Tag: mensensmokkel

  • Londen gaat specifieke sancties instellen tegen mensensmokkelaars

    Londen gaat specifieke sancties instellen tegen mensensmokkelaars

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Californië geteisterd door branden, vijf mensen omgekomen

    » Vondst lichaam van Indiase journalist in septictank leidt tot protest

    Het Verenigd Koninkrijk wil zo illegale migratie tegengaan

    De regering van het Verenigd Koninkrijk wil een specifiek sanctiesysteem instellen om mensen die migranten het land binnensmokkelen aan te pakken. Het plan, dat erop gericht is om ‘financiële stromen bij de bron te stoppen, zal helpen bij het voorkomen, bestrijden en afschrikken van illegale immigratie en het smokkelen van migranten naar het Verenigd Koninkrijk’, zei de Britse minister van Buitenlandse Zaken, David Lammy, in een verklaring. Hij zal het plan donderdag in een toespraak presenteren.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Vooruitlopend op kritiek van een deel van links, schreef de minister van Buitenlandse Zaken in een opiniestuk voor The Guardian dat ‘degenen die beweren dat migratie geen onderwerp is [dat door de progressieve kant moet worden opgepakt]’ het mis hebben. ‘Er is niets progressiefs aan om het te laten gebeuren dat de meest kwetsbaren worden uitgebuit,’ merkte hij op.

    Sinds hij aan de macht is, heeft Labour-premier Keir Starmer beloofd de strijd tegen mensensmokkelnetwerken op te voeren, die hij als terroristen wil behandelen. Het onderwerp zal een van de thema’s zijn van zijn ontmoeting met president Emmanuel Macron op donderdag in Chequers, in het Verenigd Koninkrijk.

  • In Bulgarije worden mensensmokkelaars geworven via Telegram

    In Bulgarije worden mensensmokkelaars geworven via Telegram

    Op de Balkan worden via de zwarte markt op berichtendienst Telegram oproepen gedaan om voor een aanzienlijk bedrag immigranten te smokkelen. Bij deze Bulgaarse chauffeur gaat bijna alles mis. En naar het geld kan hij fluiten.

    Vladislav [niet zijn echte naam] leidt geen bijzonder turbulent leven. Hij woont in een stad in het noordoosten van Bulgarije, waar hij in een fabriek werkt, in ploegendienst. De eentonigheid van zijn baan en het magere salaris dat hij verdient brengen hem in de verleiding om dingen te doen die ver buiten zijn dagelijkse routine vallen – in dit geval zelfs buiten de wet. 

    Via een advertentie in een anoniem kanaal op berichtendienst Telegram begint Vladislav in september 2023 een nieuwe loopbaan als ‘handelaar in illegale immigranten’. Hij aarzelt aanvankelijk, maar het geld dat hem in het vooruitzicht wordt gesteld is toch te verleidelijk. Vladislav reageert op een bericht dat gebruiker Dark Haker heeft geplaatst, waarin wordt gezocht naar een ‘vervoerder tegen betaling van een groot bedrag’. Vladislavs’ interesse is daarmee al snel gewekt. Dark Haker biedt eerst 650 euro, dan 750, en uiteindelijk iets meer dan 1000 dollar voor het vervoeren van vier vluchtelingen van Boergas naar Sofia. 

    Internetchats

    Illegale migranten de grens over zetten is niet langer alleen voorbehouden aan professionele smokkelaars; het wordt tegenwoordig ook gedaan door mensen die ‘gewoon geld willen verdienen’. Het werven van dergelijke ‘eendagssmokkelaars’ vindt en plein public plaats in internetchats die voor iedereen toegankelijk zijn.

    Nadat hij akkoord is gegaan met het aanbod om de vluchtelingen te vervoeren, vertrekt Vladislav vrijwel onmiddellijk naar Boergas. De opdracht is relatief eenvoudig: haal de vier vluchtelingen op en rijd dan rechtstreeks naar Sofia, zonder onderweg ergens te stoppen. Er moet bij aankomst in Sofia een video-opname worden gemaakt van het tellen van de migranten, en er worden regelmatig screenshots van zijn locatie verwacht, zodat de organisatoren weten waar hij is.

    Die avond krijgt hij de exacte coördinaten van de plaats waar hij heen moet rijden om de vluchtelingen op te halen. De locatie is een zandweg in Strandzja, tussen Kroesjevets en de Jasna Poljana-dam. 

    Als hij daar aankomt, ziet Vladislav in het schijnsel van mobiele telefoons de eerste vluchteling opdoemen: een man in donkere kleren met een rugzak. Hij heeft een kaalgeschoren hoofd, een baard en een snor. ‘Daarna verschenen er nog zes,’ vertelt Vladislav. Terwijl de afspraak was dat hij er vier mee zou nemen, waren het er opeens zeven. En in zijn sedan passen maar vijf mensen. Uiteindelijk neemt hij ze allemaal mee richting Sofia: vijf achterin en twee naast hem voorin.

    De communicatie met de migranten in de auto verloopt moeizaam. Slechts een van hen spreekt een beetje Engels. ‘Ze maakten voornamelijk selfies met hun telefoons,’ vertelt Vladislav. Met behulp van een vertaalapp begrijpt hij dat ze uit Afghanistan komen en dat hun volgende stop Servië is, met eindbestemming Duitsland. Ze hebben 3000 euro per persoon betaald voor hun reis door Bulgarije. 

    Vage aanwijzingen

    De aanwijzingen die Vladislav onderweg krijgt blijven erg algemeen. Hij moet achter een vrachtwagen gaan rijden en via de app Waze in de gaten houden waar de politie gesignaleerd is. ‘Werd je aangehouden, dan was je er gloeiend bij,’ zegt hij.

    Bij aankomst maakt Vladislav zoals gevraagd een filmpje van de vluchtelingen die uitstappen. Volgens zijn correspondentie met een tweede contactpersoon, met een Pakistaans nummer, is dit een vereiste om betaald te worden. Na het maken van de video stappen de zeven migranten ineens weer in de auto. Een paar minuten later krijgen ze aanwijzingen op hun telefoon en stappen ze alsnog uit. 

    Vladislav was verteld dat hij de helft van het bedrag – 500 euro – van de vluchtelingen zelf zou krijgen. Bij aankomst in Sofia, kort voordat de zeven uiteindelijk de auto verlaten, krijgt hij echter heel andere instructies: hij moet geen geld aannemen van de vluchtelingen, omdat die het misschien nodig hebben voor de rest van de reis naar Duitsland. 

    Maar dan neemt het verhaal nog een andere wending: Vladislav moet wachten op een andere man die betrokken is bij de smokkel en die hem zal betalen. Maar die blijkt nog te slapen, hoort hij van de man achter het Pakistaanse nummer. 

    Op een parkeerplaats in Sofia probeert hij zelf wat te slapen. Als dat niet lukt, neemt hij weer contact op met de contactpersoon met het Pakistaanse nummer, die hem uitlegt dat ‘het doorspelen van het geld’ nog niet heeft plaatsgevonden, ‘maar het is in orde’, ‘geen probleem’ en ‘er is niets aan de hand’. Vladislav antwoordt: ‘Er is nog niets mijn kant op gekomen, zoals we wel hadden afgesproken.’ 

    Desondanks blijft de organisator beweren dat alles in orde is. Latere communicatie met zowel het Bulgaarse als het Pakistaanse nummer maakt duidelijk dat de organisatoren elkaar niet kennen en dat de coördinatie elders plaatsvindt. Het Bulgaarse nummer had gesuggereerd dat Vladislav in Plovdiv zou worden betaald, maar tegen die tijd was hij al vertrokken.

    ‘Er is nog niets mijn kant op gekomen, zoals we wel hadden afgesproken’ 

    Vladislav begint ernstige twijfels te krijgen, maar hij heeft de hoop op zijn honorarium nog niet helemaal opgegeven. In ieder geval heeft geen van zijn twee contactpersonen het contact tot nog toe verbroken.

    Als hij de volgende dagen verschillende aanbiedingen krijgt voor een tweede rit, voor nog meer geld – vier mensen voor 500 euro per persoon, bijvoorbeeld – stemt hij in, onder de voorwaarde dat hij bij aankomst ook de 1000 euro die hij nog tegoed heeft zal ontvangen.

    Tijdens zijn tweede rit, naar een plaats die niet ver van de eerste eindbestemming ligt, raakt Vladislav de weg kwijt. Zijn telefoon heeft geen bereik en daarom kan hij geen verbinding maken met de gps-app, of met zijn contactpersoon. Uiteindelijk, na uren rondzwerven, gaat hij alleen terug. ‘Vreemd genoeg was de organisator op de hoogte van mijn situatie; toen we contact hadden, wenste hij me een goede reis terug.’

    De vergeefse tweede rit is voor Vladislav geen reden om niet toch nog een derde poging te wagen: dit keer met een ander startpunt, een paar kilometer van de grensovergang met Turkije bij Lesovo, in de regio Jambol. Daar moet hij vijf migranten oppikken. Maar er komt niemand opdagen. De contactpersoon belooft dat hij nog 250 euro krijgt en 1000 euro van ‘de Arabier die de mensenhandel heeft georganiseerd’. 

    Kort voordat hij wil vertrekken, wordt Vladislav aangehouden door de grenspolitie. Niet zo verrassend, want in tegenstelling tot de eerste twee locaties ligt deze plek in het zicht van een controlepost. Hij moet zijn telefoon afgeven, met daarop de correspondentie met de organisatoren. Zijn auto wordt van onder tot boven uitgekamd. ‘Ik zei dat het mijn eerste keer was,’ vertelt hij. Maar ze bieden hem direct twee opties: meewerken of gearresteerd worden. Vladislav kiest de eerste.

    Fluiten naar het geld

    Alleen kan hij de grenspolitie nauwelijks van dienst zijn. Er zitten geen vluchtelingen in de auto en zijn contactpersonen zijn allemaal anoniem. Als hij zou worden betrapt met migranten, zou hem een onvoorwaardelijke straf boven het hoofd hangen. ‘Eén ding wisten ze heel zeker: ik zou geen enkele lev [de Bulgaarse munteenheid] krijgen voor mijn werk,’ zegt Vladislav, die naar huis wordt gestuurd.

    Slechts een van zijn drie ritten is succesvol afgerond. Financieel is hij er zelfs op achteruit gegaan, want hij moest zelf de benzine betalen. Na een week besluit Vladislav zijn nieuwe carrière vaarwel te zeggen.

    Financieel is Vladislav er zelfs op achteruit gegaan, want hij moest zelf de benzine betalen

    Achteraf beseft hij dat het behoorlijk naïef was om geld te verwachten, nadat hij voor zijn eerste rit niet betaald kreeg. Bovendien realiseert hij zich nu dat hij zichzelf meerdere keren in gevaar heeft gebracht. Ondertussen ziet hij nog steeds Telegram-feeds voorbijkomen met advertenties voor vluchtelingenvervoer, tussen de aanbiedingen voor drugs, nepparfum en nepdiploma’s.

    Wat hem inmiddels opvalt, is dat ‘het barst van de mensen zoals ik die gaan rijden, maar naar hun geld kunnen fluiten’. Hij probeert anderen sindsdien te waarschuwen ‘om niet gepakt te worden’. 

  • Lichamen in de woestijn: in Niger zijn de gevolgen van Europees grensbeleid pijnlijk zichtbaar

    Lichamen in de woestijn: in Niger zijn de gevolgen van Europees grensbeleid pijnlijk zichtbaar

    Europa investeert miljarden in migratiecontroles in Afrikaanse landen. Zo ook in Niger, waar het leger, met Nederlandse steun, de traditionele migratieroutes naar Libië heeft geblokkeerd. Om toch naar Europa te komen, ondernemen migranten een zware – en soms dodelijke – tocht door de Sahara.

    In een zwaarbewaakte gevangenis in de stad Agadez, in het noorden van Niger, zit de veroordeelde mensensmokkelaar Sade Yaya [de namen in dit artikel zijn omwille van veiligheid aangepast] op een krukje op de binnenplaats. Jarenlang vervoerde hij migranten in zijn auto vanuit deze regio door de woestijn, meestal naar de Libische grens.

    Ooit vormde de regio Agadez een doorgangsroute voor mensen die naar het noorden trokken om in Libië of Algerije te gaan werken of om Europa te bereiken. Inmiddels is die route voor de meeste reizigers strafbaar: in 2015 voerde de Nigerese regering met steun van de EU-autoriteiten een wet door tegen mensensmokkel.

    Yaya is een van de mensen die vanwege die wet werd veroordeeld. De wetgeving ontstond op het hoogtepunt van de Europese vluchtelingencrisis, om de stromen naar Europa aan te pakken en een bufferzone te creëren. Op de vroegere migratieroutes naar het noorden wordt nu intens gepatrouilleerd.

    Agadez, dat soms ‘de poort naar de woestijn’ wordt genoemd, is van origine een stad langs oude handelsroutes. Later ontwikkelde het zich tot het vertrekpunt van een gevaarlijke migratieroute. Al is de wet inmiddels enkele jaren oud, er doen nog steeds verhalen de ronde over mensen die nog gevaarlijker routes door de woestijn nemen en verdwijnen. Yaya zelf zegt dat hij, nadat de wet van kracht werd, ‘vaak’ dode lichamen in het zand zag liggen tijdens zijn illegale reizen naar het noorden.

    Onderzoekers en mensenrechtenorganisaties, waaronder de VN-rapporteur voor mensenrechten, maken zich zorgen. Ze zijn bang dat de wet mensen aanzet tot riskantere migratietochten en een einde maakt aan het in de regio verankerde recht op bewegingsvrijheid.

    Missing Migrants

    Sinds het verbod is een aantal gevallen bekend waarbij smokkelaars mensen in de woestijn achterlieten uit angst voor vervolging. Yaya, die een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd kreeg, zegt dat hij en anderen hierdoor dieper de woestijn in moesten rijden en waterplaatsen vermeden, omdat daar Nigerese soldaten patrouilleren.

    In dit Sahara-gebied ligt de Ténéré-woestijn, die zo’n 400.000 vierkante kilometer groot is en zich uitstrekt van het noordoosten van Niger tot het westen van Tsjaad. Zoek- en reddingsmissies zijn er heel moeilijk te organiseren. Bovendien is er ook nog de dreiging van gewapende bandieten of terroristische groeperingen.

    Julia Black werkt voor het Missing Migrants-project, dat verdwenen migranten documenteert. Ze zegt dat het werkelijke aantal doden in de woestijn onbekend is. ‘De 212 doden die we vorig jaar in de Sahara registreerden, zijn slechts het topje van de ijsberg. Mensen die omkomen bij hun tocht door de Sahara blijven grotendeels onopgemerkt, omdat het documenteren van sterfgevallen in een uitgestrekt en onherbergzaam gebied als de Sahara enorm ingewikkeld is.’

    Niger, een van de armste landen ter wereld, heeft van de Europese Unie uitzonderlijk grote donaties gekregen. In totaal heeft het land al meer dan 1,3 miljard euro ontvangen voor hulpprojecten in de periode 2014-2020, waarvan grote delen aan migratiebeheer werden besteed. Tussen 2015 en 2022 hadden dertien van de negentien projecten die de EU in het land financierde betrekking op grenscontroles en wetshandhaving. In dezelfde periode gaf Duitsland volgens de Duitse ngo Misereor meer dan 166 miljoen euro uit aan veertien migratie-gerelateerde projecten.

