Tag: Packer

  • Blijven geloven in Amerika

    Blijven geloven in Amerika

    De gelauwerde Amerikaanse schrijver George Packer wil vasthouden aan het idee dat Amerika en democratie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

    Van je land houden in het Amerika van Trump voelt alsof je in een rechtszaal zit waar een dierbare voor een afschuwelijke misdaad wordt berecht. Naarmate de berg met gruwelijk bewijsmateriaal zich dagelijks ophoopt, neemt schaamte de overhand en begin je je af te vragen hoe je in godsnaam nog iets om deze persoon kunt geven. Wordt het geen tijd om te accepteren dat je naaste reddeloos verloren is? Toch blijf je komen, blijf je naar je dierbare lachen en zwaaien, blijf je hopen dat er ontlastend materiaal aan het licht komt, probeer je te geloven dat je land in wezen wel fatsoenlijk is. Vaderlandsliefde is al net zo’n veelgelaagd en ingewikkeld fenomeen als familieliefde. Het is een gevoel dat volstrekt onwrikbaar en onvoorwaardelijk kan zijn, of juist kan meebewegen – of zelfs volledig wegsterven – met de golfbeweging van het morele karakter van je land. Het kan verbonden zijn aan een huis, een graf, een landschap, een bloedband, een gedeeld verleden, een etnische of religieuze identiteit, een groep geestverwanten of een bepaald gedachtegoed. Toen Alexis de Tocqueville in de jaren 1830 door de Verenigde Staten reisde, meende hij een verschil te zien tussen het patriottisme in Amerika en de vaderlandsliefde in het aan tradities vastgebakken, hiërarchische Europa, waar de mens ‘aan zijn geboorteplaats gebonden’ was door een ‘instinctief, belangeloos en ondefinieerbaar gevoel’.

    In de jonge republiek zag Tocqueville eerder een ‘bezonnen patriottisme’, meer verstandelijk strevende burgerzin dan passie: ‘Het gaat gelijk op met de verspreiding van kennis, wordt gevoed door de wet, groeit door de uit- oefening van burgerrechten en wordt uiteindelijk verward met het individuele belang van de burger.’ Dit democratisch patriottisme berustte volgens Tocqueville op een geloof in gelijkheid, onvervreemdbare rechten en de instemming van het volk – kortom, op het gedachtegoed en de uitwerking van de Onafhankelijkheidsverklaring. Maar dat universele credo kan niet bestaan bij de gratie van abstracte begrippen alleen. Wil het iets te betekenen hebben, en überhaupt kunnen voortbestaan, dan vereist het de actieve deelname van burgers.

    Abraham Lincoln

    Ook Abraham Lincoln wees er in zijn befaamde toespraak bij Gettysburg op dat zelfbestuur alleen behouden blijft als vaderlandslievende burgers ervoor willen vechten. Zijn politieke rivaal in de Senaatsverkiezingen van 1858, Stephen A. Douglas, was een voorstander van slavernij die alleen de afstammelingen van Britse kolonisten tot het Amerikaanse volk wilde rekenen. In de verkiezingscampagne zette Lincoln hem te kijk als iemand die de Onafhankelijkheidsverklaring te schande maakte door de helft van de bevolking uit te sluiten: al die immigranten die hun band met de VS niet dankten aan hun afstamming, maar aan de stichting van die republiek zelf. ‘Zij mogen zich er met evenveel recht mee verbonden voelen als waren zij van hetzelfde bloed en hetzelfde vlees als de schrijvers van de Onafhankelijkheidsverklaring, en dat doen zij ook,’ zei Lincoln. ‘Dat is de stroomkabel die de harten van alle vaderlandslievende en vrijheidslievende mensen verbindt, en die vaderlandslievende harten zal blijven verbinden zolang er nog liefde voor de vrijheid in de hoofden van mensen op aarde leeft.’

    De tekst van de Onafhankelijkheidsverklaring vormde de grondslag voor Lincolns vaderlandsliefde en de recht- vaardiging voor zijn politiek. Hij noemde Thomas Jefferson ‘de man die in de heksenketel van het streven naar de nationale onafhankelijkheid van één volk de koelbloedigheid, de vooruitziende blik en de bekwaamheid bezat om aan een louter revolutionair document een abstracte waarheid toe te voegen die van toepassing was op alle mensen van alle tijden, en die waarheid daarin zo te verankeren dat ze nu en voor altijd als verwijt en hinderpaal op het pad staat van elke nieuwe voorbode van tirannie en onderdrukking’. Het was op grond van die waarheid dat Lincoln de slavernij afschafte en de Burgeroorlog won.

    Al sinds de stichting van de republiek laait geregeld de vraag op of patriottisme een kwestie is van democratisch idealisme of van Amerikaanse afkomst. De scheidslijn in dat debat valt niet altijd simpelweg samen met die tussen links en rechts. Een groot deel van de Democratische partij kenmerkte zich tot halverwege de vorige eeuw door een combinatie van economisch populisme en wit superioriteitsdenken. De belangrijkste conservatieve politicus van de afgelopen eeuw, Ronald Reagan, zwoer bij de staatsrechtelijke visie van Amerika’s grondleggers. Bijna tweehonderdvijftig jaar na de Onafhankelijkheidsverklaring zitten we nu weer midden in een strijd om wat het betekent Amerikaan te zijn. Een strijd die ditmaal des te moedelozer maakt omdat geen van beide kampen een definitie van vaderlandsliefde heeft die uitgaat van actief burgerschap. Onderzoeksbureau Gallup vraagt Amerikanen geregeld hoe trots ze op hun land zijn. De afgelopen 25 jaar zegt bijna altijd zo’n 90 procent van de Republikeinen dat ze ‘extreem’ of ‘heel erg’ trots zijn. In diezelfde periode is dat percentage bij de Democraten gezakt van ergens in de 80 tot onder de 40, waarbij het doorgaans iets hoger is onder een Democratische president en weer daalt onder een Republikeinse, om met de terugkeer van Trump dit jaar een absoluut dieptepunt te hebben bereikt. In juni telde Gallup nog maar 36 procent trotse Democraten, tegen 92 procent trotse Republikeinen: het grootste verschil sinds het bureau deze vraag in 2001 begon te stellen.

    Dood spoor

    Republikeinen blijven dus heel patriottisch terwijl hun partij de democratische instituties van het land uitholt en hun leider flirt met een presidentieel koningschap, alsof de liefde voor hun land volledig losstaat van de grondbeginselen ervan. Anderzijds vinden Democraten het moeilijk om trots te zijn op hun land als er geen Democratische president zit die het soort beleid voert dat zij voorstaan, alsof hun vaderlandsliefde niet dieper gaat dan hun politieke voorkeur.

    De twee vormen van vaderlandsliefde die Tocqueville beschreef, zijn allebei op een dood spoor beland. De instinctieve vorm blijkt in het Trump-tijdperk open te staan voor autocratische reflexen, terwijl de bezonnen variant resulteert in cynisme, vervreemding en lijdzaamheid. Geen van beide vormen van patriottisme levert het soort burgers op dat volgens Amerikaanse democraten als Lincoln, Walt Whitman, John Dewey en Martin Luther King onmisbaar is voor het behoud van een vrij land.

    Amerikaans patriottisme is een vluchtig goedje dat nooit eens wil uitharden tot een rustige, bescheiden liefde voor het eigen land. Het wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen ‘Iedereen is hier welkom’ en ‘Pas op voor de hond’. Haal de universele grondbeginselen van gelijkheid, vrijheid en zelfbestuur eruit en wat je overhoudt is gesnauw. De Republikeinse partij heeft Reagans ideaal van de stralende ‘city on a hill’ ingeruild voor het Blut und Boden-nationalisme van de oude vorstendommen en nieuwe dictaturen in Europa: Poetins Rusland, Orbáns Hongarije. Vlak voor de verkiezingen van vorig jaar sprak Stephen Miller, de belangrijkste ideoloog van Trump, een sentiment uit dat een regelrechte vertaling leek van het Duitse ‘Ausländer raus!’ toen hij op een politieke bijeenkomst in Madison Square Garden de menigte toeriep: ‘Amerika is alleen voor Amerikanen!’

