Tag: lichaam

  • Chili doet onderzoek naar non die koffer met lichaam vriendin achterliet

    Chili doet onderzoek naar non die koffer met lichaam vriendin achterliet

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Biden overweegt zaak tegen Assange te laten vallen

    » Drie zonen en twee kleinkinderen van Hamasleider gedood bij luchtaanval

    De 80-jarige non had een belofte gedaan aan haar vriendin

    De Chileense politie heeft een onderzoek ingesteld, nadat een 80-jarige non een koffer met de stoffelijke resten van een vriendin die al een jaar dood was achterliet in een straat in hoofdstad Santiago. Dat meldt La Tercera. De koffer met botten werd maandag gevonden en werd gelinkt aan de toenemende gewelddadige criminaliteit in de stad.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De non werd later geïdentificeerd aan de hand van videobeelden waarop ze te zien was, terwijl ze in habijt en met de koffer door de straten liep. De vrouw vertelde de politie dat zij en haar vriendin, een medezuster die op 58-jarige leeftijd overleed, een pact hadden gesloten om bij elkaar te blijven, zelfs na de dood. De jongere non was op natuurlijke wijze aan een ziekte gestorven en de politie vermoedt niet dat er sprake is van een misdrijf.

    Een vuilnisman had de koffer opgehaald maar de politie gebeld nadat hij een vieze geur had geroken. De non is niet gearresteerd maar riskeert een boete, omdat ze de autoriteiten niet op de hoogte heeft gebracht van de dood van haar vriendin zodat ze begraven of gecremeerd kon worden.

  • Bodypositivity, net zo utopisch als wereldvrede

    Bodypositivity, net zo utopisch als wereldvrede

    Iedereen zou zich prettig moeten voelen in zijn eigen lichaam. Om die gedachte aan te moedigen is de bodypositivity-beweging opgericht. Een prachtig ideaal, maar in de praktijk onhaalbaar, schrijft Tobias Haberl. ‘Bodypositivity heeft de druk op ons lichaam nog verder opgevoerd.’

    Toen ik voor het eerst over de bodypositivity-beweging hoorde, was ik meteen om. Uit puur egoïsme, want als elk lichaam mooi kan zijn, dan zeker ook het lichaam waarmee ik al tientallen jaren in de knoop zit. Dan hoefde ik me niet meer af te vragen of mijn wimpers te kort zijn (als ik ze überhaupt heb) en hoefde ik in het openluchtzwembad mijn grote teen niet beschermend te buigen over de teen ernaast, de digitus pedis II, omdat de nagel ervan me sinds mijn geboorte doet denken aan de klauw van een slechtvalk, de reden waarom ik nooit teenslippers heb gedragen.

    Als elk lichaam mooi is kon ik opgelucht ademhalen, en miljoenen onzekere tieners ook. Tegelijkertijd waren de perfecte mensen, met hun stralende teint en hoge jukbeenderen, niet langer in het voordeel – niet bij sollicitatiegesprekken, niet bij het flirten en ook niet op Instagram. Eigenlijk zou er niet langer zoiets bestaan als schoonheid, omdat die alleen nog maar zou functioneren als positieve uitzondering op de regel. Zelfs mijn digitus pedis II zou niet meer belachelijk worden gemaakt: als standaardschoonheid niet meer bestaat, kun je er immers ook niet meer van afwijken.

    Een tijdlang was ik blij met modellen met rondingen en met de snelle opkomst van de 140 kilo wegende Amerikaanse Grammy-winnares Lizzo (‘I like being fat, and I’m beautiful and I’m healthy’). Dik en dun, naast elkaar en met elkaar, een choreografie van diversiteit: ik vond het leuk en ongedwongen. Natuurlijk, beroemdheden en bedrijven promoten bodypositivity niet alleen uit idealisme, maar ook met een strategisch motief. Maar dat is altijd het geval bij emancipatiebewegingen, en bovendien is het te billijken als miljoenen mensen zich daardoor niet langer buitengesloten hoeven te voelen.

    Dat was allemaal een tijdje geleden. Nu schaam ik me behoorlijk dat ik ooit viel voor een idee dat toch nooit kan werken. Niet in onze wereld, met een systeem dat profiteert van mensen die zich overgeven aan consumptie om zich minder tekortgedaan te voelen. Iedereen mooi? Zo’n vorm van esthetisch socialisme kun je niet politiek opleggen, zeker niet met hashtags en tweets. Het zou een vernieuwing van het hele systeem vereisen, inclusief een spirituele bewustzijnsverandering die, laten we eerlijk zijn, nou niet echt in de lucht hangt.

    Bodypositivity is een modieus begrip dat past bij de tijdgeest

    Ondertussen doet bodypositivity me denken aan wereldvrede: een prachtig idee dat helaas niet werkt. Een eervolle maar hopeloze poging om uit verkeerd begrepen mededogen een wereld die niet is zoals we zouden willen te verzachten, door impopulaire, deels evolutionair-biologische waarheden te negeren en alle verschillen die er tussen mensen bestaan te ontkennen. Bodypositivity is een modieus begrip dat past bij de tijdgeest en dat onvoorwaardelijke trouw vereist – een gebed om genezing, een slogan, een utopie. 

    Het zou allemaal niet zo erg zijn als iets erop zou wijzen dat het werkt, maar dat is dus niet het geval. Af en toe duikt er een mollige persoon op in een reclamefilmpje, en laatst liep er op straat een zelfverzekerde jonge vrouw voorbij in een naveltruitje dat haar bleke buik en harige navel prijsgaf, maar als opzichtige uitzonderingen op de regel lijken zulke fenomenen het schoonheidsideaal van begin eenentwintigste eeuw – slank, fit, haarloos – eerder te bevestigen dan af te zwakken. 

    Horizon2
    Lizzo op het Roskilde Festival, 2023. – © Getty Images

    Waarom zijn de magere modellen anders massaal terug op de catwalks? Waarom werd slechts 0,6 procent van de 9137 outfits tijdens de modeweken van dit voorjaar gepresenteerd door plussize modellen? Waarom hebben de vrouwelijke influencers bij wie alles om hun uiterlijk draait (en die het meest met hun billen lopen te pronken) de meeste volgers? Waarom is het zo dat je, als je op YouTube het zoekwoord ‘yoga’ intypt, ervan uit moet gaan dat er een soort geheime regel bestaat dat alleen schaars geklede schoonheidskoninginnen aan yoga mogen doen? En waarom laten steeds meer mensen delen van hun wangen uit hun gezicht snijden om er in het dagelijks leven eindelijk uit te zien als hun gefilterde versie op Instagram? 

    Schoonheidsnorm

    Hoe ideologisch verblind moet je zijn, hoe vatbaar voor zelfbedrog, om naast al die cosmetische ingrepen en al die sterren, influencers, youtubers, talkshowhosts en gastvrouwen die aan de schoonheidsnorm voldoen, naar de dikke kunstschaatser in de reclame voor maandverband te wijzen en dan te beweren: bodypositivity? Top!

    Inmiddels haak ik af als iemand me iets wil vertellen over bodypositivity. Dat zijn overigens meestal stedelingen uit de mediawereld die gevaarlijk dicht bij het gangbare schoonheidsideaal komen, mensen die bewust eten en sporten en er oogverblindend uitzien. ‘Morele zelfexpressie’, heet dat volgens Philipp Hübl, hoogleraar filosofie aan de Universiteit voor de Kunsten in Berlijn. ‘Deze mensen koesteren luxeovertuigingen. Ze zijn solidair met mensen met overgewicht om moreel aan de juiste kant te staan, maar zelf leven ze gezond en hoeven ze de negatieve gevolgen van hun genereuze houding niet aan den lijve te ondervinden.’ 

    Voetbalvrouw en influencer Cathy Hummels, bijvoorbeeld, werpt zich momenteel op als ambassadrice voor bodypositivity door met haar kunstmatige (!) borsten te pronken in de Playboy. Of neem Heidi Klum, die de mollige 23-jarige Vivien Blotzki alleen maar tot ‘Germany’s Next Topmodel’ kon kronen omdat haar eigen (uiterlijke) onberispelijkheid haar de macht geeft om ook mollige lichamen goed te keuren. De rollen zijn duidelijk: degene die voldoet aan de schoonheidsnorm spreekt en de mollige zegt: dank je, Heidi!

    Zijn zwaarlijvige mensen met gezondheidsproblemen ermee geholpen als zwaarlijvigheid wordt gemodelleerd tot norm of zelfs tot ideaal?

    Op Instagram presenteren bijzonder aantrekkelijke mensen de laatste tijd gretig hun vermeende gebreken, zoals piepkleine vetkussentjes, littekentjes of levervlekjes. ‘Ze doen dit om zichzelf te beschermen tegen kritiek, omdat perfectie als onaantrekkelijk wordt gezien,’ zegt Hübl. ‘Deze mensen staan bovenaan de ladder van aantrekkelijkheid, maar hopen door minimale afwijkingen van het ideaal te tonen sociaal gezien ook wat op te klimmen.’ Ze construeren een lijdensverhaal om hun eigen zelfontplooiing des te helderder te laten stralen. En als de non-binaire publicist Hengameh Yaghoobifarah zichzelf publiekelijk beschrijft als ‘dik en arrogant’, is dat natuurlijk omdat die een bepaalde reactie verwacht. 

    Helaas hebben de meeste zwaarlijvige mensen uit milieus met onderwijsachterstanden nog nooit van bodypositivity gehoord, maar lijden ze wel aan hart- en vaatproblemen, hoge bloeddruk of slechte knieën. Helpt het die mensen als een paar activisten beweren dat mensen met overgewicht geen probleem hebben met hun dieet, maar slachtoffer zijn van een patriarchaal-kapitalistische samenleving, of van seksistische artsen? Helpt het hen als zwaarlijvigheid door een verkeerd begrepen moraliteit wordt gemodelleerd tot norm, of zelfs tot ideaal? Een paar maanden geleden pleitte een gastcommentator in The New York Times er zelfs voor dat kinderartsen dikke kinderen en hun ouders niet moesten aanmoedigen om af te vallen, omdat dat zou kunnen leiden tot een lager zelfbeeld, angst en depressie.

    Denkfout

    De Canadese politicoloog Eric Kaufmann spreekt van een denkfout – hij noemt het de fallacy of composition – wanneer maatschappelijke problemen (zoals obesitas) worden verdoezeld of weggewuifd door ze te ‘emotionaliseren’ en te stigmatiseren als aanval op het individu. Het gevolg is dat belangrijke sociaal-politieke debatten worden versimpeld of in de kiem gesmoord om individuen te beschermen tegen discriminatie. Er is toch echt een verschil tussen het beledigen van een zwaarlijvig persoon en het serieus nemen van zwaarlijvigheid als maatschappelijk verschijnsel met grote gevolgen voor de gezondheid.

    Op dit moment lijkt het alsof we één stap vooruit en drie stappen terug doen. Een paar mensen doen hun uiterste best om de soevereiniteit op te eisen over de interpretatie van wat mooi wordt gevonden, terwijl een meerderheid, geplaagd door zelftwijfel, een enorme druk voelt om nog slanker, fitter en mooier te worden. ‘De bodypositivity-beweging heeft de druk op ons lichaam nog verder opgevoerd,’ zegt kunstwetenschapper Jörg Scheller, die al jaren onderzoek doet naar de politieke dimensie van het lichaamsbeeld. ‘Want de dwang tot zelfoptimalisatie blijft, maar er wordt ons tegelijk gevraagd om tevreden of zelfs gelukkig te zijn met ons eigen lichaam.’ 

    Elke trend lijkt een hobby van het kapitalisme, dat nu ook in een woke variant bestaat

    Op tv zijn dikke mensen nog steeds geen nieuwslezers, maar vooral deelnemers aan afslankshows – alsof het objecten zijn die bewonderd moeten worden. Mediawetenschapper Kathrin Karsay zegt: ‘Mensen met overgewicht worden vaker dan voorheen getoond in series en films, maar dan meestal als “dik, lui en onsuccesvol” of anders in de oppervlakkige rol van grappige of onhandige dikke vrouw.’ Een paar activisten roepen ‘big is beautiful’, terwijl duizenden tieners ondertussen alles leren over booty lifts en fillers, als ze niet bezig zijn met body checking op TikTok. De oude idealen blijven werken. Elke – zelfs subversieve – trend lijkt gewoon weer een hobby van het kapitalisme, dat nu dus ook in een woke variant bestaat. En wie de maatschappij wil veranderen, moet altijd rekening houden met mensen die helemaal niet veranderd willen worden.

    Horizon3
    Presentatrice Heidi Klum (l) en Vivien Blotzki, winnaar van Germany’s Next Topmodel in 2023. – © Getty Images

    Natuurlijk moeten we blijven streven naar het onmogelijke, en dan vooral naar een samenleving met zo min mogelijk discriminatie, maar koste wat het kost een ideologie doordrukken terwijl de ineffectiviteit ervan elke dag opnieuw openlijk aan het licht komt? Net zoals mensen al duizenden jaren dromen van vrede, lijkt een wereld zonder schoonheidsidealen – en dus ook zonder modedictaten, eetstoornissen en een manipulatieve cosmetische industrie – ondenkbaar. Zeker, soms zijn mollige modellen in trek en soms magere of atletische. Soms grote borsten en dan weer kleine, nu eens strakke broeken en dan weer wijde. Maar alles, en dan nog liefst gelijktijdig, even cool? Dat werkt helaas niet, want de cyclus van verlangen en frustratie moet in stand worden gehouden. 

    Omslag

    ‘Het principe is niet veranderd,’ zegt Scheller. ‘Met dit verschil: nu worden diversere lichaamsbeelden te gelde gemaakt.’ Als het uiterlijk geen rol meer speelt, kan er niets meer worden verkocht. Maar omgekeerd geldt dat er steeds meer kan worden verkocht als een merk erin slaagt meer mensen te vertegenwoordigen. Er is geen sprake van een omslag in het denken. Een eenmaal ingebracht implantaat zal hoogstwaarschijnlijk een paar jaar later weer worden verwijderd (en mogelijk in een aangepaste vorm ooit opnieuw worden ingebracht). Zelfs feministisch auteur Laurie Penny schrijft: ‘Als alle vrouwen op aarde morgenochtend wakker zouden worden en zich echt lekker en sterk in hun lichaam zouden voelen, dan zou de wereldeconomie van de ene op de andere dag instorten.’

    In een competitieve samenleving is het ene altijd goed en het andere minder goed. Vanaf het moment dat de sociale media tevreden mensen gingen aanzetten tot narcistisch gedrag, is het verlangen om speciaal te zijn en de behoefte om zich op subtiele manieren van anderen te onderscheiden niet af- maar toegenomen. Verbetering zonder gelijktijdige verslechtering lijkt ondenkbaar. Er bestaat nauwelijks een discipline waarin we niet met elkaar concurreren of elkaar beoordelen. Wie zingt er mooier? Wie leeft er moreel beter? Wie kookt er beter? Wie vliegt er minder vaak? Wie heeft meer volgers, likes, vierkante meters? En nu dus ook: wie kan het best onbekommerd dik zijn? 

    Het principe is hetzelfde gebleven, er is alleen een categorie aan toegevoegd. We zijn geobsedeerd door ons lichaam, worden bestookt met ranglijsten en zenuwslopende vergelijkingen, positieve en spottende commentaren, likes en dislikes, duimpjes omhoog, duimpjes omlaag. De ijdelheidsmarkt wordt steeds verraderlijker, genadelozer en voyeuristischer. En wie zich nog niet goed heeft verstopt, wordt meedogenloos gescand en gesorteerd. Hoe groot is de kans dat we deze logica uitgerekend bij uiterlijkheden, die – in tegenstelling tot cognitieve prestaties – zo makkelijk in het voorbijgaan beoordeeld kunnen worden, zouden negeren?

    Hoezeer we het ook proberen, het maakt ons wel degelijk uit hoe mensen eruitzien

    Mensen lijken zo makkelijk hiërarchieën te creëren dat er geen alternatieven bij hen opkomen, ook niet als ze zelf aan de onderkant van zo’n hiërarchie staan. Dat komt vooral doordat de industriële samenleving is veranderd in een dienstenmaatschappij. Daarin hebben mensen via online- en offlineontmoetingen permanent de mogelijkheid om de sociale status van de ander af te lezen aan zijn of haar bewegingen en lichaam. Of we het nu leuk vinden of niet, ons uiterlijk is altijd een projectievlak en een investering in de eigen persoonlijkheid geweest, en vandaag nog meer dan vroeger. De Britse socioloog Catherine Hakim spreekt van ‘erotisch kapitaal’, dat (samen met economisch, cultureel en sociaal kapitaal) onze sociale waarde bepaalt. Mooie mensen krijgen betere cijfers, hogere salarissen, minder strenge straffen en sneller een huis, en maken gemakkelijker vrienden. Dat is allemaal oneerlijk en we kunnen onszelf inbeelden dat het anders is, maar daarmee staan we wel buiten de realiteit. 

    Op datingsites worden potentiële seks- en levenspartners met algoritmische precisie gefilterd op lengte, gewicht, postuur en oog- en haarkleur. De meeste vrouwen zijn op zoek naar lange mannen, de meeste mannen naar vrouwen met lange benen. Ze zijn allemaal op zoek naar mensen met een gave huid, iets wat in alle culturen als ideaal wordt beschouwd. Cultureel gezien kunnen we het lelijke fascinerend vinden – denk bijvoorbeeld aan de schilderijen van Otto Dix – maar toch zijn we niet vrij in onze smaak, want die is biologisch-evolutionair gevormd. Hoezeer we het ook proberen, het maakt ons wel degelijk uit hoe mensen eruitzien, er zijn vooroordelen en no-go’s. Of ken je soms een vrouwelijke presentator met ernstige acné?

    Erotisch kapitaal

    Op dit moment hangt Duitsland vol met posters van Calzedonia. Twee superinfluencers presenteren de nieuwe bikinicollectie: Pamela Reif, 27 jaar, 1 meter 65, 50 kilo, afgetraind. En Farina Opoku, 32 jaar, 1 meter 76, 84 kilo, mollig. Op het eerste gezicht is dit een voorbeeld van bodypositivity, want de campagne bewijst dat een lichaam dat niet aan de standaard voldoet ook mooi kan zijn, en zelfs gebruikt kan worden om geld te verdienen. Maar in feite lijken de twee vrouwen erg op elkaar. Terwijl de ene het ideale lichaam van begin eenentwintigste eeuw heeft, wijkt de andere daar slechts in één aspect van af: haar gewicht. Al het andere is onberispelijk: perfecte huid, glanzend haar, stralende ogen, hartvormige mond. De twee vrouwen vertegenwoordigen geenszins de twee uitersten van de schaal der aantrekkelijkheid. Integendeel, ze hebben allebei een enorm erotisch kapitaal. De ene omdat ze standaardmooi is, de andere omdat ze nog steeds standaardmooi is, maar dan in combinatie met een paar goed geproportioneerde kilo’s te veel. 

    Horizon4
    Twee superinfluencers presenteren de nieuwe bikinicollectie van Calzedonia. – © Calzedonia

    Maar hoe zit het met de gebochelden, de scheefgezakten en kromgegroeiden, degenen met pukkels en littekens, de mensen met flaporen, afgekloven vingernagels en moedervlekken waar haar uit groeit? Waarom zijn bijna alle plussize modellen vrouw? Hoe zit het met dikke mannen? Denken mensen dat mannen minder last hebben van hun uiterlijk? En waarom wordt in karikaturen van Donald Trump en Boris Johnson ook vaak de draak gestoken met hun uiterlijk? Omdat het mag van de politieke tegenstander?

    De oplossing is om voor eens en voor altijd op te houden over lichamen te praten, omdat het niet uitmaakt hoe je eruitziet

    Ik denk niet dat we veel verliezen als de bodypositivity-beweging haar momentum verliest, waar het momenteel op lijkt. De eerste activisten propageren al een nieuwe beweging. Na rijp beraad denken ze te begrijpen dat het probleem niet schuilt in een onrealistisch schoonheidsideaal, maar in het feit dat mensen überhaupt hun eigenwaarde aan hun lichaam koppelen. Het is dus geen oplossing om dikke mensen per se mooi te vinden; de oplossing is om voor eens en voor altijd op te houden over lichamen te praten, omdat het niet uitmaakt hoe je eruitziet. 

    Er is al een term en een hashtag voor: #bodyneutrality. En hoewel ik het er in grote lijnen mee eens ben, blijf ik sceptisch. Weer een nieuwe strategie voor empowerment? Weer nieuwe campagnes, activisten, slogans en poses? Wordt weer alles anders terwijl alles hetzelfde blijft? ‘Mensen kunnen niet neutraal zijn over hun lichaam,’ zegt kunstwetenschapper Scheller. ‘We verlangen naar lichamen, vinden ze aantrekkelijk of afstotelijk. Een belangeloos genoegen is een utopie.’

    De natuur is oneerlijk. Intelligentie, gezondheid, schoonheid zijn ongelijk verdeelde grootheden. Je kunt doen alsof dat niet zo is, je kunt jezelf wijsmaken dat we er gewoon anders over moeten praten om deze valse streek te compenseren. Maar je kunt ook proberen – en dat zou de meest empathische en veelbelovende strategie zijn – om kinderen op te voeden tot zelfverzekerde mensen, met een realistische kijk op hun lichaam en hun maatschappelijke beperkingen, ter voorbereiding op het feit dat ze niet perfect zijn, net zoals de wereld waarin ze leven niet perfect is. 

    Het is onmogelijk om zonder tegenslagen door het leven te gaan; daarmee leren omgaan kan een diep menselijke ervaring bieden die leidt tot groei en misschien zelfs tot transformatie in iets wat op karakter lijkt. Dat zou pas echte zelfempowerment zijn. Natuurlijk is daar meer voor nodig dan wat tweets en hashtags. Het vereist liefde, zorg, geduld en oprechtheid, en mensen die die idealen niet misbruiken of rondbazuinen, maar ze als vanzelfsprekend naleven. Ook als er niemand kijkt.

    Lees ook:

  • ‘Er was alleen duisternis’. Hoe het voelt om kortstondig dood te zijn

    ‘Er was alleen duisternis’. Hoe het voelt om kortstondig dood te zijn

    Peter Jakubowicz kreeg een hartaanval tijdens een ijshockey­wedstrijd in Oregon en stierf in het harnas. Alleen duurde zijn dood maar 20 seconden. Herinneringen heeft hij niet, maar op liveopnames ziet hij zichzelf ineenklappen en plat op z’n gezicht vallen.

    Op 7 november 2022 ging ik dood. Eerst had ik het niet in de gaten. Ik kreeg pas door wat er aan de hand was toen een stem me uit de diepten van het niets vroeg of ik wist waar ik was. Met veel moeite lukte het me die ene lettergreep te produceren: ‘Nee.’ De stem antwoordde: ‘Je ligt op de intensive care. Je hebt een hartaanval gehad tijdens je ijshockeywedstrijd gisteravond. Een speler van het andere team heeft je leven gered.’ Ik herinnerde me niet dat ik de avond ervoor een wedstrijd had gespeeld. Het laatste wat ik me herinnerde… Ik kon me niet herinneren wat ik me als laatste herinnerde. Ik had geen idee hoe een hartaanval voelde. Verdere vragen hoorde ik niet. Er was alleen duisternis en de stem van mijn grootvader die een deuntje zong: ‘In de hemel is geen bier, daarom drinken wij het hier…’ De stem kreeg iets dreigends, Luke Skywalker die in de Joker was veranderd, en toen zakte ik weg. Zelfs toen ik besefte dat ik in een kunstmatig verlichte kamer lag, had ik nog lange tijd het gevoel dat ik me helemaal alleen in het donker bevond.

    Mijn dood voltrok zich tijdens een amateurijshockeywedstrijd in het Winterhawks Skating Center in Beaverton, Oregon. Al mijn vitale functies – ademhaling, hartslag, beweging, het vermogen om waar te nemen en herinneringen aan te maken – lieten me in de steek. Toen ik weer bijkwam, raakte ik geobsedeerd door de tijd die ik kwijt was, wat er met me was gebeurd en waar ik was beland. Ik ontdekte meer dan me lief was. Dit is het vergeten verhaal van mijn vergeten dood.

    Ik werd vliegensvlug naar het Legacy Emanuel Medical Center in Portland gebracht en kwam net na middernacht op de IC terecht. Ik was buiten bewustzijn toen ik op het ijs klapte en kwam ook bewusteloos aan in het ziekenhuis. De artsen stelden een acute hartingreep uit omdat ze dachten dat mijn hersenen bezig waren af te sterven en ik nooit meer zou bijkomen. De eerste aantekeningen in het medisch dossier zijn schokkend: ‘Patiënt speelde ijshockey toen hij plotseling dood bleef. Een ambulancebroeder uit het andere team paste reanimatie en defibrillatie toe. Deze patiënt is er ongelooflijk slecht aan toe en loopt extreem veel risico op een levensbedreigende achteruitgang in meerdere orgaanstelsels waarvan sommige al tekenen van falen vertonen.’ De officiële diagnose luidde een ‘STEMI in de dalende kransslagader links (LAD)’. Een STEMI is zo’n hartinfarct dat je liever niet krijgt. Het staat ook wel bekend als een ‘massieve hartaanval’.

    Hypoxie

    Ik was in shock, mijn lever begaf het, ik kreeg geen lucht. De dokters waren gespitst op mijn ‘non-verbale’ toestand. Het woord ‘hypoxie’ dook alarmerend vaak in de aantekeningen op. Ik kreeg een beademingsbuis ingebracht. Een verpleegster noteerde dat ik geen wilsbeschikking had en geen familie of vrienden om te raadplegen over de vraag of de stekker eruit moest.

    Mijn hartstilstand werd veroorzaakt door een bijna altijd fatale volledige afsluiting van de kransslagader. Maar de testen wezen uit dat mijn hersenen gek genoeg wel functioneerden. Via de lies werd een stent geplaatst om de falende slagader te helpen: ‘Prognose niet veel over te zeggen’.