    Privacy International zegt dat Niger een ‘Europese buitengrens’ is geworden. Onderzoek van de organisatie toont aan dat 11,5 miljoen euro uit het EU-trustfonds voor Afrika – een fonds van 5 miljard euro dat is opgezet om de ‘hoofdoorzaken van illegale migratie’ aan te pakken – opzij is gezet voor migratiecontrole, waaronder drones, software en camera’s.

    Volgens de Nigerese autoriteiten zijn er dit jaar geen doden geregistreerd en vorig jaar slechts 52

    Er worden dus miljoenenbedragen in de regio geïnvesteerd. Degenen die daarvan de gevolgen ondervinden, zijn mensen zoals Ralan Abi [niet zijn echte naam] uit Senegal, die op de woestijnroute werd achtergelaten. Abi maakte deel uit van een groep van ongeveer vijfenzeventig mensen die in 2021 op weg naar Libië was. Twee dagen na het begin van hun reis werden ze in de buurt van Séguédine, een oase in het midden van de Sahara, aan hun lot overgelaten. Hun smokkelaars waren bang om vervolgd te worden. Een deel van de groep ging op zoek naar water. Abi vertelt dat vijf mensen voor zijn ogen stierven van de dorst. Hij werd uiteindelijk gered door Nigerese soldaten. ‘Ze vonden negen doden,’ zegt hij. ‘Van de ongeveer vijfenzeventig mensen waren er nog achtentwintig over.’

    Op een binnenplaats in Agadez zit Merkam Linou [niet haar echte naam] (35) uit Kameroen. Ze heeft een baby op schoot en vertelt over de ervaring die ze anderhalf jaar geleden had in de woestijn. Met een groep migranten was ze via een gevaarlijke route onderweg naar het noorden. Ze vertelt dat het dagen duurde voordat ze werden gevonden, maar dat ze het allemaal overleefden.

    In een recent rapport van onderzoeksgroep Border Forensics wordt geconcludeerd dat de antismokkelwet mensen ertoe drijft steeds gevaarlijker routes te nemen. De ‘ware omvang van het aantal doden onder migranten in de woestijn is onbekend’, aldus het rapport. De Nigerese afdeling van Artsen zonder Grenzen beheert veldklinieken in het noorden en zegt dat de zoek- en reddingsmissies die ze hebben uitgevoerd werden bemoeilijkt door de ‘omvang van de woestijn’. Soms lukte het niet om de mensen te vinden die een noodoproep hadden gestuurd.

    In 2022 heeft de EU het partnerschap ‘tegen migrantensmokkel’ met haar ‘belangrijke partner’ Niger vernieuwd

    Volgens de Nigerese autoriteiten zijn er dit jaar geen doden geregistreerd en vorig jaar slechts tweeënvijftig. Het EU-grensagentschap Frontex, dat een verbindingsofficier heeft in Niger, zegt dat het ‘geen gegevens heeft verzameld over het aantal migranten dat in Niger als vermist is opgegeven’. De Europese Commissie zegt dat ze ‘verlies van mensenlevens betreurt en van mening is dat het redden van levens een morele plicht is’. De commissie zegt bovendien dat ze de zoek- en reddingsacties in het land zal blijven steunen. In 2022 heeft de EU het partnerschap ‘tegen migrantensmokkel’ met haar ‘belangrijke partner’ Niger vernieuwd. Er komen vaak EU-ambtenaren op bezoek – in februari nog ging er een Nederlandse delegatie heen, die beloofde dit jaar een eigen ‘migratiepartnerschap’ op te zetten.

    The Guardian zag voorlopige plannen van die commissie in. Daarin staat onder andere dat Nederland inspanningen op het gebied van migratiebeheer wilde ondersteunen door 55 miljoen euro bij te dragen aan de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in Niger, voor de periode 2021-23. Het Verenigd Koninkrijk heeft in de periode 2021-22 meer dan 3 miljoen euro bijgedragen aan de IOM voor een eenjarig project ter bestrijding van ‘mensenhandel en -smokkel tussen Nigeria en Niger’. Er staat dat het project gericht is op een ‘extreem poreuze en ongereguleerde’ grens.

    Terwijl geld het land blijft binnenstromen, zit Nassim Amanda (24) [niet zijn echte naam] uit Eritrea onder een boom. Hij is Algerije uitgezet en slaapt sinds mei vorig jaar op straat in Agadez, waar hij zich veiliger voelt dan in het kamp. ‘Ik heb de kracht niet meer om terug te gaan naar de woestijn,’ zegt hij kalm. Amanda kent de gevaren maar al te goed: met de meeste mensen die hij kende en die de overtocht aandurfden, heeft hij geen contact meer kunnen krijgen.

    Lees ook:

  • Geronseld bij de kapper: zo worden migranten gesmokkeld naar de Canarische Eilanden 

    Geronseld bij de kapper: zo worden migranten gesmokkeld naar de Canarische Eilanden 

    Uit onderzoek blijkt dat Marokkaanse grenswachten zich laten omkopen om bootjes met migranten op deze uiterst gevaarlijke route te laten passeren. ‘Bij mijn zevende poging gaven de smokkelaars ongeveer 1500 euro smeergeld aan een agent die op zee patrouilleerde. Daardoor hebben we het gehaald.’

    Het eerste contact van Khalid met het smokkelnetwerk dat hem naar Europa bracht, vond plaats bij een bushalte in Gambia. Daar ontmoette hij een Gambiaanse man die zijn reis naar Senegal en vandaar naar de Canarische Eilanden plande. Taxi’s, bushaltes, stations, cafés, pleinen en kapsalons zijn enkele van de plekken die door mensenhandelaars worden gebruikt om migranten te ronselen.

    Legaal vanuit Afrika naar Spanje reizen is voor velen een mission impossible. Door bureaucratische belemmeringen en gebrek aan mogelijkheden hebben meer dan vijftigduizend migranten de laatste jaren ervoor gekozen om in vissersbootjes en rubberboten in handen van criminelen te stappen. Sommigen van hen zijn zich bewust van de risico’s die ze te wachten staan, maar anderen bewandelen blindelings een pad waarop ze worden geconfronteerd met fraude, agressie, seksueel misbruik en zelfs de dood. 

    De laatste studie van het Waarnemingscentrum voor migrantensmokkel van de VN-organisatie UNODC, getiteld Northwest African (Atlantic Route). Migrant smuggling from the Northwest African coast to the Canary Island (Spain), heeft de modus operandi blootgelegd van smokkelaars die duizenden mensen naar Europa hebben gebracht via de Canarische migratieroute, de dodelijkste ter wereld. Aan de kusten van Marokko en de Westelijke Sahara zijn georganiseerde smokkelnetwerken geïdentificeerd. In andere landen, zoals Senegal, is het gebruikelijk dat migranten hun eigen overtocht organiseren met gemeenschappelijk beschikbare middelen.

    ‘Op het strand bedekken organisatoren hun gezicht en gebruiken ze schuilnamen om identificatie te voorkomen’

    ‘Het eerste contact is vaak met de man of vrouw die klanten in contact brengt met vervoerders en organisatoren van boten. Vaak ontmoeten migranten en vluchtelingen de organisator van de boot vaak pas bij het vertrek’, aldus het onderzoek. Zelfs dan zijn ze onherkenbaar: ‘Op het strand bedekken organisatoren hun gezicht en gebruiken ze schuilnamen om identificatie te voorkomen’, aldus de studie.

    Zodra het contact is gelegd, krijgen de migranten de opdracht om op eigen gelegenheid naar de plaats van vertrek te reizen. Mensen reizen met het openbaar vervoer of in voertuigen die bekendstaan als ‘taximaffia’, meldt het rapport. De volgende stap is wachten tot het netwerk voldoende mensen heeft verzameld om de boot te vullen, en op een nacht met gunstige weersomstandigheden.

    Het wachten op de boot naar de eilanden gaat niet voor alle migranten hetzelfde. Het onderzoek bracht verschillen tussen nationaliteiten aan het licht. ‘Marokkanen verblijven in goedkope hotels in kleine dorpjes aan de kust van Marokko en de Westelijke Sahara. Ze delen vaak kamers met mensenhandelaren of met andere klanten om de kosten te drukken. Sommigen wachten een maand’, aldus het rapport. Mensen uit Afrika ten zuiden van de Sahara brengen hun wachttijd door op afgelegen plekken die worden omschreven als ‘woestijnen’. Onder gevaarlijke omstandigheden in huizen met beperkte toegang tot water, voedsel en minimale hygiënische omstandigheden.

    Korting voor het besturen van de boot

    De organisatoren van de overtocht leggen de route bijna nooit zelf af. Vaak kiezen de smokkelaars mannen met vaarervaring om de bootjes te besturen. En vaak worden daarvoor vissers gebruikt. In ruil daarvoor verminderen of schrappen de netwerken voor hen de kosten van de reis, die variëren van 1000 tot 3000 euro.

    Volgens het onderzoek heeft de Spaanse politie tussen januari en november vorig jaar honderdvijftig bootbestuurders op Gran Canaria gearresteerd voor smokkel van migranten. ‘De meeste bootbestuurders die in Spanje worden vervolgd, worden beschuldigd van zware misdrijven die samenhangen met mensensmokkel en worden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier tot acht jaar. Hun handelen wordt geacht het leven en de veiligheid van de passagiers ernstig in gevaar te hebben gebracht’, aldus de studie.

    Soms laten de bestuurders het roer los als een andere boot hun vaartuig nadert

    Als er onderweg doden vallen, wordt de bestuurders moord of doodslag ten laste gelegd; de straffen voor schippers nemen toe met één tot vier jaar voor elk dodelijk ongeval. Soms laten de bestuurders het roer los als een andere boot hun vaartuig nadert, ook al zou dat de dood kunnen betekenen voor de stuurman en de andere inzittenden.

    Agenten identificeren betrokkenen in centra waar migranten 72 uur in hechtenis doorbrengen. Volgens de studie voldoen de voorzieningen in die centra niet aan de minimale kwaliteitsnormen. Burgerbewegingen en gezondheidsorganisaties hebben herhaaldelijk de erbarmelijke omstandigheden in deze voorzieningen aan de kaak gesteld. 

    In november 2020 vond ondervraging door de politie plaats in de haven van Arguineguín, in het zuiden van Gran Canaria. Daar zaten duizenden mensen wekenlang opeengepakt, zonder douches, slapend op de grond. Op Lanzarote werd een schip ingericht als CATE (Centro de Atención Temporal de Extranjeros, ofwel: tijdelijke opvang voor buitenlanders). Er waren zes chemische toiletten voor de honderden mensen die er kwamen toen de stroom mensen naar het eiland toenam. Bij elke storm kwam de vloer onder water te staan en er waren niet genoeg bedden voor iedereen.

    Corrupte grenswachten

    ‘Bij mijn zevende en laatste poging betaalden de smokkelaars uit de Westelijke Sahara smeergeld van ongeveer 1500 euro aan iemand van de militaire basis die op zee patrouilleerde. Daardoor hebben we het gehaald,’ vertelde een Marokkaanse man aan de auteurs van het onderzoek. De smokkel van migranten langs de Noordwest-Afrikaanse route ‘lijkt geen verband te houden’ met andere vormen van smokkel en illegale handel. Er is echter wel sprake van een ander misdrijf: corruptie door grenswachten. ‘Zij zijn vaak van fundamenteel belang voor een succesvolle overtocht.’

    Dit mechanisme, leiden dit jaar, samen met de onmogelijkheid om via legale kanalen toegang tot Europa te krijgen, al tot de dood van achthonderd mensen op de migratieroute naar de Canarische Eilanden, volgens de laatste gegevens van Caminando Fronteras.

    Vrouwen en meisjes worden ook mishandeld en seksueel misbruikt door smokkelaars en bewakers

    Wanneer migranten de kosten van de boot niet kunnen betalen, maken zij met de mensenhandelaars afspraken over andere vormen van compensatie. Zij werken dan ‘gratis voor smokkelaars in omstandigheden die op uitbuiting wijzen, voor lage lonen, vernederende behandeling en slechte huisvesting’. Dat gebeurt vooral in Marokko en Algerije.

    Vrouwen en meisjes worden ook mishandeld en seksueel misbruikt door smokkelaars en bewakers. ‘Een vrouw uit Ivoorkust probeerde zes keer de zee over te steken voordat het haar lukte. Telkens werd ze onderschept en vastgehouden door de Marokkaanse autoriteiten, en werd ze blootgesteld aan mishandeling door ordehandhavers en gevangenisbewakers.’

    Lees ook:

  • Wie heeft Vitali Sjisjov vermoord? | Migranten brengen Spaanse platteland tot leven

    Wie heeft Vitali Sjisjov vermoord? | Migranten brengen Spaanse platteland tot leven

    Wie heeft oppositieleider Vitali Sjisjov vermoord?

    Vitali Sjisjov, voorman van de ngo Belarussisch Huis in Oekraïne, een organisatie die mensen ondersteunt die het regime van Aleksander Loekasjenka zijn ontvlucht, is op dinsdag 3 augustus opgehangen aangetroffen in een park in Kiev.

    In een interview met de Russische krant Moskovski Komsomolets zegt voormalig lid van de Belarussische geheime dienst Igor Makar dat de Belarussische KGB ‘een speciale operatie, genaamd Trest, heeft opgezet om tegenstanders van het regime van Aleksander Loekasjenka te ontvoeren en te liquideren’.

    ’De sporen van de moord op Sjisjov leiden naar Minsk’, concludeert de deskundige. Operatie Trest ‘wordt uitgevoerd in verschillende landen – Oekraïne, Polen, Litouwen, Letland, Estland en Rusland’, aldus Igor Makar, die eraan toevoegt dat ‘in westerse landen een hele infrastructuur van geheim agenten wordt opgezet’.

    Volgens Makar verleende Vitali Sjisjov ‘rechtsbijstand aan Belarussische politieke vluchtelingen, organiseerde hij demonstraties tegen Loekasjenka in Kiev en verenigde hij de Belarussische diaspora in Oekraïne. Dat is de reden dat hij publiekelijk werd vermoord.’

    ‘Sjisjov is niet de eerste Belarussische tegenstander die opgehangen is aangetroffen’

    De liberale Russische krant Novaja Gazeta deelt dit pacifistische beeld niet: ‘Hij ontmaskerde Loekasjenka’s agenten van de geheime dienst [in Oekraïne]’ en ‘in juni maakte hij een account aan op [het sociale netwerk] Telegram om informatie te verzamelen over Belarussische KGB-agenten die buiten Belarus werkten’.

    De Moskouse krant Kommersant brengt in herinnering dat Vitali Sjisjov ‘niet de eerste Belarussische tegenstander is die opgehangen is aangetroffen’: op 18 augustus 2020 werd Konstantin Sjisjmakov, museumdirecteur en lid van een plaatselijke verkiezingscommissie die weigerde het definitieve stemprotocol te ondertekenen, op dezelfde manier vermoord, op 22 augustus trof Nikita Kravtsov, een actief deelnemer aan de protesten na de verkiezingen tegen president Loekasjenka, hetzelfde lot. In 2010 werd Oleg Babenin, oprichter van Khartia-97, een mediakanaal van de oppositie, dood gevonden in zijn datsja, eveneens door ophanging.

    Voor Makar is het duidelijk: ‘De moorden hebben allemaal dezelfde signatuur, het zijn dezelfde mensen, dezelfde namen.’ Degenen die ‘tegen het regime van Loekasjenka strijden, moeten aan hun veiligheid denken’.

