Tag: obesitas

  • Novo Nordisk neemt stevige maatregelen om koppositie te behouden

    Novo Nordisk neemt stevige maatregelen om koppositie te behouden

    De Deense farmaceutische gigant neemt zichzelf grondig op de schop, met de bedoeling zijn leidende marktpositie in geneesmiddelen tegen obesitas te heroveren.

    Toen Novo Nordisk in juni 2021 zijn baanbrekende afslankinjectiemiddel, Wegovy genaamd, in de Verenigde Staten lanceerde, voelde dat alsof het bedrijf een sprong in het duister nam, aldus Maziar Mike Doustdar, die in augustus de leiding overnam van dit Deense farmaceutische bedrijf. Hoewel Novo begreep dat er enorme kansen lagen, was het geenszins duidelijk hoe groot de vraag zou zijn of waaruit die zou voortkomen. Novo, zegt Doustdar, leed onder de ‘vloek van het leiderschap’.

    Meer dan twee jaar lang had het bedrijf de markt voor afslankmedicijnen voor zichzelf. In 2023 was de omzet van Wegovy in de Verenigde Staten tot 4,3 miljard dollar gestegen. Maar datzelfde jaar lanceerde Eli Lilly, een concurrent die Novo’s misstappen nauwlettend had gevolgd, zijn eigen afslankinjectiemiddel, Zepbound. In 2024 was dat product goed voor een omzet van 4,9 miljard dollar, driekwart van Wegovy’s omzet. 

    Dit jaar zal Lilly Novo voorbijstreven. Volgens prognoses van het onderzoeksbureau Bloomberg Intelligence zal Lilly in 2030 meer dan de helft van de wereldwijde markt voor geneesmiddelen tegen obesitas in handen hebben, tegenover slechts een derde voor Novo.

    Beleggers in de Deense farmaceut zijn flink van slag. De marktwaarde van zo’n 220 miljard dollar is sinds juni 2024 – toen Novo het meest waardevolle bedrijf van Europa was – met twee derde gedaald. De waarde van Lilly is sindsdien met meer dan een kwart gestegen. Desondanks liet Doustdar in een interview met The Economist blijken dat hij vertrouwen had in Novo’s mogelijkheden tot herstel. Zijn remedie: de ontwikkeling van een nieuwe generatie middelen tegen obesitas, plus ingrijpende veranderingen in de bedrijfsvoering. 

    Concurrentie

    Novo was uitstekend gepositioneerd om de afslankrevolutie te leiden. Het bedrijf werd meer dan een eeuw geleden opgericht als producent van insuline – een hormoon dat de bloedsuikerspiegel reguleert – en is specialist in stofwisselingsziekten. Het hoofdkantoor in Bagsvaerd, net buiten Kopenhagen, is gebouwd rond een wenteltrap die is gemodelleerd naar het insulinemolecuul. Zo’n tien jaar geleden ontdekten wetenschappers van Novo dat semaglutide, een veelbelovend medicijn tegen diabetes, de eetlust remt, wat de aanzet gaf tot de ontwikkeling van een nieuwe reeks afslankmiddelen. (Semaglutide, dat het GLP-1 hormoon nabootst, is het actieve bestanddeel van zowel Wegovy als Ozempic, een geneesmiddel dat in 2017 in Amerika is goedgekeurd voor de behandeling van diabetes.)

    Novo bleek destijds de vraag naar zijn nieuwe afslankinjectiemiddel echter zwaar te onderschatten. Volgens Doustdar ging het bedrijf uit van een vraag die drie keer zo groot was als die naar Saxenda, een ouder en minder effectief medicijn tegen obesitas. Vijf weken na de lancering in de Verenigde Staten had Wegovy al evenveel recepten gegenereerd als Saxenda in vier jaar tijd. De productie kon de vraag niet aan, met als gevolg dat Wegovy op de officiële Amerikaanse tekortenlijst kwam te staan. Dit betekende dat het mocht worden verkocht in zogeheten ‘compounding’-apotheken, die toestemming hebben kopieën te  maken van merkgeneesmiddelen bij onvoldoende aanbod, en deze dan met forse korting kunnen verkopen. Hoewel Wegovy in februari van de tekortenlijst af ging, zijn er via omwegen nog steeds kopieën van het medicijn verkrijgbaar. Novo schat dat ongeveer een miljoen Amerikanen deze kopieën gebruiken.

    Net toen de voorraad van Novo opraakte kwam Zepbound van Lilly op de markt. Volgens een eigen vergelijkende studie verloren patiënten die het medicijn gebruikten 20 procent van hun lichaamsgewicht, tegenover 14 procent bij Wegovy. Bovendien begon Lilly, dat de groei van Wegovy nauwkeurig had gevolgd, de productie van Zepbound op te voeren lang voordat het goedkeuring had gekregen voor dit medicijn. Daardoor is het sinds oktober vorig jaar ruim beschikbaar.

    De vraag wordt niet aangedreven door artsen en verzekeraars, maar door de patiënten zelf

    Lilly realiseerde zich ook al in een vroeg stadium dat de verkoop van afslankmiddelen anders verloopt dan de verkoop van de meeste andere geneesmiddelen. De vraag wordt niet aangedreven door artsen en verzekeraars, maar door de patiënten zelf, van wie velen de behandeling rechtstreeks betalen. Vanaf begin 2024 begon Lilly tussenpersonen te omzeilen en patiënten rechtstreeks te benaderen. Het bedrijf bood online flacons met een lage dosis Zepbound aan voor 399 dollar, ruim onder de groothandelsprijs van circa 1100 dollar (en zelfs goedkoper dan met de kortingen die verzekeraars krijgen). Lilly ging ook samenwerken met diverse aanbieders van telegezondheidszorg om zijn bereik te vergroten. 

    Novo reageerde laat. Het bedrijf paste zijn eigen rechtstreekse aanbod pas een jaar na Lilly aan. In april ging het een samenwerking aan met Hims & Hers, een telezorgbedrijf, maar die manoeuvre mislukte al snel, deels omdat de aanbieder Wegovy-kopieën bleef verkopen.

    Novo werd in mei wakker geschud uit zijn zelfgenoegzaamheid toen de Raad van Bestuur Lars Fruergaard Jorgensen, CEO  sinds 2017, ontsloeg. Er rolden meer koppen bij de leiding toen de Novo Nordisk Foundation, die meer dan een kwart van de aandelen van de medicijnfabrikant bezit, zich liet gelden. De voorzitter, Lars Rebien Sorensen, die Novo vóór Jorgensen leidde, berispte de Raad van Bestuur omdat deze ‘te traag’ grip kreeg op de verschuivingen in de markt voor afslankmiddelen. Na een grote schoonmaak in oktober, waarbij zeven bestuursleden vertrokken, nam Sorensen het voorzitterschap van de medicijnfabrikant over. 

    Herstelmaatregelen

    Iemand die zowel Sorensen als Doustdar goed kent zegt dat zij zonder aanzien des persoons zullen doen wat nodig is om de zaak weer op de rails te krijgen. De veranderingen zijn al in gang gezet. In september kondigde Novo aan dat het negenduizend banen zou schrappen, meer dan een tiende van zijn personeelsbestand, waaronder ongeveer vijfduizend in Denemarken, de grootste ontslagronde ooit in dat land. Novo heeft ook de ontwikkeling stopgezet van alle geneesmiddelen die niets te maken hebben met diabetes of obesitas.

    Die nauwere focus moet de weg vrijmaken voor de lancering van twee nieuwe producten, volgend jaar. Een daarvan is een orale versie van Wegovy, die in proeven meer gewichtsverlies teweegbracht dan de concurrerende pil van Lilly. Nadeel is wel dat je het middel op een lege maag moet innemen – het is pas na een half uur toegestaan iets te eten. Analisten vrezen dat dit voorschrift patiënten zal afschrikken – de pil van Lilly kent een dergelijke beperking niet. Martin Lange, hoofdwetenschapper bij Novo, wijst deze angst van de hand. Hij merkt op dat diabetici nu al zonder problemen orale semaglutide gebruiken. 

    Het tweede nieuwe product is een Wegovy-injectie met een hogere dosering, die in proeven een gewichtsverlies opleverde dat vergelijkbaar is met dat van Zepbound. Novo hoopt hiermee de indruk te weerleggen dat zijn behandeling minder krachtig is. Deze keer zal het bedrijf over voldoende capaciteit beschikken om de geneesmiddelen te produceren.

    Volgens Doustdar moet Novo een ‘consumentenmentaliteit’ ontwikkelen

    Novo voert ook veranderingen door in zijn manier van zakendoen. Het bedrijf streeft naar uitbreiding van zijn directe verkoopkanalen, die momenteel goed zijn voor een tiende van de Wegovy-recepten in Amerika. Met dat doel heeft het overeenkomsten gesloten met retailers als Costco en Walmart. 

    Samenwerkingsverbanden alleen zullen niet voldoende zijn. Volgens Doustdar moet Novo een ‘consumentenmentaliteit’ ontwikkelen; hij wil dat het bedrijf ‘meer als Amazon’ gaat denken en klanten de snelheid en flexibiliteit biedt die zij tegenwoordig verwachten.

    Novo herziet ook zijn prijsbeleid en is onlangs begonnen Wegovy rechtstreeks aan klanten aan te bieden voor 199 dollar gedurende de eerste twee maanden, waarna de prijs stijgt naar 349 dollar. (Lilly sloeg terug door de prijzen voor rechtstreeks verkochte Zepbound te verlagen.) In november sloten beide bedrijven ook overeenkomsten met de regering-Trump om Medicare, de openbare verzekeraar voor ouderen, korting te geven op hun obesitasmedicijnen, tegen ongeveer een derde onder de prijs die commerciële verzekeraars wordt berekend. In ruil daarvoor stemde Medicare ermee in om de behandelingen de eerste keer te vergoeden.

    ‘De behandeling van honderden miljoenen patiënten vereist dat we openstaan voor ideeën van buiten’

    De laatste verschuiving in de strategie van Novo betreft de manier waarop het zijn pijplijn gaat uitbouwen. Novo vertrouwde traditioneel op zijn eigen laboratoria in plaats van op overnames, maar dat gaat veranderen. In november raakte het verwikkeld in een biedingsstrijd met Pfizer, een Amerikaanse geneesmiddelenfabrikant. Inzet was de overname van Metsera, een biotechbedrijf met een veelbelovend geneesmiddel tegen obesitas in ontwikkeling. Pfizer won, maar Doustdar maakt zich daar geen zorgen over. ‘De behandeling van honderden miljoenen patiënten vereist dat we openstaan voor ideeën van buiten,’ zegt hij. Hij wil dat Novo een brede portefeuille van geneesmiddelen tegen obesitas verwerft, zodat het elke patiënt een behandeling op maat kan bieden. 

    Externe hulp is hierbij wellicht onontbeerlijk. Lilly heeft een indrukwekkende eigen pijplijn, en ervaring met een breder scala aan ziekten. Dat komt goed uit, aangezien medicijnen tegen obesitas steeds vaker worden gebruikt voor de behandeling van aanverwante aandoeningen, bijvoorbeeld aan de nieren en de lever. Ook andere concurrenten hebben hun oog laten vallen op de afslankmarkt. Er zijn momenteel meer dan honderdzestig nieuwe medicijnen tegen obesitas in ontwikkeling. Bovendien verliest semaglutide in 2026 zijn octrooibescherming in diverse grote opkomende markten, waaronder Brazilië, China en India. Daardoor krijgt het te maken met concurrentie van generieke geneesmiddelen in die landen, waar een groot deel van de wereldbevolking met obesitas woont.

    Toch is de grootste strijd van Novo wellicht een interne strijd. Het bedrijf wil van een voorzichtige geneesmiddelenfabrikant veranderen in een wendbaar consumentenmerk.
    De sprong in het duister waarvan Doustdar repte, heeft nog geen licht opgeleverd. 

  • Bedrijf in China biedt personeel bonus voor gewichtsverlies

    Bedrijf in China biedt personeel bonus voor gewichtsverlies

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Honderdtal doden bij aanval op dorp in Soedan

    » VS: OpenAI, Microsoft en Nvidia in het vizier van ministerie van Justitie

    De werknemers zijn in totaal al 800 kg afgevallen

    Een Chinees technologiebedrijf heeft op de sociale media in China lovende kritieken gekregen omdat het bijna een miljoen yuan (140.000 dollar) heeft gestoken in een fonds om zijn werknemers aan te moedigen om af te vallen. Dat schrijft South China Morning Post.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Het bedrijf Insta360, dat is gevestigd in Shenzhen in de zuidelijke provincie Guangdong, lanceerde begin vorig jaar een afslankinitiatief. Sindsdien hebben honderdvijftig werknemers deelgenomen aan het programma en zijn ze in totaal 800 kilogram afgevallen.

    Het initiatief lijkt op een bootcamp voor gewichtsverlies. Het bedrijf organiseert iedere drie maanden een programma en rekruteert elke keer dertig werknemers. Deelnemers worden iedere week gewogen en krijgen een beloning van 400 yuan (€ 50) per persoon voor elke 0,5 kilogram die de groep gemiddeld is afgevallen. Als een lid van de groep aankomt, krijgt niemand een bonus en worden ze elk beboet met 500 yuan.

    Er zijn tot nu toe vijf bootcamps gehouden. Omdat zo veel personeel zich aanmeldde voor het programma, gaf het bedrijf voorrang aan mensen met obesitas.

  • Bodypositivity, net zo utopisch als wereldvrede

    Bodypositivity, net zo utopisch als wereldvrede

    Iedereen zou zich prettig moeten voelen in zijn eigen lichaam. Om die gedachte aan te moedigen is de bodypositivity-beweging opgericht. Een prachtig ideaal, maar in de praktijk onhaalbaar, schrijft Tobias Haberl. ‘Bodypositivity heeft de druk op ons lichaam nog verder opgevoerd.’

    Toen ik voor het eerst over de bodypositivity-beweging hoorde, was ik meteen om. Uit puur egoïsme, want als elk lichaam mooi kan zijn, dan zeker ook het lichaam waarmee ik al tientallen jaren in de knoop zit. Dan hoefde ik me niet meer af te vragen of mijn wimpers te kort zijn (als ik ze überhaupt heb) en hoefde ik in het openluchtzwembad mijn grote teen niet beschermend te buigen over de teen ernaast, de digitus pedis II, omdat de nagel ervan me sinds mijn geboorte doet denken aan de klauw van een slechtvalk, de reden waarom ik nooit teenslippers heb gedragen.

    Als elk lichaam mooi is kon ik opgelucht ademhalen, en miljoenen onzekere tieners ook. Tegelijkertijd waren de perfecte mensen, met hun stralende teint en hoge jukbeenderen, niet langer in het voordeel – niet bij sollicitatiegesprekken, niet bij het flirten en ook niet op Instagram. Eigenlijk zou er niet langer zoiets bestaan als schoonheid, omdat die alleen nog maar zou functioneren als positieve uitzondering op de regel. Zelfs mijn digitus pedis II zou niet meer belachelijk worden gemaakt: als standaardschoonheid niet meer bestaat, kun je er immers ook niet meer van afwijken.

    Een tijdlang was ik blij met modellen met rondingen en met de snelle opkomst van de 140 kilo wegende Amerikaanse Grammy-winnares Lizzo (‘I like being fat, and I’m beautiful and I’m healthy’). Dik en dun, naast elkaar en met elkaar, een choreografie van diversiteit: ik vond het leuk en ongedwongen. Natuurlijk, beroemdheden en bedrijven promoten bodypositivity niet alleen uit idealisme, maar ook met een strategisch motief. Maar dat is altijd het geval bij emancipatiebewegingen, en bovendien is het te billijken als miljoenen mensen zich daardoor niet langer buitengesloten hoeven te voelen.

    Dat was allemaal een tijdje geleden. Nu schaam ik me behoorlijk dat ik ooit viel voor een idee dat toch nooit kan werken. Niet in onze wereld, met een systeem dat profiteert van mensen die zich overgeven aan consumptie om zich minder tekortgedaan te voelen. Iedereen mooi? Zo’n vorm van esthetisch socialisme kun je niet politiek opleggen, zeker niet met hashtags en tweets. Het zou een vernieuwing van het hele systeem vereisen, inclusief een spirituele bewustzijnsverandering die, laten we eerlijk zijn, nou niet echt in de lucht hangt.

    Bodypositivity is een modieus begrip dat past bij de tijdgeest

    Ondertussen doet bodypositivity me denken aan wereldvrede: een prachtig idee dat helaas niet werkt. Een eervolle maar hopeloze poging om uit verkeerd begrepen mededogen een wereld die niet is zoals we zouden willen te verzachten, door impopulaire, deels evolutionair-biologische waarheden te negeren en alle verschillen die er tussen mensen bestaan te ontkennen. Bodypositivity is een modieus begrip dat past bij de tijdgeest en dat onvoorwaardelijke trouw vereist – een gebed om genezing, een slogan, een utopie. 

    Het zou allemaal niet zo erg zijn als iets erop zou wijzen dat het werkt, maar dat is dus niet het geval. Af en toe duikt er een mollige persoon op in een reclamefilmpje, en laatst liep er op straat een zelfverzekerde jonge vrouw voorbij in een naveltruitje dat haar bleke buik en harige navel prijsgaf, maar als opzichtige uitzonderingen op de regel lijken zulke fenomenen het schoonheidsideaal van begin eenentwintigste eeuw – slank, fit, haarloos – eerder te bevestigen dan af te zwakken. 

