In november werden meer dan driehonderd leerlingen ontvoerd
De laatste groep van 130 leerlingen die op 21 november waren ontvoerd op de St. Mary’s Catholic School in de staat Niger, is zondag vrijgelaten. Hiermee is een einde gekomen aan een van de grootste massale ontvoeringen van schoolkinderen in Nigeria van de afgelopen tijd, meldt Punch. Meer dan driehonderd leerlingen en twaalf leraren waren ontvoerd door leden van een gewapende groep.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ongeveer vijftig van hen wisten een paar dagen later te ontsnappen, terwijl de Nigeriaanse veiligheidsdiensten op 8 december nog eens honderd leerlingen vrijlieten. Na de vrijlating van de laatste 130 op zondag is er niemand meer in gevangenschap, bevestigden de autoriteiten. De identiteit van de ontvoerders is onbekend en er zijn geen details vrijgegeven over de vrijlating van de kinderen.
De VN zegt ernstig bezorgd te zijn over hun welzijn
Volgens de Verenigde Naties heeft de M23, een gewapende groep die in 2021 de wapens opnam tegen de regering in Kinshasa, honderdzestien patiënten ontvoerd uit het ziekenhuis CBCA en vijftien anderen uit het ziekenhuis Heal Africa. Beide ziekenhuizen staan in de oostelijke stad Goma. De VN zei zich ‘ernstig zorgen’ te maken over het welzijn en de veiligheid van degenen die zijn ontvoerd. Dat staat in een verklaring die maandag in Genève werd uitgegeven.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Er worden steeds meer gevallen van arrestaties en ontvoeringen door de rebellen (…) gemeld in Goma,’ merkt Radio Okapi op. Volgens het Congolese medium heeft M23 het ook gemunt op jongeren en volwassen mannen. ‘Er circuleren talloze opsporingsberichten over vermiste personen, van wie sommigen door de bezettingstroepen zijn gearresteerd en anderen door onbekenden zijn ontvoerd,’ meldt het onafhankelijke radiostation.
Saratu Dauda werd tien jaar geleden ontvoerd samen met 275 andere meisjes. Hun gevangenneming was het startsein voor een wereldwijde campagne om ‘onze meisjes terug te brengen’. Maar velen worden nog steeds vermist en het aantal ontvoeringen in Nigeria is sterk toegenomen.
Saratu Dauda was ontvoerd. Het was 2014, ze was zestien, en ze zat samen met haar klasgenoten in een stampvolle vrachtwagen die op weg was naar de rimboe in het noordoosten van Nigeria, met een lid van de terroristische groep Boko Haram achter het stuur. De kostschool voor meisjes in Chibok, kilometers achter hen, was in brand gestoken.
Na een tijdje kreeg ze door dat enkele meisjes van de achterkant van de truck sprongen, vertelt ze. Sommigen alleen, anderen met z’n tweeën, hand in hand. Ze renden weg en verstopten zich in het struikgewas terwijl de truck verder reed.
Maar voordat Dauda zelf ook kon springen, sloeg een meisje alarm en riep dat anderen ‘zich lieten vallen en wegrenden’. Hun ontvoerders stopten, sloten de truck af en vervolgden hun weg naar wat, voor Dauda, een levensveranderende gevangenschap van negen jaar zou worden.
‘Als ze dat niet had geroepen, waren we allemaal ontsnapt,’ aldus Dauda in een reeks interviews deze week in de stad Maiduguri, de bakermat van de gewelddadige opstand van Boko Haram.
De 276 gevangenen die precies tien jaar geleden uit hun slaapzaal werden ontvoerd en bekendstaan als de Chibok Girls, werden beroemd dankzij Michelle Obama, dankzij kerken die aandacht besteedden aan de zaak van de overwegend christelijke leerlingen en door campagnevoerders en hun slogan ‘Bring Back Our Girls’.
‘Deze meisjes hadden de pech die dag naar school te gaan,’ zegt Allen Manasseh, een jeugdleider uit Chibok die zich al jaren inzet voor hun vrijlating.
Hun levens hebben sinds de ontvoering totaal verschillende wendingen genomen. Sommigen ontsnapten vrijwel onmiddellijk; honderddrie van hen werden een paar jaar later na onderhandelingen vrijgelaten. Een tiental woont nu in het buitenland, onder andere in de Verenigde Staten. Maar liefst tweeëntachtig meisjes worden nog steeds vermist. Misschien zijn ze gedood of worden ze nog altijd vastgehouden.
Vergeten
De schoolontvoering in Chibok was de eerste massale in Nigeria – maar zeker niet de laatste. Vandaag de dag is ontvoering – ook van grote groepen kinderen – een business geworden in het West-Afrikaanse land, met losgeld als belangrijkste drijfveer.
‘De tragedie van Chibok speelt zich elke week opnieuw af,’ zegt Pat Griffiths, een woordvoerder van het Internationale Comité van het Rode Kruis in Maiduguri.
De Chibok-meisjes zijn slechts de beroemdste slachtoffers van een vijftienjarig conflict met islamistische militanten dat, ondanks de honderdduizenden doden en miljoenen ontheemden, grotendeels is vergeten te midden van andere oorlogen.
Meer dan 23.000 mensen in het noordoosten van Nigeria staan als vermist geregistreerd bij het Rode Kruis – wereldwijd het op een na grootste aantal, na Irak. Maar die inschatting ligt veel te laag, aldus Griffiths.
Voordat ze werd ontvoerd, vertelt Dauda, was ze een gelukkige tiener in een groot, hecht, christelijk gezin. Ze speelde graag met poppen en droomde ervan modeontwerpster te worden. Ze was het lievelingetje van haar vader en ook dol op haar moeder.
Nadat ze gevangen waren genomen, sliepen de meisjes maandenlang buiten in het Sambisa-woud, de schuilplaats van Boko Haram. Ze werden gedwongen naar een constante monoloog te luisteren van islamitische predikers en ze vochten om de beperkte watervoorraden. Toen twee meisjes probeerden te ontsnappen, vertelt ze, kregen ze zweepslagen in het bijzijn van de anderen.
Daarna kregen ze een keuze: ofwel trouwen, ofwel slaaf worden en worden opgeroepen voor huishoudelijk werk of seks.
Dauda koos voor het huwelijk, bekeerde zich tot de islam en veranderde haar voornaam in Aisha. Ze kreeg een man toegewezen van achter in de twintig die voor zijn werk video-opnames maakte van de gevechten van Boko Haram. Enkele uren nadat ze elkaar hadden ontmoet, waren ze getrouwd.
‘Speel je met afgoden? Wil je me problemen bezorgen?’
Hij behandelde haar niet slecht, zegt ze, maar na een paar maanden kwam hij op een dag thuis en betrapte haar terwijl ze met een pop speelde die ze van klei had gemaakt en waar ze een jurk voor had gemaakt.
‘Speel je met afgoden? Wil je me problemen bezorgen?’ herinnert ze zich dat hij zei. Ze werd boos en verliet hun huis, waarna ze bij een ander meisje uit Chibok ging wonen. Toen hij zich realiseerde dat ze niet terug zou komen, scheidde hij van haar.
Ze trouwde al snel met een andere Boko Haram-strijder, Mohamed Musa, een lasser die wapens maakte. Ze kregen drie kinderen. Hoewel ze nog steeds een gijzelaar was van de moorddadige leider van Boko Haram, Abubakar Shekau, en zijn handlangers, kreeg ze alles wat ze nodig hadden, werd ze omringd door mensen ‘die om elkaar gaven als een familie’, en, zegt ze zelf, was ze gelukkig.
De Chibok Girls werden veel beter behandeld dan andere slachtoffers van ontvoeringen, zeiden ook andere ontsnapten.
Haar man zei vorige week in een interview dat Dauda weigerde zich aan te sluiten bij de groep Chibok-meisjes die in 2017 na regeringsonderhandelingen werden bevrijd. ‘Er waren veel van hen die weigerden om naar huis te worden gebracht, simpelweg omdat ze bang waren dat hun familie hen zou dwingen te breken met de islam,’ aldus Musa, of dat ‘ze misschien gestigmatiseerd zouden worden’.
Kort gebed
Maar in de loop der jaren ging Dauda bijhouden welke vrienden uit Chibok waren omgekomen. Zestien tijdens luchtaanvallen en bomaanslagen. Twee tijdens een bevalling. Een als zelfmoordterrorist, gedwongen door Boko Haram. Een door ziekte en een door een slangenbeet. Het viel haar op dat vooral vrouwen en kinderen stierven tijdens de luchtaanvallen en ze vroeg zich af wanneer zij aan de beurt zou zijn.
