Tag: opvoeding

  • ‘Als ouder moet ik het leven van mijn kinderen moeilijker maken’

    ‘Als ouder moet ik het leven van mijn kinderen moeilijker maken’

    Helikopterouders, bulldozerouders en curlingouders staan in de weg van een gezonde ontwikkeling van hun kroost, dat juist moet leren zelfredzaam te zijn. ‘Obstacle parenting’ is de nieuwe opvoedfilosofie.

    Sinds kort probeer ik het leven van mijn kinderen iets moeilijker te maken. Of tenminste niet makkelijker. Als ze een probleem ervaren is de verleiding groot om er iets tegen te doen, maar die weersta ik dan. Ik help mijn huilende kleuter niet met zijn puzzel en ik geef hem geen zetje als hij het klimrek niet op durft. Ik tover in het weekend geen dichtgetimmerd activiteitenprogramma uit mijn hoed en sta dan ook geen tv toe. Ik laat hen worstelen met de existentiële vraag hoe de tijd door te brengen, een vraag die in de menselijke geschiedenis pas recentelijk is ontspoord door een cultuur van dwingende ouderlijke aandacht en nu door de graaiende klauwen van verstikkende technologie. Decennialang lieten ouders hun kinderen zonder enig toezicht in groepjes door de buurt dwalen, maar in de jaren negentig verschoof de opvoedcultuur richting ‘intensive parenting’: opvoeding met hoge betrokkenheid en ononderbroken contact, waarbij elke vorm van zelfredzaamheid als teken van verwaarlozing werd gezien. Ouders begonnen hun kleuters te schaduwen in de speeltuin, bij kinderpartijtjes waren er vaak meer ouders dan kinderen aanwezig en scholieren werden steeds vaker met de auto gebracht.

    Er is een alomtegenwoordige druk voor ouders om te presteren, een druk die diep is geïnternaliseerd. Helikopterouders – ouders die constant om hun kinderen heen zoemen in zowel de fysieke als de digitale wereld – zijn inmiddels de norm. Bulldozerouders maken elk obstakel voor hun kind met de grond gelijk; ze springen tegen iedereen in de aanval, van docenten die te moeilijke opgaven geven tot andere kinderen die te lang op de schommel blijven zitten. Ze doen dit uit liefde, maar ook uit angst; we willen dat onze kinderen gelukkig en veilig zijn, en daarnaast willen we dat andere ouders ons als verantwoordelijk en betrokken zien.

    Controle

    Elke keer dat je als ouder grijpt, elke keer dat je je best doet om een driftaanval of teleurstelling uit de weg te gaan, voelt dat misschien als de juiste keuze. Maar experts waarschuwen dat zo veel controle op de lange termijn schadelijk kan zijn voor de psychologische en emotionele ontwikkeling van een kind. En nu technologie in elk aspect van ons leven is doorgedrongen, zijn schermen er om te sussen en af te leiden, waarmee ze voldoen aan de door ouders opgelegde verwachting van voortdurende interventie.

    Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het onvermogen om ook maar een moment van verveling, ongemak of frustratie te hebben zonder te grijpen naar een scherm of zintuiglijke afleiding, de beste geesten van mijn generatie heeft geruïneerd. Maar voor de kinderen is er nog hoop: misschien moeten we niet méér doen, maar juist minder. Ik heb mezelf daarom laten leiden door een nieuwe opvoedfilosofie: ‘obstacle parenting’. Bij obstacle parenting maak je de dingen een tandje moeilijker voor je kinderen en laat je ze hun problemen zelf oplossen. Mijn kleuter is gek op computerspelletjes, dus laten we haar gamen – niet op een iPad maar op een Macintosh uit 1997. Haar spanningsboog voor spellen als Lemmings of SimTower bedraagt ongeveer een half uur, waarna ze gefrustreerd raakt of zich begint te vervelen; deze spellen, die al meer dan dertig jaar oud zijn, waren niet bedoeld om verslavend te zijn of iemand urenlang te hypnotiseren. Ook zijn ze niet zo makkelijk te beheersen voor een vijfjarige. Toch begint ze er langzamerhand beter in te worden. Van mij hoeven die spellen niet sneller en flitsender te worden. Ze hoeven niet verrijkend of vermakend of zelfs educatief te zijn. Ik wil alleen maar dat mijn kind zelf iets probeert uit te vogelen, vooral als het moeilijk is, of saai.

    Professor Jonathan Haidt van New York University, auteur van het boek Generatie Angststoornis, beargumenteert dat sociale media een ‘jeugdherprogrammering’ teweeg hebben gebracht, wat de afgelopen jaren heeft geleid tot een piek in psychische problemen en lijden onder tieners en jongvolwassenen. Haidt legt een verband tussen de verschuiving van ontdekking en vrijheid naar structuur en toezicht en de crisis onder jongeren, die volgens hem niet de kans hebben gekregen om de wereld zonder hun ouders te ontdekken en zo eigenschappen als zelfredzaamheid en zelfverzekerdheid te ontwikkelen. In plaats daarvan zitten ze thuis naar hun telefoon te staren.

    Mensen op de grond
    © Malte Mueller, Getty Images

    In Canada vormen vijftien- tot vierentwintigjarigen de eenzaamste leeftijdscategorie; een vijfde van de alle tieners die zichzelf in 2019 als mentaal gezond beschreven, voelde zich in 2023 niet langer zo. Tieners doen vandaag de dag minder aan seks en drugs, waarschijnlijk doordat ze minder tijd met hun leeftijdsgenoten doorbrengen dan vroeger. Dat er sprake is van een crisis wordt algemeen erkend, maar Haidts conclusie (dat sociale media de boosdoener zijn) wordt alom betwist. Professor Candice L. Odgers van de Universiteit van Californië in Irvine schrijft in het blad Nature bijvoorbeeld dat het bestaande onderzoek de bewering dat sociale media mentale problemen veroorzaken niet ondersteunt. Wel is het zo dat jongeren met psychische problemen deze platforms eerder op een andere manier gebruiken.

    Of Haidt het nou bij het juiste eind heeft of niet, ouders kunnen hun kinderen nooit eeuwig tegen het scherm behoeden. Onthouding is overigens nooit een effectieve strategie geweest om schade te voorkomen. De laatste jaren hebben veel overlegorganen in Canada, waaronder de Vancouver School Board (VSB), een verbod opgelegd op telefoons in het klaslokaal. Voormalig voorzitter van de VSB Patti Bacchus noemde dit soort maatregelen ‘een twintigste-eeuwse oplossing voor een eenentwintigste-eeuws probleem’. ‘Deze kinderen moeten worden opgeleid tot kritische wereldburgers,’ zei ze tegen de CBC, de Canadese publieke omroep. Met zulk soort beleid wordt overwerkte docenten alleen maar meer ver- antwoordelijkheid opgelegd. Je kan het heel goed eens zijn met de verbanning van verslavende invloeden uit scholen – zo mag je op school ook niet meer roken – en tegelijkertijd erkennen dat er betere oplossingen zijn dan het simpelweg wegnemen van beeldschermen.

    Het verschil tussen 2025 en de voorspoedige jaren negentig ‘is niet dat iedereen toen beter kon omgaan met oningevulde tijd. Het zit hem erin dat tijd simpelweg oningevuld kon blijven zonder dat je meteen werd verzwolgen door gapende muil van het scherm’, aldus Kathryn Jezer-Morton in The Cut. Het is een treffende metafoor; als je je er niet tegen verzet, slokt het scherm alles om zich heen op. Rachel Kushner, die in Harper’s schrijft over haar zoon Remy en zijn passie voor oude raceauto’s, merkt op dat zijn klasgenootjes zich nauwelijks lijken te interesseren voor zijn zelfgebouwde wagens – in tegenstelling tot beveiliger op zijn school. Deze geeft aan dat de jeugd van tegenwoordig nauwelijks hobby’s heeft. Op Kushners vraag ‘Waarom niet?’ antwoordt hij: ‘Door het internet.’

    Generatieve AI

    En toen kwam generatieve AI, het ultieme zwarte gat voor alle nieuwsgierigheid. Met elk wetenschappelijk artikel dat uitkomt over de schadelijke effecten van generatieve AI raak ik steeds bezorgder over hoe afhankelijk mijn kinderen zullen worden van technologie. Op middelbare scholen en universiteiten gebruiken leerlingen sites zoals ChatGPT om hun opdrachten en essays te schrijven, waardoor creativiteit, kritisch denken en daarmee het volledige leerproces achterwege worden gelaten. Onlangs ontdekte een onderzoeker van MIT dat het gebruik van LLM’s (large language models, het soort AI dat ChatGPT ook gebruikt) voor schrijfopdrachten ‘potentiële cognitieve schade’ aanricht: in een periode van vier maanden zagen onderzoekers dat proefpersonen die LLM’s gebruikten ‘consequent slechter presteerden op neurale, linguïstieke en gedragsvaardigheden’.

    Het droevige is dat veel jongeren inzien dat deze hulpmiddelen slecht voor ze zijn, maar ze evengoed gebruiken: uit een enquête onder 423 Canadese leerlingen bleek dat 59 procent van hen AI gebruikt voor huiswerk, ondanks dat de meesten toegaven dat ze daardoor minder leerden en het gevoel hadden af te kijken. Bij een ander onderzoek uit de VS onder volwassen tussen de achttien en zevenentwintig jaar bleek dat bijna de helft zou willen dat de platforms die ze dagelijks gebruiken, zoals Twitter en TikTok, nooit waren uitgevonden. Een eerstejaarsstudent aan de universiteit van Ontario zei in een recent artikel in New York Magazine dat ze vond dat ze verslaafd was aan ChatGPT en sociale media. Door regelmatig gebruik kwam ze in een spiraal terecht: ze keek urenlang filmpjes op TikTok (‘totdat mijn ogen pijn begon- nen te doen’) in plaats van haar huiswerk te maken, en zette vervolgens AI in voor laatstgenoemde taak. Voor veel gebruikers zijn deze apps geen hulpmiddel, maar een valstrik.

    Brandende computer
    © Malte Mueller, Getty Immages

    Technologie breidt zich natuurlijk steeds verder uit. Ik weet dat als mijn kinderen pubers zijn, er vast weer nieuwe technologie is waarover ik me zorgen kan maken. En mijn kinderen zijn niet gevrijwaard van de grijpende tentakels van AI; Mattel, de fabrikant van Barbie en Hot Wheels, kondigde onlangs een ‘strategische samenwerking’ aan met OpenAI (de makers van ChatGPT) om ‘de magie van AI met leeftijdsgebonden speelervaringen te combineren’. Maar dit soort specifieke gevallen van technologische implementatie zijn minder zorgwekkend dan wat ze blootlegt en uitbuit: een gebrek aan nieuwsgierigheid, een onwil om uitdagingen aan te gaan, een tekort aan zelfvertrouwen.

    Dit zijn geen inherente eigenschappen, maar ze worden gevoed, deels door onze goedbedoelde neiging om kinderen bij elke stap bij te staan.

    Elke generatie ouders probeert te leren van de fouten van de vorige generatie. Soms levert dit onmiskenbaar resultaat – zoals de uitvinding van kinderzitjes, en het feit dat kinderen minder worden geslagen. Maar vaak ook voelt het alsof we in plaats van veiligheid een marketingstrategie aangereikt krijgen, waarbij steeds nieuwe trends opkomen om de hardnekkige, existentiële angsten van het ouderschap te sussen. De Rapley-methode bijvoorbeeld, waarmee overgewicht en kieskeurig eten voorkomen kunnen worden; of gentle parenting, waarbij de nadruk ligt op het erkennen en verwerken van emoties. Deze strategieën suggereren dat de oplossing altijd ligt bij meer betrokkenheid en participatie. Met obstacle parenting wordt een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het mijn plicht is mijn kinderen te behoeden tegen alle technologie die hun zintuigen afvlakt. Het doel is eenvoudigweg dat ze leren hun eigen verstand te gebruiken om de uitdagingen en problemen die zich voordoen het hoofd te bieden.

    Onvoldoende vrijheid

    Ik ben lang niet de enige ouder die het zo aanpakt. Rheana Murray vertelt in The Atlantic het verhaal van een aantal ouders die in Portland, Maine collectief een vaste telefoon installeerden waarmee kinderen zelf afspraakjes konden maken of gewoonweg konden praten. ‘We vragen onze kinderen zelden om stil te zijn en met elkaar te communiceren,’ legt een ouder uit. Ook geven we ze onvoldoende vrijheid om zelfstandig te bewegen, al proberen steden hier wereldwijd verandering in te brengen door avontuurlijke speelplaatsen te bouwen die zijn ontworpen voor risicovoller en fantasierijker spel. De nauwe tunnelglijbanen en klimrekken van ontwerpen zoals de sθәqәlxenәm ts’exwts’áxwi7 (‘het regenboogpark’) in Vancouver maken het ouders moeilijker om hun kinderen achterna te gaan. Ze moeten het zelf maar uitzoeken. Uiteindelijk draait obstacle parenting om het ontwikkelen van concentratie en uithoudingsvermogen, twee vaardigheden die verloren zijn gegaan door uitbesteding aan de technologie. De ouders die vaste telefoons installeerden boekten succes doordat ze het gezamenlijk deden, en dat herinnert eraan dat we niet altijd volledig hebben vertrouwd op ouders alleen om hun kinderen groot te brengen. Er bestond een breder netwerk van vrienden en familie, buren en tieneroppassers. Tegelijkertijd kregen kinderen meer toegang tot hun leeftijdgenoten zonder dat elke interactie nauwlettend in de gaten werd gehouden. Structurele interventies, zoals de risicovollere speeltuin, helpen bij dit probleem; ze belichamen het principe dat ouders het niet allemaal zelf hoeven uit te vogelen. De verdwijning van zogeheten third places is een collectief probleem, en hetzelfde geldt voor onveilige straten die het vooruitzicht je kind alleen naar school te laten gaan angstaanjagend maken.

