Tag: Peru

  • De schat van de Andes

    De schat van de Andes

    De aardappel komt uit Peru, laat daar geen misverstand over bestaan. Er zijn duizenden soorten, en ze hebben allemaal een eigen naam. Ze zijn gezond, goed tegen de honger en trotseren vorst, hagel en droogte. Boer Julio Hancco, alias El Señor de las Papas uit Cuzco, Peru, teelt driehonderd soorten. Alsof het zijn zonen zijn.

    Julio Hancco teelt driehonderd aardappelsoorten en hij kent ze allemaal bij naam: schoondochtersverdriet, rode zwijnenpruim, koeienhoorn, opgelapte muts, harde slof, neus van de zwarte lama, varkensei, caviafoetus, babyvoer om van de borst te komen. Dit zijn geen Latijnse namen, maar namen die de boeren geven om de aardappel op zijn uiterlijk, smaak, karakter en relatie met andere dingen in te delen. Bijna alle aardappelsoorten die Hancco in de Andes, in zijn geboortestreek Cuzco, op ruim 4000 meter hoogte teelt hebben inmiddels een naam. Maar soms is er een nieuwe soort of is eentje met de tijd zijn identiteit kwijtgeraakt, en dan mag El Señor de las Papas, de Heer van de Aardappels, een naam verzinnen.

    Met de ‘puka Ambrosio’ – puka is ‘rood’ in het Quechua – bewees hij eer aan zijn neef Ambrosio Huahuasonqo, die door een val van een brug om het leven kwam. De naam in het Quechua geeft zijn karakter goed weer: huahuasonqo betekent ‘kinderhart’. Hancco baseerde zich op de Griekse naam Ambrosios om hem te typeren, zijn neef is ‘onsterfelijk’ voor hem. De puka Ambrosio is langwerpig, zacht, een beetje zoet en lichtgeel van binnen met in de kern een rode kring. Het is een van de favorieten van Julio Hancco, een boer die alleen Quechua spreekt, ondanks zijn Latijnse voornaam (Julius betekent ‘met sterke wortels’).

    In zijn huis, vlak na de oogst op een middag in de lente van 2014, tilt hij een hand op die zo groot en rimpelig is als de schors van een boom en wijst naar een bord op tafel. ‘Als een zoon,’ zegt hij. ‘De aardappel is als een zoon.’

    Aardappeloogst in de Andes. © Thomas O'Neill
    Aardappeloogst in de Andes. © Thomas O’Neill

    In het raamloze stenen vertrek met zijn oude tafel en fornuis is het zo donker dat niet te zien is of hij het lachend zegt of juist een plechtig gezicht trekt. Zijn vrouw zit op een krukje en roert in de pan op het fornuis. Op tafel ligt een handvol puka Ambrosio’s koud te worden. Ze zijn heerlijk, maar de meeste Peruanen kunnen ze nooit proeven.

    Het is bekend dat de aardappel uit Peru komt en dat de boeren in de Andes meer dan drieduizend soorten verbouwen, maar daar houdt onze kennis op. We weten waar een iPhone wordt gemaakt, wie de rijkste man ter wereld is, wat voor kleur het oppervlak van Mars heeft, hoe de zoon van Messi heet, maar we weten bijna niets van het voedsel dat we dagelijks tot ons nemen. Als het waar is dat we zijn wat we eten, weten de meesten van ons niet wie we zijn. Wie in Peru naar de markt gaat, aarzelt vooral of hij witte of gele aardappels zal nemen. Gaat hij voor de Huayro – bruinpaars, om met een saus te eten met vrienden rond de ‘aardappelcocktail’, ze zijn zo groot als een champignon – of voor het patriottische gevoel door een zak inheemse aardappels te kopen die op ruim 3,5 kilometer hoogte zijn verbouwd. Maar net als overal ter wereld is ook hier patat erg populair; in Peru, in het land waar de meeste aardappelsoorten ter wereld worden geteeld, werd in 2014 24.000 ton voorgekookte aardappel geïmporteerd: voor de snackbars, om patates frites van te maken.


    Julio Hancco kijkt naar de besneeuwde bergrug voor zijn huis en slaat even zijn ogen neer, zoals zoveel mensen in de stad doen als ze langs een kerk komen: alsof ze inwendig een kruis slaan, met terloopse eerbied. Men heeft Hancco, een boer van 62 jaar, de beschermengel van de kennis, de bewaker van de biodiversiteit, een ster-boer genoemd. Op het gastronomisch festival Mistura werd hij bekroond met de Gouden Spaanse Peper, en wetenschappers uit Italië, Japan, Frankrijk, België, Rusland, de Verenigde Staten en producenten uit Bolivia en Ecuador zoeken hem in de boerengemeenschap Pampacorral op om te achterhalen hoe hij het voor elkaar krijgt om zo veel verschillende soorten aardappel te produceren.