    AME Trump
    Donald Trump en Abraham Lincoln. – © Getty Images

    De betekenis van dat ‘voor’ is onduidelijk, maar het belangrijkste woord in die zin is ‘alleen’. Het Amerika van Trump wordt gedefinieerd door wie erbij hoort en wie niet. Het draait om uitsluiting. Nu Trump weer aan de macht is, laat hij merken dat burgerschap alleen niet genoeg is om erbij te horen. De president en de zijnen bepalen wie de echte Amerikanen zijn. Als je afkomst of je opvattingen hen niet aanstaan, zullen ze proberen je grondwettelijke geboorterecht af te pakken en je te deporteren.

    Voor vicepresident Vance wordt de Amerikaanse identiteit gedefinieerd door waar je voorouders in hun graf liggen te vergaan. Hij opperde die gedachte toen hij op de nationale conventie van de Republikeinse partij in 2024 een lofzang afstak op de begraafplaats in het oosten van Kentucky waar vijf generaties van de familie Vance liggen. Omdat de ouders van zijn vrouw uit India komen, laat hij noodgedwongen ook ruimte voor sommige immigranten, maar alleen als ze voldoen aan zijn dankbaarheidscriterium. Zohran Mamdani, destijds de Democratische kandidaat voor het burgemeesterschap van New York en inmiddels gekozen als burgemeester, doorstaat die toets volgens Vance niet omdat hij, na jarenlang blijkbaar geen aandacht aan Onafhankelijkheidsdag te hebben besteed, op 4 juli jongstleden met deze verklaring kwam: ‘Amerika is een prachtig, tegenstrijdig, onvoltooid land. Een land waar ik trots op ben en dat we voortdurend proberen te verbeteren.’ Een nietszeggende gemeenplaats, maar in de ogen van Vance was het pure ondankbaarheid. Een Oegandese immigrant die ‘het waagt om het land te beledigen’ waar zijn familie een veilig heenkomen vond, en dat nog wel op die ‘meest heilige dag? Wie denkt hij wel niet dat hij is?’

    Voor Vance zijn niet alle burgers gelijk. Als je voorouders meevochten in Shiloh of Yorktown mag je de grondwet aan je laars lappen, het ministerie van Justitie inzetten als presidentiële politiedienst, gezellig buurten met racistische nationalisten en jezelf nog steeds een patriot noemen. Maar als je nog maar pas in het land bent, moet je dankbaar zijn en het niet wagen kritiek te leveren op de manieren waarop je land zijn idealen beschaamt. Vaderlandsliefde is het recht om op 4 juli met de vlag te zwaaien en je in de nationale kleuren te hijsen, terwijl je ondertussen het credo van je land met voeten treedt. Deze schrale, verpieterde vorm van patriottisme, die zo zijn eigen voorgeschiedenis heeft, laait vaak op als er grote aantallen nieuwe burgers in spe naar ons land komen, en gaat bijna altijd gepaard met een geur van racistische en religieuze onverdraagzaamheid. MAGA is een van de loten aan deze stam.

    Omdat de nationalisten hun patriottisme niet op het Amerikaanse credo van gelijkheid willen stoelen, ligt daar een mogelijkheid voor de Democraten om vaderlandsliefde als essentieel kenmerk van hun identiteit te claimen. Maar al decennialang, minstens sinds de Vietnamoorlog, zijn veel liberale en linkse Amerikanen huiverig voor of zelfs sterk gekant tegen het gebruik van patriottische symbolen en emoties. En voor die afkeer is een hoge politieke prijs betaald.

    De vlag

    Ik ben in de jaren zestig en zeventig opgegroeid in een gezin waar de Amerikaanse vlag nooit uithing. Niet uit antiamerikanisme, maar omdat het een verkeerd signaal zou afgeven: het zou een steunverklaring zijn geweest aan de chauvinistische partij van Nixon en Reagan. De boodschap van de vlag zou toen zijn geweest: ‘hup Amerika, slikken of stikken’, en jammer dan van het racisme en al die oorlogen. Onze afkeer van de vlag had ontegenzeggelijk ook een snobistische kant. Met de vlag zwaaien was iets wat mensen uit lagere milieus deden, arbeiders die hun eigen auto repareerden. De universitair geschoolde types die in de Democratische partij in de jaren zeventig de boventoon begonnen te voeren, gingen prat op hun genuanceerde kijk op de Amerikaanse geschiedenis. Ze moesten niets hebben van het platte en dwingende patriottisme van de Republikeinse partij, die een soort nationale verafgoding van de natie eiste, blinde verheerlijking zonder oog voor de slavernij, de genocide op de oorspronkelijke bewoners, de segregatie, de internering van Japanners, de Vietnamoorlog. In het Republikeinse kamp werd vaderlandsliefde een negatieve kracht die bijna gelijk stond aan haat jegens landgenoten van de andere partij. Nationale symbolen zoals de vlag, het volkslied en de eed van trouw werden partijpolitieke wapens.

    George Bush senior voerde in 1988 een campagne die weinig méér behelsde dan een vertoon van patriottisme, en misschien heeft dat Michael Dukakis wel de verkiezingswinst gekost. ‘De Republikeinen hebben zich de vlag en die symbolen toegeëigend,’ zegt Michael Kazin, die geschiedenis doceert aan Georgetown University en ettelijke boeken over links Amerika heeft geschreven. Tegelijkertijd raakte een invloedrijke gedachte uit de anti-oorlogsbeweging van de jaren zestig stevig verankerd in het linkse gedachtegoed: dat de VS een bijna uniek slecht land vormden, de bron van bijna alles wat er mis was in de wereld: racisme, het patriarchaat, homofobie, militarisme, kolonialisme en de verwoesting van het milieu. Het immens

    populaire geschiedenisboek A People’s History of the United States van Howard Zinn uit 1980 heeft meerdere generaties linkse Amerikanen bijgebracht dat patriottisme een slechte zaak is. ‘Ik zal niet zeggen dat Nieuw Links de Democratische Partij heeft gekaapt,’ zegt Kazin, ‘maar een aantal van die ideeën zijn toch doorgesijpeld, en het Trumpkamp heeft gelijk dat de universiteiten naar links zijn opgeschoven.’

    De American Studies Association – de vereniging voor amerikanistiek, de belangrijkste universitaire organisatie die zich bezighoudt met de Amerikaanse geschiedenis en identiteit – belandde in de greep van een groep die zo vijandig staat tegenover het eigen onderzoeksgebied dat de voorzitter in 1998 zelfs voorstelde het woord ‘American’ uit de naam van de vereniging te schrappen. In 2017 liet de nationale bestuursraad van de vereniging in een verklaring weten dat ‘amerikanistiek ons leert dat categorieën zoals “law and order”, patriottisme en “traditionele waarden” een reactionair discours in stand houden. We moeten belichten hoe de strijd voor zelfbeschikking, zelfbestuur en waardigheid door het gebruik van die woorden gecriminaliseerd en gestigmatiseerd wordt.’ En in 2019 stelde het dagelijks bestuur: ‘Wij streven naar modellen van solidariteit, duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid die alternatieven bieden voor het verdorven imperium dat slechts uit is op vernietiging.’

