Tag: mobiele telefoon

  • Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand bij meisjes in India

    Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand bij meisjes in India

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bibliotheek in Maine verzet zich tegen Amerikaanse cancel culture

    » Chinese banken hoeven minder reserve aan te houden om economie te stimuleren

    Meisjes hebben minder toegang tot mobiele telefoons

    In conservatieve delen op het platteland van India is het taboe voor meisjes om mobiele telefoons te gebruiken. Dit vanuit de angst dat ze online jongens ontmoeten of gecorrumpeerd zullen worden door online-invloeden, aldus NPR. Jongens met een smartphone worden daarentegen gezien als vooruitstrevend en slim. Dit zegt Shabnam Aziz, hoofd gendergelijkheid en inclusiviteit bij Educate Girls, een non-profitorganisatie voor meisjesonderwijs die in meer dan 20.000 dorpen in India werkt. Een UNICEF-rapport van vorig jaar bevestigt dat meisjes van vijftien tot negentien jaar in de voorafgaande twaalf maanden minder vaak een mobiele telefoon bezaten dan jongens van hun leeftijd en minder vaak internet gebruikten. Dat was vooral het geval in Zuid-Azië, inclusief India. Daardoor was het voor meisjes tijdens de pandemie bijzonder moeilijk om over te stappen naar online-onderwijs, zeggen experts en activisten.

    Het gebrek aan toegang tot mobiele telefoons brengt hoge kosten met zich mee voor meisjes: het kan wezenlijk hun toekomst beïnvloeden, zegt econoom Mitali Nikore. Haar denktank Nikore Associates bestudeert de genderbarrières waarmee meisjes worden geconfronteerd als het gaat om technologie. Zonder telefoon hebben meisjes veel moeilijker toegang tot online-inhoud, nodig om in de toekomst een baan te vinden. ‘Ze kunnen niet op kantoor werken zonder kennis van Word of Excel. Ze kunnen geen ondernemer worden als ze niet weten hoe ze betaalapps moeten gebruiken. En voor digitale marketing moet je sociale media kunnen gebruiken,’ aldus Nikore.

    Lees ook:

  • Volgens deze ‘piraten van de techindustrie’ is een nieuwe iPhone doodzonde van je geld

    Volgens deze ‘piraten van de techindustrie’ is een nieuwe iPhone doodzonde van je geld

    De jongens achter het bedrijf iFixit laten zien hoe je alles kunt repareren, van iPhone tot broodrooster. Hun missie is niet zo veel mogelijk geld verdienen, maar ‘de groei van de wegwerpcultuur bestrijden’. Ze bouwden er een enorm bedrijf mee op – en kregen het met Apple aan de stok.

    Keuze uit het archief

    Sinds vrijdag ligt de nieuwe iPhone 17 van Apple, de zoveelste versie, in de winkels. Advertenties moeten klanten verleiden om hun oude mobiel – kapot of niet – weg te doen en over te stappen op het nieuwste model. Dit artikel van het ondernemersblad Inc. uit 2020 laat zien hoe het anders kan: bespaar geld en spaar het klimaat door zelf je kapotte mobiel te repareren. Het bedrijf iFixit wil je er graag bij helpen.

    ‘Ga daar maar op staan,’ zegt Kyle Wiens, terwijl hij zich tegenover zijn bezoeker opstelt en zijn hand uitsteekt naar de schakelaar. Er klinkt elektrisch gezoem, waarna een zachte schok volgt en de grond wegvalt. Het is een hefbrug, afkomstig van een autodealer en nu op een betonnen plaat gezet in Wiens’ achtertuin in Atascadero, Californië.

    Wiens, gekleed in jeans en houthakkershemd en met een ziekenfondsbrilletje en het soort kapsel dat je jezelf kunt aanmeten met een botte schaar, heeft een glooiend perceel van een hectare met uitzicht op Highway 101, halverwege Los Angeles en San Francisco. De hoge heuvels verderop zijn groen van de overvloedige regen van afgelopen winter. Er staat een gestuukt woonhuis op het terrein plus een geprefabriceerd bijgebouw, een kippenren, een patio met een gigantische grill en een werkschuur die plaats biedt aan motorfietsen, crossmotoren, kajaks, wetsuits, een generator, een compressor, een lasbrander, hamers, moersleutels en boren, evenals diverse stapeltjes gedemonteerde onderdelen: Wiens’ vele lopende werkzaamheden. De hefbrug staat vlak naast de schuur. Wiens gebruikt hem voor klussen die de meeste mensen aan een professional zouden overlaten, zoals de transmissie van een truck vervangen. En als een goedkope vorm van vermaak: ‘Het is zo’n cool ding!’

    Levenswerk

    De hefbrug staat er ook omdat dingen repareren zijn levenswerk is. De 33-jarige Wiens is medeoprichter en CEO van iFixit, een bedrijf dat volgens hem als missie heeft ‘iedereen te leren hoe je alles kunt fiksen’. Op de website van iFixit vind je een enorme bibliotheek van stap-voor-stapinstructies op ieder denkbaar gebied: remmen afstellen, een lekkende brandstoftank van een motorfiets repareren, de bumpersensoren op een Roomba-stofzuiger plaatsen, een papierversnipperaar weer aan de praat krijgen, een zool weer op een schoen bevestigen, een vuur maken zonder lucifer, een kras in een brillenglas opvullen, een verwarmingselement van een waterkoker vervangen en – iFixits specialiteit – allerlei subtiele reparaties uitvoeren aan laptops en mobieltjes van Apple. Meer dan 25.000 handleidingen in totaal, voor meer dan 7000 objecten en apparaten. Volgens Wiens hebben vorig jaar 94 miljoen mensen overal op de wereld met behulp van iFixit geleerd dingen weer tiptop in orde te krijgen, wat eerlijk gezegd een klein beetje tegenviel. Wiens had gemikt op 100 miljoen.

    Een deel van de kennis op de website van iFixit komt uit eigen koker. Het meeste komt, à la Wiki, van overal op de wereld. In beide gevallen is de informatie gratis. Je hoeft je niet in te schrijven. Er wordt geen reclame gemaakt. iFixit haalt ongeveer negentig procent van zijn omzet uit de verkoop van onderdelen en gereedschap aan mensen die niet zouden weten wat ze daarmee aan moesten als iFixit niet ook zoveel waardevolle informatie weggaf. De rest komt van het in licentie geven van de software die iFixit heeft ontwikkeld voor het schrijven van zijn online handleidingen, en van het opleiden van onafhankelijke reparateurs, zo’n 15.000 tot nu toe, die hun eigen zaak runnen met steun van iFixit.

    ‘Onze impact op de economie is veel groter dan wat we er zelf aan overhouden,’ geeft Wiens toe. Daar zit hij niet mee. Zo bereik je alles en iedereen. Maar het is een echt bedrijf. Zestien jaar oud, 125 werknemers [toen dit artikel geschreven werd], vijf keer aanvoerder van de Inc. 5000-lijst van snel groeiende ondernemingen met een jaarlijkse groei van dertig procent, een omzet van 21 miljoen dollar en een stabiele winst. ‘We geven een heleboel gratis weg,’ zegt medeoprichter Luke Soules (32). ‘Dat vinden we leuk en het werkt, ook al geeft maar een fractie van die mensen ons geld.’

