Tag: nostalgie

  • Oorlogen, crises en binnenkort weer Trump. Was vroeger echt alles beter? Helemaal niet!

    Oorlogen, crises en binnenkort weer Trump. Was vroeger echt alles beter? Helemaal niet!

    De wereld verkeert in zwaar weer, wat bij velen een sterk verlangen naar het verleden oproept. Nostalgie kan echter onze blik op de geschiedenis vertroebelen en een vertekend beeld schetsen van hoe het vroeger werkelijk was.

    Onlangs, tijdens een voetbalwedstrijd van de Dallas Cowboys, werd de camera gericht op de VIP-tribune: daar zat een goedgeluimde George W. Bush, de 43e president van de VS, in de loge. Dat waren nog eens tijden, aldus het gezelschap dat met mij voor de televisie zat. Toen de Republikeinen nog fatsoenlijk en betrouwbaar waren – in tegenstelling tot Donald Trump en zijn MAGA-discipelen! En zo denken veel mensen er vandaag over na de comeback van Trump, die zelfs onder nuchtere tijdgenoten wordt beschouwd als een potentiële doodgraver van de liberale democratie. Ah, die goeie ouwe tijd.

    Natuurlijk verschilt Bush, die uit het diepste establishment van de Grand Old Party kwam, in veel opzichten van Trump. Maar was alles toen echt zoveel beter in onze beleving?

    Bij de verkiezing van Bush in 2000 was er een hoop gesteggel bij het tellen van de stemmen in Florida (waar een van zijn broers gouverneur was). Even later kwam de schok van 9/11 en, als directe reactie, de zogeheten War on Terror: de invasie van Afghanistan, de invasie van Irak – onder valse voorwendselen – en de omverwerping van dictator Saddam Hoessein. Het Midden-Oosten verviel in chaos. Overal ter wereld werd gedemonstreerd tegen het Amerikaanse beleid; zelfs in Zwitserland gingen tienduizenden de straat op. Wie vandaag de foto’s bekijkt, zal versteld staan van het radicalisme: in Bern werd een groot spandoek door de stad gedragen: ‘USA World Enemy No. 1’ – de S in ‘USA’ is een hakenkruis.

    En de ooit gedemoniseerde Bush, die nu op wonderbaarlijke wijze weer populair is geworden, is slechts een willekeurig voorbeeld. Maar dat voorbeeld is symptomatisch voor de huidige tijdgeest in een heden dat gebukt gaat onder crises en oorlogen. Een tijdgeest die nostalgie wordt genoemd.

    Erkende ziekte

    Nostalgie was ooit een erkende ziekte. Het woord werd uitgevonden in Bazel aan het einde van de zeventiende eeuw in een medisch proefschrift door een zekere Johannes Hofer, die heimwee bestudeerde: een pathologisch verlangen om terug te keren naar de plaats van herkomst, vooral bij Zwitserse huurlingen. Later veranderde de betekenis van de term en maakte het concept snel carrière buiten de geneeskunde: het begrip stond nu voor een lyrische terugblik op voorbije, geïdealiseerde tijden. Mensen stelden zich een tijd voor die nooit was geweest, althans, niet zoals ze dachten dat hij was geweest. Maar het voelde goed. Nostalgie was ‘lijm voor alles’, zoals de Weense historicus Valentin Groebner het verwoordt.

    De romantisering en vervorming van het verleden leveren vandaag de dag bijzonder vreemde resultaten op. Enkele jaren geleden diagnosticeerde de socioloog Zygmunt Bauman in zijn boek Retrotopia een echt ‘tijdperk van nostalgie’; het oproepen van prachtig gekleurde verloren verledens is de laatste effectieve politieke utopie.

    Als je kijkt naar de politici die zich beroepen op die zogenaamd goeie ouwe tijd, is Baumans analyse allesbehalve vergezocht. Het ‘Make America Great Again’ van Trump is slechts het bekendste voorbeeld. En de bagatellisering van de openluchtgevangenis van de DDR door Duitse linkse en rechtse partijen is misschien wel het meest bizarre.

    Dit fenomeen is niet moeilijk te verklaren: het komt voort uit de worsteling met een heden dat als verwarrend en bedreigend wordt ervaren. Dat heden wordt gekenmerkt door veranderingen die zich schrikbarend snel voltrekken en door een stortvloed aan informatie in real time over de waanzin op aarde. De vele crises hebben geleid tot een wereldmoeheid waar vooral populisten handig gebruik van weten te maken. Zij die niets positiefs meer in de toekomst zien, worden bang en wenden zich tot het schijnbaar veilige en voorspelbare verleden – terug naar de rust. ‘De toekomst is niet meer wat ze geweest is,’ grapte de komiek Karl Valentin ooit. Tegenwoordig wordt deze uitspraak serieus genomen.

    De toekomst in westerse welvarende samenlevingen is veranderd van een belofte in een somber voorgevoel

    In feite is het geloof in een betere toekomst in het Westen grotendeels verloren gegaan, niet alleen onder de altijd al cultuurpessimistische conservatieven, maar over het gehele politieke spectrum. De afgekondigde rust- en keerpunten stapelen zich op en hellen altijd over naar de negatieve kant: eerst de pandemie, dan de aanvalsoorlog van Poetin in Oekraïne, de escalatie van het geweld in het Midden-Oosten, de dreigende signalen van China, de verzwakkende economieën, de toenemende sociale ongelijkheid, de democratische opkomst van ondemocratische krachten, niet in de laatste plaats door de nauwelijks beheersbare migratiestromen. En vooral: klimaatverandering en het uitsterven van diersoorten.

    De toestand van de wereld is niet erg rooskleurig. En dat roept angsten op. Je afkeren van het Westen of zelfs van de hele mensheid is een rage. De dreigende apocalyps heeft als genre allang de bestsellerlijsten veroverd – van Zeiten Ende (Het einde der tijden) tot Der Mensch schafft sich ab (De mensheid schaft zich af). Het boek van het moment is Verlust: Ein Grundproblem der Moderne (Verlies: een fundamenteel probleem van de moderniteit) van Andreas Reckwitz. Hierin analyseert de socioloog hoe de toekomst in westerse welvarende samenlevingen is veranderd van een belofte – we zullen het beter hebben dan vorige generaties – in een somber voorgevoel. En in de toekomst zullen we allemaal teleurgesteld zijn! Het burgerlijke idee van vooruitgang is vastgelopen, zo niet tot een einde gekomen, schrijft Reckwitz. Voorlopig is het enige advies dat overblijft veerkracht, oftewel het versterken van het vermogen om weerstand te bieden om beter om te gaan met de verlieservaringen van onze tijd.

    Dit zijn bevindingen die tot nadenken stemmen. Maar staan we echt op een belangrijk keerpunt in de geschiedenis?

    Rooskleurige retrospectie

    Als historicus kijk ik hier met scepsis naar. Bijna elke generatie was ervan overtuigd dat ze de laatste generatie vóór de ondergang was. Wanneer mensen tegenwoordig vol heimwee terugverwijzen naar voorbije decennia – in de politiek, de populaire cultuur, de journalistiek – blijven de grote onzekerheden van die tijd vreemd genoeg onderbelicht.

    Het ‘economische wonder’ vanaf 1950, dat achteraf zo overtuigend op ons overkomt, kwam voor tijdgenoten als een complete verrassing. De wereldorde werd bipolair en baarde mensen zorgen; volgens enquêtes waren de toekomstvoorspellingen tijdens de Koreaanse Oorlog pessimistischer dan ooit tevoren. In 1962, tijdens de Cubaanse Raketcrisis, had de mensheid geluk dat ze een nucleaire catastrofe kon vermijden. De VS voerden een verwoestende oorlog in Vietnam, terwijl West-Europa zich bewapende tegen een aanval van het Sovjetleger en zich terugtrok in bunkers. In 1972 publiceerde de Club van Rome De grenzen aan de groei, de heilige tekst van het scepticisme over de toekomst. Het jaar daarop volgden de schok van de olieprijs en de ergste recessie sinds 1945. De Britse historicus Eric Hobsbawm vatte het later samen in zijn boek Age of Extremes (1994): ‘Sinds 1973 is de geschiedenis van de twintigste eeuw de geschiedenis van een wereld die haar houvast verloor en afgleed naar instabiliteit en crisis.’

    De jaren tachtig waren sowieso een decennium van angst: zure regen, stervende bossen, het gat in de ozonlaag, de dreiging van een nucleair inferno, de ramp in Tsjernobyl, chemische rampen, de wereldwijde aidsepidemie, de heroïne- en crackepidemieën, maar ook de massale introductie van computers op het werk. Filosoof Jürgen Habermas sprak over de ‘nieuwe complexiteit’. En bijna niemand dacht er in deze ‘no future’-stemming aan dat de Berlijnse Muur een paar jaar later zou kunnen vallen. Zelfs de jaren negentig, die tegenwoordig worden geïdealiseerd als zulke onbekommerde jaren, waarin haastig het einde van de geschiedenis werd afgekondigd, bleven hectisch en wreed: de nerveuze reorganisatie van Oost-Europa, de Joegoslavische oorlogen, de genocide in Rwanda. Ze werden gevolgd door een decennium van islamitische terreur en de grootste wereldwijde financiële crisis sinds de beurskrach van 1929. Tot zover de goeie ouwe tijd.

    Nostalgie is een gevoelsmatige obsessie met een verleden dat nooit heeft bestaan

    De romantisering van het verleden kan psychologisch worden geïnterpreteerd. De jeugd en vroege volwassenheid stempelen ons meer dan latere jaren, terwijl negatieve ervaringen achteraf worden weggefilterd: deskundigen noemen dit ‘rooskleurige retrospectie’. Er is ook een trend om in het negatieve te blijven hangen, vooral in de media. Deze vertroebelt ons zicht op de positieve trends voor de lange termijn die er zijn, zoals wereldwijde verbeteringen op het gebied van gezondheid, welvaart, onderwijs, levensverwachting en vrede.

    Maar bovenal is het een basisprincipe van de geschiedenis dat het beeld in de achteruitkijkspiegel bedrieglijk is: de mist is opgetrokken, de vroegere onduidelijkheden hebben plaatsgemaakt voor duidelijke contouren. We weten hoe het is afgelopen. En met deze veronderstelde vanzelfsprekendheid vergeten we hoe zwaar en moeilijk deze tijden waren, hoe onzeker de toekomst ooit was – en hoe avontuurlijk sommige voorspellingen waren.

    Dit is geenszins bedoeld om de enorme uitdagingen van vandaag te bagatelliseren. En een serieuze bestudering van de geschiedenis helpt ons om het heden te begrijpen en de problemen aan te pakken. Maar nostalgie is een gevoelsmatige obsessie met een verleden dat nooit heeft bestaan. Klagen dat vroeger alles beter was, is niet alleen inhoudelijk verkeerd, onproductief en oncreatief – het is ook gevaarlijk. Er worden veel politieke spelletjes mee gespeeld, met ernstige gevolgen: mensen raken gedesillusioneerd en trekken zich terug, denken meer aan de wereld van gisteren dan aan die van morgen en ontvluchten uiteindelijk hun verantwoordelijkheden. Juist het tegenovergestelde is nodig – de verdediging en verdere ontwikkeling van onze liberale orde. Vooral in moeilijke tijden. 

  • Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Studie na studie toont aan dat bacon, ham, salami en andere soorten bewerkt vlees kanker kunnen veroorzaken. Hoe kan het dan, vraagt de Britse historica en voedseldeskundige Bee Wilson zich af, dat de vleeswarenindustrie alsmaar volhoudt dat hun producten veilig zijn?

    Vroeger ging ik naar een cafeetje waar ze de beste broodjes bacon hadden. Dat was een heerlijk luchtig wit bolletje, en de bacon, een dikke plak van een plaatselijke slager, zat ergens tussen knapperig en stevig in. Er werden kleine potjes ketchup en HP Sauce bij geserveerd, zodat je zelf kon bepalen hoeveel je erop deed. Dat was alles: brood, bacon en saus. Het eten van zo’n broodje – ik deed dat om de paar weken – met een kop sterke koffie erbij, was voor mij ongecompliceerd genieten.

    Maar plotseling was dat broodje bacon helemaal niet meer zo’n onverdeeld genoegen. In oktober 2015 had de helft van mijn kennissenkring het wekenlang over het nieuws dat bacon kankerverwekkend was. Je kon er niet omheen: het stond breed uitgemeten in alle kranten en overal op internet. Zoals een journalist van Wired schreef: ‘Waarschijnlijk zijn er geen woordcombinaties te vinden die het internet zo in vuur en vlam kunnen zetten als BACON en KANKER.’ De website van de BBC meldde zakelijk dat ‘bewerkt vlees kanker veroorzaakt’, terwijl The Sun uitpakte met ‘Worst in de ban’ en ‘Moordenaar in de keuken’.

    De bron van het verhaal was het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat ‘bewerkt vlees’ nu werd geclassificeerd in ‘groep 1 
carcinogeen’, wat betekent dat wetenschappers ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijs is voor de conclusie dat bewerkt vlees kanker veroorzaakt, met name darmkanker. De waarschuwing gold niet alleen voor Britse bacon maar ook voor Italiaanse salami, Spaanse chorizo, Duitse braadworst 
en eindeloos veel andere etenswaren.

    Alarmerende berichten over de gezondheid kun je vaak met een korrel zout nemen, maar deze onheilstijding viel toch moeilijk te negeren. Het bericht van de WHO berustte op het advies van 22 kankerspecialisten uit tien landen, die nauwkeurig hadden gekeken naar meer dan vierhonderd onderzoeken naar bewerkt vlees, waarin de epidemiologische data van honderdduizenden mensen waren opgenomen. ‘Eet minder bewerkt vlees’ was nu net als ‘eet meer groente’ een van de weinige onweerlegbare, wetenschappelijk bewezen adviezen – niet gewoon de zoveelste voedingshype. Zoals in elk nieuwsbericht werd benadrukt, behoorde bewerkt vlees nu tot een groep van 120 carcinogenen, naast alcohol, asbest en tabak – wat leidde tot schreeuwende krantenkoppen waarin werd verkondigd dat het eten van bacon even dodelijk was als roken. De WHO waarschuwde dat het eten van 50 gram bewerkt vlees per dag – evenveel als een paar plakjes bacon of één hotdog – de kans op het krijgen van darmkanker met 18 procent verhoogt. (Het eten van grotere hoeveelheden vergroot die kans.) Als je hoort dat je eigen risico op kanker van 5 procent stijgt naar ongeveer 6 procent, is dat misschien niet alarmerend genoeg om je de broodjes bacon te laten afzweren. Maar als je hoort dat het eten van bewerkt vlees wereldwijd per jaar 34.000 doden extra veroorzaakt, schrik je wel iets meer. 
Volgens Cancer Research UK zouden er, als in Groot-Brittannië niemand bewerkt of rood vlees at, 8800 kankergevallen minder zijn. (Dat is vier keer zoveel als het landelijke aantal dodelijke verkeersslachtoffers.)

    Typisch Brits voedsel

    Het nieuws werd vooral als schokkend ervaren omdat ham en bacon typisch Brits voedsel zijn. Bijna een kwart van de volwassenen in Groot-Brittannië eet dagelijks een broodje ham tussen de middag, volgens gegevens uit 2012 die zijn verzameld door 
de onderzoekers Luke Yates en Alan Warde. Voor veel consumenten is bacon niet zomaar een voedingsmiddel; het is de bron van veel jeugdherinneringen, een aandenken aan thuis. Onderzoek toont aan dat de lucht van het uitbakken van bacon een van de lievelingsgeuren is in het Verenigd Koninkrijk, naast gemaaid gras en vers brood. Om dan te horen dat bacon bij miljoenen mensen kanker heeft veroorzaakt, is net zoiets als horen dat je oma altijd 
stiekem arsenicum op je ontbijtboterham strooide.

    Vegetariërs wijzen er wellicht op dat het broodje bacon nooit als een onverdeeld genoegen gezien 
mag worden, zeker niet voor de varkens, waarvan 
de meeste in smerige, benauwde omstandigheden 
worden gehouden. Maar voor de rest van ons was 
het een alarmerend bericht dat ons lievelingseten bijdraagt aan de onnodige dood van duizenden 
mensen. In de weken die volgden op de bekendmaking van het WHO-rapport zakte de verkoop van bacon en worst in. De Britse supermarkten meldden een daling van 3 miljoen pond in veertien dagen tijd. (‘Het was een grote klap,’ vertelde Kirsty Adams, de productontwikkelaar voor vlees bij Marks & Spencer.)

    Maar net toen het ernaar uitzag dat dit #Bacongeddon zou worden (een van de vele wanhopige, bacongerelateerde hashtags die in oktober 2015 trending waren), kwam er een tweede informatiegolf. De boodschap daarvan: paniek voorbij. In ieder geval was de analogie tussen het eten van bacon en roken misleidend. Het roken van tabak en het eten van bewerkt vlees is allebei gevaarlijk, maar niet in dezelfde mate. Om het in een bredere context te plaatsen: ongeveer 86 procent van de gevallen van longkanker houdt verband met roken, terwijl slechts 21 procent van de gevallen van darmkanker kan worden toegeschreven aan het eten van bewerkt of rood vlees. Enkele weken na het verschijnen van het rapport kwam de WHO met een verklaring waarin werd benadrukt dat er niet in het rapport stond dat consumenten geen bewerkt vlees meer mochten eten.

    Intussen liet de vleesindustrie weten dat het een storm in een glas water was. Het North American Meat Institute, een lobbygroep van de vleesindustrie, noemde het rapport ‘zwaar overdreven’. In een hele rits artikelen werd op redelijke toon benadrukt dat het prematuur en dwaas zou zijn om geen bewerkt vlees meer te eten vanwege een heel kleine kans op kanker.

    Bijna drie jaar later is ten aanzien van bewerkt vlees alles weer normaal. Velen van ons zijn over de eerste schok heen. De verkoop van bacon in het 
Verenigd Koninkrijk is in de twee jaar tot medio 2016 met 5 procent gestegen. Toen ik vorig jaar een productontwikkelaar bij supermarkt Sainsbury’s interviewde, vertelde ze dat een van 
de snelste manieren om Britse consumenten een nieuw product te laten proberen was door er chorizo aan toe 
te voegen.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn

    En toch is het bewijs dat er een verband is tussen bacon en kanker sterker dan ooit. In januari van dit jaar bleek uit een grootschalige studie waarbij de gegevens van 262.195 Britse vrouwen werden gebruikt, dat alleen al bij het eten van 9 gram bacon per dag – minder dan één plakje – de kans op het ontwikkelen van borstkanker later in het leven aanzienlijk toeneemt. De hoofdauteur van de studie, Jill Pell van het Institute of Health and Wellbeing van de Universiteit van Glasgow, vertelde dat hoewel het contraproductief kan zijn om aan te dringen op totale onthouding, er wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het 
‘misleidend zou zijn als gezondheidsinstanties een andere veilige norm vaststellen dan nul’.

    Het werkelijke schandaal is echter dat bacon helemaal niet zo schadelijk voor onze gezondheid hoeft te zijn. Het deel van het verhaal dat ons niet wordt verteld – ook niet door de WHO – is dat er andere manieren zijn om die producten te vervaardigen, waardoor ze significant minder carcinogeen zouden zijn. Het feit dat er zo weinig bekend is, is 
te wijten aan de macht van de vleesindustrie, die de afgelopen veertig jaar een campagne van verdoezelen en misleiding heeft gevoerd die kan wedijveren met de smerige trucs van de tabaksindustrie.

    Hoe kies je in een winkel een pakje bacon uit, aangenomen dat je een vleeseter bent? Ten eerste kies je tussen knapperige doorregen spek, of het magere rugspek. Dan besluit je of je gerookt of ongerookt 
wilt – elk soort heeft zijn eigen fervente fans (ik ben van de ongerookt-fanclub). Misschien zoek je een pakje uit met scharrel- of biologisch vlees, of misschien ben je krap bij kas en zoek je gewoon naar een aanbieding. Hoe dan ook, voordat je het in je mandje legt, kijk je nog een keer om te zien of het vlees roze genoeg is.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn, zoals de Franse journalist Guillaume Coudray uitlegt in een boek dat vorig jaar in Frankrijk uitkwam met als titel Cochonneries, een woord dat zo wel ‘zwijnenstal’, ‘smeerboel’ als ‘ongezond eten’ betekent. De ondertitel luidt: ‘Hoe vleeswaren giftig werden’. Cochonneries leest als een misdaadroman, waarin de bewerktvleesindustrie de dader is en de gewone consument het slachtoffer.

    Het roze van de bacon – of van gekookte ham of salami – is een teken dat het is behandeld met chemicaliën, in het bijzonder met nitraat en nitriet. De algemene opvatting is dat bewerkt vlees door het gebruik van deze chemicaliën kankerverwekkender is dan onbewerkt vlees. Coudray betoogt dat we niet moeten spreken van ‘bewerkt vlees’ maar van ‘nitrovlees’.

    ‘Pure, idiote, krankzinnige waanzin’, zo omschrijft Coudray in een e-mail aan mij het voortdurende gebruik van nitraat en nitriet in bewerkt vlees. De waanzin schuilt naar zijn mening in het feit dat het mogelijk is bacon en ham te maken op een manier die minder kankerverwekkend is. De simpelste manier om vlees te conserveren is met droog zout 
of natte pekel. Coudray merkt op dat fabrikanten van ham en bacon beweren dat deze ouderwetse manier van conserveren niet veilig is. Maar de werkelijke reden waarom ze ertegen zijn is een financiële: het duurt op deze manier veel langer voor bewerkt vlees op smaak is, en dat drukt de winst.

    gettyimages 80439641

    Er bestaat veel verwarring over wat ‘bewerkt vlees’ nu precies inhoudt, 
een verwarring die in de hand wordt gewerkt door de vleesindustrie, die 
er baat bij heeft dat wij denken dat 
er geen verschil bestaat tussen vers gekruid lamsgehakt en een pizza overladen met nitraatpepperoni. Formeel gezien betekent ‘bewerkt vlees’ varkensvlees of rundvlees dat is gezouten en geconserveerd, gerookt of niet gerookt. Een pond vers rundergehakt is niet bewerkt. Een harde salami wel.