    AME Democratie edited
    Demonstranten protesteren tegen arrestaties door de Amerikaanse immigratiedienst (ICE). – © Getty Images

    Voor de meeste Republikeinen staat de vlag nog wel voor een democratisch ideaal. Er zijn weinig Democraten die op Onafhankelijkheidsdag op sociale media een bericht zouden plaatsen zoals dat van toenmalig Congreslid Cori Bush in 2021: ‘Als ze zeggen dat 4 juli over Amerikaanse vrijheid gaat, bedenk dan wel: de vrijheid waar ze het over hebben is alleen voor witte mensen. Dit land is gestolen en zwarte mensen zijn er nog steeds niet vrij.’ Maar misschien lopen J.D. Vance en Cori Bush alleen maar op de troepen vooruit, zijn zij de spreekbuis van een jongere, meer sceptische generatie Amerikanen. Voor rechts, dat nu aan de macht is, is het loslaten van het Amerikaanse ideaal een vrijbrief voor het optuigen van een autoritair regime. En omdat links al decennia probeert te bewijzen dat dit ideaal een illusie is, kan het zich moeilijk tegen de ontmanteling ervan verzetten.

    Wat vormt nu nog een goede grond voor patriottisme? De instellingen die door de grondleggers van onze natie werden opgericht, werken niet goed meer. Onze gekozen leiders zijn tot afschuwelijke diepten van eigenbelang, lafheid en corruptie gezonken. Bij de woorden van de Onafhankelijkheidsverklaring springen je de tranen in de ogen van ontroering, maar ook van ontgoocheling. ‘Het is niet makkelijk om nog voor de Amerikaanse idealen op te komen, omdat er veel cynisme heerst over hoe die idealen zijn misbruikt en gepolitiseerd,’ zegt Kazin. ‘Jongeren zijn lang niet meer zo verknocht aan de idealen zoals zij die zien, niet meer zo bereid om trots te zijn op hun land. Ze hebben een tik meegekregen van dat felle ideologische conflict.’ ‘Democratie, democratie, democratie!’ roepen liberaaldenkenden, de laatsten die nog in de instituties en in geleidelijke verandering geloven. Maar als het Hooggerechtshof de president boven de wet stelt, de president zijn ambt misbruikt voor afpersing, het Witte Huis iedereen voor de leeuwen gooit die met ongemakkelijke waarheden komt, Buitenlandse Zaken met dictators flirt en dissidenten en vluchtelingen de deur wijst, juristen van Justitie de rechter voorliegen, het Congres leugenaars tot rechter benoemt en geld besteedt aan een gemaskerde geheime politie, en de meeste Amerikanen dit niet lijken te zien of zich er niet druk om maken, wat heb je dan nog aan democratie? Dit is ons land en onze regering, dus zelfhaat is de eerlijkste reactie.

    Maar ik wil blijven geloven dat mijn land in de kern een fatsoenlijk land is. Ik wil Amerika niet gelijkstellen aan één president en één partij, of aan beide partijen. Ik wil net als Walt Whitman het gevoel hebben dat Amerika en democratie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. En net als John Dewey geloven dat een democratie zelfstandige burgers van ons maakt die altijd kunnen kiezen voor het streven naar een beter land met meer zelfrespect.

    Rituelen

    Tocqueville schreef: ‘In de Verenigde Staten is men ervan overtuigd, en terecht, dat vaderlandsliefde een vorm van verering is die gesterkt wordt door rituelen.’ In een democratie vereist dat ritueel deelname aan het openbare leven. En nog moeilijker: het vergt een wereldbeeld waarin iedereen aan dat openbare leven mag deelnemen. We mogen de andere partij, de andere staten, de andere religies, de laatste nieuwkomers en de oudste inheemse stammen niet zomaar wegdenken. In zijn toespraak over de Amerikaanse identiteit zei Vance ook één ding dat waar is: ‘Maatschappelijke banden worden aangegaan door mensen die iets gemeen hebben.’ Een land, en zeker dit land dat zo kort van memorie en zo onbevattelijk divers van opmaak is, kan niet alleen bestaan bij de gratie van een geografische grens en een stel wetten. Het heeft ook een gedeelde taal en cultuur nodig, een manier van leven.

    De intersectionele multiculturalisten van links vinden dat er niet zoiets als een gemeenschappelijke Amerikaanse cultuur bestaat, dat dit hele begrip een vorm van onderdrukking is: er zijn alleen verschillende groepen mensen die dominant of ondergeschikt zijn. Voor Vance en de nationalisten van rechts ontspringt de cultuur aan de Amerikaanse bodem en het Amerikaanse verleden, ‘een kenmerkende plaats en een kenmerkend volk’, waarmee ze een volk en een geloof bedoelen dat hier lang geleden naartoe is gekomen en een manier van leven met zich meebracht waarin iedereen moet meegaan. Maar beide zienswijzen slaan de plank mis, onpatriottisch mis.

    De Amerikaanse cultuur heeft net zo’n sterke eigen identiteit als die van elk ander land, alleen stoelt deze cultuur op een gedachte. Die gedachte is de gelijkheid van alle mensen. Hun recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk. Een vorm van zelfbestuur die hun rechten waarborgt, inclusief het recht om een regering naar huis te sturen als die tiranniek wordt.

    Overal ter wereld is de autocratie in opkomst en begint de glans van de democratie te verflauwen

    Deze gedachte heeft een massacultuur voortgebracht die befaamd is om zijn rumoerigheid, informele toon, onschuld en onwetendheid, gulheid en gewelddadigheid, openhartigheid en onnozelheid – een cultuur van individualisten die weigeren te accepteren dat ook maar iemand boven hen verheven is, dat je niet hogerop zou kunnen klimmen, niet kunt proberen wat dan ook te worden. Het is de makkelijkste cultuur van de wereld om tot toe te treden, en als het de eerste generatie niet lukt, dan toch zeker de tweede wel. Een cultuur die anderen opneemt en verandert, en door hen veranderd wordt, en uitgesproken en toegankelijk genoeg is om een omgangstaal te bieden die iedereen begrijpt en waarin iedereen zich verstaanbaar kan maken. Een cultuur zonder ingewikkelde regels of geheime oude codes. Die andere culturen platwalst tot muziek, kleding, gerechten en teksten van een vulgariteit die de rest van de wereld afstoot en verleidt. Die sterker is dan welke religieuze of maatschappelijke hiërarchie dan ook.

    Wat Amerikanen gemeen hebben, is een manier van leven gebaseerd op dit credo. Als je vindt dat dit credo er nog steeds toe doet, als je binding met dit land besloten ligt in het ideaal van die cultuur en de instituties die eruit voortkomen, dan kamp je nu met een gure tegenwind. Overal ter wereld is de autocratie in opkomst en begint de glans van de democratie te verflauwen, nu het grootste baken van democratie zichzelf begint te doven. In Amerika vinden de meeste van je landgenoten in beide kampen dat de democratie niet meer in hun voordeel werkt.

    Je moet ze duidelijk maken dat alle voorgestelde olifantenpaadjes naar een grootse toekomst in feite leiden naar de hel. Dat het enige pad naar een beter leven te vinden is in de gezamenlijke inspanning van vrije en gelijkwaardige burgers. En je moet daarin blijven geloven, al zijn de anderen nog zo van de pot gerukt. De enige manier om een patriot te zijn is om samen te werken met die domkoppen, je Amerikaanse landgenoten, om zo een eind te maken aan de toenemende tirannie en ons een kans te geven onszelf te redden.

  • Deze drie factoren bepaalden de presidentsverkiezingen in de VS

    Deze drie factoren bepaalden de presidentsverkiezingen in de VS

    De wisselwerking tussen drie sterke sentimenten heeft in plaatsen als Charleroi in Pennsylvania en in de hele Rust Belt de stembusgang bepaald, aldus de Amerikaanse journalist en schrijver George Packer.