En het leven werd moeilijker. Toen de leider van Boko Haram stierf en zijn machtige aftakking, Islamitische Staat West-Afrikaanse Provincie (ISWAP), de macht overnam in het Sambisa-woud, bevonden Dauda en haar man zich aan de verkeerde kant. Ze waren bang dat ze tot slaven zouden worden gemaakt. ’s Avonds laat spraken ze fluisterend over ontsnappen. Maar Dauda wilde sneller tot actie overgaan dan haar man. Hij stond niet toe dat ze de kinderen zou meenemen en zei dat hij haar later samen met hen achterna zou komen.
Op een nacht, om drie uur, maakte ze een klein pakketje eten, keek naar de gezichten van haar slapende dochters en zei een kort gebed voor hun bescherming. Stiekem verliet ze hun huis. Ze wachtte onder een boom en keek of niemand haar gezien had. Daarna liep ze dagenlang door de rimboe, van dorp naar dorp, vertelde de mensen dat ze op weg was om vrienden te bezoeken en vertrok altijd tijdens het ochtendgebed, het moment waarop de mannen in de moskee waren en haar niet zagen weggaan.
Onderweg ontmoette ze andere vluchtende vrouwen en afgelopen mei gaven ze zich samen over aan de militairen. Ze had op de radio gehoord dat de Chibok-meisjes een cause célèbre waren geworden, en ondervond dat nu in levenden lijve.
‘Is dit een Chibok-meisje?’ herinnert ze zich de verwondering van een soldaat toen hij haar identiteit te weten kwam. ‘We danken God.’
Het was zes jaar sinds de laatste onderhandelde vrijlating en veel families hadden de hoop opgegeven. Manasseh vertelt dat hij wanhopig werd toen drie regeringen er niet in slaagden om alle meisjes naar huis te brengen en de gesprekken met de families in de meeste gevallen stopzetten.
‘Praat me er niet van,’ zei hij. ‘Het is een gigantische misser van de overheid.’
‘Ik ben niet gehersenspoeld. Ik werd overtuigd door wat ik te horen kreeg’
Sinds Chibok zijn Nigeriaanse scholen een jachtterrein geworden voor ontvoerders van allerlei pluimage. In slechts een van de vele gevallen werden vorige maand tientallen – of mogelijk honderden – kinderen ontvoerd in de staat Kaduna, honderden kilometers verwijderd van het grondgebied dat wordt gecontroleerd door Boko Haram en zijn uitloper Islamitische Staat. Een paar dagen eerder werden honderden vrouwen en kinderen ontvoerd in het noordoosten, terwijl ze brandhout zochten.
Na haar overgave werd Dauda naar Maiduguri gebracht en ingeschreven in het rehabilitatieprogramma van de overheid voor begeleiding en deradicalisering. Een paar maanden later kreeg ze te horen dat haar man ontsnapt was met hun drie dochters en werden ze herenigd.
Ze vertelt dat ze ervan droomde om haar ouders weer te zien, ze vast te houden en hun warmte te voelen. Op een dag mocht ze met haar kinderen de overheidsinstelling verlaten om hen te bezoeken in hun dorp, Mbalala.
Ze omhelsde haar vader en moeder.
‘Zij huilde en ik huilde,’ vertelt Dauda.
Haar vader bood haar en haar man een verblijfplaats aan als ze christen zouden worden, zegt ze. Maar ze weigerde en zei dat ze uit vrije wil moslim was geworden en dat wilde blijven, ook al dachten veel mensen dat zij en andere ontsnapten het slachtoffer waren van de indoctrinatie van Boko Haram.
‘Ik ben niet gehersenspoeld,’ vertelt ze. ‘Ik werd overtuigd door wat ik te horen kreeg.’
Twee van haar dochters zijn vernoemd naar haar vrienden uit Chibok. Zannira, zeven, is vernoemd naar een meisje dat ontsnapte. De vijfjarige Sa’adatu naar iemand die nog steeds gevangenzit.
Onlangs, vertelt ze, kregen haar dochters van haar man een pop cadeau.
Het aantal ontvoeringen neemt de afgelopen dagen flink toe
Een gewapende bende heeft ten minste 87 mensen ontvoerd uit een dorp in de Nigeriaanse deelstaat Kaduna, zo schrijft France 24.Onder hen zouden veel vrouwen en kinderen zijn geweest. In de afgelopen week werden ongeveer 75 mensen ontvoerd uit andere nabijgelegen dorpen. Begin maart werden 287 studenten en leraren ontvoerd uit een dorp in het naburige district Chikun, ook in de staat Kaduna.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Inwoners meldden maandag dat ze mannen in legeruniformen in het dorp zagen aankomen. Vaak dwingen dergelijke gijzelnemers hun slachtoffers om de jungle in te trekken, waar ze maandenlang worden vastgehouden in afwachting van losgeld. De ontvoering van mensen in het noorden van Nigeria werd tien jaar geleden wereldnieuws toen de islamistische groep Boko Haram 276 schoolmeisjes gevangen nam in de staat Borno.
Terwijl groepen als Boko Haram ideologische motieven hadden voor hun acties, willen andere criminele bendes door middel van ontvoeringen aan losgeld komen. Getroffen families worden vaak gedwongen om land en andere waardevolle bezittingen te verkopen om hun geliefden terug te krijgen. De ontvoerders van de 287 studenten hebben 1 miljard naira (meer dan 570.000 euro) geëist voor hun vrijlating, wat neerkomt op meer dan 2000 dollar per gijzelaar, of meer dan het jaarinkomen per hoofd van de bevolking in Nigeria.
Gewapende mannen, die afgelopen donderdag ten minste 287 schoolkinderen in Nigeria ontvoerden, hebben een losprijs van 1 miljard naira (621.848 dollar) geëist en gedreigd alle leerlingen te vermoorden als niet aan hun eisen wordt voldaan. Dat schrijft persbureau Reuters.De daders zouden binnen drie weken het geëiste bedrag willen ontvangen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De kinderen werden op 7 maart ontvoerd. Volgens de daders was deze ontvoering ‘een manier om wraak te nemen op de regering en de veiligheidsdiensten voor het doden van bendeleden’. Ook zouden leraren zijn meegenomen door de nog onbekende daders.
Meer dan driehonderd studenten werden donderdagochtend vroeg ontvoerd door gewapende mannen op motoren die de LEA Primary and Secondary School in het dorp Kuriga bestormden. Een deel wist te ontsnappen en enkelen werden bevrijd. Het is niet voor het eerst dat Nigeria te kampen heeft met ontvoeringen van schoolkinderen.
Ken Elliot runde een medische kliniek in Burkina Faso
Ken Elliot (88), die meer dan zeven jaar gevangen werd gehouden in West-Afrika, is in veiligheid gebracht. Dat maakte de Australische minister van Buitenlandse Zaken Penny Wong vrijdag bekend, meldt The Sydney Morning Herald. De arts uit Perth is herenigd met zijn vrouw Jocelyn en hun kinderen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘We willen God bedanken en iedereen die voor ons is blijven bidden’, zei de familie Elliott in een verklaring van het ministerie. Het echtpaar werd in januari 2016 door terroristen ontvoerd in de buurt van de grens tussen Mali en Niger, waar ze een medische kliniek runden. Jocelyn Elliott ‘werd na drie weken vrijgelaten’, schrijft de Australische krant.
De man wilde in 2020 de gouverneur van de staat ontvoeren
Een extreemrechtse militieleider uit Michigan is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaar omdat hij van plan was in 2020 de gouverneur van de Amerikaanse staat te ontvoeren. Dat schrijft de Detroit Free Press. Het openbaar ministerie had aanvankelijk levenslang geëist, omdat de man met de ontvoering een burgeropstand had willen ontketenen.
De Amerikaanse regering noemde de rechtszaak een van de grootste zaken van binnenlands terrorisme in de recente Amerikaanse geschiedenis. Een andere leider van de extremistische beweging hoort later deze week zijn gevangenisstraf. Andere leden van de militie kregen aanzienlijk lagere straffen omdat zij meewerkten aan het proces en getuigden tegen de leiders.
De groep, bestaande uit dertien leden, werd in 2020 aangehouden door de FBI na maandenlange infiltraties. Naar eigen zeggen waren de leden het niet eens met de strenge coronamaatregelen van de gouverneur van Michigan, maar volgens de autoriteiten wilden zij al langere tijd een staatsgreep plegen en hadden zij daar ruim genoeg vuurwapens en explosieven voor verzameld.
Het openbaar ministerie van Peru gaat een onderzoek instellen nadat een boerenmilitie zeven vrouwen heeft ontvoerd in een afgelegen gebied in de Andes, aldus Radio Programas del Perú. De slachtoffers, beschuldigd van hekserij, werden ‘gemarteld’, aldus het lokale kantoor van de ombudsman, een waakhond voor de mensenrechten.
De vrouwen werden tien dagen vastgehouden in de gemeente Chillia, 700 kilometer ten noorden van Lima, en werden dinsdagochtend vrijgelaten nadat de autoriteiten, gealarmeerd door sociale netwerken, hadden ingegrepen.