    Horizon2
    Lizzo op het Roskilde Festival, 2023. – © Getty Images

    Waarom zijn de magere modellen anders massaal terug op de catwalks? Waarom werd slechts 0,6 procent van de 9137 outfits tijdens de modeweken van dit voorjaar gepresenteerd door plussize modellen? Waarom hebben de vrouwelijke influencers bij wie alles om hun uiterlijk draait (en die het meest met hun billen lopen te pronken) de meeste volgers? Waarom is het zo dat je, als je op YouTube het zoekwoord ‘yoga’ intypt, ervan uit moet gaan dat er een soort geheime regel bestaat dat alleen schaars geklede schoonheidskoninginnen aan yoga mogen doen? En waarom laten steeds meer mensen delen van hun wangen uit hun gezicht snijden om er in het dagelijks leven eindelijk uit te zien als hun gefilterde versie op Instagram? 

    Schoonheidsnorm

    Hoe ideologisch verblind moet je zijn, hoe vatbaar voor zelfbedrog, om naast al die cosmetische ingrepen en al die sterren, influencers, youtubers, talkshowhosts en gastvrouwen die aan de schoonheidsnorm voldoen, naar de dikke kunstschaatser in de reclame voor maandverband te wijzen en dan te beweren: bodypositivity? Top!

    Inmiddels haak ik af als iemand me iets wil vertellen over bodypositivity. Dat zijn overigens meestal stedelingen uit de mediawereld die gevaarlijk dicht bij het gangbare schoonheidsideaal komen, mensen die bewust eten en sporten en er oogverblindend uitzien. ‘Morele zelfexpressie’, heet dat volgens Philipp Hübl, hoogleraar filosofie aan de Universiteit voor de Kunsten in Berlijn. ‘Deze mensen koesteren luxeovertuigingen. Ze zijn solidair met mensen met overgewicht om moreel aan de juiste kant te staan, maar zelf leven ze gezond en hoeven ze de negatieve gevolgen van hun genereuze houding niet aan den lijve te ondervinden.’ 

    Voetbalvrouw en influencer Cathy Hummels, bijvoorbeeld, werpt zich momenteel op als ambassadrice voor bodypositivity door met haar kunstmatige (!) borsten te pronken in de Playboy. Of neem Heidi Klum, die de mollige 23-jarige Vivien Blotzki alleen maar tot ‘Germany’s Next Topmodel’ kon kronen omdat haar eigen (uiterlijke) onberispelijkheid haar de macht geeft om ook mollige lichamen goed te keuren. De rollen zijn duidelijk: degene die voldoet aan de schoonheidsnorm spreekt en de mollige zegt: dank je, Heidi!

    Zijn zwaarlijvige mensen met gezondheidsproblemen ermee geholpen als zwaarlijvigheid wordt gemodelleerd tot norm of zelfs tot ideaal?

    Op Instagram presenteren bijzonder aantrekkelijke mensen de laatste tijd gretig hun vermeende gebreken, zoals piepkleine vetkussentjes, littekentjes of levervlekjes. ‘Ze doen dit om zichzelf te beschermen tegen kritiek, omdat perfectie als onaantrekkelijk wordt gezien,’ zegt Hübl. ‘Deze mensen staan bovenaan de ladder van aantrekkelijkheid, maar hopen door minimale afwijkingen van het ideaal te tonen sociaal gezien ook wat op te klimmen.’ Ze construeren een lijdensverhaal om hun eigen zelfontplooiing des te helderder te laten stralen. En als de non-binaire publicist Hengameh Yaghoobifarah zichzelf publiekelijk beschrijft als ‘dik en arrogant’, is dat natuurlijk omdat die een bepaalde reactie verwacht. 

    Helaas hebben de meeste zwaarlijvige mensen uit milieus met onderwijsachterstanden nog nooit van bodypositivity gehoord, maar lijden ze wel aan hart- en vaatproblemen, hoge bloeddruk of slechte knieën. Helpt het die mensen als een paar activisten beweren dat mensen met overgewicht geen probleem hebben met hun dieet, maar slachtoffer zijn van een patriarchaal-kapitalistische samenleving, of van seksistische artsen? Helpt het hen als zwaarlijvigheid door een verkeerd begrepen moraliteit wordt gemodelleerd tot norm, of zelfs tot ideaal? Een paar maanden geleden pleitte een gastcommentator in The New York Times er zelfs voor dat kinderartsen dikke kinderen en hun ouders niet moesten aanmoedigen om af te vallen, omdat dat zou kunnen leiden tot een lager zelfbeeld, angst en depressie.

    Denkfout

    De Canadese politicoloog Eric Kaufmann spreekt van een denkfout – hij noemt het de fallacy of composition – wanneer maatschappelijke problemen (zoals obesitas) worden verdoezeld of weggewuifd door ze te ‘emotionaliseren’ en te stigmatiseren als aanval op het individu. Het gevolg is dat belangrijke sociaal-politieke debatten worden versimpeld of in de kiem gesmoord om individuen te beschermen tegen discriminatie. Er is toch echt een verschil tussen het beledigen van een zwaarlijvig persoon en het serieus nemen van zwaarlijvigheid als maatschappelijk verschijnsel met grote gevolgen voor de gezondheid.

    Op dit moment lijkt het alsof we één stap vooruit en drie stappen terug doen. Een paar mensen doen hun uiterste best om de soevereiniteit op te eisen over de interpretatie van wat mooi wordt gevonden, terwijl een meerderheid, geplaagd door zelftwijfel, een enorme druk voelt om nog slanker, fitter en mooier te worden. ‘De bodypositivity-beweging heeft de druk op ons lichaam nog verder opgevoerd,’ zegt kunstwetenschapper Jörg Scheller, die al jaren onderzoek doet naar de politieke dimensie van het lichaamsbeeld. ‘Want de dwang tot zelfoptimalisatie blijft, maar er wordt ons tegelijk gevraagd om tevreden of zelfs gelukkig te zijn met ons eigen lichaam.’ 

    Elke trend lijkt een hobby van het kapitalisme, dat nu ook in een woke variant bestaat

    Op tv zijn dikke mensen nog steeds geen nieuwslezers, maar vooral deelnemers aan afslankshows – alsof het objecten zijn die bewonderd moeten worden. Mediawetenschapper Kathrin Karsay zegt: ‘Mensen met overgewicht worden vaker dan voorheen getoond in series en films, maar dan meestal als “dik, lui en onsuccesvol” of anders in de oppervlakkige rol van grappige of onhandige dikke vrouw.’ Een paar activisten roepen ‘big is beautiful’, terwijl duizenden tieners ondertussen alles leren over booty lifts en fillers, als ze niet bezig zijn met body checking op TikTok. De oude idealen blijven werken. Elke – zelfs subversieve – trend lijkt gewoon weer een hobby van het kapitalisme, dat nu dus ook in een woke variant bestaat. En wie de maatschappij wil veranderen, moet altijd rekening houden met mensen die helemaal niet veranderd willen worden.

    Horizon3
    Presentatrice Heidi Klum (l) en Vivien Blotzki, winnaar van Germany’s Next Topmodel in 2023. – © Getty Images

    Natuurlijk moeten we blijven streven naar het onmogelijke, en dan vooral naar een samenleving met zo min mogelijk discriminatie, maar koste wat het kost een ideologie doordrukken terwijl de ineffectiviteit ervan elke dag opnieuw openlijk aan het licht komt? Net zoals mensen al duizenden jaren dromen van vrede, lijkt een wereld zonder schoonheidsidealen – en dus ook zonder modedictaten, eetstoornissen en een manipulatieve cosmetische industrie – ondenkbaar. Zeker, soms zijn mollige modellen in trek en soms magere of atletische. Soms grote borsten en dan weer kleine, nu eens strakke broeken en dan weer wijde. Maar alles, en dan nog liefst gelijktijdig, even cool? Dat werkt helaas niet, want de cyclus van verlangen en frustratie moet in stand worden gehouden. 

    Omslag

    ‘Het principe is niet veranderd,’ zegt Scheller. ‘Met dit verschil: nu worden diversere lichaamsbeelden te gelde gemaakt.’ Als het uiterlijk geen rol meer speelt, kan er niets meer worden verkocht. Maar omgekeerd geldt dat er steeds meer kan worden verkocht als een merk erin slaagt meer mensen te vertegenwoordigen. Er is geen sprake van een omslag in het denken. Een eenmaal ingebracht implantaat zal hoogstwaarschijnlijk een paar jaar later weer worden verwijderd (en mogelijk in een aangepaste vorm ooit opnieuw worden ingebracht). Zelfs feministisch auteur Laurie Penny schrijft: ‘Als alle vrouwen op aarde morgenochtend wakker zouden worden en zich echt lekker en sterk in hun lichaam zouden voelen, dan zou de wereldeconomie van de ene op de andere dag instorten.’

    In een competitieve samenleving is het ene altijd goed en het andere minder goed. Vanaf het moment dat de sociale media tevreden mensen gingen aanzetten tot narcistisch gedrag, is het verlangen om speciaal te zijn en de behoefte om zich op subtiele manieren van anderen te onderscheiden niet af- maar toegenomen. Verbetering zonder gelijktijdige verslechtering lijkt ondenkbaar. Er bestaat nauwelijks een discipline waarin we niet met elkaar concurreren of elkaar beoordelen. Wie zingt er mooier? Wie leeft er moreel beter? Wie kookt er beter? Wie vliegt er minder vaak? Wie heeft meer volgers, likes, vierkante meters? En nu dus ook: wie kan het best onbekommerd dik zijn? 

    Het principe is hetzelfde gebleven, er is alleen een categorie aan toegevoegd. We zijn geobsedeerd door ons lichaam, worden bestookt met ranglijsten en zenuwslopende vergelijkingen, positieve en spottende commentaren, likes en dislikes, duimpjes omhoog, duimpjes omlaag. De ijdelheidsmarkt wordt steeds verraderlijker, genadelozer en voyeuristischer. En wie zich nog niet goed heeft verstopt, wordt meedogenloos gescand en gesorteerd. Hoe groot is de kans dat we deze logica uitgerekend bij uiterlijkheden, die – in tegenstelling tot cognitieve prestaties – zo makkelijk in het voorbijgaan beoordeeld kunnen worden, zouden negeren?

    Hoezeer we het ook proberen, het maakt ons wel degelijk uit hoe mensen eruitzien

    Mensen lijken zo makkelijk hiërarchieën te creëren dat er geen alternatieven bij hen opkomen, ook niet als ze zelf aan de onderkant van zo’n hiërarchie staan. Dat komt vooral doordat de industriële samenleving is veranderd in een dienstenmaatschappij. Daarin hebben mensen via online- en offlineontmoetingen permanent de mogelijkheid om de sociale status van de ander af te lezen aan zijn of haar bewegingen en lichaam. Of we het nu leuk vinden of niet, ons uiterlijk is altijd een projectievlak en een investering in de eigen persoonlijkheid geweest, en vandaag nog meer dan vroeger. De Britse socioloog Catherine Hakim spreekt van ‘erotisch kapitaal’, dat (samen met economisch, cultureel en sociaal kapitaal) onze sociale waarde bepaalt. Mooie mensen krijgen betere cijfers, hogere salarissen, minder strenge straffen en sneller een huis, en maken gemakkelijker vrienden. Dat is allemaal oneerlijk en we kunnen onszelf inbeelden dat het anders is, maar daarmee staan we wel buiten de realiteit. 

    Op datingsites worden potentiële seks- en levenspartners met algoritmische precisie gefilterd op lengte, gewicht, postuur en oog- en haarkleur. De meeste vrouwen zijn op zoek naar lange mannen, de meeste mannen naar vrouwen met lange benen. Ze zijn allemaal op zoek naar mensen met een gave huid, iets wat in alle culturen als ideaal wordt beschouwd. Cultureel gezien kunnen we het lelijke fascinerend vinden – denk bijvoorbeeld aan de schilderijen van Otto Dix – maar toch zijn we niet vrij in onze smaak, want die is biologisch-evolutionair gevormd. Hoezeer we het ook proberen, het maakt ons wel degelijk uit hoe mensen eruitzien, er zijn vooroordelen en no-go’s. Of ken je soms een vrouwelijke presentator met ernstige acné?

    Erotisch kapitaal

    Op dit moment hangt Duitsland vol met posters van Calzedonia. Twee superinfluencers presenteren de nieuwe bikinicollectie: Pamela Reif, 27 jaar, 1 meter 65, 50 kilo, afgetraind. En Farina Opoku, 32 jaar, 1 meter 76, 84 kilo, mollig. Op het eerste gezicht is dit een voorbeeld van bodypositivity, want de campagne bewijst dat een lichaam dat niet aan de standaard voldoet ook mooi kan zijn, en zelfs gebruikt kan worden om geld te verdienen. Maar in feite lijken de twee vrouwen erg op elkaar. Terwijl de ene het ideale lichaam van begin eenentwintigste eeuw heeft, wijkt de andere daar slechts in één aspect van af: haar gewicht. Al het andere is onberispelijk: perfecte huid, glanzend haar, stralende ogen, hartvormige mond. De twee vrouwen vertegenwoordigen geenszins de twee uitersten van de schaal der aantrekkelijkheid. Integendeel, ze hebben allebei een enorm erotisch kapitaal. De ene omdat ze standaardmooi is, de andere omdat ze nog steeds standaardmooi is, maar dan in combinatie met een paar goed geproportioneerde kilo’s te veel. 

    Horizon4
    Twee superinfluencers presenteren de nieuwe bikinicollectie van Calzedonia. – © Calzedonia

    Maar hoe zit het met de gebochelden, de scheefgezakten en kromgegroeiden, degenen met pukkels en littekens, de mensen met flaporen, afgekloven vingernagels en moedervlekken waar haar uit groeit? Waarom zijn bijna alle plussize modellen vrouw? Hoe zit het met dikke mannen? Denken mensen dat mannen minder last hebben van hun uiterlijk? En waarom wordt in karikaturen van Donald Trump en Boris Johnson ook vaak de draak gestoken met hun uiterlijk? Omdat het mag van de politieke tegenstander?

    De oplossing is om voor eens en voor altijd op te houden over lichamen te praten, omdat het niet uitmaakt hoe je eruitziet

    Ik denk niet dat we veel verliezen als de bodypositivity-beweging haar momentum verliest, waar het momenteel op lijkt. De eerste activisten propageren al een nieuwe beweging. Na rijp beraad denken ze te begrijpen dat het probleem niet schuilt in een onrealistisch schoonheidsideaal, maar in het feit dat mensen überhaupt hun eigenwaarde aan hun lichaam koppelen. Het is dus geen oplossing om dikke mensen per se mooi te vinden; de oplossing is om voor eens en voor altijd op te houden over lichamen te praten, omdat het niet uitmaakt hoe je eruitziet. 

    Er is al een term en een hashtag voor: #bodyneutrality. En hoewel ik het er in grote lijnen mee eens ben, blijf ik sceptisch. Weer een nieuwe strategie voor empowerment? Weer nieuwe campagnes, activisten, slogans en poses? Wordt weer alles anders terwijl alles hetzelfde blijft? ‘Mensen kunnen niet neutraal zijn over hun lichaam,’ zegt kunstwetenschapper Scheller. ‘We verlangen naar lichamen, vinden ze aantrekkelijk of afstotelijk. Een belangeloos genoegen is een utopie.’

    De natuur is oneerlijk. Intelligentie, gezondheid, schoonheid zijn ongelijk verdeelde grootheden. Je kunt doen alsof dat niet zo is, je kunt jezelf wijsmaken dat we er gewoon anders over moeten praten om deze valse streek te compenseren. Maar je kunt ook proberen – en dat zou de meest empathische en veelbelovende strategie zijn – om kinderen op te voeden tot zelfverzekerde mensen, met een realistische kijk op hun lichaam en hun maatschappelijke beperkingen, ter voorbereiding op het feit dat ze niet perfect zijn, net zoals de wereld waarin ze leven niet perfect is. 

    Het is onmogelijk om zonder tegenslagen door het leven te gaan; daarmee leren omgaan kan een diep menselijke ervaring bieden die leidt tot groei en misschien zelfs tot transformatie in iets wat op karakter lijkt. Dat zou pas echte zelfempowerment zijn. Natuurlijk is daar meer voor nodig dan wat tweets en hashtags. Het vereist liefde, zorg, geduld en oprechtheid, en mensen die die idealen niet misbruiken of rondbazuinen, maar ze als vanzelfsprekend naleven. Ook als er niemand kijkt.

    Lees ook:

  • ‘Een spuit of een pilletje is niet genoeg om obesitas te bestrijden’

    ‘Een spuit of een pilletje is niet genoeg om obesitas te bestrijden’

    Nieuwe medicijnen om obesitas te behandelen, zogenaamde GLP1-agonisten, zijn in korte tijd zeer populair geworden. Maar volgens John Schoonbee van herverzekeraar Swiss Re zijn medicijnen pas een laatste redmiddel, als aanpassingen in levensstijl niet aanslaan.

    Het idee van een pil of een injectie waarmee je kunt afvallen is heel aanlokkelijk voor mensen die worstelen met hun gewicht. Het is ook een droom van farmaceutische bedrijven, van wie de middelen tegen obesitas vaak tekortschoten op het gebied van veiligheid of effectiviteit. Maar dat lijkt nu te veranderen. Sinds de Amerikaanse goedkeuring van een wekelijkse injectie om af te vallen in 2021, en daarna het groen licht van de Europese toezichthouder, zijn er al verschillende geneesmiddelen op de markt of staan ze op het punt goedgekeurd te worden. Een hele reeks producenten, van grote fabrikanten tot kleinere biotechbedrijven, verkoopt al dit soort middelen of is ze aan het testen. Herverzekeraars zoals Swiss Re stellen ook veel belang in geneesmiddelen tegen obesitas en andere chronische aandoeningen die de verbetering van de levensverwachting afremmen. Hoe minder mensen ziek worden en voortijdig sterven, hoe beter onze portefeuilles presteren.

