Tag: media

  • Hoe Neil Sheehan de Pentagon Papers bemachtigde

    Hoe Neil Sheehan de Pentagon Papers bemachtigde

    Het overlijden van de Amerikaanse journalist Neil Sheehan (1936 – 2021) op 7 januari in Washington raakte enigszins ondergesneeuwd door het nieuws over de bestorming van het Capitool door de hordes van Donald Trump een dag eerder. Maar met zijn dood mocht voor het eerst het verhaal worden weergegeven over de Pentagon Papers, die hij voor The New York Times wist te bemachtigen.
    Een verhaal over kopieermachines die crashten onder de last van nachtelijke documenten, aan een stoel vastgegespte stapels papieren tijdens een vlucht vanuit Boston en veelbetekenende initialen die in de barbecue van een diplomaat werden verbrand.

    DE PENTAGON PAPERS

    De Pentagon Papers waren een uiterst geheime studie door het Amerikaanse ministerie van Defensie naar de besluitvorming van Amerikaanse regeringen inzake de oorlog in Vietnam. Ze toonden aan dat de VS in het geheim de Vietnam-oorlog hadden uitgebreid met onder meer bombardementen op Cambodja en Laos, zonder daarover iets los te laten aan het thuisfront of de media.

    De geheime documenten, die de misleiding en leugens onthulden van vier opeenvolgende regeringen (Truman, Eisenhower, Kennedy en Johnson), waren gekopieerd door Daniel Ellsberg (1931), die eerder meewerkte aan het opstellen van de documenten. Ellsberg speelde ze vervolgens door aan Neil Sheehan, een journalist van The New York Times.

    Voor zijn onthulling van de Pentagon Papers werd Ellsberg aanvankelijk beschuldigd van samenzwering, spionage en diefstal van overheidseigendommen, en daarmee hing hem 115 jaar cel boven het hoofd. De aanklachten werden later afgewezen, nadat onderzoekers van het Watergate-schandaal ontdekten dat stafleden van president Nixon opdracht hadden gegeven om onwettige pogingen te ondernemen om Ellsberg in diskrediet te brengen.

    Deze gebeurtenis bracht het Hooggerechtshof tot een uitspraak die nog steeds wordt gezien als een mijlpaal in de relatie tussen de regering en de pers: de regering van Richard Nixon verbood de publicatie aanvankelijk, maar twee weken later besliste het Hooggerechtshof dat dat onrechtmatig was.

    Op de dag dat Neil Sheehan overleed, publiceerde Janny Scott in The New York Times het verhaal over hoe Sheehan zijn hand had weten te leggen op de Pentagon Papers. Eerder wilde hij dit niet vertellen. Pas in 2015 stemde hij er mee in om zijn verhaal te vertellen, op voorwaarde dat het niet tijdens zijn leven zou worden gepubliceerd.

    Geteisterd door scoliose en de ziekte van Parkinson, vertelde hij in een vier uur durend interview bij hem thuis in Washington een verhaal dat zó spannend en filmisch was, dat het zo uit de koker van Hollywood lijkt te komen.

    Dat zijn dood werd ondergesneeuwd door de bestorming van het Capitool door Trump-aanhanger, is een cynische speling van het lot. Waar Sheehan hoopte het einde van een bloedige oorlog te kunnen bespoedigen met de publicatie van de zogenoemde Pentagon Papers, lijken Trump-aanhangers uit op het tegenovergestelde.

    In 1969 kopieerde Daniel Ellsberg, een voormalig analist van het ministerie van Defensie, illegaal het gehele rapport over de besluitvorming van de VS over Vietnam, waaraan hij had bijgedragen toen hij voor de Rand Corporation werkte. Het rapport werd twee jaar daarvoor gemaakt in opdracht van de minister van Defensie, en het onthulde de mate waarin opeenvolgende regeringen van het Witte Huis de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog hadden geïntensiveerd, terwijl ze hun eigen twijfels over de kansen op succes verborgen hielden. Ellsberg, die inmiddels een hartstochtelijk tegenstander van de oorlog was geworden, hoopte dat openbaarmaking er een einde aan zou maken.

    In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, heeft Ellsberg de documenten echter nooit aan The Times ‘gegeven’, stelde Sheehan nadrukkelijk in het interview. Ellsberg vertelde Sheehan dat hij ze wel mocht lezen, maar geen kopieën mocht maken. Dus smokkelde Sheehan de papieren uit het appartement in Cambridge, Massachusetts, waar Ellsberg ze had opgeborgen, om ze daarna illegaal te kopiëren en mee te nemen naar NYT.

    In de daaropvolgende twee maanden hield hij Ellsberg aan het lijntje. Hij vertelde hem dat zijn redacteuren beraadslaagden over de beste manier om het materiaal te presenteren en beweerde zelf vanwege andere opdrachten aan de zijlijn te staan. In werkelijkheid had hij zich verscholen in een hotelkamer in het centrum van Manhattan, met de documenten en met een snelgroeiend team van Times-redacteuren en verslaggevers die koortsachtig toewerkten naar publicatie.

    Toen Austin ontdekte dat zijn eigen krant op het punt stond zijn primeur te pakken, belde hij Ellsberg in paniek op

    De publicatie van het eerste deel van de Pentagon Papers op 13 juni 1971 overrompelde Ellsberg. Hij vermoedde dat dit het werk was van een andere Times-medewerker, Anthony Austin, met wie hij maanden eerder in het geheim passages had gedeeld. Austin had ervoor gekozen om dat aan niemand bij de krant te melden, zodat hij ze kon bewaren voor een boek over de oorlog dat hij aan het schrijven was.

    Toen Austin ontdekte dat zijn eigen krant op het punt stond zijn primeur te pakken, belde hij Ellsberg in paniek op. Ellsberg probeerde daarop Sheehan te bereiken, die tegen de deadline aanzat van het volgende deel. Sheehan negeerde de berichten van Ellsberg totdat hij wist dat het te laat zou zijn om de drukpersen nog te stoppen. Hij vroeg een redacteur hem te laten weten wanneer er 10.000 exemplaren waren gedrukt.

    ‘Hij had moeten doen wat ik deed’, zei Sheehan in het interview van 2015 ter rechtvaardiging van zijn misleiding van Ellsberg, die hij omschreef als ‘verscheurd tussen zijn verlangen om de documenten openbaar te maken en zijn angst om in de gevangenis te belanden’. In zijn pogingen zichzelf te beschermen, zo zei Sheehan, gedroeg Ellsberg zich roekeloos. Sheehan was bang dat Ellsberg onbedoeld iemand zou tippen. ‘Het was puur geluk dat hij niet het hele verhaal heeft verraden’, zei hij.

    In conflict met zichzelf

    Ellsberg had al eens eerder als bron voor Sheehan gefungeerd. Tijdens een bezoek aan Washington in maart 1971 belde Ellsberg hem op en vroeg of hij de nacht bij hem thuis kon doorbrengen. Tijdens een lange avond van gesprekken sloten de twee mannen een deal. Volgens Sheehan zou Ellsberg hem de papieren geven en als NYT ermee instemde ze te publiceren, zou de krant haar best doen om de identiteit van de bron te beschermen.

    Maar toen Sheehan in Cambridge arriveerde om de documenten op te halen, herinnerde hij zich, was Ellsberg van gedachten veranderd. Sheehan, zei hij, mocht ze wel lezen, maar geen kopieën maken, omdat, zoals Sheehan het omschreef, Ellsberg meende dat ‘The Times ze zou achteroverdrukken zodra hij ze uit handen gaf, en ermee zouden doen wat ze wilden.’ Hij zou ‘de controle kwijt zijn’.


    763

    Lees ook ‘De film die nu of nooit gemaakt moest worden’. Over The Post, waarin Ben Bradlee (Hanks) en Katharine Graham (Streep) van The Washington Post de Pentagon Papers eveneens publiceren (en wat The New York Times daarvan vond).


    In zijn memoires uit 2002, Secrets: A Memoir of Vietnam and the Pentagon Papers, schreef Ellsberg dat hij twijfelde of The Times de documenten volledig zou publiceren, zoals hij wilde. Hij was ook bang, voegde hij eraan toe, dat als hij de papieren zou overhandigen voordat The Times publicatie had toegezegd, iemand het Federal Bureau of Investigation zou inlichten, ‘of dat de FBI er op de een of andere manier lucht van zou krijgen en achter mijn andere kopieën aan zou gaan’.

    Volgens Sheehan leek het erop dat Ellsbergs bedenkingen te maken hadden met de angst ‘de gevangenis in te moeten’. ‘Hij had nog geen politicus om hem te beschermen.’

    Hij was volgens Sheehan ‘totaal in conflict met zichzelf.’

    Zijn ogenschijnlijk geheime bron had ‘sporen achtergelaten op het plafond, op de muren, overal’

    Ellsberg nam ook grote risico’s, volgens Sheehan. Hij had meerdere kopieën gemaakt en daarvoor nonchalant betaald met persoonlijke cheques. Hij had congresleden benaderd over het houden van hoorzittingen. ‘The Times kan deze man op geen enkele manier beschermen’, dacht Sheehan. Zijn ogenschijnlijk geheime bron had ‘sporen achtergelaten op het plafond, op de muren, overal’, zei hij.

    ‘Ik was bang dat hij vroeg of laat een politicus zou tegenkomen die rechtstreeks naar het ministerie van Justitie zou gaan’, aldus Sheehan. Die zou dan de procureur-generaal bellen en zeggen: ‘Hé, The New York Times heeft een soort van groot geheim onderzoek, en ze hebben dat van Dan Ellsberg.’

    Sheehan was zich ervan bewust dat hij snel moest handelen. Zodra er iets uitlekte, zou de regering naar de rechter stappen om de publicatie te blokkeren. Advocaten van The Times zouden dan ruzie krijgen met het ministerie van Justitie over geheim materiaal, waarvan noch de rechter noch het publiek het belang zou inzien.

    Sheehan besloot ‘dat dit materiaal nooit meer in een regeringskluis terecht zou komen’

    ‘O, ik was echt heel boos,’ herinnerde Sheehan zich. Net als Ellsberg had hij zich tegen de oorlog gekeerd en was hij van plan te doen wat hij kon om die te stoppen. ‘Dus ik was behoorlijk overstuur toen Ellsberg zei: “Je kunt lezen, aantekeningen maken, maar geen kopieën”’, vertelde hij. ‘En over het feit dat hij losgeslagen was.’

    Sheehan besloot ‘dat dit materiaal nooit meer in een regeringskluis terecht zou komen’.

    Terug in Washington nam hij Susan Sheehan, zijn vrouw en auteur voor The New Yorker, in vertrouwen. Hij herinnerde zich dat ze zei: ‘Als ik jou was, zou ik deze situatie onder controle zien te krijgen.’ Speel mee met Ellsberg, doe je best hem te beschermen, maar breng het materiaal naar The Times; ‘Fotokopieer het.’

    Hij keerde terug naar Cambridge om verder te lezen en aantekeningen te maken. Toen Ellsberg liet weten dat hij voor een korte vakantie zou vertrekken, vroeg Sheehan of hij in het appartement waar de documenten werden bewaard mocht blijven werken. Ellsberg stemde toe en gaf hem een sleutel. Hij herinnerde Sheehan nogmaals: geen kopieën.

    Sheehan zei niets.

    ‘Ik kende Ellsberg al heel lang en hij dacht dat ik volgens de regels handelde die men normaal hanteerde: de bron controleert het materiaal’, aldus Sheehan. ‘Hij realiseerde zich niet dat ik had besloten: “Deze man is gewoon onmogelijk. Je kunt het niet aan hem overlaten. Het is te belangrijk en hij is te gevaarlijk.”’

    Lange nacht in een kopieerzaak

    Toen hij wist dat Ellsberg zou vertrekken, belde Sheehan naar huis. ‘Kom maar hierheen,’ zei hij tegen zijn vrouw. ‘Ik heb je hulp nodig.’ Hij vroeg haar koffers, grote enveloppen en alle cash in huis mee te brengen. Ze vloog naar Boston en checkte onder een valse naam in bij een hotel. Sheehan zat in een motel, onder weer een andere naam.

    Van de chef van het Times-bureau in Boston kreeg hij de naam van een kopieerzaak die duizenden pagina’s zou kunnen verwerken. Hij vroeg de chef om hem honderden dollars aan onkostengeld te bezorgen voor een geheim project dat hij weigerde toe te lichten. Toen de chef de Times-redactie belde en de dienstdoende avond-redacteuren bereikte, weigerden ze het verzoek. Dus belde hij de Chef Binnenland thuis.

    ‘Geef hem het geld’, besloot die volgens Sheehan. Zonder verdere vragen.

    ‘Het was alsof iemand een emmer ijswater over de man had gegooid’

    Sheehan kopieerde de sleutel van het appartement voor het geval hij het origineel zou kwijtraken. Toen begon hij de zevenduizend pagina’s te kopiëren, eerst in een makelaarskantoor waar een kennis werkte, en daarna, met de hulp van zijn vrouw, in een kopieerwinkel in een buitenwijk. Hij vervoerde stapels bladzijden per taxi tussen het appartement en de kopieerwinkel, vervolgens naar een kluisje in het busstation van Boston en later naar een kluisje op de luchthaven van Boston.

    Nadat de machines in de kopieerwinkel onder de hoeveelheid waren bezweken, verhuisden de Sheehans naar een kopieerwinkel in Boston, gerund door een veteraan van de marine. Toen de man merkte dat de documenten geheim waren en nerveus werd, belde Susan Sheehan die in de copyshop was, haar man in het appartement.

    ‘Kom hierheen,’ zei ze.

    Hij haastte zich naar de kopieerwinkel en vertelde de manager dat hij het materiaal van enkele Harvard-professoren had geleend. Ze werden gebruikt voor een studie, zei hij, en er stond een tijdslimiet op de lening. De documenten, zo verzekerde hij de manager, waren allemaal vrijgegeven. Als oud-marineman leek de manager het te begrijpen.

    Op het vliegveld boekten de Sheehans een extra zitplaats voor hun vlucht naar huis waarin ze hun koffers met documenten vastsnoerden, in plaats van ze uit het zicht te moeten laten.

    Terug in Washington vertrok een collega van Sheehan naar New York met enkele voorbeelden van de documenten en een memo van Sheehan, om goedkeuring te vragen om door te mogen gaan.

    Sheehan en een redacteur betrokken een kamer in het Jefferson Hotel in Washington. Ze brachten daar een aantal weken door met het lezen en samenvatten van de documenten die ze hadden. Daarna werden ze naar New York geroepen om de hoofdredactie van de krant te informeren. Tijdens de bijeenkomst op het hoofdkantoor van The Times in West 43rd Street, merkte Sheehan dat de advocaat van het bedrijf geschokt was.

    ‘Het was alsof iemand een emmer ijswater over de man had gegooid,’ herinnerde Sheehan zich. ‘Hij was gewoon doodsbang voor wat ik in vredesnaam allemaal zei. Hij bleef maar zeggen: “Vertel ze dit niet. Ze zullen het geheim niet kunnen bewaren. Iemand zal erover praten. Misschien plegen we een misdrijf.”’

    ‘Geen enkel risico’

    Hij en de redacteur kregen een kamer toegewezen in het Hilton-hotel in het centrum van Manhattan om verder te werken. Al snel kwamen er nog een redacteur, drie schrijvers, bewakers en archiefkasten met cijfersloten bij. Uiteindelijk werkten tientallen mensen de klok rond in drie aangrenzende kamers. ‘We hebben alles in kaart gebracht,’ aldus Sheehan. ‘En we begonnen de boel aan te zwengelen.’

    Hij maakte er een gewoonte van om Ellsberg om de paar dagen te bellen ‘om te proberen hem op de boerderij te houden’, zoals hij het in 2015 uitdrukte. Sheehan maakte zich geen zorgen dat een andere krant met het verhaal zou komen, maar was wel bang dat Ellsberg met iemand zou spreken die aan de bel kon trekken voordat The Times kon publiceren.

    Dus verontschuldigde hij zich bij Ellsberg voor zijn schijnbare gebrek aan vooruitgang. Hij zei dat de hoofdredacteuren nog aan het bespreken waren hoe ze het beste verder konden gaan. Hij ging zelfs naar Cambridge, herinnerde hij zich, alsof hij nog meer aantekeningen wilde maken. Daar schold Ellsberg hem uit, volgens Sheehan. ‘Ik neem alle risico’s’, zei Ellsberg. ‘Jullie lopen geen enkel risico.’

    Een teken, en dan de start

    Een paar weken voor publicatie besloot Sheehan een teken aan Ellsberg te sturen. Hij wilde hem niet rechtstreeks vertellen dat The Times doorging, omdat hij vreesde dat de regering onbedoeld kon worden geïnformeerd door mogelijke reacties van Ellsberg. Maar hij wilde een soort ‘stilzwijgende toestemming’ van Ellsberg. ‘Het was een gewetenskwestie’, aldus Sheehan.

    Dus vertelde hij Ellsberg dat hij nu de documenten nodig had, niet alleen zijn aantekeningen. Ellsberg had gezegd dat hij ze pas zou overhandigen als hij er klaar voor was, wetende dat The Times dan zou doen wat hij wilde. En dit keer, toen Sheehan het vroeg, stemde Ellsberg toe.

    Sheehan meende dat de toestemming betekende dat Ellsberg begreep dat The Times nu elk moment kon gaan publiceren.

    ‘Het was bedoeld om Ellsberg een soort van waarschuwing te geven, zich te laten herinneren wat hij me had gezegd, en van mijn kant een beetje om mijn geweten te sussen,’ herinnerde Sheehan zich. ‘Misschien is het hypocriet, maar we zouden gaan drukken en ik wilde proberen hem te waarschuwen.’

    Ellsberg, zo zou blijken, had het teken niet opgepikt.

    In de vriezer

    Hij regelde dat Sheehan een compleet exemplaar van de historische documenten kon ophalen, weggeborgen in een appartement van de familie Ellsberg in Manhattan. Sheehan herinnerde zich dat hij de portier ‘het soort genereuze fooi’ gaf, ‘dat mensen ertoe beweegt te zeggen: “Ik weet van niets.” Omdat ik wist dat de FBI vroeg of laat zou proberen alle stukjes samen te voegen.’ 

    Hij nam op het laatste moment nog andere stappen om zijn sporen uit te wissen. Een kopie die in het huis van de Sheehans was opgeslagen, ging in de vriezer van een collega. Pagina’s van andere kopieën met de initialen van Ellsberg werden tot pulp vermalen in New Jersey of verbrand in de barbecue van een diplomaat uit Brazilië, vriend van de schoonvader van Sheehan.

    Uiteindelijk was Ellsberg verrast door de timing van de publicatie van de Pentagon Papers. Toen Sheehan eindelijk de telefoontjes van Ellsberg beantwoordde, kreeg hij alleen diens vrouw aan de lijn, die hem vertelde dat Ellsberg blij was met de presentatie van het materiaal, maar, zoals Sheehan het uitdrukte, ‘ongelukkig was over de monumentale dubbelhartigheid.’

    In het interview van 2015 zei Sheehan dat hij de identiteit van Ellsberg nooit heeft onthuld terwijl het project liep. Tegen zijn redacteuren sprak hij altijd alleen over ‘de bronnen’. Het was de journalist van een andere krant die de identiteit van Ellsberg uiteindelijk bekendmaakte, kort nadat het verhaal van de Pentagon Papers werd gepubliceerd.

    Betaald met bloed

    Sheehan sprak ook nooit over hoe hij aan de papieren was gekomen. In 2015 zei hij dat hij de versie van Ellsberg nooit heeft willen tegenspreken of hem in verlegenheid heeft willen brengen door diens gedrag en gemoedstoestand destijds te beschrijven.

    Gedurende zes maanden was er geen contact tussen de twee mannen. Kort voor Kerstmis 1971, aldus Sheehan, kwamen ze elkaar tegen in Manhattan. In een kort gesprek vertelde hij Ellsberg wat hij had gedaan.

    ‘Dus je hebt ze gestolen, net als ik,’ herinnerde hij zich de reactie van Ellsberg.

    ‘Nee, Dan, ik heb ze niet gestolen,’ antwoordde Sheehan. ‘En jij ook niet. Deze documenten zijn eigendom van de bevolking van de Verenigde Staten. Ze betaalden ervoor uit de nationale schatkist en met het bloed van hun zonen, en ze hebben er recht op.’

  • Afrikanen leven niet alleen om te sterven. Een reactie op The New York Times

    Afrikanen leven niet alleen om te sterven. Een reactie op The New York Times

    Als de berichtgeving over Afrika alleen maar bedoeld is voor lezers die een glimp willen opvangen van ‘hoe anders de andere helft leeft’, schrijft Mamka Anyona voor African Arguments, verliezen we de kans op echt internationalisme.

