Sinds Europa afspraken heeft gemaakt met Libië is het aantal Afrikaanse migranten in Italië aanzienlijk gedaald. Maar volgens de Ierse commentator Patrick Smyth is de deal moreel dubieus.
Italiaanse functionarissen hebben melding gemaakt van een scherpe afname van de aantallen migranten en vluchtelingen die vanuit Libië over de centrale Middellandse-Zeeroute naar hun kust komen.
Eindelijk eens goed nieuws? Of een probleem dat deels is opgelost ten koste van een moreel gecompromitteerd Europa? De daling, die zich heeft voorgedaan nadat de oostelijke Middellandse-Zeeroutes naar Griekenland waren afgesloten dankzij de EU-deal met Turkije, was welkom nieuws voor de Europese hoofdsteden, die bang waren voor de volgende ronde politiek pijnlijke verzoeken om vluchtelingen op te nemen teneinde de ‘last te delen’.
Er ligt inderdaad al een nieuw verzoek van de VN aan de EU op tafel om zo’n veertigduizend vluchtelingen vanuit Libië, Egypte, Niger, Ethiopië en Soedan toe te laten – een poging om een legale weg te creëren om de EU binnen te komen.
Het omkopen van milities komt in Libië al lang voor en dateert uit de tijd van Moammar al-Qadhafi, die er niet afkerig van was om Italië te chanteren en de stroom migranten over de Middellandse Zee naar believen aan en uit te zetten
Maar wat is de prijs van Italiës ogenschijnlijke succes? Er circuleren beweringen, die ook weer heftig ontkend worden, dat Rome Libische warlords en milities heeft omgekocht die banden hebben met mensensmokkelaars en niet afgeschrikt worden door het feit dat vluchtelingen in ‘concentratiekampen’ worden opgesloten waar ze verkracht en gemarteld worden en honger lijden.
Tot kort geleden boden milities in de steden ten westen van Tripoli, van waaruit de meeste migranten vertrekken, bescherming aan groepen smokkelaars. Veel van die groepen hebben recentelijk flinke geldbedragen, wapens en boten ontvangen via de weinig betrouwbare, door de VN gesteunde nationale eenheidsregering in Tripoli. Dat geld werd opgebracht door Italië, deels namens de EU – het is niet duidelijk of Italië de groepen ook direct heeft betaald. Maar de leider van de belangrijkste militie, Ahmed Dabbashi, gaf tegenover de The Times toe dat Tripoli hem voertuigen, boten en salarissen had beloofd in ruil voor samenwerking.
Het omkopen van milities komt in Libië al lang voor en dateert uit de tijd van Moammar al-Qadhafi, die er niet afkerig van was om Italië te chanteren en de stroom migranten over de Middellandse Zee naar believen aan en uit te zetten. Maar als strategie om ‘vrede te kopen’ heeft het nog nooit succes gehad, en de gerespecteerde denktank van de ICG (Internationale Crisis Groep) waarschuwt dat dergelijke tactieken ‘bij toeval facties kunnen versterken die zich onttrekken aan supervisie door de regering’ en pogingen om de vrede te herstellen in het verwoeste land zullen tegenwerken.
De EU nam deel aan patrouilles voor de Libische kust met haar marineoperatie (EU Navfor Med), die bekendstaat als Operatie Sophia, om levens te redden op zee en mensensmokkel tegen te gaan. Hun taak is bemoeilijkt door de eis van de Libische kustwacht, die zogenaamd meewerkt, dat Sophia-schepen negentig nautische mijlen uit de kust moeten blijven – de logica hierachter: als je het vluchtelingen te gemakkelijk maakt om gered te worden, moedig je ze alleen maar aan. De kustwacht is ook beschuldigd van mishandeling, zoals het schieten op hulpverleners die proberen migranten te redden.
Het probleem is dat het beleid van de EU, die uit wanhoop gekozen heeft voor een strategie gebaseerd op het bij de bron tegenhouden van de stroom migranten in plaats van eindeloos meer opvangcentra te creëren in Italië en Griekenland, moreel dubieus, om niet te zeggen politiek contraproductief lijkt in de context van de steun aan een vredesproces in Libië.
De EU heeft de financiering en training van de kustwacht op zich genomen. Veel leden daarvan zijn ‘hervormde’ milities, die niet bepaald doordrongen zijn van mensenrechten en ook niet afkerig zijn van omkoperij. Ze heeft miljoenen gepompt in anti-migratieprojecten in landen als Niger en Nigeria, waar ze ook aanzienlijke sommen heeft betaald aan smokkelaars om ze ‘om te scholen voor niet-criminele activiteiten’.
De EU heeft er te laat bij Tripoli op aangedrongen om iets te doen aan de gruwelijke omstandigheden in de kampen. Om kritiek te ondervangen heeft ze de financiering verhoogd van de VN-instanties voor migratie (IOM) en vluchtelingen (UNHCR), zodat ze kunnen proberen de situatie van migranten binnen Libië te verbeteren.
Economisch onstabiel
De ICG is ook bezorgd over wat de groep als een aanzienlijke fout in de EU-benadering ziet: ‘Het zuidwesten van Libië is de ontbrekende schakel in het actieplan van de EU, aangezien het gebied, dat de Fezzan heet, een essentiële factor is in het migratieprobleem.’ Het is de plek waar de grote meerderheid van de vluchtelingen van bezuiden de Sahara het land binnenkomt, maar dat wordt door de Unie genegeerd.
‘Libië blijft politiek stuurloos en economisch onstabiel,’ waarschuwt de ICG ook. ‘Het is de hoogste tijd voor verzoening tussen en stabilisatie van de rivaliserende facties in het land. De zwakke regering, geleid door premier Fayez al-Sarraj, loopt het risico om niet meer dan een agent te worden die door de EU of een van haar lidstaten wordt ingezet om aan te sturen op een Europese – in plaats van een Libische – agenda, zoals het beteugelen van migratie. Als er geen Libische belangen worden nagestreefd, zal deze regering binnen Libië steeds meer gewantrouwd worden.’
De beslissing om Europa’s zuidelijke open deur te sluiten, heeft ons – en ik bedoel ons allemaal – slechts met moeilijke, moreel twijfelachtige keuzen opgezadeld.
Opgericht in 1859. Stond in zijn beginjaren bekend als spreekbuis van de protestantse nationalisten, later als spreekbuis van de Unionisten en onderging nog later, na de deling van het eiland in de Ierse Vrijstaat en Noord-Ierland, nog een koersverandering; tegenwoordig geldt hij als gematigd liberaal/sociaaldemocratisch.
Toen CNN onlangs schokkende beelden toonde van Afrikaanse migranten die in Libië als slaven werden verhandeld, stond de internationale gemeenschap op zijn achterste benen. Maar zowel Europa als de Arabische wereld als de Afrikaanse elite is schuldig aan de gang van zaken, stellen de schrijvers van dit dossier.
Het land dat al een half miljoen inwoners zag vertrekken, staat te springen om arbeidskrachten. De Hongaarse pers ziet het somber in.
Zes van de tien bouwondernemingen, bijna vier op de tien fabrieken – om welke sector het ook gaat, de Hongaarse economie kampt met een tekort aan werknemers. Het ligt voornamelijk aan de naar Europese normen lage salarissen, die ertoe hebben geleid dat bijna een half miljoen Hongaren hun land hebben verlaten om in het Westen een beter belegde boterham te verdienen. Of hij nu ober is in Wenen, informaticus in Berlijn of kok in Engeland, een Hongaar verdient er minstens twee tot drie keer zo veel als in eigen land. Het gevolg: meer dan 200.000 vacatures in Hongaarse bedrijven, volgens het statistisch bureau. Afgezien van de aantrekkelijkere salarissen, verlaten de meer gekwalificeerde werknemers Hongarije ook omdat ze op zoek zijn naar erkenning en onafhankelijkheid, die hun amper worden geboden in een economie die gegijzeld wordt door de machthebbers en hun vertrouwelingen.
Mislukking
Volgens Tamás Torba van de krant Magyar Nemzet symboliseert deze situatie de mislukking van het Hongaarse model: ‘Dit probleem valt niet op te lossen met een simpele salarisverhoging. Er is tenminste een verhoging van 50 procent nodig om de kloof met het Westen maar enigszins te dichten. Hongarije had ooit een gekwalificeerde beroepsbevolking die fiscaal werd gekoesterd. Die neemt nu massaal de benen. De regering gelooft zelf niet in haar propaganda van een economisch succesverhaal. Laat niemand zich illusies maken: de situatie is extreem ernstig.’
Zo ernstig dat zelfs de directeur van bouwgigant BTP Market ZRT, die krachtig door de staat wordt gesteund, in de komende drie tot vijf jaar Chinese, Indiase, Pakistaanse, Vietnamese en Indonesische werknemers wil laten overkomen om te voorzien in het tekort. ‘Als je naar Hongarije komt, kun je het werk komen doen waar Hongaren niet om zitten te springen,’ merkt Dávid Dercsényi van weekblad HVGWorld Economy Weekly ironisch op. Het is een verwijzing naar de overheidscampagne van 2015 tegen de vluchtelingen, die gesommeerd werden ‘niet het werk van Hongaren in te pikken’. ‘Maar dreigen de migranten nou echt onze banen in te pikken? Waarschijnlijk wel, want de vluchtelingen zijn bereid werk te verrichten waar de Hongaren hun neus voor ophalen,’ aldus de journalist van HVG.
Zouden de door premier Orbán afgewezen migranten inderdaad nuttig kunnen zijn? Ongetwijfeld, aldus de site 24.hu, die onder andere een textielondernemer citeert en een grote horecaketen die moslims aanneemt. ‘Veel ngo’s en arbeidsmarktdeskundigen zijn het erover eens dat deze situatie gunstig zou kunnen zijn voor de migranten die zich in Hongarije komen vestigen. Het tekort aan werknemers is zo nijpend dat de bedrijven vluchtelingen rekruteren die de vacatures de facto al bezetten,’ aldus de reportage.
Hongarije, een belangrijke leverancier van gedetacheerde werknemers, wordt geconfronteerd met een massale exodus van plaatselijke werknemers. En dit ondanks de van origine Duitse trekpaarden van de Hongaarse economie (Audi in Györ, Mercedes in Kecskemét, Opel in Szentgotthárd, Bosch in Hatvan), de 10 miljoen forinten (33.000 euro) huisvestingssubsidie voor gezinnen die drie kinderen willen of het programma Gyere Haza (‘Kom naar huis’), met vacatures en praktische tips voor potentiële terugkeerkandidaten. En deze tendens lijkt zich alleen maar door te zetten, vooral als het gemiddelde salaris rond de 500 euro blijft hangen.
De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.
De afgelopen tien jaar emigreerden miljoenen Oost-Europeanen naar West-Europa. Als de trend zich voortzet dreigt een demografische ramp.
In een recente videoboodschap adviseerde de Poolse regering haar burgers om een voorbeeld te nemen aan het voortplantingsgedrag van konijnen. Op humoristische toon werden de mensen aangespoord om evenveel nakomelingen te produceren als de dieren, zich op dezelfde manier voort te planten (‘zonder stress’) en dit te doen ‘in de frisse buitenlucht’.
