In een Amerika waar rijkdom steeds meer je sociale status bepaalt, worden miljardairs gezien als ondernemende genieën die een uniek niveau van creativiteit, moed, vooruitziendheid en deskundigheid vertonen. Toch zou het duidelijk moeten zijn dat rijkdom een slechte maatstaf is voor wijsheid.
Technologiemiljardairs zoals Bill Gates, Mark Zuckerberg en Elon Musk behoren niet alleen tot de rijkste mensen in de geschiedenis van de mensheid, ze zijn ook uitzonderlijk machtig – sociaal, cultureel en politiek gezien. Hoewel dit deels een weerspiegeling is van de sociale status die onze maatschappij in het algemeen aan rijkdom verbindt, is dat niet het hele verhaal.
Wat nog belangrijker is dan rijkdom alleen, is dat deze miljardairs worden gezien als ondernemende genieën die een uniek niveau van creativiteit, durf, vooruitziendheid en deskundigheid op het gebied van uiteenlopende onderwerpen vertonen. Voeg daarbij het feit dat velen van hen de belangrijkste communicatiemiddelen beheersen – namelijk de belangrijkste socialemediaplatforms – en je krijgt een fenomeen dat zijn weerga in de recente geschiedenis bijna niet kent.
Rijke, technologisch onderlegde vernieuwers die de wereld redden van onheil zijn niet meer weg te denken uit onze populaire cultuur
Het beeld van de rijke, dappere zakenman die de wereld verandert, gaat op zijn minst terug tot de roofridders uit het tijdperk dat in Amerika bekendstaat als de Gilded Age (eind negentiende eeuw). Maar een van de belangrijkste oorzaken waarom dit beeld tegenwoordig zo populair is, is de roman Atlas Shrugged van Ayn Rand, waarvan de hoofdpersoon, John Galt, slechts gewapend met zijn idealisme en wilskracht het kapitalisme probeert te hervormen.
Hoewel de roman van Rand al lang een canonieke status heeft bij Silicon Valley-ondernemers en libertaire politici, is het belangrijkste archetype eruit ook buiten die kringen van invloed. Van Bruce Wayne (Batman) en Tony Stark (Iron Man) tot Darius Tanz in de tv-serie Salvation – rijke, technologisch onderlegde vernieuwers die de wereld redden van dreigend onheil zijn niet meer weg te denken uit onze populaire cultuur.
De macht van de portemonnee
Sommige individuen zullen altijd meer macht hebben dan andere, maar hoeveel macht is te veel? Ooit was macht gekoppeld aan fysieke kracht of militaire dapperheid, maar nu hangt macht meestal samen met wat Simon Johnson en ik ‘overtuigingskracht’ noemen. Zoals we uitleggen in ons boek Power and Progress, is die macht geworteld in status of prestige. Hoe groter je status, hoe gemakkelijker je anderen kunt overtuigen.
Waardoor status wordt bepaald, verschilt sterk per samenleving, en de verdeling ervan is ook niet overal even ongelijk. In de Verenigde Staten raakte status tijdens de industriële revolutie sterk gekoppeld aan geld en rijkdom, waardoor de inkomensongelijkheid en de verschillen in rijkdom enorm toenamen. Hoewel er periodes zijn geweest waarin overheidsingrijpen de trend probeerde te keren, is de Amerikaanse samenleving altijd georganiseerd geweest rond een sterke statushiërarchie.
Deze structuur is om verschillende redenen problematisch. Om te beginnen is de constante strijd om status – en de overtuigingskracht die status oplevert – grotendeels een nulsomspel: meer status voor jezelf betekent minder status voor je buurman, en een sterkere statushiërarchie impliceert dat sommige mensen gelukkig zullen zijn terwijl vele anderen ongelukkig en ontevreden zijn.
Bovendien zijn investeringen in nulsom-activiteiten meestal inefficiënt en buitensporig in vergelijking met investeringen in non-nulsom-activiteiten. Is het beter om een miljoen dollar uit te geven aan gouden Rolex-horloges of aan het leren van nieuwe vaardigheden? Beide kunnen intrinsieke waarde hebben – de schoonheid van het horloge versus de trots van het verwerven van nieuwe kennis – maar de eerste investering geeft alleen maar aan dat je rijker bent en meer opzichtige consumptiegoederen kunt aanschaffen dan anderen. De tweede daarentegen verhoogt je menselijk kapitaal en kan ook bijdragen aan de maatschappij. Het eerste is grotendeels een nulsom-aangelegenheid en het tweede is grotendeels een niet-nulsom-aangelegenheid. Bovendien kan het eerste gemakkelijk uit de hand lopen als men steeds meer gaat uitgeven aan opzichtige consumptiegoederen om anderen voor te blijven.