    Als ik niet al bekend was met de notoire reductionistische berichtgeving van de westerse media over het Globale Zuiden, dan zou ik versteld hebben gestaan ​​van het artikel in The New York Times dat op 4 januari werd gepubliceerd onder de kop ‘Een continent waar de doden niet worden geteld’. De centrale stelling daarin is dat de lage sterftecijfers door covid-19 in ‘Afrika’ komen doordat Afrikanen hun doden niet rapporteren.

    Het artikel suggereert dat het werkelijke sterftecijfer in landen op het continent van alles kan zijn, van de officieel gerapporteerde cijfers tot de zeer hoge aantallen die Europa en de Verenigde Staten melden. Dit impliceert dat in ‘Afrika’ de dood zo gewoon is, dat als ongeveer 1 op de 1000 mensen – het huidige officiële sterftecijfer door covid-19 in de VS – binnen een paar maanden zou sterven aan een voorheen onbekende ziekte, dat onopgemerkt en ongeregistreerd zou kunnen blijven.

    Rapportage noch analyse

    Het uitgangspunt van het artikel is verbluffend. Het noch een rapportage noch een analyse, aangezien het bewijs overwegend anekdotisch is. De kop is bizar en hekelt een heel continent, terwijl in de tekst slechts 3 van de 54 Afrikaanse landen aan bod komen. De onderliggende veronderstelling is dat als rijke landen hebben geleden, Afrika erger moet hebben geleden. En als dat niet het geval is, dan moet dat komen doordat het lijden onzichtbaar is gemaakt door een voor Afrika kenmerkende incompetentie.

    Deze weergave van het continent zal ook velen verbazen die hebben gezien hoe landen in respectievelijk Afrika en het Westen op de pandemie hebben gereageerd. Toen ik bijvoorbeeld eind januari 2020 naar Kenia vloog, waren op de luchthaven al protocollen voor temperatuurcontrole en contactopsporing in werking gezet. Tot in maart 2020 opereerden luchthavens in Europa en de VS daarentegen nog grotendeels zoals normaal.

    Het artikel biedt geen enkel bewijs dat de melding van sterfgevallen in Afrika minder nauwkeurig zou zijn dan waar dan ook

    Ik had deze winter een soortgelijke reiservaring. Toen ik met mijn gezin van Nairobi naar Tanzania wilde reizen, hadden we een negatieve testuitslag nodig om toegang te krijgen. Ik belde het National Influenza Center en een paar uur later kwam een ​​professional naar mijn huis om, gehuld in een volledig beschermend pak, onze monsters te verzamelen.

    Dit stond in schril contrast met mijn ervaring toen ik een maand eerder van New York naar Kenia was gereisd. In de VS kostte het moeite de benodigde PCR-test te doen. Toen dat eindelijk lukte, werd ik geholpen door een verpleegkundige wier enige bescherming tegen de honderden mogelijk besmette personen die ze elke dag onderzocht een ​​chirurgisch mondkapje was.

    Hoewel deze ervaringen anekdotisch zijn, kunt u zich mijn ontsteltenis voorstellen bij het lezen van het artikel in The New York Times.

    In mijn eigen land, Kenia, is het niet mogelijk om ‘dierbaren thuis in de tuin te begraven’, zoals het artikel suggereert

    Gezien de nieuwigheid van het coronavirus is het een gegeven dat elk land wereldwijd met hetzelfde probleem wordt geconfronteerd: hoe spoor je sterfgevallen als gevolg van covid-19 op, hoe classificeer en registreer je ze? Er wordt algemeen aangenomen dat het werkelijke sterftecijfer overal hoger is dan momenteel wordt gerapporteerd. Hoewel het artikel in de NYT impliceert dat gegevens die zijn verzameld door landen in Afrika zonder het internationale stempel van goedkeuring onbetrouwbaar zijn, biedt het geen enkel bewijs dat de melding van sterfgevallen in Afrika minder nauwkeurig zou zijn dan waar dan ook.

    Het verbeteren van bevolkingsregistratiesystemen is wereldwijd een grote uitdaging. Tussen landen bestaan echter enorme onderlinge verschillen. Sommige, zoals Egypte, Zuid-Afrika en de Seychellen, hebben een verplicht algemeen registratiesysteem; andere, zoals Nigeria en Niger, blijven achter, zoals het artikel terecht vermeldt.

    In mijn eigen land, Kenia, is het niet mogelijk om zonder een begrafenisvergunning ‘dierbaren thuis in de tuin te begraven’, zoals het artikel suggereert. Kenia bouwt bovendien aan een verplicht gedigitaliseerd systeem waarin de gegevens van alle inwoners worden vastgelegd, een project dat geavanceerder en ambitieuzer is dan dat van veel landen met een hoog inkomen.

    Dit laat ook zien dat officiële overlijdensregisters niet de enige manier zijn om ziekte​​uitbraken op te sporen. Overheidsfunctionarissen beschikken ook over andere middelen om afwijkende sterftepatronen te herkennen, waaronder bewakingssystemen die ongebruikelijke gebeurtenissen melden. Deze rapportage laat bijvoorbeeld zien hoe de ebola-uitbraak in 2014 werd getraceerd tot aan patiënt nul in het afgelegen dorp Gueckedou, in het zuidoosten van Guinee.

    Serieuze analyse

    Wat nog belangrijker is, is dat zelfs zonder adequate tests, diagnose en rapportage sterftecijfers als gevolg van covid-19 op een schaal zoals we die in westerse landen zagen, in elk van de 54 landen van Afrika reden tot ongerustheid zouden zijn. Afrikanen leven niet alleen om te sterven!

    De kwestie die in het artikel in The New York Times wordt aangesneden, vraagt om een serieuze analyse: welke factoren dragen bij aan de ziekte- en sterftecijfers als gevolg van covid-19 in Afrikaanse landen? Waarom verschillen die van eerdere voorspellingen? Er zal een genuanceerd antwoord komen, gebaseerd op bewijs dat steeds veelvuldiger uit vroege wetenschappelijke analyses naar voren komt.

    Demografie – de jeugdige bevolking van Afrika – speelt hierbij wellicht een grote rol, maar deze wordt in het artikel slechts terloops genoemd. Effectieve tegenmaatregelen van regeringen kunnen eveneens veel verklaren, maar die worden volledig buiten beschouwing gelaten.

    Veel landen hebben in een vroeg stadium strikte lockdowns ingevoerd. Innovaties op het gebied van detectie, beheer en toeleveringsketens hebben de reactie van landen verbeterd. Rwanda gebruikt robots om te helpen bij de diagnose. Andere landen maken gebruik van robuuste gezondheidszorgsystemen om de gemeenschap essentiële zorg te kunnen blijven bieden.

    Een ongekende samenwerking op het hele continent, onder leiding van de Afrikaanse Unie, heeft ook bijgedragen

    Een ongekende samenwerking op het hele continent, onder leiding van de Afrikaanse Unie, heeft ook bijgedragen aan het versterken van testen, ziektebeheer, bevoorrading en momenteel de voorbereiding op vaccinatie.

    Deze en vele andere positieve verhalen halen nauwelijks de krantenkoppen in de reguliere westerse berichtgeving. Zoals Nanjala Nyabola opmerkt in de Boston Review: ‘Misschien zorgt de schaduw die het westerse imperialisme nog altijd op het continent werpt, voor de luie neiging om Afrika te bezien door de lens van de rampzalige ervaringen van de Verenigde Staten en Europa, waardoor de aanname wordt versterkt dat Afrika het Westen nabootst (…) in plaats van dat het zijn eigen traject volgt, op basis van regionale en nationale omstandigheden.’

    Applaus

    Landen in Afrika blijven lijden onder de directe en indirecte gevolgen van de pandemie. Sommige leiders hebben slecht werk geleverd bij het beheersen van de epidemie en elk land heeft te maken met ernstige sociaal-economische beperkingen. Maar mocht je dan toch willen generaliseren, dan zou een applaus voor een goed uitgevoerde klus gepaster zijn.

    Zolang de berichtgeving over Afrika en andere delen van het Globale Zuiden zich richt op een publiek dat hunkert naar een glimp van hoe anders de andere helft leeft (of sterft), zullen dergelijke artikelen blijven verschijnen. Wat met deze imperialistische visie verloren gaat, is niet te overzien. De waardigheid van de mensen van een heel continent. Grondige analyse en de vergelijking van verschillende benaderingen om mondiale problemen op te lossen. Het vermogen om van elkaar te leren. De kans om onszelf te zien als onderdeel van een geheel, eerder soortgelijk in onze menselijkheid dan onderling verschillend. En de mogelijkheid tot echt internationalisme.

    Openingsbeeld: voertuigen staan op donderdag 7 januari 2020 in de rij bij een drive-thrutestlocatie in het Zuid-Afrikaanse Pretoria.

  • Bestaat er een remedie tegen de allesoverheersende angst?

    Bestaat er een remedie tegen de allesoverheersende angst?

    Kenmerkend voor dit tijdsgewricht van opkomend populisme, klimaatverandering en politieke crisis is een allesoverheersende en verlammende angst. Wat zijn de gevolgen, en doen we ertegen? vraagt de Britse essayist Gavin Jacobson zich af.

    ‘Wij zien ons tijdsgewricht als een tijd van problemen, een eeuw van angst. De grond onder onze beschaving, onder onze zekerheid, verkruimelt onder onze voeten, en vertrouwde ideeën en instituties verdwijnen voor we ze kunnen vastgrijpen, als schaduwen in de invallende schemering.’

    Deze overpeinzing, geïnspireerd op het lange gedicht The Age of Anxiety van de Engels-Amerikaanse dichter W.H. Auden, komt uit het boek van de Amerikaanse historicus Arthur Schlesinger Jr., The Vital Center: The Politics of Freedom (1949). Hij schreef het in de gespannen periode vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin een nucleaire apocalyps voorstelbaar was, toen mensen zich zorgen maakten over de loop van de menselijke geschiedenis en politiek engagement moeilijk te vinden was en nog moeilijker vast te houden. Maar de passage had ook gemakkelijk in onze tijd geschreven kunnen zijn. Sinds de financiële crash van 2008 heerst er in Europa en de Verenigde Staten een ‘Sense of an ending’ (om de titel van het boek van literatuurcriticus Frank Kermode te lenen): een eindtijdgevoel. Liberale opvattingen hebben moeten wijken voor radicale twijfel. Populistische bewegingen staan op tegen de politieke en economische orde die de afgelopen vijftig jaar hebben geheerst. Electoraten staan voor een ongewisse toekomst.

    De grond onder de beschaving zal niet zozeer onder onze voeten verkruimelen, als wel wegzakken onder smeltende ijskappen en stijgende zeespiegels, terwijl de bekende indicatoren voor vooruitgang – levensverwachting, gelijkheid, geluk en vertrouwen in politieke instituties – in veel delen van de wereld afnemen. Krantenkoppen geven de stemming weer: ‘Geluk neemt af in de VS, volgens VN-rapport’ (The Guardian, maart 2017), ‘Vertrouwen daalt sterk in Amerika’, (The Atlantic, januari 2018), ‘Levensverwachting in Amerika twee achtereenvolgende jaren gedaald, (The Economist in januari 2018), ‘Neemt de ongelijkheid toe of af?’ (eveneens The Economist, maart 2018), allemaal ondersteund door de publicatie van het World Inequality Report Executive Summary, 2018 door Thomas Piketty et al. Ook de Wereldbank heeft gemeld dat er weliswaar minder mensen op de wereld in extreme armoede leven, maar dat de afname van de armoede is vertraagd.

    Naast dit verhaal van vermindering en verval zijn er ook meer positieve opvattingen, zoals die van psycholoog Steven Pinker, over een vreedzame en verlichte koers van de mensheid. Maar tot nu toe blijken de optimisten minder overtuigend: ze zijn er niet in geslaagd het tij van het doemdenken te keren.

    Lees ook:

    Lui lijfeigenschap

    We hoeven niet verbaasd te zijn over deze alarmistische verhalen. Al in de jaren negentig van de vorige eeuw luidde een hele verzameling van intellectuelen en commentatoren de alarmbel over toekomstige stormen (al werd dat geluid gedempt door een onstuitbare Amerikaanse hegemonie). Sommigen, zoals politiek wetenschapper John Mearsheimer, vreesden voor de terugkeer van nationale rivaliteiten die lang onderdrukt waren geweest door de bipolaire wereldorde van de Koude Oorlog. Anderen, onder wie historicus Paul Kennedy, grepen terug op malthusiaanse schrikbeelden zoals ‘demografische onevenwichtigheden over de hele wereld’.

    De vroegere nationale veiligheidsadviseur van Jimmy Carter, Zbigniew Brzezinski, voorzag ook een groot aantal gevaren voor de wereld en waarschuwde dat ‘mondiale verandering niet meer in de hand te houden is’, terwijl de mensheid afstevende op ‘politieke wanorde en filosofische verwarring’. Filosoof John Gray, politiek adviseur Edward Luttwak en miljardair George Soros wezen – vanuit verschillende invalshoeken en in verschillende toonaarden – op de schadelijke effecten van de vrije markt. Journalist Robert Kaplan fulmineerde tegen de kermis der ijdelheden van het rechtse Amerikaanse kapitalisme en voorspelde ‘The Coming Anarchy’, zoals hij het noemde (The Atlantic, maart 1994), een Mad Max-achtige wereld van welig tierende criminaliteit en ecologische afbraak.

    De meest verontrustende, maar minst begrepen waarschuwing kwam echter van Francis Fukuyama. Zijn essay The End of History?, dat hij in 1989 publiceerde in National Interest (en in 1992 uitwerkte tot een boek waarin het vraagteken nadrukkelijk was verdwenen), werd de oertekst van het post-Koude Oorlog-tijdperk. Fukuyama’s stelling – dat de liberale democratie het eindstation is van onze ideologische evolutie – wordt vaak gelezen als een verdediging van ongebreideld kapitalisme en van de Anglo-Amerikaanse interventies in het Midden-Oosten.

    Toch valt er weinig verlossing te verwachten van Fukuyama’s liberale eindstadium. Hij dacht zelfs dat de posthistorische toekomst gevaar liep een ‘leven van meesterloze slavernij’ te worden, een wereld van bederf en culturele verlamming, ontdaan van elke onzekerheid en gecompliceerdheid.

    ‘De laatste mens’ zou gereduceerd zijn tot homo economicus, die zich alleen liet leiden door de rituelen van consumptie, en ontdaan was van de bezielende deugden en heroïsche drijfveren die de geschiedenis hebben voortgestuwd. Hij waarschuwde dat mensen ofwel deze toestand zouden aanvaarden, ofwel, en dat was eerder te verwachten, in opstand zouden komen tegen de sleur van hun eigen bestaan: ‘Ik voel zelf en zie in anderen om me heen een sterke nostalgie naar de tijd dat de geschiedenis nog bestond (…) Misschien zal juist het vooruitzicht van eeuwige verveling aan het eind van de geschiedenis dienen om de geschiedenis weer op gang te brengen.’

    De idee dat angst, meer dan hoop of zekerheid, mensen tot daden aanzet, is vooral door klimaatdeskundigen en -activisten omarmd

    Het moderne Amerika vertoonde al tekenen van dit luie lijfeigenschap, klaagde Fukuyama, en andere landen, waaronder ook Groot-Brittannië volgden snel. Het verval van ideologieën ter linker- en rechterzijde dat was ingezet in de jaren zeventig, had in de jaren negentig zijn dieptepunt bereikt. De gevestigde politiek was niet meer zo geïnteresseerd in vragen over de verdeling van macht en hulpbronnen of over de strijd voor gelijkheid (deze kwamen bij partijen in de marge terecht) – zij richtte zich op het besturen en op technocratische aanpassingen vanuit het midden. Met zeldzaam retorische precisie schreef Slavoj Zizek in The Ticklish Subject: The absent centre of political ontology (1999) dat ‘het conflict van mondiale ideologische opvattingen, belichaamd in verschillende partijen die om de macht strijden, plaats heeft gemaakt voor de samenwerking van verlichte technocraten (economen, pr-specialisten…) en liberale multiculturalisten; via het proces van onderhandeling over belangen wordt een compromis bereikt vermomd als een min of meer algehele consensus.’ Tony Blairs idee over het Radicale Midden was volgens Zizek een volmaakte illustratie van deze verschuiving.

    Wankele moraliteit

    Met het verdwijnen van de politieke antagonismen, de grote verhalen van de geschiedenis en de labels ‘links’ en ‘rechts’, verdampte ook het fiere manifest van deugden en waarden dat burgers inspireerde. De samenleving leek al snel haar Sittlichkeit te hebben verloren, de morele en spirituele orde die dient als brandpunt voor eenheid en betrokkenheid. Zoals Frank Furedi betoogt in How Fear Works, Culture of Fear in the 21st century, is de dominante rol van de angst in ons leven nauw verbonden met deze ‘motivationele crisis die voortkomt uit de wankele staat van het moreel gezag’. Het gebrek aan positieve morele idealen, zoals moed, plicht, hoop, ideologie, liefde en solidariteit, heeft een ‘op angst gebaseerde, negatieve opvatting van gezag’ opgeleverd. (Het was natuurlijk dit gat dat de presidentscampagne van Barack Obama in 2008 blootlegde.)

    Furedi’s klaagzang volgt een vertrouwd pad. In een eerder boek, Culture of Fear: Risk taking and the morality of low expectation (1997), had hij al betoogd dat samenlevingen ‘die nog niet zo lang geleden hun triomf over de Sovjet-Unie vierden, nu te kampen hadden met een allesoverheersend gevoel van maatschappelijke malaise’. Overal zag hij ‘een groeiende aandacht voor risico’, terwijl veiligheid ‘de belangrijkste deugd van de samenleving’ werd, die elk facet van het leven kleurde, van de manier waarop we omgaan met nieuwe technologieën tot de manier waarop we omgaan met elkaar. In dit nieuwe boek keert Furedi terug naar dit thema en er klinkt een enigszins geërgerde toon in door, alsof het hem irriteert hoe angstig en verzwakt samenlevingen zijn geworden. Maar de verwarde en fragiele morele wereld die hij schetst (de wereld die Fukuyama heeft voorspeld), verklaart waarom een gevoel van angst ‘overal is’, opgewekt door de apocalyptische dreigingen, zoals klimaatverandering en kernoorlog, of door zorgen over schulden, eetpatronen, ouderschap en pedofilie.

    Furedi geeft een diagnose en een historische verklaring voor de bronnen van deze angst. Hij laat zien hoe angst in de klassieke wereld en tot aan het interbellum werd gezien als een morele kwestie die was gebaseerd op ideeën over goed en kwaad en werd bestreden met deugden zoals moed, en hoe vanaf de jaren twintig de intellectuele dominantie van de psychologie niet alleen leidde tot ‘het ont-moraliseren van angst’, maar ook ‘bijdroeg aan de vorming van een discours dat angst afschilderde als een onbeheersbare, autonome en verlammende kracht.’ De inaugurele rede van president Franklin D. Roosevelt in 1933 waarin hij zei: ‘het enige dat we te vrezen hebben (…) is de angst zelf’, koos bewust voor deze interpretatie door angst te beschrijven als ‘de onberedeneerde en ongerechtvaardigde doodsangst die mensen verlamde.’

    Sterker, angst is altijd opgevat als bron van politieke vitaliteit of, zoals John Locke het stelde ‘de belangrijkste, zo niet de enige prikkel voor de menselijke bedrijvigheid’. Vandaag echter gaat het bij de politiek van de angst niet zozeer om het leggen van een negatief moreel fundament waarop mensen in vrede samenleven, als wel over een groeiende afhankelijkheid van nationale verleiders die ons veiligheid beloven. Donald Trumps beweringen in januari 2017 dat ‘safety will be restored’ en dat ‘we will make America safe again’, zijn een voorbeeld van de manier waarop veiligheid de fundamentele waarde van het politieke leven blijft. Maar de oorspronkelijke idee dat angst, meer dan hoop of zekerheid, mensen tot daden aanzet, is in bepaalde regionen omarmd, vooral misschien wel door klimaatdeskundigen en -activisten. Het dramatische artikel van David Wallace-Wells in New York Magazine over ‘The Uninhabitable Earth’ (juli 2017), waarin hij beschrijft hoe het er aan het eind van deze eeuw met de planeet voor kan staan – hongersnoden, economische ineenstorting, besmettelijke ziekten en torenhoge temperaturen – is typerend voor het doemdenken van het klimaatactivisme, bedoeld om mensen uit angst milieubewust en veranderingsgezind te laten worden.