De kleurrijke video is niet de enige manier waarop de Poolse regering het geboortecijfer wil opkrikken. Via het programma 500Plus, het paradepaardje van premier Beata Szydlo, worden hoge toeslagen verstrekt voor het krijgen van baby’s: zo’n 117 euro per maand voor het tweede en alle volgende kinderen. ‘Kinderen zijn de beste investering in de toekomst, maar ze kosten ook geld,’ verklaarde Szydlo. Ze voegde eraan toe dat ‘ondersteuning van gezinnen een prioriteit is voor de regering’. Alleen al dit jaar is er 5 miljard euro voor dit programma uitgetrokken.
Zo blijft regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid zich inzetten voor een hoger geboortecijfer, dat zo belangrijk is voor het land. Hoewel Polen een van de meest katholieke landen is van Europa, en abortus er verboden is, is het vruchtbaarheidscijfer, met slechts 1,32 kind per vrouw, het op een na laagste van de EU. Gecombineerd met de massale emigratie van Polen – hun aantal in de rest van de EU wordt geschat op 2,5 miljoen (waarvan 1 miljoen alleen al in het VK) –, staat Polen mogelijk een demografische ramp te wachten. Volgens een studie van Eurostat zou de Poolse bevolking, als de huidige trend zich voortzet, over twee generaties afnemen van de huidige 40 miljoen tot 30 miljoen inwoners.
Ook veel andere landen zullen te maken krijgen met een vergelijkbare en vaak nog ergere demografische crisis. Warschau doet nog zijn best om een ramp af te wenden (niet alleen door het geboortecijfer te stimuleren, maar ook door de afgelopen twee jaar meer dan 1 miljoen werkvisa aan Oekraïeners af te geven), maar voor andere Oost-Europese landen is het al te laat. In Bulgarije is de bevolking afgenomen van 9 miljoen inwoners in 1990 tot 7 miljoen in 2017. De grote meerderheid van de Bulgaren die vertrokken zijn voor een beter leven, meestal in het westen van de EU, bestaat uit jongeren. Het lot van Roemenië is amper beter te noemen: van de circa 20 miljoen Roemenen zijn er 3 miljoen naar het Westen getrokken om er te gaan werken.
Grootste probleem van de EU
Voor twee Baltische staten is de situatie het meest dramatisch. In Letland zijn er nog maar twee miljoen inwoners over van de 2,5 miljoen in 1990. De verhouding Letten/Russen in Letland is vrijwel ongewijzigd, omdat de Russen in Letland ook emigreren. In Litouwen is het aantal inwoners gedaald van 3,7 miljoen naar 3,3 miljoen. ‘Zeventig procent van de mensen die naar het buitenland vertrekken, heeft een opleidingsniveau dat hoger is dan het secundair onderwijs en bijna twee derde is jonger dan dertig jaar,’ aldus Audra Sipaviciene, Litouws migratiedeskundige.
‘Deze grote trek van het Oosten naar het Westen en de ontvolking in de nieuwe lidstaten is misschien wel het grootste probleem waar de EU mee kampt, belangrijker nog dan de illegale immigratie,’ verklaart een hoge Tsjechische diplomaat. ‘Het is trouwens misschien wel de reden waarom het Verenigd Koninkrijk de Unie verlaat. Een paradoxaal besluit voor een lidstaat die als eerste zijn grenzen opende voor de massale immigratie uit de nieuwe lidstaten.’
In 2030 zal de EU de oudste bevolking ter wereld hebben, met een gemiddelde leeftijd van 45 jaar, tegenover 33 jaar wereldwijd. Volgens Brussel zal de situatie in landen als Letland en Bulgarije ‘bijzonder dramatisch’ zijn. De Tsjechische Republiek vormt een uitzondering. De bevolking neemt naar verwachting niet af omdat de economische emigratie er minimaal is.
Belangrijkste informatieve dagblad van het land. Het blad is voortgekomen uit het officiële orgaan van de Jonge Socialisten, ‘Jong Front’, heeft een kleine revolutie doorgemaakt (dnes betekent ‘vandaag’) en pretendeert een onafhankelijke en democratische krant te zijn en een ‘luis in de pels’.
160.000, 120.000, 98.255 of toch maar 29.144: hoe groot is het aantal vluchtelingen dat in Griekenland en Italië wacht om over Europa te worden verdeeld nu precies? Die Presse doet een poging de chaos van elkaar tegensprekende getallen te ontwarren.
Dinsdag 26 september 2017 was de laatste dag dat vluchtelingen die in Griekenland of Italië aanlandden nog in aanmerking konden komen om naar een andere EU-lidstaat te verhuizen. Na twee jaar loopt het herverdelingsprogramma voor asielzoekers, waarover de regeringsleiders het in de crisiszomer van 2015 op voorstel van de Europese Commissie eens waren geworden, op zijn eind. Terwijl Dimitris Avramopoulos, de Europese commissaris die verantwoordelijk is voor migratievraagstukken, bij de toepassing van dit programma een ‘enorme vooruitgang’ constateerde, toont de weigering van Polen, Tsjechië en Hongarije om asielzoekers uit Italië en Griekenland op te nemen aan dat de grens van de vrijwillige verdeling van de vluchtelingenstroom binnen de Unie is bereikt.
Maar was dit herverdelingsprogramma voor vluchtelingen echt zo’n flop als door de critici wordt beweerd? Door wat beter te kijken naar de ontwikkeling die het programma heeft doorgemaakt, zien we dat succes en mislukking erg moeilijk objectief meetbaar zijn. De doelstellingen waren van begin af aan opzettelijk hoog gesteld en stonden niet in realistische verhouding tot het daadwerkelijke aantal betrokken asielzoekers. In combinatie met de vaak slecht of helemaal niet gecoördineerde communicatie over de besluiten tussen Raad van ministers en Europese Commissie, ontstond een chaos van getallen die elkaar vaak tegenspraken.
Bovengrens
Laten we alles eens op een rijtje zetten. Eind juli 2015, toen de vluchtelingenstroom uit met name Irak en Syrië steeds groter werd, namen de regeringsleiders een principebesluit: 40.000 vluchtelingen die overduidelijk internationale bescherming nodig hadden (lees: die na controle van hun aanvraag aanspraak op asiel konden maken) moesten binnen twee jaar vanuit Griekenland en Italië worden verdeeld over de rest van de EU, met uitzondering van Groot-Brittannië maar inclusief de niet-EU-landen Noorwegen, Zweden en Liechtenstein.
Het duurde bijna drie maanden voor de ministers van Binnenlandse Zaken de politieke opdracht hadden omgezet in EU-wetgeving, waarmee het verplicht werd. Toen was al duidelijk dat het streefgetal van 40.000 immigranten te laag was. Volgens Eurostat hadden zich tussen januari en juli 2015 alleen al in Italië 39.183 mensen gemeld voor een asielaanvraag, zo’n 27 procent meer dan in hetzelfde tijdvak van het jaar daarvoor. Samen met het aantal grensoverschrijdingen dat Frontex, het Europese agentschap voor de bewaking van de buitengrenzen, had verstrekt, waren deze cijfers de basis voor de herverdelingsbesluiten. En dus verhoogden de ministers van Binnenlandse Zaken het streefgetal: nog eens 120.000 asielzoekers met kans op erkenning van hun asielaanvraag moesten uit Italië en Griekenland worden herplaatst.
Via de Balkanroute waren ook in de Balkanlanden tienduizenden vluchtelingen terechtgekomen. De Commissie stelde voor dat binnen twee jaar 54.000 asielzoekers uit Hongarije zouden worden herverdeeld. Maar de regering in Boedapest wilde daar niet aan meewerken.
In deze twee besluiten ligt de bron van de verwarring waarmee het herverdelingsprogramma worstelt. Want het getal 160.000 (40.000 plus 120.000) was een puur rekenkundige bovengrens. Hoeveel asielzoekers er daadwerkelijk onder dit programma zouden vallen zou in de eerste plaats afhangen van het aantal dat de lidstaten vrijwillig opnamen, en in de tweede plaats van het werkelijke aantal vluchtelingen dat in aanmerking kwam. Niet iedereen die op de Middellandse Zee uit een opblaasboot wordt gered, kan aanspraak maken op asiel in de EU. Op voorstel van de Commissie besloten de ministers dat alleen die nationaliteiten in aanmerking kwamen die, na hun asielaanvraag, een succespercentage van minstens 75 procent hadden. Sindsdien werd de lijst van landen wier gevluchte burgers uit Italië en Griekenland konden worden herverdeeld, geactualiseerd op basis van Eurostatgegevens over toegekende asielaanvragen. En dus hadden in het begin alleen Syriërs en Eritreeërs, later ook Irakezen, tegenwoordig Irakezen niet meer maar wel Jemenieten, evenals burgers van de Bahama’s, Bhutan, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten recht om na aankomst in Italië of Griekenland naar een ander EU-land te worden overgeplaatst om daar hun asielprocedure af te sluiten.
Het aantal nieuw aangekomenen in Griekenland nam binnen een jaar met 97 procent afnam. Ook wagen zich over de Middellandse Zeeroute tegenwoordig aanzienlijk minder migranten en vluchtelingen naar Italië
Wat bleef er over van de 160.000? De stand op 22 september was 98.255 herplaatsbare asielzoekers, gebaseerd op de genoemde criteria en op de aantallen die de lidstaten die aan het programma deelnemen, hadden toegezegd te zullen opnemen. Maar ook dit getal is niet geschikt om te beoordelen in hoeverre het programma zijn doel heeft bereikt. Op 18 maart 2016 sloot de EU het beruchte akkoord met Turkije over het de facto sluiten van de Turkse grens voor vluchtelingen, waardoor het aantal nieuw aangekomenen in Griekenland binnen een jaar met 97 procent afnam. Ook wagen zich over de Middellandse Zeeroute tegenwoordig aanzienlijk minder migranten en vluchtelingen naar Italië. Dat ligt, al wil niemand in Brussel het officieel toegeven, in de eerste plaats aan de uit mensenrechtenoogpunt problematische overeenkomst tussen de Italiaanse regering en Libische milities en voormalige mensensmokkelaars.
Duidelijk is dat tot nu toe uit Griekenland 20.066 en uit Italië 9078 asielzoekers, in totaal 29.144, zijn herverdeeld. Daar moeten we nog 2000 mensen bij optellen die in Griekenland op vertrek wachten en bovendien nog 2000 die in datzelfde land nog kunnen worden geregistreerd als ‘in aanmerking komend’. Of ze nog in het land zijn, is bij gebreke van registratie door de autoriteiten de vraag. In Italië zijn dit jaar ongeveer 7200 mensen aangekomen met kans op honorering van hun asielaanvraag die herverdeeld zouden kunnen worden. Maar de Italiaanse autoriteiten hebben maar 4000 van hen geregistreerd. Al met al zouden in het kader van het tweejarige programma dus 39.000 à 40.000 asielzoekers uit de twee Middellandse Zeelanden zijn herverdeeld. De ontvangende landen kregen daarvoor uit het EU-budget per asielzoeker 6000 euro, en Griekenland en Italië elk 500 euro transportkostenvergoeding. Er was 780 miljoen euro begroot.
