Tag: misdaad

  • De grootste belastingroof aller tijden. ‘De staat was de vijand’

    De grootste belastingroof aller tijden. ‘De staat was de vijand’

    Benjamin Frey (niet zijn echte naam) was kroongetuige in een grootschalige dividendroof, waarnaar verschillende Europese kranten onderzoek deden. Hij vertelt hoe hij verzeild raakte in deze ‘georganiseerde misdaad in krijtstreeppak’. ‘We keken uit het raam en dachten: Wij zijn de slimsten, wij zijn genieën, en jullie zijn allemaal sukkels.’

    Keuze uit ons archief

    De belastingschandalen blijven elkaar opvolgen. Zo deden in 2018 een aantal Europese media, waaronder Follow the Money, onderzoek naar de grootste dividendroof ooit: in verschillende landen van Europa werden middels uitgekookte financiële trucs miljoenen en miljarden aan de staatskas onttrokken. Voor het eerst werd ook een belastingrover bereid gevonden als kroongetuige op te treden. Deze ‘Benjamin Frey’ verlinkt uit angst voor gevangenisstraf zijn mededaders en zaait daarmee paniek in de bankenwereld. ‘Zelfs onder belastingrovers bestaan er taboes – uitsluitend risicobeperkende, geen morele.’

    De verhoorruimte in het kantoor van de recherche in Düsseldorf is ongeveer 8 vierkante meter groot. Voor de ramen zitten tralies, het glas is zo ondoorzichtig dat je niet naar buiten kunt kijken. In het midden van de ruimte staat een grote tafel. Daar wachten twee hoofdcommissarissen en drie officieren van justitie op Benjamin Frey. Het vijftal doet gerechtelijk onderzoek naar de grootste belastingroof aller tijden, een coup van de eeuw die alleen de Duitse staat al vele miljarden euro’s heeft gekost.

    De hoogintelligente maar nogal ingetogen Frey [niet zijn echte naam] is een van de kroongetuigen. Hij behoorde tot de inner circle van de belastingrovers en heeft aan de transacties ten koste van de Duitse gemeenschap ongeveer 50 miljoen euro verdiend. De staat, zo zegt hij, was de vijand. Nu zit hij in de verhoorruimte tegenover degenen die hem vervolgen.

    Het is 7 november 2016. ‘Goed dat we elkaar persoonlijk leren kennen’, zegt Anne Brorhilker, de officier van justitie die het onderzoek leidt. Zo zal Frey het zich later herinneren. Brorhilker is begin veertig, maar ziet er jonger uit. Stel je een soort vrouwelijke Columbo voor: makkelijk te onderschatten, maar moeilijk af te schudden. Al jaren onderzoekt de officier van justitie het omstreden dividendstrippen, ofwel de zogenoemde CumEx-transacties – waarbij dividendbelasting (soms meermalen) wordt teruggevorderd, terwijl die niet is betaald.

    Zij jaagt nu op de bankiers, advocaten en adviseurs die vermoedelijk een steentje bijdroegen. Over de hele wereld heeft ze kantoren en woningen laten doorzoeken, ook die van Benjamin Frey. Gemeten aan het aantal verdachten zijn haar onderzoekingen uitgegroeid tot wat wellicht het grootste gerechtelijk onderzoek aller tijden is op het gebied van belastingrecht.

    De kroongetuige

    Wat Brorhilker tot dan toe ontbreekt, is een kroongetuige die zich uit de orde van de belastingrovers losmaakt. Alleen als ze Frey aan het praten krijgt, kan ze de schuld van de anderen overtuigend bewijzen. Frey, wiens hele leven in het teken van geld heeft gestaan, weet dat hij zich dit keer niet kan vrijkopen. Er hangt hem een gevangenisstraf van minstens zeven jaar boven het hoofd.

    Telkens weer wordt hij opnieuw verhoord, dagenlang, meer dan twaalf keer. Later zal hij zeggen dat dit de ergste tijd van zijn leven is geweest. Eerst geeft hij alleen toe wat hij wel moet toegeven, maar na een half jaar breekt hij en legt hij een volledige bekentenis af. Frey is de eerste belastingrover die uit angst voor gevangenisstraf zijn mededaders verlinkt en daarmee paniek in de bankenwereld zaait. Met als voordeel dat meerdere andere belastingrovers ook kroongetuige bij Brorhilker willen worden.

    Vorig jaar berichtten Die Zeit, Zeit Online en het ARD-programma Panorama al over CumEx- en CumCum-transacties. Ze beschreven hoe bankiers, adviseurs en advocaten decennialang de Duitse staatskas plunderden. En hoe de overheid een andere kant opkeek, totdat een onverzettelijke vrouwelijke ambtenaar op het hoofdkantoor van Belastingen weigerde het geld uit te betalen.

    Toen ging het balletje rollen. Journalisten uit Denemarken zeiden dat hun land iets soortgelijks was overkomen, dé opmaat tot een internationale samenwerking waaruit bleek dat de financiële goochelaars zich niet alleen aan de Duitse staat tegoed deden, maar de staatshuishouding van half Europa hebben afgetapt.

    Onder leiding van het onderzoekscentrum Correctiv hebben negentien media uit twaalf landen de handen ineengeslagen om gezamenlijk de volledige omvang van deze belastingroof te onderzoeken. Naast Die Zeit, Zeit Online en Panorama doen ook persbureau Reuters, de Franse krant Le Monde, de Italiaanse krant La Repubblica en het Spaanse onlinemagazine El Confidencial {en het Nederlandse journalistencollectief Follow the Money] mee, evenals de publieke tv-kanalen uit Denemarken, Zweden en Finland.

    Samen hebben ze meer dan 180.000 pagina’s aan vertrouwelijke documenten, interne rapporten van banken en advocatenkantoren en e-mails doorgespit. Er werden talloze interviews met insiders gemaakt en eindeloos undercoveronderzoek gedaan in de financiële sector. De resultaten zijn vorige maand gepubliceerd onder de naam ‘The CumEx-Files’.

    ‘Mijn hebzucht was zo groot dat ik me niet met moraal kon bezig houden’

    In nog minstens tien andere Europese landen hebben de financiële oplichters hun slag kunnen slaan. Enkele gevallen zijn nog niet publiekelijk bekend. Maar de schade als gevolg van CumEx- en CumCum-transacties bedraagt nu al minstens 55,2 miljard euro. ‘Het gaat om de grootste belastingroof in de Europese geschiedenis’, zegt professor fiscaal recht Christoph Spengel van de Universiteit van Mannheim.

    Hoe is het mogelijk dat de belastingrovers het ene land na het andere plunderen zonder dat iemand hun een halt toeroept? En wat zijn dat voor transacties, waarbij binnen enkele dagen voor miljarden euro’s aan aandelen heen en weer wordt geschoven?

    De wereld van de belastingrovers verkennen lijkt op diepzeeduiken: hoe dichter je bij de bodem komt, hoe ongelofelijker de creaturen zijn die je daar tegenkomt.

    De daders zijn als roofvissen die maar één keer toehappen en dan voorlopig verzadigd zijn. Verder naar beneden kom je bijzonder agressieve schepsels tegen die uitgekookte CumEx-transacties sluiten en blijven happen. Daar in de diepte, in duistere wateren, weten ze zich razendsnel te vermenigvuldigen. Intussen zijn er ook mengvormen ontstaan, agressieve mutaties, waarvoor de naam nog moet worden uitgevonden. Wat al deze constructies gemeen hebben, is dat ze een collectief doel nastreven: belastinggeld uit de staatskas sluizen.

    Om Benjamin Frey aan het praten te krijgen, maakt officier van justitie Brorhilker gebruik van een methode die vooral geliefd is bij de Amerikaanse FBI: onderzoekers verzamelen belastend materiaal tegen individuele deelnemers en zetten hem of haar daarmee onder druk. De keuze is dan aan hen: of ze worden kroongetuige en komen er redelijk van af als ze alles bekennen, onder de voorwaarden dat ze hun buit teruggeven en hun mededaders verklikken, of ze worden zelf aangeklaagd.

    Al op de tweede verhoordag krijgt Frey met deze methode te maken. Meteen bij het begin confronteren Brorhilker en haar collega’s hem met documenten die zijn uitspraken van de vorige dag in twijfel trekken. Ze hebben hem ‘flink bang gemaakt’, zal Frey later zeggen. In februari 2017 vliegt hij zelfs voor drie dagen naar Dubai om andere deelnemers aan de illegale transacties over te halen te gaan praten.

    Uit Freys verklaringen blijkt dat Duitsland slechts een van de vele slachtoffers is. Voor Brorhilker ligt de focus van haar onderzoek echter alleen op dat land, ze is tenslotte een Duitse officier van justitie. Maar de journalisten van het gezamenlijke onderzoeksteam willen Frey graag spreken om te horen of hij wellicht meer weet. Na lange onderhandelingen komt het tot een ontmoeting. Op voorwaarde dat zijn echte naam niet wordt genoemd.

    Europese rooftocht

    In een Keulse loft geeft Benjamin Frey het eerste uitgebreide interview aan Die Zeit. We zitten tegenover een 47-jarige man: haar in een scheiding, glad geschoren, hoog voorhoofd, volle lippen, bril. Maar het gezicht waarnaar we kijken is niet het zijne. Frey draagt een masker dat speciaal voor het interview, dat op camera wordt vastgelegd, is gemaakt door twee maskermakers. De mimiek, zijn lach, is echt, de rest onherkenbaar.

    Frey zegt dat hij bang is voor zijn vroegere handlangers. Daarom wil hij niet herkend worden. Belangrijker nog is dat hij een nieuw bestaan probeert op te bouwen als – bonafide – advocaat. Zijn verleden mag dat niet bezoedelen. Het interview duurt twee volle dagen. Frey zal daarin ook verklaren hoe het zover kwam dat niet alleen Duitsland maar heel Europa werd geplunderd. En hij zal namen noemen: van belastingdieven die nog altijd op vrije voeten zijn.

    Freys verhaal begint in de provincie. Daar waar hij opgroeide, was men ‘arbeider, boer of werkloze’. Maar de jonge Frey wil daar geen genoegen mee nemen. Hij gaat rechten studeren en haalt zijn bul cum laude. Dan vliegt hij naar Londen, op uitnodiging van een groot advocatenkantoor, naar het schitterende Victoria en Albertmuseum waar ze hun jaarvergadering houden. Ze willen Frey contracteren. Bijna tweeduizend advocaten uit de hele wereld zitten aan lange tafels te midden van de schatten van het museum. Als Frey naar boven kijkt, ziet hij de sterren stralen door de grote koepel. Het is 2001.

    Kort daarop gaat hij aan de slag bij het kantoor, werkt iedere dag twaalf, soms wel veertien uur. Vaak gaat het erom de belastingdruk van rijke klanten te verminderen. ‘We hadden allemaal dit beeld voor ogen: de staat is de vijand’, zegt Frey. Als hij op een bepaald moment bedenkt dat de staat wel zijn opleiding heeft gefinancierd, drukt hij die gedachte weg. Twijfels zouden zijn carrière alleen maar schaden. ‘Mijn hebzucht was zo groot’, zegt hij, ‘dat ik me niet met moraal kon bezighouden.’

    Dan, in 2004, leert Frey Hanno Berger kennen. Berger geldt als de begaafdste belastingtiller van Duitsland. Frey, de jongen uit de provincie, bewondert hem om zijn intellect, zijn humanistische vorming, hij is immers zoon van een dominee, en om zijn kennis van het Grieks en Latijn. Frey was, volgens een gerechtelijk onderzoek in 2006, vanaf het begin betrokken bij CumEx-transacties die Berger op touw zette.

    Samen werkten ze op de tweeëndertigste verdieping van de Skyper, een glazen toren in het bankendistrict van Frankfurt. ‘Als je naar beneden kijkt, naar de straat, naar het Taunuspark, zie je alleen maar kleine mensjes’, zegt Frey. ‘Dat was de wereld, de gewone wereld, waar wij niet meer bij hoorden. Wij zaten ver daarboven. Wij keken uit het raam en dachten: Wij zijn de slimsten, wij zijn genieën, en jullie zijn allemaal sukkels.’

    CumEx is in hun ogen een geniale zet. Het gaat er niet meer om belasting te ontduiken, tot nul te reduceren, maar om geld binnen te halen van mensen die zo stom zijn wel belasting te betalen. Aanvankelijk valt het de Duitse staat niet eens op dat de belastingkas wordt leeggehaald. In 2007 wordt pas de eerste poging ondernomen een roof te verhinderen, maar Berger en Frey zijn die te slim af, ze vinden een nieuwe route om de staat op te lichten. De constructies worden steeds ingewikkelder. Vanaf 2011 schrapen ze vele miljoenen bij elkaar met Amerikaanse eenmanspensioenfondsen, die handelen in aandelenpakketten ter waarde van miljarden euro’s. Het is een krankzinnig spel.

    De CumEx-files

    De CumEx-Files is de naam van het onderzoek van een samenwerkingsverband van negentien mediaorganisaties in twaalf landen, waaronder het Nederlandse onlinejournalistencollectief Follow the Money. Net zoals bij de Panama Papers blijven er verhalen gepubliceerd worden uit een gelekt dossier, in dit geval een van 180.000 pagina’s, waaruit valt op te maken hoe een samenzwering van financiële whizzkids, bankiers en andere financiële experts Europese overheden tussen 2001 en 2016 van tientallen miljarden euro’s beroofde. De Duitse overheid was met bijna 32 miljard euro het grootste slachtoffer, Frankrijk zag 17 miljard in rook opgaan, Italië 4,5 miljard en Denemarken 1,7 miljard.

    Er is één bron van ergernis: CumEx-transacties zijn in Duitsland maar één keer per jaar mogelijk, rondom de dag waarop aandeelhouders hun dividenden ontvangen; in Duitsland is dat meestal begin van het jaar. ‘We hadden een duivelse machine uitgevonden’, zegt Frey, ‘maar die werkte altijd alleen maar in het voorjaar.’ En dat was te weinig. ‘Dus kwamen we op het idee een machine te creëren die het hele jaar door werkte, en dat kon alleen met aandelen uit landen waar dividenden tot wel vier keer per jaar worden uitgekeerd’.

    Daarmee werd, volgens het samenwerkingsverband van mediaorganisaties, het begin gemarkeerd van een grote Europese rooftocht. België, Denemarken, Oostenrijk, Noorwegen en Zwitserland bevestigen officieel, of in achterkamertjes, op de hoogte te zijn van geplande en uitgevoerde CumEx-transacties in eigen land. Ook Spanje en Finland vinden documenten waaruit duidelijk wordt dat CumEx-transacties op stapel stonden. In Spanje willen de autoriteiten bevestigen noch ontkennen dat het ook daadwerkelijk tot dubbele teruggaven is gekomen. De Finse autoriteiten gaan ervan uit dat CumEx bij hen geen probleem vormt. Enkelvoudige teruggaven (CumCum) komen in beide landen voor.

    Enkelvoudige teruggaven – dat klinkt ongevaarlijk, maar is het niet. Ook in Frankrijk, Italië en Nederland richtten dat soort teruggaven enorme schade aan. Het spel functioneert in de kern zo: binnenlandse aandeelhouders hebben recht op een belastingteruggave, buitenlandse aandeelhouders niet. Banken hebben daar een verdienmodel van gemaakt. Ze kopen de aandelen van buitenlandse klanten kort voor de uitbetaling van de dividenden op en verkopen ze direct daarna terug.

    De zodoende mogelijk gemaakte belastingteruggave wordt met de klant gedeeld en de staat heeft het nakijken. CumCum-transacties zijn op zich niet illegaal. Maar als een belastingvoordeel het enige doel is, geldt dat toch als een vorm van misbruik. Duitse, Franse en Italiaanse autoriteiten zijn het daarover eens.

    Twee varianten

    Voor professor Spengel zijn CumEx en CumCum twee varianten van zuiver fiscaal gemotiveerde transacties. ‘De bankiers, handelaren en juristen hebben de belastingsystemen van de afzonderlijke landen geanalyseerd, gekeken wat mogelijk is en vervolgens de daarbij passende structuren opgezet.’ Afgelopen jaar berekende Spengel dat het de Duitse fiscus tussen 2001 en 2016 minstens 31,8 miljard euro heeft gekost. Frankrijk zag ten minste 17 miljard in rook opgaan, Italië liep 4,5 miljard mis, Denemarken 1,7 miljard en België 201 miljoen euro. Voor 
de andere getroffen landen zijn er geen officiële 
cijfers beschikbaar.

    Hoe en wanneer de transacties zich over Europa 
hebben uitgebreid, is niet eenvoudig te reconstrueren. CumCum-transacties werden in Duitsland, Frankrijk en Italië al in de jaren negentig uitgevoerd. CumEx-transacties kwamen al vanaf 2001 voor in Duitsland en een paar jaar later ook in Zwitserland (2006) en Denemarken (2012). Zwitserland zorgde 
er in 2008 voor dat het onmogelijk werd CumEx-transacties uit te voeren. In Duitsland lukte dat 
pas in 2012. In Denemarken gaan de onderzochte gevallen door tot in 2017.

    Bijna alle banken deden op de een of andere manier mee aan de transacties, onder meer Deutsche Bank en Commerzbank, evenals grote Amerikaanse 
investeringsbanken. Veel banken hadden afdelingen waarvan de medewerkers intern tax traders werden genoemd. Het fenomeen kwam in de hele branche voor.

    Frey, de kroongetuige, noemt de transacties ‘georganiseerde misdaad in krijtstreeppak’. ‘Iedereen die krediet leverde, die als aandelenhandelaar meewerkte, die als depotbank alleen maar aandelen in 
bewaring had, iedere belegger die geld ter beschikking stelde, wist in feite dat de opbrengsten uit de belastingpot werden gehaald.’

    Centraal in de Europese rooftocht staat een groep Londense aandelenhandelaars. Een van hen is 
Salim Mohamed. Eerst werkte hij voor investeringsbank Goldman Sachs, later trad hij in dienst bij een hedgefonds. Mohamed werkte ook samen met Berger en Frey. In het begin kunnen ze het goed met elkaar vinden. Maar als Mohamed in 2009 op eigen houtje verdergaat en volgens Frey aanspraak maakt op het grootste deel van de winsten, raken ze gebrouilleerd. Berger noemt Mohamed daarna alleen nog maar 
‘die smerige Indiër’. Dat staat in een verklaring van Frey tegenover Brorhilker. Berger ontkent dat, net als de samenwerking met Mohamed. Er zouden slechts ‘een of twee gesprekken’ zijn geweest.

    Met zijn firma EQI handelde Mohamed niet alleen 
in Duitse, maar ook in Spaanse, Oostenrijkse, 
Belgische en Finse aandelen, blijkt uit het onderzoek. In 2010 bijvoorbeeld kocht hij via een firma in 
Malta 6,9 miljoen aandelen van het Spaanse energiebedrijf Endesa en een jaar later via een Iers fonds 10,6 miljoen aandelen van Telekom Austria AG. In alle vijf landen verzocht het Ierse fonds in het jaar 2011 om belastingteruggaven. Waarom zou je maar één land beroven als het ook in andere lukt?

    De wereld van belastingrovers verkennen lijkt op diepzeeduiken: hoe dichter je bij de bodem komt, hoe ongelofelijker de creaturen zijn

    Als we bij de Europese Commissie informeren of CumEx-, CumCum- of verwante transacties op 
Europees niveau zijn besproken, luidt het antwoord: ‘Dat valt onder de bevoegdheid van de nationale 
staten.’ Maar hun fiscale instanties denken vooral aan zichzelf en communiceren nauwelijks met elkaar. Het principe is: wie iets weet, vertelt het niet verder. Wie er niet naar vraagt, krijgt niets te horen.

    De Bondsregering ziet CumEx tot op heden als een Duits probleem. Michael Sell, die deze zomer, op het moment dat hij een gesprek voerde met de journalisten, nog de leiding had over de afdeling Belastingen van het ministerie van Financiën, maar inmiddels met pensioen is, acht de transacties zonder meer illegaal; hij heeft het zelfs over ‘georganiseerde 
criminaliteit’. Maar in zijn ogen is het probleem na een wetswijziging in 2012 opgelost. Het systeem 
van afdracht van de couponbelasting werd destijds zodanig veranderd dat CumEx niet meer mogelijk zou zijn.

    In Sells kantoor hangt een grote wereldkaart waarop alle landen waarmee Duitsland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting 
heeft oranje gekleurd zijn. Dat veel van die landen ook getroffen zouden kunnen zijn, is nooit in hem opgekomen. Later zal het ministerie citaten uit het gesprek met Sell niet autoriseren. Duidelijk wordt dat vrijwel niemand de Europese dimensies van CumEx inschatte.

    De enige organisatie die zich inspant voor een 
systematische internationale uitwisseling is de OESO. Sinds 2007 houdt de organisatie van industrielanden een ‘Aggressive Tax Planning Directory’ bij. Via deze databank kunnen de lidstaten belastingtrucs melden aan alle andere OESO-landen. Maar, zegt Achim Pross, chef van de betreffende afdeling, dat functioneert alleen als die databank ook regelmatig gelezen en aangevuld wordt. Als je nu zoekt op ‘CumEx’, 
komt er maar één match uit Duitsland naar voren en die dateert van 2015.

    Het ministerie van Financiën weet inmiddels al dertien jaar van CumEx-praktijken en heeft er sinds drie jaar een stokje voor gestoken. Het ministerie ontkent desgevraagd niet dat het 
pas in 2015 aan de bel heeft getrokken, maar deelt 
in algemene bewoordingen mee dat men ‘in het 
verleden diverse staten, onder andere op hun 
verzoek, over het procedé bij CumEx-transacties heeft geïnformeerd’. Voor de Europese partners 
komt de waarschuwing veel te laat. De buit is dan al geïncasseerd.

    Steeds nieuwe creaties

    Er komen ook meldingen uit andere landen: Ierland, Spanje en zelfs het verre Australië. Verwarrend is dat men daar vaak met andere begrippen of varianten werkt, wat het lastig maakt de transacties te herkennen en te verhinderen. Er ontstaan steeds nieuwe creaties. In de verhoren van Brorhilker komt Frey te weten welke methode Salim Mohamed gebruikte. Daar was hij, naar eigen zeggen, ‘wel vijf minuten sprakeloos van. Ik was gewoon verbluft’.

    CumEx-deals werken over het algemeen zoals goud zoeken: er moeten enorme hoeveelheden worden omgezet om iets substantieels over te houden. Er is dus enorm veel kapitaal nodig, er moeten miljoenen of zelfs miljarden euro’s van banken worden geleend. Salim Mohamed vond een andere weg: looping. Simpel gezegd worden aandelen daarbij zo snel verhandeld 
in een kringloop, dat het lijkt alsof er veel meer zijn dan in werkelijkheid het geval is. Met één aandeel kun je op die manier drie, vijf of soms wel tien belasting-bewijzen genereren. Een van de verdachten verklaart tegenover Brorhilker dat looping vanaf 2009 is ingezet bij transacties op kosten van Duitsland.

    Mohamed zelf laat niets van zich horen en reageert op geen enkele poging om met hem in contact te komen. Het schijnt hem goed te gaan. In 2015 zette hij een respectabele tijd neer in een hardloop- en wielrenwedstrijd. Hij is ook te traceren op de website van de Esher Church School, een kerkelijke school 
in het graafschap Surrey, iets ten zuidwesten van Londen. Mohamed, de belastingrover, is er een van de stafleden.

    Niet een van de verdachten zit tot dusver in de gevangenis. De bedoeling is dat daar verandering in komt. Brorhilkers gerechtelijke onderzoeken betreffen meer dan honderd personen, onder wie Salim Mohamed. Nog dit jaar kan Brorhilker de eerste 
aanklachten indienen.