    Charleroi is een fabrieksstadje aan de Norfolk Southern Railway ten zuiden van Pittsburgh, waar het ingeklemd ligt tussen de rivier de Monongahela en de laagste uitlopers van de westelijke Appalachen. Deze gemeente (bijnaam: Magic City) in Pennsylvania, die in zijn hoogtijdagen 11.000 inwoners telde, is al meer dan een eeuw een stad waar glaswerk wordt gefabriceerd, waar veel arbeiders lid zijn van de vakbond en waar van oudsher Democratisch wordt gestemd. Rond de jaren zeventig begonnen de fabrieken er weg te trekken, en daarmee ook veel inwoners. In 2020, na een halve eeuw de-industrialisatie, was Charleroi een stadje met veel winkelleegstand en zo’n 4200 inwoners, merendeels Republikeinen. Het is het verhaal van de Rust Belt in het klein, een verhaal dat nog steeds gaande is.

    Als ik gemeentesecretaris Joe Manning vraag wat de inwoners in de armen van de Republikeinen heeft gedreven, zegt hij: ‘2016. Ik ken mensen die hun leven lang verstokte Democraten waren, maar zich toen bij de Republikeinen inschreven om op Trump te kunnen stemmen.’

    De grootste tweedeling berust op klasse in de zin van opleiding, de kloof tussen kiezers met en zonder universitair diploma

    Toen Trump dat jaar de verkiezingen won, verdiepten wetenschappers en journalisten zich in de vraag hoe dat zo was gekomen. In progressieve hoek werd al snel racisme als enige verklaring aangewezen. Een dure vergissing, waarmee inhoudelijk voorbij werd gegaan aan belangrijke onderliggende oorzaken die een rol bleven spelen in latere trends; politiek gezien wekte dit afkeer bij andersdenkenden en bemoeilijkte het de discussie. Kamala Harris lijkt vastbesloten deze fout niet te maken, zij probeert geen campagne te voeren op identiteit. Huidskleur is slechts een deel van de reden dat Trump zo’n trouwe aanhang heeft en speelt een steeds kleinere rol. De grootste tweedeling in de Amerikaanse politiek berust op klasse in de zin van opleiding, de kloof tussen kiezers met en zonder universitair diploma. Dat verklaart waarom steeds meer zwarte en latino-kiezers uit de arbeidersklasse op de Republikeinen stemmen. Maar het ligt nog iets ingewikkelder: het stemgedrag wordt in het Trump-tijdperk bepaald door een wisselwerking tussen ras en klasse. Uit de overtuigendste analyses van de verkiezingsuitslag van 2016 bleek dat kiezers vooral snel op Trump stemden als ze in een witte gemeenschap woonden die economisch in het slop zat en waar recentelijk veel niet-witte migranten bij waren gekomen, met als gevolg snelle culturele veranderingen en een gevoel dat ze hun land niet meer herkenden.

    Getro Bernabe, een officier bij de Haïtiaanse kustwacht die in de VS is opgeleid, ontvluchtte in 2020 het bendegeweld in zijn land en ging in Charleroi op zoek naar werk. ‘Het leek wel een spookstad,’ zegt hij. ‘Een prachtig stadje dat er nu verlaten bij lag.’ In de laatste paar jaar heeft Charleroi er tweeduizend migranten bij gekregen, vooral Haïtianen die afkomen op de leegstand en de laagbetaalde banen, waardoor het inwonertal nu weer richting dat van 1970 kruipt. ‘Die nieuwkomers, de nieuwe bewoners van Charleroi, geven de economie van dit stadje een sprankje hoop,’ zegt Bernabe. ‘Ik hou erg van een van de kernwaarden van Amerika, die ook op de Amerikaanse munt staan.’ Hij doelt op de leus ‘E pluribus unum’, ‘uit velen één’, wat hij opvat als een natie van één volk bestaande uit mensen van allerlei verschillende achtergronden en geloven. ‘Dat is wat Amerika voor mij zo mooi maakt.’

    Afglijden

    De voorzitter van de gemeenteraad, Kristin Hopkins-Calcek, woont al haar hele leven in Charleroi. ‘Ik heb de stad in de loop der tijd zien afglijden en dat deed ons achterblijvers veel pijn,’ zegt ze als we elkaar spreken in de raadzaal. ‘Ik moet zeggen, voor mij als huiseigenaar die haar eigen zoon ten prooi zag vallen aan verslaving, en na alle problemen met fentanyl- en oxycodonverslaving die we hier hebben gehad, de overdoses, de misdaad en tot op zekere hoogte zelfs de prostitutie, en de vernieling en waardevermindering van ons vastgoed, de speculanten die panden laten verkrotten, de manier waarop je, zeker als je wat ouder bent, de stad voor je ogen zag aftakelen: de komst van de migranten was een verademing. Je zag weer mensen op straat, er werden weer zaken geopend.’

    De opleving van Charleroi blijft broos: ze drijft op de nieuwe buurtwinkels en bakkerijen van migranten, op nieuwe huurders en belastingbetalers, en loopt soms stuk op het gebrek aan middelen, op verkeersongelukken en rancune. Charleroi kent geen welvarende klasse van hoogopgeleiden. Op de half uitgestorven straten zie je mensen uit twee verschillende arbeidersmilieus: dat van de oudere witte arbeiders die hier al generaties wonen, en dat van de jongere zwarte migranten die de laatste jaren zijn gekomen. Dit is Trump-land: overal Trump-vlaggen, verkiezingsborden in de voortuin en, op de veranda van een stacaravan in de bossen, een spandoek met de tekst: IMPEACHED. GEARRESTEERD. VEROORDEELD. BESCHOTEN. ONVERSLAANBAAR. De helft van alle spulletjes in een bazaar op Fallowfield Avenue bestaat uit Trump-merchandising.

    In september werd Charleroi bijna gelijktijdig door twee rampen getroffen. De ruim driehonderd werknemers van de Pyrex-fabriek bij de rivier, waar al sinds eind negentiende eeuw glaswerk wordt geproduceerd, kregen te horen dat de eigenaar de fabriek gaat sluiten en de productie naar Ohio wordt verplaatst. En vervolgens ving Trump iets op over Charleroi.

    ‘Is jullie prachtige stad niet veranderd? Het stikt er nu van de criminele bendes’

    Op 10 september zat Joe Manning naar het presidentsdebat te kijken waarin Trump verwees naar een fabeltje over Haïtianen in Ohio die de honden en katten in het stadje Springfield zouden opeten. O lieve help, dacht hij, laat het bij Springfield blijven. Maar zijn gebed werd niet verhoord. Op 12 september richtte Trump op een verkiezingsbijeenkomst in Arizona zijn pijlen op Charleroi. ‘Een heel mooie naam, maar zo mooi is het daar niet meer,’ zei hij. ‘Onder Kamala Harris is de Haïtiaanse migrantenpopulatie daar met 2000 procent gegroeid. Dus denk daaraan als je gaat stemmen, Pennsylvania. Zo’n klein stadje, en ineens krijgen ze er duizenden mensen bij. De gemeente is zowat bankroet. Die vloedgolf van illegale migranten veroorzaakt een enorme misdaadgolf in de stad en alle omliggende gemeenten.’ Op 24 september deed hij op een bijeenkomst in Pennsylvania zijn aanval op Charleroi dunnetjes over: ‘Is jullie prachtige stad niet veranderd? Het stikt er nu van de criminele bendes.’

