Tag: polemiek

  • 2. Santiago Sierra Middelpunt 
van controverse

    2. Santiago Sierra Middelpunt 
van controverse

    Begin dit jaar werd het werk van de Spaanse kunstenaars Santiago Sierra tot grote ontsteltenis verwijderd van de kunstbeurs ARCO omdat leiders van de Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging als politieke gevangenen werden afgebeeld.

    De productie van de kunstenaar Santiago Sierra (Madrid, 1966), die gisteren voor de zoveelste keer het middelpunt van een 
controverse werd, valt in drie categorieën uiteen: werken in privécollecties, werken in openbare 
collecties en polemische werken. Wat er op de 
Internationale Beurs voor Hedendaagse Kunst in Madrid met zijn werk ‘Politieke gevangenen in het hedendaagse Spanje’ gebeurde is een nieuwe episode in zijn creatieve carrière, die gekenmerkt wordt 
door steeds terugkerende provocaties.

    Misschien het eerste werk dat negatieve reacties binnen en buiten de kunstwereld opriep was ‘Lijn van 30 cm getatoeëerd op iemand die ervoor betaald werd’ (Mexico, 1998). Het was het begin van een reeks performances waarvoor de kunstenaar betaalde: mensen die zich lieten tatoeëren, die een korte tekst van buiten leerden of die voor 20 dollar (16 euro) voor de camera masturbeerden. Wat de kunstenaar wilde was kanttekeningen plaatsen bij onze omgang met arbeid en onderzoeken hoe ver mensen bereid zijn 
te gaan voor geld, maar de manier waarop hij dat deed zette kwaad bloed in de kunstwereld, die meer geporteerd is voor subtiele metaforen in werken 
met een politieke lading.

    Sierra overschreed de grens van het betamelijke nog verder toen hij in 2000, in San Juan, Puerto Rico, twee heroïneverslaafden een lijntje heroïne betaalde om een 10 centimeter lange strook op hun hoofd 
kaal te mogen scheren. Daarna waren nog maar 
weinigen verbaasd over zijn installatie op de Biënnale van Venetië in 2003, ‘Afgedekt woord’ genaamd, waarmee hij de toegang tot het Spaans paviljoen afsloot voor iedereen die geen Spaanse legitimatie kon tonen. Daarmee wilde hij de Europese immi-
gratiepolitiek aan de kaak stellen, tot grote verontwaardiging van veel bezoekers, inclusief Spanjaarden.

    De woedende reacties op zijn werk hebben Santiago Sierra er niet van weerhouden op dezelfde voet verder te gaan. In 2006 verbood de Duitse stad 
Pulheim zijn installatie ‘245 kubieke meters’, een nagebouwde gaskamer in een synagoge die dienstdeed als cultureel centrum. Het werk verwees 
volgens de kunstenaar naar ‘de geïndustrialiseerde en geïnstitutionaliseerde moord op Europeanen, in het verleden en in het heden’.

    ‘Het is allemaal je reinste waanzin, maar het schijnt volkomen normaal te zijn. Niemand kijkt er nog van op. Vervolging op grond van overtuiging is genormaliseerd’

    Die polemieken waren geen beletsel om hem in 
2010 de Nationale Prijs voor Plastische Kunst toe te kennen, een onderscheiding die hij, samen met het eraan verbonden geldbedrag, weigerde door middel van een brief die hij op de ARCO, de Internationale Beurs voor Hedendaagse kunst, verkocht voor 
30.000 euro, hetzelfde bedrag als de geweigerde geldprijs, die anders uit de algemene middelen betaald zou moeten worden.

