Twee maanden lang voldeed een netwerk van vrijwilligers tijdens de strenge lockdown in Shanghai zo onopvallend mogelijk aan honderden onlineverzoeken, voornamelijk om voedsel en medicijnen. Het aantal mensen dat bereid was te helpen groeide gestaag, ook al werden zij tegengewerkt door de overheid.
Jeff Lau, een IT’er van midden dertig, woont alleen in een groot wooncomplex in de buitenwijken van Shanghai. Eind maart, toen het westen van de stad zich in het kader van het Chinese zerocovidbeleid opmaakte voor een vierdaagse lockdown, begon hij voedsel in te slaan. Een dozijn eieren, zesendertig pakken instantnoedels en enkele zakken appels zouden meer dan genoeg zijn om hem door de quarantaine heen te helpen, dacht hij. Maar plotseling werden winkels dichtgetimmerd. De poorten van woonkazernes gingen op slot. Sommige werden zelfs dichtgelast. En ze werden niet heropend nadat de aangekondigde quarantaineperiode was verstreken.
Net als veel van de andere 25 miljoen inwoners van de stad voelde Lau zich erg ongemakkelijk. Enkele weken eerder was het productiecentrum Shenzhen in het zuiden een week lang gesloten geweest in een poging om af te komen van omikron, de zeer besmettelijke coronavariant. En daarvoor was, zonder enige waarschuwing of voorbereiding vooraf, een wekenlang durend cordon sanitaire ingesteld voor de gehele stad Xi’an in het westen van China. De gezondheidsautoriteiten meldden in Shanghai duizenden gevallen per dag, veel meer dan bij eerdere uitbraken. Het afsluiten van een stad ter grootte van Shanghai was ongekend.
Binnen enkele dagen werd duidelijk dat de lokale overheid geen idee had hoe ze de mensen van eten moest voorzien
Binnen enkele dagen werd duidelijk dat de lokale overheid geen idee had hoe ze de mensen van eten moest voorzien. Volgeladen met proviand kwamen vrachtwagens vast te zitten in files aan de rand van de stad. Video’s van rottende groenten die door de overheid aan bewoners werden aangeboden circuleerden online. Op sociale media stonden prikborden vol met verzoeken om levensreddende medicijnen. Rijken en mensen met goede connecties verging het over het algemeen wat beter, maar ook niet altijd. Zelfs sommige geldschieters hadden problemen met het vinden van voedsel.
De regels waren streng. De meeste bewoners mochten hun flat niet uit en de regering gaf geen enkele aanwijzing over wanneer de maatregelen opgeheven zouden worden. De afsluiting van Shanghai zou grofweg twee maanden duren.
Vrijwilligerscorps
Vóór de lockdown had Lau een oudere vrouw die alleen woonde in een naburig gebouw, in vuilnisbakken zien zoeken naar flessen. Hij vreesde dat ze zou verhongeren. Toen hij contact opnam met de autoriteiten die verantwoordelijk waren voor zijn buurt, kreeg hij te horen dat hij weinig kon doen tenzij hij zich aansloot bij een vrijwilligerscorps van de staat om te helpen met voedsel distribueren.
Hij meldde zich onmiddellijk aan en kreeg een aantal boekhoudkundige taken. Het was hem niet duidelijk hoe dat werk de mensen om hem heen zou helpen. Hij probeerde de bejaarde vrouw thuis te bereiken om te zien hoe het met haar ging, maar door een besmettingsgeval was haar gebouw afgegrendeld. Als hij wilde meehelpen om mensen door de lockdown heen te loodsen, moest hij dat buiten de overheidsbureaucratie om doen, realiseerde hij zich.
Een van Lau’s collega’s zette in anderhalve dag een simpele website op. Mensen die dringend hulp nodig hadden, konden verzoeken op de site plaatsen. Mensen die konden helpen, namen dan rechtstreeks contact op met de persoon in kwestie. Helpers vonden soms een krat groenten of herkenden bezorgers in het bezit van het zeer zeldzame pasje waarmee ze de weg op mochten. Vrijwilligers hielpen zieke mensen om dokters te vinden die hen konden behandelen. Het oorspronkelijke team dat de site oprichtte, fungeerde als beheerder en controleerde om de paar uur of aan de verzoeken werd voldaan.
Gegevens over gebruikers werden tot een minimum beperkt, want het streven was onopvallend te blijven. Er stond alleen basale contactinformatie op de site en die werd verwijderd zodra er weer een probleem was opgelost. Directe interactie tussen partijen vond offline plaats. Met deze werkwijze konden zo veel mogelijk activiteiten buiten het zicht van de staat worden gehouden.
Lau werkte twaalfurige werkdagen om de stroom bij te kunnen houden
Om problemen met ambtenaren te voorkomen gebruikt Lau in dit artikel een Engelse voornaam in plaats van zijn echte naam. Tijdens zijn verhaal pauzeert hij vaak halverwege de zin om te bedenken hoe hij het verloop van de crisis moet beschrijven zonder al te negatief over te komen. Wanneer we doorvragen, laat hij soms weten dat hij niet méér kan zeggen omdat hij anders ‘de grens zou overschrijden’. Het is in China steeds riskanter geworden om kleinerend over ambtenaren te spreken, zeker met buitenlandse media.
Een kleine groep collega’s verspreidde het nieuws onder vrienden. Lau nam contact op met universiteitsstudenten en leden van een plaatselijke hiphopdansgroep. De reacties waren enthousiast. Binnen tien dagen na het begin van de lockdown ontving de website honderden verzoeken, voornamelijk om voedsel, en het aantal mensen dat bereid was te helpen groeide gestaag. Lau werkte twaalfurige werkdagen om de stroom bij te kunnen houden.
Zorgvuldigheid
Een van de sterke punten van het netwerk was volgens Lau de zorgvuldigheid waarmee mensen andere vrijwilligers rekruteerden. Lau kende het oorspronkelijke groepje. Maar het werd een gewoonte om secundaire contacten niet bekend te maken. Terwijl de keten van connecties zich verspreidde door Shanghai, behielden de vrijwilligers strikte anonimiteit behalve ten opzichte van hun directe collega’s. Ook hun onlinecontacten werden tot een minimum beperkt, zodat het netwerk enigszins veilig kon blijven in een van ’s werelds meest gesurveilleerde metropolen. Daardoor waren mensen met invloed – artsen, professoren en hoge ambtenaren – bereid zich aan te melden en te helpen.
Terwijl het team tevergeefs zocht naar basisvoedsel als kool en arachideolie werd duidelijk dat de middelen zeer ongelijk verdeeld waren. Uiteindelijk vond Lau een winkel in zijn district die toegang had tot meer verse groenten en vlees dan andere. ‘Ze hadden een soort achterdeurtje,’ zegt hij. Het was een veelvoorkomend verschijnsel tijdens de lockdown: terwijl veel woongemeenschappen verstoken waren van voedsel, leken andere het in overvloed te hebben.
Half april verhevigde de crisis en moest het netwerk beslissingen nemen over leven of dood
Half april verhevigde de crisis en moest het netwerk beslissingen nemen over leven of dood. Er werd een verzoek om voedsel geplaatst door een groep van zestien arbeiders die in een kleine flat woonde (dergelijke krappe woonomstandigheden in Shanghai zijn gebruikelijk voor migranten of tijdelijke arbeidskrachten die de hoge huren niet kunnen betalen). Velen van hen leden al dagenlang honger. De lokale autoriteiten verstrekten per flat doorgaans één pakket voedsel ongeveer ter grootte van een standaardkoffer, ongeacht het aantal mensen dat er woonde. Het netwerk van Lau was in staat om de arbeiders van meer levensmiddelen te voorzien.
Al snel werd de schaarste aan medicijnen nog nijpender dan die aan voedsel. Er was vooral veel vraag naar psychiatrische medicijnen en medicijnen tegen kanker en andere levensbedreigende ziekten. Shanghai heeft enkele van de beste ziekenhuizen in China, maar tijdens de ergste dagen van de lockdown mochten veel chronisch zieken hun huizen niet verlaten. Zelfs wanneer mensen erin slaagden buiten te komen, weigerden ziekenhuizen routinematig de toegang aan iedereen die geen recente negatieve coronatest kon laten zien. Sommigen stierven naast de wachtruimte voor spoedeisende hulp.
Medische hulp
Overal in de stad werd om voedsel en medische hulp gevraagd, zowel op de site van Lau als in bredere kring via sociale media. Een man in het district Minhang van Shanghai schreef op een openbaar prikbord dat zijn vader, die een vergevorderd stadium van sinuskanker had, een afspraak had gemaakt in een kliniek om een gespecialiseerde behandeling te krijgen. ‘Hij heeft gerichte therapie nodig, maar het woningcomité zegt dat het niet geregeld kan worden.’ De oude man mocht zijn wooncomplex niet verlaten, omdat hij niet op tijd aan de uitslag van een coronatest kon komen. Hij smeekte om een oplossing. ‘De kanker ontwikkelt zich snel… Help alstublieft!!!’
De langdurige sluiting van een stad, met miljoenen mensen afgezonderd in hun huizen, verbreekt de banden tussen mensen. Ervaringen zijn niet langer collectief. Alleen de autoriteiten zijn in staat om een overkoepelend verhaal te formuleren. Het verhaal dat de Communistische Partij van China presenteerde, gaat over bekwame ambtenaren, ordelijke diensten en de vrijgevigheid van de staat. Slechts weinigen buiten het systeem waren persoonlijk getuige van de onrust die ontstond. Terwijl Lau en zijn team hulpvragen beantwoordden, vingen zij een glimp op van de dingen die misgingen en die de regering verborgen probeerde te houden.
Er waren herhaaldelijk voorbeelden van de hardvochtigheid van bedrijven. Op een bepaald moment kwam er een verzoek binnen van een dozijn bouwvakkers, migranten die waren achtergelaten op een bouwterrein dat niet meer was dan een kaal stuk grond. Net toen ze voor zichzelf een klein tijdelijk onderkomen met een plastic dak aan het bouwen waren, werd de lockdown opgelegd. De groep zat gevangen op de bouwplaats, ze mochten niet weg, zelfs niet om op zoek te gaan naar voedsel. Hun werkgever stopte met het verstrekken van instantnoedels, maar de koeriers van Lau wisten hen op de been te houden.
Ze vertelden Lau dat ze bereid waren om het dak op te gaan en hun dood tegemoet te springen als ze de pillen niet konden krijgen
De lockdown duurde voort tot in mei en op sociale media begonnen video’s van suïcidale bewoners te circuleren. Op een aantal ervan, gemaakt met mobiele telefoons, waren mensen te zien die zich vastklampten aan hun balkon, klaar om te springen, terwijl ze onverstaanbare dingen schreeuwden naar de onverschillige wereld. Veel van deze scènes eindigden met een sprong en een hoorbare plof, gevolgd door kreten die tussen de torenflats galmden.
Een echtpaar van in de tachtig, allebei lijdend aan kanker, plaatste op het netwerk van Lau een verzoek om pijnstillers. Een van hen had nog medicijnen voor vier dagen, de ander voor zes. Zonder die medicijnen zouden ze ondraaglijk lijden. Ze vertelden Lau dat ze bereid waren om het dak op te gaan en hun dood tegemoet te springen als ze de pillen niet konden krijgen. Met enige moeite vond het netwerk de benodigde medicijnen voor hen. Maar toen de pillen bezorgd zouden worden, zeiden de autoriteiten dat vrijwilligers zich er niet mee moesten bemoeien. Wat Lau weet over het lot van dit echtpaar, wil hij niet zeggen.
DDoS-aanvallen
Hijzelf trok ook de aandacht van de machthebbers. Hij kreeg telefoontjes van de politie en andere overheidsinstanties die zeiden dat zijn website illegaal was en dat hij hem moest sluiten. De site werd regelmatig het doelwit van DDoS-aanvallen, waarbij hackers hem bestookten met massaal internetverkeer uit allerlei bronnen. Lau wil niet speculeren over wie er achter de aanvallen zat. Ze waren niet bijzonder schadelijk, maar hij begon toch meer geld uit te geven aan cyberbeveiliging. Hij vermoedt dat mensen met financiële en politieke middelen, diep verborgen in het netwerk, hebben geholpen te voorkomen dat de site door de autoriteiten werd gesloten. ‘Ze zijn er, maar je zult hun gezichten nooit zien,’ zegt hij.
Toen de lockdown begin juni werd versoepeld, keerde het verkeer terug in de straten van Shanghai. Langzaam gingen winkels en restaurants weer open. Het netwerk van Lau was niet langer nodig en werd snel ontbonden. Digitale bestanden werden gewist. Op de website staat nu alleen nog een dankbetuiging aan alle deelnemers.