    In de ruimte

    Hancco woont op 4200 meter boven de zeespiegel, aan de voet van de besneeuwde Sawasiray, in een landschap van gele aarde, schrale heuvels en enorme rotsen waar misschien een enkele Europese ingenieur kan komen, maar geen auto of elektrisch licht. Degenen die hem willen bezoeken, moeten onderweg uitstappen en een kleine kilometer steil omhoog klimmen. Buiten adem en duizelig bij gebrek aan zuurstof staan ze meestal voor zijn hutje. Op die hoogte stroomt het bloed trager en waait de wind harder. In de zomer wordt het smeltwater zo koud dat het pijn doet aan je handen. In de winter daalt de temperatuur tot 10 graden onder nul. Hancco moet zo’n 5 kilometer lopen naar een plek waar bomen groeien, vervolgens de stronken in stukken zagen en ze per paard naar zijn huis vervoeren. Voor gas moet hij naar de asfaltweg afdalen en een busje nemen naar Lares, het dichtstbijzijnde dorp, op ruim 20 kilometer, waar hij soms ook brood, rijst, groenten en fruit koopt, alles wat bij hem niet groeit. Het enige dat het goed doet op de hoge grond die hij van zijn ouders heeft geërfd, is de aardappel.

    De aardappel is het eerste gewas dat de NASA in de ruimte teelde om het vermogen zich aan andere omgevingen aan te passen te testen. De teelt is de belangrijkste en meest verbreide van alle niet-graangewassen ter wereld. Het levert meer voedsel per hectare op dan welk ander product ook. De begraven-schat-van-de-Andes die Europa van de honger redde, het belangrijkste voedsel van de troepen van Napoleon, de basis van de Spaanse tortilla, de Italiaanse gnocchi, de Joodse knishes, de Franse puree en zelfs van de primitieve Russische wodka. Het is ook het gerecht dat Thomas Jefferson in de negentiende eeuw in gebakken repen aan zijn gasten in het Witte Huis voorzette, de wortel van de paarse bloem die Marie Antoinette in haar haar stak om te pronken tijdens haar wandelingen in de tuinen van Versailles, het gewas waaraan in Duitsland drie musea zijn gewijd, in België twee, in Canada twee, in de Verenigde Staten twee en in Denemarken één.

    © Thomas O'Neill
    © Thomas O’Neill

    De aardappel inspireerde Pablo Neruda tot een van zijn odes (‘Universele lekkernij, je verwachtte mijn zang niet / want je bent blind, doof en begraven’), James Brown tot een nummer (‘Ik ben weer terug / en maak aardappelpuree’), Van Gogh tot twee schilderijen, en het is de kiem van duizenden zaden die met duizenden andere soorten onder de grond in een berg in het Noorse noordpoolgebied worden bewaard om de rijkdom van de aardappel te behoeden tegen toekomstige natuurrampen.

    Hancco koestert het gewas als een zoon, maar ziet zijn jongste zonen de teelt niet voortzetten, omdat ze geen zin hebben in een leven vol offers in ruil voor een hap eten. Hijzelf zegt dat hij liever alleen achterblijft en zijn zeven kinderen naar de stad ziet vertrekken, waar ze minder zwaar en beter betaald werk kunnen krijgen.

    ‘Sommige boeren stoppen met de aardappel en gaan het toerisme in’

    Op een ochtend vijftien jaar geleden maakte Julio zijn zoon Hernán wakker en zei dat hij een steen ter grootte van een voetbal vanaf hun huis naar de Calca-pas moest dragen, anderhalf uur lopen naar het zuiden. Hernán Hancco, de een-na-oudste zoon, was toen dertien en ging voor het eerst mee om in Calca, het belangrijkste commerciële centrum van de streek, aardappels te verkopen. Wilden ze er om zeven uur ’s morgens zijn, dan moesten ze om drie uur op pad en vier uur lopen, en Hernáns vuurdoop bestond erin dat hij die enorme steen tot halverwege meedroeg. Het was een proeve van uithoudingsvermogen en aanvaarding waaraan de boeren hun zonen van oudsher onderwerpen. Een traditie die niet meer bestaat, zal Hernán later zeggen, terwijl hij zijn laatste pak Sumaj-chips – gemaakt van inheemse aardappels – verkoopt op een markt met organische producten die zondags in Lima wordt gehouden. Julio’s tweede zoon verhuisde een kleine tien jaar geleden naar de hoofdstad. Hij kwam er aan met 400 sol op zak – ongeveer 130 dollar – en het voornemen boekhouden en Engels te gaan studeren. Hij heeft deze studies nooit kunnen afmaken, de verkoop van de aardappels die zijn familie verbouwde slokte al zijn tijd op.

