Tag: NBNN208

  • Waarom we in het publieke debat iemand niet te snel een leugenaar moeten noemen

    Waarom we in het publieke debat iemand niet te snel een leugenaar moeten noemen

    Als we iedereen maar van leugens beschuldigen, wat ook in Nederland aan de orde van de dag is, wordt het moeilijker om echt bedrog aan de kaak te stellen. ‘Het woord “liegen” is verzwakt doordat het te vaak is gebruikt’, stelt filosoof Julian Baggini.

    Ruim een eeuw geleden maakte Winston Churchill slim gebruik van de opzettelijk omslachtige term ‘terminologische onjuistheid’ om zowel het verbod te omzeilen iemand in het Lagerhuis een leugenaar te noemen als om aandacht te vestigen op het feit dat hij dat nu juist deed. Opmerkelijk genoeg geldt dat verbod nog steeds, al lijken parlementsleden tegenwoordig eerder bereid het te overtreden en de consequenties daarvan onder ogen te zien, zoals kortgeleden Ian Blackford van de Scottish National Party en Dawn Butler en Lloyd Russell-Moyle van Labour.

    Velen van ons juichen het begrijpelijkerwijs toe als het beestje bij de naam wordt genoemd. Wanneer Boris Johnson op flagrante wijze een loopje met de waarheid neemt, is de vermaning van Lagerhuisvoorzitter Lindsay Hoyle dat Blackford het woord ‘onbedoeld’ vooraf moet laten gaan aan ‘het Lagerhuis heeft misleid’ niet zozeer een oproep tot wellevendheid als wel een herinnering aan parlementaire nalatigheid.

    Een leugen is een onware bewering die willens en wetens wordt verkondigd om anderen te misleiden

    Toch blijven er goede redenen om niet iedereen zomaar van leugenachtigheid te beschuldigen. Een grotere bereidheid daartoe getuigt niet zozeer van meer eerlijkheid als wel van een toegenomen neiging tot kortzichtige partijdigheid. De handschoenen zijn uitgetrokken en in plaats van onze opponenten het voordeel van de twijfel te gunnen, haasten we ons om hen zo streng mogelijk te veroordelen.

    Het verschil tussen een leugen en een onwaarheid is eenvoudig. Een leugen is niet gewoon maar een onware bewering, maar een die willens en wetens wordt verkondigd om anderen te misleiden, vaak door middel van het toedekken van wandaden.

    Motieven

    De reden dat we moeten aarzelen iemand een leugenaar te noemen is dat we geen inzicht hebben in diens motieven of geestesgesteldheid. Dat een bewering onwaar is kan meestal zonder gerede twijfel worden vastgesteld; dat de persoon die haar heeft gedaan wíst dat ze onwaar was valt moeilijker vast te stellen. Ook al kunnen er harde bewijzen zijn dat de betrokkene al die tijd op de hoogte was van de waarheid, het gevoel dat hij of zij liegt is in de regel alleen maar een sterk vermoeden. Iedereen is a priori onschuldig, dus als we ernstige beschuldigingen tegen iemand uiten, moeten we er heel erg van op aan kunnen dat die terecht zijn. Dat is gewoon een kwestie van rechtvaardigheid.

    Iemand te snel een ‘leugenaar’ noemen heeft nog drie andere grote nadelen. Het eerste is een klassieke juridische vergissing: klaag iemand aan wegens een ernstig maar betwistbaar feit en de kans is groot dat een aanklacht wegens een minder ernstig maar onbetwistbaar feit in de prullenbak belandt. Neem de populaire woordspeling ‘Bliar’, ingegeven door het idee dat Tony Blair loog over het bestaan van massavernietigingswapens in Irak. Hoewel er nu overweldigend veel bewijs is voor de onjuistheid van die bewering, is nooit duidelijk bewezen dat Blair wist dat ze onjuist was, ondanks gedegen onderzoek. Al die tijd was de grootste beschuldiging aan zijn adres dat hij had gelogen. Daarom kon Blair gemakkelijk ontkennen dat hij schuldig was. Maar stel nu eens dat de nadruk was gelegd op incompetentie, op het nemen van beslissingen op grond van onvoldoende bewijs, op het stellen van onvoldoende vragen voorafgaand aan de besluitvorming? Daarmee zouden tegenstanders van de oorlog in Irak het Blair knap lastig kunnen maken, maar als de nadruk op liegen wordt gelegd schieten ze hun doel voorbij.

    Kwade bedoelingen

    Een groter probleem met iemand te snel een leugenaar noemen is dat je mensen daarmee sneller achteraf kwade bedoelingen in de schoenen schuift. Mensen lijken steeds minder bereid te accepteren dat degenen met wie ze het oneens zijn zich gewoon kunnen vergissen, en dichten hun in plaats daarvan snode bedoelingen toe. Over degenen die zich hardop afvragen of trans personen altijd hetzelfde moeten worden behandeld als degenen wier sekse en genderidentiteit vanaf hun geboorte overeenstemmen wordt niet gezegd dat ze het bij het verkeerde eind hebben, maar dat ze haatdragend zijn. Brexit-tegenstanders hebben het niet gewoon mis, maar zijn onvaderlandslievend. Brexit-voorstanders waren niet alleen naïef toen ze geloofden dat het land beter af zou zijn met het verlaten van de EU, ze wisten al die tijd dat het tegendeel het geval was. Mensen die de verkeerde woorden gebruiken met betrekking tot ras zijn niet gewoon slecht geïnformeerd, maar onverdraagzaam. Wanneer dit vaste prik wordt, zien we de muren tussen mensen steeds dikker en hoger worden. Meningsverschillen worden hartstochtelijker, minder begrijpelijk, dualistischer. 

    Wanneer we mensen met wie we het oneens zijn in steeds heftiger bewoordingen beschuldigen, verliezen we ook het vocabulaire dat onderscheid maakt tussen uitzonderlijk wangedrag en gewone fouten of kleine misdragingen. Zoals het woord ‘fascist’ aan kracht inboet wanneer linkse mensen iedereen ter rechterzijde van Michael Heseltine zo noemen, zo boet de beschuldiging ‘leugenaar’ aan kracht in wanneer iedereen die zich vergist als een bedrieger te boek wordt gesteld.

    Het woord ‘liegen’ is verzwakt doordat het te vaak is gebruikt

    Zo schreef Hogerhuisvoorzitter Dominic Raab afgelopen februari in The Times dat de Britse orde van advocaten CBA ‘haar leden aanzet tot nodeloos en onverantwoordelijk verzet tegen een procedure die de regering wel verplicht is te volgen’. De CBA repliceerde in een tweet: ‘Wij hebben de regering niet gevraagd inbreuk te maken op enig openbaar rechtsprincipe. Dit is een leugen.’ Dat een ingetogen organisatie als de CBA zo’n beschuldiging uit aan het adres van een minister zou vroeger een lont in het kruitvat zijn geweest. Maar in een klimaat waarin beschuldigingen van leugenachtigheid schering en inslag zijn, keek er nauwelijks iemand van op. Het gevolg was dat Raab wegkwam met zijn oneerlijkheid.

    Begin april sprak VN-secretaris-generaal António Guterres de wereldleiders nog aan op hun lijdzame houding ten opzichte van de klimaatverandering met de woorden: ‘Sommige leiders van regeringen en bedrijven zeggen het een, maar doen het ander. Eenvoudiger gezegd: ze liegen.’ Net als de CBA en de Lagerhuisleden die de Britse premier van oneerlijkheid betichtten had Guterres gelijk dat hij er geen doekjes om wond, maar het woord ‘liegen’ is verzwakt doordat het door anderen te vaak is gebruikt.

    Beleefdheid

    Zoals filosoof Alessandra Tanesini heeft betoogd, kunnen oproepen om beleefdheid te betrachten in het openbare debat ertoe leiden dat onenigheid wordt gesmoord en mensen geen uiting meer kunnen geven aan gerechtvaardigde woede. Maar het bezwaar tegen overmatig gebruik van benamingen als ‘leugenaar’ is niet bedoeld om beleefdheidsnormen te handhaven. Het is eerder een principieel argument tegen het schuldig verklaren zonder bewijs, en een praktische oproep om ervoor te zorgen dat als we wél duidelijk, onomwonden en misschien zelfs boos kunnen beweren dat iemand heeft gelogen, die beschuldiging de krachtige en serieuze grondslag heeft die noodzakelijk is. Dat is misschien een misvatting, maar geen leugen.

    Julian Baggini is schrijver en filosoof. Zijn nieuwste boek is The Great Guide: What David Hume Can Teach Us about Being Human and Living Well.

  • De nieuwste schoenentrend: hoe lelijker, hoe beter

    De nieuwste schoenentrend: hoe lelijker, hoe beter

    Lelijke ontwerpen die ineens cool worden, zogenaamde ‘uglycore’, is geen nieuw fenomeen. Maar, zo schrijft Bloomberg, ‘de collectieve kater na twee jaar lang pragmatisch schoeisel’ te hebben gedragen vraagt om een nieuwe impuls: nog lelijker.

    Onder de barkrukken bij Doris zien we het bewijs van een onappetijtelijke trend die van geen wijken wil weten. Een man met snor, in een jarentachtigneonjack, zit in stemmig kaarslicht op de patio van de cocktailbar in Brooklyn, zijn tenen in het volle zicht, zijn blote voeten in sandalen gestoken. Een andere man frunnikt wat aan zijn plastic muilen terwijl hij wacht op zijn gezelschap. De barvrouw, die luistert naar de naam Shivs, een 24-jarige tatoeëerder in opleiding met in plukjes geknipt donker haar en een platinakleurig gebleekte pony, zegt dat haar klanten verzot zijn op lelijk schoeisel. ’s Zomers lopen ze op veelkleurige Teva’s, Birkenstock-sandalen en Crocs met plateauzolen. Als de winter aanbreekt lopen ze op de koudweerpendanten, gevoerd met schapenvacht of bont. ‘Ik heb gemerkt dat lelijke dingen uiteindelijk altijd cool worden,’ zegt Shivs.

    Deze zogeheten uglycore – mode waarbij het meer gaat om zelfexpressie dan om schoonheid – is niet nieuw, maar de collectieve kater na twee jaar lang nauwelijks nog een voet in een nette schoen, een pump, een instapper, een brogue, een oxford of zelfs maar een paar flatjes te hebben hoeven wurmen, heeft onze ongegeneerde flirt met pragmatisch schoeisel een nieuwe impuls gegeven. Opmerkelijke schoenen die ooit waren bedoeld voor surfers, pakjesbezorgers en mensen met moeilijke voeten, worden nu prominent in beeld gebracht tijdens Zoomvergaderingen en modeshows, en eigenlijk zo ongeveer overal waar de cool kids zich ophouden.

    Het lijkt bijna een spel om de lelijkste schoen op de markt te brengen

    Het lijkt bijna een spel om de lelijkste schoen op de markt te brengen. De Yeezy Foam Runners van Adidas, die eruitzien als geperforeerde marshmallows, gaan als warme broodjes over de toonbank. Er zijn ook zachte Koolaburra-pantoffels die je voeten omhullen met een soort kleine dekentjes van namaakvacht. De hybride sneaker-regenlaarzen van Converse zien eruit alsof iemand All-Stars in rubber heeft gedoopt. Balenciaga heeft om de een of andere reden besloten Crocs van hakken te voorzien. ‘Een kenmerk van mode is dat het, net als kunst, de essentie van schoonheid probeert te onderzoeken, in plaats van eenvoudigweg te streven naar ontwerpen die in esthetische zin aangenaam zijn,’ zegt Carolyn Mair, auteur van The Psychology of Fashion. ‘Dus als mode kunst is, is “lelijk” ook goed.’

    GettyImages 1382247256
    Tijdens de Paris Fashion Week, afgelopen maart, waren de Crocs ook vertegenwoordigd. Knalroze onder een zeegroen pak, met bijpassende trui en neonroze nylon schoudertas. – © Edward Berthelot / Getty Images

    4,9 miljard dollar

    De uglycore-aanhangers plukken de vruchten van deze trend. Aandelen Crocs zijn afgelopen jaar tot ongekende hoogten gestegen en het bedrijf verwacht dat de inkomsten de komende vier jaar zullen verdubbelen, tot maar liefst 5 miljard dollar. In april vorig jaar werd Birkenstock overgenomen door L Catterton, een private-equityfirma met steun van LVMH, het grootste luxegoederenbedrijf ter wereld. In de overnameovereenkomst wordt de waarde van het bedrijf geschat op 4,9 miljard dollar.

