Hoe je ook over Obama’s politieke prestaties denkt, het staat buiten kijf dat hij als mens een schoolvoorbeeld van waardigheid was. Dit in tegenstelling tot menig voorganger en zijn mogelijke opvolger Trump.
We wisten al dat hij het hoofd koel kon houden wanneer anderen het hunne verloren en hem overal de schuld van gaven, dat wisten we al vanaf de financiële crisis van 2008 tot en met de harde, onvergetelijke woorden die hij sprak bij de herdenking van de vermoorde politieagenten in Dallas. Wat we niet wisten, wat niet te voorspellen was bij iemand die zo jong was en zo weinig ervaring had met de onmogelijke taak om 24 uur van de dag het oog van de wereld op zich gericht te weten, was hoe Barack Obama zich zou houden als vader, als echtgenoot, als man.
Hoe je ook denkt over Obama als uitvoerende macht, het staat buiten kijf dat Obama als mens een toonbeeld van klasse en waardigheid is geweest. Tegen zwarte pioniers in de sport is vaak gezegd dat je twee keer zo goed moet zijn om te slagen, maar Obama heeft met zijn persoonlijke gedrag de lat op een hoogte gelegd die maar weinig presidenten ooit hebben bereikt.
Voorbeeld
Je ziet hem zijn dochter Malia toezingen op haar achttiende verjaardag, de afgelopen vierde juli – Onafhankelijkheidsdag, je ziet hem zijn dochter Sasha coachen bij het basketballen, en je ziet hoe hij, nog steeds, zijn best doet om ‘de vader te zijn die ik zelf nooit heb gehad’. Je ziet hoe hij de vrouw met wie hij al bijna 25 jaar getrouwd is, plaagt, grapjes met haar maakt of met haar danst. En al kan geen buitenstaander weten wat zich binnen andermans huwelijk afspeelt, je voelt de vreugde van die verbintenis. Ze maken nog steeds elkaars zinnen af.
Het zou niet eerlijk zijn om hem alleen maar als persoon te prijzen, een hoge waardering te geven voor zijn karakter, voor het feit dat er in zijn privéleven geen schandalen zijn, omdat een mogelijke opvolger geen karakter of klasse bezit en elke keer als hij zijn mond opendoet, een nieuwe bres in de muur van het fatsoen slaat. Als Obama had opgeschept over buitenechtelijke affaires en het formaat van zijn geslachtsdeel, als Obama had gezegd dat hij best met zijn eigen dochter uit zou willen en vrouwen had gereduceerd tot cijfers op een bangalijst, dan zou de discussie over ras gaan. Maar nu Donald Trump zulke dingen zegt, begint niemand erover dat hij blank is, en dat is maar goed ook. Trump is een uitzonderlijk soort proleet.
En wie Obama prijst als voorbeeldvader en voorbeeldechtgenoot voor het zwarte gezin, doet hem geen recht. Hij is een voorbeeld, zonder verwijzing naar ras. Het is geen sinecure om acht jaar lang de machtigste man van de wereld te zijn, zonder het ambt tekort te doen of je gezin van je te vervreemden. Hij heeft dat gepresteerd en ook nog een eigen stijl en humor laten zien, plus een haarscherp gevoel voor de rol van oppertrooster.
Dat hebben we in Dallas gezien, toen hij de diepe zucht slaakte voor ons, toen hij ons smeekte om ons hart niet van steen te laten worden wanneer de wereld een groeve van haat is. Hij is dan op zijn best, terwijl wij op ons slechtst zijn. We zullen niet snel vergeten hoe hij ‘Amazing Grace’ zong tijdens de dienst voor de mensen die waren vermoord in een kerk in Charleston, omgekomen door een daad van haat. En we zullen ons lang herinneren hoe hij zijn best deed nog een les te trekken uit de aanval op politiemensen – ook hun dood was een daad van haat.
‘We maken allemaal fouten,’ zei hij. ‘En soms dwalen we af. En naarmate we ouder worden, leren we dat we niet altijd alles in de hand hebben – zelfs een president niet. Maar we hebben wel in de hand hoe we reageren op de wereld. We hebben wel in de hand hoe we met elkaar omgaan.’
Historische vergelijkingen zullen goed voor hem uitvallen. Je kunt respect hebben voor president John F. Kennedy om zijn intelligentie en zijn flair, maar terugschrikken voor de manier waarop hij met zijn vele affaires zijn vrouw kwetste. Je kunt Lyndon B. Johnson bewonderen om zijn moed in de kwestie van de burgerrechten, maar de platvloerse liederlijkheid van hem als privépersoon verafschuwen. Je kunt Ronald Reagan waarderen om zijn charme en vriendschap met heel diverse mensen, maar zijn verstoorde gezinsleven was niet over het hoofd te zien. Onder Richard Nixon werd het Witte Huis een crime scene. Onder Bill Clinton werd het een Tuin der Lusten.
Opmerkelijk genoeg is Obama niet nixoniaans of hard geworden. Hij was de enige president ooit aan wiens Amerikaans-zijn werd getwijfeld, de enige president die in een voltallig Congres toegebeten kreeg: ‘U liegt!’ En de verdachtmakingen houden niet op. In juli toonde Fox News beelden van een jonge Obama in islamitische kledij bij de bruiloft van zijn halfbroer – het bewijs volgens presentator Bill O’Reilly voor ‘de sterke emotionele band die de president met de islam heeft’.
‘Ik heb gezien hoe ontoereikend mijn eigen woorden zijn geweest’
Dat hij als mens overeind bleef, heeft Obama maar een enkele keer een politieke overwinning opgeleverd. De eerste Afro-Amerikaanse president treedt af op een moment dat meer dan twee derde van de Amerikanen vindt dat de verhouding tussen de rassen slecht is – veel meer dan in het begin van zijn presidentschap. Hij erkende iets van deze mislukking in Dallas. ‘Ik ben niet naïef,’ zei hij. ‘Ik heb gezien hoe ontoereikend woorden kunnen zijn om blijvende verandering te brengen. Ik heb gezien hoe ontoereikend mijn eigen woorden zijn geweest.’
Bij elf gelegenheden – in Newtown, Tucson, Charleston, Dallas, en andere ‘plekken van wanhoop’ – heeft hij geprobeerd woorden te vinden om de wonden te helen. Die woorden mogen, voor hem en voor ons, soms tekortgeschoten zijn, de man in zijn persoonlijke gedrag is dat niet.
Geen enkele Amerikaanse president stak meer werk in zijn speeches dan Barack Obama. Zijn toespraken waren prachtig geschreven en zorgvuldig samengesteld en werden theatraal uitgesproken. Maar welke zal de geschiedenis ingaan als de allerbeste?
Weinig politieke carrières en presidentschappen zijn zo sterk bepaald door toespraken als die van Barack Obama. Dankzij zijn redevoering voor de Democratische Conventie in 2004 kreeg hij bekendheid in het hele land. In 2008 redde hij met zijn speech over ras zijn haperende presidentscampagne. Obama’s grootste en belangrijkste momenten als president waren vaak toespraken – zijn onbeantwoorde oproep in Caïro aan de islamitische wereld, zijn redevoering in Oslo bij de aanvaarding van de Nobelprijs voor de Vrede, over de sombere noodzaak van oorlog, en zijn grafrede voor negen vermoorde kerkgangers in Charleston.
De beste Obama-speeches zijn prachtig geschreven en zorgvuldig samengesteld en worden theatraal uitgesproken. Het zijn verhalen over onze angsten, fouten, tekortkomingen en successen. ‘Geen enkele andere president heeft zo veel werk in zijn toespraken gestoken,’ zegt historicus Douglas Brinkley, die is gespecialiseerd in het presidentschap. ‘Hij gebruikt pen en papier om zijn gedachten te ordenen.’
In slechts 272 woorden herdefinieerde Abraham Lincoln in Gettysburg de idealen van het land. John F. Kennedy zal altijd herinnerd worden om zijn inaugurele rede: ‘Vraag niet wat het land voor u kan doen, vraag wat u voor het land kunt doen.’ Die uitdaging is des te indringender door het offer dat hij zelf bracht. Ronald Reagan leek de loop van de geschiedenis te veranderen toen hij bij de Brandenburger Tor in Berlijn rechtstreeks tot de leider van de Sovjet-Unie sprak: ‘Mr. Gorbatsjov, haal deze muur neer!’
Dus als kinderen over tientallen jaren op school nog een toespraak van Obama lezen, welke zal dat dan zijn?