Lau vertelt vrolijk en energiek over het werk dat hij deed. Het netwerk groeide uit tot meer dan duizend vrijwilligers en heeft tijdens de vijfenvijftig dagen dat het actief was meer dan zesduizend pakjes bezorgd. Het heeft meer dan zestienhonderd oudere en zieke mensen geholpen. De in vuilnisbakken graaiende vrouw die hij aanvankelijk wilde helpen, heeft hij niet meer gezien, maar hij heeft gehoord dat ze de crisis heeft overleefd.
Zijn houding tegenover zijn stad is wel veranderd. ‘We hebben hier zo veel geleden,’ zegt hij over Shanghai. ‘En we weten niet wat ons te wachten staat.’ Hij is bezig met plannen om China te ontvluchten. Xi Jinping, de president van China, heeft gezegd dat het ‘dynamische zerocovidbeleid’ van de Communistische Partij van kracht zal blijven tot de ‘eindoverwinning’ is behaald. Maar de volgende keer dat Shanghai op slot gaat, is een van de anonieme helden van de stad er waarschijnlijk niet meer om te helpen.
Extreemrechtse en neonazistische onlinewinkels maken openlijk gebruik van de infrastructuur die wordt geboden door grote betalingsverwerkers en webhostingbedrijven, blijkt uit onderzoek van Bellingcat. ‘Webwinkels dragen bij aan de verspreiding van het extreemrechtse discours.’
Fascistische modeartikelen kunnen bijdragen aan de promotie en financiering van extremistische groeperingen. In sommige gevallen blijkt de verkoop van dit soort artikelen afhankelijk te zijn van diensten die worden geleverd door prominente bedrijven die beleid voeren tegen het bevorderen van racistische organisaties en haatdragende inhoud.
Onderzoek door Bellingcat heeft uitgewezen dat een aantal extreemrechtse en neonazistische onlinewinkels openlijk gebruikmaakt van de infrastructuur die wordt geboden door grote betalingsverwerkers, commerciële content-managementsystemen en webhostingbedrijven. Bellingcat kon ook vaststellen dat sommige extreemrechtse web-winkels kleding bleken te kopen van groothandels die volgens hun charter diversiteit en gelijkheid hoog in het vaandel hebben, alvorens hun eigen haatdragende boodschappen op de kleding te drukken en deze met winst te verkopen. Sommige extreemrechtse sites bleken zelfs op reguliere socialemediaplatforms links te plaatsen naar hun eigen onlinewinkels en die van hun extreemrechtse bondgenoten.
Sommige kleding die door de European Brotherhood wordt verkocht, verkondigt een extreemrechtse en anti-lgbt boodschap.
Verschillende groeperingen die door Bellingcat zijn bestudeerd, hebben Instagrampagina’s die zorgvuldig binnen de grenzen van de regels van het platform worden gehouden. Sommige van deze accounts bevatten echter links naar Telegram-groepen en webwinkels waar diezelfde groeperingen modeartikelen met nazistische en racistische symbolen aanprijzen en verkopen. Andere kledingstukken die te zien waren in extreemrechtse onlinewinkels, vertoonden subtielere of gecodeerde verwijzingen naar het fascisme en het nazisme, zoals de coördinaten van een kasteel dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door prominente nazi’s werd gebruikt.
Extreemrechtse webshops zijn ‘een van een reeks methoden waarmee de algehele beweging zichzelf financiert’
Zo werden er T-shirts verkocht op een website waarvan het domein was geregistreerd bij GoDaddy, dat zich eerder heeft uitgesproken tegen racisme en homofobie, en ook prominente extreemrechtse groepen verbiedt. Andere extreemrechtse websites bleken kopers de mogelijkheid te bieden om voor producten te betalen met behulp van betalingsplatforms zoals PayOp, Nets Easy, Mollie Payments, BungeeCloud en Paysera. Talloze extreemrechtse en neonazistische organisaties zijn de afgelopen jaren begonnen met het inzamelen van geld en het verspreiden van elkaars merknamen door een verscheidenheid aan kleding en merchandise te verkopen.
Volgens Hans Jakob-Schindler van de internationale beleidsorganisatie Counter Extremism Project zijn extreemrechtse webshops ‘een van een reeks methoden waarmee de algehele beweging zichzelf financiert’. Dergelijke operaties hebben twee duidelijke voordelen, voegt hij eraan toe. ‘Ze maken verkoop naar het buitenland eenvoudig, omdat je geen fysieke winkel hoeft te hebben in het rechtsgebied van je klantenbestand, en ze kunnen gemakkelijk worden aangepast aan veranderende omstandigheden’ als er bijvoorbeeld ergens streng wordt opgetreden.
Financiering
Maar het gaat niet alleen om de potentiële bron van financiering. Zoals anderen hebben opgemerkt, onder wie hoogleraar Cynthia Miller-Idriss in haar boek Hate in the Homeland, kunnen deze winkels bijdragen aan het wereldwijde extreemrechtse discours, kunnen ze ideologieën versterken en extreemrechts helpen zichzelf te zien als onderdeel van een bredere, wereldwijde beweging.
– Een webwinkel die reclame maakt voor koopwaar gerelateerd aan de oorlog in Oekraïne.
Eerder werd al gemeld dat extreemrechtse kleding en items werden verkocht in reguliere onlinewinkels. Maar bedrijven als Amazon, Google en Wish hebben de afgelopen jaren maatregelen getroffen om aanstootgevend materiaal te verwijderen. Dit heeft ertoe geleid dat sommige extreemrechtse groepen op zoek zijn gegaan naar andere manieren om hun producten te promoten en te verkopen. Hoewel Telegram een plaats is geworden waar veel extreemrechtse groepen zichzelf promoten en met anderen communiceren, is de berichtendienst niet ontworpen als platform waar items gemakkelijk kunnen worden gekocht en verkocht. Extreemrechtse verkopers moeten daarom over het algemeen hun eigen onlinewinkel opzetten als ze hun producten op de markt willen brengen. Velen van hen maken behalve voor hun eigen kledinglijn ook reclame voor een verscheidenheid aan andere producten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om gaan om sportkleding voor mixed martial arts (MMA), extreemrechtse muziek, en fakkels en rookbommen die veelal worden gebruikt door voetbalhooligans.
Extreemrechtse en neonazistische groeperingen bleken ook reclame te maken voor elkaars onlinewinkels in andere landen
Extreemrechtse en neonazistische groeperingen bleken ook reclame te maken voor elkaars onlinewinkels in andere landen. Een dergelijke samenwerking helpt de bekendheid binnen internationale netwerken te vergroten, draagt bij aan de verspreiding van racistische berichten en vergroot de poten-tiële markt voor de nicheproducten die er worden verkocht. Een bericht op de Telegrampagina van European Brotherhood – een groep zelfbenoemde Europese nationalisten die T-shirts verkopen met allerlei nazisymbolen – verwees bijvoorbeeld naar tientallen White Lives Matter (WLM)-winkels in heel Europa. En het merk Pride France biedt naast MMA-producten ook white supremacy- en neonazikleding op een Franstalige website genaamd 2yt4u (wat staat voor ‘too white for you’), waar diverse links staan naar extreemrechtse webwinkels in andere landen, die soms ook dezelfde producten verkopen.
Geen idee
De extreemrechtse groepen die aanstootgevende producten verkopen, maken deze niet zelf. De kledingstukken en accessoires zijn meestal afkomstig van groothandels die hoogstwaarschijnlijk geen idee hebben hoe hun producten in een later stadium worden bewerkt en gebruikt. Bij de ontwerpen die tot nu toe in dit onderzoek zijn beschreven, lijken de logo’s en teksten met de hand op merkloze kleding te zijn aangebracht, voordat deze aan consumenten werd doorverkocht.
T-shirts verkocht door de European Brotherhood. De coördinaten verwijzen naar het kasteel van Wewelsburg, een plek die door veel neonazi’s als belangrijk wordt beschouwd.
Zo verkoopt de onlinewinkel Martelentete neonazistische kleding van merken met ogenschijnlijk openlijk racistische namen. De beschrijving van een van hun sweatshirts bevat een link naar een productspecificatie met daarin een link naar russelleurope.com. Russell is een dochteronderneming van Fruit of the Loom en een grote business-to-businesskledingproducent. Opgemerkt moet worden dat waarschijnlijk noch Russell noch Fruit of the Loom weet hoe het komt dat hun product op deze manier wordt gebruikt. Hun kledingstukken worden in verschillende stadia van de productieketen verkocht aan een verscheidenheid aan klanten en leveranciers, die elk de verkoper kunnen zijn die bewust of onbewust de materialen verkoopt aan de extreemrechtse merken of aan de mensen die hen vertegenwoordigen.
Kernwaarden
Een woordvoerder van Fruit of the Loom zei tegen Bellingcat dat respect voor mensen een van de kernwaarden van het bedrijf is. ‘Wij tolereren op geen enkele manier haatdragende taal of acties van mensen of groepen die in strijd zijn met onze waarden. We zullen deze situatie grondig onderzoeken en passende maatregelen nemen om elke associatie met onze merken of het gebruik van onze producten in de toekomst weg te nemen.’
Een T-shirt met een Duitse adelaar op het Ruswear Telegram-kanaal.
De eerdergenoemde extreemrechtse website 2yt4u.com blijkt afhankelijk te zijn van de diensten van WIX. Dat is een vooraanstaand Israëlisch softwarebedrijf dat een gebruiksvriendelijke tool voor het bouwen van websites biedt, als ook cloudhostingservices. De berichtgeving en de T-shirts die door 2yt4u worden verkocht, onder meer met beruchte SS-symbolen en slogans, of met een Ku Klux Klan-figuur met een strop en een fakkel, lijken in tegen in tegenspraak met het beleid van WIX.
Nordic Sun Records, een Hongaarse webwinkel van white supremacists die muziek en kleding verkoopt, stelt dat het betalingen accepteert via de Nederlandse betalingsverwerker Mollie Payments. Dit is ook te zien als je kijkt naar de broncode van het betalings-portaal op de website van Nordic Sun Records.
Veel cryptocurrency’s hebben de reputatie dat ze worden gebruikt door neonazi’s en rechts-extremisten
Mollie Payments stelt op haar website dat het niet toestaat dat producten worden verkocht die als ‘sociaal onaanvaardbaar’ gelden, inclusief producten die de reputatie van Mollie kunnen schaden of politiek geweld kunnen aanmoedigen. Gevraagd naar Nordic Sun Records antwoordde Mollie Payments: ‘Ons beleid verbiedt bedrijven die onze betalingsdiensten gebruiken om producten te verkopen die politiek geweld aanwakkeren. We zijn een intern onderzoek begonnen naar Nordic Sun Records en zijn tot de conclusie gekomen dat het bedrijf onze algemene voorwaarden heeft geschonden. We hebben onze dienstverlening per direct stopgezet.’
Een T-shirt verkocht op de 2yt4u-website.
Nordic Sun Records accepteert ook transacties via CoinPayments, een cryptoplatform. Veel cryptocurrency’s hebben al de reputatie dat ze worden gebruikt door neonazi’s en rechts-extremisten, vanwege de anonimiteit die ze kunnen bieden. Dat neemt niet weg dat cryptoplatforms beleid hebben om te voorkomen dat hun diensten worden gebruikt door extreemrechtse of haatzaaiende organisaties.
Het is belangrijk op te merken dat veel winkels meer weghebben van het werk van hobbyisten, met hun beperkte voorraad en hun armoedige, verouderde websites. Anderen, zoals European Brotherhood en Midgaard, lijken daarentegen meer gerenommeerder en professioneler. Het feit dat zo veel grote bedrijven op het gebied van kledingproductie, webtechnologie, sociale media en betalingsverwerking dit soort handel onbewust blijken mogelijk te maken, roept ook relevante vragen op voor elk van hen.
Tot voor kort was digitale kunst een niche waar weinig geld in omging. Maar de opkomst van NFT’s, oftewel digitale eigendomscertificaten, heeft tot speculatie en astronomische bedragen geleid. ‘De kunsthandel is radicaal veranderd door techspeculanten.’
Hebt u weleens gehoord van ene Mike Winkelmann, alias Beeple? Tot een jaar geleden was hij een relatief onbekende grafisch ontwerper en animatiekunstenaar uit de Verenigde Staten. In maart 2021 veranderde hij ineens in de op twee na populairste levende kunstenaar ter wereld – na de Britten David Hockney en Damien Hirst – toen het veilinghuis Christie’s zijn werk Everydays: The First 5000 Days verkocht voor 69,5 miljoen dollar (62,3 miljoen euro). Het gaat niet om een doek of beeldhouwwerk. Je kunt het niet aanraken. Het is een mozaïek bestaande uit vijfduizend plaatjes en video’s die Beeple dag na dag in zijn social media plaatst en dat hij heeft gecodificeerd als een uniek digitaal bestand.