    Maar er is een minder bekende derde partij, die ook behendig weet te manoeuvreren in deze wateren. In de afgelopen 49 jaar heeft Deckers Outdoor Corp. in alle stilte een lelijkeschoenenimperium opgebouwd dat vele miljarden waard is. Het werkpaard van dit bedrijf is Ugg, de alomtegenwoordige lompe laars van schapenvacht, die door werkelijk iedereen wordt gedragen – van jonge moeders op Long Island tot zevenvoudig Super Bowl-winnaar Tom Brady. Deckers heeft Teva aan een retrocomeback geholpen door winkelketens als Nordstrom en Anthropologie zover te krijgen dat ze de klittenbandsandalen met het image van een natuurkundeleraar uit de jaren tachtig aan de man brengen. Onlangs heeft de Koolaburra-tak de dikke, zachte sandaal met blote tenen nieuw leven ingeblazen, terwijl Sanuk de ‘superFUNKtionele’ hennepmocassin op de markt heeft gebracht.

    Dit is allemaal nog niets vergeleken bij Deckers’ nieuwste succesnummer, de Hoka: een hardloopschoen die iets oubolligs heeft maar net zo goed presteert als Nikes. Het merk is inmiddels Deckers’ snelst groeiende product. Vergeleken met het laatste kwartaal van vorig jaar zijn de inkomsten met 47 procent gestegen.

    Deckers, dat verwacht dit fiscale jaar 3 miljard dollar aan omzet te behalen, met winstcijfers voor alle merken, heeft nu een schoenenlijnen die leidend is in elke hoek van het lelijkheidsuniversum. In de grillige wereld van de trends is Deckers’ benadering van de zogeheten comfortwear wat minder die van Easy Spirit [winkelketen met comfortabele schoenen] en wat meer die van de luxere modehuizen. Naar de mening van het bedrijf is het de keuze tussen onopvallend of onconventioneel, en het is duidelijk voor welke weg er is gekozen. Al het andere leidt tot het zo gevreesde niemandsland: onverschilligheid.

    Powers’ team lijkt meer moeite te hebben met het concept ‘lelijk’ dan Powers zelf

    In het hoofdkwartier van Deckers in het rustige kustplaatsje Goleta, in het zuiden van Californië, bevinden zich meer schoenen dan mensen: bizarre kuithoge suède Uggs, Teva-sneakers van nepleer met een neerklapbare achterkant, een hele wand vol kleurrijke Hoka’s die wel iets wegheeft van psychedelische kunst. Dave Powers, die al zes jaar aan het hoofd staat van het bedrijf, geeft me een rondleiding op de ontwerpafdeling en ziet daar een Ugg-wedge staan, de hak in bruin jute gewikkeld. Hij haalt hem van de plank en bekijkt hem misprijzend – dit zal een van de vele modellen zijn die nooit in de winkel zullen belanden. Dit model lijkt te veel op een gewone schoen, zegt hij. Wat zoveel betekent als: hij is te mooi.

    GettyImages 1365572125
    Paris Fashion Week: onder een zonnebril van Chanel, een bordeauxrode pullover met hoge hals, een bruin glansleren jas met grote schapenkraag, een ‘crossbody tas’ van Hermes en wijde lichtblauwe jeans zijn de ‘muiltjes’ van Crocs met een zwarte print behoorlijk fashionable. – © Edward Berthelot / Getty Images

    Powers’ team lijkt meer moeite te hebben met het concept ‘lelijk’ dan Powers zelf. Wendy Yang, die aan het hoofd staat van Hoka – en die niet hapt als ik de producten het stempel ‘lelijk’ geef – heeft als motto ‘over smaak valt niet te twisten’. Ugg-vrouw Andrea O’Donnell, die onlangs afscheid heeft genomen van het bedrijf om algemeen directeur te worden van kledingbedrijf Everlane, zegt dat haar ontwerpers niet met opzet een onaantrekkelijke schoen maken. ‘We werken vanuit eenvoud en een zuivere bedoeling.’

    Van normcore

    Ooit werden we geboren als lid van een gemeenschap waarin iedereen zo’n beetje hetzelfde was. Dus moesten we ons uiterste best doen om onze individualiteit te vinden en te vieren. Na de Tweede Wereldoorlog werden de mogelijkheden daartoe steeds groter dankzij de kleding- en schoenenindustrie die opkwam, hand in hand met de popmuziek en jeugdcultuur. Zo ontstonden subculturen, clubjes en kliekjes: van beatniks en rockers tot hippies, alto’s, punkers, goths, metalheads en hipsters. Elk cultuurtje voorzien van een eigen soundtrack en van insiders die precies weten hoe het ‘moet’ binnen hun cultus. Lekker binnen je clubje individueel zitten wezen met mensen om je heen die er allemaal zo’n beetje hetzelfde uitzien. Zo bezien zou je kunnen zeggen dat we inmiddels worden geboren als individu en daar onze gemeenschap bij kunnen gaan zoeken. 

    Maar het is ook wel doodvermoeiend om onderscheidend te blijven in een supersnelle, 24/7 geglobaliseerde wereld. Dat bracht de Amerikaanse trendwatcher Emily Segal op de term normcore, een antimodeopvatting die haar hoogtepunt zo rond 2014-2015 beleefde. Normcore viert de vrijheid om niet bijzonder of authentiek te hoeven of willen zijn, en daar hoort niet-opmerkelijke, comfortabele kleding bij die door een meerderheid als ‘normaal’ wordt gezien. Vaak wordt daarbij verwezen naar personages in de serie Seinfeld.

    Niet saai zijn

    Maar Powers, die een honkbalpetje en wit-blauwe Hoka’s draagt, zegt dat het bedrijf zich één ding niet kan permitteren, en dat is saai zijn. Elk Deckers-merk heeft bepaalde succesnummers en de ontwerpers krijgen elk seizoen de vrijheid om zich eens lekker uit te leven – een deel van elke collectie is gereserveerd voor gewaagde pogingen om de volgende grote klapper te scoren. Het bedrijf gebruikt een van de 145 winkels om nieuwe items uit te proberen, zodat ze over harde cijfers beschikken wanneer ze winkelketens duidelijk moeten maken dat een of ander krankzinnig nieuw model het publiek aanspreekt.

    ‘Ik heb niets tegen het label lelijk,’ zegt Powers. ‘In feite laat je daarmee vooral zien dat je anders bent dan anderen. Je hebt iets wat uniek is. Het is misschien een beetje raar, maar het heeft ook iets fascinerends.’

    …naar uglycore

    Normcore ging over comfort en comfortabel en over aanpassing in plaats van exclusiviteit, en zette de deur open voor fleecetruien, Teva-sandalen en Crocs. Maar ja, gewoon is ook maar gewoon, en de mens blijft geneigd om uniek of uitzonderlijk te willen zijn. Dus dachten ontwerpers: wat nou als we die praktische Crocs en comfortabele Teva’s en Uggs eens gingen pimpen door er een vette schep bovenop te doen? Met wat vloekende kleurtjes hier en een bontje daar? Zo gezegd, zo gedaan en uglycore was geboren. Er was natuurlijk wel onderzocht of er een markt voor was. En ja hoor: aan de basis ervan ligt de fascinatie van Generatie Z (geboren tussen 1995 en 2010) voor de lelijke mode van de jaren negentig, meldde modemedium Fashionista vijf jaar geleden. ‘Voor het eerst voert de jongere generatie de trends aan in plaats van dat trends naar beneden doorsijpelen. Dus nu vinden tieners iets geweldig en millennials pikken het dan op, omdat ze zo graag jong en cool willen zijn,’ aldus trendvoorspeller Megan Collins in 2017. 

    En toen kwam corona. Zaten we allemaal thuis te zoomen. Het bovenlichaam kleedden we nog min of meer toonbaar aan, maar met de trainings- en pyjamabroeken en praktische instappertjes die buiten beeld bleven, deden we al ongemerkt mee aan de uglycore-trend die daarna keihard doorzette, tot vreugde van de modekassa’s.

    GettyImages 1170023817
    De Amerikaanse rapper Tierra Whack bezocht het Afropunk-festival in Brooklyn gekleed in een plastic doorzichtige jas en gele Crocs met plateauzolen. – © Matthew Sperzel / Getty Images

    Kurken bodem

    De eerste schoenen die Deckers ooit verkocht waren allesbehalve interessant: een paar gestreepte slippers. Medeoprichters Doug Otto en Karl Lopker verkochten ze begin jaren zeventig in Santa Barbara, in Californië, aan surfers die op het strand net iets meer wilden dan de doorsneeslipper. Maar zelfs toen al zag het bedrijf de eerste tekenen van uglycore. Door het hele land liepen hippies op lompe sandalen met een kurken bodem, de Birkenstocks, afkomstig van een bedrijf dat teruggaat tot een Duitse schoenmaker uit 1774. Een kleine tweehonderd jaar later had de eerste sandaal – die was bedoeld om de kuitspieren te trainen doordat de drager genoodzaakt was met zijn tenen de zool vast te grijpen zodat de schoen niet van zijn voet gleed – op de een of andere manier een spirituele snaar weten te raken bij Amerikaanse hippies.

    Begin jaren tachtig kregen de mensen van Deckers lucht van de Teva, een nieuwerwetse sandaal die was bedacht door een riviergids in de Grand Canyon, die een horlogebandje aan een slipper had bevestigd. Binnen een paar jaar sloot Deckers een licentieovereenkomst en begon met de productie en de verkoop van de sandalen, die goed aansloegen. In 1995, nadat de Amerikaanse olympische ploeg op Uggs was verschenen bij de Winterspelen in het Noorse Lillehammer, kocht Deckers het merk voor nog geen 15 miljoen dollar. De Ugg hobbelde zo’n beetje mee totdat hij in 2000 op de lijst belandde van Oprah Winfreys Favorite Things, waarna hij al snel uitgroeide tot de nummer 1-vrijetijdsschoen voor Hollywoodtypes. In 2002, toen de licentieovereenkomst afliep, besloot Deckers vol in te zetten op het sandalenmerk, en kocht het voor 62 miljoen van de oprichter.

    Wat tot dan toe geen gezicht was geweest, werd van het ene op het andere moment cool

    Die timing viel samen met de opkomst van wat een belangrijke nieuwe speler zou worden in deze opmerkelijk snel groeiende markt: Crocs, de muil van speciaal harsmateriaal die voor het eerst zijn opwachting maakte op de Florida Boat Show. Wat tot dan toe geen gezicht was geweest, werd van het ene op het andere moment cool, in de zin van: ik doe lekker wat ik wil. In 2012 ontwierp de Engelse modeontwerper Phoebe Philo een met nerts gevoerde Birkenstock-achtige sandaal voor haar Celine-show, daarna kwamen de met spijkers beslagen Birkenstocks van de Italiaanse ontwerper Giambattista Valli en de Givenchy-sandalen met dubbele bandjes. Marc Jacobs en Prada kwamen in 2014 allebei met een Teva-achtige lijn. Een kruising van stijlvol en lomp.

    GettyImages 1356450801

    Lelijkste schoen aller tijden

    In deze periode ging Deckers helemaal op de toer van de lelijke schoenen en kocht het ene na het andere merk op. Hoewel Sanuk, Hoka en Koolaburra veelbelovend waren, werd al snel duidelijk dat het bedrijf te hoog had ingezet. ‘We hadden een aantal merken die hun eigen broek konden ophouden,’ aldus Powers, ‘en een aantal die daar nooit toe in staat zouden zijn.’