‘Hij schept een beeld van hoe het zou kunnen zijn, maar helaas is het een sprookje’
Om op die vraag een antwoord te krijgen, heb ik Republikeinen, Democraten en enkele zeer loyale medewerkers van de president geïnterviewd. Ik ben op zoek gegaan naar diens eigen voorkeuren. Welke speech zou Obama zelf kiezen? Het is onmogelijk om in de toekomst te kijken, en onder degenen die ik heb gesproken was meer discussie dan overeenstemming.
Bij de presidentiële staf in Obama’s West Wing wordt algemeen aangenomen dat zijn toespraak voor de Conventie in 2004 de speech is die zal voortleven. Op het moment dat Obama deze rede hield, dong hij naar een zetel in de Senaat, maar hij was nauwelijks bekend en had een naam – Barack Hussein Obama – die associaties opriep met de vijanden van het land. Hij gebruikte zijn eigen biografie als bewijs van de uitzonderlijke aard van Amerika: hij stamde af van een Keniaanse kok, een man uit Kansas die nog in het leger van Patton had gevochten en ouders die geloofden dat ‘in een tolerant Amerika je naam geen belemmering is voor succes’ en dat je ‘in een ruimhartig Amerika niet rijk hoeft te zijn om jezelf te ontplooien’. Belangrijker nog: Obama verwierp politieke polarisatie als een giftig bijproduct van een disfunctioneel Washington: ‘Er is niet een liberaal Amerika en een conservatief Amerika; er zijn de Verenigde Staten van Amerika. Er is niet een zwart Amerika, een blank Amerika, een latino Amerika en een Aziatisch Amerika; er zijn de Verenigde Staten van Amerika.’
Die speech op de conventie, die Obama zelf, zonder speechschrijver, had geschreven, ging later in zijn Witte Huis fungeren als een soort oertekst. Telkens als de presidentiële speechschrijvers moeite hadden een toespraak op te stellen, raadde Obama’s adviseur en vriend David Axelrod ze aan om de rede van 2004 nog eens te lezen. ‘Obama’s liefdesbrief aan Amerika’, noemde Axelrod hem. Jon Favreau, de belangrijkste speechschrijver van de president in diens eerste termijn, had een van de beroemdste zinnen uit die speech aan de muur van zijn appartement in Los Angeles gehangen: ‘In geen enkel ander land op aarde zou mijn verhaal mogelijk zijn.’
Toch heeft die toespraak ook zwakke kanten. De middelste delen zijn nogal gezwollen, vol Democratische clichés en een eerbetoon aan John Kerry, die toen de weinig inspirerende Democratische kandidaat voor het presidentschap was. En ook dan al is de tekst een tikje treurigmakend. ‘Hij schept een beeld van hoe het zou kunnen zijn, maar helaas is het een sprookje,’ zegt Jeff Shesol, die ten tijde van Bill Clinton als speechschrijver in het Witte Huis werkte. ‘Obama’s hele presidentschap is in tegenspraak met die redevoering.’ In zijn laatste State of the Union nam Obama zelfs enigszins afstand van de meest optimistische stukken in die ‘oerspeech’: ‘Een van de weinig dingen uit mijn presidentschap die ik betreur, is dat de verbittering en het wantrouwen tussen de partijen groter zijn geworden in plaats van kleiner.’
Als er iets echt dramatisch aan de hand is, kan een toespraak extra lang blijven hangen. Obama’s toespraak over ras in 2008, die werd geschreven nadat er een video was opgedoken waarin zijn vroegere geestelijk raadsman Amerika vervloekte, vertegenwoordigt zo’n moment. Obama vocht voor zijn politieke leven en hield een persoonlijke toespraak zoals de meeste Amerikanen er nog nooit een hadden gehoord.
Met zijn gemengde afkomst kon Obama zich vrijelijk tot zowel zwarte als blanke Amerikanen richten. Hij riep blanken op begrip te hebben voor pastor Jeremiah Wright, die als marinier had gediend en opgegroeid was in de tijd van de segregatie. En hij maande zwarten om te denken aan zijn blanke grootmoeder, die bang was voor zwarte mannen op straat en soms zulke racistische dingen zei dat hij ervan ineenkromp. ‘Deze mensen zijn deel van mij,’ zei Obama, ‘en ze zijn deel van Amerika, het land waarvan ik houd.’
In de hectische laatste maanden van Obama’s presidentschap, getekend door woedende protesten, aanslagen op politiemensen en verhitte politieke retoriek, blijft de speech uit 2008 nog steeds overeind.
Geestelijk leider
Veel historici zoeken ‘de’ toespraak – die ene die voortleeft – onder de redes die Obama hield na de massa-schietpartijen en terroristische aanslagen die in de loop van zijn presidentschap met een dodelijke regelmaat plaatsvonden. ‘Obama legt zijn hele ziel en zaligheid in die toespraken,’ vertelt Brinkley.
Elke president neemt op een bepaald moment de rol van geestelijk leider op zich. Reagan deed dat met een eenvoudige, maar ontroerende toespraak waarin hij schoolkinderen en volwassenen troostte na de ontploffing van de Space Shuttle Challenger. Bill Clinton sprak prachtig na de bomaanslag in Oklahoma City. Maar geen enkele president heeft deze rol zo gespeeld als Obama, die het telkens weer opnieuw deed – in Tuscon, in Newtown, in Dallas.
Volgens Brinkley zouden toekomstige generaties uit een bloemlezing van Obama’s herdenkingsredes veel kunnen opmaken over het Amerika van nu. Een van de opvallendste daarvan is de redevoering die de president hield in Charleston, na de moord op negen parochieleden in de methodistische Emanuelkerk. Die is vooral bijzonder door de meeslepende manier waarop hij over Gods genade spreekt en door de verrassing van een president die een christelijk lied zingt.
Obama maakte van de moorden in Charleston een door God geïnspireerd keerpunt. In de dagen na de moordpartij stemde een grote meerderheid van het parlement in South Carolina voor het verwijderen van de Confederale vlag van het parlementsgebouw. Het land, zo zei Obama, had op de wrede moorden gereageerd met ‘een grootmoedigheid, een bedachtzaamheid en zelfonderzoek die we in het openbare leven zelden zien’.
Hij riep het land op om in die geest verder te gaan en de wapenwetten te hervormen, de armoede aan te pakken en het strafrecht te hervormen. Maar al die pogingen liepen op niets uit. De moorden in Charleston – hoe choquerend en tragisch ook – verdwenen al snel uit de herinnering, net als de moorden die daarvoor hadden plaatsgevonden en de moorden die nog zouden volgen.
Net als Lincoln herschreef Obama de Amerikaanse geschiedenis, door rebellen, kunstenaars en immigranten in het hart van dat verhaal te plaatsen
De beroemdste presidentiële toespraak – de norm waartegen alle andere Witte Huis-toespraken worden afgezet – is de Gettysburg Address. Op de gewijde grond waar zich een van de bloedigste veldslagen uit de Burgeroorlog had afgespeeld, probeerde Abraham Lincoln met die speech alle Amerikanen – Noorderlingen en Zuiderlingen – te verenigen onder één gemeenschappelijke visie. De toespraak gaat niet in op details, noemt geen namen van de doden en vertelt niet over het verloop van deze verwoestende slag. Het onderwerp slavernij wordt geheel buiten beschouwing gelaten. Lincoln gebruikt zijn speech om de Amerikaanse geschiedenis opnieuw vorm te geven, door gelijkheid te verheffen boven vrijheid als het belangrijkste ideaal van het land.
Met de speech die hij vorig jaar hield ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het bloedig neerslaan van de protestmars in Selma, Alabama, haalde Obama eenzelfde kunststuk uit. Hij sprak op de gewijde grond van Selma en vergeleek de gebeurtenissen op de Edmund Pettus-brug met die in Gettysburg. Net als Lincoln herschreef Obama de Amerikaanse geschiedenis, door rebellen, demonstratieleiders, outcasts, kunstenaars en immigranten in het hart van dat verhaal te plaatsen. ‘Kijk naar onze geschiedenis,’ verzocht hij dringend. In zijn opsomming van Amerikaanse helden noemde hij de ‘Lost Boys of Sudan’, ‘de mensen die vol hoop de Rio Grande oversteken’, ‘de slaven die het Witte Huis hebben gebouwd’ en ‘de homoseksuele Amerikanen van wie het bloed is gevloeid op de straten van San Francisco en New York’. De stichters van Amerika en de ‘jonge soldaten’ van de Tweede Wereldoorlog werden slechts in het voorbijgaan genoemd. Voor het eerst waren ze naar de zijlijn verwezen.