    Met Hernán in Lima besparen zijn ouders en zijn oudste broer Alberto de provisie die tussenhandelaren vragen en betalen ze alleen voor het transport van de aardappels. Dan nog is de winst miniem. Maar de boeren zonder hulp hebben het zwaarder. ‘Daarom stoppen sommigen met de aardappel,’ zegt hij, ‘en gaan het toerisme in.’ In het toerisme gaan wil volgens hem zeggen dat je je als pakezel verhuurt aan vreemdelingen die naar Cuzco komen om het pad van de Inca’s te lopen. De boeren dragen de rugzakken en koffers van de toeristen, zodat die makkelijker naar de voet van de Machu Picchu kunnen klimmen. Voor vier dagen bagage dragen kunnen ze 200 sol krijgen, plus nog eens 200 fooi. Zo’n 130 dollar totaal. Met een zak van 12 kilo inheemse aardappels verdienen ze gewoonlijk 20 sol. Zo’n 6,50 dollar.


    De kuiltjes in aardappels heten ogen, maar we kijken nooit naar de ogen van aardappels. Aardappels hebben wenkbrauwen boven hun ogen. Ze hebben een navel, sproeten en een rond, gedrongen, ovaal, elliptisch of lijzig lijf. De populairste aardappel in het noorden van Tenerife, Spanje, is de ‘schone met de roze ogen’. De Zwarte Homp, uit Chili, heeft een heleboel diepe ogen en geplette wenkbrauwen. De Asterix, uit Holland, heeft een rode schil, geel vlees en oppervlakkige ogen. Alle aardappels worden beschreven volgens hun kenmerken, als een persoon. Ooit waren ze wild, bitter en onsmakelijk. De officiële naam nu luidt Solanum tuberosum. De aardappel behoort net als de tomaat, de aubergine en de Spaanse peper tot de familie van de nachtschade [solanum], die zo heet omdat de bladeren, steel, vruchten en spruiten solanine bevatten, een giftige stof die beschermt tegen ziekten, insecten en andere natuurlijke vijanden. Bij hoge doses kan solanine dodelijk zijn voor een mens, maar voor zover bekend is nog nooit iemand gestorven aan het eten van aardappels. Achtduizend jaar geleden domesticeerde de Andesbewoner de aardappel, toen de homo sapiens daar experimenteerde met landbouw, een nieuwe poging om aan voedsel te komen. De bewoners van de Peruaanse hoogvlakte leerden als eersten hun aardappels zo te veredelen dat ze niet langer giftig waren maar groter werden en sappig.

    Op een middag pootte journalist en voedseldeskundige Michael Pollan in zijn tuin een aardappel die hij via een catalogus had gekocht, en hij vroeg zich af of hij nu die aardappel had gekocht, of dat de aardappel hem had verleid om hem te poten. Pollan, de schrijver die onze manier van kijken naar eten heeft veranderd, denkt dat ‘de uitvinding van de landbouw’ mogelijk door de planten is bedacht om ons namens hen te laten bewegen en denken. Vanuit de planten bezien, schrijft hij in The Botany of Desire, dient de mens wellicht als instrument voor hun overlevingsstrategie, niet veel anders dan de hommel die door een bloem wordt aangetrokken en fungeert om het stuifmeel met de genen van die bloem te verspreiden.

    Bondgenoten

    Deze winterochtend in 2014 op Hancco’s land, met zicht op een hoop lamamest, is het juister om Andesboeren te zien als bondgenoten van de aardappel, en niet als hun temmers. Het is zaterdagochtend, half acht; Hancco, zijn twee oudste zonen en hun buurman Julian Juárez kauwen op cocabladeren en drinken brandewijn voor ze hun dagtaak beginnen: lamamest naar een perceel gepote aardappels een kilometer verderop brengen, om de grond te bemesten. De wachtende lama’s naast ons weten al wat er gaat gebeuren. De mannen pakken hun schop en laden de mest in een paar zakken die tot aan hun middel komen. Ze vullen 39 zakken, knopen ze goed dicht, sjorren zak voor zak op een lamarug, leiden de beesten naar het perceel, maken de balen los, verdelen de mest, vouwen de zakken dicht, verzamelen de touwen, brengen de lama’s terug naar de meststapel en het verhaal begint van voren af aan. Er zijn twee tochten en zes werkuren nodig voordat vier mannen, twee vrouwen, drie honden en veertig lama’s twee hectare hebben bemest. Zoals de stoet beladen lama’s, met de boeren ernaast, over de berg vordert, denk je aan een bijbels tafereel uit een oude film over de Stille Week. De associatie is in twee opzichten vals: er zijn lama’s noch aardappels in de Bijbel (vandaar dat de rechtzinnigste gelovigen weigerden toen Catherina de Grote van Rusland haar onderdanen beval aardappels te telen). Maar kennis zet aan tot ketterij, als je hebt gezien hoe vier boeren zes uur lang bezig zijn een aardappelveld te bemesten.