    De opschudding na het verwijderen van Sierra’s 
werk bereikte ook de politieke arena. De woordvoerder van de PSOE in het parlement, 
Margarita Robles, sprak haar steun uit voor de maatregel: ‘We dienen waardering te hebben voor elke maatregel die de spanning vermindert.’ De gemeente Madrid, gedomineerd door de Christelijke Volkspartij (PP), staat ook achter de beslissing. Juan Carlos Girauta van Ciudadanos oefende kritiek uit op de beslissing van IFEMA (de jaarbeurs van Madrid) met zijn stelling dat kunst ‘fictie’ is en ‘volkomen vrij’ 
en dat binnen de kunst ‘alles is toegestaan’. Pablo Iglesias van Podemos zei dat het ‘onverenigbaar is met de democratie dat bepaalde thema’s niet aangeroerd mogen worden’. Joan Tardà van Esquerra Republicana de Catalunya (‘Catalaans Links’) nam het woord ‘censuur’ in de mond.

    De staatssecretaris van Cultuur, Fernando Benzo, distantieerde zich van de kwestie: ‘Het valt niet binnen onze competentie in dezen oordelend of 
handelend op te treden.’

    Santiago Sierra staat de pers te woord tijdens een presentatie van zijn serie ‘Politieke gevangenen in hedendaags Spanje’. – © Pablo Blazquez Dominguez / Getty
    Santiago Sierra staat de pers te woord tijdens een presentatie van zijn serie ‘Politieke gevangenen in hedendaags Spanje’. – © Pablo Blazquez Dominguez / Getty

    El País: Wat is uw kijk op wat er gebeurd is met uw werk ‘Politieke gevangenen in het hedendaagse Spanje’?

    Sierra: IFEMA heeft mijn laatste werk laten 
verwijderen omdat de bezoekers van de ARCO het niet mochten zien. Dat is te gek voor woorden, dat is een daad van censuur die niet van deze tijd is, op z’n minst internationaal gezien. Voor de cultuurwerkers in Spanje is het dagelijkse kost.

    El País: Wilt u met uw werk zeggen dat u 
gelooft dat Oriol Junqueras en ‘Los Jordis’ 
(Jordi Cuixart en Jordi Sànchez, twee voorstanders van Catalaanse onafhankelijkheid die door de 
Spaanse centrale overheid wegens hoogverraad zijn gearresteerd) politieke gevangenen zijn?

    Sierra: Dat beweer ik precies, ja. En ik zou niet weten waarom ik dat niet mag zeggen en ik zou ook niet weten waar IFEMA het lef vandaan haalt me de mond te snoeren. Of om Helga de Alvear [zijn galeriehoudster] voor te schrijven wat ze wel en niet in haar 
galerie tentoon mag stellen. Het is allemaal je reinste waanzin, maar het schijnt volkomen normaal te zijn. Niemand kijkt er nog van op. Vervolging op grond van overtuiging is genormaliseerd.

    El País: Wat gaat u er nu aan doen?

    Sierra: Het is nog maar pas gebeurd en ik weet nog niet wat ik ga doen. Ik stel me voor dat ik ga proberen het koste wat kost tentoongesteld te krijgen. Ik kan haast niet geloven dat er niets aan te doen is.

    Een van de gecensureerde werken van Sierra.
    Een van de gecensureerde werken van Sierra.

    El País: Op de ARCO van 2010 was u ook het voorwerp van een polemiek omdat u de brief waarmee u de Nationale Prijs voor Plastische Kunst weigerde, te koop aanbood. Is de kunstbeurs een podium voor u om de polemiek 
te zoeken, in de wetenschap dat uw boodschap in deze context de meeste weerklank vindt?

    Sierra: Alles wat het systeem niet naar de mond praat is volgens de media polemiek. Maar het 
kunstpubliek is heus niet achterlijk, hoor, dat vindt iets niet snel een schandaal. Schandalen worden 
in de pers bekokstoofd.

    El País: Vindt u een kunstbeurs een geschikt podium voor politieke stellingnames?
    Sierra: Jazeker, maar die lui van IFEMA willen alleen maar l’art pour l’art, dat hebben ze al zo vaak laten zien. De ARCO zou zich eens goed moeten bezinnen 
of ze in de toekomst de beurs nog bij IFEMA wil houden. Over de vraag wat kunst is gaat alleen de kunstenaar.