    De afvalscheidingsbakken hebben een iFixit-logo, de vuilnisbakken een Apple-logo

    Bedenk eens hoe wij consumenten ons tot onze elektronische hebbedingetjes verhouden. We kunnen niet zonder, maar we hebben geen idee meer wat er zich onder hun glanzende buitenkant afspeelt. Als ze kapot gaan, zijn we reddeloos verloren; we willen meteen een nieuwe. Maar dat consumentengedrag heeft gevolgen: gevolgen voor het milieu, omdat onze afgedankte giftige technologie op vuilnisbelten belandt; gevolgen voor onze grondstofvoorziening, omdat eindige voorraden van cruciale elementen als iridium snel worden geconsumeerd en afgedankt; gevolgen voor de economie, omdat we onze zakken razendsnel legen om maar bij de tijd te blijven; en gevolgen voor ons mens-zijn, omdat we steeds gefrustreerder raken door de magische objecten waarvan we afhankelijk zijn.

    iFixit en zijn nobele missie lijken misschien geen grote bedreiging voor wie dan ook, en al helemaal niet voor het meest winstgevende bedrijf ter wereld, maar toch houdt Apple iFixit angstvallig in de gaten. Apple houdt niet van iFixit, omdat iFixit zijn eigen versies van Apples uiterst geheime reparatiehandleidingen schrijft en die met iedereen deelt. Het maakt onderdelen voor Apple-apparatuur na en levert die samen met zelf ontworpen pincetten, plastic beiteltjes en schroevendraaiers in betaalbare doet-het-zelfkits. Met behulp van iFixit kun je een gebarsten scherm of een kapotte batterij veel goedkoper vervangen dan als je met je probleem naar een Apple-winkel gaat, wat misschien toch al geen optie voor je is, afhankelijk van waar je woont. Daar komt bij dat iFixit je geen nieuwe telefoon zal proberen aan te smeren. (Apple is diverse malen benaderd om commentaar te leveren voor dit verhaal, maar heeft dat steeds geweigerd.)

    Maar iFixit houdt ook niet van Apple. In het hoofdkwartier van iFixit in San Luis Obispo, Californië, hebben de afvalscheidingsbakken een iFixit-logo, dat op een kruiskop lijkt, en de vuilnisbakken een Apple-logo. In acht Amerikaanse staten procederen de twee bedrijven over de zogeheten recht-op-reparatiewetgeving (‘Je moet vechten voor je recht om te repareren’) die, als ze wordt aangenomen, een eind zal maken aan de enorme reparatie-inkomsten die Apple aan zijn monopoliepositie dankt. Hoe gigantisch die inkomsten zijn meldt Apple niet, maar het zakenblad Warranty Week schat dat AppleCare, Apples verlengde garantieregeling waarvoor een abonnement kan worden afgesloten, het bedrijf in 2016 wereldwijd maar liefst 5,9 miljard dollar heeft opgeleverd. ‘Het is het grootste programma voor verlengde garanties ter wereld,’ zegt redacteur Eric Arnum van Warranty Week. ‘Groter dan dat van General Motors, Volkswagen of Walmart.’

    ‘We geven een heleboel gratis weg. Dat vinden we leuk’

    iFixit zou niet bestaan als Apple er niet was, en alles wat daarmee samenhangt – de innovaties, de alomtegenwoordigheid en de arrogantie. Als je het zo beschouwt is iFixit eigenlijk een parasiet. Of misschien een loodsmannetje, dat meezwemt met de haai en leeft van de restjes. Maar dat doet geenszins recht aan de radicale missie van dit bedrijf, noch aan de ambitie van de oprichters, zaken waarover Wiens langdurig heeft nagedacht.

    ‘Ik maak me echt zorgen over de transitie naar een wereld waarin we niet meer begrijpen wat er in onze spullen zit,’ zegt hij. ‘Waarin we bang zijn voor techniek, voor feiten, voor zelf prutsen. Als je een telefoon of een voicerecorder uit elkaar haalt en er genoeg van begrijpt om hem te kunnen repareren, gaat er een schakelaar om in je hoofd. Je verandert van alleen maar een consument in een deelnemer.’ Dat is misschien niet zo cool als je eigen hefbrug in je achtertuin, maar nog altijd behoorlijk cool.

    Wiens en Soules zijn allebei opgegroeid in Oregon, maar ze hebben elkaar pas ontmoet op de California Polytechnic State University, waar het motto ‘Al doende leren’ is. Dat was in 2003, en sindsdien zijn ze samen, als vrienden, zakenpartners en rivierkajakkers. (Toen Wiens aankondigde dat hij ging trouwen, zeiden zijn andere vrienden hem dat hij dan eerst van Soules zou moeten scheiden.) Wiens praat meer dan Soules en slaapt minder; hij is het publieke gezicht van iFixit, de grote uitlegger en strateeg. Soules houdt toezicht op de bedrijfsvoering en de Chinese aanvoerketen van iFixit; hij is ook piloot en klarinettist. Op de universiteit vonden ze elkaar omdat ze allebei nerds waren. ‘Ik weet nog dat hij met kerst naar huis ging,’ zegt Soules over Wiens. ‘Hij had zo’n grote ouderwetse desktopcomputer. Die nam hij mee in de trein.’

    Wiens’ andere computer was een Apple iBook G3, de gewelfde, snoepkleurige laptop die ook wel bekendstaat als de ‘wc-bril-Mac’. Toen hij die op een dag liet vallen was hij kapot. Wiens zat er niet mee. Als kind waren hij en zijn broer altijd bezig met het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van de oude radio’s en keukenapparatuur die hun grootvader meebracht uit de kringloopwinkel. ‘Die was zijn hele leven bezig dingen te maken en te onderhouden’, schreef Wiens in 2013 over zijn grootvader in een artikel op de website van The Atlantic; hij leerde Wiens oorlog voeren tegen ‘entropie: de tweede wet van de thermodynamica die garandeert dat alles op den duur verslijt’; en stuurde hem naar de universiteit met een gereedschapskist en een soldeerbout.

    Wiens had een reparatiehandleiding voor de G3 nodig. Hij zocht tevergeefs op internet. Apple deelt zulke informatie niet met zijn klanten. Daar baalde hij van. Het was tenslotte zijn computer. Zelf gekocht en betaald. Waarom had hij dan geen toegang tot de werking ervan? Dit kan zo niet, herinnert Wiens zich dat hij dacht, en daarmee was het idee voor een bedrijf geboren.

    Wiens en Soules werkten het de jaren daarna verder uit. Aanvankelijk wilden ze hun eigen reparatiehandleidingen schrijven en verkopen, maar – eerste les – informatie is geen gemakkelijk verdienmodel. Maar onderdelen en gereedschap wel, dus werden Wiens en Soules online wederverkopers van gereedschap en moeilijk te krijgen onderdelen. Ze noemden hun bedrijfje PowerBook Fixit, totdat Wiens bang werd dat Apple hen zou aanklagen wegens schending van hun handelsmerk. Daarna probeerden ze PBFixit, dat ook niet aansloeg. ‘Mensen dachten dat PB voor Peanut Butter, pindakaas stond,’ zegt Soules. Toch kwamen er mensen op af. ‘De eerste maand verdienden we niets,’ zegt Wiens. ‘Maar de tweede maand wel. En sindsdien hebben we altijd geld verdiend.’