    © Thomas O'Neill
    © Thomas O’Neill

    Vele generaties Hancco hebben deze strook in Cuzco sinds het begin van de wereld bewoond. Julio erfde de grond, de dieren en meer dan zestig aardappelsoorten van zijn ouders. De afgelopen vijftien jaar heeft hij zijn erfenis uitgebreid tot wel driehonderd soorten. Om nog meer soorten te kweken moest hij al zijn vernuft inzetten. Zijn land bestaat net als dat van bijna alle boeren in de Andes uit wat onregelmatige lapjes grond die over verschillende hoogten verspreid liggen. Aan die complicatie schrijft men het vakmanschap van de boeren in de hoge Andes toe: op een terrein dat een en al helling is, krijgt ieder bebouwbaar hoekje zijn portie zon, vocht en wind. Het land is aan de ene kant blootgesteld aan zonlicht en ligt aan de andere kant in de schaduw. Een reusachtige rots verhindert de doorstroom van regen naar een bebouwbare strook en beschermt de andere tegen de wind. Om het in dit gebied te redden moesten de boeren hun kansen om zich te voeden wel vergroten. Ze pootten verschillende aardappels op hun landjes, leerden iedere plant zorgvuldig te observeren, experimenteerden met duizenden soorten en groeiden uit tot de koningen van de genetische rijkdom op weerbarstige grond. Zo bezwoeren ze de toekomst: meer aardappels betekende meer kans om de maaltijd veilig te stellen bij plagen en ziekten, vorst, hagel en droogte. De boeren in de Andes hadden niet, zoals onze industriële landbouw, het oogmerk de natuur te beheersen, maar pasten zich aan.

    ‘Niemand zorgt voor de natuur,’ zegt Hancco, terwijl hij naar de besneeuwde Sawasiray kijkt en bukt om een handvol aarde van de grond te rapen. Hij heeft net de laatste zak mest over de pootgrond uitgestrooid, een strook die is bedekt met groen mos dat meegeeft als je er op drukt. Het gaat om hellende grond, midden op een bergflank, zonder enige beschutting. Hancco kan zijn teelttechnieken en natuurlijke pesticiden gebruiken tegen ziekten en plagen, maar hij kan zijn aardappels niet beschermen tegen hagel of vorst. De laatste tijd wordt het erger, zegt hij: het klimaat is grilliger en onvoorspelbaarder geworden.

    In de jaren zestig, toen Julio Hancco een kind was en samen met zijn vader begon met aardappels telen, was hij dol op brood: de jonge Hancco bewerkte zijn eigen voren om geld te verdienen en brood te kunnen kopen als de verkopers langskwamen met hun handel. Een Peruaan at in die tijd gemiddeld zo’n 120 kilo aardappels per jaar. In de twintig jaar erna daalde de consumptie, en de terugval kwam in de jaren tachtig in een versnelling toen de boeren op de vlucht voor het terrorisme naar de stad trokken. Rond 1990, tijdens het presidentschap van Alberto Fujimori, bereikte de aardappelconsumptie een historisch dieptepunt: zo’n 50 kilo per persoon per jaar. Rijst en vermicelli verdrongen de aardappel. ‘Vermicelli heeft meer status, een kippenpoot eten is deftiger dan cavia eten, en zo raakte de aardappel uit de gratie,’ zegt Celfia Obregón Ramírez, voorzitter van het Pueruaanse Verbond voor Duurzame Ontwikkeling en initiator van de Nationale Dag van de Aardappel.

    42 66177474

    Vergeleken met de witte rijst, de gele vermicelli en de bleke kip kregen de aardappels met hun donkere schil opnieuw het stigma van achterstand en armoede dat ze eeuwenlang hadden gehad, sinds ze door de conquistadores werden ontdekt en in de zestiende eeuw naar Europa kwamen, naar men vermoedt in het ruim van een Spaans schip. Het duurde twee eeuwen voordat op het hele Oude Continent de aardappel als gangbaar voedsel werd geconsumeerd. Ieder Europees land had zijn eigen geschiedenis van afstoting en aantrekking: men zag de aardappel als onkuis en lustopwekkend, als oorzaak van lepra, als heksenvoedsel, goddeloos, voer voor wilden. Maar Ierland omarmde de aardappel van meet af aan: de boeren, door de Engelsen beroofd van de weinige bruikbare grond die ze hadden, stierven van de honger bij hun pogingen voedsel te onttrekken aan de schamele grond die hun restte. Met de komst van de aardappel eind zestiende eeuw – vermoedelijk in het kielzog van de Engelse piraat Walter Raleigh – kregen de Ieren het voor elkaar op een beetje armzalige grond voedsel voor een heel gezin plus het vee te produceren. Eerst redde de aardappel Ierland van de honger. Daarna kreeg hij de schuld van de armoede; de bevolking groeide in één eeuw van 3 naar 8 miljoen inwoners, omdat de ouders hun kinderen met het weinige dat ze hadden wisten te voeden.