    ‘Political Prisoners in Contemporary Spain’ werd 
verkocht voor 96 duizend euro aan een Catalaanse ondernemer die het per direct beschikbaar stelt aan musea. De posters hangen tijdens het forum op verschillende lokaties in Amsterdam.

    Auteur: Juan José Santos Mateo
    Vertaler: Jos den Bekker

    Santiago Sierra
    31 mei, De Balie, 21.00

    Openingsbeeld: Demonstranten eisen de vrijlating van rapper Valtonyc (hij kreeg een celstraf van drieënhalf jaar voor aanstootgevende teksten in zijn songs) en vrijheid van meningsuiting nadat het werk van Santiago Sierra 
werd verwijderd van de kunstbeurs ARCO. – 
© Marcos del Mazo / Getty Images

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 180 770

    Opgericht in 1976, is van doorslaggevende betekenis geweest voor de overgang van dictatuur naar democratie. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • Moet je Syriëstrijders doden voor ze terugkeren?

    Moet je Syriëstrijders doden voor ze terugkeren?

    Eind oktober verklaarde de Britse minister Rory Stewart dat ‘de enige oplossing’ voor het probleem van de Syriëstrijders was om ze te doden voordat ze terugkeren naar Europa. Zijn opmerking leidde tot een felle polemiek.

    JA

    Wat moeten we aan met de honderden jihadisten die terugkeren na een potje lekker onthoofden bij IS? Max Hill, de onafhankelijke toezichthouder op de Britse terrorismewetten, vindt dat we ze niet voor de rechter moeten slepen, maar ze moeten helpen om weer te integreren in de maatschappij. Ik daarentegen ben het eens met de Conservatieve minister Stewart dat het ‘in bijna alle gevallen’ de beste oplossing zou zijn om ze dood te schieten terwijl ze daar nog zijn. Het enige probleem dat ik zie is: wat als we missen? Er glippen er vast een paar door het net.

    Een paar jaar geleden kampten we nog met het tegenovergestelde probleem. Wat moesten we doen, vroegen we ons wanhopig af, met jonge, Britse moslims die voor IS wilden gaan vechten? Het leek mij crimineel en bespottelijk om ze te laten gaan om vervolgens gedood te worden door Britse explosieven of sluipschutters met scherpe ogen. Dus waarom zouden we ze niet meteen op Heathrow doodschieten? Het resultaat was hetzelfde, alleen een stuk goedkoper. Ik kreeg echter te horen dat dit grondwettelijke, morele en legale implicaties had, en andere passagiers zou afschrikken. Mijn tweede suggestie was: laat ze gaan, maar laat ze er niet meer in als ze er genoeg van krijgen of niet zonder hun Eerste Wereld-geneugten blijken te kunnen. Dit idee werd niet beter ontvangen dan het eerste.

    Dan moeten ze maar gaan wonen op een plek waar hun opvattingen worden gedeeld

    We kunnen dus niet voorkomen dat in Groot-Brittannië geboren jihadisten terugkeren naar Groot-Brittannië omdat ze, eh, Britten zijn. Natuurlijk, dat begrijp ik. Tenzij we een wet aannemen waarin staat dat hun staatsburgerschap wordt afgenomen als ze tegen Britse troepen hebben gevochten. Dan moeten ze maar gaan wonen op een plek waar hun opvattingen worden gedeeld.

    En waarom trappen we alle in het buitenland geboren islamisten er niet uit omdat die een potentieel gevaar vormen? Want dat doen we ook niet, al heb ik geen idee waarom niet. We houden vol dat we ze in de gaten houden als ze terugkomen uit de bouwmarkt met hun pakken waterstofperoxide en hun smeltdraad.

    We laten ons op een dwaalspoor brengen en zijn daardoor niet in staat iets te ondernemen. Max Hill denkt bijvoorbeeld dat de jonge misdadigers die naar Syrië zijn gegaan gewoon aardige jongelui waren die op onverklaarbare wijze ‘geradicaliseerd’ zijn door de islamistische ideologie. Alsof hun moordzuchtige bedoelingen ze werden opgedrongen door een buitenstaander en zij eigenlijk slachtoffers waren. Dus dit moeten we doen: als ze proberen terug te keren, deporteer ze dan. Als je ze niet kunt deporteren, sluit ze dan op zo lang als onze wetten toestaan. Als er een sleutel is, gooi die dan weg. Dan zullen de mensen in Londen en Manchester zich iets veiliger voelen.

