Tag: opinie

  • Hillary Clinton over de regering-Trump. ‘Hoe dom wil je het hebben?’

    Hillary Clinton over de regering-Trump. ‘Hoe dom wil je het hebben?’

    De recent gelekte berichten uit een Signal-groepschat tussen hooggeplaatste Amerikaanse functionarissen hebben velen verstomd achtergelaten, waaronder Hillary Clinton. In deze column uit The New York Times deelt de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en First Lady haar ergernissen en zorgen over het beleid van de regering-Trump.

    Het is niet eens de hypocrisie die me zo stoort, maar de domheid. We zijn allemaal geschokt – geschokt! – dat president Trump en zijn team zich niets gelegen laten liggen aan het beschermen van geheime informatie of het naleven van federale dataretentiewetten. Maar dat is niets nieuws. Wat veel erger is, is dat hooggeplaatste functionarissen binnen de regering-Trump onze troepen in gevaar hebben gebracht door militaire aanvalsplannen te delen op een commerciële berichtendienst en per ongeluk een journalist hebben uitgenodigd voor de groepschat. Dat is gevaarlijk. En het is oerstom.

    Dit is het nieuwste incident in een hele reeks zelf aangebrachte wonden die de kracht van Amerika ondermijnen en onze nationale veiligheid in gevaar brengen. Honderden mensen ontslaan die zijn belast met de bescherming van onze kernwapens is ook dom. Net als het stopzetten van alle inspanningen om pandemieën te bestrijden, net nu in Afrika een dodelijke ebola-uitbraak om zich heen grijpt. Het is gespeend van elke logica om zuiveringsacties uit te voeren onder getalenteerde generaals, diplomaten en spionnen in een tijd waarin rivalen als China en Rusland hun mondiale invloedssfeer proberen te vergroten.

    In een gevaarlijke en complexe wereld voldoet het niet om sterk te zijn. Je moet ook slim zijn. Als minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Obama heb ik me sterk gemaakt voor slimme kracht, voor het samenbrengen van de harde kracht van ons leger en de zachte krachten van onze diplomatie, ontwikkelingshulp, economische macht en culturele invloed. Geen van deze elementen afzonderlijk is in staat de klus te klaren. Samen maken ze het Amerika van nu tot een supermacht. De Trumpaanpak is die van de domme kracht. In plaats van een sterk Amerika dat al onze krachten gebruikt om een wereldleider te zijn en onze vijanden het hoofd te bieden, zal het Amerika van Trump in toenemende mate blind en blunderend te werk gaan, ontdaan van macht en vrienden.

    Massaontslagen

    Laten we beginnen met het leger, waarvan Trump beweert dat hij het hoog in het vaandel heeft staan. Laat u niet misleiden door zijn bravoure. Trump en zijn minister van Defensie, Pete Hegseth (bekend van de groepschat), hebben duidelijk meer affiniteit met hun strijd voor de bühne tegen woke dan met de voorbereidingen voor de echte strijd met Amerika’s tegenstanders. Is er werkelijk iemand die gelooft dat ons land veiliger wordt door elk eerbetoon aan de Tuskegee Airmen [een groep voornamelijk Afro-Amerikaanse piloten uit de tweede Wereldoorlog] te verwijderen? Het Trump-Pentagon heeft beelden verwijderd van het vliegtuig dat de atoombom afwierp, waarmee een einde werd gemaakt aan de Tweede Wereldoorlog, enkel en alleen omdat het vliegtuig Enola Gay heette. Dom.

    In plaats van samen te werken met het Congres om het defensiebudget te moderniseren zodat het aansluit op de veranderende dreigingen, ontslaat de president zonder geloofwaardige argumentatie hooggeplaatste generaals. Vijf voormalige ministers van Defensie, zowel Republikeinen als Democraten, hebben terecht gewaarschuwd dat dit onze ‘geheel vrijwillige krijgsmacht ondermijnt en onze nationale veiligheid in gevaar brengt’. Ook inlichtingendiensten hebben te maken gekregen met massaontslagen. Om de woorden van een voormalig spion te gebruiken: ‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet.’ Ook niet slim.

    ‘We schieten onszelf door het hoofd, niet in de voet’

    Als er al zo roekeloos wordt omgegaan met Amerika’s hard power, zal het geen verbazing wekken dat ook onze soft power het moet ontgelden. Als voormalig minister van Buitenlandse Zaken maak ik me met name zorgen over de plannen van de regering om ambassades en consulaten te sluiten, diplomaten te ontslaan en USAID te ontmantelen. Ik zal uitleggen waarom dat ertoe doet, want het belang hiervan wordt vaak minder goed begrepen dan dat van tanks en straaljagers.

    Als Amerikaanse topdiplomaat heb ik 112 landen bezocht en bijna anderhalf miljoen kilometer gereisd, en ik heb gezien hoe belangrijk het voor ons land is om in afgelegen gebieden te worden vertegenwoordigd. Het Amerikaanse leger is zich er al heel lang van bewust dat onze troepen proactief moeten worden ingezet om de Amerikaanse macht te beschermen en om snel te kunnen reageren in het geval van een crisis. Hetzelfde geldt voor onze diplomaten. Onze ambassades zijn onze ogen en oren, en ze leveren informatie voor de beleidsbeslissingen die in Washington worden genomen. Ze fungeren als uitvalsbases voor de operaties die onze veiligheid en welvaart borgen, variërend van het trainen van buitenlandse antiterrorisme-eenheden tot het helpen van Amerikaanse bedrijven bij het aanboren van nieuwe markten.

    China begrijpt de waarde van diplomatie ter plaatse en heeft dan ook overal ter wereld nieuwe ambassades en consulaten geopend, waardoor het er inmiddels meer heeft dan Amerika. Als de regering-Trump zich terugtrekt, laat ze het speelveld open voor Beijing, dat ongehinderd haar invloedssfeer verder kan uitbreiden.

    Diplomatie

    Diplomaten sluiten vriendschappen waardoor Amerika er niet alleen voor staat in deze competitieve wereld. Zo waren mijn collega’s en ik in staat om zware sancties op te leggen aan het nucleaire programma van Iran, waardoor we Teheran uiteindelijk wisten te dwingen de ontwikkeling van een bom te staken – iets wat Trump met zijn stoere praat niet is gelukt. (Sterker nog, hij heeft de financiering stopgezet van de inspecteurs die toezicht hielden op Iraanse onderzoeksfaciliteiten. Dom.)

    Diplomatie is betrekkelijk goedkoop, zeker in vergelijking met militair ingrijpen. Het is goedkoper om oorlogen te voorkomen dan om ze uit te vechten. Trumps eigen voormalige minister van Defensie, Jim Mattis, een gepensioneerde viersterrengeneraal van het Korps Mariniers, heeft tegen het Congres gezegd: ‘Als u het ministerie van Buitenlandse Zaken niet volledig financiert, zal ik meer munitie moeten kopen.’

    Onze ontwikkelingshulp, die nooit meer dan een klein deel heeft uitgemaakt van het federale budget, heeft een ongekende invloed gehad op de internationale stabiliteit, zeker in combinatie met effectieve diplomatie. Wanneer Amerikaanse hulpgelden een hongersnood of een uitbraak weten te voorkomen, wanneer we te hulp schieten bij een natuurramp of wanneer we scholen openen, winnen we de hearts and minds van de bevolking, van wie de loyaliteit anders misschien zou uitgaan naar terroristen of rivalen als China. We zorgen voor een vermindering van het aantal migranten en vluchtelingen. We versterken bevriende regeringen die anders wellicht omvergeworpen zouden worden.

    We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen

    Ik zal niet beweren dat het allemaal makkelijk is, of dat het Amerikaanse buitenlandbeleid niet gebukt is gegaan onder verkeerde inschattingen. Leiderschap is bepaald niet eenvoudig. Maar we maken de meeste kans om het goed te doen, en om ons land sterker te maken, door onze overheid te versterken in plaats van te verzwakken. We zouden moeten investeren in de patriotten die ons land dienen, in plaats van hen te beledigen.

    Door slimme hervormingen kunnen federale instanties, waaronder het Ministerie van Buitenlandse Zaken en USAID, efficiënter en effectiever worden. Tijdens de regering-Clinton is met het Reinventing Government Initiative van mijn man, onder leiding van vicepresident Al Gore, in samenwerking met het Congres op doordachte wijze de bureaucratie gestroomlijnd en het personeelsbestand gemoderniseerd, waardoor er miljarden dollars zijn bespaard. In meerdere opzichten was dit het tegenovergestelde van de sloophameraanpak van de regering-Trump. Het overheidsapparaat wordt nu niet hervormd; het wordt met de grond gelijk gemaakt.

    Politiek gokspelletje

    Dit alles is zowel dom als gevaarlijk. En dan heb ik het nog niet eens over de schade die Trump aanricht door aan te pappen met dictators zoals de Russische Vladimir Poetin, door onze bondgenootschappen op te blazen – samenwerkingsverbanden die onze invloedsfeer vergroten en onze lasten verlichten – en door met het ondergraven van de Amerikaanse rechtsstaat onze morele invloed te verkwanselen. Of kijk hoe hij onze economie ondermijnt en onze staatsschuld laat oplopen. Propagandisten in Beijing en Moskou weten dat er wereldwijd een debat op gang is gekomen over verschillende staatsvormen.

    Over de hele wereld kijken mensen en leiders toe, benieuwd of democratie nog altijd vrede en voorspoed kan garanderen, of überhaupt nog kan functioneren. Als Amerika wordt bestuurd als een bananenrepubliek, met een stuitende corruptie en een leider die zichzelf boven de wet plaatst, verliezen we die discussie. Dan verliezen we ook de kwaliteiten die Amerika uniek en onmisbaar maken.

    Als er al sprake mocht zijn van een alomvattende strategie, dan zou ik niet weten wat die is. Misschien hoopt Trump terug te keren naar negentiende-eeuwse invloedssferen. Misschien wordt hij enkel gedreven door persoonlijke rancune en groeit het hem allemaal boven het hoofd. Als zakenman heeft hij zijn casino’s in Atlantic City failliet laten gaan. Nu heeft hij de veiligheid van de Verenigde Staten als inzet genomen. Als dit zo doorgaat, is een stommiteit met een groepschat wel het minste wat ons zorgen moet baren en zullen alle vuist- en vlagemoji’s ter wereld ons niet kunnen redden.