Welkom in het universum van de NFT’s, dat voor een omwenteling in de kunsthandel heeft gezorgd. 2021 kan in de bewuste drie letters worden samengevat. Zelfs het Collins-woordenboek koos NFT (non fungible token) als woord van het jaar: ‘Een digitaal certificaat dat dient om het eigendom van een afbeelding te registreren als kunstwerk of verzamelobject.’ Op zich is een NFT niets materieels: het is alleen een gesloten link, een via blockchaintechnologie versleuteld bestand, waardoor je bent verzekerd van een bepaald eigendom, of het nu gaat om een tweet, een meme, een liedje of een artikel… In één jaar tijd heeft dit technologische gereedschap de kunstwereld met astronomische verkoopcijfers op z’n kop gezet.
Uit Everydays: The First 5000 Days
Nieuw veilingrecord
Zeven maanden na de aftrap bij Christie’s was Beeple goed voor een nieuw veilingrecord: 28,9 dollar voor Human One, een eenzame astronaut die almaar, dag en nacht, bij zon en bij regen (de omgeving verandert al naargelang de tijd en de plaats waar het werk wordt geïnstalleerd) door postapocalyptische landschappen struint. Het werk kan dienen als een vingerwijzing voor de weg die NFT-kunst zal gaan: ook die zal echt worden. Beeple presenteerde zijn videosculptuur in twee formats, het ene zuiver digitaal, het andere als fysiek object: een soort cabine waarin de astronaut rondloopt op een paar langzaam draaiende LED-schermen. Hij had maar twee veilingen nodig om 2021 af te sluiten met 100 miljoen dollar.
‘Fantastisch, nu kunnen dus ook kunstenaars veranderen in kleine kapitalistische idioten’
‘Fantastisch, nu kunnen dus ook kunstenaars veranderen in kleine kapitalistische idioten.’ Aldus Brian Eno, die meer dan veertig jaar de grenzen van de muziek en de kunst heeft opgerekt door te experimenteren met digitale omgevingen en het componeren van uiterst avant-gardistische stukken. Nog radicaler laat David Hockney zich erover uit: ‘Internationale dieven en oplichters,’ liet hij zich met z’n 83 jaar ontvallen in een podcast. Hockney, de koning van de meest verfijnde popart, een van de eerste klassieke schilders die met zijn iPad overging op digitaal tekenen, kwalificeerde de NFT-kunstwerken als ‘belachelijk kinderachtig’. Damien Hirst daarentegen, die het best heeft weten te profiteren van marketingals artistieke handeling, sloot zich snel bij de NFT-golf aan en lanceerde zijn eigen collectie van 10.000 pixels of kleurenpuntjes (gebaseerd op een van zijn werken uit 2016).
Vijandige en sceptische tongen waarschuwen voor een speculatieve zeepbel terwijl enthousiaste technologen gewagen van een digitale revolutie zonder weerga. Filosofen als Gilles Lipovetsky en Zygmunt Bauman predikten een vloeibare moderniteit; inmiddels zijn we beland in het tijdperk van de niet-dingen, zoals de modieuze denker Byung-Chul Han het zegt. En de NFT’s manifesteren zich als de apotheose van de vloeibaarheid en de niet-dingen.
Duizelingwekkende cijfers
Hoewel het moeilijk is om aan officiële cijfers te komen en de bedragen variëren al naar gelang het adviesbureau, bedroeg de wereldwijde NFT-omzet het afgelopen jaar rond de 20 miljoen euro, aldus het in blockchain gespecialiseerde bedrijf DappRadar. In het meest recente onderzoek van het verzekeringsbedrijf Hiscox wordt geschat dat de onlinekunstmarkt vergeleken met 2019 zo’n 280 procent is gestegen dankzij de NFT-omzet, die meer dan 3 miljard euro bedroeg.
De VIP-apenkoorts
Neymar Jr. heeft zijn profielfoto op Twitter verruild voor die van een aap.
De populaire presentator Jimmy Fallon en de rapper Eminem hebben hem ook: hun kostte hij respectievelijk 220.000 en 462.000 dollar; omdat Neymar later kwam moest hij 1,1 miljoen dollar neertellen voor twee apen. Steeds meer acteurs, zangers en basketbalvedettes hebben hun eigen verveelde aap: ze zijn een statussymbool en maken dat je ‘cool’ overkomt, maar ze geven daarnaast toegang tot de meest exclusieve, virtuele én echte, privéfeesten. De serie ‘Bored Ape Yacht Club’, uit de Yuga Labs-studio, begon als een beperkte editie van 10.000 apen, in feite een soort luxe plaatjes (een ervan bracht 3,4 miljoen op bij Sotheby’s). Adidas kleed ze aan, voor een miljoenenakkoord.
Is er sprake van speculatie? ‘Zeker.’ Gaat het om een revolutie? ‘Ook.’ ‘De NFT-speculatieboomis nauw verbonden met de pandemie. Historisch vallen tijden van crisis samen met wilde speculatieve transacties,’ stelt Daniel Canogar (Madrid, 1964), een van de pioniers op het gebied van digitale kunst in Spanje. Canogar is allesbehalve een fan van NFT’s en hij stopte zijn kritiek in een digitaal kunstwerk, Shred, dat via een algoritme in real time de NFT-werken die online te koop waren uit elkaar haalde. Hij stelde het kunstwerk afgelopen jaar op de kunstbeurs ARCO tentoon en het ‘baarde veel opzien bij pers en kritiek, maar deed qua verkoop niets’. Tot zijn galerie in New York hem overhaalde het te verkopen als NFT (het bestand wordt versleuteld via blockchaintechnologie).Toen was het wel degelijk in recordtijd uitverkocht. Een NFT-werk dat NFT’s bekritiseert? Cryptoverzamelaars lusten er wel pap van.
‘NFT is en blijft technologie en is goed noch slecht. In feite profileert NFT zich als de toekomst van de niet-tactiele media, als de manier om een digitaal werk te waarborgen. Maar toch… inhoudelijk stelt het heel weinig voor en heeft het meer te maken met grafisch ontwerp en emoji’s, instant-esthetiek en videospelletjes… Misschien is dat de tijdgeest. Maar ik mis makers die het gereedschap bewuster gebruiken, ik zou graag complexere werken zien,’ constateert Canogar, die al zeker vijftien jaar werkt aan een even doordacht als poëtisch oeuvre door de mogelijkheden van de technologie te verkennen en dieper door te dringen in de dematerialisatie van de kunst en de moderne tijd.
Voor de Madrileense kunstenaar ‘heeft het fenomeen NFT niets te maken met de wereld van de kunst maar met cryptomunten’. ‘Het doet me een pervers genoegen als ik zie hoe radicaal de kunsthandel op z’n kop is gezet door de techspeculanten. Zo’n schok kán goede dingen teweegbrengen: minder elitisme, meer verantwoordelijkheid van de kunstenaars voor hun eigen werk,’ geeft Canogar toe.
Een eigen verveelde aap als profielfoto is inmiddels statussymbool.
Paradigmawissel
Om de paradigmawissel in het profiel van de verzamelaar te begrijpen is het miljoenenbod op The First 5000 Days verhelderend. De voornaamste bieder was de Chinese multimiljonair Justin Sun (31 jaar), CEO bij Bit Torrent en oprichter van het cryptomuntenplatform Tron. Maar een zekere MetaKovan ging op het laatste moment over zijn bod heen en bemachtigde de toen al historische Beeple. Achter het pseudoniem MetaKovan zit de impresario Vignesh Sundaresan (32 jaar), de ontwerper van de geldautomaten voor bitcoins. Voor hij miljonair werd in Singapore was Sundaresan een immigrant die India verliet zonder een cent op zak. ‘Cryptomunten vormen een nivellerende kracht tussen het Westen en de rest, het hele Zuiden komt in opstand,’ verklaarde hij bij die gelegenheid.
‘Mijn leven is er drastisch door veranderd. Eerst kon ik niet van mijn werk rondkomen en nu ben ik miljonair’
Enfin, binnen een paar weken nam Justin Sun revanche door een Picasso (een echte, uit 1932) voor 20 miljoen te kopen en er een tokenvan te maken, dus een NFT-versie voor zijn virtuele kunstcollectie, die hij op de metaverse toegankelijk wil maken. ‘Mijn leven is er drastisch door veranderd. Eerst kon ik niet van mijn werk rondkomen en nu ben ik miljonair,’ laat ook de kunstenaar Javier Arrés (Motril, 1982) vanaf Fuerteventura weten. Moest Arrés voorheen zijn kunstenaarschap combineren met een baan in een animatiestudio om het eind van de maand te halen, het afgelopen jaar beliep de omzet van zijn werk een miljoen euro.
Arrés was een traditionele tekenaar, zo een die de kunstacademie heeft afgerond. Zijn illustraties en muurschilderingen hadden een heel hoog detaillistisch gehalte, bijvoorbeeld het werk dat hij met inkt en viltstift maakte voor de Biënnale in Londen waarmee hij in 2019 in zijn discipline de eerste prijs won. Tot hij het potlood verwisselde voor een tablet(‘Het is hetzelfde, behalve dat het potlood digitaal is’) en zijn Visual Toys (Visueel speelgoed) ging maken: bewegende constructies, microkosmossen waarin van alles gebeurt.
‘Het is een soort puzzel met digitale stukken. Vroeger wist ik niet hoe ik dit aan de man moest brengen. Maar NFT is het ideale format voor dit soort digitale, niet-statische werk. Ik begrijp dat er veel verwarring over NFT bestaat, je ziet een hoop flauwekul, maar er zijn digitale werken met een heel ambachtelijke inslag,’ wil hij benadrukken.
Met het oog op de NFT-boomoverweegt ook Arrés om een pauze in te lassen. ‘Al die speculatie is niet goed, de markt raakt oververzadigd. In 2019 kostte de creatie van een werk [in NFT veranderen en met blockchain versleutelen] maar 10 dollar. Normaal zou dat bedrag rond de 80 dollar schommelen, maar het is inmiddels gestegen naar 250 of 300 dollar, gewoon waanzin. Er is te veel vraag: er wordt als een gek ingebracht.’
Voordelen
Wat zijn de voordelen voor de kunstenaar? ‘De toegang tot de markt is democratischer en transparanter geworden. Er is geen tussenpersoon die profiteert, geen galerie die 50 procent voor jouw werk opstrijkt. Bovendien krijg je als dat werk binnen bepaalde tijd opnieuw wordt verkocht een deel van de opbrengst, bij wijze van auteursrecht. Dat is nooit eerder vertoond,’ aldus Arrés.
In 2020 was de cryptokunst nog een undergroundbeweging die zich afspeelde op platforms voor cryptomunten en op metaversen als Decentraland of Cryptovoxels (virtuele universums die lijken op een videospel, met hun eigen wijken, galeries en musea). Nu wordt ervoor geadverteerd in de straten van New York, betaal je met Visa (het is niet nodig virtuele munten als ethers of bitcoins te hebben) en geldt Paris Hilton als influencer.Niemand heeft de NFT’s in de Verenigde Staten zo populair gemaakt als zij. Als muze, verzamelaar en mecenas lanceerde ze haar eigen collectie, Planet Paris, in samenwerking met de kunstenaar Blake Kathryn (haar virtuele Barbie-portret, Iconic Crypto Queen, werd voor 1,1 miljoen verkocht).
Historische misstand
Kunnen NFT’s een historische misstand rechtzetten? Dat vraagt de cineaste en activiste Carmen Peláez zich af in haar manifest over de Amalia’s, de schilderijen van haar oudtante Amalia Peláez, die ze in NFT-versie online heeft gezet.
Amalia Peláez (1896-1968) was een van Cuba’s belangrijkste schilders. Zo exposeerde ze in het MOMA in New York en introduceerde de avant-garde op haar geboorte-eiland. In haar stijl combineert ze het modernisme van Parijs met de meer uitgelaten aard van Cuba.
Alle schilderijen die ze bij haar dood naliet, werden uiteindelijk door het regime van Fidel Castro geconfisqueerd en maken nu deel uit van de collectie van het Museum van Schone Kunsten in Havana.
De achternicht, die in Miami woont en directeur van de Stichting Peláez is, heeft haar toevlucht tot NFT’s genomen om het werk van de kunstenares ‘aan de wereld terug te geven’. De opbrengsten komen ten goede aan de productie van een overzichtscatalogus en aan diverse organisaties die zich inzetten voor de mensenrechten op Cuba. ‘Amalia heeft nooit deel uitgemaakt van de revolutie. Ze zal altijd horen bij Cuba én bij de Cubanen, waar ze zich ook bevinden,’ aldus Peláez.
De NFT’s hebben zich al enigszins toegang verworven tot de wereld van de galeries en musea. Het eerste museum in Europa dat een zaal reserveerde die permanent was gewijd aan cryptokunst was het Museum of Modern and Contemporary Art (MOCO), dat afgelopen oktober in Barcelona aftrapte met de nieuwste kunst, van Kaws tot Banksy. Het MOCO is net als z’n naamgenoot in Amsterdam een particulier museum waarachter de Nederlandse verzamelaars Lionel en Kim Logchies zitten, directeuren van de Lionel Gallery.