Er zijn sterke aanwijzingen dat China zijn sterke positie binnen de internationale politieorganisatie gebruikt om politieke tegenstanders te criminaliseren.
In november 2016 kwam voor het eerst een Chinees, Meng Hongwei, aan het hoofd te staan van Interpol. Dat was niet zo vreemd: China is een gerespecteerd lid van de organisatie en Meng, die eerder onderminister van Openbare Veiligheid was geweest in Beijing, werd volgens de regels gekozen. Maar Mengs benoeming wekte ook argwaan, vanwege China’s reputatie als land waar de politiek zich nadrukkelijk bemoeit met het werk van de politie – een patroon waarvan wordt gevreesd dat het zich ook zal voordoen bij het werk van Interpol.
Die sluimerende argwaan rispte recent weer op. Toen een Chinese miljardair die zich buiten China had gevestigd corruptiepraktijken in zijn vaderland dreigde te onthullen, vroeg Beijing meteen bij Interpol om een internationaal aanhoudingsbevel, en dat verzoek werd ook ingewilligd. Dat betekent dat door de intergouvernementele organisatie – een samenwerkingsverband van politiediensten uit 190 landen – officieel zijn arrestatie en uitlevering wordt gelast. De timing ervan wekt het vermoeden dat China dat puur uit politieke motieven heeft gedaan en dat Interpol de toch al steeds langere arm van de Chinese staat nog langer dreigt te maken.
Intimidatie
Guo Wengui is een charismatische vastgoedmagnaat die twee jaar geleden China verliet om zich in de VS te vestigen. In maart gaf hij twee interviews aan een vanuit Amerika opererend mediabedrijf dat in het Chinees publiceert, waarin hij stelt dat een van China’s machtigste families zich heeft verrijkt door politieke connecties om te kopen, om zo invloed te krijgen in grote bedrijven.
Guo vertelde dat hij er via zakelijke transacties achter was gekomen dat de familie van He Guoqiang, een voormalig lid van het politbureau, in het geheim een groot belang had in een van China’s grootste makelaarskantoren; hij dreigde nadere details te onthullen over de rijkdom van de familie He. Zijn beschuldigingen waren waarschijnlijk onopgemerkt gebleven als The New York Times op 15 april niet een eigen onderzoek had gepubliceerd waarin ze de belangen van het familiebedrijf van He waren nagegaan en enkele van Guo’s beweringen hadden gestaafd.
Drie dagen later vaardigde Interpol een internationaal arrestatiebevel uit tegen Guo, omdat hij smeergeld zou hebben betaald aan een voormalige Chinese topambtenaar die wordt verdacht van corruptie. Volgens anonieme bronnen die de South China Morning Post heeft gesproken, zou Beijing om dat arrestatiebevel hebben gevraagd. Een woordvoerder van het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het nieuws wel bevestigd, maar maakte geen melding van betrokkenheid van het ministerie. Hij zei alleen: ‘We hebben vernomen dat Interpol een internationaal arrestatiebevel heeft uitgevaardigd met betrekking tot Guo Wengui.’
Omdat Guo tegenwoordig vanuit de VS opereert, kan de Communistische Partij van China hem niets maken, maar hij kan wel worden geïntimideerd via het eenvoudig te misbruiken systeem van Interpol. Internationale aanhoudingsbevelen zijn in wezen een manier om informatie over gezochte criminelen uit te wisselen tussen politiediensten in de aangesloten landen. Die aanhoudingsbevelen zijn juridisch niet bindend, en daar wordt in elk land op verschillende wijze – of helemaal niet – uitvoering aan gegeven.
Maar sommige landen – Rusland, landen in Centraal-Azië, Turkije, Venezuela en China – vaardigen politiek gemotiveerde aanhoudingsbevelen uit tegen dissidenten, activisten en journalisten. Zo’n bevel kan, ook als dat niet tot een arrestatie leidt, iemands reputatie beschadigen, normale financiële praktijken opeens als crimineel bestempelen en het iemand lastig maken om een gewoon leven te leiden. Voorheen weigerde Interpol om dergelijke aanhoudingsbevelen uit te vaardigen vanwege de politieke beladenheid, zoals bij de poging van de Russische overheid om de in Amerika geboren klokkenluider Bill Browder te intimideren.
Het is geen verrassing dat China elk middel aangrijpt om Guo te pakken te nemen. Corruptie in de hoogste gelederen van de overheid is een gevoelig onderwerp in China. President Xi Jinping leidt een radicale anticorruptiecampagne en een politieke zuiveringsactie, waarvan enkele zeer machtige politieke kopstukken het slachtoffer zijn geworden. Xi’s eigen machtsbasis is versterkt door de anticorruptiecampagne die zijn tegenstanders op een zijspoor heeft gezet en hem zo de invloedrijkste Chinese leider van de afgelopen tientallen jaren heeft gemaakt.
He Guoqiang is nog niet officieel in staat van beschuldiging gesteld; hij was de belangrijkste anticorruptieambtenaar onder de voormalige Chinese president Hu Jintao. Alleen de Communistische Partij heeft het recht om te bepalen wie van haar leden zuiver is en wie niet. Beschuldigingen van corruptie afkomstig van buiten de partij worden zelden geduld. Chinese deskundigen en mensenrechtenorganisaties vermoeden dan ook dat de ware reden voor het aanhoudingsbevel van Interpol was om onwelgevallige critici de mond te snoeren. ‘Het Negentiende Partijcongres is al over een halfjaar,’ merkte Bill Bishop op in zijn Sinocism China Newsletter. Hij volgt al jaren de politiek van de Chinese elite. ‘Xi wil de controle over het proces niet verliezen. Iedere geloofwaardige onthulling over een machtsstrijd of over corruptie door de familie van Wang Qishan’ – een andere hoge ambtenaar die Guo in zijn interview noemde – ‘zou genoeg ophef kunnen veroorzaken om Xi’s favoriete benoemingen van personen op het Partijcongres te dwarsbomen.’
De afgelopen jaren heeft China gebruikgemaakt van internationale aanhoudingsbevelen omdat het land zijn anticorruptiecampagne heeft uitgebreid tot over de eigen grenzen. In 2015 zag China honderd verzoeken om een internationaal aanhoudingsbevel voor economische vluchtelingen gehonoreerd. In de Chinese media wordt herhaaldelijk gewezen op het vermogen van de Chinese overheid om overal ter wereld haar macht te doen gelden; die media laten dan beelden zien van voortvluchtige landgenoten, zoals voormalig ambtenaar Yang Xiuzhu, die onder begeleiding van de politie op de luchthaven van Beijing het land binnenkomt.
‘Interpols systeem van internationale aanhoudingsbevelen kan door regimes worden misbruikt omdat die daarmee dissidenten, journalisten, mensenrechtenactivisten en anderen die voor vervolging zijn gevlucht, criminaliseren,’ aldus Rebecca Shaeffer, juridisch en politiek adviseur bij Fair Trials, een in Brussel en Londen gevestigd advocatenkantoor.
Internationale aanhoudingsbevelen zijn maar één instrument dat de Chinese staat tot zijn beschikking heeft om zijn invloed op afvallige burgers in het buitenland verder uit te breiden. Andere instrumenten zijn bedreigingen, dwang en ontvoeringen
Interpol heeft verscheidene zwakke plekken in de organisatie waardoor de dienst kwetsbaar is voor misbruik. Net zoals de politiediensten waaruit Interpol is opgebouwd, is de ondoorzichtige organisatie weinig geneigd om informatie openbaar te maken. De meeste internationale aanhoudingsbevelen worden niet bekendgemaakt, en er is geen openbare database waarin je de meer dan honderdduizend uitstaande aanhoudingsbevelen kunt onderzoeken. De bewijzen die dergelijke bevelen moeten onderbouwen worden vaak ook geheim gehouden, waardoor het moeilijk te achterhalen is of zo’n aanhoudingsbevel nu terecht is of niet. Vóór de recente aanscherping van de procedures binnen de organisatie was het vaak lastig en tijdrovend om politiek gemotiveerde aanhoudingsbevelen van de rol te halen. ‘De timing roept wel sterkte twijfels op over de integriteit van de interne onderzoeksprocedures bij het uitvaardigen van een internationaal aanhoudingsbevel,’ zegt Nicolas Bequelin, directeur bij Amnesty International voor de regio Oost-Azië.
De overgrote meerderheid van die aanhoudingsbevelen is niet politiek gemotiveerd. Maar de aanhoudingsbevelen die dat wel zijn, laten zich er moeilijk tussenuit halen. ‘Meestal is het zo dat als iemand wordt gezocht voor een legitiem aanhoudingsbevel, hij of zij zich schuilhoudt. Ze weten dan dat het een gegrond arrestatiebevel is,’ zegt Michelle Estlund, een gespecialiseerde advocate in Florida. ‘De mensen die onze hulp inroepen om met Interpol te onderhandelen weten dat de aanhoudingsbevelen die tegen hen zijn uitgevaardigd niet deugdelijk zijn.’