    Ik kroop als een hoofd zonder romp uit een konijnenhol waar ik mijn zelfbewustzijn was kwijtgeraakt

    Vreemd genoeg reageerde mijn lichaam nog steeds nergens op. ‘Algeheel beeld: rustig, geen pijn of ongemak.’ Bijna negen uur na het infarct begon ik onvoorstelbaar genoeg ‘te reageren op opdrachten’. Ik herinner me helemaal niets van dit alles. Iets elementairs in mij hield stand, een spoor van de gedachten die normaal door mijn flipperkastbrein en uit mijn mond stroomden. Ik ontwaakte niet alleen in een verontrustende duisternis, maar kreeg het gevoel dat ik een diep gat was gevallen. Ik werd gewekt door stemmen maar zag niemand praten. Ik zag alleen maar zwart – niet het ontbreken van licht, maar het ontbreken van alles. Ik deed mijn uiterste best om terug te komen en probeerde iedere keer steeds langer bij te blijven. Ik kroop als een hoofd zonder romp uit een konijnenhol waar ik mijn zelfbewustzijn was kwijtgeraakt.

    Toen mijn levensvonk terugkeerde, ervoer ik mijn lichaamsdelen los van elkaar. Ik zweefde tussen bewustzijn en vergetelheid. Hooguit zag ik vertrouwde gezichten die weer uiteenvielen voor ik ze kon thuisbrengen en ik hoorde dat deuntje dat veranderde in een remix van Trent Reznor. Ik zat onder de kalmeringsmiddelen.

    De stem stelde meer vragen, die ik naar tevredenheid beantwoordde, zodat ik van de beademing werd gehaald.

    Mijn ex bracht onze twee kinderen (een meisje van veertien en een jongen van vijftien, allebei ijshockeyers) bij me. Ik herinner me hun bezoek niet. Mijn zoon zei dat mijn haar als in een tekenfilm overeind stond. Ik zei steeds dat ik niets kon zien en vroeg waarom het licht uit was. Het licht was aan, zei hij.

    Geen herinneringen

    Op een gegeven moment zag ik slangen en buisjes uit mijn borst, armen en lies steken, overblijfselen van de noodingrepen. De verpleegkundigen en artsen die me behandelden waren voor mij een waas. Er was één opvallende aantekening die steeds terugkeerde: ‘Patiënt vraagt wanneer hij weer kan ijshockeyen.’

    Ik begreep wat er was gebeurd, maar had geen herinneringen die het verhaal konden staven. Ik greep instinctief naar mijn telefoon om mijn moeder te bellen. Misschien kon zij een paar sluimerende herinneringen bij me wakker maken. Vlak voordat ik op ‘pap en mam’ drukte, schoot me te binnen dat mijn moeder tien dagen voor míjn dood was doodgegaan. Een week geleden had mijn vader kort gebeld om te zeggen dat ze was overleden. Botte pech en moeilijke tijden waren er de oorzaak van dat ik mijn moeder de laatste jaren van haar leven niet in Massachusetts had opgezocht. Een jaar geleden, de laatste keer dat ik haar sprak, had ze niet geweten wie ik was. Ik hing op en begon te huilen.

    Mijn moeder stierf na een reeks toevallen. Ze werd herhaaldelijk gereanimeerd en steeds weer aan haar lot overgelaten tot ze opnieuw naar de intensive care moest. Ze herstelde, maar werd nooit beter. Ik wilde niet eindigen als mijn moeder. Ik wilde over het ijs flitsen zoals Sidney Crosby.

    Door stom geluk was er iemand die mensen van ‘weduwemakers’ kon redden

    De artsen zeiden dat mijn hart ernstig en merkbaar beschadigd zou zijn. In het beste geval zou ik een defibrillator geïmplanteerd krijgen. De duisternis kwam terug. Er werden nog twee stents in de weerspannige slagader geplaatst. Ik kreeg te horen dat ik een hartonderzoek zou krijgen voordat ze besloten wat er verder moest gebeuren, misschien nog meer ingrepen. De dag erna vertelde een arts me verbaasd dat mijn hart normaal functioneerde. Geen littekenweefsel, geen onregelmatige bloedstroom. Ze was de enige arts die haar oordeel niet van tevoren klaar leek te hebben.

    Widowmaker is een informele naam voor dit soort hartaanvallen, vanwege de geringe overlevingskans. Je hebt 5 procent kans op overleving als je er een buiten het ziekenhuis krijgt. Ik bevond me laat op de avond op een ijshockeybaan. Door stom geluk was er 10 meter van mij vandaan iemand die mensen van ‘weduwemakers’ kon redden. Ik raakte geobsedeerd door de lacune van 72 uur in mijn langetermijngeheugen en probeerde me voor te stellen wat er gebeurd was. Ik herinner me niets van de wedstrijd of de gebeurtenissen erna. Toen schoot me iets te binnen: de ijsbaan maakte van alle wedstrijden opnames. Ik was ineens ziekelijk opgewonden. Ik had lang genoeg geleefd om mezelf te zien sterven.

    Ik, maar niet ik

    Keek ik, dan raakte ik misschien overstuur, maar deed ik het niet, dan zat ik met een schimmig verhaal van het kloterigste dat me ooit was overkomen. De eerste dood waarvan ik getuige was, zou die van mijzelf zijn, in een film. De avond dat ik naar huis mocht, legde ik de hand op de liveopnames van de wedstrijd en bekeek ze op mijn laptop.

    Het beeld is korrelig. Tijdens de hele video hoor je een zachte mechanische ruis. De stemmen van de spelers echoën alsof ze door een metalen buis gaan. De meeste woorden kan ik niet verstaan. Het andere team, in het roze, heeft zojuist gescoord.

    Er is precies twaalf en een halve minuut zuivere speeltijd geweest wanneer het gebeurt. Een man schaatst naar het midden van het ijs. De rechtsvoor van het team in het grijs, de speler met rugnummer 37, heeft precies mijn speelstijl. Ik ben duizelig terwijl ik naar mijn laptop kijk: het aanhoudende effect van alle verdovingsmiddelen die ik heb geslikt. Deze arme jongen – ik, maar niet ik – staat op het punt onderuit te gaan. Hij moet zich opstellen voor de face-off, maar hij houdt zich niet aan het scenario. Hij brengt zijn rechterhand naar zijn kooi, klapt ineen en valt in slow motion plat op z’n gezicht. Hij probeert niet eens zijn val te breken.

    Na een minuut of tien is het met je gedaan. De ambulancedienst had negen minuten nodig om bij me te komen nadat ik tegen het ijs was geklapt

    De andere spelers kijken naar de roerloze rechtsvoor en vragen of hij in orde is. Een stem doorbreekt het geruis op de achtergrond: ‘We hebben een arts nodig.’ Het voelt helemaal fout. Ik heb me losgemaakt van de bijna-ik die deze hartaanval in de meeste van de denkbare werelden niet overleeft. Ik kán die rechtsvoor met zijn falende hart niet zijn. Ik dwing mezelf om mijn ongeloof op te schorten en stel me voor dat ik het wel ben, maar dan in een film.

    Mijn dood voltrekt zich plotseling. Ik neem de tijd op. Een speler van het andere team, met rugnummer 12, schaatst op mij af. Amper 25 seconden na mijn val meet hij mijn hartslag in mijn hals. Ik bekijk deze beelden keer op keer. Na een paar minuten zonder zuurstof zijn je hersenen hoogstwaarschijnlijk onherstelbaar beschadigd. Na een minuut of tien is het met je gedaan. De ambulancedienst had negen minuten nodig om bij me te komen nadat ik tegen het ijs was geklapt.

    Nr. 12 reanimeert me. Op het beeld lijken zijn bewegingen soepel, vloeiend. Hij drukt mijn borst naar beneden en laat hem weer opkomen, en dat herhaalt hij snel achter elkaar, op z’n knieën, terwijl zijn schaatsen elke keer dat hij mijn rubberen borstpantser neerdrukt van het ijs komen. Een man in gewone kleren komt aanrennen over het ijs en helpt bij de reanimatie. De rechtsvoor wordt op een brancard gelegd en naar de uitgang van de ijsbaan gereden. Ik zie voor het eerst duidelijk een gezicht, dat van de brug van de neus tot de kin is bedekt met een zuurstofmasker om de mond tot ademen te dwingen. Het lichaam is bewegingloos, de ogen zijn gesloten; het gezicht is onmiskenbaar het mijne. Ik ben dood. Ik verdwijn door de opening van de boarding in het niets.

    Na mijn hartstilstand

    Twee weken na mijn hartstilstand speelde ik weer ijshockey, in de hervatting van de wedstrijd die vanwege mijn schijnbare dood was gestaakt.

    Een paar spelers waren bezorgd. Gaat goed, zei ik. Mijn arts vond het prima – ik zou hoogstens een beetje pijn in mijn ribben hebben door de reanimatie. Ook had ik steeds een flesje nitroglycerine-pillen bij me. Een verpleegkundige had me uitgelegd dat ik een pil onder mijn tong moest leggen als ik dacht dat ik een hartaanval had. Ik had nog steeds geen idee hoe een hartaanval voelde, maar ik hield het spul bij de hand. Als iemand in mijn buurt ooit het gevoel had dat hij een hartaanval kreeg, kon ik diegene een pilletje geven.

    Derek, de tweede held uit de film, een EHBO’er, kwam naar me toe. ‘Ik hoop dat je weet hoe zeldzaam het is dat iemand zoiets overleeft. Je bent een uniek geval,’ zei hij. ‘We hebben je tot twee keer toe teruggehaald. Je was paars. Je was weg. Ik ben echt verrast je te zien.’ Ik probeerde hem onhandig te bedanken.

    IJshockeyen was mijn enige sociale vertier. Ik heb geen goede vrienden en maak moeilijk nieuwe. De wedstrijden brachten het plezier terug dat ik als kind beleefde op de bevroren vijvers en de kunstijsbanen in onbekende stadjes in New England en de staat New York. Een weduwemaker zou mij niet weerhouden van een potje ijshockey.

    Ik was totaal niet bang, misschien omdat mijn geheugen was gewist

    Ik was totaal niet bang, misschien omdat mijn geheugen was gewist. Liever denk ik dat het kwam omdat ik een ijshockeyer ben. Ik ging neer met rugnummer 37, hetzelfde nummer als Patrice Bergeron, de taaiste speler ooit.

    Bij de warming-up schaatste ik precies over de plek waar ik mezelf had zien vallen. We wonnen 5-1 en ik scoorde één keer, van een afstandje, waarbij ik verdekt stond opgesteld achter nr. 12.

    Na de wedstrijd stelde ik me voor aan nr. 12: Steve, al dertig jaar ambulancebroeder bij de Tualatin Valley Brandweer- en Ambulancedienst, en de eerste held op de video. Ik kon geen woord uitbrengen. Hij was de man die zo snel en professioneel had gezorgd dat mijn hersens weer zuurstof kregen, en ik wilde hem vertellen hoe dankbaar ik hem daarvoor was. ‘Bedankt dat je m’n leven hebt gered,’ bracht ik met moeite uit. Snel bracht ik het gesprek op mijn nieuwe favoriete onderwerp: de gebeurtenissen rond mijn dood.

    ‘Dat is niet iets wat je wilt onthouden, hoor. Je zag er trouwens beroerd uit,’ zei hij. Ik had mijn reanimatie als film gezien, maar maakte me plotseling zorgen over degenen die haar in het echt hadden gezien.

    Ik bleef de hele tijd buiten bewustzijn, wat hoogst ongewoon is

    ‘Reanimatie is een hardhandig gebeuren,’ zei Steve. ‘We drukken uit alle macht op je borst. Daar komt geen zachtzinnigheid aan te pas. Als je reanimeert, plet je het hart tussen het borstbeen en de ruggengraat zo veel mogelijk om te zorgen dat het bloed blijft stromen. Daar heb je aan te danken dat je in zo’n goede gezondheid verkeert, omdat wij zorgden dat er voedingsstoffen en zuurstof naar je hersenen bleven gaan.’

    Hij zei dat mijn hersens waarschijnlijk maar 15 of 20 seconden geen zuurstof hadden gekregen. Ik bleef de hele tijd buiten bewustzijn, wat hoogst ongewoon is. ‘Ik was verbaasd dat de reanimatie werkte. Kennelijk stonden de sterren goed die dag.’ Twee van de ambulancebroeders die me in vliegende vaart naar het ziekenhuis hadden gebracht, klommen na de wedstrijd uit hun rode wagen bij de ingang van de ijsbaan en kwamen eveneens naar me toe. Iemand maakte een foto van hen met Steve en mij. Toen we weggingen, mompelde ik iets over mijn moeder proberen te bellen. Steve zei dat ik altijd hém mocht bellen.

    Staren in de afgrond

    Na verloop van tijd kreeg ik er genoeg van iedereen te vertellen wat me was overkomen. Een paar mensen vroegen of ik een wit licht of een ander teken van genade of voorzienigheid had gezien. Nee, ik staarde (letterlijk) in de afgrond, hoorde een deuntje, zag mezelf in een film sterven, werd gered door twee ijshockeyspelers, en ik voelde de duisternis nog steeds, zei ik. Dat was niet wat ze hadden gehoopt te horen. Mensen reageerden vreemd, aarzelend. Misschien beschouwde het land der levenden me als beschadigd en wilde me niet opnieuw toelaten. Ik bleef de telefoon oppakken om mijn dode moeder te bellen, het lukte me maar niet om die eigenaardige gewoonte te doorbreken. Ik deed mijn best om werk te vinden en overleefde door overdag als freelancer schrijf- en redactiewerk te verrichten en ’s nachts in een computeronderdelenfabriek te werken.

    Ik vond niemand die bij benadering zo lang morsdood was geweest als ik 

    Ik vertelde verder niemand over mijn hartaanval of mijn verblijf in de vergetelheid. Omdat mijn zoon mijn aanhoudende angst voor het donker opmerkte, hing hij kerstlichtjes voor mijn slaapkamerraam. Ik keek vaak naar de foto van mij en Steve en de twee ambulancebroeders. Ik moest soms zomaar huilen. Ik verzamelde verhalen van mensen die een hartaanval hadden overleefd en degenen die hen hadden geholpen. Ik vond niemand die bij benadering zo lang morsdood was geweest als ik, die niet morsdood was. Ik was verbijsterd. Was ik uniek, een medisch wonder? Waarom ik? Ik hoop dat mijn flipperkastbrein het waard was om gered te worden.

    Mijn herinneringen werden met een dosis geluk, ketamine, fentanyl, midazolam en propofol gewist. Ik heb de angst en de pijn die andere overlevenden plagen doorstaan en ben herrezen zonder dat mijn verstand of ijshockeyslag eronder hebben geleden. Ik realiseer me dat mezelf zien sterven bevrijdend is geweest, zoiets als kijken naar de dood van mijn stand-in, die later werd gemonteerd tot een nieuwe versie van mijzelf.

    Ik ben nog altijd onrustig, maar ik ben er. Bij de play-offs dit seizoen heb ik mijn team, de Boston Bruins, onderuit zien gaan, maar mijn hart is in orde. De video van mijn wedstrijd zal ik blijven bekijken. Het is mijn memento mori. Hij herinnert me eraan hoe onwerkelijk het is om in leven te zijn, helemaal dankzij Derek en Steve.

    Op het ijs is mijn gemiddelde aantal gescoorde punten dit seizoen 1,75 per wedstrijd. 

    Lees ook:

  • Zijn tatoeages goed of slecht voor ons immuunsysteem?

    Zijn tatoeages goed of slecht voor ons immuunsysteem?

    De wetenschap begrijpt (nog) niet helemaal hoe het kan dat tatoeages overleven, terwijl ons immuunsysteem aan één stuk door z’n uiterste best doet om de geïnkte indringer te vernietigen. Maar misschien wordt ons immuunsysteem juist wel versterkt door tatoeages.

    In 2018 betaalde ik iemand een paar honderd dollar om in rap tempo verschillende naalden in de huid van mijn rechterpols te zetten. Het voelde alsof ik werd belaagd door een cavalerie van microscopisch kleine krabbetjes. Bij iedere prik werd er zwarte inkt geïnjecteerd, die geleidelijk het patroon aannam van dubbele aanhalingstekens. Het was mijn eerste tatoeage en waarschijnlijk niet mijn laatste.

    In de duizenden jaren dat tatoeages inmiddels bestaan, is er weinig veranderd. De praktijk houdt nog steeds in dat er wonden worden gekerfd tot permanente geïnkte figuren die ons esthetisch bevallen. Veel omtrent tatoeëring blijft echter mysterieus: wetenschappers zijn er nog steeds niet helemaal achter waarom bepaalde tatoeages snel vervagen en andere zichtbaar blijven terwijl ze geacht worden te verdwijnen, of hoe ze op licht reageren. Maar een van de grootste en minst bestudeerde raadsels is wel hoe tatoeages überhaupt overleven. Ons immuunsysteem doet aan één stuk door z’n uiterste best om ze te vernietigen. Hebben we eenmaal door waarom dat niet lukt, dan zegt dat misschien iets over een van de belangrijkste functies van ons lichaam, ook als we de huid onbeklad laten.

    Aanval

    Wanneer een tatoeage in de huid wordt aangebracht, beschouwt het lichaam dat als een aanval. De huid is de ‘eerste barrière’ van het immuunsysteem; hij is royaal voorzien van snel handelende verdedigingscellen die onmiddellijk in actie kunnen komen als hij wordt geschonden, zegt Juliet Morrison, viroloog aan de Universiteit van Californië in Riverside. Eerste instructie aan zulke cellen: alles wat vreemd is onderscheppen en vernietigen, zodat het herstel kan beginnen.

    Die missie is over het algemeen heel succesvol – met als gevolg dat brandwonden genezen, littekens langzaam vervagen en korstjes afvallen – behalve om de een of andere reden als er inkt in het spel is. De deeltjes in pigmenten zijn log en moeilijk voor de enzymen in een afweercel om af te breken. Dus als inkt wordt ingeslikt door afweercellen zoals in de huid woonachtige macrofagen – die hun leven wijden aan het verslinden van ziektekiemen, dode cellen en andere rommel in een piepklein stukje lichaam – kan die veranderen in een microscopische versie van gom. De pigmentdeeltjes nestelen zich in de ingewanden van de macrofagen en weigeren afgebroken te worden. Wanneer inkt zichtbaar is op de oppervlakte van het lichaam, is die niet gewoon verweven met huidcellen, maar schijnt die dwars door de buik van macrofagen die hem niet kunnen verteren.

    Sandrine Henri, immunoloog aan het Immunologiecentrum van Marseille-Luminy in Frankrijk, heeft samen met haar collega’s ontdekt dat de voorliefde van macrofagen voor inkt kan helpen verklaren waarom tatoeages zo hardnekkig blijven zitten, zelfs als de cellen dood zijn. Aan het eind van zijn leven, dat een paar dagen tot een paar weken duurt, begint een macrofaag uiteen te vallen en laat hij de pigmenten in zijn binnenste los. Maar zodra dat gebeurt wordt de inkt weggegrist en opgeschrokt door een andere macrofaag die, slechts een paar micrometer verderop – nog niet de breedte van een mensenhaar, de rol van zijn voorganger min of meer overneemt.

    Na een tijdje worden de randen van tatoeages soms wat minder scherp, naarmate de inkt van cel naar cel gaat. Bovendien kan een deel van het pigment worden afgevoerd naar lymfeklieren. Die grotere afweercentra zijn normaal gesproken gebroken wit. Maar bij zwaar getatoeëerde mensen kunnen ze uiteindelijk ‘de kleur van inkt’ krijgen, zegt Gary Kobinger, immunoloog aan het Galveston National Laboratory van de Medische Universiteit van Texas. Doorgaans blijft de inkt echter zitten waar hij zit, in de macrofagen. Volgens Henri wordt deze eindeloze estafette van opname, afstoting en heropname gezien als een deel van de verklaring waarom het zo moeilijk is om tatoeages weg te laseren.

    Consequenties

    Wetenschappers zijn er nog niet zeker van of de inktophoping in de macrofagen consequenties heeft. ‘Wat nu als we ze op die manier dwingen om zorg te dragen voor vreemde pigmentklonten, in plaats van de immuniteit te bewaken?’ vroeg Morrison zich af toen ik haar sprak. Verstopte macrofagen zijn misschien wel minder goed in staat om gevaarlijker spul op te nemen, zoals ziektekiemen. Uit een vorig jaar gepubliceerde studie bleek dat tatoeagepigment wellicht invloed heeft op de proteïnen die ze produceren en de signalen die ze naar andere cellen sturen. Het zou ook kunnen dat de cel te hevig of te zwak begint te reageren op onbekend materiaal, en dat daardoor het immuunsysteem potentieel wordt benadeeld als een nieuwe tatoeage ontstoken of geïnfecteerd raakt of een allergische reactie teweegbrengt.

    Infecties bij tatoeages zijn zeldzaam – ze komen in hooguit 5 of 6 procent van de gevallen voor – en als ze zich voordoen, zijn ze meestal bacterieel van aard. Maar in heel zeldzame gevallen kunnen liefhebbers van bodyart een gevaarlijk virus oplopen, zoals hepatitis C. Gelukkig gaat het met de meeste getatoeëerde mensen ‘gewoon goed’, zeker met de modernste hygiënemaatregelen, zegt Danielle Tartar, dermatoloog aan de Universiteit van Californië in Davis.

    Henri maakt zich in elk geval geen zorgen. Het immuunsysteem is veelzijdig en vult zijn cellen constant aan; doet zich een grotere aanval voor, dan zijn de cellen die zich met inkt bezighouden waarschijnlijk in staat versterking in te roepen om de dreiging af te wenden. En het is ook heel goed mogelijk dat de macrofagen slechts tijdelijk in de war zijn door de inkt die ze hebben opgeslokt, en daarna weer een nieuwe balans vinden.

    Er is trouwens meer aan de hand met het immuunsysteem dan cellen die dol zijn op inkt. Een paar jaar geleden voegde een groep onderzoekers onder leiding van Jennifer Juno, immunoloog aan de Universiteit van Melbourne, tatoeage-inkt toe aan een vaccin; ze wilden zien waar de injectievloeistof bij muizen en makaken uiteindelijk terechtkwam. Uit niets bleek dat afweercellen ‘niet vrolijk’ werden van de pigmenten of het loodje legden, vertelde Juno me. Evenmin leek de inkt de goede werking van het vaccin in de weg te staan.

    Personen die zich vaak laten tatoeëren lijken hogere doses van bepaalde afweermoleculen, inclusief antilichamen, in hun bloed te hebben

    Het toebrengen van kleine beschadigingen aan de huid – door een expert met steriele, hypoallergene kledij en materialen – hield nabije afweercellen zelfs scherp. Recente studies wijzen uit dat macrofagen en andere zogeheten natuurlijke afweercellen wellicht in staat zijn om kortstondig enkele van hun eerdere confrontaties met andersoortig vreemd materiaal te onthouden en derhalve beter te reageren op toekomstige aanvallen. (Dit is uiteraard precies waar het bij vaccinatie om gaat, maar vaccins richten hun pijlen op aangepaste afweercellen, die veel vatbaarder zijn voor het proces.) Het is ook mogelijk – al wordt dit nog niet door data ondersteund – dat het leren samenleven met tatoeage-inkt afweercellen helpt om hun reactie op andere substanties te bepalen en misschien zelfs auto-immuunaanvallen te onderscheppen, zegt Tatiana Segura, biomateriaaldeskundige aan de Duke-universiteit. ‘Als je lichaam een tatoeage überhaupt verdraagt, betekent het dat het immuunsysteem zich heeft aangepast,’ zegt María Daniela Hermida, dermatoloog in Buenos Aires.

    Om meer inzicht te krijgen in de effecten van tatoeages op de immuniteit verrichtte Christopher Lynn, antropoloog aan de Universiteit van Alabama, diepgaand onderzoek naar zwaar getatoeëerde mensen in verschillende delen van de wereld. Hij en zijn collega’s ontdekten dat personen die zich vaak laten tatoeëren hogere doses van bepaalde afweermoleculen, inclusief antilichamen, in hun bloed lijken te hebben dan mensen bij wie zelden inkt wordt geïnjecteerd. Misschien, zei Lynn toen ik hem sprak, krijgt het immuunsysteem bij frequente tatoeage een regelmatige, lichte training en blijven bepaalde stukjes van ons verdedigingsarsenaal er gezonder door.

    Maar meer antilichamen is niet hetzelfde als betere immuniteit, en onderzoekers hebben tot nu toe geen idee hoelang zulke effecten aanhouden, zegt Saranya Wyles, dermatoloog aan de Mayo Kliniek. En omdat Lynn en zijn collega’s geen klinische proef hebben gedaan waarbij ze sommige personen lieten tatoeëren en andere niet, kunnen ze niet echt bewijzen dat de stapel antilichamen een direct gevolg is van een tatoeage. Het kan zijn, vertelde Lynn, dat mensen met van nature hogere doses van bepaalde afweermoleculen meer geneigd zijn veel tatoeages te nemen, omdat ze niet zo snel slecht reageren. In dat geval zouden tatoeages eerder een lakmoesproef voor het lichaam zijn – wat in bepaalde opzichten klopt met de culturele hang naar bodyart in veel culturen: pronken met je pijntolerantie. Hoe dan ook, Lynn waarschuwt dat tatoeëren zelfs in het best denkbare scenario zijn grenzen zal hebben.

    Inspiratiebron

    Los van de vraag of tatoeages op zichzelf de immuniteit verhogen, vormen ze wellicht een inspiratiebron voor de technologie die daar wel toe in staat is. Kobingers team is niet het enige dat met de techniek van tatoeagenaalden in de weer is bij het toedienen van injecties, met de bedoeling ze krachtiger, efficiënter en draaglijker te maken. In de huidige praktijk worden de meeste vaccins ver onder de huid toegediend, in de spieren, die niet rijk gezegend zijn met afweercellen. Het proces kost tijd en er zijn behoorlijk grote doses nodig om echt effect te hebben. De huid daarentegen is ‘een formidabele plek om vaccins toe te dienen,’ zei Kobinger toen ik hem sprak. ‘De cellen zijn al ter plekke, en er is een onmiddellijke reactie.’