    De nieuwe middelen, zogenaamde GLP1-agonisten, verminderen het hongergevoel. Uit klinische onderzoeken blijkt dat ze leiden tot gewichtsverlies, een betere glucoseregulatie en patiënten helpen greep te krijgen op hun diabetes, de aandoening waarvoor deze middelen oorspronkelijk zijn ontwikkeld. Er is ook aangetoond dat ze de kans op hart- en vaatziekten verminderen. Daarmee kunnen ze een waardevolle bijdrage leveren aan de strijd tegen wat een groot en groeiend medisch probleem is: volgens schattingen van de Amerikaanse Centres for Disease Control and Prevention is bij meer dan 40 procent van de volwassenen in de VS sprake van obesitas (een BMI van 30 of hoger). Volgens één onderzoek zouden de economische kosten van overgewicht of obesitas (denk aan productiviteitsverlies door ziekteverzuim) in 2035 wereldwijd kunnen oplopen tot vier biljoen dollar per jaar.

    Maar in de strijd tegen deze obesitasepidemie moet een belangrijk principe leidend blijven: beslissingen over de inzet van deze geneesmiddelen moeten worden genomen op basis van wetenschappelijk inzicht, niet op basis van socialemediahypes. Obesitas is een complex probleem waarin maatschappelijke factoren, gedrag en voeding allemaal een rol spelen. Een spuit of een pilletje alleen is niet genoeg om iemand een gezondere stofwisseling te geven.

    Belangrijke nadelen

    Wie het gebruik van deze medicijnen overweegt, moet rekening houden met een aantal belangrijke nadelen. GLP1-medicijnen hebben bijwerkingen zoals misselijkheid, spijsverteringsproblemen, abdominale zwelling en braken, al nemen die na verloop van tijd vaak af. In één onderzoek stopte circa 7 procent van de proefpersonen voortijdig met de behandeling vanwege de bijwerkingen, tegen 3,1 procent in de placebogroep. Het inschatten van de bijwerkingen op langere termijn is lastiger. Hoewel het gewichtsverlies bij het onderzoek naar de goedgekeurde injectie vooral verlies van vet betrof, werd ook spierweefsel afgebroken. De mensen die de injectie kregen toegediend verloren 6,9 kilo aan spierweefsel, bijna vijfmaal zoveel als in de controlegroep. Dat is van belang: spiermassa is een belangrijke graadmeter voor de gezondheid en het herstellend vermogen van mensen, vooral naarmate ze ouder worden.

    Verder denken veel medische deskundigen dat wie met zo’n behandeling begint, er voor het leven aan vastzit. Zodra je ermee stopt, kunnen de positieve gevolgen verdwijnen. In één onderzoek daalde het gemiddelde BMI van de deelnemers in 16 maanden tijd weliswaar van 37,6 naar 31,2, maar binnen een jaar nadat ze waren gestopt hadden ze een flink deel van de verdwenen kilo’s er weer bij. Ook de verbeterde bloeddruk was tenietgedaan. En als je deze geneesmiddelen tientallen jaren gebruikt, groeit de kans dat de bijwerkingen zich opstapelen. Daarnaast heeft levenslange behandeling grote financiële consequenties. De prijs van de injecties wordt in Amerika geschat op 13.600 dollar per jaar. Zelfs als die prijs onder invloed van toenemende concurrentie in de toekomst daalt, kan het voor een verzekeraar nog een dure aangelegenheid worden als deze middelen verplicht in het pakket komen.

    Het zou dom zijn om de ogen te sluiten voor het potentieel van deze geneesmiddelen om de obesitas- en diabetesepidemie af te remmen en de levenskwaliteit van patiënten te verbeteren. Maar vanwege de mogelijke bijwerkingen en de hoge kosten van langdurig gebruik moeten de artsen die deze middelen voorschrijven en de patiënten die ze innemen goed nadenken over hoe ze worden ingepast in een duurzaam plan voor gewichtsverlies. Dat wordt des te nijpender omdat de middelen zo populair zijn: één fabrikant heeft al gewaarschuwd dat de vraag binnenkort zijn productiecapaciteit dreigt te overtreffen.

    Er moet meer onderzoek worden gedaan naar de voedingsrichtlijnen

    Verder moet er worden nagedacht over hoe breed ze kunnen worden ingezet. Ook mensen met een klein beetje overgewicht willen waarschijnlijk wel een paar kilo afvallen en zullen deze geneesmiddelen willen gebruiken voor overwegend cosmetische doeleinden. Daarom is het des te belangrijker dat mensen goed worden voorgelicht over alle mogelijkheden, te meer daar we weten dat mensen die worstelen met hun gewicht vaak ook zonder medicatie goed geholpen kunnen worden. Twee van de belangrijkste manieren waarop dat kan, hebben te maken met wat we eten en hoeveel we bewegen. Veel van wat we tegenwoordig consumeren verschilt hemelsbreed van wat onze voorouders op hun bord hadden, doordat we steeds meer grijpen naar voorbewerkt voedsel. En het leven wordt steeds meer geautomatiseerd, wat minder fysieke arbeid en meer stilzitten betekent.

    Veel mensen die gewicht willen verliezen en de daarmee samenhangende ziekten willen aanpakken hebben daarom baat bij doordachte programma’s die aanzetten tot gezonder eten en meer bewegen. Er moet meer onderzoek worden gedaan naar de voedingsrichtlijnen van de verschillende nationale voedingsbureaus, want die zijn vaak verouderd. Het advies luidt bijna altijd om minder te eten en meer te bewegen, maar daarbij wordt te eenzijdig gekeken naar de energiebalans (‘calories in, calories out’), de gedachte dat je vanzelf afvalt als je maar minder calorieën eet dan je verbrandt. Er is inmiddels veel kritiek op het voedingsparadigma van de afgelopen vijftig jaar, waarbij vooral naar calorieën werd gekeken en vet, met name verzadigde vetten, gedemoniseerd werd.

    We moeten meer inzicht krijgen in hoe ons lichaam vetten, koolhydraten en eiwitten omzet in energie, en op basis daarvan de voedingsrichtlijnen en onze bredere aanpak van overgewicht bijstellen. Zo weten we al dat het beteugelen van de insulineaanmaak, onder meer door minder suiker en koolhydraten te consumeren, dezelfde positieve effecten heeft als de nieuwe geneesmiddelen nu beloven. De werkelijkheid geworden droom van een pil of een injectie waarmee je kunt afvallen is een uitbreiding van ons arsenaal in de strijd tegen overgewicht. Die zal levens veranderen. Maar het is niet het enige wapen waarover we beschikken en er zitten haken en ogen aan. Voor een duurzame aanpak is het misschien beter om GLP1-agonisten te beschouwen als een extra optie om achter de hand te hebben, net zoals bariatrische chirurgie (maagband, maagverkleining) vaak gezien wordt als een laatste redmiddel tegen obesitas, iets waarnaar je alleen grijpt als veranderingen in de levensstijl niet aanslaan.

    Lees ook:

  • Bijna de helft van Franse volwassenen is te zwaar

    Bijna de helft van Franse volwassenen is te zwaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Doden en honderden gewonden na nieuwe aardbevingen in Turkije en Syrië

    » Burkina Faso: minstens 51 soldaten gedood bij terreuraanval

    Aantal obesitasgevallen is in een kwarteeuw verdubbeld

    Uit een recent onderzoek van het Nationaal Instituut voor Gezondheid en Medisch Onderzoek (Inserm) en het academisch ziekenhuis van Montpellier blijkt dat bijna een op de twee Franse volwassenen momenteel lijdt aan overgewicht of obesitas. Tussen 1997 en 2020 is het aantal obesitasgevallen verdubbeld van 8,5 naar 17 procent, schrijft Le Figaro. Het onderzoek werd maandag gepubliceerd in het Journal of Clinical Medicine.

    Als ondergrens voor overgewicht wordt in het onderzoek een BMI van 25 of hoger aangehouden. Van obesitas is sprake wanneer het BMI 30 of hoger is. Obesitas kan het gevolg zijn van een bepaald eetpatroon, een genetische afwijking of te maken hebben met de leefomgeving. Ze verhoogt het risico op hart- en vaatziekten, diabetes en verschillen vormen van kanker.

    Uit het onderzoek blijkt dat mannen vaker overgewicht hebben dan vrouwen

    Verder blijkt uit het onderzoek dat mannen vaker overgewicht hebben dan vrouwen, maar dat de verhoudingen andersom zijn als het gaat over obesitas. Het obesitaspercentage is bij vijfenzestigplussers meer dan dubbel zo hoog als bij jongeren tussen de achttien en vierentwintig, maar in deze laatste leeftijdscategorie is het obesitaspercentage sinds 1997 maar liefst meer dan vier keer zo hard toegenomen. Ook lijkt er een verband te bestaan tussen hoge obesitascijfers en bepaalde beroepen, zoals fabrieksarbeider, leidinggevende en manager.

    Hoewel de onderzoekers benadrukken dat verandering van leefstijl en meer beweging onmisbaar blijven, vragen ze ook aandacht voor het psychologische aspect van de ziekte en de noodzaak van therapie. In het ergste geval kan een maagverkleining uitkomst bieden. ‘Obesitas is een ziekte, geen gebrek aan wilskracht’, aldus een van de onderzoekers tijdens de perspresentatie van het onderzoek.   

    Lees ook:

  • Onderzoek: gifstoffen verergeren wereldwijde obesitasepidemie

    Onderzoek: gifstoffen verergeren wereldwijde obesitasepidemie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Succesvolle testlancering van passagiersruimteschip Boeing

    » Oscarwinnende componist Vangelis overlijdt op 79-jarige leeftijd

    Gifstoffen uit plastics en pesticiden zorgen voor zwaarlijvigheid

    Chemische vervuiling in het milieu vergroot de wereldwijde obesitasepidemie, zo blijkt uit een belangrijk wetenschappelijk onderzoek dat The Guardian aanhaalt. Verontreinigende stoffen die volgens de onderzoekers zwaarlijvigheid doen toenemen zijn onder meer bisfenol A (BPA), dat op grote schaal aan plastics wordt toegevoegd, alsook sommige pesticiden, vlamvertragers en luchtverontreiniging. De meest verontrustende conclusie uit het onderzoek is dat sommige gifstoffen die het gewicht doen toenemen de werking van de genen veranderen en zo van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven, schrijft de Britse krant.

    Wereldwijd is obesitas sinds 1975 verdrievoudigd, waarbij meer mensen nu zwaarlijvig zijn en meer mensen hebben dan ondergewicht. In elk land dat in het onderzoek is meegenomen neemt obesitas toe. Bijna 2 miljard volwassenen zijn nu te zwaar en 40 miljoen kinderen onder de vijf jaar hebben obesitas of overgewicht.

    Obesogenen verstoren de energiebalans, waardoor aankomen gemakkelijker wordt en afvallen moeilijker

    Obesogenen, zoals de gifstoffen worden genoemd, werken door de ‘metabole thermostaat’ van het lichaam te verstoren, aldus de onderzoekers, waardoor aankomen gemakkelijker wordt en afvallen moeilijker. De balans van het lichaam tussen energie-inname en -verbruik berust op het samenspel van verschillende hormonen uit het vetweefsel, de darmen, de alvleesklier, de lever en de hersenen.

    De verontreinigende stoffen kunnen het aantal en de grootte van de vetcellen rechtstreeks beïnvloeden, de signalen die mensen een vol gevoel geven verstoren, en de schildklierfunctie en de dopamineniveaus veranderen, aldus de wetenschappers. Ze kunnen ook het microbioom in de darm beïnvloeden en gewichtstoename veroorzaken door de opname van calorieën door de darmen efficiënter te maken.

    Lees ook:

  • Onderzoek: Veganistisch dieet kan mensen met overgewicht helpen af te vallen

    Onderzoek: Veganistisch dieet kan mensen met overgewicht helpen af te vallen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Cuba: Ten minste 22 doden en 64 gewonden na explosie in hotel

    » Shanghai verzet toelatingsexamens universiteit vanwege nieuwe corona-uitbraak

    Veganistische dieet zorgt voor lagere bloedsuikerspiegel

    Een veganistisch dieet kan mensen met overgewicht of diabetes type 2 helpen gewicht te verliezen en hun bloedsuikerspiegel te verlagen, zo blijkt uit onderzoek dat The Guardian aanhaalt. Een meta-analyse toonde aan dat het volgen van een veganistisch dieet gedurende drie maanden het lichaamsgewicht met gemiddeld ongeveer 4,1 kg verminderde in vergelijking met gecontroleerd diëten, en ook de bloedsuikerspiegel verlaagde. Er was weinig of geen effect op de bloeddruk of op het gehalte aan cholesterol of triglyceriden, een type vet.

    De gegevens zijn afkomstig van elf gerandomiseerde onderzoeken waaraan 796 mensen deelnamen die overgewicht hadden met een body mass index (BMI) van ten minste 25, of die diabetes type 2 hadden. De resultaten werden gepresenteerd op het Europees Congres over Obesitas.

    Veganistische diëten leiden tot gewichtsverlies omdat ze gepaard gaan met een verminderde calorie-inname

    Anne-Ditte Termannsen, van diabetescentrum Steno in Kopenhagen, die het onderzoek leidde, verklaarde dat ‘veganistische diëten waarschijnlijk leiden tot gewichtsverlies omdat ze gepaard gaan met een verminderde calorie-inname als gevolg van een lager vetgehalte en een hoger gehalte aan voedingsvezels’.

    Uit een tweede onderzoek, dat op de conferentie in Maastricht werd gepresenteerd, bleek dat vrouwen tijdens het eerste jaar van de covid-19-pandemie meer kans hadden om aan te komen dan mannen. Bij beide geslachten hadden mensen onder de vijfenveertig jaar meer kans op extra kilo’s dan oudere leeftijdsgroepen.

    Lees ook:

  • Onderzoek: Slechte slaap belemmert pogingen om gewichtsverlies te behouden

    Onderzoek: Slechte slaap belemmert pogingen om gewichtsverlies te behouden

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Eerste zwarte en openlijk lesbische woordvoerder in Witte Huis

    » Paus Franciscus vergelijkt Oekraïne met Rwanda

    Slaaptekort oorzaak van veel fysieke problemen

    Slechte slaap kan pogingen om gewichtsverlies te behouden ondermijnen. Dat wijst onderzoek dat The Guardian aanhaalt uit. Miljoenen mensen met overgewicht of obesitas slagen er elk jaar in om gewicht te verliezen. Maar velen hebben daarna moeite om de kilo’s niet langzaam terug te laten kruipen. De resultaten van een gerandomiseerd onderzoek, dat werd uitgevoerd door de Universiteit van Kopenhagen en gepresenteerd op het Europees Congres over Obesitas, wijzen erop dat een beter en langer slaappatroon kan helpen om het gewicht voorgoed te laten verdwijnen.

    Niet genoeg slaap wordt ook in verband gebracht met diabetes, ontstekingen en hartziekten

    Het is bekend dat te weinig slaap of slaap van slechte kwaliteit het risico op een hoge bloeddruk, een hoog cholesterolgehalte en de vorming van vetafzettingen in de slagaders verhoogt. Niet genoeg slaap wordt ook in verband gebracht met diabetes, ontstekingen en hartziekten. Wetenschappers raken er steeds meer van overtuigd dat een slechte nachtrust kan bijdragen aan gewichtstoename na gewichtsverlies.

    Uit eerder onderzoek is gebleken dat meer dan een derde van de volwassenen in het VK en de VS niet genoeg slaap krijgen, wat grotendeels te wijten is aan een groot aantal factoren in het moderne leven, waaronder stress, computers en het vervagen van de grenzen tussen werk en privéleven.

    Lees ook:

  • Waarom vet goed voor ons is

    Waarom vet goed voor ons is

    Vet, het weefsel dat mensen wanhopig en met alle mogelijke middelen onder controle proberen te krijgen, reguleert zich zelfstandig. Recent onderzoek ondersteunt de gedachte dat het hier om een fascinerend orgaan gaat – het grootste zelfs in het menselijk lichaam.

    Wanneer een gemiddeld geproportioneerd mens in de spiegel kijkt, zou het oordeel over wat hij of zij ziet ongeveer als volgt kunnen uitvallen: achterwerk? Te groot. Heupen? Veel te breed. En geen gezicht, dat over de broeksband welvende buikspek.

    Je mag het jammer vinden, te ontkennen valt het niet: in een samenleving die een slanke lijn als ideaal ziet, worstelen zelfs mensen met een normaal gewicht met hun rondingen. De strijd tegen het lichaamsvet voltrekt zich in de sportcentra en leidt tot een obsessief tellen van calorieën. Tal van adviseurs verdienen er hun brood mee. Ruim 200 miljard euro per jaar zet de afslankindustrie wereldwijd om met het vooruitzicht om, uiteindelijk, als overwinnaar uit die strijd tevoorschijn te komen.

    Daarentegen hoor je maar weinig over de vraag: wie is die vijand nu eigenlijk precies? Welke rol speelt het gevreesde vet in het lichaam, heeft het ook goede kanten? Of is het simpelweg zo dat de natuur ons met kussentjes heeft uitgerust, alleen maar om ons te ergeren?