    Auteur: Rod Liddle

    Rod Liddle (1960) is co-hoofdredacteur van The Spectator en voormalig redacteur van het BBC Radio 4-programma Today. 
Hij schreef boeken, 
presenteerde tv-programma’s, en publiceerde in o.a. The Sunday Times en The Sun.

    The Times | Londen

    1. Robert Fisk, 2. Rob Liddle
    1. Robert Fisk, 2. Rob Liddle

    NEE

    Onlangs hebben Europese leiders een belangrijke, ongekende en gevaarlijke beslissing genomen. Die is niet erg expliciet verwoord, maar het is overduidelijk dat ze vinden dat buitenlandse strijders voor IS gedood moeten worden als ze worden opgespoord.

    Wat is er met gerechtigheid gebeurd, dat basisprincipe van alle landen die geloven in vrijheid en democratie? Een paar citaten. De Franse minister van de Strijdkrachten, Florence Parly: ‘Als jihadi’s sneuvelen in deze strijd lijkt me dat het beste.’ En de Amerikaanse vertegenwoordiger van de anti-IS-coalitie, Brett McGurk: ‘Het is onze missie om ervoor te zorgen dat elke buitenlandse strijder die zich bij IS heeft aangesloten en naar Syrië is gekomen, ook hier in Syrië sterft.’ En onze eigen Tory-minister Rory Stewart: ‘Ik ben bang dat we het feit dat die mensen een groot gevaar vormen serieus moeten nemen. Ze doden is jammer genoeg de enige manier om ze aan te pakken.’

    Die uitspraak van Stewart is heel begrijpelijk, buitengewoon helder en zeer betreurenswaardig. Stewart, Parly en McGurk vragen in feite om de executie van hun burgers die zich bij IS hebben gevoegd. Dat zeggen ze natuurlijk niet. Maar zo maken we Iraakse soldaten en Koerden en wie dan ook wel duidelijk dat ze Britse, Franse, en Amerikaanse burgers die voor IS zijn gaan vechten mogen vermoorden. Prima. Geen punt. Wie wil ze graag terug?

    Als ze gevangen worden genomen, moeten we ze dan niet “aanpakken” door ze voor de rechter te brengen, ze voor altijd op te sluiten als dat het vonnis is en de hele wereld laten zien dat wij geen moordenaars zijn en moreel boven de slachters van IS staan?

    Maar wat is er intussen gebeurd met het internationale recht? Tientallen jaren lang hebben we de dictators in het Midden-Oosten veroordeeld om hun wreedheid en hun massale terechtstellingen – en zo hoort het ook. Maar hoe kunnen we ze nu nog veroordelen als wij publiekelijk aankondigen dat we onze eigen burgers die zich bij IS hebben aangesloten dood willen hebben?

    De Egyptenaren, de Saoedi’s en de Syriërs mogen nu hoofden afhakken en iedereen die ze maar willen ophangen of afslachten omdat de ‘enige manier om ze aan te pakken’ (‘jammer genoeg’ natuurlijk) is ze ‘te vermoorden’.

    Als een Brit ervoor kiest om te vechten en te sterven in een strijd voor een groteske organisatie als IS, dan is dat zijn (of haar) probleem. Maar als ze gevangen worden genomen, moeten we ze dan niet ‘aanpakken’ door ze voor de rechter te brengen, ze voor altijd op te sluiten als dat het vonnis is en de hele wereld laten zien dat wij geen moordenaars zijn en moreel boven de slachters van IS staan?

    Doen we dat niet, dan overtreden we de grens tussen gerechtigheid en het aanmoedigen van executies. Als we dat willen, laten we dat dan duidelijk zeggen. En als we dat niet willen, laten we dat dan ook zeggen. Amnesty? Human Rights Watch? Ik heb nog niets van ze gehoord.