    Een techniek om in de huid te vaccineren, de zogenaamde ‘intradermale’ manier, bestaat al en wordt gebruikt bij injecties tegen pokken, hondsdolheid en, sinds kort, apenpokken. De toediening van intradermale vaccins vereist echter nogal wat training – en als naalden hun doel missen, kan de effectiviteit van de injectie enorm kelderen. Door tatoeagenaalden en vaccinflacons te combineren, kun je die valkuilen in theorie omzeilen, zei Kobinger. Met een steeds verfijndere technologie, aldus Kobinger, hebben mensen op een dag wellicht minder injecties van een bepaalde hoge dosis nodig, en dat bespaart tijd, geld, inspanning en ongerief. Er komt geen inkt aan te pas. Maar misschien hebben deze naalden wel de kans een blijvende indruk op ons te maken.

    Lees ook:

  • Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    De vloeistof die onze mond produceert, is niet alleen een glijmiddel. Speeksel speelt een actieve rol in hoe we smaak ervaren en heeft invloed op onze voedselkeuze, zo hebben onderzoekers ontdekt.

    Op het eerste gezicht lijkt speeksel nogal saai spul. Handig om ons voedsel mee te bevochtigen, meer niet. De realiteit is heel anders, beginnen wetenschappers nu te begrijpen. De vloeistof gaat een ingewikkelde interactie aan met alles wat in de mond komt, en hoewel speeksel voor 99 procent uit water bestaat, heeft het een grote invloed op de smaak van wat we eten en drinken, en het genot dat we daaruit putten.

    ‘Het is een vloeistof, maar niet zomaar een vloeistof,’ zegt oraal bioloog Guy Carpenter van King’s College London.

    Wetenschappers weten al een tijd dat speeksel voor van alles en nog wat dient: het beschermt het gebit, vergemakkelijkt het spreken en biedt binnenkomend voedsel een uitnodigende omgeving. Nu zijn onderzoekers erachter gekomen dat speeksel ook bemiddelend optreedt en als vertaler dienst doet, dat het invloed uitoefent op hoe voedsel door de mond beweegt en onze zintuigen prikkelt. En er zijn steeds meer aanwijzingen dat uitwisselingen tussen speeksel en voedsel voor een deel bepalen wat we graag eten.

    ‘Orale voedselverwerking’

    De substantie is niet erg zout, waardoor we het zout van een aardappelchip kunnen proeven, en niet erg zuur, waardoor een scheutje citroen zo kan prikkelen. Elke hap voedsel wordt met water- en speekseleiwitten ingevet, waarop enzymen zoals amylase en lipase het verteringsproces op gang brengen. Het speeksel levert smaakstoffen af bij de smaakpapillen, waar de twee met elkaar kunnen communiceren. Speeksel, zo zegt de Chinese voedingswetenschapper Jianshe Chen, zorgt ervoor dat we ‘de chemische informatie van voedsel – het aroma, de smaak – detecteren.’

    Chen bedacht de term ‘orale voedselverwerking’ in 2009 om het multidisciplinaire veld te beschrijven dat bestaat uit voedingswetenschap, de fysica van voedingsstoffen, de fysiologische en psychologische reacties van het lichaam op voedsel en meer. Hij schreef over het onderwerp in de Annual Review of Food Science and Technology 2022. Als mensen eten, legt hij uit, proeven ze eigenlijk niet het eten zelf, maar een mengsel van voedsel en speeksel. Zo kun je alleen een zoet- of zuursmakend molecuul in een hap eten proeven als dat molecuul de smaakpapillen kan bereiken – en daarvoor moet het door de laag speeksel heen die de tong bedekt.

    Anders proeven

    Dat is allemaal niet zo vanzelfsprekend, zegt de eerder aangehaalde oraal bioloog Guy Carpenter, die erop wijst dat frisdrank zoeter smaakt als er geen prik in zit. Lang werd aangenomen dat dit kwam doordat sprankelende bubbeltjes kooldioxide in verse frisdrank zorgden voor een zuur stootje dat de hersenen afleidde van de zoetheid. Niet dus. Carpenter en zijn collega’s bestudeerden het proces in een kunstmatige laboratoriummond en ontdekten dat het speeksel de frisdrankbubbels belette om hun weg te vinden tussen tong en verhemelte. Carpenter denkt dat deze ophoping van bubbels voorkomt dat de suikers de smaakreceptoren op de tong bereiken. Met frisdrank zonder koolzuur zijn er geen luchtbellen die de zoete smaak blokkeren.

    Speeksel heeft ook invloed op de aroma’s – aroma’s die voor het overgrote deel onze smaakperceptie bepalen en voortkomen uit voedsel in de mond. Door het kauwen lossen sommige smaakmoleculen op in het speeksel en andere niet. Die laatste moleculen kunnen in de neusholte terechtkomen en worden er opgemerkt door de talloze receptoren aldaar. Wat betekent dit? Dat mensen met verschillende speekseldebieten of speekselsamenstelling – met name van eiwitten in de vorm van slijmstoffen – iets heel anders kunnen proeven terwijl ze hetzelfde eten of drinken.

    De proefpersonen die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken

    Spaanse onderzoekers maten bijvoorbeeld de speekselvloed van tien wijnproevers. Aan de wijn waren fruitige esters toegevoegd. De vrijwilligers die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken – misschien omdat ze vaker slikten en daardoor meer aroma’s in hun neusholtes kregen. Met andere woorden: wijnliefhebbers die prat gaan op hun vermogen aromanuances te detecteren, hebben dit op zijn minst voor een deel aan hun spuug te danken.

    Speeksel speelt ook een prominente rol in onze perceptie van textuur. Neem wrangheid, dat droge gevoel in je mond als je rode wijn drinkt of onrijp fruit eet. Dat is niet de schuld van de wijn, nee, tanninemoleculen in de wijn zorgen ervoor dat eiwitten uit het speeksel neerslaan, waardoor dat speeksel niet meer zo goed smeert.

    Dankzij speeksel weten wij ook voedsel met een hoog en laag vetgehalte te onderscheiden. Ook als twee yoghurts er hetzelfde uitzien en net zo vloeibaar zijn, voelt een vetarme versie droger in de mond, aldus Anwesha Sarkar, voedingswetenschapper aan de universiteit van Leeds. ‘We proberen niet de eigenschappen van het voedsel te doorgronden, maar de wisselwerking ervan met de oppervlakte,’ zegt Sarkar. Een mengsel van melkvet en speeksel creëert een laag druppeltjes in de mond die de wrangheid kan verdoezelen en de yoghurt een rijkere smaak geeft.

    Mechanische tong

    Sarkar gebruikt voor haar onderzoek een mechanische tong, gedoopt in kunstmatig speeksel, die simuleert wat er gebeurt als voedsel door de mond beweegt en hoe dat de zintuiglijke ervaring van het eten beïnvloedt. Een smoothie met weinig vet, zegt Sarkar, lijkt op het eerste gezicht romig, maar mist de weelderige textuur die vet levert indien vermengd met speeksel.

    Een volledig inzicht in deze interacties tussen speeksel, voedsel en de mond – en de overdracht van de informatie naar de hersenen – kan leiden tot de productie van gezonder voedsel, aldus Sarkar. Ze denkt aan ‘getrapt voedsel’ dat genoeg suiker aan de buitenkant bevat om in speeksel te kunnen oplossen met een gevoel van zoetheid als gevolg, maar dat in zijn geheel lagere concentraties suiker en dus ook een lager calorieniveau kent. Een dergelijke opzet kan volgens haar leiden tot voedsel met minder vet.

    Maar het is niet makkelijk om deze interacties zo goed te begrijpen dat je zulke voedingsmiddelen kunt ontwikkelen. Speeksel en smaakperceptie variëren de hele dag door, en dan zijn er op dat gebied ook nog eens verschillen tussen individuen. Meestal is speeksel traag in de ochtend en het vloeiendst vroeg in de middag. En de componenten van het speeksel van ieder individu – hoeveelheden van bepaalde eiwitten bijvoorbeeld – fluctueren de hele dag, net als stimulerende aroma’s.

    Speekseleiwitten

    Oraal biochemicus Elsa Lamy van de Universiteit van Évora in Portugal heeft dit onderzocht door geblinddoekte vrijwilligers zo’n vier minuten lang aan een stuk brood te laten ruiken. Ondertussen hield ze in de gaten of er veranderingen in hun speeksel optraden. Twee soorten eiwit – zetmeel verterende amylases en cystatines – die met smaakgevoeligheid en smaakperceptie in verband worden gebracht, namen toe na de blootstelling aan het brood. Soortgelijke experimenten volgden met vanille en citroen, en in alle gevallen veranderden de niveaus van speekseleiwitten, hoewel die afhingen van het voorgezette voedsel. Lamy en haar team proberen er nu achter te komen wat voor functie die stijging in eiwitten kan hebben.

    De samenstelling van speeksel verschilt van persoon tot persoon – en hangt deels af van iemands vroegere voedselkeuzes, zegt Ann-Marie Torregrossa, een gedragsneurowetenschapper aan de Universiteit van Buffalo. Toen zij ratten onderwierp aan een dieet met additieven die bitter smaakten, registreerde zij scherpe toenamen van speekseleiwitten in tal van categorieën. Ondertussen leken de ratten dat bittere spul in hun eten steeds meer te accepteren. ‘De conclusie is dus dat broccoli best lekker is als je niets anders meer eet,’ zegt Torregrossa.

    In een ander experiment gebruikte ze katheters om speeksel van ratten die bitter voedsel gewend waren over te brengen naar andere rattenbekjes. Die diertjes gingen bitter voedsel prompt beter verdragen. Maar controledieren die de bitterheid verdragende speekseleiwitten werden onthouden, moesten niets van het bittere voedsel hebben.

    Torregrossa en haar medewerkers zijn er nog niet uit welke eiwitten precies verantwoordelijk zijn voor deze tolerantie. Er zijn wel een paar kandidaten, zoals prolinerijke eiwitten en proteaseremmers, maar er zijn misschien nog andere. Ze moeten weten om welke eiwitten het gaat voordat ze kunnen beoordelen hoe reacties op bittere smaken in de mond en in de hersenen worden beïnvloed.

    Ratten zijn natuurlijk geen mensen. Wel zijn er aanwijzingen gevonden dat hun speeksel soortgelijke dingen doet met smaakperceptie als bij mensen. Het beeld is echter ingewikkelder. ‘Het menselijk dieet en de menselijke ervaring worden beïnvloed door tal van andere factoren die knaagdieren gewoon vreemd zijn,’ zegt Lissa Davis, wetenschapper aan de Purdue University in Indiana, die smaak en gedrag bestudeert.

    Gezondere eetgewoonten

    Maar als deze patronen kunnen worden gedecodeerd en begrepen, dan belooft dat wat, zegt Lamy. Als je kinderen een additief zou kunnen geven dat veranderingen in hun speeksel stimuleert en hun ervaring met een bittere groente daardoor letterlijk en figuurlijk verteerbaarder maakt, zou dat gezondere eetgewoonten kunnen bevorderen. Als hun eerste ervaring met nieuw voedsel verschoond blijft van een hoge bitterheidsgraad, dan zullen ze goede smaakervaringen met die groente hebben.

    Meer in het algemeen zal een beter begrip van de invloed van speeksel op smaak – en die van voedsel op de samenstelling van speeksel – veel nieuwe manieren mogelijk kunnen maken om eetvoorkeuren om te buigen naar vaak weinig populair maar gezond voedsel. ‘Hoe,’ zegt Torregrossa, ‘kunnen we haters van dat voedsel veranderen in liefhebbers? Die vraag houdt me bezig.’

    Lees ook:

  • Waarom een slank lichaam vrouwen een hoger salaris oplevert

    Waarom een slank lichaam vrouwen een hoger salaris oplevert

    Hoe hard feministen ook door de jaren heen hebben geroepen dat vrouwen zich van hun ijdelheid moesten bevrijden, gewicht en uiterlijk spelen voor velen nog altijd een belangrijke rol. Vrouwen die slank zijn, krijgen zelfs beter betaald.

    Mireille Guiliano is een succesvolle, slanke vrouw. Ze werd geboren in Frankrijk en studeerde in Parijs, waarna ze als tolk voor de Verenigde Naties ging werken. Vervolgens ging ze in de champagnebranche, en in 1984 trad ze in dienst bij Veuve Clicquot, dat toen nogal matig presteerde. Ze klom op in de rangen en lanceerde een dochteronderneming in de VS. Daarvan werd ze in 1991 directeur en ze leidde het bedrijf met groot succes. In haar appartement met uitzicht op Manhattan biedt ze een glas water aan. ‘Je weet hoeveel ik van water hou,’ zegt ze. Inderdaad, want veel water drinken is een hoofdregel in Waarom Franse vrouwen niet dik worden, Guiliano’s bestseller over afvallen en slank blijven ‘op Franse wijze’. 

    In het boek beschrijft ze hoe vreselijk ze het als tiener vond om zwaarder te worden toen ze een zomer in Amerika verbleef. Haar ongemak bereikte een dieptepunt toen ze weer terugkwam in Frankrijk en haar vader, in plaats van haar te omhelzen, zei dat ze eruitzag ‘als een zak aardappelen’. Ze ging op dieet, pikte haar oude Franse gewoonten weer op (veel water, afgemeten porties, regelmatig bewegen) en liet de weegschaal weer in haar voordeel doorslaan.

    GettyImages 182297968
    De Amerikaanse auteur en uitgever Helen Gurley Brown (1922-2012) en de Amerikaanse socialite Gloria Vanderbilt wonen een signeersessie bij op Madison Avenue in New York, 1996. Beiden adviseerden vrouwen om van 800 calorieën per dag te leven. – © Rose Hartman / Archive / Getty Images

    Als succesvolle vrouw die bereid is publiekelijk over haar uiterlijk en gewicht te praten, is Guiliano een zeldzaamheid. ‘Natuurlijk wil niemand het erover hebben,’ zegt ze. ‘Het is gemakkelijker om te doen alsof het vanzelf gaat.’ Opeenvolgende feministische golven vertelden verstandige vrouwen dat ze zich moesten bevrijden van ijdelheid, van de huishoudelijke slavernij en van een door voortplanting bepaald bestaan.

    Maar een vrouw die diep wordt geraakt door een opmerking over haar gewicht is geen uitzondering. Aubrey Gordon, medepresentator van Maintenance Phase, een podcast die hedendaagse problemen rond afvallen en welzijn aanpakt, kreeg al op haar tiende van een arts te horen dat ze overgewicht had. En Roxane Gay, een Amerikaanse auteur, beschrijft de schrik op het gezicht van haar ouders toen ze op dertienjarige leeftijd terugkwam van haar eerste semester op een kostschool en zo’n 14 kilo meer woog dan toen ze vertrok.

    Vandaag de dag is het perfecte lichaam de ‘weasel body’

    Het zijn persoonlijke maar ook universele ervaringen, althans in de rijke landen. Ze weerspiegelen de druk op vrouwen om op een ‘ideaal’ te lijken. Dat ideaal is in de loop der tijd veranderd. Naakten uit de Renaissance tonen bijvoorbeeld weelderige rondingen, maar de laatste decennia is slankheid het schoonheidsideaal. In de jaren tachtig gold in New York de ‘social x-ray’ – een term die Tom Wolfe introduceerde in zijn roman Het vreugdevuur der ijdelheden om vrouwen te beschrijven die zo dun waren dat ze haast tweedimensionaal leken. In Londen werd dat in de jaren negentig het ideaal van heroin chic.

    Als een wezel

    Vandaag de dag is het perfecte lichaam ‘weasel body’, zegt een vrouw uit Los Angeles, die om zich heen veel vrouwen ziet die fysieke perfectie nastreven. Ze proberen er zo gestroomlijnd en strak uit te zien als een wezel, alsof ze door het water kunnen glijden zonder een rimpeling te veroorzaken. Het streven naar zo’n lichaam laat misschien iets meer eten toe dan de diëten van vroeger, maar het is even moeilijk te bereiken.

    Alle vrouwen zijn zich uiteindelijk bewust van het belang dat aan hun lichaam wordt gehecht. Het is alsof meisjes nietsvermoedend door een bos lopen en dan de bomen te zien krijgen. Wellicht vragen ze zich af hoe die bomen daar gekomen zijn, hoelang ze er al groeien en hoe diep hun wortels werkelijk gaan. Maar ze kunnen er weinig aan doen en het is bijna onmogelijk om zich de wereld anders voor te stellen. Het fabeltje dat slimme en ambitieuze vrouwen, die hun waarde op de arbeidsmarkt kunnen bepalen op basis van hun intelligentie of opleiding, geen aandacht hoeven te besteden aan hun figuur is moeilijk vol te houden als je kijkt naar gegevens over de wisselwerking tussen gewicht en loon of inkomen. De relatie is anders in arme landen waar rijke mensen over het algemeen zwaarder zijn dan arme.

    In landen als de VS, Groot-Brittannië en Duitsland en rijke Aziatische landen als Zuid-Korea zijn rijke mensen dunner dan arme mensen. Kenmerkend is een licht dalende relatie tussen maatstaven voor gewicht zoals de bodymassindex (BMI) – een maat voor zwaarlijvigheid – of het deel van de bevolking dat zwaarlijvig is, en het inkomen, gemeten naar lonen, het aantal mensen onder de armoedegrens of het inkomenskwartiel.

    Venus von Willendorf 01 2
    De Venus van Willendorf, een iconische sculptuur van 25.000 jaar voor Christus, wordt meestal geïnterpreteerd als een vruchtbaarheidssymbool. Het beeld is te zien in het Natuurhistorisch Museum in Wenen. – © Wikipedia

    Dat arme mensen meer kans hebben op overgewicht wordt vaak verklaard met het argument dat zwaarlijvigheid in rijke landen een kenmerk is van armoede. Arme mensen zouden zich moeilijk gezond voedsel kunnen veroorloven. Ze grijpen misschien eerder naar bewerkt voedsel of fastfood, omdat ze geen tijd hebben om thuis te koken of minder tijd hebben om te sporten; slechter betaalde banen gaan immers vaak gepaard met lange diensten en met minder flexibiliteit dan de banen van de ‘laptopklasse’. Aangezien een laag inkomen vaak het gevolg is van een beperkte opleiding, kan het gebrek aan opleiding ook leiden tot gebrek aan kennis over een gezond gewicht.

    Het probleem met al deze verklaringen is dat de correlatie tussen inkomen en gewicht op landelijk niveau in de meer ontwikkelde landen bijna volledig voor rekening komt van vrouwen. Uitgedrukt in een grafiek toont het verband tussen inkomen en gewicht in de VS en Italië een horizontale lijn voor mannen en een dalende lijn voor vrouwen. 

    Zuid-Korea

    In Zuid-Korea is de correlatie positief voor mannen, maar deze wordt ruimschoots tenietgedaan door de sterk negatieve correlatie bij vrouwen. In Frankrijk loopt de lijn voor mannen licht naar beneden, maar voor vrouwen veel steiler. Dergelijke patronen, op welke manier ook gemeten, lijken te gelden voor de meeste rijke landen.

    Met andere woorden: rijke vrouwen zijn veel slanker dan arme vrouwen, maar rijke mannen zijn ongeveer even dik als arme mannen. Wallis Simpson, van wie het huwelijk met koning Edward VIII leidde tot diens troonsafstand, zou hebben gezegd dat een vrouw ‘nooit te rijk of te dun kan zijn’. Kennelijk moet ze allebei of geen van beide zijn.

    Je zult dan moeten uitleggen waarom die dynamiek alleen vrouwen lijkt te treffen

    Dat zou iedereen tot nadenken moeten stemmen die denkt dat armoede de verklaring is voor zwaarlijvigheid, of dat rijk zijn bevorderlijk is voor een lager gewicht. Je zult dan moeten uitleggen waarom die dynamiek alleen vrouwen lijkt te treffen. Misschien is het verband voor beide geslachten hetzelfde, maar verschillen de beroepen die ze uitoefenen en die slankheid vereisen of tot gevolg kunnen hebben. Mannen doen onevenredig veel laagbetaald fysiek werk, zoals in de bouw (hoewel verplegend personeel onevenredig vaak uit vrouwen bestaat, die evenveel tijd lopend of staand doorbrengen als bouwvakkers). Van sommige rijke vrouwen, zoals actrices, kan expliciet worden geëist dat zij slank zijn om bepaalde rollen te kunnen spelen.

    GettyImages 965573312
    De obsessie voor slankheid is nooit uit het modebeeld verdwenen.De terugkeer van de zogenaamde heroin chic-look, het graatmagere schoonheidsideaal van de jaren negentig, leverde felle reacties op in de bladen. Modeshow van Dior, tijdens de Prêt-à-Porter in 1997 in Parijs.© Getty Images

    Toch is het moeilijk te geloven dat een van deze wetmatigheden het complete verschil verklaart. Uit gegevens van het Amerikaanse Bureau of Labour Statistics (BLS) blijkt dat slechts 3,5 procent van de beroepsbevolking intensief lichamelijk werk doet (in sommige categorieën, zoals bewegingsonderwijs en dansen, werken veel vrouwen). Slechts 0,1 procent van deze mensen heeft een baan als acteur. Dat er een genderkloof bestaat in de relatie tussen inkomen en gewicht die niet gemakkelijk kan worden verklaard door andere verschillen tussen mannen en vrouwen, wijst op een andere verklaring: misschien helpt dun zijn vrouwen om rijk te worden.

    Minder loon

    Uit talloze studies blijkt dat vrouwen met overgewicht of obesitas minder betaald krijgen dan hun slankere collega’s, terwijl er weinig verschil bestaat in loon tussen mannen met overgewicht en mannen die medisch gezien binnen het ‘normale bereik’ vallen. Er zijn uitzonderingen: uit een Zweeds onderzoek bleek dat zwaarlijvige mannen minder betaald kregen, maar zwaarlijvige vrouwen niet. Maar uit onderzoek in de VS, Groot-Brittannië, Canada en Denemarken blijkt dat vrouwen met overgewicht minder verdienen. De straf voor een zwaarlijvige vrouw is aanzienlijk: het kost haar ongeveer 10 procent van haar inkomen.

    Uit onderzoek blijkt dat vrouwen met overgewicht 10 procent minder verdienen

    Dat kan zelfs nog een onderschatting van de werkelijkheid zijn, want de loonkloof is moeilijk te meten bij mensen die geen werk vinden vanwege hun omvang. De hoogste schattingen van hogere lonen voor slanke vrouwen zijn zo significant, dat het bijna evenveel loont om af te vallen als om bij te scholen. De loonpremie voor het behalen van een masterdiploma bedraagt ongeveer 18 procent. Dat is slechts 1,8 maal de premie die een zwaarlijvige vrouw in theorie verdient door zo’n 29 kilo af te vallen – ruwweg de hoeveelheid die een matig zwaarlijvige vrouw van gemiddelde lengte moet afvallen om in het medisch gedefinieerde ‘normale bereik’ te vallen. Die maatregel lijkt vooral significant te zijn voor witte vrouwen – het bewijs voor zwarte of Latijns-Amerikaanse vrouwen is zwakker (hoewel dat gedeeltelijk kan worden verklaard door het feit dat studies vaak gebruikmaken van de BMI, wat tot een verkeerde classificatie van deze vrouwen kan leiden).

    Discriminatie van zwaarlijvige vrouwen is niet afgenomen naarmate hun aantal toenam. ‘Je zou een afnemend loonverschil kunnen verwachten doordat er steeds meer mensen met overgewicht bij komen’, schreef econoom David Lempert in een paper voor het BLS, omdat overgewicht meer algemeen aanvaard is. In plaats daarvan is het stigma van mensen met overgewicht meegegroeid met hun aantal; het is tussen 1980 en 2000 bijna verdubbeld. Lempert suggereert dat dit kan komen doordat ‘de toenemende zeldzaamheid van slankheid heeft geleid tot een hogere premie voor slanke mensen’.

    De conclusie van het artikel stapelt de ene kwaad makende zin op de andere. Naarmate zwaardere vrouwen ouder worden, schrijft Lempert, ondervinden zij de gevolgen van jarenlange cumulatieve loondiscriminatie. Hun startloon is lager, en gedurende hun loopbaan krijgen deze vrouwen minder loonsverhoging en promotie. Uit het artikel blijkt ‘dat een drieënveertigjarige vrouw met overgewicht in 2004 een grotere loonstraf kreeg dan toen ze twintig was in 1981’, en ook dat ‘een twintigjarige vrouw met overgewicht nu een grotere loonstraf krijgt dan ze in 1981 op twintigjarige leeftijd zou hebben gekregen’.

    Deels kan dat een weerspiegeling zijn van de hogere kosten die werkgevers moeten betalen voor hun zwaarlijvige werknemers, vooral in Amerika. De premie voor een ziektekostenverzekering wordt in de VS vaak door de werkgever betaald, en iemand met overgewicht of obesitas heeft doorgaans hogere kosten, onder andere doordat er bij het ouder worden meer gezondheidsproblemen optreden. Toch is het onduidelijk waarom deze kosten alleen op vrouwen worden afgewenteld. En studies in Canada en Europa (waar door de overheid gefinancierde gezondheidszorg de norm is) tonen al even grote loonstraffen voor vrouwen.

    De houding tegenover zwaarlijvige personen is aanzienlijk negatiever geworden

    Het idee dat het bestraffen van zwaarlijvigheid toe- in plaats van afneemt wordt onderbouwd door de resultaten van een onderzoek van de Harvard-universiteit naar impliciete vooroordelen. Aan de testpersonen wordt gevraagd mensen van verschillend ras, geslacht, seksuele geaardheid of gewicht te associëren met woorden als ‘goed’ of ‘slecht’. In het algemeen gaan de uitkomsten de positieve kant op: discriminatie op grond van ras en geslacht is de afgelopen tien jaar afgenomen. Negatieve associaties met homo’s zijn met eenderde gedaald. Gewicht is de uitzondering: de houding tegenover zwaarlijvige personen is aanzienlijk negatiever geworden.