    Toen Powers werd aangesteld als algemeen directeur, verkeerde Deckers in zwaar weer. Het bedrijf had te veel winkels geopend, te veel merken opgekocht en de voorraden niet goed ingeschat, en het kostte moeite om nieuwe klanten te vinden. De leiding was laks geworden met het promoten van de Ugg, de melkkoe van weleer, en de verkoopcijfers stagneerden. In 2017 gaf Deckers meer uit dan er binnenkwam. ‘Het was een zware tijd,’ zegt Powers, die daarvoor bij Converse, Timberland en Gap had gewerkt.

    ‘Teva en Ugg hebben misschien wel de lelijkste schoen aller tijden gemaakt’

    Assertieve investeerders drongen aan op een verkoop of een fusie, en op een nieuwe raad van bestuur. Het management werd ‘structureel onderpresteren’ aangewreven. Powers kwam met een tamelijk doorsnee-aanpak om in drie jaar het tij te keren: activiteiten consolideren, zwakkere merken van de hand doen, slecht presterende winkels sluiten. 

    Daarna heeft Deckers, in een wanhopige schreeuw om aandacht én een briljante marketingstunt, het concept lelijkheid naar een hoger plan getild. Het kwam met het afzichtelijkste schoeisel tot dan toe: twee kruisingen van Ugg-laarzen en Teva-sandalen. De ene kruising was een laars met open zijkanten en blote tenen, de andere een sandaal met een stukje schapenvacht aan de bovenkant. Het was niemand duidelijk waar ze voor dienden. Er zaten gaten in, dus ze konden niet voor de winter zijn. Maar ze waren ook van schapenvacht, dus in de zomer had je er niets aan. Waarom werden deze producten überhaupt gemaakt? Dat was bewust, erkent Powers. ‘Ze waren lelijker dan ik had gedacht, maar ik had zoiets van: als we maar aandacht krijgen,’ zegt hij. ‘Het was alsof we onszelf wakker probeerden te schudden.’ Er volgde een hausse aan media-aandacht, waaronder de kop in de Cosmopolitan: ‘Teva en Ugg hebben misschien wel de lelijkste schoen aller tijden gemaakt’.

    Strategische experimenten

    Sindsdien heeft met name Ugg geprofiteerd van de strategische experimenten van het bedrijf. De ontwerpers gaan uit van het basismodel en zoeken manieren om dat in alle mogelijke richtingen op te rekken. In 2018 kwamen de Ugg-ontwerpers met het idee van de Fluff Yeah, een donzige slipper met open tenen en een dikke, elastische hielband. Na een succesvolle, kleinschalige proef in Los Angeles liet Deckers het model in productie nemen. Inmiddels wordt de Fluff Yeah verkocht bij Nordstrom en Bloomingdale’s, maar ook bij chique labels als Stuart Weitzman en Tory Burch. Vorig jaar, toen de muil trending was, gaven de Ugg-ontwerpers een nieuwe draai aan hun bestaande variant door alle proporties uit te vergroten. Maar het eerste ontwerp – een muil met plateauzolen, een gigantisch lint om de enkel en een lachwekkende hoeveelheid foam (‘monsterlijk,’ om Ugg-ontwerper Helene Frain te citeren) – ging zelfs hen te ver. Nadat de teruggeschroefde Tazz afgelopen najaar zijn debuut had gemaakt, liep het storm bij duurdere winkels als Saks, ging het model viraal op TikTok en werden sterren als Gigi Hadid ermee gespot.

    De Hoka is de Ugg voorbijgestreefd als grootste inkomstenbron

    Een van de lucratiefste sprongen in deze merkwaardige diepten is de Hoka. De zachte, nogal opgeblazen ogende hardloopschoen, oorspronkelijk ontwikkeld in Frankrijk door een van de beste trailrunners en een minimalistische Franse sneakerontwerper (die inmiddels aan het hoofd staat van Deckers’ experimentele lab), is een ongekend succes geworden binnen de zeer competitieve wereld van de sportkleding, die wordt gedomineerd door Nike en Adidas. De introductie van de Hoka viel samen met de gekte rond de Balenciaga Triple S, een oversized dad sneaker van 1000 dollar die in 2018 werd omarmd door fashionista’s van Parijs tot Tokio. In plaats van te proberen de cartooneske Hoka-schoenen mooier te maken, maakte Deckers gebruik van een cultmerk dat hardcore hardlopers aansprak en zette het in de markt als de ultieme antihippe, androgyne sport- en vrijetijdssneaker. (Deckers, dat altijd op zoek is naar een vorm van kruisbestuiving, kwam zelfs met een kastanjekleurige, oversized Ugg-sneaker.) Afgelopen jaar is de Hoka de Ugg voorbijgestreefd als grootste inkomstenbron, en hij snoept nog altijd marktaandeel af van Nike.

    GettyImages 1381710425
    Bryan Grey Yambao, ook bekend als Bryanboy, een Filipijnse modeblogger en socialite, poseert tijdens de Paris Fashion Week met een oversized Balenciaga T-shirt met de kleuren van de Oekraïense vlag en Balenciaga X Crocs. © Vanni Bassetti / Getty Images

    Elk schoenenmerk dat de Hoka is voorgegaan weet dat ook lelijke modetrends – van Toms tot Dr. Martens – onvermijdelijk overwaaien. Dus werkt Deckers aan manieren om aan de top te blijven. Voor Teva, dat de omzet afgelopen zomer met 66 procent zag stijgen, gaat niets te ver om het merk fris te houden: onlangs bracht het een sandaal-met-sokcombinatie op de markt, een tijdloze look die helemaal in is bij de Europese toerist op leeftijd. ‘Als je kijkt naar de oorspronkelijke Teva-sandaal, de oorspronkelijke Ugg-laars en de oorspronkelijke Hoka, dan zijn die stuk voor stuk lelijk,’ zegt Powers. ‘Echt heel erg lelijk.’

  • Waarom big tech zo geheimzinnig doet over zijn inkomstenbronnen

    Waarom big tech zo geheimzinnig doet over zijn inkomstenbronnen

    Uit een diepgravend onderzoek van The Economist blijkt dat de almachtige techreuzen kwetsbaarder zijn dan je zou vermoeden. De winstgevende onderdelen zijn weliswaar uiterst lucratief, maar verzwegen informatie wijst ook op zwakheden.

    De Amerikaanse techgiganten verdienen onchristelijk veel geld. In 2021 bedroeg de gezamenlijke jaaromzet van Alphabet, Amazon, Apple, Meta en Microsoft 1,4 biljoen dollar. Dat geld komt uit een breed en continu groeiend scala aan inkomstenbronnen, van telefoons en geneesmiddelen tot videostreaming en virtuele assistenten. Analisten verwachten dat de gecombineerde omzet van de grote vijf in het eerste kwartaal van 2022 boven de 340 miljard dollar zal komen, zo’n 7 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar.

    Het driemaandelijkse ritueel van opzienbarende kwartaalcijfers begon dit jaar op 26 april, toen de eerste van de grote vijf zijn cijfers bekendmaakte: Alphabet kon bogen op een omzet van 68 miljard dollar, een stijging van 23 procent ten opzichte van vorig jaar, al was door een dalende groei van de advertenties de nettowinst gedaald tot 16,4 miljard. Diezelfde dag rapporteerde Microsoft een omzet van 49,4 miljard, 18 procent meer dan vorig jaar, en een nettowinst van 16,7 miljard. Een dag later rapporteerde Meta een omzet van 27,9 miljard met een nettowinst van 7,5 miljard dollar. Amazon en Apple moesten op het moment van schrijven nog met hun cijfers komen.

    Ze zijn een stuk zwijgzamer over hoeveel ze nu eigenlijk verdienen met hun verschillende producten en diensten

    Het is begrijpelijk dat de grote techbedrijven zich graag op deze indrukwekkende cijfers en hun gevarieerde productaanbod beroemen. Maar ze zijn een stuk zwijgzamer over hoeveel ze nu eigenlijk verdienen met hun verschillende producten en diensten. In de jaarcijfers en andere openbare stukken worden de inkomstenstromen meestal zo veel mogelijk op één hoop gegooid en zo vaag mogelijk omschreven. Vorig jaar waren de verkoopcijfers van de grote vijf bijvoorbeeld verdeeld over 32 bedrijfssegmenten. Vergelijk dat eens met de in totaal 56 segmenten van de vijf best presterende Amerikaanse bedrijven in andere sectoren. 

    Apple verdeelt zijn omzet in vijf segmenten, Meta maar in drie (zie grafiek 1). De categorie ‘Google Other’ was bij Alphabet vorig jaar goed voor 28 miljard dollar aan inkomsten. Daaronder vallen Googles appstore, de verkoop van smartphones en andere apparaten, en abonnementen van dochteronderneming YouTube. De advertentie-inkomsten van YouTube, die Alphabet pas in 2020 voor het eerst bekendmaakte, bedroegen vorig jaar 29 miljard dollar. Dat betekent dat Google Other en de advertentieafdeling van YouTube allebei meer opbrachten dan vier vijfde van de bedrijven in de S&P 500-index van de grootste Amerikaanse bedrijven.

    Niet te veel openheid

    Het is logisch dat je daar als bedrijf niet te veel openheid over wilt geven. Zolang concurrenten in het duister tasten, kunnen ze je goedlopende businessunits niet kopiëren en niet aan je marges gaan knibbelen. Andy Jassy, de algemeen directeur van Amazon, klaagt over het vooruitzicht dat hij zijn bedrijfscijfers nader zou moeten specificeren, omdat die cijfers ‘concurrentiegevoelige informatie’ bevatten.

    Helaas voor de techbaronnen wordt het ze steeds moeilijker gemaakt om die informatie te versluieren. Toezichthouders, politici en investeerders zien daar steeds meer een probleem in en roepen de grote platforms op tot meer transparantie over alles, van de werking van hun betaalsystemen tot de CO2-uitstoot waarvoor ze verantwoordelijk zijn. En er is ook steeds meer informatie beschikbaar uit andere bronnen, zoals rapporten van vermogensbeheerders, analyses van hedgefondsen en vooral uit mededingingsrechtszaken die overal ter wereld door concurrenten en toezichthouders worden aangespannen. Daaruit komen steeds meer details naar voren over hoe het er in de big tech intern aan toegaat.

    Daaruit rijst het beeld op dat de techreuzen kwetsbaarder zijn dan hun schijnbare almacht doet vermoeden

    Om daar inzicht in te krijgen heeft The Economist rechtbankdocumenten, interne e-mails, rapporten van analisten en uitgelekte dossiers uitgeplozen over Alphabet, Amazon, Apple en Meta (Microsoft heeft onderzoek naar monopolievorming ditmaal kunnen voorkomen, waardoor er over de inkomsten van dat bedrijf minder geheime cijfers naar buiten zijn gekomen). Daaruit rijst het beeld op dat de techreuzen kwetsbaarder zijn dan hun schijnbare almacht doet vermoeden. De winstgevende onderdelen van hun bedrijf zijn wel zo lucratief dat ze diepe zakken hebben, maar de verzwegen informatie wijst toch ook op enkele zwakheden. Drie daarvan springen eruit: grote winstconcentratie, afnemende klantentrouw en de enorme tegenvallers die ze riskeren op te lopen in de verschillende mededingingsrechtszaken.

    Winstmakers

    Allereerst de winstmakers. De grootste zijn meestal heel helder. De iPhone blijft de grote melkkoe van Apple, Amazon harkt het meeste geld binnen met clouddiensten, en Alphabet en Meta zouden nergens zijn zonder advertentie-opbrengsten. Maar de bedrijven zijn niet scheutig met gegevens over andere, kleinere maar snelgroeiende bedrijfsonderdelen.

    De grootste stille winstmakers voor Alphabet en Apple zijn misschien wel hun appstores. Voor alle aankopen binnen apps strijken ze een commissie op, meestal van wel 30 procent (al zijn ze als tegemoetkoming aan de toezichthouders wel bezig om die percentages te verlagen voor kleine softwareontwikkelaars en apps die afhankelijk zijn van abonnees). De resulterende inkomstenstroom is nog niet opzienbarend. Volgens een door diverse Amerikaanse staten aangespannen rechtszaak bedroeg de appstore-omzet voor Google in 2019 zo’n 11 miljard dollar, en analisten schatten dat die van Apple vorig jaar op zo’n 25 miljard dollar uitkwam. Maar doordat de onderhoudskosten van die appstore miniem zijn, is de winstmarge enorm. Uit de stukken van een rechtszaak die gamefabrikant Epic Games tegen de appstores heeft aangespannen, blijkt dat de winstmarge voor Apple wel 78 procent bedraagt, en voor Google 62 procent. Ter vergelijking: de operationele marge van heel Apple is 35 procent en van Alphabet (dat nog steeds vooral op advertentie-inkomsten leunt) 31 procent.