    De officier van justitie heeft echter een tegenspeler. Vanuit een Zwitsers bergdorp werkt deze aan de juridische verdedigingsstrategie die haar uiterst nauwkeurige, jarenlange arbeid met één grote klap kan vernietigen. Het is Hanno Berger, de vroegere mentor van kroongetuige Frey. Na een doorzoeking van zijn kantoor, eind 2012, heeft hij zich teruggetrokken in Zwitserland.

    Samen met zijn vrouw en een kleinkind woont hij pal tegenover een skilift en hij straalt uit dat hij volledig in zijn recht staat. Aan de houten eettafel doceert Berger eindeloos over de vraag waarom de CumEx-transacties legaal waren. Die waren niet het probleem, dat was de staat die mensen als hij ten onrechte wil vervolgen. Een ‘vernietigingsveldslag’ volgens hem. Ook naar Berger loopt al jaren een gerechtelijk onderzoek.

    Had Duitsland tijdig gewaarschuwd, dan waren 
de Denen misschien helemaal niet beroofd

    Hij maakt een vermoeide indruk. De verdedigingsveldslag is zijn levenswerk geworden. In eerste instantie draait deze om een van die zeldzame Amerikaanse eenmanspensioenfondsen die voor CumEx-transacties werden gebruikt, het zogenaamde KK Law Firm Retirement Plan Trust. In 2011 werd belastingteruggave gevraagd bij het centrale belastingkantoor in Bonn (BZST). Daar bestond algauw de verdenking dat het mogelijk om bedrog ging. De aanvraag werd afgewezen. Maar KK Law liet het er niet bij zitten en eiste een teruggave van 28 miljoen euro. Volgens BZST werd dat bedrag nooit afgedragen. Die rechtsvordering is niet alleen hondsbrutaal, het is zelfs een poging het hele strafrechtelijke onderzoek van Brorhilker om zeep te helpen.

    Berger wilde meerdere eigenaars van eenmanspensioenfondsen ertoe 
bewegen dergelijke vorderingen in te stellen. De meesten zagen daar niets in. Een van hen noemde Berger (in een afgeluisterd telefoongesprek) een ‘klootzak’. Maar KK Law gaat door. 
Het proces loopt enorm in de papieren, er moeten topadvocaten worden 
ingehuurd. Een ander fonds, dat over miljoenen beschikt, wordt in het leven geroepen om de verdediging mee te financieren.

    Volgens insiders hebben meerdere belastingrovers daaraan meebetaald. Als KK Law zou winnen, 
zo ziet Berger het, dan zou CumEx door een rechtbank legaal worden verklaard en zou iedereen vrijuit gaan. Zo ziet ook professor fiscaal recht Spengel 
het: ‘Als KK Law inderdaad gelijk zou krijgen, betekent dat een bittere tegenslag voor de strafrechtelijke vervolging van CumEx-transacties.’

    De uitspraak wordt waarschijnlijk begin volgend jaar gedaan. Dan is 
de strijd gestreden voor de oude CumEx-garde. Maar wat is er van hun leerlingen geworden? Doen zij nog altijd zulke zaken?

    Young gun

    Om dat uit te vinden, veranderen twee van de journalisten in Felix en Otto. Felix, zo luidt het verhaal, is de arrogante telg uit een Duitse miljardairs-familie, die om fiscale redenen in Zwitserland woont. Hij is wat in die kringen een young gun heet: hij wil zijn familie bewijzen dat hij zaken kan doen, miljoenentransacties met fabelachtige rendementen. Zijn oudere halfbroer Otto is altijd sceptisch, hij waakt met argusogen over het vermogen van de familie.

    Met CumEx en CumCum hebben Felix en Otto een paar jaar geleden goed verdiend. Nu willen ze weer gaan meedoen en een miljoenenbedrag van drie cijfers investeren. Via een brievenbusfirma en een tip uit Dubai nemen ze contact op met een handelaar. Ze spreken af elkaar in Londen te ontmoeten.

    Voor 2500 euro huren ze een suite op de zevenen-dertigste verdieping van wolkenkrabber The Shard. Door het raam, dat tot de vloer doorloopt, kun je de Tower Bridge en St Paul’s Cathedral zien. Felix draagt een Breitling-horloge. Otto heeft zich bij een peperdure herenmodezaak in het pak gestoken. Alles voor de geloofwaardigheid.

    De afspraak is om 14:00 uur. Om 13:51 uur gaat de telefoon. De handelaar is te vroeg. Felix en Otto laten hem wachten. Ze laten hem vijftien minuten later ophalen door hun assistente, die in werkelijkheid de echtgenote van een collega is. De man die beneden wacht, is een leerling van Sanjay Shah, de koning van de belastingrovers. Shah heeft iedereen overtroffen en met zijn CumEx-transacties bijzonder veel schade berokkend. Denemarken heeft door toedoen van Shah 1,3 miljard euro verloren. Dat is zelfs voor Frey nauwelijks te bevatten.

    Hij spreekt bijna eerbiedig over de Brit. Met hem samenwerken hebben Frey en Berger niet eens overwogen: ‘te dubieus’. Zelfs onder belastingrovers bestaan er er taboes – uitsluitend risicobeperkende, geen morele. Shah kende geen grenzen. Frey vindt dat hij ‘autistische trekken’ heeft.

    Niets delen

    In 2011 komt Shah op het idee om van zijn hedgefonds Solo Capital een soort algemene onderneming voor CumEx-transacties te maken. Dat blijkt uit een veertien pagina’s tellend levensverhaal dat Shah voor zijn raadslieden heeft opgeschreven. Normaal heb je voor CumEx-transacties meerdere partners nodig: bankiers, handelaars, makelaars. Maar Shah wil alles onder één dak bijeenbrengen en niets delen. Hij wordt mede-eigenaar van de Hamburgse bank Varengold. Shah kon, beweert Frey, de belastingbewijzen bijna voor zichzelf uitschrijven.

    Shahs aanval op Denemarken begint in 2012, het jaar waarin CumEx in Duitsland onmogelijk wordt gemaakt. Denemarken komt pas drie jaar later in actie, als het door de Britse autoriteiten op de aanval wordt geattendeerd. Had Duitsland tijdig gewaarschuwd, dan waren de Denen misschien helemaal niet beroofd. Shah woont dan allang in Dubai, op de kunstmatig aangelegde eilandengroep Palm Jumeirah. Hij bezit er meerdere huizen, viert feesten op zijn luxejacht en laat popsterren als Lenny Kravitz en Snoop Dogg invliegen voor liefdadigheidsevenementen. ‘De CumEx-aandelenhandelaars zagen hem als een dolle hond’, zegt Frey.

    Shah kan Dubai sindsdien niet meer verlaten. Er lopen in Europa tal van gerechtelijke onderzoeken: in Noorwegen, België, Groot-Brittannië en Duitsland. Maar als Frey hem in februari 2017 probeert te bewegen een verklaring af te leggen, begrijpt Shah helemaal niet wat de Duitsers eigenlijk van hem willen. ‘Ik heb toch maar 50 miljoen?’ zegt hij. Tenminste, zo herinnert Frey het zich. Op schriftelijke vragen van journalisten antwoordt Shah niet.

    Corporate action trading

    In de Londense wolkenkrabber loopt een van Shahs leerlingen de suite binnen. Hij is begin dertig, 
donker getint, draagt een wit overhemd met 
manchetknopen. Hij heeft een gebonden presentatieboekwerk bij zich. Felix, de arrogante miljardairstelg, negeert hem eerst maar eens. Hij doet net alsof hij een medewerker aan de telefoon de mantel uitveegt. Later zullen Felix en Otto de leerling van Shah uithoren.

    Direct na de universiteit, vertelt de dertiger, was 
hij begonnen bij de Maple Bank, de bank die de staat door middel van CumEx-transacties honderden 
miljoenen lichter had gemaakt. Bij het hedgefonds van Shah had hij ‘de fijne kneepjes van het vak’ geleerd en een netwerk opgebouwd. Net voordat 
hij in beeld zou kunnen komen bij het justitieel onderzoek, was hij eruit gestapt. En nu stond hij op het punt iets nieuws te te beginnen.

    Felix ziet het wel zitten met hem. Zijn familie heeft goede ervaringen opgedaan met CumEx-transacties en is op zoek naar mogelijkheden om die markt opnieuw te betreden. Hij vraagt wat de leerling te bieden heeft. De jongeman bladert door zijn presentatie. ‘Ik zou het geen CumEx of CumCum willen noemen’, begint hij. Maar wat hij beschrijft, klinkt verdacht veel naar de bekende, puur fiscaal gemotiveerde aandelenhandel rondom de dag waarop de dividenden worden uitgekeerd.

    Ook Gerhard Schick, afgevaardigde in de Bondsdag en financieel expert van de Groenen, interpreteert de presentatie zo: 
‘Het is een rechtstreekse voortzetting van CumEx 
en CumCum.’ Shahs leerling zelf gebruikt liever een andere naam. ‘Wij noemen het corporate action 
trading.’ De drie belangrijkste markten zijn Frankrijk, Italië en Spanje. Noorwegen, Finland, Polen 
en Tsjechië zijn al getest en vormen ook geen 
probleem. De leerling heeft uitstekende contacten met grote investeringsbanken. Die doen nog 
altijd mee.

    Hoe zit het dan met Duitsland, vragen Otto en 
Felix. ‘Zoals het er nu in Duitsland voor staat’, zegt 
de leerling, ‘zou ik nog minstens een jaar wachten. Iedereen kan rustig zaken in Duitsland blijven doen, begrijpt u me niet verkeerd, en dat gebeurt ook. Maar ik zou nog een jaar wachten.’

    Maar CumEx- en CumCum-transacties waren in Duitsland toch wettelijk onmogelijk gemaakt?’ 
De leerling van Shah grijnst. ‘Er zijn altijd mogelijkheden om dat te omzeilen.’

    Dan wordt er nog een beetje met vaktermen 
gesmeten. Het gaat over counterparties en trading levels. Tot Otto zegt: ‘Kom, laten we niet om te hete brei heen draaien, het geld komt van de belastingen.’

    ‘Natuurlijk’, zegt de handelaar.

    Auteurs: Manuel Daubenberger, Karsten Polke-Majewski, Felix Rohrbeck, Christian Salewski en Oliver Schröm

  • Misdaadhoofdstad 
van Zweden

    Misdaadhoofdstad 
van Zweden

    Het middeleeuwse Zweedse stadje Ystad speelt een prominente rol in de populaire Wallander-boeken van thrillerschrijver Henning Mankell. Fans van de serie kunnen er een Wallander-tour volgen.

    Niets doet vermoeden dat in een van de vrolijke huisjes aan de Harmonigatan de moordenaar uit Midzomermoord woont, een van Mankells bekendste thrillers met inspecteur Kurt Wallander als hoofdpersonage. Naar dat huisje keert de moordenaar terug, nadat hij drie jonge mensen door het hoofd heeft geschoten die tijdens de Midzomernacht in een natuurpark kampeerden. Daarna laat hij hun lichamen verdwijnen.

    Op een steenworp afstand van het in levendige kleuren geschilderde rijtje visserswoningen ligt de haven waarvandaan de boten naar Polen vertrekken en zie je een klein, wit zandstrand. Hoe kan het dat dit slaperige, middeleeuwse stadje aan de zuidkust van Zweden de bekende Zweedse misdaadauteur inspireerde tot de afgrijselijke misdaden in zijn boeken?

    Er is wat voor te zeggen om Ystad (18.000 inwoners) om te dopen tot de misdaadhoofdstad van Zweden. Omdat er van de misdaadauteur, die in 2015 op 67-jarige leeftijd stierf, wereldwijd zo’n 30 miljoen boeken zijn verkocht en hij in veertig talen is vertaald. Omdat men in Zweden een televisieserie heeft gemaakt rondom het levensverhaal van Wallander, de koppige, drankminnende, aan slapeloosheid lijdende operaliefhebber. En omdat het personage de BBC inspireerde tot het maken van een serie met Kenneth Branagh in de hoofdrol.

    Hier mogen dan de vreselijkste moorden zijn gepleegd, de werkelijkheid in Ystad is stukken minder verontrustend

    Om de morbide nieuwsgierigheid naar misdaden te bevredigen heeft Ystad een Wallander-tour bedacht die jaarlijks duizenden bezoekers trekt. Indien gewenst kan de Wallander-toerist beginnen bij de studio’s waar de serie werd opgenomen. Er is net een nieuw museum geopend, ruimer dan het vorige, waar de bezoeker kan plaatsnemen in het kantoor van de inspecteur, of zijn woonkamer kan binnenlopen. ‘Er komen veel toeristen en ook scholieren,’ vertelt Johanna Persson, die achter de kassa van het museum zit. ‘Eenderde van de opnamestudio’s hoort bij het museum, de rest wordt gebruikt voor andere producties,’ zegt ze, terwijl ze de overige ruimtes laat zien. Het succesvolle The Bridge is hier opgenomen, een thriller met twee 
politie-inspecteurs in de hoofdrol (zij Zweedse, hij Deen) waarvan later een Amerikaanse versie is gemaakt.

    Buiten, terug in de echte wereld, is het een paar minuten lopen naar wat het huis van Kurt Wallander zou moeten zijn in Mankells misdaadromans. Het is een uit bakstenen opgetrokken gebouw op Mariagatan nummer 10.

    Op de stoep staat een fiets zonder slot. Hier mogen dan de vreselijkste moorden zijn gepleegd, de werkelijkheid in Ystad is stukken minder verontrustend. In Mankells boeken zijn noodoproepen naar het politiebureau aan de orde van de dag. Op het echte politiebureau van Ystad worden meer paspoorten verlengd dan moorden onderzocht. Juist het lage misdaadcijfer en de rust maken het stadje aantrekkelijk als woonplaats voor gezinnen die werken in de omgeving van Malmö – de belangrijkste stad van Zuid-Zweden, op slechts 60 kilometer van Ystad.

    De Wallander-tour door Ystad gaat verder langs locaties als Stortorget, het centrale plein, waar Wallander bij een geldautomaat voor zijn leven vocht en waar hij, als het even kon, zijn favoriete boekhandel binnenliep. De boekhandelaarster vertelt trots dat dit inderdaad de winkel uit de thrillers is en dat er veel bezoekers komen, vooral Fransen, Duitsers en Nederlanders. Spanjaarden niet zoveel. Mankells boeken hebben het toerisme een nieuwe impuls gegeven. Ystad gaat prat op zijn mooie stranden, maar 
het stadje draait economisch vooral 
op handel (voornamelijk rondom de haven), landbouw (aan de kust staan fabrieken van Lantmännen, een Zweedse landbouwcoöperatie) en dienstverlening.

    Vrolijke huisjes in Ystad. – © Getty
    Vrolijke huisjes in Ystad. – © Getty

    Nog een memorabele plek: het restaurant van hotel Continental, het oudste van Zweden (geopend in 1829). In een van de twee hoeken van het restaurant, tegenover twee enorme ramen, staat een tafel die altijd gereserveerd is op naam van de inspecteur. Het is een van de plekken waar Wallander het liefst lunchte en waar hij de zaak uit Midzomermoord oploste. Van daaruit 
heb je zicht op een van Ystads hoofdstraten, die het centrum van de stad verbindt met de koude zee en het opvallend witte zandstrand.

    Maar psychopaten en moordenaars houden zich in boeken soms liever buiten de stad op, waar het landschap wordt gedomineerd door graanvelden. In een natuurgebied op 12 kilometer buiten Ystad, bij het veertiende-eeuwse kasteel Marvinsholm met zijn twee enorme torens, begint deel 1 van de Wallander-serie, Moordenaar zonder gezicht (1991). Op een koude winternacht wordt een bejaard stel op gruwelijke wijze gemarteld en vermoord. Aangekomen op de gruwelijke plaats delict, zegt Wallander zoals te doen gebruikelijk in Mankells werk: ‘Ik ben bang. In wat voor wereld leven we?’

    Auteur: Cristina Galindo
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    Beeld: Kenneth Branagh als Kurt Wallander. – © BBC

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • Stad van Pablo Escobar is nu 
een paradijs voor pensionado’s

    Stad van Pablo Escobar is nu 
een paradijs voor pensionado’s

    Ooit gold Medellín als de gevaarlijkste stad op aarde. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig is de stad met zijn zachte klimaat en goede voorzieningen een populaire bestemming voor Amerikaanse bejaarden.

    In een drukbezocht café aan een lommerrijke straat in Medellín drinkt Cindy Crawford Thomas een cappuccino. De gepensioneerde lerares uit Colorado Springs vertelt dat het haar geen enkele moeite kostte om het zuiden van Florida te verlaten en zich te vestigen in wat ooit de gevaarlijkste stad van de wereld was. ‘De beslissing om weg te gaan uit Florida was zo genomen. Het leven is daar te hectisch. Je kent je buren nauwelijks. Er zijn veel mensen, maar er is geen cohesie.’

    Medellín – waar Pablo Escobar opgroeide en vroeger ’s werelds gewelddadigste drugskartel zetelde – is een warme, kosmopolitische stad, vertellen Thomas en haar man David, met betaalbare huurwoningen, aangenaam weer en goede medische voorzieningen. Bovendien voelen ze zich hier veiliger dan in Florida. ‘Er wordt nog steeds gedacht dat in Medellín het hoogste aantal moorden ter wereld wordt gepleegd,’ zegt Thomas, ‘maar dat klopt niet meer.’

    Het echtpaar maakt deel uit van een almaar groeiende golf avontuurlijke gepensioneerden die besluiten naar Colombia te emigreren. In 2017 maakte de Amerikaanse Social Security 6704 pensioenuitkeringen over naar Colombia – een stijging van 85 procent ten opzichte van 2010 en op basis van voorlopige schattingen het hoogste aantal Amerikaanse pensioenen van alle landen in Latijns-Amerika, met uitzondering van Mexico.

    Pablo Escobar

    Media die zich op gepensioneerden richten, zijn vol lof over Medellín; televisieprogramma’s als House Hunters International brengen de stad prominent in beeld. En dat terwijl Medellín decennialang een plek was waar bezoekers met een grote boog omheen liepen. De stad was de thuishaven van drugsbaron Pablo Escobar en zijn Medellín-kartel. Huurmoorden en aanslagen met autobommen hielden de op een na grootste stad van het land in een wurggreep. Gedurende een groot deel van de jaren negentig werden er de meeste moorden ter wereld gepleegd, met als dieptepunt het jaar 1995: 225 moorden per 100.000 inwoners.

    Ondanks de bloedige reputatie die nog steeds aan de stad kleeft, is het aantal moorden gedaald naar 20 per 100.000 inwoners – veel lager dan in steden als St. Louis, Baltimore, New Orleans en Detroit.

    ‘Nu de stad steeds veiliger is geworden, komen er steeds meer toeristen en gepensioneerden deze kant op,’ zegt Juliana Cardona Quirós, wethouder Toerisme van Medellín. In 2017 bezochten meer dan 735.000 bezoekers de stad, een stijging van 5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. ‘En het zijn niet alleen jonge mensen die je in cafés ziet zitten. Ook ouderen hebben de potentie van Medellín ontdekt,’ aldus Cardona. ‘Ze waarderen het zachte klimaat, het goede openbaar vervoer en een leven in een door natuur en bergen omringde stad.’

    Toch doen populaire series als Narcos of El Patrón del Mal, die zich afspelen in het gewelddadige verleden van de stad, afbreuk aan de reputatie van Medellín. Toen Nancy Kiernan en haar man met de gedachte speelden om na hun pensioen in Latijns-Amerika te gaan wonen, sprak ze een man die enorm enthousiast was over Medellín. ‘We glimlachten beleefd,’ weet ze zich nog te herinneren, ‘terwijl ik hem in gedachten voor gek verklaarde.’

    De 59-jarige Kiernan komt uit Maine en is manager medische dienstverlening. Toen ze bijna zes jaar geleden naar Medellín verhuisde, kende ze nauwelijks expats van haar leeftijd. Dat is wel anders sinds de stad zo vaak genoemd wordt in artikelen over pensioengerelateerde onderwerpen. Niet alleen trekt Medellín Amerikanen aan die in de VS wonen, maar ook Amerikanen die zich al hadden gevestigd in landen als Ecuador of Panama. ‘Sommige delen van de stad zitten vol gringo’s,’ zegt Kiernan.

     Het fraai gelegen Medellín is de tweede stad van Colombia met zo’n 2,5 miljoen inwoners. – © Jim Wyss / Getty Images
    Het fraai gelegen Medellín is de tweede stad van Colombia met zo’n 2,5 miljoen inwoners. – © Jim Wyss / Getty Images

    Het echtpaar Thomas verhuisde zes weken geleden van Boquete – een stad met ongeveer 25.000 inwoners in het noorden van Panama – naar Medellín. ‘Ik vond het daar saai, dus besloten we te kijken of Medellín beter zou bevallen,’ aldus Cindy Thomas.

    Ze vonden er een driekamerappartement dat ze delen met hun drie honden en drie katten. Ze betalen ongeveer 1400 dollar per maand. Hun maandelijkse uitgaven, inclusief lidmaatschap van een sportschool en frequente uitjes, schatten ze op ‘ruim onder de 3000 dollar’. Volgens Kiernan kan het overgrote deel van de mensen comfortabel leven voor minder dan 2000 dollar per maand. ‘Colombia is niet het goedkoopste land om in te leven, maar het is goed te doen,’ zegt Kiernan, terwijl ze haar vruchtensap drinkt in een glimmende shoppingmall vol winkels met internationale merken. ‘Het weer is fantastisch, het is een kosmopolitische stad, je kunt water uit de kraan drinken en de dienstverlening is deugdelijk.’

    De stad heeft een internationale luchthaven, waardoor Medellín makkelijk toegankelijk is vanuit de oostkust van de Verenigde Staten. Daarnaast zijn alle mogelijke medische voorzieningen aanwezig. Uit een enquête over het jaar 2017, gepubliceerd in het tijdschrift América Economía, blijkt dat 7 van de 49 belangrijkste ziekenhuizen van Latijns-Amerika in Medellín staan. Een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie plaatst Colombia op plek 22 in een ranking van medische voorzieningen in 190 landen, boven de Verenigde Staten en Canada, die op nummer 37 en 33 staan. Emigranten met een permanente verblijfsvergunning die in Medellín wonen, kunnen zich inschrijven bij het ziekenfonds, dat maar 30 dollar per maand kost. David Thomas vertelde dat een vriend met een particuliere verzekering onlangs met een hartaanval met spoed naar het ziekenhuis moest. Hij hoefde maar 14 dollar uit eigen zak te betalen.

    Colombia is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse 
realiteit

    Ondanks de juichende woorden is Medellín niet voor iedereen geschikt, vindt Brad Hinkelman, eigenaar van Casacol, een makelaarskantoor dat diensten verleent aan beleggers die in vastgoed willen investeren en aan gepensioneerden die een tweede woning zoeken. Hinkelman verwijt de media dat ze onrealistische verwachtingen scheppen van Medellín: of het is een poel van verderf waar harddrugs de dienst uitmaken, of het is ‘het Parijs van Latijns-Amerika’. ‘Er komen mensen naar ons kantoor die niet adequaat zijn voorbereid op een leven in deze stad,’ zegt hij. ‘Ze denken dat ze met een uitkering een luxeleven kunnen leiden. Aan ons de taak om hen te confronteren met de werkelijkheid.’