  • VS: Jeff Bezos legt The Washington Post een nieuwe koers op

    VS: Jeff Bezos legt The Washington Post een nieuwe koers op

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Toekomstige Duitse bondskanselier Merz brengt verrassingsbezoek aan Macron

    » Frankrijk: premier François Bayrou wil akkoorden met Algerije herzien

    Opiniestukken mogen geen strijdige meningen meer uitdragen

    Amazon-baas Jeff Bezos, die sinds 2013 ook eigenaar is van The Washington Post, kondigde woensdag aan dat de opiniekolommen van het dagblad voortaan ‘twee pijlers moeten verdedigen: persoonlijke vrijheden en vrije markten’, meldt NPR. Opvattingen ‘die tegen deze pijlers ingaan, zullen door anderen worden gepubliceerd’. In een bericht aan redacteuren zei de miljardair dat het publiceren van tegenstrijdige meningen in de pers ‘een achterhaalde praktijk’ was. Tegenwoordig ‘neemt het internet dat werk op zich’, schreef hij.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Deze nieuwste inmenging van de miljardair in de redactionele inhoud ‘heeft schok en ontzetting teweeggebracht bij de krant’, merkte de Amerikaanse publieke radio op. Opinieredacteur David Shipley kondigde onmiddellijk zijn ontslag aan. Het is niet de eerste keer dat een beslissing van Bezos stof doet opwaaien. Zo hield hij vorig jaar in aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen een hoofdcommentaar tegen waarin The Washington Post zijn steun uitsprak voor de Democratische kandidaat Kamala Harris. Begin dit jaar stapte een cartoonist op nadat de opinieredactie een spotprent had geweigerd waarin Bezos voorkwam.

  • Wanneer is protest tegen Israël antisemitisch?

    Wanneer is protest tegen Israël antisemitisch?

    Op 7 november nam de Duitse Bondsdag een resolutie aan met als doel het ‘Joodse leven in Duitsland’ beter te beschermen. Tegenstanders vrezen dat deze resolutie zal worden gebruikt om critici van Israël de mond te snoeren. Een overzicht van reacties in de Duitse pers.

    Sinds 7 oktober 2023 is het aantal antisemitische aanvallen in Duitsland sterk gestegen. De Nie wieder ist jetzt-resolutie (‘Nooit meer is nu’) eist onder meer dat er geen overheidsgeld gaat naar organisaties die antisemitisme verspreiden. 

    De regeringscommissaris voor Joods leven in Duitsland en antisemitismebestrijding, Felix Klein, noemde de resolutie een ‘zeer belangrijk signaal’, bericht Frankfurter Allgemeine Zeitung. De duidelijke uitspraken zullen ertoe leiden dat het debat objectiever wordt, aldus Klein. De ­Beierse commissaris voor antisemitisme, Ludwig Spaenle, beschouwt de resolutie ook als een sterk politiek signaal, ‘omdat ze een stevige basis heeft in de definitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) en duidelijke aanbevelingen doet voor actie’.

    Redacteur Mark Siemons reageert in diezelfde krant: ‘De resolutie over antisemitisme die nu door de Bondsdag is aangenomen, is een daad van goede wil om niet op te geven in de strijd tegen antisemitisme. Maar ze ontwijkt een cruciale vraag: onder welke voorwaarden is protest tegen het beleid van Israël precies legitiem? En wanneer is het antisemitisch?’

    Geen afgebakende definitie

    Volgens Siemons geeft de resolutie geen afgebakende definitie van antisemitisme, en bevatten de woorden ‘een bepaalde perceptie van Joden (…) die zich kan uiten als haat jegens Joden’ en bieden ze ruimte aan instanties om elke kritiek op Israël als antisemitisme te bestempelen. Siemons vreest dat hierdoor de vrijheid van meningsuiting en het recht op demonstratie in gevaar komen. ‘Net zoals de strijd tegen racisme nooit misbruikt mag worden om antisemitisme te rechtvaardigen, mag de strijd tegen antisemitisme niet gebruikt worden om grondrechten in te perken.’

    Ook politiek redacteur Heike Schmoll toont zich in FAZ kritisch over het nieuwe besluit, dat na lang gesteggel tussen politieke partijen tot stand kwam: ‘Het is meer dan teleurstellend dat, na ruim een jaar van getouwtrek over een resolutie tegen antisemitisme, het resultaat een tekst is die grotendeels ­zonder verplichtingen blijft. Critici nemen terecht aanstoot aan het feit dat de staat bepaalt wat er onder antisemitisme wordt verstaan, vooral omdat dit zelf een onderwerp van onderzoek is.’

    Toch beroept de Duitse Bondsdag zich wel op een bepaalde definitie van antisemitisme die al langer bestaat, namelijk die van de IHRA. Ronen Steinke van Süddeutsche Zeitung houdt deze antisemitisme­definitie tegen het licht. ‘Het is geen precieze, korte formulering, maar een die een heel A4’tje vult. Strikt genomen is deze werkdefinitie meer een reeks van talloze voorbeelden. De IHRA somt een aantal uitspraken op die antisemitisch “kunnen” zijn, maar dat niet per se hoeven te zijn. Een voorbeeld? “Het ontkennen van het zelfbeschikkingsrecht van het ­Joodse volk, bijvoorbeeld door te beweren dat het bestaan van de staat Israël een racistisch streven is.” Of ook: “Vergelijkingen van het huidige Israëlische beleid met het beleid van de nationaalsocialisten.” Omdat veel van deze voorbeelden te maken hebben met een mogelijke demonisering van Israël, is dit de definitie die de Israëlische regering vandaag voorstaat.’ 

    ‘Deze resolutie zou Joden identificeren met het Israël waartegen honderdduizenden de straat op gaan in Tel Aviv en Jeruzalem’

    De Duits-Israëlische Vereniging en de regering-Netanyahu hebben dan ook jubelend gereageerd, aldus Stephan Detjen van Deutschlandfunk, omdat de resolutie de Duitse regering ‘verplicht tot onvoorwaardelijke solidariteit met Israël’ en ‘vooral dient om kritiek op de Israëlische oorlogsvoering en bezetting, die in strijd is met het internationaal recht, te delegitimeren’. Maar, schrijft Detjen, ‘met deze resolutie zou de Bondsdag niet solidair zijn met Israël, maar alleen met het deel van het land dat wordt vertegenwoordigd door Netanyahu en Ben Gvir. Erger nog, deze resolutie, die beweert de diversiteit van het Joodse leven in Duitsland te beschermen, zou Joden identificeren met het Israël waartegen honderdduizenden de straat op gaan in Tel Aviv en Jeruzalem.’

    Detjen vervolgt: ‘De vele Israëliërs en Joden die vorig jaar in Duitsland werden getroffen door laster en door afgezegde optredens en uitnodigingen, kunnen alleen maar spottend lachen om deze belofte van bescherming door Duitse politici. Velen van hen – evenals voormalige rechters van het Federale Constitutionele Hof, antisemitismeonderzoekers, internationaal gerenommeerde academici en bekende intellectuelen – hebben brieven en verklaringen ondertekend met als doel de Bondsdag ervan te overtuigen af te zien van de verdeeldheid zaaiende retoriek van deze resolutie.’ 

    Hoewel zij zowel de terreurdaden van Hamas als het geweld in Gaza veroordelen, wijzen die ondertekenaars erop dat deze maatregelen de vrijheid van meningsuiting inperken en de rechten van Palestijnse en Arabische gemeenschappen in Duitsland schenden. Zij roepen op tot respect voor democratische vrijheden en benadrukken dat kritiek op Israël niet gelijkstaat aan antisemitisme. Filosoof Susan Neiman spreekt over ‘verplicht filosemitisme’, aldus Berliner Zeitung, dat een negatieve tegenreactie kan uitlokken. 

    Ook verschillende (Israël-kritische) Joodse organisaties wereldwijd hebben hun kritiek. In een gezamenlijke verklaring schrijven zij: ‘De resolutie bewijst lippendienst aan “alle facetten” van het Joodse leven, maar beperkt dat leven tot één element: de staat Israël.’ De ondertekenaars verwerpen de verwarring van hun Joodse identiteit met de ‘koloniale ideologie van het ­zionisme en de genocidale daden van Israël’, een verwarring die ze als antisemitisch beschouwen, en tonen zich solidair met de Palestijnen.

    Migratie

    Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch publiceerde ook een verklaring waarin ze de aanname van de resolutie bekritiseert: ‘Er is in het geheim over onderhandeld, zonder brede deelname van het maatschap­pelijk middenveld.’ Bovendien erkent de resolutie weliswaar extreemrechts antisemi­tisme, maar wordt de toe­name van antisemitisme toegeschre­ven ‘aan de toegenomen migratie uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten’.

    Martin Bernstein van Süddeutsche Zeitung reageert op dat vermeende verband en op uitspraken van rechtse politici dat het huidige antisemitisme in Duitsland vooral ‘geïmporteerde Jodenhaat’ betreft: ‘Antisemitisme in Duitsland heeft geen immigratie uit moslim­landen nodig. Het is net andersom: mensen die gesocialiseerd zijn om Joden te haten, stuiten in dit land op een rechts milieu waarin antisemi­tisme nog altijd een bepalend element is. Een giftig mengsel.’ 

  • Ilhan Omar: ‘Zet de deur wijder open voor vluchtelingen’

    Ilhan Omar: ‘Zet de deur wijder open voor vluchtelingen’

    Ilhan Omar, een Democratisch congreslid uit Minnesota, vluchtte 29 jaar geleden van Somalië naar de VS. Nu roept ze president Biden op om de limiet voor vluchtelingen te verhogen. ‘Van mij mag de deur die mijn leven redde nog een stuk wijder open worden gezet.’

    Van de vele titels die ik draag – congreslid, moeder, zus, organisator – is er één die een deel van mijn identiteit vertegenwoordigt dat me na aan het hart ligt: vluchteling.

    Mensen komen vaak naar me toe om hun eigen vluchtelingenverhaal te vertellen. We vragen elkaar meteen hoe lang het geleden is dat we in de Verenigde Staten aankwamen. In mijn geval is het negenentwintig jaar geleden dat mijn familie en ik een gouden ticket kregen om als vluchtelingen een nieuw leven te beginnen in Amerika.

    We waren ontsnapt aan de oorlog in Somalië en vonden onderdak in het Utange-kamp in Kenia. Tijdens de vier jaar dat ik in een vluchtelingenkamp woonde met weinig voedsel of water, zag ik het beste en het slechtste van de mens. Ik was erbij toen een moeder een baby veilig op de wereld zette, ondanks haar vele tegenslagen. Ik was getuige van de dood van vrienden en familieleden in een kamp waar malaria, dysenterie en aandoeningen aan de luchtwegen aan de orde van de dag waren. Ik ben dankbaar dat ik het er levend vanaf heb gebracht. Maar ik zou hier niet zijn zonder de vrijgevigheid van het Keniaanse volk, de vastberaden inspanningen van VN-medewerkers, de hulp van hervestigingsorganisaties zoals Lutheran Immigration and Refugee Service en de gastvrijheid van de Amerikaanse mensen die mij en mijn familie een tweede kans op een leven gaven.

    Internationaal verdrag

    Op dit moment wordt de wereld geconfronteerd met een ontheemdencrisis zonder weerga. Conflicten en rampen in het Midden-Oosten, Afrika, Latijns-Amerika en Azië verdrijven tientallen miljoenen mensen van huis en haard. Ik ben hier vandaag alleen dankzij de vriendelijkheid van vreemden die hebben gevochten om de deur te openen voor mensen die vluchten voor ondenkbare omstandigheden. En daarom doe ik vandaag, op Wereldvluchtelingendag, een beroep op president Biden om de limiet voor het aantal binnen te laten vluchtelingen te verhogen en meer mensen toe te laten tot de Verenigde Staten.