    Obstacle parenting draait niet alleen om het overkomen van fysieke obstakels. Ik zie het meer als oefening in ouderlijke terughoudendheid. Ik laat mijn kinderen met rust als ze zich concentreren; als ze me om hulp vragen wacht ik even en kijk ik of ze zelf met een oplossing komen. Ik laat me verrassen door wat ze zonder mijn inmenging allemaal ondernemen en bedenken. Wel brengt het de vraag met zich mee wat ik op die momenten met mezelf aan moet. Als we onze kinderen willen aanleren om de lokroep van de technologie te weerstaan, moeten we het goede voorbeeld geven. Hier hebben veel volwassenen moeite mee, zelfs degenen onder ons die moeiteloos grenzen stellen aan de schermtijd van hun kinderen. Dit heeft er deels mee te maken dat mijn telefoon zoveel essentiële functies in mijn leven vervult. Of ik nou aan het werk ben, een afspraak inplan bij de dokter, reageer op belangrijk nieuws van een naaste of een samenvatting van een horrorfilm lees op Wikipedia, mijn kinderen zien eigenlijk maar één ding: ik staar naar mijn telefoon. Mijn zoontje begint mijn gedrag al uitstekend te imiteren en kon de camerafunctie van mijn telefoon openen voordat hij zijn eerste stapjes had gezet. De uitdaging van obstacle parenting is niet zozeer om de technologie weg te houden van mijn kinderen, maar van mijzelf.

    Laatst vloog ik met mijn dochter van Toronto naar Vancouver en besefte me dat ik een schermloze vlucht voor de boeg had, of ik het nou wilde of niet; mijn telefoon was bijna leeg en ik moest het laatste beetje van de batterij gebruiken om bij aankomst mijn man te bellen, die ons zou komen ophalen. Gelukkig hadden we een boek met kleurplaten, een tekenblok en een pakje kleurpotloden bij ons, die ons het grootste deel van de vlucht door hielpen. We tekenden samen, bedachten woordspelletjes, babbelden over de leukste momenten van de vakantie en discussieerden over wat de beste manier is om een paard te tekenen: eerst het hoofd of eerst de benen?

    Vier uur na het opstijgen liep ik door het donkere gangpad richting het toilet achterin het vliegtuig. het leek alsof ieder stil gezicht, jong en oud, werd verlicht door de gloed van een scherm. Ik keerde terug naar mijn stoel. De spelletjes waren op. ‘Ik verveel me,’ zei mijn dochter. ‘Soms moet je je vervelen,’ zei ik. We deden het zonneschermpje omhoog en keken naar de wolken. Met mijn dochters hoofd leunend tegen mijn schouder wachtten we samen de landing af.

  • Het meedogenloze perfectie-ideaal. Waarom we allemaal gelukkiger, fitter en rijker willen zijn

    Het meedogenloze perfectie-ideaal. Waarom we allemaal gelukkiger, fitter en rijker willen zijn

    De maatschappij bestookt ons met adviezen voor een beter leven. Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit. Waarom zijn we zo bang om ‘gewoon’ te zijn?

    Keuze uit het archief

    Voor veel mensen is de start van een nieuw jaar de aanleiding om goede voornemens te bedenken en in praktijk te brengen. Blijkbaar vinden veel mensen dat er altijd nog wat aan hun leven te verbeteren valt. Dit artikel van The Economist van drie jaar geleden laat zien welke gevaren er kleven aan het streven naar perfectie en dat het beter is om onze imperfectie te aanvaarden. ‘Perfect is de vijand van goed.’

    Zo’n twintig jaar geleden gaf ik, als jonge universitair docent, een college over negentiende-eeuwse Amerikaanse literatuur. Ik was dol op die periode, maar mijn studenten deelden mijn enthousiasme niet. De meesten hielden het met Moby-Dick of Ralph Waldo Emersons Essays al na een paar bladzijden voor gezien en woonden vervolgens gehuld in stilzwijgen mijn colleges bij, in de hoop dat ze geen vragen zouden krijgen.

    Roy was anders dan de anderen. Hij was uitzonderlijk belezen en hij sprak vol bezieling over de teksten, door zijn medestudenten gadegeslagen met een mengeling van verbijstering en ontzag. Aan het einde van het semester leverden de meeste studenten plichtmatige en volstrekt onleesbare essays in. Maar Roy kwam twee dagen voor de deadline naar mijn kamer met de vraag of hij uitstel kon krijgen. Ik legde uit dat ik hem geen extra tijd kon geven zonder doktersverklaring en dat het hem punten zou kosten als hij te laat inleverde. Ik zei dat hij het best naar huis kon gaan en gewoon maar moest beginnen met schrijven. Hij had er allang blijk van gegeven dat hij veel interessants had te melden. Hij had zijn essay al af, zei hij. Waarom had hij het dan nog niet ingeleverd, wilde ik weten. ‘Omdat het niet goed is,’ antwoordde hij, met een vertrokken gezicht. Hij smeekte me hem wat respijt te geven; ik hield vol dat dat niet binnen mijn vermogen lag.

    Het essay werd een dag te laat ingeleverd. Hoewel het hem vijf punten kostte, had hij nog altijd een hoog cijfer. Ook de rest van dat jaar leverde Roy zijn werk te laat in, maar desondanks was hij de ongeslagen nummer één van de groep. Het jaar daarop schreef hij zich bij mij in voor een masterprogramma. Zijn werk werd steeds indrukwekkender en zijn overschrijdingen van de deadlines steeds ingrijpender. Toen hij een week voor de inleverdatum van zijn eindscriptie naar me toe kwam, zag ik een vurige, rode uitslag op zijn voorhoofd. Geschrokken vroeg ik of het wel goed met hem ging.

    ‘Het ging om zijn afstudeerscriptie en niet om zijn levenswerk. Het hoefde niet perfect te zijn’

    ‘Niks aan de hand,’ zei hij fel. ‘Ik ga krabben als ik stress heb, dat is alles.’ Op datzelfde moment zag ik dat zijn nagels helemaal waren afgekloven en dat er opgezwollen plekken op zijn vingers zaten. Ik verwees Roy door naar de studentenpsycholoog. Eerst wilde hij daar niets van weten, maar al snel begreep hij dat hij daardoor misschien makkelijker uitstel zou kunnen krijgen. In september verstreek zijn officiële deadline, maar dankzij de psycholoog kon hij het rekken tot januari van het volgende jaar. Roy kwam vlak voor de Kerst naar me toe. Hij zag er slonzig uit en staarde wat voor zich uit. Hij kon zijn scriptie onmogelijk op tijd afkrijgen, zei hij. Maar inmiddels beheerste ik de kunst van de zachtmoedige aanpak. Het ging om zijn afstudeerscriptie, zei ik, en niet om zijn levenswerk. Het hoefde niet perfect te zijn.

    ‘Geloof me,’ zei hij met een vreugdeloos lachje, ‘het is verre van perfect. Het komt niet eens in de buurt.’ Ik vermoedde dat hij zijn hele scriptie al had geschreven, wat hij bevestigde. ‘Ik heb het allemaal nog eens overgelezen,’ voegde hij eraan toe. ‘En ik zag geen andere mogelijkheid dan alles weg te gooien.’ Met open mond vroeg ik of hij nog een kopie had bewaard. Dat was niet het geval. Hij had meer dan twintigduizend woorden gewist. ‘Ik heb te veel respect voor u om zoiets bij u in te dienen,’ zei hij.

    Het bleek de laatste keer dat ik Roy zou zien. In de anderhalf jaar daarna kreeg hij keer op keer uitstel vanwege zijn aanhoudende angsten. Toen de deadline van het laatste uitstel was verstreken, kwam hij noch met een scriptie, noch met excuses. Ik schreef hem en vroeg of hij me een voorlopige versie kon laten zien. ‘Dat zou ik u niet willen aandoen,’ luidde zijn antwoord. Daarna heb ik nooit meer iets van hem vernomen.

    Perfectionisme: Troost bij Sylvia Plath

    Creativiteit en frustrerend perfectionisme gaan vaak samen, getuige talloze kunstenaarsbiografieën.

    Het door depressies gekenmerkte en door zelfmoord beëindigde leven van de Amerikaanse schrijfster Sylvia Plath (1932-1963) is doordrenkt van die combinatie. In een bespreking van The Letters of Sylvia Plath, Volume 1: 1940-1956 schreef The New Yorker vier jaar geleden: ‘Ze had het temperament van een perfectionist, dat andere perfectionisten zullen herkennen: de basis is roekeloosheid, zelfs wreedheid jegens zichzelf.’

    Titels als ‘Perfection is Terrible’ en ‘The Imperfect Perfectionist’, maar wellicht het meest in het oog springend is de tekst ‘How Sylvia Plath Helped Me Overcome Depression and Embrace Uncertainty’. Daarin omschrijft ‘popcultuurjournalist’ Jeffrey Davies zichzelf als iemand die van jongs af aan was geobsedeerd door perfectie en controle. Als hij Plath begint te lezen voelt hij herkenning: ‘Net als ik begreep Sylvia niet waarom ze ooit was ondergedompeld in sprookjesfantasieën, terwijl het echte leven daar helemaal niet op leek. Net als ik begreep Sylvia niet waar ze het zelfvertrouwen vandaan moest halen om haar schrijversdromen na te jagen, laat staan hoe ze een functionerend volwassen mens moest zijn.’ 

    De ontdekking van haar werk was doorslaggevend: ‘Ik denk niet dat Sylvia Plath ooit de plek van innerlijke rust heeft kunnen vinden die ik heb gevonden, maar ik ben nog steeds dankbaar dat ze er met mij was. Voor de duisternis, en voor het licht.’

    Onoverkomelijk tekort

    Een van de teksten uit een syllabus die ik had gebruikt tijdens Roys colleges was ‘The Birth-Mark,’ een kort verhaal van Nathaniel Hawthorne uit 1843. Het is het aangrijpendste verhaal dat ik ken over de psychologie van perfectionisme. Aylmer, een jonge bètastudent, ontwikkelt een toenemende koortsige obsessie met een kleine, rode moedervlek in de hals van zijn beeldschone jonge vrouw Georgiana. Zij komt gekmakend dicht in de buurt van perfecte schoonheid en voor hem is dat onverdraaglijk. Hij ziet die moedervlek als een symbool van het ‘fatale menselijk tekort… een teken dat zonde, ellende, verval en dood ook vat kunnen krijgen op zijn vrouw’. Georgiana kijkt ook steeds meer naar zichzelf in de verwrongenheid van haar mans blik en begint zijn afschuw van de moedervlek te delen. Ze smeekt hem zijn vindingrijkheid te gebruiken om ‘de imperfectie van de natuur’ te corrigeren.

    Aylmer brengt zijn vrouw onder in een verborgen boudoir naast zijn laboratorium en dient haar verschillende alchemistische brouwsels toe. Terwijl ze daar in afzondering zit, leest Georgiana het wetenschappelijke dagboek van haar man, feitelijk een litanie van teleurstellingen: ‘Al had hij nog zo veel bewerkstelligd, de conclusie leek onontkoombaar dat zijn grootste successen vrijwel zonder uitzondering mislukkingen waren, gemeten naar het ideaal van zijn ambities.’

    Daarom maakt Georgiana zichzelf wijs dat zijn afschuw van haar imperfectie een nobele blijk van liefde is

    Georgiana is niet in staat de onvermijdelijke conclusie te trekken: de morbide obsessie van haar man met haar ‘onoverkomelijke tekort’ is een projectie van zijn teleurstelling over zichzelf. Daarom maakt Georgiana zichzelf wijs dat zijn afschuw van haar imperfectie een nobele blijk van liefde is. Aylmer distilleert een mysterieus drankje met de smaak van ‘water uit een goddelijke bron’ en Georgiana drinkt het op. De moedervlek verdwijnt, maar vrijwel meteen daarna laat Georgiana het leven.

    Deze verontrustende fantasie van een merkwaardige jonge man in een ondergronds laboratorium heeft wereldwijd tot de verbeelding gesproken van vele mannen en vrouwen. Bij het lezen van Hawthornes verhaal is het moeilijk om niet te denken aan alle verhalen over mensen die zijn overleden, of voor het leven zijn verminkt, na bezoek aan een plastisch chirurg in Turkije of de Dominicaanse Republiek. De vorm van een neus of een bovenlijf veranderen staat symbool voor de zeer begeerde maar onbereikbare droom van een perfecte toekomst. Het is slechts een van de perfectionistische fantasieën die ons consumentenbestaan teisteren. We zien perfecte bruiloften, huizen en vakantiebestemmingen op reclamezuilen, tv-schermen en sociale media. Die beelden roepen bij miljarden kijkers gevoelens op van afgunst, onvolkomenheid en verlangen.