Commentatoren vragen zich vaak af waarom iemand met honderden miljoenen dollars er in godsnaam nog een paar honderd miljoen bij wil hebben. Er zijn maar weinig dingen die je je niet kunt veroorloven als je al 500 miljoen dollar hebt, dus waarom zou je verlangen naar 1 miljard dollar? Omdat ‘miljardair’ een hogere rang is wat status betreft. Wat telt is niet de koopkracht zelf maar het prestige en de macht die die koopkracht oplevert in iemands omgeving. In een ‘rijkdom-is-status’-evenwicht is het onvermijdelijk dat de ultra-rijken hun uiterste best doen om steeds meer rijkdom te vergaren.
Er zijn zowel evolutionaire als sociale redenen om overtuigingskracht te koppelen aan status en prestige
Er zijn zowel evolutionaire als sociale redenen om overtuigingskracht te koppelen aan status en prestige. Het is immers op individueel niveau rationeel om te leren van mensen die expertise hebben, en het is redelijk om expertise te koppelen aan succes.
Bovendien is deze vorm van leren goed voor gemeenschappen omdat die coördinatie en het ontstaan van best practices bevordert. Maar wanneer status gekoppeld wordt aan rijkdom en de verschillen in rijkdom erg groot worden, begint het fundament onder expertise af te brokkelen.
Neem het volgende gedachte-experiment. Wie is er deskundiger op het gebied van timmerwerk: een goede meester-timmerman of een hedgefondsmiljardair? Het lijkt vanzelfsprekend om voor de eerste te kiezen, maar hoe meer status rijkdom verleent, hoe meer gewicht er wordt toegekend aan de mening van hedgefondsmiljardairs, zelfs als het gaat over timmerwerk. Of neem een relevanter, hedendaags voorbeeld. Wiens mening over vrijheid van meningsuiting weegt tegenwoordig zwaarder, die van een technologiemiljardair of die van een filosoof die lang met dit onderwerp heeft geworsteld en wiens bewijs en argumenten nauwkeurig zijn onderzocht door andere gekwalificeerde experts? Miljoenen mensen op X (Twitter) hebben impliciet voor de eerste gekozen.
Hoe dieper we worden meegezogen in het ‘rijkdom is status’-evenwicht, hoe meer we misschien geneigd zijn de oppermacht van technologiemiljardairs te accepteren. Toch is het moeilijk te geloven dat rijkdom een goede maatstaf kan zijn voor verdienste of wijsheid, laat staan een bruikbaar bewijs van volmacht op het gebied van timmerwerk of vrijheid van meningsuiting. Bovendien is rijkdom altijd enigszins arbitrair. We kunnen eindeloos discussiëren over de vraag of LeBron James beter is dan Wilt Chamberlain op het hoogtepunt van diens basketbalcarrière, maar in termen van rijkdom is er geen sprake van een wedstrijd. Terwijl Chamberlain een geschatte nettowaarde had van 10 miljoen dollar ten tijde van zijn dood in 1999, wordt James’ nettowaarde geschat op 1,2 miljard dollar.
Het feit dat Gates en Musk minder belasting betalen maakt hen niet wijzer, maar het heeft hen wel rijker gemaakt
Dit grote verschil heeft niets te maken met het talent of de werkethiek van beide spelers. Chamberlain leefde in een tijd waarin sportsterren niet zoveel betaald kregen als nu. Dat heeft deels te maken met technologie (iedereen kan James tegenwoordig zien dankzij televisie en digitale media), deels met normen (honderden miljoenen betalen aan supersterren is acceptabeler geworden) en deels met belastingen (als de VS nog steeds een marginaal toptarief voor inkomstenbelasting van meer dan 90 procent had, zou James minder geld hebben en zou de rijkdom gelijker verdeeld zijn).
Hetzelfde geldt voor de technologiesector: als die niet zo centraal was komen te staan in de economie en niet gedreven werd door zo’n sterke winner-take-all-dynamiek (wat deels een kwestie is van keuze bij de vraag hoe we bepaalde markten willen organiseren), dan zouden de technologiemagnaten van vandaag niet zo rijk zijn geworden. Het feit dat Gates en Musk minder belasting betalen maakt hen niet wijzer, maar het heeft hen wel rijker gemaakt, en dus invloedrijker in het huidige tijdperk van het ‘rijkdom-is-status’-evenwicht.
Macht corrumpeert
Zulke figuren profiteren ook van een nog schadelijker dynamiek, die Johnson en ik onderzoeken in Power and Progress, aan de hand van het voorbeeld van Ferdinand de Lesseps. Lesseps verwierf een enorme status in het Frankrijk van eind negentiende eeuw, waar hij bekend stond als Le Grand Français, omdat hij er ondanks langdurige Britse tegenstand in slaagde de aanleg van het Suezkanaal te voltooien.