    Niet lang na zijn aantreden verhoogde de president de toelatingslimiet tot 125.000, een belangrijke stap in de goede richting. Maar dat aantal is nog steeds te laag. Erger nog, we hebben stelselmatig gefaald om het te halen. President Biden noemde het Amerikaanse programma voor de toelating van vluchtelingen ‘een verklaring over wie we zijn en wie we willen zijn’. Ik wil dat we een land zijn dat de armen opent in tijden van wereldwijde rampen – zowel door het plafond te verhogen als door ervoor te zorgen dat we het vastgestelde aantal vluchtelingen ook daadwerkelijk toelaten.

    De gruwelijke burgeroorlog in Soedan heeft naar schatting 10 miljoen mensen op de vlucht gejaagd, waarvan bijna 2 miljoen naar buurlanden zijn gevlucht. Velen van hen hebben hun toevlucht gezocht in Ethiopië, waar nog steeds meer dan 1 miljoen mensen ontheemd zijn door het conflict en de wreedheden in Tigray. Meer dan 1 miljoen Rohingya leven in Bangladesh in een vluchtelingenkamp in Cox’s Bazar, dat een broeinest is geworden voor de rekrutering van kindsoldaten en andere mensenrechtenschendingen. Enorme aantallen mensen zijn op de vlucht geslagen voor oorlogen in Syrië en Oekraïne en voor economische en veiligheidscrises in Venezuela en Haïti. Wereldwijde conflicten, economische onzekerheid en de klimaatcrisis zullen de komende jaren waarschijnlijk leiden tot nog meer gedwongen migratie.

    De bestaande systemen, zowel in de VS als op internationaal niveau, zijn duidelijk ontoereikend om het hoofd te bieden aan de massale ontheemding die we overal ter wereld zien. Het is niet alleen cruciaal om het maximale aantal toe te laten vluchtelingen te verhogen; we hebben ook een internationaal verdrag nodig voor wereldwijde migratie, zoals het Akkoord van Parijs over klimaatverandering, behalve dan dat het bindend is voor de ondertekenaars. We moeten een systeem creëren dat gebaseerd is op de mensenrechten van migranten, dat rekening houdt met de verschillende ervaringen van migrantenvrouwen, -kinderen en lhbtq’ers en dat erkent dat elk land op aarde de plicht heeft een rechtvaardigere, efficiëntere en menselijkere manier te vinden waarop mensen hun vrijheid van verkeer kunnen uitoefenen.

    Terwijl we naar dat grotere doel toewerken, moeten de Verenigde Staten werken aan de verbetering van hun eigen procedure voor de behandeling van vluchtelingen. Mensen die de zware beslissing nemen om hun huis te ontvluchten voor bruut geweld, zoals mijn familie, staan niet stil bij de vraag of titel 42 [van de federale wetgeving van de VS] hun mogelijkheden om de VS binnen te komen zal belemmeren. Ze kijken niet welke amendementen er in het Huis van Afgevaardigden zullen worden ingediend, of naar fragmenten van een debat in de Senaat en lezen geen persverklaringen van het Witte Huis door. Ze vluchten omdat het moet. Ze komen naar onze grenzen omdat ze geen andere optie hebben. Geen enkele wreedheid en geen enkele neerbuigende waarschuwing – hoe veel het er ook zijn – op billboards in Guatemala of waar dan ook zal ouders ervan weerhouden om hun kinderen te beschermen.

    Onnoemelijk veel mensen over de hele wereld rekenen op ons en verwachten dat wij de juiste keuze zullen maken

    De regering-Biden heeft creativiteit en flexibiliteit getoond bij het opzetten van programma’s om tijdelijk Oekraïners, Haïtianen, Cubanen en Venezolanen binnen te laten. Dit zijn geen perfecte oplossingen, maar ze slaagden erin het aantal grensconflicten te conflicten voor mensen uit die landen en ze hebben aangetoond dat we in staat zijn om mensen in grote aantallen op te vangen via overzichtelijke en veilige processen. We zouden op zijn minst hetzelfde moeten doen voor Soedanezen en Ethiopiërs. Bovendien moeten we werken aan het opzetten van alomvattende legale trajecten waardoor mensen naar de Verenigde Staten kunnen komen zonder hun leven te riskeren of mensenhandelaars al hun spaargeld te betalen, waarna ze aan de grens worden aangehouden en uitgezet.

    Ons immigratiesysteem repareren is niet alleen een morele kwestie. Het is ook dé manier om de zeer reële problemen aan te pakken die ontstaan wanneer miljoenen mensen zich verzamelen bij aangewezen toegangshavens en vervolgens worden vastgehouden of naar overbelaste steden in het hele land worden gestuurd. Hoe verhit het debat over de waarheidsgetrouwheid van asielaanvragen ook is, het feit dat zoveel mensen asiel aanvragen toont aan dat veel mensen proberen om hier legaal te komen. We moeten hun de kans geven om dat te doen.

    En we moeten het cynisme verwerpen van degenen die toegeven aan vreemdelingenhaat of immigratiewegen wensen te sluiten, omdat ze denken dat die standpunten politiek voordelig zullen zijn. Onnoemelijk veel mensen over de hele wereld rekenen op ons en verwachten dat wij de juiste keuze zullen maken. Toen ik in een vluchtelingenkamp zat, droomde ik ervan om op een dag in de Verenigde Staten te wonen; vandaag hebben miljoenen kinderen dezelfde droom, om in een land te wonen waar vrede is, en kansen zijn. Van mij mag de deur die mijn leven redde nog een stuk wijder open worden gezet.

  • Een pleidooi tegen de Duitse angst en regelzucht

    Een pleidooi tegen de Duitse angst en regelzucht

    Waar Amerikanen handelen zonder al te veel na te denken, gaan Duitsers eerst alle risico’s na. Daardoor loopt het land achter op het gebied van moderne technologie. Süddeutsche Zeitung-redacteur Helmut Martin-Jung pleit voor meer durf en vertrouwen.

    Stel dat je een huis bouwt voor de verhuur en daarop zonnepanelen wilt installeren. Wat volgt is een orgie van bureaucratie die doet denken aan de Vrijgeleide 38 uit tekenfilmklassieker Asterix verovert Rome. Het is een beleid dat zacht gezegd nogal ontmoedigend werkt. 

    En zo zijn er vele voorbeelden te bedenken. Waar komt toch die regelwoede vandaan?

    Waarom hebben Duitsers hun zaakjes zo graag op orde? De Amerikanen hebben er zelfs een Duits woord voor: German Angst.

    Angst, jawel. Een diepgeworteld, uit onverwerkte oorlogstrauma’s voortkomend, van generatie op generatie doorgegeven gedragspatroon om geen risico’s te nemen, en liever de (vermeend) veiligste weg te kiezen. Aandelen? Oei! Daarmee kun je flink de boot in gaan! Een spaarrekening daarentegen, die kan niemand je afnemen. Je zuur verdiende geld in fondsen steken of zelfs direct in een of andere start-up investeren? Ondenkbaar. Het heet toch niet voor niets risicokapitaal. Voor je iets onderneemt, dien je eerst na te gaan of overal aan gedacht is en er niets, maar dan ook helemaal niets aan het toeval wordt overgelaten.

    Maar wie voortdurend alleen maar bang is zijn neus te stoten, wie steeds angstvallig vasthoudt aan wat hij kent, kan ook de weg kwijtraken. Hele delen van het land staan op het punt zich over te geven aan rechts-radicale krachten doordat ze in hun angst voor verandering ten prooi vallen aan hun simpele leuzen. 

    Een van de redenen dat moedertje Merkel zo lang mocht regeren, is dat ze de dingen graag hield zoals ze waren

    Een van de redenen dat moedertje Merkel zo lang mocht regeren, is dat ze de dingen graag hield zoals ze waren. Bovendien had de natuurkundige aanvankelijk behoorlijk marktgerichte ideeën, al werd de verzorgingsstaat uiteindelijk niet door de CDU [van Merkel] afgebroken, maar door de SPD van Gerhard Schröder. Maar het was Merkel die in de nasleep van de nucleaire ramp van Fukushima de door haar eigen regering uitgestelde sluiting van kerncentrales toch weer prioriteit gaf (ook al wezen tests uit dat er geen sprake was van risico’s als die in Japan). Vervolgens was het juist de CDU die voorstelde een paar kerncentrales opnieuw op te starten en zelfs nieuwe te bouwen.

    Alsof er geen alternatieven voor kernenergie en fossiele energie bestaan. Die zijn er zeker wel, en ze zijn milieuvriendelijk en goedkoper: zonneparken, windmolens, opslagcapaciteit. Ze moeten enkel gebouwd worden. En ja, voor periodes van windstilte en weinig zon zijn ook gascentrales nodig, die overigens evenmin van fossiele brandstof gebruikmaken als ze op groene waterstof draaien. Daartoe moet worden samengewerkt met landen met betere condities voor de winning van waterstof dan in het dichtbevolkte en niet zo zonnige Duitsland.

    Noodzaak

    Hoewel de overgang van de verbranding van fossiele brandstof op hernieuwbare bronnen moed vereist, is er ook gewoon sprake van bittere noodzaak: de wetenschappelijke data over klimaatverandering spreken voor zich. Hoe langer men wacht met maatregelen ertegen, hoe duurder het wordt.

    En toch steekt daar dan weer die geniepige, verwoestende angst de kop op. Hoe, vragen de huizenbezitters zich af, moeten we dan onze tientallen jaren oude eengezinswoningen en twee-onder-een-kapwoningen verwarmen? En zullen er genoeg laadpalen zijn voor elektrische auto’s? En is wel er genoeg stroom? Het zijn zulke gedachten waardoor veel mensen mee schreeuwen op manifestaties als die in Erding verleden jaar, waar de populistische politicus Hubert Aiwanger opriep om de democratie terug te draaien – hoewel het de democratie is die het mogelijk maakt dat hij daar staat en zijn gevaarlijke onzin verkoopt.

    Het was natuurlijk niet bijzonder slim van de rood-groene regering om de mensen voor het hoofd te stoten met een wet die ook nog slecht in elkaar zit. De te verwachten lagere prijzen voor groene stroom en de stijgende voor fossiele brandstoffen zouden de mensen op den duur toch wel bewogen hebben om hun oude verwarmingen te vervangen. Maar nu zit de kar vast in de modder en het ziet er niet naar uit dat de rood-groene coalitie, die het op veel punten onderling niet eens is, nog de kracht heeft hem eruit te krijgen.