    Het gezondheidsrisico van bacon heeft voornamelijk te maken met twee additieven: kaliumnitraat (oftewel salpeter) en natriumnitriet. Deze stoffen geven salami, bacon en gekookte ham hun aantrekkelijke roze kleur. Salpeter werd al in vroeger tijden gebruikt voor het zouten van vlees. Zoals Jane Grigson uitlegt in Charcuterie and French Pork Cookery, werd salpeter traditioneel gebruikt bij het pekelen van ham ‘om het er aantrekkelijk roze te laten uitzien, omdat het anders een onfrisse, grijsachtig bruine kleur zou hebben’.

    In vroegere eeuwen wisten baconmakers die salpeter gebruikten niet dat het bij het conserveren van het vlees verandert in nitriet. En nitriet zorgt ervoor dat de bacterie die verantwoordelijk is voor de smaak zich sneller ontwikkelt, namelijk door de ontwikkeling van andere bacteriën te remmen. Maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekte de vleesindustrie dat de productie van bewerkt vlees gestroomlijnd kon worden door in pure vorm natriumnitriet toe te voegen aan het varkensvlees. In de jaren zestig spraken de firma’s die nitrietpoeder verkochten aan hamfabrikanten er 
in vakbladen openlijk over dat het belangrijkste voordeel was dat door 
de versnelling van het productieproces 
de winstmarges werden vergroot. Een Frans merk natriumnitriet uit de jaren zestig was Vitorose, oftewel ‘snel roze’.

    Nitrochemicaliën zijn niet zo’n zegen voor de consument. Van zichzelf zijn deze chemicaliën niet kankerverwekkend; nitraat zit tenslotte van nature in veel groene groenten, zoals bleekselderie en spinazie, iets waar baconfabrikanten vaak triomfantelijk op wijzen. Zoals een Britse baconfabrikant tegen me zei: ‘Er zit nitraat in sla, en niemand zegt dat je dat niet mag eten!’ Maar er gebeurt iets anders als nitraat wordt gebruikt bij het bewerken van vlees. Als nitraat reageert met bepaalde componenten in rood vlees (heemijzer, aminen en amiden), ontstaan N-nitrosoverbindingen, die kankerverwekkend zijn. De bekendste van deze verbindingen is nitrosamine. Hiervan is bekend, zoals Guillaume Coudray me in een e-mail uitlegde, dat het ‘zelfs in een heel lage dosering kankerverwekkend is’. Telkens als iemand bacon, ham of ander bewerkt vlees eet, komt er in de darmen een dosis nitrosaminen die de cellen in de darmwand beschadigt, en dat kan leiden tot kanker.

    Je kunt het niet afleiden uit de manier waarop bacon wordt verkocht, maar wetenschappers weten al heel lang dat nitrosaminen kankerverwekkend zijn. Meer dan zestig jaar geleden, in 1956, ontdekten de Britse onderzoekers Peter Magee en John Barnes dat als ratten dimethylnitrosamine kregen toegediend, 
ze kwaadaardige levertumoren ontwikkelden. In 
de jaren zeventig toonden studies bij dieren aan dat kleine, herhaaldelijk toegediende doses nitrosaminen en nitrosamiden – precies het soort reguliere dosis die iemand dagelijks binnenkrijgt als hij bacon bij zijn ontbijt eet – tumoren in allerlei organen veroorzaakten, waaronder in de lever, de maag, de slokdarm, de darmen, de blaas, de hersenen, de longen en de nieren.

    Hersenkanker

    Dat iets kankerverwekkend is bij ratten en andere zoogdieren, betekent nog niet dat het ook kanker veroorzaakt bij mensen, maar al in 1976 betoogde kankerspecialist William Lijinsky dat ‘het aannemelijk is’ dat de N-nitrosoverbindingen die in vleeswaren zoals bacon zitten, ook ‘carcinogeen voor 
de mens’ zijn. In de daaropvolgende jaren hebben onderzoekers een enorme hoeveelheid bewijs verzameld die die aanname ondersteunt. In 1994, om maar een van de honderden studies over nitrosaminen en kanker eruit te halen, ontdekten twee Amerikaanse epidemiologen dat er een verband was tussen het een of meerdere keren per week eten van een hotdog en een verhoogd risico op hersenkanker bij kinderen, vooral bij kinderen die bovendien weinig vitaminen binnenkregen.

    In 1993 namen parmahamfabrikanten in Italië 
collectief het besluit om nitraat uit hun product te weren en terug te keren naar het gebruik van alleen zout, net zoals vroeger. De afgelopen 25 jaar is er 
in geen enkele Prosciutto di Parma nitraat of nitriet gebruikt. Zelfs zonder nitraat of nitriet blijft de ham roze van kleur. We weten nu dat de kleur in parmaham volstrekt onschadelijk is: deze is het gevolg van enzymreacties tijdens het anderhalf jaar durende rijpingsproces van de ham.

    Langzaam geconserveerde, nitraatvrije ambachtelijke ham is één ding, maar hoe zit het met de vleeswaren voor de massamarkt? Anderhalf jaar is wel 
een erg lange wachttijd voor hotdogs, aldus voedselwetenschapper Harold McGee. Maar er zijn altijd nitraatvrije baconsoorten geweest, waarvoor alleen zout en kruiden zijn gebruikt. John Gower van Quiet Waters Farm, een producent van varkensvlees die veel fabrikanten van bewerkt vlees adviseert, bevestigt dat nitraat geen noodzakelijk ingrediënt is van bacon: ‘Het is algemeen erkend dat aan puur spiervlees, in tegenstelling tot bewerkt vlees zoals salami, geen nitraat hoeft te worden toegevoegd voor de voedselveiligheid.’

    Bacon is het bewijs, als dat nog nodig is, dat we vasthouden aan oude gewoonten, lang nadat bewezen is dat ze schadelijk zijn. Dat vasthouden aan nitraat in bacon is vooral ‘cultureel’, zegt Gower. Bacon die is geconserveerd op de traditionele manier, zonder nitraat en nitriet, mist wat Gower ‘dat moeilijk te definiëren aroma, die heerlijke, bijna metaalachtige smaak’ noemt, waardoor bacon voor de Britse consument naar bacon smaakt. Bacon zonder nitraat, 
zegt Gower, is niets anders dan ‘zout varkensvlees’.

    Gezien het feit dat al zo lang bekend is dat ‘nitrovlees’ schadelijk is, rijst de vraag waarom er niets 
is gedaan om ons ertegen te beschermen. Corinna Hawkes, hoogleraar Voedselbeleid aan de City-universiteit in Londen, voorspelt al jaren dat bewerkt vlees ‘het nieuwe suiker’ is – een voedingsmiddel dat zo schadelijk is dat de overheid moet ingrijpen om ons te beschermen. Het zal niet lang meer duren, aldus Hawkes, voordat eindelijk het verband tussen kanker en bewerkt vlees tot de mensen doordringt en ze zeggen: ‘Waarom heeft niemand ons dat verteld?’

    Het verbijsterendste van de baconpaniek in 2015 was dat het zo lang duurde voordat officiële volksgezondheidsinstanties waarschuwden tegen het consumeren van bewerkt vlees. Dat hadden ze veertig jaar eerder kunnen doen. De enige keer dat de bewerktvleesindustrie serieus in het nauw dreigde te komen, was in de jaren zeventig, een decennium waarin in de VS de zogenaamde ‘oorlog tegen de nitraten’ werd gevoerd. In het tijdperk van het consumentenactivisme van Ralph Nader kwam er steeds meer steun voor het idee om de consument te beschermen tegen bacon – een prominente wetenschapper op het gebied van de volksgezondheid noemde bacon ‘het gevaarlijkste voedsel in de supermarkt’. In 1973 bevestigde Leo Freedman, de belangrijkste toxicoloog van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), tegenover The New York Times dat ‘nitrosaminen kankerverwekkend zijn voor de mens’, hoewel 
hij eraan toevoegde dat hij net als ieder ander gek was op bacon.
    De Amerikaanse vleesindustrie besefte dat ze snel moest handelen om bacon te beschermen tegen de kankerbeschuldigingen. Eerst probeerde men 
de wetenschappers eenvoudigweg belachelijk te maken door te stellen dat ze enorm overdreven. In 1975 betoogde Farmers Weekly in een artikel getiteld ‘Feiten met betrekking tot de angst voor bacon’ dat een man van gemiddeld gewicht elke dag meer dan 11 ton bacon zou moeten eten om ook maar de geringste kans op kanker te krijgen. Dat was een schandelijk verzinsel.

    Maar algauw kwam de vleeslobby met een slimmere afleidingstruc. Het American Meat Institute (AMI) poneerde de stelling dat het nitraat er alleen aan was toegevoegd voor de veiligheid van de consument, ter bescherming tegen botulisme – een potentieel dodelijke vergiftiging door toxinen die soms worden gevormd in slecht geconserveerde etenswaren. De wetenschappelijk directeur van het AMI betoogde dat met een enkel kopje botuline alle mensen op onze planeet gedood konden worden. Dus in tegenstelling tot levensbedreigend was bacon eigenlijk levensreddend.

    gettyimages 80439641

    In 1977 gaven de FDA en het Amerikaanse ministerie van Landbouw de vleesindustrie drie maanden de tijd om te bewijzen dat nitraat en nitriet in bacon niet gevaarlijk waren. ‘Als ze geen bevredigend 
antwoord kregen, zouden die additieven binnen 
drie jaar vervangen moeten worden door niet-kankerverwekkende methoden’, schrijft Coudray. De vleesindustrie kon niet bewijzen dat nitrosaminen niet kankerverwekkend waren – omdat al lang bekend was dat ze dat wel waren. In plaats daarvan werd als argument aangevoerd dat nitraat en nitriet uiterst essentieel zijn voor de productie van bacon, omdat er anders duizenden mensen zouden overlijden aan botulisme. In 1978 betoogde Richard Lyng, directeur van het AMI, in een reactie op het ultimatum van de FDA dat nitriet voor bewerkt vlees hetzelfde is als gist voor brood.

    De tactiek van de vleesindustrie bij de verdediging van bacon komt ‘rechtstreeks uit de koker van de tabaksindustrie’, aldus Marion Nestle, hoogleraar Voeding en Voedsel aan de New York-universiteit. 
De eerste zet is: val de wetenschap aan. In de jaren tachtig financierde het AMI een groep wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin. Die vleesonderzoekers publiceerden een reeks artikelen die twijfel zaaiden over het schadelijke effect van nitraat en die het risico op botulisme bij nitraatloze ham overdreven.