    Vet zit haast overal in ons lichaam, van top tot teen

    Wisseling van perspectief. Hetzelfde weefsel, ditmaal bezien vanuit de visie van de wetenschap. Wanneer experts naar het veel gesmade vet kijken, zien veel van hen geen frustratieverwekkers. Eerder ondersteunt recent onderzoek de gedachte dat het hier om een fascinerend orgaan gaat. Complex, zelfstandig, het grootste zelfs in het menselijk lichaam.

    DO 2 1

    Net als hart, lever, longen, hersenen en huid bestaat lichaamsvet uit verschillende gespecialiseerde cellen. En evenals andere organen vervult het weefsel vitale functies. Of we ons bijvoorbeeld hongerig voelen of juist verzadigd, ons moe op de bank willen laten vallen of juist een tandje bijzetten: de signalen hiertoe komen voort uit het vetweefsel. Het is de boekhouder van onze krachten, die er zorgvuldig op toeziet dat energiereserves en -verbruik met elkaar in evenwicht zijn.

    Vet zit haast overal in ons lichaam, van top tot teen. De ogen liggen bijvoorbeeld in met vet bedekte kassen. Vet bekleedt de inwendige organen en omhult de darmen. Vetkussentjes zitten onder de bal van de voet en de hiel, waar zij de schokken van hardlopen of springen dempen.

    Het lichaamsvet beschermt de allerkleinsten al tegen afkoeling, want pasgeborenen kunnen zichzelf nog niet door spiertrilling warmhouden. Hun babyspek bestaat uit gespecialiseerde bruine vetcellen, die calorieën kunnen omzetten in warmte. Datzelfde vermogen van bruin vet helpt beren door de winterslaap.

    Gevaarlijk bezinksel

    Sterk bewerkte levensmiddelen bevatten dikwijls veel transvetten. Die ontstaan wanneer plantaardige oliën industrieel worden gehard of langdurig verhit, zoals bij het frituren van patat. Transvetten bevorderen vermoedelijk gevaarlijke bezinksels in de bloedvaten.

    Naast die beschermingsfuncties heeft lichaamsvet de taak om overtollige energie op te slaan. Hiervoor zijn de witte vetcellen verantwoordelijk. Zij vormen het eigenlijke vetweefsel, een weke, geelwitte massa die lijkt op de vetrand aan een biefstuk. Het zit vooral in de billen, rond het midden van het lichaam en met name bij vrouwen ook bij de dijen.

    Een gezonde volwassene met een gewicht van 70 kilo bestaat voor ongeveer 14 kilo uit zulk opgeslagen vet. Dat komt zegge en schrijve overeen met 131.600 kilocalorieën. Als we ervan uitgaan dat vrouwen dagelijks ongeveer 2000 kilocalorieën verbranden en mannen circa 2500, dan slaat hun vetweefsel genoeg energie op om ongeveer twee maanden lang zonder voedsel te kunnen.

    Die cijfers zijn afkomstig van Mariette Boon en Liesbeth van Rossum, twee Nederlandse artsen en auteurs van het boek Vet belangrijk. Eeuwenlang zag de wetenschap vetweefsel alleen als een soort isolerende deken, schrijven zij, maar ‘niets is minder waar’.

    Vet als orgaan

    Het geheime leven van vet als orgaan kwam in de jaren tachtig aan het licht. Onderzoekers ontdekten dat vetcellen transmitterstoffen produceerden. Inmiddels zijn ruim honderd van zulke adipokines vastgesteld, waaronder hormonen die het vetweefsel afstaat aan lymfe- of bloedbaan om met andere ver weg liggende organen te communiceren. Die uitwisseling heeft vaak als functie het reguleren van de energiehuishouding van het lichaam. Zoals zo vaak in de wereld van de biologie spelen terugkoppelingsmechanismen daarbij een sleutelrol. 

    Iedereen die thuis de verwarming regelt met een thermostaat, is ermee bekend: wanneer de kamertemperatuur onder een tevoren ingestelde waarde zakt – zeg 20 graden Celsius – slaat de verwarming aan. Zodra de thermostaat vervolgens de gewenste temperatuur meet, schakelt de verwarming zichzelf weer uit.

    In het menselijk lichaam zorgt een hormoon ervoor dat de vetreserve niet drastisch toeneemt of al te snel afneemt. Dat hormoon heet leptine, het wordt aangemaakt door het vetweefsel. Wanneer het vetgehalte van het lichaam groeit, produceert het evenredig meer leptine. Via het bloed bereikt de transmitterstof de hersenen. Bij een hoog leptineniveau geven de hersenen het lichaam een gevoel van verzadiging. Tevens ontstaat er een subjectieve ervaring van energie: we worden actief, fietsen naar het werk of laten de hond uit. Als we een tijdje druk bezig zijn, spreekt het lichaam zijn reserves aan: in de vorm van vetzuren worden de in de vetcellen opgeslagen calorieën afgestaan aan de bloedbaan en naar het om energie vragende lichaamsdeel getransporteerd.

    In Duitsland is bijna 70 procent van de mannen en de helft van de vrouwen te zwaar

    Als we ons vervolgens zo hebben ingespannen, dus een deel van de vetopslag hebben verbrand, daalt het leptineniveau in het bloed. We krijgen trek en de stofwisseling neemt af. Tijd om tot rust te komen en te eten. En om tot je door te laten dringen dat vet, het weefsel dat mensen met alle mogelijke middelen onder controle proberen te krijgen, zich helemaal zelf reguleert.

    Normaal gesproken althans. In Duitsland is bijna 70 procent van de mannen en de helft van de vrouwen te zwaar. Een op de vier volwassenen heeft zelfs een body mass index (BMI) van boven de 30 en geldt daarmee als obees, zwaarlijvig. Wereldwijd gaat het inmiddels naar schatting van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om meer dan 650 miljoen mensen.

    De meeste mensen met obesitas, onder wie steeds meer kinderen en jongeren, delen een probleem: bij hen functioneert de natuurlijke hongerbedwinger leptine niet goed. Hoe komt dat?

    Je zou kunnen denken dat zij een tekort aan leptine hebben; hun vetweefsel, hoewel in overvloed voorhanden, produceert het hormoon niet, dan wel in onvoldoende mate. Maar, zo wijzen studies uit, er circuleert voldoende leptine in hun bloed. Het probleem ligt kennelijk niet bij de zender, het vetweefsel, maar bij de ontvanger. De hersenen pakken de boodschap niet op en zetten die dus ook niet om in een gevoel van verzadiging. Met als gevolg dat mensen met obesitas voortdurend honger ervaren.

    Leptineresistentie

    De diagnose luidt: leptineresistentie. Proeven met laboratoriummuizen tonen aan dat het niet het hoge leptineniveau in het bloed is dat de hersenen ongevoelig maakt voor het hormoon, maar dat de oorzaak eerder in de voeding zelf lijkt te liggen. Verdachte bij de mens is alles wat vet en zoet is: patat, chips, slagroomtaart, chocola. Opnieuw met dierproeven legde een onderzoeksteam van de Universiteit van Californië in San Diego recentelijk het hieraan ten grondslag liggende mechanisme bloot: vetrijk gevoerde muizen produceerden een enzym genaamd MMP-2, dat de leptinereceptoren aan de buitenkant van de zenuwcellen in de hersenen aantast. De leptine kan zich daardoor niet meer hechten aan de neuronen, en dus wekken die geen gevoel van verzadiging meer op.

    Medicijnen of therapieën die de leptinesensitiviteit van de hersenen herstellen, zijn er momenteel nog niet. Blijkens recent onderzoek naar obese mensen op dieet leidt gewichtsverlies weliswaar tot normalisering van de leptineproductie, maar het subjectief ervaren van eetlust blijven zij houden.

    Wanneer de zaken eenmaal uit balans zijn geraakt, dreigt de weegschaal steeds meer kilo’s aan te geven. Als geen ander weefsel bezit lichaamsvet het vermogen om in omvang te groeien. Eerst worden de bestaande cellen groter; zij bevatten vetzuren die ons lichaam gebruikt als energieopslag voor de lange termijn, in de vorm van dicht opeengepakte triglyceriden. Als er te weinig cellen zijn om de vetvoorraden op te slaan, ontstaan er nieuwe vetcellen – die overigens, alle diëten en duurlopen ten spijt, een leven lang niet meer zullen verdwijnen.

    Net als overgewicht verstoort ook een te laag gewicht de processen in ons lichaam

    Rampzalig genoeg slaan vetten die geen plek meer vinden in een cel neer op andere plekken in het lichaam. Daar vallen ze het immuunsysteem aan en veroorzaken op die manier infecties. Die zijn op hun beurt weer verantwoordelijk voor het ontstaan van tal van ziektes, waaronder diabetes type 2, astma, gewrichtsontstekingen, kanker en hart- en vaatziektes.

    Wie nu denkt dat je dan toch beter dun kunt zijn, vergist zich. Net als overgewicht verstoort ook een te laag gewicht de processen in ons lichaam. Als gevolg van een tekort aan vetweefsel worden er te weinig hormonaal werkzame signaalstoffen aangemaakt, met als mogelijk gevolg onvruchtbaarheid. Zo blijft, zoals bekend, bij heel magere vrouwen en meisjes vaak de menstruatie uit. Op het eerste gezicht is de oorzaak gewoon een tekort aan oestrogeen, het vrouwelijke geslachtshormoon. Bij nader inzien blijkt echter een hele signaalketen in het lichaam niet goed te functioneren – om biologisch begrijpelijke redenen.

    Een baby uitdragen, ter wereld brengen en zo mogelijk voeden vergt veel kracht van de moeder. Voordat de hersenen de productie van oestrogenen verordenen waardoor menstruatie en zwangerschap pas mogelijk worden, inspecteren zij de energetische toestand van het lichaam. Zijn er genoeg reserves? Hoe hoog is het vetgehalte van het lijf? Informatie daarover komt eens te meer van het hormoon leptine, de vetsituatiewijzer.

    Kortom: smalle heupen, een platte buik en een achterwerk dat in een XS-broek past zijn kennelijk ook al geen garantie voor geluk, energie en gezondheid. Helaas.

    Vet verbranden in de kou

    In 2009 werden voor het eerst in de nek- en schouderstreek bij volwassenen ophopingen van bruine vetcellen aangetoond. Die functioneren als een kachel: wanneer de lichaamstemperatuur daalt, verbranden de cellen in hun mitochondriën olieachtige lipiden en produceren ze zo warmte. Onderzoekers rekenden uit dat ons lichaam jaarlijks 4 kilo vet extra kan verbranden wanneer de hoeveelheid bruin vet met slechts 50 gram wordt vergroot. En ze ontdekten dat het eiwit PRDM16 de groei van bruine vetcellen stimuleert. Maar daaruit ontstond tot nog toe geen preparaat voor een mogelijke therapie. In de VS proberen aanhangers van een beweging hun bruine vetcellen ruw te activeren: ’s ochtends in T-shirt een wandeling in de kou, kamertemperatuur maximaal 16 graden en ’s avonds een ijskoud bad. Maar de werking van dit thermal diet is niet wetenschappelijk bewezen.

  • 330 additieven in bewerkt voedsel

    330 additieven in bewerkt voedsel

    Er moet beleid worden ontwikkeld om de toegang tot en betaalbaarheid van rauw of minimaal bewerkt voedsel te verbeteren.

    Dat beweren Bernard Srour en Mathilde Touvier onlangs in The Lancet. Eerst was het slecht voor de gezondheid om vet te eten, toen waren koolhydraten de boos-doener, en moet vooral suiker in de ban. Westerse eetpatronen worden gekenmerkt door een hoge inname van energierijke producten, lees: grote hoeveelheden suikers, suikerhoudende dranken en verzadigde vetten, en beperkte hoeveelheden groente, fruit en volle granen, oftewel vitaminen en voedingsvezels. Er zijn zelfs sterke wetenschappelijke aanwijzingen dat dit eetpatroon chronische ziekten veroorzaakt.

    Meer recentelijk is een discussie gaande over de mate waarin voedsel is bewerkt. Voedselbewerking heeft de afgelopen eeuw tot enorme vooruitgang geleid, zoals de massaproductie van snel en gemakkelijk te bereiden voedsel en de afname van micro-biologische risico’s, maar de vraag is of we niet te ver zijn gegaan. Zijn deze op grote schaal geconsumeerde producten (50 procent van de energie-inname in het VK en de VS) van invloed op de menselijke gezondheid?

    Ultra Processed Food

    Ultra Processed Food, bewerkt voedsel dat meestal het gehele middenstuk van een supermarkt beslaat, doet er nog eens een ongezond schepje bovenop. Of het verwijderen van vezels, mineralen en andere nutriënten voor de smaak en de houdbaarheid, voedzaam en veilig is wordt steeds vaker ter discussie gesteld. De voedingsindustrie vindt van wel. Maar wetenschappers als Bernard Srour en Mathilde Touvier denken er anders over. Ze publiceerden in The Lancet recent hun bevindingen. UPF is volgens de twee eenzijdig en niet voedzaam: het mist noodzakelijke nutriënten, die je moet binnenkrijgen. En het bevat een keuze uit 330 additieven.

    Niet alleen hebben UPF gemiddeld een slechtere voedselkwaliteit, ze bestaan over het algemeen ook uit producten die verschillende intensieve processen hebben ondergaan, zoals kneding en extrusie bij hogere temperaturen, en bevatten cosmetische voedingsadditieven en/of andere industriële ingrediënten om het aroma en de smaak van het eindproduct te verbeteren.

    Volgens voedselwaakhond foodwatch is 75 procent van het aanbod in de supermarkt UPF

    Recente systematische beoordelingen en meta-analyses tonen verband aan tussen UPF-inname en een toegenomen kans op verschillende chronische aandoeningen, met name obesitas en cardiometabolisme, maar ook mortaliteit, kanker, algehele verzwakking en symptomen van depressiviteit. Zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen om zo min mogelijk bewerkt voedsel te eten. Dat zal lastig worden, want volgens voedselwaakhond Foodwatch is 75 procent van het aanbod in de supermarkt UPF. Meer dan de helft van de calorieën uit een gemiddeld westers dieet komt van UPF.

    Er is niet alleen dringend behoefte aan openbaar onderzoek dat een epidemiologische en experimentele benadering combineert om de invloed van voedselbewerking beter te begrijpen. Ondertussen moeten consumenten worden geadviseerd om 1) voedingsproducten te kiezen met een betere voedselkwaliteit volgens de normen van Nutri-Score (arm aan zout, suiker, verzadigde vetten en rijk aan voedingsvezels etc.) en 2) zich bewust te zijn van de andere maar complementaire dimensie van het voedingspatroon met betrekking tot voedselbewerking. Aangezien een voedingspatroon op basis van UPF voor goedkoper doorgaat, moet er beleid worden ontwikkeld om de toegang tot en betaalbaarheid van rauw of minimaal bewerkt voedsel te verbeteren.

    Museum voor smerig eten

    Volgens de toeristen-branche is het Disgusting Food Museum de belangrijkste bezienswaardigheid in de Zweedse stad Malmö.

    De Amerikaanse psycholoog Samuel West en de Zweedse IT’er Andreas Ahrens openden hun museum in 2018 nadat ze de wereld hadden afgespeurd naar de smerigste dingen die mensen eten. Ze moesten wel alles zelf proeven. West gaf zo vaak over dat hij de tel kwijtraakte. Ahrens vond veel van het voedsel onaangenaam, maar hij werd pas ziek nadat hij balu had geproefd,
    een Filipijnse eier-foetussnack die rechtstreeks uit de schaal wordt gegeten – veren, snavel, bloed en alles, schrijft The New Yorker. Sommige producten zijn veilig verpakt, zoals surströmming, blikjes gefermenteerde haring die alleen buiten in de open lucht geopend mogen worden. Andere gerechten maakten de curatoren zelf. Voor een Zuid-Koreaanse wijn die de ‘verse drollen’ van kinderen vereiste, schepte Ahrens de uitwerpselen van zijn achtjarige dochter op en liet die gisten met rijstwijn. Het museum, gevestigd in een keurig winkelcentrum, zet de bezoeker aan tot nadenken over wat eetbaar is. Niet alleen de smaak, ook de cultuur, traditie en economische noodzaak bepalen dat. Biologisch is walging een afweermechanisme tegen
    vergiftiging. Het museum is beschuldigd van het bevestigen van culturele vooroordelen, schrijft
    The New Yorker. Bezoekers kunnen in een fotocabine allerlei stanken opsnuiven en hun van walging vertrekkende gezicht op Instagram zetten. (Huib Stam)

    Grote stap voorwaarts

    Is kweekvlees de oplossing voor veel problemen?

    Die gedachtensprong is gauw gemaakt. Als vlees in een reactor opgekweekt kan worden zonder dat er een dier, een stal en een slachthuis aan te pas komen, dan lijkt de toekomst van de ‘cellulaire landbouw’ verzekerd en is het gedaan met de milieuvervuiling, het grondgebruik, het dierenleed en de kiloknallerij van de conventionele vleesproductie.

    De vleesindustrie is ‘onmiskenbaar schadelijk, maar politiek en maatschappelijk ook zo diep in ons bestaan verankerd dat je als hervormer niet goed weet waar je moet beginnen’, schrijft The Guardian. Maar ‘de geschiedenis wijst uit dat zulke systemen wel degelijk radicaal kunnen veranderen, zelfs binnen één generatie’.