    De Amerikaanse schrijver Charles Mann vertelt dat de econoom Adam Smith, een bewonderaar van de aardappel, onder de indruk was toen hij zag hoe gezond Ieren waren terwijl, ze bijna niets anders dan aardappels aten. ‘We weten nu waarom,’ zegt Mann in zijn boek 1493: Uncovering the New World Columbus Created: de aardappel is gezonder dan welk ander eenzijdig voedsel ook. Hij bevat alle nodige voedingsstoffen behalve vitamine A en D, die je uit melk kunt halen. En het dieet van de arme Ieren in de tijd van Smith, aldus Mann, bestond hoofdzakelijk uit aardappels en melk. De aardappel, die inmiddels in meer dan 150 landen wordt verbouwd, levert meer voedsel per oppervlakte-eenheid dan rijst of mais. Eén aardappel bevat de helft van de vitamine C die een volwassene per dag nodig heeft. In sommige landen, zoals de Verenigde Staten, bevat hij bovendien meer vitamine C dan citrusvruchten, want die zijn industrieel en van slechte kwaliteit. Wat er bij een voedingsmiddel toe doet, vertelt landbouwkundige Obregón Ramírez, is de droge materie en de voedingswaarde: zo heeft een gewone witte aardappel 20 procent droge materie en de rest is water. Dat betekent dat een aardappel van 100 gram goed is voor ongeveer 20 gram voedsel. De inheemse aardappels, die op grote hoogte worden verbouwd in extremere klimaatomstandigheden dan de commerciële soorten, bestaan uit 30 à 40 procent droge materie. Ze zijn twee keer zo voedzaam als een gewone aardappel en bevatten een flinke dosis ijzer, zink en vitamine B. Maar inheemse aardappels leveren natuurlijk minder op, ze zijn moeilijker te vervoeren en de eindprijs ligt hoger. Wij geloven echter nog in het sprookje dat je van aardappels dik wordt en snappen niet waarom we voor een aardappel meer zouden betalen.

    Het echte thuisland van een mens is niet zijn jeugd: het is het eten uit zijn jeugd

    In studies over de Peruaanse aardappel wordt almaar gehamerd op de noodzaak de duizenden soorten en de teelttechnieken te beschermen, om de duidelijke reden dat ze in de loop der eeuwen door de boeren zijn ontwikkeld om ook in de extreemste klimaatomstandigheden – bij vorst, hagel en droogte – voedsel te garanderen. Want dat is wat men wereldwijd van de klimaatverandering verwacht: honger en extreme omstandigheden. Maar er is een egoïstischer reden om ze te willen koesteren: ze zijn lekker. Anders dan bij de productie van fabrieksaardappelen op grote schaal, verbouwen de boeren in de Andes hun aardappels met het oog op eigen consumptie, om eerst hun gezinnen te voeden en de rest te verkopen. Dan Barber, een chef-kok uit New York en het icoon van de beweging ‘van de boerderij naar de tafel’, zegt dat je zonder goede ingrediënten niet goed kunt koken. De stijl van een kok doet er niet toe: wie een betere smaak zoekt, zoekt de beste ingrediënten. ‘En dus,’ zegt Barber, ‘ben je op zoek naar goede landbouw.’ In Peru, waar gastronomie is uitgegroeid tot een erezaak en een kwestie van zelfrespect, wordt meer dan 70 procent van wat men aan tafel eet – fruit, groenten, granen, knollen en peulvruchten – door kleine boeren geproduceerd. De boom van de Peruaanse keuken, die het land de laatste tien jaar met trots vervulde, is de boom van de ingrediënten van de Peruaanse keuken. Toch heeft de regering maar 2,3 procent in de begroting van 2015 gereserveerd voor kleinschalige landbouw, het laagste percentage sinds 2010.

    Alles vers

    Het echte thuisland van een mens is niet zijn jeugd: het is het eten uit zijn jeugd. Op een zondagmorgen om zeven uur, voordat de werkdag begint, zet Hancco’s vrouw ons dit ontbijt voor: rijstepap, brood met gebakken ei, eigen oogst aardappels, alpacakarbonaadjes en aardappelmeelsoep – een paar bittere aardappels die door het barre weer zijn uitgedroogd met wat schapenvlees. Hancco en zijn zonen Hernán en Wilfredo, die de hele dag op het land moeten werken, nemen twee keer van de soep. Hancco wijst naar de borden, kijkt me aan en zegt dan in het Spaans: ‘Kijk, vers vlees. Verse aardappel. Vers water. Alles vers.’ Hancco grapt dat hij, als hij jonger was, in de stad of in een ander land zou gaan wonen. Maar vraag je hem er in ernst naar, dan zegt hij nee, hij zou zijn dieren niet in de steek laten. En hier, zegt hij, eet hij tenminste wat hij wil. Hier eet hij aardappel, varkensvlees, alpaca, cavia, konijn. In de stad is het een en al vermicelli, rijst, koekjes. ‘Dat is geen voedsel, maar chemische troep,’ zegt hij in het Quechua, terwijl Hernán vertaalt.