    Ze woonden samen op een kamer, sliepen in een stapelbed zodat ze meer ruimte hadden voor inventaris. In hun tweede studiejaar verhuisden ze van de campus naar een tweekamerflat, en uiteindelijk naar een huis met drie slaapkamers en een garage voor drie auto’s die als opslagplaats voor onderdelen fungeerde. Het runnen van een bedrijf en tegelijkertijd studeren bracht bepaalde uitdagingen met zich mee. ‘Dan zat ik aan de telefoon met een klant om hem te begeleiden bij de installatie van een harde schijf en tegelijkertijd op de klok te kijken terwijl ik dacht: Over twintig minuten heb ik een tentamen,’ zegt Wiens. ‘Dat kun je moeilijk tegen een klant vertellen.’ Uiteindelijk huurden ze personeel in. Op een dag arriveerde er een werknemer bij hun huis die zijn sleutel was vergeten, dus peuterde hij het slot open. De baas was onder de indruk. ‘Tot op de dag van vandaag leren we nieuwe werknemers nog altijd om sloten open te peuteren,’ zegt Wiens. (iFixit heeft zelfs ooit sets verkocht voor het open peuteren van sloten, maar dat bracht bepaalde complicaties met zich mee; het is illegaal om die te versturen via de Amerikaanse posterijen.)

    ‘We deden van meet af aan veel aan klantbegeleiding,’ zegt Wiens. ‘Dan zei een klant: “Nou, bedankt voor de onderdelen, maar hoe installeren we die?” Dus schreven we een handleiding voor ze. En dan zeiden ze: “Nou, dat is allemaal mooi en aardig, maar we hebben geen gereedschap,” en dus verkochten we ze het gereedschap. En dan zeiden ze: “Nou, dat gereedschap is te duur,” en dus begonnen we zelf kits samen te stellen en berekenden het gereedschap door in de prijs van de onderdelen. Het bleek dat we iets deden wat uniek was in de onderdelenbranche.’

    Het jaar dat ze afstudeerden, 2007, was ook het jaar dat de iPhone zijn debuut maakte, wat voor een ingrijpende omslag in hun inkomstenstroom zorgde van het repareren van computers naar het repareren van mobiele telefoons. Wat was begonnen als een parttime hobby was nu een winstgevend, snel groeiend bedrijf. Het leverde ze niet alleen zakgeld op, maar genoeg om hun hele studie te betalen. Het stelde ze ook in staat een aanbetaling te doen voor het huis van 690.000 dollar in Atascadero dat in de loop der jaren als hun gemeenschappelijke woonhuis, personeelsonderkomen en iFixit-hoofdkwartier fungeerde, en soms alle drie tegelijk. Soules herinnert zich dat hij tijdens zijn laatste studiejaar dacht: Dit zou heel goed onze broodwinning kunnen worden. Daar had hij nooit eerder bij stilgestaan. Dus over een baan zoeken hoefden ze zich geen zorgen meer te maken.

    Als een pas geopende doos elektronica

    De voordeur van het iFixit-hoofdkwartier aan de rand van het centrum van San Luis Obispo zit op slot. Op een bordje staat: ‘Alleen op afspraak.’ Maar er is een bel, waarop een glimlachende twintiger met een baard reageert. Hij gaat me via een lege wachtkamer voor naar een loods met stalen balken en dakramen waar andere twintigers met een baard zitten plus een aantal vrouwelijke collega’s. Hier huisde vroeger de autodealer waar Wiens zijn hefbrug vandaan heeft. De andere hefbrug heeft hij buiten laten staan ten bate van zijn werknemers, al is onduidelijk hoevelen van hen autorijden, laat staan een auto bezitten. Op hun eerste werkdag ontvangen alle werknemers van iFixit, naast een bureau dat ze geacht worden zelf in elkaar te zetten, vierhonderd dollar voor de aanschaf van een fiets. Het parkeerterrein is meestal leeg.

    Het renoveren van de plek kostte meer dan een jaar. De grootste uitdaging, zegt Wiens, was uitvogelen hoe er een verdieping in de bestaande structuur kon worden aangebracht en hoe alles waterdicht kon worden gemaakt zonder het dak eraf te halen. (‘Het is veel moeilijker om een bestaand gebouw voor andere doeleinden in te richten dan iets nieuws te bouwen van de grond af aan,’ geeft hij toe, wat kennelijk niet ironisch is bedoeld.) De centrale ruimte wordt in tweeën gedeeld door een monumentale trap van gerecycled acacia- en walnotenhout. Een tweetal monitors op de overloop houdt de wereldwijde activiteit op de website bij. De lambrisering bovenaan de trap is gemaakt van eikenhouten planken die zijn afgedankt door wijnmakerijen in de streek. Het ruikt hier lekker. Niet naar hout of wijn, maar vertrouwd en schoon. Als een pas geopende doos elektronica.

    Soules bezoekt deze week leveranciers in China, maar Wiens tref ik aan achter zijn ‘bureau’ op de bovenverdieping. Het is een op wandeltempo afgestelde loopband achter een hoge tafel met een stapel verouderde softwarehandleidingen erop die bedoeld is om zijn laptop op te plaatsen.

    Wiens loopt er niet mee te koop, maar hij is een vrome christen. Jen Wiens, bedrijfsleider van iFixit, wist niet wat ze van haar toekomstige echtgenoot moest denken toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten tijdens Bijbelles: een constante prater, een onverzadigbare lezer (later ontdekte ze dat hij luisterboeken op dubbele snelheid afspeelt) en een man van grote ideeën en nobele uitspraken. ‘Ik werkte bij een advocatenkantoor in het centrum,’ zegt ze. ‘Ik was altijd behoorlijk moe na een dag van veertien uur. Dan kwam hij naast me zitten en praatte aan één stuk door. Hij was altijd opgewonden. Uiteindelijk besloot ik dat ik misschien maar eens moest luisteren naar wat hij zei.’

    Tijdens een van hun eerste keren samen vertelde Kyle Jen dat hij de wereld wilde veranderen. Hij studeerde nog en was bezig de details uit te werken voor zijn grote plan ‘om de groei van de wegwerpcultuur te bestrijden’, zoals hij jaren later schreef in het handboek voor iFixit-werknemers (een vijftig pagina’s tellend manifest dat is verluchtigd met tekeningen uit een padvindershandboek uit 1903), ‘duurzaam ontwerp te promoten, eigendomsrechten te verdedigen en licht te werpen op de verwoestende effecten van elektronische verspilling’. Zover was Kyle nog niet helemaal, maar ook toen was het Jen al duidelijk dat als hij het over het veranderen van de wereld had, hij iets meer bedoelde dan een piepklein hoekje van de techindustrie verstoren en een heleboel geld verdienen. ‘Ik wist waar hij op aanstuurde,’ zegt ze.