De betrokken mensen zijn hiermee zeker geholpen en ook de overvraagde autoriteiten van Griekenland en Italië zijn ontlast. Voor een principiële oplossing van de migratiecrisis was het noodprogramma slechts een fase, waarin bleek dat de Dublin-verordening − waarbij (alleen) het land van aankomst in de EU de competentie heeft een asielaanvraag te behandelen − achterhaald is. Hoe het Europese immigratie- en asielsysteem wordt gerepareerd, moet voor het einde van dit jaar blijken.
De muur rond de autoritaire eenpartijstaat Eritrea brokkelt af. Trump in het Witte Huis en de oorlog in Jemen, aan de overzijde van de Rode Zee, helpen daarbij een handje. Aartsrivaal Ethiopië kijkt met argusogen toe.
Twee recente, maar volstrekt verschillende gebeurtenissen, zullen op een dag wellicht gelden als symbolische keerpunten voor Eritrea, een autoritaire eenpartijstaat, alom bekend als het geïsoleerdste land van Afrika. De eerste gebeurtenis betrof de bloedige botsing aan de grens met Ethiopië, een jaar geleden, die herinneringen opriep aan de verwoestende tweejarige oorlog die in 1998 tussen de twee aartsvijanden uitbrak. Bij dit oplaaien van de strijd vielen honderden doden.
De tweede gebeurtenis was een wetenschappelijk congres, een maand later, in de Eritrese hoofdstad Asmara – de eerste bijeenkomst van dien aard in vijftien jaar. De deelnemers aan het congres waren hogelijk verbaasd over de relatieve vrijheid waarmee in de beruchte politiestaat over de meest uiteenlopende onderwerpen – van vrouwenrechten tot buitenlandbeleid – kon worden gedebatteerd. ‘Je zou het een politieke gebeurtenis kunnen noemen,’ zegt Harry Verhoeven, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Georgetown University in Qatar. ‘Het was voor regionale begrippen al uitzonderlijk, maar voor Eritrea helemaal.’
Welbeschouwd zijn deze ogenschijnlijk tegenstrijdige aangelegenheden twee lijnen in hetzelfde verhaal: Eritrea doorbreekt schoorvoetend het isolement waarin het land al tien jaar verkeert, en rivaal Ethiopië probeert aan die verschuiving het hoofd te bieden.
Sancties
Het congres toonde in elk geval aan dat Eritrea voorzichtig naar buiten treedt. Het grensconflict was een teken dat buurland Ethiopië bang is dat het zijn dominante positie in de regio kwijtraakt als Eritrea wordt gerehabiliteerd. Samen laten de twee gebeurtenissen zien dat de zeventienjarige toestand van ‘geen vrede én geen oorlog’ zijn einde nadert.
In april kondigde Ethiopië aan dat het land aan een nieuw beleid ten opzichte van het buurland werkt. Nog niet alle details zijn bekend, maar één ding is duidelijk: de regering in Addis Abeba erkent dat haar strategie om Eritrea na het einde van de grensoorlog in te tomen – in 2009 formeel bekrachtigd door een wapenembargo van de VN – is mislukt. Voor het eerst in jaren wordt er in Addis Abeba serieus over een koerswijziging gesproken.
Het sanctiebeleid van de Verenigde Naties is afhankelijk van de steun van de internationale gemeenschap, maar die steun brokkelt geleidelijk aan af. De sancties waren altijd al controversieel omdat Eritrea in een regio vol bad guys als enige tot boeman werd bestempeld. Binnen de VN is inmiddels een groeiende consensus dat er geen duidelijke grond meer is voor de sancties: er is geen bewijs dat Eritrea de islamitische terreurgroep Al-Shabaab in Somalië nog steeds steunt. En hoewel het land wel achter andere gewapende oppositiegroepen in de regio – met name in Ethiopië – blijft staan, is het daarin geen uitzondering: omringende landen doen dat eveneens. Ethiopië kan de versoepeling – of opheffing – van de sancties hooguit tegenhouden tot eind 2018, wanneer de termijn van Addis Abeba als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad afloopt.
Spanningen tussen Eritrea en buurland Djibouti, die in juni een hoogtepunt bereikten na het besluit van Qatar om zijn blauwhelmen uit het betwiste grensgebied terug te trekken, zouden Ethiopië op de korte termijn in de kaart kunnen spelen. Maar op de lange duur zal het nog niet meevallen de andere VN-leden ervan te overtuigen de status-quo te handhaven nu de steun van de Verenigde Staten dreigt weg te vallen. Met het vertrek van president Barack Obama – en vooral van diens nationale veiligheidsadviseur Susan Rice, die zich onverbiddelijk opstelde tegenover het Eritrese regime – is Washington waarschijnlijk minder geneigd Eritrea in het strafbankje te laten zitten. ‘Rice liet de Eritreeërs geen enkele speelruimte,’ zegt Bronwyn Bruton, adjunct-directeur van het Africa Center van de Amerikaanse denktank Atlantic Council. ‘Alle Afrikaanse dictators wrijven zich in de handen nu Donald Trump in het zadel zit.’
Eritrea heeft op meer fronten de wind in de rug. De oorlog in Jemen – op nog geen 150 kilometer afstand, aan de overkant van de Rode Zee – heeft onder de Golfstaten een stormloop veroorzaakt op ‘bedrijfsruimte’ langs de Eritrese kust, de ideale plek om troepen te stationeren. De Verenigde Arabische Emiraten bijvoorbeeld huren al sinds 2015 de haven van Assab, waar de VAR een militaire basis bouwen. In Jemen zelf vechten naar verluidt vierhonderd Eritrese soldaten voor de door de Saoedi-Arabië geleide coalitie, en dat levert Eritrea olie en geld op.
En door de migratiecrisis heeft de Europese Unie, die de stroom van vluchtelingen en migranten uit Afrika wanhopig probeert in te dammen, tegen wil en dank toenadering gezocht. Van 2014 tot 2016 bestond het leeuwendeel van de Afrikaanse vluchtelingen uit Eritreeërs – en dat levert president Isaias Afewerki, die al sinds 1993 aan de macht is, een aardige som geld op. In 2015 zegde de EU een hulppakket van 200 miljoen euro toe, geld dat overigens nog moet worden uit–betaald. Dit bedrag komt boven op de beloofde hulp om het functioneren van het justitiële apparaat en de veiligheidsdiensten te verbeteren zodat mensensmokkel effectiever kan worden aangepakt.
Individuele Europese landen en humanitaire organisaties laten hun neus ook weer zien. Zo is Duitsland weer begonnen met technische hulpprogramma’s, terwijl het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking van plan is een kantoor te openen in Asmara. Amerikaanse functionarissen van het ministerie van Buitenlandse Zaken, die het land jaren hebben gemeden, hervatten voorzichtig diplomatieke bezoekjes. ‘De muur die de Ethiopiërs zorgvuldig rond Eritrea hadden opgebouwd is danig aan het afbrokkelen,’ zegt Martin Plaut, auteur van het boek Understanding Eritrea. ‘En iedereen staat ineens te dringen om vriendschapsbanden aan te knopen.’
President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden
Eritrea zelf is ook druk bezig zich aan zijn status van paria te ontworstelen. Asmara probeert buitenlandse investeerders te paaien, met name in de mijnbouwsector. In een poging meer buitenlandse investeerders te trekken heeft de regering in de haven van Massawa een vrijhandelszone ingesteld. Ook heeft ze kleine, maar symbolische stappen gezet om haar slechte naam op gebied van mensenrechten op te vijzelen. Tussen mei 2015 en mei 2016 kregen vijftig buitenlandse journalisten toegang tot het land, aldus Atlantic Council. En de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, kreeg onlangs toestemming voor een bezoek aan een gevangenis.
Addis Abeba beziet al deze ontwikkelingen met argusogen. Het vooruitzicht dat Eritrea zijn invloed in het gebied rond het Rode Zee uitbreidt, bevalt Ethiopië, gefrustreerd doordat het zelf geen toegang heeft tot de zee, allerminst. De regering vreest ook dat de Eritrese president Afewerki zijn verbeterde financiële positie zal gebruiken om de steun aan het gewapende verzet in Ethiopië op te schroeven in een tijd waarin de noodtoestand, afgekondigd na maandenlange onrust, onverminderd voortduurt. En het grootste schrikbeeld voor Ethiopië is dat het wordt ingesloten door vijandige regimes.
Analisten zijn het er niet over eens wat het nieuwe Ethiopische beleid met betrekking tot Eritrea nu eigenlijk zal behelzen. Sommigen voorspellen dat de aloude strategie alleen maar in een nieuw jasje wordt gestoken: het land zal, net als nu, harde grenzen afbakenen en er geen misverstand over laten bestaan dat er een militair antwoord volgt als die grenzen worden geschonden. Anderen vragen zich af of de Ethiopische regering geheime bilaterale gesprekken overweegt – misschien zelfs het aanbod zich terug te trekken uit het grensplaatsje Badme, dat al vijftien jaar lang illegaal wordt bezet door Ethiopische troepen. Maar ook oorlog, met als doel het regime in Asmara omver te werpen, wordt niet uitgesloten, hoewel dat niet zeer waarschijnlijk lijkt omdat Ethiopië daarmee zijn hand kan overspelen en de greep op het gebied ten noorden van de grens zou kunnen kwijtraken.
Het Afrikaanse Noord-Korea
Eritrea heeft weliswaar de verdiende bijnaam ‘het Afrikaanse Noord-Korea’, maar het heeft geen beschermheer als China die het land kan dwingen aan de onderhandelingstafel plaats te nemen. President Afewerki is nog altijd gebaat bij de huidige situatie – en dat verklaart waarom het land in een permanente staat van oorlog wordt gehouden.
Berichten dat de Eritrese troepen na het vertrek van de Qatarese blauwhelmen betwist gebied aan de grens met Djibouti hebben bezet, maken duidelijk dat Eritrea de regio nog altijd verder kan ontwrichten. Maar hoewel het land inmiddels minder geïsoleerd is dan voorheen, is het nog steeds veel zwakker dan Ethiopië, dat nu aan zet is. ‘Het is een gevaarlijk spel waarbij voor beide partijen veel winst te behalen valt,’ zegt Verhoeven. ‘Maar ik ben voorzichtig optimistisch.’
Foreign Policy
Verenigde Staten, tweemaandelijks tijdschrift, oplage 106.000
Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.
Zonder migranten zou de Canadese bevolking krimpen, net als in Europa en Azië. Maar door verlicht bestuur kent het land een gezonde bevolkingsgroei, schrijft John Ibbitson.
Volgens de laatste statistieken is Canada de meest gezegende plek op aarde, met een dynamische, diverse en betrekkelijk jonge bevolking die zal blijven groeien totdat we, halverwege deze eeuw, enkele van de grootste Europese landen qua inwonertal naar de kroon zullen steken. Deze blijde tijding danken we aan drie decennia verlicht bestuur – iets wat we in gedachten moeten houden als we weer eens mopperen over die idioten in Ottawa.