    Auteur: Robert Fisk

    Robert Fisk (1946) is sinds 1989 Midden-Oosten-correspondent voor The Independent. Hij won tal van prijzen, waaronder zeven keer de Press Awards Foreign Reporter of the Year. Fisk publiceerde verschillende boeken en versloeg diverse oorlogen en conflicten.

    The Independent | Londen

  • De Tunesische vrouw krijgt haar rechten niet cadeau

    De Tunesische vrouw krijgt haar rechten niet cadeau

    Het voorstel van de Tunesische president Essebsi om man en vrouw in het erfrecht gelijk te stellen en vrouwen toe te staan met niet-moslims te trouwen, zorgt voor een felle polemiek. Vooral in het buitenland.

    Door te streven naar gelijkheid tussen man en vrouw vervult Tunesië in de regio wederom een pioniersrol. Het voorstel van onze president wordt naar alle waarschijnlijkheid een zware bevalling, vanwege het verzet van de – religieuze en niet-religieuze – conservatieven in het land zelf en daarbuiten.

    Zoals president Beji Caid Essebsi in zijn speech op 13 augustus ter gelegenheid van de nationale Dag van de Vrouw aangaf, is het initiatief om de discussie te openen over de dubbele kwestie van het erfrecht en het huwelijk van een moslima met een niet-moslim, geheel in overeenstemming met de geest van Grondwet van januari 2014. Het sluit ook goed aan bij de ontwikkeling van de maatschappelijke realiteit in het land: 75 van de in totaal 217 parlementsleden, 60 procent van het hoger medisch personeel, 41 procent van de leden van de magistratuur, 43 procent van de advocaten en 60 procent van de afgestudeerden aan de universiteit is vrouw. Het voorstel is daarnaast een aanvulling op de wet tegen geweld jegens en discriminatie van vrouwen, die in juli werd aangenomen.

    De toespraak van de president veroorzaakte een storm van protest onder degenen die de tekst van de Koran aanhalen om uiting te geven aan hun verontwaardiging over het voorstel om 
de wet inzake de persoonlijke status 
te wijzigen. [De Code du statut personnel 
is al van kracht sinds januari 1957 en kent de Tunesische vrouw rechten toe die in andere Arabisch-islamitische landen ongekend zijn.] Toch is deze wet goedgekeurd door de staatsgodsdienst (de islam), in de persoon van de moefti van de republiek.

    De tegenstanders zitten politiek gezien bij de islamistische Ennahda-partij, de salafistische partijen en bij Hizb el-Tahrir, die naar het kalifaat streven, en niet te vergeten bij de Al-Mahabba-partij, waarvan leider Hachmi Hamdi [oud-militant van Ennahda] heeft opgeroepen tot een petitie voor afzetting van de president.

    Heftige woordenwisselingen

    Er bestaat nog een derde stroming die een genuanceerder standpunt inneemt in deze polemiek. Deze gematigden zijn van mening dat het voorstel van de president op dit moment niet wenselijk is en wordt ingegeven door electorale motieven. Dit standpunt wordt veelal ingenomen door militanten van links en Arabische nationalisten.
    Het krachtenveld in de polemiek wordt dus niet alleen bepaald door seculiere modernisten en islamitische conservatieven. Bovendien kunnen de standpunten evolueren. Dat geldt bijvoorbeeld voor Ennahda, waarvan leider Rached Ghannouchi afwezig was bij de viering van de Dag van de Vrouw in Carthago, terwijl hij een strategische bondgenoot is van de zittende macht en zegt politiek en religie te willen scheiden. Ennahda ziet zich voor een dilemma geplaatst: wanneer de partij instemt met gelijkheid van man en vrouw in het erf- en huwelijksrecht, laat zij de oude overtuigingen van de Moslimbroeders los en verliest ze een deel van haar electoraat. Maar als zij de gelijkheid van man en vrouw uit naam van de sharia afwijst, wordt haar idee van een politieke transformatie tot een burgerlijke en democratische partij pure fictie.

