorder, doordat de gesproken tekst meer leeft. 

    ‘Waar een geschreven tekst vaak openbare zaken in een duister persoonlijk idioom vervat, houden orale uitingen de communicatie meestal open zodat het publiek de ideeën en gedachten van de orale verteller op een directe manier tot zich kan nemen en kan delen. Worden de open ideeën opgeschreven, dan raken ze versteend en maakt de classificatie ze alleen maar geheimzinniger.’

    Ook Thiong’o benadrukt het belang van de orale traditie. Volgens hem moeten we af van het idee dat de pen de voornaamste overdrager van cultuur is: ‘Woorden omkleden ideeën die voortkomen uit die strijd. Woorden benoemen gedachten. De tong geeft de woorden stem. Woorden komen niet in geschreven vorm uit onze mond; ze komen eruit als een spreekstem. De pen imiteert de tong. De pen is de klerk van de tong. Hij maakt tekeningen van wat er wordt gezegd. De pen zegt wat al gezegd is.’

    Vandaar het belang van spoken word in zwarte gemeenschappen. Ook hiphop kunnen we zien in het licht van deze orale traditie. Al deze uitdrukkingsvormen worden in zwarte gemeenschappen met elkaar gedeeld, en moeten we blijven koesteren. Onze orale tradities zijn onderdeel van onze intellectuele cultuur. 

  • Zimbabwanen boos over standbeeld | Praten met geesten is razend populair

    Zimbabwanen boos over standbeeld | Praten met geesten is razend populair

    Verontwaardiging in Zimbabwe over standbeeld

    In Harare heeft de Zimbabwaanse regering een standbeeld onthuld ter ere van een heldin van de antikoloniale strijd. Maar gezien de zware economische crisis die het land doormaakt, zijn de kosten van het gerenoveerde werk een steen des aanstoots, zo meldt de Zimbabwaanse pers.

    Er is niets mis met eer bewijzen aan een icoon van de antikoloniale strijd, maar om dat te doen tijdens de huidige economische malaise gaat veel Zimbabwanen te ver. De regering onthulde vorige week een imposant bronzen beeld van Mbuya Nehanda Nyakasikana. De vrouw, die verzet aanmoedigde tegen de Britse kolonisten en aan het einde van de negentiende eeuw werd gevangengenomen en geëxecuteerd, wordt beschouwd als een heldin van de antikoloniale strijd. Om haar te eren, liet president Emmerson Mnangagwa de onthulling van het standbeeld vergezeld gaan van een militaire parade, dansvoorstellingen en concerten in de straten van hoofdstad Harare.

    Het standbeeld en de ceremonie hebben naar schatting ongeveer 4,1 miljoen euro gekost

    Dat leidde tot woede bij veel Zimbabwanen, mede gezien de kosten van de renovatie van het beeld. Het werd namelijk volledig aangepast nadat vorig jaar een eerdere versie werd onthuld die als te ‘voluptueus’ werd beschouwd voor een door strijd uitgemergelde vrouw, zo meldt The Zimbabwean. De enige bekende foto van Nyakasikana toont haar als een verzwakte gevangene, die op het punt staat te worden geëxecuteerd door Britse kolonisten.

    ‘Het standbeeld en de ceremonie hebben naar schatting ongeveer 5 miljoen dollar (4,1 miljoen euro) gekost’, schrijft  Zim Live. Een duizelingwekkende prijs, vindt de Zimbabwaanse site, vooral omdat Emmerson Mnangagwa een paar uur voor de onthulling van het standbeeld vol dankbaarheid een blijk van internationale steun in ontvangst had genomen: ‘een donatie van 5000 ton maïsmeel van Zuid-Afrika’.

    Belediging

    Kortom, een absurd gebaar met groteske kosten dat eigenlijk een belediging is van de nagedachtenis van Mbuya Nehanda Nyakasikana. Zij had ongetwijfeld liever gezien dat mensen toegang hadden gekregen tot gezondheidszorg en voedsel, vinden critici.

    Hopewell Chin’ono, een freelance journalist die de afgelopen negen maanden drie keer gevangen is gezet vanwege zijn politieke opvattingen, verwoordde zijn woede tegen The Guardian als volgt: ‘Normaal gesproken is het eren van culturele helden en vrijheidsstrijders een nobele zaak, maar ik vind het een schande om het te doen in een tijd waarin Zimbabwanen met een lege maag naar bed gaan. Het is een schande om dit te doen in een tijd waarin Zimbabwanen naar een ziekenhuis moeten waar geen medicijnen zijn. Het is een grote schande dat we standbeelden neerzetten terwijl onze jongeren geen baan hebben.‘

    Ondanks de historische betekenis van Mbuya Nehanda Nyakasikana, worden de kosten van het beeld als overdadig beschouwd in deze moeilijke economische tijden. Hyperinflatie zorgt ervoor dat huishoudens niet aan essentiële bestaansmiddelen kunnen komen. Volgens het Nationale Bureau voor de Statistiek bereikte de inflatie een jaar geleden met een stijging van 837 procent een absoluut record.


    Bacteriën reinigen beelden van Michelangelo

    Al in 1595 verschenen berichten over ongewenste vlekken en verkleuringen in het marmer van de fameuze graftombes die Michelangelo schiep voor de Medici-kapellen in Florence. In de daaropvolgende eeuwen liet gips, dat werd gebruikt om de meesterwerken te kopiëren die hij bovenop de sarcofaag had gebeeldhouwd, ook nog eens verkleuringen achter.

    Na bijna tien jaar van restauraties konden de meeste onvolkomenheden worden verwijderd, maar het vuil op de tombes en andere hardnekkige vlekken vroegen om speciale aandacht. In de maanden voorafgaand aan de coronaepidemie in Italië en vervolgens tijdens de donkerste dagen van de tweede golf, toen buiten het virus huishield, lieten restauratoren en wetenschappers stilletjes vreetgrage microben los op het marmer. ‘Het was topgeheim’, vertelt Daniela Manna, een van de kunstrestauratoren, aan The New York Times.

    Ingewanden

    Ze schrijft de vervuiling van het marmer toe aan een van de Medici in het bijzonder: Alessandro de’ Medici, die werd vermoord en wiens lijk blijkbaar in de tombe werd bijgezet zonder behoorlijk te zijn ontdaan van zijn ingewanden. Door de eeuwen heen sijpelde zijn stoffelijk overschot volgens experts in het marmer van Michelangelo waardoor vlekken en vervormingen ontstonden. Bacterie Serratia ficaria SH7 wist er wel raad mee.

    ‘SH7 heeft Alessandro opgegeten’, zegt Monica Bietti, voormalig directeur van het Cappelle Medicee-museum, omringd door de nu glanzende beelden van Michelangelo, dode Medici, toeristen en een volledig vrouwelijk team van wetenschappers, restaurateurs en historici. Haar team gebruikte bacteriën die zich voedden met lijm, olie en kennelijk ook Alessandro’s fosfaten, als een biologisch wapen tegen de eeuwenoude vlekken.

    Om de meest geschikte bacteriën te vinden, kozen de onderzoekers uit een verzameling van bijna duizend stammen

    In november 2019 schakelde het museum de Italiaanse Nationale Onderzoeksraad in, die infraroodspectroscopie gebruikte waarmee calciet, silicaat en andere organische overblijfselen op de sculpturen en de twee tombes aan het licht werd gebracht.

    Dat onderzoek leverde een belangrijke blauwdruk op voor Anna Rosa Sprocati, een bioloog bij het Italiaanse Nationale Agentschap voor Nieuwe Technologieën, om de meest geschikte bacteriën te kiezen uit een verzameling van bijna duizend stammen, die gewoonlijk worden gebruikt voor het afbreken van aardolie bij olievervuilingen of de toxiciteit van zware metalen. Sommige bacteriën aten fosfaten en eiwitten, maar ook het Carrara-marmer waar Michelangelo de voorkeur aan gaf. ‘Die hebben we dus niet gekozen’, merkt Bietti droogjes op.

    Vervolgens testte het restauratieteam de meest veelbelovende acht soorten achter het altaar, op een kleine marmeren rechthoek. De bacteriën slaagden voor hun examen en mochten op grote schaal beginnen aan hun feestmaal. Met succes, want de meesterwerken van Michelangelo op deze glorieuze plek liggen er nu weer glanzend en schoon bij.


    De terugkeer van het spiritisme

    Mediums die beweren met de doden te kunnen communiceren ten overstaan van verbijsterde toeschouwers waren populair in het Victoriaanse tijdperk. In onze digitale tijd zijn ze weer helemaal terug.

    ‘Het is een goed moment om dood te zijn, als je tenminste contact zou willen houden met de levenden’, schrijft The New Yorker. Want meer dan een derde van de respondenten van een onderzoek onder 5.027 Amerikaanse, Canadese en Britse volwassenen gelooft dat het mogelijk is om met de doden te communiceren, en ‘de meesten daarvan geloven dat ze in contact zijn geweest met een overleden persoon’, meldt Church Times.

    The New Yorker verbaast zich over de omvang van het fenomeen: ‘Net als hun collega’s in vorige eeuwen krijgen helderzienden ook nu weer tal van auditoria, collegezalen en verpleeghuizen gevuld. Historische gemeenschappen zoals Lily Dale, in de staat New York en Cassadaga in Florida bloeien op doordat ze jaarlijks door tienduizenden mensen worden bezocht die er séances, genezingsdiensten en lezingen bijwonen.’