    El Señor de las Papas was twee keer in Italië, op uitnodiging van Slow Food, een internationale beweging die ageert tegen industrieel voedsel en zich inzet voor het herstel van de smaak en de traditionele voedselproductie. Met behulp van de Peruaanse Bond van Ecologische Boeren en Slow Food konden Hancco en zijn zonen honderden zakken chips van inheemse aardappels bereiden en verpakken om in Italië te verkopen. Inmiddels worden zijn landbouwtechnieken, dezelfde die de boeren van de Andes eeuwenlang in praktijk brachten en die Hancco vervolmaakte voor zijn eigen aardappelsoorten, erkend als ecologisch productiesysteem.

    Steeds als Hancco aan een evenement in Peru deelneemt, krijgt hij te horen dat zijn werk belangrijk is voor iedereen. De laatste vijftien jaar kregen Hancco en de andere boeren uit de streek steun van ngo’s om hun aardappels te telen en verkopen, aan water te komen, aanpassingen te zoeken voor de gevolgen van de klimaatverandering en richtlijnen te ontwikkelen voor de toekomst van het familiebedrijf. Julio Hancco oogstte erkenning, er hangen een paar krantenartikelen bij zijn zonen in de kamer, hij ontving veel bezoek van buitenlanders, maar tot noemenswaardige maatregelen van regeringszijde heeft het niet geleid. Er is nauwelijks iets veranderd in de arbeidsvoorwaarden, ook niet voor de duizenden andere boeren die net als hij overal ter wereld om hun werk worden bewonderd.

    Auteur: Eliezer Budasoff
    Vertaler: Barber van der Pol

    Eliezer Budasoff is een Argentijnse auteur en redacteur. Zijn werk werd onder meer beloond met de Nuevas Plumas-prijs (voor krantenartikelen) en verscheen in vele grote Spaanstalige kranten.

    Etiqueta Negra
    Peru, maandblad, oplage 7000
    Een tijdschrift voor mensen met een springerige geest. Heeft de ambitie de New Yorker van Latijns-Amerika te worden.

  • Vijf manieren waarop de farmaceutische industrie haar macht misbruikt

    Vijf manieren waarop de farmaceutische industrie haar macht misbruikt

    Kanker kan in de nabije toekomst een ziekte worden die te genezen is. Maar de farmaceutische industrie belemmert onderzoek. Voor de grote concerns met een marktpositie net zo stevig als die van Google en Amazon, is het belangrijk snel nieuwe lucratieve producten op de markt te brengen. Een aanklacht van professor Karl Lauterbach.

    Bij uitdagingen voor de Duitse gezondheidszorg wordt meestal gedacht aan dementie of het tekort aan verplegend personeel. Kanker is daarentegen een taboeonderwerp. Echter, 60 tot 70 procent van de kankergevallen is niet te voorkomen, ook al is de preventie nog zo goed; een op de twee volwassenen uit de generatie babyboomers zal op enig moment in zijn leven kanker krijgen. Mensen uit de generaties daarvoor zijn meestal aan andere ziekten gestorven, terwijl de kinderen van de babyboomers waarschijnlijk de eersten zullen zijn die vrijwel allemaal kunnen genezen van kanker.

    Wetenschappelijk onderzoekers uit de generatie babyboomers ontraadselen momenteel de fascinerend logische, maar dodelijke wetten van de ziekte. Zij zullen echter in veel gevallen nog niet gered kunnen worden door deze inzichten. Zij vormen een sandwichgeneratie. Kanker is hun epidemie.

    In de afgelopen tien jaar zijn er al veel nieuwe medicijnen tegen kanker ontwikkeld waarmee een behandeling op maat kan worden gegeven. Chemotherapie tast zowel gezonde als zieke cellen aan, de nieuwe medicijnen alleen de voor kwaadaardige groei noodzakelijke interne communicatie van de kankercellen of de communicatie met het immuunsysteem. Al deze innovatieve geneesmiddelen – of het nu gaat om antistoffen, tyrosinekinaseremmers of checkpointremmers – kosten echter jaarlijks tussen de 50.000 en 150.000 euro per patiënt.