    Bovendien kampt Colombia nog steeds met omvangrijke en hardnekkige problemen. Het land is nog altijd de grootste cocaïneproducent ter wereld, de regering blijft strijden tegen linkse guerrillastrijders en nog altijd zijn politieke moorden dagelijkse 
realiteit. Desondanks plaatste het gezaghebbende tijdschrift International Living, dat zich richt op gepensioneerden, Colombia als zesde op de lijst van landen waar je na je pensioen het best kunt gaan wonen.

    Het echtpaar Thomas gaf les op de J.P. Taravella 
High School in Broward County, op ongeveer 8 
kilometer van de Marjory Stoneman Douglas High School, waar onlangs zeventien leerlingen en 
docenten met een geweer werden afgeslacht. En de moeder van David Thomas woonde een tijd in het bejaardenhuis in Hollywood waar in 2017 twaalf 
personen omkwamen door een elektriciteitsstoring die werd veroorzaakt door de orkaan Irma. Incidenten als deze maken dat er op een andere manier naar de wereld wordt gekeken, waardoor zelfs een stad met de reputatie van Medellín veilig lijkt. ‘Ik denk niet dat we ooit nog terugkeren naar Florida,’ aldus Cindy Thomas.

    Auteur: Jim Wyss
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    El Nuevo Herald
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 42.000

    In 1977 voor het eerst uitgebracht als bijlage van de Miami Herald, sinds 1986 op eigen benen. Dé Spaanstalige krant (de tweede en meest gelezen in de VS) van de latinogemeenschap in Miami.

  • De scheermessenmaffia

    De scheermessenmaffia

    In de Spaanse regio Galicië verdienen visstropers goud geld aan mosselen, scheermessen en coquilles. Hun buit vindt zijn weg naar restaurants, visafslagen en visverwerkingsbedrijven. ‘Ze zijn erger dan de drugshandelaren,’ zegt een kustwachter.

    ‘Mijn strandvilla heb ik betaald van de opbrengst van de verkoop van scheermessen.’ Aan het woord is Ramón (pseudoniem), een van de grote jongens van de illegale visvangst aan de kust van Galicië. Ooit heeft hij in één nacht wel 140 kilo scheermessen buitgemaakt, aldus Ramón, geboren en getogen in Rías Baixas, waar hij nog steeds woont. We zitten te praten op het terras van een bar waar de regen hard op de overkapping klettert. ‘Op mijn achtste ben ik begonnen. Mijn vader is zeeman, als kind werd ik op zee aan het werk gezet.’ Het verschil is dat Ramón besloot te vissen zonder vergunning: hij vist illegaal en verkoopt zijn vangsten in het zwarte circuit. Ramón is zeevruchtenstroper.

    Behalve op scheermessen vist hij op coquilles en zwemkrabben. Hij duikt met en zonder zuurstoffles. ‘Terwijl ik naar de bodem zwem houdt een auto de omgeving in de gaten en post er iemand bij het water. In vier à vijf uur halen we gemiddeld zo’n zestig kilo op. Mijn record is zes uur achter elkaar duiken zonder zuurstoffles.’

    Halverwege de jaren negentig heeft Ramón miljoenen verdiend met illegale visserij. Hij kocht er een villa, een appartement in la Coruña en een in Santiago de Compostela van. ‘Alert zijn, dát is de truc. Ik kijk voortdurend in mijn achteruitkijkspiegel. Als ik drie keer achter elkaar dezelfde auto zie, smeer ik hem. En ik duik bijna altijd ’s nachts om een uur of drie. We zijn standaard met vier of vijf man. We hebben de boel strak georganiseerd.’

    Dat de zeevruchtenstropers hun zaakjes goed geregeld hebben blijkt uit het feit dat de Guardia Civil en de Servizo de la Xunta de Galicia, de kustwacht van Galicië, de laatste jaren strijd voeren (soms al te letterlijk) tegen wat steeds meer gaat lijken op georganiseerde misdaad: de nieuwe maffia van de Galicische kust.

    © Pxhere
    © Pxhere

    Gegevens van de Consellería do Mar de la Xunta de Galicia, het Departement Visserij Galicië, laten zien dat er in 2016 73.140 kilo illegale visvangst werd onderschept. Vorig jaar liep dat cijfer op naar 175.074 kilo.

    ‘Dat we in Galicië een probleem hebben kunnen we niet ontkennen, maar de situatie is niet dramatisch,’ zegt Lino Sexto, onderdirecteur van de kustwacht van Galicië. ‘We hebben vooruitgang geboekt in de strijd tegen een oud probleem waartegen het moeilijk optreden is. Visstroperij is pas sinds de wetsherziening van 2015 een misdaad waar gevangenisstraf op staat. Tot nu toe is nog geen enkele stroper achter de tralies beland. Ze betalen liever een boete. Sommigen voelen zich onaantastbaar,’ aldus Lino.

    In Muxía, een vissersdorpje aan de Costa da Morte, vertelt de gepensioneerde eendenmosselvisser Moncho do Pesco dat de stropers in speedboten met zware motoren aan komen varen. ‘Ze duiken naar de rotsen die onder het wateroppervlak liggen en plukken ze kaal. In één nacht kunnen ze zesduizend euro verdienen en ze gaan een derde van het jaar op pad. Tel uit je winst!’

    Moncho legt uit dat ze over land en over zee komen. Ze posten, soms zelfs gewapend met stokken en knuppels, op strategische plekken, waarna ze weer vertrekken met kratten vol eendenmossels. ‘Net als die lui die smokkelen.’

    ‘Ze zitten overal, maar hoeven dit niet te doen. De georganiseerde visstroperij levert veel meer geld op dan de tabaks- en drugssmokkel’

    Suso is controleur van de vissersgilde San Telmo de Pontevedra. De vissersgildes in Galicië zijn verplicht om om de beurt de kust te inspecteren op illegale vispraktijken. Op veel kustplekken wordt die afspraak niet nageleefd, en waar men dat wel doet maken de controleurs geen schijn van kans tegen de stropers. ‘Maffiosi zijn het, schrijf dat maar op: maffiosi!’ schreeuwt Suso boos, terwijl hij in de haven van Campelo een touw van zijn vissersboot losgooit. ‘Vorige maand hebben ze mijn auto in de fik gestoken en vorige week moesten de koplampen van mijn andere auto het ontgelden. Gisteren werd ik aangevallen en zijn mijn brillenglazen gebroken. Ze zijn nog erger dan drugshandelaren!’ schreeuwt Suso, ons gesprek afkappend.

    In Galicië heb je zeevruchtenstropers die illegaal een paar kilo eendenmosselen en zwemkrabben vangen om te overleven. Het is kruimelwerk vergeleken met de tonnen zeevruchten die de grote jongens zwart verkopen en de duizenden euro’s die ze ermee omzetten. Ze verkopen vooral venusschelpen, coquilles en scheermessen, want die worden het hele jaar door gegeten en leveren het meeste geld op.

    ‘Ze zijn goed georganiseerd, verdienen tonnen en lopen er gewoon mee te koop. Ze rijden in dikke auto’s, varen in zware boten en schaffen appartementen aan. Ze gedragen zich als drugshandelaren,’ vertelt een lid van een vissersgilde. ‘En een paar zijn dat ook. Ze houden zich bezig met drugshandel, tabaksmokkel en visstroperij. De Os Fanchos-clan, bijvoorbeeld, van die kerel die Diana Quer heeft vermoord. Ze zitten overal, maar hoeven dit niet te doen. De georganiseerde visstroperij levert veel meer geld op dan de tabaks- en drugssmokkel.’

    ‘Het probleem is dat bijna iedereen weet wie ze zijn,’ zegt Lino Sexto. ‘Stropen is de normaalste zaak van de wereld, het wordt in Galicië geaccepteerd. Die lui werken niet in de luwte, integendeel, ze houden van machtsvertoon. Door de storm lag een paar dagen geleden het hele strand bezaaid met coquilles. De mensen wisten er wel raad mee. Maar zelfs de burgemeester beweerde dat zoiets normaal was. En hij is nog wel bioloog! De mensen beseffen niet hoeveel schade illegale visvangst aanricht,’ aldus Lino.

    Ook in Muxia zegt Moncho heel goed te weten wie zich bezighoudt met de illegale vangst van eendenmosselen. ‘Wat kan ik doen? Ruziemaken met die lui? Dat is mijn werk niet.’ In de stad la Coruña hoort de clandestiene verkoop van coquilles tot het straatbeeld. In een halve ochtend hebben de stropers hun buit op straat verkocht.

    Onder controle

    ‘Een paar jaar geleden hadden we veel problemen op de O Burgo, de riviermond die vlak bij la Coruña ligt,’ vertelt kustwachter Enrique Rodríguez. Verschillende families jatten daar venusschelpen en gebruikten hun kinderen als schild tegen ons. Ik kreeg klappen en hield er een kapotte wenkbrauw aan over. Een tijdje geleden was er zelfs een vuurgevecht met de Guardia Civil.’

    Ook Javier – hij wil evenmin met zijn echte naam in de krant – stroopt zeevruchten. Maar hij maakt geen grote omzet, zoals Ramón. ‘Ik doe dit om een boterham te verdienen. Wat doe ik verkeerd? Ik werk alleen maar. Wat heeft de kustwacht met mij te schaften? Een paar van ons zijn gewelddadig, voor het overgrote deel zijn we eerlijke mensen die de kost willen verdienen voor onze gezinnen.’

    In de haven van Marín, vlakbij Pontevedra, nodigt Enrique ons uit voor een tochtje op de Irmáns García Nodal, een van de vaartuigen die de kustwacht inzet op zijn kruistocht tegen de illegale visserij. Stuiterend over de golven van de rivier legt Enrique uit dat de kustwacht acht uitvalbases heeft langs de hele kust. ‘Ze verlinken elkaar om de haverklap. We krijgen aan één stuk door informatie doorgespeeld. Dat gaat van: hé, die gaan vanavond op stap, en die hebben geen vergunning. We hebben onze informanten.’

    Volgens Ramón gaat de informatie beide kanten op. ‘Ik weet precies op welke dagen en om hoe laat de kustwacht uitvaart. Wij hebben daar onze mannetjes zitten. De boel is onder controle,’ vertelt Ramón glimlachend. En als de kustwacht toch onverwacht komt, dan krijgen ze hen nooit te pakken. De stropers hebben de krachtigste motoren van de hele riviermond.

    Een vissershaven in Galicië. – © Flickr
    Een vissershaven in Galicië. – © Flickr

    ‘We moeten ons richten op de handelsstromen, daar draait het om,’ verzekert Lino Sexto me. De stropers raken hun handel probleemloos kwijt. ‘Ik verkoop mijn visvangst aan de beste restaurants in la Coruña en Santiago. Als ik namen noem dan val je van je stoel,’ vertelt Ramón. ‘Ik lever wat ze bestellen, de rekening gaat op naam van een collega beroepsvisser en klaar is Kees.’

    Onderdeel van het probleem is dat de illegale vangst wordt afgezet bij kwekerijen, visverwerkingsbedrijven en visafslagen. Veel zeevruchtenstropers hebben een vergunning, en anders heeft iemand anders uit de groep er wel een. De vangst zit overal en nergens. ‘Wee de dag dat er serieus onderzoek wordt gedaan naar de visverwerkingsbedrijven in Galicië,’ zegt Ramón.

    Hij doet zijn verhaal in een restaurant in Rías Baixas. Als ons gesprek is afgelopen staat hij op en wijst naar een leeg aquarium waar zeevruchten in horen te zwemmen. ‘Weet je waarom dat ding leeg is?’ Niet Ramón zelf maar de ober van het restaurant geeft uitleg: ‘Je hebt ons al een maand niets gebracht!’ Iedereen schiet in de lach.

    ‘Niemand geeft elkaar aan en iedereen laat het gebeuren, omdat iedereen boter op zijn hoofd heeft’

    Niemand van de vele leden van de vissersgilde Costa da Morte is bereid te praten. Een voor een weigeren ze een interview als ze horen dat het over de illegale visvangst gaat. Nadat meer dan een dozijn mannen heeft bedankt, komt er een die ook anoniem wil blijven. Hij fluistert: ‘Weet je waarom niemand wil praten? Omdat de meeste vissers zich niet aan de regels houden, ze hebben allemaal boter op hun hoofd. Zij stropen net zo goed.’

    ‘De meeste, zeg je?’ vraagt Ramón, de zeevruchtenstroper uit Rías Baixas. ‘Het is honderd procent, dat weet ik zeker. Zij zijn de echte maffia.’

    ‘Vijfennegentig procent van de overtredingen en van het probleem komt daar vandaan,’ zegt Lino Sexto. ‘De vangst, het volume, de quota vormen een groot probleem.’ De visser van de Costa de Morte gaat verder waar hij gebleven was: ‘Iedereen belazert hier de boel en trekt zijn eigen plan. Er is geen commitment, geen eensgezindheid. Zo gaat dat in Galicië. Niemand geeft elkaar aan en iedereen laat het gebeuren, omdat iedereen boter op zijn hoofd heeft.’

    ‘Er is geen werkelijk besef van wat het probleem behelst,’ vult Lino aan. Ramón de stroper maakt het fijntjes af: ‘Nooit heeft men een serieuze poging gedaan om zich daar bewust van te zijn. Als men het echt goed zou doen, als de zeevruchtenvissers een goede opleiding zouden krijgen, dan was dit probleem in twee dagen opgelost.’

    Auteur: Nacho Carretero
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    Openingsbeeld: © Flickr

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • In Abchazië gaat filosofisch alles goed

    In Abchazië gaat filosofisch alles goed

    Een Russische journaliste reist met haar zoontje door Abchazië, en valt van de ene verbazing in de andere. In Europese ogen is het ministaatje in de Kaukasus primitief en straatarm, maar dat lijkt de onverzettelijke bewoners niet te deren. ‘Laten we drinken op de vrijheid.’

    ‘Geen vuilis weggooien’, staat er in het Russisch op een betonnen muur die langs 
het strand van Goedaoeta loopt. ‘Kijk, we volgen de Russische wetten bijna naar de letter,’ zegt de Abchazische kunstenaar Nodar Tsvizjba, die een stukje met me meereist. ‘Maar weet je wat onze 
redding is? Onze spelfouten.’

    Tussen het station van Vesjoloje, de grenspost met Rusland, en Soechoemi, het eindstation, rijdt de trein met een slakkengang. In Abchazië kun je maar beter geen haast hebben. De wegen zijn er slecht en er lopen koeien op. Vanuit de trein zie ik statige ruïnes van oude stations voorbijglijden. Gagra, Goedaoeta, Psyrtscha, Novy Afon, als even zovele overblijfselen van een ingestort rijk. Bloemblaadjes van de oleander liggen verspreid tussen de Dorische zuilen, klimop kronkelt in golven over de fijnzinnige reliëfs van art-decolantaarnpalen. De trein baant zich traag een weg door deze welig tierende begroeiing.

    ‘Geen grotere luilakken dan de Abchazen,’ tiert de conducteur terwijl hij vol afgrijzen naar dit prachtige tafereel kijkt. ‘In de tijd van de Sovjets waren de spoorlijnen netjes, de stations versierd met witte bloembakken. En nu? Ze doen er niets aan!’ Ik voer aan dat het oorlog is geweest. ‘Maar dat is al twintig jaar geleden!’ ‘En daarna kwam de economische blokkade…’

    De conducteur wuift alles weg. ‘Het zijn wel de Russische Spoorwegen die dit allemaal financieren! Kijk nou hoe de spoorbaan erbij ligt! Waar is het geld gebleven, vraag ik u!’ Net als elke zichzelf respecterende Rus ziet hij zich als een barmhartige Samaritaan die een horde arme sloebers helpt. Maar zo zit het niet. Het klopt dat de Russische Spoorwegen Abchazië in 2009 een krediet hebben verstrekt. Met dat geld zijn bruggen en spoorlijnen hersteld. Nu moet Abchazië die lening terugbetalen. Maar met de minieme begroting die het land heeft, gaat dat wel even duren. Abchazië betaalt altijd de hoogste prijs. Zowel voor de spoorwegen als voor de eigen onafhankelijkheid, ja eigenlijk voor het hele voortbestaan van het land.

    Het verlaten Psyrtscha-treinstation in de buurt van Nieuw Athos. Vroeger kon je hier de trein nemen naar Moskou. De spoorweg bestaat nog steeds. – © Ioanna Sakellaraki / HH
    Het verlaten Psyrtscha-treinstation in de buurt van Nieuw Athos. Vroeger kon je hier de trein nemen naar Moskou. De spoorweg bestaat nog steeds. – © Ioanna Sakellaraki / HH

    ‘Hé adelaartje, hier komen!’ Ljosja Agrba, bij wie we in Novy Afon logeren, weet mijn zoontje Fjodor op straat bij zijn broek te grijpen. Verlegen stribbelt hij tegen, maar Ljosja houdt hem stevig vast. ‘Luister eerst even. Je zag best dat er oudere mensen in de kamer zitten. Je hebt ze niet eens gedag gezegd en je wilde ons ook voorbijrennen zonder iets te zeggen. Dat doe je hier niet…’ Fjodor kijkt hem ondeugend aan, maar lijkt wel sorry te willen zeggen. Twee dagen later volgt hij Ljosja vol bewondering, helpt mee in huis en luistert verzaligd naar zijn preken over hoe je je in Abchazië hoort te gedragen.

    De alamys is de traditionele ethische code in Abchazië. Die bepaalt hoe je je moet gedragen tegenover ouderen, bezoek, vijanden, dieren en planten. In Abchazië vreest iedereen twee dingen: dat het land opnieuw onder Georgisch protectoraat komt, en dat de alamys verloren gaat. In beide gevallen zou dat het einde van het land betekenen. ‘Weet u, ik heb nooit aan politiek gedaan,’ zegt Nodar Tsvizjba. ‘Wat heb je daaraan? We moeten zorgen dat onze taal en onze tradities blijven bestaan. We zijn maar een minuscuul eilandje met een heel oude cultuur. We hebben het Abchazisch weten te bewaren zoals dat in de elfde en twaalfde eeuw gesproken werd. Wij hebben bijvoorbeeld geen woord voor “dood”. We zeggen “mijn ziel is geboren”. En voor “ik hou van jou” zeggen we “ik zie je in het echt”. Nu ik hier belangrijk sta te doen, zouden ze van mij in het Abchazisch zeggen dat ik je mijn paard laat zien. 
Het “ik” is bij ons taboe.’

    Door de alamys is de Abchazische samenleving voor Europeanen moeilijk te doorgronden. Hier wordt bijvoorbeeld de traditie van de eremoord nog volop in stand gehouden. ‘Een jongen bedenkt zich wel twee keer voordat hij een jong meisje onteert,’ legt Ljosja Agrba uit, ‘want hij weet dat ze zal worden gewroken. Binnen een half uur of over tweehonderd jaar, maar gestraft zal hij worden. We gaan dan nooit naar de politie. Er is de familie. En die vergeeft niemand.’ In een land waar elk gezin wapens bezit, is deze 
traditie van bloedwraak heel effectief. Afgezien van wat kleine delicten tegen toeristen is er geen sprake van criminaliteit.

    Elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin

    Een ander krachtig afschrikmiddel: de befaamde Abchazische gastvrijheid. Zelfs als een vijand zijn toevlucht zoekt bij een naaste van zijn tegenstander, dan wordt hij een gast en krijgt hij bescherming. Die vervloekte gastvrijheid brengt de Abchazen tegenover toeristen in een netelige situatie. In feite zouden Fjodor en ik de voornaamste inkomstenbron van onze gastheer moeten zijn. Maar elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin.

    Het kernbegrip van de alamys is het geweten. Een Abchaas ‘sterft levend’ door iets te doen wat tegen zijn geweten indruist. En dat brengt de Abchazen vaak in een lastig parket. Als ik naar een vernield gebouw wijs, waarvan je er hier veel hebt, en ik aan mijn gesprekspartner vraag waarom het er zo bij staat, slaat hij zijn ogen neer en zegt dat het door de oorlog komt. Terwijl deze plek helemaal niet door de oorlog is getroffen – de ramen en deuren van dit gebouw zijn tijdens de blokkade gestolen. Deze Abchaas wil niet liegen, maar hij schaamt zich. Pchasjtsjarop wordt dit soort schaamte genoemd die 
je niet voor jezelf voelt, maar voor je hele volk en je land. Dat maakt de Abchazen tot een volk waarmee het moeilijk vechten is.

    Ik vraag aan Nodar om me over de Kaukasusoorlog te vertellen [die duurde van 1817 tot 1864 en leidde tot de annexatie van Ciskaukasië door het Russische keizerrijk]. ‘Dat zal Ljosja Agrba me niet in dank afnemen,’ zegt hij. ‘Het is verkeerd om daar met 
Russen over te praten.’ Ik blijf zwijgen en doe alsof het me niet echt interesseert. Dan barst Nodar los: ‘Omdat Sjamil [de imam van Dagestan die het verzet van de Tsjetsjenen en de Dagestanen tegen het leger van de tsaar leidde] gecapituleerd heeft. Wij waren de enigen die zich tot het einde toe hebben verzet. De Abchazen en de Oebychen. De Engelsen hadden de Oebychen met artillerie bewapend. Een Russische generaal vroeg aan een Oebychse vorst: “Wat moet je nog met al die artillerie? Je volk is uitgeroeid.” Waarop de prins antwoordde: “Ik snijd zwangere vrouwen de buik open, dan kunnen hun baby’s op jullie schieten.” Wat een haat!’

    Strand bij Nieuw Athos, een populaire kustplaats aan de Zwarte Zee. – © Sasha Mordovets / Getty Images
    Strand bij Nieuw Athos, een populaire kustplaats aan de Zwarte Zee. – © Sasha Mordovets / Getty Images

    Toen de laatste Abchazische en Oebychse strijders naar de kust waren teruggedreven, kregen ze het aanbod om zich over te geven of naar Turkije te vluchten. Alle Oebychen en bijna een half miljoen Abchazen [vooral de moslims onder hen – veel Abchazen die oorspronkelijk orthodox waren, hadden zich tijdens de Ottomaanse invasie in de vijftiende eeuw tot de islam bekeerd] kozen er toen voor naar Turkije te gaan. Deze demografische ramp heet hier machadzjirstvo en blijft in Abchazië een pijnlijke episode. Tegenwoordig zijn er nog maar honderdduizend echte Abchazen in Abchazië zelf, maar er wonen er een miljoen in Turkije.

    De langzame, vaak geïnstitutionaliseerde verdrijving uit hun eigen land die in de negentiende eeuw begon, is in de twintigste eeuw doorgegaan. In 1931 verloor Abchazië de status van republiek en werd onderdeel van Georgië. Daarna moesten er in de jaren veertig onder het bewind van Stalin duizenden Georgiërs gedwongen verhuizen naar Abchazië. Abchazisch spreken werd verboden, er was veel discriminatie bij het aannemen van personeel, Abchazische scholen werden gesloten… Volgens de bevolkingspolitiek van Stalin moesten minderheidsvolken zich vermengen met grotere volken, die op hun beurt weer moesten opgaan in de nieuwgevormde gemeenschap van het Sovjetvolk. Na Stalins dood was er niemand die een ander beleid wilde. Met als gevolg dat bij dit nog latente etnische conflict de spanningen steeds verder opliepen.

    Maar meteen na de val van de Sovjet-Unie kwam het tot uitbarsting. Georgië en Abchazië riepen [in 1991] tegelijkertijd hun onafhankelijkheid uit en kozen elk hun eerste president: Edoeard Sjevardnadze en 
Vladislav Ardzinba. Georgië tekende meteen protest aan tegen de onafhankelijkheidsclaim van Abchazië. Vervolgens zijn beide landen begonnen aan gecompliceerde en eindeloze onderhandelingen. Op 14 augustus 1992 maakte de Opperste Sovjet van Abchazië zich onder voorzitterschap van Ardzinba op om een ontwerp voor een federale grondwet met Georgië te ondertekenen. Maar diezelfde ochtend vielen Georgische troepen Abchazië binnen en trokken op naar Soechoemi.