    Bij Apple werken vijf- tot zeshonderdduizend ontwikkelaars aan 1,8 miljoen apps

    De appstores zijn dus booming. Volgens de Competition and Markets Authority (CMA), de Britse mededingingsautoriteit, is de opbrengst van opdrachten die tussen 2017 en 2020 voor Google en Apple zijn uitgevoerd grofweg verdubbeld. In 2020 werkten acht- tot negenhonderdduizend ontwikkelaars aan tweeënhalf tot drie miljoen apps voor de Google appstore. Dat was iets meer dan bij Apple, waar vijf- tot zeshonderdduizend ontwikkelaars aan 1,8 miljoen apps werkten. Afgaande op de rechtszaak van Epic en het onderzoek van de CMA wijst niets erop dat deze groei afneemt of dat de marges slinken. Voor de Google appstore is de brutomarge de laatste jaren een paar procentpunt gestegen.

    In de jaarcijfers van Apple valt de opbrengst van de appstore onder de categorie ‘diensten’, die vorig jaar 68 miljard dollar opleverde, oftewel 19 procent van de totale bedrijfsomzet. Maar de appstore is nog niet Apples meest winstgevende dienst. Exacte cijfers zijn niet voorhanden, maar de CMA schat dat de brutomarge op Apples zoekadvertenties nog groter is. Dat is volgens de toezichthouder het gevolg van een deal die het met Google heeft gesloten om Google als standaardzoekoptie in te stellen op de meeste Apple-apparaten. In ruil daarvoor krijgt Apple van Google tussen de 8 en 12 miljard dollar per jaar (2 tot 3 procent van zijn totale omzet). En het kost Apple praktisch niets, dus dit is bijna zuivere winst.

    Diepe zakken

    Amazon en Meta zijn (iets) minder geheimzinnig over de herkomst van hun inkomsten en winsten. Meta mag zich nu anders in de markt willen zetten en het accent willen verleggen naar de virtual reality van het ‘metaverse’, maar het steekt niet onder stoelen of banken dat het nog steeds 97 procent van zijn omzet haalt uit onlinereclameopbrengsten. Amazon doet ook niet moeilijk over de omzet van zijn omstreden Marketplace, waar derden producten kunnen aanbieden en dan op elke verkoop, waarmee ze direct concurreren met Amazons eigen aanbod, een commissie afdragen van 19 procent (was 11 procent in 2017). In 2021 droeg Marketplace 103 miljard dollar bij aan Amazons omzet, wat een verzesvoudiging is ten opzichte van 2015 en 22 procent van de bedrijfsomzet.

    Maar het vergde spitwerk van analisten om te komen tot de schatting dat Instagram vorig jaar goed was voor 42 miljard omzet, bijna twee vijfde van Meta’s totaal en een flinke stijging ten opzichte van 2019, toen Instagrams aandeel nog 20 miljard bedroeg. Met andere woorden, de rol van het fotoplatform in het succes van dit socialemedia-imperium is spectaculair gegroeid. En uit een door het District of Columbia aangespannen rechtszaak tegen Amazon blijkt dat de winstmarge van Marketplace 20 procent bedraagt, vier keer zo hoog als die voor Amazons eigen verkoopactiviteiten. (Uit de rechtbankstukken blijkt niet of het hier gaat om bruto-, netto- of operationele marges.)

    Zulke big spenders worden intern ‘whales’ genoemd, net als in casino’s

    Dankzij die inkomstenbronnen hebben de bedrijven dus diepe zakken. Maar kijk je nog eens goed, dan blijkt de basis toch verrassend smal. In de appstore van Apple komt 70 procent van alle inkomsten bijvoorbeeld uit games, zo blijkt uit stukken in de door Epic aangespannen rechtszaak. Het leeuwendeel daarvan is afkomstig van aankopen die gamers binnen een app doen, bijvoorbeeld voor gekke attributen voor hun avatar of om virtueel geld te kopen. In 2017 was 88 procent van de gameomzet van de appstore afkomstig van 6 procent van de gameconsumenten. Die grootverbruikers geven gemiddeld ieder meer dan 750 dollar per jaar uit aan hun apps.

    Uit de Epic-rechtszaak blijkt ook dat 1 procent van Apples gamers goed was voor 64 procent van de omzet in de appstore, en dat die gamers er jaarlijks 2694 dollar aan uitgaven. Zulke big spenders worden intern ‘whales’ (walvissen) genoemd, net als in casino’s. Uit onderzoek van de CMA kwam bij de Google appstore hetzelfde patroon naar voren: in 2020 was ongeveer 90 procent van de Britse omzet afkomstig van nog geen 5 procent van de apps. En weer kwam het leeuwendeel van de omzet hier van aankopen binnen de app.

    Ook in de onlineadvertentiesector zie je een grote concentratie van het uitgavenpatroon. De CMA boog zich over cijfers over Britse adverteerders die in 2019 samen 7 miljard pond uitgaven aan Google Ads, een advertentiekanaal dat vooral bedoeld is voor kleine bedrijven. De bovenste 5 à 10 procent van de adverteerders (gerangschikt naar besteding) was goed voor meer dan 85 procent van de omzet van Google Ads. De grootste klanten zaten in de detailhandel, de financiële sector en de reissector. Bij Facebook bleek die concentratie nog groter. Daar was de bovenste 5 à 10 procent van de adverteerders goed voor meer dan 90 procent van de omzet (zie grafiek 2). In de segmenten detailhandel, entertainmentsector en consumentengoederen werd er het meest aan uitgegeven.

    Van concentratie is ook sprake als het gaat om het aantal vertoningen of ‘impressies’, het vakjargon voor elke keer dat een advertentie op iemands scherm verschijnt. Dat bleek uit intern onderzoek van Google, dat naar buiten kwam in een rechtszaak die tegen het bedrijf werd aangespannen door weer een andere groep Amerikaanse staten. Uit dat onderzoek bleek dat in de VS 20 procent van alle vertoningen van advertenties goed was voor 80 procent van de advertentieopbrengst voor onlineadverteerders. De waardevolste vertoningen zijn gericht op gebruikers bij wie er een grote kans bestaat dat ze een aankoop zullen doen. Bij Google werd dit verschijnsel intern ‘cookieconcentratie’ genoemd.

    Afhankelijkheid

    Naast die grote afhankelijkheid van een paar grote winstmakers is er nog een andere zwakte in het bedrijfsmodel die zelden wordt benoemd: klantenverloop. Men gaat er vaak van uit dat de klanten van de techgiganten verknocht, ja zelfs verslaafd zijn aan hun diensten en producten. De bedrijven zullen dat niet openlijk ontkennen, want het bevestigt het beeld dat ze de markt in hun greep hebben – een beeld dat investeerders graag zien. Maar in werkelijkheid kan die greep weleens een stuk zwakker zijn.

    Uit de Epic-rechtszaak blijkt dat pakweg 20 procent van de iPhone-gebruikers die in 2019 en 2020 een nieuwe telefoon kochten op een ander merk is overgestapt. Uit gelekte documenten van Meta blijkt dat steeds minder tieners zich bij Facebook aanmelden en dat ze er minder tijd op doorbrengen. Zelfs het bij de jeugd populairdere Instagram begint het af te leggen tegen concurrenten. Uit een gelekt intern rapport uit maart vorig jaar blijkt dat tieners meer dan twee keer zoveel tijd doorbrengen op het hippere TikTok.

    Jongeren zijn niet de enige klanten die de grote platforms de rug beginnen toe te keren

    Jongeren zijn niet de enige klanten die de grote platforms de rug beginnen toe te keren. Je ziet het ook bij jonge bedrijven. Start-ups beleefden vorig jaar gouden tijden. Het mondiale reservoir aan durfkapitaal bedroeg dat jaar 621 miljard dollar, meer dan twee keer zoveel als het jaar daarvoor. Volgens een rapport van Bridgewater Associates, het grootste hedgefonds ter wereld, gaat ongeveer een vijfde van al het in start-ups geïnvesteerde geld naar clouddiensten, een markt die wordt gedomineerd door Alphabet, Amazon en Microsoft. Nog eens twee vijfde gaat naar marketing, waarbij in de digitale wereld Alphabet, Meta en in toenemende mate Amazon de dienst uitmaken. En Bridgewater schat dat alles bij elkaar zo’n 10 procent van de totale omzet van Alphabet, Amazon en Meta afkomstig is uit het ecosysteem van start-ups. Dat staat gelijk aan 84 miljard dollar per jaar.

    Die geldstroom kan weleens gaan slinken. Door zorgen over de stijgende inflatie, de oorlog in Oekraïne en de kans op een recessie zijn de aandelen van de techbedrijven gekelderd. De Nasdaq, waar de technologiesector zwaar in meeweegt, is na zijn hoogtepunt in november al met 20 procent gedaald. De dalingen van de beurskoersen krijgen nu ook gevolgen in de start-upwereld. Instacart, een bezorgdienst voor supermarkten, heeft op 24 maart zijn bedrijfswaardering met 38 procent verlaagd. Met een lagere waardering krijgen bedrijven het moeilijker om kapitaal aan te trekken. Investeerders zeggen te verwachten dat start-ups de komende maanden de broekriem gaan aanhalen. Dat leidt tot minder bestedingen aan clouddiensten en advertenties.

    Wat betekenen al deze kwetsbaarheden bij elkaar? In het ergste geval heel veel, als de strengste toezichthouders in de VS, Groot-Brittannië en de EU hun zin krijgen. Vorige maand is de laatste hand gelegd aan de Wet inzake digitale markten (WDM), een verstrekkend pakket aan nieuwe EU-regels om de grote techbedrijven aan banden te leggen. Dat zal alleen sommige bedrijfsonderdelen treffen en is vooral gericht op de Europese activiteiten. Volgens vermogensbeheerder Bernstein verdienen Alphabet, Apple, Amazon en Meta 267 miljard dollar in Europa, pakweg een vijfde van hun gezamenlijke totaalomzet. En een snelle rekensom leert ons dat de Europese WDM een gevaar vormt voor 40 procent van de Europese omzet van deze vier bedrijven.

    Vrezen voor omzetdaling

    Wereldwijd is Alphabet het kwetsbaarst: dat moet vrezen voor bijna 90 procent van zijn Europese inkomsten (27 procent van zijn wereldwijde omzet). In de VS wordt het zoekmonopolie van Google onder vuur genomen door een team aanklagers uit diverse Amerikaanse staten. Het federale ministerie van Justitie overweegt ook stappen te zetten. Zo komt ook de 70 miljard aan Amerikaanse omzet op zoekadvertenties in gevaar – een kwart van Alphabets totale omzet. Verlaagt Alphabet zijn commissie op aankopen binnen apps van 30 naar 11 procent, het percentage dat Google op 23 maart overeenkwam met Spotify, dan keldert de omzet van de Amerikaanse appstore van 11 naar 4 miljard. Alles bij elkaar vormt dit een bedreiging voor misschien wel 150 miljard dollar aan omzet, zo’n 60 procent van Alphabets mondiale totaalomzet.

    Het gevaar dat Apple bij dit doemscenario loopt is kleiner, maar nog steeds aanzienlijk. Als de monopoliebestrijders een eind maken aan de afspraak met Google, scheelt dat al 8 tot 12 miljard per jaar. Verlaagt Apple net als Alphabet de commissies in zijn appstore, al dan niet onder dwang van nieuwe wetgeving, dan kunnen de app-gerelateerde inkomsten dalen van 25 tot circa 9 miljard dollar. In totaal kan Apple er zo’n 35 miljard dollar bij inschieten, een tiende van zijn mondiale omzet. Amazon kan rekenen op een daling van 77 miljard per jaar, 16 procent van zijn mondiale omzet, als het zijn eigen verkoopactiviteiten op Marketplace moet loskoppelen van die van derden.