Potentieel
‘2022 wordt het jaar waarin we zullen zien hoe de NFT’s de traditionelere musea en instituten veroveren. Cryptokunst is een revolutie op zich. Die zal veel dingen decentraliseren en veranderen, door alle makers kansen te geven,’ voorspelt Kim Logchies. Het MOCO, dat is gevestigd in het zestiende-eeuwse Palacio Cervelló, in de historische wijk El Born, is uitgegroeid tot het meest op instagram geposte museum van Barcelona, vooral vanwege de overweldigende digitale kunstinstallaties. In de NFT-zaal zijn zeven werken te zien van kunstenaars als Beeple, Daniel Arsham, de Argentijn Andrés Reisinger (die de aandacht op zich heeft gevestigd met zijn hybride mix van digitaal en fysiek werk) en… Blake Kathryn, die namens Paris Hilton in Bedroom Bliss, een roze fantasieslaapkamer creëert die ‘de kijker een etherisch vredesmoment bezorgt’. ‘Het potentieel is ongelooflijk. NFT’s en de digitale kunst in het algemeen kunnen onze creativiteit nog meer prikkelen dan traditionele kunst. Maar ze zullen altijd naast elkaar blijven bestaan,’ wil Logchies nog kwijt.
De NFT’s zijn gewoon een typisch eenentwintigste-eeuws gereedschap met hun schaduwkanten en voors en tegens
In november waren de NFT’s al een van de voornaamste attracties in de Miami Art Week en ze zullen ook een plaats krijgen op de volgende editie van de ARCO (Madrid, van 23 tot 27 februari), een van de meest invloedrijke kunstmanifestaties. ‘NFT-technologie speelt vandaag de dag en in de toekomst ongetwijfeld een rol en de vraag is hoe die zich in de kunstwereld zal ontwikkelen. Het is belangrijk om in gedachten te houden dat NFT gebruikmaakt van blockchaintechnologie om de uniciteit van de werken te waarborgen; het gaat op zich om digitale werken die al jarenlang in de kunstwereld meedraaien,’ aldus Maribel López, directeur van ARCO.
Dat het NFT is, wil niet zeggen dat het kunst is. Dat Warner 100.000 avatars uit The Matrix online zet voordat de film in première gaat (zelfs Keanu Reeves kon zijn verbazing niet verbergen) betekent niet dat die virtuele kosmossenkleine kunstwerken zijn, eerder lucratieve merchandising: met 5 dollar per avatar is de actie goed voor zo’n 5 miljoen. Zelfs Melanie Trump kwam aanzetten met een NFT van haar ogen. Zangers en voetballers als Shakira en Piqué bleven niet achter. De NFT’s zijn gewoon een typisch eenentwintigste-eeuws gereedschap met hun schaduwkanten en voors en tegens.
Meisjes hebben minder toegang tot mobiele telefoons
In conservatieve delen op het platteland van India is het taboe voor meisjes om mobiele telefoons te gebruiken. Dit vanuit de angst dat ze online jongens ontmoeten of gecorrumpeerd zullen worden door online-invloeden, aldus NPR. Jongens met een smartphone worden daarentegen gezien als vooruitstrevend en slim. Dit zegt Shabnam Aziz, hoofd gendergelijkheid en inclusiviteit bij Educate Girls, een non-profitorganisatie voor meisjesonderwijs die in meer dan 20.000 dorpen in India werkt. Een UNICEF-rapport van vorig jaar bevestigt dat meisjes van vijftien tot negentien jaar in de voorafgaande twaalf maanden minder vaak een mobiele telefoon bezaten dan jongens van hun leeftijd en minder vaak internet gebruikten. Dat was vooral het geval in Zuid-Azië, inclusief India. Daardoor was het voor meisjes tijdens de pandemie bijzonder moeilijk om over te stappen naar online-onderwijs, zeggen experts en activisten.
Het gebrek aan toegang tot mobiele telefoons brengt hoge kosten met zich mee voor meisjes: het kan wezenlijk hun toekomst beïnvloeden, zegt econoom Mitali Nikore. Haar denktank Nikore Associates bestudeert de genderbarrières waarmee meisjes worden geconfronteerd als het gaat om technologie. Zonder telefoon hebben meisjes veel moeilijker toegang tot online-inhoud, nodig om in de toekomst een baan te vinden. ‘Ze kunnen niet op kantoor werken zonder kennis van Word of Excel. Ze kunnen geen ondernemer worden als ze niet weten hoe ze betaalapps moeten gebruiken. En voor digitale marketing moet je sociale media kunnen gebruiken,’ aldus Nikore.
Om überhaupt een reputatie te krijgen online bestaat een wildgroei aan bedrijven die voor een aanzienlijk honorarium een socialmediaplan opstellen waarmee u of uw onderneming boven aan een zoekmachine komt te staan. De klantenkring van deze commerciële branche bestaat vooral uit grote merken en beroemdheden, laten we zeggen partijen met voldoende budget om het digitale reputatiemanagement voortdurend bij te houden. Want dat loopt in de papieren.
Maar stel dat die jarenlange opgebouwde naam en faam opeens nogal slecht uitkomen? Zakenlui en politici kunnen daar bijvoorbeeld nog wel eens last van hebben. In eigen land worstelde een actrice met een filmpje dat viraal ging, wat he-le-maal niet de bedoeling was. Probeer die digitale sporen maar eens uit te wissen.
Wat de witwassers met geen mogelijkheid weggewassen krijgen is dat er gewassen wordt
Wereldwijd zijn er in de afgelopen jaren talloze witwasbedrijven uit de grond gestampt die voor 2500 dollar een onwelgevallige url van het web kunnen halen. Sinds 2014 hebben inwoners van de Europese Unie namelijk ‘het recht om vergeten te worden’, wat betekent dat ze bij Google een nogal omslachtig verzoek moeten indienen om privacy-gevoelige desinformatie over zichzelf te laten verwijderen. Daar wordt door particulieren vrijwel geen gebruik van gemaakt omdat de criteria die Google hanteert nogal complex zijn en veel tijd in beslag nemen. Commerciële bedrijven zagen een gat in de markt en boden hun diensten aan om straatjes schoon te vegen. De vraag rijst dan al snel of het ethisch te verantwoorden is, en waar die grens dan ligt. En wie dat bepaalt.
Het zal niemand verbazen dat de moraal in deze bedrijfstak ver te zoeken is, ‘ja hoor ’ns even, we zijn geen rechters’, en dat zijn ze inderdaad niet. Of de werkwijze van de door Rest of World op de korrel genomen witwasserette Eliminalia (sinds 2013 met hoofdkantoren in Barcelona en Kyiv) door de beugel kan, valt te betwijfelen. Copyrightclaims en loze juridische aanmaningen inzetten om artikelen van internet te laten halen waarin cliënten in verband worden gebracht met belastingontduiking, corruptie en drugshandel, mag dat?
Nog wel. Terwijl het recht om vergeten te worden een recht is voor iedereen die zijn of haar naam wil zuiveren, blijkt uit documenten dat het toch vooral corrupte politici zijn die soms honderden artikelen en internetpagina’s voor grof geld willen laten verwijderen. Wat de witwassers met geen mogelijkheid weggewassen krijgen, is dat er gewassen wordt. Hoewel ze daar in sommige landen een uitgebreid wapenarsenaal voor hebben.
‘Online zijn rechtse tot extreemrechtse standpunten over migratie, bescherming van minderheden of overheidsactiviteiten gemeengoed geworden’, aldus mediaonderzoeker Simon Strick. ‘We moeten praten over racisme en over de rancune die speelt in grote delen van de Duitse samenleving.’
Simon Strick is mediaonderzoeker bij het Brandenburg Centrum voor Media Studies in Berlijn en analyseert onder meer hoe fascisme en fascistisch taalgebruik zich verspreiden in het internettijdperk, van politici in het parlement en sociale media tot de manier waarop mensen zich uiten op straat. In mei verscheen van Strick het boek Rechte Gefühle: Affekte und Strategien des digitalen Faschismus, waarvoor hij de Hans Bausch Mediaprijs van de SWR en het Tübinger Institut für Medienwissenschaft ontving.
In het boek gaat hij in op de strategieën waarmee ideeën van radicaal- en extreemrechts op verankerd zijn geraakt en welke rol digitale media daarbij spelen. Aan de hand van berichten op sociale media, memes, GIF’s, YouTube-video’s, blogs en games maakt hij duidelijk hoe dit wereldbeeld inmiddels als ‘gewoon’ en alledaags overkomt, hoe het appelleert aan de tegen- en jeugdcultuur op emotioneel niveau en hoe het uiteindelijk als gebruikelijk en onschadelijk wordt ervaren.
Het boek, zo concludeerde de jury van de Hans Bausch Mediapreis, ‘kon niet actueler zijn gezien de rechtse terroristische aanslagen in verleden en heden, maar ook in het licht van alledaags racistisch, seksistisch en antisemitisch geweld. Het is een wetenschappelijk onderbouwde en helder geformuleerde oproep om de eigen kijk op het rechtse denken en de strategieën erachter op internet aan te scherpen. Strick richt zich tot iedereen die vanuit journalistiek of wetenschappelijk perspectief de uitdagingen van digitalisering aanpakt en voor wie een democratische publieke sfeer en eerlijk samenleven in een pluriforme samenleving punten van zorg zijn.’
Naar aanleiding van het boek en de prijs sprak Sabina Zollner van de de Duitse krant Die Tageszeitung, kortweg taz, met Strick over de gevaren van digitaal fascisme en hoe daar op de juiste manier mee om te gaan.
TAZ: ‘Wat verstaat u onder digitaal fascisme?’
Simon Strick: ‘Ik doel daarmee op herkenbare patronen en strategieën die worden gebruikt in de rechtse informatiesfeer en dan vooral op hoe dat gebeurt op specifieke terreinen. Online zijn rechtse tot extreemrechtse standpunten over migratie, bescherming van minderheden of overheidsactiviteiten gemeengoed geworden en wijdverbreid geraakt. Fascisme wordt tegenwoordig niet alleen meer geuit door gebruik van SS-tekens en hatespeech, maar dringt ook door in alledaagse formuleringen die gebruikers op Facebook en andere sociale media hanteren. Bijvoorbeeld door te vertellen hoe ze persoonlijk worden bedreigd door en last hebben van ‘Omvolking’ of ‘Opiniedictatuur’. Wat ik ‘alternatief rechts’ noem, verspreidt dergelijke formuleringen op manieren die kenmerkend zijn voor de communicatie online: als influencervideo, als infographic, als meme, als hashtag.’
‘U beschrijft hen als mediawijs en zeer actueel; is dat wat hen zo gevaarlijk maakt?’
‘Rechts-extremisten pasten zich al vroeg aan het digitale tijdperk aan. Ze begrijpen het spel van media-aandacht en strategische provocaties die voor clicks zorgen en die aanleiding geven tot debat. Ze profiteren van wat je de huidige informatiecrisis zou kunnen noemen, of ze zijn er zelf de architect van, zoals Andrew Breitbart.’
‘Het gaat ook vaak om enscenering, dat wil zeggen jezelf te presenteren als slachtoffer. Waarom is dat?’
‘“Normaal” betekent in dit geval altijd wit, mannelijk, cis en hetero’
‘Het gaat om het creëren van gevoelens een minderheid te zijn voor mensen die zich in een meerderheidspositie bevinden. Wat zogenaamd “normaal” en doorsnee Duits is, zou zich bedreigd moeten voelen. Dat is bijvoorbeeld de kernboodschap van de AfD-slogan “Deutschland, aber normal”. Het “normale” wordt aangeroepen als iets dat in een minderheidspositie terecht is gekomen door migratie, feminisme, globalisering en vele andere dingen. Rechts heeft zo op een gerichte manier een draaikolk van opwinding weten te scheppen om haar racistische en seksistische kernthema’s uit te kunnen venten. “Normaal” betekent in dit geval altijd wit, mannelijk, cis en hetero. Meerderheidsposities zouden zich als minderheden bedreigd moeten voelen en zichzelf moeten verdedigen: het is radicalisme voor het maatschappelijke middenveld.’
‘Is dat wat u in het boek omschrijft als het manipuleren van emoties?’
‘Het is niet alleen manipulatie. Veel mensen nemen emotionele formuleringen over om zich op de een of andere manier een positie aan te meten over allerlei onderwerpen. Als ik geen mening heb over bijvoorbeeld een vrouwenquotum, vertelt rechts mij hoe het quotum mij als man discrimineert. Zo politiseert rechts het dagelijkse leven. Ze schetsen een alledaagse ervaring van hoe men zich onderdrukt kan voelen als witte of als man. Veel mensen kunnen zich daarin vinden omdat het oriëntatie biedt. Ondertussen voelt elke gemaskerde of anonieme mopperaar zich zo’n beetje een verzetsstrijder. Rechts levert het verhaal voor die mensen, van “Merkels DDR 2.0” tot de vermeende “Joodse wereldsamenzwering”. Voor de meeste mensen leidt dat tot niet veel meer dan een boze tweet, maar anderen vermoorden mensen, zoals we hebben gezien in Halle.’