    In deze oorlog tussen Georgië en Abchazië [die tot eind 1993 heeft geduurd] stond Rusland officieel aan Georgische zijde. En Abchazië, dat soldaten noch wapens bezat, kreeg geen enkele steun uit Moskou. Integendeel. Nadat het als door een wonder de Georgiërs had teruggedreven, heeft het acht jaar lang te maken gehad met een economische blokkade van Rusland. Pas in 2000 is die blokkade weer opgeheven. In augustus 2008 heeft Rusland de onafhankelijkheid van Abchazië erkend. De Abchazen zijn daar enorm dankbaar voor. Maar ook al zeggen ze ‘voor 
de Russen’ te zijn, de machadzjirstvo, de oorlog en de blokkade vergeten ze niet. Voor Abchazië vloeit de keuze voor Rusland voort uit de geschiedenis. Een lastige keuze is het wel. ‘Ik heb een hele militaire uitrusting thuis. Ljosja ook. We zijn hier allemaal goed bewapend. Mijn kinderen konden al op hun zesde schieten,’ zegt Nodar kalm. Hij lacht. Abchazië staat duidelijk klaar om zijn onafhankelijkheid tegenover wie dan ook te verdedigen. Georgië, 
Rusland, de Verenigde Staten, voor die jongens 
daar is het allemaal één pot nat.

    Vrijheid: een groot goed

    De moderne geschiedenis van Abchazië start met de oorlog tegen Georgië. Maar alles begon al veel eerder, met de voorouders van de Hettieten die drieduizend jaar voor Christus uit Klein-Azië kwamen. Abchazië is een van de zeldzame streken op de wereld waar 
de oorspronkelijke bevolkingsgroepen zich hebben weten te handhaven.

    Abazijnen, Oebychen, Adygeërs, Kabarden en Tsjerkessen: ze zijn allemaal verwant aan de Abchazen. Wanneer die laatsten je beginnen te vertellen over de geschiedenis van hun land, dan wordt het een ware mythologie, of het nu over de moderne tijd of de oudheid gaat. Hun vermogen om uit elke gebeurtenis een tijdloze, universele les te trekken, is iets wat Europeanen irriteert omdat ze er een vorm van propaganda in zien. Toch gaat het hier niet alleen om een verschil in perceptie, maar ook om een andere verhouding tot de tijd. Gebeurtenissen herhalen zich en elk nieuw hoofdstuk in de geschiedenis heeft voor Abchazen hetzelfde gewicht als gebeurtenissen van duizenden jaren her, als je ze tenminste als universeel relaas opvat. Europeanen zien dat als vorm van primitief bewustzijn, terwijl het voor de Abchazen een vorm van wijsheid is die zorgt voor continuïteit van de geschiedenis.

    Bij Ljosja Agrba drinken we elke avond zoete wijn in de grote serre van zijn huis. Buiten rommelt de donder en valt er regen. ‘Weet je,’ begint Ljosja ernstig, ‘wij zijn altijd vrij geweest. Hier is nooit sprake van lijfeigenschap geweest, bij ons kon elke boer tegen zijn landheer zeggen wat hij dacht. En de landheren vertrouwden hun kinderen toe aan de dorpelingen, zodat ze opgroeiden met de tradities van hun land.’

    Door de hele geschiedenis van Abchazië heen is er vreemd genoeg maar zelden sprake van ambitie. Geen oorlogen – hooguit defensieve – geen pogingen om zich te onderwerpen aan de hoogste bieder of om een uiterst bescheiden economie te versterken. Het gevolg is klip en klaar: in Europese ogen is Abchazië straatarm. Er is hier niets wat oligarchen zou kunnen aantrekken of de interesse van de georganiseerde misdaad kan opwekken. De negen jaar durende economische blokkade heeft de lokale industrie de genadeslag gegeven. De landbouw is het net zo vergaan. Zelfs nu is er voor de thee, tabak en de mandarijnenoogst nog geen goed georganiseerd exportsysteem. ‘Zie je die bergtoppen?’ vraagt Ljosja verbitterd terwijl hij naar een bergketen wijst. ‘Ik heb er vier hectare land. Het paradijs. Ik heb er honderd ananasguaves geplant. En kaki’s, mandarijnen, avocado’s. En dat allemaal voor niets. Alles staat daar weg te rotten. Ik heb hier niemand aan wie ik dat fruit kan verkopen. En hoe krijg ik het naar Rusland? Ik ga het er echt niet zelf naartoe brengen.’

    Deze slijterij ‘verkoopt niet aan Obama’. – © Sasha Mordovets / Getty Images
    Deze slijterij ‘verkoopt niet aan Obama’. – © Sasha Mordovets / Getty Images

    Behalve de Abchazen zelf heeft niemand interesse voor de rijkdommen van dit land: een fantastische flora met meer dan 3500 soorten – waarvan de helft inheems –, een bijzondere fauna, bossen en rivieren vol wild en vissen, en ten slotte ongelooflijk goede grond waarop alles wil groeien, van wortels tot avocadobomen. Maar in deze tijd weegt de rijkdom van de natuur niet meer op tegen de armoede van de overheid. En gek genoeg lijkt niemand zich daar hier druk over te maken.

    ‘Praktisch gezien lijken we misschien in een wat lastige situatie te zitten,’ geeft regeringswoordvoerder Beslan Goerdzjoea toe, terwijl hij een fles Lychny [wijn] ontkurkt. ‘Maar filosofisch gezien gaat alles goed.’ We zitten in een café aan zee in Soechoemi. Achter ons tekenen zich de spookachtige silhouetten van de haven af met zijn kranen, die gelukkig recentelijk zijn vernieuwd. Oude Abchazen met de hoekige gezichten van bergbewoners wandelen trots over de promenade. ‘Je moet de situatie niet met een Europese blik bekijken,’ vervolgt Goerdzjoea. ‘Neem nu centrale verwarming. Die hebben we niet, dat klopt. Maar de winters zijn hier erg zacht en alle gebouwen hebben elektrische verwarming. Door onze eigen energiebronnen is elektriciteit hier spotgoedkoop.’ Met zijn bergrivieren is Abchazië een paradijs voor energietechnologen. Tegenwoordig kan de waterkrachtcentrale aan de Ingoeri het hele land van licht voorzien en ook nog energie aan Georgië leveren. 
Bij gebrek aan vraag liggen vier andere centrales stil. Deze economie die zo zwak lijkt, is dankzij de eigen energievoorziening en de landbouwproductie in staat om te overleven, zelfs tijdens de diepste laagconjunctuur.

    Het volk heeft het laatste woord

    ‘Maar er ook een democratisch paradijs van maken, dat kunnen jullie niet. Door de corruptie.’ ‘Dat klopt. Maar wij zien de democratie niet als een paradijs. Voor ons betekent democratie dat het volk het laatste woord heeft. In die zin zijn wij democratischer dan Rusland. Als onze president zich morgen laat omkopen door Poetin en een referendum zou organiseren over aansluiting van Abchazië bij Rusland, dan werd hij binnen twee uur afgezet. De politie zou niet eens hoeven in te grijpen.’

    Net als in de hele post-sovjetwereld moet hier politiek behoedzaam worden gemanoeuvreerd. Mocht Rusland besluiten de schaar te zetten in de kaart van Abchazië, dan wordt het oorlog. In dat geval heeft Abchazië de beste kansen. Vooral omdat het beleid van het ministaatje – balancerend tussen respect voor de gemeenschappelijke belangen en een modernisering die niet gericht is op economische slavernij maar op ontwikkeling – laat zien welke kant het op moet.

    Tijdens de oorlog leidde Nodar aan het oostfront een patrouille verkenners. Toen de Georgische troepen de grens overkwamen, was dat net in het toeristisch hoogseizoen. De kinderen op de stranden wezen lachend naar de vliegtuigen. Die vliegtuigen waren op weg om de hoofdstad te bombarderen. Binnen amper drie dagen bereikten de Georgiërs Soechoemi en bezetten de stad. Ook Gagra werd ingenomen. Het kleine Abchazië maakte zich onmiddellijk op voor de strijd. De jachtgeweren werden van zolder gehaald. De oorlog heeft aan Abchazische kant vijfduizend doden geëist. Op een totale bevolking van 250 duizend mensen is dat ontzettend veel. En ontzettend is ook het woord dat alle Abchazen gebruiken als dit conflict ter sprake komt.

    Nodar steekt een sigaret op en schenkt iedereen nog een rondje van die heerlijke zoete wijn in. ‘Oorlogen beginnen in de grote steden en bij de banken,’ zegt hij terwijl hij zijn glas heft. ‘Daar tellen ze de miljoenen. Hier komen we in opstand, we strijden en we vallen. Daarginds is het niet meer dan een spel, hier is het de werkelijkheid. Je vroeg me naar de zin van die oorlog. Die zit in wat we hebben meegemaakt.’ Hij heft zijn glas. ‘Laten we drinken op de vrijheid!’

    Auteur: Olga Andreeva

    Openingsbeeld: Een voormalige sovjetfabriek in Tkvartsjeli, vlak bij de Zwarte Zee. – © Ioanna Sakellaraki / HH

    Roesski Reporter
    Rusland| weekblad | oplage 168.000

    Nieuwsmagazine, onderdeel van de Kommersant-groep die ook de grote Russische bladen Expert en Kommersant (beide gericht op ondernemers) uitgeven. Deze publicatie heeft als doelgroep de middenklasse en besteedt extra aandacht aan fotografie.

    schermafbeelding 2017 07 13 om 10 17 06 am
  • Teruggevonden in een rioolbuis

    Teruggevonden in een rioolbuis

    In de mortuaria van Zuid-Afrika blijven jaarlijks duizenden personen ongeïdentificeerd. Niet alleen uit het land zelf, maar ook uit de rest van het continent.

    Een op de tien personen die in 
de mortuaria van de provincie Gauteng belanden, blijft 
ongeïdentificeerd. Hun lichamen liggen maandenlang weg te kwijnen in overvolle en slecht geoutilleerde centra voor forensische pathologie: het vlees begint langzaamaan te rotten, omdat de koeling het onvermijdelijke verval niet tot in de eeuwigheid kan tegengaan. Uiteindelijk, als niemand hen komt ophalen en het onverantwoord 
is ze nog langer in het mortuarium te houden, worden ze en masse afgevoerd naar een openbare begraafplaats en naamloos, zonder rouwenden, begraven. Zodra ze eenmaal onder de grond liggen, slinken hun kansen om alsnog te worden opgegraven en geïdentificeerd tot nagenoeg nul. En zo ook de kans om de familie te verwittigen en de verantwoordelijke partij – als die er is – voor het gerecht te brengen.

    Dr. Ericka L’Abbé, forensisch patholoog van de Universiteit van Pretoria, houdt een schedel omhoog die voor leerdoeleinden in de collectie van de universiteit is opgenomen en al geruime tijd geen huid meer heeft. Ze wijst op de verbrijzelde plekken op de schedel, die met lijm is gerepareerd. ‘Ze hebben zijn hersenpan ingeslagen. Alleen al op zijn hoofd heeft hij minsten tien klappen gekregen, dus er is sprake van ernstig letsel, en daarnaast hebben ze zijn 
handen verbrijzeld.’ L’Abbé zucht en kijkt op. ‘Maar we zullen nooit weten wie deze persoon is. En als je niet weet wie het slachtoffer is, zul je ook nooit weten wie de dader is. In dit land kun je eenvoudig wegkomen met moord, gewoon het lijk ergens in een veld – of in dit geval een rioolbuis – dumpen en klaar. Het enige wat je nodig hebt is een baksteen. Het is hartverscheurend dat niemand naar hem op zoek is.’

    Zuid-Afrikaanse mortuaria kunnen het aantal lichamen nauwelijks aan. – © Kristen van Schie
    Zuid-Afrikaanse mortuaria kunnen het aantal lichamen nauwelijks aan. – © Kristen van Schie

    Alleen al in Gauteng worden jaarlijks 1300 tot 1600 lijken, oftewel drie per dag, bijgeschreven op de lange lijst 
van ongeïdentificeerde personen die Zuid-Afrika rijk is. En dan hebben we het nog maar over één provincie. 
‘Dit speelt niet alleen in Gauteng,’ zegt dr. Jeanine Vellema, hoofd van de afdeling Medisch Forensisch Onderzoek van Gautengs acht mortuaria. Van de andere provincies zijn alleen geen gegevens beschikbaar. ‘Ongeïdentificeerde lijken zijn een groot probleem in Zuid-Afrika. Dat geldt overigens voor het hele continent.’

    De reis naar een anoniem einde begint in een mortuarium, oftewel een ‘gerechtelijk geneeskundig laboratorium’ of een ‘centrum voor forensische pathologie’, zoals Vellema het liever noemt, om aan te geven dat ze deel uitmaken van het gerechtelijk systeem.

    In het centrum voor forensische 
pathologie in Hillbrow, Johannesburg, is het op alle maandagen even druk. 
In de schaduw van het Constitutioneel Hof, dat het recht op leven en menselijke waardigheid bewaakt, liggen dertig tot veertig lichamen op autopsie te wachten. De koelcellen, die al bijna 
uitpuilen, kunnen de hoeveelheid 
lichamen nauwelijks aan. Afgelopen jaar werden meer dan drieduizend lijken het centrum met de bladderende gele muren, een van de drukste van 
het land, binnengedragen. Dit jaar zal het waarschijnlijk niet anders zijn. 


    De medewerkers van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium moeten onderzoeken hoe iemand is gestorven, niet wie de dode is – dat is de taak van politie. Maar omdat de lichamen zich blijven opstapelen, zoeken ze naar manieren om de niet-aflatende stroom te kunnen bedwingen. De forensische experts fotograferen gezichten en 
verzamelen vingerafdrukken, en dragen deze informatie over aan de verantwoordelijke rechercheur van de Zuid-Afrikaanse politiedienst (SAPS). Als niemand zich na een paar dagen meldt om het lichaam te identificeren, vergelijkt de politie de vingerafdrukken met de gegevens van plaatselijke strafregisters en de nationale database. Als dat geen resultaat oplevert, worden de vingerafdrukken naar het ministerie van 
Binnenlandse Zaken gestuurd. Iedere Zuid-Afrikaanse staatsburger boven de zestien jaar moet vingerafdrukken afstaan voor een identiteitsbewijs, dus als de database van Binnenlandse Zaken niets oplevert, gaat men ervan uit dat de overledene een buitenlander is.

    ‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest’

    ‘Ik denk niet dat wij, Zuid-Afrikanen, beseffen wat onze mede-Afrikanen moeten doorstaan. Het is in- en intriest,’ zegt Candice Hansmeyer, forensisch patholoog van het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in Hillbrow. ‘Ze komen met lege handen, op zoek naar een beter bestaan, en vervolgens sterven ze hier – en niemand die naar hen taalt. Maar ze doen er 
wel toe: het gaat om iemands kind, iemands dochter, iemands moeder, iemands echtgenote.’

    Het is onmogelijk te schatten hoeveel buitenlanders zich onder de onbekende doden bevinden, omdat we domweg niet weten wie ze zijn. We weten niet eens hoeveel buitenlanders Zuid-Afrika telt, laat staan Gauteng. Volgens de officiële telling uit 2011 zijn er in totaal 2,2 miljoen, maar het werkelijke getal ligt waarschijnlijk vele malen hoger. Volgens de VN telt Zuid-Afrika van alle landen bezuiden de Sahara het grootste aantal buitenlanders. Wat de zaak compliceert is dat veel Afrikanen 
illegaal in Zuid-Afrika verblijven. De kwestie van het grote aantal ongeïdentificeerde lijken, en dus vermisten, omspant het hele continent. Mensen trekken grenzen over, maar data niet. Er is geen continentale of regionale database voor vermisten, of voor gevonden lichamen. In sommige 
landen is er niet eens een fatsoenlijk bevolkingsregister.

    Zuid-Afrika vormt hierop een uitzondering: het heeft een solide forensisch systeem, een Bureau Vermiste Personen, nationale databanken, zowel bij de politie als bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, universiteiten waar forensische geneeskunde wordt gedoceerd en gekwalificeerd, ervaren personeel. Maar de enorme aantallen doen het systeem in zijn voegen kraken: 
Gauteng krijgt jaarlijks te maken met 15.000 tot 16.500 personen die een onnatuurlijke dood zijn gestorven, 
en identificatie vereist onderzoek. 
Een op de tien wordt uiteindelijk nooit geïdentificeerd.

    Blamage

    De politie is zich bewust van de omvang van het probleem. Generaal-majoor Charles Johnson, districtshoofd van de recherche, vaardigde in september 2016 een strikte richtlijn uit met betrekking tot ongeïdentificeerde doden. Johnson stelde dat er ‘veel’ klachten waren binnengekomen over het feit dat ongeïdentificeerde stoffelijke overschotten zonder degelijk onderzoek werden begraven, ‘wat een blamage is, een smet op het blazoen van de politie en in het bijzonder van de recherche’.

    Hansmeyer stopt met het doorbladeren van de dossiers van die dag – in de autopsiekamer beneden liggen vier lichamen op haar te wachten – en kijkt op. Haar lippen vormen een strakke streep. ‘De politie geeft prioriteit aan de levenden. Ik wil niet met een beschuldigend vingertje wijzen, want we lopen allemaal tegen hetzelfde aan: we zijn overbelast en slecht uitgerust. De politie kampt ook met burn-outs 
en oververmoeidheid. Er zitten niet genoeg uren in een dag en niet genoeg dagen in een jaar om overal aan toe 
te komen. Je moet wel prioriteiten 
stellen,’ zegt ze.

    In 2015-2016 werden in Zuid-Afrika 18.673 moorden gepleegd, een stijging van 4,9 procent ten opzichte van 
2014-2015. In de samenleving klinkt 
de roep om maatregelen, en de politie moet simpelweg kiezen tussen 
criminelen opsporen of wegrottende lijken identificeren. Een complete en betrouwbare lijst van vermiste personen zou al een stap in de goede richting zijn, maar zo’n lijst is er niet. Familieleden willen vaak niet naar voren 
treden of iemand als vermist opgeven. Maar er zijn nog andere redenen 
waarom er drie kisten in één enkel 
graf worden neergelaten op Doornkop, de nieuwste begraafplaats waar 
ongeïdentificeerde en niet-opgeëiste doden worden begraven.

    Pas na 23 verzoeken in een tijdspanne van achttien maanden slaagden we erin een officieel interview met de politie te regelen. Uit de reacties, variërend van een oorverdovend stilzwijgen tot een botte, ongemotiveerde ‘nee’, bleek duidelijk dat de politie liever niets over de kwestie wilde loslaten – totdat er opeens, geheel uit het niets, groen licht werd gegeven.


    Brigadier Helena Ras staat aan het hoofd van het Slachtoffer Identificatie Centrum (VIC) van de Zuid-Afrikaanse politie in Pretoria en heeft, onder andere, de afschuwelijke taak om massadoden af te wikkelen. Een massadood betreft een incident met meer dan vijf doden. Dit soort incidenten komen in Zuid-Afrika zo vaak voor dat ze in het radionieuws niet eens onder het hoofdnieuws worden geschaard en 
zelden de voorpagina’s van nationale kranten halen: een minibustaxi botst op een personenauto, een brand breekt uit in een krottenwijk, een gebouw stort in. Zodra het stof is neergedaald moet iemand de wrakstukken en het puin doorzoeken, alle lichamen proberen te identificeren en de families op de hoogte brengen.

    Neem alleen al de N1 op het traject 
tussen Johannesburg en Beitbridge, aan de grens met Zimbabwe. In de vroege ochtend van 13 augustus 2015 botste een minibus tegen een vrachtwagen, het busje vloog in brand met aan boord twaalf passagiers, als ratten in de val; op 2 mei 2016 vielen er 
negen doden toen een taxi tegen een verongelukte vrachtwagen aanreed 
en in vlammen opging. ‘Bij zulk soort ongelukken ontploft de brandstoftank en blijven er alleen verkoolde lichamen over,’ zegt Ras in het hoofdkantoor 
in Pretoria. Eén wand van haar werkkamer gaat volledig schuil achter dozen met dossiers. ‘Anders dan bij bussen of vliegtuigen houden taxi’s geen passagierslijsten bij.’

    Op het genoemde snelwegtraject, 
dat Zimbabwe verbindt met de steden van Gauteng, vol economische kansen, reist een onevenredig groot aantal migranten. Vanwege het ernstige 
lichamelijke letsel bij zware ongelukken is het vaak lastig om een gezichtsreconstructie van het slachtoffer te maken. Het VIC neemt DNA-monsters af, maar zolang zich geen bloedverwanten melden, is er geen vergelijkingsmateriaal.

    Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden

    Azwidowi Nevondo droomt van lijken als ze lang vrij heeft. ‘Dan weet ik dat het weer tijd is om aan de slag te gaan.’ Nevondo is al tien jaar forensisch medewerker bij het gerechtelijk geneeskundig laboratorium in 
Hillbrow, lang genoeg om patronen te herkennen. ‘Het soort lichamen dat wordt binnengebracht beweegt mee met de seizoenen. In de zomer komen bijna dagelijks stoffelijke overschotten in verre staat van ontbinding binnen, omdat het vlees sneller vergaat als het warm is. In de winter zie je veel verkoolde lijken, vanwege de branden die in sloppenwijken om zich heen grijpen terwijl mensen liggen te slapen.’

    Eens per maand komt een door de lokale autoriteiten aangestelde 
begrafenisondernemer langs om de lichamen op te halen die niet langer bewaard kunnen worden, soms wel zeventig in één keer. Een klein deel daarvan is ‘niet-opgeëist’, wat wil 
zeggen dat het slachtoffer bekend is, maar niet door de familie wordt opgeëist. Een kleiner aantal, dat overigens groeiende is, zijn de armlastigen: in 
dit geval kan de familie zich geen begrafenis veroorloven, zodat de staat de kosten op zich neemt. Maar het leeuwendeel van de lichamen die het centrum verlaten is ongeïdentificeerd.

    Volgens de wet moeten stoffelijke overschotten minstens een maand worden vastgehouden, maar manager Ina Botes doet haar best de lichamen zo lang mogelijk in het mortuarium te houden, in de hoop dat de familie wordt getraceerd. ‘Ik lig er ’s nachts wakker van dat mensen in een naamloos graf verdwijnen. Ergens is er een moeder; haar zoon is vermist, en zij denkt dat hij nog leeft.’

    Dit is iets wat speelt in heel Zuid-Afrika, op het hele continent. Mensen denken dat hun familielid nog leeft, dat ze in Johannesburg een bestaan hebben opgebouwd, dat ze hard werken, nieuwe vrienden maken, verliefd worden. Maar in plaats daarvan is hun hersenpan 
met een baksteen ingeslagen en zijn hun handen verbrijzeld terwijl ze zich probeerden te beschermen. Ze worden gemummificeerd teruggevonden in 
een rioolbuis, en nu ligt hun schedel op een plank in de verzameling van een hoogleraar aan de universiteit.

    Auteur: Sarah Wild
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.

  • Een ongelooflijk verhaal

    Een ongelooflijk verhaal

    Een achttienjarig meisje vertelt dat ze is verkracht onder bedreiging met een mes. Vervolgens zegt ze dat ze het allemaal heeft verzonnen. Daar begint dit verhaal, dat werd bekroond met een Pulitzerprijs 2016.