    Sommige politici en toezichthouders zijn al begonnen over de noodzaak om Amazon helemaal op te splitsen, in bijvoorbeeld een winkelbedrijf en een clouddienst. Het bedrijf dat Amazon blijft heten verliest dan dus ofwel zijn onlineverkoopkanaal (momenteel goed voor 70 procent van zijn omzet) of zijn winst uit clouddiensten (goed voor ongeveer driekwart van zijn winst). Zo gaan er ook stemmen op om Meta op te splitsen. Als de Amerikaanse Federal Trade Commission haar zin krijgt en Facebook wordt gedwongen Instagram en WhatsApp af te stoten, derft het bedrijf 42 miljard dollar aan inkomsten uit Instagram en nog eens 2 miljard dollar uit WhatsApp, twee vijfde van het totaal.

    Een paar geslaagde aanvallen op de bedrijven kunnen hun toekomstperspectieven flink ontregelen

    Als alles tegenzit moeten Alphabet, Amazon, Apple en Meta dus vrezen voor maar liefst 330 miljard dollar aan omzetdaling, oftewel een kwart van het totaal. En dat is nog buiten de gevolgen gerekend van twee grote mededingingswetten die momenteel in het Amerikaanse Congres worden behandeld. Die zouden de eigenaren van platforms zoals appstores en zoekmachines onder meer verbieden hun eigen producten een voorkeursbehandeling te geven. De financiële gevolgen daarvan zijn nog niet duidelijk, maar zouden net als die van de Europese wet aanzienlijk kunnen zijn.

    Het is niet waarschijnlijk dat dit rampscenario voor de grote techbedrijven zich echt zal voltrekken. Eerdere pogingen om hun macht te beteugelen zijn al vaak gestrand. De huidige pogingen zullen waarschijnlijk nog worden afgezwakt en het kan jaren duren voordat ze echt in werking treden. Maar een paar geslaagde aanvallen op de bedrijven kunnen hun toekomstperspectieven wel flink ontregelen. En doordat rechtszaken een tipje van de sluier oplichten over hun geldstromen, krijgen potentiële concurrenten meer zicht op waar de marges zitten waarvan ze kunnen proberen iets af te snoepen.

  • Wat goed is voor Mohammed bin Salman, is niet per se goed voor Israël

    Wat goed is voor Mohammed bin Salman, is niet per se goed voor Israël

    De vorming van een Israëlisch-soennitisch front tegen Iran is cruciaal voor de veiligheid van Israël, volgens deze journalist.  Maar een akkoord met het autocratische en corrupte Saoedische koninkrijk van Mohammed bin Salman kan ook verkeerd aflopen.

    Neem twee Joodse Amerikanen. De ene heet Jared Kushner en is de schoonzoon en speciaal adviseur van de voormalige Amerikaanse president Donald Trump. De andere heet Steven Mnuchin en is de voormalige minister van Financiën van de regering-Trump. Sinds de regeringswisseling in Washington zijn deze twee mannen weer actief in de privésector en inmiddels danken ze een deel van hun immense fortuin aan twee nieuwe bedrijven met ronkende namen, en vooral aan Saoedi-Arabië. 

    Kushner heeft de wereldwijd actieve investeringsmaatschappij Affinity Partners opgezet en Mnuchin heeft zich aan een soortgelijk avontuur gewaagd met zijn onderneming Liberty Strategic Capital. Het kapitaal van Kushner is voornamelijk afkomstig van het publieke investeringsfonds PIF (Public Investment Fund) van het Saoedisch koninkrijk en bedraagt maar liefst twee miljard dollar, terwijl Mnuchin zich moet ‘tevredenstellen’ met een miljard dollar.

    Volgens een onderzoek dat op 10 april jongstleden werd gepubliceerd door The New York Times heeft de raad van bestuur van PIF, bestaande uit Saoedische economen en ervaren westerlingen, Saoedi-Arabië aanvankelijk afgeraden in het bedrijf van Kushner te investeren. De bezwaren van PIF golden ‘de onervarenheid van de directie van Affinity Partners’, de mogelijkheid dat het koninkrijk direct verantwoordelijk zou worden voor ‘het gros van de investeringen en risico’s’, de matige financiële resultaten van de jonge onderneming, de ‘excessieve’ beheerskosten (lees: commissies) en ‘risico’s op het gebied van public relations’ vanwege de rol die Kushner eerder had gespeeld als belangrijkste adviseur en schoonzoon van de voormalige Amerikaanse president.

    Mohammed bin Salman

    PIF wordt geleid door de Saoedische kroonprins en feitelijke monarch Mohammed bin Salman, beter bekend onder de initialen MBS. Deze heeft klaarblijkelijk maar enkele dagen nodig gehad om de raad van bestuur over te halen om Kushner de twee miljard dollar te verstrekken die hij vroeg.

    Je hoeft geen financieel expert te zijn om de logica achter deze beslissing te begrijpen: op deze manier danken de leiders van het Midden-Oosten de buitenlanders die hen in het verleden hebben gesteund, en op deze manier investeren ze in de toekomst van toekomstige politieke leiders. Als Trump en Kushner op een dag het Witte Huis heroveren, zullen ze zich herinneren wie hen heeft gesteund.

    De Saoedische kroonprins gokt op de politieke perspectieven van Kushner, niet op zijn financiële

    De Saoedische kroonprins gokt op de politieke perspectieven van Kushner, niet op zijn financiële. De politieke perspectieven in de Verenigde Staten zijn wel enkele miljarden waard. Dat heeft MBS beter begrepen dan de financiële hyena’s.

    De twee begunstigden zijn niet alleen verklaarde Joden. Ze staan ook openlijk en volledig achter Israël, en de relaties die ze inmiddels onderhouden met de Saoedische kroonprins zouden misschien een officieel proces van normalisering tussen het Saoedische koninkrijk en de Joodse staat op gang kunnen brengen.

    Ook al laten de Israëlische premier Naftali Bennett en zijn minister van Buitenlandse Zaken Yaïr Lapid zich liever niet openlijk over de kwestie uit, ze zijn zich allebei bewust van het belang ervan. Ze zijn ervan overtuigd dat als Saoedi-Arabië besluit het voorbeeld van de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein te volgen door een vredesakkoord met Israël te tekenen, het Midden-Oosten een belangrijke verandering zou ondergaan die de status van Israël in de regio blijvend zou versterken.

    Gevaarlijke figuur

    Het probleem is dat Saoedi-Arabië, net als zijn meeste buren, een autocratisch en corrupt regime kent en dat de leider een avontuurlijke, onstabiele en gevaarlijke figuur is – de moord op journalist Jamal Khashoggi in oktober 2018 herinnerde daar nog maar eens aan. Een Amerikaan die MBS kent vertelde me dat hij hem een keer had gevraagd waarom hij honderden miljoenen dollars uitgaf aan kunstwerken die hem niet aanspraken en luxueuze jachten die aan de kade bleven liggen. De Saoedische prins had droogjes geantwoord: ‘Omdat ik het me kan permitteren.’

    Een Israëlisch-soennitisch front is cruciaal voor de veiligheid van Israël

    Israël heeft alle reden om samen te werken met MBS, kroonprins Mohammed bin Zayed van Abu Dhabi, de Turkse president Recep Tayyip Erdogan, de Egyptische president Abdel Fattah al-Sisi en andere leiders in de regio. De vorming van een Israëlisch-soennitisch front tegen Iran is cruciaal voor de veiligheid van Israël, en zelfs voor het voortbestaan van het land. Maar laten we nooit de ware aard van deze regimes vergeten. Wat goed is voor Jared Kushner, is niet per se goed voor de staat Israël.

    We moeten samenwerken met deze regimes, maar we moeten vooral niet besmet raken met hun normen. Dit dilemma wordt geïllustreerd door de ambigue relaties van Israël met Qatar. Aan de ene kant helpt het geld van Qatar Israël om de spanningen in de Gazastrook te verminderen en het terrorisme op afstand te houden. Aan de andere kant verleent deze Golfstaat politieke steun aan terroristische Palestijnse groeperingen. Iedereen doet zaken met Qatar, zelfs de Iraniërs. Israëlische zakenlieden en gepensioneerde hoge officieren zijn financieel zeer actief in het Qatarese schimmenspel. Het is begrijpelijk waarom dat van belang is voor de leiders van Qatar, maar wat zegt het over onze eigen normen?

    Lucratieve relaties

    De oudsten onder ons herinneren zich nog de lucratieve relaties tussen Israël en de dictatuur van de sjah van Iran. De Joodse staat zond militaire adviseurs naar Teheran die terugkeerden als multimiljonair. Op diezelfde manier kleefde er in de ogen van sommige Israëliërs iets heroïsch, om niet te zeggen romantisch aan de relaties met de christelijke facties tijdens de Libanese burgeroorlog, maar dat strookte niet met de werkelijkheid. De falangistische leiders manipuleerden de Israëliërs gewoon. Een officier van het Israëlisch leger zei me destijds: ‘Een Thaise generaal omkopen kost een miljoen dollar, maar in Jounieh [een christelijke stad ten noorden van Beiroet] kunnen Israëliërs toe met een eenvoudig bord humus.’

    Sinds zijn ontstaan heeft het zionisme altijd gepretendeerd te willen integreren in het Midden-Oosten. Dat blijft een loffelijk streven. Maar dan niet volgens de methode-Kushner.

  • De verborgen kracht van schimmels

    De verborgen kracht van schimmels

    Wat onder de grond allemaal gebeurt in het mycelium, het netwerk van schimmeldraden, is adembenemend. ‘Het is alsof je een kat informatie laat overbrengen aan een neushoorn, waardoor het gedrag van die laatste verandert – via een wortel’, schrijft Tim Hayward.

    Het grootste levende organisme op onze planeet is geen dier of plant. Het leeft in of, om precies te zijn, onder een bos in Oregon, uitgespreid over 9 vierkante kilometer. In het donker gloeit het griezelig op en wetenschappers denken dat het zo’n 2500 jaar oud is. [Onlangs is een zeegrasplant ontdekt van 200 vierkante kilometer voor de kust van Australië. Deze Posidonia australis staat sindsdien te boek als het grootste levende organisme op onze planeet en is naar schatting minstens 4500 jaar oud is.]

    Dit is geen elevator pitch voor een scifi-kaskraker in Hollywood, al moet ik toegeven dat ik daar het afgelopen jaar vaak aan heb gedacht. Nee, het is gewoon een van de minder bizarre feiten die opkwamen toen mijn vriend en producer Richard Ward research deed voor een BBC4 documentaire over de vreemde wereld van schimmels.

    Schimmels zijn op dit moment hot in de wetenschappelijke wereld

    Schimmels zijn op dit moment hot in de wetenschappelijke wereld. Een enorm, nog niet verkend gebied waarbij vergeleken de ruimtewedloop een schoolproject lijkt. En bovendien roepen schimmels ook vragen op over onze kijk op onszelf, op soorten, sekse en gemeenschappen. Niet alleen de hallucinogene eigenschappen van paddestoelen zetten de deuren van ons bewustzijn open, zo’n beetje alles aan deze organismen doet dat.

    Mijn avontuur begon in de keuken. Net als iedereen probeer ik minder vlees te eten. Daardoor raak ik steeds meer gegrepen door de vele mogelijkheden van paddestoelen. In het Verenigd Koninkrijk weten we wel dat ze veel te bieden kunnen hebben, maar ervan overtuigd zijn we niet. Sommige Noord- en Oost-Europese landen zijn ‘mycofiel’: duizenden amateur-paddestoelenzoekers trekken er in de weekenden de bossen in en voeren hun buit zonder zorgen aan hun gezin. Hier kopen we alleen de simpelste, in plastic verpakte veldpaddestoelen bij de supermarkt en zijn de meeste mensen als de dood om iets anders te proberen. De afgelopen jaren hebben we ons repertoire een beetje uitgebreid, met Italiaanse porcini en een of twee van de mildere Aziatische zwammen, de shiitake en de oesterzwam, maar als de Fransen iets hardnekkig een trompette de la mort blijven noemen, kun je dat toch niet bepaald een aanbeveling noemen?