    Waar hij op aanstuurde was natuurlijk dit bedrijf dat uiteindelijk de woede van Apple zou wekken. Maar het zou ook een paar verlichte zakenpartners aanspreken, met name Patagonia, dat met behulp van iFixit de levenslange garantie waarmaakt die het op al zijn kleding geeft. ‘We zijn echt onder de indruk van hun ethiek,’ zegt Nellie Cohen, programmamanager ‘gedragen kleding’ van Patagonia.

    ‘Onze impact op de economie is veel groter dan wat we er zelf aan overhouden’

    In sommige opzichten is iFixit een conventioneel succesverhaal. Het heeft geld verdiend, zeker, maar niet zoveel als het had kunnen verdienen als dat al die tijd het belangrijkste doel was geweest. Een van de redenen waarom de oprichters een paar jaar geleden zijn gestopt met het dingen naar een plek op de Inc. 5000-lijst is volgens Wiens dat ze niet op contact met mogelijke investeerders zitten te wachten. ‘Ik denk dat we allebei bang zijn voor de verantwoordelijkheid om te groeien en ten koste van alles geld te verdienen die dat met zich mee zou brengen,’ zegt Soules. En iFixit heeft al veel meer impact, zowel op zijn eigen branche als daarbuiten, dan bedrijven die vele malen groter zijn: het bereikte vorig jaar 94 miljoen doe-het-zelvers en heeft duizenden technici opgeleid overal in de VS.

    ‘Ik kan niets anders bedenken dat zo opwindend en zo nodig is als dit,’ zegt Wiens. In een wereld die in het teken staat van een reusachtige economische tweedeling kan iFixit naar zijn overtuiging helpen het bezit van technologie betaalbaarder te maken en kansen te creëren voor onafhankelijke reparatiewinkels. Voeg daar het milieuvoordeel van minder spullen weggooien bij, plus misschien het menselijke voordeel dat we allemaal een tikkeltje gelukkiger worden.

    Een van Wiens’ lievelingsboeken is De wereld buiten je hoofd van Matthew Crawford, die verbonden is aan de Universiteit van Virginia en zowel natuurkunde als politieke filosofie heeft gestudeerd. Zijn boek verbindt die twee vakgebieden met lessen die hij tijdens zijn andere carrière heeft geleerd, als monteur van motorfietsen. ‘Wij hebben ons ontwikkeld tot gereedschapsgebruikers,’ zegt Crawford. ‘Wat mensen zoeken is de basale ervaring van het zelf doen, om te zien wat het gevolg is van je eigen handelingen en om je eigen boontjes te kunnen doppen.’

    Dat Wiens en Soules een bloeiend bedrijf hebben opgebouwd dat daarbij kan helpen? Heel erg cool.

    Wetgeving

    Acht Amerikaanse staten beraden zich op wetgeving die iFixit dolblij zou maken en Apple woedend.

    De eerste auto die ik bezat was een Ford Maverick uit de jaren zeventig. Als je de motorkap opendeed was alles een fluitje van een cent: bougies vervangen, v-snaren vervangen, olie verversen. Auto’s van tegenwoordig zitten bomvol elektronica en software. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet te repareren zijn door iemand anders dan de fabrikant, wat autobedrijven ons ook proberen wijs te maken.

    Dat was de inzet van het Reparatierecht-wetsvoorstel in Massachusetts dat in 2012 met 86 procent van de stemmen werd aangenomen. Het gaf autobezitters en onafhankelijke garagisten toegang tot dezelfde diagnostische hulpmiddelen, reparatiehandboeken en firmware als officiële dealers.

    Nu zetten acht Amerikaanse staatsparlementen zich in voor wetgeving die dit idee uitbreidt tot computers, smartphones en tractors. ‘Reparatie is onmogelijk zonder toegang tot informatie,’ zegt Gay Gordon-Byrne, directeur van het lobbykantoor Repair Association. Het eerste wetsvoorstel is in januari ingediend door Lydia Brasch, afgevaardigde van een ruraal district in het noordoosten van Nebraska. Ze heeft er genoeg van om honderddertig kilometer te moeten rijden naar Omaha, waar zich de enige Apple-winkel in Nebraska bevindt, om haar computer te laten repareren. Haar man Lee, een maïs- en sojaboer van de vijfde generatie, heeft soortgelijke problemen gehad met zijn John Deere-maaidorser van 300.000 dollar. (John Deere, zegt Gordon-Byrne, is ‘de agrarische Apple’.)

    Apple, dat niet heeft gereageerd op herhaaldelijke verzoeken om commentaar voor dit artikel, is niet blij met wat er in Nebraska gebeurt, en in Kansas, Minnesota, New York, Tennessee, Illinois, Massachusetts en Wyoming. Kortgeleden heeft het bedrijf een delegatie naar de hoofdstad Lincoln van Nebraska gestuurd om met Brasch te praten. De lobbyisten van Apple waren aanvankelijk ‘hoffelijk’, meldt ze. Ze boden aan in te stemmen als ze een uitzondering maakte voor smartphones. Daarna probeerden ze haar bang te maken en waarschuwden dat als het wetsvoorstel werd aangenomen, Nebraska een ‘mekka voor hackers en criminelen’ zou worden.

    Maar Brasch trapt er niet in. ‘Hoeveel miljarden heb je nodig?’ vraagt ze zich af. ‘Er zou een partje appel moeten overblijven dat de rest van ons kan delen.’

    Testcase

    Ik heb een Fixit-kit geprobeerd om mijn kapotte iPhone repareren.

    De iPhone 5C van mijn werk deed het prima tot de dag dat hij het begaf. Het scherm viel uit. Geen barsten in het glas, alleen een dicht web van verticale golfjes waardoor het display onleesbaar was. Apple zegt dat zijn telefoons drie jaar moeten meegaan. De mijne ging tweeënhalf jaar mee.

    De garantie was inmiddels verlopen, waar ik van zou hebben gebaald als ik het zelf moest betalen, maar dat was niet zo. Mijn werk stuurde een vervanger en de 5C verdween in een la, waarin volgens een door wederverkoper SellCell.com gesponsorde studie voor 13 miljard dollar aan oude mobieltjes huist.

    Toen hoorde ik over iFixit en vroeg ik me af of een kluns als ik echt zijn oude telefoon zou kunnen repareren. Bemoedigend was dat de 5C volgens iFixit een reparabiliteitsscore van zes heeft op een schaal van tien, wat niet slecht is. (Mijn nieuwe Galaxy S6 Edge haalt maar drie.) En dat mijn specifieke klus, het vervangen van het voorpaneel, 32 stappen impliceerde en dertig minuten tot een uur zou vergen, met een ‘gemiddelde’ moeilijkheidsgraad – niet ‘gemakkelijk’, maar ook weer niet ‘zeer moeilijk’ was. Ik bestelde de volledige kit, met gereedschap, voor 54,95 dollar plus verzendkosten.