De speech in Selma, die vijf keer werd herschreven, was de meest ambitieuze en radicale toespraak van Obama’s presidentschap. Hij beschreef een Amerika dat voortdurend in verandering is en chronisch ontevreden, dat eeuwig blijft streven naar de idealen die de oprichters van de natie voor ogen stonden. ‘Wat is een grotere uiting van geloof in het Amerikaanse experiment dan dit?’ zei Obama in Selma. ‘Welke grotere vorm van vaderlandsliefde is er dan het geloof dat Amerika nog niet af is, dat we sterk genoeg zijn om kritisch tegenover onszelf te zijn, dat elke nieuwe generatie onze onvolmaaktheden onder ogen kan zien en besluiten dat we in staat zijn dit land nog verder te hervormen en zo nog dichter bij onze hoogste idealen te brengen?’
Zelfs in deze weerbarstige tijden blijft de speech in Selma bewondering oogsten, zowel onder Republikeinen als onder Democraten. ‘Dit is het soort toespraak dat elk kind op school zou moeten lezen,’ zegt Michael Gerson, de belangrijkste speechschrijver van president George W. Bush en nu columnist bij The Washington Post. Volgens medewerkers is de speech in Selma ook Obama’s favoriete toespraak, omdat die het helderst zijn kijk op de buitengewoonheid van Amerika verwoordt.
Genie
Maar het ware genie van de Selma-speech is dat hij de Amerikaanse toekomst aanspreekt. Volgens cijfers van het Amerikaanse bureau voor de statistiek zal de blanke bevolking van de VS in 2044 niet langer een meerderheid vormen. Deze verschuiving heeft onrust gebracht onder blanken en waarschijnlijk een impuls gegeven aan de presidentscampagne van Donald Trump. Het is deels de oorzaak van het verzet tegen Obama’s presidentschap en de vraagtekens die worden geplaatst bij zijn staatsburgerschap, zijn vaderlandsliefde en zijn geloof.
Maar op een dag zal deze demografische verschuiving gezien worden als een onvermijdelijk deel van het Amerikaanse verhaal. ‘Selma’ is de eerste, grootse, presidentiële speech die zich richt tot dat Amerika, en alleen onze eerste zwarte president had hem kunnen houden.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Een New Yorkse archivaris vond een doos met brieven van de vader van de Amerikaanse president. Die heeft nog niet gereageerd op de uitnodiging om ze te komen bekijken.
De archivaris van het Schomburg Center in Harlem, New York, trof in een doos een aantal vergeelde brieven aan van meer dan een halve eeuw geleden, waarin een jonge, ambitieuze Keniaan van tweeëntwintig jaar over zijn dromen en problemen schreef.
Hij werkte als kantoorbediende, kon vijfenzeventig woorden per minuut typen en uit het Engels in het Swahili vertalen, maar hij had geen geld om door te studeren. Dus schreef hij universiteiten en stichtingen aan de overkant van de Atlantische Oceaan aan met het verzoek hem een studiebeurs toe te kennen. Zijn brieven zouden de loop van de Amerikaanse geschiedenis mede veranderen.
President Obama heeft zich diverse malen uitgesproken over de leegte die zijn vader in zijn leven achterliet
‘Ik koester al lange tijd de hoop om in Amerika te kunnen studeren’, schreef hij in een brief uit 1958. Zijn naam was Barack Hussein Obama, en zijn pogingen slaagden: hij kreeg een reeks beurzen om in de Verenigde Staten te studeren. Daar verwekte hij het kind dat de eerste zwarte president van Amerika zou worden, uit wiens leven hij enkele maanden na zijn geboorte verdween.
In 2013 nodigde het Schomburg Center president Obama uit om deze documenten te komen inzien – een twintigtal brieven van zijn vader, diens cijferlijsten van de universiteiten van Hawaï en Harvard en getuigschriften van zijn docenten – maar deze heeft nog niet gereageerd. Een woordvoerder van het Witte Huis meldt dat de president ze volgend jaar zal inzien, als hij niet meer in functie is, maar geeft geen antwoord op de vraag waarom de president nooit op de brieven van het centrum heeft gereageerd.
Nieuwe informatie
President Obama heeft zich diverse malen uitgesproken over de leegte die zijn vader in zijn leven achterliet. Obama sr. ging in 1964, toen zijn zoon drie jaar was, terug naar Kenia en heeft hem maar eenmaal teruggezien, toen junior tien was. Zijn zoektocht naar de man wiens naam hij draagt heeft de president beschreven in zijn autobiografie Dromen van mijn vader. In Kenia had hij op zijn twintigste wat informatie opgedaan, maar niet veel. ‘Ik wist nog steeds niet wat voor man mijn vader was en wat hem dreef’, schrijft hij.
De brieven van Barack Obama sr., die de periode 1958-1964 beslaan, geven nieuwe informatie, vooral over zijn jaren in de VS. In 1960 kwam hij op de Universiteit van Hawaï medestudente Ann Dunham tegen. Toen deze het jaar daarop zwanger raakte, trouwde hij met haar, hoewel hij al een vrouw en twee kinderen in Kenia had. Op 4 augustus 1961 werd hun zoon geboren, wat Obama sr. stelselmatig verzweeg, zelfs in zijn beursaanvragen.
Sommige familieleden beschrijven hem als een gecompliceerde, briljante en autoritaire man, charmant en brutaal. Hij wilde als econoom voor de Keniaanse regering werken en begon te drinken toen dat mislukte. Op zijn zesenveertigste kwam hij om het leven bij een auto-ongeluk.
President Obama beschrijft zijn eigen leven vaak als een typisch voorbeeld van de ‘American Dream’, maar de levensloop van zijn vader was ook niet bepaald gebruikelijk. Als kleine jongen in Kenia hoedde Barack sr. geiten en ging hij op blote voeten naar school. Hij was een briljante leerling, maar maakte zijn middelbare school niet af ‘vanwege financiële problemen in mijn familie’, zoals hij in een van zijn beursaanvragen schrijft. ‘Door de slechte gezondheid van mijn vader moest ik de school verlaten en gaan werken om mijn familie te onderhouden.’
Hij werkte als boekhouder, landmeter, afdelingschef bij een verzekeringsmaatschappij en medewerker van een alfabetiseringsprogramma. Hij trouwde en kreeg kinderen. Ondanks zijn financiële problemen bleef hij ambitieus. ‘Ik zou een ingenieursbureau kunnen beginnen of voor de regering kunnen gaan werken,’ schrijft hij in een andere brief.
Voorlopig is het onderwerp nog te gevoelig en blijft het dossier veilig opgeborgen in la 214 van Phelps Stokes Fund in New York
Zijn inspanningen werden beloond. Hij kreeg een beurs voor de Universiteit van Hawaï en vloog daar op 4 augustus 1959 naartoe via Rome, Parijs en New York. Een jaar later ontmoette hij zoals gezegd Ann Dunham, de moeder van president Obama.
Hij had zich op dat moment volledig in het universitaire leven gestort en was lid van een debatclub en redacteur van het tijdschrift van de vereniging van buitenlandse studenten. Hij was opgetogen over het klimaat op Hawaï. ‘Je zou nooit geloven dat het winter is’, schrijft hij. ‘En de mensen hier zorgen dat ik me thuis voel. Ik ben al diverse keren uitgenodigd om een lezing over Afrika en Kenia te geven.’
Toen hij in 1962, na in Hawaï cum laude te zijn afgestudeerd, zijn studie vervolgde aan Harvard, was zijn Amerikaanse gezinnetje al uiteengevallen. Hij behaalde een bachelor in de economie (geen master) en keerde zonder zijn zoontje terug naar Kenia.
Christine McKay, de archivaris die de brieven heeft ontdekt, moest onwillekeurig aan dat zoontje denken toen ze de brieven las. ‘Ik zei bij mezelf: wat zou het mooi zijn als de president de woorden van zijn vader kon lezen,’ zegt ze.
Maar voorlopig is het onderwerp nog te gevoelig en blijft het dossier veilig opgeborgen in la 214 van Phelps Stokes Fund in New York. Als Barack Obama er klaar voor is, staat het dossier van zijn vader tot zijn beschikking.
Mocht Hillary Clinton in november president worden, dan zal ze waarschijnlijk een veel agressiever buitenlandbeleid voeren dan Barack Obama. En misschien zelfs wel dan Donald Trump. Mark Landler, Witte Huisverslaggever voor The New York Times, beschrijft waar die militaire angehauchtheid vandaan komt.