    De polemiek heeft als resultaat dat de tegenstellingen tussen de bondgenoten die aan de macht zijn, Ennahda 
en Nidaa Tounes [Oproep aan Tunesië, de partij waaruit president Essebsi is voortgekomen] aan het licht treden. Maar ondanks de heftige woordenwisselingen tussen modernisten en conservatieven viel ditmaal niet het woord takfir! Dat hield vroeger een banvloek in: degene over wie dit werd gezegd, zou niet langer moslim zijn. Maar inmiddels is dit een verboden gebruik.

    Wel was er een gewelddadige reactie van de naar Turkije verbannen Egyptische predikant en salafist Wajdi Ghoneim. Hij noemde het voorstel een vorm van ongelovigheid en riep op tot een jihad tegen seculiere Tunesiërs.

    Een Tunesisch huwelijksfeest. Als het aan de president ligt mogen Tunesische vrouwen binnenkort ook met niet-moslims trouwen. © Fabio Bucciarelli / HH
    Een Tunesisch huwelijksfeest. Als het aan de president ligt mogen Tunesische vrouwen binnenkort ook met niet-moslims trouwen. © Fabio Bucciarelli / HH

    Een andere islamistische imam, Yusuf al-Qaradawi, voorzitter van de Internationale Unie van Moslimgeleerden, achtte het Tunesische initiatief eveneens in strijd met de regels van de islam. En een hoogwaardigheidsbekleder 
van de moskee van Al-Azhar [in Caïro], Abbas Shuman, heeft een fatwa uitgevaardigd tegen het voorstel van de Tunesische president.

    Daarmee is deze zaak niet langer alleen een nationale kwestie. Onmiddellijk volgden in Tunesië vijandige reacties op de bemoeienis vanuit Egypte via de hashtag Yezzi Al-Azhar [‘Nu is ‘t genoeg, Al-Azhar’]. Daarbij werd erop gewezen dat dit een interne Tunesische kwestie is, en werd de bal teruggespeeld naar Egypte, waar polygamie veel voorkomt en waar de status van de vrouw te wensen overlaat.

    Het doel van de huidige president is het opheffen van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat dit geen overbodige luxe is, bewijzen het verschil in salariëring en status, en de stereotiepe ideeën en beelden die de media en de publieke opinie nog altijd over vrouwen uitdragen.

    Auteur: Mohamed Kerrou

    HuffPost Maghreb
    Tunesië | huffingtonpost.com

    Nieuws en analyses van experts over Tunesië, Algerije en Marokko, met de bedoeling het debat te stimuleren en te verhelderen.

  • We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    We leven in een tijd van het grote eigen gelijk

    George Packer, auteur van De ontluistering van Amerika en sterverslaggever van The New Yorker, reageert in The Atlantic op een kapitteling van collega-schrijver Ta-Nehisi Coates. Coates stelt dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse politiek en verwijt Packer dat niet als énige oorzaak te zien voor de opkomst van het fenomeen Donald Trump.

    Er valt veel te bewonderen aan het artikel ‘The First White 
President’ van Ta-Nehisi Coates over Donald Trump in de oktobereditie van The Atlantic. Het is zo’n stuk dat je meteen al in de eerste alinea bij de lurven grijpt en je niet meer loslaat. Het betoog wint aan kracht en bevat tot aan het einde toe treffende beeldspraak en bijtende polemiek (de 
politiek die opiaten als een ziekte beschouwt en crack als misdaad). De boodschap is de onweerlegbare waarheid dat racisme een fundamenteel onderdeel is van de Amerikaanse 
politiek.