Estlund legt uit dat het bij een verzoek om zo’n internationaal aanhoudingsbevel niet de taak van Interpol is om vast te stellen of iemand schuldig of onschuldig is. De dienst stelt alleen vast of het verzoekende land de juiste juridische procedure heeft gevolgd bij de aanvraag. ‘En daarin schuilt juist het probleem voor Interpol: dat kunnen ze niet weten,’ zegt Estlund. ‘Er is een aantal criteria waaraan Interpol zo’n aanvraag moet toetsen, en er is een beoordelingsprocedure, maar het is voor Interpol ondoenlijk om iedere aanvraag op die manier te beoordelen.’
Met andere woorden, het systeem is vooral gebaseerd op vertrouwen – een vertrouwen dat door politiek gemotiveerde aanhoudingsbevelen wordt geschonden. ‘China en Rusland zijn niet de enige die het systeem hebben misbruikt, maar zij hebben ook het vertrouwen misbruikt waarop het systeem berust,’ zegt Bequelin. ‘Interpol speelt een rol in de bestrijding van de internationale misdaad. Als de organisatie wordt gezien als een politiek instrument, zal dat wereldwijd het politiewerk schaden.’
Internationale aanhoudingsbevelen zijn maar één instrument dat de Chinese staat tot zijn beschikking heeft om zijn invloed op afvallige burgers in het buitenland verder uit te breiden – en ze zijn hoogst effectief, resulteren vaak in bevroren banktegoeden en reisbeperkingen. Andere instrumenten zijn bedreigingen, dwang en ontvoeringen.
In 2015 raakten vier boekhandelaren in Hongkong en een in Taiwan vermist. Al deze in China geboren mannen hadden boeken gepubliceerd die voor Beijing onwelgevallige informatie bevatten. Achteraf bleken de vier gevangen te zitten in China. Na zijn vrijlating beschreef een van hen hoe hij was ontvoerd en heimelijk over de grens naar China was gebracht. De ontvoeringen hebben de sfeer verkild in Hongkong, waar men zich buiten bereik van de Chinese politieke onderdrukking waande.
Buitengewoon ernstig
De verkiezing van Meng heeft internationale mensenrechtenadvocaten, onder wie Bequelin, dan ook verontrust. ‘Dit is buitengewoon ernstig, aangezien China al jarenlang probeert om Interpol te gebruiken voor de arrestatie van dissidenten en vluchtelingen in het buitenland,’ vertelde Bequelin destijds. ‘Anders dan de meeste politiediensten in de wereld heeft de Chinese politie boven op het klassieke law-and-ordermandaat ook het politieke mandaat om de macht van de Communistische Partij te beschermen.’
De grootste zorg is dat onwettelijke methodes en politieke motieven internationale regels en instituties binnensluipen, en dat met een Chinese openbareveiligheidsambtenaar op een invloedrijke positie Interpol langzaam wegdrijft van het hoofddoel, namelijk legitiem onderzoekswerk. Volgens Estlung is Mengs verkiezing voornamelijk zorgwekkend vanwege het falende rechtssysteem en de onvoldoende bescherming van de mensenrechten in China. ‘Altijd als de leider van een internationale politiedienst als Interpol uit een land komt waar ernstige problemen met de mensenrechten zijn, baart dat natuurlijk veel zorgen,’ zegt ze. ‘Ik zou dergelijke zorgen hebben bij iedere directeur die afkomstig is uit een van de landen waar systematisch de mensenrechten worden geschonden.’
Chinese staatsmedia hebben gesuggereerd dat Mengs verkiezing een zegen zal zijn voor de internationale uitbreiding van China’s eigen anticorruptiecampagne. In een in november 2016 gepubliceerd artikel in de aan de partij gelieerde Beijing Youth Daily werd Interpol geprezen als het succesvolste platform voor de strijd tegen de internationale misdaad en de opsporing van gestolen goederen. Ook werd benadrukt hoe goed dat paste binnen China’s eigen inzet om de corruptie te bestrijden en goederen en gelden die door corruptie verloren waren gegaan weer terug te krijgen. ‘Tegen deze achtergrond is een Chinees verkozen als hoofd van Interpol’, ging het artikel verder, ‘wat onmiskenbaar aangeeft dat Interpol en de internationale gemeenschap het Chinese rechtssysteem positief beoordelen.’
Een ander teken van de Chinese invloed op de internationale misdaadbestrijdingsorganisatie is dat Taiwan nog steeds uitgesloten wordt. China heeft gestaag getracht de deelname van dat eiland aan internationale organisaties te dwarsbomen, omdat een eventueel lidmaatschap gezien kon worden als blijk van zijn bestaansrecht als natie. Interpol wees Taiwans verzoek af om deel te mogen nemen aan de algemene vergadering van november 2016, waarin Meng werd gekozen.
Rebecca Shaeffer is minder bezorgd over een directe invloed van China op Interpol. Volgens haar is de directeurspositie van Interpol vooral een ceremoniële. ‘Een directeur van Interpol heeft niet de bevoegdheid om aanhoudingsbevelen uit te vaardigen. Die rol is weggelegd voor het secretariaat van Interpol, dat gehouden is aan de regels en statuten van de organisatie, die eind vorig jaar zijn aangescherpt om misbruik te voorkomen.’
Volgens Shaeffer is het probleem dat ieder land een politiek gemotiveerd internationaal aanhoudingsbevel kan laten uitvaardigen als het dat wil. ‘De aangescherpte regels moeten nu worden geïmplementeerd en gehandhaafd, om landen zoals China ervan te weerhouden deze mondiale misdaadbestrijdingsorganisatie te misbruiken.’
Die regels hebben Guo nog niet kunnen beschermen. Maar het aanhoudingsbevel heeft hem niet tot zwijgen gebracht. Op 19 april gaf hij een interview aan Voice of America, waarin hij weer verscheidene hoge Chinese ambtenaren en hun familieleden beschuldigde van corruptie en wangedrag. Of hij dergelijke beschuldigingen kan blijven uiten, en welke andere middelen Beijing tegen hem zal inzetten, is een andere vraag.
Foreign Policy
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 106.000
Wetenschappelijk tijdschrift, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.
De Nigeriaanse Aisha Bakari Gombi jaagde vroeger met haar vader op antilopen en bavianen. Tegenwoordig jaagt ze op Boko Haram.
Terwijl zeven ontvoerde vrouwen en vier kinderen werden meegevoerd in het Sambisawoud, kreeg Aisha Bakari Gombi een telefoontje. De stem die ze hoorde was vertrouwd: een legercommandant die haar vroeg een groep jagers te verzamelen om de ontvoerden op te sporen. De elf waren eerder die dag verdwenen nadat een groep militanten van Boko Haram hun dorp, Daggu, had aangevallen. Ze schoten drie inwoners dood en staken auto’s, huizen en winkels in brand.
Daggu ligt op een halfuur rijden van Chibok, waar in april 2014 tweehonderd schoolmeisjes werden ontvoerd. Beide dorpen liggen in de staat Borno in het noordoosten van Nigeria, waar dit soort aanvallen door de dodelijkste terreurgroep ter wereld vaker voorkomen.
‘Boko Haram kent me en is bang voor me’
Bakari Gombi groeide op in de buurt van het Sambisawoud, waar de extremisten, ondanks het militaire offensief van vorig jaar, waarbij veel van hun kampen werden vernietigd, nog steeds actief zijn. Vroeger jaagde ze met haar grootvader op antilopen, bavianen en parelhoenders. Nu jaagt ze op Boko Haram.
In het gebied bevinden zich duizenden jagers die tijdelijk door het leger zijn ingezet. Bakari Gombi is een van de weinige vrouwen, en zowel voor de jagers als voor de bevolking is ze een heldin geworden. Haar moed heeft haar de titel ‘koningin van de jagers’ opgeleverd.
De eerste reddingsactie in Daggu mislukte ‘omdat Boko Haram zwaar bewapend was. Maar we zagen de plek waar de meisjes vastgehouden werden,’ legt Bakari Gombi uit. ‘We zouden ze kunnen bevrijden als het leger ons betere wapens zou geven,’ voegde ze er nog aan toe, met een blik op het dubbelloopsgeweer op haar schoot.
Evenals veel mensen op het platteland in het noordoosten is Bakari Gombi moslim, maar ze gelooft ook in traditionele geesten. In een van haar rituelen besprenkelt ze de andere jagers met een ‘geheime’ vloeistof om ze te beschermen tegen kogels.
De 38-jarige vrouw staat aan het hoofd van een commando mannen van vijftien tot dertig jaar, die communiceren via gebarentaal, dierengeluiden en zelfs door middel van vogelzang. ‘Boko Haram kent me en is bang voor me,’ zegt Bakari Gombi. Haar groep jagers heeft honderden mannen, vrouwen en kinderen gered.