Hillary Clinton zat thee te drinken in de goed verstopte werkkamer van haar officiële kantoor op het ministerie van Buitenlandse Zaken en maakte de balans op van haar eerste ambtsjaar. De werkkamer had meer iets van een huiskamer – gezellig door de houten lambrisering en de boekenplanken vol aandenkens aan haar drie decennia in het openbare leven: een beeldje van haar heldin Eleanor Roosevelt, een honkbal met de handtekening van sterspeler Ernie Banks van de Chicago Cubs, een houten figuurtje van een zwangere Afrikaanse vrouw. De intieme sfeer leende zich voor een minder formeel interview dan de gebruikelijke locatie, haar imposante officiële kantoor met zijn marmeren haard, dikke gordijnen, kristallen kandelaar en rijkelijk versierde wandlampen. Maar op de ochtend van 26 februari 2010 praatte Clinton over iets gevoeligers dan buitenlandse zaken: haar relatie met Barack Obama. Zeggen dat ze haar woorden met zorg koos is een understatement. Ze leek op iemand van de explosievenopruimingsdienst die moest beslissen welke kleur draad ze moest doorknippen zonder haar relatie met het Witte Huis op te blazen.
‘Ik denk dat we een uitstekende onderlinge verstandhouding hebben opgebouwd over alles wat je je kunt voorstellen,’ zei Clinton over de man die ze tijdens de campagne in 2008 nog had afgeschilderd als naïef, onverantwoordelijk en totaal ongeschikt voor het presidentschap. ‘En we hebben een aantal interessante en zelfs ongebruikelijke ervaringen opgedaan.’ Ze leunde voorover terwijl ze sprak, gebaarde met haar handen en was goedlachs. Tijdens gesprekken met verslaggevers toont Clinton meer warmte dan Obama, al is de kans dat ze het achterste van haar tong zal laten zien kleiner.
Oorlog en vrede
Clinton begon, zoals zo vaak, over de VN-klimaattop in Kopenhagen van december 2009, die zij en Obama gezamenlijk voor een mislukking hadden behoed. Ze sprak over het vredesproces in het Midden-Oosten, een speerpunt van de president, dat ze nieuw leven moest inblazen. Maar ze had het begrijpelijkerwijs liever niet over onderwerpen waarover Obama en zij van mening verschilden, zoals dat van oorlog en vrede, waar Clintons activistischere houding al op onvoorspelbare manieren in botsing was gekomen met de terughoudendere opstelling van Obama. Ze had generaal Stanley McChrystal gesteund toen deze adviseerde om veertigduizend extra manschappen naar Afghanistan te sturen, om vervolgens genoegen te nemen met een lager aantal van dertigduizend (waarmee Obama akkoord ging, op voorwaarde dat ze in juli 2011 zouden worden teruggetrokken, wat zij als problematisch beschouwde). Ze stond achter het plan van het Pentagon om in Irak aanwezig te blijven met een leger van tien- tot twintigduizend manschappen (iets waartegen Obama zich verzette, voornamelijk omdat hij zich niet van de wettelijke bescherming van de Iraki’s kon verzekeren, iets wat hem zou achtervolgen toen IS een groot deel van het land bezette). En ze drong erop aan dat de VS wapens zouden leveren aan de rebellen in de Syrische burgeroorlog (een idee dat Obama aanvankelijk verwierp, om er later schoorvoetend mee in te stemmen).
Deze fundamentele spanning tussen Clinton en de president zou een wezenskenmerk blijven van haar vierjarige ambtsperiode als minister van Buitenlandse Zaken. Tijdens het eerste regeringsoverleg over Rusland in februari 2009 stelden adviseurs van Obama voor om de VS enkele symbolische concessies aan Rusland te laten doen, als blijk van goede wil. Clinton, die als laatste aan het woord kwam, verwierp het idee met de woorden: ‘Ik ga niet voor niets iets opgeven.’ Haar hardnekkigheid maakte indruk op Robert Gates, de van George W. Bush overgenomen minister van Defensie, die beducht was voor een veranderd Rusland. Hij stelde ter plekke vast dat ze iemand was met wie hij zaken kon doen. ‘Ik dacht: Geen makkelijke tante,’ zei hij me.
Een paar maanden na mijn interview in haar kantoor kwam het tot een nieuw meningsverschil, toen Obama een beveiligde telefoon pakte voor een weekendoverleg met Clinton, Gates en een handvol andere adviseurs. Het was 4 juli 2010, vier maanden nadat Noord-Korea een korvet van de Zuid-Koreaanse marine had getorpedeerd, waarbij 46 opvarenden omkwamen. Nu, na een wekenlang heftig debat tussen het Pentagon en het ministerie van Buitenlandse Zaken, maakten de Verenigde Staten zich op om te reageren op deze schaamteloze provocatie. Het aanvankelijke plan – ontwikkeld door James Steinberg, Clintons onderminister van Buitenlandse Zaken – was om het vliegdekschip George Washington naar de kustwateren ten oosten van Noord-Korea te sturen, bij wijze van ongebruikelijk machtsvertoon.
Maar admiraal Robert Willard, de toenmalige bevelhebber in de Grote Oceaan, wilde het vliegdekschip een agressievere koers laten varen, naar de Gele Zee tussen Noord-Korea en China. Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken had de VS voor zo’n actie gewaarschuwd, wat voor Willard een reden te meer was om druk te zetten. Hij benaderde chef-staf Mike Mullen, die er op zijn beurt bij zijn baas, de minister van Defensie, op aandrong de route te wijzigen. Gates ging akkoord, maar daarvoor was het wel nodig dat de opperbevelhebber achter een besluit stond dat zowel politieke als militaire repercussies kon hebben.
Gates legde het voorstel om de George Washington naar de Gele Zee te sturen voor, met als argument dat de VS niet de indruk moesten wekken te buigen voor China. Clinton steunde hem krachtig. ‘We moeten doordouwen,’ had ze een paar dagen eerder tegen haar assistenten gezegd.
Maar Obama was niet overtuigd. De George Washington was al onderweg; de koers veranderen was niet een besluit dat je zomaar eventjes nam.
Geharnaste retoriek
Het was niet het laatste debat waarin Clinton aan de kant van Gates zou staan. Het tweetal ontdekte algauw dat ze een midwesterse opvoeding deelden, een voorliefde voor een stevige borrel na een lange werkdag en een diepgewortelde scepsis over de intenties van Amerika’s vijanden. Bruce Riedel, een voormalige veiligheidsanalist die Obama’s aanvankelijke herziening van de oorlogsoperaties in Afghanistan leidde, zegt: ‘Ik denk dat Gates en het leger een beetje verbaasd waren: ze hadden een linkse regering verwacht, en nu ontdekten ze dat ze een minister van Buitenlandse Zaken hadden die nog wat rechtser was dan zijzelf – nog iets gretiger dan zijzelf, tot op zekere hoogte. Vooral op het gebied van Afghanistan, waarvan Gates volgens mij wist dat er meer moest gebeuren, dat er meer troepen naartoe moesten worden gestuurd, terwijl hij tegelijkertijd twijfelde of dat zou werken.’
Nu Hillary Clinton opnieuw een gooi naar het presidentschap doet, kan het verleidelijk zijn haar geharnaste retoriek over de wereld minder als een kernprincipe te beschouwen dan als een uitgekiende politieke manoeuvre. Maar Clintons instincten op het gebied van het buitenlands beleid zitten er stevig ingebakken en zijn gebaseerd op koel realisme en, in de woorden van een van haar assistenten, ‘een standaardkijk op de Amerikaanse uitzonderingspositie’.
Trump heeft niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor militair optreden getoond als Clinton
Daarin verschilt ze van Barack Obama, die militaire verwikkelingen vermeed en de Amerikanen probeerde te verzoenen met een wereld waarover de VS niet langer de onbetwiste heerschappij voerden. En ze zal in dat opzicht waarschijnlijk ook verschillen van de Republikeinse kandidaat die ze bij de algemene verkiezingen tegenkomt. Ondanks zijn grootspraak over het platbombarderen van Islamitische Staat heeft Donald Trump niet in de verste verte eenzelfde voorliefde voor buitenlands militair optreden getoond als Clinton.
‘Hillary behoort duidelijk tot de traditionele gevestigde orde van het Amerikaanse buitenlandbeleid,’ zegt Vali Nasr, die haar op het ministerie van Buitenlandse Zaken adviseerde over Pakistan en Afghanistan. ‘Ze gelooft, net als vorige presidenten, tot Reagan en Kennedy aan toe, in het belang van militair optreden – in het oplossen van het terrorisme, in het laten gelden van Amerikaanse invloed. Obama ging gaandeweg meer op de inlichtingendiensten vertrouwen dan op het leger. Het idee van de inlichtingendiensten was: het enige wat je nodig hebt om af te rekenen met het terrorisme zijn de NSA [de Nationale Veiligheidsdienst] en de CIA, drones en speciale operaties. Zo bood de CIA Obama de mogelijkheid om een havik te zijn zonder het leger te hoeven inzetten.