    Zelfkastijding

    In mijn werk als psychoanalyticus zie ik geregeld mensen die in de greep zijn van een meedogenloos ideaal van professionele, romantische, fysieke of morele perfectie. Er gaat vrijwel geen dag voorbij of ik heb wel een patiënt die zich erover beklaagt, of zichzelf verwijt, dat hij niet weet te voldoen aan een bepaald doel dat hij zichzelf heeft gesteld, of aan een bepaalde standaard. Deze zelfkastijding wordt meestal versterkt door de overtuiging dat iemand die ze kennen – een collega, broer of zus, een vriend – in hun plaats wel slim genoeg zou zijn, of voldoende doorzettingsvermogen zou hebben, om te slagen.

    Aan het begin van de lockdown, in het voorjaar van 2020, kreeg ik het idee dat veel van mijn patiënten de perfectionistische eisen die ze aan zichzelf stelden een beetje konden loslaten. Instellingen en bedrijven schakelden over op thuiswerken en voor veel mensen nam de werkdruk iets af; ze werden niet voortdurend in de gaten gehouden en kregen de kans hun prioriteiten te heroverwegen. Ze ontdekten kleine genoegens – taart bakken, wandelen, lezen, praten – en leken optimistisch over de relatie met hun partner en hun familieleden.

    Ik verbaasde me vooral over de betrekkelijk nieuwe instelling van zelfacceptatie waarmee deze veranderingen gepaard gingen. ‘Ik was eigenlijk heel vrolijk nadat ik dat beleidsstuk had ingeleverd,’ zei Polly, een van mijn patiënten. ‘Het rammelde aan alle kanten.’ Nadat ze zichzelf bij onze eerste ontmoeting had getypeerd als ‘pathologisch nauwgezet’, schepte ze er nu genoegen in werk af te leveren dat ‘net door de beugel’ kon. ‘Zie het maar als een soort compensatie voor alle duizenden uren onbetaald werk van de afgelopen jaren.’

    Net als het virus

    De beperkingen hadden haar de ogen geopend voor alles wat ze al die jaren had gemist: tuinieren, fietsen met haar partner, spelletjes doen met haar kinderen. Maar na een week of zes voelde ik deze nieuwe lankmoedige houding verflauwen en zag ik oude eisen weer meedogenloos de kop opsteken. Net als het virus zelf had Polly’s perfectionisme zich aangepast aan de omstandigheden die het geleidelijk hadden geneutraliseerd. Ze meende thuis verlost te zijn van het oordeel en het toezicht van haar manager; maar inmiddels was ze zich er meer en meer van bewust dat ze in de gaten werd gehouden op [het chatprogramma] Slack. Thuiswerken bleek nieuwe ingangen te bieden om met elkaar te wedijveren: wie presteerde het best onder alle extra druk?

    Bij vrijwel al mijn patiënten zag ik deze verschuiving in enige vorm plaatsvinden: een strikter fitnessprogramma, er strenger op toezien of de kinderen hun huiswerk maakten. Mijn patiënten ergerden zich ook vaker, en sneller, aan hun partner, aan hun collega’s en soms aan mij. ‘Denkt u niet dat al die zelfreflectie daadwerkelijk handelen soms in de weg staat?’ vroeg een man me. ‘Is het soms niet beter om op te houden met mekkeren en gewoon in actie te komen?’

    Het perfectionisme was terug, even verlokkelijk en onverbiddelijk als voorheen

    Ook buiten mijn spreekkamer merkte ik deze omslag, het gevoel dat de lockdown even respijt had geboden maar dat het nu tijd was om weer serieus aan de slag te gaan. Het perfectionisme was terug, even verlokkelijk en onverbiddelijk als voorheen. Doordat het perfectionisme na een korte pauze weer zo ongenadig toesloeg, begon ik te vermoeden dat het een diepgeworteld en onlosmakelijk aspect is van ons mens-zijn. Uiteindelijk begint de Bijbel ook niet voor niets met de zondeval, waarna de door God geschapen mens sterfelijk wordt. In allerlei culturen zien we een versie van dit scheppingsverhaal. Vanuit dit perspectief is religie een extravagante manier om onze verloren perfectie te herwinnen – in ieder geval in monotheïstische godsdiensten.

    Maar het geloof heeft ook een tegengesteld – of complementair – doel. Eeuwenlang is religie de belangrijkste manier geweest om in het reine te komen met het feit dat we zondig en feilbaar zijn, imperfect dus. Het religieuze streven naar morele en spirituele verbetering gaat hand in hand met het somber stemmende besef dat perfectie is voorbehouden aan God. Stervelingen in de Bijbel of in de mythologie, zoals de architecten van de Toren van Babel, of Prometheus, die een goddelijke status proberen aan te nemen, worden terstond gestraft. In de religieuze verbeelding staat het idee van menselijke perfectie gelijk aan blasfemie.

    Autonomie

    Met de opkomst van de industriële samenleving gingen mensen iets losser om met het geloof. Nietzsche merkte op dat de burgers van de moderne, seculiere samenleving, die hadden afgerekend met God, merkten dat ze toch niet zonder hem konden. Ze verzonnen een keur aan nieuwe goden in zijn plaats: Cultuur, Wetenschap, Handel, de Staat, het Zelf.

    Van Emersons provocerende essay over onafhankelijkheid in 1841 tot aan de opkomst van de zelfhulpindustrie ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw, en niet in de laatste plaats de opkomst van onze selfiecultuur, wordt autonomie beschouwd als een groot goed, als iets nastrevenswaardigs. Een verbetering van onze onderwijskundige, esthetische en financiële positie, en de behoefte aan erkenning van anderen – het zijn allemaal elementen van de perfectionistische wind die er door onze maatschappij waait.

    Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit

    Het dwingende verlangen naar perfectie is krachtiger en aanweziger dan ooit. In een artikel uit 2017 schrijven twee Britse psychologen, Thomas Curran en Andrew Hill, de exponentiële toename van perfectionisme onder jonge mensen toe aan de ‘steeds veeleisendere sociale en economische parameters’ waarbinnen zij een bestaan moeten zien op te bouwen. Ook zien Curran en Hill een oorzaak in een ‘in toenemende mate angstig en controlerend ouderschap’.

    Door de krapte op de arbeidsmarkt, met name waar het gaat om goedbetaalde en creatieve banen, en door het feit dat huizen onbetaalbaar zijn geworden, gaan zowel jongeren als hun ouders steeds verder in hun pogingen een gunstige uitgangspositie te verwerven. Vandaar de zoveelste onbetaalde stage, cursus of extra klus. Door de opkomst van perfectionistische stress in verband te brengen met de sfeer van onzekerheid en competitie die de vrijemarkteconomie met zich meebrengt, waren Curran en Hill voorlopers in hun kritiek op de meritocratie, zoals die later is geuit door bijvoorbeeld de Amerikaanse filosoof Michael Sandel.

    Door sociale media wordt het gevoel niet goed genoeg te zijn nog eens versterkt

    In The Tyranny of Merit, gepubliceerd in 2020, betoogt Sandel dat het meritocratische kapitalisme heeft gezorgd voor een permanente wedijver binnen de maatschappij, een wedijver die solidariteit en het idee van een ‘algemeen belang’ ondergraaft. Dit systeem zorgt voor een tweedeling tussen winnaars en verliezers, werkt bij de eerste groep ‘hoogmoed en zelfingenomenheid’ in de hand en bij de laatste een structureel laag zelfbeeld. Binnen een dergelijke cultuur zullen jonge mensen snel ontevreden worden, zowel over wat ze hebben als over wie ze zijn. Door sociale media wordt de druk opgevoerd om een perfect beeld van jezelf neer te zetten, en wordt het gevoel niet goed genoeg te zijn nog eens versterkt.

    Zonder intrinsiek gevoel van eigenwaarde zal een perfectionist zijn eigenwaarde afmeten aan externe maatstaven: academische verdiensten, sportieve prestaties, populariteit, behaalde successen op werkgebied. Als hij niet aan de verwachtingen voldoet, zal hij zich beschaamd en vernederd voelen. De druk van maatschappelijke verwachtingen is bepaald geen nieuw fenomeen, maar de afgelopen decennia wordt die last als veel zwaarder ervaren, wellicht doordat de verwachtingen zelf zo uiteenlopend en tegenstrijdig zijn. Het perfectionisme van de jaren vijftig was geworteld in de normen en waarden van de massacultuur en vastgelegd in iconische beelden van het ideale, witte, Amerikaanse gezin – beelden die nu een parodie lijken.

    In die tijd betekende perfectionisme je naadloos voegen naar bepaalde waarden, gedragingen en conventies: robuust zelfvertrouwen voor mannen, ingetogen elegantie voor vrouwen. De perfectionist stond onder druk om er net zo uit te zien als ieder ander, maar dan nog net wat uitgesprokener. De perfectionist van nu moet zich juist onderscheiden door middel van een eigenzinnige stijl of spitsvondigheid, wil hij of zij een voet tussen de deur krijgen in onze aandachteconomie.

    Controle

    Maar perfectionisme is niet alleen een kwalijke kracht. De eis van perfectie kan weliswaar verstikkend zijn, maar perfectionisten kunnen zich soms ook juist staande houden door wat ze presteren. Als het ons allemaal te veel dreigt te worden en we ons vastbijten in onze tekortkomingen, kunnen een geweldig examenresultaat of duizend likes op Instagram ons heel even het gevoel geven dat we alles onder controle hebben.

    Het is natuurlijk wel een vluchtige sensatie, die voortdurend moet worden gevoed. Zoals Moya Sarner, een auteur die veel psychoanalytische opvattingen incorporeert in haar werk, het formuleerde: ‘Het levert een schraal bestaan op, dat niet zozeer wordt bepaald door wat er is, maar vooral door wat er níét is. Als je voortdurend probeert je leven te veranderen in het leven dat je ambieert, leef je niet het leven dat je hebt.’ In 1990 ontwikkelde de Amerikaanse psycholoog Randy Frost een lijst met 35 vragen, bedoeld om perfectionisme in kaart te brengen. Zijn ‘multidimensionale perfectionismeschaal’ maakt een onderscheid tussen drie soorten van perfectionisme.

    Het werkt een zeer motiverende, maar uiteindelijk slopende drang in de hand om een geïdealiseerde versie van jezelf te verwezenlijken

    De eerste soort is het zelfgerichte perfectionisme, een zeurderig stemmetje in je hoofd dat voortdurend zegt dat je het beter moet doen. Dat werkt een zeer motiverende, maar uiteindelijk slopende drang in de hand om een geïdealiseerde versie van jezelf te verwezenlijken: gelukkiger, gezonder, rijker (dergelijke vergelijkende adjectieven tref je vaak aan op het omslag van zelfhulpboeken). In mijn spreekkamer neemt dit vaak de vorm aan van een patiënt die zichzelf verwijt een amandelcroissant te hebben gegeten, of de hele dag politieseries te hebben gekeken, in plaats van een presentatie voor te bereiden of een kind te helpen met een geschiedenisopstel.

    De tweede soort is het sociaal wenselijke perfectionisme, waardoor we proberen te voldoen aan de verwachtingen van anderen. Dat komt vaak tot uiting in fantasieën over kritiek, als een innerlijke monoloog waarin ons te verstaan wordt gegeven hoe we zouden moeten zijn en wat we zouden moeten doen. In ons hoofd horen we hatelijke, kleinerende opmerkingen over onze lompe manier van doen, onze lelijke kleren of onze saaie gesprekken.

    Projectie

    De derde soort is perfectionisme dat is gericht op anderen. Daarbij wordt die bestraffende stem naar buiten gekeerd en verlangen we van de mensen om ons heen dat ook zij voldoen aan onze onmogelijke idealen. Dit is met name kwalijk als het wordt ingezet als machtsmiddel: de ouder die zijn kind vraagt waarom het maar negen tienen heeft, of de baas die niet begrijpt waarom een werknemer zich laat vloeren door een griepje. Op anderen gericht perfectionisme is vrijwel altijd projectie: je zoekt naar zwakten en teleurstelling bij anderen omdat je het niet kunt verdragen die bij jezelf te onderkennen, en dat maskeer je als autoritaire kritiek.

    Dit zijn interessante denkbeelden, maar zodra we met echte mensen te maken hebben is het moeilijk deze categorieën van elkaar te onderscheiden. De drang om slanker of slimmer te zijn wordt vaak gevoed door een koor van interne en externe stemmen. Het is niet zo heel moeilijk te begrijpen hoe zelfkritische gevoelens worden omgezet in kritiek op anderen.

    Perfectionisme is een lastig te vangen begrip. Klinisch gezien kan het zich uiten in een duizelingwekkende hoeveelheid symptomen: depressies en angsten, obsessieve stoornissen, narcisme van de ‘dunne huid’-soort (een geprojecteerd opgeblazen zelfbeeld verhult intense kwetsbaarheid), psychosomatische ziekten, suïcidale gedachten, een vertekend lichaamsbeeld en eetstoornissen. Perfectionisme heeft de kameleontische gave zich te voegen naar verschillende karakters en kwetsbaarheden, en misschien is dat wel de reden dat het nooit is geclassificeerd als een afzonderlijke psychische aandoening.