    Jubelstemming

    Tot nog toe zijn er in Duitsland maar weinig van deze middelen op de markt, en ze helpen ook maar een minderheid van de kankerpatiënten. Al in 2017 gaan in de VS nog eens 120 medicijnen de laatste fase van klinisch onderzoek in, en dat zullen er in de toekomst nog veel meer worden. Bij de farmaceutische concerns heerst een jubelstemming, want de nieuwe medicijnen tegen kanker drijven de aandelenkoersen van de bedrijven op, en zelfs met geneesmiddelen tegen zeldzame kankersoorten worden miljardenwinsten gemaakt. Het is met afstand de lucratiefste markt voor de gehele branche, met winstmarges tussen de 25 en 50 procent.

    gettyimages 463580702

    Hoewel het behalen van een hoge omzet met innovatieve geneesmiddelen niet per se afkeurenswaardig is – het gaat om een groeimarkt in een verouderende maatschappij en er zijn eerste successen in de strijd tegen een tot nog toe ongeneeslijke ziekte – krijgen de concerns van de kankerindustrie momenteel toch zware kritiek te verduren. Toonaangevende kankerspecialisten en wetenschappers die deze medicijnen toepassen en voor een deel zelfs hebben ontwikkeld, zijn verontwaardigd. En inderdaad kunnen de farmaceutische ondernemingen vijf verwijten worden gemaakt:

    1. De hoge prijzen hebben niets te maken met het uiteindelijke profijt van de betreffende medicijnen. Gemiddeld verlengen ze het leven van de patiënten met slechts een paar weken of maanden. Zeldzame uitzonderingen zoals imatinib (Glivec) bij chronische myeloïde leukemie doen hier niets aan af. Tot genezing komt het bijna nooit, omdat de patiënten meestal na korte tijd resistent worden tegen de medicijnen; de tumor komt dan vaak des te sterker terug. Door agressieve marketing en daarop toegesneden studies wordt het profijt van de medicijnen stelselmatig door artsen en patiënten overschat. Er worden onrealistische verwachtingen gewekt.

    2. De hoge prijzen zijn niet te rechtvaardigen met het argument van hoge onderzoekskosten. De farmaceutische industrie beweert weliswaar per medicijn ontwikkelingskosten van meer dan een miljard dollar te hebben (aldus lobbyisten tegen leden van de Duitse Bondsdag), maar de daadwerkelijke onderzoekskosten bedragen slechts 100 à 200 miljoen dollar per medicijn, wat in de eerste maanden na toelating op de markt al weer is terugverdiend.

    In Duitsland zijn nieuwe medicijnen tegen kanker tot wel veertig keer zo duur als oude

    3. De concerns misbruiken hun macht op de markt. Er zijn maar vijf tot tien grote internationale ondernemingen die nieuwe geneesmiddelen tegen kanker op de markt kunnen brengen. Kleinere bedrijven zijn te traag in de toelatingsprocedure. Hun ontbreekt het geld en de invloed op wetenschappers en overheid. De kerncompetentie van de kankerindustrie is niet haar onderzoek, maar omvat haar kapitaal en haar contacten. Onderzoek naar kanker wordt onder enorme tijdsdruk en daardoor tegen zeer hoge kosten gedaan, en de toelating van medicijnen op de markt gebeurt steeds sneller, meestal al na slechts één klinisch onderzoek. De farmaceutische middenstand in Duitsland staat bij deze wedloop volledig buitenspel. Enkele grote concerns, in samenwerking met Amerikaanse topuniversiteiten, dicteren de prijzen van nieuwe geneesmiddelen tegen kanker voor de hele wereld. Hun marktpositie is net zo stevig als die van Google of Amazon.

    4. De farmaceutische bedrijven belemmeren zelfs vaak het onderzoek. Buitenstaanders denken dat de belangrijkste nieuwe geneesmiddelen in de oncologie afkomstig zijn van de researchafdelingen van die bedrijven. In werkelijkheid echter zijn ze het resultaat van onderzoek aan universiteiten en onderzoeksinstituten van de overheid. De belangrijkste nieuwe medicijnen tegen kanker zijn ontwikkeld door de Harvard Medical School, de Universiteit van Californië in Berkeley en de universiteiten van Oregon en Texas, in vrijwel alle gevallen met ondersteuning van het National Cancer Institute in Maryland. De farmaceutische bedrijven geven daarentegen slechts 1,3 procent van hun omzet uit aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Ze willen snel nieuwe lucratieve producten op de markt brengen. Zo worden reeds bekende werkzame stoffen enigszins gemodificeerd en voor nieuwe indicaties toegelaten, wat geld en wetenschappers onttrekt aan het dringend noodzakelijke fundamentele onderzoek. Terwijl de concerns de hoogste winsten uit de geschiedenis behalen, beklaagt Harold E. Varmus, voormalig directeur van het Amerikaanse National Cancer Institute, zich erover dat belangrijke fundamentele onderzoeken wegens geldgebrek worden gestaakt; projecten die uitmaken wanneer kanker te genezen zal zijn. In Duitsland is voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek zo weinig geld beschikbaar dat alleen nicheontwikkelingen mogelijk zijn. Daar komen nog overdreven hindernissen in verband met de privacybescherming bij, die het verzamelen van de noodzakelijke genetische informatie bij patiënten bemoeilijken. Al met al moet er veel meer geld in fundamenteel kankeronderzoek worden gestoken dan nu het geval is, om bijvoorbeeld te begrijpen hoe patiënten resistent worden tegen medicijnen. Pas dan zal de ziekte in de nabije toekomst daadwerkelijk te genezen zijn.