    ‘Voor elk medium is er een medium’

    Volgens het tijdschrift zijn er ‘in de Verenigde Staten meer dan honderd kerken gewijd aan spiritualisme, meer dan driehonderd in het Verenigd Koninkrijk en nog honderden anderen in meer dan dertig landen over de hele wereld.’ Het fenomeen doet denken aan het einde van de negentiende eeuw, ‘toen alleen al in de Verenigde Staten tussen de 4 en 11 miljoen mensen zichzelf tot spiritisten verklaarden.’ Met dit verschil dat Amerikanen nu het equivalent van 1,6 miljard euro per jaar uitgeven ‘aan paranormale diensten die op oude en nieuwe platforms worden aangeboden: Instagram, Facebook, TikTok en televisie. Voor elk medium is er een medium.’

    Sommige levenden denken al aan hun toekomst in het hiernamaals. Zo bracht Star Trek-ster William ‘Captain KirkÆ Shatner onlangs vijf dagen door in een studio in Los Angeles, volgens Fast Company. De 90-jarige acteur ‘veranderde in een geest’ in een interactieve video van het bedrijf StoryFile. ‘Later kunnen mensen vragen stellen aan Shatners geest. Het StoryFile-systeem “speelt” de antwoorden en creëert de illusie dat William Shatner nog leeft, zelfs lang na zijn dood. Welkom bij het nieuwe spiritualisme’, aldus het tijdschrift.

    Ook wetenschappers zijn vandaag de dag geïnteresseerd in paranormale activiteiten, schrijft The New Yorker, net zoals Marie en Pierre Curie een eeuw geleden geloofden dat de wetenschap ‘eindelijk het bestaan zou kunnen bewijzen’ van een spirituele wereld.

    Absorptie

    SciTechDaily publiceerde de resultaten van een onderzoek dat werd uitgevoerd onder 65 spiritistische mediums om te verklaren waarom sommigen van hen zeggen ‘de doden te kunnen horen’. Volgens deze studie van Durham University, aldus het tijdschrift Mental Health, Religion & Culture, bezitten deze spiritisten de vaardigheid van absorptie: ‘een eigenschap die iemand het vermogen geeft om ondergedompeld te kunnen raken in mentale of gefantaseerde activiteiten of om toestanden van gewijzigd bewustzijn te kunnen ervaren’. Deze ‘paranormaal begaafden’ melden ook vaker ‘ervaringen met ongebruikelijke auditieve verschijnselen, zoals het horen van stemmen, iets dat al vaak vroeg in hun leven voorkomt’.

    De heropleving van het spiritisme beantwoordt volgens The New Yorker aan een diepe behoefte: ‘De angst voor de dood heeft altijd de droom van onsterfelijkheid geïnspireerd en de hoop die het Victoriaanse spiritisme koesterde is van alle tijden: de kloof te kunnen overbruggen tussen ons en degenen die we hebben verloren, te weten dat ze veilig en tevreden zijn, en te kunnen geloven dat ze evenveel aan ons denken als wij aan hen.’

  • De niet-westerse wereld bestaat amper op Street View

    De niet-westerse wereld bestaat amper op Street View

    Het reisspel GeoGuessr, waarin spelers via Google Street View moeten raden waar ter wereld ze zich virtueel bevinden, is tijdens de pandemie razend populair geworden. Maar gamers ergeren zich in steeds grotere mate aan de slechte foto’s.

    Het in 2013 door een Zweedse ontwikkelaar gelanceerde GeoGuessr is een spel dat helemaal draait om Google Maps: spelers worden in Street View op een willekeurige locatie gedropt en moeten zo snel mogelijk zien te raden waar ter wereld ze zich bevinden. De topspelers hebben daarbij zo hun trucs: uit het hoofd leren welke kleuren de naamborden in Noord-Macedonië hebben, hoe de officiële Google-auto’s in Colombia eruitzien of welke diakritische tekens het meest voorkomen in het Laotiaans (zonder die taal per se te kunnen lezen). De beste spelers zijn inmiddels al zo bedreven in het oplossen van deze puzzel dat ze hun locatie tot binnen een paar meter weten te bepalen.

    Het spel maakt opgeld bij een aantal grote namen in de gamewereld op Twitch en Discord. Begin maart piekte GeoGuessr als zoekterm op Google Trends nadat een populaire Minecraft-bouwer het had gespeeld tijdens een livestream. Op YouTube vind je tientallen GeoGuessr-clips van het afgelopen jaar die al meer dan een half miljoen keer zijn bekeken. ‘Het is een beetje net als met Among Us: toen dat een hit werd, was een tijdlang echt iederéén dat aan het spelen,’ zegt Costar_, de moderator van de belangrijkste GeoGuessr-community op Reddit, die ons verzocht hier alleen zijn gebruikersnaam te noemen.

    ‘De helft van het beeld is bagger’

    Maar de spelers beginnen nu te klagen over Google Maps-vrijwilligers in landen die nog niet zo uitgebreid in beeld zijn gebracht, zoals Zanzibar. Ze vinden dat zij het spel bederven doordat ze korrelige, vage of anderszins ondermaatse foto’s uploaden naar Google Maps, en daarmee naar GeoGuessr. Volgens Costar_ halen ze met hun foto’s meestal niet de kwaliteit van de officiële Google-auto. ‘De beelden zijn heel vaag, zodat je teksten en straatnaambordjes niet kunt lezen en er niet goed op kunt inzoomen. De helft van het beeld wordt in beslag genomen door de auto’s en de beweging is bagger,’ aldus Costar_. ‘Traag en haperend. Of te fel of te donker. Er is altijd wel iets.’

    360 graden

    Google heeft Maps sinds 2007 al voorzien van meer dan vijftien miljoen kilometer aan beelden van overal ter wereld. Daarvoor heeft het zelf speciale foto-apparatuur ontwikkeld die 360-gradenfoto’s maakt voor de Street View-auto’s, die begaanbare wegen fotograferen, en de Street View Trekker-rugzak, voor plaatsen waar je alleen te voet kunt komen. Maar Noord-Amerika en Europa mogen daarmee nu bijna volledig in beeld zijn gebracht, Afrika en andere delen van de niet-westerse wereld zijn op Google Maps nog maar mondjesmaat vertegenwoordigd. Vandaar dat zich vrijwilligers aandienen om in die leemte te voorzien.

    ‘In de ideale wereld zou Google alles zelf doen, maar in de werkelijkheid is ons werk beter dan niets,’ zegt Federico Debetto, de oprichter van World Travel in 360, de organisatie die samen met het verkeersbureau van Zanzibar probeert om voor deze autonome eilandregio voor de kust van Tanzania de kaarten aan te vullen. Een succesvol initiatief: de panoramafoto’s die zijn team vorig jaar heeft geüpload, zijn al door meer dan 20 miljoen mensen bekeken. Het zijn heldere en goed belichte foto’s, maar ze zijn niet zo goed als die van sommige andere regio’s op Google Maps, en dat zint de GeoGuessr-spelers niet. Hun bijnaam voor mensen die op eigen houtje officieus foto’s bijdragen aan Google Maps is ‘Ari’, naar Ari Immonen, een Finse technoloog die jarenlang met een camera op zijn auto rondreed en een van de eerste mensen was die op grote schaal gebruikersfoto’s naar Street View uploadde. ‘Als we een foto zien die van mindere kwaliteit is dan de officiële foto geweest zou zijn, noemen we dat een “Ari”, dan weet iedereen wat je bedoelt,’ zegt Costar_.

    Screen Shot 1 1000x625 kopie 1 1
    Google Street View is beschikbaar voor de gebieden in het groen. Hoe donkerder het groen, hoe meer straten in kaart zijn gebracht. Een groot deel van Afrika ontbreekt.
    – © Google

    De laatste tijd beginnen GeoGuessr-spelers deze Ari’s te vragen om met uploaden te stoppen, in de hoop dat het spel zonder die amateurbeelden makkelijker te spelen wordt. Een aantal Reddit-gebruikers heeft in een half gecoördineerde actie massaal contact opgenomen met het verkeersbureau van Bhutan, ofwel ‘Bhutan Ari’, dat ook was begonnen beelden van het land te uploaden. En Costar_ liet op Reddit weten dat er ook al mensen zijn benaderd die beelden uploaden van de Jordanese hoofdstad Amman en Zanzibar. Maar hun campagne heeft nog weinig effect gehad. ‘Ik geloof niet dat er al iemand op andere gedachten is gebracht,’ gaf Costar_ toe.

    Geldbesparing

    De woede richt zich ook niet alleen op de Ari’s zelf. Veel GeoGuessr-spelers zijn van mening dat de ondermaatse foto’s aan Google zelf te wijten zijn. ‘De houding van de spelersgemeenschap tegenover de mensen die zelf foto’s uploaden, in landen zonder officiële Google-foto’s zoals Zimbabwe, was eerst positiever,’ zegt Costar_. ‘Hun inzet is indrukwekkend. Maar die waardering is omgeslagen, we beschouwen het nu vooral als een excuus voor Google om op zijn reet te blijven zitten en geen nieuwe beelden meer toe te voegen, behalve dan voortdurende updates van Mountain View in Californië.’