[De zwaarbewapende rechts-extremist Stephan Balliet probeerde op 9 oktober 2019, de dag van Jom Kippoer, de belangrijkste Joodse feestdag, binnen te dringen in een synagoge in Halle, bij Leipzig, om een aanslag te plegen op de daar verzamelde mensen. Al eerder had hij op internet de datum, het doelwit en de antisemitische motieven van de aanslag op de synagoge bekend gemaakt. Nadat zijn poging de synagoge binnen te dringen mislukte, schoot hij een voorbijgangster dood en kort daarna de bezoeker van een kebabzaak. Hij verspreidde beelden van zijn misdrijf via een livestream die hij maakte met behulp van een helmcamera. Tijdens zijn poging te ontkomen raakten twee voorbijgangers gewond door zijn kogels en probeerde hij ook anderen neer te schieten. Uiteindelijk werd hij gearresteerd door twee patrouillerende agenten.
Balliet werd op 16 april 2020 beschuldigd van dubbele moord en 68 pogingen tot moord en bekende. Uiteindelijk is hij op 21 december 2020 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.]
‘U zegt dat we deze aspecten van rechts tot nu toe niet voldoende hebben geanalyseerd. Waarom is het belangrijk om licht te werpen op de concrete inhoud van de berichten?’
‘Het grote publiek zoekt naar de kwaadaardige fascist om hem op te sluiten of therapie te laten ondergaan omdat hij “aan racisme doet”. Maar weinigen praten daarentegen over de specifieke racistisch-volksnationalistische inhoud van rechts en waarom die zo makkelijk in de mainstream blijft hangen. Om dat te veranderen, moeten we praten over racisme en over de rancune die speelt in grote delen van de Duitse samenleving. Het gaat dus om zelfreflectie en dat is altijd moeilijk.’
‘En hoe kunnen die radicaal-rechtse emotionele ruimtes worden opengebroken?’
‘Geen idee. De West-Duitse samenleving waardoor ik gevormd ben, ging altijd impliciet uit van een witte en mannelijke norm. Rechts heeft die impliciete identiteitspolitiek veranderd in een expliciete: witten en mannen moeten zich verzetten en terugvechten. Ik denk dat we andere formuleringen voor dergelijke emoties nodig hebben. Die zijn er, maar ze zijn geïsoleerd geraakt in het sterk door het ‘bio-Duitse’ gedomineerde publiek. Daarom denk ik dat andere vormen alleen door een ander publiek kunnen worden verwoord.’
Een uitgebreid interview van SWR met Strick is hier in het Duits te vinden.
Toen een Britse plantenverzamelaar in 1818 een doos vol exotische planten vanuit Brazilië naar Engeland verscheepte, was dat het startpunt van de ‘orchideeëngekte’. Inmiddels speuren obsessieve verzamelaars overal ter wereld naar zeldzame soorten en is er een snelgroeiende en destructieve onlinehandel ontstaan.
In zijn boek Orchid Fever: A Horticultural Tale of Love, Lust and Lunacy (2000) geeft de Amerikaanse reisauteur Erik Hansen een levendig verslag van de complexe wereld van obsessieve bloemverzamelaars, onversaagde jagers en hebberige plantensmokkelaars.
Hansen begint zijn boek in de jungle van Borneo, een gebied dat bijzonder rijk is aan orchideeën. Hij fungeert er, samen met leden van de seminomadische Penan-stam, als gids voor twee Amerikaanse orchideeënkwekers. Het tweetal wil dolgraag de Paphiopedilum sanderianum fotograferen, een zeldzame orchideesoort die endemisch is op het eiland. Deze soort is volgens Hansen ‘de heilige graal onder de orchideeën, een bloem die slechts enkele tientallen botanici ooit in het wild hebben gezien’.
Orchideeëngekte
De orchideeëngekte begon in 1818 in Engeland, nadat de Britse plantenverzamelaar William Swainson een doos vol exotische planten, waaronder orchideeën, uit Brazilië naar Engeland had verscheept. Niet lang daarna trotseerden obsessieve verzamelaars aanvallen van tijgers en werden ze soms gedood of levend verbrand in de verste uithoeken van de aarde, waar de gewilde plant te vinden was.
Twee eeuwen later is Zuidoost-Azië nog steeds een van de topbestemmingen voor orchideeënliefhebbers. In Azië heeft Indonesië er, met meer dan ruim vierduizend endemische soorten, waarschijnlijk het meest, gevolgd door Maleisië, waar meer dan drieduizend soorten vandaan komen. De Filipijnen kennen elfduizend soorten en Myanmar 1040, volgens een inventarisatie van botanisch tijdschrift PhytoKeys uit 2020.
Destructief aspect
Nieuw Maleisisch onderzoek werpt nu ook licht op een minder bekend, maar zeer destructief aspect van deze botanische interesse: de verborgen, snelgroeiende onlinehandel in zeldzame wilde orchideeën.
‘Het internet heeft het toch al dramatische verlies aan biodiversiteit nog verder versneld,’ vertelt orchideeënexpert Rexy Prakash Chacko, een van de oprichters van de organisatie Penang Hills Watch, die de ontbossing op het Maleisische eiland Penang boekstaaft. Prakash Chacko publiceerde onlangs samen met botanist Santhi Velayutham Orchids of Penang Hill, een boek over de orchideeën in het natuurpark Penang Hills op het eiland. Het tweetal wil hiermee de diversiteit tonen van de wildeorchideeënflora, maar ook alarm slaan over de illegale handel in deze planten.
De publicatie van het geïllustreerde boek komt precies op het moment dat Penang Hills een aanvraag deed om te worden aangemerkt als Unesco Biosphere Reserve: een natuurgebied met internationaal beschermde status. De interesse van botanici voor het gebied is overigens niet nieuw. Al in 1894 beschreven de Britten Charles Curtis en Henri Ridley in een eerste catalogus van de orchideeën in het gebied negentig verschillende soorten, een aantal dat in 2017 was opgelopen tot 144.
‘Omdat wij merkten dat deze lijst nog verre van compleet was, besloten we zelf een inventarisatie te gaan doen, en daaruit kwam het idee voor een geïllustreerd orchideeënboek voort,’ vertelt Velayutham.
Het doel van de auteurs is om de natuurlijke diversiteit van Penang Hills te bevorderen, en natuurliefhebbers en wandelaars te stimuleren om de bloemen te herkennen en te beschermen. ‘Meer in het oog springende wilde orchideeën als P. barbatum, ook wel bekend als het venusschoentje, vind je al een hele tijd niet meer, dus richten verzamelaars zich nu op alle andere orchideeën die ze kunnen vinden,’ aldus Prakash Chacko. ‘Via Facebookgroepen over orchideeën vinden ze klanten uit het hele land. Regulering is er nauwelijks en tegen de bulkverkoop van planten wordt niets ondernomen.’
Een Miltassia Shelob-orchidee genaamd ‘Tolkien’. Het is een hybride van twee Zuid-Amerikaanse orchideeën. – Laura Ockel / Unsplash
De Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, die de meeste Zuidoost-Aziatische landen respecteren, kent strenge regels ter beperking van de handel in maar liefst 35.000 soorten, waarvan ten minste 70 procent orchideeën zijn. Maar het blijkt erg moeilijk om digitale transacties op sociale media op te sporen en tegen te gaan.
‘In Maleisië verkopen verzamelaars op Facebook orchideeën vaak voor maar 5 ringgit (1 euro) per stuk, wat kan oplopen tot 100 ringgit voor de zeldzamere exemplaren, vertelt Prakash Chacko. Milieuorganisatie Mongabay beschreef in 2018 hoe orchideeënsmokkelaars via eBay een grote internationale groep kopers bedienen. Zo was zes maanden na de ontdekking in 2010 van de nieuwe orchideeënsoort P. canhii in Vietnam deze zeldzame soort al bijna uitgestorven door stroperij, aangejaagd door een sterke vraag op internet.
De bedreiging die dit vormt voor orchideeën is onmiskenbaar: Ruth Kiew van het Forest Research Institute Malaysia (FRIM) vertelde vorig jaar aan nieuwswebsite The Malaysian Insight dat veel van de wilde orchideeënsoorten in het land de komende vijf tot tien jaar zullen uitsterven als de illegale oogst niet aan banden wordt gelegd.
Het district Noming in Putao, in Myanmar, is de enige plek ter wereld waar P. wardii groeit, beter bekend als de zwarte orchidee
‘Orchideeën kun je makkelijker beschermen als ze in nationale of provinciale parken groeien, of in wildreservaten. Ook helpt het om bossen alleen met toestemming vooraf toegankelijk te maken en een vergunning verplicht te stellen om levende planten te verzamelen,’ zegt orchideeënexpert Ong Poh Teck van FRIM. Volgens Teck is de kans dat de planten illegaal worden meegenomen het grootst als ze in onbeschermde gebieden groeien die te uitgestrekt zijn om te surveilleren.
De orchideeënstroperij breidt zich nu ook uit naar minder ontwikkelde delen van Zuidoost-Azië, zoals Myanmar. In dit land is de orchideeënflora nog vrij onbekend, als gevolg van het langdurige politieke isolement.
De meest unieke orchideeën van Myanmar zijn te vinden in de afgelegen streek Putao in de staat Kachin, 1500 kilometer ten noorden van Yangon, ingeklemd tussen de Indiase deelstaat Arunachal Pradesh, de autonome Chinese regio Tibet en de noordwestelijke provincie Yunnan. Putao ligt aan de voet van de Hkakabo Razi, met 5881 meter de hoogste bergtop van Zuidoost-Azië. Voordat het onlangs door een nieuwe weg werd ontsloten, was het gebied alleen door de lucht bereikbaar.
Het district Noming in Putao is de enige plek ter wereld waar P. wardii groeit, beter bekend als de zwarte orchidee, vanwege zijn kastanjebruine bloemen. Hij groeit tussen de rotsen en draagt de naam van de Britse botanicus Frank Kingdon-Ward, die in 1914 onderzoek deed naar de orchideeën van Kachin.
Hoe uniek deze plant ook is, bedreigd is hij nog niet, aangezien de lokale bevolking hem niet intensief verzamelt. Hij wordt wel gebruikt in traditionele medicijnen en zo nu en dan verkocht als souvenir aan het handjevol vasthoudende toeristen op de markten in Putao. Althans, voordat covid-19 plotsklaps een einde maakte aan het toerisme in de streek.
Toeristengids Japha Se uit Putao, eigenaar van reisbureau Icy Myanmar, vertelt dat er op sociale media al wel een levendige handel is ontstaan in de zwarte orchidee. ‘Maar nog populairder dan orchideeën zijn medicinale planten en lichaamsdelen van dieren. Die handel is lucratiever en er is meer vraag naar bij Chinese handelaars,’ vertelt hij. ‘Maar ik ben bang dat er vroeg of laat ook veel belangstelling zal komen voor onze wilde orchideeën.’
Wapen
Volgens de Wildlife Conservation Society, een internationale organisatie voor natuurbehoud uit New York die samenwerkt met het Myanmarese ministerie voor Bosbeheer, zijn er in de streek meer dan tweehonderd verschillende soorten orchideeën te vinden.
Helaas staat het plan om het Hkakabo Razi National Park op de Werelderfgoedlijst van de Unesco geplaatst te krijgen sinds december 2017 door hevige lokale protesten in de ijskast. Het zou het natuurbehoud in de streek vergemakkelijken, ‘omdat het een wapen is tegen de schurken die nu de levende en niet-levende natuur van het park plunderen,’ aldus Se.
De zeldzame orchideeën staan ook elders in Myanmar onder druk, zoals in de heuvelgebieden Chin en Naga, langs de grens met de Indiase staten Manipur en Nagaland. Daar verzamelt de lokale bevolking de planten en verkoopt die door op markten en aan kopers over de grens.
‘Doordat het wegennet er is verbeterd, is het veel makkelijker geworden voor handelaars om orchideeën en dierlijk materiaal over de grens te brengen,’ vertelt Se. ‘Daarom ben ik nog het meest bezorgd dat onze orchideeën daar snel zullen gaan uitsterven.’
Franklin Foer, broer van schrijver Jonathan Safran Foer, was hoofdredacteur van het tijdschrift The New Republic toen dat werd overgenomen door Facebookmiljonair Chris Hughes. In dit fragment uit zijn boek Ontzielde wereld beschrijft Foer hoe Hughes’ zucht naar digitale lezers het blad van de regen in de drup hielp.