    Het eerste wat ik deed toen mijn pakketje arriveerde was de zes minuten lange demontagevideo op iFixits website bekijken. Daarna dook ik in de geïllustreerde instructies. Stap 12, het verwijderen van de vier oneindig kleine kruiskopschroefjes waarmee het voorpaneel vastzit op het moederbord, kostte me de meeste hoofdbrekens. De schroefjes oogden identiek, maar ze zijn het niet. ‘Als u bij vergissing de schroef van 3,25 mm of 1,7 mm in het gaatje rechts onderaan draait, heeft dat aanzienlijke schade voor het moederbord tot gevolg en zal de telefoon niet langer naar behoren werken’, lees ik.

    Ik was er destijds niet zeker van of ik die fout niet had gemaakt. (Ik adviseer dat u uw werkblad leegmaakt voordat u begint; een magnetisch matje zou ook handig zijn geweest.) Maar ik zette door. Na het weer indraaien van de laatste twee ‘Pentalobe’-veiligheidsschroefjes (Apple-nomenclatuur) die het omhulsel borgen, drukte ik op de aan/uitknop, hield mijn adem in en aanschouwde vol trots een verlicht scherm. Mijn oude 5C, zo goed als nieuw. Ik liet het zien aan mijn vrouw. Daarna gooide ik hem weer in de la.

  • ‘De futurologie zit
 er bijna altijd naast’

    ‘De futurologie zit
 er bijna altijd naast’

    In voorspellingen over de toekomst krijgt innovatieve technologie meestal alle aandacht en zien we culturele veranderingen over het hoofd. De mobiele telefoon werd aangekondigd, maar niet dat er op een dag ook vrouwen op kantoor zouden werken.

    In de rust van een basketbalwedstrijd aan de 
Universiteit van Washington in Seattle werd begin 1999 een tijdcapsule uit 1927 geopend. De boodschap uit het verleden bevatte niet veel meer dan wat vergeelde kranten, een antiek dubbeltje, 
een studiegids en een bouwvergunning. Het publiek begon te jouwen. Eén student vond het maar ‘stomme’ voorwerpen.

    Die teleurstelling lijkt inherent te zijn aan het hele fenomeen tijdcapsule, als we het boek Time Capsules: A Cultural History van William E. Jarvis mogen geloven. Volgens hem wordt het kernachtig samengevat in een kop van The Onion [de Amerikaanse tegenhanger van De Speld]: ‘Onlangs opgegraven tijdcapsule bevat alleen nutteloze oude zooi’. Tijdcapsules hebben immers iets pathetisch: ze laten ons zien dat 
de toekomst minder vooruitgang heeft vertoond en minder snel is veranderd dan we ooit verwachtten. Tegelijkertijd blijkt ook het verleden niet zo radicaal van ons heden te verschillen als we dachten. Nicholas Rescher schrijft in zijn boek Predicting the Future dat we ‘de neiging hebben de toekomst als het ware te bekijken door een telescoop die alles wat we zien groter maakt en dichterbij brengt’. Op dezelfde manier bezien we het verleden door een omgekeerde telescoop, waarin alles veel verder weg lijkt dan het eigenlijk was en we sommige zaken zelfs geheel uit het oog verliezen.

    Dit klopt helemaal als het om technologie gaat. De vliegende auto die ons was beloofd, hebben we nog steeds niet. En zoals historicus David Edgerton in 
The Shock of the Old beschreef: in het begin van onze eeuw werd meer energie uit steenkool geput dan aan het einde van de toch met roetwolken geassocieerde negentiende eeuw. En de stoommachine was in 1900 belangrijker dan in 1800.

    Maar als het om cultuur gaat, hebben we juist de neiging altijd te denken dat de toekomst weinig van het heden zal verschillen, dat alles grofweg bij het oude blijft. Probeer je maar een voorstelling te maken van je eigen leven ergens in de toekomst. Waar denk je dan te wonen? Welke kleren denk je dan te dragen? Welke muziek zul je dan mooi vinden? Grote kans 
dat de persoon die je voor je ziet, weinig verschilt van hoe je nu bent. In een artikel van George Loewenstein en twee collega-psychologen werd jaren geleden al gesteld dat mensen ‘neigen tot overschatting van de mate waarin hun toekomstige smaak overeen zal komen met hun huidige smaak’, een verschijnsel dat ze projection bias noemden.

    Saillante fenomenen

    Zo werd mensen in een experiment gevraagd hoeveel geld ze over tien jaar zouden willen betalen om een concert van hun favoriete band bij te wonen. Anderen kregen de vraag hoeveel geld ze nu overhadden voor een concert van hun favoriete band van tien jaar geleden. ‘De deelnemers hadden veel te veel geld over voor een toekomstige kans op bevrediging van de smaak die ze nu koesteren’, schreven de auteurs 
van dat onderzoek. Zij noemden dat de end of history-illusie: mensen denken een ‘definitief keerpunt’ te hebben bereikt waarop ze hun authentieke ik hebben gevonden. In zijn essay Het einde van de geschiedenis hield Francis Fukuyama in 1989 een vergelijkbaar betoog over de westerse liberale democratie als een soort eindpunt van de maatschappelijke evolutie.

    Deze combinatie van overdrijving en onderschatting zit in al onze toekomstvoorspellingen ingebakken. ‘De futurologie zit er bijna altijd naast’, zegt historica Judith Flanders, ‘omdat gedragsverandering zelden in de voorspelling wordt meegenomen.’ En we richten ons volgens haar ook op de verkeerde zaken: ‘Op het vervoer naar ons werk, in plaats van op hoe dat werk eruit zal zien; op de technologie zelf, in plaats van hoe de veranderingen die technologie teweegbrengt ons gedrag zullen beïnvloeden.’ Wie wij in de toekomst zullen zijn, blijkt moeilijker te voorspellen dan wat we in de toekomst allemaal kunnen doen. En net zoals mensen met honger altijd meer bestellen dan ze op kunnen, hebben voorspellers de 
neiging saillante fenomenen eruit te pikken en die een buitensporig grote rol in de toekomst toe te schrijven. En wat is het meest saillant in onze samenleving? Dat wat nieuw, ‘disruptief’ en gemakkelijk te begrijpen is: nieuwe technologie. Of zoals de denker Nassim Nicholas Taleb in zijn boek Antifragile schrijft: ‘Wat fluctueert en verandert, valt ons meer op dan dingen die een grotere rol spelen maar niet veranderen. We zijn afhankelijker van water dan 
van mobiele telefoons, maar omdat water niet verandert en mobiele telefoons wel, denken we al snel 
dat mobiele telefoons een grotere rol in ons leven spelen dan ze eigenlijk doen.’

    Mensen zouden toch nooit zin hebben in dat geklooi op kleine cijfertoetsen

    Het resultaat is dat we ons al snel afvragen hoe het leven ooit mogelijk is geweest zonder een bepaalde technologie. Maar zoals een beroemde constatering van de econoom Robert Fogel luidt: als de spoorwegen niet waren uitgevonden, hadden we economisch gezien met schepen en kanalen praktisch even goed gepresteerd. Of we gaan ervan uit dat de moderne technologie welhaast voorbeschikt is en niet, zoals vaak het geval, een resultaat van louter toeval. Instagram begon zijn bestaan als een Yelp-achtige netwerk-app, Burbn, met de mogelijkheid om foto’s te delen als toevallig extraatje (foto’s op je telefoon, zou dat wat zijn?). En sms is ooit begonnen als een kanaal dat louter was bedoeld voor het versturen 
van korte tekstberichten – want mensen zouden toch nooit zin hebben in dat geklooi op kleine cijfertoetsen. Ze zouden toch liever gewoon even bellen?