    Helikopterouders

    Dat betekent ook dat zeer verschillende jeugdervaringen een voedingsbodem kunnen vormen voor perfectionisme. Curran en Hill hebben gelijk dat de zogenaamde ‘helikopterouders’ – ouders die op een verstikkende manier waken over de schoolprestaties en de buitenschoolse activiteiten van hun kinderen – hebben geleid tot een toename van perfectionisme. Maar mijn eigen ervaring heeft me geleerd dat heel andere opvoedstijlen tot een vergelijkbare uitkomst kunnen leiden.

    De ouder die een respectvollere afstand bewaart tot het leven van zijn of haar kind, kan het kind een diepgeworteld verlangen naar erkenning meegeven – erkenning die het kind alleen meent te kunnen krijgen door onophoudelijk te presteren. De dochter die het gevoel heeft nooit te kunnen winnen, die het gevoel heeft dat ze nog zo haar best kan doen met rugby, schaken of cheerleaden, maar van haar ouders toch vooral kleinzielige kritiek zal krijgen, zal ook altijd het gevoel blijven houden dat ze het béter moet doen.

    Maar het kind dat door de ouders bij elke tekening of elke medaille op het schild wordt gehesen alsof het een meesterlijke prestatie heeft geleverd, kan ook het gevoel blijven houden dat het de prestaties van zijn jonge jaren moet evenaren. Hoe je het ouderschap ook invult, de kans bestaat dat je je kind een wanhopig verlangen meegeeft om te pleasen en dat je kind de rest van zijn leven moeite zal hebben het onderscheid te maken tussen wat het zelf wil en wat jij van hem verlangt.

    De ideale plek tussen te veel en te weinig betrokkenheid is ongekend lastig te vinden.

    Dit klinkt misschien als een methode om alle schuld in de schoenen van de ouders te schuiven – wat volgens velen de essentie is van psychoanalyse. Maar je zou het ook kunnen zien als een menselijk inzicht, de erkenning dat het ongekend moeilijk is om een kind goed op te voeden. De ideale plek tussen te veel en te weinig betrokkenheid is ongekend lastig te vinden.

    Dat het zo moeilijk is om niet verstrikt te raken in de tentakels van perfectionisme, suggereert dat perfectionisme daadwerkelijk in de menselijke psyche zit ingebakken. Hoe we ook worden opgevoed, we internaliseren een ideaalbeeld van wie we zouden willen zijn. Psychoanalytici noemen dit het ego-ideaal, een beeld van het perfecte zelf dat we als klein kind zagen weerspiegeld in de adorerende blik van onze ouders of verzorgers. Maar we krijgen op dat punt in ons leven ook een superego, de geïnternaliseerde stem van een zeer kritische ouder, die veel later maar al te vaak wordt versterkt door andere volwassenen met gezag, zoals een docent of een baas. Beide personages die onze psyche bewonen, kunnen beschuldigend aanvoelen. Perfectionisme groeit uit zelfliefde en zelfvernedering.

    Sommige psychologen zijn van mening dat perfectionisme niet pathologisch hoeft te zijn

    Sommige psychologen zijn van mening dat perfectionisme niet pathologisch hoeft te zijn. In 1978 maakte D.E. Hamachek, een Amerikaanse psycholoog, onderscheid tussen normaal en neurotisch perfectionisme. De normale perfectionist kan de lat voor zichzelf heel hoog leggen zonder te vervallen in bestraffende zelfkritiek. Hij kan er zelfs plezier in scheppen om te streven naar verbetering.

    Latere onderzoekers hebben vraagtekens gezet bij Hamacheks onderscheid, met als argument dat het verlangen om perfect te zijn nooit ‘normaal’ kan zijn. Hunkeren naar iets wat intrinsiek onmogelijk is, kan alleen maar leiden tot frustratie en het gevoel tekort te schieten. Door mijn eigen ervaring met perfectionisten ben ik tot een soortgelijke conclusie gekomen. Maar hoewel perfectionisme ons gevoel van eigenwaarde kan ondermijnen, ken ik maar weinig mensen die afstand zouden willen doen van het streven jezelf te ontwikkelen en te groeien.

    Iets in ons mens-zijn zorgt ervoor dat het lastig is om te voelen dat we genoeg hebben gedaan, genoeg zijn

    Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze ambitie niet stukloopt op perfectionistische geestdrift? Er zijn geen makkelijke oplossingen. Iets in ons mens-zijn zorgt ervoor dat het lastig is om te voelen dat we genoeg hebben gedaan, genoeg zíjn. We zijn niet bereid de hoop te laten varen dat anderen op een dag zullen inzien hoe bijzonder wij zijn: het perfecte wezen dat onze ouders ooit op een voetstuk hebben geplaatst. De Franse psychoanalyticus Serge Leclaire poneerde de intrigerende stelling dat onze taak in het leven erin bestaat dit fantastische kind in metaforische zin te doden. We moeten bij voortduring afstand doen van de fantasie van het ideale zelf, en treuren om het feit dat dit een onbereikbaar ideaal is.

    Ik moet dan altijd denken aan een van mijn eerste patiënten, Lydia, een vrouw van in de twintig wier moeder onlangs was overleden aan een ernstige ziekte. Haar ouders waren gescheiden toen ze nog heel klein was; haar vader was hertrouwd en woonde met zijn nieuwe gezin in het buitenland. Lydia werd gekweld door haar eigen uiterlijk, ze postte dwangmatig selfies en telde het aantal likes, terwijl ze nauwgezet controleerde of haar huid, gebit en figuur geen smetjes vertoonden.

    Tijdens Lydia’s jeugd was haar moeder voornamelijk bezig geweest met haar carrière en had de zorg voor haar dochter uitbesteed aan verschillende au pairs. Lydia kon haar moeder niet boeien met haar verhalen over alledaagse problemen met huiswerk, vriendschappen en jongens. De enige manier waarop ze zich kon verzekeren van haar moeders aandacht was door middel van mode en make-up: make-overs, manicures en onlineshoppen. Ze herinnerde zich de liefdevolle blik van haar moeder wanneer ze mascara opdeed of haar haren borstelde. Dan zei haar moeder dat ze zo mooi was, dat de man die haar ooit zou krijgen zich gelukkig mocht prijzen. ‘En zodra ik dan probeerde met haar over een probleem met een docent of een vriendin te praten, zag ik de belangstelling bijna letterlijk van haar gezicht glijden, alsof ze dat er allemaal niet bij kon hebben.’ Lydia leerde haar eigen boontjes doppen. Maar na het overlijden van haar moeder merkte ze dat ze volledig werd beheerst door een streven naar lichamelijke perfectie.

    Kinderlijke houding

    Ik opperde dat Lydia zich misschien genoodzaakt voelde weer het schattige kind te worden dat ze weerspiegeld had gezien in de blik van haar moeder als ze samen met make-up in de weer waren. Deze opmerking triggerde een stroom van langdurig onderdrukte woede en frustratie. ‘Al had ik tegen haar geschreeuwd toen ze nog leefde, dan nog had ze me nauwelijks opgemerkt,’ zei ze met bittere tranen. ‘En nu zal ze me nooit meer horen.’

    Lydia’s woede was een vorm van uitgesteld verdriet, niet alleen om de moeder die ze was verloren maar ook om het perfecte kind dat ze zich kortstondig had gevoeld op de momenten dat ze de aandacht van haar moeder had weten vast te houden. Door te rouwen om dat kind leerde ze afrekenen met haar dwangmatige zelfkritiek. Niet lang nadat ze was gestopt met het posten van selfies, kwam Lydia een keer binnen met een glimlach om haar lippen. ‘Op weg naar buiten ving ik een blik van mezelf op in spiegel,’ zei ze. ‘En ik dacht: Jezus, ik ben eigenlijk best aantrekkelijk!’ Ze lachte weer hartelijk. ‘Maar grappig genoeg ben ik geen topmodel. En wat nog opmerkelijker is: dat wil ik ook niet eens meer worden.’

    Het lijkt soms alsof perfectionisme de weg is naar succes in ons volwassen bestaan. Maar in werkelijkheid is het een fundamenteel kinderlijke houding, die ons doordringt van de overtuiging dat het leven in feite voorbij is zodra we de hoop laten varen om de beste versie van onszelf te worden. Het tegendeel is waar, zoals ook Lydia ontdekte: het is precies het moment dat we eindelijk kunnen gaan leven.

    Pijlijk perfectionisme

    ‘Perfect is de vijand van goed’ is een aforisme dat Voltaire voor zijn Dictionnaire philosophique uit 1764 zou hebben ontleend aan de Italiaanse uitspraak Il meglio è l’inimico del bene. Eerder al, in 1726, noteerde Montesquieu: Le mieux est le mortel ennemi du bien (‘het betere is de aartsvijand van het goede’). 

    Perfectionisme is, kortom, een neiging waarvoor al eeuwenlang wordt gewaarschuwd. Tevergeefs, want het lijkt in het huidige tijdsgewricht vaker voor te komen dan ooit tevoren. ‘Maar liefst twee op de vijf kinderen en adolescenten zijn perfectionist’, zegt Katie Rasmussen, een Amerikaanse wetenschappelijk onderzoeker op het gebied van ontwikkeling en perfectionisme bij kinderen. En volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft het aantal jeugdige perfectionisten het afgelopen decennium recordniveaus bereikt.

    Is het een probleem? Cultureel gezien beschouwen we perfectionisme als een positief kenmerk. Maar er zit een fors aantal haken en ogen aan. Perfectionisme leidt tot een waslijst aan klinische problemen: van depressie, angsten en fobieën tot eetstoornissen, chronische vermoeidheid, slapeloosheid en soms zelfs zelfmoord. Volgens Sarah Egan, wetenschapper aan de Curtin University in Perth, en gespecialiseerd in perfectionisme, eetstoornissen en angst, zijn er onderzoeken die suggereren ‘dat hoe hoger het perfectionisme is, hoe meer psychische stoornissen je zult krijgen’. Oppassen daarmee dus.

    BBC, Londen

  • Wie weet het beter: de ouder of de grootouder?

    Wie weet het beter: de ouder of de grootouder?

    Ouders en grootouders denken beide zeker te weten wat het beste is voor de (klein)kinderen. Dat leidt tot pijnlijke confrontaties, en niet zelden tot een breuk. Zeg je tegen je moeder: ‘Ik wil niet dezelfde opvoedingsfouten maken als jij vroeger maakte’? Of is het toch beter om je mond te houden?

    Een van de prettigste aspecten van het grootouderschap is dat je door je eigen volwassen kinderen wordt gevraagd om tijd door te brengen met je kleinkinderen. Maar die vraag kent een aantal voorwaarden, en zelfs in de meest liefdevolle families overtreden grootouders die regels regelmatig. Om vele redenen kunnen ze het niet helpen dat ze de grenzen overschrijden, of dat nu komt door ergernis dat hun eigen kinderen hen vertellen wat ze moeten doen, de oprechte overtuiging dat ze meer weten over kinderen opvoeden dan hun eigen kroost of, schrijnender, omdat ze zich verzetten tegen de harde realiteit dat ze te oud zijn geworden om de gekoesterde rol van beslisser in de familie te spelen. Dat kan leiden tot spanningen die een relatie kunnen maken of breken.

    ‘Het voelt steeds meer alsof mijn ouders moeite doen om onze zoon het christendom bij te brengen,’ zegt een 34-jarige redacteur die met haar twee zoontjes in Brooklyn woont. Zij en haar man zijn niet religieus, maar hun oudste zoontje van drie jaar ‘zingt vaak kerkelijke liedjes en zegt dingen als “God heeft ons gemaakt!” en “God let op ons!” als hij terugkomt van een verblijf bij zijn grootouders’.

    In het begin waren deze moeder (die anoniem wil blijven om haar ouders niet te beledigen) en haar man ‘er een beetje van geschrokken’. Maar nu zijn ze alleen lichtelijk verbaasd en soms geamuseerd. ‘Ik denk dat we het allebei wel grappig vinden dat twee agnostische ouders een kind hebben dat “Jezus houdt van mij” loopt te zingen.’

    Conflicten

    Ze wilde de kwestie eigenlijk met haar ouders bespreken, maar wist niet precies hoe ze dat moest aanpakken. ‘Mijn moeder schiet al snel in de verdediging over alles wat met de kinderen te maken heeft. Zelfs als ik probeer zo voorzichtig mogelijk ergens over te beginnen, en niet op een emotioneel moment, komt er veel gedoe van.’ Ze zegt dat dit zich telkens voordoet wanneer ze het ergens niet over eens zijn, bijvoorbeeld als oma haar kleinzoon omkoopt met snoepjes om hem nog een wortel te laten eten. ‘Ik bespreek die dingen nu zelden meer met haar, omdat de risico-batenverhouding nihil is.’

    Haar ouders zijn een heel eind verhuisd om dicht bij de twee kinderen – hun enige kleinkinderen – te kunnen zijn en ze hebben een liefdevolle verhouding met de jongens. ‘Onze levens zijn zo verstrengeld; we zien ze een paar keer per week. Om een moeilijk gesprek te voeren dat leidt tot een paar ongemakkelijke dagen waarin we genegeerd worden – dat is lastig en niet iets wat ik wil riskeren, tenzij het echt belangrijk is.’