    Richard Branson, Bill Gates en andere miljardairs investeren ruim in de nieuwe techniek. Sergey Brin van Google betaalde mee aan de ‘Maastrichtse hamburger’, het eerste stukje kweekvlees dat in 2013 met veel bombarie werd gebakken. Die kostte bij elkaar een kwart miljoen euro, het eerste obstakel. Gewoon vlees is heel goedkoop, kweekvlees kost nu 37 dollar per kilo en is pas onder de 25 dollar rendabel. Zoals de voedingsgiganten zich storten op vleesvervangers van bonen en soja, zo zullen ze ook hun dure kweekvleespatenten verdedigen en ten gelde willen maken, voorspelt de krant. Niettemin: ‘Een wereld waarin de kipnugget uit de bio-industrie wordt vervangen door een nugget uit de bioreactor zou een grote stap voorwaarts zijn voor dier en milieu.’ (Huib Stam)

  • Van escargots tot Big Mac

    Van escargots tot Big Mac

    Jarenlang vervulde de Franse keuken een modelfunctie. De haute cuisine is zelfs uitgeroepen tot immaterieel cultureel erfgoed. Nu wordt voorspeld dat in 2030 bijna de helft van de Franse bevolking obees zal zijn. En dat komt niet door de beroemde botersauzen.

    ‘Zeg me wat je eet, en ik zeg je wie je bent.’ Zo verwoordde de eerste foodie, de gastronoom Jean Anthelme Brillat-Savarin, het in 1825. En hij had als geen ander 
verstand van groene puy-linzen en kaviaar, 
langoustines à la nage, poulette du perche en poitrine de grive.Jaren en jaren heeft de Franse keuken – en dan niet alleen in restaurants – een modelfunctie vervuld: veel basisingrediënten (eieren, boter, brood, aardappelen), weinig bewerkt voedsel of fastfood, veel vis, fruit, plantaardige oliën en (vanzelfsprekend) volle zuivelproducten, gestructureerde, gezellige maaltijden met de hele familie. Franse vrouwen worden tenslotte niet dik.

    Hoe kan het dan dat er onlangs een onderzoek 
is verschenen waarin wordt geopperd dat dertig miljoen Fransen – bijna de helft van de bevolking – in 2030 obees zou kunnen zijn? En hoe kan het dan dat er, tijdens de lunch op een 
zonnige dag aan het begin van de herfst, een lange rij staat voor de McDonald’s op de Boulevard des Italiens in het centrum van Parijs? Met 1440 vestigingen is Frankrijk het op een na grootste afzetgebied van de fastfoodketen.

    ‘Ik begrijp niet hoe je dat kunt vragen’, zegt 
Stéphane Loiseau, een 29-jarige accountmanager die zijn bestelling – een ‘CBO’ (chicken, bacon, onion) met frites – intikt op het touchscreen. ‘Het is zo’n cliché. Het is goedkoop, het gaat snel, ze gebruiken best goede ingrediënten. Waarom zouden Fransen anders zijn dan de rest van de wereld?’

    Kruistocht tegen junkfood

    Nathalie Girardot, verkoopster in een nabijgelegen juwelierszaak, schiet ook meteen in de 
verdediging. ‘Wist je dat ze alleen maar Franse ingrediënten gebruiken?’ zegt ze, terwijl ze naar haar dienblad wijst. ‘Kijk maar: Charolais-rundvlees, Fourme d’Ambert-kaas eroverheen. En een echte vinaigrette. Frankrijk is dol op McDonald’s. Dat is nooit anders geweest.’

    Dat is niet helemaal waar. Volgend jaar is het twintig jaar geleden dat een pijprokende schapenboer met een snor, José Bové, veel aandacht trok met het ontmantelen van een in aanbouw zijnde McDonald’s in Millau, in het zuiden van Frankrijk. Hij deed dat samen met een aantal andere kleine boeren en ex-hippies, en zette 
zo een landelijke kruistocht in gang tegen la 
malbouffe – junkfood.

    Maar inmiddels is Frankrijk dol op burgers: uit onderzoek dat eerder dit jaar is gepubliceerd door consultancybureau Gira Conseil, blijkt dat de 66 miljoen inwoners van het land in 2017 samen 1,46 miljoen burgers aten – bijna 10 
procent meer dan het jaar ervoor. Wat misschien nog wel opmerkelijker is, is dat inmiddels in 85 procent van de Franse restaurants burgers op het menu staan. Niet dat je die altijd ‘malbouffe’ zou noemen. Bij L’Artisan du Burger in de Rue 
du Faubourg Poissonnière staan burgers op het menu met rucola, citroenrasp, reblochon, compote van rode ui en gerooktespecerijensaus, voor 12 euro (of meer, als je hem op een broodje met inktvisinkt wil, of met een topping van zwartekomijnzaad).

    © Pexels
    © Pexels

    Bernard Boutboul, de algemeen directeur van 
Gira Conseil, beschrijft de onstuitbare opkomst van de burger in Frankrijk als ‘een euforie, een gekte’, die inmiddels de vorm dreigt aan te nemen van ‘hysterie’, waardoor in veel restaurant de klassiekers van 
de Franse bistro, zoals eendenborst en boeuf bourguignon, van hun plek worden verdrongen door modieuze burgers.

    Toch kan de overgrote meerderheid – 70 procent – van de burgers die in Frankrijk worden geconsumeerd, bepaald niet worden geschaard onder de term ‘fastfood’. Ze worden genuttigd aan een tafeltje, vaak met een glas wijn, in een ‘echt’ restaurant. Wat nog niet wil zeggen dat het thuisland van de haute cuisine niet zou zijn gezwicht voor fastfood: dat is namelijk wel het geval. De Franse eetgewoonten 
zijn aan het veranderen.

    Door de toenemende tijdsdruk (geen lunchpauzes meer van twee uur; volgens een onderzoek neemt de gemiddelde Franse werknemer nu 31 minuten pauze) en de opkomst van thuisbezorgdiensten als Deliveroo en Uber Eats maakt de fastfoodsector in Frankrijk een exponentiële groei door. Afgelopen jaar hebben de 32.000 fastfoodrestaurants een omzet gedraaid van zo’n 51 miljard euro – 6 procent meer dan in 2016, 13 procent meer dan vier jaar geleden en bijna drie keer zoveel als in 2005. En bovenal maakt de fastfoodsector inmiddels 60 procent uit van het Franse restaurantwezen.

    66 miljoen inwoners aten in 2017 samen 1,46 miljoen burgers

    Fastfood ‘wil nog niet meteen zeggen dat je ook slecht eet’, zegt Josiane Bouvier, een aardrijkskundelerares die we aanspreken bij de uitgang van Nous, een organisch afhaalrestaurant aan de Rue de Châteaudun. In haar handen heeft 
ze een weinig Frans klinkende ‘hotbox’ van gegrilde kip, mint-yoghurtsaus, seizoenssalade en bruine rijst. ‘Ik denk dat veel Fransen, ook de Fransen die naar een fastfoodketen gaan, zich heel erg bewust zijn van de kwaliteit van de ingrediënten, en van de vraag of het eten echt
    ter plekke wordt bereid’, zegt ze. ‘Maar goed, dan moet je het je wel kunnen veroorloven om 9, 10 of 11 euro neer te tellen voor je lunch.’

    En dat is de crux: in Frankrijk is kwalitatief goed eten niet langer goedkoop – noch in restaurants, noch thuis. De voedselproducenten en de distributiebedrijven zijn groot en machtig. De Franse eetgewoonten zijn niet langer een voorbeeld, aldus het voedselagentschap Anses: er komt steeds meer bewerkt voedsel aan te pas, er zit 
te veel zout in en te weinig vezels. Frankrijk mag dan nog zo’n bijzondere band hebben met eten, het land is bepaald niet 
ongevoelig voor la malbouffe. In het parlement is onlangs de zorg uitgesproken dat mogelijk dertig miljoen Fransen, vooral in de lagere inkomensgroepen, in 2030 obees of te dik zullen zijn, tenzij de grote voedselproducenten de gehaltes aan zout, suiker, vetten en andere additieven terugbrengen, en kinderen leren hoe ze gezonder moeten eten.

    ‘Franse gezinnen besteden minder geld en 
minder tijd aan eten dan ooit tevoren’, aldus het Kamerlid Loïc Prud’homme. ‘We moeten weer baas worden over eigen bord.’ Een ander Kamerlid, Michèle Crouzet, dat campagne heeft gevoerd voor minder zout in het eten, neemt al helemaal geen blad voor de mond. ‘Het is niet 
zo dat Fransen doodgaan aan een overdaad aan eten’, zegt ze, ‘maar het eten dat we nuttigen, zal ons beetje bij beetje fataal worden.’

    Auteur: John Henley

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Studie na studie toont aan dat bacon, ham, salami en andere soorten bewerkt vlees kanker kunnen veroorzaken. Hoe kan het dan, vraagt de Britse historica en voedseldeskundige Bee Wilson zich af, dat de vleeswarenindustrie alsmaar volhoudt dat hun producten veilig zijn?

    Vroeger ging ik naar een cafeetje waar ze de beste broodjes bacon hadden. Dat was een heerlijk luchtig wit bolletje, en de bacon, een dikke plak van een plaatselijke slager, zat ergens tussen knapperig en stevig in. Er werden kleine potjes ketchup en HP Sauce bij geserveerd, zodat je zelf kon bepalen hoeveel je erop deed. Dat was alles: brood, bacon en saus. Het eten van zo’n broodje – ik deed dat om de paar weken – met een kop sterke koffie erbij, was voor mij ongecompliceerd genieten.

    Maar plotseling was dat broodje bacon helemaal niet meer zo’n onverdeeld genoegen. In oktober 2015 had de helft van mijn kennissenkring het wekenlang over het nieuws dat bacon kankerverwekkend was. Je kon er niet omheen: het stond breed uitgemeten in alle kranten en overal op internet. Zoals een journalist van Wired schreef: ‘Waarschijnlijk zijn er geen woordcombinaties te vinden die het internet zo in vuur en vlam kunnen zetten als BACON en KANKER.’ De website van de BBC meldde zakelijk dat ‘bewerkt vlees kanker veroorzaakt’, terwijl The Sun uitpakte met ‘Worst in de ban’ en ‘Moordenaar in de keuken’.

    De bron van het verhaal was het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat ‘bewerkt vlees’ nu werd geclassificeerd in ‘groep 1 
carcinogeen’, wat betekent dat wetenschappers ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijs is voor de conclusie dat bewerkt vlees kanker veroorzaakt, met name darmkanker. De waarschuwing gold niet alleen voor Britse bacon maar ook voor Italiaanse salami, Spaanse chorizo, Duitse braadworst 
en eindeloos veel andere etenswaren.

    Alarmerende berichten over de gezondheid kun je vaak met een korrel zout nemen, maar deze onheilstijding viel toch moeilijk te negeren. Het bericht van de WHO berustte op het advies van 22 kankerspecialisten uit tien landen, die nauwkeurig hadden gekeken naar meer dan vierhonderd onderzoeken naar bewerkt vlees, waarin de epidemiologische data van honderdduizenden mensen waren opgenomen. ‘Eet minder bewerkt vlees’ was nu net als ‘eet meer groente’ een van de weinige onweerlegbare, wetenschappelijk bewezen adviezen – niet gewoon de zoveelste voedingshype. Zoals in elk nieuwsbericht werd benadrukt, behoorde bewerkt vlees nu tot een groep van 120 carcinogenen, naast alcohol, asbest en tabak – wat leidde tot schreeuwende krantenkoppen waarin werd verkondigd dat het eten van bacon even dodelijk was als roken. De WHO waarschuwde dat het eten van 50 gram bewerkt vlees per dag – evenveel als een paar plakjes bacon of één hotdog – de kans op het krijgen van darmkanker met 18 procent verhoogt. (Het eten van grotere hoeveelheden vergroot die kans.) Als je hoort dat je eigen risico op kanker van 5 procent stijgt naar ongeveer 6 procent, is dat misschien niet alarmerend genoeg om je de broodjes bacon te laten afzweren. Maar als je hoort dat het eten van bewerkt vlees wereldwijd per jaar 34.000 doden extra veroorzaakt, schrik je wel iets meer. 
Volgens Cancer Research UK zouden er, als in Groot-Brittannië niemand bewerkt of rood vlees at, 8800 kankergevallen minder zijn. (Dat is vier keer zoveel als het landelijke aantal dodelijke verkeersslachtoffers.)

    Typisch Brits voedsel

    Het nieuws werd vooral als schokkend ervaren omdat ham en bacon typisch Brits voedsel zijn. Bijna een kwart van de volwassenen in Groot-Brittannië eet dagelijks een broodje ham tussen de middag, volgens gegevens uit 2012 die zijn verzameld door 
de onderzoekers Luke Yates en Alan Warde. Voor veel consumenten is bacon niet zomaar een voedingsmiddel; het is de bron van veel jeugdherinneringen, een aandenken aan thuis. Onderzoek toont aan dat de lucht van het uitbakken van bacon een van de lievelingsgeuren is in het Verenigd Koninkrijk, naast gemaaid gras en vers brood. Om dan te horen dat bacon bij miljoenen mensen kanker heeft veroorzaakt, is net zoiets als horen dat je oma altijd 
stiekem arsenicum op je ontbijtboterham strooide.

    Vegetariërs wijzen er wellicht op dat het broodje bacon nooit als een onverdeeld genoegen gezien 
mag worden, zeker niet voor de varkens, waarvan 
de meeste in smerige, benauwde omstandigheden 
worden gehouden. Maar voor de rest van ons was 
het een alarmerend bericht dat ons lievelingseten bijdraagt aan de onnodige dood van duizenden 
mensen. In de weken die volgden op de bekendmaking van het WHO-rapport zakte de verkoop van bacon en worst in. De Britse supermarkten meldden een daling van 3 miljoen pond in veertien dagen tijd. (‘Het was een grote klap,’ vertelde Kirsty Adams, de productontwikkelaar voor vlees bij Marks & Spencer.)

    Maar net toen het ernaar uitzag dat dit #Bacongeddon zou worden (een van de vele wanhopige, bacongerelateerde hashtags die in oktober 2015 trending waren), kwam er een tweede informatiegolf. De boodschap daarvan: paniek voorbij. In ieder geval was de analogie tussen het eten van bacon en roken misleidend. Het roken van tabak en het eten van bewerkt vlees is allebei gevaarlijk, maar niet in dezelfde mate. Om het in een bredere context te plaatsen: ongeveer 86 procent van de gevallen van longkanker houdt verband met roken, terwijl slechts 21 procent van de gevallen van darmkanker kan worden toegeschreven aan het eten van bewerkt of rood vlees. Enkele weken na het verschijnen van het rapport kwam de WHO met een verklaring waarin werd benadrukt dat er niet in het rapport stond dat consumenten geen bewerkt vlees meer mochten eten.

    Intussen liet de vleesindustrie weten dat het een storm in een glas water was. Het North American Meat Institute, een lobbygroep van de vleesindustrie, noemde het rapport ‘zwaar overdreven’. In een hele rits artikelen werd op redelijke toon benadrukt dat het prematuur en dwaas zou zijn om geen bewerkt vlees meer te eten vanwege een heel kleine kans op kanker.

    Bijna drie jaar later is ten aanzien van bewerkt vlees alles weer normaal. Velen van ons zijn over de eerste schok heen. De verkoop van bacon in het 
Verenigd Koninkrijk is in de twee jaar tot medio 2016 met 5 procent gestegen. Toen ik vorig jaar een productontwikkelaar bij supermarkt Sainsbury’s interviewde, vertelde ze dat een van 
de snelste manieren om Britse consumenten een nieuw product te laten proberen was door er chorizo aan toe 
te voegen.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn

    En toch is het bewijs dat er een verband is tussen bacon en kanker sterker dan ooit. In januari van dit jaar bleek uit een grootschalige studie waarbij de gegevens van 262.195 Britse vrouwen werden gebruikt, dat alleen al bij het eten van 9 gram bacon per dag – minder dan één plakje – de kans op het ontwikkelen van borstkanker later in het leven aanzienlijk toeneemt. De hoofdauteur van de studie, Jill Pell van het Institute of Health and Wellbeing van de Universiteit van Glasgow, vertelde dat hoewel het contraproductief kan zijn om aan te dringen op totale onthouding, er wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het 
‘misleidend zou zijn als gezondheidsinstanties een andere veilige norm vaststellen dan nul’.

    Het werkelijke schandaal is echter dat bacon helemaal niet zo schadelijk voor onze gezondheid hoeft te zijn. Het deel van het verhaal dat ons niet wordt verteld – ook niet door de WHO – is dat er andere manieren zijn om die producten te vervaardigen, waardoor ze significant minder carcinogeen zouden zijn. Het feit dat er zo weinig bekend is, is 
te wijten aan de macht van de vleesindustrie, die de afgelopen veertig jaar een campagne van verdoezelen en misleiding heeft gevoerd die kan wedijveren met de smerige trucs van de tabaksindustrie.

    Hoe kies je in een winkel een pakje bacon uit, aangenomen dat je een vleeseter bent? Ten eerste kies je tussen knapperige doorregen spek, of het magere rugspek. Dan besluit je of je gerookt of ongerookt 
wilt – elk soort heeft zijn eigen fervente fans (ik ben van de ongerookt-fanclub). Misschien zoek je een pakje uit met scharrel- of biologisch vlees, of misschien ben je krap bij kas en zoek je gewoon naar een aanbieding. Hoe dan ook, voordat je het in je mandje legt, kijk je nog een keer om te zien of het vlees roze genoeg is.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn, zoals de Franse journalist Guillaume Coudray uitlegt in een boek dat vorig jaar in Frankrijk uitkwam met als titel Cochonneries, een woord dat zo wel ‘zwijnenstal’, ‘smeerboel’ als ‘ongezond eten’ betekent. De ondertitel luidt: ‘Hoe vleeswaren giftig werden’. Cochonneries leest als een misdaadroman, waarin de bewerktvleesindustrie de dader is en de gewone consument het slachtoffer.