    Die ‘2000 procent’ sloeg nergens op. De Haïtianen waren op legale wijze naar Charleroi gekomen, op zoek naar werk, en ze doen er het werk dat Amerikanen niet willen doen, zoals in een koelcel bij een temperatuur van maximaal 4 graden aan de lopende band eten inpakken. De gemeente is niet bankroet, er zijn geen bendes en de misdaadcijfers zijn niet gestegen, zo zegt Hopkins-Calcek, die zitting heeft in de regionale politiecommissie. ‘De ergste misdaad die hier recent gepleegd is, betrof de moord op een kind,’ zegt Manning. ‘Daarvoor zijn de ouders aangehouden, en die zijn net zo wit als jij en ik.’

    Maling

    Trump had daar maling aan. Hij had in een cruciale swingstate een verse kleine wond gevonden waar hij zijn vinger in kon steken. Daarna richtte hij zijn pijlen weer op andere zaken, maar in Charleroi kwam de klap hard aan. Manning en Hopkins-Calcek kregen bedreigingen. Er ging een flyer rond gericht aan de ‘blanke burgers van Charleroi’, afkomstig van de ‘Trinity White Knights van de Ku Klux Klan’, waarin werd gewaarschuwd: ‘Bewapen jezelf, blank Amerika, bescherm je familie. Blanken zijn de enige slachtoffers van immigratiegeweld.’ Passerende automobilisten schreeuwden ‘Trump komt eraan!’ naar Haïtianen. Bernabe, die bij de gemeente is aangesteld als contactpersoon voor zijn gemeenschap, hoorde dat mensen hun kinderen niet meer naar school durfden te sturen en serieus overwogen naar een andere staat te verhuizen. ‘Ineens zien we angst onder de migranten; ze voelen zich niet meer helemaal welkom, niet meer op hun gemak,’ vertelde hij me eerder deze maand. ‘Je ziet ze steeds minder buiten lopen.’ Charleroi begon weer te lijken op de spookstad die het tot voor kort was geweest.

    ANP 510764843
    De Rust Belt in beeld: Donner Avenue in het stadje Monessen in Pennsylvania. – © ANP

    Voor Hopkins-Calcek was het alsof ze door Trumps toedoen haar stad opnieuw zag afglijden, haar oude nachtmerrie. ‘Het werd stil op straat en het werd weer eng,’ zegt ze, en ze begint te huilen. ‘Toen iedereen weer binnen bleef, leek het of die akelige tijden weer terug waren.’ Met het aanstaande vertrek van de fabriek die hier al sinds mensenheugenis zit en het verlies van de bijbehorende belastingopbrengsten, zo zegt ze, ‘voel ik me alsof we al op de grond liggen en dan nog een trap na krijgen.’ Aan de Pyrex-fabriek heeft Trump nooit een woord gewijd.

    Eerder deze maand zat ik op een middag met vijf leden van de vakbond United Steel Workers in de McDonald’s langs het spoor. Ze hadden een groot deel van de dag over hun gedwongen ontslag onderhandeld met de juristen van Anchor Hocking, de glaswerkfabrikant in handen van de New Yorkse investeringsmaatschappij, die de Pyrex-fabriek wil sluiten. Daniele Byrne, vicevoorzitter van de lokale vakbondsafdeling, en haar man Rob, een elektricien, werken opgeteld al 71 jaar in de fabriek. Danieles grootvader heeft er ook vijftig jaar gewerkt, hij zette zijn klok gelijk op de fabrieksfluit. Als ontslagpremie bood het bedrijf hun twee maanden ziektekostenverzekering en een dagloon voor elk gewerkt jaar – wat voor Daniele, die er twee derde van haar leven heeft gewerkt, neerkomt op zo’n 8000 dollar. Ze stak haar woede niet onder stoelen of banken. ‘Het was alsjeblieft en toedeledokie, zalige kerst, fijne kwanzaa,’ zei ze. ‘En wat zeggen joden ook alweer?’

    Hun afkeer van van miljardairs vertaalt zich niet automatisch in steun voor een bepaalde politieke kandidaat of partij

    Rob vroeg of ik Glass House gelezen had, een boek over de neergang van het industriestadje Lancaster in Ohio, drie uur ten westen van hier, waar Anchor Hocking ook een glaswerkfabriek heeft en waar het de productie van de fabriek in Charleroi naartoe wil verplaatsen, inclusief ongeveer de helft van het personeel. ‘Dat gaat over de economie van de rijkste 1 procent, waar het trumpisme uit voortkomt,’ zei hij. ‘Hoe zij alles bepalen, alles kopen en verkopen en dit soort fratsen uithalen. De miljardairs krijgen steeds meer en de rest moet eronder lijden.’

    Hun afkeer van het zakenleven en van miljardairs vertaalt zich niet automatisch in steun voor een bepaalde politieke kandidaat of partij. Daarvoor is hun ontgoocheling over de politiek en hun wantrouwen jegens de elite te groot. Wat ik in Charleroi en elders in West-Pennsylvania steeds weer hoor, is: ‘Ze geven niks om ons.’ Mensen voelen zich hier enorm in de steek gelaten.

    In de Pyrex-fabriek werken nog geen tien Haïtianen. Volgens Daniele, die over de roosters gaat, doen ze het beter dan de Amerikaanse arbeiders. ‘Ik denk niet dat de immigranten het probleem zijn,’ zegt Rob. Maar hij en de anderen hadden wel klachten over de plotse komst van zo veel buitenlanders in hun kleine stadje: overvolle schoolbussen en klassen, overbelaste leraren, overheidssteun die voor de lokale bevolking niet was weggelegd, en – anders dan ik van de autoriteiten had gehoord – meer misdaad. In de nieuwe buurtwinkel van een migrant hing volgens hen een bord dat witte mensen niet welkom waren. Dat leek me stug, dus dat vroeg ik later na bij Getro Bernabe. Hij legde uit dat er gestaan had dat er eten te koop was uit Afrika, Azië en het Caribisch gebied, maar dat Amerikaans eten er niet bij stond. Hij was naar de winkel gesneld om te vertellen dat daarover geklaagd werd en de eigenares had zich kapot geschrokken: ‘Mijn God, daar heb ik geen moment bij stilgestaan.’

    Geruchten

    ‘Zet er alsjeblieft “Amerikaans” bij,’ had hij haar op het hart gedrukt. Maar voor de zekerheid had ze het hele bord simpelweg vervangen door een bord met daarop alleen “Queen’s Market”. Toen ik er een kijkje nam, zag ik levende krabben, gedroogde vis en andere producten die je in deze streek niet veel ziet. De eigenares, een Amerikaanse van Sierra Leoonse afkomst, had achter de balie een kaart hangen met ‘Trump 2024’. Dat detail, dat indruiste tegen de aanleiding voor het gemopper, kwam niet in de verhalen voor.

    Valse geruchten zeggen soms meer dan geruchten die waar blijken te zijn, en in Charleroi heersen spanningen die je niet moet opstoken, maar evenmin moet wegwuiven.

    ‘Het is geen haat, het is eerder…’ begon Daniele.

    ‘Afgunst,’ zei Rob, ‘jaloezie.’

    De bewoners van vroeger hebben het gevoel dat ze er niet meer toe doen. De sluiting van de fabriek kreeg veel minder media-aandacht dan Trumps opmerking over Haïtianen. Om de vier jaar staan stadjes als Charleroi in de herfst ineens een paar weken in de belangstelling van politici en media. ‘Als Kamala hier komt, zit ze nu midden in de strijd om de Haïtianen, want zij wil de migranten hier hebben en hij wil ze weg hebben,’ zegt Daniele. ‘Ze zijn ons al vergeten en beginnen meteen over de migranten.’ En ze voegt eraan toe: ‘Ik zal eerlijk zijn, ik volg de politiek niet meer,’ zegt Daniele. ‘Voor mij zijn het allemaal oplichters. Ik kijk nog liever naar ouwe afleveringen van Barney Miller. Ik kan niet wachten tot het achter de rug is en ik weer gewone reclamespotjes zie over welke scheermesjes het beste zijn.’ Niet dat ze aan alle politici een hekel hebben – alleen aan degenen die hun beloften niet zijn nagekomen en profiteren van de problemen van mensen zoals zij. Senator Bob Casey van Pennsylvania wil dat de federale overheid onderzoekt of Anchor Hocking de antitrustwetgeving overtrad toen het eerder dit jaar bij een faillissementsverkoop de fabriek overnam. Zelfs de schampere Daniele Byrne prijst hem daarvoor.