Wie sceptisch staat tegenover het multiculturalisme – en dan bedoel ik vooral de kandidaten voor het leiderschap van de Conservatieve Partij – zou de laatste gegevens van de volkstelling van 2016 eens moeten doornemen.
Voor het eerst in de geschiedenis telt ons land meer ouderen dan kinderen. Dat wordt voornamelijk op het conto geschreven van de vergrijzende babyboomers. Een belangrijker reden, die over het algemeen wordt genegeerd, is dat het Canadese vruchtbaarheidscijfer (het gemiddelde aantal kinderen per vrouw) 1,6 bedraagt, een halve baby minder dan de 2,1 kinderen die nodig zijn om een bevolking op peil te houden.
De Europese bevolking wordt uitgehold door de aanhoudende vrees voor hoge immigratieaantallen in combinatie met lage vruchtbaarheidscijfers
Desondanks is de Canadese bevolking tussen 2011 en 2016 met 5 procent gegroeid en zal ze ook de komende decennia blijven groeien, tot 50 miljoen in 2060. Dat is te danken aan dertig jaar forse immigratie. In 1992 mikte de regering van Brian Mulroney op 250 duizend nieuwkomers per jaar. Jean Chrétien en Paul Martin handhaafden die doelstelling. Stephen Harper en Justin Trudeau hebben de ambitie verder verhoogd, tot 300 duizend immigranten en vluchtelingen per jaar. Het gevolg is, zoals iedereen weet, dat vandaag de dag een op de vijf Canadezen niet in Canada geboren is.
Hierin verschillen we van de meeste ontwikkelde landen en vele ontwikkelingslanden. In 2060 zal Canada ongeveer evenveel inwoners tellen als Italië, dat volgens de Afdeling Bevolking van de Verenigde Naties zal slinken van de huidige 60 miljoen naar 50 miljoen. De Europese bevolking wordt uitgehold door de aanhoudende vrees voor hoge immigratieaantallen in combinatie met lage vruchtbaarheidscijfers. Sommige uitzonderlijk xenofobe Oost-Europese landen zullen daar het meest onder lijden. Bulgarije zal tussen nu en 2060 de helft van zijn bevolking verliezen.
Maar Europa staat hierin niet alleen. In 2060 zal de bevolking van Japan zich in een vrije val bevinden, van net iets minder dan 130 miljoen tot net iets meer dan 100 miljoen, en aan het eind van deze eeuw nog maar 80 miljoen. Ook Zuid-Korea, Singapore en Thailand zullen hun bevolking zien slinken. Zuiver getalsmatig zal China het grootste verlies lijden, van een piek van 1,4 miljard rond 2030 naar 1,25 miljard in 2060. Dat scheelt 150 miljoen mensen.
Veel demografen verwachten dat de afname van de nationale bevolkingscijfers eerder zal intreden en groter zal zijn dan de voorspellingen van de VN.
Al deze niet-geborenen zullen de druk op het milieu verlichten. Maar ze zullen ook voor economische problemen zorgen, net zoals de toenemende levensverwachting en de lagere vruchtbaarheidscijfers de gezondheidszorg en de pensioenstelsels zullen ondermijnen. Een tekort aan jonge stellen met kinderen zal de markt voor huisvesting, luiers en andere baby- en kinderartikelen verkleinen. Het tekort aan arbeidskrachten zal toenemen, al zal dat gedeeltelijk worden gecompenseerd door de toenemende productiviteit.
Sommige mensen geloven dat de bevolkingsafname kan worden tegengegaan door vrouwen aan te moedigen meer kinderen te krijgen. Maar ondanks fanatieke pogingen in Zweden, Singapore en elders is geen enkele regering erin geslaagd het vruchtbaarheidscijfer weer op 2,1 te brengen. En als je er goed over nadenkt, is het beledigend een vrouw om te kopen om in het belang van de natie nog een derde kind te krijgen.
Immigratie alleen is niet het antwoord op bevolkingsafname. Als de oorspronkelijke bevolking zich niet vierkant achter het multiculturalisme schaart, zullen immigranten er wellicht niet in slagen te integreren en zich terugtrekken in verarmde en rancuneuze etnische enclaves – iets wat we ook in delen van Europa zien.
Magisch mengsel
Canada heeft deze valstrik grotendeels ontweken door nieuwe Canadezen van over de hele wereld te halen in plaats van voornamelijk uit één regio, waardoor de diversiteit werkelijk wordt gewaarborgd.
Maar dit magische mengsel van hoge immigratieaantallen en multiculturele diversiteit moet steeds weer worden verdedigd en uitgelegd. De Verenigde Staten zouden hun bevolking de komende decennia ook moeten zien groeien – aan het eind van deze eeuw zou de bevolking van China minder dan twee keer zo groot kunnen zijn dan die van de VS – maar president Trump zet die toekomst op het spel met zijn pogingen om de Amerikaanse grenzen en geesten hermetisch af te sluiten.
Elke dag moeten we pleiten voor een multicultureler Canada. We moeten afspreken om dat samen te doen. Het alternatief is stagnatie en verval.
John Ibbitson (1955) is politiek journalist en columnist voor The Globe and Mail. Hij schreef verschillende boeken, waaronder een biografie van voormalig Canadees premier Stephen Harper.
De Japanners zien zichzelf als een etnisch homogene bevolkingsgroep, en hebben traditioneel weinig op met migranten. Maar, zo vraagt de krant Asahi Shimbun zich af, is die houding nog wel van deze tijd?
In 2016 gebeurde een aantal dingen waardoor ik me begon af te vragen wanneer je eigenlijk kunt zeggen dat iemand ‘een echte Japanner’ is. In augustus bleek de dubbele nationaliteit van Renho Murata – die een Taiwanese vader heeft – een probleem bij haar benoeming tot leider van de Democratische Partij, de grootste oppositiepartij in Japan. Tegelijk werd bij de Olympische Spelen in Rio een groot aantal sporters van buitenlandse afkomst, onder wie de sprinter Asuka Cambridge [geboren op Jamaica, met een Jamaicaanse vader en een Japanse moeder], door veel Japanners aangemoedigd.
In de wijk Homigaoka in de stad Toyota [waar ook autobouwer Toyota zetelt] heeft de helft van de zevenduizend wijkbewoners een buitenlandse nationaliteit [ze werken er meestal in de fabrieken]. Daar zat ook Marco Soares, een scholier van achttien, tijdens de Olympische Spelen met zijn blik aan het scherm gekleefd. Hij heeft de Braziliaanse nationaliteit, maar zijn overgrootouders waren Japanners. Op de middelbare school is hij aan atletiek gaan doen en intussen heeft hij diverse regionale toernooien gewonnen. In de toekomst wil hij graag tot Japanner genaturaliseerd worden en meedoen aan de Spelen. Zijn lichte ogen contrasteren met zijn donkere huid, maar de manier waarop hij met rechte rug gaat zitten en af en toe heel verlegen praat, is typerend voor alle Japanse jongeren. Als ik hem vraag of hij meer voor buitenlandse atleten is dan voor Japanse, zegt hij onmiddellijk: ‘Nee, helemaal niet. Ik zie mezelf als een gewone Japanner.’
De meeste van zijn jeugdvrienden zijn Braziliaans. Maar hij heeft altijd zijn best gedaan om ook met Japanse kinderen om te gaan, omdat hij de taal goed wilde leren zodat hij voor zijn ouders kon tolken. Zijn plan om de Japanse nationaliteit aan te vragen heeft niets te maken met het feit dat hij dan gemakkelijker aan de Olympische Spelen mee kan doen. ‘Ik wil graag mijn hele leven in Japan blijven. In dit land ben ik geboren en opgegroeid en ik heb ook een beetje Japans bloed in mijn aderen. Dus waarom zou ik geen Japanner zijn?’
Teken van verandering
Sommige beroemdheden met buitenlandse roots vinden dat het afgelopen moet zijn met de stereotype ideeën over hoe Japanners eruitzien. In 2015 was de tweeëntwintigjarige Ariana Miyamoto, die een Afro-Amerikaanse vader en een Japanse moeder heeft, de vertegenwoordigster van Japan bij de Miss Universe-verkiezingen. Ze is bij haar Japanse oma en moeder opgegroeid in Sasebo [dat een Amerikaanse marinebasis heeft en niet ver van Nagasaki ligt]. Ze werd er als kind gepest vanwege haar donkere huid. Omdat ze daar niet langer tegen kon, woonde ze tijdens haar middelbareschooltijd bij haar vaders familie in de VS. Toch weet ze nog dat ze zich opgelucht voelde toen ze daarna weer terugkwam in Japan.
De dag na haar verkiezing stroomden de felicitaties, maar ook de beledigingen en racistische opmerkingen via internet bij haar binnen. Die negatieve commentaren verbaasden Ariana niet, maar ze hoopte vooral dat daardoor een echt debat op gang zou komen. De aanleiding dat ze zich had opgegeven voor de schoonheidswedstrijd was de zelfmoord van een van haar vrienden van buitenlandse origine. Die vriend voelde zich diep ongelukkig in Japan, terwijl dat toch zijn geboorteland was. ‘Die halfbloed die niet eens Engels sprak’ werd geregeld belachelijk gemaakt.
‘Ik wil de mensen duidelijk maken dat er ook Japanners zijn die er anders uitzien.’ Ariana kreeg binnen een jaar meer dan vierhonderd interviewverzoeken. Het waren vooral buitenlandse media die over haar schreven. Hier een citaat uit het Amerikaanse weekblad Newsweek: ‘De Japanners staan voor een keuze: of ze gaan op de oude voet verder, met de economische recessie en al, en raken hun positie op het wereldtoneel kwijt, of ze besluiten eraan te wennen dat er ook “spijkers die uitsteken” zijn [een Japanse uitdrukking waarmee mensen worden bedoeld die niet aan de norm voldoen] en zetten de deur open [voor immigratie].’
Waarom waren buitenlandse journalisten zo geïnteresseerd in een Japanse kandidate met een donkere huid? Het antwoord van Tom Wofford, de auteur van het artikel in Newsweek, luidt als volgt: ‘Overal ter wereld leeft nog steeds het idee dat de Japanners een etnisch homogeen volk zijn. De keuze voor Ariana Miyamoto als kandidate werd uitgelegd als een teken van verandering.’ Ook in 2016 werd Japan bij de Miss Universe-verkiezingen vertegenwoordigd door iemand met buitenlandse roots: Priyanka Yoshikawa, een Japanse van Indiase afkomst.
Miss Universe Japan 2016: Priyanka Yoshikawa, een Japanse van Indiase afkomst.
Maar waren de Japanners oorspronkelijk wel een homogeen volk? Kenichi Shinoda, directeur van de afdeling antropologie bij het Nationaal Museum van Natuur en Wetenschap, zegt dat wanneer je het mitochondriaal DNA van de wereldbevolking (dat via de vrouwelijke lijn overerft) in honderd groepen zou onderverdelen, de Japanners dan in zo’n twintig ervan voorkomen. Dat is meer dan bij hun buren uit Zuid-Korea en Noordoost-China het geval is en daaruit trekt hij de conclusie dat ‘we de Japanners kunnen beschouwen als een groep met een grote genetische diversiteit’.