    Het roze van de bacon – of van gekookte ham of salami – is een teken dat het is behandeld met chemicaliën, in het bijzonder met nitraat en nitriet. De algemene opvatting is dat bewerkt vlees door het gebruik van deze chemicaliën kankerverwekkender is dan onbewerkt vlees. Coudray betoogt dat we niet moeten spreken van ‘bewerkt vlees’ maar van ‘nitrovlees’.

    ‘Pure, idiote, krankzinnige waanzin’, zo omschrijft Coudray in een e-mail aan mij het voortdurende gebruik van nitraat en nitriet in bewerkt vlees. De waanzin schuilt naar zijn mening in het feit dat het mogelijk is bacon en ham te maken op een manier die minder kankerverwekkend is. De simpelste manier om vlees te conserveren is met droog zout 
of natte pekel. Coudray merkt op dat fabrikanten van ham en bacon beweren dat deze ouderwetse manier van conserveren niet veilig is. Maar de werkelijke reden waarom ze ertegen zijn is een financiële: het duurt op deze manier veel langer voor bewerkt vlees op smaak is, en dat drukt de winst.

    gettyimages 80439641

    Er bestaat veel verwarring over wat ‘bewerkt vlees’ nu precies inhoudt, 
een verwarring die in de hand wordt gewerkt door de vleesindustrie, die 
er baat bij heeft dat wij denken dat 
er geen verschil bestaat tussen vers gekruid lamsgehakt en een pizza overladen met nitraatpepperoni. Formeel gezien betekent ‘bewerkt vlees’ varkensvlees of rundvlees dat is gezouten en geconserveerd, gerookt of niet gerookt. Een pond vers rundergehakt is niet bewerkt. Een harde salami wel.

    Het gezondheidsrisico van bacon heeft voornamelijk te maken met twee additieven: kaliumnitraat (oftewel salpeter) en natriumnitriet. Deze stoffen geven salami, bacon en gekookte ham hun aantrekkelijke roze kleur. Salpeter werd al in vroeger tijden gebruikt voor het zouten van vlees. Zoals Jane Grigson uitlegt in Charcuterie and French Pork Cookery, werd salpeter traditioneel gebruikt bij het pekelen van ham ‘om het er aantrekkelijk roze te laten uitzien, omdat het anders een onfrisse, grijsachtig bruine kleur zou hebben’.

    In vroegere eeuwen wisten baconmakers die salpeter gebruikten niet dat het bij het conserveren van het vlees verandert in nitriet. En nitriet zorgt ervoor dat de bacterie die verantwoordelijk is voor de smaak zich sneller ontwikkelt, namelijk door de ontwikkeling van andere bacteriën te remmen. Maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekte de vleesindustrie dat de productie van bewerkt vlees gestroomlijnd kon worden door in pure vorm natriumnitriet toe te voegen aan het varkensvlees. In de jaren zestig spraken de firma’s die nitrietpoeder verkochten aan hamfabrikanten er 
in vakbladen openlijk over dat het belangrijkste voordeel was dat door 
de versnelling van het productieproces 
de winstmarges werden vergroot. Een Frans merk natriumnitriet uit de jaren zestig was Vitorose, oftewel ‘snel roze’.

    Nitrochemicaliën zijn niet zo’n zegen voor de consument. Van zichzelf zijn deze chemicaliën niet kankerverwekkend; nitraat zit tenslotte van nature in veel groene groenten, zoals bleekselderie en spinazie, iets waar baconfabrikanten vaak triomfantelijk op wijzen. Zoals een Britse baconfabrikant tegen me zei: ‘Er zit nitraat in sla, en niemand zegt dat je dat niet mag eten!’ Maar er gebeurt iets anders als nitraat wordt gebruikt bij het bewerken van vlees. Als nitraat reageert met bepaalde componenten in rood vlees (heemijzer, aminen en amiden), ontstaan N-nitrosoverbindingen, die kankerverwekkend zijn. De bekendste van deze verbindingen is nitrosamine. Hiervan is bekend, zoals Guillaume Coudray me in een e-mail uitlegde, dat het ‘zelfs in een heel lage dosering kankerverwekkend is’. Telkens als iemand bacon, ham of ander bewerkt vlees eet, komt er in de darmen een dosis nitrosaminen die de cellen in de darmwand beschadigt, en dat kan leiden tot kanker.

    Je kunt het niet afleiden uit de manier waarop bacon wordt verkocht, maar wetenschappers weten al heel lang dat nitrosaminen kankerverwekkend zijn. Meer dan zestig jaar geleden, in 1956, ontdekten de Britse onderzoekers Peter Magee en John Barnes dat als ratten dimethylnitrosamine kregen toegediend, 
ze kwaadaardige levertumoren ontwikkelden. In 
de jaren zeventig toonden studies bij dieren aan dat kleine, herhaaldelijk toegediende doses nitrosaminen en nitrosamiden – precies het soort reguliere dosis die iemand dagelijks binnenkrijgt als hij bacon bij zijn ontbijt eet – tumoren in allerlei organen veroorzaakten, waaronder in de lever, de maag, de slokdarm, de darmen, de blaas, de hersenen, de longen en de nieren.

    Hersenkanker

    Dat iets kankerverwekkend is bij ratten en andere zoogdieren, betekent nog niet dat het ook kanker veroorzaakt bij mensen, maar al in 1976 betoogde kankerspecialist William Lijinsky dat ‘het aannemelijk is’ dat de N-nitrosoverbindingen die in vleeswaren zoals bacon zitten, ook ‘carcinogeen voor 
de mens’ zijn. In de daaropvolgende jaren hebben onderzoekers een enorme hoeveelheid bewijs verzameld die die aanname ondersteunt. In 1994, om maar een van de honderden studies over nitrosaminen en kanker eruit te halen, ontdekten twee Amerikaanse epidemiologen dat er een verband was tussen het een of meerdere keren per week eten van een hotdog en een verhoogd risico op hersenkanker bij kinderen, vooral bij kinderen die bovendien weinig vitaminen binnenkregen.

    In 1993 namen parmahamfabrikanten in Italië 
collectief het besluit om nitraat uit hun product te weren en terug te keren naar het gebruik van alleen zout, net zoals vroeger. De afgelopen 25 jaar is er 
in geen enkele Prosciutto di Parma nitraat of nitriet gebruikt. Zelfs zonder nitraat of nitriet blijft de ham roze van kleur. We weten nu dat de kleur in parmaham volstrekt onschadelijk is: deze is het gevolg van enzymreacties tijdens het anderhalf jaar durende rijpingsproces van de ham.

    Langzaam geconserveerde, nitraatvrije ambachtelijke ham is één ding, maar hoe zit het met de vleeswaren voor de massamarkt? Anderhalf jaar is wel 
een erg lange wachttijd voor hotdogs, aldus voedselwetenschapper Harold McGee. Maar er zijn altijd nitraatvrije baconsoorten geweest, waarvoor alleen zout en kruiden zijn gebruikt. John Gower van Quiet Waters Farm, een producent van varkensvlees die veel fabrikanten van bewerkt vlees adviseert, bevestigt dat nitraat geen noodzakelijk ingrediënt is van bacon: ‘Het is algemeen erkend dat aan puur spiervlees, in tegenstelling tot bewerkt vlees zoals salami, geen nitraat hoeft te worden toegevoegd voor de voedselveiligheid.’

    Bacon is het bewijs, als dat nog nodig is, dat we vasthouden aan oude gewoonten, lang nadat bewezen is dat ze schadelijk zijn. Dat vasthouden aan nitraat in bacon is vooral ‘cultureel’, zegt Gower. Bacon die is geconserveerd op de traditionele manier, zonder nitraat en nitriet, mist wat Gower ‘dat moeilijk te definiëren aroma, die heerlijke, bijna metaalachtige smaak’ noemt, waardoor bacon voor de Britse consument naar bacon smaakt. Bacon zonder nitraat, 
zegt Gower, is niets anders dan ‘zout varkensvlees’.

    Gezien het feit dat al zo lang bekend is dat ‘nitrovlees’ schadelijk is, rijst de vraag waarom er niets 
is gedaan om ons ertegen te beschermen. Corinna Hawkes, hoogleraar Voedselbeleid aan de City-universiteit in Londen, voorspelt al jaren dat bewerkt vlees ‘het nieuwe suiker’ is – een voedingsmiddel dat zo schadelijk is dat de overheid moet ingrijpen om ons te beschermen. Het zal niet lang meer duren, aldus Hawkes, voordat eindelijk het verband tussen kanker en bewerkt vlees tot de mensen doordringt en ze zeggen: ‘Waarom heeft niemand ons dat verteld?’

    Het verbijsterendste van de baconpaniek in 2015 was dat het zo lang duurde voordat officiële volksgezondheidsinstanties waarschuwden tegen het consumeren van bewerkt vlees. Dat hadden ze veertig jaar eerder kunnen doen. De enige keer dat de bewerktvleesindustrie serieus in het nauw dreigde te komen, was in de jaren zeventig, een decennium waarin in de VS de zogenaamde ‘oorlog tegen de nitraten’ werd gevoerd. In het tijdperk van het consumentenactivisme van Ralph Nader kwam er steeds meer steun voor het idee om de consument te beschermen tegen bacon – een prominente wetenschapper op het gebied van de volksgezondheid noemde bacon ‘het gevaarlijkste voedsel in de supermarkt’. In 1973 bevestigde Leo Freedman, de belangrijkste toxicoloog van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), tegenover The New York Times dat ‘nitrosaminen kankerverwekkend zijn voor de mens’, hoewel 
hij eraan toevoegde dat hij net als ieder ander gek was op bacon.
    De Amerikaanse vleesindustrie besefte dat ze snel moest handelen om bacon te beschermen tegen de kankerbeschuldigingen. Eerst probeerde men 
de wetenschappers eenvoudigweg belachelijk te maken door te stellen dat ze enorm overdreven. In 1975 betoogde Farmers Weekly in een artikel getiteld ‘Feiten met betrekking tot de angst voor bacon’ dat een man van gemiddeld gewicht elke dag meer dan 11 ton bacon zou moeten eten om ook maar de geringste kans op kanker te krijgen. Dat was een schandelijk verzinsel.

    Maar algauw kwam de vleeslobby met een slimmere afleidingstruc. Het American Meat Institute (AMI) poneerde de stelling dat het nitraat er alleen aan was toegevoegd voor de veiligheid van de consument, ter bescherming tegen botulisme – een potentieel dodelijke vergiftiging door toxinen die soms worden gevormd in slecht geconserveerde etenswaren. De wetenschappelijk directeur van het AMI betoogde dat met een enkel kopje botuline alle mensen op onze planeet gedood konden worden. Dus in tegenstelling tot levensbedreigend was bacon eigenlijk levensreddend.

    gettyimages 80439641

    In 1977 gaven de FDA en het Amerikaanse ministerie van Landbouw de vleesindustrie drie maanden de tijd om te bewijzen dat nitraat en nitriet in bacon niet gevaarlijk waren. ‘Als ze geen bevredigend 
antwoord kregen, zouden die additieven binnen 
drie jaar vervangen moeten worden door niet-kankerverwekkende methoden’, schrijft Coudray. De vleesindustrie kon niet bewijzen dat nitrosaminen niet kankerverwekkend waren – omdat al lang bekend was dat ze dat wel waren. In plaats daarvan werd als argument aangevoerd dat nitraat en nitriet uiterst essentieel zijn voor de productie van bacon, omdat er anders duizenden mensen zouden overlijden aan botulisme. In 1978 betoogde Richard Lyng, directeur van het AMI, in een reactie op het ultimatum van de FDA dat nitriet voor bewerkt vlees hetzelfde is als gist voor brood.

    De tactiek van de vleesindustrie bij de verdediging van bacon komt ‘rechtstreeks uit de koker van de tabaksindustrie’, aldus Marion Nestle, hoogleraar Voeding en Voedsel aan de New York-universiteit. 
De eerste zet is: val de wetenschap aan. In de jaren tachtig financierde het AMI een groep wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin. Die vleesonderzoekers publiceerden een reeks artikelen die twijfel zaaiden over het schadelijke effect van nitraat en die het risico op botulisme bij nitraatloze ham overdreven.

    Leidt de productie van ham zonder nitriet tot botulisme? Als dat zo is, is het wel een beetje vreemd dat in de 25 jaar dat parmaham zonder nitriet wordt gemaakt, er geen enkel geval van botulisme mee 
in verband is gebracht. Bijna alle gevallen van 
botulisme veroorzaakt door geconserveerd voedsel – uiterst zeldzaam overigens – zijn het gevolg geweest van slecht geconserveerde groenten, zoals ingeblikte bonen, erwten en paddenstoelen. Het botulisme-argument was een rookgordijn. Hoe meer de consument het gevoel had dat je kon debatteren over het schadelijke effect van nitraat en nitriet in bacon en ham, des te makkelijker ze zich gerust 
lieten stellen en gewoon bacon bleven kopen.

    Het schijnargument van botulisme was zeer effectief. Het lukte het AMI om de FDA zover te krijgen dat het ultimatum met betrekking tot nitriet werd verlengd tot in 1980 een nieuw hoofd werd aangesteld bij de FDA, iemand die meer van hotdogs hield. Het verbod op nitriet werd in de ijskast gezet. De enige concessie die de industrie had gedaan, was het percentage nitriet dat werd toegevoegd aan bewerkt vlees te beperken en vitamine C toe te voegen, waardoor de vorming van nitrosaminen werd geremd, hoewel vitamine C niet de vorming van een ander bekend carcinogeen voorkomt: nitrosyl-haem.

    In de loop der jaren zijn de berichten die de gevaren van bacon bagatelliseren steeds bizarder geworden. Een verklarend artikel door het Meat Science and Muscle Biology-lab van de Universiteit van Wisconsin betoogt dat natriumnitriet in wezen ‘essentieel is voor de gezondheid van de mens, doordat het de bloeddruk regelt, geheugenverlies voorkomt en de wondgenezing 
versnelt’. Een website van de Franse vleesindustrie, info-nitrites.fr, stelt dat het gebruik van ‘de juiste dosis’ nitriet in ham ‘gezonde en veilige’ producten garandeert, en benadrukt dat ham uitstekend voedsel voor kinderen is.

    De baconlobby heeft verrassend genoeg bondgenoten gevonden bij de voorvechters van natuurlijk voedsel. Typ ‘nitraat kanker bacon’ in op Google en je stuit op een aantal artikelen over gezond eten, waarvan enkele zijn geschreven door pleitbezorgers van 
het ‘paleodieet’. Zij betogen dat bacon eigenlijk gezondheidsvoedsel is, waarover ten onrechte kwaad wordt gesproken. De schrijvers melden vaak dat groenten de primaire bron van nitraat zijn en dat het menselijk speeksel veel nitriet bevat. Een veel gedeeld artikel beweert dat stoppen met het eten van bacon net zo absurd zou zijn als proberen te stoppen met ademhalen. Bij deze talloze onlinepleidooien voor de gezondheid van bacon is het moeilijk vast te stellen welke auteurs overtuigd zijn door de vleeslobby, en wie gewoon domme ‘voedingsdeskundigen’ zijn die niet beter weten. Hoe dan ook, deze desinformatie heeft de potentie om duizenden mensen ziek te maken. Het raadselachtige van het geheel is waarom iedereen die misleiding zo gretig accepteert.

    We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken

    Onze steeds verder reikende kennis van de gevaren van bacon heeft weinig schade toegebracht aan de genoeglijke culturele associaties van bacon. Tijdens de research voor dit artikel voelde ik steeds meer walging opkomen ten aanzien van de voortdurende onoprechtheid van de bewerktvleesindustrie. Ik dacht aan ziekenhuiszalen en de verschrikkelijke pijn en ellende van darmkanker. Maar dan herinnerde ik me 
de zondagochtenden dat ik als kind samen met mijn vader in de keuken was en hem bacon zag bakken. Als de bacon klaar was, bakte hij wat stukjes brood in het resterende spekvet tot die 
al het lekkers in zich hadden opgezogen.

    In theorie zou onze gewoonte om gezouten en geconserveerd vlees te eten moeten zijn verdwenen toen halverwege de twintigste eeuw de koelkast zijn intrede deed in de huishoudens. Maar de smaak van eten is zelden rationeel en miljoenen van ons zijn nog steeds gek op het zoutige, rokerige umami-aroma van sissende bacon. We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken. De wijdverbreide bereidheid om de roze nitrobacon het veroorzaken van kanker te vergeven, illustreert hoe verscheurd we ons voelen als iets geliefds in onze cultuur schadelijk voor onze gezondheid blijkt te zijn. Onze hersenen kunnen het vreselijke gevoel niet aan dat bacon niet is wat we dachten dat het was, en dus richten we onze woede op de gezondheidsgoeroes die ons waarschuwen voor de gevaren ervan. De reactie van veel consumenten
 op het WHO-rapport van 2015 was: blijf van mijn bacon af!

    In 2010 overwoog de EU het gebruik van nitraat in biologisch vlees te verbieden. Verrassend misschien, maar de Britse industrie van biologische bacon was een fel tegenstander van dat voorgenomen nitraatverbod. Richard Jacobs, de voormalige directeur van Organic Farmers & Growers, een industriële organisatie, zegt dat het verbieden van nitraat en nitriet de ineenstorting van de groeimarkt van biologische bacon zou hebben betekend.