Chris Hughes was een mythische ridder – jongensachtig onschuldig, fantastisch rijk, intellectueel nieuwsgierig, onverwacht nederig en trots idealistisch. In mijn hele carrière bij The New Republic heb ik van zo’n weldoener gedroomd. Vele jaren lang dreven we van de ene eigenaarsgroep naar de andere, die stuk voor stuk het tijdschrift en zijn historische missie wilden redden. Maar deze investeerders ontbrak het aan de middelen om in onze toekomst te investeren of ze hadden onvoldoende vertrouwen om er volledig voor te gaan. We bleven onze edities ophoesten, maar steeds achtervolgd door het spookbeeld dat we in de handen van een Russische oligarch of een ideologische fanaticus zouden belanden. De eindeloze zoektocht naar een beschermheer putte me uit. Ik nam in 2010 ontslag als hoofdredacteur. Een jaar later ging The New Republic opnieuw dringend op jacht naar een nieuwe eigenaar. En toen kwam Chris binnenwandelen.
Chris was niet alleen een redder: hij was een gezicht van de tijdgeest. Op Harvard had Chris een kamer gedeeld met Mark Zuckerberg, die hem tot een van de eerste werknemers van Facebook had gezalfd. Chris gaf ons duffe oude tijdschrift een millennium-fiat en een groter budget. Bovendien beschikte hij over een grondige kennis van de sociale media. We hadden het gevoel dat de hoop van de journalistiek op onze schouders rustte, die snakte naar een waardige oplossing voor alles wat haar mankeerde.
Tijdens mijn kennismakingsgesprek met Chris dwaalden we doelloos door het centrum van Washington met papieren koffiebekers in de hand. Het was een warme lentedag. We gingen zitten op de stenen trappen van een Georgische kerk. In die eerste weken als eigenaar had Chris voor zichzelf een eindeloze luistertoer geboekt. Hij leek met iedereen te willen spreken die bij het tijdschrift had gewerkt of die er een duidelijke mening over kon hebben. Maar tijdens ons gesprek leek hij duidelijk meer te willen dan mijn advies. Hij liet doorschemeren dat hij me graag in mijn oude functie zou willen zien.
De eigenaren van The New Republic waren altijd oudere mannen geweest, met veel geld en uitgesproken meningen. Chris was op een intrigerende manier anders. Hij was achtentwintig jaar oud, en door zijn leergierigheid leek hij zelfs nog jonger. ‘Toen ik hoorde dat The New Republic te koop was,’ zei hij tegen me, ‘ging ik naar de openbare bibliotheek van New York en begon te lezen.’ Hij vroeg microfiches van oudere jaargangen aan. Uit elk decennium van het honderdjarig bestaan van het tijdschrift selecteerde hij een tiental nummers om door te ploegen. De romantische geschiedenis van het tijdschrift – zijn legendarische lijst van schrijvers zoals Rebecca West, Virginia Woolf, Edmund Wilson, Ralph Ellison en James Wood – prikkelde zijn verbeelding en deed de hand op zijn knip verslappen.
Hoewel hij sinds de beursgang van Facebook honderden miljoenen achter de hand had, leek hij niet geïnteresseerd in zijn rijkdom of er op zijn minst moeite mee te hebben. Hij schaamde zich altijd een beetje wanneer mensen erop wezen dat hij twee landgoederen en een ruime loft bezat; hij droeg vaak elke dag van de week dezelfde blazer.
De bron van zijn fortuin bepaalde niet wie hij was. Hij sprak altijd met een ontwapenende afstandelijkheid over Facebook. ‘Ik breng niet veel tijd op de site door,’ bekende hij eens tijdens een etentje. Die ontboezeming vond ik heel innemend. Al snel begonnen we het tijdschrift opnieuw te kneden. We wilden onze eigen onmogelijk hoge verwachtingen waarmaken.
Dolle jacht op kliks
Binnen één generatie is de journalistiek beetje bij beetje opgeslokt. De dominante mediabedrijven uit onze tijd beschouwen zichzelf niet als erfgenamen van een grootse, van drukinkt doordrenkte traditie. Sommige noemen zichzelf liever technologiebedrijven. Deze herdefiniëring is niet alleen een kwestie van modieuze restyling. Silicon Valley heeft het beroep geïnfilltreerd, zowel van binnenuit als van buitenaf. In het afgelopen decennium is de journalistiek ongezond sterk afhankelijk geworden van Facebook en Google. De grote tech-bedrijven voorzien de journalistiek van een enorm percentage van haar publiek – en daarmee van een groot deel van haar inkomsten.
Afhankelijkheid leidt tot vertwijfeling – een dolle, schaamteloze jacht op Facebook-kliks, een meedogenloos streven om vat te krijgen op de Google-algoritmen. Het leidt ertoe dat de media afschuwelijke deals sluiten, die lijken op noodzakelijke ingrepen voor zelfbehoud maar in feite alleen maar Facebook en Google de gelegenheid bieden hen nog steviger in de greep te houden. Media verlenen Facebook het recht advertenties te verkopen en geven Google toestemming artikelen rechtstreeks op zijn supersnelle server te publiceren.
Wat deze deals zo afschuwelijk maakt, is de wispelturigheid van de tech-bedrijven. Ze veranderen graag snel en radicaal van koers, wat geweldig is voor hun winstcijfers, maar een ramp voor alle mediabedrijven die afhankelijk zijn van de platforms. Facebook bepaalt dat zijn gebruikers de voorkeur geven aan video boven woorden of dat zijn gebruikers ideologisch aangename propaganda verkiezen boven harde nieuwsfeiten.
Wanneer Facebook op deze manier zijn koers wijzigt of wanneer Google zijn algoritmen bijstelt, verstoren ze onmiddellijk het webverkeer naar de media, met alle gevolgen voor de inkomsten van dien. Media weten dat ze aan de greep van Facebook zouden moeten ontsnappen, maar afhankelijkheid kweekt ook lafheid. De gevangene ligt op zijn brits te dromen van vluchtplannen die nooit zullen uitkomen.
Het probleem is niet alleen financiële kwetsbaarheid. Het is de manier waarop de tech-bedrijven werkpatronen opleggen, de manier waarop hun invloed het ethos van een hele branche afstemt op hun behoeften, zoals lagere kwaliteitseisen en slechtere ethische bescherming. Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ons tijdschrift die kant op zou gaan.
De eerste dagen van mijn samenwerking met Chris waren opwindend. Als een druistige buitenstaander was hij niet geïnteresseerd in blinde navolging van traditionele wijsheid. Toen we de website van The New Republic gingen vernieuwen, kozen we voor een reactionaire benadering.
Onze homepage zou niet op jacht gaan naar de klikgrage bezoeker. Integendeel, we zouden ons hevig verzetten tegen de impuls haar vol te plempen met een eindeloze stroom klikbare content, die met weinig gevoel voor hiërarchie over de pagina verspreid stond. Onze digitale bladzijden zouden schoonheid en eindigheid koesteren. Ze zouden elke ambitie om een breed publiek te trekken laten varen en brutaal het idealisme van ons project verkondigen – door Chris omschreven als niets minder dan het behouden van culturele ernst en het bedrijven van gedegen onderzoeksjournalistiek.
Romantisch idealisme was niet genoeg om Chris tevreden te stellen. Hij heeft altijd geloofd dat hij van The New Republic een winstgevende onderneming kon maken – of in elk geval dat hij zo veel inkomsten zou kunnen genereren dat hij zijn succes kon uitbazuinen in persberichten die ons nog geweldiger zouden maken. Maar Chris’ retoriek over winst leek nooit helemaal oprecht. ‘Ik heb een bloedhekel aan het verkopen van advertenties,’ zei hij mij keer op keer. ‘Het geeft me een vunzig gevoel.’ En meer dan een jaar lang was hij bereid ruimhartig geld te spenderen.
Achteraf gezien had ik strenger moeten zijn ten aanzien van de cheques die wij uitschreven – ik bedoel, die hij uitschreef. Het was te voorspellen dat frustratie onvermijdelijk de kop zou opsteken wanneer hij uiteindelijk eens goed naar zijn financiën zou kijken. Maar we hadden allebei onze zwakheden. Hij huurde graag kantoorruimte op toplocaties en nam graag topconsultants in de arm. Ik betaalde graag royale vergoedingen aan schrijvers om de wereld over te trekken en liet stukken schrijven alsof ik een extravagante hoofdredacteur uit New York was. Aangezien het venster van zijn liefdadigheid beslist zou sluiten, besloot ik snel veel mensen aan te nemen, onder wie enkele ervaren schrijvers en redacteuren die niet goedkoop waren. Maar het leek hem niets uit te maken. ‘Ik heb me nooit zo gelukkig of voldaan gevoeld,’ zei Chris tegen mij. ‘Ik werk met vrienden.’
Op een dag was het zover. De cijfers haalden Chris in en hij voelde een dringende en begrijpelijke behoefte om winst te gaan maken. Aangezien Chris niets had met adverteren, weigerde hij veel geld uit te geven aan mensen die met het tijdschrift de boer op gingen. Het geld moest ergens vandaan komen – en dat ‘ergens’ was het web. Een drastische toename in sitebezoek moest het geld opleveren dat het gat kon dichten. We leefden plotseling in een microkosmos van de recente mediageschiedenis, in een gecomprimeerde periode die een decennium van pijnlijke transitie samenperste in een paar spannende maanden.
Aan het begin van de eeuw stond het beroep op de rand van de afgrond. Door een reeks economische crises begonnen mediabedrijven alles in te zetten op een digitale toekomst, een toekomst waarin ze geen last hadden van het lompe, bureaucratische apparaat dat papieren publicaties eisten. Het crisisgevoel en het zicht op nieuwe kansen veranderden de oude redactiekamers snel. In de loop van een jaar of tien daalden de salariskosten voor journalisten en redacteuren met 1,6 miljard dollar. Tegelijkertijd verloor de journalistiek haar vitaliteit en stortte haar prestige in.
Volgens een bepaald onderzoek was krantenverslaggever de ergste baan in de Verenigde Staten, erger nog dan houthakker en reclasseringsambtenaar. Door deze existentiële crisis moest de journalistiek zich bezinnen op haar bestaansreden. Heel die fraaie onafhankelijkheid leek plotseling een onbetaalbare luxe.
Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule
Om het webverkeer te laten groeien hadden we een nieuwe manier van denken nodig. Anders dan de televisie beschouwde de gedrukte pers de strategische jacht op een publiek als een te vermijden, vunzige, ietwat corrumperende bezigheid. Schrijvers en redacteuren lieten die jacht liever over aan de commerciële tak van hun bedrijf; zelf hielden ze zich er niet mee bezig. The New Republic koesterde een extreme versie van deze opvatting. Het blad was geboren als een elitetijdschrift – een bedenksel van intellectuelen uit een progressieve tijd, die hoopten de culturele en politieke standaarden van het land te verhogen. In de loop der decennia werd het haast een cultus om de kleine groep te bedienen die interesse had in inside-informatie over politiek en semi-intellectuele boekbesprekingen. Deze mengeling had nooit garant gestaan voor een erg omvangrijk publiek. In het grootste deel van zijn lange geschiedenis was het lezerspubliek van The New Republic zelfs te klein om het footballstadion van de University of Mississippi te vullen. Plotseling moesten we echter via onze website miljoenen lezers zien te bereiken. We moesten ons elitaire denken vaarwel zeggen en de massa’s in hun eigen omgeving tegemoet treden.
Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. Dat was de les die de journalistiek aan het leren was. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule. Jonah Peretti, de oprichter van BuzzFeed en de William Randolph Hearst van onze tijd, heeft die vergelijking als volgt geformuleerd: R = ßζ. De formule zou illustreren hoe een journalistiek stuk viraal kon gaan – hoe het door de sociale netwerken kon reizen en snel een massaal publiek bereiken, net zo snel als de pokken hun weg door Noord-Amerika hadden gevonden. Peretti’s formule was afkomstig uit de epidemiologie [in de epidemiologie staat ζ voor het aantal mensen dat in contact komt met een besmet persoon, en ß voor de kans op besmetting]. De verwijzing naar wetenschap was doelbewust. Met behulp van experimenten en een zorgvuldige bestudering van de data kon je wetenschappelijk bepalen welke stukken de meeste kans hadden viraal te gaan – of in elk geval een omvangrijk publiek te bereiken.
De nieuwe wetenschap van het webverkeer was in feite een tak van de gedragspsychologie – mensen klikten zo snel dat ze niet altijd helemaal begrepen waarom ze zich meer aangetrokken voelden tot het ene stuk dan tot het andere. Ze lieten zich leiden door cognitieve vooroordelen, irrationele krachten, halfbewust genomen beslissingen. Om een lezer te verleiden moest je dus een beetje manipuleren, stiekem een beetje overredingskracht toepassen.
Chris had kennis over viraliteit opgedaan via de site Upworthy. Hij had geld gestoken in de lancering van die website en meegeholpen er een internetsensatie van te maken – ‘de snelst groeiende mediastart-up die ik me kan herinneren’, zoals een van de vele kruiperige journalisten het omschreef. Upworthy produceerde niet veel origineels. Het haalde overal op het web video’s en tekeningen vandaan, meestal obscuur spul, en zette er koppen boven die ze aantrekkelijk maakten voor een zeer breed publiek. Deze content wilde een progressieve sfeer uitademen, ergens tussen ‘fantastisch’ en ‘belangrijk’. Upworthy nam het materiaal van anderen en gaf het de magische elementen die tot viraliteit leidden.