    Leidt de productie van ham zonder nitriet tot botulisme? Als dat zo is, is het wel een beetje vreemd dat in de 25 jaar dat parmaham zonder nitriet wordt gemaakt, er geen enkel geval van botulisme mee 
in verband is gebracht. Bijna alle gevallen van 
botulisme veroorzaakt door geconserveerd voedsel – uiterst zeldzaam overigens – zijn het gevolg geweest van slecht geconserveerde groenten, zoals ingeblikte bonen, erwten en paddenstoelen. Het botulisme-argument was een rookgordijn. Hoe meer de consument het gevoel had dat je kon debatteren over het schadelijke effect van nitraat en nitriet in bacon en ham, des te makkelijker ze zich gerust 
lieten stellen en gewoon bacon bleven kopen.

    Het schijnargument van botulisme was zeer effectief. Het lukte het AMI om de FDA zover te krijgen dat het ultimatum met betrekking tot nitriet werd verlengd tot in 1980 een nieuw hoofd werd aangesteld bij de FDA, iemand die meer van hotdogs hield. Het verbod op nitriet werd in de ijskast gezet. De enige concessie die de industrie had gedaan, was het percentage nitriet dat werd toegevoegd aan bewerkt vlees te beperken en vitamine C toe te voegen, waardoor de vorming van nitrosaminen werd geremd, hoewel vitamine C niet de vorming van een ander bekend carcinogeen voorkomt: nitrosyl-haem.

    In de loop der jaren zijn de berichten die de gevaren van bacon bagatelliseren steeds bizarder geworden. Een verklarend artikel door het Meat Science and Muscle Biology-lab van de Universiteit van Wisconsin betoogt dat natriumnitriet in wezen ‘essentieel is voor de gezondheid van de mens, doordat het de bloeddruk regelt, geheugenverlies voorkomt en de wondgenezing 
versnelt’. Een website van de Franse vleesindustrie, info-nitrites.fr, stelt dat het gebruik van ‘de juiste dosis’ nitriet in ham ‘gezonde en veilige’ producten garandeert, en benadrukt dat ham uitstekend voedsel voor kinderen is.

    De baconlobby heeft verrassend genoeg bondgenoten gevonden bij de voorvechters van natuurlijk voedsel. Typ ‘nitraat kanker bacon’ in op Google en je stuit op een aantal artikelen over gezond eten, waarvan enkele zijn geschreven door pleitbezorgers van 
het ‘paleodieet’. Zij betogen dat bacon eigenlijk gezondheidsvoedsel is, waarover ten onrechte kwaad wordt gesproken. De schrijvers melden vaak dat groenten de primaire bron van nitraat zijn en dat het menselijk speeksel veel nitriet bevat. Een veel gedeeld artikel beweert dat stoppen met het eten van bacon net zo absurd zou zijn als proberen te stoppen met ademhalen. Bij deze talloze onlinepleidooien voor de gezondheid van bacon is het moeilijk vast te stellen welke auteurs overtuigd zijn door de vleeslobby, en wie gewoon domme ‘voedingsdeskundigen’ zijn die niet beter weten. Hoe dan ook, deze desinformatie heeft de potentie om duizenden mensen ziek te maken. Het raadselachtige van het geheel is waarom iedereen die misleiding zo gretig accepteert.

    We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken

    Onze steeds verder reikende kennis van de gevaren van bacon heeft weinig schade toegebracht aan de genoeglijke culturele associaties van bacon. Tijdens de research voor dit artikel voelde ik steeds meer walging opkomen ten aanzien van de voortdurende onoprechtheid van de bewerktvleesindustrie. Ik dacht aan ziekenhuiszalen en de verschrikkelijke pijn en ellende van darmkanker. Maar dan herinnerde ik me 
de zondagochtenden dat ik als kind samen met mijn vader in de keuken was en hem bacon zag bakken. Als de bacon klaar was, bakte hij wat stukjes brood in het resterende spekvet tot die 
al het lekkers in zich hadden opgezogen.

    In theorie zou onze gewoonte om gezouten en geconserveerd vlees te eten moeten zijn verdwenen toen halverwege de twintigste eeuw de koelkast zijn intrede deed in de huishoudens. Maar de smaak van eten is zelden rationeel en miljoenen van ons zijn nog steeds gek op het zoutige, rokerige umami-aroma van sissende bacon. We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken. De wijdverbreide bereidheid om de roze nitrobacon het veroorzaken van kanker te vergeven, illustreert hoe verscheurd we ons voelen als iets geliefds in onze cultuur schadelijk voor onze gezondheid blijkt te zijn. Onze hersenen kunnen het vreselijke gevoel niet aan dat bacon niet is wat we dachten dat het was, en dus richten we onze woede op de gezondheidsgoeroes die ons waarschuwen voor de gevaren ervan. De reactie van veel consumenten
 op het WHO-rapport van 2015 was: blijf van mijn bacon af!

    In 2010 overwoog de EU het gebruik van nitraat in biologisch vlees te verbieden. Verrassend misschien, maar de Britse industrie van biologische bacon was een fel tegenstander van dat voorgenomen nitraatverbod. Richard Jacobs, de voormalige directeur van Organic Farmers & Growers, een industriële organisatie, zegt dat het verbieden van nitraat en nitriet de ineenstorting van de groeimarkt van biologische bacon zou hebben betekend.

    Biologische bacon waaraan nitraat is toegevoegd klinkt als een contradictio in terminis, aangezien de meeste consumenten van biologisch eten het kopen vanwege hun bezorgdheid over de voedselveiligheid. Als je eerst zo veel moeite hebt gedaan om scharrelvarkens te fokken en ze alleen biologisch voedsel te geven, waarom zou je het vlees dan zodanig bewerken dat het kankerverwekkend wordt? In Denemarken is alle biologische bacon nitraatvrij. Maar de Britse biologische industrie houdt vol dat Britten geen bacon accepteren die er grijsachtig uitziet.

    Het feit dat de consument zijn vertrouwen in roze bacon zo langzaam opgeeft, is echter deels een reactie op de verwarrende manier waarop de gezondheidsboodschap wordt gebracht. Wat betreft bewerkt vlees zijn we niet alleen misleid door de bizarre overdrijvingen van de voedselindustrie, maar ook door de behoedzaamheid van de wetenschap. Op de website van de WHO wordt het schadelijke aspect van met nitriet behandeld vlees zo onduidelijk uitgelegd dat het je helemaal kan ontgaan. Halverwege een stuk over de oorzaken ‘waardoor rood vlees en bewerkt vlees de kans op kanker vergroten’, staat: ‘Tot de kankerverwekkende chemicaliën die ontstaan tijdens het bewerken van vlees, behoren onder andere N-nitrosoverbindingen.’ In normale taal betekent dit dat nitriet bacon kankerverwekkender maakt. Maar in plaats van dat zo direct te formuleren, wijkt de WHO snel uit naar de vraag hoe zowel rood als bewerkt vlees kanker kan veroorzaken, en voegt eraan toe ‘dat het nog niet helemaal duidelijk is hoe het komt dat de kans op kanker toeneemt’.

    Het worstje

    Deze behoedzaamheid heeft ons als consument onnodig in het ongewisse gelaten. Jarenlang heb ik geloofd dat het ongezondste van het typisch Engelse ontbijt het worstje was, en niet de bacon. Voor ik aan de research voor dit artikel begon, had ik durven zweren dat worstjes tot de categorie ‘bewerkt vlees’ behoorden. Op de website van de National Health Service staan ze daar ook foutief onder gerangschikt. Maar het Britse worstje bestaat, in tegenstelling tot een harde worst zoals de Franse saucisson, alleen uit vers vlees, broodkruim, kruiden, zout en E223, een conserveringsmiddel dat niet kankerverwekkend is. Na veel vragen bevestigden twee woordvoerders van het Amerikaanse National Cancer Institute dat je verse worst ‘zou kunnen beschouwen als rood vlees’ en niet als bewerkt vlees, en daarom alleen als ‘mogelijk’ kankerverwekkend. (Ik werd heel blij van het feit dat de meeste worstjes geen bewerkt vlees zijn; denkend aan [het typisch Engelse gerecht] toad in the hole deed ik een vrolijk rondedansje door de keuken.)

    Als je kankerspecialisten vraagt onderscheid te maken tussen de risico’s van het eten van verschillende soorten vlees, worden ze natuurlijk behoedzaam. De twee deskundigen bij het National Cancer Institute vertelden dat vleessoorten die nitriet en nitraat bevatten, in onderzoeken bij de mens ‘consistent in verband worden gebracht met een verhoogd risico op darmkanker’. Maar ze voegden eraan toe 
dat ‘het moeilijk is om nitrosaminen te scheiden van andere mogelijke carcinogenen die aanwezig kunnen zijn in bewerkt vlees zoals bacon.’ Tot die andere verdachte stoffen behoren onder andere heemijzer – een stof die overvloedig aanwezig is in al het rode vlees, bewerkt of niet – en heterocyclische aminen: chemicaliën die in vlees ontstaan bij het bakken. 
Een stuk knapperige, doorgebakken bacon zal veel carcinogenen bevatten, en dat komt niet alleen door het nitraat.

    Naar mijn mening is het probleem met deze redenering dat daarmee de vraag waarom bewerkt vlees zo veel nauwer gelinkt wordt aan kanker dan gebakken rood vlees, niet is beantwoord. Daarvoor is nog geen plausibele verklaring, behalve dan nitraat en nitriet. Maar het is lastig om daar een duidelijke bevestiging voor te zoeken in de data, omdat mensen niet onder klinische observatie in laboratoria eten.

    Het meeste van wat we weten over bewerkt vlees en kanker bij de mens, komt uit de epidemiologie – de studie naar ziekten in hele bevolkingsgroepen. Maar epidemiologen stellen niet het soort gedetailleerde vragen over voedsel waarop de mensen die dat voedsel eten graag een antwoord zouden hebben. Epidemiologische data – gebaseerd op onderzoek naar wat mensen eten – tonen overduidelijk aan dat eetpatronen met veel bewerkt vlees leiden tot een toename van het aantal kankergevallen. Maar er blijkt niet uit waarom, of welk vlees het best of het slechtst is. Zoals Corinna Hawkes van de City-universiteit opmerkt: ‘De onderzoekers vragen niet of je ambachtelijke vleeswaren van de plaatselijke Italiaanse delicatessenzaak eet of de goedkoopste hotdogs die je maar kunt krijgen.’