    Biologische bacon waaraan nitraat is toegevoegd klinkt als een contradictio in terminis, aangezien de meeste consumenten van biologisch eten het kopen vanwege hun bezorgdheid over de voedselveiligheid. Als je eerst zo veel moeite hebt gedaan om scharrelvarkens te fokken en ze alleen biologisch voedsel te geven, waarom zou je het vlees dan zodanig bewerken dat het kankerverwekkend wordt? In Denemarken is alle biologische bacon nitraatvrij. Maar de Britse biologische industrie houdt vol dat Britten geen bacon accepteren die er grijsachtig uitziet.

    Het feit dat de consument zijn vertrouwen in roze bacon zo langzaam opgeeft, is echter deels een reactie op de verwarrende manier waarop de gezondheidsboodschap wordt gebracht. Wat betreft bewerkt vlees zijn we niet alleen misleid door de bizarre overdrijvingen van de voedselindustrie, maar ook door de behoedzaamheid van de wetenschap. Op de website van de WHO wordt het schadelijke aspect van met nitriet behandeld vlees zo onduidelijk uitgelegd dat het je helemaal kan ontgaan. Halverwege een stuk over de oorzaken ‘waardoor rood vlees en bewerkt vlees de kans op kanker vergroten’, staat: ‘Tot de kankerverwekkende chemicaliën die ontstaan tijdens het bewerken van vlees, behoren onder andere N-nitrosoverbindingen.’ In normale taal betekent dit dat nitriet bacon kankerverwekkender maakt. Maar in plaats van dat zo direct te formuleren, wijkt de WHO snel uit naar de vraag hoe zowel rood als bewerkt vlees kanker kan veroorzaken, en voegt eraan toe ‘dat het nog niet helemaal duidelijk is hoe het komt dat de kans op kanker toeneemt’.

    Het worstje

    Deze behoedzaamheid heeft ons als consument onnodig in het ongewisse gelaten. Jarenlang heb ik geloofd dat het ongezondste van het typisch Engelse ontbijt het worstje was, en niet de bacon. Voor ik aan de research voor dit artikel begon, had ik durven zweren dat worstjes tot de categorie ‘bewerkt vlees’ behoorden. Op de website van de National Health Service staan ze daar ook foutief onder gerangschikt. Maar het Britse worstje bestaat, in tegenstelling tot een harde worst zoals de Franse saucisson, alleen uit vers vlees, broodkruim, kruiden, zout en E223, een conserveringsmiddel dat niet kankerverwekkend is. Na veel vragen bevestigden twee woordvoerders van het Amerikaanse National Cancer Institute dat je verse worst ‘zou kunnen beschouwen als rood vlees’ en niet als bewerkt vlees, en daarom alleen als ‘mogelijk’ kankerverwekkend. (Ik werd heel blij van het feit dat de meeste worstjes geen bewerkt vlees zijn; denkend aan [het typisch Engelse gerecht] toad in the hole deed ik een vrolijk rondedansje door de keuken.)

    Als je kankerspecialisten vraagt onderscheid te maken tussen de risico’s van het eten van verschillende soorten vlees, worden ze natuurlijk behoedzaam. De twee deskundigen bij het National Cancer Institute vertelden dat vleessoorten die nitriet en nitraat bevatten, in onderzoeken bij de mens ‘consistent in verband worden gebracht met een verhoogd risico op darmkanker’. Maar ze voegden eraan toe 
dat ‘het moeilijk is om nitrosaminen te scheiden van andere mogelijke carcinogenen die aanwezig kunnen zijn in bewerkt vlees zoals bacon.’ Tot die andere verdachte stoffen behoren onder andere heemijzer – een stof die overvloedig aanwezig is in al het rode vlees, bewerkt of niet – en heterocyclische aminen: chemicaliën die in vlees ontstaan bij het bakken. 
Een stuk knapperige, doorgebakken bacon zal veel carcinogenen bevatten, en dat komt niet alleen door het nitraat.

    Naar mijn mening is het probleem met deze redenering dat daarmee de vraag waarom bewerkt vlees zo veel nauwer gelinkt wordt aan kanker dan gebakken rood vlees, niet is beantwoord. Daarvoor is nog geen plausibele verklaring, behalve dan nitraat en nitriet. Maar het is lastig om daar een duidelijke bevestiging voor te zoeken in de data, omdat mensen niet onder klinische observatie in laboratoria eten.

    Het meeste van wat we weten over bewerkt vlees en kanker bij de mens, komt uit de epidemiologie – de studie naar ziekten in hele bevolkingsgroepen. Maar epidemiologen stellen niet het soort gedetailleerde vragen over voedsel waarop de mensen die dat voedsel eten graag een antwoord zouden hebben. Epidemiologische data – gebaseerd op onderzoek naar wat mensen eten – tonen overduidelijk aan dat eetpatronen met veel bewerkt vlees leiden tot een toename van het aantal kankergevallen. Maar er blijkt niet uit waarom, of welk vlees het best of het slechtst is. Zoals Corinna Hawkes van de City-universiteit opmerkt: ‘De onderzoekers vragen niet of je ambachtelijke vleeswaren van de plaatselijke Italiaanse delicatessenzaak eet of de goedkoopste hotdogs die je maar kunt krijgen.’

    Ik zou graag data zien waarbij het risico op kanker 
bij het eten van parmaham wordt vergeleken met het dat bij eten van traditionele bacon, maar geen epidemioloog heeft nog zo’n studie uitgevoerd. Het dichtstbij komt een Franse studie uit 2015, waarin werd aangetoond dat het consumeren van genitrosyleerd heemijzer – zoals aangetroffen in bewerkt vlees – een directer verband had met darmkanker dan het heemijzer dat in vers rood vlees zit. Misschien hebben epidemiologen geen gedetailleerdere vragen gesteld over wat voor soort bewerkt vlees ze eten, omdat ze aannemen dat er geen algemeen alternatief is voor bacon dat zonder nitraat of nitriet wordt gemaakt.

    gettyimages 958962510

    De technologie is aanwezig om op een minder schadelijke manier het roze vlees te maken waar we zo van houden, wat de vraag doet rijzen waarom het oude soort nog steeds zo veel wordt verkocht. Sinds ‘de oorlog tegen de nitraten’ in de jaren zeventig zijn de consumenten in de VS kritischer op nitraat dan die in Europa, en er is veel ‘nitraatvrije bacon’ op de markt. Volgens Jill Pell is het probleem dat de meeste bacon die in de VS als nitraatvrij verkocht wordt, in werkelijkheid niet nitraatvrij is. Het wordt gemaakt met nitraat dat afkomstig is uit een selderijconcentraat, dat weliswaar natuurlijk is, maar in vlees precies dezelfde N-nitrosoverbindingen vormt. Volgens de EU-regels zou bij die bacon niet ‘nitraatvrij’ op het etiket mogen staan. ‘Dit is het smerigste geval van oplichting dat ik in mijn hele leven ben tegengekomen,’ zegt Denis Lynn, directeur van Finnebrogue Artisan, een Noord-Iers bedrijf dat worstjes maakt voor veel Britse supermarkten, zoals Marks & Spencer (M&S). Jarenlang had Lynn gehoopt dat hij zijn assortiment kon uitbreiden met bacon en ham, vertelt hij, ‘maar dat zou ik pas doen als we een manier hadden gevonden om dat zonder nitraat te doen’.

    Toen Lynn hoorde van een nieuw procedé, ontwikkeld in Spanje, om prachtige roze, nitraatvrije bacon te maken, ging hij ervan uit dat het de zoveelste dode mus was. In 2009 ontdekte Juan de Dios Hernandez Canovas, voedingswetenschapper en directeur van voedseltechnologisch bedrijf Prosur, dat als hij bepaalde vruchtenextracten toevoegde aan vers 
varkensvlees, het een verrassend lange tijd roze bleef.

    In januari 2018 gebruikte Finnebrogue deze technologie om daadwerkelijk nitraatvrije bacon en ham in het Verenigd Koninkrijk te introduceren. Deze worden bij [supermarktketens] Sainsbury’s en Waitrose verkocht onder de naam ‘Naked Bacon’ en ‘Naked Ham’, en bij M&S als ‘gemaakt zonder nitriet’. Kirsty Adams, die de leiding had bij de lancering bij M&S, legt uit dat dit vlees ‘niet echt geconserveerd is’. Het is meer vers gezouten varkensvlees dat is geïnjecteerd met een extract van fruit en groenten, en het bederft ook eerder dan een plak ouderwetse bacon – maar dat geeft niet, want het wordt toch bewaard in de koelkast. Omdat het snel geproduceerd kan worden, is het economisch aantrekkelijker om te maken dan de andere nitraatvrije opties, zoals de langzaam gerijpte parmaham. Bij Waitrose kost 
een pakje bacon tegenwoordig 3 pond, wat niet het goedkoopst is, maar ook weer niet onbetaalbaar.

    Ik probeerde de Finnebrogue-bacon van M&S. Het magere rugspek smaakte lekker zacht, een vleugje fruitig. Het had niet de aantrekkelijke textuur of de rokerige diepte van een plakje droog gezouten bacon van de slager, maar ik zou het zo weer kopen als alternatief voor nitrovlees. Niemand van mijn gezin proefde het verschil in de spaghetti amatriciana.

    Nitrietvrije bacon klinkt nog steeds een beetje chic en apart, maar er is niets aparts aan het verlangen om voedsel te eten dat het risico op kanker niet vergroot. Lynn vertelt dat hij, toen hij Prosur voor het eerst sprak over het vruchtenextract, vroeg hoeveel ze hadden verkocht aan de andere grote Britse baconfabrikanten die ze hadden benaderd. Het 
antwoord was ‘niets’. ‘Geen van de grote bedrijven wilde het hebben,’ beweert Lynn. ‘Ze zeiden: “Dat maakt al ons andere bewerkte vlees verdacht.”’
    Maar het valt nog af te wachten hoeveel vraag er bij de consument zal zijn naar nitriet- of nitraatvrije bacon. Ondanks alle ophef rondom bacon en kanker is het niet makkelijk om voor jezelf precies vast te stellen wat voor gevaar je loopt als je een broodje bacon eet. Oké, jaarlijks sterven 34.000 mensen omdat ze bewerkt vlees hebben gegeten, maar de kans is groot dat jij daar niet bij hoort. Ik vroeg een aantal kankerwetenschappers of ze zelf bewerkt vlees aten, en ze gaven allemaal een ander antwoord. Jill Pell zei dat ze meestal vegetarisch at en zelden bewerkt vlees at. Maar toen ik Fabrice Pierre, een Franse deskundige op het gebied van darmkanker en vlees, vroeg of hij ham at, zei hij: ‘Ja, natuurlijk. Maar dan wel met groente erbij.’ (Pierres onderzoek bij het Toxalim-laboratorium heeft aangetoond dat sommige kankerverwekkende effecten kunnen worden geneutraliseerd door het eten van groente.)

    Onze eeuwige twijfel en verwarring over wat we moeten eten is een geschenk voor de baconindustrie. Het verdoezelen van de schadelijke effecten van 
met nitraat en nitriet geconserveerd vlees kreeg een steuntje in de rug door de scepsis die velen van ons hebben ten opzichte van elk dieetadvies. Op het hoogtepunt van de grote baconpaniek van 2015 
zeiden veel intelligente mensen dat het geen kwaad kon de nieuwe classificering van bewerkt vlees als kankerverwekkend te negeren, omdat je nooit moet vertrouwen wat voedingsdeskundigen zeggen. Intussen blijven miljoenen consumenten van ham en bacon, onder wie kinderen, onbeschermd achter. Het bijzonderste van deze hele controverse is hoe weinig publieke verontwaardiging ze heeft veroorzaakt. Ondanks alles zien de meesten van ons bacon nog steeds als een dierbare goede vriend.

    In een ideale wereld zouden we allemaal minder vlees eten, bewerkt of niet bewerkt, zowel vanwege de duurzaamheid en het dierenwelzijn als vanwege onze eigen gezondheid. Maar in de wereld waarin 
we nu leven is bewerkt vlees nog steeds een normale eiwitbron voor miljoenen mensen die het zich niet kunnen veroorloven een heel pakje bakbacon in te wisselen voor een paar plakjes Prosciutto di Parma. Volgens onderzoeker John Kearney is ongeveer de helft van al het vlees dat in ontwikkelde landen wordt gegeten bewerkt, waardoor het een veel universelere gewoonte is dan roken.

    Arme consumenten

    De werkelijke slachtoffers van dit alles zijn niet 
mensen zoals ik, die af en toe een zuurdesembroodje bacon eten in een hipstercafé. De mensen die het zwaarst worden getroffen zijn diegenen – velen met een laag inkomen – voor wie het risico op kanker door het eten van bacon nog wordt vergroot door andere risicofactoren, zoals het eten van vezelarm voedsel met weinig groenten en weinig volkorenproducten. In zijn boek wijst Coudray erop dat miljoenen arme consumenten in de komende jaren zullen 
worden getroffen door darmkanker, als het westerse bewerkte vlees de ontwikkelingslanden verovert.

    Eerder dit jaar startte Michèle Rivasi, een Frans lid van het Europees Parlement, een campagne – in samenwerking met Coudray – voor een verbod op nitriet in alle landen van Europa. Gezien de felheid waarmee de baconindustrie voor haar zaak heeft gevochten, lijkt een algeheel verbod op nitriet niet erg waarschijnlijk.

    Maar behalve een absoluut veto zijn er nog andere dingen die gedaan kunnen worden aan het gevaar van nitriet en nitraat in bacon. Betere informatie zou al een begin zijn. Zoals Corinna Hawkes betoogt, is het ‘verrassend’ dat er vanuit de overheid niet meer moeite wordt gedaan om de mensen te informeren over de risico’s van het eten van ham en bacon, bijvoorbeeld door een waarschuwing op het etiket van bewerkt vlees. Maar waar is de Britse politicus die dapper genoeg is om de kwaliteit van bacon in twijfel te trekken?

    Auteur: Bee Wilson
    Vertaler: Paul Bruijn

  • Hoe het is om dik te zijn in Frankrijk

    Hoe het is om dik te zijn in Frankrijk

    Gabrielle Deydier (1.53 m, 150 kilo) schreef een bestseller over haar leven als dikke vrouw in Frankrijk. In gesprek met The Observer vertelt ze over haar gevecht tegen ‘grossofobie’.

    In augustus 2015 had de zevenendertigjarige Gabrielle Deydier een sollicitatiegesprek, waar ze met vlag en wimpel doorheen kwam. Het ging om een baan als onderwijsassistent in een school voor moeilijk lerende kinderen en de mensen van de sollicitatiecommissie, onder wie het hoofd van de school, waren zo onder de indruk van Gabrielle dat ze zelfs bang waren dat ze bij hen weg zou gaan voor een beter betaalde baan. Er was maar één ongemakkelijk moment geweest: dat was aan het eind van het gesprek, toen Gabrielle al naar de deur liep. Het hoofd van de school zei: ‘De leerkracht onder wie je komt te werken, kan nogal moeilijk zijn.’ Gabrielle hoorde het nauwelijks, zo blij was ze met haar nieuwe baan.

    Al snel kwam ze erachter dat ‘moeilijk’ een enorm understatement was. ‘Dus jij bent Gabrielle Deydier,’ was het eerste dat de leerkracht in kwestie zei bij hun kennismaking. ‘Ik werk niet met dikke mensen.’ Gabrielle probeerde het weg te lachen, maar de moeilijke leerkracht lachte niet. ‘Dat was geen grapje,’ zei ze.

    ‘Groteske handicap’

    Gabrielle heeft twee universitaire diploma’s, een prettige, open manier van doen en weegt 150 kilo. Ze heeft ook de dubbele pech dat ze Française is én in Frankrijk woont, wat betekent dat haar fysieke verschijning allesbepalend is, ook voor de vraag of ze werk krijgt of niet. In Frankrijk, zegt ze (en alles wat ze heeft meegemaakt ondersteunt dat), wordt overgewicht beschouwd als een groteske handicap die je eigen schuld is. Het schijnt dat tachtig procent van de Franse vrouwen continu op dieet is. In het zuiden van het land bestaat een levendige maagbandindustrie (50.000 operaties per jaar).

    Op dit moment raast er een veganistische hype door het land – voor sommige mensen een manier om een eetstoornis te verdoezelen. ‘Franse vrouwen,’ zegt Gabrielle, ‘beroemen zich erop dat ze de vrouwelijkste vrouwen van Europa zijn. Er heerst een gevoel dat vrouwen in alle opzichten perfect moeten zijn.’ Daarom is het verrassend dat de publicatie van Gabrielles boek On ne naît pas grosse (Je wordt niet dik geboren) zo veel aandacht heeft getrokken – is dat een combinatie van bewondering en morele paniek?

    Gabrielle Deydier.
    Gabrielle Deydier.

    Voor Gabrielle is het de afgelopen twaalf maanden geweest alsof ze wakker werd uit een nachtmerrie, maar dan een nachtmerrie die werkelijkheid was en twintig jaar had geduurd. Tijdens ons gesprek krijgt ze één keer tranen in haar ogen, maar het zijn tranen van blij ongeloof. Plotseling, op haar achtendertigste, wordt Gabrielle, die haar hele volwassen leven te horen heeft gekregen dat zij niet geschikt was om te werken, geroemd om haar intellectuele moed. Ze werd geïnterviewd door kranten als Le Monde en Le Figaro en verscheen in serieuze tv-programma’s.