    Een belangrijk debat onder klimaatdeskundigen gaat niet zozeer over wetenschap, als wel over retorische stijl, en wordt gevoerd tussen mensen als Wallace-Wells en Guy McPherson (die in The New York Times een ‘apocalyptisch ecoloog’ werd genoemd) en mensen als Michael Mann die betogen dat er ‘een gevaar in zit om de wetenschap al te veel nadruk te geven op een manier die het probleem [van de klimaatverandering] voorstelt als onoplosbaar en een gevoel van noodlottigheid, onvermijdelijkheid en hopeloosheid voedt.’ Furedi is het daarmee eens en beschouwt het ecologische catastrofisme en andere verhalen over het einde van de wereld als bewijs dat ‘het uit de Verlichting stammende, optimistische geloof in het vermogen van de mensheid om het onbekende te bedwingen, heeft plaatsgemaakt voor een overtuiging dat de mensheid niet bij machte is af te rekenen met de gevaren die haar bedreigen.’

    © Jeff Sheldon
    © Jeff Sheldon

    Hoeveel van onze angsten worden gewekt door de media? Niet zo veel als vaak wordt gedacht, volgens Furedi. Het verband tussen de media en angst is niet nieuw. In de negentiende eeuw hielden commentatoren de massa-oplages van kranten en tabloids verantwoordelijk voor uitbarstingen van collectieve angst en hysterie. Mensen die de media ervan beschuldigen dat ze morele paniek zaaien met hun griezelverhalen, gebruiken daarvoor vaak dezelfde alarmistische retoriek die ze in anderen veroordelen, en zo maken ze van de media nóg een kwaadaardige kracht waar je bang voor moet zijn. Furedi twijfelt er niet aan dat media en sociale media inspelen op de angsten van mensen omdat ze daarmee hun aandacht kunnen trekken. Maar volgens hem is het al te simpel om met een beschuldigende vinger naar de media te wijzen.

    Om te beginnen zijn er ook nog directe ervaringen, persoonlijke omstandigheden en specifieke sociale verhoudingen die beïnvloeden hoe en wat we vrezen. ‘Sociale en culturele variabelen,’ zegt Furedi, ‘leiden tot een gedifferentieerde reactie op de dreigingen die de media ons voorspiegelen.’ Onderzoeken wijzen erop dat leeftijd, geslacht, sociale klasse en onderwijsniveau bepalend zijn voor de reactie van mensen op dreigingen als klimaatverandering en misdaad. Volgens Furedi creëren de media niet zozeer angst, maar kunnen ze een al bestaande fatalistische stemming wel versterken – en er munt uit slaan. De centrale rol van de media, schrijft Furedi, zit hem in het ‘normaliseren van een taal en een systeem van symbolen en betekenis voor het interpreteren van wat de samenleving ervaart’. Hij geeft als voorbeeld de toename van de angst voor pedofilie, waarbij de media die angst niet hebben veroorzaakt, maar wel ‘een belangrijke rol hebben gespeeld in het scheppen van de symbolen en beelden die door onze verbeelding spoken’.

    Furedi wijst ook op de belangrijke wisselwerking tussen tekst en beeld; gevoelens van dreigend gevaar en wanhoop worden volgens hem veroorzaakt door retorische hulpmiddelen en metaforen zoals tikkende tijdbommen en dozen van Pandora. Deze drukken waarschuwingen uit over een onzekere toekomst, en ‘moedigen de samenleving niet alleen aan om bang te zijn, maar om het ergste te vrezen’. Vooral de tijdbommetafoor is een illustratie van onze voorliefde voor het denken in worstcasescenario’s, net als de ‘Doomsday Clock’ die in het jaar dat Audens gedicht uitkwam begon te tikken. Zo ontstaat niet alleen de suggestie van een dreigende ontploffing, maar ook van de tijd die onverbiddelijk voort tikt naar een explosieve toekomst. Het leven lijkt een race om iets te doen voor het te laat is. Zo laat Sky News tijdens zijn uitzendingen bijvoorbeeld een ‘Brexit Deadline’-klok in beeld zien (nog 53 dagen, 5 uur, 34 minuten en 24 seconden op het moment dat ik dit schrijf), en New Yorkers kunnen omhoog kijken naar de National Debt Clock in Manhattan, om de (slechte) gezondheidstoestand van de economie van hun land te zien. Furedi noemt deze tijdwaarneming een ‘Manhattan-teleologie van het noodlot’ – een goede beschrijving voor de manier waarop wij over de relatie tussen het heden en de toekomst denken.

    Het gezag van de wetenschap wordt verpakt in het zelfgenoegzame idioom van goed en kwaad

    De cultuur van de angst wordt levend gehouden door een soort terugkerend vingerwijzen, waarbij degenen die de waarschuwingen van deskundigen in de wind slaan, gehekeld worden om hun zorgeloosheid of zelfs immoraliteit. Het gezag van de wetenschap wordt verpakt in het zelfgenoegzame idioom van goed en kwaad, en zo spreekt de samenleving mensen bestraffend toe omdat ze roken, zonnebaden, drinken, poedermelk gebruiken, ongezond eten en niet bewegen. Het gaat er Furedi niet om mee te zingen met het afgezaagde refrein van ‘te ver doorgedreven gezondheid en veiligheid’. Voor hem is het wezenlijke punt dat deze morele superioriteit erop gericht is om angst aan te jagen, anderen moreel te veroordelen, door gewone of dagelijkse ervaringen van het leven – zoals tegenwoordig ook het gebruik van plastic en wegwerp-koffiebekers – te veranderen in praktijken die voortdurend kritisch bekeken worden vanwege de risico’s die ze vormen voor mens en planeet.

    In deze opvatting van angst als een soort negatieve waarheid waaraan de politiek haar bestaansrecht ontleent, en in zijn beroep op deugden als ‘moed, verbeeldingskracht en idealisme’, om weer een meer positieve kijk op het leven te krijgen, komt het sociologische werk van Furedi overeen met Martha Nussbaums beknoptere filosofische verhandeling. Net als Furedi keert Nussbaum terug naar bekend terrein – de afgelopen jaren heeft zij zich vooral beziggehouden met emoties en met een poging om een nieuw stoïcisme te formuleren dat de kloof tussen gedachte en gevoel moet overbruggen – met een hernieuwd doelbewustzijn. Haar boek The Monarchy of fear: A philosopher looks at our political crisis kwam tot stand na de verkiezing van Trump, toen Nussbaum besefte dat ‘angst het probleem was, een wazige en veelvormige angst waarvan de samenleving doortrokken was.’

    Puttend uit de theorieën van de oude wijsgeren, met name filosoof-dichter Lucretius, zegt Nussbaum in essentie dat angst ook de wieg en medeplichtige is van die andere giftige emoties – woede, haat en jaloezie – waarvan we ooit dachten dat ze verdwenen waren uit de politieke organen van het Westen. ‘Angst,’ schrijft ze, ‘kaapt vaak het gevoel van verontwaardiging en protest en maakt daarvan een giftig verlangen naar genoegdoening. En angst voedt de uit walging ontstane aversie tegen sterfelijkheid en inlijving, door strategieën te produceren die uitsluiten en onderwerpen.’ Angst ligt ook aan de wortel van afgunst: ‘de angst om niet te hebben wat je erg nodig hebt.’

    Kraamkamers van hoop

    Zoals altijd schrijft Nussbaum in een koele, afstandelijke stijl, gehoorzaam aan haar eigen opdracht een stap terug te doen en ‘diep adem te halen (…) en dit moment van afstand te gebruiken om erachter te komen waar angst en aanverwante emoties vandaan komen en waar ze ons naartoe leiden.’ Ze gebruikt Martin Luther King en Nelson Mandela als leiders in morele actie, heroïsche voorbeelden van broederschap die hun kwelgeesten veroordeelden zonder in haat te vervallen. Nussbaum negeert niet de specifieke thema’s van dit politieke moment, maar ze toont hier een zekere dofheid; haar proza en zelfs haar ideeën lijken niet te passen bij de urgentie van deze tijd.

    Nussbaums punt over de socialiserende ‘ervaringen van kunst’, bijvoorbeeld, ‘wanneer mensen samenkomen om te zingen of dansen, of een toneelstuk op te voeren, of zelfs om mee te zingen met de cd van Hamilton’, mag dan op een enigszins naïeve manier aardig zijn, maar is nauwelijks serieus – zeker omdat Nussbaum niet echt uitlegt hoe kunst de kloof kan overbruggen tussen mensen die, tenminste in de VS, elkaar geregeld wegzetten als ‘fascist’ aan de ene kant, of ‘cultuurmarxist’ aan de andere. Wel wijst ze terecht op protestorganisaties en brede volksbewegingen zoals Black Lives Matter – als de kraamkamers van een meer hoopvolle politiek, waarin ideeën over het algemeen welzijn misschien in ere hersteld en versterkt kunnen worden, en waar gevoelens van individuele hulpeloosheid opgaan in collectieve macht. En ze is bereid afstand te nemen van haar poëtische visie op een politiek gebaseerd op liefde, hoop en vertrouwen, om een theorie te ontvouwen over rechtvaardigheid voor de liberaal-democratische staat gebaseerd op de kansen die alle burgers moeten krijgen – leven, fysieke gezondheid, ergens bij horen, spelen, controle over je omgeving, enzovoort – wil een land zich zelfs maar minimaal rechtvaardig kunnen beschouwen.

    Radicaler is misschien haar voorstel voor een driejarige nationale dienstplicht, waarbij jonge mensen uitgezonden worden door heel Amerika om nuttig werk te gaan doen – zorg voor ouderen, kinderopvang, infrastructurele projecten – om zo een gevoel voor solidariteit en het algemeen belang te krijgen (Fukuyama stelt dit trouwens ook voor in zijn nieuwe boek Identity: Contemporary identity politics and the demand for recognition). Nussbaums redenering dat ‘we in een tijd van een terugtredende overheid eenvoudigweg niet meer de mankracht hebben om veel essentiële diensten te verlenen’, doet misschien denken aan David Camerons Big Society-programma, maar het idee van een nationale dienstplicht past in een lange traditie van maatschappijfilosofie, van Locke en Rousseau met hun meer militair gerichte theorieën en William James met zijn ‘morele equivalent van oorlog’, tot John F. Kennedy en zijn Peace Corps.

    De vraag die Nussbaum echter ontwijkt is hoe te voorkomen is dat die gevoelens van solidariteit weer verdwijnen, zodra iemand klaar is met zijn dienstplicht en terugkeert naar het onpersoonlijke domein van de kapitalistische economie. Hoe voorkom je dat burgers weer eenlingen worden door het individualisme en het nuttigheidsdenken die horen bij de liberale staat? Uiteindelijk komen Nussbaums voorstellen om een tegenwicht te bieden aan de politiek van de angst neer op een filosofie van goede bedoelingen, en bevestigen ze alleen wat de meeste redelijk denkende mensen geacht worden te geloven – dat liefde beter is dan angst, dat een politiek van hoop beter klinkt dan een politiek die gebaseerd is op haat en dat Martin Luther King een voor de hand liggend rolmodel is. In die zin past het boek in een opkomende trend (getypeerd door bestsellergoeroes als Yuval Noah Harari) die pleiten voor ‘jezelf kennen’ en voor vormen van zelfonderzoek die meer lijken op strategieën om het in je eentje te redden dan op een politiek van solidariteit en collectieve strijd. Het doet ook denken aan de post-politieke tijdgeest van de jaren negentig en aan de ‘sentimentaliteit van het gebaar’ zoals journalist Alexander Cockburn het noemde, die zijn hoogtepunt bereikte tijdens het presidentschap van Bill Clinton en nu uit de politiek verdwenen lijkt.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/wat-er-te-doen-valt-%e2%80%a8tegen-angstzaaien/

    Eind jaren negentig viel Arthur Schlesinger in het blad Slate Clinton aan, omdat die zijn term ‘het vitale midden’ had misbruikt:

    ‘Toen ik het boek dat ik in 1949 schreef, The Vital Center noemde, was het “midden” waar ik op doelde de liberale democratie, afgezet tegen de internationale doodsvijanden daarvan – fascisme op rechts, communisme op links. Ik gebruikte die term in een mondiale context. President Clinton gebruikt hem in een binnenlandse context. Wat bedoelt hij ermee? Zijn bewonderaars [van de Democratic Leadership Council] hopen waarschijnlijk dat hij ‘de middenweg’ bedoelt, die voor hen dichter bij Ronald Reagan ligt dan bij Franklin D. Roosevelt. Zoals ik elders al heb gezegd is ‘de middenweg’ naar mijn idee bepaald niet het “vitale midden”. Het is het dode midden.’

    Nu, eenentwintig jaar later, lijkt dat dode midden nog steeds niet tot leven te komen. Nussbaums boek, met al zijn indrukwekkende filosofische vakmanschap en vriendelijke ethiek, vertegenwoordigt een soort zombie-liberalisme, zonder enige frisse of zelfs uitvoerbare politieke gedachte die rekening houdt met de ongelijkheden en materiële problemen – loonstagnatie, onbetaalbare woningen, onzekere banen, en bezuinigingen op publieke diensten, bijvoorbeeld – waar de 99 procent mee te kampen heeft. En hoe absurd, oneerlijk of stuitend kreten als ‘Bouw een muur’, ‘Weg met Obamacare!’, ‘350 miljoen dollar per week’ ‘Take back control’ ook zijn, ze zijn… iets, en electoraal wint iets het altijd van niets.

    Waarom zouden mensen überhaupt iets om de liberale democratie geven, waarom zouden deugden zoals liefde en normen van fatsoen en gelijkheid heilig zijn?

    Ook heeft Nussbaum geen poging gedaan om onder ogen te zien dat het de afgelopen paar jaar liberalen zijn geweest, en ook rechtse demagogen, die de politiek van de angst hebben aangewend, al was het maar omdat angst, net als terreur ‘een gemakkelijke begrijpelijkheid bezit’, zoals politiek denker Corey Robin uiteenzette in Fear: The history of a political idea (2004), en er ‘geen diepe filosofie, of verheven denkwerk voor nodig is om het kwade ervan vast te stellen: iedereen weet wat het is en dat het slecht is’. Maar als, zoals in de recente stroom boeken wordt betoogd, de democratie haar einde nadert, is het niet voldoende om te geloven dat we, met een beetje emotioneel lapwerk hier en daar, misschien kunnen terugkeren naar een paradijselijke tijd van vóór het populisme alles omvergooide. Liberalen zullen de moeilijkere vragen onder ogen moeten zien: waarom mensen überhaupt iets om de liberale democratie zouden geven, waarom deugden zoals liefde en normen van fatsoen en gelijkheid heilig zouden zijn en waarom we, in de woorden van John Milton, de voorkeur zouden geven aan ‘Moeilijke vrijheid boven het gemakkelijk juk/Van slaafse praal’.

  • De laatste zilverrug van Fleet Street

    De laatste zilverrug van Fleet Street

    Paul Dacre was 26 jaar lang hoofdredacteur van de Daily Mail, de invloedrijkste krant van Groot-Brittannië. Zijn vertrekt betekent het einde van een tijdperk, schrijft voormalig Mail-redacteur Helen Lewis.

    Toen ik bij de Daily Mail werkte, begon ik de krant steeds meer te beschouwen als de chocoladefabriek van Willy Wonka. Niet dat er ‘nooit iemand naar binnen gaat en nooit iemand naar buiten komt’ – de roltrap naar het glazen atrium boven Whole Foods in Kensington vervoert tenslotte een gestage stroom werknemers – maar je voelde je er zo van de buitenwereld afgesloten. Buitenstaanders zagen het als een vreemde citadel, waar politieke reputaties gemaakt en gebroken werden en waar ons nationale debat sterk werd verlevendigd of op boosaardige wijze vergiftigd, al naargelang je gezichtspunt.

    Maar de krant werd nauwelijks blootgesteld aan kritische blikken van buitenaf, zelfs niet naar persmaatstaven. Elke dag laat de Daily Mail zijn blik over de wereld gaan, die in zijn ogen meestal tekortschiet; het gebeurt maar zelden dat de wereld terugstaart. Deze geheimzinnigheid komt, zoals zoveel bij de Mail, rechtstreeks voort uit de psyche van de hoofdredacteur. Daarom spraken, toen bekend werd dat Paul Dacre na 26 jaar zou aftreden, zo veel commentatoren van het einde van een tijdperk.

    De Daily Mail is de invloedrijkste krant in Groot-Brittannië en niemand heeft zo veel pure macht als zijn hoofdredacteur. Dacres opvolger, Georgie Greig van de Mail on Sunday, heeft nauwe banden met eigenaar Lord Rothermere, maar het is ondenkbaar dat de krant zo precies zijn eigen passies, hang-ups, obsessies en vendetta’s zal weerspiegelen. Dacre was de laatste zilverruggorilla van Fleet Street.

    Schreeuwlelijk

    Buitenstaanders zijn geneigd hem als een schreeuwlelijk te zien, een agressieve wervelwind van moeiteloze krachttermen. Maar in de vijf jaar dat ik als redacteur bij de krant heb gewerkt, ontdekte ik dat hij heel wat ingewikkelder in elkaar stak. Diep in zijn hart is Dacre een verlegen man die zich ongemakkelijk voelt in gezelschap, het tegendeel van een causeur. Hij is zo’n 1 meter 85 lang, maar loopt met gebogen hoofd, alsof hij beseft dat hij meer ruimte in beslag neemt dan andere mensen. Het geluid dat ik het meest met hem associeer, is geen geschreeuw maar een diep gegrom. Je had altijd het gevoel dat hij zich elke avond oppepte voor het in de grond boren van zijn onfortuinlijke staf.

    Die spanning tussen terughoudendheid en woede is terug te zien in de krant, die zichzelf presenteert als de voorvechter van de kleine man – de rustige huiseigenaar in de buitenwijk die een tergend gewoon leventje leidt en wiens waarden worden bepaald door het feit dat hij niet tot een glamoureuze, progressieve, kosmopolitische elite behoort.

    De lezers zijn verwikkeld in burenruzies over schuttingen en conifeerhagen (onderwerpen waarover ik elke maand wel een stuk redigeerde; buren waren soms jarenlang met elkaar in oorlog). Ze worden diep geroerd door het lot van in gevangenschap levende orang-oetans, dansende beren en verwaarloosde honden. Ze vinden het fijn om elke winter weer te lezen dat de BBC rond de Kerst te veel herhalingen uitzendt. Ze verslinden het gruwelijke gezondheidskatern, dat een redacteur ooit deed flauwvallen terwijl hij bezig was met een uitzonderlijk bloederig stuk en waarin ooit mijn favoriete Mail-kop aller tijden verscheen: ‘Chirurgen maakten een nieuwe tong voor me van een stuk uit mijn arm’. (Ja, hij was nog een beetje harig. Ja, het is al tien jaar geleden en ik ben er nog steeds niet overheen.)

    We grapten altijd dat boven elk zaterdags hoofdartikel – het belangrijkste commentaar van de krant op de stand van het land – de kop ‘Het grote verraad’ kon worden gezet. Elke necrologie over een kunstenaar of schrijver kwam in wezen neer op dezelfde vraag: ‘Genie of perverseling?’ (Vaak waren ze allebei.) Dat zijn niet de stukjes uit de krant die mensen bereiken die hem niet kopen. Voor velen van hen wordt de Mail gedefinieerd door schokkende voorpagina’s waarop rechters ‘vijanden van het volk’ worden genoemd, waarop Mick Philpott, die zes van zijn zeventien kinderen vermoordde, als ‘een wanproduct van de Britse verzorgingsstaat’ wordt beschreven, en waarop wijlen Ralph Miliband, de vader van politicus Ed Miliband die als Joodse vluchteling vrijwillig dienst nam bij de Britse marine, wordt aangevallen als een man die ‘Engeland haatte’.

    hh 79054153

    Elke poging om aan te tonen dat de Mail meer behelst dan vuige rechtse polemiek, zal onvermijdelijk als een excuus voor die polemiek worden gezien. Maar wie wil begrijpen waarom bijna 1,4 miljoen mensen de krant dagelijks lezen, van wie 15 procent in 2017 op Labour stemde, zal oog moeten hebben voor het vakmanschap waarmee die wordt gemaakt. Mensen die beweerden dat ze de Playboy lazen vanwege de interviews logen misschien, maar er zijn echt mensen die de Mail lezen vanwege de schuttingruzies.