    Twee dagen na ons gesprek gingen Rob en Daniele naar de footballderby tussen de Dallas Steelers en de Pittsburgh Cowboys. Ik was via een vriend aan een kaartje gekomen en zag al vroeg in de wedstrijd ineens mensen om me heen die omkeken en begonnen te juichen. Tien meter boven ons stond in een luxe skybox een man in een zwarte blazer en met een zwarte pet op grijnzend te zwaaien met een gele handdoek van de Steelers: Elon Musk. Eerder die dag had hij op het podium rondgehupt bij de tweede bijeenkomst van Trump op de plek van de moordaanslag in het nabije Butler, en nu kwam hij zich hier nog even laven aan de bewondering die zijn roem en rijkdom wekt.

    Toen ik dat aan Daniele vertelde, zei ze: ‘Die klootzak.’

    ‘Die gasten van Wall Street die de campagne van Trump financieren, dat zijn de mensen die dit soort stadjes hebben verwoest’

    Het is de wisselwerking tussen de neergang van de arbeidersklasse, de hebzucht van het zakenleven en de woede over immigratie die in plaatsen als Charleroi en in de hele Rust Belt de stembusgang zal domineren. Chris Deluzio zit voor de Democraten in het Congres voor het zeventiende congresdistrict van Pennsylvania, ten noordwesten van Charleroi. Het is zijn eerste termijn, na een nipte overwinning in 2022 in dit district van boerenland, slaapsteden van Pittsburgh en industriestadjes langs de rivier de Ohio. De jurist Deluzio (40) is een keurige marineveteraan, jasje-dasje, die beleefd en doordacht spreekt. Maar hij voert nu campagne voor zijn herverkiezing in de hoop dat zijn pleidooien voor arbeiders en tegen het bedrijfsleven zwaarder wegen dan de vijandigheid tegen migranten die door Trump en andere Republikeinen wordt opgestookt. (Het campagneteam van zijn tegenstander Rob Mercuri reageerde niet op mijn verzoek om een interview.)

    ‘Die gasten van Wall Street die de campagne van Trump en mijn tegenstander financieren, dat zijn de mensen die dit soort stadjes hebben verwoest,’ zegt Deluzio onderweg tussen twee campagnebijeenkomsten. ‘Ze zijn al decennia bezig om ons uit te kleden. De fabrieken zijn niet zomaar vertrokken. Ze zijn hier weggehaald door een ideologie en een beleid die alleen maar draaiden om goedkope arbeid met minder regels en goedkope milieumaatregelen met minder regels. Al het harde werk en alle opofferingen van jullie familie, daar gaven die gasten geen zier om.’ Nadat er vorig jaar in East Palestine (Ohio) een vrachttrein van Norfolk Southern vol gifstoffen was ontspoord, heeft hij met steun van senator J.D. Vance van Ohio een wetsvoorstel ingediend voor strengere regelgeving rond vrachtverkeer over het spoor. Die Railway Safety Act is niet naar de zin van de Republikeinse donateurs in het netwerk van de gebroeders Koch en wordt nu in beide kamers van het Congres getraineerd door de Republikeinen. Van Deluzio’s eigen kiezers werden er niet veel direct door het giflek getroffen, maar hij hoopt dat Democraten zoals hij zich met dit soort kwesties positief onderscheiden van Republikeinen die zich alleen sterk maken voor het bedrijfsleven en minder regelgeving.

    ANP 512604449
    ‘Stem op Trump 2024’, staat langs een weg in Pennsylvania. In de verte is de rook van een natuurbrand te zien. – © ANP

    Volgens Deluzio schildert Trump nieuwkomers af als schurken omdat hij de lokale bevolking – die zelf afstamt van immigranten en legitieme zorgen heeft over de snelheid waarmee hun omgeving verandert – wil afleiden van de werkelijke oorzaak van hun problemen: monopolistische bedrijven en de politici die zij financieren. Hij erkent dat de Democratische Partij dit probleem jarenlang heeft veronachtzaamd en zelf heeft geijverd voor een handelsbeleid dat eraan bijdroeg. De partij verkeerde in de waan dat de oude achterban van de zieltogende arbeidersklasse al snel in omvang zou worden overtroffen door een nieuw segment van hoogopgeleide kiezers. ‘Voor elke arbeider wiens stem we in West-Pennsylvania verliezen, winnen we twee voormalige gematigde Republikeinen in de buitenwijken van Philadelphia,’ voorspelde senator Chuck Schumer in 2016, kort voordat Trump Pennsylvania en daarmee het presidentschap won.

    Zwevende kiezers

    De regering-Biden heeft de arbeiders proberen te paaien met regelgeving die gunstig is voor vakbonden en met wetgeving om banen te scheppen in achtergebleven regio’s. Maar de mensen die ik in West-Pennsylvania spreek lijken maar een vaag idee te hebben van wat de Democratische Partij voor hen probeert te doen. Zij zijn meer bezig met de stijgende kosten van levensonderhoud dan met lage werkloosheid en nieuwe industriemogelijkheden en belastingplannen. Wanneer slecht geïnformeerde zwevende kiezers zeggen dat ze meer willen horen over het programma van een kandidaat, betekent dat meestal dat ze niet verwachten dat hun beleid veel verschil zal maken in hun leven. Om na decennia van economische verwaarlozing het ingebakken wantrouwen te overwinnen, moeten politici hier hun gezicht laten zien, kiezers in de ogen kijken, de hand drukken en hulp bieden – of op zijn minst laten zien dat ze genoeg om hun kiezers geven om dat te willen proberen.

    Curtis en Annie Lloyd wonen in Darlington, een plattelandsgemeente tegen de grens met Ohio, op maar een paar kilometer van de plek waar vorig jaar de giframp plaatsvond. Toen ze niet ver van hun huis een grijze wolk zagen opstijgen, konden ze nauwelijks betrouwbare informatie over de ramp vinden. Het regionale dagblad is nog maar een schim van wat het ooit geweest was en op sociale media wemelde het van de valse en tegenstrijdige berichten. Maar Trump heeft een bezoek gebracht aan hun streek, zegt Annie, terwijl Biden zich er al meer dan een jaar niet heeft vertoond. En dat maakt meer indruk dan Deluzio’s door de Republikeinen gedwarsboomde poging om de regelgeving aan te scherpen. ‘De mensen leiden hun dagelijks leven en verdiepen zich niet zo makkelijk in beleidskwesties,’ zegt ze. ‘Het enige wat zij weten is dat Trump hier iedereen op McDonald’s heeft getrakteerd.’