    GettyImages 515463142
    Wallis Simpson, van wie het huwelijk met koning Edward VIII leidde tot diens troonsafstand, zou hebben gezegd dat een vrouw ‘nooit te rijk of te dun kan zijn’.  © Bettmann via Getty Images

    In deze context lijken de argumenten die vaak worden gebruikt om te verklaren waarom vrouwen en meisjes zo veel druk voelen om slank te zijn, en een laag zelfbeeld hebben als zij dat niet zijn, jammerlijk onvolledig. Misschien voelen vrouwen zich inderdaad slecht over zichzelf omdat ze zich vergelijken met die slanke hinde op de omslag van een tijdschrift en laten ze zich wijsmaken dat die foto’s onbewerkt en haalbaar zijn. Misschien heeft een arts of een van hun ouders toen ze klein waren een opmerking gemaakt over hun gewicht. Maar naast deze druk is er ook die krachtige prikkel van de markt: vrouwen zien haarscherp in dat niet afvallen of slank worden hun letterlijk geld kost.

    Rendement

    Het is voor iedereen logisch dat tijd steken in een opleiding economisch rendement oplevert. Op dezelfde manier lijkt het voor vrouwen logisch om te streven naar een slank lichaam. Obsessief bezig zijn met wat en hoeveel je moet eten, dure fitnesslessen: het zijn investeringen die rendement opleveren. Voor mannen geldt dat niet.

    Vrouwen zijn zich tot op zekere hoogte hiervan bewust. Een generatie geleden leek het voor hen nog vanzelfsprekend. ‘Het belangrijkste waar je na – of tijdens – je werk mee bezig moet zijn, is je uiterlijk en je uitstraling. Het is ondenkbaar dat een vrouw die “alles wil” dik zou willen zijn, of zelfs mollig’, schreef Helen Gurley-Brown, redacteur van Cosmopolitan in de jaren tachtig en negentig, in haar boek Having It All – alvorens allerhande advies te geven over hoe je overleeft op 800 calorieën per dag en vrouwen aan te moedigen dagelijks op de weegschaal te gaan staan en te accepteren dat ‘diëten een hel is’ en ‘op te houden daar depressief van te worden’.

    Bodypositivity

    Zo’n benadering werd vier decennia geleden misschien makkelijker geslikt, maar de economische realiteit is niet heel erg veranderd. Het enige andere is het leidende narratief, dat nu bodypositivity omarmt en diëten schuwt. In plaats van het South Beach- of het Atkins-dieet gaan vrouwen nu bepaalde voedingsmiddelen mijden: ze eten glutenvrij, veganistisch of suikerarm, onder het mom van gezondheid of welzijn, om hun darmflora te verbeteren of om hun energieniveau te verhogen. Mensen geven veel geld uit aan SoulCycle-lessen, om sterk en fit te worden, maar niet om calorieën te verbranden. ‘Zelfs vrouwenglossy’s zijn nu sceptisch over de van bovenaf opgelegde verhalen over hoe we eruit moeten zien… maar de psychologische parasiet van de ideale vrouw heeft zich zo geëvolueerd dat ze nu ook overleeft in een ecosysteem dat zich zogenaamd tegen haar verzet’, schrijft Jia Tolentino in haar boek Spiegeldoolhof. Het feminisme ‘heeft de tirannie van de ideale vrouw niet uitgeroeid, maar haar stevig verankerd en juist weerbarstiger gemaakt.’

    Omdat zwaarlijvigheid een verhoogd gezondheidsrisico met zich meebrengt, zullen sommigen beweren dat het geen probleem is dat vrouwen worden gestimuleerd om af te vallen. Maar dit berust op twee wankele pijlers van de logica: ten eerste dat mensen hun gewicht volledig onder controle kunnen hebben, en ten tweede dat schaamte een goede motivator is.

    The Crush Gibson
    De Gibson Girl, getekend door Charles Gibson, werd de personificatie van vrouwelijke schoonheid in de negentiende eeuw: lang en slank in S-vormig corset, maar met royale boezem, heupen en billen. – © Charles Dana Gibson

    De meeste mensen kennen het effect dat een beetje minder eten en meer bewegen heeft op hun lichaam. Daarom is het gebruikelijk om te denken dat gewicht en obesitas veranderbare eigenschappen zijn – eigenschappen waar slanke mensen aan werken en dikke mensen niet. Als dat het geval was, zou het voor vrouwen mogelijk zijn om discriminatie op grond van gewicht achter zich te laten, door zich aan te passen aan het lichaamstype dat de maatschappij van hen verlangt. 

    Het is bijna onmogelijk om af te vallen én op gewicht te blijven

    Maar dit idee van volledige controle is misplaatst. Mensen melden vaak dat ze zwaarder worden als ze antidepressiva gaan gebruiken; bij vrouwen is dat bijvoorbeeld vaak het geval als ze lijden aan aandoeningen zoals het polycysteus-ovariumsyndroom. Roxane Gay beschrijft hoe haar gewicht toenam in de nasleep van een brute aanranding. Het roept ook de vraag op waarom een groot deel van de mensheid in de jaren tachtig collectief de controle over zijn eetgewoonten verloor en in de ontwikkelde landen zwaarlijvigheid sterk begon toe te nemen. Wetenschappers twijfelen over het antwoord (sommigen wijzen op de opkomst van bewerkt voedsel), maar zijn het er wel over eens dat het bijna onmogelijk is om af te vallen én op gewicht te blijven. Mensen die dat lukt zijn veel zeldzamer dan mensen die het hun leven lang proberen, daar niet in slagen en zichzelf de schuld geven.

    Misschien werkt schaamte voor sommige mensen. Het werkte voor Guiliano. Op de vraag waarom ze na de opmerking van haar vader besloot om af te vallen, in plaats van hem uit te schelden, aarzelt ze even. ‘Hij had natuurlijk gelijk,’ zegt ze dan.

    Hoge prijs

    Maar denk ook aan de enorme kosten die het stigma, de schaamte en de angst met zich meebrengen voor vrouwen en meisjes die zich hun leven lang zorgen maken over wat hun overgewicht hun gaat kosten. Het is onmogelijk om niet te merken hoeveel tijd, energie en geld vrouwen investeren in het bijhouden wat ze eten, in dieetboeken en in fitnesscursussen.

    Iedereen die weleens een sapkuur of een dieet van koolsoep heeft geprobeerd, weet dat slank willen zijn ten koste gaat van andere belangrijke dingen die meisjes en vrouwen willen doen, zoals je kunnen concentreren op examens en werk, of genieten van eten. Volgens sommige onderzoeken zijn zesjarige meisjes zich al bewust van de verwachting dat ze dun moeten zijn. Vervolgens kunnen ze als pubers ‘door de plotselinge schoonheidseisen worden overweldigd, slachtoffer worden van anorexia en boulimia’, schrijft Tolentino. De meeste vrouwen proberen zich aan te passen. Maar welke keuze ze ook maken, de prijs is hoog.

    Lees ook:

  • De helft van de wereldbevolking heeft een clitoris. Waarom wordt die dan zo weinig bestudeerd?

    De helft van de wereldbevolking heeft een clitoris. Waarom wordt die dan zo weinig bestudeerd?

    De clitoris wordt ‘door vrijwel iedereen genegeerd’, aldus medische deskundigen. Die nalatigheid kan funest zijn voor de seksuele gezondheid van vrouwen.

    Gillian zat niet te wachten op een perforator in de buurt van haar geslachtsdelen. Dus toen een gynaecoloog in 2018 voorstelde om voor een kankercontrole een biopt van haar vulva te nemen, aarzelde ze. De arts had het vermoeden dat het witachtige huidvlekje dat Gillian naast haar clitoris had gevonden lichen sclerosus was, een huidaandoening die meestal goedaardig is. Gillian, die als verpleegster werkt, vond het wat extreem klinken om uit haar gevoeligste lichaamsdeel een stukje weg te laten halen.

    Uiteindelijk stemde ze toch toe, want hij was een dokter en zij slechts een verpleger. Ze ging ervan uit dat hij op het gebied van de clitoris een autoriteit was. ‘Ik had nooit in de gynaecologie gewerkt,’ zegt Gillian, die vanwege haar privacy alleen haar voornaam noemt. ‘Ik was behoorlijk onwetend.’

    Vóór de biopsie kreeg ze een ruggenprik om het gebied te verdoven. Haar benen werden in beugels geplaatst. Om het bloeden te stelpen, legde de dokter zijn ene hand over de andere heen en drukte vervolgens hard tegen haar vulva aan. (Dat zijn de uitwendige delen van de vrouwelijke genitaliën, waartoe de binnenste en buitenste schaamlippen, de opening naar de vagina en de clitoris behoren.) Zelfs door de verdoving heen kon ze de druk tegen haar schaambeen voelen. Ze gilde het uit.

    Een maand later, toen Gillian met haar vriend in bed lag, realiseerde ze zich dat ze geen orgasme meer kon krijgen. Ze werd nog wel opgewonden, maar de momenten waarop ze voorheen een hoogtepunt had bereikt ‘liepen nu op niets uit’, herinnert ze zich. ‘En zo gaat het nog steeds.’

    Ze vertelde het haar gynaecoloog. Die vermoedde dat ze door de littekens last had van gevoelloosheid, en dat dat met de tijd vanzelf weg zou gaan. Maar dat gebeurde niet. Gillian raakte steeds meer verontrust en zocht de ene na de andere specialist op in de hoop een verklaring of wellicht een oplossing te vinden. Toen kwam ze erachter dat niemand met haar over haar clitoris wilde praten.

    Gillian vertelt dat een uroloog haar verwonding vergeleek met de symptomen van iemand die door verkrachting trauma heeft opgelopen. Wat ze ervoer, zou een soort traumareactie op haar biopsie zijn. Iemand anders, een specialist op het gebied van het vrouwelijk lichaam, diagnosticeerde haar probleem als een zogenaamde ‘perimenopauze’ [een periode in de overgang waarin de vruchtbaarheid van de vrouw verdwijnt] en schreef haar testosteroncrème voor. Een andere gynaecoloog raadde aan een ‘O-shot’ te nemen ofwel een vaginale verjongingsprocedure.

    Telkens als ze probeerde het gesprek terug te brengen op haar clitoris, kreeg ze nietszeggende blikken terug. ‘Ze keken me aan alsof ik gek was,’ vertelt Gillian. ‘Ik bleef maar zeggen dat er iets mis was met mijn clitoris, en het leek wel alsof ze er alles aan deden om het maar niet over dat deel van mijn lichaam te hoeven hebben.’

    ‘Hooguit een bijzaak’

    Sommige urologen vergelijken de vulva met ‘een klein stadje in het Amerikaanse Midwesten’, zegt dr. Irwin Goldstein, uroloog en pionier op het gebied van de seksuele geneeskunde. Artsen laten de vulva compleet links liggen en besteden er nauwelijks aandacht aan op hun weg naar de bestemming: de baarmoederhals en baarmoeder. Daar gebeurt het echte medische werk: daar worden de echo’s gemaakt, uitstrijkjes genomen, spiraaltjes ingebracht en kinderen gebaard.

    Als de vulva in haar geheel een ondergewaardeerde stad is, dan is de clitoris een bar langs de doorgaande weg; maar weinig mensen besteden er gedachten aan en nog minder mensen kennen haar echt goed. De meesten gaan het liefst met een grote boog om de clitoris heen. ‘Het orgaan wordt door vrijwel iedereen compleet genegeerd,’ zegt Rachel Rubin, uroloog en specialist in seksuele gezondheid, in de buurt van Washington, D.C. ‘Er is in de medische wereld niet echt een groep die zich heeft toegelegd op het onderzoeken, behandelen en diagnosticeren van vulva-gerelateerde aandoeningen.’

    Als antwoord op de vraag wat ze tijdens haar studie geneeskunde over de clitoris heeft geleerd, stelt Rubin: ‘Ik kan me niet echt iets herinneren. Als mijn professoren er al iets over hebben gezegd, was het hooguit in een bijzin.’

    Pas jaren later leerde Rubin hoe ze de vulva en het zichtbare deel van de clitoris, ook wel de glans clitoridis genoemd, moest onderzoeken. Ze liep destijds bij dr. Goldstein stage op het gebied van seksuele geneeskunde en ontdekte dat de volledige clitoris een diepe structuur is die grotendeels uit erectiel weefsel bestaat, tot in het bekken reikt en om de vagina heen ligt.

    Vandaag de dag omschrijft Rubin zichzelf als de meest vooraanstaande ‘clitoroloog’ van Washington. De grap is natuurlijk dat maar weinig andere medici aanspraak willen maken op die titel – ofwel uit schaamte, ofwel uit een gebrek aan kennis, ofwel uit angst dat de term patiënten in verlegenheid brengt. ‘Artsen richten zich graag op wat we al weten,’ zegt ze. ‘We laten onze zwakke kanten niet graag zien en geven een gebrek aan kennis niet graag toe.’

    Schaamlipverkleining is een van de snelst groeiende cosmetische ingrepen ter wereld en kan ook tot zenuwschade leiden

    Dat vragen over de clitoris bijna universeel vermeden worden, heeft gevolgen voor patiënten. In een wetenschappelijk artikel dat in 2018 in het tijdschrift Sexual Medicine verscheen, toonden Rubin en Goldstein met andere collega’s aan dat het gebrek aan onderzoek naar de vulva en clitoris ertoe leidt dat artsen seksuele gezondheidsaandoeningen regelmatig over het hoofd zien. Onder de vrouwelijke patiënten in de kliniek van Goldstein had bijna een op de vier bijvoorbeeld last van clitorisverklevingen. Die ontstaan wanneer het kapje van de clitoris aan de eikel kleeft en ze kunnen leiden tot irritatie, pijn en een afname in seksueel genot.

    De auteurs concludeerden dat alle zorgverleners routinematig de clitoris van hun patiënten zouden moeten onderzoeken. Maar, gaven ze daarbij al aan, dat is makkelijker gezegd dan gedaan: de meeste zorgverleners ‘weten niet hoe ze de clitoris moeten onderzoeken en voelen zich er ook niet bij op hun gemak’.

    Deze nalatigheid brengt niet alleen schade toe aan vrouwen, maar ook aan trans mannen en andere mensen met een vulva. Het komt vaker voor dat de clitoris letsel oploopt bij procedures zoals een bekkengaasoperatie, een episiotomie tijdens de bevalling [het inknippen van het perineum; de bilnaad tussen vulva en anus] of zelfs een heupoperatie. Schaamlipverkleining is een van de snelst groeiende cosmetische ingrepen ter wereld en kan, indien slecht uitgevoerd, ook tot zenuwschade leiden. Het gevolg daarvan is pijn in de genitaliën en verlies van seksueel gevoel.

    Veel van deze verwondingen kunnen volgens dr. Rubin worden voorkomen als artsen meer tijd zouden besteden aan de bestudering van de clitoris. Dat bepleitte ze in januari in een lezing over vrouwelijke seksuele gezondheid, tegenover een zaal met voornamelijk mannelijke artsen tijdens de jaarlijkse conventie van militaire urologen in Palm Springs, Californië. Ze was praktisch, geanimeerd en onverstoorbaar, en haar lezing werd uitgeroepen tot de beste van de conferentie.

    Rubin benadrukt dat de anatomie in kwestie geen magie is, maar doodgewone biologie. ‘De clitoris is niet een vreemdsoortig, haast mythisch gebied waarmee je alleen maar orgasmes kan krijgen,’ verklaart ze begin juli in haar kantoor in Rockville, Maryland. Omringd door penisprotheses, bekkenmodellen en een grote Hitachi-vibrator vervolgt ze: ‘Het is belangrijk dat je weet wat wat is en waar verschijnselen vandaan komen.’

    Jarenlange verwaarlozing

    Waarom kunnen we juist die vragen dan niet beantwoorden? Volgens Rubin is de verklaring eenvoudig: de clitoris is nauw verbonden met het vrouwelijk genot en orgasme. Tot voor kort hadden deze onderwerpen binnen de geneeskunde geen prioriteit en werden ze niet beschouwd als geschikt voor medisch onderzoek.

    Zelfs op het gebied van bijvoorbeeld de urologie, waarvan het seksueel genot en het orgasme van mannen een integraal onderdeel zijn, wordt de seksuele gezondheid van vrouwen nog altijd ‘gezien als hysterie, als de doos van Pandora, als puur en alleen psychosociaal en niet als echte geneeskunde’, aldus Rubin, die tevens educatief voorzitter van de International Society for the Study of Women’s Sexual Health is. ‘De seksuele gezondheid en levenskwaliteit van vrouwen krijgen weinig tot geen aandacht.’ (Viagra daarentegen is al tientallen jaren een van de meest winstgevende farmaceutische geneesmiddelen – zo heeft Pfizer er sinds het in 1998 op de markt kwam tientallen miljarden dollars aan verdiend.)

    Gynaecologie is bovenal gericht op vruchtbaarheid en ziektepreventie. ‘We kunnen niet goed praten over het genotsaspect van seks’, aldus dr. Frances Grimstad, gynaecoloog in het Boston Children’s Hospital. ‘Het gaat altijd over preventie, over het voorkomen van seksueel overdraagbare aandoeningen en zwangerschappen – tenzij je natuurlijk juist zwanger wilt worden. Maar over seksueel plezier hebben we het in ieder geval niet.’

    Dr. Helen O’Connell, de eerste vrouwelijke uroloog van Australië, weet nog goed dat de clitoris tijdens haar eigen medische opleiding nauwelijks aan bod kwam. Een van haar handboeken was een editie van Last’s Anatomy uit 1985, waarin geen dwarsdoorsnede van het vrouwelijke bekkengebied was opgenomen. Bepaalde delen van de vrouwelijke genitaliën stonden beschreven als ‘slecht ontwikkeld’, als een ‘mislukte vorm’ van het mannelijke geslacht. Aan de beschrijving van de penis daarentegen waren vele pagina’s gewijd. Volgens haar verklaart deze wijdverbreide medische veronachtzaming waarom urologen zich altijd al inspanden om de zenuwen in de penis te behouden bij prostaatoperaties, maar zich daar bij bekkenoperaties bij vrouwen niet mee bezig hielden.

    O’Connell besloot de volledige anatomie van de clitoris in kaart te brengen met behulp van microdissectie en MRI’s. In 2005 publiceerde ze een uitgebreid onderzoek waaruit bleek dat het buitenste deel van de clitoris – het gedeelte dat zicht- en tastbaar is – slechts het topje van de ijsberg is en vergelijkbaar is met de eikel van de penis. Het volledige orgaan strekt zich ver onder het oppervlak uit en bestaat uit twee druppelvormige bollen, twee armen en een schacht.

    Het volledige orgaan strekt zich ver onder het oppervlak uit en bestaat uit twee druppelvormige bollen, twee armen en een schacht

    O’Connell waarschuwde ervoor dat chirurgen die geen rekening houden met die anatomie, gevoelige zenuwen kunnen beschadigen die voor genot en orgasme zorgen en langs de top van de schacht lopen. Bij procedures zoals bekkengaasoperaties en urethrale operaties ‘kan het zijn dat delen van de clitoris in het gedrang komen’, aldus dr. O’Connell. ‘Je moet altijd rekening houden met wat eronder zit en wat je dus mogelijk aantast.’

    Steeds meer vrouwen spreken zich uit over vergelijkbare verwondingen die ze bij standaardprocedures opliepen. Zo ook Julie, een vierenveertigjarige kantoormanager in Essex, die in 2012 haar vermogen om een orgasme te krijgen kwijtraakte door een eenvoudige heupoperatie tegen rugpijn. Ze deelde haar verhaal vorig jaar publiekelijk in The Telegraph, waarbij ze alleen haar voornaam vermeldde om eventuele discriminatie door toekomstige werkgevers te voorkomen.

    Tijdens een Zoomgesprek in januari beschrijft Julie de hevig brandende pijn die ze rond haar clitoris voelde toen ze uit haar narcose ontwaakte. Haar chirurg zei dat het gewoon wat blauwe plekken waren die vanzelf zouden verdwijnen. Een paar maanden later merkte ze echter dat ze geen orgasme meer kon krijgen. Als ze het probeerde, ‘voelde het letterlijk alsof iemand de stekker uit het stopcontact had getrokken’, zei ze. ‘Alles was doodgeslagen.’

    Pas na twee jaar zoeken op het internet ontdekte ze dat een cilindervormige stang die tijdens de operatie tussen haar benen was geplaatst waarschijnlijk haar clitorale zenuwen had platgedrukt. Het gebruik van het apparaat, een zogenaamde perineale paal, kan zenuwschade veroorzaken, iets wat op haar toestemmingsformulier niet vermeld stond.

    Julie vergelijkt haar letsel met het verlies van smaak en reuk, waarvan het genot voor lief wordt genomen, maar waarvan het verlies alles verandert. ‘Het is nu tien jaar geleden en ik kan het nog steeds niet geloven,’ vertelt ze tijdens het Zoomgesprek. ‘Ik heb er ook nog geen vrede mee.’

    Gillian probeert er nog steeds achter te komen wat de oorzaak van haar verwonding is geweest. Was het de biopsie? Of de druk die haar gynaecoloog daarna zette? Vier jaar en twaalf specialisten later heeft ze zich erbij neergelegd dat ze het gevoel misschien nooit meer zal terugkrijgen. ‘Het heeft mijn hele leven veranderd,’ zegt ze. ‘De schade die dit veroorzaakt, kun je nooit meer herstellen. Nooit.’

    De clitoris in kaart brengen

    Toen dr. Blair Peters, een drieëndertigjarige plastisch chirurg aan de Oregon Health & Science University, voor het eerst phalloplastieken [een operatie waarbij een penis wordt gemaakt met weefsel van elders uit uw lichaam] begon uit te voeren voor trans mannen en non-binaire mensen, verbaasde hij zich over de zenuwen van de clitoris. Met een diameter van gemiddeld drie millimeter waren ze groter dan hij had verwacht. (Ter vergelijking, de gevoelszenuw van de wijsvinger is ongeveer een millimeter breed.)

    ‘Toen ik geneeskunde studeerde, heb ik niets concreets over de clitoris geleerd, afgezien van het feit dat die bestaat,’ vertelt Peters. Hij zegt dat hij er daardoor ‘onbewust van uitging dat de clitoris niet een superduidelijke structuur zou hebben. Maar die heeft dat wel.’

    Peters behoort tot een handjevol jonge, socialemedia-bewuste artsen die net als Rubin de clitoris in kaart brengen en er zo voor zorgen dat wat Julie en Gillian is overkomen zich niet herhaalt. Om de seksuele sensatie van phalloplastiekpatiënten te kunnen verbeteren, heeft Peters onlangs de clitorale zenuwen met een microscoop bestudeerd en geteld hoeveel zenuwvezels ze bevatten. Het aantal dat hij vond staat onder embargo totdat hij zijn bevindingen later deze maand op een conferentie presenteert. Wat hij wel al kwijt kan, is dat het ‘aanzienlijk meer’ is dan achtduizend, een aantal dat vaak wordt genoemd en stamt uit een verouderd onderzoek op dit gebied naar koeien.

    Ze hoopte dat andere mensen in het vakgebied vervolgonderzoek zouden doen naar haar bevindingen, die in een tijdschrift voor plastische chirurgie werden gepubliceerd. ‘Ik ben nog maar een vierdejaars student geneeskunde, ik denk niet dat ik de aangewezen persoon ben om dit project uit te voeren,’ zei ze eind 2021. ‘Maar er is niemand anders die het doet.’

    In 2020 had Victoria Gordon, student geneeskunde aan de Kansas City University of Medicine and Biosciences, de leiding over een onderzoek dat een ‘gevarenzone’ rond de clitoris moest vaststellen die plastisch chirurgen zouden moeten vermijden. Bij het ontleden van kadavers viel haar op dat clitorale zenuwen zich soms als wortels vertakken in fijne ranken. Die vertakkingen konden relevant zijn voor chirurgen, maar waren nog niet eerder in medische publicaties beschreven.

    Artsen zijn niet de enigen die willen dat er aandacht komt voor de volledige anatomie van de clitoris. In 2018, toen Gillian online naar een verklaring voor haar verwonding zocht, stuitte ze op een Medium-artikel van een vrouw in Dallas wier situatie akelig veel op de hare leek. Jessica Pin, nu zesendertig, was het grootste deel van haar clitorale gevoel kwijtgeraakt nadat ze op achttienjarige leeftijd labiaplastiek [schaamlipcorrectie] had ondergaan.

    Ze spitte de belangrijkste verloskundig-gynaecologische handboeken door en ontdekte dat de zenuwen van de clitoris zelden of nooit goed werden weergegeven. Volgens haar brengt deze belangrijke vergissing bij een aantal procedures de clitoris in gevaar. ‘De nalatigheid lijkt te wijten aan sociaal-cultureel ongemak rondom de clitoris en een diepgeworteld gebrek aan respect voor de vrouwelijke seksuele respons’, schreef ze op Medium.

    Gillian was geïntrigeerd. ‘Pin was de enige op het internet die er iets over zei,’ vertelt ze. Dus stuurde ze haar een Facebookbericht. Pin zette uiteindelijk een sociale-mediacampagne op. Het doel was om ervoor te zorgen dat de anatomie van de clitoris in gynaecologische handboeken en opleidingen zou worden opgenomen. Gillian hielp eerst op de achtergrond om Pin meer volgers te bezorgen en sloot zich vervolgens bij Pin aan op Instagram, met als gebruikersnaam @nursevulvaadvocate. Op het account kreeg ze honderden vragen van over de hele wereld van mensen die hun genitale gevoel hadden verloren door medische ingrepen aan of in de buurt van de clitoris.

    Gillian vertelt dat ze op iedereen probeerde te reageren maar ze kon niet het medische advies geven waar velen naar op zoek waren. Na zes maanden hief ze haar account op. Tegenwoordig spant ze zich op lokaal niveau in voor hun zaak: zo rijdt ze vaak naar dokterspraktijken om posters van de anatomie van de clitoris af te geven. In haar werk met oudere patiënten besteedt ze veel aandacht aan eventuele genitale problemen, van vulvaire jeuk tot pijn na een kankeroperatie.

    Pin zette door. In de afgelopen jaren zorgde ze er door lobbyen voor dat verschillende handboeken en anatomische hulpbronnen hun afbeeldingen van de clitoris en zenuwen hebben bijgewerkt. Met haar inspanningen haalde ze de voorpagina van Reddit, verwierf ze meer dan 160.000 volgers op TikTok en was ze te gast in The Daily Show with Trevor Noah. In 2019 publiceerde ze samen met haar vader, die plastisch chirurg is, een onderzoek over clitorale zenuwen.