    Om die reden wekt het geen verbazing dat bronnen bij de krant hebben gezegd dat Greig die zal ‘ontgiften’. Een minder machtige hoofdredacteur zou misschien al veel eerder tot de orde zijn geroepen, uit vrees adverteerders af te schrikken op een toch al verstoorde markt.

    Dacre spreekt niet graag in het openbaar en hij heeft maar weinig sporen achtergelaten voor buitenstaanders die hem proberen te begrijpen. Een van de weinige aanwijzingen voor zijn psychische gesteldheid komt uit een aflevering van het BBC-radioprogramma Desert Island Discs uit 2004, waarin hij van leer trok tegen The Guardian vanwege de ‘belerende, onverbloemde, schijnheilige politieke correctheid’. Dat was veelzeggend: zoals progressieven de Mail haten, haat de hoofdredacteur van de Mail progressieven. Beiden ontlenen een zekere mate van bevrediging en energie aan het campagne voeren tegen en karikaturiseren van hun opponent. Ze kunnen niet zonder elkaar, en de frictie die daar het gevolg van is, houdt de motor van het Britse openbare leven draaiend.

    De enorme angst die door de Mail wordt gezaaid, is ook fascinerend omdat daaruit een van de belangrijkste drijfveren voor de moderne politiek blijkt: de strijd om de slachtofferstatus. Progressieven wijzen op de manier waarop de Mail zich uitlaat over immigranten, uitkeringsgerechtigden, beroemde vrouwen die een beetje zijn aangekomen en voetballers die van hun geld durven te genieten. Ze begrijpen niet hoe iemand die bijna 2,5 miljoen pond per jaar verdient, regelmatig een maand op de Britse Maagdeneilanden doorbrengt, buitenhuizen in de Schotse Hooglanden en West Sussex bezit en de luidruchtigste en woedendste Britse krant leidt, zichzelf als een underdog kan beschouwen. Maar dat doet Dacre wel.

    Welsprekendheid is in Dacres ogen verdacht; een gebrek aan elegantie is een teken van ernst

    Hij werd in 1948 geboren in Enfield, in Noord-Londen, en bezocht met een beurs de particuliere University College School en studeerde daarna aan de Universiteit van Leeds. Zijn vader Peter werkte zijn leven lang voor de Sunday Express. Dacre ging na zijn afstuderen werken bij de Daily Express in Manchester en zei later in een van zijn zeldzame interviews: ‘Ik heb nooit enige behoefte gehad om iets anders te worden dan journalist.’ Zijn vrouw is toneeldocent; zijn zoon James runt een theater.

    Volgens het wereldbeeld van Dacre wordt fatsoenlijke Engelsen het zwijgen opgelegd en worden zij gekleineerd door een elite die – zij het niet uitsluitend – bestaat uit leden van het Hogerhuis, ‘steenrijke bankiers’, overijverige ambtenaren, de Europese Unie en de BBC. Onder zijn hoofdredactie waren de politieke standpunten van de Mail niet zo voorspelbaar als je misschien zou denken. De krant flirtte met UKIP, maar de relatie werd niet geconsummeerd.

    Het heeft me altijd verbaasd dat de Mail tijdens de strijd om het leiderschap van de Conservatieven in 2001 Ken Clarke steunde in plaats van Iain Duncan Smith. ‘Is het beter tot een kleine rechtse factie te behoren die wordt gekenmerkt door de zuiverheid van haar verzet tegen Europa maar jaren in de wildernis tegemoetziet?’ vroeg de krant. ‘Of kun je je beter tegen een eenheidsmunt verzetten als onderdeel van een diverse partij die op tal van punten robuuste en hoognodige tegenstand kan bieden aan het verkozen dictatorschap van Tony Blair en een geloofwaardige regering kan vormen?’

    Stockholmsyndroom

    Dacre moest een snelle jongen als Tony Blair wel haten; hij had meer op met de morele ernst van Gordon Brown en bewonderde Theresa May juist vanwege haar gebrek aan charisma. Welsprekendheid is in zijn ogen verdacht; een gebrek aan elegantie is een teken van ernst. Ik weet nog dat tijdens een avonddienst James Purnell ontslag nam [als staatssecretaris] uit het Labourkabinet, na een confrontatie met Brown. De avondploeg stond op het punt de hele krant om te gooien – wat de premier verder in het nauw zou hebben gebracht – totdat dat plotseling werd afgeblazen. Een uitzonderlijk weerzinwekkende moord behield zijn vooraanstaande plek, net als Gordon Brown.

    Daarom is het vertrek van Dacre in november een treurige dag voor May. Het zal ook een uiterst verontrustende ervaring zijn voor de staf van de Mail, die op drie verschillende manieren op zijn terreurbewind reageerde. Een klein aantal bewaarde zijn kalmte en vond de uitbarstingen op een morbide manier zelfs wel amusant; een tweede groep boog grimmig het hoofd totdat ze instortten. En de laatste groep leed aan een soort Stockholmsyndroom en redeneerde dat als ze zo vaak een ‘lul’ werden genoemd, ze dat misschien ook wel waren. Ik verwacht dat deze laatste groep dezelfde moeite zal hebben om aan het leven na Dacre te wennen als langdurige gevangenen aan hun vrijlating, overweldigd door de mogelijkheid dat ze hun eigen lunch kunnen kiezen. Misschien kunnen ze iemand inhuren om hen uit te kafferen.

    Want ja, vergis u niet: de man is angstaanjagend en stond erom bekend dat hij mensen die hem bekritiseerden liet bestoken met sneue berichten. Zonder hem zal de krant verstoken zijn van zijn rusteloze, eeuwig onbevredigde bezielende geest – en mogelijk ook van een deel van de budgetten die hij ter beschikking had. Paul Dacre is de Daily Mail en de Daily Mail is Paul Dacre. Maar aan de andere kant, misschien zullen de lezers niet eens merken dat tegenstanders van de Brexit of progressievelingen zich sluipenderwijs meester maken van de pagina’s, zolang ze de schuttingruzies maar behouden.

    Auteur: Helen Lewis

    New Statesman
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 23.900

    Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. In de columns en andere opiniërende stukken stelt het blad zich ook open voor andere dan linkse geluiden.

  • Censuur in Egypte: kranten zonder kop

    Censuur in Egypte: kranten zonder kop

    Met de overname van de liberale krant Al-Masri Al-Youm heeft het regime de vrije pers definitief de nek omgedraaid. Zelfs een kop kan gevaarlijk zijn.

    Salah Diab, een van de eigenaren van Al-Masri Al-Youm (‘Egypte vandaag’) liet onlangs geen misverstand bestaan over de nieuwe koers van het Egyptische dagblad: ‘Wij staan zij aan zij met de staat, met de president. Vanaf nu willen wij geen enkel probleem hebben met de overheid,’ zo liet hij de redacteuren weten tijdens een korte toespraak waarin hij hun nieuwe chef Hamdi Rizk voorstelde.

    Rizk neemt de plaats in van Mohamed Al-Sayed Saleh, die was ontslagen vanwege een kop op de derde en laatste dag van de presidentsverkiezingen, die het ongenoegen van het bewind had gewekt: ‘De staat probeert de kiezers massaal naar de stembureaus te lokken’.

    Die kop kwam de krant te staan op een lastercampagne in andere Egyptische media. Rizk lijkt nu het dagblad te moeten redden. De aandeelhouders hebben hem gekozen vanwege zijn connecties binnen het staatsapparaat, en nog belangrijker: hij heeft ook voeling met het volk. Tegelijkertijd weet hij perfect het joviale heerschap uit te hangen dat in de hoogste machtskringen wordt gewaardeerd.

    ‘Het beetje vrijheid dat we na de revolutie van 25 januari 2011 hadden bevochten, is in één keer weggevaagd’

    Rizk, een columnist en oudgediende bij de krant, toonde moeiteloos aan berekend te zijn op de hem toegewezen taak. De eerste voorpagina onder zijn leiding bevatte geen koppen. In plaats daarvan verschenen er foto’s van twee dames, vergezeld van slogans in Egyptisch dialect. Onmiddellijk was duidelijk dat hij het traditionele, dwarse karakter van de krant volledig de kop wilde indrukken, zowel wat berichtgeving als wat koppen betrof. Kortom, onder Rizk is de krant veranderd van spreekbuis van de oppositie tot poedel van het regime.

    ‘Elke redacteur weet dat we in een overgangsperiode zitten. Niet alleen wat de voorpagina en de lay-out betreft, maar ook ten aanzien van de journalistieke koers,’ zegt een van de geïnterviewde journalisten, die al vijf jaar voor de krant werkt. ‘We snijden geen politieke onderwerpen meer aan, hebben het niet langer over mensenrechten of democratie. Het beetje vrijheid dat we na de revolutie van 25 januari 2011 hadden bevochten, is in één keer weggevaagd.’

    De crisis van Al-Masri Al-Youm weerspiegelt het lot van de hele Egyptische pers. De tweede termijn van president Abdel Fattah al-Sisi is nauwelijks begonnen of de detentie van journalisten en de boetes die de onafhankelijke pers treffen zijn weer terug van nooit werkelijk weggeweest. De zaak van Mohamed Aboe Zeid spreekt boekdelen. De winnaar van de UNESCO-prijs voor de persvrijheid in 2018 kwijnt al bijna vijf jaar weg in de gevangenis en het Openbaar Ministerie heeft de doodstraf tegen hem geëist. Hij werd gearresteerd terwijl hij verslag deed van de evacuatie van de sit-in op het plein Rabaa Al-Adawiya, tussen 14 en 16 augustus 2013, kort nadat de islamistische president Mohamed Morsi was afgezet. Die ontruiming mondde uit in een bloedbad.

    Al-Masri Al-Youm, hier met koppen, bij een kiosk in Cairo. – © Getty Images
    Al-Masri Al-Youm, hier met koppen, bij een kiosk in Cairo. – © Getty Images

    Tijdens de eerste termijn van Sisi (2014-2018) was het medialandschap al ingrijpend veranderd. Bedrijven die behoorden tot ‘soevereine organen’ – dat wil zeggen: het leger – namen bezit van particuliere televisiezenders, zo’n vijfhonderd websites werden gecensureerd, en Egyptische en buitenlandse journalisten kwamen voor de rechter. Het doel was om pro-revolutionaire stemmen het zwijgen op te leggen.

    En zo vond Egypte zichzelf in 2017 terug op de 161ste plaats van de 180 op de persvrijheidsranglijst van Reporters Without Borders. En het lijkt erop dat de situatie na Sisi’s herverkiezing alleen maar zal verergeren. Kranten hebben de opdracht gekregen meer redactionele ruimte te besteden aan ‘vrije tijd’, wat uiteraard ten koste zal gaan van politieke onderwerpen.

    Showbizz

    Al-Masry Al-Youm en Al-Shorouk, ooit sieraden van de Egyptische onafhankelijke pers, ooit spreekbuizen van liberale krachten in het land, hebben hun journalisten duidelijk gemaakt dat ze zich moeten richten op kunst en cultuur, inclusief showbizz, en op human interest, en dat zij de politiek moeten mijden.

    Onlangs haalde het maandblad Al-Hilal alle exemplaren van zijn laatste nummer van de schappen. Vier journalisten werden voor twee weken geschorst. Wat ze verkeerd hadden gedaan? In een artikel over ‘moeders van presidenten’ werd de naam van de moeder van president Sisi onder de verkeerde foto geplaatst.

    Toen Hosni Moebarak nog president was, hadden de media ‘de rode lijnen geïnternaliseerd’, in de woorden van Khaled Dawoud, journalist bij staatskrant Al-Ahram. ‘Je wist dat je het niet moest hebben over de president, het leger, de Palestijnse kwestie, de sektarische conflicten tussen moslims en kopten.’ Aan de andere kant hadden privémedia de ruimte om ruimte te geven aan figuren van de oppositie en op die manier ministers te bekritiseren. Sinds de overname van Sisi ‘kan het geringste blijk van een eigen mening zeer ernstige gevolgen hebben’.

    Auteur: Ahmed Hassan
    Vertaler: Carl Stellweg

    CONTEXT: Journalisten opgepakt

    ‘Het aantal arrestaties neemt de laatste drie weken snel toe’, aldus de Egyptische site Mada Masr. Zo zijn videoblogger Shadi Abouzeid, de politieke activisten Amal Fathi en Shadi al-Ghazali Harb, en de advocaat Haitham Mohamedine, die ook lid is van de beweging van Revolutionaire Socialisten, opgepakt. Daarnaast is Wael Abbas, een van de laatst overgebleven bloggers van de Tahrir-generatie, gearresteerd op beschuldiging van banden met een terroristische groep. Op basis van dezelfde beschuldiging werd een andere journalist, Ismail Alexandrani, veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. In totaal worden momentel ten minste 33 journalisten, burgerjournalisten en bloggers momenteel vastgehouden in Egypte, meldt Mada Masr op gezag van Reporters Without Borders. Mada Masr, de enige onafhankelijke Egyptische website, wordt momenteel geblokkeerd.

    Daraj
    Libanon | daraj.com

    Daraj (‘Trap’) werd in 2017 in Beiroet opgericht en richt zich op onderzoek, reportages en onderwerpen die bij andere media in de regio ondergeschoven kindjes zijn: burgerrechten, gender, homoseksualiteit.

  • ‘Journalistiek is 
toe aan verandering’

    ‘Journalistiek is 
toe aan verandering’

    Ulrik Haagerup, voormalig directeur informatieve programma’s van de Deense publieke omroep, vindt dat de journalistiek toe is aan verandering. ‘Traditionele media vertellen een deprimerend verhaal. Het wekt wantrouwen en apathie op.’

    Le Temps: De digitale revolutie heeft de media-wereld op zijn kop gezet. U hebt gezegd dat de journalistiek in een crisis verkeert.

    Ulrik Haagerup: ‘De economische basis van de pers kalft af. Maar dat is niet het enige probleem waarmee de journalistiek te kampen heeft. De mensen hebben geen vertrouwen meer in ons. Ze geloven niet meer in de berichtgeving van de media. Tegelijkertijd neemt ook het vertrouwen in ons politieke systeem af, het populisme viert hoogtij, de angst neemt toe en er is een groeiende kloof tussen de 
werkelijkheid en de perceptie van die werkelijkheid bij de burgers. Verandering is dan ook onontkoombaar. Maar die verandering moet niet alleen van de anderen komen.’

    Moet de verandering van de journalisten komen?

    ‘Als journalisten doen we erg ons best om aan politici uit te leggen dat zij verantwoordelijk zijn voor de crisis waarin de democratie zich bevindt en dat zij moeten veranderen. Maar we moeten ook zelf in de spiegel kijken en opnieuw nadenken over de fundamenten van de journalistiek. Er is een reëel probleem met de manier waarop wij het vak uitoefenen. Constructieve journalistiek is een manier om met andere ogen naar het vak te kijken, zonder de basisprincipes van goede, evenwichtige en kritische journalistiek geweld aan te doen. Deze manier van journalistiek bedrijven kan ons een nieuwe rol geven in een tijd waarin de media zwaar onder vuur liggen.’

    Kunt u een voorbeeld geven van de crisis waarin de journalistiek zich bevindt?

    ‘Een Amerikaanse sportschoolketen heeft pas geleden aangekondigd dat ze televisies in de trainingsruimtes gaan verbieden; het bedrijf vindt dat het niet bij een gezonde levensstijl past om naar nieuws op 
tv te kijken. Wij hebben altijd geleerd dat een verantwoordelijke burger de krant leest, op de hoogte blijft van het nieuws, zowel lokaal als nationaal als 
internationaal. Vorig jaar heeft het Reuters Institute for the Study of Journalism van de Universiteit van Oxford een enquête gehouden onder miljoenen mensen die besloten hebben de traditionele nieuwsmedia links te laten liggen. Van de ondervraagden denkt 48 procent dat het een negatieve invloed heeft op hun geestelijk welzijn als ze het nieuws volgen; 37 procent zegt geen vertrouwen te hebben in de media en 28 procent denkt dat er toch niets aan alle problemen te doen is. Vooral jongeren en vrouwen vinden het verhaal dat de traditionele media vertellen deprimerend. Het wekt wantrouwen en apathie op.’

    ‘De mensen hebben het gevoel dat de wereld er veel slechter aan toe is dan eigenlijk het geval is’

    Waar zit het probleem in?

    ‘Zelfs de serieuze media zijn de wereld gaan filteren naar hun eigen opvattingen, en hebben zo een kloof geschapen tussen de werkelijkheid en de perceptie van die werkelijkheid bij het publiek. De mensen hebben het gevoel dat de wereld er veel slechter aan toe is dan eigenlijk het geval is. In die context is de constructieve journalistiek meer nodig dan ooit, gezien de gebeurtenissen rond president Trump en de Brexit.’

    Hoe zou de journalistiek met Trump moeten omgaan?

    ‘Hoe het komt dat Trump is gekozen, blijft voor een deel een raadsel. Maar duidelijk is dat hij heeft geprofiteerd van een ongekende gratis media-aandacht. Geen enkele presidentskandidaat heeft zo veel aandacht van de media gekregen. De reden daarvoor? Donald Trump wist in te spelen op de behoeften 
van de media. Elke keer als hij zijn mond opendoet, roept hij een controverse op. Hij maakt heel efficiënt en beter dan wie ook gebruik van de sociale media. Doordat hij zo buitensporig is, zijn zelfs de 
zogenaamd serieuze media in zijn ban geraakt.’

    Is de constructieve journalistiek een antwoord 
op Donald Trump?

    ‘Nee. Dit is geen anti-Trump-beweging. Wel is de verkiezing van Trump symbolisch voor wat de 
journalistiek oplevert wanneer ze alleen de uitersten belicht, wanneer ze voorrang geeft aan simplistische boodschappen, aan een zwart-witbeeld van de wereld. De wereld is complex. Als de media de indruk geven dat de wereld op instorten staat, moet je niet verbaasd staan dat de mensen zich zorgen maken, dat ze bang zijn hun baan te verliezen en denken 
dat er meer criminaliteit is dan ooit. In zo’n context is het voor een kandidaat gemakkelijk om te zeggen dat hij de oplossing heeft.’

    Zijn de media hiervoor verantwoordelijk?

    ‘Door de manier waarop zij de actualiteit filteren, effenen ze het pad voor figuren als Donald Trump. Wij vertellen alleen wat niet goed gaat. Dat wil 
niet zeggen dat we liegen, maar we schetsen geen compleet beeld van de werkelijkheid. Want de werkelijkheid van deze planeet is nog nooit zo positief geweest. De criminaliteit neemt af, het aantal 
verkeersongelukken is gedaald. In de geschiedenis van de mensheid zijn er nooit eerder zo weinig doden als gevolg van oorlog gevallen, en dat zelfs ondanks de tragedie in Syrië. Maar de mensen weten dat niet. Zij denken dat het juist van kwaad tot erger gaat. Of als ze gaan stemmen, baseren ze zich niet 
op de feiten, maar op wat zij dénken van de feiten.

    Daarom doen veel kandidaten in politieke functies geen moeite meer om de feiten te presenteren. Ze brengen alleen de perceptie over die zij het publiek willen inprenten. Die verschuiving grijpt steeds verder om zich heen en is heel gevaarlijk voor de democratie en de journalistiek. Zo wordt het falen van de journalisten zichtbaar. Carl Bernstein, een van de twee Washington Post-onderzoeksjournalisten in het Watergateschandaal, heeft eens tegen me gezegd: “Journalistiek is op zoek gaan naar de versie die het dichtst bij de waarheid komt, en die aan het publiek presenteren.” Het is tijd om de mediacultuur te veranderen.’

    Ulrik Haagerup schreef het boek Constructive News: How to Save the Media and Democracy with Journalism of Tomorrow en is directeur en medeoprichter van het Constructive Institute, ofwel het instituut voor constructieve journalistiek, in het Deense Aarhus.
    Ulrik Haagerup schreef het boek Constructive News: How to Save the Media and Democracy with Journalism of Tomorrow en is directeur en medeoprichter van het Constructive Institute, ofwel het instituut voor constructieve journalistiek, in het Deense Aarhus.

    Maak je de werkelijkheid niet mooier dan ze is, 
als je alleen maar goed nieuws brengt?

    ‘Constructieve journalistiek wil niet een soort Noord-Koreaanse journalistiek bedrijven. Het gaat erom 
dat we andere invalshoeken kiezen en ons op de 
toekomst richten in plaats van op het verleden. 
De journalistiek moet proberen een inspiratiebron 
te zijn. Onze taak als journalisten is om meer mensen bij het debat te betrekken, zodat we samen oplossingen kunnen vinden. Journalisten moeten daarin de rol van bemiddelaar en facilitator spelen.’