De mensheid stamt af van de homo sapiens, die zo’n tweehonderdduizend jaar geleden in Afrika verscheen en zich zestigduizend jaar geleden over de wereld begon te verspreiden. Volgens de huidige theorie, die gebaseerd is op de ontwikkelingen in de genetica, zou de Japanse archipel eerst bevolkt zijn geweest door de Jomon [tussen 14.000 en 350 v.Chr.]. Dit volk zou zich later hebben vermengd met de Yayoi, die van het Aziatische vasteland kwamen en landbouw en metaalbewerking meebrachten [ongeveer 300 v.Chr. tot 300 n.Chr.]. Tot voor kort was de leidende theorie – onder meer op grond van de skeletvorm – dat het Jomonvolk een homogene groep van zuidelijke oorsprong vormde. Maar volgens Shinoda was er ook toen wel sprake van een enige diversiteit door migratiebewegingen vanaf het eiland Sachalin [dat voor de kust van Siberië ligt] en het Koreaanse schiereiland.
Het DNA van de Jomon is ook nu nog bij veel Japanners terug te vinden. Volgens de antropoloog is dat het bewijs dat dit volk vreedzaam met de Yayoi samenleefde: ‘De nieuwkomers werden geaccepteerd en zijn geïntegreerd in de lokale bevolking. Het lijkt erop dat juist die tolerantie ten grondslag ligt aan het specifieke karakter van de Japanner.’ Het grootste deel van de archipel is daarna tot een eenheid gesmeed in het rijk van de Yamato, de voorloper van het Japan zoals we dat nu kennen. We weten nog steeds niet goed hoe dat unificatieproces precies verlopen is, maar in de Kojiki en de Nihon shoki, twee kronieken uit de achtste eeuw, is sprake van verzet van de Kumaso op het eiland Kyushu, van de Izumo in de regio San-in [in het zuidwesten van het eiland Honshu] en van de Emishi in de regio Tohoku [het noordoosten van Honshu]. Als we sommige onderzoekers moeten geloven, dan werden deze volken door het keizerlijk gezag gezien als inheems.
Tussen 1639 en 1854 was Japan bij overheidsbesluit van de buitenwereld afgesloten [onder meer christelijke missionarissen mochten er niet in]. Maar in deze periode wist Nagasaki wel contacten met het buitenland te onderhouden. Volgens Toka Chin, directeur van de historische vereniging die de handel tussen Nagasaki en China onderzoekt, telde de stad in sommige perioden wel zestigduizend inwoners en deden zo’n tienduizend Chinezen per jaar de stad aan. Sommigen van hen trouwde met Japanse vrouwen uit voorname families. ‘In die tijd werd een huwelijk met een Chinees als iets eervols gezien,’ zegt Toka Chin, en voegt eraan toe dat de kinderen uit deze gemengde huwelijken meestal dienst deden als tolk bij commissionairs.
Maar toen Japan eenmaal gemoderniseerd was en ging concurreren met de grote westerse mogendheden, groeide de minachting voor de volken van oude beschavingen zoals China en Korea. En juist in de tijd dat het expansionistische Japan overging tot annexatie van Taiwan [in 1895] en Korea [in 1910], vond het idee steeds meer ingang dat het Japanse volk van zeer gevarieerde oorsprong is.
Die theorie van een ‘gemengd volk’ is vooral gepromoot omdat die uitstekend paste bij een land dat de ambitie had om over andere Aziatische volken te heersen
In zijn boek Tanichi minzoku shinwa no kige_n [De oorsprong van de mythe van het homogene volk, niet vertaald], onderzoekt socioloog Eiji Oguma hoe dat idee zich vanaf het eind van de negentiende en in de twintigste eeuw heeft ontwikkeld. In de tijd voor de Tweede Wereldoorlog was het een algemeen aanvaarde gedachte dat de Japanners zich al sinds oude tijden met volken van het Aziatische vasteland hadden vermengd. Dat leerden ook de kinderen op school en sommige leerboeken noemden de Kumaso en de Emishi als buitenlandse volken die in het Yamatovolk [nu de grootste bevolkingsgroep van de archipel] waren geïntegreerd. Ten tijde van de annexatie van Korea in 1910 schreef de _Asahi Shimbun in een opiniestuk: ‘De antropologen zijn het er allemaal over eens dat het Japanse volk is voortgekomen uit een brede vermenging met andere bevolkingsgroepen op deze wereld.’
Die theorie van een ‘gemengd volk’ is vooral gepromoot omdat die uitstekend paste bij een land dat de ambitie had om over andere Aziatische volken te heersen. Maar bij de nederlaag in 1945 verliezen de Koreanen en de Taiwanezen hun Japanse nationaliteit. Op dat moment ontstaat het huidige idee van het homogene volk – van een volk dat al van oudsher in vrede in een eilandenrijk leeft. Volgens Eiji Oguma ‘strookte dit idee prima met het gevoel van oorlogsmoeheid bij de Japanners en met hun alom verloren vertrouwen in internationale relaties’.
Tijdens de naoorlogse economische bloei sloot het concept van raciale homogeniteit perfect aan bij een maatschappij waarin alles op het bedrijfsleven was gericht. Toen het land uiteindelijk tot de economische grootmachten behoorde, werd vanuit de politiek het ‘homogene volk’ als iets bijzonders gepresenteerd, als een pluspunt van Japan. Volgens cijfers van de Verenigde Naties ligt het percentage immigranten in alle ontwikkelde landen boven de tien procent. We moeten natuurlijk oppassen voor al te simpele vergelijkingen, maar het aantal buitenlanders in Japan blijft onder de twee procent steken. Tegelijk wordt het land geconfronteerd met een sterke bevolkingsdaling. De huidige regering, die zich ten doel heeft gesteld om de bevolking in de komende vijftig jaar rond de honderdmiljoen inwoners te stabiliseren, heeft plannen aangekondigd voor hulp bij geboorte en onderwijs. Daarnaast is besloten meer stagiairs en geschoolde krachten uit het buitenland toe te laten. De regering heeft zelfs de volgende berekening gemaakt: om het bevolkingscijfer boven de honderd miljoen te houden, zou de archipel per jaar tweehonderdduizend buitenlanders moeten opnemen en moet het vruchtbaarheidscijfer, dat in 2015 op 1,45 kind per vrouw lag, omhoog naar 2,07 kind.
Geconfronteerd met de kritiek dat die ‘buitenlanders’ in feite ‘immigranten’ zouden zijn, blijft premier Shinzo Abe [ultraconservatief] er in het parlement op hameren dat hij helemaal geen immigratiebeleid wil voeren. De grote weerstand in de Japanse samenleving tegen het woord ‘immigratie’ toont aan hoe gehecht die nog altijd is aan het idee van het homogene volk. ‘Degenen die nog steeds geloven in het sprookje van de homogeniteit en niet erg aan hun eigen individualiteit hechten, kunnen de aanwezigheid van mensen die anders zijn maar moeilijk accepteren,’ verklaart Masataka Okamoto, universitair docent aan de districtsuniversiteit van Fukuoka. In het kader van een onderzoek naar de bescherming van de rechten van in Japan wonende Koreanen, heeft hij uitgebreid studie gemaakt van het minderhedenbeleid. Daarvoor nam hij alle uitspraken van politici over het ‘homogene volk’ onder de loep en verbaasde zich erover dat dit volk nooit echt werd genoemd. ‘Als het over het “Yamatovolk” gaat, dan gaat dat mij niet aan, want ik ben van Izumo-komaf…’ ‘Na de oorlog heeft het concept van het homogene volk, maar ook het gevoel bij “een volk” te horen zich onverwacht snel in Japan verspreid’, onderstreept hij.
Tegenwoordig gaat het in gesprekken en in de media voortdurend over ‘de Japanner’, en sommigen roepen zelfs openlijk op tot uitzetting van de buitenlanders. In de ogen van Okamoto heeft dit volk verloren waar het zich vroeger altijd aan vasthield: zijn wortels, en ook zijn ondernemingszin [die kan bijdragen aan het gevoel ergens bij te horen]. Als je de vierduizend jaar van bewoning van de archipel tot één jaar zou terugbrengen, dan beslaat de periode sinds de modernisering maar één dag. In een wereld waarin iedereen zich steeds meer verplaatst, rest de vraag: wat zijn de kenmerkende waarden die ons vormen en die we moeten blijven verdedigen?
Zij was de eerste halfbloed kandidate die twee jaar geleden voor Japan werd afgevaardigd naar de Miss Universe-verkiezingen. Ze werd geboren in 1994, heeft een Japanse moeder en een Afro-Amerikaanse vader die op de Amerikaanse basis in Nagasaki werkte, en heeft nu de oorlog verklaard aan alle stereotype ideeën over iemands uiterlijk. Toen de Japanse media haar vragen stelden over haar dubbele nationaliteit, zei ze dat ze in de toekomst alleen de Japanse nationaliteit wilde houden.
Ze is geboren in 1967, heeft een Taiwanese vader en een Japanse moeder en was Taiwanees staatsburger tot 1985, toen ze dankzij een wetswijziging Japanse kon worden. Maar door een procedurefout kreeg ze toch een dubbele nationaliteit, iets wat in Japan zelden voorkomt. Ze begon als model, ging de journalistiek in en werd in 2016 de eerste vrouwelijke leider van de progressieve Democratische Partij van Japan. Toen haar dubbele nationaliteit leidde tot beschuldigingen dat ze niet trouw was aan de natie, heeft ze die opgegeven.
Hij is in 1993 geboren op Jamaica, maar al sinds zijn tweede woont hij in Japan omdat zijn ouders, een Japans-Amerikaans stel, toen naar Osaka verhuisden. Bij de Olympische Spelen van 2016 in Rio werden hij en zijn teamgenoten tweede op de 4×100 meter estafette, achter de Jamaicanen aangevoerd door Usain Bolt. Na terugkeer in Japan werd hij dan ook als een held binnengehaald. In de Japanse sportwereld zijn er veel halfbloeden en genaturaliseerde buitenlanders te vinden: in het nationale voetbalelftal spelen een paar Brazilianen en diverse sumoworstelaars hebben Mongoolse en Hawaïaanse roots.
[Foto Asahi Shimbun via Getty Images]
Priyanka Yoshikawa, Miss Japan 2016
Ze vertegenwoordigde haar land bij de Miss World-verkiezingen van 2016 en zegt dat het succes van Ariana Miyamoto haar inderdaad heeft geïnspireerd. Ze heeft een Indiase vader en een Japanse moeder en was in haar jeugd het mikpunt van pesterijen. De Japanners vinden deze jonge vrouw van 23 intrigerend omdat ze niet echt in een hokje te plaatsen is: ze is niet alleen tolk-vertaler, maar ook olifantentrainer.
Keizer Akihito.