    Volgens een Franse GeoGuessr-speler die op YouTube te vinden is onder de gebruikersnaam Mapper, begon Google de officieuze foto’s toe te laten om tegelijkertijd geld te besparen en toch meer data te verzamelen. ‘Dat mensen bereid zijn om gratis en voor niks hun database te vullen speelt hier duidelijk een grote rol,’ schrijft Mapper in een e-mail. ‘Sinds in 2018 de officieuze foto’s begonnen op te duiken, zie je een scherpe daling in het aantal nieuwe foto’s van Google zelf.’ (Er zijn inderdaad aanwijzingen dat Google’s eigen bijdragen aan Street View de afgelopen twee jaar zijn afgenomen.)

    Google laat weten dat het bij zijn strategie hoort om gebruik te maken van vrijwilligers. ‘We werken al jaren aan nieuwe manieren waarop mensen hun eigen beelden kunnen toevoegen aan Google Maps, en in betere kwaliteit,’ mailt een woordvoerder. Het bedrijf heeft zelfs een puntensysteem opgetuigd om gebruikers daartoe aan te sporen. Het werk van de vrijwilligers draagt er volgens Google aan bij dat de beelden kloppen en up-to-date zijn, ook op plaatsen die Google zelf al in kaart heeft gebracht. Verder leent het bedrijf apparatuur uit aan ‘vertrouwde fotografen’ voor grote projecten en staat het particulieren toe met Street View reclame te maken voor commercieel werk.

    Screen Shot 5 1000x574 kopie 1
    In GeoGuessr moeten spelers achterhalen waar een foto van Google Street View genomen is. – © YouTube

    Sommige mensen die aan Google Maps bijdragen, zijn juist blij dat ze dankzij het techbedrijf nu in staat zijn hun gemeenschap op hun eigen manier in beeld te brengen. ‘Als een bedrijf technologisch in staat is om het zelf te doen, wil dat nog niet per se zeggen dat het cultureel ook in de haak is,’ zegt Tania Wolfgramm in Auckland, waar ze leiding geeft aan het GRID-programma, een project om de eilanden in de Stille Oceaan op Street View te zetten. Ze begreep al snel dat Google geen mensen zou sturen naar de talloze afgelegen en schaars bevolkte eilanden, waaronder Tonga, het eiland waar ze zelf vandaan komt.

    ‘Er heerst een gevoel dat wij, als inheemse bevolking die met kolonialisme te maken heeft gehad, geen rol spelen op wereldwijde platforms,’ zegt ze. Omdat er geen officieel Google-team zou komen, zag zij een kans voor de eilandbewoners om zelf iets aan Google Maps toe te voegen. Google en een camerafabrikant schonken haar de apparatuur en in overleg met de premier en de minister van Posterijen van Tonga stelde ze de basisregels voor hun project op.

    Financiële gevolgen

    ‘Als het eenmaal online staat, kan de hele wereld erbij. We kunnen niet zomaar naar een land gaan en daar foto’s nemen en overal met een auto rondrijden zonder toestemming te vragen,’ zegt Wolfgramm. Ze vindt het project meer dan de moeite waard, zelfs als het straks alleen maar dient als link met het thuiseiland voor de honderdduizend eilandbewoners die, net als zijzelf, naar het buitenland zijn verhuisd.

    Street View is een kans om kijkers te veranderen in reizigers

    Maar Debetto wijst erop dat het ook financiële gevolgen heeft als regio’s niet op Google Maps staan zolang ze daar zelf niets aan doen. Volgens een gezamenlijk onderzoek van Ipsos en Google levert een vermelding op Google Maps met foto’s en virtuele rondleidingen tweemaal zoveel belangstelling op. Voor regio’s die afhankelijk zijn van toerisme, zoals Zanzibar, is Google Street View een kans om kijkers te veranderen in reizigers en ze te verleiden hotels en reizen direct bij de aanbieder zelf te boeken in plaats van via internationale tussenpersonen.

    Nu het einde nadert voor de lockdowns en het reisverkeer weer op gang begint te komen, zullen waarschijnlijk steeds meer Ari’s nieuwe regio’s van de wereld op Street View blijven zetten. Wolfgramm heeft de basis al gelegd voor haar volgende project op Rapa Nui, oftewel Paaseiland. En zulke door Google gesteunde vrijwilligersprojecten kunnen betekenen dat de kwaliteit van de afbeeldingen in GeoGuessr blijft dalen. Jammer voor gamers, maar mooi voor de vrijwilligers die al jaren proberen de wereld op Google Maps vollediger in beeld te brengen. 

    Openingsbeeld: Een straat op Zanzibar in het spel GeoGuessr, foto gemaakt door World Travel in 360, een organisatie die samen met het verkeersbureau van Zanzibar probeert om de kaarten aan te vullen. – © World Travel in 360 / GeoGuessr

  • Roofkunst: ook Queen Elizabeth moet kleur bekennen

    Roofkunst: ook Queen Elizabeth moet kleur bekennen

    Bezoek een willekeurig Europees museum en binnen de kortste keren sta je oog-in-oog met objecten die in het koloniale tijdperk zijn geroofd uit Afrika en elders. Al decennia woeden discussies over teruggave. Groot-Brittannië komt steeds meer onder vuur te liggen, zeker nu Duitsland en Nederland hebben besloten delen uit hun collecties terug te geven aan de landen van herkomst. 

    Enkele weken geleden gaf Monika Grütters, de Duitse minister van Cultuur, opdracht aan de voorzitter van de Pruisische Stichting Cultureel Erfgoed, om een route te ontwikkelen die erin voorziet dat roofkunst in Duits bezit wordt teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren. 

    Centraal staat een groep kunstvoorwerpen die wordt aangeduid met de naam Benin Bronzes. Die complete groep bestaat uit duizenden artefacten, waaronder koperen reliëfs, bronzen sculpturen en ivoorsnijwerk, die door Britse troepen in 1897 uit het huidige Nigeria werden geroofd tijdens een strafexpeditie. 

    Een deel van de Benin Bronzes kwam terecht in Duitsland. Inmiddels heeft een delegatie van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken Benin City in Nigeria bezocht om permanente restitutie door Duitse musea te bespreken. Naar verwachting zullen de afspraken over teruggave tegen de zomer zijn afgerond.

    Dat is niets minder dan een doorbraak, aldus Deutsche Welle. Het feit dat politici het woord restitutie gebruiken, is het begin van een enorme verandering in de mondiale geografie van kunst, zo citeert Deutsche Welle Benedicte Savoy, een historica die al vele jaren onderzoek doet naar het onderwerp roofkunst.

    ‘Het proces begon in 2016 toen Emmanuel Macron aankondigde binnen vijf jaar objecten naar Afrika terug te willen sturen’, aldus Savoy. Het duurde nog drie jaar voordat het Franse parlement in december 2019 besloot zesentwintig objecten terug te sturen, maar het bracht de bal aan het rollen en zo kwam ook Duitsland in beweging. 

    Eerste stappen

    Het is dan ook hoog tijd, want al sinds Nigeria onafhankelijk werd in 1960, pleit het land voor teruggave van de Benin Bronzes, weet Hyperallergic. De samenwerking van de Duitse delegatie met Nigeriaanse functionarissen over een gecoördineerde restitutiestrategie, betreft honderden Benin Bronzes in de collectie van het Etnologisch Museum in Berlijn.  

    Afrikaanse wetenschappers en activisten verwelkomen de Duitse stappen om de Benin Bronzes in zijn openbare collecties permanent terug te geven, schrijft The Art Newspaper. De verwachting is dat dit zal leiden tot verdere restitutie van artefacten die uit voormalige koloniën zijn geroofd en die zich nu in collecties van westerse musea bevinden.

    ‘De kwestie van teruggave van cultureel erfgoed maakt deel uit van een eerlijke benadering van de koloniale geschiedenis’, zo citeert The Art Newspaper de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas. ‘Het is een kwestie van gerechtigheid. In het geval van de Benin Bronzes werken Nigeria en Duitsland samen om een gedeelde structuur te creëren, vooral wat betreft museale samenwerking met het geplande Museum of West African Art in Benin City.’

    Souleymane Bachir Diagne, een Senegalese filosoof en directeur van het Institute of African Studies aan de Columbia University in New York, prijst het initiatief van de Duitse regering. ‘Duitsland heeft echt het voortouw genomen’, zegt hij. ‘Vooral de bronzen beelden uit Benin zijn belangrijk: het zijn waarschijnlijk de bekendste en meest geroemde kunstvoorwerpen. De terugkeer van deze oorlogsbuit heeft een bijzondere betekenis.’

    Nederland

     Volgens The Art Newspaper is ook Nederland een van de eerste landen die stappen tot restitutie heeft gezet: ‘De Nederlandse regering heeft een plan goedgekeurd om artefacten te repatriëren die uit voormalige koloniën zijn verwijderd, en heeft aanbevelingen overgenomen van een adviescommissie die oproept tot de “erkenning dat er onrecht is gedaan aan de lokale bevolking van voormalige koloniale gebieden toen cultuurgoederen tegen hun wil werden meegenomen”.

    De commissie, voorgezeten door Lilian Gonçalves-Ho Kang You, heeft vorig jaar aanbevolen dat musea niet alleen claims in overweging zouden nemen voor items waarvan bekend is dat ze zijn geplunderd, maar ook verzoeken om teruggave van items zonder volledige herkomstgegevens, vooral in gevallen waarin de objecten van “cultureel, historisch of religieus belang zijn voor het bronland”.’ 