    Oekraïense radicalen

    De Russische onlinekrant Pravda.ru meent dat Minsk ‘weinig behoefte heeft aan een verdere verslechtering van de betrekkingen met het Westen’ en ‘een nieuwe reeks sancties’. De krant roept op tot het zoeken naar ‘de vermeende moordenaars van Sjisjov onder zijn medestanders – Oekraïense radicalen en de Oekraïense geheime dienst’.

    ‘Belarussische radicalen zijn in groten getale aanwezig in Oekraïne en het Belarussische Huis in Oekraïne, de vereniging die is opgericht en wordt voorgezeten door Sjisjov, is hun coördinatiepunt’, analyseert politicoloog Aleksej Dzermant. Volgens hem had Sjisjov ‘banden met het extreemrechtse Oekraïense Azov-bataljon’ (een paramilitaire eenheid) en was hij wellicht ‘slachtoffer van een afrekening, ook op financieel gebied, binnen deze organisatie’.

    ‘Kan Oekraïne nog steeds kan worden beschouwd als veilig gebied voor Belarussische vluchtelingen?’

    Het Russische dagblad Nezavissimaya Gazeta vraagt zich af of ‘de Oekraïense president Volodymyr Zelensky de situatie in zijn land onder controle heeft‘ en of ’Oekraïne nog steeds kan worden beschouwd als veilig gebied voor Belarussische politieke vluchtelingen’.

    Of Sjisjov het slachtoffer is van de Belarussische geheime dienst of van Oekraïense radicalen, zal onderzoek moeten uitwijzen. Maar het motief en de manier waarop Sjisjov aan zijn einde kwam lijken te wijzen in de richting van de KGB.

    Lees ook:


    Italië registreert 2040 gevallen van mensensmokkel

    Italië registreerde vorig jaar 2.040 gevallen van mensenhandel, volgens een rapport van Save the Children. In 105 gevallen ging het om kinderen en ongeveer 80 procent van de gevallen betrof vrouwen en meisjes. Volgens Save the Children worden momenteel ongeveer 190 vrouwen met 226 kinderen opgevangen binnen het Italiaanse beschermingssysteem, schrijft ANSA.

    ‘Dit zijn vaak kinderen van alleenstaande meisjes die zijn bedrogen, verkocht, ontvoerd en die op weg naar Europa zijn gemarteld en verkracht’, aldus Save the Children Italië. Volgens het rapport heeft de pandemie het moeilijker gemaakt om criminele bendes op te sporen die hun slachtoffers dwingen tot prostitutie, drugsmokkel of dwangarbeid.

    Lees ook:


    Migranten brengen het Spaanse platteland tot leven

    Dankzij een programma dat ontvolkte plattelandsgebieden in Spanje probeert nieuw leven in te blazen, leidt een gevlucht Colombiaans gezin met twee kinderen nu een rustig leven in een dorpje in de Noord-Spaanse provincie León. Het gezin verruilde de Colombiaanse stad Cali, met een bevolking van drie miljoen, voor het dorp Brañuelas, dat tweehonderd inwoners telt.

    Het project Nuevo Comienzo beoogt migranten naar leeglopende gebieden te trekken

    Ze arriveerden in december 2019 in Spanje en vroegen asiel aan om te voorkomen dat ze terug moesten naar Colombia, waar de FARC hun land opeiste. Aanvankelijk liepen ze tegen een bureaucratische muur op, schrijft El País. Totdat ze hoorden van Nuevo Comienzo (‘Nieuw Begin’), een project van de provinciale overheid en verschillende instanties, dat beoogt migranten naar leeglopende gebieden te trekken. Als de Colombianen naar het afgelegen dorp verhuisden, zouden ze werk krijgen, hulp bij huisvesting en zouden hun kinderen worden toegelaten tot het Spaanse schoolsysteem. In ruil daarvoor zou Brañuelas nieuwe inwoners krijgen en genoeg leerlingen om een nieuwe schoolklas te kunnen samenstellen.

    Burgemeester Carolina López van de sociaal-democratische PSOE hoopt dat de aanwas leidt tot beter vervoer en betere telefoon- en internetverbindingen. Astorga, de dichtstbijzijnde grote gemeente waar wordt gevaccineerd en waar medische zorg is, is slecht bereikbaar vanuit Brañuelas. Met de auto is het veertig minuten rijden, maar met het openbaar vervoer duurt het vanwege belabberde busverbindingen een hele dag.

    Andere leeglopende regio’s in Spanje, zoals Guadalajara, beginnen nu ook met soortgelijke programma’s.

  • Hulporganisaties op de Middellandse Zee onder vuur

    Hulporganisaties op de Middellandse Zee onder vuur

    Reddingsacties van ngo‘s op de Middellandse Zee zouden volgens de Europese en Italiaanse grensautoriteiten mensensmokkel faciliteren. Maar uit onderzoek van The Intercept blijkt dat de autoriteiten samenwerken met Libische smokkelaars, terwijl de hulporganisaties en migranten zelf worden aangeklaagd.

    Lees hier deel 1 van dit artikel.

    In 2014 breekt een nieuwe etappe aan in het werk van DNAA, het Italiaanse antimaffia- en antiterreuragentschap dat zich de laatste jaren toelegde op het aanpakken van mensensmokkelaars op de Middellandse Zee, en zijn directeur Franco Roberti. Italië heeft Mare Nostrum, een reddingsmissie in de internationale wateren voor de kust van Libië die meer dan 150.000 mensen redde, na een jaar opgeheven vanwege budgettaire beperkingen en een gebrek aan Europese samenwerking.

    In haar kielzog heeft de EU twee nieuwe operaties opgezet, een via Frontex en de ander onder militaire vlag, Operatie Sophia genaamd. Deze operaties zijn niet gefocust op het redden van mensenlevens, maar op grensbeveiliging en mensensmokkelaars uit Libië. Vanaf 2015 werden vertegenwoordigers van Frontex en Operatie Sophia toegevoegd aan de bijeenkomsten van DNAA, waarbij Italiaanse aanklagers erop toezagen dat beiden zich aan de nieuwe onderzoeksstrategie hielden.

    Die strategie betekende dat iedereen die als bemanningslid optrad of een noodoproep deed op een boot met migranten, als medeplichtige aan mensensmokkel moest worden beschouwd en onderworpen moest worden aan de Italiaanse jurisdictie. Zo konden ze de Libische smokkelaars aanpakken zoals ze eerder de Italiaanse maffia hadden aangepakt.

    Belangrijk voor het onderzoek zijn foto‘s van reddingsacties, zoals de luchtfoto die door de Italiaanse kustwacht aan Dieudonne, een Kameroense bootvluchteling die werd verhoord door de kustwacht, werd getoond, waarmee de politie op een andere manier kon identificeren wie de boten bestuurde en wie hielp bij het navigeren.

    Ngo’s in het vizier

    Bij gebrek aan reddingsschepen van de overheid begon een vloot van schepen van hulporganisaties aan een groot aantal reddingsacties in de internationale wateren voor de kust van Libië. Deze schepen, die werden gecoördineerd door het Italiaanse reddingscentrum van de kustwacht in Rome, maakten het moeilijk voor aanklagers en politie om bewijsmateriaal te verzamelen. Volgens de notulen van een vergadering van DNAA, die Zach Campbell en Lorenzo D’Agostino van The Intercept hebben ingezien, gaven sommige ngo‘s, waaronder MOAS, routinematig foto‘s aan de Italiaanse politie en Frontex. Anderen weigerden met het argument dat het leveren van bewijs voor onderzoek naar de mensen die ze hadden gered, hun doeltreffendheid en neutraliteit zou ondermijnen.

    In de jaren na Mare Nostrum was de ngo-vloot verantwoordelijk voor meer dan een derde van alle reddingen in het centrale Middellandse Zeegebied, volgens schattingen van Operatie Sophia. Omdat de ngo‘s geen informatie van geredde migranten verzamelden voor de politie, werd ‘informatie die essentieel is om het begrip van het bedrijfsmodel van smokkel te vergroten’, niet verkregen, aldus een uitgelekt rapport.

    Een admiraal van de kustwacht onderstreepte hoe belangrijk het is om ondervragingen te doen vlak na een reddingsactie

    Tijdens een volgende bijeenkomst herhaalden zes aanklagers hun bezorgdheid. Reddingsacties van hulporganisaties betekenden dat de politie migranten op zee niet kon ondervragen, zeiden ze, en daarom moesten gevallen worden geseponeerd door gebrek aan bewijs. Een admiraal van de kustwacht onderstreepte hoe belangrijk het is om ondervragingen te doen vlak na een reddingsactie, omdat dan ‘een moment van empathie is bereikt’. ‘Het is niet mogelijk om deze taak uit te voeren als de reddingsinterventie wordt uitgevoerd door schepen van ngo’s’, aldus de admiraal tegen de groep.

    Ngo’s veroorzaakten dus problemen voor de DNAA-strategie. Tijdens de bijeenkomsten bespraken Italiaanse aanklagers en vertegenwoordigers van de kustwacht, de marine en het ministerie van Binnenlandse Zaken wat ze konden doen om dehulporganisaties in toom te houden. Tegelijkertijd richtten verschillende aanklagers afzonderlijk hun vizier op de ngo’s zelf.

    Zo beschuldigde Frontex in een intern rapport, dat later volledig werd gepubliceerd door The Intercept, een vaartuig van een ngo ervan migranten rechtstreeks van Libische smokkelaars te hebben overgenomen, op grond van informatie van ‘Italiaanse autoriteiten’. Die claim werd weersproken met videobewijs en door de bemanning van het schip.

    ’Vrienden van mensenhandelaars’ en ‘taxiservice voor migranten’ werden gangbare beledigingen

    Maanden later maakte Carmelo Zuccaro, de officier van justitie van Catanië, bekend dat hij onderzoek deed naar reddingsorganisaties. ‘Samen met Frontex en de marine proberen we toezicht te houden op al deze ngo’s die hebben laten zien over grote financiële middelen te beschikken’, zei Zuccaro tegen de Italiaanse krant La Repubblica. Zijn uitspraak ging viraal in Italiaanse en Europese media. ‘Vrienden van mensenhandelaars’ en ‘taxiservice voor migranten’ werden gangbare beledigingen van humanitaire ngo’s door anti-immigratiepolitici en extreemrechts in Italië.

    Zuccaro zou uiteindelijk zijn beweringen terugdraaien en een parlementaire commissie vertellen dat hij op dat moment met een hypothese werkte maar geen bewijs had om zijn uitspraak te staven.

    In een interview met de  Duitse krant Die Welt in februari 2017 onthield de directeur van Frontex, Fabrice Leggeri, zich van expliciete kritiek op het werk van reddingsorganisaties, maar hij zei wel dat ze het politieonderzoek in de Middellandse Zee belemmerden. Omdat hulporganisaties een groter percentage reddingen verrichtten, aldus Leggeri, ‘wordt het voor de Europese veiligheidsautoriteiten steeds moeilijker om door ondervraging van migranten meer te weten te komen over de smokkelnetwerken‘.

    ‘Die lastercampagne ging heel, heel ver’, zegt voormalig minister van Buitenlandse Zaken Emma Bonino. Verwijzend naar Marco Minniti, destijds de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, voegt ze eraan toe: ‘Ik probeerde Minniti ertoe aan te zetten niet zo geobsedeerd te zijn door de mensen die hierheen kwamen, maar om een integratiebeleid voor Italië in te voeren. Maar hij concentreerde zich uitsluitend op Libië, op het smokkelen en op het criminaliseren van ngo’s met behulp van officieren van justitie.’

    Volgens Bonino vormde de actie tegen ngo’s deel van een groter plan om het Europese beleid in het centrale Middellandse Zeegebied te veranderen. De eerste stap was de verschuiving van humanitaire redding naar grensbeveiliging en smokkel. De tweede stap ‘was de ngo’s aan te klagen of hen te arresteren. Het was een smerige campagne tegen hen. Met na zoveel jaren als resultaat dat er geen veroordelingen, geen straffen, geen processen zijn.’

    ‘Ze begonnen die zogenaamde kustwacht te ondersteunen, maar dat waren dezelfde mensenhandelaars in een ander jasje’

    Een derde stap behelsde het opzetten van een nieuwe kustwacht in Libië om te doen wat de Europeanen volgens het internationaal recht niet konden: mensen op zee onderscheppen en terugbrengen naar Libië, van waaruit ze net waren gevlucht.

    Aanvankelijk waren de leiders bij Frontex voorzichtig. ‘Als Frontex kijken we met bezorgdheid naar Libië; er is daar geen stabiele staat’, zei Leggeri in het interview van 2017. ‘We helpen nu 60 officieren op te leiden voor een mogelijke toekomstige Libische kustwacht. Maar dit is op zijn best een begin.’ Maar Bonino ziet dat anders. ‘Ze begonnen die zogenaamde kustwacht te ondersteunen,’ zegt ze. ‘Maar dat waren dezelfde mensenhandelaars in een ander jasje.’

    Dezelfde uniformen, dezelfde schepen

    Dieudonne, een Kameroense migrant die veilig is aangekomen in Italië, werd nooit opgeroepen als getuige door de rechtbank. Hij hoopt dat geen van zijn lotgenoten in de gevangenis is beland, maar zegt graag te getuigen tegen mensenhandelaars mocht hij worden gebeld. ’Ik heb de politie de contactgegevens van mensenhandelaars gegeven, ik heb ze namen gegeven’, aan boord van het kustwachtschip, zo vertelt hij The Intercept.

    De smokkeloperaties in Libië gebeurden in het zicht, maar de Italiaanse politie moest in internationale wateren blijven. Uitgelekte documenten van Operatie Sophia beschrijven jarenlange inspanningen van Europese ambtenaren om de Libische politie ertoe te bewegen smokkelaars te arresteren. Achter gesloten deuren gaven Italiaanse en EU-topfunctionarissen toe dat diezelfde smokkelaars waren verweven met de nieuwe Libische kustwacht die Europa aan het opzetten was en dat samenwerking met hen mogelijk in strijd zou zijn met het internationaal recht.

    Al in 2015 merkten meerdere functionarissen op de antimaffiabijeenkomsten van DNAA op dat sommige smokkelaars verontrustend dicht bij leden van de Libische regering stonden. ‘Milities gebruiken dezelfde uniformen en dezelfde schepen als de Libische kustwacht die door de Italiaanse marine wordt getraind’, zei schout bij nacht Enrico Credendino, verantwoordelijk voor Operatie Sophia, in 2017. Het hoofd van de Libische kustwacht en de Libische minister van Defensie, beide bondgenoten van de Italiaanse regering, onderhouden ‘nauwe relaties met enkele militiebazen’, aldus Credendino.

    Een van de Libische kustwachtofficieren werd veroordeeld voor zijn rol als toplid van een machtige smokkelmilitie

    Een van de Libische kustwachtofficieren die aan beide kanten opereerde, was Abd al-Rahman Milad, ook wel bekend als Bija. In 2019 onthulde de Italiaanse krant Avvenire dat Bija, met de Italiaanse grenspolitie en inlichtingenfunctionarissen in mei 2017 deelnam aan een bijeenkomst op Sicilië die was gericht op het tegengaan van migratie vanuit Libië. Een maand later werd hij door de VN-Veiligheidsraad veroordeeld voor zijn rol als toplid van een machtige smokkelmilitie in de kustplaats Az Zawiyah, en, zoals de VN het omschreef, voor ‘het met vuurwapens tot zinken brengen van migrantenboten.’