    12 MAART 2009

    Lynnwood, Washington

    Er komt die dag niemand met haar mee naar de zitting, behalve haar pro-deoadvocaat. 
Ze is achttien jaar, haar wordt een ernstige overtreding ten laste gelegd, waarvoor ze tot een 
jaar gevangenisstraf kan krijgen.

    Overtredingen krijgen meestal maar weinig aandacht. Haar zaak is een van de 4859 zaken die in 2008 zijn voorgekomen in de Lynnwood Municipal Court, een rechtbank die tot doel heeft ‘om mensen zich beter 
te laten gedragen – om Lynnwood een prettigere, veiligere en gezondere plek te maken om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren’.

    Maar haar overtreding heeft de kranten gehaald en daarmee komt de nieuwsgierigheid los, maar ook, wat erger is, de hoon. De zaak maakt korte metten met de onlangs verworven onafhankelijkheid die 
zo belangrijk voor haar is na een geschiedenis van pleeggezinnen. De zaak maakt korte metten met haar gevoel van eigenwaarde. Elke keer dat de telefoon begint te rinkelen lijkt er weer iemand de vriendschap te willen opzeggen. Een vriendin uit 
de eindexamenklas belt op met de vraag: Hoe kun je over zoiets liegen? Marie – zo heet ze, Marie – zegt geen woord. Ze luistert alleen maar, hangt dan op. Zelfs haar pleegouders beginnen aan haar te twijfelen. Ze begint aan zichzelf te twijfelen, vraagt zich 
af of er misschien iets mis is met haar.

    Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest

    Ze heeft aangifte gedaan van verkrachting, in haar eigen appartement, door een man die haar heeft vastgebonden en een prop in haar mond heeft gedaan. Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest. Vervolgens geeft ze toe het hele verhaal te hebben verzonnen. Een nieuwszender laat weten: ‘Een vrouw in West-Washington heeft toegegeven dat ze het verhaal 
over een verkrachting eerder deze week uit haar duim heeft gezogen.’ Vervolgens wordt ze aangeklaagd voor het doen van een valse aangifte. Dat is de reden dat ze in de rechtbank moet verschijnen, waar ze 
al dan niet op een schikkingsvoorstel kan ingaan.

    Haar advocaat is verbaasd dat ze is aangeklaagd. Haar verhaal heeft niemand geschaad – er is niemand opgepakt, er is zelfs niemand verhoord. Hij gokt dat de politie zich geschoffeerd voelt. De politie vindt 
het niet fijn om haar tijd te verdoen.

    Het aanbod van de openbaar aanklager is als volgt: als Marie zich het komende jaar aan bepaalde voorwaarden houdt, wordt de aanklacht ingetrokken. 
Ze moet psychologische hulp zoeken omdat ze heeft gelogen. Ze komt voorwaardelijk vrij, maar zal onder toezicht staan. Ze moet zorgen dat ze niet in de fout gaat, dat ze geen wetten overtreedt. En ze moet 500 dollar betalen voor de gerechtelijke kosten.

    Marie wil niets liever dan dit alles achter zich laten. Ze gaat in op het schikkingsvoorstel.

    5 JANUARI 2011

    Golden, Colorado

    Iets na enen op een winterse dag in januari 2011 loopt rechercheur Stacy Galbraith naar een rij eentonige appartementencomplexen, op een flauwe helling in een voorstad van Denver. Op de grond ligt her en der wat sneeuw. Het is winderig 
en vrieskoud. Ze is hier omdat er aangifte is gedaan van een verkrachting.

    Galbraith ziet het slachtoffer staan in een waterig zonnetje voor de deur van haar appartement op de begane grond. Ze is jong, gekleed in een bruine, 
lange jas. In haar ene hand heeft ze een tas met 
spullen. Ze ziet er kalm uit, onaangedaan. Galbraith stelt zichzelf voor. Overal in het appartement zijn mensen van de forensische dienst in de weer. 
Galbraith stelt voor om samen met het slachtoffer 
in een anonieme politieauto te gaan zitten die even verderop staat, zodat ze enige beschutting hebben tegen de ijzige wind.

    De vrouw vertelt Galbraith dat ze 26 is, dat ze een technische opleiding volgt aan een nabijgelegen 
college en dat ze nu vakantie heeft. De vorige avond was ze alleen thuis geweest. Nadat ze een bonenschotel had gemaakt als avondeten, ging ze lekker in bed naar een paar afleveringen kijken van Desperate Housewives, gevolgd door The Big Bang Theory. Uiteindelijk was ze in slaap gesukkeld. Om een uur of acht schrok ze wakker doordat er een man op haar rug dook, die haar tegen de matras drukte. Hij droeg 
een zwart masker, een soort sjaal die hij om zijn hoofd had gebonden. Hij had een pistool in zijn hand, zilverkleurig met zwart. ‘Niet gillen. Eén kik en je bent er geweest,’ zei hij tegen haar.

    Hij wist precies wat hij deed. Hij bond haar handen losjes op haar rug. Uit een grote, zwarte tas haalde hij lange kousen, doorzichtige plastic pumps met roze strikken, glijmiddel, een doosje vochtige doekjes en een flesje water. In de vier uur die volgden verkrachtte hij haar herhaaldelijk. Hij legde het allemaal vast met een digitale camera en dreigde de beelden online te zetten als zij naar de politie zou gaan. Na afloop zei hij dat ze haar tanden moest poetsen en moest douchen. Tegen de tijd dat ze uit de badkamer kwam, was hij verdwenen. Hij had al haar beddengoed 
meegenomen. Eén uiterlijk kenmerk stond haar haarscherp voor de geest: een donkere plek op zijn linkerkuit, zo groot als een ei.

    DNA

    Geschokt hoort Galbraith de vrouw aan. De verkrachting is zo beestachtig; de dader zo bedreven. Er is geen tijd te verliezen. Galbraith zit vlak naast de vrouw, voor in de auto, en ze haalt voorzichtig een paar 
wattenstaafjes over het gezicht van de vrouw om eventueel DNA-materiaal te verzamelen. Vervolgens brengt ze haar naar het St. Anthony North-ziekenhuis. De vrouw krijgt een speciaal medisch-forensisch onderzoek om nog meer DNA-bewijsmateriaal te vergaren. Voor ze met de verpleegster meegaat 
zegt Galbraith: ‘Ik vermoed dat hij dit eerder heeft gedaan.’

    Galbraith keert terug op de plaats delict. Er zijn een handvol agenten en mensen van de forensische dienst bezig. Ze doen buurtonderzoek, maken foto’s in het appartement, keren vuilnisbakken ondersteboven, zoeken overal naar DNA-materiaal, op de muren, op de ramen. Ze zien voetsporen in de sneeuw, die van en naar de achterkant van het appartement lopen, over een kaal terrein. Ze spuiten fluorescerende oranje verf in de voetstappen, zodat ze duidelijk te zien zijn, en maken foto’s. Het is allemaal niet veel. Maar beter dan niets. Een van de agenten zegt dat hij naar het toilet wil. ‘Niets daarvan, gewoon doorwerken!’ zegt Galbraith.

    Als Galbraith die avond naar huis gaat, blijft ze maar malen. ‘Wie is deze man?’ vraagt ze zich af. ‘Hoe krijg ik hem te pakken?’ Galbraith neemt geregeld verkrachtingszaken op zich. Ze is zelf getrouwd, heeft kinderen. Ze kan zich goed inleven in de slachtoffers, die in overgrote meerderheid vrouw zijn. De meesten zijn verkracht door een vriendje of een oude vlam, 
of door iemand die ze hebben ontmoet in het uitgaansleven. In deze gevallen draait het vaak om de vraag of de vrouw al dan niet heeft ingestemd. Heeft de vrouw ‘ja’ gezegd? Vaak een lastige vraag voor zowel politie als openbaar ministerie. Een jury zal niet zomaar iemand naar de gevangenis sturen als het zijn woord is tegen dat van het slachtoffer. Verkrachting door een onbekende komt veel minder vaak voor – slechts in zo’n 13 procent van de gevallen. Maar goed, nu is er het verhaal van deze vrouw. Vertelt ze de waarheid? Of is het een verzinsel, om een uit de hand gelopen seksueel avontuur goed te praten?

    Rechercheur Stacy Galbraith heeft de leiding in de verkrachtingszaak in Golden, Colorado. Ze luistert aandachtig naar het slachtoffer. – © Benjamin Rasmussen
    Rechercheur Stacy Galbraith heeft de leiding in de verkrachtingszaak in Golden, Colorado. Ze luistert aandachtig naar het slachtoffer. – © Benjamin Rasmussen

    In die zin zijn verkrachtingszaken onvergelijkbaar met de meeste andere misdrijven. Er wordt niet alleen geoordeeld over de vraag of de beklaagde schuldig is, maar ook over de vraag in hoeverre het slachtoffer geloofwaardig is. En op het lange, precaire traject van misdrijf naar veroordeling is het de politie die als eerste de feiten weegt. Het is aan de rechercheur om erachter te komen of het slachtoffer al dan niet de waarheid spreekt.

    Galbraith heeft een eenvoudige stelregel: luisteren en verifiëren. ‘Er wordt vaak gezegd: je moet je slachtoffer geloven, je moet je slachtoffer geloven,’ aldus Galbraith. ‘Maar ik geloof niet dat dat de juiste insteek is. Volgens mij gaat het erom dat je naar je slachtoffer moet luisteren. En dan in het verhaal meegaan, of het weerleggen, al naar gelang het 
verdere verloop.’

    Als ze thuiskomt, heeft haar man David de afwas gedaan en de kinderen naar bed gebracht. In de woonkamer laten ze zich ieder op een bank ploffen. Galbraith vertelt wat er die dag is gebeurd. De verkrachter is slim te werk gegaan, hij heeft geprobeerd alle DNA-sporen op de plaats delict te wissen. Voor hij vertrok heeft hij de studente laten zien hoe hij binnen is gekomen, via een glazen schuifdeur. Hij heeft gezegd dat ze het beste een balkje in de sponning kan leggen om toekomstige indringers buiten de deur te houden. Het slachtoffer heeft hem omschreven als een gentleman, zegt Galbraith. Het zal nog knap lastig worden om hem te pakken te krijgen, denkt ze.

    David Galbraith is wel gewend aan dit soort naargeestige verhalen. Ze werken tenslotte allebei bij de politie. Hij werkt in Westminster, zo’n 20 kilometer naar het noordoosten. Golden en Westminster zijn slaapsteden, ingeklemd tussen de wolkenkrabbers in het centrum van Denver en de oprijzende Rockies.

    Dit keer is het anders dan anders. Terwijl David het verhaal aanhoort, komen de details van de zaak hem onrustbarend bekend voor. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze de volgende ochtend meteen contact moet opnemen met het bureau waar hij werkt. ‘Wij hebben er precies zo een,’ zegt hij.

    Lynnwood, Washington

    Ze weet niet of ze op de kleuterschool heeft gezeten.

    Ze weet dat ze honger heeft geleden en hondenvoer heeft gegeten.

    Ze zegt dat ze op haar zesde of zevende onder pleegzorg is komen te vallen.

    Het rapport over Marie – opgesteld door een psychologisch expert die vijf uur lang met haar heeft gepraat – is opgetekend met een klinische afstandelijkheid, en het gaat met name over haar leven voordat ze werd ondergebracht bij pleeggezinnen…

    Ze heeft haar biologische vader slechts één keer gezien.

    Ze zegt dat ze maar weinig weet over haar biologische moeder, die Marie naar eigen zeggen geregeld achterliet bij allerlei vriendjes.

    Ze is zowel seksueel als lichamelijk mishandeld.

    … en daarna: volwassenen, verzorgenden en hulpverleners die komen en gaan, enkele schokkende ervaringen, al dan niet gepaard gaand met misbruik, en een algeheel gebrek aan stabiliteit.

    ‘Ik ben als kind heel veel verhuisd,’ zegt Marie in een interview. ‘Ik heb ook in groepsverband gewoond. Dat laatste twee keer, en ik denk in een stuk of tien, elf pleeggezinnen.’

    ‘Ik gebruikte een stuk of zeven verschillende drugs. En Zoloft is een drug voor volwassenen – dat gebruikte ik op mijn achtste.’

    Marie heeft twee halfbroers en een halfzus van moeders kant. Soms werd ze samen met haar broers en 
haar zus in een pleeggezin geplaatst. Maar meestal werden de kinderen uit elkaar gehaald.

    Niemand legde haar ooit echt uit waarom ze moest verhuizen, of wat er aan de hand was. Ze moest gewoon weer ergens anders heen.

    Toen Marie de puberleeftijd bereikte, leek er een einde te komen aan de jaren van onrust. Haar pleegouders wilden haar adopteren. ‘Ik was echt dol op die mensen en ik maakte veel vrienden,’ zegt Marie.

    Veel kinderen zien als een berg op tegen de eerste dag op de middelbare school. Marie stond echt te popelen. Ze mocht alle vakken volgen die ze wilde. 
Ze had vriendinnen. Ze had eindelijk het gevoel dat ze erbij hoorde.

    Maar op die eerste dag kwam er een maatschappelijk werkster naar school om Marie te vertellen dat het pleeggezin niet langer als zodanig mocht functioneren. Marie kon niet langer bij hen blijven wonen. 
De maatschappelijk werkster kon er verder niets over zeggen.

    ‘Ik moest vooral heel hard huilen,’ zegt Marie. ‘
Ik kreeg iets van twintig minuten om mijn spullen 
te pakken en te vertrekken.’

    In afwachting van een structurelere oplossing trok Marie in bij Shannon McQuery en haar man in Bellevue, een welvarende hightechvoorstad van Seattle. Shannon, een makelaar die al langere tijd pleegkinderen in huis had, kende Marie van bijeenkomsten voor kinderen met een moeilijke achtergrond, en ze voelde zich op een bepaalde manier met Marie verwant.

    Shannon en Marie waren allebei ‘een beetje maf’, om Shannons eigen woorden te gebruiken. ‘We konden om elkaar lachen en we hadden veel lol samen. We leken in veel dingen op elkaar.’ Ondanks alles wat Marie had doorgemaakt was ze niet verbitterd, zegt Shannon. Ze hield contact met eerdere pleeggezinnen. Ze was prima in staat om een gesprek te voeren met volwassenen. Ze ging ’s ochtends zonder problemen naar school.

    ‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien’

    Maar al was Shannon nog zo dol op Marie, ze wist ook dat ze niet zou kunnen blijven, omdat ze al een ander pleegkind in huis hadden dat erg veel aandacht behoefde. ‘We vonden het echt heel erg dat we haar niet bij ons konden houden,’ zegt Shannon.

    Na een paar weken bij Shannon te hebben gewoond ging Marie naar Peggy Cunningham, die als kinderadvocaat werkte in de daklozenopvang. Ze woonde in Lynnwood, een kleinere voorstad op zo’n 20 kilometer ten noorden van Seattle. Marie was Peggy’s eerste pleegkind.

    ‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien,’ zegt Peggy lachend. ‘Maar het was prima. Ik heb een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg en ik had jaren en jaren met kinderen gewerkt. Waarschijnlijk dachten ze bij jeugdzorg: Zij kan het wel aan. Zodoende.’

    In het begin wilde Marie helemaal niet bij Peggy wonen. Marie was gewend aan andere kinderen om zich heen. Peggy had geen kinderen. Marie was dol op honden. Peggy had twee katten. ‘In het begin botsten we nogal,’ zegt Marie. ‘Ik was niet bepaald 
de makkelijkste. Ik heb het gevoel dat mensen vaak een ander beeld van mij hebben dan ikzelf.’

    Peggy, die een vuistdik rapport had gekregen over Maries achtergrond, stond er eigenlijk van te kijken hoe goed ze het deed. Marie had belangstelling voor jongens, tekenen en muziek – of het nou popmuziek, country of gospel was. ‘Ze was heel vrolijk en een en al energie, maar er waren ook momenten dat ze heel geladen was,’ zegt Peggy. Marie wilde niets liever dan erbij horen, wat voor vrijwel alle kinderen geldt. Ze wilde per se een heel vrouwelijke, witte jas met een bontkraag hebben, omdat ze dacht dat meisjes er zo bij hoorden te lopen, maar toen dat niet het geval bleek te zijn, liet ze de jas in de kast hangen.

    Peggy begreep algauw dat de middelbare school waar Marie op zat niet echt geschikt voor haar was – ‘echt van die meidenkliekjes,’ aldus Peggy – en ze ging op zoek naar een school die beter bij haar paste. Daar had Marie het naar haar zin. Ze onderhield nauw contact met Shannon, die grappend zei dat Peggy en zij Marie samen opvoedden – Shannon voor de leuke dingen (laten we lekker gaan varen) en Peggy voor de regels (ik wil dat je zo en zo laat thuis bent).

    Prettig gezelschap

    Via via leerde Marie Jordan Schweitzer kennen, een scholier die een bijbaantje had bij McDonald’s. Uiteindelijk kregen ze verkering. ‘Ze was gewoon heel prettig gezelschap. Het was altijd leuk om met haar te praten,’ zegt Jordan.

    Volgens Marie zelf was de gelukkigste tijd van haar leven zo rond haar zestiende, zeventiende, en de gelukkigste dag van haar leven was misschien wel 
de dag die ze doorbracht met haar beste vriendin, 
die ook in de bovenbouw zat en haar de fijne kneepjes van het fotograferen bijbracht.

    ‘Ik kon echt uren op het strand zitten om naar de ondergaande zon te kijken. Ik deed niets liever. Ze heeft een foto genomen die ik echt prachtig vind. 
We waren naar het strand gegaan, het was een uur 
of zeven ’s avonds, ik weet niet wat ons bezielde, maar ik ging het water in, sprong op uit de golven 
en gooide mijn haar naar achteren.’

    Marie maakte haar school niet af maar probeerde in plaats daarvan een soort staatsexamen te doen. Ze was zeventien en ging tot diep in de nacht uit, wat Peggy zorgen baarde. Er ontstonden spanningen in huis. In het voorjaar van 2008 werd Marie achttien. Ze kon bij Peggy blijven wonen, als ze zich aan bepaalde regels zou houden. Maar Marie wilde op zichzelf gaan wonen.

    Op internet stuitte Peggy op een programma dat onlangs in het leven was geroepen: Project Ladder. Het was het jaar daarvoor opgezet om jongvolwassenen die in pleeggezinnen waren opgegroeid te helpen met de overgang naar een zelfstandig bestaan. Projectmedewerkers zouden de deelnemers bij de hand nemen en ze leren wat de valkuilen waren bij dingen als boodschappen doen, omgaan met een creditcard of een verzekering afsluiten. ‘De spelregels van het leven,’ noemt Marie het. Een van de mooie dingen van Project Ladder was dat men ook zorgde voor gesubsidieerde woonruimte, met voor iedere deelnemer een tweekamerappartementje. ‘Het was een godsgeschenk,’ zegt Peggy.

    Er waren maar een paar plekken, maar Marie wist een plekje te bemachtigen. Ze vond het wel een beetje eng, maar alle huiver werd overwonnen door een gevoel van trots. Ze nam haar intrek in de Alderbrooke Apartments, een rustiek complex dat adverteert met een nabijgelegen winkelcentrum en uitzicht op de watervallen. Marie kreeg ook haar eerste baantje, 
bij [groothandelsketen] Costco, waar ze de klanten bepaalde producten mocht laten proeven. Ze zat er niet mee om zes uur onafgebroken op de been te zijn. Ze vond het leuk om met mensen te kletsen, zonder de druk om iets te moeten verkopen.

    Veel kinderen die uit huis zijn geplaatst raken aan de drugs of belanden in de gevangenis. Maar Marie was er goed doorheen gekomen. ‘Het was fijn om zelfstandig te wonen, zonder alle regels die je in pleeggezinnen hebt,’ zegt Marie. ‘Dit was echt vrijheid. Het was te gek.’

    6 JANUARI 2011

    Golden, Colorado

    De ochtend na de verkrachting in Golden haast Galbraith zich naar haar werk om de tip van haar man na te trekken. Om 9:07 uur stuurt ze een mail naar de politie in Westminster. 
De onderwerpregel is de klemmende vraag: ‘Overeenkomsten verkrachtingszaken?’

    Rechercheur Edna Hendershot in Westminster is net aan haar bureau gaan zitten nadat ze, zoals gebruikelijk, langs Starbucks is gereden voor een Venti, upside-down, skinny caramel macchiato. Ze leest de e-mail, en haar gedachten gaan terug naar vijf maanden eerder, een frisse dinsdag in augustus 2010. In verband met de aangifte van een verkrachting gaat ze naar een appartementencomplex in een arbeiderswijk in het noordwesten van haar stad. Daar vertelt een 59-jarige vrouw dat ze thuis lag te slapen toen er ineens een man boven op haar sprong. Hij droeg een zwart masker. Hij bond haar handen vast. Hij pakte haar roze Sony Cyber-shot-camera en maakte foto’s van haar. Na afloop zei hij dat ze onder de douche moest gaan. Hij zette een keukenwekker zodat ze wist wanneer ze onder de douche vandaan mocht komen. ‘Ik denk niet dat je in de toekomst je ramen nog open laat staan,’ zei de indringer tegen de vrouw, van wie onlangs de man was overleden.


    Krachten bundelen

    Er is meer. Hendershot herinnert zich dat tijdens het onderzoek naar deze zaak een agent haar wees op een voorval in oktober 2009, in Aurora, een voorstadje aan de andere kant van Denver. Destijds had een 65-jarige vrouw de politie verteld dat ze in haar 
eigen huis was verkracht door een man die een zwart sjaaltje om zijn gezicht had geknoopt. Hij had foto’s genomen en gedreigd die op internet te zetten. Tijdens de aanval mepte hij een gele teddybeer van een tafel in haar slaapkamer. ‘Je moet hulp zoeken,’ had de vrouw gezegd, die huismoeder was bij een studentensociëteit. ‘Daar is het al te laat voor,’ had de man geantwoord.

    Rechercheurs willen een zaak soms voor zich houden, uit angst dat er bepaalde details uitlekken die het onderzoek in gevaar kunnen brengen. Ze zijn zich soms niet eens bewust van het bestaan van de FBI-database die jaren geleden is opgezet om recidivisten te pakken, of ze maken er domweg geen gebruik van. Uit onderzoeken blijkt dat het bij een kwart tot 
twee derde van de verkrachters niet om een eenmalig misdrijf gaat.

    Hendershot ziet gelukkig meteen de meerwaarde van samenwerking en de inzet van alle mogelijke middelen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ zegt ze. Galbraith denkt 
er precies zo over. Haar korps is betrekkelijk klein – niet veel meer dan veertig agenten voor een stadje met twintigduizend inwoners. Niets ligt meer voor de hand dan de krachten te bundelen. ‘Ik heb er geen moeite mee om hulp in te roepen,’ zegt Galbraith. ‘Laten we alles op alles zetten om hem te pakken.’

    Een week later zitten Galbraith, Hendershot en rechercheur Scott Burgess uit Aurora samen aan een vergadertafel op het politiebureau van Westminster. Ze leggen hun bevindingen naast elkaar. De beschrijvingen van de verkrachter komen overeen. Net als zijn werkwijze. En er is nog een houvast: de vrouw in de zaak van Galbraith is gedurende de hele, afschuwelijke ervaring scherp gebleven, heeft geprobeerd zo veel mogelijk details te onthouden. Het fototoestel dat de verkrachter gebruikte staat haar scherp voor de geest. Een roze, digitale Sony-camera – een omschrijving die overeenkomt met het toestel dat is gestolen uit het appartement van het slachtoffer in Westminster.