Keizer Akihito
Sinds 1990 is hij het ‘symbool van de Staat en de eenheid van het volk’, zoals het in de grondwet staat geformuleerd. Hij heeft geen enkele politieke macht en mag zich niet uitlaten over staatszaken, maar hij speelt wel een verbindende rol. Op zijn manier en binnen de grenzen van het protocol staat hij dicht bij de mensen. Toen hij tijdens het Wereldkampioenschap voetbal in 2002, dat Japan en Zuid-Korea gezamenlijk organiseerden, in een rede een toespeling op zijn Koreaanse wortels maakte, verraste hij daarmee veel Japanners.
POLEMIEK
Het hier gepubliceerde artikel uit de Asahi Shimbun veroorzaakte heftige discussies op internet. De mythe dat de Japanners een etnisch homogeen volk zijn, is een zeer gevoelige kwestie. Dit onderwerp aansnijden wordt vaak gezien als een gebrek aan loyaliteit tegenover de natie. Het is dus lastig praten over de verschillende etnische groepen die er wonen en de discriminatie waarvan ze al eeuwenlang slachtoffer zijn, of het nu gaat om de Ainu in het Noorden, de Okinawaers in het Zuiden of de zainichi, de Koreanen in Japan die na de oorlog de Japanse nationaliteit verloren.
Net zo gevoelig ligt het onderwerp van de halfbloeden, in het Japans hafu genoemd (een neologisme afgeleid van het Engelse ‘half’). Daarvan zijn er steeds meer te vinden in de showbusiness, al zijn die dan meestal een westerse mix met een lichte huid. Daarom deed de verschijning van een Miss Japan als Ariana Miyamoto in 2016 zo veel stof opwaaien.
CONTEXT: Nationaliteit, een netelige kwestie
Om te bepalen wie Japanner is, draait het vooral om de afstamming. Tussen 1873 en 1950 raakten Japanse vrouwen die met buitenlanders trouwden, hun nationaliteit kwijt. Tot een versoepeling van de wet in 1985 moest je een Japanse vader hebben om aanspraak te kunnen maken op het staatsburgerschap. Japan is nu het enige land van de G7 dat geen dubbele nationaliteit toestaat: wie die wel heeft – en dat zijn naar schatting 800.000 personen – wordt gevraagd om uiterlijk op eenentwintigjarige leeftijd een van de twee op te geven. En voor buitenlanders blijft naturalisatie tot Japanner een privilege dat alleen voor de elites is weggelegd.
De ‘Krant van de Rijzende Zon’, opgericht in 1879, was tijdens de Tweede Wereldoorlog pleitbezorger voor het pacifisme, en is nu een waar instituut. Drieduizend journalisten zorgen voor de nieuwsgaring op driehonderd Japanse en dertig buitenlandse kantoren. Bijgaand artikel is verschenen in een serie getiteld ‘Waar komen wij vandaan?’
Was de briljante 7-1-overwinning van het Duitse voetbalelftal op de Brazilianen een afspiegeling van het Duitsland van nu? Niet helemaal misschien, maar dat onze oosterburen in een goede flow zitten, staat buiten kijf. ‘We mogen weer trots zijn op ons land, zonder die bijsmaak.’
Keuze uit het archief
Na een glorieuze voetbaloverwinning op Brazilië in 2014, schreef Der Spiegel een jubelend stuk over ‘het Duitslandgevoel’; Duitsland was weer trots op zichzelf, en met recht. Acht jaar later, als de in dit artikel tevens gevierde Merkel inmiddels is vervangen door kanselier Olaf Scholz, bevindt het land zich in een lastige spagaat tussen een van oudsher loyale houding tegenover de Russen, en de morele verplichting Oekraïne aan wapens te helpen. Toen voormalig Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd ook hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Hoort deze houding eveneens bij dat nieuwe Duitslandgevoel?
De 61-jarige Christine Meier ligt in bikini op een strandbedje op het eiland Sylt. Ze heeft op drie na alle wedstrijden van het WK voetbal gezien, de meeste in haar volkstuin in Berlijn. ‘We dragen kettingen en hoedjes in de Duitse kleuren, sommigen schminken zich ook, er zijn gebakjes, antipasti, of ik maak een zwart-rood-gele pastasalade.’ Ze is trots op het succes van het Duitse elftal. ‘De mensen in het buitenland kijken naar ons. Ze willen nu weten hoe we leven, wie we zijn.’ Duitsland presenteert zich als een fair land, zegt ze. ‘We zijn een ontzettend goed volk.’
Dat was twee dagen na de 7-1-overwinning van Duitsland op Brazilië [op 8 juli 2014]. De oude voetbaltovenaars waren van hun magische krachten ontdaan en de Duitsers moesten zich afvragen of ze echt zo lichtvoetig waren als de wedstrijd deed vermoeden en zo geweldig als de uitslag suggereerde. Christine Meier vindt van wel.
Het was maar een van de zeven wedstrijden op het WK, de andere liepen niet zo geweldig. Maar vaak zijn het juist op zichzelf staande gebeurtenissen, momenten in het bestaan van landen waarop mensen de oren spitsen en zich afvragen: is dat hoe we zijn?
Voetbal heeft de Duitsers dat soort momenten bezorgd. Tot 2006 zagen ze zichzelf vooral als tobberige natie. Maar in dat jaar vierden ze een vrolijk WK-feest in eigen land. Tot 2010 zagen ze zichzelf vooral als onbeholpen natie, wat zich ook weerspiegelde in het voetbal. Maar in dat jaar speelden de Duitse voetballers op het WK in Zuid-Afrika bij tijd en wijle als dartele veulens. Duitsland bezorgde de wereld momenten van schoonheid, en de wereld verbaasde zich en beleefde plezier aan de Duitsers. De halve finale van 2014 borduurde daarop voort. De Mannschaft speelde gedecideerd, ongedwongen en volwassen.
Klaus Hollweger en zijn vrouw Helga zitten op de delicatessenafdeling van het Berlijnse warenhuis KaDeWe naar de mensen te kijken die langs de schappen lopen. Kaviaar, doorregen steaks. De 78-jarige Hollweger woont in Thüringen.
Als Hollweger over het Duitse voetbal praat, spert hij zijn ogen wijd open achter zijn bril en vormt hij zijn mond tot een rondje. ‘Oooh,’ zegt hij, ‘voor mij laat het WK zien hoe mooi het is in een verenigd land te leven. Nu kunnen we samen trots zijn op ons nationale elftal.’ Hij is ontroerd. ‘Het gaat zo goed met ons land, het is hier allemaal zo mooi en nieuw, net als bij ons thuis in Weimar,’ zegt Klaus Hollweger.
Toni Kroos was op dit WK het brein van het elftal. Weet iemand waar hij vandaan komt? Maakt dat wat uit? Kroos is geboren in Greifswald, hij is Oost-Duitser, maar dat speelt geen rol. Toen Michael Ballack in 2004 aanvoerder van het nationale elftal werd, werd daar nog een punt van gemaakt. Een Oost-Duitser, nou ja zeg. Kroos is daarentegen een Duitser uit Greifswald.
In de politiek zijn er ook dat soort momenten van reflectie. Op 6 juni van dit jaar was bondskanselier Angela Merkel aanwezig bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de landing in Normandië. De staatshoofden en regeringsleiders van de voormalige geallieerden hadden haar uitgenodigd. Hun landen waren destijds de overwinnaars, de Duitsers waren teruggedrongen en West-Europa kon worden bevrijd.
Maar wie stond er in het middelpunt op die jubileumdag? Angela Merkel. Vanaf maart was de crisis in Oekraïne aan het escaleren en de wereld keek naar haar. Zou zij erin slagen Vladimir Poetin tot rede te brengen? Niet echt, maar desondanks kwam Merkel bijna zeventig jaar na het einde van de oorlog over als een wereldleider. De mensen wreven zich de ogen uit.
Het Duitsland van 2014 is een heel ander Duitsland dan dat van 1984, een ander Duitsland dan dat van 1994, een ander Duitsland dan dat van 2004. Twee relatief nieuwe indrukken komen samen: ongedwongenheid en gewicht.
Anders gezegd: er is een nieuw Duitslandgevoel.
De gesteldheid van een natie blijkt uit twee componenten: de situatie in het binnenland en de verhouding met andere landen. Normaal gesproken vloeit het tweede voort uit het eerste. Daarom zouden we ons moeten afvragen: waar komt die ongedwongenheid vandaan? En hoe presenteren de Duitsers zich aan de wereld? We vragen het hunzelf, in de dagen na de 7-1-overwinning.
Toni Kroos was het brein op het WK, dat hij Oost-Duitser is speelt geen rol
De Duitsers waren lange tijd verkrampt omdat hun land in tweeën was gedeeld. Ze wisten niet eens wie ze waren. Duitsers? Ergens wel, maar andere Duitsers dan die achter de Muur? West-Duitsers, Oost-Duitsers, DDR-burgers. West-Duitsers zeiden ook bewust: Europeanen.
De Bondsrepubliek en de DDR waren zeldzaam definitieve provisoria. Vrijwel iedereen ging ervan uit dat de deling permanent zou zijn, maar de conservatieven in het westen moesten wel benadrukken dat het doel van eenheid niet zou worden opgegeven, absoluut niet, nooit. En de linkse partijen moesten wel zeggen dat er geen eenheid mocht komen, want dan zouden de Duitsers een Derde Wereldoorlog ontketenen, zeker weten, onherroepelijk.
Zo beet men zich vast in een virtueel debat, en toen kwam plotseling de eenheid en beet men zich nog steviger vast. De Duitsers bouwden een Muur in hun hoofd. Oost-Duitsers klaagden over het verdwijnen van arbeidsplaatsen, veiligheid, gemeenschappelijkheid. West-Duitsers klaagden over het wegvloeien van miljarden voor de opbouw van het Oosten.
Nu ziet dat er anders uit. Natuurlijk valt er nog altijd wel iets te klagen, maar over het geheel genomen is de eenwording geslaagd. De Derde Wereldoorlog is niet uitgebroken, steden als Leipzig, Dresden en Jena bloeien, en zelfs met Mecklenburg-Vorpommern gaat het de goede kant op. Sommige ouderen verlangen misschien nog wel terug naar de knusheid van de DDR of West-Duitsland, maar de jongeren leven heel vanzelfsprekend in hun vaderland.
De Duitsers zijn een volk geworden, zijn Duitsers geworden. Voorvoegsels kunnen worden weggelaten. Dat maakt ze een stuk losser.
Immigratieland
De 47-jarige Bajram Avdijaj is 22 jaar geleden vanuit Albanië naar Duitsland geëmigreerd. Nu staat hij achter een kraam met groente en fruit op de Viktualienmarkt in München, de meest internationale plek van de stad.
Avdijaj zegt dat hij niets met sport heeft, net zoals hij ook helemaal zonder religie is opgevoed. Een patriot is hij ook niet echt, maar hij merkt wel hoe de mensen om hem heen veranderen. ‘Maar dat mag toch ook, of niet?’