    Ik zou graag data zien waarbij het risico op kanker 
bij het eten van parmaham wordt vergeleken met het dat bij eten van traditionele bacon, maar geen epidemioloog heeft nog zo’n studie uitgevoerd. Het dichtstbij komt een Franse studie uit 2015, waarin werd aangetoond dat het consumeren van genitrosyleerd heemijzer – zoals aangetroffen in bewerkt vlees – een directer verband had met darmkanker dan het heemijzer dat in vers rood vlees zit. Misschien hebben epidemiologen geen gedetailleerdere vragen gesteld over wat voor soort bewerkt vlees ze eten, omdat ze aannemen dat er geen algemeen alternatief is voor bacon dat zonder nitraat of nitriet wordt gemaakt.

    gettyimages 958962510

    De technologie is aanwezig om op een minder schadelijke manier het roze vlees te maken waar we zo van houden, wat de vraag doet rijzen waarom het oude soort nog steeds zo veel wordt verkocht. Sinds ‘de oorlog tegen de nitraten’ in de jaren zeventig zijn de consumenten in de VS kritischer op nitraat dan die in Europa, en er is veel ‘nitraatvrije bacon’ op de markt. Volgens Jill Pell is het probleem dat de meeste bacon die in de VS als nitraatvrij verkocht wordt, in werkelijkheid niet nitraatvrij is. Het wordt gemaakt met nitraat dat afkomstig is uit een selderijconcentraat, dat weliswaar natuurlijk is, maar in vlees precies dezelfde N-nitrosoverbindingen vormt. Volgens de EU-regels zou bij die bacon niet ‘nitraatvrij’ op het etiket mogen staan. ‘Dit is het smerigste geval van oplichting dat ik in mijn hele leven ben tegengekomen,’ zegt Denis Lynn, directeur van Finnebrogue Artisan, een Noord-Iers bedrijf dat worstjes maakt voor veel Britse supermarkten, zoals Marks & Spencer (M&S). Jarenlang had Lynn gehoopt dat hij zijn assortiment kon uitbreiden met bacon en ham, vertelt hij, ‘maar dat zou ik pas doen als we een manier hadden gevonden om dat zonder nitraat te doen’.

    Toen Lynn hoorde van een nieuw procedé, ontwikkeld in Spanje, om prachtige roze, nitraatvrije bacon te maken, ging hij ervan uit dat het de zoveelste dode mus was. In 2009 ontdekte Juan de Dios Hernandez Canovas, voedingswetenschapper en directeur van voedseltechnologisch bedrijf Prosur, dat als hij bepaalde vruchtenextracten toevoegde aan vers 
varkensvlees, het een verrassend lange tijd roze bleef.

    In januari 2018 gebruikte Finnebrogue deze technologie om daadwerkelijk nitraatvrije bacon en ham in het Verenigd Koninkrijk te introduceren. Deze worden bij [supermarktketens] Sainsbury’s en Waitrose verkocht onder de naam ‘Naked Bacon’ en ‘Naked Ham’, en bij M&S als ‘gemaakt zonder nitriet’. Kirsty Adams, die de leiding had bij de lancering bij M&S, legt uit dat dit vlees ‘niet echt geconserveerd is’. Het is meer vers gezouten varkensvlees dat is geïnjecteerd met een extract van fruit en groenten, en het bederft ook eerder dan een plak ouderwetse bacon – maar dat geeft niet, want het wordt toch bewaard in de koelkast. Omdat het snel geproduceerd kan worden, is het economisch aantrekkelijker om te maken dan de andere nitraatvrije opties, zoals de langzaam gerijpte parmaham. Bij Waitrose kost 
een pakje bacon tegenwoordig 3 pond, wat niet het goedkoopst is, maar ook weer niet onbetaalbaar.

    Ik probeerde de Finnebrogue-bacon van M&S. Het magere rugspek smaakte lekker zacht, een vleugje fruitig. Het had niet de aantrekkelijke textuur of de rokerige diepte van een plakje droog gezouten bacon van de slager, maar ik zou het zo weer kopen als alternatief voor nitrovlees. Niemand van mijn gezin proefde het verschil in de spaghetti amatriciana.

    Nitrietvrije bacon klinkt nog steeds een beetje chic en apart, maar er is niets aparts aan het verlangen om voedsel te eten dat het risico op kanker niet vergroot. Lynn vertelt dat hij, toen hij Prosur voor het eerst sprak over het vruchtenextract, vroeg hoeveel ze hadden verkocht aan de andere grote Britse baconfabrikanten die ze hadden benaderd. Het 
antwoord was ‘niets’. ‘Geen van de grote bedrijven wilde het hebben,’ beweert Lynn. ‘Ze zeiden: “Dat maakt al ons andere bewerkte vlees verdacht.”’
    Maar het valt nog af te wachten hoeveel vraag er bij de consument zal zijn naar nitriet- of nitraatvrije bacon. Ondanks alle ophef rondom bacon en kanker is het niet makkelijk om voor jezelf precies vast te stellen wat voor gevaar je loopt als je een broodje bacon eet. Oké, jaarlijks sterven 34.000 mensen omdat ze bewerkt vlees hebben gegeten, maar de kans is groot dat jij daar niet bij hoort. Ik vroeg een aantal kankerwetenschappers of ze zelf bewerkt vlees aten, en ze gaven allemaal een ander antwoord. Jill Pell zei dat ze meestal vegetarisch at en zelden bewerkt vlees at. Maar toen ik Fabrice Pierre, een Franse deskundige op het gebied van darmkanker en vlees, vroeg of hij ham at, zei hij: ‘Ja, natuurlijk. Maar dan wel met groente erbij.’ (Pierres onderzoek bij het Toxalim-laboratorium heeft aangetoond dat sommige kankerverwekkende effecten kunnen worden geneutraliseerd door het eten van groente.)

    Onze eeuwige twijfel en verwarring over wat we moeten eten is een geschenk voor de baconindustrie. Het verdoezelen van de schadelijke effecten van 
met nitraat en nitriet geconserveerd vlees kreeg een steuntje in de rug door de scepsis die velen van ons hebben ten opzichte van elk dieetadvies. Op het hoogtepunt van de grote baconpaniek van 2015 
zeiden veel intelligente mensen dat het geen kwaad kon de nieuwe classificering van bewerkt vlees als kankerverwekkend te negeren, omdat je nooit moet vertrouwen wat voedingsdeskundigen zeggen. Intussen blijven miljoenen consumenten van ham en bacon, onder wie kinderen, onbeschermd achter. Het bijzonderste van deze hele controverse is hoe weinig publieke verontwaardiging ze heeft veroorzaakt. Ondanks alles zien de meesten van ons bacon nog steeds als een dierbare goede vriend.

    In een ideale wereld zouden we allemaal minder vlees eten, bewerkt of niet bewerkt, zowel vanwege de duurzaamheid en het dierenwelzijn als vanwege onze eigen gezondheid. Maar in de wereld waarin 
we nu leven is bewerkt vlees nog steeds een normale eiwitbron voor miljoenen mensen die het zich niet kunnen veroorloven een heel pakje bakbacon in te wisselen voor een paar plakjes Prosciutto di Parma. Volgens onderzoeker John Kearney is ongeveer de helft van al het vlees dat in ontwikkelde landen wordt gegeten bewerkt, waardoor het een veel universelere gewoonte is dan roken.

    Arme consumenten

    De werkelijke slachtoffers van dit alles zijn niet 
mensen zoals ik, die af en toe een zuurdesembroodje bacon eten in een hipstercafé. De mensen die het zwaarst worden getroffen zijn diegenen – velen met een laag inkomen – voor wie het risico op kanker door het eten van bacon nog wordt vergroot door andere risicofactoren, zoals het eten van vezelarm voedsel met weinig groenten en weinig volkorenproducten. In zijn boek wijst Coudray erop dat miljoenen arme consumenten in de komende jaren zullen 
worden getroffen door darmkanker, als het westerse bewerkte vlees de ontwikkelingslanden verovert.

    Eerder dit jaar startte Michèle Rivasi, een Frans lid van het Europees Parlement, een campagne – in samenwerking met Coudray – voor een verbod op nitriet in alle landen van Europa. Gezien de felheid waarmee de baconindustrie voor haar zaak heeft gevochten, lijkt een algeheel verbod op nitriet niet erg waarschijnlijk.

    Maar behalve een absoluut veto zijn er nog andere dingen die gedaan kunnen worden aan het gevaar van nitriet en nitraat in bacon. Betere informatie zou al een begin zijn. Zoals Corinna Hawkes betoogt, is het ‘verrassend’ dat er vanuit de overheid niet meer moeite wordt gedaan om de mensen te informeren over de risico’s van het eten van ham en bacon, bijvoorbeeld door een waarschuwing op het etiket van bewerkt vlees. Maar waar is de Britse politicus die dapper genoeg is om de kwaliteit van bacon in twijfel te trekken?

    Auteur: Bee Wilson
    Vertaler: Paul Bruijn

  • Heimwee naar de kolenmijn

    Heimwee naar de kolenmijn

    Amerika draait niet meer op steenkool. 
Maar de nalatenschap is onuitwisbaar in Boone County, West Virginia. Het was zwaar. Je werd er hard van. En het verdiende lekker.

    Boone County beweert de bakermat van de Amerikaanse steenkoolindustrie te zijn vanwege het vette, overvloedige zwarte gesteente dat bijna driehonderd jaar geleden 
in de groene heuvels van West Virginia werd ontdekt. Steenkool komt hier in bijna alle namen terug: de rivieren Big en Little Coal, het weekblad Coal Valley News, het wonderbaarlijke Bituminous Coal Heritage Foundation Museum en het West Virginia Coal Festival, dat dit jaar voor de vierentwintigste keer werd gehouden.

    Het festival is meer een jaarmarkt dan een viering van steenkool. Er is een kermis en een talentenjacht, en er zijn zeven missverkiezingen (variërend van Little Miss Coal Festival tot Forever West Virginia Coal Queen). Bij het standbeeld van een mijnwerker wordt ieder jaar een kleine herdenkingsbijeenkomst gehouden. Er zijn in totaal vijf slachtoffers, minder dan het aantal Miss Coals op de trap van het neoklassieke provinciehuis, die met hun koolzwarte sjerpen langzaam verpieteren in de hitte. Geen van de directieleden, noch vertegenwoordigers van de eens zo sterke vakbond, hebben de moeite genomen aanwezig te zijn.

    In plaats van de bloeiende bedrijfstak die het ooit was, en die nog altijd gevierd wordt met nepdiamanten en praalvertoningen, is de mijnbouw inmiddels eerder een blijvende erfenis. Dat is meteen ook het probleem van het kolengebied en vormt de uitdaging voor de promotors. Want de mijnbouw lijkt niet meer op de indringende beelden van fotograaf Walker Evans; een groot deel van de wereld heeft zich verder ontwikkeld. Maar Boone County niet. Nog niet.

    ‘We willen ons erfgoed levend houden. We willen niet dat het een stervende bedrijfstak is,’ zegt Delores W. Cook, algemeen directeur van het festival, maar eigenlijk de vorstin van het geheel. ‘Dit is voor de mensen in West Virginia hun leven geweest; jaar in, jaar uit hebben zij voor dit hele land het licht laten branden.’

    Cook schikt haar hoge meringuekapsel. Ze is een mijnwerkersdochter, en dat 
is een ‘onderscheiding’ die bij kennismaking wordt vermeld. Haar overleden echtgenoot Dennis ‘De’ Cook (iedere mijnwerker heeft wel een verkleinwoord) heeft ‘42 en een half jaar’ in de mijnen gewerkt, vertelt zijn weduwe.

    Voor- en tegenspoed

    Boone County kende voor- en tegenspoed dankzij de mijnen. De regio is nog altijd afhankelijk van deze industrie, omdat er weinig zicht is op een alternatieve inkomstenbron. Afgelopen jaar werkten slechts zevenhonderd inwoners van Boone County in de mijnen. Het schooldistrict is de grootste werkgever. Maar omdat de belastinginkomsten uit steenkoolwinning vorig jaar zo drastisch daalden – 
minder dan eenvijfde van de inkomsten in 2007 – moesten er honderdvijftig medewerkers worden ontslagen.