    Het is gemakkelijk te begrijpen waar de bangelijke Britse mycofobie kan zijn ontstaan. Wij associëren schimmels met dood en bederf. Een kleine minderheid van alle paddestoelen is bijzonder lekker om te eten, de meeste smaken saai of gewoon vies en een klein aantal kan tot een pijnlijke dood leiden.

    rebeca g sendroiu RFZCFcOHZRM unsplash
    Wetenschappers en activisten zijn bang dat we niet inzien hoeveel schade we de schimmelwereld toebrengen. Allereerst moeten we de taal veranderen als we over de natuurwereld nadenken, en dienen we te spreken over de drie F’en: flora, fauna en ‘funga’. – © Unsplash

    Onfrisse sporttas

    Wat eetbare paddestoelen betreft is de truffel voor ons waarschijnlijk de uiterste grens. Hij ziet eruit als een leerachtige steen of misschien een bijzonder samenhangend kluitje aarde en we slagen er nog steeds niet in om hem zelf te kweken. Vraag willekeurige, normale mensen de geur ervan te beschrijven, en ze zullen zeggen dat die doet denken aan een onfrisse sporttas en hun neus optrekken bij het idee dat ze zoiets in hun mond zouden stoppen. Toch behoren truffels tot de kostbaarste voedingswaren, per gewicht, waarin wordt gehandeld – een handel waar vaak smokkelpraktijken, geweld, georganiseerde misdaad en zelfs moord aan te pas komen. In zijn onlangs verschenen boek The Truffle Underground: A Tale of Mystery, Mayhem and Manipulation in the Shadowy Market of the World’s Most Expensive Fungus legt de Amerikaanse journalist Ryan Jacobs een complex web van bedrog bloot waarin truffels uit Oost-Europa – die van mindere kwaliteit worden geacht dan de Franse of Italiaanse variëteiten – op grote schaal worden gesmokkeld en van een nieuw label voorzien om voor het dure spul te kunnen doorgaan. Er zou sprake zijn van een gewelddadige werkwijze, met gewapende overvallen op truffelopslagplaatsen en corruptie op hoog niveau bij lokale overheden.

    In de jaren dertig ontstond grote opwinding over hallucinogenen die inheemse volkeren al sinds de prehistorie gebruikten. ‘Magische’ zwammen – met psilocybine en lsd – oorspronkelijk afkomstig uit moederkoren, een schimmel die op rogge groeit, beloofden volgens sommigen veel voor het ontluikende vakgebied van de psychotherapie. In opnamen van wetenschappers die met deze drugs experimenteerden, is het totale gebrek aan angst in hun stem opmerkelijk. Ze lijken geen enkel besef te hebben dat ze met iets gevaarlijks of onwettigs bezig zijn. Het is vreemd om een in tweed geklede psychiater rustig te horen vertellen hoe hij het ‘brouwsel’ drinkt en hoe zijn eigen Deuren van Bewustzijn opengaan. Het boeiendst vond ik nog wel de opnamen waarin filmster Cary Grant, die al vroeg en vol overgave de psychotherapie omarmde, zonder enig schuldbesef over zijn werkelijk heroïsche consumptie van hallucinogenen vertelt.

    Psilocybine wordt nu getest als therapie voor drugsverslaving, angst en stemmingsstoornissen

    Wat er vervolgens gebeurde, is vaak beschreven. Hoe de drugs in universiteitslabs werden getest, aanvankelijk door medici maar later onder de vleugels van de CIA, die begrijpelijkerwijze geïnteresseerd was in het mogelijke nut ervan als verhoorinstrument of als wapen. Hoe de drugs vervolgens in de tegencultuur terechtkwamen en een hele generatie opnieuw beïnvloedden, en hoe overheden de veelomvattende strijd tegen verboden middelen aanbonden. Deze processen speelden wereldwijd en het wetenschappelijk onderzoek kwam dan ook tot stilstand onder druk van de mondiale stortvloed van media-aandacht die uitmondde in een rampzalige ‘war on drugs’. Pas in het afgelopen decennium lijkt de paniek te zijn afgenomen. Psilocybine wordt nu getest als therapie voor drugsverslaving, angst en stemmingsstoornissen.

    Paddestoelen

    Misschien komt het door hun literaire, visuele of artistieke verleden – feeën die eromheen dansen, of Alice die door een waterpijp rokende rups wordt aangemoedigd er een te eten – dat we de neiging hebben bij schimmels te denken aan paddestoelen die door een laag dode bladeren hun kopje opsteken. Maar die paddestoelen zijn enkel de vruchtdragende delen van het organisme dat eronder leeft: een uitgestrekt web van onderling verbonden hyfen, of schimmeldraden, dat mycelium wordt genoemd. En het ongelooflijkste van mycelium is niet zozeer de afmeting van dat netwerk, maar waartoe het in staat is.

    Een jaar of tien geleden ontmoette ik op een beurs een stel jonge mensen. Zij hielden bij hun stand een overtuigend pleidooi voor het kweken van mycelium rondom breekbare verpakte artikelen, als een soort natuurlijk piepschuim. Ik heb geen idee of hun bedrijf een succes is geworden, maar een paar jaar later vertelde de chef-kok van een hip Londens restaurant me trots dat het krukje waarop ik zat een massief blok mycelium was dat in een mal was gekweekt. En vorig jaar troonde mijn dochter me mee naar een lezing over de toekomst van duurzame architectuur, waar vrolijk werd gediscussieerd over wolkenkrabbers die hoger en sterker zouden zijn dan de saaie gebouwen van nu en niet ‘gebouwd’ zouden worden van gewapend beton, maar ‘gekweekt’ van mycelium.

    Als ik eerlijk ben kreeg ik het idee dat het spul me achtervolgde.

    Quorn

    In de jaren zestig identificeerde Rank Hovis McDougall Fusarium venenatum als een schimmelmycelium dat geschikt is voor menselijke consumptie. Dit is verbijsterend spul. Je vult een tank met een voedzaam groeimedium, voegt daar sporen aan toe, voedt het rijkelijk met zuurstof en het netwerk van dicht opeengepakte hyfen verdubbelt om de vijf uur in grootte. Hou je van quorn, de bekende eetbare mycoproteïne, dan is dit geweldig nieuws. Hou je van sciencefictionfilms uit de jaren vijftig, dan heb je misschien je bedenkingen.

    Quorn is een vrij eenvoudig schimmelmateriaal dat voor samenhang zorgt en voor eiwit dat als voedingssupplement kan dienen. Het is oorspronkelijk niet ontworpen om vlees na te maken, maar nu de commerciële belangstelling voor vleesvervangers steeds koortsachtiger vormen aanneemt, kijken veel onderzoekers naar schimmels. De kans is groot dat die een steeds grotere rol krijgen in bewerkt en industrieel gefabriceerd voedsel en er is eigenlijk geen bovengrens aan de bijdrage ze uiteindelijk aan ons dieet zouden kunnen leveren.

    Het lijkt erop dat het gebruik van mycelium zo hard groeit als, tja, mycelium zelf. Op een ijzige donderdag in oktober ontmoet ik Sebastian Schornack bij de Sainsbury Laboratory Cambridge University. Diep onder de grond, in een streng beveiligde biocontainment facility, heeft hij de wortels van een plantje onder de microscoop gelegd dat op hetzelfde substraat als een mycelium is gegroeid. In een gecontroleerde onderzoeksomgeving als deze is het toegestaan planten te maken door middel van genetische manipulatie en Schornack heeft tabaksplantjes gekweekt waarin de drie genen zitten die samen voor de rode kleur van bieten zorgen. Deze genen zijn zo gearrangeerd dat ze in de tabakswortels een roze kleur veroorzaken wanneer ze met het mycelium in contact komen. Zelfs met een vrij bescheiden vergroting kon ik het roze materiaal duidelijk in de cellen van de plantenwortel zien zitten en in het mycelium dat daarmee in contact was. Schornack is aanstekelijk enthousiast: ‘Dit is de intiemste relatie die je je maar kunt voorstellen. De schimmel leeft echt binnen in elke plantencel.’

    Schimmels zijn al vanaf het allereerste begin ‘onderdeel’ van planten

    Maar daar houdt het voor hem niet op: ‘Deze relatie is meer dan 400 miljoen jaar oud. Er zitten al structuren zoals deze schimmels in de cellen van gefossiliseerde planten.’

    Het moeilijkst voorstelbaar hiervan is nog wel dat schimmels al vanaf het allereerste begin ‘onderdeel’ van planten zijn. Net zoals wij mensen begrijpen dat we gastheer zijn van ons eigen levende darm-ecosysteem en dat altijd zijn geweest, beseffen we nu dat planten en schimmels een vergelijkbare ‘relatie’ hebben. Maar dat woord dekt de lading niet helemaal, het is een onafscheidelijk samenleven. En als planten altijd ‘deels schimmel’ zijn geweest, en als wijzelf altijd ‘deels’ de mix van schimmel en bacteriën ‘in onze ‘darmflora’ zijn geweest, dan ga je toch vraagtekens plaatsen bij de overzichtelijke indeling van afzonderlijke organismen.

    jesse bauer uhkH4kdA1MA unsplash
    Paddestoelen zijn slechts de vruchtdragende delen van het organisme dat eronder leeft. – © Unsplash

    Communiceren

    Maar het wordt nog ingewikkelder. Suzanne Simard is hoogleraar bosecologie aan de Universiteit van British Columbia. Zij injecteerde voor haar onderzoek radioactieve koolstof in een berkenboom en na een tijdje sloeg haar geigerteller aan bij een douglasspar die daar in de buurt stond. Materiaal uit de ene plant verscheen in een andere, geheel ander soort plant. Niet alleen werd materiaal overgedragen, maar door het selectief toedienen van voedingsstoffen kon de schimmel de groei van de bomen beïnvloeden. Via het mycelium konden signalen van ‘ongemak’ in een boom beïnvloeden hoe andere bomen groeiden. Ze bleken te communiceren via een derde organisme dat niet eens tot hetzelfde rijk behoorde. Hier moeten we even tot ons door laten dringen wat dat betekent. Het is alsof je een kat informatie laat overbrengen aan een neushoorn, waardoor het gedrag van die laatste verandert – via een wortel.

    De schimmel kan een heel bos in staat stellen om in zijn eigen belang te ‘handelen’

    Voor de duidelijkheid: dit is niet hetzelfde als bomen die ‘met elkaar praten’, maar het betekent wel dat de schimmel, door op te treden als informatie overbrengend medium, kennelijk een heel bos in staat kan stellen om in zijn eigen belang te ‘handelen’, bijna als één organisme. Dit resultaat is door Simard en anderen het ‘Wood Wide Web’ genoemd. 

    Dat mycelium communicatie tussen verschillende soorten bomen mogelijk maakt en onderhoudt, en misschien op de een of andere manier hun groei verandert in het belang van hun collectieve welzijn, dat blaast mij van mijn conceptuele sokken, om eerlijk te zijn. Boom, schimmel, bos? Wie is hier de baas? Wat is de entiteit?

    Onder Kew Gardens, de Londense hortus botanicus, bevindt zich ver van het grote publiek de grootste verzameling geconserveerde schimmelsoorten ter wereld. Hier vertelde conservator Lee Davies me het macabere verhaal van de zombiecicaden. Deze reusachtige vliegende insecten lijken een beetje op sprinkhanen en komen overal in het midden en oosten van de VS voor. Ze hebben een heel kort en intensief paarseizoen en daarin raakt een klein percentage geïnfecteerd met een schimmel die Massospora heet. Deze produceert in hun lijf een reeks chemische stoffen, waaronder psilocybine en een amfetamine die cathinon wordt genoemd, en deze cocktail wakkert in de cicade een koortsachtige seksuele activiteit aan. En dat is nogal ongelukkig, want de schimmel neemt ook het hele lijf van het beestje in beslag en zorgt ervoor dat het achterlijf, inclusief geslachtsdelen, eraf valt, waarna dat wordt vervangen door een grote witte bal sporen. Op de een of andere manier dwingt de schimmel de cicade bovendien om zowel mannelijk als vrouwelijk paargedrag te vertonen en daarmee nog meer cicaden te lokken voor een potje vruchteloos gefriemel, zodat ook die met de sporen besmet worden. 