    Volgens gelekte documenten van Operatie Sophia zijn kustwachtofficieren die onder Bija’s bevel stonden, getraind door de EU tussen 2016 en 2018.

    Terwijl de Italiaanse regering vermeende smokkelaars in Italië vervolgde, werkten ze ook samen met mensen waarvan ze wisten dat het smokkelaars waren in Libië. Minniti, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken van Italië, rechtvaardigde de deals van zijn regering met Libië, want het vooruitzicht van massale migratie vanuit Afrika bezorgde hem ‘angst voor het welzijn van de Italiaanse democratie’.

    In een van de antimaffiabijeenkomsten van 2017 schetste Vittorio Pisani van het ministerie van Binnenlandse Zaken een plan dat voorzag in de directe coördinatie van de nieuwe Libische kustwacht. Ze zouden ‘een operatiekamer in Libië creëren voor de uitwisseling van informatie met het ministerie van Binnenlandse Zaken’, aldus Pisani, ‘voornamelijk over de positie van ngo-schepen en hun reddingsoperaties. Zodoende kon de Libische kustwacht aan de slag in zijn nationale wateren.’

    ‘We hadden de medewerking van Libische instellingen nodig. Maar ze deden niets, omdat ze geld aannamen van de mensenhandelaars’

    En daarmee werd de derde stap van het plan in gang gezet. Aan het einde van de bijeenkomst stelde Roberti voor om vertegenwoordigers van de Libische politie uit te nodigen voor hun volgende bijeenkomst. In een interview met The Intercept bevestigde hij dat Libische vertegenwoordigers ten minste twee antimaffiabijeenkomsten bijwoonden en dat hij zelf Bija ontmoette tijdens een bijeenkomst in Libië, een maand nadat het rapport van de VN-Veiligheidsraad was gepubliceerd. Een jaar later werd Bija bestraft door de commissie van de Veiligheidsraad voor Libië, met bevriezing van zijn tegoeden en een verbod op internationale reizen.

    ‘We hadden de medewerking van Libische instellingen nodig. Maar ze deden niets, omdat ze geld aannamen van de mensenhandelaars’, zegt Roberti in het Napolitaanse café. ‘Zijzelf waren de mensenhandelaars.’

    Een veilige plek

    Roberti ging in 2017 met pensioen bij DNAA. Hij zei dat de organisatie onder zijn leiding een basis creëerde voor de omgang met migratie in heel Europa. Maar hij erkent dat zijn uitbreiding van DNAA naar migratiekwesties gemengde resultaten heeft opgeleverd. Hij zegt dat de antimaffiastrategie haperde – net als zijn reis naar Duitsland in de jaren negentig met Giovanni Falcone om internationale maffiapraktijken aan te pakken – vanwege een gebrek aan samenwerking met de ngo’s, met andere Europese regeringen en met Libië.

    ‘Op Europees niveau werkt de samenwerking niet’, aldus Roberti. En wat betreft Libië voegt hij eraan toe: ‘We hebben het geprobeerd. En ik denk dat de afspraken die de regering maakte, juist waren. Maar uiteindelijk werd het een mislukking.’

    Uitgebreid

    DNAA heeft zijn activiteiten sindsdien uitgebreid. Tussen 2017 en 2019 keurde de Italiaanse regering twee wetsvoorstellen goed die het antimaffia-agentschap belast met vrijwel alle illegale immigratiekwesties. Sinds 2017 zijn vijf Siciliaanse aanklagers, die allemaal ten minste één coördinatievergadering bijwoonden, vijftien afzonderlijke gerechtelijke procedures begonnen tegen medewerkers van hulporganisaties. Tot dusver zijn er geen veroordelingen. Drie zaken zijn door de rechtbank verworpen en de rest loopt nog.

    Eerder deze maand kwam het nieuws naar buiten dat Siciliaanse aanklagers journalisten en mensenrechtenadvocaten hebben afgeluisterd voor een van deze onderzoeken. Ze luisterden wettelijk beschermde gesprekken af met bronnen en cliënten. Het Italiaanse ministerie van Justitie heeft een onderzoek ingesteld naar het incident, dat volgens Italiaanse juridische experts neerkomt op crimineel handelen. De officier van justitie die de telefoontaps goedkeurde, woonde tenminste één coördinatievergadering van DNAA bij, waar onderzoeken tegen ngo’s uitvoerig werden besproken.

    Sinds DNAA zijn bereik heeft vergroot, zijn de belangrijkste spelers van eerdere coördinatievergaderingen gestegen in de pikorde van Italiaanse en Europese instellingen. Een officier van justitie, Federico Cafiero de Raho, leidt nu het antimaffia-agentschap. Salvi, de voormalige officier van justitie van Catanië, is nu procureur-generaal van Italië. Pisani, de voormalige medewerker van het ministerie van Binnenlandse Zaken, is plaatsvervangend hoofd van de Italiaanse inlichtingendiensten. En Roberti is lid van het Europees Parlement.

    Cafiero de Raho staat achter de onderzoeken en arrestaties die het antimaffia-agentschap door de jaren heen heeft verricht. Hij noemde de coördinatievergaderingen een essentieel instrument voor aanklagers en politie in moeilijke tijden.

    Gevraagd naar zijn specifieke opmerkingen tijdens de bijeenkomsten, met name zijn verklaringen dat humanitaire hulporganisaties gereguleerd moesten worden en zijn herhaalde erkenning dat leden van de nieuwe Libische kustwacht betrokken waren bij smokkelactiviteiten, zegt Cafiero de Raho dat zijn opmerkingen in de juiste context moeten worden geplaatst, namelijk het ontwikkelen door Italië en de EU van een kustwacht in een deel van Libië dat grotendeels werd geregeerd door lokale milities.

    Zijn uiteindelijke doel is wat hij in de coördinatievergaderingen van DNAA de ‘buitengerechtelijke oplossing’ noemde: proberen om het bestaan van misdaden tegen de menselijkheid in Libië te bewijzen, zodat ‘de VN troepen naar Libië kan sturen om migrantenkampen te ontmantelen die zijn opgezet door mensenhandelaars… en de controle over dat gebied te heroveren.’

    De overgrote meerderheid van de vertrekkende schepen wordt onderschept door de Libische kustwacht en teruggebracht naar Libië

    Een woordvoerder van de afdeling buitenlands beleid van de EU, die Operatie Sophia leidde, weigerde rechtstreeks te reageren op het bewijs dat de leiders van de Europese militaire operatie wisten dat delen van de nieuwe Libische kustwacht ook betrokken waren bij smokkelactiviteiten, maar merkte wel op dat Bija zelf niet is opgeleid door de EU. Een woordvoerder van Frontex zegt dat zijn organisatie ‘niet is betrokken bij de selectie van te trainen officieren’.

    In 2019 veranderde de Europese migratiestrategie opnieuw. Nu wordt de overgrote meerderheid van de vertrekkende schepen onderschept door de Libische kustwacht en teruggebracht naar Libië. In maart 2019 haalde Operatie Sophia al haar schepen terug uit het reddingsgebied en richt zich sindsdien op luchtpatrouilles om de Libische kustwacht aan te sturen en te coördineren. Mensenrechtenadvocaten in Europa hebben daarop zes juridische procedures tegen Italië en de EU aangespannen: in strijd met het internationaal recht zouden ze de terugkeer van migranten naar gevaarlijke omstandigheden faciliteren.

    Gedurende vier jaar van coördinatievergaderingen hebben Italië en de EU inderdaad privé toegegeven dat het onwettig is om mensen naar Libië terug te sturen. ‘Fundamentele schendingen van de mensenrechten in Libië maken het onmogelijk om migranten terug te drijven naar de Libische kust’, zei Pisani in 2015. Twee jaar later ontwierp hij het begin van een plan dat precies dat zou doen.

    Het resultaat van louter toeval

    Dieudonne weet dat hij geluk heeft gehad. De scheidslijn tussen verdachte en slachtoffer is geheel afhankelijk van de eerste indrukken van politieagenten in de minuten of uren na een reddingsactie. Volgens politierapporten die in rechtszaken werden gebruikt, waren fysieke kenmerken, zoals ‘een lichtere huidskleur’, of gedrag aan boord van het schip, zoals het nauwkeurig in de gaten houden van politiebewegingen ‘met opmerkelijke belangstelling’, voldoende om argwaan te wekken.

    In een uitspraak uit 2019 waarin zeven vermeende smokkelaars werden vrijgesproken na drie jaar voorarrest, schreven rechters dat ‘de selectie van de verdachten aan de ene kant en de getuigen aan de andere kant, met als enige uitzondering de stuurman, nagenoeg het resultaat is van louter toeval’.

    Meewerken met Libische smokkelaars heeft andere migranten in Italië lange gevangenisstraffen gekost. In september 2019 werd een 22-jarige Guinees, bijgenaamd Suarez, gearresteerd bij aankomst in Italië. Vier getuigen vertelden de politie dat hij had samengewerkt met gevangenisbewakers in Az Zawiyah, in het detentiecentrum voor immigranten dat wordt beheerd door de beruchte Bija.

    ‘Suarez was ook een gevangene die gedwongen meewerkte’, zei een van de getuigen tegen de rechtbank. Degenen die zich geen betaling van losgeld kunnen veroorloven, helpen vaak met maaltijden uitdelen of toezicht houden, verklaarde een ander. ‘Je zou er moeten zijn om de situatie te begrijpen’, aldus de eerste getuige. Suarez werd veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, die onlangs in hoger beroep is teruggebracht tot twaalf jaar.

    Verrassend kalmte

    Dieudonne herinnert zich zijn reis op zee levendig, met verrassende kalmte. Toen de boot water begon te maken, probeerde hij te helpen. ‘Je moet helpen waar dat nodig is.’ In zijn kantoor in Bari buigt hij zich voorover en maakt schepbewegingen met zijn armen, alsof hij water uit een boot haalt.

    ‘Zouden ze mij ook moeten veroordelen?’ vraagt hij zich af. Hij vindt het ironisch dat het de Libiërs waren die Bija uiteindelijk in oktober arresteerden op beschuldiging van mensenhandel. De Italianen en Europeanen, zegt hij lachend, hadden het te druk samen te werken met de corrupte kustwacht. Overigens werd Bija vorige maand vrijgelaten uit de gevangenis nadat een Libische rechtbank hem van alle aanklachten heeft vrijgesproken. Hij is gepromoveerd bij de kustwacht en weer aan het werk gezet.

    Dieudonne denkt vaak aan de mensen die hij identificeerde aan boord van het kustwachtschip midden op zee. ‘Ik heb de politie de waarheid verteld. Maar als dat leidt tot de veroordeling van een onschuldig persoon, dan is dat verkeerd’, zegt hij. ‘Omdat ik weet dat die persoon niets fout heeft gedaan. Integendeel, hij heeft ons leven gered door dat vlot te besturen.’

    Dit artikel werd samengesteld door IJsbrand van Veelen.

  • ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    Dit is het waargebeurde verhaal van een Koerdische vrouw die, hoogzwanger, samen met haar man en twee kinderen van Turkije naar Griekenland vlucht. De auteur maakte deel uit van dezelfde groep vluchtelingen en tekende haar verhaal op. Deel 1 van een tweeluik.

    Keuze uit ons archief

    Sinds de aardbeving in Turkije en Syrië stromen er steeds meer verhalen binnen van Syrische vluchtelingen in buurland Turkije die eerst hun huis in eigen land vernietigd zagen worden door de bommen van Assad en nu in hun nieuwe thuisland worden overvallen door natuurgeweld. Ongetwijfeld zullen veel Syrische ontheemden in beide getroffen landen nog meer reden zien om hun heil te zoeken in West-Europa – en geef ze eens ongelijk. Dit aangrijpende verhaal uit de Turkse krant Birgün

    Weeën… Hevige weeën. En dat terwijl alles net begonnen is, het maakt me bang, maar ik moet volhouden, er zit niks anders op. Toen ik aan de reis begon was ik er eigenlijk beter aan toe. Waarom moet het nu beginnen? Komt het door het heen en weer geschud tijdens de ‘reis’ in de laadruimte van de vrachtwagen? Of is het de angst, de onrust, de spanning niet te weten wat het onbekende brengt? Hoe komen we over die rivier… Mijn kinderen… Hoe moeten die deze tocht doorstaan, blijft mijn baby in leven?

    Voordat ik aan deze onzekere tocht begon, had de dokter gezegd dat ik binnen een week zou kunnen bevallen. Toch ben ik vertrokken, wij allemaal, ons hele gezin. Wat als het kind onderweg ter wereld komt, of als het de reden is dat we worden teruggestuurd? We hebben verhalen genoeg gehoord van mensen die keer op keer de overkant wisten te bereiken en vervolgens werden teruggestuurd, met geweld. Geen idee wat ons te wachten staat. Het enige waar we ons aan vast kunnen klampen is onze hoop, het enige wat we weten is dat we niet terug willen naar waar we vandaan zijn gekomen. Daarom hebben we alle hoop die we in ons hadden aangesproken. Ons nog ongeboren kind. Misschien geeft onze baby aan de overkant houvast.

    705x470 1 1

    Hazne Alviyi

    Hazne Alviyi, 37, blijft bij haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de Syrische provincie Raqqa vanwege de zes jaar durende Syrische burgeroorlog. Turkije, dat een lange grens deelt met Syrië, herbergt nu ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen – meer dan enig ander land ter wereld. Sinds de Syrische burgeroorlog meer dan zes jaar geleden begon, heeft Turkije ongeveer $ 25 miljard uitgegeven om Syrische vluchtelingen te helpen en op te vangen. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Uit de reeks Mutual life: The Syrian refugee crisis

    Mijn man, mijn twee kleine kinderen, Mizgin en Azad, en mijn nog ongeboren kind. Na een uren durende tocht in de laadruimte van een vrachtwagen, een reis kun je het nauwelijks noemen, komen we bij een grensdorp aan. De mensensmokkelaar die ons van Istanboel hierheen heeft gebracht, stapt uit, doet ons over aan een andere smokkelaar en vertrekt. Het is midden in de nacht, half november. We lopen een tijd door een akker. ‘Stop,’ zegt de smokkelaar, ‘hier blijven we wachten.’ Hij blijkt niet degene te zijn die ons meeneemt.

    We wachten in stilte. De weeën zijn hevig, ik kan nauwelijks ademhalen. Ik zak neer in het bedauwde gras, op de vochtige aarde. Een bedroefd, bezorgd, gespannen wachten in het holst van de nacht. Wat zoeken we hier?

    De auteur

    Vanwege haar kritiek op de oorlogspolitiek die meteen na de verkiezingen van 7 juni 2015 in Turkije oplaaide, ondertekende Umut Güneş (pseudodiem) de Petitie van Academici voor de Vrede. De petitie kwam in januari 2016 uit onder de titel ‘Wij willen geen deel van deze misdaad zijn’.

    Als ondertekenaar werd ze krachtens een decreet van februari 2017 ontslagen uit haar functie op de universiteit. Haar leven veranderde van de ene dag op de andere. Ze werd bedreigd, fysiek en verbaal belaagd, er werden rechtszaken tegen haar aangespannen, ze raakte haar baan kwijt, haar paspoort werd ingetrokken, er werd haar verhinderd nieuw werk te zoeken – net als de andere ondertekenaars kon ze haast geen van haar burgerrechten nog uitoefenen.