    Galbraith en Hendershot ontmoeten elkaar voor het eerst op die bespreking. De jacht op de verkrachter smeedt een sterke band tussen de twee rechercheurs – beide vrouwen functioneren in een mannenwereld. In Amerika bestaat het politieapparaat voor gemiddeld zo’n 13 procent uit vrouwen. Het is nog altijd een echt mannenbolwerk, vaak met een hiërarchische en militaristische structuur. Maar de beide vrouwen hebben zich een plaats weten te verwerven binnen deze organisatie. Ze zijn opgeklommen.

    Edna Hendershot heeft in haar loopbaan al meer dan honderd verkrachtingszaken onderzocht, als ze de krachten bundelt met Galbraith. – © Benjamin Rasmussen
    Edna Hendershot heeft in haar loopbaan al meer dan honderd verkrachtingszaken onderzocht, als ze de krachten bundelt met Galbraith. – © Benjamin Rasmussen

    Het klikt meteen tussen beide vrouwen. Ze dragen allebei het hart op de tong. Ze maken veel grappen 
en zijn goedlachs. Galbraith is jonger. Ze is een en al energie. ‘Die stormt met 150 kilometer per uur een bepaalde kant op,’ zegt een collega. Hendershot 
heeft meer ervaring. Ze heeft al meer dan honderd verkrachtingszaken gedaan. Ze is behoedzaam, onvermoeibaar, precies – de vrouwen vullen elkaar perfect aan. ‘Met 150 kilometer per uur zie je soms bepaalde broodkruimels over het hoofd,’ aldus dezelfde collega.

    De aanvankelijke pogingen om de verkrachter op te sporen leveren weinig op. De politie in Galbraith weet beelden te bemachtigen van een beveiligingscamera waarop de ingang is te zien van het gebouw waar Galbraiths slachtoffer is belaagd. Een collega-rechercheur bekijkt meer dan twaalf uur korrelig beeldmateriaal. Hij registreert heel nauwgezet 261 auto’s en mensen die in de nacht van het voorval 
zijn gekomen of gegaan. Er is één aanwijzing die misschien bruikbaar is. In de uren vlak voordat de zon opkomt, duikt tot tien keer toe een witte Mazda pick-up op in de beelden. Misschien de verkrachter die wachtte tot de vrouw in slaap was gevallen? Maar pogingen om de eigenaar van de auto te 
achterhalen zijn vruchteloos. Het nummerbord is onleesbaar.

    In de weken die volgen lopen steeds meer sporen dood. Hendershot probeert het met de database die is bedoeld om verkrachters te pakken door zaken in verschillende jurisdicties aan elkaar te koppelen. Het levert enkele doodlopende sporen op. De frustratie neemt toe. ‘Hij gaat nog een slachtoffer maken,’ sombert Galbraith.

    Honingraatmotief

    Eind januari besluiten de rechercheurs dat ze hun onderzoeksterrein moeten verbreden. Hendershot vraagt een van de misdaadanalisten van haar korps om bij andere korpsen naar soortgelijke misdrijven 
te speuren. De analist stuit op een incident in Lakewood, ook een voorstad van Denver, dat ongeveer een maand voor de verkrachting in Westminster heeft plaatsgevonden. Destijds heeft de politie de zaak afgedaan als een inbraak. Maar in dit nieuwe licht bezien heeft het veel weg van een mislukte poging tot verkrachting, en de dader vertoont veel overeenkomsten met de beschrijving van de verkrachter. De analist stuurt Hendershot een berichtje. ‘Ik moet je spreken.’

    In het rapport staat te lezen hoe een 46-jarige kunstenares in haar eigen huis is belaagd door een man met een mes. Hij draagt een zwart masker. Hij probeert haar polsen vast te binden. Maar als de man even de andere kant op kijkt, springt de vrouw uit haar slaapkamerraam. De val van bijna drie meter levert haar drie gebroken ribben en een klaplong op, maar ze weet te ontkomen.

    Op de plaats delict treffen onderzoekers enkele sporen die heel misschien als bewijsmateriaal kunnen dienen. Vlak voor het misdrijf zijn er zware buien gevallen. In de zompige grond onder het slaapkamerraam van de vrouw vindt de politie voetafdrukken. Op het raam zien ze een honingraatmotief.

    Een honingraatmotief. Hendershot gaat ermee aan de slag. De onderzoekers in Westminster hebben soortgelijke afdrukken aangetroffen op het raam van het appartement van het slachtoffer. Hendershot laat de afdrukken vergelijken. De afdrukken van beide plaatsen delict komen overeen. Ze lijken ook overeen te komen met de afdrukken van een stel Under Armour-handschoenen die een rechercheur in Lakewood, heel toevallig, bij Dick’s Sporting Goods heeft gezien.

    Galbraith laat de voetafdrukken natrekken die in Lakewood zijn aangetroffen. Ze komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw bij het appartement van haar slachtoffer in Golden. Ze stuurt afdrukken van de schoenen naar crimeshoe.com, een website die beweert een onderzoek vooruit te kunnen helpen door ‘in één simpele stap’ van een niet nader geïdentificeerde voetafdruk op een plaats delict te komen tot zeer gedetailleerde informatie over de schoen in kwestie. De site, die inmiddels ter ziele is, laat weten dat de afdrukken afkomstig zijn van de Adidas ZX 700 mesh, een schoen die in maart 2005 op de markt is gekomen.

    Er ontstaat een hechte samenwerking: wanneer rechercheur Stacy Galbraith en brigadier Edna Hendershot tot de conclusie komen dat de verkrachtingen het werk zijn van een veelpleger, zoeken ze de samenwerking met andere rechercheurs in Colorado teneinde hem te pakken te krijgen. ‘Twee mensen, 
of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ aldus Hendershot.

    De man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent

    Eind januari 2011 hebben de rechercheurs vier verkrachtingen met elkaar in verband gebracht, allemaal gepleegd in voorsteden van Denver, in een periode van vijftien maanden. Het spoor begint in Aurora, ten oosten van Denver, op 4 oktober 2009, met de 65-jarige vrouw. Dan wordt het negen maanden later weer opgepikt, zo’n 35 kilometer naar het westen, waar de verkrachter de kunstenares in Lakewood belaagt. Weer een maand later wordt de 59-jarige vrouw verkracht in Westminster, zo’n 15 kilometer noordelijker. En tot slot, in januari 2011, volgt de aanval op de 26-jarige vrouw in Golden, dik 20 kilometer ten zuidwesten van Westminster. Als je een kaart zou tekenen, is het bijna alsof de verkrachter vanuit Denver alle windrichtingen heeft willen bestrijken.

    Galbraith en Hendershot proberen door middel van DNA-materiaal de verkrachter te identificeren. Ze hebben de plaatsen delict aan een grondig onderzoek onderworpen. De forensische dienst zoekt naar sporen op ramen, deurkrukken, zelfs op stortbakken van de wc – alles wat de verkrachter maar kan hebben aangeraakt.

    Maar de man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent. Hij weet hoe hij moet zorgen dat hij geen DNA-materiaal achterlaat. Hij gebruikt vochtige doekjes om zijn sperma 
weg te vegen. Hij gebiedt de vrouwen te douchen. Hij neemt hun kleren en beddengoed mee als hij weggaat.
    Hij is heel nauwgezet. Maar niet onfeilbaar. De verkrachter heeft minieme sporen achtergelaten. De technici weten drie monsters van zogeheten ‘touch DNA’ veilig te stellen – slechts zeven of acht huidcellen die met behulp van moderne laboratoriumtechnieken kunnen worden geanalyseerd.

    Een van de monsters is afkomstig uit de keuken in Westminster. Een tweede monster is afkomstig van het slachtoffer in Golden. Een derde van de teddybeer in Aurora.

    11 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood, Washington

    Net even voor negen uur op een maandagochtend reageren twee politiemannen in Lynnwood op een melding van een verkrachting in de Alderbrooke Apartments. Er zijn al een aantal agenten ter plaatse om de plaats delict veilig te stellen. Buiten staat een agent van de hondenbrigade. De hond probeert een geur op te pikken. 
De politiemannen, brigadier Jeffrey Mason en Jerry Rittgarn, hebben het slachtoffer, Marie, op de bank aangetroffen, onder een deken, zo nu en dan huilend. Haar pleegmoeder, Peggy Cunningham, is bij haar. Ook Wayne Nash is aanwezig, haar case manager 
van Project Ladder.

    Marie, die net drie maanden daarvoor achttien is geworden, vertelt de politie dat ze een groot deel van de avond met haar vriendje Jordan aan de telefoon heeft gezeten. Nadat ze eindelijk in slaap is gevallen, schrikt ze wakker van een man met een mes – die haar vervolgens vastbindt, blinddoekt, een prop in haar mond doet en haar verkracht. Volgens haar gebruikte de man een condoom. Over hoe haar belager eruitzag kan Marie maar weinig zeggen. Blanke man, grijze trui. Ze heeft het idee dat de verkrachting heel lang duurde, zegt Marie tegen de politie, maar ze weet het niet zeker. Het is allemaal een grote waas.

    Richtlijnen

    Marie zegt dat ze, nadat de verkrachter eenmaal is vertrokken, met haar voet een schaar uit de onderste la van een kast heeft weten te halen en zichzelf heeft weten te bevrijden, waarna ze Jordan heeft gebeld. Jordan nam niet op, dus heeft ze haar pleegmoeder gebeld en vervolgens de bovenbuurvrouw, die meteen naar beneden is gekomen en het alarmnummer heeft gebeld.

    Mason, die op dat moment 39 is, heeft tot dan toe voornamelijk gepatrouilleerd en drugszaken gedaan. Zijn langste betrekking was bij een klein korps in Oregon, waar hij bijna negen jaar heeft gewerkt en een onderscheiding heeft gekregen voor betoonde moed. Hij komt in 2003 te werken in Lynnwood, bij de narcoticabrigade. Zes weken voordat de melding van Marie binnenkomt, wordt hij gepromoveerd tot brigadier – en overgeplaatst naar de recherche. Tot nog toe heeft hij slechts meegewerkt aan een of twee verkrachtingszaken. Bij deze zaak moet hij de leiding nemen.

    Rittgarn werkt al elf jaar bij het korps, de laatste 
vier jaar als rechercheur. Hij heeft eerder gewerkt 
als technicus in de ruimtevaartindustrie. Daarvoor werkte hij bij het korps mariniers, als specialist helikopterelektronica.

    Het politiekorps van Lynnwood heeft 79 beëdigde agenten, op een inwonertal van rond de 34.000. In 2008 is Maries zaak een van de tien aangiften van verkrachting die bij het korps binnenkomen; met 
zo weinig meldingen beschikt het korps niet over een apart team voor seksuele geweldsmisdrijven.

    Tegen de tijd dat Marie aangifte doet, hebben 
specialisten in seksueel geweld allerlei protocollen opgesteld waarin wordt benoemd waar de problemen en de gevoeligheden schuilen bij het onderzoek 
naar een verkrachtingszaak. In deze richtlijnen, 
die voor alle politiekorpsen beschikbaar zijn, komen veelgemaakte vergissingen aan de orde.

    Zoals in een van de richtlijnen staat, moeten de onderzoekers er niet van uitgaan dat het slachtoffer per definitie hysterisch is in plaats van kalm, dat ze duidelijk zichtbare tekenen van lichamelijke verwondingen vertoont of dat ze in staat is alles tot in detail te beschrijven. Sommige slachtoffers halen details door elkaar of zullen zelfs terugkomen op 
hun woorden. De politie moet ook vooral niet denken in stereotypen – dat een volwassen slachtoffer geloofwaardiger is dan een puber, bijvoorbeeld.
    De politie moet de slachtoffers niet verhoren of 
dreigen met het gebruik van een leugendetector. 
Een leugendetectortest is met name onbetrouwbaar wanneer mensen getraumatiseerd zijn, en kan het vertrouwen van het slachtoffer in het politieapparaat schaden. In veel staten is het gebruik ervan verboden bij mensen die het slachtoffer zijn van een verkrachting.

    ‘Het was net alsof ze het script voorlas van een aflevering van Law & Order’

    Wanneer de politiemensen door Maries appartement lopen, zien ze dat een glazen schuifdeur aan de achterkant niet op slot is, en dat deze een heel klein stukje openstaat. De deur biedt toegang tot een platje, met een houten hekje dat onder het vuil zit – op één stuk na, van ongeveer een meter breed, waar zo te zien iemand overheen is geklommen die al doende het hekje heeft schoongeveegd. Op het bed vindt de politie een schoenveter – kennelijk gebruikt om Marie vast te binden. Boven op een computermonitor treffen ze een tweede veter aan, vastgeknoopt aan een onderbroek: de blinddoek of de prop in haar mond. Beide veters zijn afkomstig uit Maries zwarte tennisschoenen die in de woonkamer staan. Naast het bed ligt een mes met een zwart heft. Marie zegt dat het mes van haar is – het is afkomstig uit haar keuken, en dit is het mes waarmee de verkrachter haar heeft bedreigd. De politie vindt Maries handtas op de vloer van de slaapkamer, haar portemonnee op het bed en haar voorlopige rijbewijs, dat om de een of andere reden uit haar portemonnee is gehaald, in de vensterbank van de slaapkamer.

    Mason zegt tegen Marie dat ze naar het ziekenhuis moet voor een medisch onderzoek, wat standaard is bij verkrachtingszaken. Nadat Marie is vertrokken, samen met haar pleegmoeder en haar case manager, helpen de rechercheurs bij het onderzoeken van de plaats delict. Op zoek naar een condoom of de verpakking van een condoom kijkt Rittgarn in de badkamer en in vuilnisbakken op de nabijgelegen heuvel, maar het levert niets op. Ondertussen heeft de hond een spoor gevolgd in zuidelijke richting, naar een kantoorgebouw, maar ook de hond kan de politie niet dichter bij de identiteit van de verkrachter brengen.

    In het ziekenhuis neemt het medisch personeel meer dan tien huidmonsters. Er wordt getest op hepatitis, chlamydia en hiv. Maria krijgt [de antibiotica] Zithromax en Suprax, omdat ze mogelijk is blootgesteld aan seksueel overdraagbare aandoeningen, en ze krijgt een morningafterpil.

    In het medisch rapport wordt melding gemaakt van verwondingen aan Maries polsen en haar vagina. De blauwe plek op haar rechterpols meet 6,5 centimeter, die op haar linkerpols 7 centimeter. Tijdens het onderzoek, zo staat in het verslag te lezen, is Marie ‘alert en helder, en niet volkomen overstuur’.

    Aandacht trekken

    Op de dag dat ze aangifte doet van verkrachting belt Marie met Shannon, haar voormalige pleegmoeder, zodra ze terug is uit het ziekenhuis. ‘Ze belde me en zei: “Ik ben verkracht,”’ herinnert Shannon zich. ‘Volkomen emotieloos. Alsof ze vertelde dat ze net een broodje had gesmeerd.’ Omdat Marie niet hysterisch is, of zelfs maar overstuur, vraagt Shannon zich af of Marie wel de waarheid vertelt.

    De volgende dag, wanneer Shannon bij Marie thuis komt, wordt die twijfel alleen nog maar versterkt. Wanneer Shannon de keuken binnenkomt, ontwijkt Marie haar blik. ‘Dat vond ik nogal merkwaardig,’ zegt Shannon. ‘We omhelsden elkaar altijd, en ze keek mensen ook altijd recht aan.’ In de slaapkamer gedraagt Marie zich net als anders, en niets wijst erop dat er zich daar iets afschuwelijks heeft afgespeeld. Buiten ‘rolde Marie lachend en giechelend door het gras’, zegt Shannon. Als de twee nieuw beddengoed gaan kopen – het andere beddengoed is door de politie in beslag genomen als bewijsmateriaal – ontsteekt Marie in razernij omdat ze niet hetzelfde overtrek kan vinden. Waarom zou je elke dag opnieuw tegen dezelfde lakens en sprei willen aankijken als je op dat beddengoed bent verkracht? denkt Shannon bij zichzelf.

    Ook Peggy weet niet goed raad met Maries houding. Toen Marie haar die eerste dag belde, nog voor de politie was gearriveerd, ‘zat ze te huilen en kon ik haar nauwelijks verstaan’, zegt Peggy. ‘Ze had echt zo’n heel klein stemmetje, en ik wist het niet goed. Op de een of andere manier leek het gemaakt… in zekere zin had het ook iets heel overdrevens.’ Peggy heeft inmiddels nieuwe pleegkinderen in huis – twee zussen, allebei tieners. Niet lang daarvoor is Marie een keer met Peggy en de zussen en Peggy’s vriend gaan picknicken. Zoals Peggy het zich herinnert probeerde Marie de hele middag de aandacht naar zich toe te trekken. Zozeer zelfs dat Peggy zich nu afvraagt of dit misschien ook een poging is om aandacht te trekken, maar dan wanhopiger.

    Als Peggy die ochtend als een speer naar het appartement gaat, treft ze Marie huilend op de vloer aan. ‘Het was heel gek, want ik ging naast haar zitten en ze vertelde me wat er was gebeurd en toen – ik kijk heel veel naar Law & Order en ik had gewoon het gevoel dat er iets niet klopte,’ zegt Peggy. ‘Het was net alsof ze me het script voorlas van een aflevering van Law & Order.’ Deels komt dat door wát Marie 
vertelt. Waarom zou een verkrachter schoenveters gebruiken om haar vast te binden? En deels komt 
het door de manier waaróp Marie het vertelt: ‘Ze was zo afstandelijk, alsof het haar echt op geen enkele manier raakte.’

    De twee vrouwen die hebben geholpen Marie groot te brengen bellen elkaar. Peggy zegt tegen Shannon dat ze vraagtekens heeft bij het verhaal. Shannon zegt dat ze ook zo haar twijfels heeft. Geen van beiden kennen ze Marie als iemand die liegt – overdrijven, oké, om aandacht vragen, oké – maar nu horen ze van elkaar dat ze niet de enigen zijn die zich afvragen of Marie dit heeft verzonnen.

    Op 12 augustus, de dag nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting, gaat de telefoon van brigadier Mason. Degene die belt laat weten ‘dat [Marie] een geschiedenis heeft van aandachttrekkerij, en 
de beller vraagt zich af of de “verkrachting” werkelijk heeft plaatsgevonden’, schrijft Mason later. In Masons verslag staat niet wie het telefoontje heeft gepleegd – maar het is Peggy.

    Ze belt de politie om haar twijfels kenbaar te maken. Vervolgens gaat Mason naar haar huis om haar te spreken. Peggy licht de politie in over haar twijfels 
en verzoekt om anonimiteit. ‘Ik wilde niet dat het bij Marie terecht zou komen,’ zegt Peggy. ‘In feite wilde ik gewoon mijn burgerplicht doen. Snap je? Ik wilde niet dat ze allemaal tijd en middelen zouden steken in iets wat, nou ja, wat uiteindelijk gewoon een persoonlijke tragedie zou blijken.’

    Mason heeft bovendien een tip gekregen dat Marie niet gelukkig is in haar appartement. Mogelijk wil ze de verkrachting gebruiken om andere woonruimte 
te krijgen.
    Op 13 augustus vervoegt Marie zich op het politiebureau van Lynnwood en legt een geschreven 
verklaring af, waarin ze beschrijft wat er is gebeurd. De verklaring is slechts één pagina. Maar voor Mason staat er een cruciale passage in. Marie schrijft dat haar belager heeft gezegd dat ze zichzelf kan bevrijden als hij weer weg is:

    Zodra hij weg was, pakte ik met mijn mond mijn telefoon (die vlak naast mijn hoofd lag) en probeerde Jordan terug te bellen. Hij nam niet op, dus belde ik mijn pleegmoeder… Ze kwam 
meteen naar me toe. Ik verbrak de verbinding en probeerde mezelf te bevrijden.

    Dat komt niet helemaal overeen met wat Marie 
eerder aan Mason heeft verteld. Ze heeft eerder 
verklaard dat ze heeft geprobeerd Jordan te bellen nádat ze de veters had doorgeknipt. In deze 
geschreven verklaring zegt ze echter dat ze hem heeft gebeld terwijl ze nog is vastgebonden.

    Als rechercheurs Stacy Galbraith en Edna Hendershot ontdekken dat er een serieverkrachter aan het werk is, besluiten ze samen te werken. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ – © Benjamin Rasmussen
    Als rechercheurs Stacy Galbraith en Edna Hendershot ontdekken dat er een serieverkrachter aan het werk is, besluiten ze samen te werken. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ – © Benjamin Rasmussen

    Later die dag praat Mason met Rittgarn, zijn collega-onderzoeker, en hij zegt dat hij er nu – op basis van de tegenstrijdigheden in Maries verhaal, en op basis van informatie die hij van Peggy en Jordan heeft gekregen – van overtuigd is dat Marie het verhaal heeft verzonnen.

    De angst voor valse aangiften van verkrachting kent een lange geschiedenis binnen het rechtssysteem. Rond 1600 waarschuwde de Engelse opperrechter Matthew Hale al dat verkrachting ‘een beschuldiging is die makkelijk wordt gedaan maar moeilijk valt te bewijzen, en waar de beschuldigde partij zich nog moeilijker tegen kan verweren’. In Amerika lazen rechters deze zogeheten Hale-waarschuwing altijd voor aan juryleden – tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uit recent onderzoek blijkt echter dat er betrekkelijk zelden een valse aangifte wordt gedaan. Uit cijfers van de FBI komt naar voren dat de politie jaarlijks zo’n 5 procent van de verkrachtingszaken geheel of ten dele ongegrond verklaart. Sociaal wetenschappers die de politierapporten heel 
grondig hebben uitgeplozen en methodologisch doortimmerde methoden gebruiken, komen met vergelijkbare percentages, van onder de 10 procent.

    De volgende ochtend gaat Mason naar het huis van Jordan om met hem te praten. Jordan vertelt de rechercheur dat hij en Marie al een paar maanden uit elkaar zijn, maar nog altijd goed bevriend zijn. Volgens Masons uitgeschreven rapport zegt hij op geen enkel moment dat hij aan Maries verhaal 
twijfelt. Wél zegt hij dat Marie hem heeft verteld 
dat ze, toen ze die ochtend probeerde te bellen, haar tenen had gebruikt omdat ze was vastgebonden.

    Later die dag – 14 augustus, drie dagen nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting – belt Mason haar op, met de vraag of ze kunnen praten. Hij zegt dat hij haar kan komen ophalen en dat ze vervolgens naar het bureau kunnen gaan.

    ‘Moet ik me zorgen maken?’ vraagt Marie aan de rechercheur.

    9 FEBRUARI 2011

    Westminster, Colorado

    Op 9 februari 2011 komen meer dan tien agenten en rechercheurs van het Colorado Bureau of Investigation samen in de 
vergaderkamer van het politiebureau in Westminster om de voortgang van het onderzoek te bespreken.

    Het staat er niet al te best voor. Na vijf weken speurwerk zijn er nauwelijks aanknopingspunten en is er niet één verdachte. De analyse van het touch DNA heeft gemengde resultaten opgeleverd. Het onderzoek heeft het aantal mogelijke verdachten beperkt tot mannen die behoren tot één en dezelfde familie, van vaderskant. Maar er is niet genoeg genetisch materiaal om één iemand aan te wijzen. De resultaten kunnen dan ook niet worden ingevoerd in de nationale database van de FBI om te kijken of er 
een match is met een verdachte.

    Galbraith heeft goede hoop. In ieder geval hebben ze nu iets concreets. Het is een en dezelfde dader. ‘Het is een doorbraak,’ zegt ze. ‘Maar het is nog niet genoeg.’