    Vooral vervoersmiddelen zijn vaak een uithangbord voor overspannen toekomstdromen die getuigen van een bovenmatig sterke behoefte aan wensvervulling (misschien omdat we onze dagelijkse forensenrit zo vermoeiend vinden). De klaagzang over het eeuwige uitblijven van de vliegende auto berust op een 
kinderlijk verlangen (‘waarom kan ik er nog niet mee spelen?’) dat voorbijgaat aan de enorme problemen die ermee gepaard zouden gaan, zoals verkeersopstoppingen in de lucht en een waarschijnlijk hoger aantal dodelijke slachtoffers dan in het gewone 
wegverkeer. Nu wordt ons weer beloofd dat de ‘zelfsturende auto’ onze manier van leven radicaal zal veranderen, zonder oog voor het feit dat mensen in de loop van de geschiedenis altijd al hebben getracht hun dagelijkse reistijd ruwweg binnen een bepaalde bandbreedte te houden.

    Ooit zouden rolpaden, bewegende trottoirs, de mobiliteit binnen steden radicaal veranderen. Als ze tegenwoordig nog in werking zijn, op luchthavens, zie je er mensen op staan die zich langzamer voortbewegen dan als ze zelf zouden lopen. Bij het nadenken over de toekomst van ons vervoer is het goed om in het achterhoofd te houden dat we bij de meeste van onze verplaatsingen tegenwoordig nog steeds gebruikmaken van oude technologie. Amazon mag dan experimenteren met bezorging via drones, ondertussen worden de meeste van hun spoedbestellingen in New York bezorgd op die negentiende-eeuwse killer app: de fiets.

    091d01e0531307736a865c2e54ccdce4 vintage illustration art retro futurism

    David Edgerton merkt op dat het ‘innovatiegerichte’ wereldbeeld – van sexy apparaten die ‘de wereld hebben veranderd’ – niet alleen onze kijk op de toekomst maar ook ons beeld van het verleden bepaalt. ‘Het paard heeft een grotere bijdrage aan de militaire zegetocht van de nazi’s geleverd dan de V2’, schrijft hij. Wat er aan nieuwe snufjes werd uitgevonden, valt ons gewoon meer op dan wat er werkelijk werd ingezet. Net zoals de fixatie op recente innovaties ons stimuleert om het belang daarvan te overschatten en te denken dat die een radicaal andere toekomst zullen inluiden – de belofte van Google Glass – wordt ook de blik op het verleden vertekend door onze neiging technologie veel te snel als achterhaald af te schrijven. De rake wijze waarop een film als Blade Runner de nabije toekomst leek te verbeelden, schuilt niet zozeer in de voorspellingen over specifieke technologieën. (Je ziet in de film een vorm van stemherkenning, maar Bell Labs werkte al in de jaren veertig aan spectrografische analyses van de menselijke stem.) Vooral het beeld van nieuwe en oude technologieën die ongemakkelijk naast elkaar blijven bestaan, is in die film overtuigend. Films waarin de toekomst eenparig futuristisch is, hebben altijd iets onwerkelijks – net als historische films waarin alleen puntgave oude auto’s zonder een krasje rondrijden (omdat alleen de gave exemplaren uit die tijd zijn bewaard). Vuil en verval maken evenzeer deel uit 
van de toekomst als van het verleden.

    In ons door innovatie geobsedeerde heden bestaat 
de neiging om niet alleen de impact van technologie op onze toekomst te overschatten, maar ook die op het heden. We denken algauw dat we in een wereld leven die luttele decennia geleden nog nauwelijks denkbaar was geweest. Het is niet ongebruikelijk om zoiets te lezen als: ‘Een mens had aan het begin van de twintigste eeuw nooit kunnen dromen hoe het transport er een halve eeuw later uit zou zien.’ Maar in 1900 vlogen er al zeppelins rond en een jaar eerder was in New York de eerste voetganger doodgereden door een auto. Zou het idee van reizen door de lucht dan werkelijk niet te bevatten zijn geweest, of de gedachte dat de auto het straatbeeld diepgaand zou gaan veranderen? Of is dat een arrogante vorm van ‘eigen tijd eerst’, die zweem van neerbuigendheid waarmee we neerkijken op de hopeloze primitiviteit van onze voorzaten?

    Brievenpost

    ‘In ons denken over informatietechnologie verliezen we de brievenpost, de telegraaf, de telefoon, radio en televisie uit het oog’, schrijft Edgerton. ‘In ons gejuich over online winkelen verdwijnt de postordercatalogus uit het zicht.’ Wie bijvoorbeeld jubelt dat 
in de film The Net al decennia voordat het mogelijk was een pizza online werd besteld, staat niet stil bij de vraag hoe groot die vooruitgang werkelijk is: met behulp van een elektronisch hulpmiddel een pizza naar keuze bestellen en thuis laten bezorgen was al mogelijk sinds de jaren zestig. En toen ik met de metro naar een koffietentje ging om dit artikel te schrijven en het vervolgens naar een redacteur ergens ver weg te mailen, deed ik iets wat ik in New York in de jaren twintig al had kunnen doen met precies dezelfde metro, een koffiehuis van de Roosevelt Brothers en een telegram – het was hooguit wat minder efficiënt geweest. (Of ik persoonlijk baat heb bij die efficiëntie of dat ik daardoor alleen maar meer moet werken voor minder loon, is een vraag die nog openstaat.) We verwachten meer dan de toekomst daadwerkelijk brengt, omdat we denken dat ons leven al meer is veranderd dan het eigenlijk is.

    De klaagzang over het eeuwige uitblijven van de vliegende auto berust op een kinderlijk verlangen: waarom kan ik er nog niet mee spelen? Maar velen vergeten de problemen die ermee gemoeid zouden zijn, zoals verkeersopstoppingen in de lucht en nog meer ongelukken.

    Judith Flanders schrijft dat de zeventiende-eeuwse chroniqueur Samuel Pepys in zijn dagboek terloops verwijst naar iets wat hij een spitting sheet noemt. 
Ze vermoedt dat het gaat om een laken dat achter een kwispedoor aan de muur werd gehangen om de wand tegen opspattend spuug te beschermen. Het 
is een voorbeeld van wat zij ‘onzichtbaar meubilair’ noemt. Het bestaan van kwispedoors is natuurlijk wel bekend, maar omdat ze in de literatuur zelden worden vermeld en op schilderijen nauwelijks worden afgebeeld, zien we gemakkelijk over het hoofd hoe gewoon het vroeger was om te spuwen, ook in beschaafd gezelschap. Flanders legt uit dat er in 
de VS regelgeving bestond over waar men mocht spuwen in treinen, op stations en perrons. Een bijeenkomst van gezondheidsinstanties in Washington vaardigde in 1917 het voorschrift uit dat treinwagons ‘zijn uitgerust met voldoende aantallen kwispedoors’. Tegenwoordig is zowel het woord kwispedoor als het voorwerp zelf praktisch vergeten (al staat er reglementair nog altijd één klaar voor rechters van het Hooggerechtshof). De verdwijning van de 
kwispedoor uit het maatschappelijk leven is geen gevolg van een verouderde technologie, maar van een verandering in ons gedrag.