Republikeinse vader
Anders dan andere recente presidenten – Obama, George W. Bush of haar man, Bill Clinton – zou Hillary Clinton het ambt aanvaarden met een lange staat van dienst op het gebied van de nationale veiligheid. Die staat van dienst kun je op verschillende manieren bekijken, maar het onthullendst is haar decennialange cultivering van het militaire apparaat – niet alleen van ‘burgers’ als Gates, maar ook hoge bevelhebbers, de mannen met de medailles. Haar affiniteit met de strijdkrachten wortelt in de levenslange overtuiging dat een uitgekiend gebruik van militaire macht van wezenlijk belang is voor de verdediging van nationale belangen, dat Amerikaanse interventie meer goed doet dan kwaad en dat de invloedssfeer van de Verenigde Staten zich dient uit te strekken – om Bush te citeren – tot in ‘elke duistere uithoek van de wereld’. Tijdens de bombastische, door testosteron verhitte presidentsverkiezingen van 2016 is Hillary Clinton onverwachts de enige havik die nog in de race is.
Voor wie Clintons biografie kent, kan haar militaire angehauchtheid geen verrassing zijn. Ze groeide op in de woelige nadagen van de Tweede Wereldoorlog, als dochter van een onderofficier van de marine die jonge matrozen trainde voordat ze naar de Grote Oceaan werden verscheept. Haar vader, Hugh Rodham, was een trouwe Republikein en een communistenvreter, en ze nam zijn gezichtspunten over. Ze vertelt vaak over haar meisjesdroom om astronaut te worden, en ze noemt de afwijzingsbrief van NASA de eerste keer dat ze met geslachtsdiscriminatie te maken kreeg. Haar echte reden om zich aan te melden, heeft ze geschreven, was misschien wel het feit dat het haar vader zorgen baarde dat ‘Amerika achterliep op Rusland’.
De politieke bekering kwam later, nadat Vietnam en de jaren zestig over Wellesley College heen waren geraasd, waar ze zich tijdens haar afstudeerplechtigheid uitsprak tegen de gevestigde orde. Maar zelfs in het tumultueuze jaar 1968 was haar overgang van Republikein naar Democraat nog niet afgerond en bezocht ze de conventies van beide partijen. Als Republikeinse stagiaire in Washington vroeg ze die zomer aan Melvin Laird, een Congreslid uit Wisconsin, of het wel verstandig was dat Lyndon B. Johnson steeds verder bij Zuidoost-Azië betrokken raakte.
Na haar rechtenstudie had ze haar merkwaardigste ervaring met het militaire apparaat. In 1975, het jaar waarin ze met Bill Clinton trouwde, bezocht ze een rekruteringsbureau van de marine in Arkansas om te informeren naar de mogelijkheden om dienst te nemen bij de actieve of reservetroepen. Ze was jurist, legde ze uit; misschien kon ze zich op een of andere manier nuttig maken. De rekruteerder, herinnerde ze zich twee decennia later, was een jongeman van ongeveer 21, in optimale lichamelijke conditie. Clinton was op dat moment 27, net overgeplant uit Washington, docent aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Arkansas en getooid met een bril met jampotglazen. ‘Je bent te oud, je ziet niks en je bent een vrouw,’ zei hij. ‘Misschien wil de landmacht je wel hebben.’
‘Dat was geen erg bemoedigend gesprek,’ zei Clinton tijdens een lunch voor vrouwelijke militairen op Capitol Hill in 1994. ‘Ik besloot toen maar uit te kijken naar een andere manier om mijn land te dienen.’
Sommige journalisten hebben hun twijfels uitgesproken over de waarheid van dit verhaal, dat ze in de herfst van 2015 herhaalde tijdens een ontbijt met kiezers in New Hampshire: er is in elk geval geen concreet bewijs dat het gebeurd is en Bill vertelde in 2008 een andere versie, waarin marine en leger waren omgedraaid. Waarom zou iemand die net een rechtenstudie aan Yale had voltooid en net in het huwelijk was getreden plotseling een uniform willen aantrekken? Haar motieven zijn onmogelijk na te gaan, maar Ann Henry, een oude vriendin uit Arkansas, komt met een theorie: ‘In die dagen probeerden vrouwelijke faculteitsleden uit wat de grenzen waren van carrières die voor vrouwen gesloten leken. Ik denk niet dat het verzonnen is. Zoiets was typisch iets voor haar.’
First Lady
Clintons volgende langdurige contact met het militaire apparaat kwam pas toen ze first lady was, bijna twee decennia later. In het Witte Huis wonen lijkt in veel opzichten op wonen op een militaire compound. Als de president in het Oval Office is, staat voor de West Wing een marinier op wacht. Het medisch centrum en het telecommunicatiesysteem worden gerund door militairen. De marine bestiert de kantine, mariniers transporteren de president per helikopter, de luchtmacht doet datzelfde per vliegtuig. Camp David is een marinefaciliteit. Het dagelijks contact met mannen en vrouwen in uniform, zeggen Clintons vrienden, heeft haar gevoelens voor hen versterkt.
In maart 1996 bezocht de first lady Amerikaanse troepen die in Bosnië waren gestationeerd. De reis werd jaren later berucht toen ze beweerde, tijdens de campagne van 2008, dat ze door scherpschutters was beschoten nadat haar militaire C-17-toestel was geland op een Amerikaanse basis in Tuzla. (Chris Hill, een diplomaat die die dag ook aan boord was, herinnerde zich helemaal geen scherpschutters, alleen kinderen die haar boeketten lentebloemen aanboden.) Maar de goede sfeer tijdens haar rondgang langs de mess en de recreatiezalen was allerminst geveinsd. Met haar tienerdochter naast zich maakte ze grappen en grollen met de jonge mannelijke en vrouwelijke militairen – een ervaring, schreef ze, die ‘blijvende indruk op Chelsea en mij heeft gemaakt’.
Jack Keane, een van de architecten van de inval in Irak, heeft wellicht de meeste invloed op Clinton gehad
Toen Clinton in de Senaat werd gekozen, had ze belangrijke politieke redenen om zich om het militaire apparaat te bekommeren. Het Pentagon zat midden in een langdurig, politiek beladen proces van het sluiten van militaire bases; de staat New York was al geslachtofferd door de sluiting van de luchtmachtbasis Plattsburgh in 1995, waarbij 352 banen verloren gingen. De delegatie van New York was vastbesloten de resterende bases te behouden, met name Fort Drum, de thuisbasis van de 10e Bergdivisie. In oktober 2001, een maand na de aanslagen van 11 september, reisde Clinton naar Fort Drum op uitnodiging van generaal Buster Hagenbeck, die net tot commandant van de divisie was benoemd en een maand later naar Afghanistan zou worden gezonden.
Net als veel officieren met wie ik sprak koesterde hij nogal wat vooroordelen jegens Clinton wegens haar jaren als first lady; de vrouw die die middag rond borreltijd in zijn kantoor verscheen, beantwoordde daar echter niet aan.
‘Ze ging zitten,’ herinnert hij zich, ‘trok haar schoenen uit, legde haar voeten op de salontafel en zei: “Generaal, waar kan ik hier een koud biertje krijgen?”’ Het was het begin van een dialoog die zich over twee oorlogen uitstrekte. In de lente van 2002 leidde Hagenbeck Operatie Anaconda, een zestiendaagse aanval op taliban- en Al-Qaidastrijders in de Shah-i-Kotvallei, de grootste oorlogsoperatie tot dan toe. Toen de generaal terugkwam naar Washington om de verenigde chefs van staven te briefen, nam Clinton hem mee uit eten op Capitol Hill voor haar eigen briefing. Ze spraken ook over de voorbereidingen van de regering-Bush voor een oorlog in Irak, iets wat Hagenbeck met angst en beven volgde. De generaal, zo bleek, was meer een duif dan de senator. Hij waarschuwde haar voor de risico’s van een invasie, die op dat moment in het Pentagon op touw werd gezet. Het zou zijn alsof je een ‘bijenkorf omschopt’, zei hij.
Hagenbeck vergeeft Clinton dat ze in 2002 voor militair ingrijpen in Irak stemde. ‘Dat deed ze weloverwogen,’ zegt hij. ‘En later had ze er spijt van.’ Wat voor hem belangrijker was dan het stemgedrag van Clinton, was haar niet-aflatende openbare steun aan het militaire apparaat, of het nu ging om het beschermen van Fort Drum of het feit dat ze achter hem stond tijdens het eerste moeilijke jaar in Afghanistan.