    Volgens Jos van Beurden, auteur van een invloedrijk proefschrift uit 2016 dat in het Engels werd gepubliceerd als Treasures in Trusted Hands, staat Nederland, althans voorlopig, met het nieuwe beleid in de voorhoede van de Europese inspanningen om acquisities uit het koloniale tijdperk te repatriëren, zo schrijft The Art Newspaper.

    ‘Het zal nog even duren, maar de ontwikkeling is niet te stoppen’, meent ook Achille Mbembe, een Kameroense filosoof en professor aan de Universiteit van de Witwatersrand in Johannesburg. ‘Er is gewoon geen enkele morele grond om Afrikaanse artefacten in westerse musea vast te blijven houden.’

    Ook de Universiteit van Aberdeen in Schotland heeft inmiddels aangekondigd een Benin-beeld terug te geven en daarmee is het een van de eerste openbare instellingen die zich tot repatriëring verplicht. Het zijn eerste stappen, maar de echte doorbraak zal pas komen als ook het British Museum in Londen zich committeert, want dat herbergt meer dan negenhonderd Benin-objecten. 

    ‘Er zijn maar weinig voorwerpen die de geschiedenis van roofzuchtig kolonialisme beter illustreren dan de Benin Bronzes’

    Iemand die zeer uitgesproken is over de verplichting tot teruggave is de Brit Dan Hicks, Professor Hedendaagse Archeologie aan de Universiteit van Oxford. Hij publiceerde eind vorig jaar het boek The Brutish Museums (De Brute Musea, in plaats van de Britse Musea). Het boek, dat als ondertitel heeft The Benin bronzes, Colonial violence and Cultural restitution, werd onder meer besproken door The New York Review of Books en The Guardian en het werd door The New York Times opgenomen in de lijst van twintig belangrijkste kunstboeken van 2020. Volgens Hicks zijn de Benin Bronzes verspreid over meer dan honderdzestig museumcollecties wereldwijd, waaronder veel regionale museumcollecties.

    Recent was Hicks te gast in een podcast, waarin de problematiek rond de Benin Bronzes als volgt wordt geïntroduceerd: ‘Er zijn maar weinig voorwerpen die de geschiedenis van roofzuchtig kolonialisme beter illustreren dan de Benin Bronzes, een verzameling van duizenden koperen plaquettes en gebeeldhouwde ivoren slagtanden die de geschiedenis weergeven van het Koninklijke Hof van Benin in Nigeria. De verzameling werd buitgemaakt tijdens een Britse aanval in 1897 en werd overgedragen aan koningin Victoria, het British Museum en talloze privécollecties.

    Nu, meer dan honderdtwintig jaar later, vormt het verhaal van de Benin Bronzes de kern van een verhit debat over culturele restitutie, repatriëring en dekolonisatie van musea. In The Brutish Museums pleit Dan Hicks krachtig voor de spoedige teruggave van dergelijke objecten, als onderdeel van een breder project om de uitstaande schulden van het kolonialisme te vereffenen.’

    Queen Elizabeth

    Na de publicatie van zijn boek pakt Hicks stevig door, want in een opinie-artikel voor The Guardian, getiteld ‘Als de koningin niets te verbergen heeft, moet ze ons vertellen welke kunstvoorwerpen ze bezit’, eiste hij vorige week dat niet alleen musea maar ook de Britse koningin Elizabeth openheid van zaken geeft over de herkomst van haar privécollectie. Hicks schreef zijn artikel uit verbazing over het feit dat de Britse koninklijke familie, met een roemrucht verleden wat betreft de verwerving van geroofde kunstvoorwerpen, is vrijgesteld van een wet ter bescherming van cultureel erfgoed.

    ‘Als Britse musea alle gestolen spullen zouden teruggeven, zouden ze leeg zijn en zouden ze allemaal moeten sluiten.’ Hicks opent zijn artikel met dit in Groot-Brittannië vaak geopperde schrikbeeld. Maar, schrijft hij, deze gedachte verwart noodzakelijke, verlichte hervormingen met een beeldenstorm. Sinds de jaren negentig bekijken we de teruggave van door nazi’s geroofde kunstwerken en van menselijke resten van geval tot geval. Die werkwijze heeft het belang van musea niet kleiner gemaakt, maar heeft ze domweg in overeenstemming gebracht met de eisen van onze tijd.

    Eenzelfde gang van zaken is nu zichtbaar rond verzoeken om de teruggave van gestolen Afrikaans erfgoed, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de aankondiging van de Universiteit van Aberdeen om een geroofd Benin-beeld terug te geven aan Nigeria, aldus Hicks. De tijden veranderen. Er is een aardverschuiving opgetreden in wat museumbezoekers verlangen van de instellingen waar ze van houden.

    We zien een groeiend ethisch besef als het om mode en kleding gaat, en op eenzelfde manier willen mensen tegenwoordig weten waar de cultuur die ze consumeren vandaan komt. Hoe zijn die voorwerpen hier terechtgekomen? Is er iemand die om teruggave vraagt? Hicks merkt op dat er in Duitsland zelfs campagnes zijn gestart om museumarchieven online te openbaren, zodat museumbezoekers zelf de feiten van koloniale plundering kunnen onderzoeken. Kortom, het publiek eist in toenemende mate transparantie over diefstal.

    Verdrag van Den Haag

    Deze vraag naar transparantie, schrijft Hicks, komt scherp in beeld door het opmerkelijke nieuws dat de privébezittingen van Hare Majesteit zijn vrijgesteld van de Wet op Cultureel Eigendom van 2017. Deze wet kan nauwelijks omstreden zijn, want hij is ruim vijftig jaar na dato een bekrachtiging van het Verdrag van Den Haag uit 1954. De Wet op Cultureel Eigendom maakt het strafbaar om onrechtmatig geëxporteerd cultuurgoed te kopen of te ontvangen als schenking of lening, ongeacht de datum van die export

    Het idee dat de politie de koninklijke privélandgoederen Balmoral en Sandringham van de koningin zal doorzoeken naar gestolen goederen lijkt misschien onwaarschijnlijk, maar Hicks wijst er fijntjes op dat een schilderij uit de Nederlandse koninklijke collectie in 2015 werd geïdentificeerd als nazibuit. Net als musea loopt ook de Britse koninklijke familie het risico illegale oudheden, tijdens de Holocaust gestolen kunstwerken of koloniaal roofgoed als lening of geschenk te hebben ontvangen. Voor zowel musea als het koninklijk huis zijn zorgvuldigheid en transparantie een natuurlijke, ethische verantwoordelijkheid. 

    Dan is er ook nog de kwestie van de Royal Collection van de Britse koninklijke familie, de grootste particuliere kunstcollectie ter wereld. ‘Denk bijvoorbeeld aan de gouden tijgerkop met ogen van bergkristal en tanden die van de troon van Tipu Sultan van Mysore werden gerukt tijdens de bestorming van Seringapatam in 1799, waarbij de sultan werd vermoord; in 1831 door ambtenaren van de East India Company geschonken aan William IV’.

    Of, vervolgt Hicks, de ‘krobonkye’, een muts van antilopenleer met stroken van gehamerd goud in de vorm van een krokodil waarvan gezegd wordt dat hij toebehoorde aan Kofi Karikari, de koning van de Ashanti. De muts werd geroofd toen Karikari werd afgezet door Britse troepen in de Ashanti-oorlog van 1874 en Sir Garnet Wolseley toezicht hield op de plundering van de koninklijke paleizen in Kumasi. 

    Er is de gebeeldhouwde houten trommel van Emir Wad Bishara, meegenomen na zijn nederlaag bij de bloedige slag om Omdurman in 1898 waarbij Britse machinegeweren 12.000 mensen neermaaiden en nog eens 13.000 verwondden. De trommel werd als trofee aan koningin Victoria aangeboden door generaal-majoor Herbert Kitchener, de ‘Sirdar’ (opperbevelhebber) van het Egyptische leger.

    Er is een paar uitgesneden ivoren luipaarden, waarvan de vlekken in koper zijn weergegeven. Ze werden in 1897 aan koningin Victoria aangeboden door admiraal Sir Harry Rawson nadat hij op brute wijze Benin City in Nigeria had geplunderd en koning Ovonramwen Nogbaisi had afgezet en hem in ballingschap had gestuurd. 

    Looty (‘Plundertje’)

    Koningin Victoria ging zelfs zo ver dat ze een speciale tentoonstelling liet maken voor dergelijke objecten die waren gestolen bij gewelddadige onttroningen van rivaliserende vorsten. Op vrijdag 18 juni 1897 begon de tiendaagse ‘Koninginneweek’ ter gelegenheid van Victoria’s diamanten jubileum met de opening van een permanente tentoonstelling van gestolen voorwerpen. In de Grand Vestibule van Windsor Castle werden tien elektrisch verlichte vitrines van eikenhout geïnstalleerd, voor wat destijds werd aangekondigd als ‘een museum met relikwieën van voormalige vorsten’. 

    Voorwerpen die waren geroofd van afgezette koningen, emirs en sultans, van India tot Ghana, van Soedan tot Nigeria en elders in het Britse rijk, werden uit de opslag gehaald en geïnstalleerd in het deel van de staatsappartementen dat werd gebruikt om internationale bezoekers te ontvangen. Victoria kreeg zelfs een hondje genaamd Looty (‘Plundertje’), een pekinees die bij de vernietiging van het Zomerpaleis van Peking in 1860 van keizerin-weduwe Cixi werd weggenomen en naar Balmoral werd verscheept.