    Decennia na de hoogtijdagen en ondanks de beschikbaarheid van schonere en meer gebruikte energiebronnen, staat steenkool momenteel weer volop in de belangstelling. In het nationale debat speelt de mijnbouw een grotere rol dan gerechtvaardigd zou zijn als 
je kijkt naar de consumptie: met 15 procent van Amerika’s energiebronnen produceert het ongeveer 
eenderde van alle elektriciteit. Het is alsof een discussie over locomotieven opnieuw is aangezwengeld. Fracking, onlangs nog een constante in het nieuws, is naar de achtergrond verschoven. Net als olie.

    Omarmd door Donald Trump en als achterhaald weggewuifd door Hillary Clinton domineerde steenkool het energiedebat tijdens de presidentscampagne. ‘We moeten af van steenkool en alle andere fossiele brandstoffen,’ zei de Democratische kandidaat, waarmee ze voor de mensen in dit 
district meteen een paria werd.

    Amerikanen kunnen de mijnbouw moeilijk uit hun hoofd zetten, ook 
al vonden in 2015 nog geen 66.000 man werk onder de grond. Warenhuisketen Kohl’s heeft meer dan 
twee keer zoveel mensen in dienst. Maar retail werkt niet in dezelfde mate op de Amerikaanse verbeeldingskracht en levert geen verhalen op, inspireert niet tot muziek en is niet bepalend voor de identiteit. ‘Er werden hele gemeenschappen gesticht om steenkool te winnen,’ zegt Barbara Freese, auteur van Coal: A Human History. ‘Steenkool heeft zijn eigen geografische gebied en cultuur geschapen.’

    Een muurschildering van drie mijnwerkers in de lobby van een mijnbouwbedrijf in Kittanning, Pennsylvania. – © Michael S. Williamson / The Washington Post / Getty
    Een muurschildering van drie mijnwerkers in de lobby van een mijnbouwbedrijf in Kittanning, Pennsylvania. – © Michael S. Williamson / The Washington Post / Getty

    Het bergdecor van de Appalachen kwam in de schijnwerpers te staan en werd geëxploiteerd door goudzoekende journalisten die zich hadden vergist in Trumps populariteit en de cruciale rol die deze regio in deze verkiezingen zou gaan spelen. J.D. Vances autobiografie Hillbilly Elegy, die werd gezien als een decoder van de cultuur van de Appalachen, heeft bijna een jaar lang de bestsellerlijst aangevoerd.

    ‘Ik hou nou eenmaal van mijnwerkers,’ zei president Trump in juni, toen hij de Amerikaanse terugtrekking uit het klimaatakkoord van Parijs aankondigde. Trump heeft mijnwerkers en directeuren van kolenmijnen uitgenodigd om, voor het eerst in lange tijd, op de foto te gaan in het Witte Huis, en verklaarde ‘een eind te maken aan de strijd tegen steenkool’, een kreet die door een brancheorganisatie is bedacht in een tijd waarin zelfs het Kentucky Coal Museum overgaat op zonne-energie.

    Het zuiden van West Virginia is een plek waar wonderschone natuur en verwoesting naast elkaar bestaan. Dit werd maar al te duidelijk toen bedrijven bergtoppen begonnen op te blazen om met minder mensen brandstof te kunnen delven. ‘We leren nu dat we niet op één paard moeten wedden. We moeten groeien en diversifiëren,’ zegt de Democratische senator Ron Stollings bij de opening van het festival.

    Mijnbouw is een traditie die maar blijft rondspoken. ‘Het gaat niet alleen om een industrie die verloren is gegaan, maar ook om een manier van leven, een leven vol verschrikkelijke ontberingen,’ zegt componist Julia Wolfe, die ter herdenking van de mijnwerkers in Pennsylvania het oratorium Anthracite Fields schreef en daarmee de Pulitzer Prize won. ‘De truc is om het leven niet te romantiseren. Er zitten prachtige elementen in de onderlinge afhankelijkheid binnen de gemeenschap, maar is ook afschuwelijk misbruik en verwaarlozing.’ De industrie werd lange tijd gekenmerkt door overmatige wispelturigheid: vol gas tijdens een hausse, en dan weer verwaarlozing: bedrijven die ervandoor gaan onder het mom van faillissement, waardoor pensioenen werden bedreigd en de zekerheid van trotse mannen werd gesloopt. Banen verdampten, maar de heuvels bleven.

    ‘Er zit nog steeds een hoop steenkool in deze heuvels,’ zegt Cook, voormalig staatsvertegenwoordiger en curator van het eeuwige optimisme. De brandstof raakte niet op, maar de levensvatbaarheid was wel eindig en dat heeft de gemeenschap enorm beïnvloed. De bedrijven waren vaak minder begaan met de mannen dan met hun product, zoals subtiel, zonder wrok of subjectiviteit, duidelijk wordt gemaakt door de voorwerpen in het museum. Mijnwerkers werden geacht gereedschap aan te schaffen bij de bedrijfswinkel. Veiligheid was van ondergeschikt belang. ‘We hadden geen reflecterende uitrusting toen ik in de mijn werkte,’ zegt voormalig mijnwerker (vierde generatie) Tim Spratt, wijzend naar een vitrine, als hij met zijn kleinzoon het museum bezoekt. ‘Dat hadden alleen de opzichters.’

    Vroeger waren er geen arme mensen in McDowell County. Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft

    Spratt, die zong bij de herdenkingsdienst, moest ooit kolen bikken in een gang van nog geen meter hoog. ‘Dat is heel lastig voor een dikkerd,’ zegt hij. ‘Ik vond de onderlinge camaraderie met mijn ploeggenoten fijn,’ zegt inwoner Rickey Woodrum, die tien jaar ondergronds werkte voordat hij een baan kreeg in een autowerkplaats. ‘Het verdiende lekker. Het was zwaar. Je wordt er hard van. Maar je kinderen kunnen wel studeren.’ Die hoefden de mijn nooit in.

    Het werken in een mijn was de zeldzame baan waarmee een man – altijd mannen – met hoogstens middelbare school in een goed jaar een salaris van 80.000 of 90.000 dollar verdiende, en zo kon opklimmen door af te dalen. Door de inzakkende inkomsten konden veel mannen slecht voor hun gezin zorgen, geen kostwinner meer zijn; nog zo’n hedendaags discours.

    ‘Het is al sinds de Tweede Wereldoorlog bergafwaarts gegaan met steenkool,’ zegt voormalig mijnwerker Jim Chaney. ‘In Boone County dolf of vervoerde je steenkool, een van de twee.’ Hij gelooft dat ‘het terugkomt, maar het wordt nooit zoals het was’. Dezelfde slotzin weerklinkt overal in het kolengebied.

    Opiatenverslaving

    West Virginia, dat zich in 1863 van het geconfedereerde Virginia afscheidde, 
is de enige staat die uit de Burgeroorlog is voortgekomen. (Desalniettemin zijn er nogal wat Confederatievlaggen te zien, waaronder meerdere exemplaren die aan een kermisattractie zijn vastgehecht.) In plaats van slagvelden bracht de staat een palet van mijnwerkersconflicten en rampen voort: Matewan, de Battle of Blair Mountain (van het stadje is nu niet veel meer over dan een gedenkplaat) en Upper Big Branch.

    De smerige, dramatische en gewelddadige geschiedenis van de industrie werd gedomineerd door bovenmaatse vakbondsleiders en roofondernemingen die de steenkool en daarmee de welvaart inpikten en stadjes achterlieten die veel weg hebben van filmsets voor films over de Grote Depressie, visueel aantrekkelijk voor documentairemakers en fotografen.

    Zestig jaar geleden was McDowell 
een county met 100.000 inwoners. Vandaag de dag is daar nog maar eenvijfde van over en is de county de armste van West Virginia. In 2015 kreeg het nationale aandacht dankzij de zeer twijfelachtige eer ’s lands hoogste aantal sterfgevallen voort te brengen als gevolg van opiatenverslaving.

    Net buiten Welch, een van vele arme stadjes van McDowell, zit Johnny Bishop, 65, gelooide huid, opgevouwen in een wit busje op een lege weg kleding te verkopen, inclusief mijnwerkersuitrustingen met reflecterende strepen. 
Bishop werkte zestien jaar lang in de mijnen, waarvan twee jaar op zijn knieën in gangen van iets meer dan 70 centimeter hoog. De ergste dag was toen hij een stroomstoot van 480 volt kreeg van een draad die onder spanning stond. Twee dagen later ging deze mijnwerker van de vierde generatie weer aan de slag. ‘Voor een mijnwerker zijn de ploeggenoten als broers,’ zegt hij. Maar het ging niet goed met de mijnen en Bishops gezondheid verslechterde. Hij kreeg pijnstillers voorgeschreven. Hij zegt er nooit aan verslaafd te zijn geraakt en er in één keer mee te zijn gestopt.

    Uiteindelijk heeft hij de schachten vaarwel gezegd en is in Virginia in 
de bouw gaan werken. De steenkoolbedrijven en de leiders van dit land ‘besteedden geen aandacht aan ons’, zegt hij. ‘We hadden hier vroeger zo veel. We hadden steenkool. We hadden aardgas. We hadden hout. Er waren geen arme mensen in McDowell County.’

    Nu is dat zo’n beetje het enige wat McDowell wel heeft.

    Auteur: Karen Heller

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Hou op over die bolhoed en die theepot

    Hou op over die bolhoed en die theepot

    Duizenden opiniestukken verschenen in het Verenigd Koninkrijk over de Brexit. Maar aan deze column van de inmiddels overleden journalist en restaurantcriticus A.A. Gill konden weinig tippen.

    Ze was zo’n bekende verschijning, die vrouw op Question Time. In elke rij, in elke koffiebar, bij elke school, in elke parochieraad van het land kom je haar tegen. Middelbaar, middenklasse, middle of the road, met haar te zwaar opgemaakte wijkverpleegstersgezicht en haar weerbestendige uitdrukking van verongelijktheid is zij onze nationale schoonmoeder. De camera zoomde op haar in en ze riep: ‘Ik wil alleen maar mijn land terug. Geef me mijn land terug.’

    Het was een oprechte kreet van diepe angst en het publiek barstte uit in een warm applaus, maar ik dacht: terug van wat? Terug waarvandaan?

    Sentimentele nostalgie

    We willen ons land terug, het is het mantra van alle outies. Farage lalt het. Grove insinueert het. Natuurlijk weet ik wat ze bedoelen. We weten allemaal wat ze bedoelen. Ze bedoelen: terug van Achmed Buitenlander, terug van het randje van de afgrond, terug uit de toekomst, terug naar knus onder elkaar, terug naar groene heggen en stenen muurtjes en landweggetjes en kerkklokken en warm bier en zuurtjes en voetbal en ratels in het voetbalstadion en jolige grappen en houten klompen op klinkerweggetjes. Terug naar gekostumeerde ‘vicar and tarts’-feestjes en lachen om een scheet. Terug naar de tijd van altijd mooi weer en borders vol kruiden en auto’s die Morris heten. Terug naar biscuittaart en 22 yard tot de wicket en naar drie voet in een yard en vier vingers in een KitKat, terug naar kruisbessen en geen avocado’s, terug naar eerbied en respect, naar je behelpen met wat je hebt en repareren en dapper glimlachen en je tanden op elkaar zetten en in stilte lijden en buitenlanders behandelen als sneue kleuters.