    Na zestien jaar onder kanselier Merkel, waarin veel is blijven liggen – zoals digitalisering en uitbreiding van het elektriciteitsnet –, had deze coalitie de kans om een moedige visie te ontwikkelen en daarmee de latente angst te overwinnen. Maar door de pandemie, de oorlog in Oekraïne en eigen verkeerde beslissingen is die kans inmiddels verkeken. Door de vele crises, waar in het afgelopen jaar ook nog de oorlog in Gaza bij kwam, werd die aloude German Angst enkel gevoed.

    Pioniersgeest

    Natuurlijk mislukken dingen ook om andere redenen. Bijvoorbeeld omdat de samenwerking tussen landelijke, regionale en gemeentelijke overheden vaak stroef verloopt. Projecten zoals de digitalisering van het bestuur schieten maar niet op. Het schoolsysteem, dat versnipperd is door de vele bevoegdheden, presteert voor een rijk industrieland als Duitsland laag.

    Maar de grootste rem blijft het ingesleten risicomijdend gedrag. Veelbelovende en zelfs succesvolle start-ups hebben het in Duitsland moeilijk om aan geld te komen voor groei en internationale expansie. Als de jonge ondernemingen de eerste fase hebben overleefd en bijvoorbeeld een functionerend prototype en hun eerste klanten hebben, hebben ze nog een financiële injectie nodig om de serieproductie te starten of vestigingen in het buitenland op te zetten. Het gaat dan vaak om 10 of zelfs 100 miljoen euro.

    En daar wordt het lastig. Het ontbreekt weliswaar niet aan geld in Duitsland, maar men beseft niet hoe belangrijk jonge ondernemingen voor een land kunnen zijn. In de VS, vooral in Silicon Valley, zit heel veel geld in fondsen met durfkapitaal, dat ook veel makkelijker wordt uitgegeven vanuit de verwachting dat minstens een of twee van de ondersteunde ondernemingen een veelvoud van het geïnvesteerde bedrag opbrengen. 

    In Duitsland is men sceptisch. Hoewel het van oorsprong een land is van uitvinders en ingenieurs, zijn Duitsers allesbehalve early adopters. Waar is hij toch gebleven, de pioniersgeest van mensen als Gottlieb Daimler [hoofdrolspeler in de ontwikkeling van de benzinemotor en de automobiel], Carl Benz [van o.a. Mercedes-Benz], Werner von Siemens [een van de grondleggers van elektrotechniek] en zoveel anderen? Als zij indertijd net zo voorzichtig te werk waren gegaan, hadden ze nooit ondernemingen van wereldklasse op kunnen zetten, die nog altijd bestaan.

    Je raakt je angsten niet kwijt door wat ze veroorzaakt te vermijden

    Je raakt je angsten niet kwijt door wat ze veroorzaakt te vermijden. Wel door er stelling tegen te nemen. Dat betekent om te beginnen dat ze je onder ogen moet zien, zowel op individueel vlak als in de samenleving. Het beste is om daar zo vroeg mogelijk mee te beginnen. Op school kunnen kinderen al worden aangemoedigd om naar eigen vermogen dingen te ondernemen.

    Daar hoort ook bij dat je leert om te falen. Wie valt, staat weer op en blijft niet jammeren; er komt wel een nieuwe kans. En nieuwe initiatieven hoeven niet meteen zo strak geregeld te worden dat er geen ruimte is voor ontwikkeling; vaak is in het begin nog helemaal niet duidelijk wat een nieuwe technologie allemaal mogelijk maakt.

    Natuurlijk moet men risicovolle technologieën niet zomaar op hun beloop laten. En gelukkig zijn er ook veel voorbeelden van nieuwe bedrijven die het in enkele jaren brengen tot een miljardenomzet, zoals Celonis uit München. Laten we daar een voorbeeld aan nemen. Meer durf, meer zelfvertrouwen, meer ‘Wir schaffen das!’ en minder ‘Eerst maar eens even zien’.

  • ‘Argentinië, wat bezielde ons?’ Deze schrijver begrijpt niet waarom Milei zo populair is

    ‘Argentinië, wat bezielde ons?’ Deze schrijver begrijpt niet waarom Milei zo populair is

    Zondag zijn de presidentsverkiezingen in Argentinië. Schrijver Martín Caparrós is diep teleurgesteld over de opkomst van de radicaal-rechtse kandidaat Javier Milei. ‘Het verbijsterendst is het idee dat er acht of tien miljoenen Argentijnen rondlopen die hem kennelijk als president willen.’

    Keuze uit het archief

    In Argentinië is het armoedecijfer nu de 50 procent overschreden. 52,9 procent van de Argentijnen leeft in armoede als gevolg van het bezuinigingsprogramma van de regering, aldus Financial Times, die spreekt van ‘een wake-up call voor president Javier Milei, wiens populariteit begint af te brokkelen’.
    Dat was een jaar geleden wel anders: in dit artikel van El País van een jaar geleden beklaagt schrijver Martín Caparrós zich erover dat hij een van de weinige Argentijnen is die niet achter de extreemrechtse Milei aanlopen. De beroerde economische situatie in Argentinië hielp Milei in het zadel, maar de vraag is hoe lang hij nog in het zadel blijft zitten nu hij niet in staat blijkt te zijn het land uit het slop te trekken.

    Ik herinner me die zondagavond in Medellín, een paar jaar geleden, na afloop van het door president Santos uitgeschreven referendum om ja of nee te zeggen tegen het vredesakkoord dat hij met de FARC had gesloten. Ik kende niemand die tegen was: iedereen die ik in die tijd tegenkwam steunde hem – wie was er nu tegen vrede? Toch bleek uit de binnenkomende resultaten die avond dat maar een derde van de bevolking zijn stem had uitgebracht en dat Nee won. De verwarring was groot. Ik herinner me vooral het ongemak bij velen toen ze ontdekten dat hun land anders was dan ze dachten en beseften dat ze zich almaar hadden vergist. Zoiets doet zich vaak genoeg voor, en het is altijd schokkend: het moment dat de mensen om je heen anders blijken te zijn dan je  dacht dat ze waren. Dat je in zekere zin zelf anders was dan je dacht. 

    Dat heb ik nu, met permissie, met Argentinië. Iedereen heeft het over Milei, maar voor mij is hij niet het ergste. Dat is de bevreemding deel uit te maken van een land waar een derde – of zelfs de helft – van de bevolking bereid is de macht over te dragen aan een gestoorde geest. Het verbijsterendst is niet de verkiezingsuitslag maar de stemmers, het idee dat er acht of tien miljoenen Argentijnen rondlopen die hem kennelijk als president willen. Ik weet niet wie het zijn, ik snap de landgenoten niet die hem bij de eerste kiesronde van 22 oktober dreigen te kiezen. Natuurlijk snap ik dat ze wanhopig en ten einde raad zijn vanwege de armoede en de rechteloosheid; wat ik niet snap is dat ze geen beter alternatief zien om de problemen op te lossen. Ik snap dat zij – wij – ieder geloof in de politici en hun gesol met de democratie hebben verloren. Wat ik niet snap is dat ze een rare snuiter die met zijn dode hond praat, die iedereen beledigt die hem geen bwana noemt, die organen en wapens wil verkopen omdat de markt dicteert en die over straat gaat met een motorzaag, echt zien als de best denkbare – of enige – optie. Dat ze alles in feite kapot willen maken en er niet bij stilstaan dat er behoefte is aan opbouw. 

    Alles draait om hem en hem alleen. Deze week eindigt de lange provinciale verkiezingsronde die aan de landelijke voorafgaat en nergens hebben de kandidaten uit het kamp Milei meer dan 5 procent gehaald, ook niet op plekken waar hij zelf bij de voorverkiezingen 20 tot 30 procent haalde. De stemmen gaan dus niet naar de partij of haar rechts-populistische ideeën, ze gaan naar zijn dolzinnige getier. Het is deze operettefiguur die al die mensen in zijn ban heeft. (En die in het presidentsdebat van afgelopen zondag het lef had de woorden van stal te halen die admiraal Massera, het bloeddorstigste lid van de junta, sprak tijdens het proces waarbij hij in 1985 werd veroordeeld voor moord: de genocide van de militairen viel voor in ‘een oorlog, en dan heb je nu eenmaal excessen’, aldus de opperbevelhebber van de marine. Milei herhaalde het letterlijk.) 

    De stemmen gaan niet naar de partij of haar rechts-populistische ideeën, ze gaan naar zijn dolzinnige getier

    Ik kan er niet bij met m’n verstand. Ik ben nooit peronist geweest maar ik begreep het peronisme: het bood miljoenen betere leefomstandigheden. Ik ben nooit een Kirchner-aanhanger geweest maar ik begreep haar politiek na een zeer diepe crisis. Ze wist de juiste toon te vinden en de hervorming van de welzijnszorg hield haar in het zadel. Ik ben nooit een Macri-fan geweest maar ik begreep zijn beleid: het herinnerde een heleboel Argentijnen aan het oude misverstand dat rijken kunnen regeren zonder te willen stelen. Ik begreep het, ik meende het te begrijpen. Deze keer niet.

    En het valt me zwaar er werkelijk geen klap van te begrijpen. Het is voor iemand wiens globale wereldbeeld is gebaseerd op respect voor de meerderheid – zeg maar het volk – een hard gelag om te moeten erkennen dat hij niet begrijpt waar dat volk mee bezig is, waar die meerderheid voor kiest. Om te moeten accepteren dat hij niet meer weet wat hij dacht te weten, dat hij in het duister tast. En om diep in zijn hart, met permissie, te geloven dat wat al die mensen doen en kiezen een ramp is. Dat ze ons naar de afgrond voeren. Het verwart me en beschaamt me. Niets zo sneu of karikaturaal als beweren dat het volk een beroerde keus heeft gemaakt en dat proberen te rechtvaardigen vanuit de slechte invloed van de reclame, massamedia en sociale netwerken waarin de wereld bestaat uit blokjes van 20 seconden muziek en kleur, je reinste hersenspoeling. Of zeggen dat alles de schuld is van de marginalisering en achteruitgang van het onderwijs, de logische irritatie van wie geen uitweg of toekomst meer ziet, en beginnen over het zoeken naar een leider die zich onderscheidt van de verfoeide traditionele leiders en van een wereldwijde golf half gare schreeuwlelijken à la Trump, Bolsonaro, Poetin, Boris Johnson. 

    Minkukel

    Ik denk namelijk niet dat genoemde factoren, hoe valide op zich ook, de keus kunnen rechtvaardigen van zo’n lachwekkende minkukel. Dus moet ik – mezelf – toegeven dat ik geen flauw idee heb hoe zulke mensen denken: hoe ze hier in hemelsnaam toe komen, hoe het bestaat dat ze kiezen voor een uitweg die de neergang van een land dat allang langzaam maar zeker naar de bliksem gaat definitief bevestigt. Vervolgens betrap ik me op de gedachte dat ze totaal de kluts kwijt zijn: dat ze niet op de hoogte zijn, niet weten wat ze zeggen, geen idee hebben van de mogelijke gevolgen. Het zijn veronderstellingen die me vat moeten geven op de zaak, maar ik verwerp ze. Ik weet dat ze een hopeloze karikatuur laten zien van de falende intellectueel die er niet uitkomt met zijn intellect, begrip of zucht naar verbinding. Toch lijkt het me even makkelijk om te begrijpen dat hun keus rampzalig is, als het me moeite kost om te bedenken waarom. 