    Wanneer de vergadering ten einde loopt, staat een jonge misdaadanalist van het korps in Lakewood op van haar stoel. Ze heeft gezocht naar meldingen uit de afgelopen zes maanden, voertuigen of mensen 
die zich verdacht hebben gedragen binnen een straal van vierhonderd meter van het huis van het slachtoffer in Lakewood. Ze heeft iets gevonden. Maar ze weet niet of het belangrijk is.

    Drie weken voor de poging tot verkrachting in Lakewood heeft laat op de avond een vrouw de politie gebeld met de mededeling dat er een verdachte pick-up geparkeerd stond in de straat, met een man erin. De politie ging een kijkje nemen, maar de man was verdwenen. De agent maakte summier melding van het voertuig. Wat de aandacht van de analiste had getrokken was de plek waar de pick-up had gestaan. Hij stond een half huizenblok van het huis van het Lakewood-slachtoffer, naast een kaal terrein dat grensde aan de achtertuin van het slachtoffer.

    Het betrof een witte Mazda pick-up uit 1993.

    Hij stond op naam van een man uit Lakewood, 
ene Marc Patrick O’Leary.

    Het onderzoek belandt ogenblikkelijk in een 
stroomversnelling. Kunnen de rechercheurs O’Leary’s Mazda in verband brengen met de korrelige beelden van de witte Mazda op de beelden van de beveiligingscamera in Golden? Aaron Hassell, de rechercheur die op de Lakewood-zaak zit, gaat als een speer terug naar zijn bureau. De patrouillewagens in Lakewood hebben camera’s die automatisch een foto maken van elk nummerbord dat ze passeren. Het resultaat is een doorzoekbare database van duizenden nummerborden die zijn gekoppeld aan een bepaald moment en een bepaalde plek. Hassell tikt het nummerbord in uit het politierapport van Lakewood: 935VHX. Hij heeft beet. Een patrouillewagen 
in Lakewood heeft een foto gemaakt van O’Leary 
die naast zijn witte Mazda staat, op de oprit van zijn huis – een kleine twee uur nadat in augustus de weduwe in Westminster is belaagd.

    Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.
    Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.

    Hassell stuurt de foto door naar Galbraith. Heel nauwgezet vergelijkt zij de witte Mazda van O’Leary met die van de beveiligingscamera. Op een still is goed te zien dat het spiegeltje aan de passagierskant van de Mazda is beschadigd. Precies als bij de auto van O’Leary. Beide voertuigen hebben een trekhaak. Beide hebben dezelfde vlekken op de achterkant – misschien een bumpersticker die eraf is getrokken.

    ‘Dat is ’m,’ zegt Galbraith.

    Hendershot komt tot de ontdekking dat de patrouillewagen in Lakewood de foto heeft gemaakt toen O’Leary op weg was naar een nabijgelegen vestiging van het Department of Motor Vehicles [DMV, een soort rijksdienst voor het wegverkeer]. Uit de gegevens van het DMV blijkt dat O’Leary nog geen vier uur na de belaging in Westminster een foto heeft laten nemen voor zijn rijbewijs. Op de foto zien we een man van 1 meter 85 met bruine ogen. Hij is 32 jaar en hij weegt 100 kilo. Hij draagt een wit T-shirt. Zijn uiterlijke kenmerken komen overeen met de beschrijvingen die de slachtoffers hebben gegeven. En de weduwe 
in Westminster heeft tegen Hendershot gezegd dat haar belager een wit T-shirt droeg.

    Hendershot wil geen overhaaste conclusies trekken. ‘Het is zeer bemoedigend, ik ben heel blij,’ zegt ze. Maar: ‘Het is nog niet zeker, voor mij staat het nog niet vast dat dit ook echt onze man is.’

    Tijdens de 24 uur die volgen probeert een handvol onderzoekers met vereende krachten al het mogelijke over O’Leary aan de weet te komen. O’Leary heeft geen strafblad. Hij staat niet bekend als 
zedendelinquent. Hij heeft in het leger gediend.

    Die avond zitten Galbraith en haar man David weer op de bank in hun woonkamer. Op hun laptop zoeken ze naarstig naar informatie over O’Leary – ieder met behulp van een andere zoekmachine. Het duurt niet lang of David heeft iets gevonden. In september 2008 heeft O’Leary een pornowebsite gekocht. Ze vragen zich af of daar foto’s van zijn slachtoffers op staan.

    De rechercheurs willen proberen aan O’Leary’s DNA te komen. Hoewel het onzuivere DNA-materiaal dat ze op de plaatsen delict hebben aangetroffen niet voor honderd procent gelinkt kan worden aan dat van O’Leary, kan wel aangetoond worden dat de misdaden vermoedelijk zijn begaan door een mannelijk lid van zijn familie. Als de politie O’Leary’s mannelijke familieleden kan uitsluiten, kunnen de misdrijven met een hoge mate van waarschijnlijkheid aan O’Leary zelf worden toegeschreven. ‘We kunnen hem nog altijd niet met zekerheid als dader aanwijzen,’ zegt Hendershot.

    Op de ochtend van vrijdag 11 februari houden agenten het huis van O’Leary in de gaten. Het is een klein, gelijkvloers huis met grijze buitenmuren, een half blok van een benzinestation, een plaatwerkerij en een slagerij, in een armoedige buurt. Er staat een laag hek van draadgaas om het huis. Hoge, winters kale bomen torenen boven het huis uit. Net na het middaguur zien de agenten een vrouw en een man die op O’Leary lijkt het huis verlaten. Ze volgen het stel naar een nabijgelegen restaurant en zien hen eten. Als de twee klaar zijn met eten gaan de agenten snel naar binnen. Ze grissen de glazen van tafel. Op de rand moeten sporen van zijn DNA zitten.

    Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.
    Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.

    Terwijl de agenten achter de man aan gaan van wie ze denken dat het Marc O’Leary is, klopt een andere FBI-agent op de deur van het huis. Hij is van plan een camera bij het huis te installeren en wil er zeker van zijn dat er niemand thuis is. Onverwacht doet een man de deur open. Hij lijkt op Marc O’Leary. In de war gebracht, grijpt de agent terug op een beproefde smoes. Hij zegt tegen de man dat hij langs de deuren gaat om mensen te waarschuwen dat er een inbreker in de buurt actief is. De man stelt zich voor. Hij heet Marc O’Leary. Zijn broer, Michael O’Leary, is net 
weggegaan om met zijn vriendin te gaan lunchen. O’Leary bedankt de agent voor de informatie en doet de deur weer dicht.

    Het opduiken van Michael is verwarrend. De rechercheurs wisten niet dat Michael met zijn broer samenwoonde. Of dat zij zo op elkaar leken. Ze besluiten Michaels DNA van de glazen bij het restaurant te vergelijken met het DNA dat op de plaatsen delict is gevonden. De monsters gaan naar analisten van het speciale rechercheteam in Colorado. Normaal gesproken duurt het maanden voor de uitslag van een DNA-analyse terugkomt. Maar in dit geval werken ze de hele nacht door. Tegen twee uur op zaterdagmiddag hebben ze de uitslag. Het DNA van het glas komt overeen met het DNA dat bij de slachtoffers is gevonden. Een man uit de familie O’Leary is de dader. Maar welke?

    Galbraith sluit de vader van de twee broers uit – die is te oud en woont in een andere staat. Maar Michael kunnen ze nog niet als verdachte afschrijven. Het is mogelijk dat hij de verkrachtingen heeft begaan. Of zelfs dat Michael en Marc hebben samengewerkt. De rechercheurs hebben meer informatie nodig.

    Haastig stelt Galbraith een huiszoekingsbevel op om het huis van de broers te mogen binnenvallen. Het is buiten al donker wanneer ze ermee klaar is. Ze belt de rechter die weekenddienst heeft. Hij wil per se 
dat ze hem een fax stuurt. Galbraith rent naar een supermarkt in de buurt van haar huis om het bevel door te faxen. De rechter tekent het op zaterdagavond om tien uur.

    Ze weet precies wat ze zoekt. Ze vertrouwt het geheugen van haar slachtoffer. De donkere plek op zijn kuit. Ze mailt een misdaadanalist van een ander politiebureau: ‘Ik móét het been van die kerel zien. Heel nodig!’

    14 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood, Washington

    Als iemand vraagt of hij zich zorgen moet maken, dan is dat meestal ook zo, weet rechercheur Mason uit ervaring.

    Als Mason, samen met rechercheur Rittgarn, om 
half vier ’s middags Marie gaat ophalen, vinden ze haar zittend op het gras voor haar flatgebouw. 
De drie gaan naar het politiebureau van Lynnwood, waar de twee politiemannen Marie meenemen 
naar een vergaderkamer.

    Te oordelen naar het rapport dat Mason hierover later opmaakt, duurt het niet lang voor hij Marie confronteert met de verschillen tussen haar eigen verklaringen en die van andere getuigen. Marie zegt dat ze niets afweet van tegenstrijdigheden. Maar ze vertelt het hele verhaal nog een keer – alleen zegt 
ze deze keer dat ze gelooft dat de verkrachting heeft plaatsgevonden en niet dat ze het zeker weet. In tranen beschrijft ze haar verleden – al die pleegouders, haar verkrachting als zevenjarige, het feit dat ze nu op zichzelf woont, dat ze zich alleen voelt. Rittgarn zegt tegen Marie dat haar verhaal niet overeenkomt met het bewijsmateriaal. Hij zegt dat hij denkt dat ze het verhaal heeft verzonnen – zomaar ineens, zonder dat ze het van plan was. Hij vraagt haar of er echt 
wel een verkrachter rondloopt in de buurt, waar de politie naar op zoek moet. ‘Nee,’ antwoordt Marie met zachte stem en neergeslagen ogen.

    ‘Gezien haar antwoorden en lichaamstaal was 
duidelijk dat [Marie] over de verkrachting loog’, schrijft Rittgarn later.

    Zonder Marie op haar rechten te wijzen – u hebt recht op een advocaat, u hebt het recht om te zwijgen – vragen de rechercheurs Marie om het ware verhaal op te schrijven, waarin ze toegeeft dat ze gelogen heeft, in feite dus dat ze een misdaad heeft begaan. Ze stemt toe en ze laten haar een paar minuten alleen. Op het formulier vult ze haar naam, adres 
en social security-nummer in en dan schrijft ze, onder andere:

    Ik praatte die avond met Jordan aan de telefoon over zijn dag en over van alles. Na mijn gesprek met hem begon ik na te denken over alles, ik was over mijn toeren en ik vond het ook eng om in mijn eentje te wonen. Toen ik ging slapen, droomde ik dat er iemand inbrak en me verkrachtte.

    Als de politiemensen terugkomen, zien ze dat Marie de verkrachting in haar nieuwe verklaring beschrijft als een droom, niet als een leugen.

    ‘Waarom heb je niet opgeschreven dat je het verhaal verzonnen hebt?’ vraagt Rittgarn.

    Marie zegt huilend dat ze echt geloofde dat de verkrachting had plaatsgevonden. Ze bonkt met haar vuisten op tafel en zegt dat ze het ‘behoorlijk zeker’ weet.

    ‘Behoorlijk zeker, of echt zeker?’ vraagt Rittgarn.

    ‘Misschien is de verkrachting wel gebeurd en heb 
ik het verdrongen,’ zegt Marie.

    ‘Wat vind je dat er moet gebeuren met iemand die liegt over zoiets als dit?’ vraag Rittgarn aan Marie.

    ‘Ik heb misschien therapie nodig,’ zegt Marie.

    Mason komt terug op het bewijsmateriaal. Hij vertelt Marie dat haar beschrijving van het telefoontje naar Jordan anders is dan wat Jordan erover heeft gezegd.
    Marie kijkt omlaag, met haar hoofd in haar handen. Dan ‘schieten haar ogen heen en weer, alsof ze naar een antwoord zoekt’.

    De politiemannen herhalen nog eens wat ze eerder heeft gezegd – hoe gespannen ze was, hoe eenzaam – en uiteindelijk lijkt het erop dat Marie zich ontspant. Ze houdt op met huilen. Ze lacht zelfs een beetje. 
Ze verontschuldigt zich – en is bereid een nieuwe verklaring te schrijven, waarin ze er geen twijfel 
over laat bestaan dat ze gelogen heeft.

    Er zijn veel spanningen in mijn leven op dit moment en ik had zin om met iemand uit te gaan, maar niemand kon, dus heb ik dit verhaal verzonnen, en ik had niet verwacht dat het zo veel gevolgen zou 
krijgen. Ik weet niet waarom ik niet iets anders ben gaan doen. Dit is nooit de bedoeling geweest.

    Kennelijk zijn de rechercheurs met deze verklaring wel tevreden. Rittgarn schrijft later: ‘Op basis van ons verhoor van Marie en de inconsequenties die brigadier Mason in sommige verklaringen heeft 
aangetroffen, wisten we zeker dat Marie ons nu 
naar waarheid vertelde dat ze niet verkracht was.’

    ‘Alsjeblieft, kom me halen, 
voordat ik iets stoms doe’

    Marie heeft het gevoel dat de ondervraging uren heeft geduurd. Ze doet wat ze altijd doet als ze onder druk staat. Ze zet de knop om, zoals zij het noemt, en onderdrukt alle gevoelens waar ze geen weg mee weet. Vóór haar bekentenis dat ze het verhaal heeft verzonnen, kan ze de twee politiemannen niet recht aankijken. Erna kan ze dat wel. Dan lacht ze tegen hen. Ze gaat naar het toilet en wast haar gezicht. Het is een opluchting geweest om de knop om te zetten, en zo kan ze tenminste weg.

    De volgende dag zegt Marie tegen Wayne Nash, haar case manager bij Project Ladder, dat de politie haar niet wilde geloven. Ze begrijpt dat ze in moeilijkheden verkeert en zegt dat ze een advocaat wil. In plaats daarvan nemen de medewerkers van Project Ladder contact op met brigadier Mason. Die vertelt hun dat het verhaal van Marie niet wordt ondersteund door het bewijsmateriaal en dat ze haar verhaal heeft teruggetrokken.

    Maar nu wil Marie niet van wijken weten. 
Op 18 augustus, een week nadat ze haar verkrachting heeft gemeld, heeft ze een gesprek met twee medewerkers van Project Ladder, en tegenover hen houdt ze vol dat ze de verklaring waarin ze haar verhaal intrekt, onder dwang heeft geschreven. Met zijn drieën gaan ze naar het politiebureau, zodat Marie haar intrekking weer kan intrekken – met andere woorden: tegen de politiemensen kan zeggen dat 
ze de eerste keer de waarheid heeft gesproken.

    De medewerkers van het programma blijven buiten wachten, terwijl Marie een gesprek heeft met 
Rittgarn en een andere agent.

    Afschrikken

    Rittgarn vraagt Marie wat er aan de hand is. Marie zegt dat ze wel degelijk is verkracht – ze begint te huilen en vertelt dat ze steeds beelden heeft van die man boven op haar. Ze wil een leugendetectortest ondergaan. Rittgarn vertelt Marie dat ze, als ze niet voor die test slaagt, naar de gevangenis moet. En bovendien zal hij dan Project Ladder aanraden om haar huisvestingsondersteuning in te trekken.

    Marie laat zich afschrikken. De politiemensen 
begeleiden haar naar beneden, waar de vertegenwoordigers van Project Ladder haar vragen of ze 
verkracht is. Marie zegt nee.

    Na het bezoek aan het politiebureau ontdekt Marie dat ze nog steeds niet alles achter de rug heeft. De mensen van Project Ladder zeggen tegen Marie dat ze, als ze in het programma wil blijven – en haar gesubsidieerde woning wil behouden – ook nog tegenover iemand anders een bekentenis moet 
afleggen.

    Later die dag wordt in het wooncomplex een bijeenkomst georganiseerd, waar Maries medebewoners 
in een kring bij elkaar zitten. Marie doet wat haar is gezegd en vertelt de mededeelnemers van Project Ladder dat ze over de verkrachting heeft gelogen. 
Ze hoeven zich geen zorgen te maken, zegt ze tegen de groep. Er loopt daarbuiten niemand rond die haar iets heeft aangedaan en die hun vervolgens iets aan kan doen.

    Als er al enig medeleven aanwezig is in de ruimte, dan merkt Marie dat maar bij één persoon, de jonge vrouw die rechts van haar zit. Verder blijft het pijnlijk, ondraaglijk stil.

    Na de bijeenkomst loopt Marie naar het huis van een vriendin. Onderweg komt ze over een brug. Ze overweegt te springen. ‘Waarschijnlijk de enige keer in mijn leven dat ik alleen maar dood wilde,’ zegt ze nu. Ze belt een vriendin: ‘Alsjeblieft, kom me halen, 
voordat ik iets stoms doe.’ Daarna smijt Marie haar telefoon over de brugleuning.
    Later die maand volgt nog een laatste verrassing. Marie krijgt een brief waarin staat dat ze voor de rechter moet komen. Ze is aangeklaagd wegens het doen van valse aangifte, waar een maximumstraf van een jaar cel op staat. De tenlastelegging is ondertekend door brigadier Mason. De afhandeling van de zaak is overgedragen aan een klein juridisch bureau dat door de stad Lynnwood is ingehuurd om overtredingen te vervolgen.

    Mason heeft niet al te diep nagedacht over zijn besluit om de zaak voor te laten komen. Hij is ervan overtuigd dat Marie heeft gelogen. De politie heeft veel tijd en geld besteed aan het natrekken van die leugen. Volgens de wet is haar leugen een misdaad. Zo simpel is het.

    Er zijn geen harde cijfers over het aantal keren dat de politie een vrouw arresteert wegens het doen van valse aangifte van verkrachting, en ook niet over het aantal keren dat het openbaar ministerie dit soort zaken voor de rechter brengt. Die gegevens worden nergens bijgehouden. Maar vooraanstaande politieorganisaties dringen aan op voorzichtigheid bij dit type 
aanklachten. Volgens de International Association 
of Chiefs of Police en de FBI moet er eerst grondig onderzoek worden gedaan, voordat een aangifte van verkrachting als onwaar wordt bestempeld. Politiemensen moeten even hard hun best doen om een leugen te bewijzen als om een waarheid te bewijzen.

    In de praktijk zullen veel politiediensten alleen in extreme omstandigheden besluiten de vrouw te vervolgen – bijvoorbeeld wanneer het gaat om een zaak die veel publiciteit heeft gekregen en waarin de reputatie van een verdachte ernstig is geschaad, of wanneer de politie heel veel middelen heeft moeten inzetten om onderzoek te doen. Die terughoudendheid komt voort uit de overtuiging dat het grootste probleem bij verkrachtingszaken niet de valse aangiftes zijn, maar het niet doen van aangifte. Slechts eenvijfde tot eenderde van alle verkrachtingen wordt bij de politie aangegeven, zo blijkt uit landelijk onderzoek. Een reden daarvoor is dat vrouwen bang zijn dat de politie ze niet gelooft.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    Binnen enkele dagen nadat ze haar verkrachting heeft aangegeven, zegt Marie haar baan bij Costco op. Ze kan het niet opbrengen om daar te staan, mensen aan te kijken, verloren en verward als ze 
zich voelt. Nu stapelen de nare gevolgen zich op.

    Project Ladder verplicht haar om elke avond vanaf negen uur thuis te blijven en zich twee keer zo vaak bij de medewerkers te melden.

    De media schrijven over haar zaak, zonder haar naam te noemen. (‘Politie: aangifte verkrachting Lynnwood was bedrog’, kopt de Seattle Post-Intelligencer.) Maries beste vriendin van de middelbare school – de vriendin die haar heeft leren fotograferen en die de foto van haar heeft gemaakt waarop ze uit de golven opduikt – maakt een webpagina waarop Marie voor leugenaar wordt uitgemaakt, met een foto van Maries Myspace-pagina, de politieverslagen, Maries volledige naam. Wanneer iemand haar op de site wijst, krijgt Marie een aanval van razernij en slaat haar appartement kort en klein.

    Marie gaat niet meer naar de kerk. ‘Ik was kwaad op God,’ zegt ze nu. Ze verliest haar belangstelling voor fotografie. Ze durft de deur niet meer uit. ‘Op een avond probeerde ik wel alleen naar de winkel te lopen, en toen kreeg ik een soort hallucinatie dat iemand me volgde,’ vertelt ze. ‘Ik was doodsbang. 
Ik kwam niet verder dan vijfhonderd meter van mijn huis. Toen rende ik terug.’ Thuis vermijdt ze de slaapkamer, ze slaapt liever op de bank met het licht aan.

    ‘Ik kwam in een donker gat terecht,’ zegt ze. Zelfvertrouwen maakt plaats voor zelfhaat. Ze gaat roken, drinken, wordt dik.

    Voor Marie is dit een vertrouwde reactie, die ze nog kent van de jaren waarin ze misbruikt werd als kind, en van haar jaren in pleeggezinnen, waarin ze van gezin naar gezin werd gestuurd en van school naar school. Zich afsluiten. Het binnen houden. Doen alsof er niets ergs is gebeurd, alsof niets haar ooit raakt. Omdat ze altijd zo naar normaliteit verlangt, begraaft ze de pijn.

    Peggy en Shannon laten haar niet vallen, maar er 
is wel iets veranderd. Marie weet dat ze allebei aan haar verhaal hebben getwijfeld, zelfs nog eerder 
dan de politie.
    Het huis van Shannon is voor Marie lang een toevluchtsoord geweest, een plek waar ze tot rust kon komen. Marie en Shannon maakten vaak lange 
wandelingen in het bos of gingen er met de boot op uit, en dan eindigden ze hun dag bij Shannon thuis. Maar nu is Shannons man bang dat hij vals beschuldigd zal worden, en hij besluit dat het beter is als Marie niet langer bij hen blijft slapen. ‘Dat risico 
loop je, als je pleegouder wordt,’ zegt Shannon.

    Shannon is degene het haar moet gaan vertellen. 
Ze vindt het verschrikkelijk om de boodschap over 
te brengen. Marie vindt het verschrikkelijk om de boodschap te krijgen.

    Begin oktober, nog geen twee maanden nadat Marie in staat van beschuldiging is gesteld wegens het doen van valse aangifte, meldt een 63-jarige vrouw in Kirkland, ten oosten van Seattle, dat ze in haar appartement is verkracht. De vreemde droeg handschoenen. Hij had een mes. Hij bond de vrouw vast – met haar eigen veters. Hij nam foto’s en dreigde 
die op internet te zetten. De afgelopen twee of drie maanden, zegt de vrouw tegen de politie, had ze het gevoel dat iemand haar volgde.

    Shannon ziet een reportage over de verkrachting op het journaal en is onthutst. Haar vader is vroeger hoofd van de politie geweest in Kent, ten zuiden van Seattle. Ze is opgegroeid met de politie, vertrouwt 
de politie, weet hoe die werkt. Ze gaat naar haar computer, zoekt het nummer op en belt – onmiddellijk – om de politie in Kirkland te attenderen op het verhaal van Marie en op de overeenkomsten met deze zaak.

    Shannon belt ook met Marie en raadt haar aan om ook contact op te nemen met de politie in Kirkland. Dat heeft Marie nooit gedaan.

    ‘Ik was gewoon te bang,’ zegt Marie nu. Ze heeft al 
zo veel moeten doorstaan. Ze kan zichzelf er niet toe brengen om weer met de politie te gaan praten. Maar ze zoekt wel op internet op wat er met de vrouw in Kirkland is gebeurd. Als ze het verhaal leest, moet ze huilen.