    Kan constructieve journalistiek wel samengaan met onderzoeksjournalistiek die de werkelijke zwaktes van de macht wil blootleggen?

    ‘David Boardman, de vroegere hoofdredacteur van de Seattle Times en de vader van de onderzoeksjournalistiek, drukte dat heel goed uit tijdens onze 
grote conferentie vorig najaar in Aarhus. Hij zei: 
‘De constructieve journalistiek sluit de cirkel van 
de onderzoeksjournalistiek.” Hij bedoelde dat 
journalistiek een tweerichtingsproces is dat de samenleving helpt zichzelf te corrigeren. Ja, het is ons werk om vraagtekens te plaatsen bij de macht, 
om aan te tonen waar die niet goed functioneert. Maar tot nu toe dachten wij meestal dat goede 
journalistiek ging om het opsporen van nieuwe 
problemen, zonder dat wij ons bezig hoefden te houden met de vraag hoe die opgelost moesten worden. Die leemte probeert constructieve 
journalistiek op te vullen.’

    Wat is het doel van het Constructive Institute waarvan u aan het hoofd staat?

    ‘Ons doel is even ambitieus als naïef. We willen in vijf jaar tijd de mondiale informatiecultuur veranderen. Dat het vertrouwen in de media is verdwenen is zo ernstig en gevaarlijk voor de democratie dat we geen vijf jaar meer kunnen afwachten. Willen journalisten gerespecteerd worden door de samenleving, dan moeten ze weten waar ze over praten. Dat vraagt om journalisten die hun eigen belangen ondergeschikt maken aan het gemeenschappelijk belang. Het is niet de roeping van de journalist om verhalen te 
verkopen aan adverteerders. En ook niet om een 
activist te zijn die probeert de manier waarop mensen denken te beïnvloeden.’

    U was bij een persontmoeting van de VN. Welke indruk hebt u daaraan overgehouden?

    ‘De VN vervullen een enorme taak, maar de communicatiecultuur tussen de woordvoerders van de VN 
en de internationale pers concentreert zich op wat de journalisten aan hun redactie kunnen ‘verkopen’: dramatische gebeurtenissen en voortdurende problemen. Het gevolg: de mensen over de hele wereld krijgen telkens weer het idee dat alles van kwaad 
tot erger gaat. We moeten de Bermudadriehoek van het populisme veranderen: politici, deskundigen en 
journalisten moeten een genuanceerd, realistisch en onderbouwd beeld geven van de werkelijkheid, om burgers te helpen de weg te vinden in onze bedreigde democratieën.’

    Het economische model van de pers staat zwaar onder druk. Hoe moeten de media gefinancierd worden?

    ‘Als Europeaan heb ik me grote zorgen gemaakt over het referendum van 4 maart in Zwitserland over de publieke omroep. Dat de Zwitsers, enigszins uit onwetendheid, ervoor konden kiezen om die vorm van journalistiek, de publieke omroep, af te schaffen, was heel gevaarlijk voor de cohesie van het land. Die cohesie heeft een prijs. Ik zeg niet dat de publieke omroep niet kan veranderen, dat je er geen kritiek op kunt hebben. Maar het was naïef om te denken dat de markt, Facebook en Google het Zwitserse publiek, ook op het platteland, even goed zouden kunnen informeren.’

    Auteur: Stéphane Bussard

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

    CONTEXT: Referendum Omroepbijdrage

    De Zwitsers blijven een bijdrage betalen voor hun publieke omroep; bij een referendum stemde 71 procent tegen het voorstel om de Billagomroepbijdrage [genoemd naar het bedrijf dat de gelden incasseert, Billag ] af te schaffen. Elk huishouden in Zwitserland betaalt ongerekend zo’n 390euro per jaar voor de publieke omroep. Het voorstel kreeg warme bijval in het Italiaanssprekende kanton Tessin. In de Duits- en Franssprekende landsdelen was het enthousiasme een stuk minder. Weliswaar zijn de Zwitsers het erover eens dat de publieke omroep het wel wat zuiniger aan moet doen en dat een bijdrage voor de publieke omroep niet meer van deze tijd is, vooral door de opkomst van streamingdiensten als Netflix, maar een meerderheid vindt dat in alle taalgebieden programma’s van dezelfde kwaliteit moeten worden uitgezonden, waarvoor alleen de publieke omroep garant kan staan; 68 procent vreesde in de nieuwsvoorziening al te afhankelijk te worden van omroepen die geheel door het bedrijfsleven
    worden gesponsord.

  • Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.

    Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.

    Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.

    Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.

    Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.

    Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.

    Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.

    Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld

    We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.

    Vreselijk hoe we afstompen, hè?

    Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.

    Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.

    Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.

    Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.

    Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.

    Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.

    De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.

    Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?

    Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.

    Symbolisch en willekeurig

    Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.

    Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.

    Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.

    Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.

    Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.

    Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.

    Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.

    De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.

    Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.

    De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.

    Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’

    Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.

    Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’


    Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.

    In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!

    Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.

    Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?

    De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.

    En het is mijn schuld.

    Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.

    De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.

    Boodschappers van de terreur

    Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.

    De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.

    Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.

    De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.

    Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.

    Dus: vooral in Europa.

    In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.

    In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.

    In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.

    Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.

    Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.

    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.

    Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.

    De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.

    Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.

    Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.

    Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.

    De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.

    De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online

    Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.

    De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.

    Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.

    Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.

    Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.

    Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.

    En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.

    Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.


    De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.

    Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.

    Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.

    Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?

    Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.

    Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.

    Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.

    Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.

    Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.

    De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.

    Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?

    Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).

    Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.

    Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.

    Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.

    Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.

    Het Werther-effect

    Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.

    Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.

    In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.

    Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.

    Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.

    Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.

    Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.

    Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.

    Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.


    De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.

    Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.

    Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?

    Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.

    Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.

    Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.

    En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.

    We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.

    In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.

    Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.

    Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.

    Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.

    Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.

    Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.

    Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel

    Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel, Der Stern, de Süddeutsche Zeitung, Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.

    En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.

    Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.

    De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.

    Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.

    Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.

    Auteur: Bastian Berbner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Het verzwegen verhaal van de Oekraïense hongersnood in 1932-1933

    Het verzwegen verhaal van de Oekraïense hongersnood in 1932-1933

    In 1932 en 1933 stierven in de Sovjet-Unie ruim vijf miljoen mensen van de honger. De buitenlandse pers in Moskou hield het nieuws onder de pet, op één dappere freelancer na.

    Uit het archief

    Net zoals de oorlog in Oekraïne in Rusland momenteel niet bestaat (het is slechts een ‘speciale militaire operatie’), zo bestond de hongersnood in 1932-1933 in Oekraïne niet in de Sovjet-Unie. Er werd door geen krant of journalist over gerept, zelfs niet in het buitenland, behalve door de Brit Gareth Jones. Zijn verhaal laat zien hoe belangrijk onafhankelijke media is.

    In 1932 en 1933 werd de Sovjet-Unie getroffen door een rampzalige hongersnood. Deze vond zijn oorsprong in de chaos van de collectivisatie, waarbij miljoenen boeren gedwongen hun land moesten opgeven om te gaan werken op een collectieve staatsboerderij. De algehele situatie in het land verslechterde alleen nog maar toen, in de herfst van 1932, het politbureau, het elitecomité binnen de Communistische Partij van de Sovjet-Unie, een aantal besluiten nam waardoor de hongersnood op het platteland in de Oekraïne nog schrijnender werd. Ondanks de schaarste vorderde de staat niet alleen graan, maar al het beschikbare voedsel.

    Op het dieptepunt van de crisis drongen georganiseerde groepen van politieagenten en lokale partijactivisten, gedreven door honger, angst en een decennium van haatpropaganda, de huizen van de boeren binnen en namen al het eetbare mee wat ze maar konden vinden: aardappelen, bieten, pompoenen, bonen, erwten en vee. Tegelijkertijd werd er een kordon om Oekraïne getrokken om te voorkomen dat mensen zouden ontsnappen. De gevolgen waren rampzalig: in de hele Sovjet-Unie kwamen meer dan vijf miljoen mensen om van de honger. Onder de slachtoffers waren bijna vier miljoen Oekraïners, die niet stierven omdat ze hun akkers hadden verwaarloosd of omdat de oogst was mislukt, maar omdat hun bewust voedsel was onthouden.

    De USSR heeft noch de hongersnood in de Oekraïne noch de hongersnood in de Sovjet-Unie als geheel op enig moment officieel erkend. Er heerste zo’n nietsontziende terreur dat er sprake was van een totaal zwijgen. Buiten de Sovjet-Unie waren er echter andere, meer subtiele tactieken vereist om dit stil te houden. Die tactieken worden op schitterende wijze blootgelegd door de parallelle verhalen van Walter Duranty en Gareth Jones.

    In de jaren dertig leidden alle leden van de pers in Moskou een hachelijk bestaan. Correspondenten hadden toestemming van de staat nodig om er te wonen én om hun artikelen te kunnen doorseinen. Journalisten onderhandelden vaak met censoren van het ministerie van Buitenlandse Zaken om toestemming te krijgen over welke woorden ze mochten gebruiken, en ze hadden een goede relatie met Konstantin Oemanski, de Sovjetfunctionaris die verantwoordelijk was voor de buitenlandse persdienst. William Henry Chamberlin, die toen correspondent in Moskou was voor de Christian Science Monitor, schreef dat de buitenlandse correspondent die weigerde zijn berichtgeving af te zwakken, ‘onder een zwaard van Damocles werkt: het risico het land uit te worden gezet of de geweigerde toestemming om terug te keren, wat vanzelfsprekend op hetzelfde neerkomt’.

    Er waren extra beloningen beschikbaar voor diegenen die het spel zeer kundig speelden, zoals Walter Duranty. Hij was tussen 1922 en 1936 de correspondent voor The New York Times in Moskou, een positie die hem enige tijd betrekkelijk rijk en beroemd maakte. Duranty, een Brit van geboorte, had geen banden met ideologisch links, maar nam het standpunt in van een zakelijke en sceptische ‘realist’ die zijn best deed om beide kanten van het verhaal te laten zien. ‘Men kan tegenwerpen dat vivisectie op levende dieren iets treurigs en vreselijks is, en het is waar dat het lot van de koelakken en anderen die zich verzet hebben tegen het Sovjetexperiment niet gelukkig is,’ schreef hij in 1935. Maar ‘in beide gevallen wordt het leed aangedaan met een nobel doel’.

    Toestemming

    Dit standpunt zorgde ervoor dat Duranty heel nuttig was voor het regime, dat er alles aan deed om hem het bestaan in Moskou aangenaam te maken. Hij had een groot appartement, een auto en een maîtresse, hij had van alle correspondenten de meeste toegang tot bronnen, en twee keer kreeg hij een begeerd interview met Stalin. Maar de aandacht die hij kreeg dankzij zijn artikelen lijkt de primaire beweegreden te zijn geweest voor Duranty’s vleiende verslaggeving over de Sovjet-Unie. In 1932 kreeg hij de Pulitzer Prize voor zijn artikelen over de successen van de collectivisatie en het vijfjarenplan. Korte tijd later nodigde Roosevelt, die toen gouverneur van New York was, Duranty uit in de gouverneursresidentie in Albany. Maar naarmate de hongersnood verhevigde, werd de controle nog scherper. Vanaf 1933 eisten de pr-mensen van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat correspondenten toestemming vroegen en voor een reis een routebeschrijving indienden. Elk verzoek om een bezoek te brengen aan Oekraïne of de Noordelijke Kaukasus werd afgewezen. De censuur controleerde ook berichten op heimelijke reportages over de hongersnood. Eind 1932 kwamen Sovjetfunctionarissen zelfs bij Duranty thuis, waar hij zenuwachtig van werd.

    Weinig correspondenten waren in zo’n sfeer geneigd om over de hongersnood te schrijven, hoewel ze er allemaal van op de hoogte waren. ‘Formeel was er geen hongersnood,’ schreef Chamberlin. Maar ‘voor iedereen die in 1933 in Rusland woonde en die zijn ogen en oren openhield, valt er gewoon niet te twijfelen aan het bestaan van de hongersnood’. Duranty zelf besprak eind 1932 de hongersnood met William Strang, een diplomaat op de Britse ambassade. Strang rapporteerde laconiek dat de correspondent van The New York Times zich ‘al enige tijd bewust was van de waarheid’, al had hij ‘het grote Amerikaanse publiek niet op de hoogte gebracht van het geheim’. Duranty vertelde Strang ook dat hij het goed mogelijk [achtte] dat maar liefst 10 miljoen mensen direct of indirect door gebrek aan voedsel omgekomen waren’, al werd dat cijfer nooit in een van zijn artikelen genoemd. Duranty stond daarin niet alleen. Eugene Lyons, de correspondent van United Press in Moskou en ooit een enthousiast marxist, schreef jaren later dat alle buitenlanders in de stad zich terdege bewust waren van wat er speelde in Oekraïne én in Kazachstan en de Wolgaregio:

    In werkelijkheid zochten we niet naar bevestiging om de doodeenvoudige reden dat we niet twijfelden over het onderwerp. Er zijn feiten die zo immens zijn dat ze geen bevestiging van ooggetuigen nodig hebben (…) Er was net zomin een noodzaak om onderzoek te doen naar het bestaan van de Russische hongersnood als er een reden was om onderzoek te doen naar het bestaan van de Amerikaanse Grote Depressie. Binnen Rusland werd de zaak niet betwist.

    Het lichaam van een jonge vrouw tijdens de Oekraïense hongersnood, in het voorjaar van 1934. – © Daily Express / Hulton Archive/ Getty Images
    Het lichaam van een jonge vrouw tijdens de Oekraïense hongersnood, in het voorjaar van 1934. – © Daily Express / Hulton Archive/ Getty Images

    Iedereen wist het, maar niemand meldde het. Dat verklaart de uitzonderlijke reactie van zowel het Sovjetestablishment als de persdienst in Moskou op de journalistieke escapade van Gareth Jones. Jones was een jonge Welshman van nog maar zevenentwintig jaar toen hij in 1933 een reis maakte naar de Sovjet-Unie. Jones studeerde Russisch én Frans en Duits in Cambridge. Vervolgens kreeg hij een aanstelling als privésecretaris van de voormalige Britse premier David Lloyd George. In dezelfde tijd begon hij als freelancer te schrijven over Europese en Sovjetpolitiek en maakte hij korte uitstapjes naar de Sovjet-Unie, waardoor hij in een andere positie verkeerde dan de correspondenten in Moskou, die de goedkeuring van het regime nodig hadden om hun verblijfsvergunning te behouden.

    Tijdens een van die reizen, begin 1932, voor het reisverbod werd ingevoerd, trok Jones naar het platteland (in gezelschap van Jack Heinz ii, telg uit het ketchupimperium) waar hij in Sovjetdorpen op ‘vloeren vol ongedierte’ sliep en getuige was van het begin van de hongersnood. Jones keerde in het voorjaar van 1933 terug in Moskou, dit keer met een visum dat aan hem was verleend op grond van het feit dat hij voor Lloyd George werkte. De Sovjetambassadeur in Londen, Ivan Majski, wilde heel graag indruk maken op Lloyd George en had voor Jones gelobbyd. Jones maakte na aankomst eerst een rondgang door de Sovjethoofdstad en ontmoette andere buitenlandse correspondenten en functionarissen. Lyons herinnerde zich hem als ‘een serieus en nauwgezet mannetje, […] het type dat een aantekenboekje bij zich heeft en tijdens het gesprek zonder blikken of blozen opschrijft wat je zegt’. Jones had een ontmoeting met Oemanski, liet hem een uitnodiging voor een bezoek aan de Duitse consul-generaal in Charkov zien, schetste een plan om een Duitse tractorfabriek te bezoeken en vroeg of hij naar Oekraïne mocht. Oemanski ging akkoord. Met die officiële stempel van goedkeuring vertrok Jones naar het zuiden.

    Hij nam op 10 maart in Moskou de trein. In plaats van door te reizen naar Charkov, stapte Jones echter ruim 60 kilometer ten noorden van de stad uit de trein. Bepakt met een rugzak met ‘vele witte broden, met boter, kaas, vlees en chocola aangeschaft met buitenlands geld in de Torgsin-warenhuizen’ liep hij langs het spoor in de richting van de Oekraïense hoofdstad. Zonder officiële oppasser of begeleider passeerde hij gedurende drie dagen ruim twintig dorpen en collectieve boerderijen; hij zag Oekraïne op het moment dat de hongersnood op z’n ergst was, en noteerde zijn gedachten en impressies in aantekenboekjes die later bewaard werden door zijn zus:

    Ik ging de grens over van Groot-Rusland naar Oekraïne. Overal sprak ik met boeren die ik tegenkwam. Ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal. ‘Er is geen brood. We hebben al twee maanden geen brood meer gehad. Heel veel mensen sterven.’ In het eerste dorp waren geen aardappels meer en de winkel voor boerjak [suikerbiet] raakte leeg. Ze zeiden allemaal: ‘Het vee gaat dood, netsjem kormit [er is niets om ze te voeren]. Vroeger voedden wij de wereld en nu hebben wij honger. Hoe kunnen we zaaien als we nog maar een paar paarden hebben? Hoe kunnen we de grond bewerken als we verzwakt zijn door voedselgebrek?’

    Jones sliep in boerenhutten op de grond. Hij deelde zijn eten met anderen en luisterde naar hun verhalen. ‘Ze probeerden mijn iconen weg te halen, maar ik zei dat ik een boer was, geen hond,’ vertelde iemand. ‘Toen we in God geloofden, waren we gelukkig en hadden we een goed leven. Toen ze probeerden God weg te nemen, kregen we honger.’ Een andere man vertelde hem dat hij al een jaar geen vlees had gegeten.

    ‘We stonden dit individu op allerlei manieren bij, en hij blijkt een bedrieger te zijn’

    Jones zag een vrouw die stof spon om kleren van te maken, en een dorp waar de inwoners paardenvlees aten. Uiteindelijk werd hij aangesproken door een ‘militieman’ die zijn papieren wilde zien, waarna politiemensen in burger erop stonden hem te begeleiden op de volgende trein naar Charkov en hem naar de ingang van het Duitse consulaat brachten.

    Hij bleef aantekeningen maken terwijl hij in Charkov was. Hij zag duizenden mensen in broodrijen staan: ‘Ze vormen om drie à vier uur ’s middags een rij om de volgende ochtend om zeven uur brood te krijgen. Het is ijskoud: enkele graden onder nul.’ Jones bezocht op een avond het theater – ‘Publiek: Heel veel lippenstift maar geen brood’ – en sprak met mensen over de politieke repressie en de massale arrestatiegolven die tegelijk met de hongersnood over Oekraïne neerdaalden. Hij schijnt te hebben geprobeerd in contact te komen met Oemanski’s collega in Charkov, maar die kreeg hij niet te pakken. Stilletjes verliet Jones de Sovjet-Unie. Enkele dagen later dook hij in Berlijn op bij een persconferentie die waarschijnlijk georganiseerd was door Paul Scheffer, de journalist van het Berliner Tageblatt die in 1929 uit de Sovjet-Unie was verbannen. Jones verkondigde dat in de Sovjet-Unie een grote hongersnood aan de gang was en legde een verklaring af:

    Overal hoorde je de kreet: ‘Er is geen brood. We gaan dood.’ Deze kreet hoorde je in elke uithoek van Rusland, in het Wolgagebied, Siberië, Wit-Rusland, de Noordelijke Kaukasus, Centraal-Azië (…)

    ‘We wachten tot we dood zijn,’ luidde mijn welkom. ‘Kijk, wij hebben ons veevoer nog. Ga maar een eindje verder naar het zuiden. Daar hebben ze niets. Veel huizen zijn leeg omdat de bewoners al dood zijn,’ riepen ze.

    Twee ervaren Amerikaanse journalisten in Berlijn namen Jones’ persconferentie op in hun krant, in de New York Evening Post (‘Rusland in de greep van hongersnood, miljoenen komen om, stijgende werkloosheid aldus Brit’) en de Chicago Daily News (‘Russische hongersnood nu even erg als uithongering in 1921 aldus secretaris van lloyd george’). Een breed scala aan Britse publicaties volgde. In de artikelen werd uitgelegd dat Jones een ‘lange wandeltocht door Oekraïne’ had gemaakt, zijn perscommuniqué werd geciteerd en er werden details toegevoegd over de grootschalige verhongering.