    Ik zou dus lang kunnen praten – of schrijven – over het ondoorgrondelijke karakter van de heer Milei en de gevaren die een regering onder zijn leiding met zich mee zou brengen, maar eigenlijk heb ik alleen vragen over zijn miljoenen aanhangers: wat bezielde hen, wat bezielde ons? Waren we altijd al zo, zijn we nu zo, zijn we niet zo? Wat willen we? En, vooral, wat voor ellende staat ons te wachten als we zijn waar het op lijkt?

    Laten we hopen dat we niet zo zijn, al lijken zeer velen overtuigd van wel. En maar een paar van niet, wat eens te meer het oude vraagstuk van de ‘voorhoede’ opwerpt: is het ergens goed voor dat er een kleine kern is die wel kennis van zaken heeft, die voorziet wat uiteindelijk kan gebeuren? Er zijn door de bank genomen twee opties: of niemand slaat acht op hen – zo gaat het meestal – of dat gebeurt wel, en dan komen ze aan de macht, wat bijna altijd leidt tot despotisme met als voorwendsel meer kennis dan de rest. Hoe speel je het dan klaar belangrijke veranderingen voor te stellen en door te voeren? Dat is momenteel de vraag. Het enige wat ik zeker weet is dat het antwoord niet Javier Milei is en door dit te zeggen verwijder ik me meer en meer van die miljoenen. Ik begrijp mijn eigen land niet meer en het maakt me bang.

    Lees ook:

  • Kaja Kallas: ‘We hebben een gevechtsklaar Europa nodig’

    Kaja Kallas: ‘We hebben een gevechtsklaar Europa nodig’

    Volgens de premier van Estland is het van groot belang de EU flink gaat investeren in defensie, omdat Europa volgens haar momenteel niet in staat zou zijn burgers te beschermen. ‘Onze defensie-industrie moet op oorlogssterkte gaan draaien.’

    Zestien maanden oorlog in Oekraïne hebben strategische kansen en uitdagingen aan het licht gebracht voor de trans-Atlantische veiligheid en de Europese defensie. Met de vergadering van de Europese Raad en de NAVO-top in Vilnius voor de deur is dit het moment om te zorgen dat onze defensie voldoet aan de eisen van de nieuwe veiligheidsrealiteit – want straks is het misschien te laat.

    Op aandringen van Estland heeft de EU onlangs besloten Oekraïne tussen nu en maart 2024 een miljoen artilleriegranaten te leveren. Die steun is van groot belang voor Oekraïne, een stap vooruit in het opvoeren van de Europese defensieproductie en een blijk van wat we met daadkracht en eensgezindheid kunnen bereiken. De Russische agressie heeft ons eraan herinnerd dat we samen moeilijke dingen voor elkaar kunnen krijgen. Maar als het gaat om de Europese gevechtsgereedheid, doen we nog niet genoeg.

    De voor een oorlog allesbepalende munitievoorraden en de ondersteunende capaciteiten van Europa voldoen niet aan de nieuwe veiligheidsrealiteit van het continent, en onze defensie-industrie heeft zich er niet snel genoeg op aangepast. We zijn maar zeer beperkt in staat tot het ondersteunen, in stand houden en snel opschalen van onze defensie. Het is onze verantwoordelijkheid als Europese leiders om hier snel verandering in te brengen, want zoals het er nu voorstaat kunnen we niet voldoen aan onze belofte om onze bevolking te beschermen en elke centimeter Europees grondgebied te allen tijde te verdedigen. 

    Maar hoe is het zover gekomen?

    Streefcijfers

    We kampen momenteel met de gevolgen van decennia van achterblijvende investeringen in de Europese defensie. Op het hoogtepunt in 2005 bedroegen de defensie-uitgaven van alle EU-landen samen 1,6 procent van het bbp, en we zijn nog steeds aan het herstellen van de flinke bezuinigingen in de jaren daarna. De afgesproken streefcijfers voor de defensie-uitgaven zijn voorlopig nog niet meer dan dat: een streven. Ook mondiaal bezien lopen de Europese defensie-uitgaven achter bij de rest van de wereld. Tussen 1999 en 2021 stegen de totale defensie-uitgaven van de EU-landen maar met 19,7 procent, terwijl de defensiebegroting van de VS met 65,7 procent steeg, die van Rusland met 292 procent en van China met 592 procent. Door de verschillen in koopkracht valt deze vergelijking nog verder uit in het voordeel van de laatste twee landen.

    Ook de inflatie en structurele kostenstijgingen dragen sterk bij aan onze beperkte nominale groei. Van elke euro die naar defensie gaat, wordt maar zo’n twintig cent besteed aan aanschaf en R&D – dus aan daadwerkelijke verbetering van onze verdedigingskracht. En hoe cruciaal munitie ook is voor onze paraatheid en afschrikking, slechts een fractie van de investeringen gaat daarheen. Serieuze verbetering van de Europese defensie blijft dus nog gevaarlijk ver buiten ons bereik.

    Europa moet zich instellen op de veiligheidsrealiteit van nu. De agressie van Rusland, dat voor het eerst in de geschiedenis oorlog voert in een buurland van de NAVO, leidt tot een drastische verhoging van de maatstaven waar onze defensie aan moet voldoen. Onze strategische capaciteit moet flink worden opgevoerd en onze defensie-industrie moet op oorlogssterkte gaan draaien. Wat wij nodig hebben, is een gevechtsklaar Europa dat in zijn eigen defensie voorziet. Alleen zo kunnen we een afschrikkingsmacht opbouwen die geloofwaardig genoeg is om een oorlog te voorkomen en een eind te maken aan de Russische geweldsspiraal.

    Al sinds het begin van de invasie zien we Rusland in Oekraïne in één dag hoeveelheden artilleriemunitie afvuren die gelijkstaan aan wat Europa maandelijks produceert. Capaciteit en uithoudingsvermogen zullen de uitkomst van deze oorlog bepalen. Precisieaanvallen, luchtafweergeschut en antitankwapens zijn allemaal van vitaal belang gebleken voor Oekraïne, maar om stand te kunnen houden heeft het land constant schreeuwende behoefte aan meer munitie. Daar moeten wij in onze defensieplannen rekening mee houden. We moeten bij het aanleggen van munitievoorraden niet langer rekenen in hoeveelheden voor dagen maar voor maanden. Tien dagen oorlogscapaciteit te land voor honderd brigades van Europese bondgenoten kost honderd miljard euro. En dat is alleen nog maar voor de pantserinfanterie. Europa moet van alle categorieën munitie die bepalend zijn voor de strijd de voorraden op peil brengen, en dat gaat biljoenen kosten.

    Ik weet uit eigen ervaring hoe moeilijk het is om voor hogere defensie-uitgaven te pleiten

    Eerste vereiste hiervoor is een sterke technologische en industriële basis. Langdurige afnamecontracten van overheden kunnen Europese defensiebedrijven helpen hun productie en capaciteit op te voeren. Maar spoed is geboden. In 1933 bestond er in Estland niet genoeg politieke steun voor verhoging van de defensiebegroting, en een vertienvoudiging van die begroting in 1939 kwam te laat om ons nog te behoeden voor de daaropvolgende invasie en bezetting. De Europese Raad heeft in Versailles vorig jaar toegezegd meer te gaan investeren in defensie, met name in een aantal strategische tekortkomingen. Die belofte moet nu in daden worden omgezet.

    Als de bondgenoten volgende zomer in Washington het 75-jarig bestaan van de NAVO vieren, moeten wij Europeanen laten zien dat we niet alleen in ons denken een strategische omslag hebben gemaakt, maar ook in de praktijk. Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het voor een democratisch gekozen leider is om voor hogere defensie-uitgaven te pleiten. In Estland trekken we de defensie-uitgaven op naar 3 procent van het bbp en verhogen we ook de belastingen. Maar Europa heeft vaker blijk gegeven van haar slagkracht. Zomaar twee voorbeelden: NextGenerationEU, het coronaherstelfonds van 806,9 miljard euro, en de 758 miljard waarmee de gevolgen van de energiecrisis worden verzacht. Nu is er weer behoefte aan een gezamenlijke strategische inspanning, ditmaal gericht op de gevechtsklaarheid van de Europese defensie. De EU moet haar belofte nakomen, leiderschap tonen en meer geopolitiek gewicht in de schaal gaan leggen. Waar het met individuele inspanningen niet lukt, moet met vereende krachten een stap vooruit worden gezet.

    Lees ook:

  • Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Het kapitalisme komt altijd weer sterker uit de crisis tevoorschijn

    Ondanks alle kritiek is het einde van het kapitalisme nog lang niet in zicht, schrijft de Duitse econoom Otmar Issing. ‘Het wordt tijd dat intellectuelen die af willen van de markteconomie zich bij die realiteit neerleggen.’

    Bij elke crisis van enige omvang verschijnen profeten ten tonele die het einde van het kapitalisme verkondigen. Dat soort voorspellingen kennen we al eeuwen. Maar tot nu toe zijn ze nooit uitgekomen, het kapitalisme heeft steeds weten te overleven en kwam vaak zelfs sterker uit crises tevoorschijn. Marx’ these van de noodzakelijke economische en sociale ontwikkeling en de onvermijdelijke ondergang van het kapitalisme bleek gewoon onjuist.

    Door een lang voor onmogelijk gehouden oorlog in Europa, de dreiging van een wereldwijde milieucrisis, het verwachte einde van het fossiele tijdperk, toenemende geopolitieke spanningen met het risico van handelsoorlogen, een voorspelbare strijd over de verdeling van inkomen en vermogen en het indrukwekkende succes van het Chinese economische model is een constellatie ontstaan waarin allerlei profeten wederom, en dit keer zeer nadrukkelijk, het einde van het kapitalisme zullen voorspellen. Door de veelheid aan crisishaarden verwachten ze min of meer dat het kapitalisme dit keer voorgoed schipbreuk zal lijden.

    De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem

    Behalve door deze cyclische bewegingen wordt het kapitalisme begeleid door een constante, je zou bijna zeggen ‘trouwe’ oppositie van talrijke intellectuelen. Ze maken over het algemeen geen onderscheid tussen het ongebreidelde negentiende-eeuwse Manchester-kapitalisme met zijn erbarmelijke omstandigheden en de moderne marktsystemen waarin de staat een essentiële rol speelt, door middel van allerhande interventies de economie corrigeert en stuurt, en zorgt voor een steeds breder sociaal vangnet. De meeste aanvallen zijn dan ook in essentie gericht op de ‘markt’ als economisch en bovendien sociaal sturingssysteem. Hun aanval is simpelweg gericht op het ‘kapitalisme’ als zodanig, en onder die vlag vervalt dan ook de noodzaak tot differentiatie tussen de veelheid aan uitdrukkingsvormen.