    De vitrines in de Grand Vestibule zijn er nog steeds. En ook de koninklijke collecties groeien nog steeds, schrijft Hicks. ‘Een voorbeeld in mijn boek The Brutish Museums illustreert het belang van transparantie, aangezien geschenken aan de vorst zo vaak een complexe geschiedenis hebben. Het betreft een bronzen kop van Benin die werd geroofd tijdens de aanval van 1897 en daarna op een veiling werd gekocht door Nigeria voor het nationale museum in Lagos in de jaren vijftig.

    Vervolgens keerde het object volledig legaal terug naar Londen, als geschenk aan de koningin door generaal Yakubu Gowon tijdens een staatsbezoek in 1973. Moet deze koninklijke schat nu voor een tweede keer naar Nigeria worden teruggebracht? Het antwoord is in ieder geval niet te vinden op de website van Royal Collection Trust, waar de uitstallingen van Windsor nog steeds eufemistisch worden beschreven als een illustratie van “de complexe manieren waarop Britse monarchen contact hebben gehad met volkeren over de hele wereld”.’

    Waar het om gaat is hoe we soevereiniteit definiëren in het derde decennium van de eenentwintigste eeuw

    Hoe verbinden we de netelige kwestie van kolonialisme in de victoriaanse musea met de netelige kwestie van aanhoudend feodalisme, die in de vorm van een monarchie nog steeds aanwezig is in het laatkapitalisme? In beide anachronistische domeinen verdient het publiek in ieder geval te weten of cultureel eigendom afkomstig is van diefstal. Want, aldus Hicks, waar het om gaat is hoe we soevereiniteit definiëren in het derde decennium van de eenentwintigste eeuw.

    In het koloniale tijdperk beschouwde de Britse koninklijke macht onteigening als legitiem. In de volstrekt andere wereld van vandaag vereist culturele legitimiteit dat stelen niet triomfantelijk wordt getoond, noch verborgen wordt of toegedekt, maar zichtbaar wordt gemaakt zodat mensen zelf kunnen oordelen.

    De Egyptische schrijfster Ahdaf Soueif stapte in 2019 op als bestuurslid van het British Museum. Soueif besloot daartoe vanwege sponsoring door BP én vanwege de houding van het museum te aanzien van repatriëring van geroofde kunstvoorwerpen. Hicks noemt die stap ‘een indicatie dat eisen over de terugkeer van koloniaal roofgoed, net zoals protesten over sponsoring door oliebedrijven van theaters, musea en kunsthuizen, deel uitmaken van een bredere, groeiende overtuiging dat sociale rechtvaardigheid en klimaatrechtvaardigheid hand in hand moeten gaan met “culturele rechtvaardigheid”.

    Politiek van transparantie moet ook een politiek van inclusiviteit zijn. Hoe kunnen we breken met eenzijdige processen die worden gedicteerd door degenen die gestolen goederen in bezit hebben? Hoe geven we eisers een respectvolle plaats? Van de inventarislijsten van onze nationale musea tot wat het ook is dat aan de muren van Sandringham House hangt: het Britse publiek en de wereld verdienen openheid als het gaat om kwesties van diefstal.’

  • Ecoloog Mordecai Ogada: ‘Natuurbescherming is het nieuwe kolonialisme’

    Ecoloog Mordecai Ogada: ‘Natuurbescherming is het nieuwe kolonialisme’

    Natuurbeschermingsorganisaties geven miljoenen uit om hun romantische boodschap aan de man te brengen, namelijk dat witte weldoeners de dierenwereld in Afrika redden, zegt ecoloog Mordecai Ogada. Volgens hem gelden in werkelijkheid nog altijd de regels uit de koloniale tijd: houd zwarte mensen weg bij de natuur, zodat witte mensen ervan kunnen genieten. GEO sprak met de Keniaanse ecoloog.

    U hebt het boek The Big Conservation Lie geschreven. Wie liegt er?

    ‘Natuurbescherming doet zich bij zijn donateurs in het Westen voor als vreedzaam en linksliberaal. In het mondiale Zuiden draagt ze echter groene uniformen, is ze elitair, gewelddadig en vaak racistisch. Een rechtse agenda die met geld van links wordt gerealiseerd: dat is de grootste leugen.’

    Dat zijn zware verwijten.

    ‘Ik heb de milieubescherming in Afrika vanbinnen gezien. Veel van wat ik zeg, komt voort uit eigen ervaring. Ik heb meer dan achttien jaar voor ngo’s gewerkt.’

    Toch doet u in uw boek uw beklag over een ‘apartheid in de natuurbescherming’. Waarom?

    In Kenia en een groot deel van Afrika worden natuurbeschermingsprojecten door witte mensen geleid.

    1b46c742efa51c378e44cb5fb2493ebaa3f5d270
    ‘De toerismesector in Kenia verkoopt vakantie nog altijd als Out of Africa. Zonder zwarte mensen.’ Robert Redford en Meryl Streep in Out of Africa (1985).

    Maar er zijn toch veel zwarte wetenschappers actief in die projecten?

    Ja, je kunt meedoen, maar niet als beleidsbepaler. Als je de positie van directeur bereikt, merk je plotseling dat beslissingen worden opgedrongen door mensen die minder gekwalificeerd zijn en vaak wit. Daarop is het hele systeem ingericht, althans in Kenia. Wie zwart en gekwalificeerd is, kan heel succesvol zijn – zolang hij zich maar aanpast aan de witte structuur.

    Kenia is al 56 jaar onafhankelijk. Hoe ziet die witte structuur er dan uit?

    Natuurbescherming in Afrika volgt nog altijd de regels uit de koloniale tijd: houd zwarte mensen weg bij de natuur, zodat witte mensen ervan kunnen genieten. Tot nu toe heeft nog geen minister, geen president, geen directeur van een natuurbeschermingsorganisatie geprobeerd om dat systeem te doorbreken. In Kenia hebben zwarten de controle over de banken, de economie en het onderwijs. Maar als iemand iets wil weten over natuurbescherming in Afrika, dan vraagt hij het aan een witte.

    Aan wie dan?

    In het Amerikaanse Congres werd voor het debat over de stroop van olifanten in Kenia Iain Douglas-Hamilton uitgenodigd. Dat is een Brit. Was er geen Keniaan die iets wist over olifanten in Kenia?

    Hamilton is een gelauwerde zoöloog en olifantenbeschermer. Is dat echt een bewijs voor racisme in de natuurbescherming?

    Het begint al bij de taal: we noemen het wild als witten het eten, maar bushmeat als zwarten dat doen. Vaak gaat het om dezelfde diersoort.

    Wild of bushmeat, in Kenia is de jacht sinds 1977 voor iedereen verboden.

    Dat klopt. Maar in 2018 hebben witte toerisme-investeerders een vergunning aangevraagd bij de regering om dieren te mogen schieten voor dure restaurants. En een werkgroep van de minister is bizar genoeg tot de conclusie gekomen dat die kon worden verstrekt. Dat is tot nog toe niet in de praktijk gebracht, maar het is toch gek dat iemand het politiek houdbaar acht om toeristen een impalasteak te serveren terwijl een zwarte dorpsbewoner wordt doodgeschoten zodra hij het nationaal park ook maar betreedt.

    Natuurbeschermingsorganisaties geven miljoenen uit om hun romantische boodschap aan de man te brengen, namelijk dat witte weldoeners de dierenwereld in Afrika redden

    Doodgeschoten? Nu overdrijft u.

    Het is nog niet zo lang geleden dat Kenia een soort politiestaat was, die heel meedogenloos optrad tegen de oppositie. We zijn altijd onder druk gezet, vooral vanuit Europa, om de mensenrechten te respecteren. Sinds 2010 hebben we een nieuwe grondwet, die garant staat voor veel van die rechten. Maar als iemand ervan wordt verdacht een stroper te zijn, dan wordt hij zomaar doodgeschoten. En we worden niet meer onder druk gezet door Europa en de VS. Integendeel, we horen: ‘Goed werk!’

    In Kenia nemen we dieven, kidnappers en moordenaars gevangen en berechten hen. Maar stropers schieten we dood. Soms overkomt het iemand die alleen maar door een beschermd natuurgebied loopt. Natuurbescherming laat deze wetsovertredingen gewoon worden en komt daarmee weg. Het lijkt wel tovenarij.

    Hoe verklaart u die magie?

    Natuurbeschermingsorganisaties geven miljoenen uit om hun romantische boodschap aan de man te brengen, namelijk dat witte weldoeners de dierenwereld in Afrika redden – en wel voor de Afrikanen. Dat verhaal dateert uit de negentiende eeuw. En niemand heeft tot nog toe iets anders bedacht.

    Maar het is toch een feit dat criminelen in Afrika olifanten, neushoorns en leeuwen doden?

    Georganiseerde, gecommercialiseerde stroperij heeft de potentie om onze wilde dieren uit te roeien. Er zijn gewoon niet genoeg olifanten om alle mensen die ivoor willen tevreden te stellen. De meesten van hen wonen overigens buiten Afrika. Daarom moeten we gecommercialiseerde stroperij beperken.

    Maar u wilt toch niet dat er op stropers wordt geschoten?

    Ik verzet me tegen de uitwassen. Tegen het verhaal dat natuurbescherming in Afrika oorlog betekent. Dat we bereid moeten zijn om te doden. Sommige rangers zeggen dingen als: ik zal die gorilla’s met mijn leven beschermen. In vredesnaam, nee! Je hebt een vrouw en kinderen, waarom zou je sterven voor een gorilla?