    Ze merkten op, net als Jones zelf, dat hij de regels had geschonden die andere journalisten aan banden legden: ‘Ik trok door het zwarte-aardegebied omdat dat ooit de vruchtbaarste landbouwgrond van Rusland was en omdat de correspondenten daar niet heen mogen om met hun eigen ogen te zien wat er gebeurt’, schreef hij. Jones publiceerde erna nog een tiental artikelen in de London Evening Standard en Daily Express, maar ook in de Cardiff Western Mail.De autoriteiten die Jones met gunsten hadden overladen waren woedend. Maksim Litvinov, de minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie, klaagde boos tegen ambassadeur Majski. ‘We stonden dit individu op allerlei manieren bij, hielpen hem bij zijn werk, ik stemde zelfs in met een ontmoeting, en hij blijkt een bedrieger te zijn.’

    Een vrouw wandelt langs stervende mensen tijdens de grote Oekraïense hongersnood. – © Getty Images

    Een vrouw wandelt langs stervende mensen tijdens de grote Oekraïense hongersnood. – © Getty Images

    Direct na Jones’ persconferentie kondigde Litvinov een nog strenger verbod op reizen buiten Moskou door journalisten af. Majski beklaagde zich later bij Lloyd George, die zich distantieerde van Jones, verklaarde dat hij de reis niet gesteund en Jones niet als zijn vertegenwoordiger gestuurd had. Het is niet bekend wat hij echt dacht, maar Lloyd George zag Jones nooit meer terug. De persafdeling in Moskou was zelfs nog bozer. Haar leden wisten vanzelfsprekend allemaal dat het waar was wat Jones had verkondigd, en enkelen zaten al te vlassen op manieren om hetzelfde verhaal te vertellen. Malcolm Muggeridge, die toen de correspondent was voor The Manchester Guardian – in de plaats van Chamberlin, die het land uit was – had net via de diplomatieke post drie artikelen het land uit gesmokkeld.

    The Guardian publiceerde ze anoniem, met veel inkortingen die waren uitgevoerd door redacteuren die het niet eens waren met zijn kritiek op de Sovjet-Unie, en daar werd haast geen aandacht aan geschonken: ze botsten met grotere verhalen over Hitler en Duitsland. Maar de rest van de persdienst, die afhankelijk was van de welwillendheid van Oemanski en Litvinov, sloot de gelederen tegen Jones. Lyons beschreef nauwgezet wat er gebeurde:

    De vernedering van Jones was de meest onaangename taak die ons wachtte in jaren van gejongleer met feiten om dictatoriale regimes te behagen – maar we vernederden hem wel degelijk, unaniem en in haast identieke ambigue formuleringen. De arme Jones moet de meest verbaasde mens op aarde geweest zijn toen de feiten die hij zo nauwgezet uit onze mond verzameld had, ondergesneeuwd werden door onze ontkenningen (…) In een sfeer van beschaafd geven en nemen werd er onder de schittering van Oemanski’s vergulde glimlach stevig gemarchandeerd, voor een formele ontkenning was uitgewerkt. We gaven voldoende toe om ons geweten te sussen, maar in omslachtige bewoordingen die Jones veroordeelden als een leugenaar. Toen het vuile zaakje was volbracht, bestelde iemand wodka en zakoeski.

    Of die bijeenkomst nu wel of niet werkelijk plaatsvond, dit vat metaforisch gezien wel samen wat er vervolgens gebeurde. Op 31 maart, slechts een dag nadat Jones in Berlijn zijn uitspraken gedaan had, reageerde Duranty zelf. ‘Russen lijden honger maar verhongeren niet’ luidde de kop in The New York Times. In het artikel deed Duranty zijn uiterste best om Jones belachelijk te maken. Uit Britse bron verschijnt een enorm griezelverhaal in de Amerikaanse pers over hongersnood in de Sovjet-Unie, met ‘al duizenden doden en nog eens miljoenen voor wie dood en uithongering dreigen’.

    De auteur ervan is Gareth Jones, een voormalig secretaris van David Lloyd George die onlangs drie weken in de Sovjet-Unie doorbracht en tot de slotsom kwam dat het land ‘aan de rand van een verschrikkelijke ineenstorting’ stond, zoals hij aan onze verslaggever vertelde. Meneer Jones heeft een scherp en levendig verstand, en hij heeft de moeite genomen om Russisch te leren, dat hij bijna vloeiend spreekt, maar onze verslaggever was van mening dat meneer Jones nogal snel een oordeel geveld had en vroeg hem waar het op gebaseerd was. Hij bleek een wandeling van ruim 60 kilometer te hebben gemaakt langs dorpen in de buurt van Charkov en treurige omstandigheden te hebben gezien. Ik opperde dat dat een nogal gebrekkige dwarsdoorsnede was van een groot land, maar niets kon zijn overtuiging van een naderende ondergang aan het wankelen brengen.

    Duranty vervolgde met een uitdrukking die later berucht zou worden: ‘Om het cru te zeggen: waar gehakt wordt vallen spaanders.’

    Vervolgens legde hij uit dat hij ‘uitputtend onderzoek’ gedaan had en tot de conclusie gekomen was dat de ‘omstandigheden slecht zijn, maar er geen hongersnood heerst’. Jones schreef een verontwaardigde brief aan de hoofdredacteur van The Times, waarin hij geduldig zijn bronnen opsomde en de persafdeling in Moskou aanviel:

    De censuur heeft meesters in eufemismen en understatements van ze gemaakt. Vandaar dat ze ‘hongersnood’ braaf ‘voedseltekort’ noemen en dat ‘omkomen van de honger’ verzacht wordt tot ‘wijdverbreide sterfte door ziekten als gevolg van ondervoeding’.

    “Russen lijden honger maar verhongeren niet” werd de algemeen aanvaarde wijsheid

    En daar bleef het bij. Duranty overschaduwde Jones: hij was beroemder, werd meer gelezen, was geloofwaardiger. Hij werd ook niet tegengesproken. Lyons en Chamberlin uitten later spijt dat ze hem niet harder bestreden hadden. Maar op het moment zelf schoot niemand Jones te hulp. Wat Jones zelf betreft: hij werd toen hij in 1935 verslag deed vanuit Mongolië ontvoerd en vermoord door Chinese bandieten.

    ‘Russen lijden honger maar verhongeren niet’ werd de algemeen aanvaarde wijsheid. Ze viel ook mooi samen met de actuele harde politieke en diplomatieke overwegingen. Europeanen gingen zich in 1934 en 1935 nog meer zorgen maken over Hitler. De nieuwe regering-Roosevelt zocht eind 1933 actief naar redenen om slecht nieuws over de Sovjet-Unie te negeren. Het team rond de president was tot de conclusie gekomen dat het door de ontwikkelingen in Duitsland en de noodzaak om de Japanners in toom te houden tijd werd dat de VS eindelijk volwaardige diplomatieke betrekkingen aangingen met Moskou. Roosevelt werd door zijn belangstelling voor centrale planning en voor de in zijn ogen grote economische successen van de Sovjet-Unie – de president las de verslagen van Duranty zorgvuldig – aangemoedigd te geloven dat er ook een lucratieve commerciële relatie mogelijk was.

    Uiteindelijk sloten de twee landen een overeenkomst. Litvinov arriveerde in New York om deze te ondertekenen – vergezeld door Duranty. Duranty werd tijdens een overvloedig banket voor de minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie in het Waldorf Astoria voorgesteld aan de 1500 gasten. Hij stond op en maakte een buiging. Dit werd gevolgd door een luid applaus. Duranty’s naam, schreef The New Yorker later, veroorzaakte ‘het enige echt langdurige pandemonium’ van de avond. ‘Je kreeg bijna de indruk dat Amerika, in een aanval van scherpzinnigheid, zowel Rusland als Walter Duranty erkende.’ Daarmee leek de doofpotpolitiek voltooid.

    Dit is een voorpublicatie uit Rode hongersnood van Anne Applebaum, dat op 25 januari 2018 verscheen bij AmboAnthos.

  • Vertrouwd vakwerk met nieuwe technieken

    Vertrouwd vakwerk met nieuwe technieken

    De zeven nominaties voor de European Press Prize in de categorie Innovatie betreffen journalistieke producties die de vernieuwing voor het merendeel zoeken in het gebruik van meerdere media: geschreven en gesproken tekst, foto, film, video, interactieve cartografie et cetera.

    Ook de informatiedragers hebben zo nu en dan een mengvorm: papier en digitaal vullen elkaar soms aan. Hoewel alle producties aan één auteur worden toegeschreven, is het duidelijk dat de meeste in groter of kleiner teamverband zijn vervaardigd, soms ook in internationale samenwerking.

    De genomineerden komen uit Hongarije, Georgië, Spanje (twee nominaties), Nederland, België en Noorwegen.


    innovation coda story natalia antelava

    Coda Story

    Coda Story van Natalia Antelava uit Georgië is niet alleen een voorbeeld van een zogeheten ‘crossmediale aanpak’ bij het volgen van crisissituaties in de wereld, maar ook van een internationale journalistieke samenwerking daarbij. Als motto heeft dit single-issueplatform ‘Stay on the story’, uitgaande van de even simpele als onduldbare werkelijkheid dat ‘crises niet eindigen als de journalisten weer uit het crisisgebied zijn vertrokken’. ‘Wij volgen één bepaalde crisis per keer, zetten er een team van internationale en lokale journalisten op dat de ontwikkelingen desnoods een jaar lang blijft volgen vanuit diverse gezichtspunten.’

    Het begrip ‘crisis’ wordt ruim genomen. Het eerste onderwerp dat Coda Story aanpakte, het ‘pilot project’, was de positie van seksuele minderheden, de LHBT, in de landen van de voormalige Sovjet-Unie. Inmiddels volgt het platform nog twee recente ontwikkelingen: de Disinformation Crisis in dit tijdperk van fake news en alternative facts, waarbij de Georgische hoofdstad Tbilisi als uitvalsbasis werd gekozen, en de wereldwijde vluchtelingencrisis, waarvoor een team vanuit Berlijn opereert. Coda Story werkt onder meer samen met het Center for Investigative Reporting van de universiteit van Berkeley, de Britse krant The Guardian, het fotopersbureau Magnum en de World Policy Journal van de Amerikaanse Duke University. ‘In dit tijdperk waarin het internet is verzadigd van opinie, richten wij ons op nauwgezette verslaggeving ter plekke. Ons doel is ingewikkelde gebeurtenissen uit te leggen, de conventionele verhalen te weerleggen, gedegen journalistiek te bevorderen en de persvrijheid te verdedigen.’


    innovation monitoring eu funded projects in hungary tamas bodoky

    Monitoring EU Funded Projects in Hungary

    Monitoring EU Funded Projects in Hungary (van de Hongaar Tamás Bodoky) is het werk van een vijftienkoppig team van de nieuwswebsite atlatszo.hu, dat naging wat er is gebeurd met de miljardensubsidies die Hongarije de laatste jaren vanuit Brussel heeft ontvangen voor allerlei projecten. De productie opent met een interactieve kaart van het land, waarop in kleur is aangegeven waar in het land het meeste geld uit de Europese ontwikkelings- en steunfondsen uiteindelijk terecht is gekomen, en of in die gebieden toevalligerwijs ook de meeste parlementsleden van de regerende partijen hun woonstee hebben.

    Dat bleek opmerkelijk genoeg ook het geval. Maar soms ging het nog iets verder dan dat. Zo werd aan het Balatonmeer met Europees geld een hotel gebouwd, terwijl gelijktijdig, pal daarnaast, door dezelfde aannemer en met dezelfde materialen ook de nieuwe woning voor een plaatselijke partijfunctionaris werd neergezet. In Boedapest werd een vierde metrolijn aangelegd – met aanzienlijke Europese financiële steun –, die iets duurder uitviel dan begroot. De kosten liepen gaandeweg op van 581 miljoen tot anderhalf miljard euro – en de geruchten over corruptie en verduistering zijn zeer hardnekkig. Tegen een dergelijke kostenoverschrijding kan zelfs Amsterdam met de Noord/Zuidlijn niet op.

    In één geval heeft Brussel in Hongarije het Europese bureau voor fraudebestrijding OLAF (Office de Lutte Anti-Fraude) ingeschakeld.

    innovation eldiario es s business model juan luis sanchez

    The business model of eldiario.es

    Een wat vreemde eend in de bijt is het genomineerde artikel The business model of eldiario.es, dat op naam staat van de Spanjaard Juan Luis Sánchez. Het betreft de financieringsmethode van een Spaanse nieuwswebsite, voortgekomen uit het mislukken van de papieren krant Público, die tussen 2007 en 2012 verscheen. De oprichter en hoofdredacteur van die krant, Ignacio Escolar, begon na de teloorgang van de krant de website eldiario.es met financiële steun van 20.000 ‘socios’ of ‘leden’. (Público zelf ging overigens ook door als website).

    ’Achter eldiario.es staat geen grote investeerders noch ondernemingen. Dat is het kenmerk van ons businessmodel: een mogelijkheid tot lidmaatschap, waardoor lezers worden uitgenodigd om deel te gaan uitmaken van een gemeenschap van burgers die dezelfde waarden delen, zoals gelijkheid, democratisering, sociale rechtvaardigheid en, de belangrijkste, de noodzaak van vrije, onafhankelijke journalistiek zonder belemmeringen’, schrijft Sánchez.

    Tot in het verre verleden zagen op grond van bovenstaand principe ontelbare andere publicaties het licht. Die noemden we toen kranten (of weekbladen, of tijdschriften). Die kranten hadden ook ‘leden’ die ‘abonnees’ werden genoemd. Verander dus ‘socios’ in ‘suscriptores’ en we zijn weer bij het oude verdienmodel van de krant.

    Sánchez noemt de betalende bezoekers van de site liever ‘onze partners in crime’ – ‘omdat we samen onafhankelijke journalistiek mogelijk maken’.


    innovation eu referendum tracker kate day

    EU referendum tracker

    EU referendum tracker van Kate Day is de Belgische inzending, maar heeft buitengewoon weinig met de zuiderburen te maken. Kate Day is een Amerikaanse die jarenlang werkte voor de Britse Telegraph Media Group in Londen, waar ze de eerste redacteur sociale media was van het dagblad The Daily Telegraph, eer ze overstapte naar het Brusselse kantoor van de Amerikaanse politieke nieuwsorganisatie Politico. Daar werd ze aangesteld als (meer commercieel dan redactioneel) verantwoordelijke voor de digitale activiteiten en de groei van de organisatie in Europa.

    Day groeide op in Californië en haar eerste baantje in de journalistiek was als verslaggever van de Los Altos Town Crier, de dorpsomroeper van Silicon Valley. Vandaar haar grote belangstelling voor digitale technologie. Dat nam niet weg dat ze haar journalistieke aandacht vervolgens verlegde naar kranten in India en Bangladesh, alvorens ze naar Europa kwam.

    Politico vestigde nog geen twee jaar geleden een Europees kantoor in de Brusselse Wetstraat. Day nam daar, haar achtergrond in Silicon Valley, Londen en Brussel combinerend, het initiatief om vanuit Politico voor Apple Wallet een toepassing te (laten) ontwikkelen waarmee gebruikers het laatste nieuws en vooral ook de uitslagen van het Britse referendum over een Brexit op de voet konden volgen. En dus slaakten korte tijd later meer dan tienduizend gebruikers van deze toepassing in honderd landen diepe zuchten of opgewonden kreetjes toen de uitslag van dit volksgericht bekend werd en had Politico Europe zich weer wat beter in de nieuwe markt gepositioneerd.

    innovation maldita hemeroteca clara jimenez cruz

    Maldita Hemeroteca

    Maldita Hemeroteca (Verdomd archief) van (onder anderen) de Spaanse Clara Jiménez Cruz begon in 2014 als een journalistiek project op Twitter, maar is inmiddels uitgewaaierd naar het populaire programma El Objetivo van de publieke televisiezender La Sexta en de nieuwswebsite eldiario.es. De journalistiek herneemt in dit programma zijn functie van luis in de pels van de (Spaanse) politiek. Politici worden geconfronteerd met hun uitspraken en standpunten uit het verleden en hun daadwerkelijke functioneren in de alledaagse politieke praktijk.

    Een voorbeeld: de Spaanse regering verhoogde kortgeleden de belastingen. Het programma dook in het ‘verdomde archief’ en vond er uitspraken van de regeringspartijen waarin deze de kiezers beloofden nooit en te nimmer de belastingen te verhogen, integendeel, zelfs tot belastingverlaging over te zullen gaan.

    ‘Ons doel is tweeledig,’ aldus de makers van Maldita Hemeroteca. ‘Enerzijds willen we politici dwingen ongerijmdheden in hun dagelijkse politieke handelen uit te leggen en hen zo noodzaken consistent te zijn, en anderzijds willen we het publiek wijzen op die politieke ongerijmdheden, zodat zij die consistentie van hun volksvertegenwoordigers zelf gaan eisen.’

    Het programma heeft nu rond 130.000 volgers op Twitter, een wekelijks blog op eldiario.es en is een vast onderdeel geworden van het tv-programma El Objetivo, dat op zondagavonden primetime wordt uitgezonden en gemiddeld twee miljoen kijkers trekt.


    The Baby in the Plastic Bag

    Ook de genomineerde inzending uit Noorwegen, ‘De baby in de plastic tas’, getuigt minder van innovatie dan van journalistiek graaf- en spitwerk, vasthoudendheid en commercieel inzicht. De tabloid Dagbladet formeerde een team onder eindredactie van Bernt Jakob Oksnes, dat zich baseerde op een fait divers uit oktober 1991, toen op een kerkhof in Oslo een pasgeboren baby in een plastic zak werd gevonden. Een kwart eeuw later reconstrueerde de krant de gebeurtenissen sindsdien: wie had het kind daar achtergelaten, wie was de moeder, wat was er van het jongetje geworden? Volgens Dagbladet vergde die reconstructie twee jaar en leidde tot een reeks ‘verhalen’ in de krant en op de website. ‘De serie was een record brekend succes in Noorwegen, met meer dat een miljoen unieke bezoekers online, omgerekend een vijfde van de Noorse bevolking. (…) Het project bewijst dat kwaliteitsjournalistiek ook geld kan opbrengen: halverwege de serie kregen mensen die ervoor betaalden het volgende hoofdstuk al te lezen voordat het gratis toegankelijk werd op de site. Die strategie stuwde de verkoop van digitale abonnementen meer op dan enig ander artikel uit het bestaan van de krant.’

    En dat is natuurlijk aangenaam, aangezien de oplage van de papieren Dagbladet sinds 1994 is gedaald van ruwweg 230.000 in 1994 naar 72.000 momenteel.


    innovation the turkish coup through the eyes of its plotters christiaan triebert

    The Turkish Coup through the Eyes of its Plotters

    The Turkish Coup through the Eyes of its Plotters coup-through-the-eyes-of-its-plotters werd gemaakt door de Nederlander Christiaan Triebert vanuit Kuala Lumpur, waar hij voor het schrijven van zijn masterscriptie journalistiek aan het King’s College was neergestreken omdat het leven in Londen hem als student te duur werd. Triebert is lid van de Britse onderzoeksgroep Bellingcat (opgericht in 2014 door Eliot Higgins, naam ontleend aan het gezegde ‘To bell the cat’), die vooreerst bekendheid kreeg door onthullingen over manipulaties met de radarbeelden van vlucht MA-17.

    Op de vrijdagavond en -nacht van de poging tot staatsgreep in Turkije in juli vorig jaar stuitte Triebert op de communicatie binnen een whatsappgroep van de opstandige militairen. Hij legde die gesprekken vast en toetste, met de bentgenoten van Bellingcat, de inmiddels vertaalde gesprekken in de volgende dagen en weken nauwgezet aan andere bronnen die op internet te vinden waren, inclusief foto’s en videomateriaal, vaak, zo niet doorgaans, afkomstig van amateurs.

    Zo ontstond een geverifieerd journalistiek verhaal over de mislukte coup zoals die werd beleefd door de militairen die er de aanstichters van waren, gelardeerd met feiten en omstandigheden uit andere, eveneens verifieerbare bronnen. Het verhaal vond vervolgens zijn weg over de wereld. ‘Wellicht nog belangrijker’, schrijft de jury, ‘is dat dit verhaal een licht werpt op de vernieuwende manier van verslaggeving, waarbij nieuwe open bronnen worden gebruikt om feiten te controleren en gebeurtenissen te onderzoeken.’

  • 1. Hoe moeilijk het is om geen ‘pinguïnmedia’ te worden

    1. Hoe moeilijk het is om geen ‘pinguïnmedia’ te worden

    Aydan Engin, commentator van Cumhuriyet, beschrijft de deplorabele staat van de Turkse media onder de noodtoestand.

    Er is me gevraagd de situatie van de Turkse media uit de doeken te doen en iets te vertellen over de journalistiek tijdens de noodtoestand. Dat zal niet meevallen. Wat ik vertel zal Noord-Koreanen of Chilenen die het tijdperk-Pinochet hebben meegemaakt vertrouwd in de oren klinken, maar ik vrees dat het voor Europeanen moeilijker te begrijpen is. Maar laten we het toch maar proberen.