    Conflicten tussen ouders en grootouders over wat het beste is voor een kleinkind kunnen variëren van ruzies over junkfood tot meningsverschillen over een pak slaag. Hoeveel grootouders weigeren niet zuigelingen op hun rug te laten slapen, zoals de ouders vragen, omdat baby’s in hun tijd op de buik werden gelegd? Hoeveel grootouders geven hun kleinkinderen toch nog een koekje of een half uur tv-kijken, zelfs als ze weten dat de ouders regels hebben over suiker en schermtijd?

    Vorig jaar ondervroeg de Mott Poll, een project van het C.S. Mott Children’s Hospital van de Universiteit van Michigan, families met tenminste één levende grootouder. Waren ouders en grootouders het soms oneens over wat het beste was voor de kleinkinderen? Ja, zei 43 procent van de ondervraagden, die allemaal ouders waren, geen grootouders. In die groep betroffen de twistpunten onder meer discipline (57 procent), voeding (44 procent), schermtijd (36 procent) en bedtijd (21 procent). (Verrassend genoeg, voor mij tenminste, was slechts 10 procent bezorgd over hoe vaak de grootouders foto’s van hun kleinkinderen op sociale media plaatsten.)

    Ouders denken soms dat klagen over oma’s voedingskeuze de moeite niet waard is, omdat ze zoveel te bieden heeft wat betreft liefde, aandacht, emotionele steun en gratis oppassen. Maar zelfs onuitgesproken conflicten kunnen een wig drijven tussen de twee generaties – reden waarom sommige ouders die ik voor dit verhaal sprak me smeekten om hun naam niet te vermelden, zelfs niet hun voornaam.

    ‘Er is geen goede manier om tegen je moeder te zeggen: “Ik wil niet dezelfde opvoedingsfouten maken die jij hebt gemaakt”’

    Veel ouders denken goed na over hoe ze hun kinderen opvoeden, en zien hierin ook een correctie van hoe ze zelf zijn opgevoed. Zij zien hun opvoedingsstijl als manier om de fouten van hun eigen ouders goed te maken. Dat kan het extra irritant maken als grootouders de regels van de ouders negeren.

    Diverse moeders die ik sprak, herinnerden zich bijvoorbeeld hun eigen onwillige eetgedrag als kind, wat alarmbellen deed afgaan toen ze zagen dat hun moeders dezelfde reactie vertoonden als vroeger, namelijk de kleinkinderen dwingen hun bord leeg te eten of erop aandringen meer te eten dan ze op leken te kunnen.

    ‘Vooral immigrantenmoeders denken dat hoe steviger het kind is, hoe gezonder,’ zei een 37-jarige ondernemer en moeder uit Chicago, wier ouders en familieleden allemaal uit het Midden-Oosten komen. ‘Ik moest een gesprek forceren en zeggen: “Je dwingt mijn kind meer te eten dan het wil; dat kan een ongezonde relatie met voedsel veroorzaken.”’

    Ze probeerde haar zienswijze, en die van haar kinderarts, uit te leggen aan haar moeder en schoonmoeder: dat kinderen gezond voedsel aangeboden moet worden, en dat eten dat na een half uur nog niet op was, moest worden weggehaald. ‘Dat hoorde toen ze ons opvoedden niet bij de cultuur. Ze zeiden dat ze daar nog nooit van hadden gehoord.’

    In plaats daarvan zette haar moeder haar driejarige kleindochter op de grond en voerde haar wel twee uur lang tot het bord leeg was. Dat irriteerde de moeder uit Chicago. Ze probeerde haar moeder uit te leggen waarom twee uur voeren inging tegen wat zij en haar man goed vonden voor hun twee jonge dochters, maar vermoedt dat haar moeder het nooit heeft begrepen. Ze heeft het gevoel dat ze misschien niet streng genoeg is geweest. Maar er ís ook geen goede manier om tegen je moeder te zeggen: ‘Ik wil niet dezelfde opvoedingsfouten maken die jij hebt gemaakt.’

    Karen Fingerman, die de relatie tussen ouders en hun volwassen kinderen bestudeert, is tot de conclusie gekomen dat onenigheid over de opvoeding van kleinkinderen een veelvoorkomend twistpunt is. De moeilijkste situatie is die waarin een grootouder met advies komt over hoe het kleinkind gevoed, gekleed, opgevoed of gedisciplineerd moet worden. ‘Het maakt niet uit wie je ongevraagd advies geeft, niemand vindt dat prettig,’ zei Fingerman, directeur van het Texas Aging & Longevity Center van de Universiteit van Texas, tegen me. Het is voor grootouders een moeilijke gewoonte om af te leren, zei ze. Ze zijn simpelweg gewend om hun volwassen kinderen raad te geven, en dat is al begonnen bij ‘toen de kinderen baby’s waren en je tegen ze zei “Niet aankomen, lieverd”, “Niet de straat oversteken”. Dat is je rol als ouder, je kind vertellen hoe ze iets beter kunnen doen.’

    Wat er moet gebeuren, is iets heel moeilijks – zowel vanuit het perspectief van de ouders als dat van de grootouders. De grootouders moeten leren een stap terug te doen en hun kinderen de beslissingen te laten nemen. En de ouders moeten leren het advies niet zo persoonlijk op te nemen. In het ideale geval, zei Fingerman, ‘zien ze dat hun ouders het niet altijd goed doen, en dat geeft niet’.

    ‘Tegen de tijd dat mensen op de grootouderleeftijd komen, is het heel moeilijk om de manier waarop je met kinderen omgaat te veranderen’

    Door de gesprekken met jonge moeders begon ik me af te vragen hoe ik er in de ogen van mijn dochter zelf als oma afkwam. Over het algemeen zijn we het eens over wat het beste is voor mijn twee kleindochters, van drie en bijna zes. Of dat denk ik tenminste. Maar zou mijn dochter, die 37 is, tegen een journalist gaan klagen over hoe ik altijd toegeef aan de vraag van mijn kleindochters om met hen naar de dollarwinkel in de buurt te gaan? Of dat ik moet lachen als ze een beetje druk zijn tijdens het eten – ze kúnnen heel grappig zijn – in plaats van te zeggen dat ze aan tafel moeten blijven zitten en zich moeten gedragen?

    En zou ik geklaagd hebben over mijn eigen moeder, die me naar mijn gevoel elke keer dat ik mijn baby borstvoeding gaf ondermijnde door te zeggen dat moeders in haar tijd werd verteld dat flesvoeding het beste was? En hoe wist ik trouwens dat ze genoeg melk kreeg?

    Ik heb nooit iets gezegd tegen mijn moeder, hoewel mijn dochter wel een keer tegen míj zei dat de aankopen in de dollarwinkel een beetje overdadig werden. (Ik heb geprobeerd het kalmer aan te doen, en toen kwam de pandemie en haalde ik mijn kleindochters niet meer van school en de dagopvang, waardoor de situatie irrelevant werd.)

    Maar zelfs een gesprek over dat grootouders misschien te ver gaan – als de ouders moedig genoeg zijn om het onderwerp aan te snijden – zou volgens de Mott Poll niet veel helpen. Slechts 43 procent van de respondenten van de enquête klaagde tegenover de grootouders over hun gedrag. Bijna de helft van de grootouders die dat soort gesprekken voerde, nam de bedenkingen van de ouders serieus, en zei dat ze zouden proberen meer hun best te doen – waarna ze volgens de ouders hun leven beterden.

    De andere helft deed dat niet. Ongeveer een derde van de grootouders die te horen kreeg dat ze de regels van de ouders niet volgden, zei dat ze er rekening mee zouden houden. Maar volgens de ouders veranderde er niets. Een verdere 17 procent weigerde botweg hun gedrag te veranderen. ‘Tegen de tijd dat mensen op de grootouderleeftijd komen, is het heel moeilijk om de manier waarop je met kinderen omgaat te veranderen,’ zegt Sarah Clark, mededirecteur van de Mott Poll.

    Comfort en veiligheid

    Naarmate mensen ouder worden, zullen ze waarschijnlijk meer comfort en veiligheid vinden in oude, vertrouwde gewoonten – en in de praktijk van de elementaire kinderzorg is nogal veel veranderd. Bovendien speelt als je voor een kind zorgt waarvan je heel veel houdt, de overtuiging mee dat jouw mening de enige is die telt.

    Maar hoe staat het met die andere grote groep grootouders van de Mott Poll en hun tegenhangers in het echte leven – diegenen wier kinderen wel klachten hebben over hoe ze met de kleinkinderen omgaan, maar ze nooit uitspreken? Hoe moeten de ouders van de redacteur uit Brooklyn weten dat hun dochter en schoonzoon zich ergeren aan de bijbelverhaaltjes voor het slapengaan als die dochter en schoonzoon dat nooit ter sprake brengen? Kijk er eens naar vanuit het standpunt van de grootouders: zij hebben meer ervaring met het opvoeden van kinderen dan hun volwassen kinderen, en ze denken ook dat ze het er vrij goed van afgebracht hebben, omdat ze nooit aanmerkingen hebben gehad van hun volwassen kinderen over de manier waarop ze met de kleinkinderen omgaan.

    Sommige van die kwesties gaan niet alleen over of de kinderen wel of niet televisie mogen kijken tijdens het eten, maar zijn zaken van welzijn en veiligheid waarover niet onderhandeld mag worden: een kinderzitje in de auto op de juiste manier gebruiken, buiten roken, het gebruik van een helm op de fiets. En als grootouders dat soort regels negeren, kan dat leiden tot een uitkomst die slecht is voor beide partijen: beperkte omgang met het kleinkind.

    Toegang beperken

    Dat overkwam Shannon, 32, die vorige zomer op het hoogtepunt van de pandemie in haar thuisstaat Colorado een baby kreeg. Zij en haar man wilden graag dat de grootouders van de baby op kraambezoek kwamen, maar eerst deden ze onderzoek om te bepalen wanneer dat veilig zou zijn. Het echtpaar besloot dat alle vier de grootouders twee maanden zouden moeten wachten voor ze het pasgeboren meisje konden zien, en dat ze eerst twee weken in quarantaine moesten, in een camper of een Airbnb, voor ze het huis in kwamen. Bovendien moesten de grootouders de twee vaccins krijgen die kinderartsen iedereen die vaak in contact komt met een zuigeling aanbevelen: een Tdap-injectie (tegen kinkhoest) en een griepprik.

    De grootouders van moederskant kwamen met hun camper vanuit het Noordwesten en volgden alle regels op. Maar Shannon vertelde me dat de grootouders van vaderskant “niet in de wetenschap geloven”. ‘Covid is in hun ogen geen echt risico. Ze hebben het virus genegeerd, gingen naar restaurants, ontmoetten hun vrienden. Ze weigeren in isolatie te gaan; ze zeggen dat alleen liberalen dat doen.’ Omdat ze niet in quarantaine wilden en zich ook niet lieten vaccineren, waren ze niet welkom. Ze hebben de baby, die nu negen maanden is, nog steeds niet gezien.

    Politieke verschillen met haar schoonouders leidden al voor de geboorte van het kind tot een nogal pijnlijke relatie. ‘We hadden meningsverschillen over klimaatverandering en vaccins, maar die hebben we min of meer achter ons kunnen laten.’ Ze dachten dat de relatie zou verbeteren als ze met de komst van de baby een nieuwe band konden aangaan. Maar toen de grootouders weigerden zich aan de regels van de ouders te houden, verdween iedere hoop op verbetering. En volgens Shannon heeft iedereen daaronder te lijden.

    Ze zei dat ze diepbedroefd is om haar dochter, die ‘had kunnen weten hoe het is om geliefd te worden door alle vier haar grootouders. En het komt niet door Covid; het komt door de politiek.’ En ze is ook bedroefd om haar schoonouders. ‘Ze missen deze hele fase; de baby is hun enige kleinkind en ze kennen haar niet.’ Ze vroegen al jaren om een kleinkind, maar hebben zichzelf min of meer buitengesloten uit haar leven. Nu hebben ze alleen nog een Facetime-relatie.

    De toegang tot kleinkinderen beperken is een extreme reactie, maar niet eens zo zeldzaam

    De toegang tot kleinkinderen beperken is een extreme reactie, maar niet eens zo zeldzaam. Uit de Mott Poll bleek dat, als ouders de moed opbrachten om op tafel te leggen wat hen dwarszat, de onverzettelijke grootouders soms de consequenties onder ogen moesten zien. Als grootouders zeiden dat ze hun leven zouden beteren maar niet echt hun gedrag veranderden, ging 32 procent van de ouders ertoe over om ze minder met de kleinkinderen te laten omgaan. Als grootouders ronduit zeiden dat ze zich niet aan de ouderlijke regels zouden houden, kreeg 42 procent van hen te maken met beperkte toegang.

    Maar de meerderheid van de ouders in de Mott Poll volgde hetzelfde pad als de mensen die ik sprak – het pad dat ook ik volgde toen ik me ergerde aan dingen die mijn eigen moeder zei en die ik ervoer als een scherp oordeel over mijn vaardigheid als moeder. Ze zeiden niets en beperkten ook niet de tijd die de grootouders met de kleinkinderen doorbrachten.