    Het is de dwingende, énige oorzaak waaruit Coates het fenomeen Donald Trump verklaart. Het is een oorzaak waar niemand in Amerika het mee oneens zou mogen zijn. En het ligt ten grondslag aan elke stelling die Coates poneert. Omdat elke politieke gedraging in de blanke Amerikaanse politiek volgens hem zonder uitzondering is gebaseerd op het idee van ras, kapittelt hij mij omdat ik in de aanloop naar de verkiezingen voor The New Yorker een stuk heb geschreven over de blanke arbeidersklasse. Waarom zou je, aangezien de meeste blanke kiezers op Trump hebben gestemd, inzoomen op diegenen zonder universitaire graad, tenzij je ze van racisme wilt vrijpleiten door er andere redenen bij te halen, zoals klasse? Of erger, je sympathie met hen betuigen omdat ze van de maatschappelijke ladder af zijn gekukeld waar ze, anders dan zwarte Amerikanen, ‘van nature’ niet thuishoren? Of, nog erger, waarom zou je jezelf vrijpleiten?

    Tijdens de campagne wees de ene na de andere peiling uit dat verschillende gradaties van bevooroordeeldheid en het idee dat de economie achteruitholde de twee belangrijkste oorzaken waren voor de steun aan Trump. Ik schreef over kiezers uit de blanke arbeidersklasse, omdat hun politieke voorkeuren steeds meer verschillen van die van de hoogopgeleide blanke beroepsbevolking, zodanig dat de kaart van Amerika rood kleurt. Van Roosevelt tot Reagan, Clinton, Obama en Trump: zij zijn de belangrijkste zwevende kiezers. De flinterdunne verkiezingsoverwinning in de Rust Belt bevestigde mijn visie.

    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.
    George Packer – © Guillermo Riveros; Ta-Nehisi Coates – © The Atlantic.

    Racisme ligt aan de basis van de Amerikaanse politiek. Maar niet alleen: dat geldt ook voor hebzucht, uiteengevallen gemeenschappen, partijgebonden haat en onwetendheid. Iedere schrijver die de Amerikaanse politiek wil begrijpen, moet een manier bedenken om in het hoofd te kruipen van degenen die op Trump hebben gestemd. Iedere progressieve politicus die aan de macht wil komen, moet een belang zien te vinden dat hij met hen deelt, zonder eerst de bijltjesdag af te wachten die blanke Amerikanen voor hun zonden laat boeten. Het is een van de belangrijkste uitdagingen van de politiek.

    Coates zul je er niet over horen, maar in mijn stuk besprak ik het verband tussen ras en klasse. Ik beweerde dat onverdraagzaamheid een constante van sommige mensen is, terwijl de vooroordelen van anderen afhankelijk van de omstandigheden kunnen worden gemanipuleerd door een demagoog als Trump. Ik zei erbij dat iedereen die Trump heeft gesteund, om welke reden ook, ‘probeert een gevaarlijke, verachtelijke man de leiding over het land te geven’. Ik heb niemand vrijgepleit noch iemand mijn sympathie betoond. Analyseren is iets anders dan rechtvaardigen, tenzij je vindt, zoals Coates, dat het hele onderwerp taboe is omdat het de waarheid over blanke superioriteit verdoezelt.

    Soms interpreteert iemand je zo slecht dat je er steil van achterover slaat, zoals wanneer Coates me ervan beschuldigt dat ik problemen als politiegeweld, draconische strafmaatregelen en andere misstanden wegwuif, alleen maar omdat ik Lawrence Summers heb geciteerd toen die het woord ‘diversiteit’ gebruikte om de Democratische coalitie te typeren. Het is het soort vertekening dat ontstaat als je fanatiek op zoek bent naar slechts één oorzaak. 
En was het mij niet ook ontgaan dat 
er zoiets bestaat als blanke-identiteitspolitiek? Ik schreef er tien jaar geleden al over, toen Sarah Palin – de Johannes de Doper van Trump – voor het eerst op het toneel verscheen. Heb ik de zwarte arbeidsklasse links laten liggen omdat de toestand waarin die zich bevindt de natuurlijke orde der dingen zou zijn? Een belangrijk deel van mijn laatste boek, De ontluistering van Amerika, gaat over een zwarte fabrieksarbeidster en de problemen in haar gemeenschap in Youngstown, Ohio. Ik vraag Coates 
niet of hij alles wil lezen wat ik heb geschreven, maar wel of hij niet wil doen alsof hij in mijn ziel kan kijken 
en of hij mijn bevoorrechte positie als blanke niet de ware oorsprong van mijn ideeën wil noemen.