Clintons opleiding in militaire zaken begon pas echt in 2002, nadat ze door een verpletterende nederlaag van de Democratische Partij tijdens de midterm-verkiezingen enkele plaatsen in senatoriale senioriteit was opgeschoven. De Congresleiders van de partij boden haar een plaats aan in ofwel de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen ofwel de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten. Ze koos voor Strijdkrachten en brak daarmee met een lange traditie van New Yorkse senatoren als Daniel Patrick Moynihan en Jacob Javits, die het prestige van Buitenlandse Betrekkingen verkozen. Strijdkrachten gaat over aardsere zaken als uitkeringen voor veteranen en was lange tijd het domein geweest van Republikeinse haviken als John McCain. Maar na 11 september zag Clinton Strijdkrachten als een betere voorbereiding op haar toekomst. Voor een politica die wilde laten zien dat ze niet voor een kleintje vervaard was – een vrouw die opperbevelhebber wilde worden – was het een perfecte leerschool. Ze stortte zich er met hart en ziel in.
Andrew Shapiro, de toenmalige adviseur buitenlandse zaken van senator Clinton, schakelde tien deskundigen in – onder wie Bill Perry, die minister van Defensie was onder haar man, en Ashton Carter, die uiteindelijk Obama’s vierde Defensieminister zou worden – om haar in alles in te wijden, van algehele strategie tot defensieaankopen. Ze bezocht elke commissievergadering, hoe onbeduidend ook. In 2003 bezocht ze op Thanksgiving Day de troepen in Afghanistan en ze sprak op elke belangrijke militaire basis in de staat New York. Inmiddels – dertig jaar nadat ze door een marinerekruteerder in Arkansas was afgewezen – was Hillary Clinton een militaire doordouwer geworden.
Jack Keane is een van de architecten van de inval in Irak; hij heeft wellicht ook de meeste invloed gehad op de manier waarop Hillary Clinton over militaire kwesties denkt. Keane, een beer van een vent met een vierkante kop en glad Brylcreem-haar, straalt het ultieme zelfvertrouwen uit dat je van een gepensioneerde viersterrengeneraal mag verwachten. Inmiddels is hij een goedbetaald lid van het militair-industriële complex, met bestuursfuncties bij onder andere General Dynamics. Hij is geen man die aarzelt om militair in te grijpen en hij heeft weinig boodschap aan burgers als Obama, die dat wel doen.
Keane leerde Clinton kennen in de herfst van 2001, toen zij net senator was en hij onderbevelhebber van het leger, met een grote staat van dienst in Vietnam, Somalië, Haïti, Bosnië en Kosovo. Hij had verwacht dat ze intelligent, hardwerkend en politiek bedreven zou zijn, maar hij was niet voorbereid op het respect dat ze toonde voor het leger als instituut, of op haar medeleven met de offers die door soldaten en hun families waren gebracht. Keane was ervan overtuigd dat hij een neppoliticus van een kilometer afstand kon ruiken, maar bij haar rook hij niets. ‘Ik heb mensenkennis; dat is een van mijn sterke kanten,’ vertelde hij me. ‘Niet dat ik het nooit mis heb, maar het gebeurt niet vaak.’
Clinton mocht Keane ook onmiddellijk. ‘Ze is dol op die Ierse korzeligheid,’ zegt een van haar Senaatsassistenten, Kris Balderston, die er die dag bij was. Toen Keane na drie kwartier opstond voor een gesprek in het Pentagon met een Poolse generaal, maakte ze duidelijk dat ze nog niet klaar was en vroeg om een vervolggesprek. ‘Oké, maar het heeft me drie maanden gekost om deze afspraak te krijgen,’ antwoordde Keane haar droogjes. Clinton barstte uit in een schor gelach. ‘Dat probleem los ik wel op,’ beloofde ze.
Ze hield woord: de twee zouden elkaar het volgende decennium vele malen ontmoeten en praten over de oorlogen in Afghanistan en Irak, de nucleaire dreiging van Iran en andere hete hangijzers in het Midden-Oosten. Soms kwam Keane langs op haar kantoor in de Senaat; andere keren gingen ze samen eten of wat drinken. Hij begeleidde haar tijdens haar eerste bezoek aan Fort Drum en regelde haar eerste reis naar Irak.
Ze spraken meestal niet over politiek, maar tijdens een ontmoeting in Clintons Senaatskantoor in januari 2007 probeerde Keane haar te overtuigen van de logica van het sturen van extra troepen naar Irak. De maand daarvoor had hij president Bush ontmoet in het Oval Office en hem geadviseerd dat de VS vijf tot tien leger- en marinebrigades moesten inzetten om het oproer in de steden te onderdrukken; alleen zo, had hij betoogd, zou er rust komen in een land dat werd verscheurd door sektarische strijd. Keane wekte daarmee de woede van enkele van zijn collega-generaals, die vreesden dat zo’n strategie de afhankelijkheid van Irak zou vergroten en de Amerikaanse betrokkenheid zou verlengen. Maar hij maakte veel indruk op de opperbevelhebber, die algauw twintigduizend extra manschappen naar Irak stuurde.
Clinton was een ander verhaal. ‘Ik ben ervan overtuigd dat dat niet zal werken, Jack,’ zei ze hem. Ze voorspelde dat Amerikaanse soldaten die in Iraakse steden patrouilleerden, zouden worden ‘opgeblazen’ door soennitische milities of Al-Qaidastrijders. ‘Ze dacht dat het ons niet zou lukken,’ herinnert Keane zich, ‘en dat er meer slachtoffers door zouden vallen.’
Ze had natuurlijk ook politieke overwegingen. Barack Obama was bezig de basis te leggen voor zijn kandidatuur, half januari, waarin hij zou benadrukken dat hij tegen de oorlog in Irak was geweest, terwijl zij ervóór had gestemd – een stem die haar ook tijdens de Democratische voorverkiezingen van dit jaar nog achtervolgt. Obama was bezig een fondsenwervingscampagne op te zetten die in drie maanden tijd 25 miljoen dollar zou opleveren, wat het politieke kamp van Clinton deed huiveren en hem tot een formidabele tegenstander maakte. Hoewel ze met Keane van mening verschilde over Irak, vroeg Clinton hem om officieel adviseur te worden. ‘Hoezeer ik je ook respecteer,’ antwoordde hij, ‘dat kan ik niet doen.’
Keanes vrouw had gezondheidsproblemen, waardoor hij eerder uit actieve dienst was getreden, en hij steunde in de regel geen presidentskandidaten. Ergens in 2008 – hij weet niet meer precies wanneer – vertelde Clinton hem dat ze er verkeerd aan had gedaan te twijfelen aan het sturen van extra troepen. ‘Ze zei: “Je had gelijk, het heeft echt gewerkt,”’ herinnert Keane zich. ‘Ik vond dat ze over nationale veiligheidszaken altijd eerlijk tegen me was.’
Keane en Clinton bleven praten, zelfs nadat Obama had gewonnen en zij minister van Buitenlandse Zaken werd. Ze waren het meestal eens. Keane was, net als Clinton, voor een krachtiger interventie in Syrië dan Obama. In april 2015, een week voordat ze haar kandidatuur aankondigde, vroeg Clinton hem om een briefing over de militaire opties voor het bestrijden van Islamitische Staat. Tijdens een presentatie van twee uur en twintig minuten pleitte Keane onder meer voor een vliegverbod boven delen van Syrië, waardoor de luchtmacht van de Syrische president Bashar al-Assad geneutraliseerd zou worden en deze laatste zou worden gedwongen tot een politieke schikking met oppositiegroepen. Zes maanden later verklaarde ze zich publiekelijk voorstander van zo’n vliegverbod, waarmee ze nog verder van Obama af kwam te staan.
‘Ik ben ervan overtuigd dat deze president onder geen enkele omstandigheid zijn tanden zal laten zien, ook al is het nog zo dringend,’ vertelde Keane me. Hij zat in de bibliotheek van zijn huis in McLean in Virginia, tussen rijen boeken over militaire geschiedenis en strategie. Zijn kritiek op Obama was nauwelijks nieuw of origineel, maar weerspiegelt wel het denken van Clinton en haar politieke adviseurs. ‘Een van de problemen van de president, waardoor zijn diplomatieke inspanningen worden verzwakt, is dat leiders niet geloven dat hij militair geweld zal gebruiken. Daarin verschilt de president wezenlijk van Hillary Clinton. Zij zou militair geweld als een realistische optie beschouwen, maar alleen als er geen andere opties zijn.’