    We weten allemaal wat ‘we willen ons land terug’ betekent. Het is een lijntje snuiven van die verderfelijke en slopende little-England-drug: nostalgie.

    Het warme, kruimelige, goudbruine collectieve ‘gisteren’ en het innige geloof dat alles toen beter was, dat Groot-Brittannië (of eigenlijk Engeland) nu een slechtere plek is dan het op een vaag moment in het verleden was, op het hoogtepunt van ons o zo geliefde wereldrijk. Het is het besef dat het beste al achter ons ligt, dat we nooit meer iets kunnen bouwen dat zo mooi is als een Georgiaans landhuis van de National Trust, dat geen kunst zo goed zal zijn als Turner, geen gedicht zo prachtig als ‘If’, dat geen schrijver kan tippen aan Shakespeare of Dickens, niets zo mooi zal bloeien als een cottagetuin, geen held groter kan zijn dan Nelson, geen politicus beter dan Churchill, geen aanblik aangrijpender dan de witte rotsen van Dover en dat we nooit meer zoiets geweldigs zullen fabriceren als een Rolls-Royce of een Flying Scotsman.

    In de Brexit-fantasie is alle hoop erop gericht dat we de rond de klok werkende buitenlanders eruit gooien en de hoeders van ons eigen verleden worden op dit zelfgenoegzame eiland van geklaag en gewichtigdoenerij

    De droom van de Brexit is niet dat we misschien een beter, nieuw, energieker morgen kunnen maken, het is een verlangen om terug te sloffen naar een van spijt verzuurd, naar binnen gericht gisteren. In de Brexit-fantasie is alle hoop erop gericht dat we de rond de klok werkende buitenlanders eruit gooien en de hoeders van ons eigen verleden worden op dit zelfgenoegzame eiland van geklaag en gewichtigdoenerij.

    En als je denkt dat dit een overdrijving is van het Brexit-standpunt, luister dan naar de taal die ze gebruiken: ‘Wij zijn een natie van uitvinders en ondernemers, we willen het Groot terug in Brittannië, de grote ingenieurs, de grote fabrikanten.’ Het zijn allemaal uitingen van sentimentele nostalgie. Voor het geestesoog van de Brexiteer verschijnen het oude Pathé-bioscoopjournaal met autocoureur Donald Campbell, John Logie Baird met zijn televisie, Barnes Wallis en zijn stuiterbom en Robert Baden-Powell die in zijn schuurtje de padvinders uitvond.

    We hoeven alleen maar af te komen van die humorloze Duitsers en spelbrekers van Fransen, met hun liberalisme en werkelijkheidszin, betogen ze. En tegelijkertijd is er de hoop dat we, als we aan Europa weten te ontsnappen, terug zullen keren naar de jaren vijftig van de bolhoeden, waarin het Gemenebest weer parades zal houden, vuurwerkshows zal geven en zal smeken om weer bij de Queen Empress in een goed blaadje te komen. Dan zal Nieuw-Zeeland duizend lammeren offeren, Ghana zal vragen of het weer de Gold Coast mag worden genoemd en Groot-Brittannië zal weer handgemaakte Land Rovers, hoge hoeden en hotelzilveren theepotten gaan fabriceren.


    Er is een reden waarom de meeste mensen die de EU willen verlaten oud zijn, terwijl degenen die willen blijven, jong zijn: dat is omdat de jongeren niet besmet zijn met Bisto-nostalgie*. Zij herkennen de helft van al die dingen die ik net heb opgenoemd niet. Ze zijn opgegroeid in de EU en hun beeld daarvan is op zijn slechtst neutraal.

    De Britten onder de dertig willen onderdeel zijn van dingen, niet aan de zijlijn staan. Voor hen gaat het om meedoen en meetellen. Ik denk dat de meeste outies zich kunnen vinden in de zin ‘De vrouwenemancipatie is te ver doorgeschoten’. Voor hen is alles te ver doorgeschoten, van politieke correctheid – nou, dat ís toch ook krankjorum tegenwoordig? – tot goede arbeidsomstandigheden en genderneutrale toiletten. Die oudjes, ze kunnen het allemaal niet meer volgen, al die nieuwerwetse mobiele telefoons en die jongeren op Tinder en Grindr. Waar blijft de tijd dat je Miss Joan Hunter Dunne gewoon op de tennisclub leerde kennen? En praat ze niet van elektrische handdrogers of die ellendige computer waar je een password voor moet hebben met hoofdletters en kleine letters en cijfers en dan nog meer dan acht ook.

    We horen de Brexit-club praten over de handelsakkoorden die ze na ons vertrek met Europa gaan sluiten, in de weldadige zorgeloosheid dat zij in plaats van het EU-lidmaatschap een scheiding te bieden hebben waarin je nog steeds seks met je ex kunt hebben. Ze denken dat ze onder het huwelijk uit kunnen komen en dan het huis mogen houden, geen alimentatie hoeven te betalen, de kinderen van school kunnen houden, de schoonouders kunnen verbieden om naar de dokter te gaan, eisen kunnen stellen over omgangsregelingen, maar, je weet wel, in het weekend toch een beurt krijgen en natuurlijk ook nog met anderen mogen scharrelen.

    O ja? Is dat het beste wat ze te bieden hebben? Is dat het plan? Brutaalweg Brussel binnenstappen met je Union Jack-broek aan en zeggen ‘Hee schat, wat zie je er lekker uit, zal ik jou eens even pakken?’

    Zoals alle scheidingen wordt het verlaten van Europa smerig en kwaadaardig en pijnlijk en er komt een heleboel giftige xenofobie en racisme bij kijken, al die pietluttige persoonlijke vooroordelen waarmee in de steek gelaten, verraden en gedwarsboomde mensen te kampen hebben

    Als wij, de anderen, dan vragen hoe dat zal gaan werken, antwoorden de vertrekkers met een Terry-Thomas-grijns dat ‘ze heus nog steeds op ons vallen, echt, ze snakken naar ons. Merkel niet misschien, maar de bazen van Mercedes en die Franse wijnboeren en kaasmakers, die kunnen geen genoeg krijgen van die ouwe John Bull. Natuurlijk willen ze nog met ons in bed duiken om een vrije markt te maken, als we de echtscheiding rond hebben. Logisch toch?’

    Vergeet het maar: dit is een echte scheiding. Het gaat niet alleen over de financiën, het wordt niet allemaal redelijkheid en goede wil. Zoals alle scheidingen wordt het verlaten van Europa smerig en kwaadaardig en pijnlijk en er komt een heleboel giftige xenofobie en racisme bij kijken, al die pietluttige persoonlijke vooroordelen waarmee in de steek gelaten, verraden en gedwarsboomde mensen te kampen hebben. En het racisme en de vooroordelen zijn natuurlijk zwakke punten voor ons. De ingewikkelde onderhandelingen met advocaten en rechtbanken zullen bitter en wraakgierig zijn, want dat zijn scheidingen nu eenmaal en, nu we het er toch over hebben, dat soevereiniteitsdingetje dat we zogenaamd zo graag terug willen, als de ring van Frodo, heeft niets met jou of mij te maken. We zullen niet eens merken dat het terugkomt, omdat we om te beginnen al niet merkten dat we misten.

    Je zult niet op 24 juni wakker worden en denken: O, mijn God, mijn artritis is over! Mijn tanden zijn ineens witter! Nu weet ik zomaar hoe ik soufflé moet maken en ik voel de macht van de soevereiniteit over me komen. Hier maken alleen politici zich druk om; voor u en voor mij maakt het geen jota uit of het hoogste rechtsorgaan een stel wereldvreemde oude knarren met pruiken in Westminster Hall is of een stel wereldvreemde oude knarren zonder pruik in Luxemburg. Wat wel uitmaakt is dat we zo veel mogelijk rechters hebben die aan de kant van persoonlijke vrijheid staan.

    Persoonlijk zie ik geen reden om onze parlementariërs in het VK meer macht toe te vertrouwen. Hoe meer verschillende belangen politici hebben, hoe beter dat voor ons is. Je kunt niet genoeg knappe koppen en verschillende meningen hebben. Misschien maak je je echt zorgen om de bureaucratie, maar dat is niet alleen een Europees probleem. Wij Britten zijn heel goed in staat om onze eigen regels en wetten te verzinnen en we hebben bepaald geen tekort aan dienstkloppers. Bureaucratie is misschien ergerlijk, maar bestaat ook om jouw en mijn gezin te beschermen tegen leugens, vergif en bedrog.

    Het eerste kruisje dat ik ooit op een stembiljet heb gezet was om ja te zeggen tegen de EU. Bij het eerste referendum was ik twintig. Het komende referendum valt in de week van mijn tweeënzestigste verjaardag. Bijna mijn hele volwassen leven is er geen dag voorbij gegaan waarop ik niet blij en trots was dat ik deel uitmaakte van dit grootse collectief. Als je mij naar mijn nationaliteit vraagt, is het antwoord dat ik me meer Europeaan voel dan iets anders. Ik ben onderdeel van deze cultuur, van deze Europese beschaving. Welk museum op ons continent ik ook binnenloop, ik begrijp alle beelden en verhalen aan de muren. Deze mensen zijn mijn mensen en dat zijn ze al duizenden jaren. Ik kan boeken lezen over onderwerpen die uiteenlopen van het antieke Griekenland tot Scandinavië in de middeleeuwen, van het Italië van de renaissance tot negentiende-eeuws Frankrijk en ik heb er geen uitleg bij nodig over de achtergrond of het landschap. De muziek van Europa, van zijn toonladders en instrumenten tot zijn ritmes en religie, is mijn muziek. De renaissance, de rococo, de romantiek, de impressionisten, de gotiek, de barok, het neoclassicisme, realisme, expressionisme, futurisme, fauvisme, kubisme, dada, het surrealisme, postmodernisme en de kitsch – het waren allemaal Europese stromingen en geen van alle behoren ze toe aan één enkel land.

    Eetcultuur

    Er is een reden waarom de Chinezen nep-Italiaanse handtassen maken en de Italianen geen nep-Chinese handtassen. Deze Europese cultuur is zonder enige twijfel de grootste, mooiste, machtigste, meest inventieve, subtiele, en diepzinnige cultuur die ooit door mensen is gevormd, en ze is van ons. Kijk eens naar mijn dagelijkse werk – eten. De eetcultuur en het genieten van eten zijn enorm veranderd sinds wij lid van de EU werden, en dat is geen toeval. Wat we eten – de ingrediënten, de recepten – komt misschien van over de hele wereld, maar het is de collectieve activiteit van Europese interesse, vakmanschap en fantasie die onze maaltijden zo smakelijk en opwindend heeft gemaakt.