    ‘Het is zo mooi om te zien hoe hun band met mijn kinderen is gegroeid sinds ze hierheen zijn verhuisd,’ zei de moeder uit Brooklyn. In die context is de Jezus-kwestie gewoon ‘iets waarover we ons op het hoofd krabben, maar wat ons er ook toe brengt om dieper na te denken over ons eigen standpunt en de manier waarop we onze kinderen opvoeden’.

    Kortom, ouders vermijden om verschillende redenen conflicten. De gecompliceerde reden is dat er rekening moet worden gehouden met nieuwe gezagsrollen in de familie en gevoeligheden bij het geven van advies over ouderschap. En de simpele reden is de erkenning dat de relatie tussen grootouders en kleinkinderen, ook al komen er soms spanningen bij kijken, uiteindelijk een geschenk is.

  • De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De overheid bemoeit zich al niet meer met deze Colombiaanse barrio

    De enige wet die in Altos de Cazucá, Colombia, geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. De delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Sinds corona is hun speelruimte enkel vergroot. Luz Mary, en andere burgers met haar, bieden de enige vorm van verzet die mogelijk is.

    Altos de Cazucá, Soacha – Halverwege maart, als Colombia in lockdown gaat om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, weet Luz Mary wat haar te doen staat. Het is niet de eerste keer dat ze thuis zit opgesloten. De snel pratende moeder van twee kinderen doet de deur op slot, vanaf dat moment speelt haar leven zich af in de kamers van haar huis.

    Toen Luz Mary zich in het verleden in huis opsloot, was dat vanwege een andere doodsdreiging. De gewapende mannen die de dienst uitmaken in haar wijk hadden er geen doekjes om gewonden: als ze niet tijdelijk uit beeld zou verdwijnen, zou ze weleens voorgoed kunnen verdwijnen.

    ‘Er zijn dagen en weken geweest dat ik het huis niet uit kon,’ vertelt ze. ‘Je leert scherp observeren – aan de manier waarop mensen zich gedragen zie je of er iets broeit in de wijk.’

    Delincuentes

    Luz Mary is actief binnen de gemeenschap – sommige Colombianen zouden haar een ‘maatschappelijk leider’ noemen. Haar werk richt zich op de kinderen in de verpauperde wijk. Ze leidt een programma, Semillas y Raíces (Zaden en wortels) om kinderen kennis te laten maken met muziek en toneel en ze ondertussen enige basiskennis bij te brengen op het gebied van gedragsregels en hygiëne.

    Semillas y Raíces doet meer dan de deelnemers instrueren. Het programma biedt ook een veilige haven. Het huis van Luz Mary kijkt uit over een steile helling zonder verharde wegen en uit de onverharde paadjes tussen de groepen huisjes steekt her en der een waterleiding. 

    Delincuentes, zoals ze door de plaatselijke bevolking worden genoemd, hebben de wijk in hun greep en bedreigen de bewoners. Volgens de bewoners hebben deze bandieten banden met nationale drugskartels. Luz Mary zegt dat ze haar als een kwelgeest zien omdat zij de jongeren opvangt die zij proberen te ronselen – jongens en meisjes van soms nog geen negen jaar oud, die de delincuentes gebruiken om op de uitkijk te staan of om kleine klusjes te doen, in ruil voor eten of spullen die de ouders van de kinderen zich niet kunnen veroorloven.

    Semillas y Raíces is ‘een manier om van de straat te blijven en weg te blijven van de drugs,’ zegt een tienermeisje in Luz Mary’s geïmproviseerde theater op het dak. ‘Als ik niet hier zou zijn, zou ik op straat rondhangen.’

    Luz Mary’s werk is onbezoldigd – het programma levert haar niets op en ze bekostigt het zelf, met geld dat ze bijeensprokkelt met losse baantjes, het inleveren van afgedankte, herbruikbare materialen, en zo nu en dan een bescheiden gift. Het werk is ook gevaarlijk. Ze is talloze keren met de dood bedreigd. Toen ze dat meldde bij de autoriteiten, haalden die slechts hun schouders op, zegt ze. Dus probeert ze goed en zo kwaad als het gaat voor haar eigen bescherming te zorgen. Kinderen van het programma waarschuwen Luz Mary als ze ergens in de buurt dreigende woorden opvangen, en Luz Mary heeft van haar spaargeld camera’s laten plaatsen bij haar huis. ’s Avonds laat ligt ze vaak naar de wazige zwart-witbeelden te kijken en durft niet te gaan slapen. Ze moet er niet aan denken de kinderen in haar programma aan hun lot over te laten, maar ze speelt elke dag met de gedachte Altos de Cazucá te verlaten.

    Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen

    Het bijzondere verhaal van Luz Mary doet de ronde door heel Colombia. Overal in het land zien we maatschappelijk leiders, zowel in stadswijken als in dorpen – ze leveren vaak diensten en komen op voor rechten waar de overheid het laat afweten. Activisten en organisatoren nemen zo’n belangrijke positie in binnen de maatschappij dat ze een plek hebben gekregen in het historische vredesakkoord tussen de overheid en de guerrillabeweging FARC (de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia), waarin is vastgelegd dat ze overheidsbescherming zullen krijgen. Ook is in het akkoord vastgelegd dat er ingrijpende hervormingen zullen worden doorgevoerd om ongelijkheid tegen te gaan en te voorkomen dat gemeenschappen ten prooi vallen aan geweld.

    Maar waar een zekere mate van bescherming is beloofd, zijn veel maatschappelijk leiders zoals Luz Mary sinds 2016 alleen maar geconfronteerd met nog meer dreiging. De afgelopen vier jaar heeft een golf van geweld meer dan 415 maatschappelijk leiders het leven gekost. De coronapandemie heeft die trend alleen nog maar versterkt. Door een landelijke lockdown van zes maanden zitten mensen als Luz Mary als weerloze slachtoffers thuis. Activisten kunnen niet hun huis verlaten om bedreigingen of aanslagen te melden bij de politie, en vaak beschikken ze niet over de mogelijkheid om dat via internet te doen. De beleidsmakers, die toch al vaak de ogen sluiten voor de benarde situatie op plekken als Altos de Cazucá, worden nu goeddeels in beslag genomen door de crisis in de gezondheidszorg.

    Luz Mary is bij toeval uitgegroeid tot maatschappelijk leider nadat ze was verhuisd naar een sloppenwijk op een heuvel in Soacha, een stad ten zuiden van Bogotá, zonder te weten in wat voor ellende ze daar zou belanden. Inwoners zeggen dat ze wel begrijpen dat Soacha zo’n sterke aantrekkingskracht uitoefent op drugshandelaren, milities en guerrilla’s – je hoeft alleen maar naar de kaart te kijken. De snelweg die de stad in tweeën snijdt is de voornaamste verbinding tussen de hoofdstad en het zuiden van Colombia, met de grote havenstad Buenaventura. Wat nog een extra aantrekkingskracht uitoefent op criminelen, zijn de poreuze, meanderende grenzen tussen de verschillende wijken van Soacha en Bogotá zelf. De politie houdt de hoofdweg in de gaten, maar niemand controleert de stroom mensen en goederen die overal de ongemarkeerde gemeentegrens overgaat die door glooiende heuvels vol geïmproviseerde huisjes loopt.

    ‘Er is hier sprake van een juridisch en administratief vacuüm,’ zegt een jonge leider die aan de grens woont. ‘Deze buurt is van niemand.’

    Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht

    In 1990 beschouwde het oostelijke front van de FARC de corridor Soacha-Bogotá als een essentieel onderdeel van de strategie om de hoofdstad te omsingelen. De FARC stationeerde strijders op plekken als Altos de Cazucá. Vervolgens mengden paramilitaire groepen van de andere kant zich in de strijd. Deze rechtse milities, een buitengerechtelijke strijdmacht die is gelieerd aan de staat, deden rond 1997 hun intrede in Soacha, omdat zowel zij als de regering de guerrilla’s uit Bogotá wilden verdrijven en wilden voorkomen dat de FARC haar doel zou bereiken.

    Vanaf dat moment is Altos de Cazucá een broeinest van geweld. Tussen 2003 en 2006 zijn duizenden paramilitairen gedemobiliseerd, maar volgens de inwoners van veel buurten in Soacha zijn ze nooit echt vertrokken. De namen zijn veranderd maar de structuren zijn ongewijzigd, en dat geldt met name voor de hiërarchieën die zijn verbonden met de illegale economie. Vandaag de dag lopen er geen geüniformeerde mannen meer door de straat, zoals de paramilitairen ooit deden. Maar de delincuentes hoeven geen gevechtstenue te dragen om de bevolking angst in te boezemen. Iedereen weet wie ze zijn en wat ze doen – ze persen ondernemers af en rekenen af met inwoners die zich verzetten tegen hun illegale macht.

    Net als in de tijd van de guerrilla’s en paramilitairen, zijn de wijken van Soacha nog altijd belangrijke corridors, met name voor drugs maar ook voor wapens en andere smokkelwaar, en voor illegale immigranten. Cocaïne, crack en marihuana gaan naar Bogotá, de rijkste binnenlandse afzetmarkt. Grondstoffen en andere producten die nodig zijn voor de bereiding van cocaïne, gaan Bogotá uit. De autoriteiten hebben cocapasta in beslag genomen, maar ook bewerkte cocaïne, wat erop duidt dat er in Soacha vermoedelijk drugslaboratoria zijn gevestigd die waarde – en winsten – toevoegen aan de aangevoerde smokkelwaar.

    De wetteloosheid die de hellingen van Soacha zo lucratief maakt voor de drugshandel maakt diezelfde hellingen betaalbaar voor de vele arbeiders die werken in Bogotá maar zich de hoge huren daar niet kunnen veroorloven. Plaatselijke overheden noemen Soacha ‘een vat vol slachtoffers’ omdat een groot deel van de bevolking naar Soacha is getrokken na van huis en haard te zijn verdreven in een binnenlandse strijd die al meer dan een halve eeuw woedt. De afgelopen jaren zijn er ook tienduizenden Venezolaanse immigranten naar het gebied getrokken. Officieel telt Soacha 645.000 inwoners, maar Crisis Group heeft van de inwoners zelf en van het stadsbestuur begrepen dat het bevolkingsaantal in werkelijkheid de miljoen is gepasseerd. De mensen leven – vaak dicht opeengepakt – in niet meer dan 200.000 onderkomens, waarvan vele worden bedreigd door aardverschuivingen of overstromingen.

    De sloppenwijken van Soacha staan lokaal bekend als invasiones omdat vele zijn gebouwd op privéterrein, of op land dat met geweld is ingenomen. Daarbij wordt telkens hetzelfde patroon gevolgd: tierreros, machtige makelaars met banden met de georganiseerde misdaad – delincuentes ofwel corrupte politici – leggen beslag op stukken land om er ondermaatse huizen te bouwen. Vervolgens verkopen de tierreros die aan straatarme mensen, die zelfs een lening krijgen aangeboden om de aankoop te kunnen bekostigen. Om de zoveel jaar verkopen de makelaars hetzelfde stuk land weer door en zetten de bewoners uit, die geen juridische hulp kunnen inschakelen.

    Lokaasmethode

    Luz Mary is maar al te bekend met deze lokaasmethode. Zij en haar man konden zich geen huis permitteren in Bogotá, maar een terriero wist hen ervan te overtuigen dat ze in Altos de Cazucá wel een eigen huis konden kopen. Omdat de verkopers zeiden dat de grond binnen een aantal jaar zou worden gelegaliseerd, sloten ze een lening van enkele duizenden dollars af om het huis te kunnen betalen. Ze hebben hun schuld nog lang niet afbetaald, maar inmiddels is duidelijk dat het stukje grond nooit hun bezit zal worden.

    Soacha kent een aantal overheidsvoorzieningen en de clandestiene handelaren proberen overal van te profiteren, van het openbaar vervoer tot aan de watervoorziening, waardoor de armlastige inwoners het alleen nog maar zwaarder krijgen. Veel winkeliers betalen een ‘vaccin’-belasting aan lokale groepen die beweren voor bescherming te zorgen. Die groepen maken zich schuldig aan afpersing en wie niet meewerkt, wordt daar meedogenloos voor gestraft. Door mensen te vermoorden die hun het hoofd bieden, geven ze een duidelijke boodschap af wie er de baas is.

    Toen Luz Mary nog klein was, ging ze met haar moeder mee naar Bogotá, op de vlucht voor paramilitair geweld in een klein plaatsje niet ver van Manizales, in het westen van het land. Daarvoor woonden ze in Suba, een arbeiderswijk in het noordwesten van Bogotá. Luz Mary vertelt: ‘We gingen naar de stad in de hoop op een beter leven, maar we werden geconfronteerd met nog grotere problemen.’ Haar jeugd is getekend door armoede, onveiligheid en misbruik.

    Tegen de tijd dat ze een jonge vrouw is, moet Luz Mary de grootste moeite doen om de eindjes aan elkaar te knopen in Suba. Als ze net zwanger is, verhuist ze met haar man naar Altos de Cazucá, in de hoop op een nieuw begin. Binnen enkele weken nadat ze hun intrek hebben genomen in het huisje van twee verdiepingen dat een tierrero hun heeft verkocht, wordt hun hoop getemperd. Ze komt tot de ontdekking dat er twee drugverkooppunten – ollas – in hun huizenblok zijn, eentje iets hoger op de heuvel en eentje vlak naast hun huis. De hogergelegen olla wordt gedreven door een paramilitaire groep; de lagergelegen olla wordt naar verluidt gerund door ‘guerrilla’s’. Haar buren zijn verslaafd aan crack. Luz Mary leert haar kinderen hun handen voor hun ogen te houden en hun oren dicht te stoppen, om ze af te schermen van de afschuwelijke beelden en geluiden in de buurt.