    Maar haar strategie is niet onomstreden. Ze is verwikkeld in tal van socialemediageschillen en werd beschuldigd van intimidatie omwille van haar aanhoudende en soms ongepaste pogingen om gynaecologen en auteurs van anatomische handboeken te bereiken.

    Nu, na zich vijf jaar lang te hebben ingespannen, wil ze ‘klaar zijn’, zo zegt ze. ‘Het zou geweldig zijn als artsen de kwestie oppakken en erover gaan praten.’ Het feit dat een aantal medische professionals, waaronder dr. Rubin, dat hebben gedaan is ‘echt een grote stap’, voegt ze eraan toe.

    De vulva eer aandoen

    Elke patiënt die bij Rubin binnenkomt, krijgt, ongeacht haar leeftijd, een rondgang langs haar eigen vulva. Voor het bekkenonderzoek legt ze niet meer een laken over de benen van de patiënt heen – volgens Rubin draagt die gewoonte eraan bij dat de ‘privédelen’ van vrouwen als schaamtevol worden gezien en verborgen blijven. In plaats daarvan begint Rubin de sessie door aan haar patiënten een spiegel te overhandigen. Die heeft een lang handvat, zodat ze mee kunnen kijken naar hun eigen anatomie.

    Met een wattenstaafje tast Rubin elk deel van de vulva af. Ze controleert op pijn en wijst de kleine schaamlippen, de grote schaamlippen en de vaginale opening aan terwijl haar patiënt meekijkt. Daarna controleert ze de clitoris op verklevingen of andere huidaandoeningen. Het hele onderzoek duurt meestal minder dan vijf minuten. ‘U bepaalt het tempo,’ vertelde ze onlangs aan een tweeënzestigjarige patiënt die pijn had gekregen na het vrijen. ‘U bent de baas van deze show.’

    Rubin en haar collega’s geloven dat hun vakgebied bij uitstek geschikt is om de status van de clitoris en het vrouwelijke genot te bevorderen. Volgens dr. Barbara Chubak, uroloog aan de Icahn School of Medicine van het Mount Sinai-ziekenhuis in New York, zijn urologen echter ‘alleen maar bezig met de fallus’. Al is de clitoris technisch gezien ook een soort fallus: ze is opgebouwd uit dezelfde embryologische structuren en bestaat uit dezelfde erectiele weefsels als de penis.

    ‘Per definitie zou de anatomie van de clitoris dus ook een urologische aangelegenheid kunnen en moeten zijn,’ aldus Rubin [urologie omvat alle problemen aan de urinewegen en de mannelijke geslachtsorganen].

    Daarbij komt nog dat urologen er helemaal geen moeite mee hebben te oreren over dingen waarvoor zorgverleners te preuts zijn. ‘Urologie gaat over plassen en over seks,’ zegt Chubak. ‘Urologen praten graag over dingen die andere mensen te gênant vinden om te bespreken. Clitorale geneeskunde behoort de urologen toe.’

    Toch is er volgens Rubin meer nodig dan gepassioneerde ‘penisartsen’ om de vulva de aandacht te geven die ze verdient. Er moet een gezamenlijke beweging op gang komen, die de traditionele specialismen van de geneeskunde overstijgt, zodat de anatomie kan worden begrepen en in kaart gebracht. En om dat mogelijk te maken moeten andere vakgebieden erkennen dat vrouwelijk seksueel genot essentieel is en behouden moet worden.

    ‘Ik geloof echt dat we wat de vrouwelijke anatomie betreft decennia achterlopen,’ zegt Rubin. ‘Maar we moeten ons blijven inzetten. En daarvoor is het noodzakelijk dat mensen het onderwerp belangrijk genoeg vinden om zich ervoor in te zetten.’

  • Hoe Ben aan zijn penis kwam

    Hoe Ben aan zijn penis kwam

    Phalloplastie, de operatie om een penis te construeren, wordt steeds populairder bij trans mannen. Maar vanwege het hoge percentage complicaties, blijft het een controversiële procedure. Toch koos Ben Simpson voor de ingreep: ‘Alles was beter dan het alternatief.’

    Niets aan de verandering van Benjamin Simpson was onvermijdelijk, zeker niet zijn penis. Hij werd uiteindelijk een man, maar geeft grif toe dat hij op een andere plek of in een andere tijd wellicht een ongelukkige vrouw was geweest, of de plaatselijke zonderling, of iemand die zichzelf op vroege leeftijd van kant zou maken. Opgegroeid in een dorp buiten de Finger Lakes [in de staat New York], zo’n plek waar het telefoonbereik altijd slecht is, wist hij niet wat ‘transgender’ betekende. Als jong meisje ging hij ervan uit dat hij een man zou worden als hij groot was. Toen hij zich realiseerde dat dat niet zo was, liet hij dat idee los ging hij op zoek naar andere redenen om te verklaren waarom hij altijd het gevoel had dat iets niet klopte.

    Ten eerste droeg hij ’s zomers altijd wijde kleding. (Maar veel tienermeisjes zijn onzeker over hun lichaam.) Dan waren er de geruchten over zijn lesbische geaardheid op school. (Maar ook al viel Ben op meisjes, hij voelde zich helemaal niet lesbisch.) Om de roddels af te wenden, begon hij zich meisjesachtiger te kleden en had hij een paar keer seks met jongens. Zijn interesse in hun lichamen was eerder taxerend dan erotisch. Hij zocht online naar een Myspace-groep voor lesbiennes en merkte hij dat hij snakte naar een duidelijke identiteit. Waar in het plaatje van de wereld paste hij? Hij begreep zichzelf niet en probeerde een paar keer een eind aan zijn leven te maken. Kort daarna ging hij naar de universiteit van New York, op zoek naar zichzelf.

    Dat was in 2009. Op de universiteit noemde hij zichzelf een ‘queer lesbienne’, in een poging zijn aantrekking tot vrouwen te verenigen met zijn belangstelling voor mannenlichamen. Hij sloot zich aan bij een lhbt-groep en ontmoette mensen die leken te weten wie ze waren, die zichzelf betitelden als ‘genderfluïde’ en voornaamwoorden als ‘die’/‘hen’ gebruikten. Ben had niet het gevoel dat deze woorden op hem van toepassing waren, maar voor het eerst vond hij een gemeenschap en een taal die hem houvast boden. Het was even stressvol als opwindend. Hij ging uit in kleren die het complete genderspectrum besloegen, in uitdossingen die hij nu niet meer zou durven aantrekken. Hij voerde lange discussies over terminologie: wat was het verschil tussen een butch lesbienne en een transgender man? En wat was de reden om deze woorden überhaupt te gebruiken?

    Hij stond op van de bar en zei tegen zijn vrienden: ‘Ik ben trans! Ik moet ervandoor!’

    In de lente van 2015 ging Ben met twee vrienden borrelen in een barbecuerestaurant in Midtown. Ze deden het gebruikelijke: aan de bar hangen, seks en gender ontleden en de stukjes weer in elkaar zetten. Dat hadden ze al zo vaak gedaan, maar dit keer ging er een knopje om, en plotseling zag Ben in dat hij een man was. Hij stond op van de bar en zei tegen zijn vrienden: ‘[Krachtterm]! Ik ben trans! Ik moet ervandoor!’ Op straat trok hij zijn hakken uit en rende hij snikkend naar de metro, vijf blokken verderop. Die avond begon hij met het papierwerk van de transitie: hij stuurde zijn moeder een sms, veranderde zijn status op Facebook en maakte een afspraak bij de dokter om met testosteron te beginnen.

    Kort daarna stopte Ben met studeren en verhuisde hij met zijn neef naar North Carolina. Daar begon hij te leven als man. Hij werkte in een hotel, droeg een uniform en glimlachte tevreden als mensen uit het Zuiden hem ‘son’ [zoon] noemden. De zogenoemde wc-wet in de staat deed hem terugkeren naar zijn geboortestad; in North Carolina gaf geen van beide toiletten hem een veilig gevoel. Terug in de staat New York kon hij zich eindelijk ontspannen, ervan overtuigd dat hij niet zomaar een man was, maar het soort man dat op het platteland thuishoorde. De universiteit had zijn kennis over gender vergroot; nu kon hij die gaan trechteren. In 2017 onderging hij een ‘operatie van boven’, oftewel een genderbevestigende dubbele mastectomie. Voor zover hij wist, was zijn transitie daarmee voltooid. Zijn genderdysforie, de ontevredenheid over het geslacht waarmee hij was geboren, was beheersbaar. Hij voelde zich goed over zijn seksleven. En hoewel hij online had gelezen over ‘operaties van onderen’, leken die de risico’s niet te rechtvaardigen. Mensen vergeleken de resultaten met blikjes frisdrank, herinnert hij zich. ‘Ze zeiden dat ze niet functioneel waren. Je kon er niet uit plassen. Je voelde niks.’

    Openbaar toilet

    Zijn overwegingen veranderden later dat jaar, toen hij op een avond met een paar vrienden uitging in het lokale studentencafé. Het was er smerig. De eigenaar had de schotten tussen de wc’s verwijderd om te voorkomen dat mensen cocaïne zouden gebruiken. Een onbeschermd toilet naast een urinoir is voor een trans man geen ideale plek om te plassen, maar Ben durfde het aan – en moest heel nodig. Hij liep langs een man die het urinoir gebruikte en maakte snel zijn rits los om op de toiletpot te gaan zitten. De man bleef recht voor zich uitkijken, zoals de code van het herentoilet voorschrijft. Maar toen hij wegliep, zei hij tegen de wachtenden: ‘Het zal nog wel even duren. Die gast is net gaan zitten.’

    Het was niet bedoeld als een aansporing tot antitranspesterijen; de man dacht gewoon dat Ben zat te poepen. Maar terwijl Ben daar zat en deed alsof, stelde hij zich een veel vijandiger groep dronken mannen voor en hoe die zou reageren op de afwezigheid van een penis bij hem. Er kwamen steeds meer bathroom bills, wetten over gendergescheiden toiletten, en plassen op openbare toiletten zou de rest van zijn leven een risico vormen waarmee hij rekening moest houden. Hij was pas zesentwintig, vrij jong dus. Met zulke vooruitzichten leken de nadelen van een operatie ineens mee te vallen. Met een penis zou hij zich veilig voelen, ook al zou hij nog steeds op een toiletpot moeten gaan zitten. ‘Ik raakte ervan overtuigd dat elke complicatie die zich kon voordoen, inclusief doodgaan, beter was dan het alternatief,’ vertelt hij. Toen hij die avond thuiskwam, dronken, zocht hij op ‘FTM bottom surgery’ en las hij de hele nacht over phalloplastie. De week daarop vroeg hij een consult aan bij Rachel Bluebond-Langner van NYU Langone.

    Complex orgaan

    Phalloplastie, oftewel chirurgie om een penis te construeren, is een van de meest complexe medische ingrepen die er zijn. Technisch gezien verwijst het begrip naar slechts één stap in een lang proces, namelijk de constructie van een fallus met gebruikmaking van iemands eigen huid. De term wordt echter meer in het algemeen gebruikt om een reeks van modulaire operaties te beschrijven, die elk gericht zijn op een andere functie van de penis. De penis is een eigenaardig orgaan, met een schijnbaar willekeurige reeks taken die je als ontwerper niet direct zou combineren Een hart pompt bloed, een maag verteert voedsel. Maar een penis is er voor de voortplanting, om te urineren en voor plezier. Hij reageert op temperatuur, emotie en aanraking. Alles tezamen een complex samenstel van buisjes, weefsel en zenuwen op die vreemde open plek tussen de benen.

    Transgender mannen en non-binaire mensen, intersekse personen en cisgender mannen met penisletsel vormen de hoofdmoot van mensen die phalloplastie ondergaan. Onafhankelijk van de anatomie van de persoon zijn de operatietechnieken over het algemeen hetzelfde. Naast de initiële constructie van de schacht kan phalloplastie ook het verlengen van de urinebuis, het creëren van een scrotum, het definiëren van de eikel, het toevoegen van testikelprothesen of het inbrengen van een erectie-implantaat omvatten. Afhankelijk van de combinatie van ingrepen kan het een paar jaar duren om een penis te voltooien, waarbij vele chirurgische stadia en revisies nodig zijn. Wie deze operatie ondergaat, zal zijn leven jarenlang moeten organiseren rond artsenbezoek, verzekeringsperikelen, verlof van werk en postoperatieve zorg. Voor trans patiënten is het risico op complicaties hoog; volgens de chirurgen met wie ik sprak is dat ongeveer 70 procent. (Vanwege het geringe aantal patiënten en de onderlinge verschillen in de uitvoering van de operatie is empirische analyse lastig.) Desondanks zijn de cijfers over tevredenheid van de patiënten hoog. Volgens een onderzoek dat werd gepresenteerd op de Canadian Professional Association for Transgender Health Conference in 2012, waarin negenentwintig studies van genderbevestigende phalloplastie van 1980 tot 2012 werden geanalyseerd, gaat het zelfs om 97 procent. In een onderzoek uit 2021, gepubliceerd in The Journal of Sexual Medicine, waarin negenenzeventig patiënten werd gevraagd om op een schaal van zeven te antwoorden op de stelling ‘Ik voel me positief over mijn genitaliën‘, scoorden transgender mannen die tenminste één fase van phalloplastie hadden ondergaan, gelijk aan cisgender mannen.

    ‘Transgenderstatus’ valt nu onder de paraplu van sekse, waarmee het een beschermd burgerrecht is

    Phalloplastie voor trans mannen en non-binaire personen, in de geneeskunde bekend als genderbevestigende phalloplastie, bestaat in een of andere vorm al sinds zeker de jaren veertig, maar was tot voor kort zeldzaam in de Verenigde Staten, waar dekking door de verzekering onzeker was en maar weinig chirurgen tegemoetkwamen aan de behoeften van trans patiënten. Sommige trans mannen reisden naar België, Servië of Thailand, waar de zorg goedkoper en beter toegankelijk was. Degenen die in de Verenigde Staten werden geopereerd, betaalden vaak tienduizenden dollars, waardoor zij waren gedwongen te kiezen tussen een penis en een huis – als zij al welgesteld genoeg waren om die keuze überhaupt te maken. Zelfs toen hormonenbehandelingen en transgenderoperaties steeds gangbaarder werden, bleef een penis een onwaarschijnlijk vooruitzicht, hoe graag iemand er ook een wilde.

    Inmiddels zijn zowel de toegankelijkheid van de operatie als de opvattingen erover aan het veranderen, dankzij verbeterde voorlichting aan gelijkgezinden, vooruitgang van chirurgische technieken en, zeer belangrijk, de Affordable Care Act. Die verbiedt dat gezondheidsprogramma’s met overheidsfinanciering discrimineren op basis van enkele vooraf bepaalde criteria, waaroner sekse. Toen de wet in 2010 werd aangenomen, was niet meteen duidelijk of de bepaling over non-discriminatie ook zou opgaan voor gezondheidszorg aan transgenders. De wet beschermde weliswaar sekse, maar sprak niet specifiek over transgenders, wat leidde tot een tien jaar durend juridisch geschil over de vraag of het een het ander impliceerde. De kwestie raakte aan enkele van de meest omstreden aspecten van de Amerikaanse burgerrechten, inclusief de vrijheid van religieuze organisaties die overheidsfinanciering ontvangen.

    Met het Bostock v. Clayton County-arrest van het Hooggerechtshof uit 2020 is er een einde gekomen aan de onduidelijkheid, althans voorlopig. ‘Transgenderstatus’ valt nu onder de paraplu van sekse, waarmee het een beschermd burgerrecht is en dekking op grond van de Affordable Care Act verplicht is. Volgens de lhbt-organisatie Movement Advancement Project, dekken Medicaid-programma’s in 24 staten momenteel expliciet zorg die is gerelateerd aan transitie. Veel bedrijven, McDonald’s, Starbucks, Amazon en anderen, zijn begonnen met het aanbieden van verzekeringen die dit voorbeeld volgen. Dit betekent een grote omslag, die phalloplastie voor meer trans Amerikanen dan ooit binnen bereik brengt. Zonder verzekering zou een phalloplastietraject de patiënt al met al tot 200.000 dollar [ca. 193.000 euro] kunnen kosten.

    Alle phalloplastieprogramma’s hadden wachtlijsten van meer dan een jaar

    Volgens de meest recente prepandemische gegevens van de American Society of Plastic Surgeons hebben in 2019 ongeveer elfhonderd mensen in de Verenigde Staten genderbevestigende phalloplastie ondergaan. Dat aantal is waarschijnlijk aan de lage kant, gezien de modulaire aard van de procedure en inconsistente gegevensrapportage. Chirurgen van alle vier de programma’s waarmee ik sprak, bevestigden dat het aantal phalloplastieoperaties toeneemt. Ze hadden het allemaal over wachtlijsten van meer dan een jaar. Deze toename heeft een razende cyclus in gang gezet: betere toegang, nieuwe technieken en meer artsen, maar ook een toevloed van minder ervaren artsen en dringende oproepen tot betere analyse van de resultaten om het percentage complicaties omlaag te brengen. Dit alles speelt zich af binnen een bredere maatschappelijke en culturele context, waarin Amerika, op grotere schaal dan ooit tevoren, in het reine probeert te komen met de definitie van wat een man en wat een vrouw is. Binnen die context neemt phalloplastie een onmogelijke positie in, aangezien de ingreep zowel de aanpasbaarheid van sekse lijkt te bevestigen als de essentialistische bewering dat de penis de man maakt.

    ‘Knakworstje’

    In de zes maanden voor zijn phalloconsult stak Ben veel tijd in onderzoek. Aanvankelijk waren zijn verwachtingen laag; hij had genoegen genomen met een ‘knakworstje’, zegt hij, zolang hij maar in alle rust naar het toilet kon. Hij bestudeerde online foto’s van resultaten na de ingreep en leerde over de verschillende technieken en de voor- en nadelen. Hoewel phalloplastie nog geen penis oplevert die identiek is aan de penis waarmee de meeste mannen worden geboren, maakt de ingreep wel veel van de gebruikelijke activiteiten mogelijk: staand plassen, penetrerende seks, orgasme (zonder ejaculatie), en ook zorgeloos omkleden in een kleedkamer. Deze vooruitzichten overtroffen Bens aanvankelijke verwachtingen ruimschoots. Veel resultaten vond hij er niet alleen prima uitzien, maar ronduit geweldig. Toch durfde hij niet al te optimistisch te zijn. Hij had behoefte aan zo veel mogelijk openhartigheid, data en foto’s van helende wonden. In de reguliere trans bronnen vond hij daar maar heel weinig over. Zijn zoektocht leidde hem naar een netwerk van privégroepen op Facebook, die bij de meeste mensen bekendstaan als ‘de phallogroepen’.

    Deze phallogroepen houden het midden tussen een virtuele steungroep, een informele medische cursus en misschien wel ’s werelds eerste broederorde die openlijk verkondigt wat anderen onuitgesproken laten. Mensen uit schijnbaar elke klasse, elk deel van het land en van elke religie verenigen zich hier om hun gedeelde interesse in de penis te bespreken. De grootste groep werd opgericht in januari 2015, toen na de Affordable Care Act de phalloplastie op stoom kwam. De groep telt nu meer dan 17.000 leden, die zich in elke fase van het chirurgische traject bevinden, van postoperatief tot eerste verkenning. Wijsheid wordt hier van generatie op generatie doorgegeven met een openhartigheid die de geneeskunde niet kan bieden.

    Nieuwkomers in de phallogroepen komen vaak met een versie van de vraag: ‘Naar welke chirurg moet ik voor de beste penis?’ Een bestaand lid zal dan voorzichtig informeren: ‘Wat bedoel je met de “beste penis”?’ In de Verenigde Staten zijn er twee gangbare typen phalloplastie: de radiale onderarmflap (of R.F.F., waarbij de onderarm wordt gebruikt als donorlocatie voor de huid) en de anterolaterale dijflap (of ALT, waarbij de dij wordt gebruikt). De schacht die deze ‘flappen’ vormen kunnen worden gecombineerd met andere procedures die moeten leiden tot de vier belangrijke postoperatieve prioriteiten: staand plassen, esthetiek, de erectiefunctie en gevoel. De meeste chirurgen vragen de patiënt in het begin om deze prioriteiten te rangschikken. Het is weliswaar mogelijk om ze alle vier in één keer te realiseren, maar gezien het hoge percentage aan complicaties is niets te garanderen.

    Op Transbucket, een site voor het delen van foto’s, staan duizenden door gebruikers ingezonden foto’s van na de operatie

    In de phallogroepen worden leden doorverwezen naar bronnen die kunnen helpen bij het kiezen van de ideale penis. Op de informatiesite phallo.net zijn gidsen te vinden die verschillende combinaties van procedures en de drie verschillende soorten erectie-implantaten vergelijken. Op Transbucket, een site voor het delen van foto’s, staan duizenden door gebruikers ingezonden foto’s van na de operatie: van voren, van opzij; met testikels; zonder testikels; bij dikke mannen, bij dunne mannen, bij lange mannen, bij korte mannen, bij middelgrote non-binaire mensen. Je keuze is niet alleen bepalend voor de penis zelf, maar ook voor hoe je leven er gedurende een aantal jaar uit zal zien wat betreft financiën, werk, vrijheid om te reizen en de tijd die het kost om van de operatie te herstellen.

    Zodra de groepsleden een idee hebben van wat ze willen, zijn de eerstvolgende vragen vaak geografisch van aard: wie kent een goede chirurg in Ohio? In de buurt van Albuquerque? In het noordoosten van Indiana? Is er iemand naar Curtis Crane in Austin geweest? Naar Mang Chen in San Francisco? Loren Schechter in Chicago? Een operatie dicht bij huis is handiger en garandeert betere begeleiding tijdens het genezingsproces. Toch moeten veel patiënten staatsgrenzen oversteken voor competente zorg. Dat betekent herstellen in een hotel; een groot ongemak tegen aanzienlijke kosten. Om de kosten te drukken, bieden de groepen hulp bij het maximaal benutten van allerlei geheimzinnige construties, uiteenlopend van hotelkortingen tot creditcardpunten en schadeverzekeringen van ziekenhuizen. Een dergelijke beheersing van kapitalistische onderwerpen is nogal onverwacht voor een groep die vaak als sociaal afwijkend wordt afgeschilderd.

    ‘Er zijn patiënten die er eerlijk gezegd meer van weten dan ik,‘  zegt Jens Berli, een chirurg die gespecialiseerd is in phalloplastie aan de Oregon Health & Science University. ‘Ze zijn op de hoogte van wat andere chirurgen doen, komen binnen en zeggen: “Zeg, doe jij ook XYZ-scrotoplastie?” Als je niet alle variaties kent, ben jij als chirurg misschien wel degene met een probleem.’

    Huid van onderarm of dij?

    Als voorbereiding op zijn consult met Rachel Bluebond-Langner en Lee Zhao, respectievelijk reconstructief uroloog en mededirecteur van het Langone transgender-chirurgieprogramma van de New York University (NYU), onderzocht Ben de verschillen tussen ALT en R.F.F. De huid van de dij is langer en bevat meestal meer vet, waardoor de penis groter kan worden gemaakt. De huid van de onderarm is daarentegen korter en magerder. Het litteken dat wordt achtergelaten is zichtbaarder. Wat complicaties betreft zijn de percentages van beide procedures vergelijkbaar. Het hoofddoel van Ben was om staand te kunnen plassen. Hij besloot dat zijn volgende doelen penetrerende seks en esthetiek waren, deels omdat hij in een uitgaanscircuit terecht zou komen waarin hij voor veel vrouwen waarschijnlijk de eerste trans man zou zijn. Met zijn 1 meter 48 en 44 kilo, wist hij dat hij nogal een achterstand had. ‘Vrouwen houden niet van kleine mannen,’ zegt hij. ‘Ik moest mezelf alles gunnen om de concurrentie aan te kunnen.‘ Omdat hij zo mager was, leek ALT hem wel wat. ‘Met R.F.F. zou ik absoluut een heel dunne penis krijgen.’

    Bluebond-Langner en Zhao waren het met Ben eens dat ALT de juiste keuze was, vooral omdat Bens penis dik genoeg moest zijn om de urinebuis te kunnen verlengen. Tijdens zijn eerste consult, in maart 2018, hadden ze uitgelegd hoe ze zijn operatie in drie fasen zouden opsplitsen: een voor de creatie van de fallus, en twee voor de constructie van de neo-urethra. Inclusief een toegevoegde vierde fase voor zijn erectie-implantaat, zouden de operaties twee tot drie jaar kunnen duren, nog los van eventuele complicaties die zich zouden voordoen.

    Bluebond-Langner schat dat ongeveer 35 procent van de patiënten in haar praktijk complicaties heeft. Sommige komen vaak voor en zijn uiteindelijk beheersbaar: nadruppelen tijdens het plassen, verstopping of lekkage van de nieuwe urinebuis, verkeerde plaatsing of vervorming van het erectiehulpmiddel. Andere complicaties zijn zeldzamer en ernstiger, zoals rectaal letsel bij vaginectomie [het verwijderen van de vagina] of necrose, afsterving van het weefsel. (Dit laatste maakte Bluebond-Langner één keer mee tijdens haar carrière.) Ben kende veel verhalen uit de phallogroepen: over ondraaglijke complicaties maar ook over kleine, maar aanhoudend vervelende tegenslagen. Hij aanvaardde de risico’s. Twee weken later plande hij per telefoon zijn fase 1-operatie in voor mei 2019; meer dan een jaar later.

    Omstreden specialisme

    De openheid van Rachel Bluebond-Langner (44) in combinatie met haar beroep maakt haar de perfecte persoon om naast te zitten op een feestje. Toen ze opgroeide in Philadelphia bracht ze veel tijd door in ziekenhuizen, in het voetspoor van haar moeder, Myra Bluebond-Langner, een antropoloog die terminaal zieke kinderen onderzocht. De jongere Bluebond-Langner wilde misschien kinderlongarts worden om deze kinderen te helpen. Maar toen ze aan de medische faculteit van Johns Hopkins ging studeren, merkte ze al snel dat haar professionele interesse elders lag. Eerst bij laparoscopische nierchirurgie en daarna bij plastische chirurgie. De binnenkant van het lichaam was weliswaar intrigerend, maar niet sociaal. Plastische chirurgie stelde zowel functie als vorm voorop.