Lesseps had een vooruitziende blik en wist met grote vaardigheid politici in Egypte en Frankrijk ervan te overtuigen dat maritieme internationale handel erg belangrijk zou worden. Maar hij had ook enorm veel geluk: de technologieën waar hij op hoopte en die hij nodig had om het kanaal zonder sluizen te kunnen bouwen (wat aanvankelijk onmogelijk was vanwege de hoeveelheid graafwerkzaamheden) werden net op tijd ontwikkeld om het project doorgang te laten vinden.
Met zijn Suez-overwinning verwierf Lesseps veel prestige. Maar wat hij met zijn nieuwe status deed is veelzeggend. Hij werd roekeloos, dol en verwaand en duwde het Panamakanaalproject in een onwerkbare richting, die uiteindelijk leidde tot de dood van meer dan 20.000 mensen en de financiële ondergang van nog veel meer mensen (onder wie zijn eigen familie). Zoals alle vormen van macht, kan overtuigingskracht iemand overmoedig, ongeremd, onhandelbaar en sociaal onuitstaanbaar maken.
Het verhaal van Lesseps blijft relevant, omdat je er duidelijk sporen van terugziet in het gedrag van veel miljardairs vandaag de dag. Hoewel sommige van Amerika’s rijkste individuen hun status, die ze danken aan hun rijkdom, niet gebruiken om cruciale openbare debatten te beïnvloeden (denk aan Warren Buffett), doen velen dat wel. Gates, Musk, George Soros en anderen aarzelen niet om zich uit te spreken over zaken die voor hen belangrijk zijn, en hoewel we geneigd zijn de meningen van degenen met wie we het eens zijn positief te ontvangen, moeten we deze verleiding weerstaan. Het is heel zinvol voor de samenleving om gebruik te maken van de kennis en de wijsheid van deskundigen, maar het is contraproductief om de status te versterken van degenen die al veel status hebben (en hun uiterste best doen om die te verhogen).
We zouden sterkere institutionele middelen moeten inzetten om de macht en invloed te beperken van degenen die al bevoorrecht zijn
Natuurlijk is het niet helemaal de schuld van de miljardairs dat het Amerikaanse beleid enorme ongelijkheid in de hand werkt (hoewel ze zeker lobbyen voor beleid dat dit effect heeft). Ze zouden echter wel verantwoordelijk gehouden moeten worden als ze misbruik maken van de immense status die rijkdom hun geeft terwijl de ongelijkheid maar blijft toenemen. Dat geldt vooral als ze hun status gebruiken om hun eigen economische belangen te bevorderen ten koste van die van anderen, of om een toch al verdeelde samenleving te polariseren met provocerende retoriek of hun op status beluste gedrag.
Als onberekenbare miljardairs al te veel onrechtmatige sociale, culturele en politieke invloed hebben, dan is het laatste wat we zouden moeten willen hun nóg grotere publieke platforms geven, bijvoorbeeld in de vorm van een eigen sociaal netwerk, zoals Musk dat nu heeft als eigenaar van X. In plaats daarvan zouden we sterkere institutionele middelen moeten inzetten om de macht en invloed te beperken van degenen die al bevoorrecht zijn en zouden we het belasting-, regelgevings- en uitgavenbeleid moeten heroverwegen dat zulke enorme ongelijkheden in de eerste plaats heeft gecreëerd.
Maar de belangrijkste stap zal ook de moeilijkste zijn. We moeten met elkaar een serieus gesprek voeren over wat we belangrijk vinden en hoe we de maatschappelijke bijdragen van degenen die niet over een enorm fortuin beschikken, willen erkennen en belonen. Hoewel de meeste mensen onderschrijven dat er veel manieren zijn om bij te dragen aan de maatschappij en dat uitblinken in je beroep niet alleen de waardering van anderen zou moeten opleveren maar ook een bron van persoonlijke voldoening zou moeten zijn, hebben we dit principe veronachtzaamd en lopen we het risico het helemaal te vergeten. Ook dat is een symptoom van het probleem.
Daron Acemoglu, hoogleraar economie aan het MIT, is co-auteur (met James Robinson) van Why Nations Fail: The Origins of Power, Prosperity and Poverty (Profile, 2019; in het Nederlands verschenen als Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, Nieuw Amsterdam, 2012) en co-auteur (met Simon Johnson) van Power and Progress: Our Thousand-Year Struggle Over Technology and Prosperity (PublicAffairs, 2023).