    Vijfentwintig kilometer verderop in Rochester spreek ik op het hoofdkantoor van de Democratische Partij in Beaver County met Erin Gabriel. Het is er een drukte van belang, met een flinke voorraad Harris/Walz-borden en campagnemedewerkers die zich opmaken om de deuren af te gaan of dat net gedaan hebben. Gabriel zegt dat de politiek voor haar iets persoonlijks is. Naast haar baan en het voorzitterschap van de lokale partijafdeling draagt ze ook nog de zorg voor drie kinderen met een handicap. (Haar tienerdochter Abby, die aan een slopende neurodegeneratieve aandoening lijdt, zit met een koptelefoon op in de kamer ernaast.) ‘Elke beleidsbeslissing van de regering heeft invloed op mijn kinderen,’ zegt Gabriel. Zonder de Affordable Care Act [‘Obamacare’] zou Abby de rest van haar leven geen zorgverzekering meer kunnen krijgen. Toen Trump president was, beloofde het Congreslid voor haar district, een Republikein, dat hij er zijn uiterste best voor zou doen dat Abby verzekerd kon blijven. Vervolgens stemde hij voor het wetsvoorstel waarmee Trump Obamacare wilde afschaffen. ‘Toen ben ik echt politiek actief geworden,’ zegt Gabriel. ‘Dit gaat voor mij tot op het bot.’

    ‘Mijn straten moeten goed geasfalteerd worden, jij vindt dat ook nodig’

    Heel even geniet het zuidwesten van Pennsylvania nu onevenredig veel aandacht en invloed. Overal zie je campagnebordjes in de tuinen staan. Bij de kassa van bakkerijen wordt bijgehouden hoeveel Trump- en Harris-koekjes ze verkopen. De landelijke politiek is een loopgravenoorlog waarin je nauwelijks nog iemand van een ander standpunt kunt overtuigen. In de lokale politiek heerst een andere sfeer, daar zijn ze minder onverzoenlijk en meer compromisbereid, daar wordt niet alleen volgens partijlijnen gestemd. In de woorden van Rico Elmore, een jong Republikeins gemeenteraadslid in Rochester: ‘We moeten zoeken naar wat we gemeen hebben en zeggen: we verschillen misschien van mening over de hervorming van het strafrecht, over belastingen, over immigratie, maar er zijn dingen waarin we elkaar kunnen vinden. Mijn straten moeten goed geasfalteerd worden, jij vindt dat ook nodig. Laten we dat dan doen. Laten we die gezamenlijke doelen zoeken en ons daarvoor inzetten.’

    Elmore, die zwart is en technisch sergeant bij de Air National Guard, was bij de bijeenkomst in Butler waar Trump werd beschoten. Hij was meteen naar voren gesneld om eerste hulp te verlenen aan Corey Comperatore, de man die werd doodgeschoten, en werd door diens familie daarna uitgenodigd om iets te zeggen op Trumps tweede bijeenkomst in Butler. Als rijzende ster in de lokale politiek lukte het Elmore in 2022 niet om namens de Republikeinen een zetel in het Huis van Afgevaardigden van Pennsylvania te bemachtigen, ook al was hij voor zijn campagne dertienduizend huizen afgegaan. Daar bleken ook Democraten bereid om met hem te praten en hoorde hij van beide kanten een sentiment dat ook ik bijna iedereen heb horen uiten, zelfs de ferventste partijaanhangers: het allesoverheersende verlangen om de polarisatie achter ons te laten. Elmore vraagt zich af of Amerika straks hetzelfde lot wacht als het Romeinse Rijk: ‘Zitten we op dat punt in de geschiedenis? Wat doen we om het te voorkomen? We beginnen een land te worden dat verdeeld is en ten onder zal gaan. Als verdeeld land kunnen we niet sterk staan.’

    Op een stralende oktobermiddag gaat Chris Deluzio van deur tot deur in een nieuwbouwwijk in Allegheny County. Hij draagt een schipperstrui met de opdruk ‘Navy’ – blijkbaar om de kiezers te laten zien dat hij, Congreslid en oud-docent aan de Universiteit van Pittsburgh, ook maar een gewone man is. We lopen in een doodlopende straat met gezinswoningen van zowel Democraten als Republikeinen. Een jongeman met een petje van de University of Southern California, Aaron heet hij, sleutelt op de oprit aan zijn auto. ‘Mijn stem heb je al,’ zegt hij. Aaron omschrijft zich als een gematigde Democraat uit Californië die het niet kan uitstaan wat de Republikeinen doen. ‘Ik ben opgegroeid tussen de latino’s. Ik mis ze eigenlijk, nu ik hier woon, en zoals er over hen wordt gepraat, dat zit me echt dwars. Als ik een Republikein was, zou ik van het gematigde Schwarzenegger-type zijn.’

    ‘Zijn die er nog?’ zegt Deluzio.

    ‘Naar wat ik van hun kamp zie niet, nee. In het Democratische kamp zie ik nog wel gematigde types, maar bij hen niet. Daar zijn ze gewoon te ver doorgeschoten.’

    Trump-bord

    Bij het volgende huis staat een Trump-bord in de tuin, maar Deluzio belt toch aan. Een potige oudere man met gemillimeterd haar doet open. Hij werkt als politieagent in Ambridge, een stad aan de rivier Ohio. Ik ben er doorheen gereden: ooit werd daar het staal geproduceerd voor het Empire State Building, en nu is het zo’n typisch vervallen fabrieksstadje met discountwinkels, vapeshops en een plantsoentje ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog met een monument gewijd aan Roosevelts vier vrijheden. De agent, Mike heet hij, zegt dat hij Deluzio al eens heeft ontmoet. Deluzio wijst erop dat de politiebond hem steunt. ‘Ik sta overal voor open,’ zegt Mike. ‘Ik heb een probleem met de grensbewaking en de misdaad, want dat is wat ik in Ambridge tegenkom. Het is gewoon een groot immigratieprobleem.’ Veel van de migranten in die stad komen uit Latijns-Amerikaanse landen zoals Venezuela, zegt Mike, en dat leidt tot ‘rijden onder invloed, dronkenschap, huiselijk geweld, veel knokpartijen’. Voor hem zijn criminaliteit en grensbewaking in het stemhokje de doorslaggevende thema’s.

    Van achter uit het huis wordt iets geroepen door een oudere vrouw. ‘Mijn moeder heeft haar pensioentje,’ zegt Mike. ‘Maar die lui krijgen 4000 dollar per maand, en dat is meer dan zij krijgt. Ze is kwaad dat zij meer krijgen. En ik zal je zeggen, mijn moeder heeft heel haar leven op de Democraten gestemd. Nu stemt ze op de Republikeinen.’

    In Charleroi had ik ook al mensen horen klagen dat er zo veel geld wordt uitgedeeld aan migranten. Gemeentesecretaris Joe Manning had me uitgelegd: ‘De Haïtianen zijn geen post op mijn begroting. Die maken geen aanspraak op mijn middelen. Die hebben allemaal betaald werk.’

    Maar Deluzio zet geen kanttekeningen bij Mikes verhaal en gaat niet met hem in discussie. Hij heeft contact gelegd. Misschien is dat genoeg.

  • We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    George Packer, auteur van De ontluistering van Amerika en sterverslaggever van The New Yorker, reageert in The Atlantic op een kapitteling van collega-schrijver Ta-Nehisi Coates. Coates stelt dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse politiek en verwijt Packer dat niet als énige oorzaak te zien voor de opkomst van het fenomeen Donald Trump.

    Er valt veel te bewonderen aan het artikel ‘The First White 
President’ van Ta-Nehisi Coates over Donald Trump in de oktobereditie van The Atlantic. Het is zo’n stuk dat je meteen al in de eerste alinea bij de lurven grijpt en je niet meer loslaat. Het betoog wint aan kracht en bevat tot aan het einde toe treffende beeldspraak en bijtende polemiek (de 
politiek die opiaten als een ziekte beschouwt en crack als misdaad). De boodschap is de onweerlegbare waarheid dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse 
politiek.