    Langzaam krijgt Luz Mary een beeld van wat er om haar heen gebeurt. Lokale bendes drijven de drugverkooppunten en persen plaatselijke winkeliers af. Maar het zijn niet zomaar boefjes die hun kans schoon zien. Zoals de buren uitleggen maken deze groepen deel uit van groter en doelgerichter geheel. De staatsombudsman van Colombia, die tot taak heeft de mensenrechtensituatie in beeld te brengen, noemt deze opzet tercerización. Het is een soort piramide-achtige bedrijfsstructuur waarin gewapende, kartelachtige groepen de macht over een bepaalde buurt uitbesteden aan plaatselijke milities. De grotere groepen betalen de voetsoldaten meestal uit in drugs, die de laatsten weer doorverkopen om in hun levensonderhoud te voorzien. De overkoepelende organisatie wast de handen in onschuld aangezien het de delincuentes zijn die geweld gebruiken om hun macht te behouden.

    Geleidelijk, maar gaandeweg steeds sneller, vallen Luz Mary en haar man ten prooi aan een depressie – ze zitten gevangen in een turbulente situatie door de schuld die ze zijn aangegaan nadat ze zonder het te weten een stuk gestolen land hebben gekocht.

    Muziek

    Op een wel heel troosteloze dag pakt de man van Luz Mary, gezeten op hun geel met bruine bank, zijn oude gitaar en begint te zingen. De muziek raakt hen, en op dat moment realiseren ze zich dat ze twee keuzes hebben. Ze kunnen blijven hangen in hun situatie of ze kunnen, om de woorden van Luz Mary te gebruiken ‘afrekenen met het idee dat ze slachtoffer zijn’ en iets dóén. Ze zijn allebei geschokt dat voor veel kinderen in de buurt geweld de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Het is onvoorstelbaar waar kinderen allemaal aan wennen,’ zegt Luz Mary.  Dat is het moment waarop ze besluit op zoek te gaan naar een manier om die kinderen te helpen.

    Luz Mary en haar man zien muziek als de beste manier om jonge mensen te bereiken. Maar eerst moeten ze de kinderen zo ver zien te krijgen dat ze zich aansluiten bij een gestructureerd programma. De delincuentes delen eten uit om de jongeren te paaien, dus besluiten zij hetzelfde te doen.

    Luz Mary herinnert zich de eerste kinderen die haar huis binnen kwamen stommelen en nieuwsgierig om zich heen keken, op zoek naar een reden om te blijven. In het begin komen er maar een paar kinderen, later zijn dat er tientallen. Luz Mary begrijpt dat ze zullen moeten beginnen bij de basis. ‘De kinderen die kwamen, stonken verschrikkelijk,’ zegt ze. ‘Ze wasten zich niet en ze hadden een grote mond, want de mentaliteit die ze meekrijgen is dat ze toch niets voorstellen.’ Als ze één ding kon bereiken, dacht ze, dan was dat om die jongeren een ander zelfbeeld te geven.

    Het programma dat ze samen met haar man opzet, Semillas y Raíces, bestaat uit muziekles, kleinschalige toneelvoorstellingen en kleine buurtprojecten, In de begintijd van Semillas y Raíces laat het staatswaterleidingbedrijf de inwoners weten dat ze gratis water krijgen als ze een eigen aquaduct bouwen. Luz Mary en de kinderen gaan aan de slag, storten beton en leggen een voor een de leidingen. 

    Bij het uitbreken van de pandemie komt de overheidssteun traag op gang en verdwijnen allerlei baantjes. Semillas y Raíces schraapt alles bij elkaar om ouderen en hulpbehoevenden in de buurt eten te kunnen geven. In september en oktober zijn de kinderen en andere inwoners weken in de weer om een steile lokale weg te plaveien zodat de regen niet de huizen binnen stroomt.

    ‘We roeien met de riemen die we hebben en we werken ons uit de naad,’ zegt Luz Mary. ‘We krijgen geen enkele hulp. We recyclen en we verkopen van alles en nog wat om aan geld te komen. We krijgen eten dat anders weggegooid zou worden.’

    Momenteel zijn er meer dan honderd kinderen die geregeld bij Luz Mary over de vloer komen en die zijn uitgegroeid tot een soort broertjes en zussen van haar eigen kinderen. De kinderen hoeven niets te betalen, al dragen sommige ouders bij wat ze maar kunnen missen. Sommige kinderen komen zonder dat hun ouders het weten, soms omdat hun vader of moeder lid is van de gewapende groepering. Om die kinderen te beschermen, maakt Luz Mary een afspraak met hen. Als ze elkaar op straat tegenkomen, doen ze of ze elkaar niet kennen.

    ANP 359045489 1 1 1
    © Joaquin SARMIENTO / AFP

    De bedreigingen beginnen zodra duidelijk wordt dat Semillas y Raíces effect sorteert. Het aquaductproject van Luz Mary valt slecht bij sommige bewoners die zelf de watertoevoer in de hand hadden willen houden om zo weer andere bewoners te kunnen afpersen. Later komt Luz Mary erachter dat een van de mannen die zich benadeeld voelt een huurmoordenaar in de arm heeft genomen – een man van eenentwintig die al tientallen moorden op zijn naam zou hebben staan. Ze is bang dat er nog altijd een prijs op haar hoofd staat.

    Dan volgen de berichtjes op haar telefoon. De eerste keer leest Luz Mary het berichtje niet eens – meestal is het reclame, of onzin. Als ze er toevallig wel een keer een blik op werpt, raakt ze in paniek door de mengeling van gedetailleerde dreigementen en beledigingen. Er wordt een ultimatum gesteld: ze krijgt twintig dagen om uit Soacha te vertrekken en anders komen ze haar vermoorden, staat er. Ze is van mening dat haar ‘vergrijp’ tweevoudig is. Om te beginnen heeft haar programma de vijver drooggelegd van jonge rekruten voor de bendes. Ten tweede heeft het programma met behulp van kleine giften genoeg geld bij elkaar weten te sprokkelen om T-shirts te laten drukken – wat leidt tot geruchten dat Semillas y Raíces geen armoedig clubje is, maar een rijke organisatie die geld probeert te verdienen.

    Doodsbang daalt Luz Mary de helling af in de hoop op hulp van de autoriteiten in het centrum van Soacha. Rondom het plein, daterend uit de koloniale tijd, staan overheidsgebouwen, waar merendeels overwerkte ambtenaren de rijen mensen te woord staan die zich dag in dag uit melden met hun problemen. Luz Mary vertelt dat ze naar de officier van justitie is gegaan om een aanklacht in te dienen. Ze zegt dat ze ook naar het politiebureau en de ombudsman is gegaan om melding te maken van de doodsbedreigingen. De dagen verstrijken en ze hoort niets. ‘Ik stond weer met beide benen op de grond,’ zegt ze. ‘Ik begreep dat niemand me te hulp zou komen.’

    De buren raden haar aan zich een tijdje gedeisd te houden. Als ze ophoudt met haar werk, zeggen ze, zullen de bedreigingen ook wel ophouden. Ze weet nog dat ze op het gemeentehuis hetzelfde advies kreeg, toen ze daar maanden later aan de bel trok. ‘Ik vertelde mijn verhaal, maar ze zeiden dat ik zelf verantwoordelijk was voor de situatie, gezien de plek waar we wonen.’

    Wanneer maatschappelijk leiders op een dergelijke manier worden bedreigd, moeten volgens de Colombiaanse wet de plaatselijke overheden als eerste reageren. Maar hoewel Soacha elk jaar tijdelijk andere huisvesting regelt voor een beperkt aantal mensen dat met vergelijkbare bedreigingen te maken krijgt, schiet de reactie van de overheid vaak te kort en dan kunnen de maatschappelijk leiders eigenlijk nergens meer terecht. Luz Mary hoopt in aanmerking te komen voor het beschermingsprogramma van het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat grofweg zo’n vijfduizend maatschappelijk leiders in heel Colombia helpt met kogelvrije vesten of zelfs bodyguards.  Ze is maanden bezig om de vereiste papieren bij elkaar te krijgen en het ingewikkelde aanvraagformulier te doorgronden, dat ze uiteindelijk ingevuld en wel afgeeft op een politiebureau. Dit jaar alleen al hebben bijna zevenduizend leiders hulp gevraagd bij deze instantie – slechts zestien procent van de aanvragen is gehonoreerd.

    Inmiddels vertrouwt Luz Mary voor haar veiligheid niet langer op de overheid, maar op het netwerk dat ze met Semillas y Raíces heeft opgebouwd. Meer dan eens is ze door kinderen uit gezinnen die banden hebben met de gewapende bandieten gewaarschuwd dat hun ouders het over haar hadden. Dat is voor haar het teken om zich binnenshuis op te sluiten, met als enige gezelschap haar beveiligingscamera’s. Ze registreert alles wat zich op straat afspeelt, tot diep in de nacht, en als er echt iets gebeurt hoopt ze dat haar camera’s het allemaal hebben vastgelegd. 

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen

    Door de pandemie is alles anders. Zoals Luz Mary zegt: ‘Alle problemen die in onze gemeenschap spelen komen nu naar de oppervlakte – en ineens zijn het er drie keer zoveel.’

    Zoals ook elders in Colombia zien gewapende groepen in Altos de Cazucá corona – en de lockdown om de verspreiding van het virus een halt toe te roepen – als een uitgelezen kans om hun greep op de buurt te verstevigen. Omdat er maar weinig lokale autoriteiten zijn om de lockdown af te dwingen, hebben de delincuentes hun eigen beperkingen aan de bewegingsvrijheid ingesteld. In augustus meldt de ombudsman dat er bepaalde groepen in Soacha zijn die bepalen welke winkels wel of niet open mogen om bevoorraad te worden, waarmee ze duidelijk laten zien wie de macht in handen heeft in Altos de Cazucá. De enige wet die hier geldt is de ley de silencio – de wet van het zwijgen. Wie een bedreiging meldt of in het geweer komt tegen de intimidatie wordt bestempeld tot sapo, informant. Wie de gewapende groeperingen ook maar een strobreed in de weg legt, loopt gevaar. Alleen al het melden van een misdaad kan beteken dat je tot vijand wordt bestempeld. Luz Mary zegt dat er tijdens de lockdown twee mensen zijn vermoord, maar dat ‘niemand zijn mond open heeft gedaan’.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger

    De scholen in Colombia zijn sinds maart gesloten vanwege de pandemie, wat de gewapende groeperingen nieuwe kansen biedt om de kinderen los te weken van hun gezin. De meeste kinderen in Soacha volgen geen virtuele lessen; in plaats daarvan krijgen ze opdrachten mee die een zekere mate van ouderlijke supervisie vereisen – en dat is voor veel gezinnen domweg te hoog gegrepen. In juni heeft de inspecteur-generaal melding gemaakt van een toenemend aantal kinderen dat wordt gerekruteerd in stedelijke gebieden zoals Soacha, waar jongeren zich aansluiten bij de plaatselijke bendes of zelfs bij gewapende groeperingen verspreid over het hele land. Maatschappelijk leiders die het ergste proberen te voorkomen moeten nog meer moeite doen dan voorheen om die kinderen een veilige omgeving te bieden.

    Onlangs heeft Luz Mary haar buurtgenoten bij elkaar geroepen voor een toneelles – in de nieuwe realiteit van corona. ‘De enige manier om op dit soort plekken les te geven is door een interactieve school op te zetten,’ zegt ze. Een man gekleed in een vuilniszak en met een geschminkt gezicht loopt met gespreide armen van de ene kant van de straat naar de andere. Hij doet alsof hij een vliegtuig is dat het virus van het ene land naar het andere brengt. Hij ‘infecteert’ iedereen die hij aanraakt.

    De toekomst voor maatschappelijk leiders zoals Luz Mary ziet er grimmig uit, maar een toekomstbeeld zonder hen is nog grimmiger. ‘Er gebeuren hier de meest vreselijke dingen,’ zegt ze. ‘Er komt geen einde aan de dreigementen. Soms heb ik het gevoel dat ik het niet langer aankan. Maar dan vraag ik me af: als ik het niet meer doe, wie moet het dan doen? (…) Er gebeuren veel afschuwelijke dingen in het leven. Mijn bijdrage aan deze wereld is dat ik deze kinderen iets leer.’ 

  • Het is heerlijk om een Slechte Oma te zijn

    Het is heerlijk om een Slechte Oma te zijn

    Niet roken en drinken in het bijzijn van je kleinkinderen? Onzin, vindt journaliste Lynn Barber: van haar krijgen ze een opvoeding die ze nooit zullen vergeten.