    Uiteindelijk belt een agent uit Kirkland Shannon terug. Naar aanleiding van Shannons tip hebben rechercheurs uit Kirkland contact opgenomen met hun collega’s in Lynnwood en daar hebben ze te horen gekregen dat het slachtoffer in Lynnwood geen slachtoffer was, dat het verhaal verzonnen was.

    Een van de rechercheurs die aan de zaak in Kirkland werken, is Audra Weber. Zij weet nog dat ze twee keer de recherche in Lynnwood heeft gebeld en daar te horen kreeg dat ze het verhaal van Marie niet geloofden. ‘Ik vertrouwde gewoon op hun oordeel, dacht, nou ja, het is hun zaak, zij kennen de bijzonderheden, ik niet,’ zegt Weber nu. Maar ze weet nog dat ze ‘tamelijk geschokt’ was toen ze hoorde dat ze Marie in staat van beschuldiging hadden gesteld. Ze liet het er maar bij en hing op, met de gedachte: Oké, ik hoop dan maar dat dit goed voor jullie uitpakt, jongens.

    13 FEBRUARI 2011

    Lakewood, Colorado

    Om kwart over acht ’s morgens klopt Galbraith op de deur van O’Leary. ‘Politie! Huiszoekingsbevel, doe open!’ schreeuwt ze een paar keer. Achter haar staan zeven agenten, tegen het huis aan gedrukt, met hun wapen in de aanslag.

    Na een tijdje doet O’Leary de deur open. Hij kijkt 
verward en geschrokken als hij naar buiten stapt, de felle winterzon in. Twee honden, een kleine pitbull en een shar-pei, huppelen achter hem aan. Hij draagt een grijs capuchonvest, een slobberige grijze trainingsbroek en grijze sloffen. Hij is alleen.

    Galbraith trekt hem opzij en gaat met haar handen langs zijn lichaam om hem te fouilleren. Als ze bij zijn benen komt, stroopt ze zijn broekspijp op om 
te kijken.

    Daar is het, op O’Leary’s linkerkuit: een donkere moedervlek, met het formaat van een groot kippenei.

    Het is hem. Hij is de verkrachter. Galbraith steekt even haar duimen omhoog.

    Als een FBI-agent hem aanspreekt, beroept O’Leary zich meteen op zijn recht op een advocaat. Galbraith heeft zich inmiddels achter O’Leary gemanoeuvreerd. Om vijf over half negen doet ze hem de handboeien om. ‘U staat onder arrest wegens inbraak en aanranding in de stad Golden op 5 januari 2011,’ zegt ze tegen hem. O’Leary wordt in een politiewagen gezet en overgebracht naar de Jefferson County Jail.

    Galbraith heeft die dag nieuwe schoenen aan. Altijd als ze daar voortaan naar kijkt, denkt ze terug aan de arrestatie van O’Leary. Het was voor haar belangrijk dat zij degene was die hem arresteerde. ‘Ik denk dat ik de blik op zijn gezicht wilde zien. En ik wilde dat hij wist: we hebben je doorzien.’

    ‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,” vertelt Galbraith. “Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, 
goddank’

    De huiszoeking bevestigt het onderzoek van de rechercheurs. In O’Leary’s klerenkast wordt een paar Adidas ZX 700-schoenen gevonden. De zolen komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw in Golden en buiten het raam in Lakewood. Ze vinden een paar Under Armour-handschoenen met honingraatpatroon. In de badkamer ligt een zwarte sjaal, zo geknoopt dat hij als masker kan dienen.

    ‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,’ vertelt Galbraith. ‘Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, 
goddank.’

    Ook de verhalen van de slachtoffers worden bevestigd. De meesten hadden een blanke man beschreven met groene of bruine ogen, rond de 1 meter 80, van rond de 110 kilo. Ze hadden verteld dat ze vastgebonden waren. Ze zeiden dat hij hun ondergoed had gestolen. In het huis van O’Leary ontdekken de politiemensen een zwart Ruger .380-kaliber pistool, een roze Sony Cyber-shot-camera en een grote rugzak, naast vochtige doekjes en glijmiddel. Verstopt in een onderdeel van een stereo-installatie in zijn kast vinden de rechercheurs een verzameling vrouwenondergoed. Trofeeën.

    Die avond rijdt Hendershot naar ‘haar’ slachtoffer, de 59-jarige weduwe in Westminster, om haar het nieuws te gaan vertellen. De vrouw heeft het jaar daarvoor haar man verloren aan kanker. Ze heeft geen familie in de buurt wonen. Ze is nog steeds niet hersteld van de geestelijke en lichamelijke kwellingen die ze heeft doorstaan tijdens de verkrachting. Hendershot heeft met haar afgesproken bij restaurant Denny’s. Daar treft ze haar in een donkere hoek, waar ze in haar eentje zit te eten.

    ‘Ik kwam binnen en ze was superblij om me te zien, en ik vertelde het haar. Ik bedoel, ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk,’ zegt Hendershot nu. ‘Ik zei tegen haar: “Het is voorbij. Het is voorbij. We hebben hem.”’

    Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.
    Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.

    Begin maart weet een forensisch computerspecialist de documenten te kraken die O’Leary op zijn harde schijf heeft opgeslagen. Hij vindt een map ‘meisjes’, met foto’s die O’Leary heeft genomen van zijn slachtoffers in Golden en Westminster. Galbraith herkent ze meteen.

    Maar dan stuit Galbraith op een foto van een vrouw die ze niet herkent. Het is een jonge vrouw – veel jonger dan de slachtoffers in Colorado, een tiener misschien nog. Op de foto’s is te zien dat ze doodsbang is en vastgebonden en gekneveld op een bed ligt. Galbraith voelt zich misselijk worden. Hoe komt ze erachter wie dit meisje is? Hoe kan ze gerechtigheid voor haar krijgen?

    Ze bekijkt alle beelden, en dan vindt ze een antwoord. Het is een foto van het tijdelijke rijbewijs van de vrouw, dat op haar borst is gelegd. Haar naam staat erop. En haar adres.

    Lynnwood, Washington.

    11 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood Washington

    Hij komt altijd in de uren vóór de zon op gaat, staat dan te wachten bij haar appartement, bij haar slaapkamer, hoort haar telefoneren, wacht tot ze in slaap valt.

    Het is een droge nacht, dus hij kan het zich gemakkelijk maken. De muur is dun, dus hij kan haar stem horen. Een paar keer verlaat hij zijn plek, even maar, anders ziet iemand hem misschien rondhangen.

    Hij houdt van bomen, want die zorgen voor beschutting, en er staan er meer dan genoeg rond de Alderbrooke Apartments. In een appartement heb je niet zoveel privacy als in een huis, maar het heeft ook voordelen. Al die ramen, om te beginnen. En al die glazen schuifdeuren – belachelijk makkelijk open 
te krijgen als ze niet op slot zitten, wat zo vaak het geval is.

    Ze is niet echt zijn type. Dat heeft hij al eerder gezien, toen hij haar slaapkamer binnen gluurde. Maar hij besteedt zo veel tijd aan jagen (zo noemt hij het, jagen), honderden uren, misschien wel duizend, dat hij zichzelf heeft getraind om zo veel mogelijk vrouwen, jong of oud, in zijn fantasieën toe te laten. Dan is al dat werk niet voor niets.

    Hij heeft al eerder vrouwen begluurd en bij hen ingebroken, maar de volgende stap zetten is iets anders. Hij heeft geleerd van eerdere mislukkingen – op een keer kwam er een man binnen terwijl hij daar stond, met zijn masker op, voor de deur van de slaapkamer van de vrouw die hij had willen verkrachten – dus nu doet hij eerst nauwlettend onderzoek: hij gluurt door ramen, breekt vooraf al een keer in, verzamelt informatie. Jaren later zouden rechercheurs aantekeningen in zijn mobiele telefoon vinden over zijn observatie van een ander doelwit (zijn woord) waarin precies stond wanneer ze in welke kamer was, welke lampen uit of aan waren, welke ramen en luiken open stonden of dicht waren, of haar vriend er was of niet. ‘V in pyjama, game over,’ had hij op een avond geschreven.

    Hij bladert altijd snel door de persoonlijke papieren van een doelwit. Zo komt hij achter haar geboortedatum en kenteken. Hij begluurt haar terwijl ze televisie kijkt. En aan het eind van de jacht, voor hij zijn daad begaat, loopt hij nog even snel door het huis, voor wat hij zelf pre-combat inspection noemt – hij verkent het slagveld, om zich ervan te vergewissen dat er geen wapens binnen bereik van het slachtoffer zijn.

    Hij is al in de ban van afwijkende 
fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende

    Even voor zonsopkomst hoort hij dat het telefoongesprek is afgelopen. Hij wacht nog even terwijl het stil blijft, klimt dan over het hek en glipt door de 
glazen schuifdeur die niet op slot zit. In het volgende halfuur, terwijl zij slaapt, bereidt hij zich voor, hij pept zichzelf op om nu wel de volgende stap te zetten.

    Hij heeft haar weken eerder voor het eerst gezien, door een raam, toen hij buiten bij haar appartement rondsloop. Sindsdien heeft hij twee keer bij haar ingebroken, beide keren door diezelfde glazen deur.

    Hij heeft een term voor wat hij gaat doen: ‘verkrachtingstheater’. Hij is al in de ban van afwijkende 
fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende. Wat moet er van je worden als je op je vijfde al fantaseert over handboeien, heeft hij zich vaak afgevraagd. De eerste keer dat hij bij een huis inbrak, was hij pas acht jaar. Het gaf hem zo’n kick. Sindsdien heeft hij in zeker tien andere huizen ingebroken.

    Reservist

    Nu is hij dertig, een veteraan uit het leger – infanterie, twee keer uitgezonden naar Zuid-Korea – die heeft getekend bij de reservisten, maar zich al maanden niet heeft gemeld.

    In de keuken loopt hij naar het messenblok en trekt uit de bovenste rij, uiterst links, een mes met een zwart handvat. In de woonkamer haalt hij de veters uit haar zwarte tennisschoenen en zet de schoenen terug. Een rechercheur schrijft later in zijn rapport: ‘De schoenen stonden naast elkaar tussen het uiteinde van de bank en de slaapkamerdeur, op hun zolen, alsof ze daar zo waren neergezet (en niet waren verplaatst).’

    Hij gaat gewoon netjes en ordelijk te werk, zoals altijd.

    Hij rijgt een van de schoenveters door een slipje.

    Dan stapt hij de slaapkamer binnen.

    Rond zeven uur in de ochtend staat hij in de deuropening van haar slaapkamer, met in zijn linkerhand, op schouderhoogte, een mes.

    Hij kijkt toe hoe ze wakker wordt.

    Kijk de andere kant op, zegt hij tegen Marie – en dat doet ze. Ga op je buik liggen, zegt hij. Dat doet ze – en dan gaat hij schrijlings op haar zitten, terwijl hij het mes voor haar gezicht houdt.

    Doe je handen achter je rug, zegt hij. Ze doet het. Hij bindt haar polsen vast en bedekt haar ogen. Hij propt een lap in haar mond om geluiden te dempen.

    Dat was een interessant gesprek dat je daarnet had, zegt hij, om haar te laten weten dat hij al een tijdje heeft staan luisteren, wachten.

    Het is niet zo slim om de deur van het slot laten, 
zegt hij.

    Draai je weer om, zegt hij – en dat doet ze, en dan verkracht hij haar, en terwijl hij haar verkracht, 
gaat hij met zijn gehandschoende handen over 
haar lichaam.

    Hij legt haar voorlopige rijbewijs op haar borst en maakt foto’s van haar.

    Als hij klaar is, zegt hij dat hij de foto’s op internet 
zal zetten als ze het aan de politie vertelt, zodat haar kinderen, als ze kinderen heeft, ze kunnen zien.

    Hij haalt de prop uit haar mond en doet de blinddoek af, terwijl hij haar beveelt haar ogen af te wenden en haar hoofd in het kussen gedrukt te houden.

    Een van de laatste dingen die hij zegt, is dat het hem spijt. Hij zegt dat hij zich stom voelt, dat het in zijn hoofd beter leek.

    Hij gaat de kamer uit, loopt naar de voordeur en is weg.

    EPILOOG

    O’Leary heeft schuld bekend aan 28 aanklachten wegens verkrachting en daarmee verbonden misdrijven in Colorado. Op 9 december 2011, bijna een jaar na zijn arrestatie, wordt O’Leary 
veroordeeld tot 327½ jaar gevangenisstraf wegens de verkrachtingen in Colorado – het wettelijk maximum. Hij verblijft nu in de Sterling Correctional Facility, in de kale, afgelegen noordoostelijke hoek van Colorado. Hij komt nooit meer vrij.

    In een verhoor door de politie na zijn veroordeling doet O’Leary zijn verkrachtingen gedetailleerd uit de doeken. Hij beschrijft het gevoel dat hij had nadat hij een oudere vrouw had verkracht: ’Het was of ik net mijn Thanksgiving-diner op had,’ zegt hij.

    Ander politiedistrict

    De politie kan wel wat lessen van hem leren. Hij schept op over de maatregelen die hij heeft genomen om niet opgespoord te worden. Hij wist dat zijn DNA bij het leger bekend was. Dus zorgde hij dat hij geen sporen genetisch materiaal achterliet. Hij besefte ook dat politiebureaus onderling vaak niet communiceren. Dus pleegde hij met opzet elke verkrachting in een ander politiedistrict.

    De vijf andere verkrachtingen – één in Washington, vier in Colorado – dateren allemaal van na de de verkrachting van Marie. ‘Als Washington iets beter had opgelet, was ik waarschijnlijk eerder in beeld gekomen,’ zegt O’Leary.

    Vanuit Colorado brengt Galbraith O’Leary niet 
alleen in verband met de verkrachting in Lynnwood, Washington, maar ook met die in het nabijgelegen Kirkland. Daarvoor doorzoekt ze samen met een 
misdaadanalist van Washington State een database op onopgeloste zaken die vergelijkbaar zijn met de misdaden van O’Leary. Vervolgens vindt ze de naam van het slachtoffer uit Kirkland in een versleuteld document op O’Leary’s computer.

    O’Leary bekent schuld in beide zaken in Washington. In juni 2012 wordt hij veroordeeld tot veertig jaar cel voor de verkrachting in Kirkland en tot 28½ jaar voor de verkrachting van Marie in Lynnwood.

    Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.
    Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.

    Als duidelijk is dat O’Leary verantwoordelijk is voor de verkrachting in Lynnwood, laat Steven Jensen, hoofd van de politie in Lynnwood, een extern onderzoek uitvoeren naar de manier waarop zijn korps het politieonderzoek heeft afgehandeld. In een rapport, dat nog niet eerder openbaar is gemaakt, schrijft brigadier Gregg Rinta, hoofd van de afdeling Zedendelicten bij het openbaar ministerie in Snohomish County, dat ‘het slachtoffer regelrecht gedwongen is om toe te geven dat ze heeft gelogen over de verkrachting’.

    Het is geen wonder dat Marie haar verklaring introk, schrijft Rinta, gezien de ‘intimidatie’ en de ‘bedreigingen’ waaraan ze is onderworpen. De rechercheurs hebben van ‘onbetekenende inconsequenties’ – die vaak voorkomen bij slachtoffers – grote tegenstrijdigheden gemaakt, terwijl ze sterk bewijs dat de misdaad wel degelijk had plaatsgevonden, negeerden. Wat betreft hun dreigement dat Marie de gevangenis in zou moeten en zelfs haar huis kon kwijtraken als ze niet slaagde voor de leugendetectortest, schrijft Rinta: ‘Die beweringen zijn wreed en ongelooflijk onprofessioneel. Ik kan geen enkele rechtvaardiging voor die beweringen bedenken.’

    Jensen gelast ook een intern onderzoek, dat al even vernietigend oordeelt. Mason heeft zich veel te sterk laten beïnvloeden door het telefoontje van Peggy. 
Het tweede verhoor van Marie door de rechercheurs was ‘bedoeld om de bekentenis van een valse aangifte uit te lokken’. De aanklacht wegens het doen van valse aangifte kwam voort uit een ‘eigen behoefte om te scoren’.

    Ondanks de harde woorden van beide onderzoeken werden er tegen niemand bij de politie van Lynnwood disciplinaire maatregelen genomen.

    In een recent interview heeft Steve Rider, de huidige baas van de recherche in Lynnwood, Maries zaak ‘een grote misser’ genoemd, die door de mensen van het korps diep wordt betreurd: ‘Kun je je voorstellen, zij had die beestachtige al verkrachting moeten doorstaan – en dan zeggen wij ook nog tegen haar dat ze liegt. Dat is vreselijk. Wij hebben dit beroep gekozen om mensen te helpen, niet om ze pijn te doen.’ Politieman Rodney Cohnheim van bureau Lynnwood heeft over Marie gezegd: ‘Ze is twee keer geslachtofferd.’

    Brigadier Mason is terug bij de narcotica-afdeling, waar hij aan het hoofd staat van een speciaal team. Als we hem interviewen in dezelfde ruimte waarin hij zeven jaar eerder Marie voor zich had, zegt hij: ‘Het was niet aan haar om mij te overtuigen. Achteraf gezien was het aan mij om de zaak tot op de bodem uit te zoeken – en dat heb ik niet gedaan.’

    Volgens Rider is er naar aanleiding van Maries zaak veel veranderd in de manier van werken en de cultuur bij zijn korps. Politiemensen volgen nu een extra cursus over verkrachtingsslachtoffers. Een verkrachtingsslachtoffer krijgt onmiddellijk bijstand van een advocaat die verbonden is aan een plaatselijk zorgcentrum. Rechercheurs moeten ‘onweerlegbaar bewijs’ hebben dat er een leugen in het spel is, voordat ze een aangifte als ongeloofwaardig afdoen, en een aanklacht wegens valse aangifte moet worden goedgekeurd door hun superieuren. ‘We hebben hier heel veel van geleerd. En we willen niet dat dit ooit nog iemand overkomt,’ aldus Rider.

    Rittgarn, die al voor de arrestatie van O’Leary de politie Lynnwood had verlaten, wilde niet meewerken aan een interview voor dit verhaal. Dat geldt ook voor Zachor & Thomas, het juridisch bureau dat de vervolging van Marie uit naam van Lynnwood afhandelde.

    In 2008 was de zaak van Marie een van de vier gevallen bij de politie Lynnwood die het predicaat ongegrond kregen, volgens cijfers van de FBI. Tussen 2008 en 2012 werden 10 van de 47 aangiftes van verkrachting bij de politie Lynnwood ongegrond verklaard – 21,3 procent. Dat is vijf keer zo hoog als het nationaal gemiddelde van 4,3 procent in diezelfde periode bij politiedistricten met een vergelijkbare hoeveelheid inwoners. Volgens Rider is zijn bureau sinds Marie voorzichtiger geworden met het ongegrond verklaren van een zaak. ‘Ik durf te zeggen dat we heel wat grondiger onderzoek doen naar onze zaken dan veel andere politiekorpsen,’ zegt hij. ‘We letten nu extra goed op dat we tot de juiste conclusies komen.’

    Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.
    Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.

    Tweeënhalf jaar nadat Marie gebrandmerkt werd 
als leugenaarster, zoekt de politie van Lynnwood haar op in het zuiden van Seattle, en vertelt haar 
het nieuws: haar verkrachter is gearresteerd in Colorado. Ze geven haar een envelop met informatie over hulp aan verkrachtingsslachtoffers. Ze zeggen dat haar strafblad zal worden gewist. En ze overhandigen haar 500 dollar, als vergoeding voor de kosten van de rechtszaak. Marie stort in – ze voelt zich tegelijkertijd geschokt, opgelucht en woedend.

    Later maakt Shannon met Marie een wandeling in het bos en zegt tegen haar: ‘Het spijt me zo dat ik aan je heb getwijfeld.’ Marie vergeeft het haar meteen. Ook Peggy biedt haar verontschuldigingen aan. Ze wenst nu dat ze nooit haar twijfels aan de politie kenbaar had gemaakt. ‘Want ik denk dat als ik mijn mond had gehouden, zij hun werk hadden gedaan,’ zegt ze.

    Marie daagt de stad voor de rechter en treft een schikking voor 150.000 dollar. ‘Een kwestie van 
risicomanagement,’ zegt een advocaat van 
Lynnwood tegen The Herald in Everett, Washington.

    Marie is naar een andere staat verhuisd, heeft haar groot rijbewijs gehaald en is trucker geworden. Ze is getrouwd en afgelopen oktober hebben zij en haar man hun tweede kind gekregen. Op haar verzoek wordt haar huidige woonplaats niet bekendgemaakt.

    Voordat ze uit Washington vertrekt om haar leven een nieuwe start te geven, maakt Marie een afspraak voor een gesprek bij het politiebureau van Lynnwood. Ze gaat naar een vergaderkamer en wacht af. Rittgarn heeft de dienst dan al verlaten, maar Mason komt binnen, met een blik ‘als een geslagen hondje’, volgens Marie. ‘Hij wreef met zijn handen over zijn hoofd en zag er letterlijk uit alsof hij zich schaamde voor wat ze hadden gedaan.’ Hij zegt tegen Marie dat hij er spijt van heeft – ‘diepe spijt’, aldus Marie. Ze gelooft dat hij het oprecht meent.

    Tijdens een recent interview vraagt iemand aan Marie of ze overwogen heeft de verkrachting niet aan te geven.

    ‘Nee,’ zegt ze. Ze wilde eerlijk zijn. Ze wilde zo veel mogelijk onthouden. Ze wilde de politie helpen. ‘Om te zorgen dat niemand anders dit zou overkomen,’ zegt ze. ‘Zodat ze op zoek zouden gaan naar de man die mij dit had aangedaan.’

    Auteurs: T. Christian Miller en Ken Armstrong
    Vertalers: Nicolette Hoekmeijer en Annemie de Vries

    Beeld bovenaan: © Studio Odilo Girod

    T. Christian Miller werkt sinds 2008 als verslaggever 
voor ProPublica. Voor die tijd was hij elf jaar in dienst bij 
de Los Angeles Times. Daar schreef hij onder andere over de presidentscampagne van 2000 en was hij drie jaar bureauchef, verantwoordelijk voor tien landen in Zuid- en Centraal-Amerika.

    Ken Armstrong is onderzoeksjournalist met een Pulitzerprijs op zijn naam. Hij heeft voorheen voor The Seattle Times gewerkt en voor de Chicago Tribune, waar het onder andere aan zijn werk te danken was dat de gouverneur van Illinois verschillende executies uitstelde en later de dodencellen sloot. Hij bekleedde de McGraw-leerstoel voor schrijven op Princeton en was Nieman Fellow op Harvard.

    The Marshall Project
    VS | themarshallproject.org

    Na dertig jaar voor The New York Times te hebben gewerkt lanceerde Bill Keller in 2014 een nieuw project: een non-profitnieuwskanaal gewijd aan de behandeling van criminelen binnen het Amerikaanse rechtssysteem. Met deze site wil Keller een levendiger debat bereiken over het optreden van politie, rechtbank en gevangenissen in de VS. De naam verwijst naar de jurist Thurgood Marshall (1909-1993), een liberale voorvechter van burgerrechten die erop hamerde dat bescherming door de wet het meest fundamentele recht is in een vrije maatschappij. Het aantal gedetineerden in Amerika wordt slechts geëvenaard door dat van Noord-Korea, en racisme binnen het rechtssysteem is er aan de orde van de dag. Ook weigert het systeem zijn eigen fouten te corrigeren. De site is volledig onafhankelijk, en bestaat dankzij donaties van stichtingen en individuen, maar is niet neutraal. Medewerkers zijn zonder uitzondering van mening dat het Amerikaanse rechtssysteem dringend behoefte heeft aan serious rethinking.