Generaals
De vriendschap met Keane gaf Clinton ook directe toegang tot zijn informele netwerk van actieve en gepensioneerde generaals. De interessantste daarvan was ongetwijfeld David Petraeus, die Clintons geharnaste ambities deelde en ook een leven vol bedwelmende successen en vernederende tegenslagen had gekend. Beiden werden beschuldigd van een slechte omgang met geheime informatie: Clinton omdat ze haar privéserver en privé-e-mailadres had gebruikt voor het afhandelen van gevoelige regeringszaken, wat tot een politiek schandaal zou leiden; Petraeus omdat hij een dagboek met geheime informatie aan zijn biografe en maîtresse had verstrekt.
Tijdens Clintons eerste reis naar Irak, in november 2003, vloog Petraeus, die toen als tweesterrengeneraal bij de 101ste luchtmachtdivisie diende, haar van zijn hoofdkwartier in Mosul naar de relatieve veiligheid van Kirkuk om haar en haar delegatie te briefen. ‘Ze zat vol vragen,’ herinnert hij zich. ‘Zoiets betekent veel voor een bevelhebber.’ Tijdens volgende reizen, toen hij in rang was gestegen, lichtte Petraeus haar in over zijn plannen om Iraakse legertroepen te trainen en van wapens te voorzien. Beiden hadden daar baat bij: Petraeus bouwde een band op met een prominent Democratisch Senaatslid, Clinton poetste haar imago op als vriendin van het leger. ‘Ze deed het op de ouderwetse manier,’ zegt hij. ‘Ze deed het door relaties aan te knopen.’ Toen Petraeus begin 2007 werd teruggestuurd naar Irak als hoogste militair, gaf hij elk lid van de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten een exemplaar van het Amerikaanse Veldhandboek voor oproerbestrijding door leger en mariniers. Clinton las het hare van begin tot eind.
Hoewel Clintons bezwaar tegen het sturen van extra troepen hout sneed, zou het haar later opbreken, net als het feit dat ze vóór de oorlog had gestemd. Ditmaal was het haar bondgenoot Bob Gates die de geest uit de fles haalde. In zijn memoires schreef Gates dat ze tegenover hem en de president had bekend dat haar verzet politiek gemotiveerd was omdat ze op dat moment met Obama in de strijd om de Democratische voorverkiezingen in Iowa was verwikkeld. (Obama, schreef Gates, gaf ‘in bedekte termen’ toe dat ook hij er om politieke redenen tegen was geweest.) Tijdens een interview met Diane Sawyer van ABC News sloeg Clinton terug met de woorden dat Gates ‘misschien de context of de betekenis had gemist, want ik was wel degelijk tegen het sturen van extra troepen’. Haar verzet, zei ze tegen Sawyer, werd ingegeven door het feit dat de mensen op dat moment geen escalatie van de oorlog zouden accepteren. ‘Dit is geen politiek in electorale, politieke termen,’ zei Clinton. ‘Dit is politiek in de zin dat het Amerikaanse publiek achter zulke besluiten moet staan.’ Tijdens het volgende debat over het sturen van extra troepen liet ze zulke bedenkingen achterwege.
Om Bernie Sanders te dwarsbomen bracht ze haar boodschap op één lijn met die van Obama
‘We hebben kaarten nodig,’ zei Hillary Clinton tegen haar assistenten. Het was begin oktober 2009, en ze was net terug van een vergadering in de Situation Room. Obama’s oorlogskabinet had gediscussieerd over de vraag hoeveel extra troepen er naar Afghanistan moesten worden gestuurd, waar de Verenigde Staten, in beslag genomen door Irak, de taliban de gelegenheid hadden gegeven zich te hergroeperen. Het Pentagon, meldde ze, had indrukwekkende kaarten met kleurcodes gebruikt om zijn plannen te ontvouwen voor het stationeren van troepen verspreid over het land. Door de aandacht voor details hadden Gates en zijn commandanten een kordate, goed voorbereide indruk gemaakt, waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat aandrong op het meesturen van burgerpersoneel, bleekjes afstak. Tijdens de volgende vergadering, op 14 oktober, ontvouwde het team van Buitenlandse Zaken zijn eigen kaarten met de inzet van diplomaten, juristen en landbouwexperts die de soldaten naar Afghanistan zouden moeten volgen.
Clintons focus op kaarten was typerend voor de manier waarop ze in het eerste grote oorlog-en-vredesdebat van de regering-Obama stond. Ze wilde serieus worden genomen, ook al was haar ministerie minder belangrijk dan het Pentagon. Eén manier om dat te doen was het meesturen van burgerpersoneel, het stokpaardje van haar vriend Richard Holbrooke, de speciale gezant in de regio. ‘Ze wilde met alle geweld dat haar briefingboeken net zo dik en nauwgezet zouden zijn als die van het Pentagon,’ herinnert een topadviseur zich. Ze aarzelde ook niet om zich met de zaken van het Pentagon te bemoeien en stelde gedetailleerde vragen over de training van Afghaanse troepen en de militaire planning.
Ze was vastbesloten niets te missen, een besluit dat misschien geworteld was in een diepergelegen onzekerheid over haar rol binnen de regering, die meer op het Witte Huis was geconcentreerd dan ooit in het moderne tijdperk. In de ochtend van 8 juni 2009 mailde ze twee assistenten met de vraag: ‘Ik hoorde op de radio dat er vanochtend een kabinetsvergadering is. Klopt dat? Kan ik erheen? Zo niet, wie sturen we dan?’ Op 10 februari 2010 belde ze vanuit huis naar het Witte Huis, maar kwam niet voorbij de telefonist, die niet geloofde dat ze echt Hillary Clinton was. Toen haar werd gevraagd haar kantoornummer te geven om haar identiteit te bewijzen, zei ze dat ze dat niet kende. Uiteindelijk legde Clinton gefrustreerd neer en liet opnieuw bellen door het ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘als een keurige en gehoorzame minister’, zoals ze later op quasiberustende toon schreef. ‘Op eigen houtje bellen was niet toegestaan.’
Afghanistandebat
Het debat over de troepen in Afghanistan, een drie maanden durend drama van rivaliserende ego’s, gelekte documenten en eindeloos overleg, wordt als een typisch voorbeeld gezien van de strijd tussen de geslepen militaire bevelhebbers van het Pentagon en een onervaren jonge president, waarbij Joe Biden voor Obama’s advocaat van de duivel speelde. Hoewel deze voorstelling van zaken klopt, doet ze de rol van Clinton tekort. Door zich aan de kant van Gates en de generaals te scharen verleende zij hun voorstellen politiek gewicht en bood ze weerwoord aan de scepsis van Biden.
Toch mag haar rol ook niet worden overschat; ze heeft geen kentering in het debat teweeggebracht of er een duidelijk standpunt in verwoord. Maar haar niet-aflatende steun voor de krachtige aanbeveling van generaal McChrystal maakte het wel moeilijker voor Obama om voor een minder verregaande optie te kiezen. (McChrystal werd later door Obama ontslagen nadat zijn assistenten zich tegenover het blad Rolling Stone neerbuigend hadden uitgelaten over bijna elk lid van diens oorlogskabinet; alleen voor Hillary was een uitzondering gemaakt.)
‘Hillary stond vierkant achter wat McChrystal vroeg,’ zegt Gates. ‘Ze maakte duidelijk dat ze zijn verzoek om veertigduizend extra manschappen onverdeeld steunde. Later maakte ze duidelijk dat ze alleen bereid was geweest genoegen te nemen met dertigduizend omdat ik dat had voorgesteld. Ze hield in feite meer vast aan het oorspronkelijke aantal dan ik.’ Gates geloofde dat als hij Clinton, de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen, de commandant van het Centrale Commando David Petraeus en hemzelf op één lijn kon krijgen, Obama moeilijk nee zou kunnen zeggen. ‘Hoe kon je deze vier ruiters van de nationale veiligheid negeren?’ zegt Geoff Morrell, destijds woordvoerder van het Pentagon.
Zoals Clinton profiteerde van haar verbond met de militaire bevelhebbers, zo gaf ze hun ook politieke rugdekking. ‘Ik zal je een smerig geheimpje verklappen,’ zegt Tom Nides, een van haar voormalige onderministers op Buitenlandse Zaken. ‘Ze wisten allemaal dat ze haar aan hun kant moesten hebben. Ze wisten dat als zij de Situation Room binnenliep en achter hen stond, de dynamiek enorm zou veranderen. Als zij haar mond opendeed, kon ze de sfeer in de zaal veranderen.’
David Axelrod herinnert zich een vergadering waarin Clinton ‘hun mening vrijwel woordelijk verkondigde; dat weten ze vast nog wel. Ze wilde ze elke soldaat geven waar McChrystal om vroeg.’ Toch won Clinton niet op alle punten. Nadat hij had toegezegd manschappen te zullen sturen, voegde Obama er één eigen voorwaarde aan toe: dat de soldaten zo spoedig mogelijk weer zouden worden teruggetrokken, te beginnen in de zomer van 2011 – een deadline die uiteindelijk noodlottiger bleek dan een verschil van tienduizend manschappen. Clinton verzette zich tegen zo’n openbare deadline, met als argument dat Amerika de taliban daarmee in de kaart speelde en hen zou aanmoedigen te wachten tot de VS vertrokken – wat dan ook precies gebeurd is.