    Creatieve vernietiging

    De Oostenrijkse macro-econoom Joseph Schumpeter heeft de markt beschreven als een medium van ‘creatieve vernietiging’ dat achterhaalde activiteiten verdringt en ruimte creëert voor vooruitgang; de markt functioneert als effectief stimuleringssysteem door succesvolle innovaties te belonen met winst. In de economische geschiedenis zijn daarvan ontelbaar veel voorbeelden te zien. Tijdens de pandemie werd de superioriteit van het marktmechanisme opnieuw overtuigend aangetoond. Neem alleen al BioNTech: het echtpaar Sahin reageerde op de uitbraak van de pandemie door, grotendeels gefinancierd door particulier durfkapitaal, zijn onderzoek te concentreren op het vinden van een vaccin. In onverwacht korte tijd presenteerden ze een oplossing die miljoenen mensen het leven heeft gered.

    Dat dit onderzoek is uitgevoerd op basis van door de overheid gefinancierd fundamenteel onderzoek doet geen afbreuk aan de effectiviteit van de markt als stimuleringsmechanisme. De markteconomie opereert tenslotte niet in een beleidsvrije ruimte, maar is geïncorporeerd in het staatsbestel. Het bevorderen van de wetenschap is een kerntaak van de overheid. In het samenspel van staat en markt ontstaan de beste resultaten.

    De voornaamste bron van scepsis of zelfs vijandschap ten aanzien van de markteconomie is echter de kritiek dat dit systeem onvermijdelijk in strijd is met fundamentele beginselen van rechtvaardigheid. Onder economen woedt al jaren een verhit debat over de ongelijkheid in de verdeling van inkomen en vermogen. Ook voorstanders van het marktsysteem zien hier het risico dat de grote en vooral toenemende ongelijkheid tot afnemende politieke acceptatie leidt. Deze opvatting gaat samen met het verwijt dat economische macht ook de politiek in zijn greep krijgt en dan ook het staatsbeleid in vergaande mate bepaalt. Die combinatie maakt dat de weg naar hervorming van het systeem definitief is afgesloten.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig.

    Veel intellectuele niet-economen hebben deze omweg niet eens nodig. Voor hen is het marktmechanisme per definitie asociaal en onrechtvaardig. Aan meer motivering hebben ze geen behoefte, vooral omdat het socialisme klaarstaat als superieure, op rechtvaardigheid gebaseerde orde. Publicaties die deze lijn volgen, krijgen vaak religieuze trekjes.

    De oorsprong van deze antipathie ligt in een ver verleden. Plato staat als een prominent vertegenwoordiger vooraan in de rij. Zijn minachting voor alle economische activiteit, vooral voor handelaren, gecombineerd met het idee van een optimale staatsinrichting met een filosoof-koning aan het hoofd, heeft door de eeuwen heen diepe sporen achtergelaten, niet alleen in de filosofie. Het lijkt op het eerste gezicht vergezocht om van Plato via allerlei tussenstadia een lijn te trekken naar de pretenties van moderne intellectuelen; en toch zijn hun gemeenschappelijke wortels makkelijk te herkennen. De vergelijking strookt ook met de observatie dat deze elitaire, zich althans elitair voelende, groep zich vrijwel zonder uitzondering niet in de actieve politiek mengt. De rol van koning is nu eenmaal niet te vergeven, dus zou men zich in een democratie moeten bezighouden met de problemen van alledag. Dan kun je beter het idee van een betere wereld propageren, en daar is het socialisme bij uitstek geschikt voor.

    Een paar eeuwen later hebben de grote religies in dezelfde richting gewerkt. De geschiedenis van het communisme in de vroege kerkgemeenschappen dient nog steeds als referentiepunt voor een betere samenleving. De ontwikkeling van het christendom is te complex verlopen om het christelijke standpunt over de economie onder één noemer te kunnen brengen. Maar men doet de twee christelijke kerken geen onrecht door ze niet bepaald als verdedigers van het kapitalisme te zien. (De school van Salamanca en de katholieke sociale leer vormen belangrijke uitzonderingen. De huidige paus belichaamt als het ware het kerkelijke speerpunt tegen het kapitalisme.)

    Overlevingskunstenaar

    Met zijn veelsoortige, buiten het economische liggende wortels is en blijft het socialisme een idee dat, ondanks alle in de praktijk mislukte pogingen, kan worden beschouwd als een soort intellectuele overlevingskunstenaar. Het socialisme zien als een hopeloos mislukt idee is iets heel anders dan het kapitalisme in al zijn vormen goedkeuren. Ook is het niet voldoende om te wijzen op de fundamentele verschillen tussen het ongebreidelde Manchester-kapitalisme en moderne markteconomieën. Gebeurtenissen zoals de bankencrisis, waarbij na grote particuliere winsten de verliezen op de samenleving werden afgewenteld, perverteren de argumenten voor de markteconomie. Die zondeval wordt niet goedgemaakt door het feit dat de staat ongehoord heeft gefaald bij het reguleren van en toezicht houden op de banken.

    Het volstaat evenmin om sociale rechtvaardigheid een ‘wezelwoord’ (als een ei dat door een wezel is leeggezogen en zo van zijn inhoud is beroofd) te noemen, zoals de Oostenrijkse Nobelprijswinnaar voor economie Friedrich A. von Hayek deed. Met de roep om meer (sociale) rechtvaardigheid worden wereldwijd ideologische gevechten geleverd en verkiezingscampagnes uitgevochten en ook vaak gewonnen. Het is een hele uitdaging om liberale boodschappen, zoals die van de filosoof John Rawls, in een krachtige slogan uit te drukken.

    Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen?

    Het verdelingsvraagstuk vraagt om antwoorden, net als om het voor een zelfstandig leven, gelijke kansen en participatie noodzakelijke onderwijs. Het paal en perk stellen aan de macht van het geld is altijd al een belangrijk agendapunt van de neoliberalen geweest. In het tijdperk van de moderne netwerkeconomie is het een even urgente als moeilijke opgave geworden. Tegenover de vermoedelijk nooit aflatende beloften van een beter leven zal de markteconomie, met haar hoge eisen aan de persoonlijke verantwoordelijkheid, altijd haar uiterste best moeten doen de goedkeuring van de burgers te krijgen.

    Een onbevooroordeelde blik op de geschiedenis levert een eenduidige diagnose op. Alle experimenten om het socialisme in de praktijk te realiseren zijn uiteindelijk mislukt. Vrijheid en welvaart gedijen op lange termijn alleen in de combinatie van een democratische rechtsstaat en markteconomie. Wordt het geen tijd dat de intellectuelen die zo op de markteconomie neerkijken zich eens bij die realiteit neerleggen? Ook al geeft het beeld van de ideeëngeschiedenis daarvoor niet veel hoop, het is toch zaak steeds opnieuw het debat aan te gaan. 

    Lees ook:

  • Wat zij zeggen over Elon Musk en het vrije woord

    Wat zij zeggen over Elon Musk en het vrije woord

    Internationale commentatoren en opiniemakers over de nieuwe eigenaar van Twitter en de algehele vrijheid van meningsuiting.

    Elon Musk – eigenaar Twitter

    Twitter

    ‘Met vrije meningsuiting bedoel ik gewoon datgene wat overeenkomstig is met de wet.

    Ik ben tegen censuur die veel verder gaat dan de wet

    Als mensen minder vrije meningsuiting willen, zullen ze de regering wel vragen om wetten in die zin aan te nemen.

    Daarom is voorbijgaan aan de wet in strijd met de wil van het volk.’


    Nesrine Malik – columnist The Guardian

    The Guardian

    ‘Absolutisten van het vrije woord zijn als verwaand sportpubliek dat denkt het beter te kunnen dan de spelers. Voor hen moet het woord zo vrij mogelijk zijn. Nergens wordt deze simplificatie duidelijker dan op sociale media. Deze onoprechte strijders voor het vrije woord zijn zo ontwend dat hun daden consequenties hebben, dat ze de mythe hebben geschapen van een censurerende ‘woke’ orthodoxie, die een bedreiging zou vormen voor vrije meningsuiting. Musk is een van hen.’


    Rakhi Bose – redacteur The New Yorker

    The New Yorker

    ‘Dit is een goed moment voor de Tesla CEO om zijn kennis van het moderne liberale politieke denken op te frissen. Om zijn absolutisme van het vrije woord te laten werken, zal Musk een manier moeten vinden om op Twitter de vrijheid van meningsuiting te koppelen aan het ‘schadeprincipe’ – de vrijheid om je mening te geven zolang het de rechten en vrijheden van een ander niet schaadt – en een evenwicht moeten vinden tussen rechten en realiteit, zodat de vrijheid van meningsuiting iedereen ten goede komt.’


    Jelani Cobb – redacteur Outlook India

    Outlook India

    ‘Musk heeft de ban op de meest rabiate gebruikers van Twitter opgeheven. Dat leidde tot de angst bij adverteerders dat hun producten kunnen verschijnen naast homofobe, racistische, seksistische of misantropische tweets. De wens van Musk verloren advertentie-inkomsten te compenseren met abonnementen, terwijl hij tegelijk moderatie van de inhoud terugschroeft, is hetzelfde als mensen vragen tegen betaling lid te worden van een gemeenschap waar ze nog meer kans lopen om misbruikt te worden.’

  • Westplaining: hoe linkse opiniemakers het verhaal van het Kremlin overnemen

    Westplaining: hoe linkse opiniemakers het verhaal van het Kremlin overnemen

    Jeffrey Sachs, Varoufakis en Naomi Klein maken zich volgens deze auteur schuldig aan ‘gedachteloze propaganda’. ‘Ze hanteren een opvatting van het begrip soevereiniteit die opvallend veel lijkt op die van Rusland.’

    Door de Russische aanval op Oekraïne te wijten aan de oostelijke uitbreiding van de NAVO, herhalen enkele prominente figuren van het westerse politieke links gedachteloos de propaganda van het Kremlin. Anderen onthullen gedachteloos hun ware houding ten opzichte van Oost- en Centraal Europa: even neerbuigend en postkoloniaal als die van de imperialisten die ze zo gretig bekritiseren.

    Naomi Klein, die zo briljant de door Amerika geleide poging om Irak te ‘bevrijden’ heeft beschreven in de context van de westerse belangen omtrent olie in het Midden-Oosten, en die zo meeleefde met de Irakezen die aan de ‘shockdoctrine’ waren blootgesteld, prees onlangs Phyllis Bennis’ ‘uitstekende analyse’ van de oorlog in Oekraïne. Volgens Bennis moet men, om de aanval van Poetin op Oekraïne te begrijpen, teruggaan naar 1997, toen Washington ‘de NAVO onder druk zette om naar het Oosten uit te breiden, waardoor een veiligheidsgarantie werd verbroken die de VS na de Koude Oorlog aan Rusland hadden gegeven’. 