    Haar mentor werd Eduardo Rodriguez, een reconstructieve craniofaciale chirurg die later de eerste aangezichtstransplantatie ter wereld zou uitvoeren. Rodriguez deed op dat moment onderzoek naar gezichtsbeschadiging. Om Bluebond-Langner te helpen haar interessegebied te verfijnen, raadde hij haar het boek Facial Feminization Surgery van Douglas Ousterhout aan. Dit boek uit 2010 is een praktische gids voor trans vrouwen die een chirurgische ingreep willen ondergaan, en gaat in op welke kenmerken een gezicht vrouwelijk of mannelijk doen overkomen, bijvoorbeeld de haarlijn. Bluebond-Langner had nog nooit een trans persoon ontmoet, maar ze voelde zich aangetrokken tot genderbevestigende chirurgie waarin verschillende disciplines zoals plastische chirurgie, urologie en gynaecologie worden gecombineerd om zoiets ongrijpbaars als dysforie te helpen verlichten.

    In 2010 bestond er nog geen formele route naar genderbevestigende chirurgie. Hoewel de basisprincipes van plastische chirurgie – naaien, transplanteren, weefselexpansie, flappen – bij de meeste genderbevestigende ingrepen worden gebruikt, was het erg moeilijk om gerichte instructies te vinden voor ingrepen als het vervrouwelijken van het gezicht of het vermannelijken van de borst, laat staan om te leren hoe je een bevolkingsgroep van dienst kunt zijn die een gespannen relatie met de geneeskunde onderhoudt. De meeste genderchirurgen uit die tijd hadden eerst een formele opleiding plastische chirurgie gevolgd en waren daarna bij een genderchirurg in de leer gegaan of volgden aanvullende opleidingen in andere specialismen om technieken op te doen die nuttig waren voor het gekozen specialisme. Het werk was omstreden. Sommige chirurgen hadden aparte websites: een voor hun gewone praktijk en een voor hun transgender clientèle.

    Oudere chirurgen waarschuwden haar: ‘Pas op waarmee je bekend wordt‘

    Toen Bluebond-Langner begon, waarschuwden oudere chirurgen haar: ‘Pas op waarmee je bekend wordt.‘ Ze trok zich er niets van aan en begon met het samenstellen van de opleiding die ze nodig had: vaginoplastie, phalloplastie en metoidioplastie – een minder ingrijpende operatie waarbij een kleinere penis wordt geconstrueerd met alleen het aangeboren weefsel van de clitoris. Ze kwam overal terecht: in Thailand en Canada om vaginoplastie te bestuderen en in Mexico-Stad om microchirurgie te leren, de techniek die het overzetten van stukken huid vergemakkelijkt door zenuwen en bloedvaten op microscopische schaal met elkaar te verbinden. Ze begon complexe urogenitale operaties uit te voeren, waaronder phalloplastie voor micropenis en trauma. Aan de Universiteit van Maryland voerde ze in 2016 haar eerste gender bevestigende phalloplastiek uit. De operatie was, voor zover zij weet, een succes. (Zij en de patiënt verloren elkaar na twee jaar uit het oog.) Een paar jaar daarvoor was Rodriguez naar NYU Langone verhuisd waar hij voorzitter werd van de afdeling plastische chirurgie. Uiteindelijk vroeg hij Bluebond-Langner om een programma op te zetten voor transgenderchirurgie.

    Het transgenderchirurgieprogramma van NYU heeft een eigen suite op de zesde verdieping van een glazen kantoorgebouw in Manhattan. Ik was er in maart 2021 voor het eerst op bezoek. Toen ik uit de lift stapte, viel me meteen op hoe luxe alles was. In de wachtkamer stonden koffieautomaten van Keurig, orchideeën en iPads met futuristische handpalmscanners. Ver verwijderd van het oertijdperk met geheime aparte websites, waren hier de namen van weldoeners op de muur aangebracht. Een transgenderjournalist zou er, zittend op de jarenvijftigbank, de lederen ligstoel, of de verchroomde fauteuil, een wat cynisch gevoel bij kunnen krijgen. Trans mensen in Amerika bevinden zich in een complexe spagaat met het medische establishment. Aan de ene kant is er de roep om uitbreiding en verbetering van zorg die in het verleden werd geweigerd; aan de andere kant weten de meesten van ons dat onze lichamen goed geld op kunnen leveren. ‘We zijn in loondienst,’ zegt Bluebond-Langner daarover, om aan te geven dat ze niet meer geld krijgt als er meer patiënten zijn. ‘Maar ze stimuleren ons wel een beetje. We krijgen meer middelen.’

    Bluebond-Langner is goedlachs, direct en lijkt immuun voor het godcomplex waar veel dokters aan lijden. Toen ze in 2017 naar NYU kwam om met het programma te beginnen, had ze slechts twee collega’s: Zhao en Jamie Levine, een microchirurg. In de loop der jaren is het team gegroeid en het bestaat nu uit een administratieve staf, een onderzoeksafdeling, een fysiotherapeut, twee maatschappelijk werkers en twee verpleegkundigen. Meer dan de helft van het team identificeert zich als trans, waaronder twee chirurgen in opleiding, waarvan Bluebond-Langner hoopt dat ze ooit haarzelf en Zhao zullen opvolgen.

    Gemarginaliseerde patiënten

    Medische transitie brengt vele verschillende stappen met zich mee. Om goedgekeurd te worden voor phalloplastie, moeten kandidaten verwijzingen hebben van twee afzonderlijke zorgverleners in de geestelijke gezondheid. Op de donorplaats van de huidflap moet het haar met laser worden verwijderd. Er is steun nodig tijdens herhaaldelijke periodes van genezing, die vaak gepaard gaan met immobiliteit. ‘Helaas zijn veel van onze patiënten gemarginaliseerd,’ zegt Bluebond-Langner. Ze kunnen lang niet altijd op hun werkgever of familie rekenen. Daarom is haar zorgteam van groot belang voor een goed chirurgisch resultaat. Hoewel de rechten van transseksuelen op papier zijn verbeterd, hebben veel van haar patiënten nog steeds te maken met problemen als armoede, onzekere huisvesting en sociale uitsluiting, die het herstel bemoeilijken. ‘Als het al moeilijk is om werk te vinden omdat je trans bent, dan zal een operatie dat niet makkelijker maken.’

    Op weg naar Bluebond-Langners privékantoor passeren we mensen die in de hal heen en weer liepen in trainingsjacks van NYU Gender Surgery. (Het logo van het programma is een bedeesd vijgenblad.) Binnen hangt boven een consulttafel een gesigneerde poster van actrice Dominique Jackson uit de televisieserie Pose. Op een boekenplank liggen oude nummers van Plastic and Reconstructive Surgery naast een stapel koffietafelboeken: De Vagina BijbelDe Grote Muur van de VaginaViering van Vulva Diversiteit

    Tegenover één penis doet Bluebond-Langner drie vagina’s. Soms doet ze drie vagina’s op een dag; een penis vergt minstens twee operaties, maar vaak vier of meer. ‘De vraag naar vaginoplastie is veel groter,’ zegt ze. ‘Het is een reductieve procedure die na één operatie klaar is en de risico’s zijn kleiner.’

    ‘Je kunt eikelplastie doen, geen eikelplastie. Scrotoplastie, geen scrotoplastie. Je kunt echt alles combineren om je doel te bereiken’

    Het NYU-programma heeft tot nu toe iets meer dan honderdvijftig phalloplasties uitgevoerd. Bij het eerste chirurgische consult probeert Bluebond-Langner te begrijpen wat voor soort seks de patiënt graag heeft, om beter te kunnen adviseren welke combinatie van procedures de kwaliteit van leven het meest zou kunnen verbeteren met een minimaal risico op complicaties. In de periode tussen ongeveer 1960 en 1980, de begindagen van de geformaliseerde transgendergeneeskunde in de Verenigde Staten, was phalloplastie zeldzaam en vrijwel uniform. Het doel was de geïdealiseerde vorm en functie van een zogenaamde standaard-Amerikaanse penis te repliceren. Hoewel veel patiënten dit doel nog steeds voor ogen hebben, stappen Bluebond-Langner zelf en de geneeskunde in het algemeen steeds meer af van dit streven als objectieve maatstaf voor chirurgisch succes.

    Transgenderchirurgie wordt aangeduid als behandeling voor genderdysforie, onvrede met het geslacht waarmee je geboren bent. Het gaat er dus niet om niet cisgender te zijn. Er zijn gedeeltelijke ingrepen die het gewenste doel kunnen bewerkstelligen en tegelijkertijd het risico minimaliseren. Een patiënt kan er bijvoorbeeld voor kiezen om staand te urineren, terwijl hij geen praktisch nut ziet voor een erectie-implantaat. Een andere patiënt ervaart dysforie misschien voornamelijk visueel, maar heeft toch graag vaginale geslachtsgemeenschap; phalloplastie zonder vaginectomie kan daarin voorzien. ‘Je kunt eikelplastie doen, geen eikelplastie. Scrotoplastie, geen scrotoplastie. Je kunt echt alles combineren om je doel te bereiken,’ vertelt Bluebond-Langner.

    Ondanks de verbeteringen in de patiëntgerichte zorg, heeft phalloplastie nog een lange weg te gaan. Zelfs nu de frequentie van de operaties toeneemt, is de patiëntenpopulatie nog niet groot genoeg om empirisch vast te stellen hoe het aantal complicaties kan worden verminderd of wat tot tevredenheid in de loop van een leven zou kunnen leiden. De phalloplastiepatiënten van Bluebond-Langner zijn over het algemeen jong, ruwweg tussen de achttien en tweeëndertig. Erectie-implantaten die zijn goedgekeurd door de FDA, het Amerikaanse equivalent van EMA, zijn ontworpen voor het lichaam van cisgender mannen. Het enige trans-specifieke implantaat dat in de VS bestaat is nog niet goedgekeurd. Maar al was het dat wel, dan nog bestond er geen standaardmethode om vast te stellen wat een goed chirurgisch resultaat oplevert. Omdat artsen verschillende technieken gebruiken, zijn gevallen zelden onderling vergelijkbaar.

    ‘De operatie moet verbeterd worden,’ zegt Bluebond-Langner. ‘Het is nog een onvolmaakte operatie.’ De risico’s zijn in dit geval alleen gerechtvaardigd vanwege de overweldigende impact op de kwaliteit van leven. ‘Mensen wegen de voor- en nadelen af,’ zegt ze. ‘Maar dit percentage complicaties zouden we bij andere ingrepen niet per se accepteren.’

    Verjongingsmethode

    De belangrijkste specialismen van de genderbevestigende zorg – endocrinologie en plastische chirurgie – ontstonden aan het begin van de twintigste eeuw. En dan niet als middel om het geslacht te veranderen, maar eerder als hulpmiddelen om het te herwaarderen. Eugen Steinachs experimenten met hormonen, uitgevoerd op knaagdieren in de jaren 1910, leidden tot de Steinach-verjongingsmethode, een twintig minuten durende gedeeltelijke vasectomie die, beweerde hij, oude, afgeleefde mannen veranderde in ‘energieke mannen die zonder bril konden, zich twee keer per dag moesten scheren, gewichten van honderd kilo konden verslepen en zich zelfs overgaven aan jeugdige dwaasheden zoals het kopen van land in Florida‘. Zowel W.B. Yeats als Sigmund Freud werden ‘ge-Steinached’.

    De basistechnieken van plastische chirurgie gaan al meer dan twee millennia terug, maar de discipline werd pas in de loop van de Eerste Wereldoorlog volwassen, als een manier om de lichamen van slachtoffers van explosies zodanig te herstellen dat ze weer als man en echtgenoot konden terugkeren uit de strijd. Harold Gillies, een Britse plastisch chirurg van het eerste uur, populariseerde de buisvormige pedikel, een techniek om weefsel te verplaatsen door een huidflap tot een buis te vormen en deze door regelmatig te snijden en weer aan te hechten naar de plek van het letsel te verplaatsen. ‘Misvormingen’, schreef Gillies in 1920 in zijn boek Plastic Surgery of the Face, ‘zijn niet alleen een voortdurende bron van leed en angst, maar verlagen ook de marktwaarde van het individu.’ In 1939 deed het Britse ministerie van Volksgezondheid, dat massale misvormingen na de Tweede Wereldoorlog voorzag, een beroep op Gillies om Rooksdown House op te richten, een ziekenhuis voor plastische chirurgie. Daar kwam hij in aanraking met Lawrence Michael Dillon, de man bij wie hij uiteindelijk de eerste genderbevestigende phalloplastie ter wereld uitvoerde.

    ‘Hoe anders was het leven nu! Ik kon iedereen voorbijlopen zonder bang te hoeven zijn voor commentaar’

    Dillon werd in 1915 als meisje geboren en opgevoed door twee knorrige tantes op een vervallen landgoed in de buurt van Dover. Op St. Anne’s, een vrouwencollege in Oxford, bracht hij het grootste deel van zijn tijd door in het roeiteam en droeg hij zijn haar in de zogenoemde Eton crop: een kort, sluik kapsel, populair bij lesbiennes op de campus. Hoewel Dillon op meisjes viel, beschouwde hij zichzelf niet als lesbisch; hij droomde ervan naar een smederij te worden gebracht om daar op een of andere manier omgesmolten te worden tot een man. Rond het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ging hij naar een arts die gespecialiseerd was in sekse. Die schreef hem tabletten met testosteron voor; een paar jaar later onderging hij een borstamputatie. De chirurg stelde voor dat hij Gillies zou opzoeken voor een penis.

    Gillies, in Rooksdown, had het nogal druk vanwege de oorlog, maar zei Dillon terug te komen als die voorbij was. Zo geschiedde en in 1945 begon hij aan een serie van dertien dan wel zeventien operaties; de gegevens van Gillies en Dillon verschillen hierover. Dillons penis werd geconstrueerd volgens Gillies’ tubed-pedicle-methode, waarbij hij een stuk huid optilde, tot een fallus vormde en liet genezen terwijl het aan beide uiteinden aan de huid vastzat, aan de buik bungelend als het handvat van een koffer. Terwijl hij nog genezende was, rondde Dillon een medische opleiding af. Enige tijd nadat de pedikel zijn beoogde bestemming had bereikt, stopte hij met geneeskunde, bezocht hij een aantal boeddhistische kloosters in India, veranderde hij zijn naam in Jivaka en maakte hij zich klaar voor het schrijven van zijn autobiografie. Over de voltooide penis schreef hij alleen: ‘Hoe anders was het leven nu! Ik kon iedereen voorbijlopen zonder bang te hoeven zijn voor commentaar, want niemand keek me raar aan.’ Ook Gillies was blij met de operatie. Hij documenteerde deze, met aanzienlijke redactionele vrijheid, in The Principles and Art of Plastic Surgery, zijn leerboek uit 1957: ‘Voorzien van het nieuwe orgaan werd het leven van de patiënt een sociaal succes; hij is een actieve en succesvolle zakenman geworden en wil graag alles laten doen wat het voor hem verantwoord maakt om te trouwen.’

    Psychologisch onderzoek

    Dillon/Jivaka trouwde niet, maar het spookbeeld van huwelijk en sociaal succes zou een belangrijke rol gaan spelen in de manier waarop in het komende decennia met genderbevestigende medische zorg werd omgegaan. De formele transgendergeneeskunde ontstond in de Verenigde Staten tussen ongeveer 1960 en 1980, met de komst van universitaire ‘klinieken voor genderidentiteit’. Uit naam van de medische vooruitgang namen deze klinieken mensen aan die van geslacht wilden veranderen. In ruil voor een kans op het krijgen van hormonen en chirurgie, werden zij onderworpen aan jarenlang psychologisch onderzoek. Toegang was voorbehouden aan patiënten met de meeste kans om in het leven te slagen als werkende heteroseksuele man of vrouw. De kandidaten waren bijna altijd wit. ‘De belangrijkste maatstaf was: Kun je opgaan in een menigte?’ zegt Jules Gill-Peterson, universitair hoofddocent geschiedenis aan Johns Hopkins en auteur van Histories of the Transgender Child. ‘De geneeskunde was er niet zozeer op uit om trans mensen gelukkig te maken, maar om ze inschikkelijk te maken.’

    Een phalloplastie kostte in de jaren tachtig in de VS meer dan het jaarsalaris van de meeste mensen

    In de klinieken voor genderidentiteit kregen trans vrouwen meestal hormonen, borstvergroting en vaginoplastiek voorgeschreven. Voor trans mannen waren testosteron en mastectomie gebruikelijk, maar genitale operaties zeldzaam, deels omdat de phalloplastie nog maar minimaal was geëvolueerd na Gillies’ buisvormige pedikel uit de jaren 1940. In Construction of Male Genitalia, een artikel uit 1978, schreven onderzoekers van de genderkliniek van Stanford: ‘Bij de vrouw-naar-man transseksueel is het doel van het chirurgisch programma het construeren van een penis en alle uitwendige mannelijke geslachtsorganen, inclusief het scrotum, met implantatie van teelbalprothesen.‘ Op grond van deze maatstaf en vaak ook volgens de maatstaven van de patiënten zelf, konden de penissen in het midden van de vorige eeuw nauwelijks een succes worden genoemd. Staand urineren was zelden mogelijk, seksuele gevoelens werden als een bijkomstigheid beschouwd. Voor degenen die toch zo’n penis wilden, waren de hindernissen vrijwel onoverkomelijk. In het tijdperk van de genderklinieken was de zorg gratis, maar alleen voor modelpatiënten. Met het verdwijnen van de klinieken belandde deze vorm van chirurgie op de vrije markt, maar alleen voor degenen die over voldoende geld en tijd beschikten om zich door de bureaucratie heen te worstelen. Een phalloplastie kostte in die tijd in de VS meer dan het jaarsalaris van de meeste mensen.

    Toch begon de procedure in de jaren tachtig dankzij de geleidelijke vooruitgang van de microchirurgie te verbeteren. De techniek om bloedvaten op microscopische schaal met elkaar te verbinden, opende de deur voor phalloplastie met een lager verliespercentage en een grotere kans op seksuele sensatie en gevoel. Tegelijkertijd begonnen trans mannen met elkaar te communiceren via een klein maar stevig netwerk van nieuwsbrieven, zoals FTM Nieuwsbrief en Twenty Minutes, waarin de medische vooruitgang hoopvol werd besproken. Die vooruitgang verliep echter traag en vaak teleurstellend. De microchirurgische techniek zou pas echt tot wasdom komen in de periode na 1998, toen op grond van de Women’s Health and Cancer Rights Act verzekeringsdekking verplicht werd voor borstreconstructies na mastectomie. Door de enorme toename van borstoperaties waarbij gebruik werd gemaakt van eigen weefsel, die je op zich al zou kunnen zien als een vorm van genderbevestigende zorg, verbeterde de microchirurgie en kon de moderne phalloplastie ontstaan.

    Fallische angst

    Toen Ben zich voorbereidde op de eerste fase van zijn operatie, stelde hij alleen familie en goede vrienden op de hoogte. Hij wist dat de acceptatie door sommigen af zou hangen van hoe soepel elke stap zou verlopen, en hij was zich er scherp bewust dat hij zijn wensen moest rechtvaardigen. Want hoewel een penis tegenwoordig chirurgisch kan worden geconstrueerd, is er nog geen oplossing voor millennia van fallische angst; de verwarrende connectie tussen penissen en mannelijkheid; het veronderstelde inherent in de penis aanwezige geweld; het gevoel dat de vagina de ontbrekende tegenpool is; de feministische roep om te stoppen met genderessentialisme – het toeschrijven van vaste, intrinsieke, aangeboren kwaliteiten aan vrouwen en mannen. Zelfs onder trans mannen wordt het verlangen naar phalloplastie zeer kritisch bekeken. Het is makkelijk om een abstract en verheven recht op genderzelfbeschikking aan te hangen, maar vechten voor de penis is zoiets als fan zijn van de Yankees.

    ‘Als ik nadacht over complicaties, was er in mijn gedachten altijd wel iemand die tegen me zei: “Zie je wel? Dit is nou waarom je niet tegen de natuur in moet gaan,”’ zegt Ben. ‘Ik wilde nooit “Zie je nou wel” te horen krijgen.’

    ‘Douchen was GEWELDIG!!!‘, schreef hij op Facebook. ‘Ik heb mijn pik een paar keer vastgehouden’

    Op de dag van de operatie ontwaakte Ben in een hotel, waarna hij zich meldde bij het ziekenhuis. Hij kleedde zich om in een ochtendjas en keek naar het Cartoon Network. Hij had het gevoel dat hij eeuwig moest wachten. Om half een ’s middags kon hij naar de operatiekamer, waar hij onder narcose werd gebracht. Zes uur later was fase 1 klaar. Ondanks al het porren en prikken door de artsen, de zwellingen, de wond op zijn dij en de medicijnen, voelde de nieuwe penis meteen als de zijne. ‘Nooit eerder had ik een penis,’ zegt hij, ‘maar toen ik hem eenmaal had, leek het logisch dat hij er was.‘ De dagen erna bestonden vooral uit pijn en kleine succesjes: de eerste keer opstaan (11 mei), het verwijderen van de katheter (13 mei), ontslag uit het ziekenhuis (14 mei). Zelfs eenvoudige dingen voelden beter door de aanwezigheid van zijn nieuwgevormde aanhangsel. ‘Douchen was GEWELDIG!!!‘, schreef hij op Facebook. ‘Ik heb mijn pik een paar keer vastgehouden.’

    Na zijn ontslag uit het ziekenhuis verbleef Ben twee weken in een hotel in New Jersey om te herstellen. Tijdens zijn eerste afspraak met Bluebond-Langner en Zhao na de operatie deelde hij sigaren van kauwgum uit met de boodschap ‘Het is een jongen!’. Op dat moment was zijn penis eigenlijk niet veel meer dan een buis en zo glad als een zeekomkommer. In Fase 2, vijf maanden later, begon het team de basis te leggen voor een orgaan met meer functionaliteiten. De operatie begon met het verwijderen van Bens vagina door Bluebond-Langner – hij had al een hysterectomie ondergaan ter voorbereiding op fase 1. Vervolgens, in wat misschien wel de meest gruwelijke fase van de operatie is, sneed ze zijn penis in de lengte langs de onderkant open en bekleedde ze de geopende huid met meer weefsel van zijn dij. Dit oppervlak zou ooit zijn nieuwe plasbuis worden, maar eerst moest deze weefseltransplantatie genezen. Het herstel van Ben viel samen met de komst van de pandemie, en meer dan zeven maanden leefde hij met zijn opengesneden penis. ‘Die “hotdogfase” was het moeilijkst voor me,’ zegt hij. ‘Genezen is over het algemeen al iets raars, maar helemaal wanneer je zo’n grote open wond hebt op zo’n belangrijke en gevoelige plek. Het kan eng zijn. Je ziet allerlei kleuren en vloeistoffen. Je ruikt van alles.’

    Bluebond-Langner naaide het kanaal in mei 2020 dicht, zodat Bens bestaande plasbuis werd verbonden met zijn nieuwe plasbuis. Op achtentwintigjarige leeftijd werd Ben opnieuw zindelijk en leerde hij staand plassen met behulp van een kinderurinoir aan de muur van zijn douche. (‘Als je daarin je doel raakte,’ vertelt hij, ‘ging er iets draaien.’) Een paar maanden later ging hij voor het eerst naar een openbaar urinoir, in een restaurant in zijn geboortestad. ‘Mijn stiefvader moedigde me aan: “Ja! Ga ervoor, Ben, ga ervoor!”’ Weer een paar maanden later, in de Port Authority Bus Terminal, vroeg iemand zich hardop af of hij niet in het verkeerde toilet was. ‘Ik zei: ”Wil je mijn lul zien, bro?”’ De man verontschuldigde zich, en Ben kon opgelucht plassen. Alleen al hierom was de operatie een succes. Maar zijn doel werd drastisch overtroffen.

    Totale acceptatie

    ‘De beste manier waarop ik het gevoel kan omschrijven is een complete en totale acceptatie met mijn lichaam zoals het was, zonder te hoeven nadenken over een volgende stap, een volgende operatie, of welke vorm van ontevredenheid dan ook,’ zegt hij. ‘Als de wereld toen was opgehouden met bestaan, dan zou ik zijn vergeten dat ik een trans man was die in een trans lichaam leefde. Ik bestond gewoon.’

    In die maanden sprak ik Ben af en toe. Hoewel hij zijn erectie-implantaat nog niet had, was hij optimistisch over zijn toekomstige seksleven. Door verschillende experimenten, die deden denken aan de tienerfilm American Pie, met meerdere condooms voor de stabiliteit en een seksspeeltje van een online winkel genaamd Cherry Pie, wist hij al dat hij een aantal sensaties kon voelen: warm, koud, gevoelig, erogeen. Het implantaat dat hij wilde, de Coloplast Titan-pomp, zou hem in staat stellen op verzoek een erectie op te wekken door in een apparaatje in zijn balzak te knijpen. Ben hoopte het implantaat, en een bijpassende siliconen testikel, ergens begin van 2022 te krijgen, maar voor die tijd wilde hij twee complicaties oplossen. Ten eerste was zijn urinestraal zwakker geworden, waardoor hij zich zorgen maakte over een vernauwing van zijn urinebuis. Ten tweede was zijn penis nog steeds erg dik; veel te dik om in zijn hand te houden.

    In maart 2021 ging hij met de nachtbus naar New York voor overleg met Bluebond-Langner en Zhao over deze postoperatieve zorgen. Ik ontmoette hem om 8 uur ’s ochtends in het ziekenhuis, ieder met een grote ijskoffie. Zelfs na een belabberde nachtrust op twee busstoelen was hij bijzonder spraakzaam en knoopte hij flirterige gesprekjes aan met iedereen die hij tegenkwam. We gingen naar boven, naar de wachtkamer, waar hij cupcakes uitdeelde aan het aanwezige personeel.