    Het is de dwingende, énige oorzaak waaruit Coates het fenomeen Donald Trump verklaart. Het is een oorzaak waar niemand in Amerika het mee oneens zou mogen zijn. En het ligt ten grondslag aan elke stelling die Coates poneert. Omdat elke politieke gedraging in de blanke Amerikaanse politiek volgens hem zonder uitzondering is gebaseerd op het idee van ras, kapittelt hij mij omdat ik in de aanloop naar de verkiezingen voor The New Yorker een stuk heb geschreven over de blanke arbeidersklasse. Waarom zou je, aangezien de meeste blanke kiezers op Trump hebben gestemd, inzoomen op diegenen zonder universitaire graad, tenzij je ze van racisme wilt vrijpleiten door er andere redenen bij te halen, zoals klasse? Of erger, je sympathie met hen betuigen omdat ze van de maatschappelijke ladder af zijn gekukeld waar ze, anders dan zwarte Amerikanen, ‘van nature’ niet thuishoren? Of, nog erger, waarom zou je jezelf vrijpleiten?

    Tijdens de campagne wees de ene na de andere peiling uit dat verschillende gradaties van bevooroordeeldheid en het idee dat de economie achteruitholde de twee belangrijkste oorzaken waren voor de steun aan Trump. Ik schreef over kiezers uit de blanke arbeidersklasse, omdat hun politieke voorkeuren steeds meer verschillen van die van de hoogopgeleide blanke beroepsbevolking, zodanig dat de kaart van Amerika rood kleurt. Van Roosevelt tot Reagan, Clinton, Obama en Trump: zij zijn de belangrijkste zwevende kiezers. De flinterdunne verkiezingsoverwinning in de Rust Belt bevestigde mijn visie.

    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.
    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.

    Racisme ligt aan de basis van de Amerikaanse politiek. Maar niet alleen: dat geldt ook voor hebzucht, uiteengevallen gemeenschappen, partijgebonden haat en onwetendheid. Iedere schrijver die de Amerikaanse politiek wil begrijpen, moet een manier bedenken om in het hoofd te kruipen van degenen die op Trump hebben gestemd. Iedere progressieve politicus die aan de macht wil komen, moet een belang zien te vinden dat hij met hen deelt, zonder eerst de bijltjesdag af te wachten die blanke Amerikanen voor hun zonden laat boeten. Het is een van de belangrijkste uitdagingen van de politiek.

    Coates zul je er niet over horen, maar in mijn stuk besprak ik het verband tussen ras en klasse. Ik beweerde dat onverdraagzaamheid een constante van sommige mensen is, terwijl de vooroordelen van anderen afhankelijk van de omstandigheden kunnen worden gemanipuleerd door een demagoog als Trump. Ik zei erbij dat iedereen die Trump heeft gesteund, om welke reden ook, ‘probeert een gevaarlijke, verachtelijke man de leiding over het land te geven’. Ik heb niemand vrijgepleit noch iemand mijn sympathie betoond. Analyseren is iets anders dan rechtvaardigen, tenzij je vindt, zoals Coates, dat het hele onderwerp taboe is omdat het de waarheid over blanke superioriteit verdoezelt.

    Soms interpreteert iemand je zo slecht dat je er steil van achterover slaat, zoals wanneer Coates me ervan beschuldigt dat ik problemen als politiegeweld, draconische strafmaatregelen en andere misstanden wegwuif, alleen maar omdat ik Lawrence Summers heb geciteerd toen die het woord ‘diversiteit’ gebruikte om de Democratische coalitie te typeren. Het is het soort vertekening dat ontstaat als je fanatiek op zoek bent naar slechts één oorzaak. 
En was het mij niet ook ontgaan dat 
er zoiets bestaat als blanke-identiteitspolitiek? Ik schreef er tien jaar geleden al over, toen Sarah Palin – de Johannes de Doper van Trump – voor het eerst op het toneel verscheen. Heb ik de zwarte arbeidsklasse links laten liggen omdat de toestand waarin die zich bevindt de natuurlijke orde der dingen zou zijn? Een belangrijk deel van mijn laatste boek, De ontluistering van Amerika, gaat over een zwarte fabrieksarbeidster en de problemen in haar gemeenschap in Youngstown, Ohio. Ik vraag Coates 
niet of hij alles wil lezen wat ik heb geschreven, maar wel of hij niet wil doen alsof hij in mijn ziel kan kijken 
en of hij mijn bevoorrechte positie als blanke niet de ware oorsprong van mijn ideeën wil noemen.

    Niet één oorzaak

    Wanneer je een complete teleologie op één oorzaak bouwt – zelfs al is het zo’n machtige, hardnekkige als het blanke racisme – loop je de kans voorbij te gaan aan alles wat er niet in past. En daarom doet Coates Trumps seksisme – zijn walgelijke taal en de fysieke afkeer die veel van zijn aanhangers hebben van Hillary Clinton – af als achtergrondruis. Hij bagatelliseert vreemdelingenhaat, hoewel buitenlanders veel vaker het slachtoffer waren van Trumps retoriek en beleidsvoornemens dan zwarte Amerikanen. Coates verklaart niet waarom uiteenlopende Republikeinen op een gegeven moment Ben Carson hebben gesteund ten koste van de negen andere kandidaten, allemaal blanken. Hij laat het merkwaardige gegeven buiten beschouwing dat iets meer zwarte en Latijns-Amerikaanse kiezers en iets minder blanke voor Trump kozen en niet voor Mitt Romney. Hij noemt niet eens de naar schatting achtenhalf miljoen Amerikanen die op president Obama hebben gestemd en daarna op Trump, hoewel zij het verschil hebben gemaakt. Niet nodig om het steeds virulentere nihilisme van de Republikeinse Partij te beschrijven. Het onderscheid tussen stad en platteland? Slechts schijn.

    En dan is er het feit dat de steun voor Trump onder de blanke arbeidersklasse van tweederde op de dag van de verkiezingen is gedaald naar 43 procent in de afgelopen maand. Neemt Trump het toch niet zo nauw met die onverdraagzaamheid? Of heeft hij zijn andere plannen niet kunnen waarmaken: de corruptie aanpakken, amazing handelsovereenkomsten sluiten en Amerika weer great maken? Coates zou wel eens meer dan één oorzaak nodig kunnen hebben om dat allemaal te verklaren.

    Zij stuk slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen

    Dat 46 procent van de kiezers, voor het overgrote deel blank, op Trump heeft gestemd, dat sommigen op hem hebben gestemd vanwege zijn onverdraagzaamheid terwijl anderen die door de vingers zien, dat meer dan eenderde van het land hem steunt: het is allemaal al erg genoeg. Maar we leven in een tijd van het grote eigen gelijk, waarin nuances en concessies als zwaktes worden beschouwd en tegenvoorbeelden het bewijs zijn van een vals bewustzijn. Die sfeer is in Coates’ werk geslopen. In zijn stuk en in ander recent werk heeft hij de zelfkritische kwaliteit van zijn eerdere werk de rug toegedraaid ten gunste van een orakelachtige literaire stijl. Hij is de meest invloedrijke Amerikaanse schrijver van dit moment; zijn vorige stuk uit The Atlantic wordt op de universiteit al in de colleges gebruikt. Hij heeft nog nooit zo overtuigend geschreven en zijn zinnen slepen je mee omdat ze nergens voor wijken.

    Maar de stijl van het non-compromis offert onderwerpen op die voor lezers veel te belangrijk zijn om zo maar te laten schieten. Het slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen, de jaren van Obama een illusie worden. Het doet beleidsvoorstellen af als afleidingsmanoeuvres en de politiek zelf als immoreel handjeklap. Het tast de liberale waarde van het individuele denken aan – en daarmee de individuele verantwoordelijkheid – door gedachten en personen ondergeschikt te maken aan theorieën en groeperingen. Het begint met het essentiële inzicht dat ras een idee is en eindigt ermee dat ras zo ongeveer de essentie is van alles.

    Auteur: George Packer

    Openingsbeeld: © Ralph Fresco / Getty

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.