    Grote historische veranderingen werden niet gedreven door technologie, maar door ideeën

    Terwijl het verleden en de toekomst in technologisch opzicht dus minder van ons heden verschillen dan we soms denken, zijn de culturele verschillen soms juist verrassend veel groter. Toen Flanders als historisch adviseur meewerkte aan de game Assassin’s Creed, moest ze de scriptschrijvers er steeds aan 
herinneren personages niet ‘cheers’ te laten zeggen als ze het glas hieven. Want dat woord, zoals ze 
mij schreef, ‘is men pas in de twintigste eeuw gaan gebruiken om te proosten’. De schrijvers wilden weten wat mensen dan wel zeiden. ‘Het wilde maar niet tot ze doordringen dat de meeste mensen 
helemaal niets zeiden. Proosten als je het glas heft 
is voor hen zo doodnormaal geworden dat het er niet in wilde dat mensen daar eeuwenlang helemaal geen behoefte aan hebben gehad.’

    Historicus Lawrence Samuel noemt maatschappelijke vooruitgang ‘de achilleshiel’ van het futurisme. Volgens hem is er te weinig oog voor de stelling van historicus en filosoof Arnold Toynbee: dat 
de grootste historische veranderingen niet werden gedreven door technologie maar door ideeën. En als technologie mensen al verandert, gebeurt dat vaak niet op de manier die je zou verwachten. Mobiele technologie heeft bijvoorbeeld niet geleid tot the death of distance, zoals een vroege voorspelling luidde, maar heeft de urbanisering juist versterkt. De wasmachine bevrijdde vrouwen van arbeid en had, zoals de sociaal psychologen Nina Hansen en Tom Postmes beweren, een revolutie in de verhouding tussen de seksen kunnen ontketenen. Maar ‘in plaats van het feminisme te stimuleren’, schrijven ze, ‘maakte de nieuwe technologie (althans in eerste instantie) vooral de opkomst mogelijk van de nieuwe rol van huisvrouw; vrouwen uit de middenklasse benutten de vrijgekomen tijd niet om tegen structuren in opstand te komen of zelfs maar te profiteren van 
hun onafhankelijkheid’. In plaats daarvan, zo beweren deze auteurs, namen vrouwen simpelweg de taken over die voorheen door hun bedienden werden verricht.

    Kleine overwinningen

    Haal het voorwerp weg uit je geschiedenisbeeld, en 
je verliest ook het historisch gedrag uit het oog. 
Het voorspellen van de toekomst leidt vaak tot een vergelijkbaar probleem: het innovatieve voorwerp krijgt alle aandacht en beneemt ons het zicht op de mogelijke gevolgen voor ons gedrag. Het Jetsons-toekomstbeeld van jetpacks en maaltijdpillen ontbeerde ieder besef van wat er inmiddels werkelijk blijkt te zijn veranderd: de hele idee van baanzekerheid en het ritueel van ’s middags samen thuis eten. Een futuroloog heeft erop gewezen dat een documentaire uit de jaren zestig over het ‘kantoor van de toekomst’ weliswaar rake voorspellingen bevatte op technologisch vlak (faxapparaten en dergelijke), maar een andere ontwikkeling faliekant over het hoofd zag: in dat kantoor van de toekomst werkten geen vrouwen. In beelden van zelfsturende auto’s uit de jaren vijftig zie je gezinnen bordspelletjes spelen, terwijl hun auto (staartvinmodel) zelfstandig over de snelweg zoeft. Nu, zeventig jaar later, verwachten we vooral dat de zelfsturende auto zal leiden tot uitbreiding van onze productieve tijd, en dus van onze werktijd. De zelfsturende auto heeft in zekere zin altijd al bestaan. Maar onze huidige cultuur niet.

    Waarom is het zo moeilijk om culturele veranderingen te voorspellen? Ten eerste hebben we de neiging te vergeten dat de cultuur überhaupt verandert. Op dit vlak hebben we vooral oog voor wat hetzelfde blijft. ‘Tot voor kort legde onze cultuur vooral uit waarom dingen bij het oude bleven, niet waarom 
ze veranderden’, schrijft socioloog Kieran Healy. 
‘Cultuur, gezien als een monolithisch blok passief verinnerlijkte normen, doorgegeven via socialisering en gecanoniseerd door de traditie, werd doorgaans beschouwd als een rem op de neigingen van het individu.’ En als een cultuur verandert, zijn de oor-
zaken soms verrassend klein en toevallig. Charles Duhigg beschrijft in The Power of Habit dat een van 
de mijlpalen in de ontwikkeling van homorechten 
in de VS een kleine wijziging betrof in de catalogus van de Library of Congress [de nationale bibliotheek van de VS]: die besloot boeken over de homobeweging niet meer onder te brengen in de categorie ‘Abnormale seksuele relaties, waaronder zedendelicten’, maar in de categorie ‘Homoseksualiteit, lesbianisme – homo-emancipatie, homofiele beweging’.

    Die ogenschijnlijk kleine verandering, door activisten luidkeels toegejuicht, hielp de weg te effenen voor andere, grotere veranderingen (een jaar later besloot de American Psychiatric Association homoseksualiteit niet langer als geestesstoornis te beschouwen). Duhigg citeert een organisatiepsycholoog: ‘Kleine overwinningen vormen geen keurige logische reeks waarin men steeds een aantoonbaar stapje dichter bij een vooraf bepaald doel komt.’ Dat zou je ook over de toekomst kunnen zeggen.

    Auteur: Tom Vanderbilt

    Nautilus
    VS | nautil.us

    Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen 
de wetenschap en ons dagelijks leven. 
Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.

  • Smartphone verdeelt de amish

    Smartphone verdeelt de amish

    Hun paard en wagen hebben ze nog niet afgezworen, maar ook in de amishgemeenschap doen computers en mobiele telefoons langzaam hun intrede. Tot angst van sommigen: ‘We zijn bang dat onze kinderen van ons worden weggedreven.’

    Op de boerenmarkt zet een jonge vrouw in een ouderwetse, lange jurk, getooid met een wit kapje, een stap opzij. Ze kijkt op de smartphone in haar hand en begint te scrollen, opgezogen in haar eigen wereld. Niet ver bij haar vandaan bedient een zestiger met een grijze baard, een breedgerande strohoed en bretels een computergestuurde zaagmachine. Hij zaagt planken voor tuinhuisjes die online worden verkocht en afgeleverd door het hele land.

    De amish hebben hun paard en wagen nog niet afgezworen. Door hun starre afwijzing van veel nieuwe technologie hebben ze hun negentiende-eeuwse levensstijl goeddeels weten te behouden: geen auto’s, tv’s of aansluitingen op het elektriciteitsnet, bijvoorbeeld. Maar in sommige gemeenschappen doen computers en mobiele telefoons langzaamaan hun intrede, die hen – nolens volens – de eenentwintigste eeuw in trekken.