    Mycena inclinata Clustered Bonnet UK 2
    De fraaisteelmycena (Mycena inclinata) groeit in bundels op hout van dode stronken. – © Wikipedia

    Seksleven

    Wat mij betreft is dit de meest intrigerende vorm van voortplanting die ik ooit ben tegengekomen. En zo raak ik opeens met bioloog en schrijver Merlin Sheldrake verwikkeld in een serieus gesprek over het seksleven van schimmels. ‘Er zijn zoveel verschillende manieren waarop schimmels seks kunnen hebben,’ vertelt hij. ‘Sommige hebben tienduizenden paartypes die in grote lijnen overeenkomen met onze geslachten. Kennelijk zijn er talloze verschillende manieren om je genen door elkaar te gooien en als flexibele, samenwerkende en diverse organismes hebben zij flexibele, samenwerkende en diverse manieren gevonden om dat te doen.’

    Er zijn veel verschillende manieren waarop schimmels seks kunnen hebben

    Ik kan met mijn tienerdochter al geen gesprek over gender voeren zonder dat mijn hersens vastlopen, dus hoe zou ik ooit alles van schimmelseks kunnen begrijpen? Zelfs met ons huidige, uiterst beperkte niveau van kennis dwingen schimmels ons om gecompliceerde vragen te stellen. Als een schimmel een levend organisme geheel kan innemen, het gedrag ervan kan beheersen en het lichaam gebruiken, hebben we een nieuw woord nodig voor het ding dat dan rondvliegt. Op welk moment is het niet langer een in bezit genomen insect en wordt het een mobiele paddestoel? Mijn zorg neemt nog verder toe als Sheldrake me er vriendelijk aan herinnert dat ik zelf vol zit en bedekt ben met allerlei verschillende soorten schimmels. Ik kan niet leven zonder hen en zij kunnen niet overleven zonder mij. Dus ben ik nou een entiteit of een goedgekleed mobiel ecosysteem?

    Pratende paddestoelen

    Paddestoelen wekken misschien de indruk zwijgende organismen te zijn, maar een nieuwe studie heeft patronen van elektrische signalen ontdekt die een opvallende, structurele gelijkenis vertonen met de menselijke spraak.

    Andrew Adamatzky van het Unconventional Computing Laboratory van de Universiteit van West-Engeland in Bristol onderzoekt dit fenomeen door minuscule micro-elektroden te bevestigen in bodemlagen die ingelijfd zijn in hun lapjesdeken van hyfen (schimmeldraden), het mycelium.

    Het onderzoek, dat gepubliceerd is in Royal Society Open Science, toonde aan dat die pieken zich vaak groepeerden in een serie activiteiten die leken op vocabulaires van wel zo’n vijftig woorden, en dat de verspreiding van die ‘woordlengten van paddestoelen’ nauw overeenkwam met die van menselijke talen. Waaiertjes – die op rottend hout groeien en wier vruchtlichamen lijken op golven van dicht opeengepakt koraal – produceerden de meest complexe ‘zinnen’.

    Andere vormen van pulserend gedrag zijn al eerder waargenomen in zwammennetwerken, zoals pulserend voedingstransport – mogelijk veroorzaakt door ritmische groei als zwammen op zoek zijn naar voedsel.

    De meest waarschijnlijke reden voor die golven van elektrische activiteit is dat ze de paddestoelen in stand houden – vergelijkbaar met wolven die janken om de roedel bij elkaar te houden – of hun pas ontdekte bronnen van lok- en afweermiddelen aan andere delen van hun mycelium overbrengen, zei Adamatzky. Maar er is volgens hem ook een andere mogelijkheid: dat ze niets zeggen. ‘Hoe interessant ook, de interpretatie dat het een taal is lijkt misschien iets al te enthousiast,’ zegt Dan Bebber, universitair docent biowetenschappen aan de Universiteit van Exeter en lid van het onderzoekscomité naar zwammenbiologie van de British Mycological Society. ‘Er moeten veel meer kritische hypothesen worden getest voor we de optie “Fungus” op Google Translate kunnen verwachten.’

    Korstmossen horen tot de oudste levende dingen op onze planeet. Volgens sommige schattingen bedekken ze in al hun verschillende vormen 7 procent van het aardoppervlak, maar het zijn geen planten. Ze doen wel aan fotosynthese, maar hebben geen wortels en onttrekken geen voedingsstoffen aan de oppervlaktes waarop ze groeien. Kortmossen zijn eigenlijk algen die geheel in het weefsel van een schimmelmycelium leven. Het zou totaal onjuist zijn om ze ‘hybride’ te noemen en het is een meer dan symbiotische relatie. Ze zijn niet van elkaar te scheiden en zo leven ze al langer dan mensen of de meeste dieren en planten die we vandaag kennen. Voor zoiets hebben we nog steeds niet echt een naam.

    Mycologen zijn een interessant stel. Hun enthousiasme heeft ervoor gezorgd dat ze zich zijn blijven richten op wat lang een verwaarloosd hoekje van de botanie is geweest. Ze hebben dingen gezien die wij stervelingen niet zouden geloven, en nu er tipjes van de sluier worden opgelicht is hun opwinding terecht groot. Ik heb onderzoekers ontmoet die dachten dat ze met hun ontdekkingen vrijwel alles wat voor mensen van belang is konden veranderen en verbeteren. Afgezien van de simpele toepassingen voor voedsel en het farmacologische potentieel zijn er schimmelvariëteiten die extreme omstandigheden kunnen overleven, plantengroei kunnen versterken of met plantenziektes afrekenen. Sommige soorten waarnaar op dit moment onderzoek wordt gedaan, zullen ooit plastic afbreken, gelekte olie opruimen en misschien zelfs radioactief afval neutraliseren.

    Als het om schimmels gaat beginnen we pas net in te zien hoeveel we niet weten

    Maar andere wetenschappers en activisten zijn bang dat we niet inzien hoeveel schade we de schimmelwereld toebrengen. De Fungi Foundation, een internationale ngo die is opgericht door de briljante Chileense mycoloog Giuliana Furci, wijst op dit gevaar. De stichting heeft tot doel onderwijs en informatie te verschaffen over de diversiteit van schimmels en het gebruik ervan als innovatieve oplossingen voor problemen die we misschien nog moeten ontdekken. Heel belangrijk is dat de Fungi Foundation de officiële taal aan het veranderen is en de internationale gemeenschap aanspoort om over de natuurwereld na te denken in termen van de drie F’en: flora, fauna en ‘funga’.

    Funga-onderzoekers vormen de meest diverse en briljante groep die je je maar kunt voorstellen, maar één ding weten ze allemaal zeker: er is nog zoveel dat we niet weten en zoveel dat nog te ontdekken valt. Als het om schimmels gaat beginnen we pas net in te zien hoeveel we niet weten. Vroeg of laat ervaart iedereen die zich met schimmelonderzoek bezighoudt een en dezelfde vreemde reactie, die het midden houdt tussen fysiek en emotioneel. Sheldrake noemt het ‘hoogtevrees’ en ik denk dat hij daarmee de spijker op de kop slaat.

    Hoger dan gebouwen

    Ik wandelde een keer door de paar heuvels in de buurt van Cambridge. Ik ging op een bank zitten en keek naar het landschap om me heen, en opeens werd ik me duizelingwekkend bewust van alles. Ik zat onder bomen, dus het bevond zich onder me. Kilometers ver zag ik bossen, kreupelhout, alleenstaande bomen. Daaronder, misschien ertussenin, ongeziene maar uitgestrekte massa’s mycelium. Als ze boven de grond zouden zijn, zouden ze groter zijn dan dinosauriërs, hoger dan gebouwen. Levende organismen van bijna onvoorstelbare afmetingen. Oud, langzaam groeiend, zich langzaam verplaatsend, in wisselwerking met de omgeving. Wanneer je je realiseert dat er schimmels in de lucht zijn, op het oppervlak van of binnen in vrijwel alles wat leeft, bekruipt je een gevoel dat lijkt op, ja, het tollende, gedesoriënteerde gevoel dat je opeens niet meer zo stevig met de grond onder je verbonden bent. Het is inderdaad hoogtevrees.

    We hoefden niet meer bang te zijn dat onze natuurlijke omgeving ons zou vermoorden

    Een tijdje na de Verlichting begonnen we anders naar de natuur te kijken. We hoefden niet meer bang te zijn dat onze natuurlijke omgeving ons zou vermoorden en we gingen eropuit, naar de bergen, naar de bossen, naar de zee, om omringd te zijn door iets enorms, iets oneindig veel groters en ouders dan wijzelf, om onszelf in perspectief te plaatsen. Tegenwoordig is het misschien nog steeds best indrukwekkend om een berg te zien, een ruwe zee of een stuk woestijn, maar film, fotografie en zelfs goedkope avontuurlijke vakanties hebben ons van die plotselinge, verbijsterende waarneming beroofd.

    Er bestaat een schilderij van de Duitse romanticus Caspar David Friedrich, genaamd De wandelaar boven de nevelen. Je hebt het vast weleens gezien. Die wandelaar is een man in overjas, van achteren gezien, die op het topje van een berg staat en uitkijkt over een landschap van bijna onbevattelijke uitgestrektheid. Je ziet zijn gezicht niet, maar trek er dit weekend eens op uit, ga op een heuvel staan, kijk naar de bomen, denk dan aan de schimmels en je voelt wat hij voelt.

    Fungi: The New Frontier, geschreven en gepresenteerd door Tim Hayward en geproduceerd door Richard Ward en Loftus Media voor BBC Radio 4. Ook beschikbaar op BBC Sounds.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.

    Verboden klanken van Mark Eliyahu

    Hoe de kamancheh het Midden-Oosten verovert

    MUZIEK | In Iran is Israëlische muziek formeel verboden en wordt elk contact met een Israëliër bestraft met gevangenisstraf of zelfs executie. Toch worden de liedjes van Mark Eliyahu er, in het geheim, volop beluisterd en gespeeld.

    Terwijl duizenden Iraniërs de Israëlische artiest dagelijks volgen op YouTube of Instagram, meldden ook duizenden zich af voor zijn kanalen ‘uit angst voor represailles’, aldus een artikel in Ha’aretz getiteld ‘Iranians are dying to see this Israelian musician perform life’. Op een video op YouTube is te zien hoe tientallen leerlingen van een muziekschool in Teheran een van zijn nummers op percussie-instrumenten naspelen.

    ‘Er gaat geen dag voorbij zonder dat ze me schrijven: wanneer kom je in Iran spelen?’

    Het is volgens het Israëlische dagblad vooral het spel op de kamancheh, een oud-Perzisch snaarinstrument, dat Iraanse luisteraars raakt. Eliyahu werd in 1982 geboren in de Russische regio Dagestan uit twee muzikale ouders en was zes toen hij naar Israël emigreerde. Op zestienjarige leeftijd reisde hij naar het Griekse eiland Kreta om saz te studeren, waarna hij naar Azerbeidzjan verhuisde. Toen hij na zijn studie daar zijn muzikale carrière begon, was de kamancheh nog onbekend onder de Israëliërs. Toch houdt het instrument voor Eliyahu verband met de Joodse cultuur, aangezien het in de Bijbel wordt bespeeld door de Levieten: leden van de stam van Levi.

    Ook in andere landen in het Midden-Oosten en in Turkije wordt Eliyahu geroemd. Zijn nummer Journey werd door meer dan 13 miljoen mensen geluisterd op YouTube. ‘Mijn concerten in Turkije zijn zo motiverend en opwindend. Ik hou van Turkse luisteraars’, citeert de Turkse site Daily Sabah de muzikant trots. ‘Ze begrijpen de emotionele taal in mijn muziek.’ Maar ook met zijn Iraanse publiek is hij verguld: ‘Er gaat geen dag voorbij zonder dat ze me schrijven: wanneer kom je in Iran spelen? Het is heel ontroerend.’