    In nationaal park Virunga in Congo zijn sinds 2006 meer dan honderdvijftig rangers gedood. Eind april nog hebben rebellen daar twaalf rangers en vijf burgers doodgeschoten.

    Ja, Virunga. Dat is een afschuwelijke plek. Het voorval in april heeft wat mij betreft niets te maken met natuurbescherming, ook al wordt het zo afgeschilderd. Het laat eerder zien hoe mensen het doelwit van criminelen worden als je ze uitrust met uniformen en wapens zonder dat ze officiële bevoegdheden hebben.

    Maar daar zijn toch stropers actief?

    In 2007 zijn daar die gorilla’s gedood, weet u nog? Gedood en gewoon achtergelaten, als een boodschap.

    De corrupte directeur van het park was betrokken bij de illegale houthandel en heeft ze doodgeschoten als waarschuwing aan zijn eigen rangers.

    Ja, ze werden slachtoffer van een conflict tussen mensen. Maar het ergste was dat er in Virunga in die tijd dagelijks honderden vrouwen werden verkracht, kinderen gedood. En niets daarvan heeft het nieuws gehaald. Alleen die zes dode gorilla’s. En dat is zo fundamenteel verkeerd.

    Zijn we bereid om natuurbeschermers te bewapenen omdat de dreiging zo groot is?

    Niet alleen maar. Misschien wel de succesvolste leugen in de natuurbescherming is die dat internationale terroristen zichzelf financieren met de handel in ivoor. Daar is geen bewijs voor. Maar natuurbeschermers hebben de Amerikaanse regering daarvan overtuigd en dat heeft de sluizen geopend.

    Wat bedoelt u daarmee?

    Geld uit het antiterreurbudget vloeit naar de natuurbescherming. Zo veel dat particuliere veiligheidsbedrijven naar Afrika komen. Figuren die eerder voor het Amerikaanse leger in Irak of Afghanistan hebben gewerkt. Geen van deze mensen is opgeleid voor politiewerk. Het enige wat ze kunnen, is doden. Ze komen naar Afrika om mensen te doden. Omdat er te veel geld is.

    Maar er komt toch genoeg geld voor de natuurbescherming ten goede aan de dieren?

    Nee. Het geld maakt enkele mensen heel rijk. Die organisaties betalen hoge salarissen. Ze kopen wapens, munitie en helikopters. Ze richten een soort parallelle regering op, inclusief veiligheidsorganen. Sommige ngo’s in Oost- en Centraal-Afrika hebben bewapende milities die over grenzen heen opereren. Iets wat overheidsorganen niet mogen. En daarmee hebben ze de grote donateurs in een val gelokt.

    Wat bedoelt u daarmee?

    Ze zeggen: we hebben met jullie vijf miljoen dollar honderd mensen bewapend en drie helikopters gekocht. Dit jaar hebben we weer vijf miljoen dollar nodig om die militie te betalen. De donateurs hebben een monster gecreëerd en moeten het te eten geven. Als je gewoon een streep door het geld zou zetten, dan worden enkele militieleden crimineel: rovers, stropers, veedieven. Ze hebben nu wapens en een militaire opleiding.

    Wat is de oplossing?

    We hebben ngo’s nodig, maar we mogen hun geen geld voor wapens geven. Als we milieudelicten in Kenia willen voorkomen, dan moeten we het geld aan de Keniaanse milieuautoriteiten geven. Veel van die westerse miljardairs hebben geen flauw benul van natuurbescherming. En ze kunnen giften aftrekken van de belasting, dus overstelpen ze die ngo’s met geld.

    ‘Beschermde gebieden zijn een ongelooflijk primitief en gewelddadig middel van de natuurbescherming’

    Maar particuliere projecten nemen op veel plaatsen taken op zich die de staat niet kan verrichten. Wat is daar slecht aan?

    Ik heb in Kenia gezien hoe ngo’s in een gemeenschap komen en alles in de war raakt. Ze brengen geld mee, ze kopen toestemming, ze verdelen posten. Dan horen enkelen erbij en anderen niet. En plotseling is er iemand dood.

    Er stroomt veel geld naar nationale parken. Vindt u die ook verkeerd?

    Beschermde gebieden zijn een ongelooflijk primitief en gewelddadig middel van de natuurbescherming.

    Maar we hebben toch plekken nodig waar dieren ongestoord kunnen leven?

    Die we hebben, moeten we behouden. Maar we moeten nooit meer een nieuw Yellowstone creëren, nooit meer een nieuwe Serengeti. De stichting van een nationaal park schendt de soevereiniteit van de mensen die daar wonen.

    De evolutiebioloog E.O. Wilson heeft zelfs voorgesteld om de helft van het aardoppervlak in een beschermd gebied zonder mensen te veranderen.

    Niemand vraagt hem: en wat doen we dan met de mensen die in die helft van de wereld wonen? Brengen we ze naar Europa? Naar de VS? Schieten we ze dood? Ik weet het, de soortenrijkdom wordt niet in New York of Londen of Hamburg gered. Maar in Afrika. Het is ongelooflijk dat dit idee medestanders krijgt. Op een dag zal iemand proberen het te realiseren en dat zal met geweld moeten gebeuren. Anders kun je mensen hun geboortegrond niet afnemen.

    De wildernis slinkt wereldwijd. Beschermde gebieden worden bedreigd door uitdijende steden, illegale houtkap, olieboringen.

    Daar moeten we oplossingen voor vinden. Maar wat we nu doen, is zo primitief. Mensen met een doctorstitel die niets anders kunnen verzinnen dan gebieden te omheinen. We weten allemaal dat dat tot conflicten leidt. Denk maar aan de Berlijnse Muur.

    Vergelijkt u een omheining tegen koeien nu serieus met de Berlijnse Muur?

    Die hekken moeten mensen weghouden. In het noorden van Kenia heeft een ngo een beschermd gebied voor neushoorns omheind. Daar ligt goede weidegrond en is er voor lange tijd water. Het gebied is heel droog, dus water is heel belangrijk. Maar door de hekken kunnen mensen daar hun kuddes niet meer laten drinken. Ze maken er een opening in en worden gearresteerd. Dat is een conflict dat er zonder die omheining niet was geweest. Natuurbescherming is niet alleen biologie. Het is sociologie, geschiedenis, politiek, antropologie. Die neushoorns leven niet op een afgelegen eiland. En dus draagt de wetenschap bij aan de apartheid.

    U hebt het opnieuw over apartheid.

    De wetenschappers doen alsof Afrikanen niet bestaan. Mijn masterscriptie ging erover hoe je het aantal stuks vee kunt beperken dat door leeuwen en hyena’s wordt buitgemaakt. Mijn Amerikaanse mentor zei tegen me: je doet een thesis over de ecologie van roofdieren. Stop met mij te vertellen wat de Masai met hun runderen doen.

    Terwijl de herders bij conflicten met wilde dieren een belangrijk element zijn.

    Ja, en uiteindelijk kwamen we erachter dat kleine dingen een grote invloed hadden. Zoals of herders honden inschakelden. Maar niet hoeveel impala’s er in het gebied leefden. We doen alsof we bijvoorbeeld de ecologie van leeuwen en zebra’s kunnen onderzoeken zonder de mensen in ogenschouw te nemen. Mensen maken al miljoenen jaren deel uit van de Oost-Afrikaanse wereld. Dat is nog zo’n leugen die ons in het mondiale Zuiden in het hart raakt, dat onze aanwezigheid in die levensruimten niet natuurlijk zou zijn.

    Maar er zijn toch echt regelmatig conflicten tussen herders en wilde dieren?

    Veeteelt is de enige reden waarom we nog open savannes hebben. Waarom zo veel gebieden in Kenia niet omheind zijn. In het wild levende dieren maken gebruik van de paden van de kuddes. Als we de veeteelt afschaften, zoals natuurbeschermingsorganisaties proberen te bewerkstelligen, dan zou het land opgedeeld en omheind worden. De natuurbescherming moet zich uitspreken over de soorten die we willen behouden, de ecosystemen. Niet over geografische gebieden. Want dat worden microkolonies.

    ‘Vroeger ontnam men de Afrikanen de grond met geweld. Tegenwoordig is een neushoorn het nuttigste instrument om aan grond te komen’

    U noemt die gebieden microkolonies, anderen zeggen dat de omheining beschermt tegen overbeweiding.

    Overbeweiding is een probleem. Maar die wordt veroorzaakt doordat natuurbeschermers de verplaatsing aan banden hebben gelegd. Het overleven van die mensen en het herstel van het landschap zijn afhankelijk van de vraag of de herders vrij kunnen bewegen. Veel gebieden waaruit het vee is verdrongen, beginnen daaronder te lijden. Het gras wordt hard, daar houden ook wilde dieren niet van. Dus trekken ze naar de omgeving van de dorpen, waar het gras vers is.

    En dat leidt weer tot conflicten.

    De mensen doen hun beklag: jullie hebben gezegd dat wij daar niet naartoe mogen gaan omdat dat een gebied voor wilde dieren is. Maar nu komen de wilde dieren in onze dorpen. Als er al een toverformule is om de problemen met natuurbescherming in Oost-Afrika op te lossen, dan is het veeteelt.

    Niet het toerisme?