    Niet één oorzaak

    Wanneer je een complete teleologie op één oorzaak bouwt – zelfs al is het zo’n machtige, hardnekkige als het blanke racisme – loop je de kans voorbij te gaan aan alles wat er niet in past. En daarom doet Coates Trumps seksisme – zijn walgelijke taal en de fysieke afkeer die veel van zijn aanhangers hebben van Hillary Clinton – af als achtergrondruis. Hij bagatelliseert vreemdelingenhaat, hoewel buitenlanders veel vaker het slachtoffer waren van Trumps retoriek en beleidsvoornemens dan zwarte Amerikanen. Coates verklaart niet waarom uiteenlopende Republikeinen op een gegeven moment Ben Carson hebben gesteund ten koste van de negen andere kandidaten, allemaal blanken. Hij laat het merkwaardige gegeven buiten beschouwing dat iets meer zwarte en Latijns-Amerikaanse kiezers en iets minder blanke voor Trump kozen en niet voor Mitt Romney. Hij noemt niet eens de naar schatting achtenhalf miljoen Amerikanen die op president Obama hebben gestemd en daarna op Trump, hoewel zij het verschil hebben gemaakt. Niet nodig om het steeds virulentere nihilisme van de Republikeinse Partij te beschrijven. Het onderscheid tussen stad en platteland? Slechts schijn.

    En dan is er het feit dat de steun voor Trump onder de blanke arbeidersklasse van tweederde op de dag van de verkiezingen is gedaald naar 43 procent in de afgelopen maand. Neemt Trump het toch niet zo nauw met die onverdraagzaamheid? Of heeft hij zijn andere plannen niet kunnen waarmaken: de corruptie aanpakken, amazing handelsovereenkomsten sluiten en Amerika weer great maken? Coates zou wel eens meer dan één oorzaak nodig kunnen hebben om dat allemaal te verklaren.

    Zij stuk slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen

    Dat 46 procent van de kiezers, voor het overgrote deel blank, op Trump heeft gestemd, dat sommigen op hem hebben gestemd vanwege zijn onverdraagzaamheid terwijl anderen die door de vingers zien, dat meer dan eenderde van het land hem steunt: het is allemaal al erg genoeg. Maar we leven in een tijd van het grote eigen gelijk, waarin nuances en concessies als zwaktes worden beschouwd en tegenvoorbeelden het bewijs zijn van een vals bewustzijn. Die sfeer is in Coates’ werk geslopen. In zijn stuk en in ander recent werk heeft hij de zelfkritische kwaliteit van zijn eerdere werk de rug toegedraaid ten gunste van een orakelachtige literaire stijl. Hij is de meest invloedrijke Amerikaanse schrijver van dit moment; zijn vorige stuk uit The Atlantic wordt op de universiteit al in de colleges gebruikt. Hij heeft nog nooit zo overtuigend geschreven en zijn zinnen slepen je mee omdat ze nergens voor wijken.

    Maar de stijl van het non-compromis offert onderwerpen op die voor lezers veel te belangrijk zijn om zo maar te laten schieten. Het slaat de geschiedenis plat tot één enkele, onomstotelijke waarheid, zodat een gebeurtenis uit 2016 hetzelfde is als een gebeurtenis uit 1805, de meest recente verkiezingen de vorige tenietdoen, de jaren van Obama een illusie worden. Het doet beleidsvoorstellen af als afleidingsmanoeuvres en de politiek zelf als immoreel handjeklap. Het tast de liberale waarde van het individuele denken aan – en daarmee de individuele verantwoordelijkheid – door gedachten en personen ondergeschikt te maken aan theorieën en groeperingen. Het begint met het essentiële inzicht dat ras een idee is en eindigt ermee dat ras zo ongeveer de essentie is van alles.

    Auteur: George Packer

    Openingsbeeld: © Ralph Fresco / Getty

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.