    Ook het restaurant was natuurlijk een Europese uitvinding. Het eerste restaurant in Parijs heette The London Bridge.

    Cultuur werkt en groeit met het continue weefsel van creatieven, producenten, consumenten, intellectuelen en pure liefhebbers. Je kun cultuur niet dicteren of er wetten voor maken, je kunt alleen maar een plaats bieden die haar aanmoedigt, of je kunt haar kortwieken. Je kunt haar harder en wrokkiger maken, je kunt barrières opwerpen en muren bouwen, maar waarom zou je in hemelsnaam? Deze collectieve cultuur, deze gouden beschaving die in de loop van duizenden jaren op dit continent is gegroeid, heeft alles gemaakt wat we hebben en alles wat we zijn. Waarom zou je daar geen deel van uit willen maken?

    Ik begrijp wel dat we onze bibliotheekkaart voor de Europese beschaving niet hoeven in te leveren als we vertrekken, maar waarom zouden we dat zelfs maar overwegen? De enigen die dat doen zijn eigenlijk die barbaarse, angstige oude knarren. Moet je ze zien, te bang om mee te doen.

    Auteur: A.A. Gill
    Vertaler: Annemie de Vries

    • Bisto is een ouderwets, typisch Brits merk traditionele gerechten in blik.
    commentator aa gill

    De Britse restaurant- en televisiecriticus A.A. Gill overleed eind vorig jaar aan kanker. Bijna een kwart eeuw had hij in The Sunday Times met een pen die vaak gedoopt leek in slangengif zijn mening over chefs en tv-presentatoren ten beste gegeven. De laatste drie artikelen van zijn hand gingen over iets heel anders: twee over zijn naderende dood, het derde over Brexit, volgens Gill al even rampzalig.

    Openingsbeeld: Een traditoneel Engels plaatje in een dorp in Cornwall. – © Getty Images

    schermafbeelding 2017 04 05 om 12 51 36 pm

    The Sunday Times
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 1.300.000

    Zondagse kwaliteitskrant, in 1864 opgericht en in 1981 opgekocht door mediamagnaat Rupert Murdoch, die o.a. ook The Times bezit. Staat bekend om zijn goede research, vele bijlagen en bijdragen van populaire auteurs. Schotland en Ierland kennen een eigen editie.

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © HH
    © HH

    LITERATUUR – Zo was het

    Humor en sentiment om de verloren dagen

    Hoe een recensent in één alinea een boek in z’n context kan plaatsen, en dan ook heel precies de plaats van dat boek binnen die context aangeven. Bij Die Zeit verstaan ze die kunst. De recensie van de roman_ Auerhaus_ van Bov Bjerg begint zo: ‘Het meest voor de hand liggende wat je over een roman als deze kan zeggen, is waarschijnlijk dat de jeugd, als hij eenmaal voorbij is, ook werkelijk verloren is. Die tijd waarin al het zware nog licht leek en een kleinigheid loodzwaar kon wegen, is niet meer terug te halen, elke poging daartoe is slechts nostalgie. Er is geen weg terug. Daarom heeft elke goede roman over volwassen worden aandacht voor het verdriet over die onmogelijkheid om de jeugd terug te halen. En Auerhaus van Bov Bjerg is een van die goede romans, maar ook weer niet een hele goeie.’

    Hoe zou het zijn om zo’n alinea te lezen, met die ontknoping aan het eind, als je Bov Bjerg heet?

    Bjerg, pseudoniem van Rolf Böttcher, is een bekende in de Berlijnse literaire wereld. Verwijzend naar de wijk Prenzlauer Berg, waar hij vaak te vinden is, noemt de Duitse pers hem soms Prenzlauer Bjerg. Hij heeft zijn pen gescherpt bij het Duitse fenomeen van de Lesebühne, een soort voordrachtsavonden. Behalve romanschrijver is Bjerg ook cabaretier. Hij is 51 jaar oud, Auerhaus (de verduitsing van Our House, een nummer van Madness uit de jaren tachtig), is zijn tweede roman. Dan kan je wat hebben. Maar toch.

    ‘We moeten zonder meer vaststellen dat Bjergs roman niet vervalt tot dat verkrampt opgekraste jargon van de jeugdrestauratie waarin zo veel van zulke literatuur is geschreven, die dan ook meestal klinkt als de presentator van de ontbijt-tv die het lexicon straattaal heeft verslonden’, zo gaat recensent David Hugendick verder. Dat klinkt toch alsof Bov Bjerg weer rustig kan ademhalen. ‘Het is vooral de melancholische koppigheid die Bjerg uit de taal van de jeugd weet over te leveren.’ Dat klinkt zelfs helemaal niet slecht. En dat Hugendick Auerhaus vervolgens ‘een zeer spaarzaam verteld boek’ noemt, zal in het licht van het voorgaande ook als een compliment zijn bedoeld. Waar zit dan het voorbehoud, die vileine ‘ook weer niet een hele goeie’ van het begin?

    Alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt

    Hugendick concludeert nogmaals dat het ‘eenvoudig dieptreurig’ is dat geen dag van onze jeugd ooit nog terugkeert, een besef dat Bjerg met ‘sympathieke sentimentaliteit’ de lezer nog eens onder de neus wrijft, ‘en ons eraan herinnert dat we zelfs de mooiste momenten van die dagen al lang zijn vergeten’, eindigt hij. Het lijkt erop dat Hugendick het boek eerder verwijt dat het hem te hard heeft geraakt, in plaats van niet hard genoeg.

    Der Tagesspiegel noemt Auerhaus een ‘wonderbaarlijke roman’ en de toon van de recensie lijkt veel minder door een persoonlijke midlifecrisis bepaald dan die van Die Zeit. Want: ‘zo was het, toen we eindexamen deden (…) diep in de jaren tachtig’. De manier waarop Bjerg dat verleden evoceert is ‘opwindend’. Hij schrijft ‘authentiek, het klopt, hij treft precies de taal van de opgroeiende jeugd, het wijsneuzige en hoogdravende ervan (…) alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt’. Toch is het geen nostalgische roman, vindt Gerrit Bartels, ook al ‘komt het ene na het andere citaat voorbij: Madness, The Godfather en ook telefooncellen, waar ’s avonds “gastarbeidersgezinnen” in de rij staan’. Bov Bjerg vertelt ‘zonder tierelantijnen en met overzicht. Zijn talent voor het komische is even groot als dat voor terloopse sentimentaliteit.’

    De vertaling van_ Auerhaus_ door Anne Folkertsma verschijnt bij Uitgeverij Cossée. Het Duitsland Instituut organiseert op 14 februari een avond met Bjerg in de Duitse ambassade te Den Haag. Aanmelding is gratis maar verplicht, via ku-s1@denh.diplo.de.


    FILM – Poëzie op het witte doek

    Jarmusch en de muze

    Drieëndertig jaar geleden kwam_ Stranger than Paradise_ uit, de verpletterende doorbraak van cineast Jim Jarmusch. The Washington Post schreef daarover toen dit: ‘Er bestaat geen tweede geur als die scherpe eerste betovering van een nieuwe lente, geen kwelling zo goddelijk als die van een eerste liefde en geen ervaring in de filmwereld als de collectieve ontdekking van een geestige, helder-realistische en volstrekt originele nieuwe film van een onbekend, jong talent. Dit is de belangrijkste week uit het leven van Jim Jarmusch.’

    Jarmusch maakte daarna klassiekers als Down by Law en de serie korte vignetten Coffee and Cigarettes, evenals een aantal documentaires, onder meer over Neil Young en The Stooges. ‘Hij is een natuurlijke verteller met een zeer droog gevoel voor humor’ schreef The Independent over de in 1953 in Ohio uit een half-Duitse moeder geboren regisseur.

    Zijn twaalfde speelfilm komt deze week uit.

    ‘De held in de nieuwe film van Jim Jarmusch, Paterson, heet Paterson (gespeeld door Adam Driver). Hij woont in Paterson, New Jersey, met zijn vrouw Laura (Golshifteh Farahani). Paterson staat elke dag vroeg op, ontbijt, en gaat op weg naar zijn werk als buschauffeur. Hij bestuurt lijn 23, waar aan de voorkant “Paterson” op staat. Aan het eind van de dag komt hij weer thuis, om te eten. Waarna hij zijn Engelse buldog gaat uitlaten, die buiten moet wachten bij de bar waar hij een biertje drinkt. Om de een of andere reden heet die hond Marvin. Belachelijk. Hij had Paterson moeten heten’, schrijft Anthony Lane in de eerste New Yorker van het nieuwe jaar.

    Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als “poëzieadviseur” van Jim Jarmusch

    Die ironische kritiek op de naam van de hond zet de toon voor de hele recensie: Lane heeft zich overgegeven aan deze film. En wie daarin niet mee wil, die moet maar achterblijven: ‘Als dit je allemaal een beetje saai lijkt, dan weet je nog niet de helft. Nog niet een zevende’, gaat Lane verder. Want de film beslaat een hele week van Patersons leven in Paterson, op de Paterson-bus. Maar Paterson is geen gewone buschauffeur. Hij zit vaak in zijn kelder. Liefhebbers van het Jarmusch-universum denken nu direct aan het geheimzinnige nummer What’s He Building In There? van Tom Waits, vriend van Jarmusch (en als acteur in meerdere van diens films magistraal).

    Anthony Lane vertelt u wat Paterson uitspookt: ‘Het is u vergeven als u denkt dat hij seriemoordenaar is of kidnapper, want in films en op tv zijn dat de enige redenen waarom onopvallende mannen de kelder in gaan. Maar nee. Paterson doet nog iets veel raadselachtigers. Hij schrijft gedichten.’

    En zo komt het dat Paterson niet echt over Paterson gaat. Noch over de man, noch over de plaats, noch over de bus. Paterson is een film over poëzie. ‘De wereld die we in Paterson zien en beleven, voelt aan als een gedicht’, schrijft Kevin Crust van de Los Angeles Times, die zich niet minder liet meeslepen door de film dan zijn collega aan de oostkust, ‘van de natuurlijke schoonheid van de Great Falls tot het industriële patroon van de straten waar Paterson zijn bus doorheen rijdt. De woorden die hij neerpent in zijn “geheime notitieboek” verschijnen op het scherm en meanderen voort, waardoor de kijker de beelden en de emoties die ze oproepen, in zich kan opnemen.

    De poëzie heeft geen grote reputatie op het witte doek. We moeten waarschijnlijk terug tot Il Postino van Michael Radford voor de laatste keer dat een film werkelijk probeerde de poëtische ervaring over te brengen. Dat vereist dus speciale maatregelen. Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als ‘poëzieadviseur’ van Jim Jarmusch. Noem hem een stuntman, uiteindelijk schreef hij zeven gedichten die in de film voor rekening komen van de buschauffeur met z’n geheime notitieboekje Paterson. ‘Er komen minstens tien gedichten in de film voor’, telde de Los Angeles Times, ‘en vier personages houden zich op de een of andere manier met poëzie bezig.’ Dat zijn inderdaad waarschijnlijk wereldrecords.

    Auteur: Pieter van den Blink