Het Nigeriaanse leger begon in 2011 vrouwen te rekruteren, en hoewel de aantallen nationaal gezien laag blijven, hebben sommige vrouwen in dit gebied persoonlijke redenen om de terreurgroep te bestrijden. Zoals Hamsat Hassan, wier zus twee jaar geleden door Boko Haram werd gekidnapt. De zus is sindsdien niet meer teruggezien.
‘Ik kon nog niet met een geweer omgaan toen ik vroeg of ik me mocht aansluiten bij de Vereniging van Jagers. Ik wist alleen dat ik wraak wilde nemen op de mensen die mijn zus hadden ontvoerd,’ vertelt ze. Hassans grootouders zorgen voor haar zeven kinderen, zodat zij op jacht kan gaan als er een beroep op haar wordt gedaan.
Geldgebrek
Hoewel de meeste mensen in de groep vrijwilligers zijn, behoren Bakari Gombi en Hassan tot de 228 mannelijke en vrouwelijke jagers die vorig jaar op een meer officiële basis werden gerekruteerd door een lokale regeringsvertegenwoordiger. Maar in oktober stopten de toelagen van 10.000 naira (30 euro) die de jagers ontvingen. Twee maanden later had het grootste deel van het team zich teruggetrokken, al bleven sommigen, onder wie Bakari Gombi en Hassan, toegewijd aan de strijd.
Bukar Jimeta, de commandant van de Vereniging van Jagers in Gombi, zegt dat ze door het failliet van de missie en het gebrek aan geld niet meer in staat zijn om de toenemende dreiging af te wenden van Boko Haram, dat zich in de omliggende gebieden aan het hergroeperen is.
De jagers zijn niet de enigen die geldproblemen hebben. In december stuurde een groep Nigeriaanse soldaten een video naar YouTube waarin ze om een betere uitrusting, voedsel en water vroegen. Het leger heeft ook te maken met een corruptieschandaal op het hoogste niveau. Voormalig veiligheidsadviseur Sambo Dasuki moet voor de rechter verschijnen wegens het verduisteren van 2,1 miljard euro die bestemd was voor de strijd tegen Boko Haram.
De jagers vinden dat hun opsporingstechnieken van essentieel belang zijn voor de strijd van het leger tegen de terreurgroep, hoe weinig financiële middelen ze ook tot hun beschikking hebben. ‘Ik wacht op een oproep om terug te gaan en die vrouwen en kinderen uit Daggu te redden, maar ik weet niet of we meer wapens zullen krijgen,’ zegt Bakari Gombi.
Of ze die wapens nu krijgt of niet, ze zweert dat ze zal doorgaan met haar missie om Boko Haram te verdrijven uit het woud waarin zij is opgegroeid.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Onder de naam Guardian News and Media is het een van de meest succesvolle mediabedrijven van Groot-Brittannië, met als vlaggenschip guardian.co.uk, een van ’s werelds meest bezochte nieuwssites. Hoewel de krant dicht bij Labour zou staan, houdt zij de traditie van redactionele onafhankelijkheid in ere: het commentaar is vaak zeer kritisch over de regering.
Theo Padnos is een oude bekende van 360. Hij werd meer dan twee jaar gegijzeld door het aan Al-Qaida gelieerde Al-Nusrafront, en zijn indrukwekkende relaas was een van onze meest gewaardeerde verhalen van 2014. Daarin noemt hij zijlings de mislukte bekering van medegevangene Matthew Schrier en diens geslaagde ontsnapping. Maar niet hoe zij temidden van het geweld en de voortdurende angst om te worden vermoord, elkaar ook nog eens naar het leven stonden. Die Zeit krijgt de twee zo ver voor één keer over hun incompatibilité te praten. Op één voorwaarde: ze willen onder geen beding samen in een ruimte worden geïnterviewd.
Theo Padnos is Amerikaan, doctor in de literatuurwetenschap, journalist. Een slanke man van 46 jaar met halflang, grijzend haar. Op een warme zomerdag zit hij op een achterplaats in het 11e arrondissement van Parijs. Padnos draagt een korte broek en teenslippers, zijn racefiets heeft hij klaargezet om te gaan trainen. Wielrennen, zijn passie, heeft hem na een gijzeling van 22 maanden in Syrië weer fit gemaakt. Padnos praat zacht, kiest zijn woorden zorgvuldig, meestal in het Engels, maar soms schakelt hij moeiteloos over op het Frans, Duits of Arabisch.
Theo Padnos:
In oktober 2012 was ik in Syrië om research te doen voor mijn journalistieke werk. Een paar jonge Syriërs die ik in Turkije had ontmoet, zeiden dat ze me wel de grens over wilden brengen. We waren de grens nog maar net over, of ik kreeg een paar meppen en werd in de boeien geslagen. Niet veel later werd ik overgedragen aan de terroristen van het Al-Nusrafront, de Syrische tak van Al-Qaida. De Al-Nusrastrijders sloten me op in een kelder van zeven bij vier meter, met een houten deur en een klein raampje net onder het plafond. Voor het raampje lagen zandzakken, die nauwelijks licht doorlieten. De eerste weken sloegen ze me met dikke kabels. Ze riepen: ‘Wie heeft je naar Syrië gestuurd?’ Ik zei: ‘De CIA, de CIA,’ hoewel dat niet klopte. Maar dat was wat ze wilden horen.
Ook de 37-jarige Matthew Schrier is Amerikaan, opgegroeid in een arme buurt buiten New York. Hij droomt ervan geld te verdienen met fotograferen en vertrekt in december 2012 naar Syrië.
Op de schoorsteenmantel ligt een beige-blauwe wollen muts: een aandenken uit de hel. De muts bood warmte in de Syrische winter, maar werd later door de terroristen over zijn gezicht getrokken als blinddoek. Schrier, kaal en net zo’n pezig lichaam als Padnos, zit in het open raam te roken. Hij vertelt zijn verhaal met luide stem, anekdotisch, doorspekt met scheldwoorden. Zijn zinnen gaan vergezeld van rapgebaren.
Ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht
Matthew Schrier
Matthew Schrier:
Drie dagen en nachten was ik met het Vrije Syrische Leger aan het front in Aleppo. Gevechten van huis tot huis. Dichterbij kon niet. Ik stond stijf van de adrenaline.
Ik ben niet de beste fotograaf. Maar ik heb wel ballen. Om de voorpagina van The New York Times te halen, moest ik naar een plek waar verder niemand heen durfde. Dus ging ik naar dat vervloekte Aleppo. Na drie weken oorlog zat ik in een taxi terug naar Turkije. Alleen. Het was de laatste dag van 2012. Bij een controlepost in het noorden van Aleppo keerde de taxi om. Ik verstond niets, mijn chauffeur sprak geen Engels. Vijf minuten later drukte een jeep ons van de weg. Drie mannen, hun gezichten bedekt, stuk voor stuk bewapend, een van hen greep me bij mijn arm. Ik verzette me niet. Ze duwden me op de achterbank van de jeep en trokken mijn muts over mijn gezicht.
In een kelder trok een van de mannen de muts weer van mijn hoofd en glimlachte. Hij droeg een vest met kneedspringstof en draadjes eraan, alsof hij een zelfmoordaanslag wilde gaan plegen. Hij was ongeveer begin dertig en stelde zich voor als Mohammed. ‘Gaan jullie me vermoorden?’ vroeg ik. Hij zei: ‘Jee [geen ja en geen nee].’ Oké, een terrorist met humor, dacht ik. Dus riep ik: ‘Happy new year!’ Ik wilde laten zien dat ik niet bang was. Mohammed lachte. Ik ben een kind van de straat. Een paar van mijn vrienden zitten in de gevangenis. Eentje vanwege moord. Ik wist hoe ik met Mohammed moest praten. Geen paniek, dacht ik. Een paar klotedagen en dan weten ze dat je geen spion bent, maar fotograaf. Ik hoorde geschreeuw. Ik had geen idee dat Theo een paar deuren verderop zat.
Theo Padnos:
Toen ik voor de eerste keer in de autoband moest, was ik ervan overtuigd dat ze me zouden vermoorden. Geblinddoekt moest ik op mijn hurken gaan zitten. Ze schoven een autoband over mijn knieën en staken een stok onder mijn knieholten door. Vervolgens draaiden ze me om. Ik lag met mijn gezicht op het koude cement, mijn blote voetzolen wezen naar boven. Ze sloegen op mijn voeten. Ze goten water over me heen, ik dacht dat het bloed was. Toen zeiden ze: ‘Morgen wordt het nog erger.’