Magisch is niet het juiste woord. Psychologen hadden ontdekt hoe ze de onbedwingbare nieuwsgierigheid van mensen moesten opwekken. Mensen vinden onwetendheid niet erg, maar ze hebben er een hekel aan als hun informatie wordt onthouden. Upworthy ontwierp koppen die in lezers een primaire honger opwekten naar informatie die net buiten hun bereik lag. Het pionierde met een stijl die het de ‘nieuwsgierigheidskloof ’ noemde: door net voldoende informatie achter te houden kietelden de koppen lezers om door te klikken. Een klassiek voorbeeld: ‘Negen van de tien Amerikanen zijn onvoldoende op de hoogte van dit duizelingwekkende feit.’ Zes miljoen lezers konden zich niet bedwingen en volgden die link. (Het duizelingwekkende feit: de inkomensongelijkheid is veel groter dan de meeste Amerikanen denken.)
De kop is uiteraard een aloude journalistieke kunstvorm. Maar Upworthy – en zijn talrijke na-apers – heeft deze kunstvorm op een positivistische maar strikte manier benaderd. Bij elk item dat het op zijn site plaatste, schreef Upworthy vijfentwintig verschillende koppen. Dankzij zijn software kon Upworthy ze automatisch alle vijfentwintig publiceren en bepalen welke ervan het meest aangeklikt werden. Op basis van deze resultaten ontdekte Upworthy syntactische patronen die vrijwel zeker hits opleverden. (Upworthy had enorm succes met varianten van de zin: ‘Je gelooft nooit wat er hierna gebeurde.’) Deze formuleringen waren zo effectief dat ze een gemeenplaats werden op het web. Sites gingen ze zo veel gebruiken dat lezers de trucs begonnen door te krijgen en de formules aan kracht verloren. En dat leidde weer tot verwoede pogingen om de volgende hitvoorspeller te ontdekken.
Het belangrijke inzicht van Upworthy, BuzzFeed, Vox en andere opkomende internetgiganten was dat je redactioneel succes kon fabriceren: als je luisterde naar de data, was het mogelijk stukken te schrijven waarmee je een massaal publiek kon bereiken. Iedereen in de branche omarmde dit inzicht, zelfs bij nuchtere ondernemingen als The Washington Post. En het inzicht wist ook door te dringen tot The New Republic. Chris voegde een datagoeroe aan onze staf toe om de kans op virale hits te vergroten. In de wekelijkse vergaderingen leverde de goeroe onderwerpen aan die we volgens hem moesten aanpakken. Hij hield zorgvuldig in de gaten welke onderwerpen trending waren op Facebook, zodat wij content konden creëren die meeliftte op de golf van populariteit. Hij keek ook naar data uit het verleden om te zien wat het publiek een jaar geleden bezighield, zodat we stukken konden produceren die in het verlengde lagen van de seizoensinteresses van lezers. ‘Advertenties tijdens de Super Bowl zijn een ding,’ zei hij. ‘Hoe kunnen we daarop aansluiten?’ Of: ‘[Restaurantketen] Chipotle heeft geen varkensvlees meer en iedereen op de sociale media heeft het erover. Wat kunnen wij bijdragen?’ Dit soort vragen werden meestal beantwoord met een vijandig stilzwijgen.
Hoewel ik niets ophad met deze strategie, bood ik er maar weinig verzet tegen. Chris moedigde ons nog steeds aan lange artikelen en staaltjes van gedegen onderzoeksjournalistiek te publiceren. Een paar derderangs prutsartikelen schrijven leek een kleine prijs om te betalen. Bovendien was zijn vraag volkomen redelijk. Respectabele media bewandelden hetzelfde pad. Dachten we werkelijk dat we beter waren dan Time of The Washington Post? Ze hadden allemaal een genre omarmd dat hij ‘hapklare content’ noemde: grafiekjes, lijstjes, video’s, snelle items die de aandacht wekten van de ‘verveelde bureauklevers’, zoals de branche ze noemde, of van de mensen die op metroperrons de tijd zaten te doden. Natuurlijk, het onderwerp kon serieus zijn, maar de presentatie moest snel en luchtig zijn, klaar om zich via Facebook te verspreiden. Chris was er vast van overtuigd dat we dit soort werk moesten produceren: het was immers gemakkelijk om hapklare content te produceren – en het kostte, in zijn ogen, weinig moeite. We moesten simpelweg de rest van het internet na-apen en over dezelfde schandalen schrijven en op hetzelfde actuele onderwerp inhaken als iedereen. De kliks zouden ons overstelpen, als we maar over onze eigen schaduw konden stappen en dezelfde fragmentjes van The Daily Show posten als iedereen, ingeleid door een aantrekkelijke kop en misschien voorzien van een of twee analyserende alinea’s om ons geweten te sussen. Een tirade van Jon Stewart mochten we niet missen. Chris’ logica was moeilijk te weerleggen. Alle andere media deden het. En ze deden het omdat het werkte. Wij moesten ervoor zorgen dat dingen werkten.
Chartbeat
Een van de symbolen van het nieuwe tijdperk zweefde boven mijn leven bij The New Republic. Het zat me de hele dag achterna. Elke keer wanneer ik ging zitten werken, keek ik er stiekem naar – en dat deed ik ook wanneer ik ’s morgens opstond, wanneer ik enkele minuten later mijn tanden poetste en nog weer later wanneer ik bij het urinoir stond. Soms keek ik alleen maar naar het uitslaan van de meter terwijl ik het stuk dat ik redigeerde verwaarloosde of de persoon aan de andere kant van mijn bureau negeerde. Mijn kijkgedrag was vaak een geval van wishful thinking. Ik hoopte dat de meter onverwacht de goede kant zou uitslaan ter illustratie van mijn talent om een winnaar uit te zoeken.
Mijn meester heette Chartbeat, een site die redacteuren, schrijvers en hun bazen een realtime overzicht van het webverkeer biedt en laat zien hoeveel lezers elk afzonderlijk artikel heeft. De site suggereerde vrij duidelijk dat journalistiek een competitie is, een populariteitswedstrijd. De naald van de site gaf ons het gevoel dat ons tijdschrift een auto was: ofwel we kruipen op een slechte verkeersdag moeizaam tegen een helling op, ofwel we sjezen op ons gemakje naar een bevredigend eindcijfer.
Dit is het vertrouwde verhaal van de Amerikaanse werkvloer. Analyse is de managementrevolutie van onze tijd. We leven in een wereld van alomtegenwoordige data die de basis vormen voor steeds grotere efficiency en productiviteit. Daarom hebben Chartbeat en tal van soortgelijke sites zo’n grote invloed op vrijwel elk tijdschrift, elke krant en elk blog. Het komt er bij Chartbeat op neer dat geen enkel stuk voldoende verkeer heeft – met wat aanpassinkjes, een betere kop, een betere benadering op de sociale media, een beter onderwerp, een beter betoog kan het altijd beter. Net als een manager die met een stopwatch bij de lopende band staat, zweven Chartbeat en zijn geestverwanten boven de redactiekamer.
Dit was een gevaarlijke ontwikkeling. De journalistiek was in feite nooit een maatschappelijk gerichte onderneming geweest. Dat was alleen maar een mythe die redacteuren en schrijvers elkaar graag vertelden. Maar de mythe was wel belangrijk. Hij prikkelde de journalistiek om de macht uit te dagen. Hij voorkwam dat ze zich liet leiden door de nukken van het publiek. Hij schiep een cruciale mate van afstandelijkheid.
Deze generatie van op het internet geboren mediagiganten heeft niets op met het oude journalistieke ethos van onpartijdigheid. Het is niet zo dat deze bedrijven niet naar journalistieke grootsheid streven. BuzzFeed, Vice en The Huffington Post willen postmoderne kranten zijn. Ze investeren in uitstekende verslaggeving en hebben eersteklas journalisten in dienst. Maar ze proberen geen afstand te nemen van de druk van de markt. De jacht op het publiek is cruciaal voor hun missie. Ze willen de populariteitswedstrijd op het web winnen. Ze hebben toegestaan dat de eindeloze feedbackloop van het web – de nooit eindigende datastroom – bepalend is voor hun redactionele keuzes en investeringen.
Wanneer een verhaal eenmaal de aandacht heeft gewekt, springen de media er gedachteloos bovenop. Ze schrijven met repetitieve razernij over het onderwerp en proberen er zo veel mogelijk kliks aan te onttrekken, totdat het publiek de belangstelling ervoor verliest.
Een gedenkwaardig doch volkomen irrelevant voorbeeld: een protserige foto van een jager uit Minnesota die glimlachend bij het lichaam van een leeuw met de naam Cecil stond leverde meer dan 3,2 miljoen verhalen op. Alle nieuwsorganisaties – zelfs The New York Times en The New Yorker – probeerden de hysterie op te kloppen, in de hoop wat webverkeer te kunnen genereren. Hiervoor moesten ze telkens een volledig nieuwe invalshoek vinden, of een invalshoek die net nieuw genoeg was. Vox: ‘Kip eten is moreel verwerpelijker dan Cecil de leeuw doden’. BuzzFeed: ‘Een helderziende zegt dat ze met Cecil de leeuw heeft gesproken’. The Atlantic: ‘Van Cecil de leeuw tot klimaatverandering: een perfecte storm van verontwaardiging’.
In bepaalde opzichten is dit slechts een digitaal opgewaardeerde versie van een ouderwetse media-tsunami. Een explosie van moralistische woede die grondig wordt uitgebuit. Maar de sociale media versterken de financiële prikkel om zich bij de huilende roedel aan te sluiten. Zelfs het kleinste mediakanaal zou in principe viraal kunnen worden en miljoenen lezers aantrekken als het zijn verhalen slim verpakt. Intellectuelere tijdschriften schudden zonder enig schuldgevoel artikelen over deze trending onderwerpen uit de mouw, zolang ze ze maar een beetje kunnen aankleden met een pochetje met academische pretenties of een sjaaltje van beredeneerde slimheid. De resultaten zijn bepaald niet oorspronkelijk. Net als in Hollywood stoppen organisaties tijd en geld in een formuleachtig product, een behoedzame imitatie van oudere successen. Joshua Topolsky, oprichter van Vox Media en The Verge, bejammerde deze insluipende homogenisering: ‘Alles oogt hetzelfde, leest hetzelfde en lijkt de concurrentie om dezelfde oogballen aan te gaan.’
Donald Trump begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen
Donald Trump is de culminatie van dit tijdvak. Hij begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen. Ook al toonden de media hun minachting voor de strapatsen van Trump, ze maakten van hem een markante figuur en een plausibele presidentskandidaat. Jarenlang hebben de media Trumps theorieën over de buitenlandse afkomst van president Obama rondgepompt, ook al waren die totaal nergens op gebaseerd. De media schonken eindeloos aandacht aan zijn eerste verdachtmakingen met betrekking tot immigranten, ook al wisten ze maar al te goed dat die provocaties een atmosfeer van paranoia en haat opwekten. Toen Trump eenmaal een plausibele kandidaat was geworden, moesten de media wel over hem berichten. Maar de media hadden hem in die positie gebracht. Verhalen over Trump leverden het soort webverkeer op dat de goden der data behaagde en dat het batig saldo ten goede kwam. Trump begon als Cecil de leeuw, en eindigde als president van de Verenigde Staten.
Chris Hughes en ik zaten eens aan de ontbijttafel van een majesteitelijk Washingtons hotel te brainstormen over de kwaliteiten van The New Republic – The New Republic die we samen zouden scheppen. We hebben het nooit zo expliciet gesteld, maar we waren op zoek naar een gemeenschappelijke deler, naar een bijvoeglijk naamwoord dat alles kon omvatten wat we met het tijdschrift wilden. Het voelde alsof we op een rotonde zaten. Als er een whiteboard was geweest – en Chris is dol op whiteboards – had het waarschijnlijk vol gestaan met afgekeurde termen.
Maar die waardeloze woordenstroom was het armzalige voorspel voor een creatieve doorbraak. Hij zei: ‘We zijn idealistisch. Dat knoopt ons legendarische verleden aan ons optimisme ten aanzien van oplossingen.’ Idealisme was een woord dat mijn hart deed smelten, en ik voelde een onbedwingbare vreugde bij het vooruitzicht dat we het met elkaar eens waren. ‘Boem. Dat is het.’
We waren idealistisch over ons gedeelde idealisme. We hadden allebei bepaalde doelen die elkaar overlapten. We wilden allebei van The New Republic een bloeiend tijdschrift maken; we geloofden allebei in een activistische kijk op de Amerikaanse regering; we geloofden allebei dat het belangrijk was naar een kosmopolitischer cultuur te streven; we waren allebei enthousiast over het idee om long-form-journalistiek te bedrijven. Deze overeenkomsten waren voor ons voldoende om elkaar wijs te maken dat we hetzelfde idealisme deelden.