    Om een nieuw hoofdstuk te beginnen en haar laboratoriumonderzoek voort te kunnen zetten, stak ze illegaal de Maritsa over, de rivier tussen Turkije en Griekenland, en reisde naar het buitenland. Ze maakte de tocht met vluchtelingen uit verschillende landen. Wat ze meemaakte en om zich heen zag vormde de basis voor dit verhaal. Daarin beschrijft ze de gebeurtenissen door de ogen van een van haar medereizigers, een zwangere Koerdische vrouw. Ze wil haar een stem geven.

    Geen woord

    We wachten in stilte. Midden op een akker, twintig mensen die in dezelfde laadruimte van een vrachtwagen zijn vervoerd, als schapen naar de slachtbank.

    We wachten in stilte. Allerlei verschillende gezichten, verschillende talen, Kurmanci, Sorani, Arabisch, Afghaans. In de vrachtwagen klonken ze nog door elkaar, nu valt er geen woord.

    We wachten in stilte. Mijn man laat mijn hand geen moment los. Mijn hoofd kan ik nauwelijks overeind houden, het rust steeds tegen zijn borst. En dan mijn kinderen. Mijn dochter is acht, mijn zoon zeven. Maar eigenlijk zijn ze al ouder. Wanneer zijn ze zo volwassen geworden? Waarom was dit nodig? De nacht is donker, nat, koud. Nu zitten ze hier, mijn kinderen, in een land dat we niet kennen, tussen mensen die we niet kennen, in een novembernacht op een braakliggende akker bij een dorp aan de grens, doen hun best om wakker te blijven, wachten op het moment dat we op weg zullen gaan, in stilte. Wat heeft hen op deze leeftijd geleerd zo stil te zijn?

    Hoe lang we al wachten, geen idee. Uiteindelijk komt de andere smokkelaar. Hij lijkt nog een vrouw bij zich te hebben, maar zeker weet ik het niet, het is donker, de pijn zo hevig dat ik mijn ogen nauwelijks open krijg. Dan hoor ik haar stem, ze praat Turks met hem, ja, een vrouw uit Turkije.

    Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling

    In het pikkedonker worden we geteld, als vee. Een som om uit te rekenen met hoeveel stuks we zijn. Ik weet wel dat we nummers voor hen zijn, dat het niet om onze levens gaat. Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling. Alleen de cijfers tellen, een rekening voor het geld dat ze straks krijgen, ons bestaan zegt ze niks.

    We gaan verder. We zouden ongeveer een uur langs de Turkse grens lopen, was er gezegd, dan met een boot de rivier oversteken, daarna was het nog hoogstens drie, vier uur lopen tot de auto die ons naar Athene brengt. In de woorden van de smokkelaar had het heel eenvoudig geklonken. Een korte tocht zou het zijn, het had ons moed gegeven. Net als de wens te leven, die ons de moed gaf op weg te gaan. Zo eenvoudig als het allemaal was, zo menselijk was het ook.

    Dikke sokken en slippers

    Het moet een uur of drie in de nacht zijn. Naast ons een kanaal. Op de oever zijn bergen zand gestort. We lopen langs het water, over de zandhopen, tenminste, dat proberen we. Waarom? Geen idee. Misschien om niet te verdwalen. De regen heeft kuilen in de grond geslagen, de schrale wind de grond hard gemaakt. Hoe valt hier te lopen?

    De smokkelaar gaat voorop, naast hem de vrouw uit Turkije, pal achter hen de Afghanen. Ze worden gevolgd door de Irakezen en de Syriërs. Mijn twee kinderen lopen ieder aan de hand van een jonge Irakees. Jong zeg ik, maar zelf ben ik ook pas 28. Helemaal achteraan komen wij, mijn man en ik. Ik loop op dikke sokken en slippers. De weeën zijn zo hevig dat ik mijn voeten nauwelijks van de grond krijg, mijn man en ik sloffen voort. Proberen vooruit te komen. Niemand weet dat ik zwanger ben, ik weet, wij weten maar al te goed dat de smokkelaars ons anders nooit hadden meegenomen.

    stiekem geneert ze zich

    en tegelijkertijd is ze bang 

    dat ze dood zal gaan. 

    na deze winter zijn we met één ziel meer.

    lief kind, waar in mijn lijf verstop ik je?

    Ahmed Arif – Aantekeningen uit de burcht van Diyarbekir en wiegelied voor het babietje Adiloş

    Mijn man torst 26 kilo op zijn rug: een tas met onze eigen spullen en, zonder dat iemand het weet, die voor onze baby (reistas, deken, luiers, een speen). Zelf heb ik een tas diagonaal over mijn schouders, daar zit wat geld in. Ik heb mijn arm in die van mijn man gehaakt, maar in feite draagt hij mij: hij heeft zijn ene hand onder mijn arm doorgeschoven, heeft me bij mijn middel vast, probeert me zo op de been te houden. In zijn andere hand draagt hij een tweede tas, met wat eten en drinken.

    We ploeteren voort, over de bergen zand, het wordt steeds kouder. Ik loop met gebogen hoofd en toch zie ik niks, ik stap in modderpoelen. In het maanlicht lijken de glanzende plekken op de grond droog, de donkere plekken plassen, maar als ik merk dat het precies andersom is, is het al te laat. Mijn sokken zijn doorweekt.

    Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken

    Ik hoor de stem van de smokkelaar, hij is kwaad op de Irakezen omdat ze hardop praten. In de verte het licht van de militaire wachttorens. Plotseling glijdt een lange lichtstraal over het veld. Op bevel van de smokkelaar duiken we allemaal ineen, we zijn stil en doodsbang. Hebben ze ons gezien, of was het een routinecontrole? We weten het niet. We wachten een tijdje, komen dan overeind.

    De smokkelaar zegt dat de mannen de boten moeten oppompen. Kennelijk zijn we vlak bij de rivier. Twee grote rubberboten worden opgeblazen, iedere boot wordt door vier mannen gedragen, zo vervolgen we onze tocht. Wij lopen weer achteraan.

    705x470 2 1

    Hapse Guclu

    Hapse Guclu, 63, huisvest haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de provincie Raqqa in Syrië. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Even later zien we dat verderop de hele groep zijn pas inhoudt. Als we bij hen komen, blijkt ons pad afgesneden door een lang kanaal met wanden van beton. De wanden lopen schuin af, steil naar beneden. Op de bodem staat water, niet veel, maar toch. Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken. De twee smokkelaars staan te discussiëren. Nemen ze deze route dan voor het eerst, wisten ze niet van dit obstakel?

    Als duidelijk is dat we hier niet naar de overkant kunnen, gaan we naar rechts. We lopen langs het kanaal in de hoop ergens een plek te vinden waar we wel kunnen oversteken. Ze hebben het over een brug, een brug met pal daarnaast een toren. Ze zeggen dat we doodstil moeten zijn, dat we anders misschien worden opgepakt. En ze waarschuwen ons: worden we gepakt, dan doen zij alsof ze vluchtelingen zijn. Als we hen verraden ziet het er slecht voor ons uit.

    Ik ben bang, we zijn nog maar net onderweg en nu al wordt de tocht steeds langer. Eén uur hadden ze gezegd. Het is misschien al wel drie uur geleden dat we vertrokken en we zijn er nog steeds niet. We lopen bij de groep nu, vlak achter de anderen. Ik wil niet hebben dat mijn kinderen de jonge mannen loslaten die met grote stappen voor ons uit lopen, dat mag niet gebeuren, zeker niet voordat we het kanaal over zijn en die wachttoren voorbij.

    Ik dwing mezelf mijn pas te versnellen zodat ik in hun buurt blijf. Gelukkig duurt het niet lang voordat we aankomen bij wat ze een ‘brug’ noemen: een plek waar het kanaal is volgestort met aarde. De toren is vlakbij. Een angstaanjagend moment, ik probeer mijn zenuwen de baas te blijven door de hand van mijn man nog steviger vast te houden. Zo snel en stil mogelijk sluipen we langs de toren, steken het kanaal over en verdwijnen in het desolate donker.

    Bijna licht

    Nu mijn angst wat is gezakt worden de weeën heviger. Ondraaglijk bijna, ik kan niet meer vooruit. We raken steeds verder achterop. Aan het begin, vooral in de buurt van die militaire toren, hield iedereen af en toe stil om te kijken of de anderen er nog waren, maar nu de dag bijna aanbreekt en iedereen haast heeft, wordt er nauwelijks nog achterom gekeken. Wat moeten we doen, hoe halen we hen weer in?

    Mijn kinderen lopen vooraan, maar ik hou het niet meer vol, we raken achterop. Ik laat me op de grond zakken. Mijn man is bij me, hij houdt mijn hand stevig vast, ik krimp ineen van de pijn. De bevalling moet op gang aan het komen zijn. Alsjeblieft, niet nu… We moeten de rivier over. We kunnen niet hier blijven, in handen vallen van het leger, dat moet niet gebeuren. We zijn de tocht juist begonnen om weg te komen. Alsjeblieft, nu nog niet.

    volle maan en de weg is lang 

    een zilveren dolk in mijn rug 

    ik loop maar doodgaan kan ik niet

    uit de anjer druppelt bloed 

    Behçet Aysan – Gedicht van een kapot potlood 

    Het is al bijna licht en we zijn een flink eind achterop geraakt. Met een laatste krachtsinspanning sta ik op. We lopen verder, moederziel alleen, in doodse stilte – mijn sloffende voetstappen het enige dat de stilte verbreekt. Waar zijn mijn kinderen, waar zijn de anderen? Na een tijdje zien we vóór ons een paar mensen, twee Syrische vrouwen en een man, ook zij zijn achterop geraakt. We zijn dus op de goede weg.

    Opgelucht lopen we verder, maar we zien niemand, horen niks. We lopen maar, naast elkaar, en zijn zo ten einde raad dat we volledig op onszelf worden teruggeworpen, ons aan de anderen vastklampen, ons nog vermoeider voelen en nog eenzamer, totdat we daar, op die dorre grond, in dat barre veld plukken diepgroen riet onderscheiden. Water, staat dat niet voor leven? Dat is wat het riet, de lage bomen ons toeroepen. We hebben de rivier bereikt.

    Welke kant nu uit? Konden we maar naar de oever, dan zagen we de anderen vast, maar de bomen, het riet maken dat onmogelijk. Misschien zijn we verdwaald. En mijn kinderen, waar zijn mijn kinderen? Ik krijg geen adem. Mijn man probeert me te kalmeren. ‘Misschien zijn ze doorgelopen op zoek naar een plek waar ze de boten makkelijker te water kunnen laten,’ zegt hij. Hij loopt naar rechts, geen idee waarom, de anderen lopen zonder vragen achter ons aan, de rivier ligt nu links van ons.

    Ik probeer mijn krachten weer te verzamelen. We moeten harder lopen, hen zo snel mogelijk zien te vinden. De angst mijn kinderen kwijt te raken overmant me. Een hels kabaal, ik schrik. Is er iemand in het water gevallen, is in de militaire wachttorens in de verte het vuur geopend? Het kabaal houdt maar niet op, steeds hetzelfde geluid.

    Pas als we op een plek komen waar we tussen de bomen door de rivier kunnen zien, begrijpen we waar het vandaan komt. Pelikanen! Grote, spierwitte vogels. ‘Ze vangen vis,’ zegt mijn man, ‘ze waden en slaan met hun vleugels op het water, zo maken ze de vissen bang en jagen die op naar de oever.’ Het leven gaat door, ondanks alles. Een gevoel van rust daalt over me neer, heel even, dan is het weer verdwenen.

    mijn bladeren zijn weg mijn vogels gevlogen 

    mijn bergen niets dan puin

    ook de liederen die ik kende zijn verdwenen 

    in mijn stem geen echo van mijn leven

    slechts het daveren van het bos klinkt in mijn stem 

    Ahmet Telli – Vergeet, mijn hart, dit gedicht 

    De Maritsa

    Er is nog steeds niemand te zien. Misschien zijn we de verkeerde kant op gelopen. We draaien om, de rivier ligt nu rechts van ons. Links is het terrein vlak en open zover het oog reikt, de weg die we hebben afgelegd. Ik voel dat ik aan het eind van mijn krachten kom. Mijn man probeert me te bemoedigen, houdt mijn hand vast, zegt dat ik niet bang hoef te zijn, we zullen ze wel vinden. 

    We lopen en lopen. Achter ons rent iemand onze kant uit. De schrik slaat ons om het hart, maar het blijkt een van de smokkelaars te zijn die ons is komen zoeken. Ik ben dolblij. Mopperend en met snelle passen gaat hij ons voor, wij hollen achter hem aan. Als we bij de anderen aan de oever van de rivier komen, zie ik mijn twee kleintjes terug, zij aan zij in elkaar gedoken, nog kleiner, enkel kwetsbaar en fragiel, niet stil meer maar verstomd, ogen waar de angst uit stroomt, een zee van tranen. Mijn hart is verteerd van verlangen, ik omhels ze, kus ze.

    de lente heeft haar stempel gedrukt de seringen

    zijn ontloken wat als ik een kersentakje pak

    binnen in me draaft een ree

    en de papavervelden schreeuwen het uit

    Behçet Aysan – Een kersentak

    Het is ochtend. De bevalling lijkt nu niet lang meer op zich te laten wachten, hoewel ik eigenlijk nog wat tijd zou hebben. Het lange lopen en de angst om mijn kinderen hebben me uitgeput. Ik krimp ineen van de weeën, ik kan ze niet langer verborgen houden. Net nu we bij de rivier zijn, ons opmaken naar de overkant te gaan, val ik neer op de oever, de oever van een rivier die eigenlijk zo ver van ons weg is. Niet de Tigris, niet de Eufraat, maar de Maritsa, die al haar smart uitstort waar ze langs stroomt. Mijn man komt naast me zitten, neemt mijn handen tussen de zijne, onze blikken kruisen elkaar. De hemel, de wolken lijken neergedaald in zijn ogen, er ligt een sluier over zijn blik. Hij kijkt weg, omhelst me, nog steviger, om mij te bemoedigen en ook zichzelf, dat weet ik wel.

     zeg het maar mijn lief! zeg: op een notenbruine dag kom ik eraan

    Istanboel zal een wanboel zijn, mijn haren 

    een wanboel. alles een wanboel! 

    wees niet bedroefd, mijn lief! we rapen ons bijeen, samen 

    staan we op, lopen we weg, zeg dat mijn lief 

    en al heeft het leven een stalen grond met iedere stap doorboren we het!

    Küçük İskender – Zeg het maar mijn lief 

    De vrouw uit Turkije, die de hele tijd vooraan, bij de smokkelaar loopt, is de eerste die me opmerkt. Ze komt naar me toe. Nu pas, in het daglicht, kunnen we elkaars gezicht zien. Ze haalt water uit haar tas en wast mijn gezicht. Dan komt een van de Irakezen, hij zegt dat hij arts is, voelt mijn pols, mijn hartslag is heel laag. Ik ben blij te horen dat hij arts is, en in de hoop dat hij me helpt vertel ik dat ik zwanger ben.

    Tumult. De smokkelaar komt naar me toe, duwt me tegen de grond, daar lig ik, op mijn rug in de natte aarde aan de oever van de rivier. ‘Geen denken aan!’ zegt hij. ‘Zo kan ik je niet meenemen, je geeft je maar aan bij de militairen, ga naar een ziekenhuis!’