    5. De hoge prijzen zijn funest voor de gezondheidszorg. Toonaangevende Amerikaanse kankerspecialisten en de American Society of Clinical Oncology (ASCO) doen publiekelijk een beroep op de politiek en de farmaceutische industrie om de prijzen te verlagen, omdat ze anders hun patiënten niet meer kunnen behandelen. De financial toxicity van de nieuwe geneesmiddelen is ook een bedreiging voor onze gezondheidszorg. In Duitsland zijn de nieuwe medicijnen tegen kanker tot wel veertig keer zo duur als de oude. De extra kosten zullen door de voorziene combinatie van werkzame stoffen verder exploderen. Als we van de jaarlijks te verwachten 600.000 nieuwe kankerpatiënten maar ongeveer de helft met de nieuwe combinaties van medicijnen behandelen, moet er rekening worden gehouden met meerkosten tot wel 45 miljard euro per jaar.


    Uiteindelijk zouden veel patiënten maar enkele weken of maanden langer leven. Daarbij komt nog dat hun kwaliteit van leven door de innovatieve behandeling in vergelijking met een palliatieve behandeling of een minder agressieve chemotherapie vaak zelfs verslechtert. Tot nog toe zijn er ook geen gegevens beschikbaar die antwoord geven op de vraag of de op de Amerikaanse topuniversiteiten behaalde, vaak zeer geringe levensduurverlengingen ook in de dagelijkse praktijk blijken. Het ontbreekt aan gegevens, experts, kwaliteitsbewaking en vooral aan onafhankelijk onderzoek, ook na de toelating van de geneesmiddelen op de markt.

    In de coalitie [van CDU/CSU en SPD] hebben we dit megathema tot nog toe niet behandeld; er vindt een stroeve dialoog met de farmaceutische industrie plaats, waarbij het nog geen enkele keer over de nieuwe medicijnen tegen kanker is gegaan. De industrie ontwijkt het onderwerp. De huidige vergoedingsrichtlijnen van de verzekeraars hebben hun werking verloren. We moeten daarom ogenblikkelijk handelen.

    Noodzakelijk

    Noodzakelijk is een beter, langer onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen tegen kanker voordat deze op de markt worden gebracht. De regels van het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) moeten onafhankelijk van de farmaceutische industrie worden herzien. En er moet verder onderzoek worden gedaan naar de behandelresultaten van de medicijnen, ook na de toelating ervan, om te voorkomen dat de verkeerde patiënten worden behandeld.

    Patiënten moeten realistisch en onafhankelijk van de farmaceutische industrie worden voorgelicht over de nieuwe therapieën; dan zouden veel mensen besluiten af te zien van de behandeling.

    De palliatieve geneeskunde moet worden geïntensiveerd voor ongeneeslijk zieke patiënten, en de strijd voor een betere preventie en vroegtijdige herkenning moet harder worden gevoerd, vooral tegen de tabaksindustrie. Roken veroorzaakt in Duitsland nog altijd een veelvoud van de sterfgevallen door kanker, die door deze gerichte therapie zouden kunnen worden gered.

    En ten slotte moet er een verlaging van de veel te hoge prijzen worden gerealiseerd. Om te voorkomen dat de landen van Europa tegen elkaar worden uitgespeeld, zou een nieuw op te richten centrale instelling Europese prijzen moeten vaststellen, net als bij de toelating. Daarbij zou het profijt van de geneesmiddelen moeten worden afgezet tegen alle alternatieven.

    Als we de prijzen voor de nieuwe geneesmiddelen tegen kanker ook in de toekomst laten dicteren door de industrie, dan moeten de miljarden op een andere plek worden bezuinigd, bijvoorbeeld in de verpleging of bij de preventie. Voor de prijs van een behandeling die het leven vaak maar met enkele weken verlengt, kunnen enkele verpleegkundigen een jaar lang worden betaald.

    Auteur: Karl Lauterbach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Karl Karl Lauterbach (52) is arts en hoogleraar Gezondheidseconomie en klinische epidemiologie aan de Universität Köln. Hij is ook de gezondheidsdeskundige van de SPD-fractie in het Duitse parlement. Zijn nieuwe boek Die Krebs-Industrie – wie eine Krankheit Deutschland erobert is onlangs bij Rowohlt Verlag verschenen.

    Der Spiegel
    Duitsland, weekblad, oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.