Matthew Schrier:
Mohammed – de terrorist met humor – mocht me. Hij gaf me goed eten, warme aardappels met ui, en ook een pisfles en een kaars. Maar ik werd ziek van verveling. Na drie weken nam Mohammed me mee de gang op en maakte een andere cel open. Binnen, in het donker, schrok iemand op. Mohammed zei: ‘Amriki. Amriki.’ Een Amerikaan. Ik kon het niet geloven. Daar zat een man met een warrige baard. Hij stonk en was angstig. Hij moest hier al een tijdje hebben gezeten. Toen wist ik dat ze me niet zouden laten gaan.
Mijn eerste gedachte was: Nu heb ik een vriend
Theo Padnos
Theo Padnos:
Mijn eerste gedachte was: nu heb ik een vriend. Drie maanden lang had ik met niemand gesproken, behalve met mijn beulen. Ik was gelukkig. De eerste nacht hebben we alleen maar gepraat. Gepraat, gepraat, gepraat.
Vanaf dat moment hebben Matthew Schrier en Theo Padnos niet meer alleen hun bewakers om zich op te richten. Ze hebben nu elkaar. Een vage hoop: misschien kunnen ze samen vluchten? Maar in elk geval naar elkaar luisteren, van elkaar leren, moed verzamelen, hoop geven. Wanneer Schrier en Padnos die eerste nacht elkaar hun verhaal vertellen, wordt duidelijk: eenvoudig zal het niet worden.
Matthew Schrier:
Ik probeerde een relatie met Theo op te bouwen, hem aan het lachen te krijgen. Maar dat lukte niet. Iedereen zegt altijd dat ik grappig ben. Ik kreeg zelfs Mohammed aan het lachen, de man die Theo martelde. Ik vertelde Theo bijvoorbeeld een verhaal over school, hoe mijn beste vriend en ik het schrift verstopten waarin de leraar onze cijfers bijhield. Hoe hij uit z’n dak ging en ons uitmaakte voor klootzakken. Toen ik op het punt kwam waar verder iedereen moet lachen om hoe de leraar van woede een biljartkeu op zijn fokking hoofd in tweeën breekt, zei Theo: ‘Ik heb te doen met die leraar.’ Waarop ik zei: ‘Nee gek, die leraar is de klootzak, begrijp je dat nou niet?’
Theo vertelde dat hij naar Syrië was gekomen om over Austin Tice te schrijven, een andere Amerikaanse journalist die was gekidnapt. In mijn beleving wilde Theo geld verdienen aan het lot van een collega; een collega die in dezelfde situatie zat als wij. Op dat moment begon ik vraagtekens te zetten bij zijn karakter.
Theo Padnos:
Ja, ik wilde ook een artikel over Tice schrijven. Zoiets heeft de belangstelling van de Amerikaanse kranten. Maar ik was het meest geïnteresseerd in de religieuze spanningen tussen soennieten en alawieten. Van Amerikaanse journalisten hoor je alleen als er iets de lucht in vliegt of als er een Amerikaan wordt ontvoerd. Ze hebben geen tijd om zich te verdiepen in de duizendjarige geschiedenis van de Syrische bevolkingsgroepen. Ik wel, ik weet er veel van, ik spreek Arabisch.
Matthew Schrier:
Alle andere gijzelaars, Austin Tice, James Foley, John Cantlie, waren echte diehards. Met hen had ik het zeker kunnen vinden. Maar ik kwam uitgerekend bij zo’n fokking nerd als Theo terecht.
Theo Padnos:
Algauw hadden we onze eerste ruzie. Matt sliep, en ik kauwde mijn tanden schoon met zonnebloempitten, zoals de Arabieren dat doen. Ik deed dat heel zachtjes. Serieus, buiten vielen bommen, op de gang schreeuwden de strijders, maar dat zachte getik werkte op z’n zenuwen. Ik zei: ‘Als je wilt slapen, prima, dan doe ik het later wel, maar je kunt niet zo tegen me tekeergaan.’
Matthew Schrier:
Twee keer heb ik hem vriendelijk gevraagd ermee op te houden. De derde keer ben ik naar hem toe gelopen en heb ik geschreeuwd dat het lastig zou worden om zijn tanden schoon te kauwen als hij die niet meer heeft. Met gebalde vuist heb ik gedreigd hem op zijn bek te slaan.
Hij liet zijn dominantie gelden als een hond
Theo Padnos
Theo Padnos:
Hij draaide compleet door en stond tegen me te brullen. De volgende 24 uur hebben we niet met elkaar gesproken. Maar omdat ik het Arabisch beheers, was Matt op mij aangewezen. Ook daarover hadden we continu ruzie. Hij wantrouwde mijn vertalingen. Ik deed mijn best, maar ik verstond gewoon niet alles. Sommige strijders hadden een accent, anderen praatten heel snel of in een soort straattaal. Wanneer ik vijf Arabische zinnen met één Engelse vertaalde, schreeuwde Matt tegen me: ‘Vertaal verdomme nou eens letterlijk!’ Ik heb hem duidelijk gemaakt dat letterlijke vertalingen zinloos zijn. Dat weet iedereen die meer dan één taal spreekt. Alleen hij niet.
Matthew Schrier:
Omdat hij Arabisch kan, deed hij alsof hij een of andere goeroe was. Bovendien had ik – zonder Arabisch – een betere relatie met de bewakers dan hij. Toen ik Theo ontmoette, kende hij niet een van de bewakers bij naam. Na drie maanden! Binnen een week heb ik ervoor gezorgd dat hij zich mocht wassen.
Theo Padnos:
Matt heeft me ook wel eens geslagen. Van kleinigheden kon hij helemaal over de rooie gaan. Luizen bijvoorbeeld. Hij had een speciale Matthew Schrier-manier om ze dood te maken.
Matthew Schrier:
Ik haalde het etiket van de drinkfles en vouwde het dubbel. Daarna deed ik de luizen ertussen en drukte ze fijn. Dat was een schone manier. Theo plette ze op de vloer met zijn vinger. Vervolgens liep hij die viezigheid de hele cel door. Ik heb het hem wel twee, drie keer gezegd. Daarna ben ik naar hem toe gelopen en heb hem in z’n gezicht geslagen.
Theo Padnos:
Hij liet zijn dominantie gelden als een hond. Hij gromde en als je je dan niet onderdanig opstelde, beet hij. Psychologen hebben onderzocht hoe mensen reageren op traumatische situaties. Of ze worden creatief, zo ging dat bij mij. Toen ik pen en papier kreeg in mijn cel ben ik begonnen een roman te schrijven. Of ze doen wat hun wordt aangedaan met anderen, zwakkeren. Zo was Matt. Hij heeft mij hetzelfde aangedaan als wat de terroristen hem aandeden.
‘We zien dat vaak in gevangenissen, dat de eigen vernedering wordt doorgegeven. Zij worden mishandeld, dus mishandelen ze anderen. Dan voelen ze zich sterker,’ zegt Mechthild Wenk-Ansohn van het Berlijnse behandelcentrum voor slachtoffers van marteling. ‘Maar,’ zegt ze, ‘we kennen dit gedrag vooral uit “normale” gevangenissen, Duitse of Amerikaanse.’ Wenk-Ansohn heeft in de afgelopen eenentwintig jaar duizenden slachtoffers van marteling en oorlogsgetraumatiseerden behandeld, de laatste tijd heel veel mensen uit Syrië die ook in de kerkers van Al-Nusra of Islamitische Staat (IS) hebben gezeten. ‘In dergelijke extreme situaties zijn gevangenen geneigd elkaar bij te staan, zelfs over ideologische grenzen heen. Koerden helpen Turken en soennieten helpen sjiieten,’ zegt de arts. Een dynamiek als die tussen Schrier en Padnos is ze nog niet eerder tegengekomen.
Theo Padnos:
Matt heeft in de VS in de gevangenis gezeten.
Matthew Schrier:
Toen ik zestien was heb ik vanwege een inbraak bijna twee maanden in een extra beveiligde gevangenis gezeten. Daar heb ik geleerd: als je je niet verweert, ga je ten onder. En wat het geweld tegenover Theo betreft: hij provoceerde me telkens weer.
Theo Padnos:
Hij zocht naar mijn zwakke plekken en vergrootte die uit tot in het extreme. In zijn ogen was ik het verwende, rijke kind, goede school, goede universiteit, en hij de harde jongen van de straat. Ik was vies, ongeschoren en als vermeende CIA-spion in een gevangenis van Al-Qaida ten dode opgeschreven – en hij was jaloers op me!
In maart kregen we een Marokkaan in onze cel, een dikke kerel, 120 kilo schat ik, een jihadist die op eigen houtje naar Syrië was gereisd en het wantrouwen van de Al-Nusrastrijders had gewekt. Met een niet verzorgde schotwond van een maand oud in zijn been. Hij had in de VS gewoond, sprak goed Engels. Zo iemand van wie je als je in het vliegtuig naast hem komt te zitten binnen drie minuten weet dat hij problemen gaat veroorzaken. Maar Matt was blij dat hij iemand anders dan mij had met wie hij kon praten.