    De Irakese arts geeft hem gelijk. ‘Je moet in geen geval meegaan,’ zegt hij, ‘niet in deze toestand!’

    ‘Onmogelijk,’ zeg ik, ‘dat kunnen jullie niet doen, we hebben betaald, jullie moeten ons meenemen!’

    We kunnen niet meer terug, bovendien, waar zouden we heen moeten, onze huizen liggen in puin, onze straten ruiken naar oorlog, verder hebben we niks. De kinderen, deze kinderen moeten leven. De weeën zijn afgrijselijk, ze snijden me de adem af, ik zet mijn kiezen op elkaar en kom overeind, ik wil hen laten zien dat ik het vol kan houden, ik smeek hen, kijk hen recht aan terwijl er een brand in mijn binnenste woedt.

    Ahmet, beste jongen, waarom huilt een zakdoek 

    niet een tand, niet een nagel, een zakdoek, waarom huilt die 

    in mijn zakdoek klinkt het bloed.

    Edip Cansever – In mijn zakdoek klinkt het bloed 

    ‘Goed,’ zegt de andere smokkelaar uiteindelijk. Hij stemt in. De vrouw uit Turkije geeft me een arm, neemt de tas over die mijn man in zijn hand heeft, en wil dan ook de tas van mijn hals halen. Ik begrijp het wel, ze probeert te helpen, maar dat gaat niet. Hoe moet ik weten of ik haar kan vertrouwen? Terwijl ik het hoofd bied aan de pijn probeer ik haar angstig te doorgronden, dan zie ik haar zwarte nagellak, haar stevige laarzen, die speciaal voor de tocht lijken aangeschaft. Ze zegt iets, eerst in het Turks, dan in het Kurmanci, terwijl ze naar mijn tas reikt. Ik krijg geen woord over mijn lippen, geef haar met mijn blik te verstaan dat ik mijn tas niet kan geven. Ze begrijpt het.

    Klein lichaam

    De overkant. Een nieuw leven. Zo dichtbij en zo ver weg. Al die omgeslagen boten op zee, op rivieren. Al die mensen die er niet meer zijn. En met die kennis dan op weg gaan, met twee kleine kinderen en een baby in mijn buik. Als we bij de meest geschikte plaats aankomen worden de twee boten aan elkaar vastgebonden, misschien om zo snel mogelijk naar de overkant te kunnen, of om meer weerstand te kunnen bieden aan de sterke stroming.

    Ik weet het niet. Ik kan niet nadenken. Ik voel de pijn niet, de weeën niet. Een voor een stappen we in een boot en proberen zo te gaan zitten dat het gewicht gelijk verdeeld is. Het enige wat ik voel is angst. Enorme angst. Ik zie de beelden voor me van al die hartverscheurende gebeurtenissen waarover ik gelezen, gehoord heb, waarvan ik het meeste heb gezien, meegemaakt, gehoord van mijn naasten. Ik ben bang, bang vanwege mijn kinderen, vanwege het kind dat nog geboren moet worden.

    Mijn kinderen. Alan heette het peutertje, aan deze kant van de rivier kent men hem als Aylan Kurdi. Is er een verschil tussen die kinderen? ‘Klein lichaam ontzield aangespoeld’ luidden de koppen op 2 september 2015. Dezelfde datum in zekere zin als vandaag, nu, morgen.

    ‘Klein lichaam.’ Oppervlakkige woorden voor een ziel die is heengegaan. Het kind was nog maar klein, zijn ziel des te groter. In wat voor eenheid meet je het leven, in jaren, de leeftijd van een ziel?

    als een rivier was de mens

    zonder besef van het bloed dat hij meevoert; 

    stom bij zijn eigen lied,

    blind voor zijn eigen droom,

    doof voor zijn eigen schreeuw…

    Nihat Behram – Ali is een meisje 

    Drie jaar duurde het leven van Alan, een berg aan ervaringen, net als de levens van zijn moeder en zijn broer, die samen met hem stierven. Ze vluchtten voor de dood, precies wat ons tot deze tocht bracht, met onze kinderen in onze armen. En we wisten: ‘(…) no one puts their children in a boat / unless the water is safer than the land (…).’ (Warsan Shire – Home)

    We doffen ons op alsof we naar een feest gaan

    De smokkelaar die tot nu toe met ons was meegelopen, gaat terug. Zijn collega stapt in een van de boten, gaat voorin zitten. De Irakese arts stapt in de tweede, zij zijn degenen met een peddel. Maar de Irakese arts krijgt het niet voor elkaar, hij weet simpelweg niet wat te doen. De rivier is breed, de stroming sterk. De vrouw uit Turkije wil de peddel overnemen, maar de smokkelaar laat haar niet in de andere boot overstappen, bang dat de boot uit balans raakt.

    Kwaad probeert hij wat te verschuiven zodat hij in het midden van de twee boten zit. Hoe moet die jongen, zo’n dunne man ingaan tegen de stroming van die brede rivier? Wat als de touwen tussen de twee boten breken? Reddingsvesten hebben we niet. Het enige wat we hebben zijn de grote tassen in onze handen, op onze ruggen. Als we in het water vallen zijn we verloren, dat besef ik maar al te goed.

    We hebben al zo vaak gehoord dat op de Egeïsche Zee, hier, op de Maritsa boten omsloegen met reizigers zoals wij en tientallen mensen verdronken. Hier mogen smokkelaars de mensen misschien nog overzetten, op zee is het een heel ander verhaal. Daar laten ze de migranten zien hoe ze een rubberen vaartuig met een goedkope motor moeten besturen, daarna mogen ze het zelf uitzoeken met die ondeugdelijke boten en zwemvesten die geen enkel nut hebben.

    Al die mensen die ze zo de dood in hebben gejaagd. Alan was maar een van hen. De gedachten, de gebeurtenissen bezorgen me steken in mijn hart, maar ondertussen is de smokkelaar nog bij ons en hij krijgt het voor elkaar! Met al zijn kracht en één peddel heeft hij ons naar de overkant gebracht. 

    We stappen uit, het water in, de blubber. De boten worden meteen uit het water getrokken. We rennen naar de bomen op de oever, schuilen onder de takken, proberen onze voeten en schoenen schoon te maken, trekken droge sokken aan. Van sommigen zitten de kleren zo onder de modder dat ze hun broek uittrekken en een schone aandoen. De vrouw uit Turkije heeft een grote doos vochtige doekjes bij zich, die ze aan iedereen uitdeelt.

    Iedereen lijkt op te leven, is er wat beter aan toe, opgewekter. Kennelijk waren we allemaal vooral bang voor de rivier. We hebben het gehaald! We doffen ons op alsof we naar een feest gaan. Op de oever, onder de bomen wordt de lucht uit de boten gelaten, eentje wordt er achtergelaten – waarom weet ik niet, misschien hebben we er geen twee meer nodig. We zijn tenslotte aan de overkant, eindelijk, nu zal alles makkelijker zijn – tenminste, dat hoop ik. Misschien heeft de smokkelaar hem nodig voor de terugreis.

    Behalve die van ons liggen er nog een paar boten, en modderige broeken, sokken, talloze conservenblikken. Al die mensen die al hierlangs gekomen zijn. Net als onze voorgangers laten ook wij onze modderige spullen liggen, we wachten af tot we achter de smokkelaar aan onze tocht kunnen vervolgen. Het is licht, we kunnen niet verder, zegt hij. We moeten weg van de rivier, ons verstoppen en wachten tot het donker wordt. Urenlang wachten, hoe is het mogelijk, net nu we de grootste hindernis genomen hebben, de rivier hebben weten over te steken, onze angst is gezakt en onze hoop aangewakkerd, net op het moment dat we denken er bijna te zijn.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren

    Terwijl we de brede rivier achter ons laten en tussen de lage bomen door proberen te lopen, moet ik denken aan de mensen die in de winter hun toevlucht zochten tot het bos en in hun dunne kleren zijn bevroren. Ieder moment van deze tocht ligt de dood op de loer. De weeën worden steeds heviger, ik leg mijn hand op mijn buik, denk aan de baby. Die pijn, die hevige pijn zal me uiteindelijk met mijn kind verenigen, dat weet ik toch, zo is het eerder ook gegaan.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren – karkassen, beter gezegd. Vreemd genoeg liggen de meeste erbij zoals ze zijn neergevallen, de botten op hun plek, alles aan elkaar. Koppen verbonden met de hals, borst en ribben. Heupen aan poten. Talloze hoorns en hoeven. Wat heeft dat te betekenen, waar wijzen die onaangeroerde skeletten op? Zijn de beesten geschoten en vervolgens blijven liggen? Maar wie schiet ze dan? Jagers heb je hier niet. Militairen?

    Na een tijdje vinden we tussen de bomen en het struikgewas, ver van de rivier, een vlak stuk. Het is vochtig en koud maar toch gaan we op het gras zitten. Wachten, een gespannen wachten. We proberen allemaal te ontspannen en eten wat van onze meegebrachte etenswaren. Mizgin en Azad krijgen eerst, ze vallen om van de honger. Daarna gaat iedereen ergens liggen en probeert te slapen. De Afghanen lopen het verst weg, gaan in grote zwarte vuilniszakken liggen. Goed idee om die mee te brengen. Zo hebben ze bescherming tegen de kou, de wind, het vocht.

    Ik zit hevig te rillen. De Irakese arts, die vlak bij ons is gaan liggen, merkt het, hij haalt een regenjas uit zijn tas, trekt me die aan, doet de knopen een voor een dicht. Dan gaat hij weer liggen, maar hij kan de slaap niet vatten, schrikt iedere keer wakker.

    Ook de vrouw uit Turkije kan niet slapen, ze zit met haar rug tegen een boom te wachten. Naast haar ligt de smokkelaar, onder een laken, hij is meteen ingedut. De Syriërs liggen een eindje verderop, links van ons, naast elkaar onder een boom. Een van hen, een vrouw, heeft zich opgerold en, in een poging zich tegen de kou te beschermen, een sjaal over zich heen getrokken.

    Zwak gehuil

    Door de dunne regenjas ril ik minder, maar nu komen de weeën weer opzetten. Even later voel ik vocht tussen mijn benen lopen, zijn mijn vliezen soms gebroken? Ik vertel het mijn man, ik pak zijn hand en kom overeind, zonder iets tegen iemand te zeggen lopen we met onze kinderen verder het bos in. De vrouw uit Turkije volgt ons met haar ogen, maar ze heeft geen idee wat er aan de hand is. Mijn kind is op komst!

    Ver weg van de anderen strek ik me met moeite uit in het natte gras, mijn man houdt mijn hand stevig vast, laat me niet los, Azad en Mizgin kijken me verbaasd aan. Even zie ik Ruhat en Botan in hun ogen. Ik denk weer aan hun moeder, de mooie Muntazam. Toen ze in haar eentje thuis beviel keken haar twee kinderen ook zo verbaasd naar haar, dat vertelde ze naderhand. Zoals ze in haar eentje van haar kind was bevallen, eigenhandig de navelstreng van haar kind had doorgeknipt. Dat zou ik ook kunnen, maar ik ben niet alleen, mijn man is bij me.

    Maar nee. Dat prachtige kind, Muntazams baby. Nog geen twee maanden was het toen… Ik krijg het gewoon niet over mijn lippen.

    Ik heb iemand nodig, een vrouw. De bevalling begint, echt, het hoofdje komt al. Ik zeg tegen Mizgin dat ze de vrouw uit Turkije meteen moet gaan roepen. De twee Syrische vrouwen spreken Kurmanci en Arabisch en het is makkelijker om met hen in Sorani te communiceren ook al kennen ze die taal niet, maar dat gaat niet, ze hebben zich niet laten zien, kennelijk houdt iets hen tegen, ze zijn bevreesd.

    Serê zarok,’ roept Mizgin, ‘het hoofd van het kind’, en ze rent weg. De vrouw uit Turkije komt er meteen aan. Ze heeft een klein zakmes bij zich. Ze kijkt me geschokt aan maar herneemt zich snel, gaat bij mijn voeten zitten en trekt voorzichtig aan mijn baby. Daar is hij, in haar handen, mijn man zit bij mijn hoofd, mijn kinderen kijken naar hun nieuwe broertje – het jongetje dat nog steeds met mij verbonden is. Alleen, hij geeft geen kik, wat is er aan de hand?

    Mijn hart staat zo in brand dat ik geen woord kan uitbrengen. Dan begint de vrouw onhandig tikjes te geven tegen de billen van mijn kind. Eindelijk hoor ik een zwak gehuil.

    er stond een bloem, daar, ergens,

    te bloeien als om een fout weer recht te zetten; 

    boog zich tot vlak bij mijn lippen 

    en praatte en praatte maar.

    Cemal Süreya – Een bloem

    De vrouw vraagt iets, zegt wat tegen ons, maar we begrijpen elkaar niet. Gelukkig komt de smokkelaar op dat moment, ze vraagt hem meteen om zijn telefoon. Ze belt iemand, overlegt. Belt dan iemand anders, zet de telefoon op de luidspreker en legt hem op mijn opgeschorte rok. Aan de andere kant van de lijn legt een vrouw met een verbazingwekkende kalmte een en ander uit, haar stem geeft vertrouwen.

    De Turkse vrouw snijdt met haar zakmes de navelstreng door. Nu moet die afgebonden worden, maar er is geen draad. Mijn man laat mijn hand heel eventjes los om in de tas te zoeken. Alles voor de baby hebben we bij ons, hoe hebben we draad nou kunnen vergeten. De vrouw stuurt de smokkelaar naar de anderen in de hoop dat die iets hebben.

    Een van de Syrische vrouwen komt aangelopen met een klein stukje naaigaren. Een dun stukje naaigaren, daarmee bindt ze de dikke, harde, glibberige navelstreng af. Met wat water probeert ze de baby te wassen, geeft hem dan aan de anderen over zodat die hem aan kunnen kleden.

    Op dat moment wordt de verbinding verbroken. Onze blikken kruisen elkaar. Ik voel me gelukkig en dankbaar, op haar gezicht ligt een vage glimlach. Toch valt er angst in haar blik te lezen. Ik voel dat ze niet weet wat te doen maar me tegelijkertijd wil bemoedigen. We spreken niet dezelfde taal, maar proberen elkaar met onze blikken te steunen en moed in te spreken. Dat heeft zij net zo hard nodig als ik.

    De bevalling is nog niet voorbij. De nageboorte zit er nog. En tussen mijn benen voel ik de navelstreng, waarmee mijn kind negen maanden lang met mij was verbonden. Mijn lichaam moet dat alles nu kwijt. Zij weet ook wat er te doen staat, ze weet alleen niet hoe. Ze vraagt me iets, maar ik ben niet in staat antwoord te geven, zelfs maar te laten zien wat ze moet doen.

    Ze vraagt de smokkelaar nogmaals om zijn telefoon, zet hem op de luidspreker en geeft ook mijn man instructies, laat hem zien hoe hij met kracht op mijn buik moet duwen. Felle pijnscheuten trekken door mijn hele lijf. Terwijl mijn man op mijn buik drukt, lukt het de vrouw met haar blote handen de nageboorte uit me trekken. De pijn zakt een beetje. Ik voel me uitgeput, maar beter. Alles is voorbij, tenminste, dat hoop ik, want ik weet niet hoeveel ik ben ingescheurd, of ik veel bloed heb verloren, of de bloedingen aanhouden.