Hij is half Albanees, half Duitser, ‘vanuit het gevoel,’ zegt hij. Hoewel, sinds die avond van de halve finale is hij misschien een beetje meer Duitser dan Albanees. ‘Desondanks ben ik voor Argentinië. Ik weet niet, Messi is gewoon de beste, geniaal. Maar die Argentijnen slaan altijd zo veel kruisjes, vier, vijf keer achter elkaar, daar moet je van houden, zoiets hebben de Duitsers gewoon niet. Die doen wat er gedaan moet worden. Er wordt niet gebeden op het veld. Dat helpt uiteindelijk ook niet. Je moet zien wat er gebeurt, dat is het. Dat is Duits. Dat ligt me meer.’
‘Duitsland ontwikkelt zich meer en meer tot een modern immigratieland,’ schreef de Neue Zürcher Zeitung in juni. Ook daarin is iets wezenlijks veranderd.
Wie is Duitser? Wie mag er Duitser zijn? Dubbel paspoort of niet, greencard? Deze onaangename discussies zijn decennia lang gevoerd. De Bondsrepubliek maakte het mensen die geen ‘Duits bloed’ hadden moeilijk om hiernaartoe te komen of zelfs Duitser te worden. Als je anders bent dan ik, dan hoor je er niet bij. Een enorm krampachtig gedoe.
De acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen
En nu: immigratieland. Volgens cijfers van de OESO stond Duitsland in 2012 op plaats twee voor wat betreft duurzame immigratie, na de VS. Circa 400.000 mensen wilden zich voor langere tijd in Duitsland vestigen. En dat mogen ze, de drempels zijn verlaagd. ‘De islam hoort inmiddels ook bij Duitsland,’ zei de toenmalige Bondspresident Christian Wulff in 2010, en na die uitspraak gaat er niemand meer terug.
Immigratie en integratie blijven evenwel lastige onderwerpen. Die Union [CDU/CSU] is nog steeds niet aan de gedachte gewend dat Duitsland een immigratieland is, en met vluchtelingen zou je bovendien wat liberaler kunnen omgaan. Aan de andere kant zou menige migrant beter zijn best kunnen doen om te integreren.
Maar men beweegt naar elkaar toe. In een studie van het Berlin-Institut für Bevölkerung und Entwicklung met de titel ‘Nieuw potentieel – Over de toestand van de integratie in Duitsland’ staat dat de maatschappelijke acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen. En deze passen op hun beurt hun leefwijze langzamerhand aan die van autochtone Duitsers aan.
Onlangs nam het gymnasium Graues Kloster in Berlijn afscheid van zijn geslaagden. De vertegenwoordigster van de ouders maakte zich in haar toespraak sterk voor een ‘Buntes’ [kleurrijk] Kloster, omdat er op deze school vrijwel geen kinderen van immigranten zijn. Zelfs in dat bolwerk van homogeniteit is iets gaande. Ene Otto von Bismarck ging hier ooit naar school. In 1871 stichtte hij het Duitse Rijk.
Dus we zijn een volk, en wel een kleurrijk volk. Ook dat maakt losser. Voor het Duitse elftal zijn migranten toch al onmisbaar.
Burkhard Kieker stond paf toen hij afgelopen dinsdag de Grand Khaan in het centrum van Ulaanbaatar binnenliep. Het was tegen vier uur ’s nachts, maar desondanks verdrongen zich honderden Mongolen voor de beeldschermen in de kroeg. De meesten hadden hun wangen zwart-rood-geel geverfd. Na het eindsignaal vielen ze Kieker en zijn gezelschap om de hals en gaven een rondje. ‘We waren de sterren van de avond,’ aldus Kieker. ‘Vroeger werden Duitse voetballers hier beschouwd als tanks die linea recta op hun doel af rolden, tegenwoordig worden ze gevierd als een soort kunstenaars.’
Kieker is vertrouwd met juichverhalen. Als hoofd Toerisme van Berlijn heeft hij een van de leukste banen ter wereld. Hij moet zijn stad in andere landen verkopen, maar dwepen is daarbij niet nodig. Van Berlijn hoeft hij niemand te overtuigen.
Berlijn is de metropool van het lossere Duitsland. Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn. Dat is verbazingwekkend, want de Berlijner staat nu niet bepaald bekend als wereldburger.
Maar hier heeft Duitsland zichzelf in de vroege jaren negentig genegeerd en een sprong in het coole diepe gewaagd.
Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn
Na de val van de Muur was het oosten van de stad enige tijd vrijwel niet aan regels gebonden. Veel jonge West-Duitsers waagden de stap en verwierven er samen met jonge Oost-Duitsers nieuwe vrijheden. Er werd niet gevraagd naar vergunningen of huurovereenkomsten, je ging gewoon wonen en dansen waar je wilde. Het was goedkoop, er was veel ruimte. Men stond open voor het andere en anderen, een openheid die de hele wereld omvatte. En die kwam dan ook.
Vooral de feestvierders kwamen, en Berlijn werd de partyhoofdstad van de wereld. Dat trok kunstenaars en steeds meer toeristen, die niet allemaal langs de portiers van technoclub Berghain komen, maar in Berlijn willen zijn geweest en zich huppelend en springend voor de Brandenburger Tor laten fotograferen. Ze ervaren Berlijn als een stad van ongedwongenheid.
Dat geldt ook voor de Duitsers. Berlijn straalt af op mensen. Ook Bielefelders en Würzburgers nemen iets van het levensgevoel van de metropool met zich mee naar huis. De oorspronkelijke ongeregeldheid is weliswaar verdwenen en gecommercialiseerd, maar er is nog een beetje van over, op nieuwe, snel wisselende plekken. Berlijn is een belangrijk onderdeel van het nieuwe Duitslandgevoel.
En wie een heel bijzondere vorm van de Duitse ongedwongenheid wil ervaren, moet eveneens naar Berlijn reizen. Het liefst met het vliegtuig over Schönefeld, want dan is vanuit de lucht een mooi groot luchthavengebouw te zien, fonkelnieuw en leeg. Al ruim twee jaar geleden stond de opening ervan gepland. Falende ingenieurs, een hoofd technische dienst dat wordt verdacht van corruptie, verspilling van miljarden. Is dat hoe we zijn? Ja, zo zijn we ook.
Adolf Hitler
Klaus Richter zit in de SchillerGarten in Dresden. Naast een gaslantaarn onder de kastanjebomen staat een groot beeldscherm; in de miezerregen zitten een paar mensen zich te vervelen bij de halve finale Nederland-Argentinië. Vroeger was Friedrich Schiller hier stamgast. Het Schiller-Institut beschrijft zijn houding tegenover de wereld als volgt: in zijn werken maakte hij duidelijk ‘dat de mens hogere plichten heeft dan zijn persoonlijke voorkeuren, dat hij patriot moet zijn en wereldburger, wat geen contradictie is omdat het belang van een natie nooit mag indruisen tegen het belang van de wereld’.
Is Klaus Richter een patriot? Peinzend staart hij in zijn bier. Natuurlijk is hij blij als de Duitsers in de finale staan, zegt hij. Maar hij zou nooit gaan rondrijden met vlaggetjes op zijn auto. ‘Je kunt in Duitsland niet zo ontspannen omgaan met de symbolen van het land als in de VS of andere landen.’ De geschiedenis van het land is daarvoor te ambivalent, vindt hij.
Daar is hij weer. Adolf Hitler wandelt door Duitse straten, belt aan bij mensen of slentert over de Fanmeile en heeft het met Duitse supporters over de kansen op een ‘Endsieg’. Hij draagt het bekende uniform en heeft natuurlijk een klein snorretje. In werkelijkheid is het een acteur. Hij speelt Hitler in de verfilming van de bestseller Er ist wieder da, waarin Hitler terugkeert naar de Duitsers.
Was hij ooit weg dan? De Duitse bedruktheid had voor een groot deel te maken met het naziverleden. Geen enkel ander volk heeft de wereld zulke gruwelijkheden aangedaan, geen enkel ander volk heeft zich zo schuldbewust en intensief met de geschiedenis van zijn misdaden beziggehouden. Dat was nodig om te begrijpen wat er Duits aan was en dus opnieuw zou kunnen gebeuren. Dat was nodig om signalen af te geven aan de wereld dat men het heeft begrepen. Maar het zorgde ook voor een zelfverduistering, die niet alleen voor Duitsers moeilijk te verdragen was. Soms ook voor anderen.
Deze debatten worden nog altijd gevoerd. Niets houdt Duitsers méér bezig dan een terugkeer van Hitler, in welke vorm dan ook. Een hakenkruis op de huid van een Russische zanger in Bayreuth: groot debat. Een roeister van de Duitsland Acht die een relatie heeft met een neonazi: groot debat. Een regelrecht schandaal is het dat de Nationalsozialistischer Untergrund (NSU) jarenlang migranten kon vermoorden zonder de aandacht te trekken van politie en justitie.
Ook anderen houden ons graag gevangen in onze geschiedenis. Zelfs de halve finale tegen Brazilië, dat feest van schoonheid en ongedwongenheid, bewoog mensen ertoe de nazitijd in herinnering te roepen. ‘De Duitsers zijn een vreemd land binnengetrokken en hebben het commando overgenomen. Hoe verrassend’, twitterde ene Binyamin Appelbaum. Rob Delaney schreef: ‘Duitsland, ontspan. Het zijn geen Polen.’
Hitler is geen grap, maar je kunt er wel weer een paar over hem maken. Ook als Duitser, zoals Timur Vermes, wiens boek Er ist wieder da een bestseller is.
Herinneren betekent vandaag de dag niet: niet lachen, niet vrolijk kunnen zijn. De Duitsers hebben zich voor een groot deel bevrijd van de zelfverduistering. Dat was voor het eerst goed zichtbaar tijdens het WK 2006 in Duitsland, toen ze de wereld een heerlijk voetbalfeest voorschotelden. Herinneren gaat nu gepaard met ontzetting en droefheid, maar zonder totaal te verkrampen.
De 28-jarige Philipp Stültgens werkt als kok op Sylt. Op zijn vrije woensdagavond is hij met vrienden naar de haven gekomen om voetbal te kijken. Het succes van het Duitse elftal maakt hem trots, zegt Stültgens. ‘Op ons elftal en op ons land.’ Typisch Duits betekent voor hem: veel inzet tonen, de wil om naar voren te gaan. ‘We zijn niet voor niets wereldkampioen export.’ Of hij zichzelf typisch Duits vindt? ‘Nou ja, ijverig ben ik wel.’
Ook Duitse deugden dragen bij aan de Duitse ongedwongenheid. Dankzij ijver, discipline en volgzaamheid groeit de welvaart, die op zijn beurt het leven licht maakt en het humeur bevordert.
Duitsland beleeft een klein wirtschaftswunder in de zomer van 2014. Meer dan 42 miljoen werkenden, nog nooit hadden zo veel mensen een baan. De lonen zijn sterk gestegen en vanwege de lage rente is het niet lonend om het geld op een spaarrekening te laten verkommeren. De Duitsers gaan winkelen tot hun armen uitrekken van de zware tassen. En winkelen kan gelukkig maken.
Doorlopend stellen de economische voorspellers hun prognoses naar boven bij: dit en komend jaar zou de economie met meer dan 2 procent kunnen groeien. Voor een gevestigde volkseconomie is dat een goed cijfer.