Matthew Schrier:
Die Marokkaan had humor. Hij heeft zich gek gelachen om dat schoolverhaal van mij. We deelden zelfs een bed.
Theo Padnos:
Ze hadden het over films en zaten veel te lachen. Ik zag er de lol niet van in. Dus bleef ik aan mijn kant van de cel en probeerde me eraan te onttrekken.
Matthew Schrier:
Theo zit gewoon anders in elkaar. Ik wilde een spelletje filmcitaten met hem doen. ‘Say hello to my little friend.’ Iedere Amerikaan kent dat zinnetje, uit Scarface. Alleen Theo niet. Ik vroeg: ‘Wat heb je in godsnaam gedaan als kind?’ – ‘We hadden geen televisie.’ – ‘Wat heb je dan gedaan?’ – ‘Gelezen.’ Sjongejonge. Met zo’n klootzak zat ik opgesloten, precies het tegenovergestelde van mezelf. Dag en nacht. Ik moest zelfs smeken of hij Twintig vragen met me wilde spelen, dat spel waarbij je een persoon in je hoofd neemt en de ander er in twintig vragen achter moet zien te komen wie het is.
Theo Padnos:
Op een keer sloeg hij me omdat ik niet verder wilde spelen. We hadden zo’n beetje 24 uur achter elkaar Twintig vragen gespeeld, ik kon niet meer. Hij koos rappers en televisiesterren die ik niet kende. Weet ik veel hoe de vrouw van Bart Simpson heet. Ik heb Lethal Weapon 3 nog nooit gezien, Matt daarentegen negen keer. Ik koos mensen die hij kende en niet een of andere renaissancekunstenaar.
Matthew Schrier:
Eén ding moet ik Theo nageven: hij kwam erachter waar we gevangenzaten. Hij vond een papiertje op de grond waarop stond: kinderziekenhuis Aleppo. In de cel was het steenkoud. Meestal lagen we onder de dekens om te proberen warm te blijven.
Theo Padnos:
Het duurde niet lang of de Marokkaan kreeg ruzie met Matt, waarna ik het beter met hem kon vinden. We spraken Arabisch met elkaar, soms ook Frans. Matt kon er niet tegen buitengesloten te zijn.
Matthew Schrier:
Theo ging de Marokkaan masseren, vanwege die oude wond. Hij knielde en begon zijn been te kneden. Hij was zeer behulpzaam, maar hij zag niet wat hij daarmee ook aanrichtte.
Theo Padnos:
De Marokkaan was prikkelbaar en de massages maakten hem rustig. Als wielrenner ben ik vroeger vaak gemasseerd, ik weet hoe dat moet. In de gevangenis moet iedereen zijn capaciteiten aanwenden. Hij was net als Matt een alfadier. Zo iemand is alleen tevreden als je je onderdanig opstelt. Ik had er niets op tegen om bèta te zijn. Dan ben ik maar de zwakke broeder.
Matthew Schrier:
Vanaf het begin wilde ik me bekeren. Dat was tactisch slim. Ik vroeg om een koran in het Engels. Ik wilde niet simpelweg zeggen: Nu ben ik moslim. Ik wilde in de koran lezen en hun het gevoel geven dat het me ernst was. Maar ik kreeg geen koran. Theo was fel tegen bekeren.
Theo Padnos:
Ik was bang dat ze zouden zeggen: jullie bedriegen ons, jullie spelen met ons geloof. Misschien hadden ze ons dan doodgeschoten.
Ja, we haatten elkaar, maar hij is toch een Amerikaan
Matthew Schrier
Matthew Schrier:
Op 29 maart, de Marokkaan was twee weken bij ons, heb ik de sjahada uitgesproken, de geloofsbelijdenis. Toen de bewaker kwam, zei de Marokkaan: ‘Matt is nu een moslim.’ Drie dagen later kwam er iemand met zwarte gezichtsbedekking die me een prachtige koran gaf, tweeduizend bladzijden, de koning-van-Saoedi-Arabië-vertaling. Eindelijk hadden we iets te lezen.
Theo Padnos:
Vanaf dat moment kreeg ik van Matt en de Marokkaan te horen: ‘Waarom bekeer jij je niet, idioot?’ Ze scholden me uit voor ongelovige en lieten me niet in de koran lezen. Ik had zes maanden niets meer gelezen.
Matthew Schrier:
Op 9 juni werd ik 35 jaar. De Marokkaan feliciteerde me, Theo niet. Het was de ergste verjaardag van mijn leven.
Theo Padnos:
In juli hebben ze ons naar een andere gevangenis overgeplaatst. Nu weten we dat we in Aleppo zaten, in een oud bureau voor de afgifte van rijbewijzen.
Matthew Schrier:
De nieuwe cel bevond zich ook in een kelder. Vlak onder het plafond zaten twee kapotte ramen, op ongeveer twee meter hoog. Ze keken uit op de achterplaats. Er zat een traliewerk voor, maar de muur was aan het afbrokkelen en de tralies zelf, maar half zo dik als een potlood, zaten een beetje los. Ik wist dat de Marokkaan er niet doorheen zou passen, dus ik heb er eerst over gezwegen. Maar op 16 juli haalden ze hem weg. Geen idee wat ze met hem hebben gedaan. Toen hij weg was, vroeg ik aan Theo: ‘Denk je dat we daar doorheen kunnen?’ Hij zei: ‘Ja.’ Vanaf dat moment waren we bondgenoten.
Theo Padnos:
Het raam zat zo hoog dat Matt op mijn rug moest gaan staan om de tralies los te maken. Drie dagen lang zat ik op handen en voeten. We knoopten T-shirts aan elkaar zodat we een soort laddertje kregen, met lussen waar je in kon stappen.
Matthew Schrier:
Het was ramadan, ze brachten het eten ’s morgens vroeg wanneer het nog donker was, en vervolgens lieten ze zich tot aan de avond niet meer zien. Door het raam kon je op een achterplaats kijken. Rondom het gebouw stond een muur, onderbroken door een inrit. Bewakers waren er niet te zien. Vlak voor de beslissende dag kregen we ruzie.
Theo Padnos:
Het ging erom hoe we het beste te werk konden gaan. Ik wilde zo min mogelijk risico nemen, Matt wilde er gewoon uit.
Matthew Schrier:
Opeens mocht ik niet meer op Theo’s rug staan. Dus pakte ik een emmer die ze ons hadden gegeven om de was te doen. Ik wilde erop gaan staan. Hij zei: ‘Als je op die emmer gaat staan, bons ik op de deur om de bewakers te laten komen.’ Ik: ‘Fuck you.’ Hij liep naar de deur en bonsde erop. Ik verstijfde. Ik kon niet geloven dat hij het echt had gedaan.
Theo Padnos:
Ja, ik heb gedreigd om te bonzen. Waarschijnlijk heb ik het ook gedaan. Hij provoceerde me. Maar het was geen ramp. Als ze waren gekomen, dan hadden we gezegd: ‘Hé, wat is er aan de hand?’ Maar ze kwamen niet. Voor Matt was altijd alles onvergeeflijk. Je hebt me aan die terroristen overgeleverd! – Nee, dat heb ik niet!
Matthew Schrier:
Een paar dagen later, op 29 juli, net voor zonsopgang, haalde ik het raam eruit en dacht: Fuck, nu is er geen weg terug meer.
Theo Padnos:
Ik heb hem voor laten gaan omdat ik aardig wilde zijn.
Matthew Schrier:
Hij heeft me alleen maar voor laten gaan omdat we buiten steeds schoten hoorden. Hij kneep ’m.
Theo Padnos:
Ik vormde met mijn handen een opstapje, tilde Matt omhoog en begon vervolgens te duwen. Hij moest zich enorm inspannen. Maar de combinatie van mijn duwen en zijn wringen had succes: hij kwam eruit.
Matthew Schrier:
In het donker ging ik naast het raam op mijn hurken zitten. Pal boven mij zag ik nog een raam, dat openstond. Het licht was aan. Daar moesten de terroristen zitten.
Theo Padnos:
Ik heb zijn sneakers, een T-shirt en zijn muts aangereikt, ben in de T-shirtladder geklommen en heb een hand uitgestoken zodat hij me eruit kon trekken.
Matthew Schrier:
Ik fluisterde: ‘Nee, je moet er met twee gestrekte armen door.’ Hij wilde niet luisteren.
Theo Padnos:
Ik bleef met mijn borstbeen in de vensteropening steken. Ik voel die plek nog altijd, dagenlang heb ik pijn gehad. Mijn hoofd, mijn schouders en een arm waren al buiten. Matt was op dezelfde plek blijven steken. Ik heb hem er toen doorheen geduwd. De truc is: ontspannen, diep inademen, wringen, wringen, wringen, en zoals ik vanaf binnen heb geduwd, had hij vanaf buiten moeten trekken. Het zou maar een paar minuten hebben geduurd, maar daar had hij geen geduld voor.