    De regenjas onder me is besmeurd met alles wat met mijn kind is meegekomen. Mijn voeten staan er midden in en trillen, ik kan het niet tegenhouden. Ik heb het ijskoud.

    Mijn man haalt mijn kleren uit de tas. De vrouw uit Turkije probeert me met vochtige doekjes schoon te wrijven. Ze stuurt de smokkelaar er nog een keer op uit, hij komt terug met een grote zwarte vuilniszak, van de Afghanen gekregen waarschijnlijk. Ze snijdt het onderste stuk van mijn regenjas en laat dat op de grond liggen – schoonmaken lukt toch niet zonder water of een fatsoenlijke doek. Samen met mijn man tilt ze me op de vuilniszak die ze naast me op de grond heeft uitgespreid.

    Dan wrijft ze me helemaal schoon, kleedt me aan. Schone sokken heb ik niet. Het enige reservepaar dat ik had, heb ik aangedaan nadat we de rivier waren overgestoken en in de modder terecht kwamen. Tijdens de bevalling heb ik er geen moment aan gedacht ze uit te trekken. Ze zegt tegen Mizgin dat die haar tas moet brengen. Ze heeft een maillot, die trekt ze me aan.

    Ik voel me wat beter, al heb heb ik het nog steeds koud en trillen mijn benen nog. Ze stuurt de smokkelaar naar de Syrische vrouw, die een korte legging bij zich heeft. Ook die trekt ze me aan. Dat scheelt, de legging verwarmt me en houdt mijn ondergoed strakker tegen mijn lijf. Na een bevalling verlies ik veel bloed, ik weet het van de geboorte van Mizgin en Azad. Ik moet er niet aan denken dat op die koude, natte wegen, te midden van al die mensen, het bloed langs mijn benen loopt. En daarbij, bloedverlies betekent je slap voelen, uitgeput, misschien niet verder kunnen lopen.

    Niet aan denken. Nu heb ik mijn baby in mijn armen. Ik sla ze nog steviger om hem heen.

    Lees hier deel 2:

  • 71 levens

    71 levens

    Eind augustus 2015 werd een vrachtwagen aangetroffen op een parkeerplaats in Oostenrijk. In de laadruimte vond de politie de lichamen van 71 vluchtelingen. Hun dood werd het symbool van de mislukte Europese vluchtelingenpolitiek. Felix Hutt vroeg zich af: wie waren deze mensen?

    Als de beide agenten van de verkeerspolitie Potzneusiedl/Burgenland op de ochtend van 27 augustus 2015 tegen elven op de vrachtwagen af lopen, worden ze vanaf de rechterachterdeur aangestaard door een kip. ‘Ik smaak zo goed omdat ik zulk goed voer krijg’, staat op de reclamefoto boven de kop van het dier te lezen. Via de kieren van de laadruimte drupt roodachtig vocht op het asfalt. De stank slaat de agenten tegemoet. Wanneer de bergers later wordt gevraagd deze geur te beschrijven, schudden zij het hoofd en maken daarbij afwerende gebaren. Onmogelijk, zeggen ze, zoiets roken ze nog nooit.

    De koelwagen van het type Volvo FL 180 met het Hongaarse kenteken Z-12198 heeft jarenlang met slachtkippen door Slowakije gereden, tot de firma Hyza hem afdankte en naar Hongarije verkocht. Hij staat al langer dan een dag op de parkeerstrook langs de A4 richting Wenen, vlak bij de afrit Parndorf. Aangezien deze autosnelweg van Wenen naar Hongarije en Servië loopt, staat hij ook wel bekend als de Balkanroute. Er worden wel vaker oude auto’s achtergelaten. Prioriteit heeft zoiets niet. Het is ruim 30 graden, vakantietijd, een superzomer. Naar de Neusiedler See is het niet ver en in het Outlet Center naast de weg zal die avond het populaire late-night-shopping plaatsvinden. Met Furla-damestassen van € 353 voor maar € 70.

    Nahed Asker met haar dochter Tala en haar zoon Said in hun woning in Wenen. Asker verloor haar man in de koelwagen. – © Philipp Horak
    Nahed Asker met haar dochter Tala en haar zoon Said in hun woning in Wenen. Asker verloor haar man in de koelwagen. – © Philipp Horak

    Maar deze vrachtwagen kan niet langer worden genegeerd. Een onderhoudsmedewerker aan de snelweg, die in de omgeving de berm maait, heeft vanwege de stank de politie gebeld. De agenten openen de laadruimte. Deinzen achteruit. Ze zien lichamen die in staat van ontbinding verkeren, tegen elkaar leunen en in elkaar verzonken zijn, alsof ze in een overvolle metro staand in slaap gevallen zijn. De voeten steken tot aan de enkels in een mengsel van poep, urine en lijkvocht. De agenten roepen naar binnen. Er komt geen antwoord. Ze stellen de arts van dienst en het bureau op de hoogte en maken voor hun collega’s een foto die de situatie moet verduidelijken. De volgende dag zal die foto opduiken in de Kronen Zeitung. Ze sluiten de deur. Het is te veel. Om 11.25 uur sturen ze via politiesysteem SMS Pro een bericht: ‘Vrachtwagen met ca. 20 doden aangetroffen op A4 Parndorf’.

    Het zijn er 71. Eenentwintig Afghanen, negenentwintig Irakezen, vijftien Syriërs, vijf Iraniërs en één man wiens identiteit niet vastgesteld kan worden.

    Negenenvijftig mannen, acht vrouwen, vier kinderen. De jongste, Lida uit Kunduz/Afghanistan, is elf maanden. Vervolgde of vertwijfelde mensen, soennieten, sjiieten, christenen, onderwijzers, advocaten, handelaren, politieagenten, tieners, drie families, fans van Barcelona, posters op Facebook, een caleidoscoop van de mensheid. 71 doden die ons niet het plezier hebben gedaan om ergens ver weg te verdrinken in zee. 71 levens die zich door mensensmokkelaars in een veel te kleine laadruimte door Hongarije en Oostenrijk hebben laten rijden, omdat aan het einde van hun odyssee Duitsland lonkte, het beloofde land. 71 lichamen die ons hebben beroofd van de illusie dat oorlogen en problemen van anderen ons niet aangaan. Enkele dagen voordat via de Oostenrijks-Hongaarse grens bij Nickelsdorf, op nog geen 25 kilometer van de parkeerstrook bij Parndorf, vluchtelingen massaal te voet over de snelweg naar Wenen beginnen te lopen. Wir schaffen das, zegt Angela Merkel. Ze zet de deur open.

    Stern wist van de meeste mensen in de koelwagen een foto te achterhalen.

    Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).
    Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).

    Er zijn zo veel verliezers in dit verhaal. Nahed Asker (31) heeft haar man verloren. Farah Alshaikh (31) haar familie. Twee verhalen uit de vele die in de koelwagen langs de A4 samenkomen. Na de tragedie is Asker met haar kinderen haar dode man achterna gereisd, in een vluchtelingenverblijf in Oostenrijk wachten ze nu op asiel. Alshaikh woont allang in Duitsland. Ze had bij haar familie in Syrië aangedrongen om te vluchten en ook naar Duitsland te komen. Nu is iedereen dood.

    Voor de ramp kenden de twee vrouwen elkaar niet, hoewel ze beiden uit het Oost-Syrische Deir ez-Zor komen. De Eufraat stroomt door deze stad, waar de jasmijn bloeit, de aardolie borrelt, granaatappel en katoen groeien. Al vijf jaar heerst er nu oorlog. Asker en Alshaikh hebben elkaar nog niet ontmoet. Ze whatsappen en bellen. Na die 27e augustus delen beiden hun lot, maar niet hun rouw. Die laat zich niet delen. ‘Ze hebben mijn familie behandeld als kippen,’ zegt Alshaikh. ‘Mijn ziel is stuk,’ zegt Asker.

    Asker woont met haar zoon Zaid (11) en haar dochter Tala (5) in Wiener Neustadt op een kamertje in een vluchtelingenverblijf. Ze heeft drie matrassen zo naast elkaar gelegd dat ze met elkaar één groot bed vormen. Ze gaan samen slapen en worden samen wakker. Asker kijkt graag muziekvideo’s van Beyoncé, post veel op Facebook, draagt een legging en gebruikt lippenstift en mascara. Ze kookt samen met de andere Syriërs. Ze weet welke medicijnen haar kinderen nodig hebben wanneer ze ziek zijn, omdat ze in Syrië in een apotheek werkte. In Oostenrijk mag ze niet werken. Ze spreekt geen Duits en heeft asiel aangevraagd voor de gezinsleden die ze nu nog heeft. ‘Toen we elkaar voor de laatste keer zagen, zei mijn man: wat er ook met mij gebeurt, zorg altijd goed voor onze kinderen. Die wens van hem ga ik vervullen,’ zegt Asker.

    Alshaikh woont met haar man Fateh Alhamad (41) en hun zoon Omar (1) in een ruim huis in Noord-Duitsland. Ze spreken bijna accentloos Duits en hebben de Duitse nationaliteit. Zij is gynaecoloog en heeft op dit moment ouderschapsverlof. Hij werkt als internist in het ziekenhuis. Tijdens de ramadan eten en drinken ze pas na zonsondergang. Alshaikh draagt een hoofddoek, niet omdat ze dit moet, maar omdat ze dit wil. Omar heeft bruin haar en bruine ogen, hij leert net lopen en belandt daarbij meestal op zijn billen. Soms moet zijn moeder dan glimlachen. Vaak loopt ze met hem naar een speelplaatsje aan het eind van de straat en doet ze boodschappen, verder blijft ze thuis. De buren kennen haar verhaal niet.

    In november 2014 was ze in Saarbrücken tweemaal in het bureau van de vreemdelingendienst geweest. Ze woonden toen in het Saarland, werkten daar in het ziekenhuis, hadden een auto en een huis in een voorstad van Saarbrücken. Het huis had een tuin en was meer dan groot genoeg voor henzelf. Ze informeerde bij de vrouw van de vreemdelingendienst naar de aanvraag voor familiehereniging die ze een half jaar eerder had ingediend. Ze wilde haar moeder Fadila (53), haar vader Abdel (57), haar broer Almuthanna (23) en haar zus Hend (17) naar Duitsland halen, omdat er in Deir ez-Zor niet meer gewoon te leven viel. IS en regeringstroepen vochten om de stad, de situatie was onoverzichtelijk. Haar broer Almuthanna studeerde rechten. Omdat hij had gerookt, werd hij door IS gearresteerd. Haar zus Hend mocht – vlak voor haar eindexamen – niet meer naar school. De zaken van haar vader, handelaar in auto-onderdelen, werden geplunderd, de huizen van de familie verwoest. Elke dag telefoneerde Farah Alshaikh met haar moeder Fadila. Ze merkte dat haar moeder bang was, ook al sprak ze dat niet uit.

    Destijds was Alshaikh acht maanden zwanger. Ze wilde haar familie op eigen kosten laten overkomen. Maar de vrouw van de vreemdelingendienst zei: ‘Bij ouderschapsverlof ontvangt u maar 60 procent van uw salaris. Dat is te weinig om uw kind en uw familie te kunnen onderhouden.’

    ‘Dat lukt ons wel. In ons huis is plaats genoeg. We willen geen geld, echt niet,’ had Alshaikh gezegd. De ambtenaar informeerde bij haar chef. De aanvraag werd afgewezen. Een week later was ze nog eens naar de vreemdelingendienst gegaan. Om te vragen of ze dan in elk geval haar zus kon laten overkomen. Vanwege haar astma. Afgewezen.

    Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).
    Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).

    ‘Mijn vader wilde niet vluchten. Hij was bang vanwege zijn gezin en vreesde de mensensmokkelaars. Hij wilde Syrië alleen verlaten als ze ergens legaal naartoe konden,’ vertelt Alshaikh. Ze bood hem de kamers in hun huis aan. Als het niet langer uit te houden viel, moesten ze komen, hoe dan ook. ‘Ik heb aangedrongen. Misschien heb ik wel te veel aangedrongen.’

    ‘We kunnen niet meer,’ zegt haar vader begin juli 2015 aan de telefoon. Met zijn gezin en 20.000 dollar op zak verlaat hij Deir ez-Zor. Met hun Toyota rijden ze via Raqqa naar de Syrisch-Turkse grens. Daar laten ze de auto achter. Ze betalen een smokkelaar die hen door een bos brengt. Ze bereiken de Turkse stad Urfa. Daar woont een andere zus van Alshaikh. Ze blijven er een paar dagen. Alshaikhs vader Abdel wint inlichtingen in bij kennissen. Hij zoekt een smokkelaar. Hem wordt een zekere Abules aanbevolen. Een Syriër die vanuit Urfa smokkelroutes organiseert en hiervoor zowel van smokkelaars als vluchtelingen provisie opstrijkt. Abules informeert Abdel Alshaikh over route en prijs.

    Op 17 augustus 2015 zit de familie in een hotel in Izmir te wachten. Vanaf de Turkse westkust willen ze via Samos, Athene en Macedonië naar Belgrado. Daar zullen ze een zekere Afghani treffen. Hij zal de tocht via Hongarije en Oostenrijk naar Duitsland organiseren.

    De familie Alshaikh is niet alleen, hun groep bestaat uit twaalf personen, onder wie Alshaikhs oom Youssef (39), een broer van haar vader, en Hasan Al-Damen (36), de man van Nahed Asker. Hij moest dienst nemen in het Syrische leger en vechten voor Assad, die hij veracht. Als onderwijzer kan hij niet meer aan de slag. Hij wil naar Duitsland en zijn gezin later laten overkomen. Asker en de kinderen zijn in Damascus achtergebleven.

    ‘Geef jullie bagage maar aan ons. Die past niet in de rubberboot,’ zeggen de smokkelaars in Izmir. Alshaikhs zus Hend schrikt daarvan. Nu heeft ze alleen nog maar haar mobieltje en de broek en het T-shirt die ze draagt. Op de foto die ze haar zus in Duitsland via WhatsApp stuurt, waait de wind door haar zwarte krullen. Ze staat bij het water en probeert vrolijk te kijken. Maar dat gaat haar niet goed af. Ze is een echt stadsmeisje, dat met haar zeventien jaar graag op haar smartphone naar romantische Arabische popmuziek luistert en medicijnen wil studeren. Voor de zee is ze bang. Aan haar rechterhand draagt ze een zilveren trouwring van haar moeder. Die moet haar beschermen.

    Voor de overtocht naar Samos incasseren de smokkelaars € 1200 per persoon. Twee pogingen mislukken. De eerste keer worden ze gesnapt door de Turkse kustwacht die hen op het strand weer uit laat stappen en de boot tot zinken brengt. Bij de tweede poging komt er, als ze op het punt staan af te varen, een politiepatrouille langs. Pas de derde poging is raak. In de vroege ochtend van 19 augustus wordt de boot een kilometer buiten de kust van Samos opgebracht door de Griekse kustwacht.

    Moeder Fadila is blij. Ze heeft de hele nacht over moeten geven. Als ze in de EU aan land gaan, komt de zon op.

    Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim
    Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim

    In de haven van Samos krijgen ze provisorische reisdocumenten. Daarmee kunnen ze tickets kopen voor de veerboot naar Athene. In Samos slapen ze één nacht op de grond. Ze hebben er weinig te eten. De volgende dag nemen ze de veerboot naar Athene. Van daaruit bellen ze met Farah Alshaikh in Duitsland. Haar vader Abdel klinkt vermoeid, toch zegt hij: ‘We zijn oké. We gaan door.’ Haar zus Hend huilt: ‘Ik ben op, ik kan niet meer.’ Haar moeder Fadila zou het liefst teruggaan naar Syrië.