    Het is gemeengoed geworden in Turkije, en elders op wereld, dat staten of grote concerns op bestelling artikelen over bepaalde onderwerpen laten schrijven door ‘journalisten’ die zich daartoe lenen. Maar deze aanpak rent achter elke mug aan in de hoop de malaria uit te roeien. In Turkije heeft het regime van Erdogan een veel doeltreffender manier gevonden: het simpelweg laten opkopen van kranten en televisiezenders. De grote bouwbedrijven, rijk geworden in de publieke sector, hebben de onafhankelijke media in handen gekregen om ze om te vormen tot propagandainstrumenten.

    Inmiddels zijn deze media gespecialiseerd in het verspreiden van allerlei leugenachtige en tendentieuze informatie. Journalisten die zich daartegen verzetten zijn eruit gegooid. Naar schatting hebben in drie jaar tijd 2600 journalisten hun baan verloren. De media en persgroepen die niet zijn opgekocht en tot de orde geroepen, zijn onschadelijk gemaakt. Tijdens het Gezi-protest van 2013, gericht tegen de sloop van het Taksim Gezi-park, koos een bepaalde informatiezender ervoor een documentaire over pinguïns uit te zenden in plaats van verslag te doen van de gebeurtenissen. Sindsdien worden dit soort media aangeduid met de spotnaam ‘pinguïnmedia’.

    Ook al zitten onze collega’s achter de tralies, toch zullen we geen duimbreed afwijken van onze redactionele koers

    Op dit moment bestaan er simpelweg geen oppositiekranten meer, met uitzondering van Cumhuriyet en twee andere dagbladen met een relatief beperkte oplage, Birgün en Evrensel. Bij de televisie is de situatie nog beroerder. Buiten enkele slecht bekeken web-tv-zenders hebben alle televisiezenders zich aan de kant van het regime geschaard. Pro-Koerdische kranten en televisiezenders zijn verboden. Wat rest is een immense mediawoestijn. De enige die nog niet het loodje hebben gelegd zijn enkele informatiesites. Maar hoe lang nog?

    Zelfs in de nog vrije pers is het erg moeilijk geworden je vak van journalist uit te oefenen. Sinds het uitroepen van de noodtoestand is het zelfs vrijwel onmogelijk. Als gevolg van zelfcensuur zijn we ware schrijfacrobaten geworden, die elk woord wegen om niet voor de rechter gesleept en gevangengezet te worden. Sommigen van ons zijn hier inmiddels meesters in. Anderen zijn in een proces verwikkeld of zitten achter de tralies.


    Ik wil van deze gelegenheid gebruikmaken om enkele woorden over onze krant te zeggen. Cumhuriyet is de oudste krant van Turkije, even oud als de republiek waarnaar hij is vernoemd, en geldt als een belangrijke informatiebron waarvan de invloed de dagelijkse oplage ruimschoots overstijgt. Cumhuriyet heeft de democratie, de scheiding der machten en de vrijheid van geweten en vergadering altijd hoog in het vaandel gehad. Daarom willen de politieke islamisten die momenteel aan de macht zijn ons het zwijgen opleggen. Elf journalisten die onmisbaar zijn voor het administratieve en redactionele functioneren van de krant zitten op dit moment gevangen zonder dat we weten wanneer ze zullen worden vrijgelaten of zelfs maar voor de rechter gebracht. Maar ook al zitten onze collega’s achter de tralies, toch zullen we de krant dagelijks laten verschijnen zonder ook maar een duimbreed af te wijken van onze redactionele koers. Als Cumhuriyet binnenkort slachtoffer wordt van nieuwe aanvallen, zullen we daar niet van opkijken.

    Auteur: Aydan Engin
    Vertaler: Peter Bergsma

    Aydan Engin (76), commentator van Cumhuriyet, is gearresteerd en daarna in beperkte vrijheid gesteld met het verbod om het land te verlaten.

    Beeld: Na de couppoging in juli vorig jaar staan bij de Bosporusbrug mensen en aan de regering trouwe politieagenten op de door het leger verlaten tanks. In de nacht van 15 op 16 juli vielen 90 doden en raakten 1154 mensen gewond in Istanboel en Ankara. Op de coup volgden vele arrestaties en ontslagen. – © Burak Kara / Getty

  • Dossier: Hoaxus Pocus

    Dossier: Hoaxus Pocus

    We worden overspoeld door nepnieuws. De Brexit, de overwinning van Trump, de aanvallen op diezelfde Trump, allemaal gingen ze gepaard met valse nieuwsberichten. Die blijken verrassend eenvoudig te maken, en je kunt er veel geld mee verdienen.

    Ligt de schuld bij politici aIs Poetin, of is er meer aan de hand? Zijn factchecks de oplossing? Bestond nepnieuws vroeger al? En dekt de term de lading nog wel?

    1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    2. Dus als het over Trump gaat mag het wel

    3. Facebook: wie checkt de factcheckers?

    4. De daders? 
Kwajongens op de Balkan

    5. De schuldige? Ons economische model

    6. Fake news bestaat al sinds de tijd van Voltaire

    7. Stop met de term nepnieuws

    8. Maatregelen tegen nepnieuws wereldwijd

    Illustraties: © Martyn F. Overweel

  • 1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    1. Een meesterlijk staaltje nepnieuws

    Student Cameron Harris uit Maryland verzon aan zijn keukentafel een nepnieuwsverhaal om Hillary Clinton in diskrediet te brengen. Het werd een daverend succes.

    De herfst is net begonnen en Donald Trump, die achterligt in de peilingen, lijkt te werken aan een verklaring voor het geval een geboren winnaar als hij toch onverhoopt de verkiezingen mocht verliezen. ‘Als ik heel eerlijk ben denk ik dat er met de uitslagen wordt gerotzooid,’ zegt de Republikeinse genomineerde tegen een uitzinnige menigte in Columbus, Ohio. Hij krijgt steeds meer bewijzen dat er sprake is van fraude, voegt hij eraan toe. De verdere invulling laat hij over aan de verbeelding van zijn toehoorders. Een paar weken later gaat Cameron Harris, een student met een grote belangstelling voor de lokale politiek in Maryland, en iemand die wel wat extra inkomsten kan gebruiken, aan zijn keukentafel zitten om te zoeken naar de details die Trump onvermeld heeft gelaten. Het onzinverhaal dat volgt is zijn meesterwerk in een zeer bedenkelijke kunstvorm die de laatste tijd sterk in opkomst is.

    Harris begint met de kop: ‘Tienduizenden valse Clinton-stemmen aangetroffen in pakhuis in Ohio’. Het lijkt hem wel logisch om deze schokkende ontdekking te laten plaatsvinden in de stad, en de staat, waar Trump er zo op heeft gehamerd dat er sprake zou zijn van doorgestoken kaart. ‘Toen ik begon te schrijven had ik een bepaalde theorie,’ vertelt Harris, een 23-jarige voormalig quarterback en fraternity leader. ‘Gezien het feit dat Trump-aanhangers zo’n diepgeworteld wantrouwen hebben jegens de media, zouden de mensen alles slikken waarin Trumps beweringen worden herkauwd. Trump zei “doorgestoken kaart, doorgestoken kaart”. De mensen hadden het idee dat Hillary Clinton alleen zou kunnen winnen wanneer er met de uitslagen werd gerommeld.’

    Eigen toko

    In een roerig verkiezingsjaar dat wordt gekenmerkt door nepnieuws is Harris een autodidact, iemand met een eigen toko, iemand zonder banden met Russische spionagediensten of Macedonische verzinselfabrieken.

    Terwijl Trump – die in electorale zin zonder meer de wind in de rug heeft gehad door de tsunami aan onzinverhalen – wordt geïnaugureerd, kunnen we veel leren van het verhaal van Harris en zijn nepnieuwswebsite ChristianTimesNewspaper.com.

    Een verslaggever die de website heeft weten te herleiden tot Cameron Harris, neemt contact met hem op. Aanvankelijk is Harris bepaald niet blij dat hij is ontmaskerd. ‘Het ligt allemaal nogal gevoelig,’ zegt Harris, waarbij hij opmerkt dat hij een politiek consultancybureau wil opzetten en bang is voor reputatieschade. Maar uiteindelijk besluit hij toch te vertellen over zijn tijdelijke uitstapje op het terrein van nepnieuws, waarmee hij volgens eigen berekeningen zo’n duizend dollar per uur aan advertentie-inkomsten opstreek. Terugkijkend op deze ervaring voelt hij een mengeling van schuld over het verspreiden van valse informatie, en trots dat hij het zo vakkundig heeft gedaan.

    De nepfoto van Cameron Harris, overgenomen uit The Birmingham Mail.
    De nepfoto van Cameron Harris, overgenomen uit The Birmingham Mail.

    Die avond in september aan zijn keukentafel vraagt Harris zich af: Wie zou deze vervalste Clinton-stemmen gevonden kunnen hebben? Hij bedacht Randall Prince, een elektricien uit Columbus. Deze gewone man, een Trump-aanhanger wiens naam een enigszins voorname uitstraling heeft, is in een achterafkamertje in een pakhuis gestuit op een stapel dozen vol stembiljetten waarop Clinton is aangekruist – zo besluit Harris. ‘Er komt vrijwel niemand in dat gebouw. Het wordt voornamelijk gebruikt door een loodgietersbedrijf, voor tijdelijke opslag,’ aldus Prince.

    Mocht iemand het belang van deze vondst ontgaan, dan maakt Harris dat nog even expliciet duidelijk: ‘Wat Prince heeft aangetroffen zou het bewijs kunnen zijn dat er een grootschalige operatie plaatsvindt om Clinton deze cruciale swingstate in handen te spelen.’ Een foto kan eventuele twijfels over het waarheidsgehalte wegnemen, bedenkt hij. Hij googelt op ‘dozen met stembiljetten’ en heeft al snel een foto gevonden van een kalende man achter een stapel dozen waar ook nog eens heel toepasselijk ‘Ballot Box’ op staat. Het is een foto uit The Birmingham Mail en hij betreft verkiezingen in Engeland, zo’n zesduizend kilometer van Columbus, maar dat maakt niets uit. In het onderschrift krijgt de kalende Engelsman een nieuwe naam: ‘Meneer Prince, hier op de foto, poseert met zijn vondst, terwijl het verkiezingscomité een onderzoek instelt.’ In het artikel wordt vervolgens uitgelegd dat ‘Clintons verkiezingscomité vermoedelijk de bedoeling had om de vervalste biljetten ergens tussen de echte biljetten te stoppen, voor de officiële telling op 8 november’. Vervolgens voert Harris de spanning nog eens op. ‘Dit verhaal is nog in volle gang,’ schrijft hij, ‘en als we meer weten, zal CTN u ogenblikkelijk op de hoogte brengen.’

    Hij drukt op de knop en op 30 september staat het verhaal online. Het raast over het internet als een soort namaakkomeet. ‘Nog voor ik het had gepost wist ik dat het zou aanslaan,’ vertelt Harris. Hij had gelijk. Het verhaal over de dozen met stembiljetten, aangejaagd door een handjevol Facebookpagina’s die Harris speciaal met dat doel heeft aangemaakt, gaat als een razende over het web, voortgestuwd door verontwaardigde commentaren van mensen die ervan overtuigd zijn dat Clinton op oneerlijke wijze probeert Trump de overwinning afhandig te maken, en die maar al te blij zijn met deze bewijzen. Uiteindelijk wordt het bericht door zes miljoen mensen gedeeld, volgens CrowdTangle, een bedrijf dat webpubliek in kaart brengt.

    De volgende dag laat de verkiezingscommissie in Franklin County, Ohio, weten dat er een onderzoek is ingesteld en dat de aantijgingen van fraude ongefundeerd lijken. Binnen enkele dagen doet Jon Husted, de verantwoordelijke politicus in Ohio, een verklaring uitgaan waarin het verhaal wordt ontkracht. ‘Als christen heb ik er grote moeite mee dat een website die zich laat voorstaan op zijn christelijke betrokkenheid, dergelijke leugens verspreid,’ zegt Husted. Er is niets expliciet christelijks aan zijn handelen, erkent Harris; hij heeft domweg voor vijf dollar een verlopen internetadres gekocht op ExpiredDomains.net. Binnen enkele dagen heeft het verhaal, dat hij in vijftien minuten in elkaar heeft geflanst, hem zo’n vijfduizend dollar opgeleverd. Dat is een aanzienlijk aandeel van de tweeëntwintigduizend dollar die hij volgens een boekhoudkundig rapport tijdens de gehele presidentscampagne heeft binnengehaald met advertenties voor schoenen, haargel en webdesign die Google op zijn site plaatst.

    Hij krijgt te horen dat hij het domein, gezien het aantal bezoekers, waarschijnlijk kan verkopen voor zo’n honderdvijftien- tot honderdvijfentwintigduizend dollar

    Naar eigen zeggen is hij wekelijks misschien een half uur bezig met de nepnieuwssite, in totaal waren het er een uur of twintig. Hij had een nog veel grotere slag kunnen slaan, waarmee de vijf dollar die hij heeft neergeteld voor de Christian Times-domeinnaam hem meer dan een ton had kunnen opleveren. Het ging hem om het geld, niet om de politiek, blijft hij benadrukken. Hij is in mei afgestudeerd aan Davidson College in North Carolina, en hij moet in zijn onderhoud voorzien. ‘Ik gebruikte het geld voor het aflossen van mijn studielening, voor aanbetalingen van een auto en om de huur te betalen,’ zegt hij. Op het moment dat hij het verzonnen verhaal over de stembiljetten publiceert, heeft hij al een bescheiden succesje geboekt met ‘Hillary Clinton Blames Racism for Cincinnati Gorilla’s Death’ (Hillary Clinton wijt dood gorilla in Cincinnati aan racisme). Het gaat hier om het trieste lot van Harambe, de gorilla die is neergeschoten nadat hij in de dierentuin een jongetje heeft vastgepakt. Meer succes heeft Harris met ‘Early Morning Explosion in DC Allegedly Leaves Yet Another DNC Staffer Dead’, waarin hij met allerlei complottheorieën komt over het neerschieten van een lid van het Democratic National Committee.

    Later zal hij goedgelovige lezers wijsmaken dat de politie een aanklacht wil indienen tegen Bill Clinton, vanwege diens banden met een kinderpornonetwerk, in ‘NYPD Looking to Press Charges Against Bill Clinton for Underage Sex Ring’. Vergelijkbare verhalen zijn die over het doodslaan van een dakloze in ‘Protesters Beat Homeless Veteran to Death in Philadelphia’ of over de ophanden zijnde scheiding van de Clintons, in ‘Hillary Clinton Files for Divorce in New York Courts’. Acht van zijn verhalen zijn in heldere bewoordingen ontkracht op Snopes.com, een site die nepnieuws onderzoekt, maar geen van die verhalen zijn zo invloedrijk als het verzonnen verhaal over de stembiljetten.

    schermafbeelding 2017 02 08 om 10 29 05

    Donald Trump heeft gebruikgemaakt van valse beweringen om zijn politieke tegenstanders onderuit te halen, om de legitimiteit van Obama in twijfel te trekken en om de media in diskrediet te brengen. Deze praktijken vertonen veel overeenkomsten met de manier waarop hij is opgeklommen van reality tv-ster tot machtigste gekozen politicus van het land. En het is precies dit mechanisme waaraan Cameron Harris naar eigen zeggen zijn kortstondige succes heeft te danken: mensen hebben behoefte aan feiten, hoe ongeloofwaardig ook, die hen sterken in hun overtuigingen.

    ‘Aanvankelijk schrok ik ervan – de reacties die het losmaakte,’ zegt hij. ‘Hoe makkelijk mensen zich lieten overtuigen. Het had bijna iets van een sociologisch experiment,’ vervolgt Harris, die politicologie en economie heeft gestudeerd. Eind oktober, wanneer onvermijdelijk het einde van zijn avontuur dichterbij komt, wil Harris het webdomein laten taxeren dat zich inmiddels een plek heeft verworven in de top-20.000 van websites. Hij krijgt te horen dat hij het domein, gezien het aantal bezoekers, waarschijnlijk kan verkopen voor zo’n honderdvijftien- tot honderdvijfentwintigduizend dollar.

    Maar Harris maakt een fout die hem duur zal komen te staan: hij besluit het nog even aan te zien. Daags na de verkiezingen, die worden verguisd omdat er munt is geslagen uit de verspreiding van nepnieuws, laat Google weten niet langer advertenties te zullen plaatsen op sites die duidelijk verzinsels publiceren. Als Harris een paar dagen later op zijn site kijkt, zijn de advertenties verdwenen. Hij raadpleegt nogmaals de taxateur en krijgt te horen dat zijn site feitelijk geen cent meer waard is. Maar nog is niet alles verloren. Hij heeft een pop-up op de site geplaatst om bezoekers uit te nodigen zich aan te sluiten bij het ‘Stop the Steal’-team, dat beoogt uit te vinden ‘hóé Hillary precies de verkiezingen wil stelen en hoe ú daar een stokje voor kunt steken!’ Op die manier heeft hij vierentwintigduizend mailadressen weten te verzamelen. Hij heeft nog niet besloten wat hij daarmee wil gaan doen, laat hij weten.

    Schuldig

    Op de vraag of hij zich schuldig voelt dat hij leugens heeft verspreid over een presidentskandidaat, reageert Harris met een peinzend zwijgen. Dan verschuilt hij zich achter de opmerking dat politiek altijd wordt gekenmerkt door overdrijvingen, halve waarheden en onversneden leugens, en dat hij dus geen wezenlijk verschil heeft gemaakt, als je naar het grote plaatje kijkt. ‘Wat een campagneteam of een kandidaat zegt, is eigenlijk nooit helemaal waar,’ zegt hij.

    Tegenwoordig praat hij ook Trump zelf na, die keer op keer beweert dat het de journalisten zelf zijn die geregeld nepnieuws naar buiten brengen. Wanneer BuzzFeed een ‘schokkend maar ongeverifieerd’ rapport naar buiten brengt waaruit zou blijken dat Rusland van plan is geweest Trump te chanteren, schrijft Cameron Harris op Twitter: ‘Schokkend maar ongeverifieerd: dat geldt voor al het nepnieuws.’ Hij zwijgt over zijn eigen kennis op dat terrein.

    Auteur: Scott Shane
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Millennials aan de macht

    Millennials aan de macht

    Millennials vormen in de VS sinds kort de grootste groep op de arbeidsmarkt. The New York Times nam een kijkje bij de hippe mediawebsite Mic, waar de hele werkvloer uit twintigers bestaat.

    Joel Pavelski zal niet de eerste werknemer zijn die tegen zijn baas heeft gelogen om een paar vrije dagen te versieren. Maar zeggen dat je naar de uitvaart van een vriend moet, terwijl je eigenlijk alleen een boomhut gaat bouwen? En daar dan over tweeten en bloggen, zodat iedereen op kantoor het weet? Dat lijkt wel nieuw. Met dat probleem kampte het management van Mic, een vijf jaar oude mediawebsite in New York die een van de belangrijkste nieuwssites voor en door millennials wil worden. Een paar recente koppen op de site: ‘Verbied Geen Moskeeën, Verbied Hoverboards’ en ‘Als Mannen Vagina’s Tekenen’.

    ‘Arrogant, lui, narcistisch en verslaafd aan sociale media’

    ‘Er zijn tachtig miljoen millennials’, zegt directeur Chris Altchek (28), ‘en wij mikken op de veertig miljoen die hoger opgeleid zijn.’ Maar hij weet niet altijd hoe hij moet omgaan met de karaktertrekken die zijn leeftijdgenoten vaak worden toegedicht: het arrogante gevoel dat de wereld hun iets verschuldigd is, de neiging om te veel privé-informatie op sociale media te delen en een openhartigheid die grenst aan het onbetamelijke. Zijn 106 werknemers lijken allemaal tot de doelgroep van de site te behoren: slanke twintigers, mannen met baarden en vrouwen in hippe kleding. Op hun drukke nieuwsredactie in Hudson Street hangt een opvallend speelse sfeer, als in een studentenhuis. Je ziet mensen op een hoverboard naar de keuken rijden voor de gratis drankjes en hapjes. Ze schieten pijltjes af met een speelgoedpistool of roepen ineens door een megafoon. Tussen de bureaus snuffelt Dino, de witte maltezer van de hoofddesigner.