    De dag voor onze afspraak was Gabrielle gebeld door een vertegenwoordiger van de Parijse burgemeester Anne Hidalgo: of ze de eerste antigrossofobiedag van de hoofdstad wilde organiseren. Ze heeft een contract op zak voor een filmscript en voor een roman. In de Italiaanse Vanity Fair heeft een artikel over haar gestaan en een Italiaanse uitgever heeft de vertaalrechten voor het boek gekocht.

    Wat het betekent om dik te zijn in Frankrijk is voor het eerst onderwerp van discussie in Frankrijk. ‘Ik besloot om het boek te schrijven,’ zegt ze, ‘omdat ik me niet langer wil verontschuldigen voor mijn bestaan. Ja, obesitas is in de afgelopen tien jaar verdubbeld, dat is veel te veel. Maar het betekent niet dat we obese mensen mogen discrimineren door te zeggen dat ze niet kunnen werken en door ze te beledigen.’

    Na de onaangename kennismaking stelde de leerkracht Gabrielle aan de klas van zes autistische kinderen voor als “de zevende gehandicapte persoon in de klas”

    Gabrielle, die tot zes maanden geleden niet eens naar een foto van zichzelf kon kijken, heeft zich voorbereid op publiciteit. ‘Mijn uitgever zei: “Je komt op televisie, en dat zal moeilijk zijn.” Dus gingen een vriendin en ik foto’s van mij maken in een zwembad, zodat ik kon leren accepteren hoe ik eruitzag in badkleding.’

    We hebben afgesproken in een restaurant op de benedenverdieping van de jeugdherberg in Parijs waar ze woont sinds ze de onderwijsbaan (en haar inkomen) verloor, ontslagen wegens gebrek aan betrokkenheid omdat ze geen gewicht verloor. Het is schokkend om te beseffen dat een vrouw van haar leeftijd, met haar vriendelijke karakter, haar intelligentie – en nu haar bescheiden roem – in een tijdelijk onderkomen verblijft omdat ze geen geld heeft om woonruimte te huren in een Parijse flat. Het klinkt tegenstrijdig, maar ze is een kleine gestalte, ondanks haar omvang, zoals ze daar weggekropen zit in een bankje tegen de muur.

    Om terug te komen op de onderwijsbaan, die eindigde zo: het is in Frankrijk verboden om onderscheid te maken op grond van lichamelijke verschijning, maar die wet is kennelijk niet doorgedrongen tot werkgevers. Na de onaangename kennismaking stelde de leerkracht Gabrielle aan de klas van zes autistische kinderen voor als ‘de zevende gehandicapte persoon in de klas’. Ze verweet Gabrielle dat ze te veel zweette. Het hoofd van de school zei tegen Gabrielle: ‘Als zij een probleem met jou heeft, heb ik dat ook.’

    ‘Hij zei dat het niet eerlijk tegenover de kinderen was, omdat die nu dubbel werden gestigmatiseerd – vanwege hun handicap en omdat ze geplaagd werden met hun dikke leerkracht.’ Gabrielle werd gevraagd om zich ‘te beraden’ over haar toekomst. ‘We geven je dertig dagen om te bewijzen dat je gemotiveerd bent.’

    Gemotiveerd? ‘Gemotiveerd om af te vallen. Om te laten zien dat je deze baan belangrijk vindt.’ ‘Het ging nooit om de kinderen,’ zegt Gabrielle. ‘Die waren geweldig. Maar dit vond ik moeilijk en ingewikkeld om mee om te gaan.’ Ze kreeg de opmerking: ‘Het was te merken dat je buiten adem was nadat je de trap naar de derde verdieping op was gelopen.’

    Niet echt discriminatie

    Waarom heeft ze de school niet voor de rechter gesleept? ‘Ik was bang dat ik niet geloofd zou worden,’ zegt ze. Dat is geen onwaarschijnlijk scenario. Ze had al heel veel van dit soort dingen meegemaakt. De gynaecoloog die mopperde: ‘Er blubbert hier zo veel vet dat ik niks kan zien’, de mannelijke collega die ontkende dat hij haar seksueel had geïntimideerd, omdat zijn vrouw veel knapper was dan zij: ‘Waarom zou ik proberen een dikke vrouw te verkrachten?’

    ‘De politie was heel aardig, maar daar zeiden ze: ‘Je hebt het recht om een aanklacht in te dienen, maar we raden je aan het niet te doen want geen rechtbank zal aan jouw kant staan.’

    Vreemd genoeg was haar op de universiteit van Montpellier, waar ze zich als een vis in het water voelde, nooit iets dergelijks overkomen. ‘Ik was daar heel gelukkig,’ vertelt ze. ‘Ik had veel vrienden en ging vaak uit. Er waren wel mensen die me belachelijk maakten, maar het was niet zo erg, het was niet echt discriminatie. Dat waren idioten, maar het zat niet in het systeem. Dat was wel zo toen ik op zoek ging naar een baan.’

    Deydiers boek, waarvoor het idee ontstond toen ze het op een boekpresentatie uit ellende op een zuipen had gezet, werd een enorm succes. Een combinatie van bewondering en morele paniek?
    Deydiers boek, waarvoor het idee ontstond toen ze het op een boekpresentatie uit ellende op een zuipen had gezet, werd een enorm succes. Een combinatie van bewondering en morele paniek?

    Obees worden kan iedereen overkomen en bij Gabrielle begon het op haar zeventiende. Als tiener was ze sportief en gespierd, iets aan de zware kant (ze woog 65 kilo) – ‘stevig’. Haar moeder besloot dat haar dochter meteen in het geweer moest komen, toen Gabrielle na een middagje winkelen thuiskwam met een broek in maat 42 in plaats van 40 zoals anders. ‘Zij zat er erg over in: “Je kunt gewoon niet aangekomen zijn, je hebt voor niets geld uitgegeven.” Maar zelfs toen was mijn gewicht niet zo’n punt.’ Dat veranderde toen ze naar een dokter ging. Die vond het wél een punt dat Gabrielle was aangekomen en schreef haar hormonen voor. ‘Daarvan kreeg ik allerlei klachten, zoals een erg slechte huid over mijn hele lichaam en haar dat overal groeide. En ik kwam heel veel aan: dertig kilo in drie maanden.’ Ze kreeg nog meer hormonen voorgeschreven, in combinatie met een strikt dieet van gekookte groenten en vlees. De kilo’s stapelden zich op. ‘Ik ging heel anders over eten denken. En ik ging dingen eten die ik daarvoor nooit at, ging zelfs voedsel verstoppen, geld stelen van mijn ouders om eten te kopen. Allerlei idiote dingen.’

    Ze woog nu 120 kilo. ‘Ik wilde dood. Elke dag. Ik vond mezelf mismaakt.’ Haar ouders waren er ook niet blij mee. ‘Het was een heel, heel moeilijke tijd.’ Ze zakte twee keer voor haar eindexamen, slaagde de derde keer. De universiteit betekende vrijheid.

    Wat gebeurde er na haar afstuderen? Gabrielle wordt nog kleiner in haar bankje. ‘Ik zag dat al mijn vrienden werkervaring opdeden en ik niet, en ik begreep het niet. Er was geen logische reden voor. Mensen gaven mij administratief werk of slecht betaalde baantjes. Ik deed fabriekswerk.’ Halverwege een sollicitatiegesprek zei een personeelsmedewerker het hardop: ‘Je past niet in het beeld dat wij naar buiten toe willen uitstralen.’ ‘Ik zei: “Nou, ik ben heus geen idioot.” En hij zei: “Het is bekend dat IQ omgekeerd evenredig is aan lichaamsgewicht.”’

    Het is nu Frankrijks beurt om te voelen wat Gabrielle al die tijd heeft gevoeld: schaamte en onzekerheid over zichzelf

    Gabrielle wist dat er iets typisch Frans was aan wat haar overkwam. Ze had een jaar in Spanje gezeten voor haar studie. ‘In Spanje speelde het gewoon geen rol. Als iemand iets over mijn uiterlijk zei, dan was dat alleen maar om me een compliment te geven. In Frankrijk hoorde ik in elk gesprek al na een paar minuten: “Maar waarom ben je dik? Heb je daar zelf voor gekozen? Is het een ziekte?”’

    Was het op haar zeventiende het bezoek aan de dokter dat haar leven op zijn kop zette, twintig jaar later gebeurde dat opnieuw, maar nu andersom: van een nachtmerrie naar een droomleven. Het was vorig jaar juni, vertelt ze: ‘Ik was zwaar depressief, had al een jaar mijn familieleden niet meer gesproken. Ik was zelfs bang dat ik dakloos zou raken. Ik kwam dertig kilo aan. Het ging steeds slechter met me en ik was bang. Ik dacht erover om mezelf dood te schieten of te vertrekken naar een ver oord, maar ik had geen idee waarheen. En op een van die afschuwelijke dagen dwongen vrienden me om naar een boekpresentatie te komen. Ik wilde eigenlijk niet gaan, werd er stomdronken en uiteindelijk zat ik te praten met een stel schrijvers over een journalistiek project waarvoor iemand undercover bij een slachthuis werkte.

    ‘Ik zei: “Weten jullie wat grossofobie is?” en niemand wist waar ik het over had. Dus beschreef ik al die dingen die ik had meegemaakt. Zij zeiden dat ik alles zo snel mogelijk op papier moest zetten en het dan aan hen moest mailen.’ Zelf denkt Gabrielle dat ze, als ze de volgende ochtend niet nog steeds alcohol in haar lijf had gehad, nooit de moed had gehad om haar verhaal onder woorden te brengen, zes pagina’s lang. Huiverend drukte ze op ‘versturen’. Diezelfde dag nog hing er een uitgever aan de telefoon. Twee weken later was er een contract voor een boek. Ze begint te stralen: ‘Het heeft mijn leven gered.’

    Eigenlijk onthult het boek nog het meest over Frankrijk zelf, door de reacties die het heeft opgeroepen – vooral in de lezersbrieven die Gabrielle nu elke dag krijgt (vrijwel nooit van mensen met overgewicht). ‘Een vrouw vertelde me dat ze al twintig jaar lang boulimie had omdat ze bang was dat ze haar man en haar baan kwijt zou raken als ze aankwam.’ Een gecompliceerdere reactie kwam van een man: ‘Hij zei: “Door jouw boek heb ik me gerealiseerd wat een klootzak ik ben. Vijf jaar lang heb ik met jonge mensen gewerkt. Als ze te dik waren, vernederde ik hen.” Hij vroeg me hem te vergeven, alsof ik een priester in een biechtstoel was.’ Dat is haar taak niet, zegt ze.

    Maar de brieven bevestigen één ding: het is nu Frankrijks beurt om te voelen wat Gabrielle al die tijd heeft gevoeld: schaamte en onzekerheid over zichzelf. En dat alles dankzij één boek. Haar verhaal is fascinerend, heroïsch en nog niet afgelopen. Gabrielle Deydier: dit is jouw jaar.

    Auteur: Stefanie Marsh
    Vertaler: Annemie de Vries

    The Observer
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000

    Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.

  • De Amerikaanse voorstad gaat op de schop

    De Amerikaanse voorstad gaat op de schop

    Decennialang werden Amerikaanse buitenwijken volledig ingericht op de auto. Het resultaat: onbeheersbare files en een obesitasepidemie. Daarom gooien planologen nu het roer om.

    Stel, je woont in Prince George’s County, een district in de Amerikaanse staat Maryland, en je wilt een pak melk kopen. Ook voor zo’n eenvoudige boodschap moet je dan meestal in de auto stappen. Daar komt verandering in, als het aan de plaatselijke planologen ligt. Al jaren spelen zij met de gedachte gemeentes her in te richten, op zo’n manier dat inwoners een eenvoudige boodschap voortaan met de fiets of te voet kunnen doen. Dat zou de files flink terugdringen.

    Verkeersproblemen oplossen is echter niet de enige zorg van die planologen. Ze hebben ook oog voor de gezondheidsrisico’s van steden waarvan het uitgestrekte patroon helemaal op autogebruik is afgestemd.

    Bijna 70 procent van de volwassenen in Prince George’s County lijdt aan overgewicht. Er zijn weinig trottoirs en het voelt er op veel plekken te onveilig aan om te wandelen, te fietsen of buiten te spelen – door auto’s of door criminaliteit. De woon-werkafstand is gemiddeld een van de grootste in de regio rond Washington. Veel inwoners hebben dus weinig tijd om de hond uit te laten, en nog minder om naar een sportschool te gaan.

    Vorig jaar is de levensverwachting in de VS voor het eerst sinds 1993 gedaald

    In hun streven de volksgezondheid te verbeteren willen de ambtenaren van Prince George’s verder gaan dan verkeersbeperkende maatregelen invoeren. De bebouwde omgeving moet op de schop. Dat wil zeggen: de manier waarop gebouwen, straten en overige nieuwbouw worden ontwikkeld – en op welke plekken – moet anders.

    Een meer op gezondheid gerichte stedelijke planning is inmiddels bittere noodzaak in de Verenigde Staten. Het aantal kinderen en volwassenen met obesitas is explosief toegenomen, evenals type 2 diabetes, hart- en vaatziekten en andere aandoeningen die te maken hebben met overgewicht. Voorlichtingscampagnes en waarschuwingen van artsen hebben weinig uitgehaald. Vorig jaar is de levensverwachting in de VS voor het eerst sinds 1993 gedaald, deels als gevolg van hart- en vaatziekten, beroertes en diabetes. Dit staat allemaal in een onlangs vrijgegeven rapport van de federale overheid.

    En het gaat niet alleen om lichamelijke gezondheid. Het behoud van bomen en groene ruimtes lijkt cruciaal voor de geestelijke gezondheid van een gemeenschap. Uit recent onderzoek van de Stanford-universiteit blijkt dat tijd die je doorbrengt in de natuur zowel je humeur als je werkgeheugen kan stimuleren, en hersenactiviteit die samenhangt met depressie juist terugdringt. In voorsteden, waar garagedeuren veranda’s hebben vervangen, hunkeren sommige bewoners naar sociaal contact, zo zeggen deskundigen.

    Een parkeerplaats van een Walmart in Mount Prospect, Illinois. – © Tim Boyle / Getty
    Een parkeerplaats van een Walmart in Mount Prospect, Illinois. – © Tim Boyle / Getty

    ‘Mensen beginnen echt te begrijpen wat er mis is gegaan in de manier waarop we onze steden en voorsteden de afgelopen vijftig jaar hebben ingericht. Hoe we die helemaal hebben afgestemd op autogebruik,’ zegt Susan Powers, president van Urban Ventures, een bedrijf uit Denver dat in deze stad bezig is een grote, ‘gezondheidsgerichte’ gemeenschap van zo’n acht hectare op te richten.

    De gemeenschap, die al een aantal bewoners heeft, propageert ‘een gezonde levensstijl en simpeler wonen’, met tuinen, miniatuurparkjes en een netwerk van paden.
    Het verband tussen ruimtelijke ordening en volksgezondheid krijgt ook elders meer aandacht. Veel voorsteden streven naar herontwikkeling van hun verkeerscorridors: brede straten, geflankeerd door winkelcentra, tankstations en parkeerterreinen uit de jaren vijftig. Die op auto’s afgestemde inrichting blijkt gevaarlijk voor voetgangers en fietsers, aldus planologen, en is ook steeds minder van deze tijd: grote bevolkingsgroepen als millennials en babyboomers hebben een voorkeur voor compacter wonen, waarbij veel op loopafstand bereikbaar is.

    Die focus op gezondheid is een van de redenen dat er volgens planologen zo veel trottoirs worden verbreed, straatverlichting verbeterd, en wegen ‘afgeslankt’ door fietspaden en trottoirs aan te leggen.

    Verschuiving in het denken

    Het district Fairfax County, in het noorden van de staat Virginia, breidde zijn nieuwe economische ontwikkelingsplan onlangs uit met een paragraaf ‘gezonde leefomgeving’. Gloria Addo-Ayensu, directeur gezondheid van Fairfax: ‘De mensen beseffen het nog niet, maar ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen, huisvestingsbeleid: ze vallen allemaal onder gezondheidsbeleid. Het is een verschuiving in het denken.’

    Gezondheidsambtenaren zeggen dat mensen braaf ja knikken als de dokter hun adviseert beter te eten en meer te bewegen, maar dat hier niets van terechtkomt als er geen goede supermarkt in de buurt is, en er geen veilige plekken zijn om te wandelen, te joggen en buiten te spelen.

    Xuemei Zhu, universitair hoofddocent architectuur aan de Texas A&M-universiteit, heeft studie gedaan naar de bewoners van Mueller, een op voetgangers ingestelde gemeente van zo’n 300 hectare die net buiten de stad Austin wordt gebouwd. Een verkennend onderzoek van Zhu en haar collega’s uit 2014 laat zien dat 65 procent van de inwoners van Mueller zegt er fysiek actiever te zijn geworden. De gezondheid van 48 procent zou naar eigen zeggen zijn verbeterd.

    In Montgomery County in Maryland zegt directeur planologie Gwen Wright dat het district streeft naar ‘10 minuten-wonen’, ofwel: de mogelijkheid kantoren, winkels, horeca en scholen te bereiken in een ‘uitnodigende’ wandeling van maximaal 10 minuten.

    ‘Volgens mij is het een kwestie van instelling,’ aldus Wright. ‘We moeten zeggen: Wij worden een gemeente waar je goed kunt wandelen en in de openbare ruimte kunt toeven, en waar mensen dat ook graag willen. Misschien kan niet iedereen drie keer per week sporten, maar we weten allemaal dat we meer zouden kunnen lopen.’

    Auteur: Katherine Shaver
    Vertaler: Carl Stellweg

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.