    In Athene komen weer ze op krachten. Ze gaan er Arabisch eten. Sommigen in hun groep zouden graag wat langer blijven, maar Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, dringt aan om verder te reizen. Hij denkt dat de grenzen binnenkort dichtgaan. Na een dag in Athene vertrekken ze per bus naar de Macedonische grens. Daar deelt de groep zich op. Ze proberen op verschillende plaatsen over het hek te komen. De grenspolitie slaat met stokken en sproeit de vluchtelingen traangas in het gezicht. Ze krijgen Almuthanna te pakken. Hij weet te ontsnappen en heeft alleen wat kneuzingen. Moeders worden gescheiden van kinderen, er wordt geschreeuwd, gehuild. Een uur later is de groep aan de Macedonische kant van de grens weer compleet. Het regent, hun kleren zijn kletsnat, ze rillen van de kou. Met een bus rijden ze vier uur lang door Macedonië naar de Servische grens. Ze kijken uit het raam. En hadden zich Europa heel anders voorgesteld.

    In Belgrado treffen ze mensensmokkelaar Afghani. Een Afghaan die al een hele tijd in Europa woont. Een zwartharige, magere man met een schoudertas, gekleed in T-shirt en joggingbroek. ‘Geloof me, ik regel dat jullie rechtstreeks naar Duitsland kunnen, zonder dat jullie eerst in Hongarije of Oostenrijk geregistreerd worden en vingerafdrukken achter moeten laten,’ zegt hij tegen Hasan Al-Damen en Abdel Alshaikh, die de onderhandelingen voeren. Voor het transport vraagt hij € 1600 per persoon. In deze zomer voor deze tocht een gebruikelijke prijs. De mannen gaan akkoord. Een deel van hun geld hebben ze achtergelaten bij Abules in Urfa. Hij zal het geld pas aan de smokkelaars overmaken als ze goed in Duitsland aangekomen zijn. Zo hopen ze bedrog te voorkomen.

    In de middag van maandag 24 augustus 2015 bellen de Alshaikhs vanuit een hotel in de buurt van Belgrado met Farah Alshaikh. De stemming is goed. Haar broer Almuthanna heeft uit Syrië een e-mail gekregen dat hij geslaagd is voor zijn examen. ‘Let voortaan maar goed op je woorden als je tegen me praat, ik ben nu advocaat,’ zegt hij tegen zijn zus. ‘We zijn weer wat uitgerust en hebben nieuwe kleren gekocht,’ vertelt haar moeder Fadila. ‘Ik heb een goed gevoel over de smokkelaar, hij lijkt me een man met ervaring,’ zegt haar vader Abdel. Aan haar zus belooft Alshaikh om binnenkort naar de dierentuin in Stuttgart te gaan, omdat Hend dat al heel lang wil. Het is de laatste keer dat ze haar familie spreekt.

    Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten

    ’s Avonds om zes uur komt de groep samen in het park naast het busstation in het centrum van Belgrado. Het wemelt er van vluchtelingen en smokkelaars. In die weken is Belgrado het knooppunt in de vluchtelingenroute via de Balkan. Afghani telefoneert de hele tijd, in een taal die ze niet verstaan. Zijn telefoon is oud. Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten.

    ‘Wacht in het park tot het donker wordt. Er is veel politie, we moeten voorzichtig zijn,’ zegt Afghani. De meesten proberen wat te slapen. Rond middernacht worden ze door Afghani gewekt. Ze volgen hem door het duister langs de tramrails en komen via een brug over de Sava uit bij een parkeerplaats. Vanaf de oevers dreunen de bassen in de discotheken. De jeugd van Belgrado viert feest.

    Afghani sommeert hen zich op te delen in drie groepen. In elke auto kunnen vier mensen mee. De eerste auto rijdt weg met moeder Fadila, broer Almuthanna en Al-Damen. In de tweede zit Youssef Alshaikh, als laatsten verlaten vader Abdel en zus Hend de parkeerplaats in de derde auto. ‘Jij rijdt met je moeder mee, let goed op haar,’ zegt Abdel Alshaikh tegen zijn zoon Almuthanna, die bij zijn oom Youssef wil instappen. Die beslissing kost Almuthanna het leven.

    Drie uur duurt de rit noordwaarts over de autosnelweg E75. Ze rijden door het vlakke land langs de Servisch-Hongaarse grens. Buiten vliegt het duister voorbij, alles is zwart. Verdwenen is het gevoel voor tijd en plaats.

    Farah Alshaikh kijkt naar een foto van haar familie. Ze verloor haar ouders, broer en zus, en kon de foto eerst niet aanzien. Nu staat hij in haar woonkamer. – © Lars Berg
    Farah Alshaikh kijkt naar een foto van haar familie. Ze verloor haar ouders, broer en zus, en kon de foto eerst niet aanzien. Nu staat hij in haar woonkamer. – © Lars Berg

    De smokkelaars zetten hun passagiers af in een bos bij Domaszék aan de Hongaarse kant van de grens. Nadat de eerste auto is gearriveerd, komt even later de derde aangereden. ‘Hier wachten, we komen gauw terug,’ zeggen de smokkelaars. De Alshaikhs staan in het bos. Alleen oom Youssef ontbreekt. Hij zat in de tweede auto, die na twee uur rijden ineens was gestopt. De smokkelaar had een telefoontje gekregen waar hij erg opgewonden van was geraakt. Hij gooide de vluchtelingen langs de snelweg uit zijn auto. ‘Waiting, waiting,’ riep hij, terwijl hij wegreed. Youssef Alshaikh had in Servië geen simkaart gekocht en kon niemand bereiken.

    Bij het ochtendgloren bereiken ze een dorp en rijden met een taxi terug naar Belgrado. Youssef koopt een simkaart en belt met zijn broer. Abdel Alshaikh vertelt dat ze met nog een andere groep vluchtelingen in een bos zitten te wachten. ‘We hebben honger en dorst, neem wat te eten en te drinken mee,’ zegt hij. ‘Ga niet verder mee,’ zegt Yousseff Alshaikh, ‘er klopt iets niet.’ Hij blijft in Belgrado. Zo redt hij zijn leven. De groep valt uiteen.

    Op 25 augustus 2015 krijgt Farah Alshaikh een berichtje van haar vader: ‘Zitten in het bos te wachten tot het verdergaat.’ Ze wil antwoorden, maar ineens is hij weg. Op WhatsApp ziet ze dat hij om twaalf uur voor het laatst online was. Ook de rest van de familie kan ze niet meer bereiken. Om tien uur ’s avonds krijgt Nahed Asker in Damascus het laatste bericht van haar man Hasan Al-Damen: ‘Ik zit in het bos. De smokkelaars zeggen dat we wachten moeten vanwege politiecontroles. Ik heb honger en eet appels van de bomen. Geef de kinderen een kus van mij. Nog even en alles is achter de rug.’

    De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk

    Een week daarvoor koopt een man de koelwagen bij een handelaar in tweedehandsauto’s in Keckskemét. Hij laat de vrachtwagen op zijn naam zetten en doet geen enkele moeite om zijn identiteit te verhullen. De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk. De man maakt deel uit van een groep die ruim twintig smokkeltochten organiseerde en uitvoerde. Naast de Afghaan bestaat de groep uit vier Bulgaren. Ze zijn alle vijf betrokken bij de rit van 27 augustus 2015. De lading is kostbaar, 71 × 1600 euro. Zo’n vracht doen de bazen zelf.

    Op woensdag 26 augustus 2015 rijden de smokkelaars tegen vier uur ’s ochtends de koelwagen vanuit Keckskemét naar het bos bij de grens. Keckskemét, een oude Hongaarse universiteitsstad, ligt een uurtje rijden ten noorden van Domaszék. De lucht is helder, het belooft opnieuw een mooie warme dag te worden in het zuiden van Hongarije, waar tomaten, paprika’s, aardbeien en abrikozen groeien. De 71 vluchtelingen zitten al meer dan een dag verstopt in het bos te wachten op voortzetting van hun reis.

    De familie Alshaikh uit Deir ez-Zor, Syrië. De familie Rahm uit Kundus, Afghanistan. Vader Khuda, zijn vrouw, drie kinderen onder wie de kleine Lida, en een neef. In Afghanistan werkte Rahm als politieagent. De taliban bedreigden hem en zijn familie. Muhannad Ali en zijn vrouw Lefana uit Tall Abyad, Syrië. Ze zijn pas drie maanden getrouwd en willen in Duitsland een gezin stichten. De Irakees Mahmoud Abidi, die kort tevoren tot viersterrenofficier is bevorderd en met zijn vrouw Sine Gailani uit Bagdad is gevlucht. Sine wil naar haar broer in Duitsland, omdat die daar als ingenieur een goed leven heeft. Ze haalde niet alleen haar man over om mee te gaan, maar ook haar broer Ali en zus Seineb. De Koerd Saeed Othman uit Sulaimaniyya in Noord-Irak. Hij heeft maar één nier en hoopt op medische verzorging in Duitsland omdat hij veel pijn lijdt. Mohammed Baba uit Karkur, Irak, is werkeloos en droomt over een carrière als profvoetballer. Alles wijst erop dat ze vrijwillig zijn ingestapt.

    Om vijf uur wordt de koelwagen door camera’s van het Hongaarse tolsysteem geregistreerd. Hij rijdt dan bij Domaszék op de autoweg M5 in noordwaartse richting. Ongeveer tien minuten voor de vrachtwagen uit rijdt een andere auto. Die moet de smokkelaars in de vrachtwagen waarschuwen als er onderweg politiecontrole is. En er met de chauffeurs vandoor kunnen gaan, mocht er iets misgaan.

    Om 6.03 uur passeert de vrachtwagen Kecskemét, twee uur later is hij bij Boedapest en om 9.15 uur bij Nickelsdorf aan de Oostenrijkse grens. Ongeveer twintig minuten later laten de smokkelaars hem achter op de parkeerstrook bij Parndorf. Waarom? De smokkelaars zeggen geen woord. Die dag was er op de route geen politieblokkade. Op een of andere manier moeten ze zich hebben gerealiseerd dat hun lading verloren was.

    De laadruimte van de 7,5-tonner kan van binnenuit niet worden geopend. Het koelaggregaat functioneert niet. Het heeft de lucht alleen laten circuleren, maar geen nieuwe zuurstof toegevoegd. De vluchtelingen moesten het doen met de zuurstof die aan het begin van de rit in de laadruimte aanwezig was. Om vast te stellen waar zij overleden zijn, of het een zaak is voor de Hongaarse dan wel de Oostenrijkse justitie, wordt na de vondst van de vrachtwagen een deskundigenrapport opgesteld. De inhoud van de laadruimte wordt berekend en gedeeld door het aantal personen. Op elke vierkante meter stonden ongeveer vijf vluchtelingen. Ze moeten nog voor achten in Hongarije zijn gestikt. In de laadruimte en op de lijken worden geen sporen van doodsstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat de slachtoffers flauw zijn gevallen als gevolg van zuurstofgebrek en op het moment van overlijden niet bij bewustzijn waren. Uit de positie van de lijken blijkt dat kinderen werden opgetild. De lichamen van een echtpaar lijken elkaar te hebben omarmd.

    De smokkelaars worden kort na de vondst van de vrachtwagen in Kecskemét gearresteerd. Ze staan op het punt om te vluchten, maar het kenteken van de vrachtwagen en de diverse registraties op de snelwegcamera’s zorgen ervoor dat de politie hen snel weet te vinden. Ze zitten in Kecskemét in voorarrest en zwijgen in alle talen. In september worden ze in staat van beschuldiging gesteld, begin 2017 begint het proces.

    Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).
    Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).

    De vrachtwagen wordt overgebracht van de parkeerstrook naar een koelhuis in Nickelsdorf. Forensische lijkschouwers halen de lijken eruit. Ze worden gefotografeerd en in relatie gebracht met voorwerpen, zoals paspoorten die in borstzakken steken of geld dat ingenaaid zit in mouwen of ceinturen. Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, heeft zijn onderwijzersdiploma bij zich. Hij heeft het in het Duits laten vertalen, om later werk te kunnen vinden.

    Omdat de agenten die ochtend de laadruimte hebben opengemaakt, is er lucht bij de lijken gekomen. Daardoor verloopt de ontbinding sneller. Bij de berging is de huid van de slachtoffers al zwart. Aan rugzakken en jasjes kleven flarden van lichamen. De meeste mobieltjes lijken wel in een zuurbad te hebben gelegen. Zelfs de forensische experts kunnen er niets meer mee. Langs die weg kunnen ze niets te weten komen over wat zich de laatste momenten in de vrachtwagen heeft afgespeeld.

    De lijkschouwers geven elke witte lijkzak een nummer. Naamloos liggen de doden daar. Anders dan bij een vliegtuigongeval is er geen passagierslijst die kan worden afgewerkt. De rechercheurs openen een hotline voor familieleden. Ze moeten hun DNA hebben om de doden te kunnen identificeren. Voor één man zal niemand zich melden en het duurt tot 10 december 2015 voordat alle anderen geïdentificeerd zijn.

    Op de middag van 27 augustus ziet Nahed Asker op tv een nieuwsbericht over de vrachtwagen. Ze woont met haar kinderen bij haar moeder in Damascus. Asker zegt onmiddellijk te hebben geweten dat haar man dood was. Als de tolk van de politie Burgenland die voor de identificatie verantwoordelijk is, haar enkele weken later belt, huilt ze niet. Het lichaam van haar man kan niet worden overgebracht naar Syrië. Hij wordt bijgezet op de islamitische begraafplaats van Inzersdorf in Wenen. Asker wil afscheid van hem nemen. Met haar kinderen gaat ze op weg naar Wenen. De vluchtelingenroute is open.

    Farah Alshaikh staat met Omar op haar arm bij het raam van haar huis in Saarbrücken naar de tuin te kijken, als de telefoon gaat. De paspoorten zijn gevonden. Ze laat Omar vallen.

    Begin 2016 zijn ze verhuisd naar het noorden van Duitsland. Ze konden de vragen van vrienden in Saarbrücken niet langer verdragen, waren het medeleven zat. Sinds kort staat er een foto van haar familie op de plank boven de televisie in de woonkamer. Ook de Alshaikhs zijn begraven op het kerkhof van Inzersdorf. Bij de begrafenis op 7 oktober 2015 wil Farah Alshaikh per se het gezicht van haar moeder zien. Ze laat de kist openen. Sindsdien is ze niet meer op het kerkhof geweest. Ze kan het niet.

    In het weekend na de catastrofe van Parndorf arriveren duizenden vluchtelingen op stations in Duitsland. Ze worden met applaus ontvangen, krijgen water en kleding toegestopt. De kinderen krijgen teddyberen en snoepgoed. Velen verlaten die weken de noodopvang in sportzalen. Zij beginnen een nieuw leven.

    Auteur: Felix Hutt
    Vertaler: Marten de Vries

    Openingsbeeld: De koelwagen langs de A4 richting Wenen. – © Stern

    schermafbeelding 2017 04 05 om 11 55 56 am

    Felix Hutt

    Felix Hutt is redacteur van Stern.

    Stern
    Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

    Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages. Is sinds de publicatie van de vervalste dagboeken van Hitler een beetje verbleekt.