Tijdens de laatste dagen van het debat kreeg Clinton het ook aan de stok met haar eigen ambassadeur in Kaboel, Karl Eikenberry. Ook hij verschilde met haar van mening over de wijsheid van het sturen van extra manschappen. Op 6 november 2009 stuurde hij een lang telegram aan Clinton – later uitgelekt naar The New York Times – waarin hij op overtuigende wijze betoogde dat het voorstel van McChrystal de VS zou opzadelen met ‘onmetelijk veel hogere kosten en een grootschalige militaire rol in Afghanistan voor onbepaalde tijd’.
De analyse van Eikenberry bleek voor een groot deel juist, vooral zijn waarschuwing voor het tot op de draad versleten Amerikaanse partnerschap met de Afghaanse president Hamid Karzai. Extra pijnlijk was dat hij een gepensioneerde driesterrengeneraal was die van 2005 tot 2007 het bevel in Afghanistan had gevoerd. Clinton, die niet om het telegram had gevraagd, was furieus en vreesde dat het een debat kon verstoren dat zij en het Pentagon op het punt stonden te winnen.
Wat het telegram duidelijk maakte, was in hoeverre het Afghaanse debat door militaire overwegingen werd gedomineerd. Hoewel Clinton erop aandrong tot een akkoord te komen met het Afghaanse buurland Pakistan, betekende haar steun aan Gates, Petraeus en McChrystal dat ze niet de aangewezen persoon was voor diplomatieke alternatieven. ‘Ze heeft bijgedragen aan de overmilitarisering van de probleemanalyse,’ aldus Sarah Chays, destijds adviseur van McChrystal en later van de voorzitter van de verenigde chefs van staven Mike Mullen.
In oktober 2015 dwongen het aanhoudende geweld in Afghanistan en de erfenis van het wanbeleid van Karzai Obama ertoe af te zien van zijn plan om de laatste Amerikaanse soldaten tegen het eind van zijn presidentschap terug te trekken. Een paar duizend manschappen zullen daar voor onbepaalde tijd blijven. En Clintons voorstel voor het meesturen van burgerpersoneel is nooit echt van de grond gekomen.
Verkiezingscampagne
‘Het lijdt geen twijfel dat Hillary Clintons gespierdere benadering van het Amerikaanse buitenlandbeleid beter is toegesneden op 2016 dan op 2008,’ aldus Jake Sullivan, haar politieke topadviseur bij Buitenlandse Zaken en nu de belangrijkste adviseur in haar campagne.
Het was december 2015, 53 dagen voor de Democratische voorverkiezingen in Iowa; ik sprak Sullivan in Clintons royale hoofdkwartier in Brooklyn, waar hij me uitlegde hoe ze haar boodschap vormgaf in een campagne die steeds meer werd gedomineerd door zorgen over de nationale veiligheid. Clintons strategie, zei hij, was tweeledig: aan kiezers uitleggen dat ze een duidelijk plan had om de dreiging van het islamitische terrorisme het hoofd te bieden, en haar Republikeinse tegenstanders aan de kaak stellen als mensen die iedere vorm van ervaring en geloofwaardigheid misten op het gebied van nationale veiligheid.
Clinton had alle reden om de havik in zichzelf los te laten. Na de aanslagen in Parijs en het Californische San Bernardino bereikte de zorg over een grote aanslag in Amerika een hoogtepunt. Een peiling van CNN/ORS wees uit dat een meerderheid van 53 procent van de Amerikanen achter het sturen van troepen naar Syrië of Irak stond, een belangrijke verschuiving na de oorlogsmoeheid gedurende het grootste deel van Obama’s presidentschap. De Republikeinse kandidaten hanteerden apocalyptische metaforen om hun vastberadenheid te tonen. Ted Cruz dreigde een bomtapijt over Islamitische Staat af te werpen om te kijken of woestijnzand kon gloeien; Donald Trump riep de VS op alle moslims de toegang tot het land te ontzeggen ‘totdat duidelijk is wat de dreiging is van dit probleem’.
Maar de publieke voorkeur voor militaire actie is meestal vergankelijk. Drie weken later toonde dezelfde peiling dat het aantal voor- en tegenstanders gelijk was, 49 procent. Trump is geen voorstander van het sturen van nieuwe Amerikaanse soldaten naar Irak en Syrië (evenmin als Clinton trouwens). Hij staat sceptischer tegenover interventies dan zij en verkondigt luidkeels dat hij ook tegen de oorlog in Irak was. Hij wil dat de VS minder aan de NAVO afdragen en heeft al gesproken over het intrekken van de Amerikaanse veiligheidsparaplu boven Azië, zelfs als Japan en Zuid-Korea dan zelf kernwapens zouden aanschaffen om zich te verdedigen. Daarmee komen de kiezers bij de algemene verkiezingen misschien voor een ongebruikelijke keus te staan: die tussen een Democratische havik en een Republikeinse weifelaar.
Om de steeds opstandiger senator Bernie Sanders uit Vermont te dwarsbomen paste Clinton haar boodschap tijdens de Democratische voorverkiezingen zorgvuldig aan om op één lijn te komen met Barack Obama en diens raciaal diverse coalitie. Maar tijdens de algemene verkiezingen zal dat moeilijker worden. ‘De pers zal bovenmatige belangstelling tonen voor de scores,’ zegt Sullivan. ‘Dat kan de aandacht makkelijk afleiden van haar vermogen om te zeggen waar het op staat.’
Om te tonen dat ze een goede toekomstige opperbevelhebber is, zal Clinton zich ongetwijfeld beroepen op haar ervaring bij Buitenlandse Zaken. Afgelopen herfst, tijdens een reeks beleidstoespraken, begon Clinton zich duidelijker af te zetten tegen het nationale veiligheidsbeleid van de president. Ze zei dat de VS meer speciale commandotroepen naar Irak moesten sturen dan Obama had toegewezen, om de Iraki’s en Koerden te helpen in de strijd tegen IS. Ze toonde zich een voorstander van een gedeeltelijk vliegverbod boven Syrië. En ze beschreef de dreiging van IS voor Amerikanen in grimmiger bewoordingen dan de president. Zoals vaak het geval is bij Clinton en Obama, betroffen de verschillen niet zozeer de koers als wel de intensiteit. Evenmin als hij pleitte ze voor het sturen van grondtroepen naar het Midden-Oosten. Clinton hield vol dat haar plan geen breuk was met het zijne, maar alleen een ‘intensivering en versnelling’ daarvan.
Hoe goed de haviksinstincten van Clinton bij de stemming in het land passen is nog de vraag. Amerikanen hebben genoeg van oorlog en blijven beducht voor buitenlandse verwikkelingen. En toch wijzen peilingen uit, na de terughoudende Obama-jaren, dat ze net zo ontevreden zijn met het beeld van hun land als een uitgebluste wereldmacht die amechtig op de been probeert te blijven in een wereld van opkomende grootmachten als China, herrijzende imperia als het Rusland van Vladimir Poetin en de dodelijke nieuwe slagkracht van Islamitische Staat. Als Obama’s minimalistische benadering een noodzakelijke reactie was op de maximalistische stijl van zijn voorganger, dan verlangen Amerikanen misschien naar iets daartussenin, het soort gestaalde pragmatisme dat Clinton een leven lang heeft uitontwikkeld.
‘De president heeft een aantal harde beslissingen genomen,’ zegt Leon Panetta, na Bob Gates Obama’s minister van Defensie en vóór David Petraeus directeur van de CIA. ‘Maar het resultaat is gemengd en de vrees bestaat dat de president er niet in is geslaagd duidelijk te maken wat de rol van Amerika in de eenentwintigste eeuw is.’
‘Misschien lukt het hem alsnog,’ voegt hij eraan toe, beseffend hoe weinig tijd Obama nog rest. ‘Haar zou het zeker lukken.’
Mark Landler is sinds 2011 Witte Huiscorrespondent voor The New York Times. Dit artikel is een bewerkt uittreksel uit zijn boek Alter Egos: Hillary Clinton, Barack Obama and the Twilight Struggle Over American Power, dat deze maand in Nederlandse vertaling verschijnt bij Hollands Diep.
*Op 21 juni is Landler te gast bij het John Adams Institute.
Locatie: Vondelkerk Amsterdam Aanvang: 20.00 uur*
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.