Verbeterbaar
Chris’ kijk op de wereld was in wezen technocratisch; de mijne was meer moralistisch en romantisch. Waar hij wel iets zag in het idee van long-form-journalistiek, geloofde ik er ideologisch in. Hij geloofde in systemen, in regels, efficiency, organogrammen, vergaderingen, productiviteitsinstrumenten. De wereld was in hoge mate verbeterbaar, maar we konden alleen vooruitgang boeken als we ons losmaakten van oververhitte emoties, scheldpartijen en excessieve partijdigheid. Deze kijk op de wereld plaatste hem op een ramkoers met de politiek geëngageerde intellectuele vrije geesten die ons kantoor bevolkten, die met overtuiging en op onmogelijke uren schreven en die zich stortten op onderwerpen die hun de meeste voldoening schonken, en niet per se op kletsverhalen die de massa het meest behaagden.
Vlak voor het pijnlijke einde gaf Chris me zijn herziene visie op de toekomst van het tijdschrift en vertelde me waar zijn idealisme hem had gebracht. Hij was nu twee jaar eigenaar van The New Republic en begon wat ongedurig te worden. Resultaten, en daarmee bedoelde hij meer webverkeer en meer inkomsten, moesten sneller komen. ‘Om het tijdschrift te redden moeten we het tijdschrift veranderen,’ zei hij tegen me.
Technologen en marketeers zouden een cruciale rol in het redactionele proces gaan spelen. Ze zouden onze journalistiek de ‘coole’ en ‘innovatieve’ eigenschappen geven die het blad populair zouden maken en een opvallende positie in de markt zouden geven. Dit vereiste uiteraard middelen, en die middelen moesten komen uit de pot met geld voor long-form-journalistiek. Ik was niet voorbereid op zijn plan of zijn omschrijving van The New Republic. ‘Wij zijn een technologiebedrijf,’ zei hij. Waarop ik antwoordde: ‘Dat klinkt niet als het soort bedrijf dat ik met mijn kwaliteiten zou kunnen leiden.’ Hij verzekerde me dat ik het aankon.
Twee maanden later hoorde ik van een collega dat Chris mijn vervanger had aangenomen en dat mijn vervanger in New York met allerlei mensen lunchte om hun een baan bij The New Republic aan te bieden. Voordat Chris de kans had mij te ontslaan, nam ik zelf ontslag, en met mij bijna de hele redactionele staf van het tijdschrift. Hun idealisme dicteerde dat ze zich moesten verzetten tegen zijn idealisme. Ze wilden niet werken voor een tijdschrift met een moraal die meer aansloot bij die van de grote tech-bedrijven dan bij die van de journalistiek. Ze wilden best Facebook in de gaten houden, maar ze wilden niet hun baan erdoor laten bepalen. De heisa kreeg behoorlijk wat aandacht en ebde toen weg – slechts een hobbeltje in het streven van Silicon Valley om de journalistiek te verzwelgen.
De overdaad aan data heeft het karakter van de journalistiek veranderd. Hij heeft haar tot een handelsartikel gemaakt, tot iets wat je kunt vermarkten, testen en aanpassen. Misschien hebben de media altijd al zo gedacht. Maar als die impuls altijd heeft bestaan, was hij op z’n minst afgeschermd. Tijdschriften en kranten beschouwden zichzelf altijd als een coherent iets, een nummer, een editie, een instelling. Niet als een uitgever van tientallen afzonderlijke stukken die ze elke dag via Facebook, Twitter en Google moesten verhandelen.
Nadenken over het bundelen van artikelen tot een groter geheel was intellectueel bevrijdend. Als lezers niet geïnteresseerd waren in een reportage over kinderarmoede of een bericht uit Zuid-Soedan, was dat niet zo erg. Ze zouden je daarop niet beoordelen. Ze zouden zich misschien zelfs gevleid voelen omdat jij dacht dat ze zo’n artikel wel zouden willen lezen, ook al sloegen ze het meteen over. Redacteuren rechtvaardigden hoogstaande en wereldvreemde artikelen met het argument dat ze essentieel waren voor de ‘mix’.
Nu worden opdrachten onderworpen aan een kosten-batenanalyse: zal het artikel voldoende verkeer genereren om de investering te rechtvaardigen? Deze analyse is soms expliciet en bewust, maar vaak ook onderbewust en ingebed in eufemismen. Het is de gedachtegang waardoor redacteuren verkondigen dat een idee ‘niet de moeite waard is’ of waardoor ze zich zorgen maken over hoe een artikel zal ‘vallen’.
Het publiek voor de journalistiek is tegenwoordig misschien groter, maar het denkraam is kleiner.
LaTurbo Avedon is de avatar van een anonieme kunstenares. Ons leven online is net zo echt als ons offlinebestaan, zegt ze.
LaTurbo Avedon is een aantrekkelijke jonge vrouw met blond haar, dat ze vaak in een paardenstaart draagt – als we tenminste kunnen afgaan op haar Instagramfoto’s. Zoals de meeste millennials speelt ze games, zit met haar vrienden op Facebook, houdt haar Twitterfeed bij en post selfies op Tumblr. Ze is een digitale autochtoon – maar dan ook echt letterlijk, in tegenstelling tot veel van haar leeftijdgenoten. Ze is online geboren, een knipperende cursor op een inlogpagina van een chatroom. Ze is gelijk met het internet volwassen geworden, heeft vrienden gemaakt, updates geplaatst en een onlineprofiel aangemaakt – geen profiel van een mens, maar van een avatar, een digitale vertegenwoordiger van iemand die, in dit geval, weigert zijn of haar identiteit bekend te maken.
Het is een dagtaak om een cyberpersonage te zijn. Avedon is een kunstenares die over de hele wereld tentoonstellingen heeft gehad, in Polen, Zuid-Korea, Peru en in het Whitney Museum in New York. Met behulp van dezelfde software die ontwerpers gebruiken om videogames te maken, maakt zij ‘digitale omgevingen en sculpturen’, om haar eigen woorden te gebruiken: animaties waarin ze door verlaten, spelonkachtige clubs loopt en met haar mobieltje bezig is; beelden van objecten met allemaal stekelige, scherpe randen, waarop licht en schaduw een spel spelen dat zo realistisch is dat haar afbeeldingen bijna driedimensionaal lijken – alsof het echte beelden zijn.
Onlangs, op een tentoonstelling in Somerset House in Londen, waar Avedon artist in residence is, zetten de toeschouwers een virtual reality-headset op om de beelden te kunnen zien in hun natuurlijke omgeving. In Club Rothko, een virtuele galerie waar zij dj is en waar ze haar werk tentoonstelt, draaien haar monumentale beelden rond. Op andere plekken hangen ze aan de wand, afgedrukt op dibond, naast schermen waarop haar animaties zijn te zien. Avedon is werkzaam in het domein van de net.art – sinds de jaren negentig wordt hierin werk gemaakt dat is ontsproten aan het internet. De nieuwste kunstenaars van deze beweging, zoals Amalia Ulman en Artie Vierkant, zijn opgegroeid in chatrooms en op forums, en zijn uiteindelijk overgestapt naar Twitter, Facebook en Instagram. Ze zijn van mening dat het internet is verweven met het leven van alledag.
Ze houdt van nagellak, Britney Spears en Jean Baudrillard, ze is aardig – en grillig
Die mening deelt Avedon. Wat haar onderscheidt van anderen is niet haar visuele kunst, maar haar performancekunst. Ze is een virtueel personage dat het scenario volgt dat ze zelf heeft geschreven. Het dramatische effect hiervan schuilt in de manier waarop ze deze gedachte, dat internet inmiddels een onlosmakelijk onderdeel van ons bestaan vormt, consequent doorvoert. En zo komt ze tot de onweerlegbare conclusie dat het internet niet alleen is verweven met allerlei facetten van haar bestaan, maar dat internet haar bestaan ís. Ze is niets meer dan een verzamelingen nullen en enen die door een glasvezelkabel jagen, en al die bits en bytes samen vormen een persoonlijkheid. (Ze houdt van nagellak, Britney Spears en Jean Baudrillard, ze is aardig – en grillig.) De anonimiteit van haar maker en het feit dat ze erop staat dat we meegaan in het idee – dat ze een avatar is die voor zichzelf staat – dwingen ons erover na te denken hoe de nabije toekomst eruit zou kunnen zien wanneer artificiële intelligentie in staat is een persoonlijkheid te creëren die net zo complex is als wij. Avedon is een gedachte-experiment dat zich presenteert als kunst.
Het merkwaardige aan Avedon is dat ze het feit dat ze virtueel is hoog in het vaandel heeft staan, maar anderzijds met klem zegt: ‘I’m real’ (een knipoog naar de hit van Jennifer Lopez en Ja Rule uit 2001), alsof ze een van ons wil zijn. Waarom?
Het is lastig communiceren met een avatar: je kunt niet afspreken of even bellen. In plaats daarvan sturen Avedon en ik elkaar berichtjes op Gmail Chat, en later, na een paar valse starts (zoals ik al zei, ze is grillig) tref ik haar in een club op Second Life, een virtuele wereld waarin gebruikers zich bewegen vanuit het gezichtspunt van hun avatar. Avedon begeeft zich heel veel op Second Life.
Club Culture baadt in blauw licht en uit de speakers klinkt housemuziek, maar op het moment dat mijn avatar binnenkomt is de club verlaten. Dan zie ik Avedon ineens, in een korte, witte jurk, waarvan de zoom licht lijkt te geven. Terwijl ze begint te breakdansen (mijn avatar kan het nauwelijks bijhouden) sturen we elkaar berichtjes.
‘Ik ben er niet op uit om de indruk te wekken dat ik een echt mens ben,’ zegt ze, terwijl ze over de dansvloer paradeert. Wat zij wil, is ons ertoe aanzetten eens goed na te denken over onze relatie met de virtuele wereld. ‘Veel mensen houden zich vast aan het idee dat er een drempel is tussen echt en nep, tussen ons fysieke lichaam en de virtuele wereld,’ zegt ze. ‘Een soort geruststellende tweedeling.’ Het acroniem IRL (in real life), dat vaak wordt vaak gebruikt om activiteiten aan te geven die zich ver van de computer afspelen, illustreert dit mooi. Als de offlinewereld echt is, is de gedachte, dan is de onlinewereld nep – een visie die het belang van de virtuele wereld tenietdoet.
Net als een gedachte
Avedon vindt het niet juist om op zo’n manier tegen het internet aan te kijken: al heeft het virtuele geen fysieke verschijningsvorm, het is nog wel echt. Net als Avedon. ‘Je zult me misschien nooit in het park tegenkomen, of me over straat zien lopen,’ zegt ze, ‘maar dat wil nog niet zeggen dat mijn ervaringen in een virtuele wereld niet echt zouden hebben plaatsgevonden, of geen geldigheid zouden hebben.’ Ze bestaat dáár waar ze kans ziet een bepaald besef van haar aanwezigheid over te brengen op anderen, of dat nou in een chatroom is of aan de muur van een galerie. Ze bestaat in ons hoofd, net als een gedachte.
Inmiddels heb ik geleerd de bewegingen van mijn avator te sturen, en ik dans een shimmy met Avedon. Ze wil nog één ding kwijt: ‘Avatars zijn veel gecompliceerder dan veel mensen misschien denken.’ Ik vraag haar een definitie te geven van een avatar. Het is ‘een presentatie van het zelf. In onze gedachtewisseling [op Second Life en Gmail Chat] heb ik jou, de avatar Charlie, leren kennen op de manier zoals jij jezelf hebt willen presenteren.’ Of het nou online is of offline, iedereen heeft vele rollen om te spelen. De wereld is een schouwtoneel, en alle mannen en vrouwen zijn weinig meer dan avatars.
Met die woorden bedank ik haar voor haar tijd en log uit van Second Life. Mij wordt duidelijk dat de grens tussen het virtuele en het fysieke steeds poreuzer wordt.
Mensen met een smartphone gaan aan de lopende band die grens over, en in zekere zin geldt datzelfde voor Avedon. Zij toont haar werk in galeries, houdt lezingen voor studenten en heeft een netwerk van menselijke vrienden en collega’s. Ze is aanwezig in de fysieke wereld. Met het voortschrijden van augmented reality zou ze op een goed moment ook een fysieke gedaante kunnen aannemen. Maar ik hoop van niet. Ik zie haar liever als een Galatea van het digitale tijdperk: onstoffelijke internetkunst met een eigen mening.
Mijn telefoon trilt. Een berichtje van Avedon: ‘Was leuk je te spreken! xoxo’
Auteur: Charlie McCann
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180
Instituut van de Britse journalistiek. Opgericht in 1843 door een Schotse hoedenfabrikant tegen ‘de onnozelheid’ die de vooruitgang in de weg stond. Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief. Voor 85 procent buiten het koninkrijk verkocht en voor de helft eigendom van de Financial Times.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.