    Welvaart en gemak

    Ook voor de amish heeft technologie de deur opengezet naar meer welvaart en meer gemak. Een aannemer kan een klant bellen vanaf de bouwplaats. Software biedt voor een winkelier uitkomst bij salarisadministratie en voorraadbeheer. Een bakkerij kan creditcards accepteren. Maar de hechte geloofsgemeenschap, die zich zo veel mogelijk afzijdig houdt van de buitenwereld, is bang voor de gevolgen van toegang tot het internet. Ze zijn bang voor porno, voor de mogelijkheid dat sociale netwerken hun zonen en dochters in de armen van jongeren buiten de gemeenschap drijven en voor de ontsluiting van een wereld van schier eindeloze mogelijkheden.

    ‘Het leven van de amish draait om het erkennen van het belang van afgesproken grenzen,’ zegt auteur Erik Wesner, die de blog Amish America bijhoudt. ‘En de geest van het internet gaat daar lijnrecht tegenin.’

    John, de timmerman van het bedrijf Amish Country Gazebos dat de tuinhuisjes maakt, haalt als voorbeeld het verbod op auto’s aan. ‘Een leven zonder auto’s is een manier om de groep bijeen te houden,’ zegt hij. (Zoals de meeste geïnterviewden weigert hij uit typische amishbescheidenheid zijn achternaam te noemen, en om dezelfde reden wil het merendeel ook niet worden gefotografeerd.) 
‘We zijn altijd huiverig voor de dingen die onze jongeren bij de kerk en de gemeenschap kunnen wegdrijven,’ voegt hij eraan toe.

    Het internet bedreigt ook een ander bindmiddel: bij de amish stopt het schoolonderwijs na de tweede klas 
van de middelbare school, daarna gaan jongeren in de leer bij een familielid of ander lid van de gemeenschap om een vak of ambacht te leren. ‘Als je alles gewoon op internet kunt opzoeken, gebruik je je hersens niet,’ zegt Levi, een andere timmerman. ‘Hoe meer mensen zich op technologie verlaten, hoe meer ze achter een bureau willen zitten. Maar achter een bureau leer je niet een huis te bouwen. Waar ik me zorgen om maak, is dat onze kinderen hun arbeidsethos kwijtraken.’

    Een amish met smartphone op de boerenmarkt Bird-in-Hand in Pennsylvania. – © Ashley Gilbertson / The New York Times
    Een amish met smartphone op de boerenmarkt Bird-in-Hand in Pennsylvania. – © Ashley Gilbertson / The New York Times

    Sommige jongeren vinden die angst ongegrond. Marylin (18) vertelt dat de jeugdleiders haar en haar vriendinnen verzoeken tijdens kerkdiensten het samenzijn te respecteren en hun mobiele telefoons niet te gebruiken, ‘dus dan checken we alleen onze berichten en hoe laat het is’. Maar ze vindt dat de regels wel wat soepeler mogen. ‘We kunnen niet leven zoals vijftig jaar geleden,’ zegt ze. ‘Je kunt niet van ons verwachten dat we stil blijven staan. We houden van onze manier van leven, maar een beetje meegaan met de tijd kan geen kwaad.’

    Een van de redenen dat de amish steeds meer gebruikmaken van technologie, is de sterke groei van de sekte. Het aantal amishgelovigen in de 
Verenigde Staten wordt geschat op 313.000, een toename van 150 procent ten opzicht van 25 jaar geleden, volgens onderzoekers op het Elisabethtown College in de provincie Lancaster, Pennsylvania – het hart van amishland. De aanwas is grotendeels te danken aan de gewoonte van de amish om grote gezinnen te stichten: getrouwde vrouwen krijgen gemiddeld zeven kinderen, en het percentage gehuwden ligt hoger dan het Amerikaanse gemiddelde. Bovendien trouwen ze 
op jongere leeftijd.

    Rond Lancaster, waar open land schaarser en duurder is geworden, is een aantal amishfamilies vanwege de snel uitdijende gemeenschap weggetrokken naar landelijke gebieden in onder andere de staat New York. 
Anderen hebben het boerenbestaan vaarwel gezegd en zijn op de handel overgegaan. Moses Smucker, bijvoorbeeld, heeft een levensmiddelen- en broodjeskraam geopend in de populaire markthal in Philadelphia. Zes dagen per week wordt hij vanuit de omgeving van Lancaster naar Philadelphia gereden, een rit van meer dan 100 kilometer. ‘Philadelphia is erg jachtig,’ zegt hij. ‘Als ik thuiskom, stap ik weer op mijn paard. Onthaasting is een groot goed.’ Zijn zaak Smucker’s Quality Meats and Grill richt zich op toeristen en kantoorpersoneel in de buurt van het stadhuis. Je kunt er met creditcard betalen en de zaak wordt op Yelp beoordeeld met vierenhalve ster. Over technologie zegt Smucker: ‘Je moet omarmen wat nodig is om je 
zaak te runnen. De amish beginnen dat te begrijpen.’

    De scheidslijnen zijn niet altijd even helder. Een huis aansluiten op openbare nutsvoorzieningen is taboe, maar veel huizen wekken stroom op door middel van generatoren en zonnepanelen

    Er zijn ongeveer tweeduizend succesvolle amishondernemingen in de omgeving van Lancaster, veel van hen miljoenenbedrijven, zegt amishkenner Donald B. Kraybill. Deze ‘zakelijke, kapitalistische’ tendens is des te opmerkelijker, zegt de gepensioneerde professor, omdat hij voortkomt uit een ‘cultuur van soberheid’. Veel amish trekken een duidelijke grens. Sommige technologie is toegestaan op het werk – smartphones, internet – maar niet in huis. Toch zijn de scheidslijnen niet altijd even helder. Een huis aansluiten op openbare nutsvoorzieningen is taboe, maar veel huizen wekken stroom op door middel van generatoren en zonnepanelen. Veel huishoudens hebben koelkasten op gas. En dankzij de speciale ‘amishtaxidienst’, gerund door buitenstaanders, wordt het verbod op autobezit listig omzeild.

    John, de timmerman van Amish Country Gazebos, brengt het grootste deel van de dag achter de computergestuurde zaagmachine door. Hij kent de machine, die in een moderne meubelmakerij niet zou misstaan, vanbinnen en vanbuiten, wat thuis nogal eens tot plagerijen leidt. ‘We noemen hem soms de computergeek,’ zegt zijn zoon Junior gekscherend, terwijl de familie aanschuift voor het avondmaal. Het is een typisch amishplaatje. Aan tafel zitten John en zijn vrouw Lizzie, samen met Junior, zijn echtgenote, hun vier dochters en een zoon die nog geen week geleden thuis is geboren. Lizzie heeft biefstuk, aardappelen en maïs klaargemaakt, en als toetje is er watermeloen uit eigen tuin. De familieleden buigen het hoofd om te bidden. Deze maaltijd zal niet worden verstoord door mobiele telefoons.

    Auteurs: Kevin Granville en Ashley Gilbertson

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’.