    Ongedwongen sfeer

    Altchek is trots op die ongedwongen sfeer. ‘Daardoor durft iedereen zijn mond open te doen en weet je zeker dat de beste ideeën bovendrijven’, zegt hij. ‘Ze kunnen bot overkomen. Maar ik heb liever dat iedereen zegt wat hij denkt dan dat ze in een keurslijf zitten.’

    Toch blijkt het runnen van een kantoor met alleen twintigers ook problemen op te leveren. Altcheks tolerantie werd op de proef gesteld toen Pavelski (27) een week vrij nam onder het mom dat hij in Wisconsin naar een uitvaart ging. ‘Ik heb Joel gecondoleerd en gezegd: neem er alle tijd voor,’ zegt 
Altchek. Maar een paar dagen later zag hij dat Pavelski op Twitter een link had geplaatst naar Medium, een blogsite met persoonlijke verhalen. Daar beschreef hij in zijn artikel ‘How to Lose Your Mind and Build a Treehouse’ dat hij overspannen was geraakt en op adem wilde komen door thuis een oude boomhut te herbouwen. De eerste zin van het artikel: ‘Ik heb gezegd dat ik naar huis moest voor een uitvaart, maar dat was gelogen.’

    ‘Ik was wel een beetje uit het veld geslagen’, zegt Altchek. ‘Liegen is gewoon niet acceptabel.’ In het daaropvolgende gesprek zei de chef van Pavelski dat hij wel heel lange dagen had gedraaid. Pavelski kreeg dus een tweede kans, maar ook een waarschuwing van Altchek: ‘We hebben duidelijk gemaakt dat dit geen kwestie is van drie keer scheepsrecht. Nog één zo’n geintje en hij ligt eruit.’

    New York City. – © Marie Simonova / Getty
    New York City. – © Marie Simonova / Getty

    Pavelski mag dus blijven, maar ook in een bedrijf dat zo tolerant staat tegenover twintigers die de grens opzoeken, kan iemand te ver gaan. Dan denkt 
Altchek bijvoorbeeld aan afgelopen september, toen een bedrijfsbijeenkomst toevallig samenviel met het joodse Jom Kipoer én met het islamitische Offerfeest. Een werkneemster van Engels-Pakistaanse afkomst vroeg waarom het management had gezegd dat werknemers eerder naar huis mochten vanwege Jom Kipoer, maar met geen woord repte over het Offerfeest. ‘Dus ik zei: daar heb je helemaal gelijk in, bij Mic willen we alle geloofsovertuigingen respecteren’, zegt Altchek.

    Vervolgens werd hij daar in een kleiner gezelschap weer op aangesproken door een jongere werkneemster in een lagere functie, die zei dat er aan zijn antwoord drie woorden ontbraken. ‘Ik snapte niet waar ze op doelde, dus ik vroeg: Welke dan? En zij zei: De woorden “het spijt me”. Ik heb je geen excuses horen aanbieden.’ Altchek vond dat ongepast, zeker in een bedrijf als het zijne. ‘Ik was verbaasd door de toon waarop ze dat zei, maar ik heb gezegd dat ik het zou oppakken en zou vragen of ik de vragenstelster niet had gekrenkt,’ zegt hij. ‘Je moet je inhouden. Ze zei dit waar andere mensen bij waren, en dat was misschien maar goed ook, want dat dwingt je om kalm te blijven.’ De betreffende werkneemster werkt inmiddels niet meer bij Mic. (Volgens Altchek is haar vertrek ‘prestatie-gerelateerd’.)

    Jezelf zijn

    ‘Arrogant, lui, narcistisch en verslaafd aan sociale media’, aldus CNBC. ‘Ze willen geen trofeeën, maar ze willen wel steun’, kopte Forbes. ‘Veel millennials willen de wereld verbeteren en het is aan bedrijven is om hen te inspireren’, schrijft Fast Company. Oudere managers snappen soms niet waarom twintigers met een collega snapchatten, of waarom ze geen zin hebben om zich eerst een tijdje te bewijzen met saaie klusjes. Maar ze kunnen er maar beter aan wennen. Volgens het Pew Research Center vormen millennials sinds vorig jaar een grotere groep op de arbeidsmarkt dan Generatie X (mensen in de leeftijd van 35 tot 50). Sterker nog, er zijn zelfs meer millennials dan babyboomers.

    Joan Kuhl (36) richtte Why Millennials Matter op, een adviesbureau dat werkgevers als Goldman Sachs adviseert over het binnenhalen en binnenhouden van verse afgestudeerden. Volgens haar is het een kwestie van ‘onbekend maakt onbemind’. ‘Alle aandacht gaat uit naar extreme voorbeelden van brutaal gedrag en niet naar de overgrote meerderheid die ik zie en waar ik mee werk: gemotiveerde mensen die voor hun waarden staan,’ zegt ze. Kuhl licht haar klanten voor over de eigenaardigheden van generatie Y. Waarom mensen van 21 bijvoorbeeld veel te openhartig zijn over hun privéleven. Millennials wordt steeds voorgehouden dat ze zichzelf als een ‘sterk merk’ moeten neerzetten om een baan te krijgen, zegt Kuhl. Dus als je ze vervolgens vraagt om zich in te houden als ze 
eenmaal voor je werken, ‘geef je tegenstrijdige signalen af’.

    Al moet Kuhl af en toe ook weleens slikken. Zoals toen een stagiaire op een vergadering om tien uur ’s ochtends rustig een broodje tonijn naar binnen zat te werken. Toen ze daar achteraf op werd aangesproken, zei ze: ‘Nou ja, je had gezegd dat ik vooral mezelf moest zijn, en ik had honger.’

    et management van Mic, een vijf jaar oude media- website in New York die een van de belangrijkste nieuwssites voor en door millennials wil worden. © Mic Network Inc.
    et management van Mic, een vijf jaar oude media- website in New York die een van de belangrijkste nieuwssites voor en door millennials wil worden. © Mic Network Inc.

    Dus stel je voor dat je héle werkvloer uit twintigers bestaat, zoals bij Mic. 
Het is in 2011 opgericht door Altchek en Jake Horowitz (28), oud-klasgenoten van de Horace Mann School in New York. Horowitz werkt inmiddels vooral als verslaggever (zo berichtte hij vanaf de Griekse stranden over de vluchtelingencrisis en heeft hij Obama geïnterviewd). Altchek leidt het bedrijf vanuit hun kantoorpand, een verbouwd pakhuis van bijna 1400 vierkante meter bij Hudson Square. Kantoorgesprekken lopen hier vaak via Twitter en de scheidslijn tussen werk en privé is niet altijd duidelijk: via Periscope streamde Altchek live videobeelden van zijn bezoek aan de tandarts.

    Zo krijgt de werkvloer iets van een reality show, en misschien komt het mede daardoor dat boomhutbouwer Pavelski geen berouw toont. ‘Misschien is het de leeftijd, maar er is in mijn privéleven niet veel dat ik strikt gescheiden wil houden van mijn werk,’ zegt hij. ‘Dat essay is er in de eerste plaats gekomen omdat ik iets van me af wilde schrijven, alle denkstappen wilde doorlopen en op een rijtje wilde zetten wat er met me aan de hand was.’ Een logica die zijn leeftijdgenoten misschien meer aanspreekt. ‘Wat mensen vooral niet moeten onderschatten, is dat het ons menens is,’ voegt hij eraan toe. ‘En dat wij de boel overnemen. Zo simpel is het.’

    Auteur: Ben Widdicombe
    Vertaler: Frank Lekens

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium en wordt sinds 1896 bewaakt door de familie Ochs Sulzberger. De website trekt meer dan 30 miljoen bezoekers per maand.

  • Hebben de media Donald Trump grootgemaakt?

    Hebben de media Donald Trump grootgemaakt?

    Donald Trump was de afgelopen maanden niet uit de Amerikaanse media weg te slaan. Is die aandacht, en de manier waarop hij werd bejegend, de reden van zijn populariteit?

    JA

    De ster van Donald Trump is snel gerezen. Sommigen zeggen dat dat te wijten is aan de Republikeinse Partij, die raciale onlustgevoelens aanwakkerde. Maar wij van de media moeten inzien dat er ook een andere kracht is geweest die Trump in het zadel hielp: wijzelf. Een flink aantal journalisten en wetenschappers is van mening dat we er een puinhoop van hebben gemaakt. Trump kreeg veel te veel spreektijd, zonder dat er grondig vooronderzoek werd gedaan. Dat leverde beide partijen veel publiciteit op.

    ‘Trump is niet gewoon een goudmijn voor oplage- en kijkcijfers – hij is de grootste goudader van het hele land,’ zegt Ann Curry, de vroegere presentator van de The Today Show. ‘Hij begon met zijn presidentscampagne toen het met de media financieel net bergafwaarts ging. Wij hebben Trump nodig, zoals een verslaafde zijn shot.’

    Larry Sabato, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Virgina, ziet Trump ook als trekpleister. ‘Je kunt je ogen niet van hem afhouden. Als Trump op tv is, komt er vanzelf spektakel.’

    Het probleem is niet dat we Trumps gekte in beeld hebben gebracht. Maar we hadden zijn uitspraken en beleidsvoorstellen moeten toetsen aan de feiten

    Velen van ons hebben Trump bespot, maar in feite was hij ons steeds te slim af. Hij manipuleerde tv-uitzendingen door buitensporige uitspraken te doen, zonder dat er kritisch werd doorgevraagd. Het probleem is niet dat we Trumps gekte in beeld hebben gebracht. Maar we hadden zijn uitspraken en beleidsvoorstellen moeten toetsen aan de feiten. Bij een presidentskandidaat die beweert dat hij met zijn zakenvernuft Amerika kan besturen, had je meer aandacht moeten besteden aan zijn faillissementen en aan zijn povere beleggingsresultaten.

    Wij van de media hebben te weinig laten zien hoe Trump zich overal onderuit probeerde te draaien. Zo kon bij veel kiezers de indruk ontstaan dat hij iemand is die recht op zijn doel afgaat. Ook hebben we Trump te veel weggezet als een schertsfiguur. ‘Om Trump werd alleen maar gelachen,’ zegt Ralph Begleiter, hoogleraar communicatie aan de universiteit van Delaware. Hij merkt op dat Sarah Palin in 2008 als running mate serieuzer werd doorgelicht dan Trump als presidentskandidaat.

    We namen Trump niet serieus omdat we te weinig zicht hadden op de vele Amerikanen die het moeilijk hebben en ontevreden zijn. We hadden niet door hoe zijn boodschap overkwam. We praatten te veel met senatoren en te weinig met werklozen.

    Dit is het moment om onszelf kritisch te bezien. Wij hebben een demagoog een podium gegeven en lieten ons land in de steek. We waren schoothondjes, geen waakhonden.

    Nicholas Kristof.
    Nicholas Kristof.

    Auteur: Nicholas Kristof
    Vertaler: Janet Luis

    Nicholas Kristof is al sinds 2001 stercolumnist bij The New York Times. Hij schrijft veel over mensenrechten en sociale onrechtvaardigheid, en won twee Pulitzerprijzen.

    The New York Times

    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

    NEE

    Er wordt veel beweerd over het fenomeen Donald Trump. Zo zouden wij, de media, dat fenomeen hebben voortgebracht. Laat ik duidelijk zijn: dat is niet zo. Om te beginnen is er geen ‘wij’. De nieuwsmedia opereren in een vrije markt. Omroepen concurreren met elkaar. Elke redacteur en elke nieuwschef streeft naar de beste berichten, en het is een feit dat het publiek alles wil weten over Trump.

    Niemand begrijpt dit beter dan Trump zelf. Met zijn bombastische twitterberichten, zijn vuurspuwende bijeenkomsten, zijn vergulde privéjet en zijn belachelijke haar weet hij steeds weer de aandacht op zich te vestigen. Omdat hij al vele jaren een publiek persoon is, kende 90 procent van de Amerikanen zijn naam toen hij aan zijn campagne begon. Het was dus niet vreemd dat de media massaal uitrukten op 16 juni 2015 om in de Trump Tower de groots opgezette aftrap van die campagne mee te maken.

    Maar elke goede kermisklant kan een massa op de been brengen. Trump zou allang teruggestuurd zijn naar zijn penthouse op Fifth Avenue als een groot deel van de Republikeinse Partij het niet met hem eens was. Als je al kunt spreken van collectief mediafalen, dan is dat niet omdat Trump te veel aandacht heeft gekregen, maar omdat er te weinig aandacht is besteed aan zijn boodschap.

    De gedachte dat Trump zou zijn gemaakt door de media gaat voorbij aan het feit dat de “belangrijkste” mediakanalen zeer onpopulair zijn bij de Republikeinse aanhang

    Was het fout van de ochtendlijke nieuwsshows om Trump zo vaak in te laten bellen? Je kunt hier gemakkelijk ‘ja’ op antwoorden. Maar zijn die shows verplicht om aan alle presidentskandidaten evenveel tijd te besteden?

    Deden de omroepen er verkeerd aan om zo veel van Trumps verkiezingsbijeenkomsten live te verslaan? Bedenk dat die evenementen nieuwswaarde hadden vanwege de omvang van de toegestroomde menigte. De gedachte dat Trump zou zijn gemaakt door de media gaat voorbij aan het feit dat de ‘belangrijkste’ mediakanalen zeer onpopulair zijn bij de Republikeinse aanhang. De enige uitzondering is Fox News, en juist die omroep was het strengst voor Trump.

    Het is waar dat Trump hoge kijkcijfers oplevert. Maar dat doet er niet toe. Nieuwszenders moeten belangrijke kandidaten volgen, ook al zouden het grijze muizen zijn.
    Nieuwsmedia zijn alleen schuldig aan het brengen van het nieuws. En het is nieuws als een kandidaat, die nooit eerder een politiek ambt bekleedde, en die noch de kennis heeft noch het vereiste temperament om president te worden, bovenaan staat op de lijst van de Republikeinen. Commentatoren moeten zichzelf niet belangrijker maken dan ze zijn. Ze zouden zich beter kunnen afvragen waarom Trump zo succesvol is. Als we onszelf de schuld geven van Trumps politieke opkomst, negeren we nogmaals de stemmers die hem groot hebben gemaakt.

    Eugene Robinson.
    Eugene Robinson.

    Auteur: Eugene Robinson
    Vertaler: Janet Luis

    Eugene Robinson schrijft columns voor The Washington Post, en begon zijn loopbaan bij de San Francisco Chronicle. Ook Robinson won een Pulitzerprijs, voor een serie columns over Barack Obama.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrumrechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

    Beeld bovenaan: © Gage Skidmore

  • Erdogan snoert tegenstanders de mond

    Erdogan snoert tegenstanders de mond

    Turkije wordt geteisterd door zelfmoordaanslagen, moorden en bloedbaden. En het is ook nog eens levensgevaarlijk om er publiekelijk iets over te zeggen.

    De jongste aanslag in Turkije dateert van 12 januari, toen ten minste tien mensen het leven lieten na een zelfmoordaanslag door een aanhanger van Islamitische Staat (IS) in Sultanahmet, de historische wijk van Istanboel. Een uur na de aanslag kondigde de Turkse Persraad RTÜK na een officieel verzoek van de minister-president een uitzendverbod af. Kort daarna vaardigde een gerechtshof in Istanboel een algeheel verbod uit ‘op alle soorten nieuws, interviews, kritieken en dergelijke artikelen in gedrukte, audiovisuele en sociale media, en op internet’. Eigenlijk kwam het erop neer dat met de uitspraak werd gezegd: ‘Heb het zelfs niet met je vrienden over de aanslag.’

    De bewoordingen waren vrijwel identiek aan die van het verbod dat volgde op de dubbele zelfmoordaanslag in Ankara op 10 oktober vorig jaar, waarbij honderd vredesactivisten werden gedood. IS, dat door de toenmalige Turkse minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoğlu in een interview nog werd omschreven als ‘een groep boze en onderdrukte soennietische moslims’ en als een simpel gevolg van het sektarische Irakese beleid, zat ook achter dat bloedbad. Zodra IS verantwoordelijk is voor een aanslag in Turkije, verliezen de gerechtshoven kennelijk geen tijd met het opleggen van censuur.

    Selectieve censuur

    Er is geen censuur wanneer het veiligheidsoperaties tegen de verboden Koerdische Arbeiderspartij PKK betreft, of de wekenlange avondklok in bepaalde zuidoostelijke districten en de vermeende schending van de mensenrechten door de veiligheidsdiensten. Hoewel je ook over dat soort operaties niet echt kunt praten. Als je dat wel doet, roep je de toorn over je af van de president, de regering en hun fanatieke supporters, en krijg je te horen dat je je mond moet houden.

    Dat overkwam meer dan duizend lokale en internationale academici die een petitie tekenden waarin ze de veiligheidsoperaties hekelden. Aangezien ze geen gewag maakten van de gewapende militante PKK-aanhangers die hun strijd verplaatsen naar woonwijken, verdienden de ondertekenaars het zeker niet om voor het ventileren van hun mening zo scherp te worden bekritiseerd door president Recep Tayyip Erdogan.

    In een toespraak tot Turkse ambassadeurs tijdens een lunch op 12 januari, veroordeelde Erdogan de aanslag in Sultanahmet in ongeveer veertig seconden, en ging toen over tot de kwestie van de petitie. ‘Deze mensen, die zichzelf academici noemen, beschuldigen de staat in een verklaring. Dat niet alleen, ze nodigen ook nog eens buitenlanders uit om de ontwikkelingen te komen volgen. Dat is een koloniale mentaliteit,’ zei Erdogan, en hij stelde dat het land te maken had met ‘verraad’ door ‘zogenaamde intellectuelen’. ‘Hé, zogenaamde intellectuelen! Jullie zijn geen verlichte mensen, jullie zijn onverlicht. Jullie lijken niet eens op intellectuelen. Jullie zijn onwetend en tasten in het duister, jullie weten niets van het oosten of het zuidoosten,’ zei Erdogan.


    Zijn uitlatingen waren olie op het vuur van de hetze die al tegen de academici was ontketend. De veroordeelde misdaadkoning Sedat Peker, een fanatiek nationalist die AKP-aanhanger werd, plaatste een bericht op de sociale media waarin hij tegen de academici zei: ‘We zullen jullie bloed vergieten en ermee douchen.’

    ‘Laat de mensen niet sterven, laat de kinderen niet 
sterven en laat de moeders niet huilen’

    Een vergelijkbaar incident deed zich een paar dagen eerder voor, toen een vrouw naar de Beyaz Show, een populair televisieprogramma op de zender Kanal D, belde om te praten over de burgerslachtoffers in het zuidoosten. ‘Er strijden mensen tegen honger en dorst, met name de kinderen. Luister daar alsjeblieft naar en doe er niet het zwijgen toe,’ zei ze. ‘Laat de mensen niet sterven, laat de kinderen niet 
sterven en laat de moeders niet huilen.’

    Hoewel ze niet eens zei dat de daders veiligheidsdiensten waren, werd ze uitgeroepen tot ‘terrorist’ en is er een onderzoek begonnen naar haar, de presentator van het tv-programma en de producer in verband met ‘terroristische propaganda’.

    Turkse veiligheidstroepen controleren toeristen op het Sultamahmetplein in Istanboel, waar bij een aanslag tien mensen om het leven kwamen. – © Berk Ozkan /  Getty Images
    Turkse veiligheidstroepen controleren toeristen op het Sultamahmetplein in Istanboel, waar bij een aanslag tien mensen om het leven kwamen. – © Berk Ozkan / Getty Images

    Dat er bij de operaties burgers omkomen is een feit. Volgens een recent rapport van de Human Rights Foundation of Turkey (TİHV) zijn er sinds augustus 2015, toen de militaire avondklok werd ingesteld en de intensieve veiligheidsoperaties tegen de PKK-strijders begonnen, onder de 162 burgerslachtoffers die in de botsingen zijn gevallen 32 kinderen, 29 vrouwen en 24 bejaarden. De officiële cijfers maken melding van de dood van meer dan honderd leden van de veiligheidsdiensten en meer dan driehonderd PKK-strijders in diezelfde periode.

    Er sterven burgers, toeristen, kinderen, vrouwen, strijders, politiebeambten en soldaten in dit land. Nergens over praten of de ogen sluiten verandert daar niets aan.

    Auteur: Özgür Korkmaz
    Vertaler: Martinette Susijn

    Hürriyet
    Turkije | oplage 600.000
    De populaire krant ‘De Vrijheid’ is een machtige speler die met polemische commentaren, een eenvoudige opmaak en veel foto’s inspeelt op emoties: collectieve vreugde of verontwaardiging, nationale trots en boosheid tegen dat wat de belangen van het volk schaadt.