    Allereerst: toerisme kan altijd alleen enkel een bijproduct van natuurbescherming zijn, niet de reden ervoor. We maken nu mee hoe gevaarlijk het is om mensen afhankelijk te maken van het toerisme. Door covid-19 komt er niemand meer en veel dorpen in Kenia zijn aangewezen op voedselhulp. Maar de rangers patrouilleren nog altijd, zij worden door de regering betaald. En daar gaat de bewering dat het toerisme de natuurbescherming financiert.

    Wijst u toerisme principieel af?

    Nee. Maar we moeten het opnieuw uitvinden. De toerismesector in Kenia verkoopt vakantie nog altijd als Out of Africa.

    De koloniale ervaring.

    Zonder zwarte mensen. In de advertenties zie je witte toeristen, een savanne tot aan de horizon en geen andere mensen. Ze fotoshoppen dorpen weg en prijzen een product aan dat niet bestaat. Echte wildernis is er in Afrika misschien in Namibië. Daar heeft apartheid het landschap ontvolkt. Maar in Kenia of Tanzania horen er mensen bij. Het mooiste wat de natuur voor mij te bieden heeft, is een kudde olifanten met daarnaast een jongen met een kudde geiten, en ze doen elkaar niets.

    Veehoeders als de Samburu zijn één ding. Maar ook concerns eigenen zich toch onrechtmatig grond toe in Afrika en transformeren bos in plantages.

    De eenvoudigste methode om aan grond te komen, is tegenwoordig natuurbescherming. Als je het vee wegneemt, krijg je de grond. Voor een Samburu maken runderen deel uit van zijn identiteit. Als hij geen runderen meer heeft, zal hij uit Samburu vertrekken. Het gaat om geopolitiek, om macht. Natuurbescherming is het nieuwe kolonialisme. Vroeger ontnam men de Afrikanen de grond met geweld. Tegenwoordig is een neushoorn het nuttigste instrument om aan grond te komen.

    Waarom een neushoorn?

    Als je een neushoorn hebt, dan krijg je meteen een paar duizend hectare grond. Je krijgt een wapenvergunning om het dier te bewaken. En je ontvangt een hoop geld, want beschermingsprogramma’s voor neushoorns behoren tot de best betaalde ter wereld.

    De zwarte neushoorn wordt met uitsterven bedreigd. Alles wat die dieren helpt, is toch toe te juichen?

    De neushoorns worden heen en weer verplaatst, bijvoorbeeld door die ngo in Noord-Kenia waarover ik het zojuist had. In 2018 zijn na een andere verhuizingsactie alle elf dieren gestorven. We hebben een zwaar verlies geleden.

    U noemt ngo’s ‘piraten’.

    Ik heb mensen zien huilen toen ze bewijzen aan hen lieten zien voor de daden van die organisaties, die ‘helden’. Het is alsof je een christen bewijs levert dat God niet bestaat.

    Wat is de oplossing?

    We moeten natuurbescherming helemaal opnieuw uitvinden. We kunnen niets dekoloniseren wat op een koloniale structuur berust. Alles wat een witte over natuurbescherming in Afrika zegt, wordt voor waar aangenomen. We accepteren geen leugens van onze bankiers. We accepteren geen leugens van onze leraren. Maar bij natuurbescherming zeggen we: het is een leugen, maar het is voor een goed doel.

    Over welke concrete leugens hebt u het?

    Er zijn organisaties die beweren dat er in Afrika om het kwartier een olifant wordt gedood. En dat er tegen 2025 geen olifanten in vrijheid meer zullen leven. Dat is een leugen. Puur rekenkundig is dat helemaal niet mogelijk.

    U zegt dat olifanten niet worden bedreigd?

    Jawel. Maar ik kan met zekerheid zeggen dat de Afrikaanse landen waar nu olifanten rondlopen, die in de komende vijftig jaar niet zullen kwijtraken.

    Daarmee weerspreekt u de wetenschappelijke consensus. Een groot onderzoek, de Great Elephant Census, is tot alarmerende conclusies gekomen.

    Stelt u zich honderdduizend dode olifanten voor. Die kun je niet verstoppen. Waar zijn de kadavers? Paul Allen, een van de oprichters van Microsoft, heeft miljoenen uitgegeven aan dit onderzoek. En de wetenschappers hebben geleverd wat hij wilde horen. Het zijn prostituees.

    ‘De natuurbescherming is een business. En milieubeschermers zijn geen engelen’

    Ngo’s zijn piraten, uw collega’s in de wetenschap prostituees – wilt u iedereen beledigen die de dierenwereld in Afrika na aan het hart ligt?

    Laat één ding duidelijk zijn: milieucriminaliteit is een probleem. Maar we kunnen dat niet met leugens oplossen. Die mensen liegen tegen het Amerikaanse Congres, ze liegen tegen het Britse koningshuis, ze liegen tegen de Duitse regering. De natuurbescherming is een business. En milieubeschermers zijn geen engelen.

    Welk belang zouden ze erbij hebben om de situatie erger voor te stellen dan die is?

    De grote organisaties proberen een permanente crisis voor te wenden om hun werk te rechtvaardigen. Natuurbescherming is het enige terrein waarop we falen belonen. We plaatsen mensen op een voetstuk die zeggen: al veertig jaar strijd ik voor deze diersoort. Als je als ingenieur veertig jaar lang aan een probleem werkt zonder het op te lossen, dan raak je je baan kwijt. Maar natuurbeschermers bewonderen we om hun doorzettingsvermogen. Terwijl ze veertig jaar lang niets of het verkeerde hebben gedaan.

    Er zijn geen weldoeners. Je moet niet naar Afrika gaan om olifanten te redden

    Jane Goodall is driehonderd dagen per jaar op pad. Ze zet zich onvermoeibaar in voor chimpansees. Dian Fossey is gestorven voor gorilla’s.

    Ja, als jonge student hebben die mensen mij ook geïnspireerd. Maar in de loop der jaren besefte ik dat hun erfenis er vooral een van de zelfpromotie is. Dian Fosseys milities hebben mensen gedood die ze verdachten van stroperij. Zij werd uit wraak vermoord omdat ze de rechten van andere mensen had geschonden. De gorilla’s zijn er 34 jaar later trouwens nog steeds. Velen hanteren andere maatstaven voor deze mensen. En alle helden in Afrika zijn wit. Waarom? Zijn er geen zwarten die de natuur na aan het hart ligt? Waarom zijn er dan in Afrika meer wilde dieren over dan in Europa?

    Moeten we de natuurbescherming in Afrika aan de Afrikanen overlaten?

    Nee, we zijn een mondiaal dorp. Maar je moet anderen niet de westerse zienswijze opdringen: ‘Wij willen dat de Kenianen verliefd worden op hun natuur.’ Nee. Afrikanen respecteren wilde dieren, maar we willen ze niet omhelzen. Ik heb eens voor een ngo kinderen iets bijgebracht over olifanten. Ik zei tegen ze: jullie moeten olifanten waarderen! Dat waren kinderen die elke dag van school naar huis renden om niet door een olifant te worden aangevallen. Ze waren doodsbang voor die dieren. Ik had dus tegen hen moeten zeggen: snij niet af door de jungle. En niet: olifanten zijn prachtig.

    Dus wat moeten we doen?

    Op het moment dat iemand denkt dat hij een redder is, gaat alles mis. Er zijn geen weldoeners. Je moet niet naar Afrika gaan om olifanten te redden. Natuurbescherming in Afrika is een vorm van zelfverwezenlijking geworden. Godzijdank heeft Jeff Bezos – de rijkste mens ter wereld – nog geen interesse getoond in de Afrikaanse dierenwereld. Hij zou ons de genadeklap geven.

    9d094db7b7e580c529e08a78e94deea16efb3e38
  • Vliegveld Parijs niet uitgebreid om klimaatdoelen  | Maleisië beperkt persvrijheid

    Vliegveld Parijs niet uitgebreid om klimaatdoelen | Maleisië beperkt persvrijheid

    Persbreidel in Maleisië

    De hoogste rechtbank van Maleisië heeft nieuwsportaal Malaysiakini veroordeeld, in een rechtszaak die wordt gezien als lakmoesproef voor de mediavrijheid in het land, meldt het Aziatische nieuwsplatform AsiaOne. Vorig jaar spande de Maleisische procureur-generaal een zaak aan tegen Malaysiakini en hoofdredacteur Steven Gan wegens minachting van het Hof. Dit vanwege vijf commentaren die door lezers op de website waren gepost. Volgens de procureur-generaal ondermijnen deze teksten het vertrouwen van het publiek in de rechterlijke macht, en de rechtbank geeft hem daarin dus gelijk. De rechter legde het nieuwsportaal een boete op van 500.000 ringgit [ruim 100.000 euro].

    Maleisië is een land met sterk gereguleerde media, die meestal in handen zijn van door de staat gecontroleerde groepen. Als platform voor de oppositie en criticus van het establishment is Malaysiakini een uitzondering.


    Aanslag op vrouwelijke ontwikkelingswerkers

    Zeker vier vrouwelijke ontwikkelingswerkers zijn omgekomen bij een gerichte aanslag in het Pakistaanse district Noord-Waziristan, meldt Al Jazeera. Volgens een politiewoordvoerder wisten de aanvallers te ontkomen. ‘Het is hier vergeven van militanten, de dreiging is overal,’ zei de woordvoerder op de vraag van Al Jazeera of er in het gebied een specifieke dreiging is tegen ontwikkelingswerkers.