    Door Laura Weeda

    MarkEliyahu


    De reis van de leraar die de toekomst kent

    Het bruto nationaal geluk in beeld gebracht

    FILM | In de Himalayaanse bergen neuriet een vrouw ‘Yak lebi lhadar’, een lied van jakherders over afscheid en opoffering, terwijl in de stad een grootmoeder haar kleinzoon Ugyen wakker maakt. Hij is gekleed in een T-shirt met het bruto nationaal geluk: een index die Bhutan ontwikkelde om het welzijn van de mensen te beoordelen.

    ‘Het slapen van de jonge man is zowel letterlijk als figuurlijk’, schrijft The Indian Express in een recensie over Lunana: A Yak in the Class Room van de Bhutanese regisseur Pawo Choyning Dorji. Om echt te ontwaken zal Ugyen, die leraar is, ‘een innerlijke reis moeten beginnen die hem zal dwingen om zowel zichzelf als zijn land te ontdekken’. Die reis begint wanneer hij wordt overgeplaatst naar een van de meest afgelegen plekken ter wereld: Lunana, een dorp tussen de besneeuwde bergtoppen, waar hij bekend komt te staan als de ‘leraar die de toekomst kent’. 

    Aangezien Lunana niet is aangesloten op het elektriciteitsnet, werd er gefilmd met batterijen op zonne-energie. Als acteurs werden dorpelingen ingezet die nog nooit een film hadden gezien. ‘We waren het laatste land ter wereld met televisie en internet,’ vertelt de regisseur. ‘Ik was dertien toen de eerste televisie kwam. Mensen verkochten hun koeien en jaks om er een te kopen en plaatsten die dan op een soort altaar in huis, waarop ze wierook offerden. Ze wilden zingen, zich verkleden en zijn als de “buitenstaanders”. Het fundament van het “tevreden gevoel” was volledig verstoord.’

    ’Ik zeg ze dat ze hun dromen moeten volgen, maar hun eigen liedjes moeten zingen, waar ter wereld ze ook zijn’

    Hij heeft zelf vaak te horen gekregen dat hij wel ‘een heel gelukkig man’ moet zijn, aangezien hij uit een land komt dat inzet op bruto nationaal geluk. ‘Ik probeer met de film ook te laten zien wat Bhutan doormaakt, de uittocht van jonge mensen, leraren, die, aangetrokken door de pracht en charme van het Westen, massaal emigreren naar landen als Australië,’ zegt de regisseur in een interview met de Amerikaanse publieke omroep NPR. ‘Ik zeg niet dat ze niet weg moeten gaan; ik zeg ze dat ze hun dromen moeten volgen, maar hun eigen liedjes moeten zingen, waar ter wereld ze ook zijn.’

    The Indian Express kenschetst de film als een soort Bhutanese fabel met als les dat geluk nergens anders te vinden is en enkel besloten ligt in tevredenheid. The New York Times vindt dit idee ‘mooi effectief’ uitgevoerd, maar ook een beetje schools: het is ‘een poging om het concept van bruto nationaal geluk dat Bhutan heeft uitgevonden in beeld te brengen’. Andere media, zoals Variety, waarderen het goede gevoel dat de film overbrengt, evenals de kennismaking met een onbekend land. Filmsite The Wrap schrijft: ‘In het coronatijdperk vindt deze film, die een eenvoudige manier van leven verdedigt, gebaseerd op wederzijdse hulp, veel weerklank.’ The Wall Street Times noemt de film ‘van begin tot einde ontzettend leuk’.

    Verandering is onvermijdelijk, besluit The Indian Times. Op de laatste filmdag, wanneer de crew zich voorbereidt om in te pakken, arriveert een groep ambtenaren in Lunana om er telecommunicatietorens te installeren. En onlangs ontving Choyning Dorji een Facebookbericht en een TikTokvideo van Pem Zam, de inmiddels twaalfjarige ster van de film. 

    Nu te zien in de bioscoop.

    Door Laura Weeda

    Lunana A Yak in the Classroom st 2 jpg sd low


    Spaanse satire over kapitalisme 

    Meedogenloze wolf in schaapskleren

    SPEELFILM | Stel, je staat als lifter langs een verlaten snelweg en op hetzelfde moment stoppen er twee auto’s. In de ene zit de moordlustige psychopaat Anton Chigurh uit de speelfilm No Country for Old Men van de gebroeders Coen; de andere chauffeur blijkt de respectabele fabrieksdirecteur Julio Blanco uit El buen patrón van regisseur Fernando León de Aranoa. Bij wie stap je in? 

    Met deze hypothese vergelijkt Guy Lodge in Variety twee vertolkingen van de Spaanse steracteur Javier Bardem. De keuze ligt voor de hand, stelt Lodge, ‘maar wie Bardems laatste rol heeft gezien, weet wel beter. Mogelijk brengt deze man je niet persoonlijk om zeep, maar met elke plottwist ontwikkelt hij zich steeds duidelijker als de mildste incarnatie van het pure kwaad.’

    Hoofdpersonage Blanco uit El buen patrón doet er alles aan om een prestigieuze onderscheiding voor zijn weegschalenfabriek in de wacht te slepen. Voor de buitenwereld kan die prijs hem nauwelijks ontgaan, maar achter de schermen zijn sommige van zijn werknemers hun leven niet zeker. 

    ‘Niemand haalt ongeschonden het einde. Noem het een meesterwerk of pure fetisj’ 

    Jonathan Holland van Screendaily vermoedt dat het casten van Bardem vooral is bedoeld voor de buitenlandse bioscoopbezoeker: ‘Succes in Spanje is gegarandeerd, maar meer dan een onderhoudende en soepel gemaakte film is het niet. Een déjà-vuverhaal waarbij Bardem-fans absoluut aan hun trekken komen. Maar de rest steekt er bleekjes bij af.’

    El buen patr n ps 1 jpg sd low ©REPOSADO PC THE MEDIAPRO STUDIO

    De Boliviaanse krant La Razón omschrijft El buen patrón daarentegen als een ‘geslaagde satire op het kapitalisme’. Vooral omdat Bardem gestalte geeft aan een ‘giftige, niets en niemand ontziende ondernemer, die tot het uiterste gaat’. 

    In het Spaanse dagblad El Mundo houdt Luis Martínez het op een ‘horrorfilm, links noch rechts georiënteerd, waarin onze maatschappij van overconsumptie wordt geportretteerd. Het gaat niet om hebzuchtige ondernemers en begerige proletariërs, maar om een wereld waarin de marktwerking iedereen overkomt. Niemand haalt ongeschonden het einde. Noem het een meesterwerk of pure fetisj.’ 

    El buen patrón van Fernando León de Aranoa is vanaf 2 juni te zien in de bioscoop.

    Door Diederik Samwel

    El buen patr n st 1 jpg sd low ©REPOSADO PC THE MEDIAPRO STUDIO

    Geestesziekte, perceptie en psychedelische drugs 

    Hartverscheurende beschrijvingen van depressie

    LITERATUUR | Een 33-jarige naamloze auteur in de VS zit compleet aan de grond, nadat het schrijven van zijn romandebuut is mislukt. Het voorschot van de uitgever is op, zijn relatie staat op springen en een zware depressie dient zich aan. Dan krijgt hij de opdracht om als ghostwriter de memoires van een beroemde Italiaanse natuurkundige te schrijven. Volgende probleem: deze man blijkt van de aardbodem verdwenen. Daarop reist de hoofdpersoon door Italië, waar hij opvallend vaak wordt geconfronteerd met situaties en personages uit de boeken die hij leest.

    Dat is het gegeven van The Red Arrow, de debuutroman van de Amerikaanse auteur William Brewer (33). Kevin Canfield van The San Francisco Chronicle vat het samen als een verhaal over een ‘verwarde man wiens leven door intensieve leesexperimenten op zijn kop wordt gezet’. Volgens Canfield is The Red Arrow een ‘pedant maar ook spiritueel en inventief boek, waarin verstandige dingen worden gezegd over geestesziekte, perceptie, creativiteit en psychedelische drugs. De manier waarop een depressie wordt beschreven is hartverscheurend.’ 

    ‘Stiekem schrijft hij zinnen van ruim een pagina, en het knappe is dat je dat als lezer niet in de gaten hebt’

    Jonathan Russell Clarke schrijft in de LA Times dat er nog nooit zo ‘accuraat en inzichtelijk over depressie is geschreven. Vooral omdat duidelijk wordt dat de hoofdpersoon een relatie met zijn depressie heeft.’ Aan het soms ‘exquise taalgebruik’ proeft Clarke dat Brewer oorspronkelijk een dichter is: ‘Maar als verteller is hij op zijn best. Stiekem schrijft hij zinnen van ruim een pagina, en het knappe is dat je dat als lezer niet in de gaten hebt.’

    ‘Een cerebrale, ietwat warrig geschreven roman’, concludeert de recensent van Publishers Weekly. ‘De pogingen van de schrijver om zijn gedachten te ordenen doen denken aan de elliptische monologen uit de serie True Detective. Die bleken uiteindelijk ook niet te werken.’ Bradley Babendir van The Boston Globe is daar juist wel van onder de indruk: ‘Brewer gaat op zoek naar het dunne lijntje tussen wat de hoofdpersoon zelf meemaakt en zijn leeservaringen. Om erachter te komen dat geen enkele zintuiglijke ervaring nog origineel kan zijn.’

    The Red Arrow van William Brewer, door René Kurpershoek vertaald als De rode pijl, is op 25 mei verschenen bij uitgeverij Spectrum.

    Door Diederik Samwel

    The Red Arrow William Brewer

  • Wat zij zeggen over de schietpartij op de basisschool in Uvalde, Texas

    Wat zij zeggen over de schietpartij op de basisschool in Uvalde, Texas

    Internationale commentatoren en opiniemakers over de schietpartij op de basisschol in Uvalde (Texas), waarbij meer dan twintig mensen werden gedood.

    Hoofdredactioneel commentaar

    Le Monde

    ’Amerika maakt zichzelf van kant en de Republikeinse Partij kijkt de andere kant op. Tientallen jaren van hersenspoeling hebben ertoe geleid dat haar gekozen vertegenwoordigers zelfs de ijzeren greep van de machtige wapenlobby, de National Rifle Association, niet meer nodig hebben om zich te verzetten tegen wetgeving die beperkingen zou kunnen opleggen aan deze bijzonder lucratieve markt. Het verdedigen van het Second Amendment over het recht om wapens te dragen is een quasi-heilige plicht geworden.’


    Nicolas Goldberg – columnist

    Los Angelos Times

    ’Onze wapenwetten zijn niet alleen zwak en ontoereikend. Ze zijn, om het maar ronduit te zeggen, suïcidaal. Toch doen we jaar na jaar weinig of niets om ze te veranderen. In plaats daarvan huilen en bidden we voor de slachtoffers en laten we de tragedies langzaam uit onze gedachten glijden, terwijl de dagen en weken verstrijken tot de volgende nachtmerrie onvermijdelijk plaatsvindt en de cyclus opnieuw begint.’


    Hoofdredactioneel commentaar

    The New York Times

    ’Wij Amerikanen delen dit uitgestrekte land en we dienen uit te vinden hoe we het beter kunnen maken en hoe we elkaar kunnen laten leven. Momenteel falen we echter in die primaire verantwoordelijkheid. Er zijn sprankjes hoop dat dingen aan het veranderen zijn. Maar de vooruitgang zal onvoldoende zijn voor de honderden Amerikanen die vandaag, morgen en elke dag zullen worden neergeschoten totdat er daadwerkelijk actie wordt ondernomen.’


    James Moore – politiek analist

    CNN

    ’Massale schietpartijen zijn in de VS zo gewoon geworden dat we een manier hebben ontwikkeld voor hoe we moeten reageren. Gedachten en gebeden gaan uit naar de getroffen families die iemand hebben verloren van wie ze hielden. Wetshandhavers worden geprezen omdat ze hebben voorkomen dat de tragedie nog gruwelijker werd. Maar er gebeurt niets om een nieuwe schietpartij te voorkomen. We bidden. Maar we maken geen wetten.’