    Amerika zou geen wapens naar Oekraïne moeten sturen, want dat zou het militair-industrieel complex enkel ten goede komen

    Ze noemt de NAVO een ‘anachronistische alliantie’ die aan Rusland is opgedrongen, waardoor Rusland NAVO-troepen in zijn directe omgeving als een bedreiging beschouwt. Daarom, zelfs als de oorlog in Oekraïne ‘ongerechtvaardigd’ is, is deze niet ‘niet-uitgelokt’ – Rusland werd simpelweg door de VS die richting in geduwd. Amerika zou geen troepen en wapens naar Oekraïne moeten sturen, want dat zou het militair-industrieel complex enkel ten goede komen. Het moet de sancties ook niet aanscherpen, want die leveren gewoonweg geen resultaat op. De reactie op het conflict moet diplomatie zijn.

    Dus de NAVO en de VS moeten gezamenlijk besluiten om zware wapens en raketten terug te trekken van de Russische grens en in het openbaar erkennen wat de NAVO voor zichzelf allang heeft erkend: dat Oekraïne in de nabije toekomst niet zal toetreden tot de militaire alliantie.’

    Maar hoe zit het met Oekraïne? Moet het gewoonweg accepteren dat een buurland zijn territoriale integriteit heeft geschonden, zijn bevolking vermoordt en zijn steden verwoest? Wie kan het wat schelen? Niet die auteur van de ‘uitstekende analyse’, noch Naomi Klein. Na een overweldigend kritische reactie – Adrian Zandberg, een prominent linksgeoriënteerd lid van het Poolse parlement, nam de auteur van The Shock Doctrine haar ondraaglijke naïviteit en Angelsaksische arrogantie kwalijk – verwijderde Klein de tweet.

    NAVO

    Owen Jones, columnist van The Guardian, podcaster en activist, die welsprekend de belangen van de arbeidersklasse verdedigt, fanatiek islamofobie en transfobie aan de kaak stelt en (regelmatig) de trieste ondergang van Boris Johnsons regering voorspelt, deelde een soortgelijke analyse met de wereld, geschreven door Jeffrey Sachs. 

    Ook Sachs is van mening dat de VS moeten verzekeren dat ze Oekraïne niet tot de NAVO zullen toelaten. Vooral omdat ‘het uitbreiden van het convenant naar het oosten na de ineenstorting van de USSR onnodig, roekeloos en provocerend was’. Echte vrienden van Oekraïne, redeneert Sachs, zouden tot een compromis tussen de VS en de NAVO met Rusland moeten oproepen – ‘een compromis dat de legitieme veiligheidsbelangen van Rusland respecteert en tegelijkertijd de soevereiniteit van Oekraïne 
    volledig ondersteunt’.

    Het creëren van een ‘neutrale bufferzone’ tussen Rusland en het Westen is een uitstekend idee

    Jones tweette het opiniestuk van Sachs en voegde eraan toe dat het creëren van een ‘neutrale bufferzone’ tussen Rusland en het Westen een uitstekend idee is. Toegegeven, na vele kritische reacties kwam hij tot inkeer en verontschuldigde hij zich voor zijn ‘extreem domme, gevoelloze en simpelweg foute’ tweet. Vervolgens begon hij te waarschuwen voor het nucleaire conflict dat ons te wachten staat als het Westen betrokken zou raken bij de oorlog in Oekraïne.

    Hypocrisie

    Dezelfde waarschuwingen worden herhaald door een andere prominente linkse columnist, namelijk Bernie Sanders’ voormalige speechschrijver David Sirota, die, tot groot genoegen van Poetin, Amerikanen beschuldigt van hypocrisie: ‘Het is moeilijk om te zien dat de mensen die met hun leugens Amerika ertoe aanzetten honderdduizenden Irakezen te vermoorden, nu doen alsof ze belang hechten aan het internationaal recht en onschuldige levens.’

    ‘De enige hoop op een vreedzame oplossing is een NAVO-verklaring dat Oekraïne niet zal toetreden tot het bondgenootschap’

    Een andere hoogvlieger van het westerse politieke links, Yanis Varoufakis, de voormalige Griekse minister van Financiën, die zo overtuigend het recht van Griekenland verdedigde om soevereine beslissingen te nemen over zijn toekomst, roept al meer dan een week dat ‘de enige hoop op een vreedzame oplossing een NAVO-verklaring is dat Oekraïne niet zal toetreden tot het bondgenootschap’.

    The Guardian publiceerde op zijn beurt een artikel van Ted Galen Carpenter, een expert gelieerd aan het libertaire Cato Institute – een denktank die wordt gefinancierd door de gebroeders Koch, sponsors van rechts Amerika. Carpenters verhaal dat de aanval op Oekraïne is toe te schrijven aan het ‘arrogante en toondove’ beleid van de NAVO, en dat de ‘vriendschappelijke’ waarschuwingen van Rusland werden genegeerd, sluit naadloos aan op het narratief van het Kremlin. Carpenter suggereert dat Moskou inderdaad recht heeft op de Baltische staten; ze maakten immers niet alleen deel uit van de USSR, maar ook van het Russische Rijk. ‘De schokkend arrogante bemoeienis van het kabinet-Obama’ zou op zijn beurt hebben geleid tot de val van een pro-Russische president in 2014. Vervolgens bracht deze houding Rusland ertoe de Krim te annexeren, uit angst voor zijn veiligheid. ‘We betalen nu de prijs voor de kortzichtigheid en arrogantie van het buitenlandse beleid van Amerika,’ besluit hij.

    Branko Marcetic waarschuwde in de belangrijkste uitlaatklep van het jonge Amerikaanse extreemlinkse Jacobin dat ‘de CIA sinds 2015 in het geheim anti-Russische groeperingen in Oekraïne traint. Alles wat we tot dusver weten wijst erop dat neonazi’s extreemrechtse terroristen over de hele wereld inspireren.’ En in februari klaagde hij dat ‘progressieve wetgevers de crisis in Oekraïne hebben moesten temperen in een wereld die nog steeds besmet is met de na 2016 virale cocktail van 
    anti-Russische hysterie en McCarthy-achtige beschuldigingen’.

    Soevereiniteit

    De benadering van (sommige) westerse linkse experts ten aanzien van de oorlog in Oekraïne toont niet alleen hun verregaande mildheid tegenover Rusland, maar ook een opvatting van het begrip soevereiniteit – of in ieder geval de soevereiniteit van Oekraïne en heel Oost- en Centraal Europa – die opmerkelijk veel lijkt op die van het Kremlin.

    Het Westen is schuldig omdat het Rusland heeft uitgelokt. Maar welke zonden het ook heeft begaan, het heeft hoe dan ook recht op onafhankelijkheid – het is tenslotte ondenkbaar dat iemand beslissingen zou nemen voor de VS, Canada of het VK. De mensen die door het Westen worden onderdrukt – Irakezen, Afghanen, Palestijnen en inheemse bevolkingen – hebben dit recht ook en verdienen het des te meer vanwege eeuwenlange koloniale onderdrukking. Oost- en Centraal-Europa daarentegen – een beetje wild, een beetje barbaars, een beetje tussen een jongere broer en een provinciale oom in, het mythische land Bordurië, Zubrowka, Ruritanië – kan worden opgeofferd. Het is niet voor het eerst dat dat zou gebeuren, en het zal ook niet de laatste keer zijn.

    Het gebied van Oost- en Centraal-Europa is slechts een pion op het geopolitieke schaakbord

    Volgens deze logica waren het niet de Oekraïners die in 2014 besloten dat ze dichter bij de Europese Unie dan de Euraziatische Unie stonden – het waren de VS die een staatsgreep pleegden, ogenschijnlijk in een maatschappelijk vacuüm. Of de Oost- en Midden-Europese staten zich bij de NAVO wilden aansluiten, is allerminst van belang: hun toelating tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie was duidelijk een vergissing, want hoe zouden ze ooit aan de verplichtingen kunnen voldoen? Het zou veel beter zijn om het bij een ​​‘bufferzone’, een niemandsland, te laten. Het gebied van Oost- en Centraal-Europa is slechts een pion op het geopolitieke schaakbord, zonder enige zeggenschap over zijn eigen toekomst. 

    En hoewel zo’n cynische en botte benadering aan de rechterzijde van het politieke spectrum geen verrassing zou zijn, is het onbegrijpelijk dat politiek links, dat meestal zo gevoelig is voor andermans leed en het recht op een eigen identiteit verdedigt, dezelfde houding aanneemt. Blijkbaar kunnen sommige van zijn vertegenwoordigers geen twee simpele dingen tegelijk: ze zijn niet in staat én het Amerikaanse imperialisme aan de kaak te stellen én het Russische imperialisme te zien voor wat het is. Nou, Rusland heeft een scala aan methoden en een lange traditie van inspirerende dienstbare idioten om uit te putten. 

  • Joe Biden noemde Poetin een ‘slager’ – uitglijder of leiderschap?

    Joe Biden noemde Poetin een ‘slager’ – uitglijder of leiderschap?

    Internationale commentatoren en opiniemakers over de opmerking van Joe Biden dat Poetin een ‘butcher‘ is die niet kan aanblijven.

    Dean Obeidallah – radiomaker en commentator

    CNN

    ‘Biden bekritiseerde de ambities van Poetin en verklaarde dat “een dictator die vastbesloten is zijn rijk weer op te bouwen, nooit de liefde van een volk voor vrijheid zal uitwissen”. In plaats daarvan beloofde hij “een betere toekomst, geworteld in democratie en principes, hoop en licht, fatsoen en waardigheid, vrijheid en mogelijkheden”. Over Poetin zei Biden: “In godsnaam, deze man kan niet aan de macht blijven.” Het enige wat ik kan zeggen is: Amen.’


    Edward Luce – columnist 

    Financial Times

    ‘Joe Biden heeft hardop gezegd wat elke westerse leider heimelijk wenst: het einde van het bewind van Vladimir Poetin. Het lastige is dat verandering van het Russische regime nu kan worden gezien als het expliciete doel van de NAVO. Dat zou er natuurlijk voor kunnen zorgen dat Poetin nog minder geneigd is om voorwaarden te accepteren die een einde kunnen maken aan de Russische invasie van Oekraïne. Maar zal dit de overwegingen van Poetin in de praktijk veranderen? Waarschijnlijk niet.’


    Dmitri Peskov – perschef van het Kremlin

    TASS

    ‘Dit is een alarmerende uitspraak. We zullen de Amerikaanse president nauwlettend blijven volgen. Een staatsman moet zijn temperament in bedwang kunnen houden. Elke keer dat zulke persoonlijke beledigingen worden geuit, verkleinen ze de kans op verbetering van de bilaterale betrekkingen. Het is noodzakelijk om hierbij stil te staan. En vergeet niet dat dit de man is die ooit eiste dat Joegoslavië zou worden gebombardeerd. Hij eiste dat mensen werden gedood. Daarom is het ongepast om zoiets van hem te horen.”