    Noord-Waziristan was ooit in handen van de Pakistaanse Taliban (TTP), een organisatie van gewapende groepen die in 2007 werd opgericht met als doel de Pakistaanse regering omver te werpen en een streng religieus bestuur te installeren. Bewegingsvrijheid van vrouwen werd ernstig beperkt en de meeste ontwikkelingsactiviteiten door niet-gouvernementele organisaties werden verboden.

    In 2014 slaagde het Pakistaanse leger erin de leiders van de groep te verjagen. Sinds vorig jaar keren ontheemden weer terug naar het gebied en neemt het aantal gerichte aanslagen toe.


    Uitbreiding vliegveld Parijs is van de baan

    Frankrijk schrapt het plan om luchthaven Roissy-Charles de Gaulle bij Parijs uit te breiden, zo heeft minister van Ecologische Transitie Barbara Pompili laten weten, aldus de Europese tak van de politieke nieuwswebsite Politico. ‘De regering heeft luchthavenexploitant Aéroports de Paris gevraagd het project te staken en met voorstellen te komen voor een ander project, dat in overeenstemming is met de doelstellingen om klimaatverandering te bestrijden en het milieu te beschermen,’ aldus Pompili.

    In plaats van het vergroten van de capaciteit moet uitstootvermindering het doel worden. ‘We zullen altijd vliegtuigen nodig hebben, maar we moeten naar een redelijker gebruik van de luchtvaart, om een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in de sector te bereiken.’

    Het plan voorzag in de bouw van een vierde terminal bij de grootste lucht-haven van het land, die jaarlijks een extra stroom van 35 tot 40 miljoen passagiers moest verwerken. De bouwkosten zouden 7 tot 9 miljard euro bedragen.


    Iconisch dier op postzegel

    Deze zomer zal de Amerikaanse post een nieuwe postzegel introduceren. Dat is op zich niets bijzonders; wel bijzonder is dat het ontwerp voor het eerst is gemaakt door een Tlingit-/Athabaskische kunstenaar, schrijft kunstblog Colossal.

    Rico Lanáat’ Worl koos voor een grafisch afgebeelde raaf, in de inheemse cultuur van Alaska een iconisch dier dat is ontsnapt uit de duisternis. Het motief is gebaseerd op ‘Raven and the Box of Daylight’, een traditioneel verhaal van de Tlingit, een inheems volk in het zuidoosten van Alaska. Worl: ‘Het verbeeldt een uitzinnig moment van adrenaline. De raaf is nog half menselijk terwijl hij de sterren steelt. We kennen het allemaal, het moment tussen falen en volbrengen.’


    British Museum gaat eigen geschiedenis onderzoeken

    Het British Museum (BM) heeft Isobel MacDonald aangesteld als speciaal conservator. Zij wordt verantwoordelijk voor onderzoek naar de geschiedenis van de ruim 260 jaar oude collectie, bericht The Art Newspaper. Haar aanstelling is geen overbodige luxe, want het BM ziet zich geconfronteerd met een toenemend aantal claims over betwiste objecten in de collectie. Zo eist Griekenland al sinds de negentiende eeuw de teruggave van de zogenoemde Elgin Marbles, marmeren objecten afkomstig van de Akropolis in Athene, die in 1816 in bezit van het BM kwamen.

    Veel betwiste objecten in de collectie zijn het resultaat van koloniale operaties door het Britse Rijk, zoals die in het Ethiopische Maqdala (1868), het Asante-koninkrijk in Ghana (1874) en Benin City in Nigeria (1896). Ook inheemse gemeenschappen uit Australië, Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika eisen voorwerpen op die in de koloniale tijd zijn meegenomen. Recentelijk liet Paaseiland (Rapa Nui) weten een grote Moai-sculptuur terug te willen die in 1868 werd geroofd.

    Tel daarbij op dat enkele van de eerste donateurs van het museum, zoals oprichter Hans Sloane, blijken te hebben geprofiteerd van de slavenhandel, en het is duidelijk dat het BM een charmeoffensief nodig heeft. 

    Een woordvoerder zegt, zo citeert The Art Newspaper, dat ‘het niet de bedoeling van deze nieuwe functie is om de specifieke geschiedenis van betwiste objecten te onderzoeken’, maar noemt het ‘waarschijnlijk dat kwesties zoals de rol van de slavenhandel en het imperium relevant zijn voor een deel van het onderzoek’.

    Het BM is in zekere zin ‘een verzameling verzamelingen’; het vergaarde veelal niet zelf en rechtstreeks, maar verkreeg veel objecten uit andere collecties. Dat maakt de problematiek rond de teruggave ingewikkeld. Het onderzoek van MacDonald moet nu inzicht gaan verschaffen in het ontstaan van de collectie; het zal ongetwijfeld nauwlettend worden gevolgd door eisers wereldwijd.


    Extremist wil simpelheid

    Over de hele wereld hebben extremisten met zwart-witte denkbeelden moeite met complexe mentale taken. Dat blijkt uit een onderzoek door de Universiteit van Cambridge, gebaseerd op eerdere studies, onder ruim 330 deelnemers in de VS tussen de 22 en 63 jaar, schrijft The Guardian. De onderzoekers wilden weten of cognitieve dispositie (het verschil tussen waarneming en verwerking van informatie) bepalend is voor de vorming van ideologische wereldbeelden, zoals politieke, nationalistische en dogmatische overtuigingen, los van factoren als leeftijd, ras en geslacht.

    De deelnemers kregen neutrale, niet-emotionele opdrachten, zoals het onthouden van visuele vormen. Computermodellen haalden uit die gegevens informatie over de waarnemingscapaciteit en het leervermogen van de deelnemers.

    ‘Individuen of hersenen die moeite hebben met het plannen en verwerken van complexe acties, lijken eerder aangetrokken tot extreme of autoritaire ideologieën die de wereld vereenvoudigen,’ menen de onderzoekers. Mensen die neigen tot extremisme lijken moeite te hebben met het reguleren van hun emoties, zijn impulsief en hebben de neiging om emotie oproepende ervaringen op te zoeken. Tot dogmatisme neigende deelnemers
    die relatief afwerend zijn tegen geloofwaardig bewijs, blijken problemen
    te hebben met het verwerken van informatie op perceptieniveau.

    De studie, die naar zestien verschillende ideologische oriëntaties keek, kan veelbetekenend zijn bij het identificeren van mensen die het kwetsbaarst zijn voor politieke of religieuze radicalisering.


    Wat zegt de buitenlandse pers over de nieuwsblokkade van Facebook in Australië

    Kara Swisher, techredacteur, The New York Times:

    ‘In de confrontatie tussen nieuwsmedia en sociale media in Australië, sta ik aan de kant van Rupert Murdoch. Tenzij ik voor Mark Zuckerberg ben. De keuze is vreselijk. 

    Steun ik de verschrompelde mediatycoon en zijn pogingen macht te ontfutselen aan techreuzen die gehakt hebben gemaakt van de nieuwseconomie? Of sta ik achter de koning van Facebook en het internetprincipe dat het delen van hyperlinks gratis moet zijn, ook al is de creatie van Zuckerberg de belangrijkste verspreider van leugens en haatzaaierij en dreigt hij ons allemaal te overspoelen?’


    Lenore Taylor, Australië-redacteur, The Guardian:

    ‘De nieuwsblokkade onderstreept de gevaren voor derden die ervan afhankelijk zijn: Facebook is bereid is om van de ene op de andere dag de stekker eruit te trekken, zonder waarschuwing. Sommige organisaties denken al na over hoe ze terug kunnen keren naar de basis en hoe ze de manier waarop ze hun werk verspreiden kunnen diversifiëren. De gok van Facebook is dat Australië niet zonder het bedrijf zal kunnen leven. Stel je voor wat de gevolgen zijn als we bewijzen dat we dat wel kunnen.’


    Paul Smith, technologieredacteur, The Australian Financial Review:

    ‘De gevolgen zijn vooral vreselijk voor de vele kleine Australische uitgevers die hun bedrijfsmodellen hadden opgebouwd rond inhoud die mensen graag delen op sociale media. Ze zijn terecht boos zijn op de regering, veronderstellend dat ze zijn opgeofferd voor de belangen van grotere gevestigde uitgevers.

    Maar het grootste deel van hun woede moet Facebook gelden, dat hun toewijding jarenlang heeft toegejuicht, maar hen nu plotseling vertelt dat ze niet zo belangrijk zijn, om zo eerlijke en gelijkwaardige onderhandelingen uit de weg te kunnen gaan.’


    Stephen Scheeler, ex-CEO Facebook Australië en Nieuw- Zeeland, The Sydney Morning Herald:

    ‘Overheden houden er niet van om gepest te worden, en nog belangrijker, ze houden er niet van om in het openbaar gepest te worden. Meesters in de duistere kunsten van overheidsrelaties weten dat druk en dreiging over het algemeen achter gesloten deuren moeten plaatsvinden. Wanneer je de broek van een regering naar beneden trekt voor het oog van de wereld, laat je haar weinig keus dan zich in te graven. De impasse tussen Australië en Facebook kan de katalysator zijn voor echte wereldwijde hervormingen.’

    Facebook sluit deal met Australië

    Facebook maakte maandag bekend dat het het delen en bekijken van nieuwslinks in Australië zou herstellen nadat het meer tijd had gekregen om te onderhandelen over het wetsvoorstel dat de techreus zou verplichten te betalen voor nieuwsinhoud die op het sociale netwerk verschijnt, bericht The New York Times.