De beschrijvingen van de gebeurtenissen in de daaropvolgende minuten zijn de enige in de versies van Padnos en Schrier die duidelijk met elkaar in tegenspraak zijn. Dat hoeft niet te betekenen dat een van de twee liegt. Misschien betekent het gewoon dat ze de situatie anders hebben beleefd. Voor beide hoofdpersonen echter zijn de punten waarop hun herinnering van elkaar afwijkt van essentieel belang. Voor hen gaat het om de vraag of Matthew Schrier alles heeft gedaan wat in zijn macht lag of dat hij Theo Padnos in de steek heeft gelaten.
Matthew Schrier:
Ik hurkte bij dat kloteraam en probeerde hem er aan één arm uit te trekken. Het moet een minuut hebben geduurd, misschien ook langer, voordat die idioot eindelijk doorhad dat het zo niet ging. Hij liet zich weer zakken, trok zijn shirt uit en kwam toen met beide armen gestrekt naar buiten, wat ik al eerder had gezegd. Hij was al overal aan het bloeden. Ik zette een been tegen de muur en begon te trekken. Moeilijk te zeggen hoe lang ik toen nog geprobeerd heb om hem eruit te krijgen. Misschien al met al drie, vier minuten. Op een gegeven moment zei ik dat ik hulp zou gaan halen. Toen zei hij: ‘Oké.’ Eerder had ik niet weg kunnen gaan. Voordat hij oké zei, was ik als het ware verlamd.
Theo Padnos:
Om iemand eruit te trekken, heb je kracht nodig. Matt had zijn voeten tegen de muur moeten zetten. Dat heeft hij niet gedaan. Hij zei: ‘Het gaat je niet lukken, man.’ Toen hij vervolgens zei dat hij hulp ging halen, heb ik maar oké gezegd, waarna hij wegging. Het heeft allemaal minder dan een minuut geduurd. Ik neem het hem niet eens kwalijk. Wat ik hem kwalijk neem, zijn de zeven maanden marteling, pijn en leed die hij me heeft bezorgd. Mij bevrijden zou inspanning en risico hebben betekend, voor mij en voor hem. Dat wilde hij niet.
Matthew Schrier:
Ruim een halfuur liep ik door de ochtendschemer, er waren nauwelijks mensen op straat. Omwonenden hebben me naar het Vrije Syrische Leger gebracht. Ik vertelde hun waar ik vandaan kwam en dat Theo daar nog zat. Of zij hem konden bevrijden. Geen denken aan. Het was een wonder dat ik had kunnen vluchten. Niemand ontsnapt aan Al-Nusra, zeiden ze. De volgende dag brachten ze me naar de Turkse grens. In Turkije belde ik de Amerikaanse ambassade. Met een gepantserde wagen werd ik opgehaald. Tien uur lang werd ik ondervraagd door de FBI. Een paar dagen later was ik in New York.
Het Al-Nusrafront raakte met Matthew Schrier een gevangene kwijt – en liep mogelijk een paar miljoen euro mis. Volgens onderzoek van The New York Times hebben Al-Qaidagroepen in de Arabische wereld sinds 2008 meer dan honderd miljoen euro aan losgeld ontvangen. Ook naar IS, dat tijdens de gevangenschap van Theo Padnos een verbitterde vijand van het concurrerende Al-Nusrafront was geworden, zijn miljoenen euro’s gevloeid: minstens vijftien gevangenen werden in ruil voor losgeld vrijgelaten door IS. Volgens informatie van Die Zeit perste IS alleen al in 2014 minstens 25 miljoen euro af; geld dat waarschijnlijk ook door of namens westerse regeringen is betaald. De VS en Groot-Brittannië betalen uit principe niet.
Theo Padnos:
De dag na Matts vlucht moest ik naspelen wat er was gebeurd. Ik liet de terroristen zien: Matt was daar naar buiten aan het klimmen, terwijl ik hier op de deur stond te bonzen, maar jullie kwamen niet. Een paar dagen kreeg ik niets te eten, vervolgens was alles weer bij het oude. Het was een grote opluchting dat Matt weg was. Eindelijk had ik rust, en ik hoopte dat Obama misschien de CIA zou sturen om me te redden. Ik ging ervan uit dat Matt verteld had waar ik precies zat. Twee weken later had Matt kennelijk een aangenaam onderhoud met de journalist Chris Chivers van The New York Times, die niets beters te doen had dan in een artikel te schrijven dat Matt bij zijn uitbraak was geholpen door Theo. De terroristen pikten dat op, want het was ook op CNN. Toen wisten ze dat ik had gelogen. Ze brachten me naar de woestijn, in de buurt van Deir ez-Zor, en sloten me op in een piepkleine ruimte. Het was ongelooflijk warm, augustus in de Syrische woestijn. Ik heb daar zes weken gezeten. Telkens weer smeekte ik: ‘Doe de deur open, een klein kiertje maar! Mafi oxygen! Ik heb lucht nodig!’
Matthew Schrier:
Ik heb Chivers het verhaal van mijn vlucht verteld en gedacht: die heeft een Pulitzerprijs, die zal wel weten hoe hij met informatie moet omgaan. Via Chivers heb ik trouwens voor het eerst over IS gehoord. Hij vertelde me dat Al-Nusra en IS met elkaar overhoop lagen en toen kreeg ik een vermoeden wat dat voor gevechten waren geweest die ik vanuit onze cel had gehoord.
Theo Padnos:
Weken verstreken en werden maanden. IS werd sterker en Al-Nusra moest vluchten uit Deir ez-Zor. Mij namen ze mee.
Matthew Schrier:
In oktober 2013 kwam ik achter de Skype-naam van een van de terroristen, die zich Kawa noemde. Hij was net als Mohammed een van de Al-Nusraleiders in onze gevangenis geweest. Ik speelde de informatie door aan de FBI, met de tip dat ze de regering van Qatar zouden kunnen vragen contact op te nemen met Kawa om over de vrijlating van Theo te onderhandelen. Ik wist dat Kawa contacten onderhield met Qatar, en de Qatari’s zijn tenslotte onze bondgenoten. Ik wist dat Theo zo een reële kans had om vrij te komen.
Theo Padnos:
Op den duur werd ik een sajin mahtar, een gerespecteerde gevangene. Soms mocht ik me vrij bewegen. Ik vulde patroongordels en stapelde munitiekisten, wat ze me maar opdroegen. Op een keer zei een bewaker: ‘Ze zullen je binnenkort wel laten gaan, we hebben het geld nodig.’ In augustus 2014, na 22 maanden gevangenschap, lieten ze me vrij bij de grens met Israël. De Qatarese regering had me vrijgekocht, begreep ik later. Ik ben niet kwaad op de terroristen. Als je weet wat wij Amerikanen in Irak hebben aangericht, kun je zelfs een beetje begrip voor hen opbrengen. Maar er is iemand die ik onder geen beding ooit terug wil zien: Matthew Schrier. Ik ben 22 maanden lang gevangene van Al-Qaida geweest, maar de zeven maanden met hem waren met afstand de ergste.
Matthew Schrier:
Ik heb er alles aan gedaan om Theo eruit te halen. Ik heb geprobeerd om het Vrije Syrische Leger over te halen hem te bevrijden. Ik heb de FBI op het spoor van Qatar gezet. Ja, we haatten elkaar, maar hij is toch een Amerikaan. Ik heb hem e-mails geschreven toen hij vrijkwam. Ik wilde met hem praten, maar hij negeerde me.
Theo Padnos werkt aan een documentaire over zijn gevangenschap. De roman die hij in de gevangenis schreef nadat Matthew Schrier was gevlucht, wil hij publiceren. Schrier werkt ook aan een boek. Hij is gestopt met fotograferen. Tegenover Die Zeit hebben ze zich voor het eerst tegelijk uitgelaten over hun tijd in gevangenschap – natuurlijk vonden de gesprekken op verschillende locaties plaats. De strijd die ze in de cel zijn begonnen, zetten ze met andere middelen voort. Het gaat niet meer om overleven, maar om het laatste woord. Of de onderhandelingen van de Qatarese regering vereenvoudigd werden doordat Schrier de Skype-naam van de terrorist Kawa aan de FBI gaf, is niet bekend. De FBI geeft daar geen informatie over. Het is ook niet bekend of de Amerikaanse regering de losgeldbetaling via haar bondgenoot heeft goedgekeurd – of er zelfs maar van geweten heeft. De familie van Padnos had Qatar eveneens om hulp gevraagd, samen met de families van vier andere ontvoerde Amerikanen, James Foley, Steven Sotloff, Kayla Mueller en Peter Kassig. Alleen Padnos kwam vrij. Foley, Sotloff en Kassig werden om het leven gebracht door IS. Kayla Mueller stierf bij een bombardement.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.