Duitsland profiteert ervan dat het land al rond de millenniumwisseling de update voor de eenentwintigste eeuw heeft geïnstalleerd. Het model van het gezapige kapitalisme, waarbij de winkels op zaterdag al om twee uur ’s middags sloten en je het op zondag zonder verse broodjes moest doen, is verleden tijd.
De economie en de maatschappij hebben zich aangepast, wat vooral betekent: geflexibiliseerd. De bedrijven hebben hun processen ingesteld op efficiëntie en hun productengamma aangepast op de behoeften van de opkomende industrielanden.
‘Ook de Hartz-hervormingen en het gezond verstand van de sociale partners hebben bijgedragen aan de positieve ontwikkeling,’ zegt Clemens Fuest, leider van het Zentrum für Europäische Wirtschaftsforschung. Voor veel werknemers was een zekere arbeidsplaats belangrijker dan sterke loonstijgingen met de kans op ontslag. Jarenlang stegen de reële lonen in geen enkel Europees land zo bescheiden als in de Bondsrepubliek.
Duitsland lijkt zo tevreden met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen
In 2003 doorbrak bondskanselier Gerhard Schröder de sociale consensus. Tot dan toe gaf de staat aan zijn burgers, en wat hij eenmaal had gegeven, nam hij niet terug. Schröder was de eerste die werklozen flink liet inleveren. Dat zorgde voor een slechte sfeer in het land, maar tegelijkertijd bleek dat Duitsland te hervormen was. De mensen volgden hun vakbonden, volgden Schröder, zij het morrend. Een grote opstand bleef uit.
Zijn opvolgster heeft het nu goed. De groei geeft Angela Merkel de mogelijkheid cadeautjes uit te delen. Dat doet ze dan ook kwistig: extra pensioenverhogingen, oudertoeslag, geld voor kinderzorg, pensioen vanaf 63 jaar, pensioenopbouw tijdens de zorg voor een kind. Er is geen economische reden om daar zorgelijk over te doen, althans nu niet. Toekomstige generaties zullen ervoor moeten opdraaien.
Andere redenen zijn er wel, maar alleen voor mensen die vinden dat democratie levendig moet zijn en leeft van de strijd tussen standpunten. Merkel ziet dat anders, zij heeft althans de spanning uit de Duitse democratie gehaald. Ze probeert in alle rust met haar coalitie te regeren, zorgt niet voor opwinding met onredelijke politieke of economische eisen en krijgt daarvoor veel waardering van de Duitsers.
Ze worden niet gehinderd door de politiek en maken zich hooguit regionaal druk omdat er een station wordt gebouwd of een elektriciteitsmast wordt geplaatst. Duitsland wekt momenteel de indruk dat het zo tevreden is met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen. Geen nieuwe infrastructuur, geen nieuwe kanselier en zo min mogelijk politiek. Een nieuwe biedermeiertijd lijkt te zijn aangebroken.
Soevereine staat
De 47-jarige Dagmar Donabauer zit op woensdagavond om half tien ’s avonds in muziekcafé Spectacel in Inning am Ammersee, vlak voor het begin van de tweede halve finale. Ze is personeelsconsulente in Gilching. Ze heeft het over ‘wij’ en ‘ons’ als ze over het nationale elftal praat.
Voor Donabauer is ‘in 2006 plotseling alles veranderd, tijdens het WK. Toen begonnen de mensen, en ook ik, pas echt door te krijgen dat ze trots mochten zijn op hun land, zonder die bijsmaak. Toen konden we de vlag laten zien, dat was de ommekeer, en de wereld vond het prima dat we met onze vlaggen zwaaiden, men zag het niet langer als nationalistisch.’ Het taboe ‘om openlijk blij te zijn voor Duitsland was doorbroken,’ zegt ze.
Dagmar Donabauer is Oostenrijkse. Er moet echt een hoop zijn veranderd aan de rol van Duitsland in de wereld dat Oostenrijkers zo enthousiast kunnen raken over het Duitse voetbal.
Helmut Kohl heeft ooit in één zin de verhouding tussen Duitsland en de Europese Unie gedefinieerd: ‘Elke voor Europa uitgegeven mark is goed besteed geld.’ Angela Merkel is daar niet zo euforisch over.
Kohl en zijn voorgangers zagen de Bondsrepubliek niet in de eerste plaats als individueel land, maar als onderdeel van bondgenootschappen. De vroegere kanseliers moesten de voormalige paria van de wereld eerst terugleiden naar de wereldgemeenschap, en dat deden ze via Europa en de NAVO. De West-Duitsers hadden belang bij een versmelting met het Westen, en tegelijkertijd bij een goede relatie met de landen van het Warschaupact. Dit alles gebeurde onder toezicht en de nucleaire paraplu van de Amerikanen. Tot 3 oktober 1990 was de Bondsrepubliek niet echt een soevereine staat.
Angela Merkel heeft een heel ander Duitslandgevoel. Er is eenheid en daarmee soevereiniteit. Er is economische bloei, waarbij Frankrijk en de zuidelijke partners van de EU een slecht figuur slaan. De nazitijd, die zij zelf niet heeft meegemaakt, is weer een paar jaar langer geleden. Het Duitse imago in de wereld is verbeterd, wat ook te maken heeft met de voetbalfeesten sinds 2006.
De Duitse ongedwongenheid gaat gepaard met een sterker zelfbewustzijn. We tellen weer mee, deel 2. Deel 1 werd gemarkeerd door de Duitse overwinning op het WK van 1954 en het Wirtschaftswunder. Nu zijn de Duitsers ook politiek zelfbewust. Wat doen ze daarmee?
Merkel voert in Brussel een politiek van nationaal belang en haar Duitsers vinden dat goed. Nationaal belang betekent in dit geval: de eigen welvaart behouden en uitbouwen. Ze denkt bovendien expansief. Ze wil dat de andere Europeanen hun economie even efficiënt en effectief inrichten als de Duitsers. Ze spoort hen aan tot hervormingen, opdat Europa als geheel een sterke positie in de wereldeconomie zal gaan innemen. Daaruit vloeit politieke invloed voort, die Merkel weer voor de Duitsers en hun exportmogelijkheden wil gebruiken. Want in Europa mag de Bondsrepubliek groot zijn, wereldwijd is het land klein.
Een Duitse kanselier die expansief denkt? Ook op dat punt is er een hoop veranderd. Het is alleen mogelijk omdat Merkel haar doelen in stilte en met terughoudendheid nastreeft. Anders zouden haar collega’s in Europa zich heviger verzetten dan tot nog toe. Ze streeft een nuchter nationalisme na, zonder pathos, zonder symboliek, zonder doordrammen, maar wel nadrukkelijk.
Veiligheid
Hendrik Groβe Lefert zit de dag voor de wedstrijd tegen Brazilië in de lobby van het hotel in Belo Horizonte waar de Mannschaft verblijft. Het hoofd Veiligheid van de Duitse voetbalbond DFB is afgetraind en heeft zijn donkere overhemd wijd openstaan. Hij heeft veel zorgen op dit WK. Zo kon de Duitse selectie het basiskamp alleen per veerboot bereiken. Groβe Lefert heeft er samen met de lokale autoriteiten in Porto Seguro voor gezorgd dat duikers van de Braziliaanse politie voor elke tocht van de veerboot het water op bommen afzochten. Er is niets gevonden.
In de eerste week van het toernooi was hem gemeld dat iemand op het strand een drone wilde laten opstijgen, vertelt het hoofd Veiligheid. Later bleek dat een reclamebureau er een schip mee wilde fotograferen.
Veiligheid is een bijzonder thema voor Duitsers. Sinds de eenwording en sinds de wereld hen weer vertrouwt, verwachten de VN, de NAVO, de Amerikanen en de Fransen dat ze ook wat betreft veiligheid verplichtingen op zich nemen, zo mogelijk met het leger. Maar op dat gebied willen de Duitsers geen leidende rol spelen, Merkel noch de burgers.
Bondspresident Joachim Gauck werd voor “walgelijke oorlogshitser” uitgemaakt
De inzet in Afghanistan is al te veel gevraagd, in Libië wilden ze niet actief zijn, in Mali en in de Centraal-Afrikaanse Republiek nemen ze taken op zich waarbij Duitse soldaten nauwelijks iets hoeven te riskeren. De Duitsers hebben genoeg van oorlog.
Ze zijn er ook niet meer zo zeker van of ze wel volledig bij het Westen willen horen. Bij een recente enquête van de Körber-Stiftung vond 56 procent van de Duitsers dat in de toekomst meer met de Amerikanen zou moeten worden samengewerkt. Maar 53 procent zei hetzelfde over de Russen.
Tijdens de crisis in Oekraïne heeft de Duitse regering goed nagedacht over wat men zou doen als de Russen een van de Baltische NAVO-landen zouden aanvallen. Een van de opties was zich op militair vlak afzijdig houden, ondanks het bondgenootschap. Daarmee zou de westerse alliantie op losse schroeven komen te staan. Waar natuurlijk vrijwel niemand daadwerkelijk op uit is.
De Amerikanen maken het de Duitsers echter moeilijk om aan hun kant te staan. Twee vermoedelijke spionnen zijn onlangs ontmaskerd: een brutaliteit van de Amerikanen, die daarmee een bondgenoot vernederen.
Het politieke profiel van Duitsland ziet er momenteel als volgt uit. Wat de binnenlandse politiek betreft zijn de Duitsers buitengewoon tevreden. Ze worden in de watten gelegd door de coalitie van Merkel en zien vrijwel geen reden om ruzie met elkaar te maken. Op het gebied van de buitenlandse politiek ontbreekt de oriëntatie en daarom is alles omstreden. Vroeger speelde de Bondsrepubliek de rol van de beste Europeaan en de beste vriend van de VS. Dat is verleden tijd. Maar hoe het nu verder gaat?
Toen Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Veel Duitsers zouden het liefst een pijnontwijkende houding aannemen, het geld in eigen zak houden, de eigen soldaten ontzien. Zo kan de ongedwongenheid worden behouden. Maar egoïstisch is het ook.
Nieuwe biedermeiertijd, nuchter nationalisme, egoïstische houding: wat geeft dat voor een totaalbeeld? Geen 7-1, dus niet de pure schoonheid. Van een ontspannen Duitse natie is nog geen sprake, eerder van een lossere natie. Ze wordt langzamerhand zichzelf, maar heeft nog moeite met haar plaats in de wereld. Moet het een stil hoekje zijn? Of een leidende positie, passend bij de omvang en de welvaart van het land? Hier ontbreekt een bondscoach die een duidelijke lijn uitstippelt.
De 50-jarige Markus Werner werkt al 28 jaar als reddingszwemmer in Westerland op Sylt. Hij ontmoet zijn landgenoten tijdens de weken dat ze erg ontspannen zouden moeten zijn, maar hij vindt ze niet ontspannen. Nu eens komt de wind uit de verkeerde richting, dan weer is het zand niet fijn of het water niet warm genoeg. Maar dat verandert allemaal tijdens een WK, zegt Werner. De mensen hebben dan ‘een reden om de mondhoeken omhoog te trekken’. Eigenlijk, vindt Markus Werner, zou er twee keer per jaar een WK moeten zijn.
Goed idee.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.