    Ik geloof niet dat er in mijn jeugd zoiets bestond als Moederdag, of in ieder geval niet bij ons thuis. Mijn ouders hadden het niet zo op sentimenteel gedoe, of op feestdagen. Maar toen ik eenmaal zelf kinderen had viel er niet langer te ontkomen aan deze gruwel. Ze kwamen thuis van de peuterklas met een of ander afschuwelijk, hartvormig kaartje en vertelden vol trots dat ze er een hele week aan hadden gewerkt. Dan zei ik snibbig: ‘Weten ze daar niets beter te verzinnen? Kunnen ze jullie niet leren rekenen of zo?’ Waarop de kinderen huilend naar papa gingen en ik me gedwongen zag te zeggen: ‘Sorry, sorry, ik maakte maar een grapje.’ Ik zette de monsterlijke kaarten op de schoorsteenmantel, waar ze een paar weken stonden te verstoffen.

    Maar wat nog veel en veel erger was, was dat mijn schoonmoeder écht aan Moederdag hechtte, wat aanleiding was tot vele tranen en driftbuien. Ik had niet alleen tot taak de kinderen achter hun broek te zitten om een kaartje voor oma te maken, maar ook nog eens om mijn man achter de vodden te zitten om iets voor haar te kopen, en venijnig te sissen: ‘Met bloemen van de benzinepomp kom je er niet!’ En alsof dat allemaal nog niet erg genoeg was, kregen onze dochters, toen ze respectievelijk vier en zes waren, een glanzend wit T-shirt van haar, met de opdruk: ‘I love my granny’. Ik probeerde alle gebruikelijke trucjes, maar uiteindelijk wist ik ze alleen maar zo gek te krijgen die met Moederdag aan te trekken door ze elk vijf pond te geven. Dat was het moment waarop ik zwoer nooit oma te worden.

    Maar goed, nu is het er dan toch van gekomen – het gaat min of meer vanzelf als je kinderen hebt en maar lang genoeg wacht – en zo erg is het allemaal niet. Eigenlijk zijn het vooral de leuke kanten van het ouderschap – het knuffelen en de vrolijkheid zonder de poepluiers. Van Rosie heb ik Max, die acht is, en Rocco, die zes is. Van Theo heb ik Effie van vijf en Enzo van drie. Om het weekend ga ik naar Brighton, en zo nu en dan komen ze bij me logeren in Londen, al gaat dat de laatste altijd gepaard met angstige voorgevoelens, die meestal niet onterecht blijken. Ze maken niet eens zo héél veel stuk, al laten ze wel een merkwaardig plakkerig spoor achter op het vloerkleed; het is meer dat mijn dochters het mij kwalijk nemen als mijn kleinkinderen zich bezeren.

    Kerstboom

    Dit jaar had ik ze voor het eerst te logeren met Kerstmis en ik vond dat ik een omamedaille verdiende omdat ik een kerstboom in huis had gehaald. ‘O, mam!’ jammerde Theo, ‘Je hebt glazen ballen in de boom gehangen. Straks eet Enzo ze op!’ Zou het? Echt? Heb ik echt een kleinzoon voortgebracht die zo onnozel is dat hij een kerstbal in zijn mond zou stoppen? Oké, hij is nog maar drie, maar je zou denken dat hij wel een paar boerenverstandgenen heeft meegekregen. Nou ja, de positieve kant is dat mijn dochters de kleinkinderen niet meer aan mijn zorg toevertrouwen uit angst dat ik ze op straat laat spelen, midden tussen de auto’s. Ik vind het wel best: ik geniet ervan om de kleinkinderen te zien, maar ik zit niet te wachten op de verantwoordelijkheid, zeker niet een hele dag. Kinderen zijn loodzwaar en ik heb last van mijn rug. Ik vind het leuk om voor te lezen, maar ze in bad stoppen is een hoop gedoe en ik vind er niks aan om met ze te eten omdat ik dan moet doen alsof ik het heel belangrijk vind dat ze hun groente opeten. Wanneer hebben kinderen ooit hun groente opgegeten? En – dat is de druppel – ik zou niet mogen roken of drinken waar ze bij zijn. Ik word ook geacht voor hun komst mijn hele huis te ontdoen van huisstofmijt, wat me een hele week zou kosten als ik het al zou proberen. Maar ik put moed uit recent onderzoek dat aantoont dat het heel goed is voor kinderen om te worden blootgesteld aan allerlei bacteriën en microben.

    Vroeger hadden we al die regels niet – we rookten en dronken tijdens de zwangerschap (ik rookte zelfs nog in de verloskamer), we hadden geen kinderzitje in de auto, we gaven de kinderen suikerwater te drinken, we kochten ze om met snoep als ze naar bed moesten. Ik herinner me mijn verbijstering toen ik een moeder op het schoolplein hoorde zeggen dat we geen pinda’s mochten neerzetten voor het kerstfeestje omdat sommige kinderen daar allergisch voor waren. ‘Allergisch voor pinda’s? Het moet niet gekker worden,’ lachte ik vrolijk. Het werd natuurlijk nog veel gekker, en tegenwoordig heeft elk kind dan ook een hele waslijst van verboden voedingsmiddelen – ijs, frisdrank, gluten, noten, chocolade. Ze moeten kennelijk van de lucht leven.

    Ik kan me er nu al op verheugen dat de kleinkinderen straks tieners zijn en hier komen roken en drinken en de beest uithangen

    Ik kan me er nu al op verheugen dat de kleinkinderen straks tieners zijn en hier komen roken en drinken en de beest uithangen. Ik vind het prima om de Slechte Oma te zijn die alles best vindt, en hoewel ik het ontzettend irritant vind dat mijn kinderen zo streng zijn dat ze me verbieden om te roken, vind ik het ook ongelooflijk ontroerend. Ik ben blij dat ze zulke goede, gewetensvolle ouders zijn, veel beter dan ik destijds. Ze gaan nooit naar het park zonder zonnehoedjes, zonnebrand, wollen mutsjes, regenkleding, handschoenen en laarzen, om voorbereid te zijn op alle mogelijke klimatologische veranderingen die zich in de loop van de middag kunnen voordoen. Ze spellen artikelen over de veiligheid van de verschillende merken buggies en installeren een kinderslot op alle denkbare huishoudelijke apparaten. In hun ogen is mijn handtas een levensgevaarlijk voorwerp omdat er aanstekers en een nagelschaartje in zitten.

    Ik verheug me op de tijd dat de kleinkinderen tieners zijn en hier komen roken en drinken en de beest uithangen. Ik zal met alle plezier een Slechte Oma zijn. Maar nu al mis ik de baby’s – ze ruiken zo lekker. Er was een tijd waarin mijn kinderen bijna elk jaar met een nieuwe baby kwamen aanzetten, maar nu zeggen de dames allebei heel stellig dat er geen kinderen meer komen en dat ik maar moet wachten tot ik overgrootmoeder word. Ik ben bang dat ik niet zo lang meer kan wachten – ik ben tweeënzeventig – maar ik kan wel de kleinkinderen zien opgroeien en hun aan het hoofd gaan zeuren dat ze kinderen moeten nemen zodra ze uit de puberteit zijn.

    We schijnen tegenwoordig te moeten denken dat het heroïsch en bewonderenswaardig is om op je zestigste nog een kind te krijgen, terwijl het slecht en roekeloos zou zijn om dat op je zestiende te doen. Daar ben ik het pertinent mee oneens. Jonge moeders beschikken over de vitaliteit en de flexibiliteit die is vereist is om kinderen groot te brengen. Misschien is zestien nog wel erg jong, maar wat is er mis met eenentwintig? Ik was maar liefst dertig – ‘een primigravida op leeftijd’ – toen ik mijn eerste kind kreeg, maar ik zou willen dat ik er eerder aan was begonnen. Als ik vrouwen van in de dertig, of erger nog, van in de veertig, hoor praten over wanneer ze ‘er klaar voor zijn’ om kinderen te krijgen, wil ik het liefste schreeuwen: Jezus Christus, niemand is er ooit klaar voor, doe het nou maar gewoon. Probeer zwanger te worden en tel je zegeningen als dat lukt. En doe het, in het ideale geval, op de beproefde methode: door met een man naar bed te gaan in plaats van al dat gedoe met reageerbuisjes of een vleesbedruiper. Als je de ware nog niet hebt gevonden, doe het dan met de semiware of met een goede vriend, bij voorkeur een homo. Maar dóé het.

    Oude vrijsters

    Natuurlijk weet ik ook wel dat er vrouwen zijn die geen kinderen kunnen of willen krijgen, en daar heb ik het nu niet over. Maar waar ik niet tegen kan, zijn die antikind-mediatypes die vrolijk kwetteren over hun geweldige ‘kindvrije’ bestaan, en zeggen dat iedereen wel jaloers zal zijn op hun fantastische carrières en exotische vakanties en prachtige kleren. Voor mij zijn het oude vrijsters die te veel naar Sex and the City hebben gekeken en die zichzelf een rad voor ogen draaien. Denken ze nou echt dat ze tot hun zeventigste voort kunnen met die obsessie met schoenen en handtassen, en met de vraag of de man die naast hen in het vliegtuig zit hen al dan niet gaat sms’en?

    Ik ben ervan overtuigd dat het vermogen van de vrouw om kinderen te baren, en om zeker te weten dat het je eigen kinderen zijn, voor de rest van je leven, een voorrecht is dat met niets valt te vergelijken, en dat dit ruimschoots opweegt tegen alle vermeende glazen plafonds. Misschien laat onze carrière iets te wensen over. Het mocht wat. Schenkt het echt meer bevrediging om premier te zijn, of CEO van een Footsie 100-bedrijf (ik heb nooit helemaal begrepen wat dat precies inhoudt), dan om moeder te zijn? Nou ja, er zijn vrouwen die het weten te combineren – waarbij helaas het beeld van Margaret Thatcher zich opdringt. Maar waar het om gaat is dat de meeste mensen – zowel mannen als vrouwen – het nooit tot premier of CEO van wat dan ook zullen schoppen, waardoor het alleen nog maar meer voor de hand ligt om je met hart en ziel op het ouderschap te storten. En zo heb je tenminste nog een toekomstperspectief – als we het dan niet zelf tot premier weten te schoppen, kunnen we altijd nog onze hoop vestigen op de achterkleinkinderen.

    “Je was een verschríkkelijke moeder,” zeggen ze opgewekt, in koor

    Dat gezegd hebbende, moet ik wel vermelden dat ik onlangs zo stom ben geweest om mijn dochters te vragen of ze mij een goede moeder vonden. Het was duidelijk een vraag die hen al jaren bezighield. ‘Je was een verschríkkelijke moeder,’ zeggen ze opgewekt, in koor. ‘Je kon niet koken, je kon niet naaien, je probeerde niet eens iets met papier-maché te doen, je vergat onze controles bij de tandarts, je liet ons met luizen rondlopen [dat wil zeggen, ik liet ze naar school gaan], je nam allerlei geschifte au pairs in dienst [jullie vonden die geschifte het leukst, sputter ik], en het ergste is nog wel dat je werkte.’

    Het is zo oneerlijk; ik heb vijf jaar vrij genomen toen Rosie was geboren – geloof me, ik heb mijn tijd gediend in de zoutmijnen van de crèche. Trouwens, mijn dochters zijn allebei werkende moeders en ik heb ze nog nooit op enige vorm van schuldgevoel kunnen betrappen. Maar mijn fout, begrijp ik nu, is dat ik heb laten merken dat ik het héérlijk vond om naar mijn werk te gaan. Het is de bedoeling dat moeders na een dag werken zeggen dat ze kapót zijn, terwijl ik huppelend binnenkwam en vertelde dat ik die-en-die had gesproken en allerlei sappige roddels had gehoord, en dat ik naar een wijnproeverij was geweest en een hoop onkosten had gemaakt. (Dat was tijdens de laatste hoogtijdagen van Fleet Street.) Ik deed het voorkomen alsof werken leuk was, in plaats van een vorm van zelfopoffering, en volgens mij stond dat voor mijn dochters gelijk aan verraad.

    Maar wat is dan de oplossing? Moet je je dochters voorhouden dat werken bittere noodzaak is, maar dat je veel liever thuis zou blijven om cupcakes te bakken?

    Natuurlijk niet. Ik heb mijn dochters tenminste meegegeven dat een carrière iets is om naar uit te kijken, waardoor ze het al die saaie jaren op school hebben volgehouden. Volgens mij doen moeders het nooit goed. Als ze thuisblijven, zetten ze waarschijnlijk te veel in op de kinderen en raken ze in een depressie wanneer de kinderen groot worden. En mijn dochters zijn tenslotte zelf goede moeders geworden, dus het kan haast niet anders of ik heb ook íéts goed gedaan.

    Dus vooruit dan maar, laten we Moederdag vieren, maar wel met enkele kanttekeningen. Een goede moeder is een opgewekte moeder, niet iemand die zichzelf wegcijfert voor de kinderen. En vergeet niet, het moederschap – en vervolgens het grootmoederschap – is een kwestie van een heel lange adem.

    Auteur: Lynn Barber
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Charlie Clift / The Sunday Times Magazine

    The Sunday Times
    Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 1.300.000

    Zondagse kwaliteitskrant, in 1864 opgericht en in 1981 opgekocht door mediamagnaat Rupert Murdoch, die o.a. ook The Times bezit. Staat bekend om zijn goede research, vele bijlagen en bijdragen van populaire auteurs. Schotland en Ierland kennen een eigen editie.