    Emmanuel Macron – president van Frankrijk

    France 3

    ‘Laten we ons aan de feiten houden. Ik zou dit soort bewoordingen niet gebruiken omdat ik nog steeds in gesprek ben met president Poetin. Wat willen we collectief bereiken? We willen een einde maken aan de oorlog die Rusland in Oekraïne is begonnen, zonder gevechten te beginnen en zonder escalatie. Langs diplomatieke weg moet worden gestreefd naar een staakt-het-vuren en volledige terugtrekking van de troepen. Als we dat willen bereiken, moet er geen escalatie zijn, noch in woorden, noch in daden.’

  • Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.

    Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.

    Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.

    Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.

    Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.

    Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.

    Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.

    Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld

    We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.

    Vreselijk hoe we afstompen, hè?

    Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.

    Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.

    Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.

    Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.

    Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.

    Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.

    De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.

    Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?

    Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.

    Symbolisch en willekeurig

    Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.

    Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.

    Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.

    Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.

    Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.

    Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.

    Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.

    De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.

    Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.

    De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.

    Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’

    Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.

    Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’


    Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.

    In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!

    Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.

    Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?

    De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.

    En het is mijn schuld.

    Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.

    De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.

    Boodschappers van de terreur

    Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.

    De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.

    Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.

    De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.

    Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.

    Dus: vooral in Europa.

    In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.

    In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.

    In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.

    Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.

    Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.

    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.

    Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.

    De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.

    Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.

    Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.

    Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.

    De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.

    De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online

    Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.

    De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.

    Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.

    Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.

    Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.

    Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.

    En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.

    Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.


    De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.

    Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.

    Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.

    Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?

    Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.

    Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.

    Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.

    Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.

    Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.

    De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.

    Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?

    Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).

    Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.

    Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.

    Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.

    Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.

    Het Werther-effect

    Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.

    Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.

    In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.

    Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.

    Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.

    Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.

    Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.

    Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.

    Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.


    De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.

    Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.

    Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?

    Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.

    Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.

    Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.

    En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.

    We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.

    In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.

    Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.

    Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.

    Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.

    Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.

    Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.

    Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel

    Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel, Der Stern, de Süddeutsche Zeitung, Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.

    En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.

    Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.

    De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.

    Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.

    Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.

    Auteur: Bastian Berbner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • De politiek achter een nodeloze brand

    De politiek achter een nodeloze brand

    De verschrikkelijke brand in Grenfell Tower had niet mogen uitslaan. Hoe is het mogelijk dat er in het hele gebouw maar één vluchtweg was, geen rookmelders noch sprinklerinstallaties?

    Naarmate het dodental van de brand in de Grenfell Tower opliep, maanden verstandige mensen ons om niet te snel conclusies te trekken. Activisten, voornamelijk uit het linkse kamp, kwamen met scherpe verwijten aan het adres van de zelfingenomen bureaucratie van de Kensington and Chelsea Tenant Management Organisation, en aan het adres van de conservatieve regering, die gemakzuchtig had verzaakt de regelgeving voor huurwoningen op orde te brengen.

    De mensen die tot kalmte maanden, kwamen heel verstandig over. Nu ik dit schrijf, weet ik nog altijd niet met zekerheid hoe het vuur zo gruwelijk snel om zich heen heeft kunnen grijpen. Dus waarom overhaaste conclusies trekken en die in de krant zetten? Is er eigenlijk niet iets mis met mensen die bij een ramp ogenblikkelijk met een beschuldigende vinger wijzen?

    Maar verstandige opmerkingen gaan soms niet op. Vanaf het moment dat ik op het nieuws de verschillende accenten hoorde van de overlevenden, was me duidelijk dat deze brand onmiskenbaar een politieke lading heeft.

    De brand heeft gewoed in een flat die de mensen die het beter hebben alleen zien wanneer ze erlangs rijden, op de Westway

    Londen is een stad van rijk en arm. Voor de middenklasse, en voor de geschoolde arbeiders, is het steeds moeilijker om woonruimte te vinden binnen een kilometer of zeven van het centrum, al helemaal wanneer ze iets willen kopen. De rijken wonen voor een deel in flats in de hoogbouw (‘appartementen’, zoals de makelaars het noemen), en voor een deel in de herenhuizen in Chelsea. Overal in de stad is hoogbouw verrezen voor de puissant rijken: van Canary Wharf en langs de westoever van de Thames tot aan het oude St Katharine Docks, ten zuiden van de rivier in het gerenoveerde Battersea Power Station, of helemaal in het noorden bij het complex voor oligarchen, bij Hyde Park, van de gebroeders Candy.

    Om een idee te geven van hoe rijk de rijken in Londen zijn: aan de overkant van de straat waar ik werk, bij de Guardian en de Observer, hebben architecten het braakliggende land ten noorden van Kings Cross onder handen genomen. Waar ooit de prostituees en de dealers zaten, staan nu appartementencomplexen. De architecten zijn er uitstekend in geslaagd om een verwaarloosd stuk stad nieuw leven in te blazen. Maar Kings Cross wordt nog altijd doorsneden door spoorlijnen en doorgaande wegen. Alleen al vanwege het lawaai en de luchtverontreiniging is het niet bepaald een ideale buurt. Ondanks die nadelen kost een vierkamerwoning in een gerenoveerde gashouder, geschikt voor een gezin met twee kinderen, 2,9 miljoen pond. Een driekamerappartement, waar een gezin met twee kinderen eventueel ook zou kunnen wonen, kost 2,1 miljoen. Tijdens de verkiezingscampagne beweerde Labour dat je met een inkomen van 70.000 pond per jaar rijk genoemd mag worden.

    Toegegeven, je behoort daarmee bij de vijf procent van de hoogste inkomens. Maar om een van deze bescheiden ‘appartementen’ te kunnen bemachtigen, in een niet al te gezond deel van Londen, moet je eerder iets van 600.000 pond per jaar verdienen, of je moet ergens een miljoen hebben liggen.

    Zodra ik die accenten op de radio hoorde, wist ik dat het rijke Londen gespaard was gebleven. De brand heeft gewoed in een flat die de mensen die het beter hebben alleen zien wanneer ze erlangs rijden, op de Westway. De overlevenden hadden de stemmen van het arme Londen: de stemmen van vluchtelingen, van nieuwe immigranten uit Congo, de Filipijnen en Marokko, van de arbeiders die er met geen mogelijkheid meer weg komen, al nemen ze nog zo veel tweede en derde baantjes.

    © Wikimedia
    © Wikimedia

    Terwijl ik te horen krijg dat ik niet te snel conclusies moet trekken, valt al wel vast te stellen dat de familie en buren van deze mensen zijn gestorven omdat ze arm waren.

    Overlevenden van de Grenfell Tower zeggen dat ze herhaaldelijk hebben geklaagd over de brandveiligheid, over dat er in het hele gebouw maar één vluchtweg was. Ze waren bang dat boilers en leidingen zouden ontploffen. Ze wilden weten waarom er geen rookmelders en sprinklerinstallaties in het gebouw aanwezig waren. In een profetisch bericht heeft een van de huurders vorig jaar november gezegd: ‘Het is een huiveringwekkende gedachte, maar het Grenfell-actiecomité is er stellig van overtuigd dat er eerst een drama moet plaatsvinden voordat de onwil en de incompetentie van onze beheerder, de Kensington and Chelsea Tenant Management Organisation, in volle omvang duidelijk wordt.’ ‘We worden domweg “afgepoeierd”’, voegen ze er nog aan toe.

    Richard Titmuss, in het verleden professor aan de London School of Economics, heeft ooit gezegd: ‘Slechte publieke voorzieningen worden al snel slechte publieke voorzieningen voor de armen.’ En dat blijft dan zo, aangezien arme mensen niet over de middelen beschikken om er iets aan te doen.

    Als de huiseigenaren in willekeurig welke woontoren voor de rijken, van Canary Wharf tot Hyde Park, hadden gezegd dat ze gevaar liepen, zouden de beheerders meteen in actie zijn gekomen om hen gerust te stellen. De welgestelden weten hoe ze hun onvrede moeten uiten, of wie ze moeten inhuren om dat in hun plaats te doen. Arme mensen weten dat vaak niet, en de instanties weten dat ze zich dan ook weinig van hen hoeven aan te trekken. Mochten er lezers uit de middenklasse zijn die mijn woorden in twijfel trekken, probeer dan maar eens de klachtenlijn te bellen van een willekeurige overheids- of privé-instelling, zo mogelijk met het accent van een laaggeschoolde of een immigrant. Je weet niet wat je overkomt, gok ik.

    Balans

    En als de rijken wel worden afgepoeierd, kunnen ze de andere partij bij de les houden door te dreigen met een rechtszaak. Terwijl de instanties zich niets aantrokken van het brandgevaar in Kensington, procedeerden de eigenaren van luxe-appartementen aan de Thames tegen Tate Modern. Ze stapten naar de rechter, niet omdat ze vreesden dat hun leven gevaar liep, maar omdat door een uitbreiding van Tate Modern duizenden bezoekers nu bij hen naar binnen konden kijken, waardoor ze ineens ‘in een vissenkom’ woonden.

    Ik wil die mensen niet belachelijk maken, of zeggen dat hun problemen in het niet vallen bij de reële gevaren in de achterbuurten van Londen. Ik wil alleen maar zeggen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rijken, met al hun geld en hun advocaten, zullen omkomen zoals de bewoners van de Grenfell Tower zijn omgekomen.

    Dit is het moment om de balans op te maken. We zouden erop moeten staan dat voor arme én rijke mensen dezelfde normen gelden, qua gezondheid en veiligheid. Als rijke mensen een sprinklerinstallatie hebben, zouden arme mensen die ook moeten hebben. 
Als de gebouwen waarin de rijken wonen gevelplaten hebben die niet in brand vliegen, dan zouden de gebouwen waar de arme mensen wonen die ook moeten hebben. We zouden nog verder moeten gaan dan alleen veiligheid, en de normen moeten opschroeven voor wat mensen in al dan niet gesubsidieerde huurwoningen kunnen verwachten aan ruimte en comfort.

    Maar waarschijnlijk zal dat allemaal niet gaan gebeuren. Het invoeren van dergelijke geciviliseerde normen zal tijd kosten, en geld, heel veel geld. Misschien zal er een onderzoek komen dat uiteindelijk nergens toe leidt, zal ook het politieonderzoek uiteindelijk doodlopen, zullen er in Whitehall een paar regels worden aangescherpt. Het circus van het openbare leven zal even op de trom slaan en het vervolgens allemaal van zich af laten glijden.

    Maar ik denk niet dat dat gaat lukken. Of laat ik zeggen, ik hoop dat het niet gaat lukken. We zijn er getuige van geweest hoe honderden mensen probeerden te ontsnappen uit een brandende val, probeerden te ontkomen aan een ramp waarvoor ze herhaaldelijk zelf hadden gewaarschuwd. Als we dat van ons af kunnen laten glijden, kunnen we alles van ons af laten glijden.

    Auteur: Nick Cohen
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Getty

    The Spectator
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 76.950

    Springplank voor aspirant-parlementariërs. Opgericht in 1828 en nog altijd het kompas voor intellectuelen en conservatieve leiders. Sterke analyses, scherp van toon.