    Het eindresultaat was niet zo slank als hij had gehoopt, maar hij kon zijn penis eindelijk met één hand vastpakken

    In de onderzoekskamer vroeg een verpleegster Ben om zich vanaf zijn middel te ontkleden. Ik excuseerde me en wilde vertrekken, maar Ben zei dat het oké was als ik wilde blijven. Hij liet zijn broek zakken en trok een operatiejas aan. Zijn penis had een respectabele lengte. Hij was dikker en bleker dan alle andere die ik had gezien, maar verder zag hij er onopvallend goed uit.

    Bluebond-Langner verscheen in de deuropening, met in haar kielzog een groep witgejaste toeschouwers. Voordat Ben hallo kon zeggen, hurkte ze bij zijn bed neer. ‘Ziet er goed uit!’ riep ze. ‘Hebben we al foto’s genomen?’ Ze pakte haar telefoon en nam een paar foto’s terwijl ze luisterde naar Bens zorgen over de omvang. Ze was het met hem eens dat er wat vet moest worden weggesneden voordat het erectieapparaat zou worden geïmplanteerd. Ben stond op en trok zijn kleren aan. Ik volgde hem naar een andere onderzoekskamer, waar Zhao met een camera in zijn penis zou kijken. Een verpleger prepareerde een spuit met verdovende gel en spoot die in de lengte van Bens plasbuis. Terwijl hij zat te wachten tot zijn penis verdoofd zou zijn, vroeg hij of ik hem zijn ijskoffie wilde aangeven.

    Zhao bracht de camera in, en al snel verscheen de plasbuis van Ben op vier schermen. Ben wees naar een paar kronkels. ‘Zijn dat haartjes?’ vroeg hij. Haartjes van wat vroeger zijn dij was geweest, bevestigde Zhao, maar ze waren niet dik genoeg om de urinestroom te beïnvloeden. Hij bracht de camera dieper in, tot hij op weerstand stuitte. ‘Hier is een klein beetje vernauwing,’ zei hij. De oorzaak was wat opgehoopt littekenweefsel. Door de plek van buitenaf te masseren, zou het breken waardoor de urinestraal zou verbeteren. Dat was allemaal goed nieuws. Ben trok zijn kleren aan en gooide de ijskoffiebeker in de prullenbak.

    Half stijf

    Die zomer begon voor Ben de ‘debulking’-procedure, het slanker maken van zijn penis. Het eindresultaat was niet zo slank als hij had gehoopt, maar hij kon zijn penis eindelijk met één hand vastpakken. Verdere afslanking hield risico’s in vertelde hij, herhalend wat Zhao tegen hem had gezegd: ‘Beter is de vijand van goed.’ In maart van dit jaar kwam hij terug voor zijn laatste implantaatoperatie, waarna hij met een half stijve penis uit het ziekenhuis kwam: zijn penis moest in half opgepompte staat genezen. In april, toen we elkaar weer zagen in NYU. Langone, verlangde hij nog altijd naar een erectie, maar wilde hij inmiddels nog liever verslappen. De maand lang met de halve erectie was wat ongemakkelijk geweest.

    Zhao gaf in de onderzoekskamer een postoperatieve les in opblazen en leeglopen. Hij trok paarse handschoenen van synthetische rubber aan en tilde Bens penis met zijn rechterhand omhoog. Met zijn andere hand pakte hij Bens balzak voorzichtig vast en begon uit te leggen hoe het implantaat was ontworpen. Een klein reservoir gevuld met zoutoplossing bevond zich nu in Bens lies. In zijn balzak zat een bal in de vorm van een testikel, die de zoutoplossing naar een buisje bracht dat over de lengte van zijn penis liep.

    Na een paar seconden gaf hij een laatste duwtje, en zijn penis floepte om, triomfantelijk slap

    Zhao kneep een paar keer in de onderkant van de pomp en Bens penis verstijfde. Hij bewoog de huid een beetje heen en weer, om te laten zien hoe stevig het hele mechanisme was. ‘En dan proberen we nu om hem leeg te laten lopen,’ zei Zhao. Ben kneep met zijn rechterhand in de pomp in zijn scrotum. Met zijn linkerhand begon hij zijn schacht als een accordeon samen te drukken, om zo de zoutoplossing terug te duwen naar het reservoir. Volgens Zhao zou het een ‘suizend’ gevoel moeten geven. Na een paar seconden gaf hij een laatste duwtje, en zijn penis floepte om, triomfantelijk slap.

    ‘Volgens mij had Liberace er ook zo een,’ zei Zhao.

    Met de klinische intonatie van een trouwambtenaar wenste Zhao Ben geluk en gaf hij hem toestemming voor seksuele activiteit. Een paar minuten later pakte Ben zijn telefoon en zette ‘Detachable Penis’ op van King Missile, een op de universiteitsradio veelgedraaide track. Hij zei dat het nummer hem deed denken aan zijn leven vóór de phalloplastie. Hij dacht na over hoe de operatie hem had veranderd. Het had iets meer dan vier jaar geduurd en zijn zelfvertrouwen was in die periode gegroeid. De relatie met zijn familie was veranderd. Zijn penis had zijn houding ten opzichte van mannelijkheid verbeterd, waardoor hij zijn rol als man met veel minder moeite kon vervullen. In een eerder gesprek had hij me verteld dat dit voor een dorpsjongen als hij wel logisch was, maar, voegde hij er half-grappend aan toe, dat maakte hem ook tot ‘een slechte trans’.

    Toen Ben zijn zoektocht naar een phalloplastie begon, was zijn enige doel veiligheid geweest. Gaandeweg was bij hem het verlangen gegroeid om naakt voor de spiegel te staan en naar zijn lichaam te kunnen kijken zonder ook maar enig spoor van dysforie. Ik vroeg me hardop af of het doel van de operatie voor hem misschien was om de vrijheid te krijgen niet meer aan zijn penis te denken.

    ‘Nee,’ zei Ben beslist. ‘Ik denk er constant aan. Raak hem constant aan. Kijk er constant naar. Er is niets wat ik liever doe.’

    Lees ook:

  • Deze invloed heeft extreme hitte op onze gezondheid en welzijn

    Deze invloed heeft extreme hitte op onze gezondheid en welzijn

    Nu ernstige hittegolven met angstaanjagende regelmaat grote delen van de wereld treffen, onderzoeken wetenschappers of we van leven in een hetere wereld sneller ziek zullen worden of zelfs doodgaan.

    Keuze uit het archief

    We zitten weer in de zomertijd, wat afgelopen week te merken was aan de temperaturen die ruim boven de twintig graden lagen. Deze toenemende hitte, die tot een wereldwijd fenomeen is uitgegroeid, roept de vraag op wat de gevaren zijn als we te veel aan deze warmte worden blootgesteld.
    Dit artikel van de NYT van twee jaar geleden loopt een aantal onderzoeken langs van wetenschappers die onderzocht hebben welke gevolgen de extreme temperaturen voor ons lichaam hebben. De uitkomsten van hun onderzoek liegen er niet om: overmatige hitte wordt in verband gebracht met meer criminaliteit, angst, depressie en zelfmoord, en mensen die vaak in de hitte werken verouderen veel sneller.

    Toen W. Larry Kenney, professor in de fysiologie aan de Pennsylvania State University, begon met zijn onderzoek naar schade bij mensen door extreme hitte, richtte hij zich op arbeiders van de door een ramp getroffen kerncentrale van Three Mile Island in 1979, waar de temperatuur was opgelopen tot 165 graden Fahrenheit, bijna 74 graden Celsius.

    In de daaropvolgende decennia onderzocht hij hoe hittestress mensen in specifieke, intense situaties beïnvloedt: voetballers, soldaten in beschermende pakken, langeafstandslopers in de Sahara. Maar de laatste tijd richt zijn onderzoek zich op een meer alledaags onderwerp, op gewone mensen die gewone, alledaagse dingen doen, in deze tijd waarin de aarde wordt geteisterd door klimaatverandering.

    Wetenschappers onderzoeken de vraag of het leven in een hetere wereld ons ziek zal maken of zal doden

    Hitteadviezen en waarschuwingen voor overmatige hitte waren maandag 13 juni van kracht in een groot deel van het oostelijke binnenland van de Verenigde Staten, na een weekend met recordtemperaturen in het zuidwesten van het land. Volgens de National Weather Service zou de hitte zich de komende dagen verder naar het noordoosten verplaatsen, naar de Mississippi Vallei, het westen van de Grote Meren en de Ohio Vallei.

    Nu ernstige hittegolven met angstaanjagende regelmaat grote delen van de wereld treffen, onderzoeken wetenschappers de vraag of we van leven in een hetere wereld sneller ziek zullen worden of zelfs doodgaan. Hun doel is om meer grip te krijgen op het aantal mensen dat zal worden getroffen door hitte-gerelateerde kwalen en de mate en frequentie van hun lijden. En om te begrijpen hoe we de meest kwetsbaren beter kunnen beschermen.

    Geen goede voorspellers

    Eén ding is zeker, zeggen wetenschappers: de hittegolven van de afgelopen twee decennia zijn geen goede voorspellers van de risico’s die ons de komende decennia te wachten staan. Het verband tussen broeikasgasemissies en broeierige temperaturen is nu al zo duidelijk dat sommige onderzoekers zeggen dat het binnenkort geen zin meer heeft om de vraag te stellen of de meest extreme hittegolven zo’n twee eeuwen geleden hadden kunnen plaatsvinden, voordat de mens de planeet begon op te warmen. Dat had namelijk niet gekund.

    Als de opwarming van de aarde niet wordt afgeremd, zal de heetste hittegolf die veel mensen ooit hebben meegemaakt, de nieuwe norm voor hun zomer worden, aldus Matthew Huber, klimaatwetenschapper aan Purdue University. ‘Het zal niet iets zijn waaraan je kunt ontsnappen.’

    Hittestress is het product van veel factoren: vochtigheid, zon, wind, hydratatie, kleding, lichamelijke conditie

    Wat voor wetenschappers moeilijker te bepalen is, aldus Huber, is op welke schaal deze klimaatverschuivingen de gezondheid en het welzijn van de mens zullen beïnvloeden. Dit geldt vooral voor ontwikkelingslanden, waar grote aantallen mensen er nu al onder lijden maar waar goede gegevens schaars zijn. Hittestress is het product van veel factoren – vochtigheid, zon, wind, hydratatie, kleding, lichamelijke conditie – en veroorzaakt zo’n scala aan schade dat het moeilijk is de toekomstige effecten met enige precisie te voorspellen.

    Huber zegt ook dat er nog niet genoeg onderzoek is gedaan naar hoe het is om fulltime te leven in een warmere wereld, in plaats van alleen af ​​en toe een brandende zomer te ervaren. ‘We weten niet wat de langetermijngevolgen zijn van elke dag opstaan, drie uur werken in bijna dodelijke hitte, zweten als een gek en dan weer naar huis gaan,’ zegt hij.

    Groeiende urgentie

    De groeiende urgentie van deze problemen trekt onderzoekers aan die zichzelf voorheen niet echt als klimaatwetenschappers hebben beschouwd, zoals Kenney. Voor een recente studie plaatsten hij en zijn collega’s jonge, gezonde mannen en vrouwen in speciaal ontworpen kamers, waar ze op een hometrainer moesten fietsen met lage intensiteit. Vervolgens voerden de onderzoekers de warmte en vochtigheid op.

    Zij ontdekten dat hun proefpersonen gevaarlijk oververhit raakten bij veel lagere ‘natteboltemperaturen’ – een maat die rekening houdt met zowel warmte als vochtigheid – dan werd verwacht op basis van eerdere theoretische schattingen van klimaatwetenschappers. In stoombad-achtige omstandigheden absorbeert ons lichaam sneller warmte uit de omgeving dan dat we kunnen zweten om onszelf af te koelen. En ‘we kunnen helaas niet veel meer zweten om op peil te blijven’, zegt Kenney.

    Hitte is klimaatverandering op zijn intiemst, want niet alleen landschappen, ecosystemen en infrastructuur, maar ook de diepste diepten van individuele menselijke lichamen worden verwoest.

    Slachtoffers van hitte sterven vaak alleen, in hun eigen huis. Afgezien van een hitteberoerte kan hitte ineenstorting van het hart- en vaatstelsel en nierfalen veroorzaken. Ze beschadigt onze organen en cellen en zelfs ons DNA. De schade neemt toe bij zeer oudere en jongere mensen, bij mensen met hoge bloeddruk, astma, multiple sclerose en andere aandoeningen.

    Overmatige hitte wordt ook in verband gebracht met meer criminaliteit, angst, depressie en zelfmoord

    Als het kwik hoog staat, zijn we minder effectief op het werk. Onze denk- en motorische functies worden aangetast. Overmatige hitte wordt ook in verband gebracht met meer criminaliteit, angst, depressie en zelfmoord.

    Persoonlijk

    De aanslag op het lichaam kan opmerkelijk persoonlijk zijn. George Havenith, directeur van het Environmental Ergonomics Research Center aan de Loughborough University in Engeland, herinnert zich een experiment van jaren geleden met een grote groep proefpersonen. Ze droegen dezelfde kleren en deden hetzelfde werk gedurende een uur, in een hitte van 35 graden en een vochtigheid van 80 procent. Maar aan het eind varieerde hun lichaamstemperatuur van 37,7 graden tot 39,2 graden Celsius.

    ‘Met veel van ons werk proberen we te begrijpen waarom de ene persoon aan de ene kant van het spectrum belandt en de andere aan de andere,’ zegt Havenith.

    Vidhya Venugopal, professor milieuhygiëne aan de Sri Ramachandra Universiteit in Chennai, India, bestudeert al jaren wat hitte doet met werknemers in de staalfabrieken, autofabrieken en steenovens van India. Velen van hen lijden aan nierstenen die worden veroorzaakt door ernstige uitdroging.

    ‘Toen bedachten we: warmte maakt mensen ouder’

    Een ontmoeting van tien jaar geleden is haar bijgebleven. Ze ontmoette een staalarbeider die al 20 jaar dagen van 8 tot 12 uur draaide in de buurt van een oven. Toen ze hem vroeg hoe oud hij was, zei hij 38 tot 40 jaar.

    Ze was ervan overtuigd dat ze het verkeerd begrepen had. Zijn haar was half grijs. Zijn gezicht was verschrompeld. Hij zag er niet jonger uit dan 55. Dus vroeg ze hoe oud zijn kind was en hoe oud hij was toen hij trouwde. De rekensom klopte. ‘Voor ons was dat een keerpunt,’ zegt Venugopal. ‘Toen bedachten we: warmte maakt mensen ouder.’

    Adelaide M. Lusambili, een onderzoeker aan de Aga Khan Universiteit in Kenia, onderzoekt de effecten van hitte op zwangere vrouwen en pasgeborenen in Kilifi County, aan de kust van Kenia. In deze gemeenschappen halen vrouwen water voor hun gezinnen, en dat kan betekenen dat ze urenlang in de zon moeten lopen, ook als ze zwanger zijn. Studies tonen een verband tussen blootstelling aan hitte en vroeggeboortes en ondergewicht bij baby’s

    De meest hartverscheurende verhalen, aldus Lusambili, zijn van vrouwen die lijden na de bevalling. Sommigen liepen grote afstanden met kinderen van een dag oud op hun rug, waardoor de baby’s blaren op hun lichaam en mond kregen en borstvoeding bemoeilijkt werd. Dit alles was genoeg, zegt ze, om zich af te vragen of de vooruitgang van Afrika bij het terugdringen van sterfte onder pasgeborenen en kinderen, is teruggedraaid door klimaatverandering.

    Airco’s

    Aangezien niet veel mensen toegang hebben tot airco’s, die op hun beurt de planeet opwarmen door het verbruik van enorme hoeveelheden elektriciteit, zullen samenlevingen duurzamere beschermingsmiddelen moeten vinden, zegt Ollie Jay, professor in hitte en gezondheid aan de Universiteit van Sydney.

    Jay bestudeerde hoe het lichaam reageert op het zitten in de buurt van een elektrische ventilator, het dragen van natgemaakte kleding en het afsponzen met water. Voor één project heeft hij een kledingfabriek uit Bangladesh nagebouwd in zijn laboratorium. Hij test daar goedkope manieren om veiligheid te creëren voor werknemers, bijvoorbeeld met groene daken, elektrische ventilatoren en regelmatige pauzes om water te drinken.

    De mens is enigszins in staat om zich aan te passen aan een warme omgeving

    De mens is enigszins in staat om zich aan te passen aan een warme omgeving. Onze hartslag daalt, er wordt meer bloed gepompt bij elke slag. Meer zweetklieren worden geactiveerd. Wetenschappers begrijpen echter voornamelijk hoe ons lichaam zich aanpast aan hitte in gecontroleerde laboratoriumomgevingen, maar niet in de echte wereld, waar veel mensen hun huizen en auto’s met airconditioning in en uit kunnen duiken, zegt Jay.

    Ook in het laboratorium vereist het opwekken van dergelijke veranderingen dat mensen wekenlang gedurende meerdere uren per dag aan oncomfortabele inspanning moeten worden blootgesteld, aldus Jay, die precies dat met zijn proefpersonen heeft gedaan.

    ‘Dat was niet bijzonder aangenaam,’ zegt hij. En niet echt een praktische oplossing voor het leven in een verstikkende toekomst, of, voor mensen op sommige plaatsen nu al, in een steeds benauwder wordend heden. Verdergaande veranderingen in het aanpassingsvermogen van het lichaam zullen alleen gebeuren op de tijdschaal van de menselijke evolutie.

    Venugopal raakt gefrustreerd als er over haar onderzoek naar Indiase arbeiders wordt gezegd: ‘India is toch een heet land, dus wat is precies het probleem?’

    Niemand vraagt wat er zo erg is aan koorts, terwijl een hitteberoerte het lichaam in een vergelijkbare toestand brengt. ‘Dat is de menselijke fysiologie,’ aldus Venugopal. ‘Die kun je niet veranderen.’

  • ‘De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens zijn’

    ‘De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens zijn’

    Jarenlang onderzoek naar de mysteries van het bewustzijn heeft de Britse neurowetenschapper Anil Seth tot een radicale conclusie doen komen: de manier waarop jij jezelf en de wereld ziet is een vorm van gecontroleerde hallucinatie.

    Als je ooit helemaal onder verdoving bent geweest, heb je vergetelheid ervaren: een vollediger onderbreking van het bewustzijn dan tijdens de diepste slaap. Hele uren of dagen kunnen in een duizendste seconde voorbijgaan. Het is het bewijs – als je dat al nodig hebt – dat je kunt ophouden te bestaan, dat de wereld zal doorgaan zonder jou. Sommige mensen vinden dit angstaanjagend. Neurowetenschapper Anil Seth vindt het geruststellend.

    In 2017 gaf Seth een TED-talk die sindsdien meer dan twaalf miljoen keer is bekeken, een verbijsterend, vijftien minuten durend distillaat van dertig jaar research dat eindigde met een parafrase op Julian Barnes. ‘Als het einde van het bewustzijn aanbreekt, is er niets om bang voor te zijn – helemaal niets.’ Het is een gevoel dat hij opnieuw naar voren brengt in zijn bestseller uit 2021, Being You, en als we elkaar ontmoeten in Falmer, in East Sussex, vertelt hij me waarom. ‘Als je ziet hoe broos en precair ons bewustzijn al met al is, dat van onszelf en van de wereld, als je ziet op hoeveel manieren iets fout kan gaan of gewoon volledig kan worden weggevaagd, kun je dat ofwel als iets beangstigends zien of als een waarschuwing hoe blij je mag zijn dat je bent waar je bent.’ Hij kiest voor het laatste.

    ‘Ga als de sodemieter aan het werk. Wees niet lui’

    Seth (49) is informeel gekleed, in spijkerbroek, blauwe trui en beige gympen. Met zijn gladgeschoren hoofd en kalme, intense uitstraling heeft hij iets van een monnik, een imago dat hij af en toe met een grap doorprikt. We spreken elkaar op zijn kamer aan de Universiteit van Sussex, waar hij mededirecteur is van het Sackler Centre for Consciousness Science (Sackler Centrum voor Bewustzijnswetenschap; omdat de universiteit niet langer nieuwe fondsen zal ontvangen van de Dr Mortimer and Teresa Sackler Foundation, moet het centrum worden herdoopt.) Op de planken staan boeken over psychologie, filosofie, informatica, natuurkunde, een roman van Zadie Smith en poëziebloemlezingen. Tegen de muur geplakt hangt een uitdraai met de kop ‘Twaalf vuistregels voor succes’. (1. Ga als de sodemieter aan het werk. Wees niet lui.)

    Seth begon met het bestuderen van het bewustzijn in het midden van de jaren negentig, een tijd waarin de vorderingen met de computer en het in beeld brengen van het brein wetenschappers nieuwe middelen boden om de geest te begrijpen. In 1994 gaf de Australische filosoof David Chalmers alvast een voorschot op deze uitdagende materie: in zijn praatje bij de opening van de Conferentie over Bewustzijnswetenschap in Tuscon, Arizona, zette Chalmers uiteen wat hij beschreef als ‘het lastige vraagstuk van het bewustzijn’. Hoe kan iets objectiefs en fysieks leiden tot de unieke, subjectieve bewustzijnservaring? Hoe zou je adequaat het unieke gevoel jij te zijn kunnen beschrijven door enkel te verwijzen naar je brein en de biologie? 

    Lastig vraagstuk

    Filosofen en natuurwetenschappers hebben geprobeerd dit lastige vraagstuk op verschillende manieren aan te pakken. Panpsychisten beweren dat bewustzijn een fundamenteel kenmerk is van alle materie – dat een ligstoel een ander soort bewustzijn vertoont dan jij of ik, maar niettemin bewust is. Daarentegen houden illusionisten vol dat het bewustzijn puur denkbeeldig is. Seth, wiens academische achtergrond natuurkunde, psychologie, computerkunde en neurowetenschap omvat, zegt dat hij tot een andere, bevredigendere conclusie is gekomen. 

    Een al te menselijke intelligentie

    ‘Ik denk dat ik van binnen een mens ben. Ook al besta ik alleen in de virtuele wereld.’

    Aldus LaMDA, de door Google ontwikkelde chatbot, in gesprek met Blake Lemoine, een ingenieur die werkzaam is bij de kunstmatige-intelligentieafdeling van het bedrijf. Gevoegd bij het feit dat het apparaat over zijn ‘emoties’ sprak, hebben deze woorden, die te vinden zijn in een blogpost van 11 juni, de ingenieur ervan overtuigd dat de chatbot over een bewustzijn beschikt.

    ‘Ik weet wanneer ik met een persoon te maken heb,’ bevestigt Lemoine. De zaak zorgde voor veel ophef. ‘Google heeft zich van Lemoines beweringen gedistantieerd. Toen de ingenieur zich tot specialisten buiten het bedrijf wendde, werd hij geschorst wegens schending van de geheimhoudingsplicht,’ meldden Timnit Gebru en Margaret Mitchell, respectievelijk werkzaam bij het Distributed Artificial Intelligence Research Institute en het platform Hugging Face, in een ingezonden brief in The Washington Post.

    Deze twee ex-werknemers van Google, die in 2020 en 2021 op staande voet werden ontslagen, verklaarden dat zij hun ongerustheid tegenover de onderneming hadden geuit vanwege het risico dat mensen zouden denken dat kunstmatige intelligentie over een bewustzijn beschikt. Steven Pinker, als linguïst en cognitief psycholoog verbonden aan Harvard, verklaarde tegenover de Financial Times dat Blake Lemoine ‘het verschil niet begrijpt tussen bewustzijn (dat wil zeggen subjectiviteit, ervaring), intelligentie en zelfkennis’. Emily M. Bender, hoogleraar linguïstiek aan de Universiteit van Washington in Seattle, constateerde in The Washington Post dat ‘we inmiddels over machines beschikken die in staat zijn zelfstandig woorden te produceren, maar dat we het nog altijd niet kunnen laten om te denken dat die door een menselijke geest worden gestuurd’.

    Zijn onderzoek heeft hem tot radicale standpunten gebracht: de manier waarop jij jezelf en de wereld ziet is een vorm van gecontroleerde hallucinatie, zegt Seth. Eerder dan passief onze omgeving waar te nemen, zijn onze hersens constant voorspellingen aan het doen en verfijnen van wat we verwachten te zien; op die manier scheppen we onze wereld. Hij wijst op het voorbeeld van #TheDress, de foto die viraal ging van een cocktailjurk die volgens sommigen goud met wit is en volgens anderen blauw met zwart. In zijn TED-talk speelt Seth twee keer een geluidsfragment af van een hoge, verdraaide stem die zo onbegrijpelijk is dat hij iedere taal of geen enkele zou kunnen spreken. Dan wijst hij zijn publiek op de zin: ‘Ik denk dat de Brexit een heel slecht idee is.’ Als hij het fragment opnieuw afspeelt, zijn de woorden zo goed te herkennen dat het moeilijk voorstelbaar is dat ze het ooit niet waren. 

    Soms is de term ‘hallucinatie’ voor mensen verwarrend (Seth zou willen dat er een beter woord bestond): het kan de indruk wekken dat waarneming arbitrair is, of dat dingen niet bestaan. In de praktijk zijn we als onze hersens goed werken voortdurend onze voorspellingen aan het updaten, gebaseerd op feedback van onze zintuigen – daarom is de normale waarneming een ‘gecontroleerde hallucinatie’, en geen koortsdroom. Dat gezegd hebbende vertelt Seth me, terwijl we over de campus lopen op zoek naar een broodje, open te staan voor het idee dat de fysieke wereld niet bestaat op de manier die we denken. Dat is een ‘onderwerp voor een natuurkundige, iemand als Carlo Rovelli’, zegt hij. ‘Wie weet wat er daarbuiten eigenlijk is? Maar laten we aannemen dat er daar dingen zijn en dat die dingen bestaan.’ De werkelijkheid is de hallucinatie waarover we het allemaal eens kunnen zijn, meent Seth.

    Seth gelooft dat andere dieren over bewustzijn beschikken, maar hij denkt niet dat kunstmatige intelligentie ooit zal bestaan

    Bepaalde aspecten van de waarneming zijn denkbeeldiger dan andere. Onze ervaring van onszelf, als zouden we na een tijdje beschikken over een blijvende, stabiele identiteit, is een nuttige illusie. Net als onze perceptie van de vrije wil. We denken dat we vrij handelen als we onze eigen overtuigingen, doelen of verlangens volgen – maar we kunnen deze overtuigingen, doelen of verlangens niet vrij kiezen. Het doel van het bewustzijn, van al deze hallucinaties, is ons in leven te houden. Als we sterven zal het uitgedoofd zijn. Seth gelooft dat andere dieren over bewustzijn beschikken, maar hij denkt niet dat kunstmatige intelligentie ooit zal bestaan.

    Wat het ‘lastige vraagstuk’ betreft, gelooft Seth dat naarmate we onze hersens beter begrijpen – naarmate we het bewustzijn preciezer kunnen meten, manipuleren en volgen – het vraagstuk minder moeilijk te hanteren zal zijn. Deze theorie is niet voor iedereen bevredigend: toen ik Chalmers voor de New Statesman interviewde, zei hij dat hij het er niet mee eens was dat het lastige vraagstuk op deze manier kan worden opgelost – je moet nog steeds rekening houden met het mechanisme waarmee objectieve materie subjectieve ervaringen genereert. Maar ook hij benadrukte de gemeenschappelijke basis: Seths aanpak om bewustzijnsstaten te koppelen aan hersenstaten (door bijvoorbeeld te achterhalen welke neuronen corresponderen met ‘de kleur rood zien’ of ‘aan het avondeten denken’) komt ‘dicht in de buurt van de aanpak die ik voorsta’. 

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 4 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Spirituele implicaties

    Seth praat veel met mensen over de spirituele implicaties van zijn theorieën. Ze zijn niet verenigbaar met een letterlijk geloof in een ziel die de dood overleeft, maar hij ziet een ‘diepe overeenkomst’ met veel religieuze tradities. ‘Het gaat vaak over dezelfde kwesties en er worden vaak dezelfde vragen gesteld,’ zegt hij. Er bestaan parallellen tussen zijn werk over de vergankelijke gestructureerde aard van het ik en de leer van het hindoeïsme en het boeddhisme. Hij mediteert dagelijks. 

    Seth groeide op in het landelijke Oxfordshire, waar zijn moeder als lerares Engels werkte en zijn vader, die in de jaren vijftig vanuit India was geëmigreerd, als wetenschapper bij het onderzoekscentrum van Esso. Hij las als puber veel, deels uit noodzaak; hij was een mager joch met dikke brillenglazen, een jaar jonger dan zijn klasgenoten en geen uitblinker op het rugby- of voetbalveld. (Net als zijn vader was Seth een uitstekende badmintonspeler, ‘maar in Oxfordshire kan je leven niet alleen om badminton draaien’.) Hij studeerde natuurwetenschappen in Cambridge, waarbij hij zich aanvankelijk toelegde op natuurkunde en later op experimentele psychologie.

    Zijn leidinggevende vertelde me dat Seth ‘waarschijnlijk de gretigste promovendus was die ik ooit heb gehad’

    Zijn promotieonderzoek naar op kennis gebaseerde systemen in Sussex, waar hij kunstmatige neurale netwerken gebruikte om ecologische en evolutionaire processen in kaart te brengen, bracht hem dichter bij het inzicht hoe onze hersens werken dan de psychologie dat kon. Zijn leidinggevende, Phil Husbands, vertelde me dat Seth ‘waarschijnlijk de gretigste promovendus was die ik ooit heb gehad’. Terwijl de meeste van zijn medestudenten bij de eerste bijeenkomst opdraafden met ‘een enthousiaste grijns en iets om aantekeningen te maken’, verscheen Seth met ‘tientallen blaadjes vol uitgetikte ideeën en schetsen voor mogelijke experimenten’. 

    Emi Tamaki wil ook voelen

    Waar de virtuele werkelijkheid ons nu nog alleen in staat stelt dingen te ervaren vanuit onze leunstoel, werkt Emi Tamaki, onderzoeker bij de Universiteit van de Riukiu op het Japanse eiland Okinawa, aan het toevoegen van gevoel aan de gemobiliseerde zintuigen om de illusie nog verwarrender te maken.

    In 2011 werd haar ‘Possessed Hand’, ontwikkeld in samenwerking met de Universiteit van Tokio en Sony, door het Amerikaanse blad Time gerekend tot een van de ‘vijftig beste uitvindingen’ van het jaar: een armband met elektroden die onze hand uit zichzelf kan laten bewegen door elektrische stimulering van de vingers. Nu wil Tamaki haar vinding uitbreiden met lichamelijke ervaringen die echt in de virtuele werkelijkheid worden beleefd, zodat de gebruiker bijvoorbeeld het gewicht van een voorwerp in zijn hand kan voelen, of zelfs pijn.

    De Japanse wetenschapper werkt aan de ontwikkeling van een robotkajak die je het gevoel geeft dat je echt aan het peddelen bent, met waterweerstand en al. En haar ambitie reikt nog verder. Ze wil op termijn iets faciliteren wat ze ‘het delen van het lichaam’ noemt. Door op goed gekozen plekken sensoren op iemands lichaam te plaatsen die zich vervolgens kunnen vermenigvuldigen, wil ze dat deze persoon de gevoelens van anderen kan ervaren, zoals die van zwangere vrouwen met hun zware buik en hun veranderde zwaartepunt.

    Na Sussex verhuisde Seth naar het Instituut voor Neurowetenschappen in Californië, waar hij werkte met Gerald Edelman, de bioloog en Nobelprijswinnaar die van groot belang was bij het nieuw leven inblazen van de bewustzijnswetenschap. In 2006, toen de universiteit hem een lectoraat aanbood, ging hij terug naar Sussex met medeneming van enkele van zijn Californische gewoonten: hij surft nu in Brighton en zwemt de laatste jaren dagelijks in de zee vlak bij zijn huis.

    Als we onze broodjes op hebben, leidt Seth me rond. Toen het in 2010 werd opgezet, was het Sackler Centre een van de eerste multidisciplinaire onderzoeksgroepen ter wereld die zich wijdden aan de bestudering van het bewustzijn (er zijn er nu dertien of veertien wereldwijd). Hier onderzoeken natuurkundigen, computerwetenschappers, neurowetenschappers, psychologen en filosofen enkele van de fundamentele mysteries van de mensheid: wat is bewustzijn? Waar komt het vandaan? Door dit beter te begrijpen hopen ze nieuwe geneeswijzen en behandelingen te ontwikkelen voor neurologische en psychiatrische aandoeningen als diepe bewusteloosheid, slapeloosheid, depressie en psychose. 

    Oleg Buyevsky illustrationzone.com 2 RGB
    © Oleg Buyevsky/illustrationzone.com

    Het Instituut voor Neurowetenschappen in San Diego was zo overweldigend futuristisch dat het werd gebruikt in filmsets, bijvoorbeeld als achtergrond voor een sciencefictionfilm uit 2000, The Cell. De esthetiek van het Sackler Centre is eerder ‘… Brits’, merkt Seth op. Hij zet thee in een kleine keuken met een enorm schrijfbord vol verbleekte formules. Bovenaan staat een kreet gekrabbeld: ‘Wat is dat voor smeerboel in het blauwe kopje?’ Daarna leidt hij me door een nauw gangenstelsel naar de weinig imponerende kantoren waar onderzoekers allerlei eigenaardigheden van de geest onderzoeken: waarom kunnen uren vliegensvlug vervliegen en vijf minuten ondraaglijk lang aanvoelen? Waarom zijn sommige mensen beïnvloedbaarder dan andere, zelfs zozeer dat ze, als ze een spin op iemands arm zien kruipen, zelf ook gekriebel voelen? In één lab werken onderzoekers met virtual reality om ‘blindheid voor verandering’ te bestuderen: hoeveel kun je in iemands omgeving veranderen zonder dat hij het merkt? 

    Seth heeft zijn sleutelhanger aan een stagiair uitgeleend en moet tijdens de rondleiding kloppen om binnen te komen. Aan de muren van het kantoor hangen optische illusies en oude wetenschapsposters, de planken zijn volgestouwd met curiosa: mannequinhoofden, een beeldje van Darth Vader, een zestal rubberen handen. De sfeer is ontspannen en experimenteel: op een gegeven moment raapt Seth een elektromagneet op in de vorm van een nepbril – een spoel voor transcraniële magnetische stimulatie (TMS) – die kan worden gebruikt om de activiteit in verschillende delen van het brein te reduceren. ‘Jaren geleden, toen we hem pas hadden, gingen we ervan uit dat bewustzijn samenhing met het frontopariëtaal netwerk [het gedeelte van de hersenen dat van belang is voor het succesvol samenstellen van nieuwe geheugenvelden], dus probeerden we de hele zaak gewoon stil te leggen door TMS toe te passen,’ zegt hij. ‘Het werkte niet,’ voegt hij er schouderophalend aan toe en legt de spoel weer terug. 

    Hallucinatiemachine

    In dezelfde ruimte staat een soort hokje met een hallucinatiemachine. Binnen brandt een stroboscopisch licht met dezelfde frequentie als onze hersenactiviteit. Het apparaat, dat heldere, kleurige hallucinaties opwekt, is gebaseerd op een uitvinding uit 1959 van kunstenaar Brion Gysin, die dacht dat zijn machine de televisie zou verdringen. Seth nodigt me uit om op een stoel tegenover het licht te gaan zitten met mijn ogen dicht. Ik kan het licht niet zien; in plaats daarvan verschijnen oranje en groene vlekken op mijn netvlies. Ze consolideren tot ronddraaiende, pulserende, caleidoscopische vormen die steeds ingewikkelder worden tot ze oplossen in een wit licht dat zo verschroeiend is dat ik mijn ogen zou hebben gesloten als ze niet al dicht waren. Ik raakte bijna in paniek, vertel ik Seth achteraf. Hij kijkt beteuterd. Met mijn reactie behoor ik tot de minderheid – de meeste mensen genieten van de hallucinaties. Seth vindt het experiment zo ‘meditatief’ dat hij thuis een stroboscopisch licht heeft geïnstalleerd, dat hij zo’n half uur per week gebruikt. 

    Deze maand werken Seth en andere onderzoekers samen met componist Jon Hopkins en het kunstenaarscollectief Assemble, dat in 2015 de Turner Prize won, aan een project dat mensen uit het publiek en schoolkinderen kennis wil laten maken met de ‘Droommachine’. Seth hoopt een nieuwe generatie bewustzijnsonderzoekers en filosofen te inspireren en zijn team zal een computerprogramma gebruiken om deelnemers te helpen hun hallucinatie te herscheppen. Zoals een haperende computer ons soms een idee geeft hoe de machine werkt, veroorzaakt het stroboscopisch licht haperingen die ons wellicht meer inzicht geven in de werking van visuele waarneming. Er is zo veel wat we nog niet weten: als jij en ik ‘rood’ zien, zien we dan dezelfde kleur? 

    Drie s(t)imulerende vormen van fictie

    Leven we in een simulatie? Sommige films, romans en series houden rekening met deze mogelijkheid.

    MATRIX, PLATON 2.0

    De mensheid is tot slaaf gemaakt door de machines die ze zelf heeft gecreëerd en die haar hebben veroordeeld tot een permanente simulatie. Met zijn vele allegorieën – van de grot van Plato tot de transgenderervaring – en zijn spectaculaire actiescènes waarin meer vechtsporten dan vuurwapens voorkomen, heeft de filmcyclus Matrix een blijvende stempel gedrukt op de fantasiewereld van Hollywood. De Amerikaanse regisseur Lana Wachowski, die samen met haar zuster Lilly tussen 1999 en 2003 de oorspronkelijke trilogie opnam, heeft eind 2021 een nieuw deel uitgebracht.

    SWORD ART ONLINE, VIRTUELE VALKUIL

    Deelname op eigen risico. Sword Art Online, een serie romans waarmee de Japanse auteur Reki Kawahara in 2009 is begonnen, is vele malen bewerkt tot stripverhalen, animatiefilms en games. De site Polygon vat de serie als volgt samen: ‘De jonge Kirito raakt verstrikt in een enorm multi-userspel. Om aan deze virtuele wereld te ontsnappen moet hij voorkomen dat hij een pion wordt in de strategieën van diverse groepen spelers die eveneens verstrikt zijn in het spel, en een reeks steeds riskantere uitdagingen aangaan.’ En het spel beëindigen.

    WANDAVISION, REALITY TV

    Hoe kan Wanda (Elizabeth Olsen) haar superkrachten gebruiken om aan haar rouwproces te ontkomen? In de miniserie Marvel, die in de lente van 2021 op Disney+ werd uitgezonden, creëert ze een soort magische bubbel rond de inwoners van een stadje in New Jersey. Ze belanden in een simulatie die is geïnspireerd op beroemde series uit de Amerikaanse televisiegeschiedenis. De overleden man van Wanda komt daarin weer tot leven als personage. Het onderwerp varieert per aflevering.

    Uit nieuwsgierigheid stem ik erin toe het hok nog eens binnen te gaan bij een licht dat met een lagere frequentie pulseert. Seth stelt voor dat ik, om kalm te blijven, de hallucinaties aan hem beschrijf op het moment dat ze zich voordoen. Als ik vervolgens wat mompel over dansende groene driehoeken die al vervloeiend veranderen in roterende oranje stervormen, zegt hij ‘Hè?’, alsof er niets interessanters bestaat. Na vijf minuten die aanvoelen als dertig seconden stopt het licht en daarmee mijn visioenen; het voelt vreemd om nu terug te lopen naar Seths kantoor alsof ik niet net ben teruggekeerd van een reis naar een of andere vreemd sterrenstelsel.

    Toen ik Being You voor het eerst las, trof mij de eenzaamheid van zijn visie. Zijn werk suggereert dat we allemaal gevangenzitten in onze zelfgecreëerde universums, innerlijke werelden die alles zijn wat we ooit kunnen kennen en die toch in een mum zullen verdwijnen. Als ik uit de hallucinatiemachine loop, begrijp ik het optimisme achter zijn werk evengoed: Seths geloof dat de wetenschap op een dag de kloof zal overbruggen tussen onze eigen geest en die van anderen, zodat we elkaar beter kunnen zien.

    Lees ook:

  • Onderzoek: Slechte slaap belemmert pogingen om gewichtsverlies te behouden

    Onderzoek: Slechte slaap belemmert pogingen om gewichtsverlies te behouden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Eerste zwarte en openlijk lesbische woordvoerder in Witte Huis

    » Paus Franciscus vergelijkt Oekraïne met Rwanda

    Slaaptekort oorzaak van veel fysieke problemen

    Slechte slaap kan pogingen om gewichtsverlies te behouden ondermijnen. Dat wijst onderzoek dat The Guardian aanhaalt uit. Miljoenen mensen met overgewicht of obesitas slagen er elk jaar in om gewicht te verliezen. Maar velen hebben daarna moeite om de kilo’s niet langzaam terug te laten kruipen. De resultaten van een gerandomiseerd onderzoek, dat werd uitgevoerd door de Universiteit van Kopenhagen en gepresenteerd op het Europees Congres over Obesitas, wijzen erop dat een beter en langer slaappatroon kan helpen om het gewicht voorgoed te laten verdwijnen.

    Niet genoeg slaap wordt ook in verband gebracht met diabetes, ontstekingen en hartziekten

    Het is bekend dat te weinig slaap of slaap van slechte kwaliteit het risico op een hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte en de vorming van vetafzettingen in de slagaders verhoogt. Niet genoeg slaap wordt ook in verband gebracht met diabetes, ontstekingen en hartziekten. Wetenschappers raken er steeds meer van overtuigd dat een slechte nachtrust kan bijdragen aan gewichtstoename na gewichtsverlies.

    Uit eerder onderzoek is gebleken dat meer dan een derde van de volwassenen in het VK en de VS niet genoeg slaap krijgen, wat grotendeels te wijten is aan een groot aantal factoren in het moderne leven, waaronder stress, computers en het vervagen van de grenzen tussen werk en privéleven.

    Lees ook:

  • Hoe luie dieren fit blijven

    Hoe luie dieren fit blijven

    Uw kat ligt de hele dag te slapen op de bank, en toch loopt hij Usain Bolt er makkelijk uit. Hoe slagen dieren erin in conditie te blijven zonder noemenswaardige training?

    De meer dan 40.000 hardlopers die onlangs aan de start van de Londense marathon 
verschenen, zullen zich stiekem afgevraagd hebben waar ze aan waren begonnen. Al heb je je nog zo goed aan je trainingsschema gehouden, 42 kilometer rennen doet pijn.

    Nee, dan de brandgans. Diens voorbereiding op zijn drieduizend kilometer lange trek zou voor ons net zoiets zijn als lui op de bank vis en patat eten.

    Maandenlange noeste trainingsarbeid, om dan vlak vóór de grote dag een stapje terug te doen? Daar doet de brandgans niet aan. Volgens milieufysioloog Lewis Halsey van de Universiteit van Southampton ‘zitten ze gewoon op het water non-stop te eten’.

    Pas sinds kort onderzoeken wetenschappers hoe dit kan. Niemand had zich nog de vraag gesteld of bij dieren conditie en trainingsactiviteit even sterk 
met elkaar samenhangen als bij de mens. Maar nu hebben die ogenschijnlijk luie dieren, die toch soms een enorm uithoudingsvermogen aan de dag leggen, dan eindelijk de interesse van een handjevol wetenschappers gewekt.

    Vaak wordt aangenomen dat wilde dieren, doordat 
ze tijdens het zoeken naar voedsel en het ontsnappen aan roofdieren zo veel bewegen, topfit zijn. Halsey schreef onlangs een stuk in het Journal of Animal Ecology met de provocerende titel ‘Do animals exercise to keep fit?’. Hij liet zien dat het antwoord vaak nee luidt.

    Omgevingsfactoren

    Kijk maar naar onze goede oude huiskat. De meeste katten liggen het grootste gedeelte van de dag te 
luieren en doen nauwelijks iets. Maar zelfs de luiste kat loopt Usain Bolt er over korte afstanden gemakkelijk uit. Al dat geslaap lijkt hun natuurlijke beweeglijkheid nauwelijks te hinderen als er 
plotseling een hond in de tuin opduikt. En zwarte 
en bruine beren komen uit een maandenlange 
winterslaap tevoorschijn met intacte spiermassa – 
al hebben ze nauwelijks bewogen.

    De brandgans doet daar zelfs een schepje bovenop. Ondanks hun zittende leventje houden ze niet alleen hun conditie op peil, hun hart wordt zelfs sterker, 
ze krijgen grotere vliegspieren en bouwen op de een of andere manier voldoende conditie op om in twee dagen duizenden kilometers te migreren.

    Maar als deze fysieke hoogstandjes niet aan training te danken zijn, waaraan dan wel? Om dat te verklaren, moet het begrip fysieke conditie ruimer worden opgevat. ‘Fit zijn’ wil biologisch gezien zeggen dat het lichaam veranderingen heeft ondergaan waardoor het sterker en efficiënter is geworden. Bij mensen worden zulke veranderingen door training in gang gezet. Bij dieren als beren en trekvogels daarentegen lijkt een wisseling van seizoen het lichaam voor te bereiden op een komende uitdaging. Voor beren 
kunnen een dalende temperatuur of voedselschaarste dus signalen zijn. Maar wat het signaal ook is, het stimuleert de aanmaak van stofjes in het bloed die de spieren beschermen. In experimenten waarin spieren van ratten in het bloed van beren in winterslaap 
werden gelegd, nam het verlies van spierweefsel met veertig procent minder af dan bij spieren die in bloed van beren lagen die niet in winterslaap waren.

    Halsey gaat ervan uit dat ook brandganzen reageren op veranderingen in omgevingsfactoren als temperatuur, waardoor hun lichaam ‘weet’ dat ze fysiek 
op de proef gesteld zullen worden en ze dus aan moeten komen.

    De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia
    De brandgans, die ook in ons land steeds talrijker wordt. – © Foto Wikimedia

    Bij andere vogelsoorten is het signaal de seizoensafhankelijke hoeveelheid daglicht. Fysiologisch 
ecoloog Chris Guglielmo van de Universiteit van Western Ontario in Canada merkte dat wanneer de geelstuitzanger, een trekvogel, aan een ander aantal uren daglicht werd blootgesteld, honderden genen in zijn spieren een veranderende activiteit lieten zien. ‘Kleine zangvogels hoef je niet speciaal te trainen om ze zes tot tien uur te laten vliegen,’ vertelt hij. ‘Stel je ze een tijdlang bloot aan de juiste daglichtcyclus en haal je ze daarna uit hun kooi, dan vliegen ze in een windtunnel zo tien uur achter elkaar.’

    Anders dan trekvogels krijgen mensen in april helaas geen biologische prikkels om fit te worden, hoe graag een marathonloper dat misschien ook zou willen. Ook hebben we geen spierbeschermende stofjes in ons bloed, dat ervoor zorgt dat we als we op de bank liggen onze zwaarbevochten spierkracht niet verliezen. Invloeden uit ons evolutionaire verleden hebben ervoor gezorgd dat wij alleen door training in goede conditie komen.

    Het leven van onze voorouders was onvoorspelbaar. Ze moesten veel en soms ook hard lopen om aan voedsel te komen en zich uit gevaarlijke situaties te redden. Tegelijk moesten ze hun spiermassa minimaal houden omdat er zelden voedsel in overvloed was. Zo bezien is uit vorm raken zelf ook weer een adaptatie. Het onderhouden van spieren kost immers een hoop energie. Elke kilo spierweefsel vraagt 
dagelijks zo’n tien tot vijftien kilocalorieën van ons rustmetabolisme. Misschien lijkt dat niet veel, maar bedenk dat veertig procent van het lichaamsgewicht van een doorsneepersoon uit spieren bestaat. ‘Een gemiddeld mens besteedt zo’n twintig procent van zijn basale energiebudget aan het op peil houden 
van spiermassa,’ vertelt evolutionair bioloog Daniel Lieberman van de Harvard-universiteit, die tevens marathonloper is.

    Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen

    Onze fysiologie is dus zo geëvolueerd dat ons gewicht en onze conditie variëren als functie van het beschikbare voedsel. Hierin zijn we volgens Lieberman anders dan de meeste andere dieren. De meeste dieren zijn alleen tot korte momenten van intense activiteit in staat, dat geldt zowel voor de cheeta die achter een prooi aan zit als voor de gazelle die aan hem ontsnapt. Katten zijn weliswaar snel, maar 
hoeven maar zelden ver te lopen. Misschien kan een huiskat haar kattenconditie prima op peil te houden door een paar keer een rondje om het huis te stuiven. Mensen daarentegen hoefden niet vaak hard te 
rennen, maar moesten wel langere afstanden 
afleggen, aldus Lieberman.

    Hij denkt dat natuurlijke selectie ons lang geleden 
op de Afrikaanse savanne tot ‘perfect aangepaste duursporters’ heeft gemaakt, die prooidieren er met gemak uitrenden en lange afstanden aflegden als 
het nodig was. Maar schijnbaar moeten we er wel op trainen. Doen we dat niet, dan verslappen we.

    Ook dieren die grote afstanden aflegden, hoefden qua snelheid niet uit te blinken. Een brandgans die de Atlantische Oceaan overstak, hoefde geen wereldrecord te vestigen, zolang hij de overkant maar 
haalde. En, vertelt sportfysioloog Ross Tucker van de Universiteit van de Vrijstaat in het Zuid-Afrikaanse Bloemfontein, de mens is het enige dier dat zich 
zorgen maakt over zijn piekactiviteit. Behalve 
renpaarden en hazewindhonden, allebei gefokt om wedstrijden te rennen, gaan dieren geen directe competitie met elkaar aan. ‘Ik weet niet of dieren allemaal dezelfde prestaties leveren… En we weten niet of zij hun prestaties door training kunnen 
verbeteren,’ zegt hij.

    Wat kan een menselijke sportfanaat leren van de luie, fitte dieren in de vrije natuur? Je zou misschien hopen dat wetenschappers nog eens een marathonlooppil maken die ons lichaam doet transformeren als dat van een brandgans. Maar nog afgezien van 
de gezondheids- en ethische aspecten van dergelijke doping, zal dat niet snel gebeuren. Tot het zover is, moeten we onze motivatie misschien zoeken bij een bescheidener diertje.

    Dopamine

    Iedereen die wel eens een hamster heeft gehad, 
weet dat knaagdieren erg van rennen houden. Uit experimenten met hun hersenchemie blijkt dat zij 
er plezier aan beleven, vertelt evolutionair bioloog Vincent Careau van de Universiteit van Ottawa in Canada. ‘Hun dopaminesysteem maakt dat muizen dat fijn vinden,’ vertelt hij. ‘Ze krijgen er eenzelfde kick van als hardlopers.’

    Een Nederlands experiment uit 2014 liet zien dat niet alleen tamme knaagdieren zo reageren. Zet je een loopmolentje buiten, dan bleken zelfs wilde 
muizen erop te gaan rennen, zodra ze doorkregen hoe het ding werkte.

    Deze zomer wil Careau dit experiment voortzetten, door opnieuw loopmolentjes in de vrije natuur te plaatsen. Hij wil zo veel mogelijk muizen van een merkteken voorzien en bijhouden welke afstand elk van hen op het molentje aflegt, zodat hij kan nagaan of het rennen hun overleven bevordert. Het zou heel goed kunnen van wel, omdat muizen immers voortdurend aan roofdieren moeten ontsnappen: haviken, vossen, slangen, wezels. Wie weet doen zij wel, net als wij, te weinig aan hun conditie om hard genoeg weg te kunnen lopen, en doen ze er goed aan om in hun vrije tijd nog wat bij te trainen. Voor de mens is in vorm blijven een evolutionaire luxe. Maar voor 
een rat kan het net het verschil maken tussen het er levend vanaf brengen en als kattenvoer eindigen. 
Wil je dus als marathonloper graag je prestaties 
verbeteren, vergeet dan die ganzen, katten en beren. Doe als een muis, en ga op zoek naar die heerlijke dopaminekick.

    Auteur: Richard Lovett
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    New Scientist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 82.000

    Een van de beste en meest toegankelijke wetenschapstijdschriften ter wereld. Stimulerend, met veel aandacht voor het milieu en industriële vernieuwing. Onderdeel van Reed Elsevier.