Als het zo doorging zou de Adriatische kust binnen een decennium in een soort Benidorm zijn veranderd, schrijft Jurica Pavičić. Maar corona heeft voorkomen dat het toerisme regelrecht op een catastrofe afstevende. ‘We moeten het virus dankbaar zijn.’
Dossier Op reis
De pandemie heeft het toerisme hard getroffen. De voorheen bloeiende sector was in 2019 nog goed voor 11 procent van het wereldwijde bbp. Het lijkt erop dat nu de vaccinatieprogramma’s op gang komen, vakantiereizen deze zomer weer mogelijk zijn. Maar was er niet jarenlang kritiek op het massatoerisme? Moet dat wel in ere worden hersteld?
Dit artikel verscheen eerder in nummer 181 van 360 Magazine, juni 2020.
Oorlogen en epidemieën richten heel wat aan – niet alleen materieel, ook mentaal. Illusies sneuvelen het eerst. De covid-19-epidemie kostte in Kroatië het leven aan tientallen ouderen, die in bejaardentehuizen en ziekenhuizen aan hun lot werden overgelaten. Maar er was ook een minder voor de hand liggend slachtoffer: de goudkustcultuur die in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw rond het Kroatische toerisme was ontstaan.
Tot en met februari leefden we nog in deze ‘the sky is the limit’-cultuur. Op alle onderdelen werden geweldige cijfers genoteerd: het aantal vluchten, bezoeken en overnachtingen, de overnachtingscapaciteit, de inkomsten, de huur- en onroerendgoedprijzen, en dat alles met name in de seizoensgebonden verhuursector. De goudkust trok een breed scala aan gelukszoekers: studenten, pensionado’s, mensen met en zonder baan, de lokale bevolking en seizoenswerkers. Stuk voor stuk staken ze zich in de schulden om appartementen en huizen op te knappen, zodat ze die aan toeristen konden verhuren.
Sommigen zeggen dat covid-19 de beste minister van Toerisme is gebleken
Op een middag, aan de vooravond van Pasen, was ik in de zuilengalerij van het paleis van Diocletianus in Split, een plek die in dit seizoen normaal gesproken zou zijn overspoeld door toeristen, gidsen en figuranten vermomd als Romeinen met plastic zwaarden. Ik had er het rijk alleen. Dat het zo stil was kwam niet omdat winkels en cafés gesloten waren, maar omdat het centrum, waar al jaren een stormachtige opmars van vegan wraps, burgerbars, Ierse pubs en takeaway-woks kon worden waargenomen, zijn functie voor de inwoners van Split had verloren.
We zijn ontwaakt in een post-toeristische wereld. Beter gezegd, in een wereld waarin het toerisme weer zou kunnen worden wat het aanvankelijk was. ‘Always look on the bright side of life’, leert de Monty Python-film Life of Brian ons. Nu we de staat opmaken van nieuwe werklozen, oplopende schulden, onbetaalde maandsalarissen en overbodig geworden seizoenswerkers, zeggen sommigen dat covid-19 de beste minister van Toerisme is gebleken. Als bij goddelijke interventie heeft het virus voorkomen dat het toerisme regelrecht op een catastrofe afstevende. Deskundigen zien in het coronavirus een kans om het Kroatische toerisme te herijken, vooral in Dubrovnik, maar niet alleen daar.
Niet de eerste ramp
Het moet gezegd dat de sector niet voor het eerst door een ramp op zijn kop is gezet. Aan de vooravond van de oorlog in 1990 dreigde het toerisme letterlijk in beton te worden gegoten. Het hoogtepunt van het massatoerisme was bereikt: we waren megahotelcomplexen aan het bouwen, en als het zo doorging zou de Adriatische kust binnen een decennium in een soort Benidorm zijn veranderd. De oorlog maakte een einde aan deze praktijken door een pauze van tien jaar in te lassen, waarin een aantal lessen kon worden geleerd. Monsterprojecten werden afgeblazen, het strand- en parasoltoerisme sneefde.
Door de hipsterrage verschoof de aandacht naar minder bezochte en minder populaire plaatsen, zoals het binnenland van Istrië, het eiland Vis of anders de stad Split. Er kwam een nieuwe vakantieformule, die de laatste jaren echter aan haar eigen succes ten onder dreigde te gaan. Wat in aanzet het karakter had van vriendelijke uitwisselingen met locals, is verworden tot respectloze exploitatie. De ervaring van een ‘gedeeld’ leven met de lokale bevolking heeft geleid tot de vernietiging van historische centra, die in themaparken zijn omgetoverd.
Zeg nee tegen de transformatie van historisch erfgoed tot verhuurcentra!
Nu, na deze bruuske goddelijke interventie, moeten we ons luid en duidelijk uitspreken: geen terugkeer naar dit soort toerisme! Zeg nee tegen de transformatie van historisch erfgoed tot verhuurcentra! Laten we het centrum zijn functie van centrum teruggeven! Wijs niet-duurzame ontwikkeling af! Laten we niet terugkeren naar de oneerlijke concurrentie die echte restaurants wordt aangedaan door kraampjes die hun bestaan te danken hebben aan politiek handjeklap of veteranenverenigingen, en maar honderd dagen per jaar open zijn.
We moeten het virus dankbaar zijn. Voor de tweede keer in dertig jaar is door goddelijke interventie een toeristische apocalyps ontketend om ons van de afgrond te redden en ons in staat te stellen onze menselijke maat te herontdekken. Om de vraatzucht van beleggers te temperen. Om ons af te vragen of het niet verstandiger zou zijn een kamer of appartement te verhuren aan mensen die het nodig hebben en die willen werken, in plaats van op een lege winkel te passen, in afwachting van de toerist.
Aerosol mag dan klinken als een vliegtuigmaatschappij voor zonvakanties, schrijft Max Scharnigg van de Süddeutsche Zeitung, het is nu wel een spelbreker voor de reislustige Duitser die weemoedig verlangt naar verre landen. Een terugblik op de zomer van 2020.
Dossier Op reis
De pandemie heeft het toerisme hard getroffen. De voorheen bloeiende sector was in 2019 nog goed voor 11 procent van het wereldwijde bbp. Het lijkt erop dat nu de vaccinatieprogramma’s op gang komen, vakantiereizen deze zomer weer mogelijk zijn. Maar was er niet jarenlang kritiek op het massatoerisme? Moet dat wel in ere worden hersteld?
Dit artikel verscheen eerder in nummer 183, juli 2019.
Het begon allemaal met een foto die verstopt zat achter in het Duitse tijdschrift AD Magazine. Daar stond, in hoogglans en over de hele breedte van de pagina, een afbeelding die je, zodra je hem zag, totaal van slag bracht. Een vrouw in een nachtblauw badpak, een man in shorts, elegant en zongebruind op het mahoniehouten dek van een oude motorboot. Op de achtergrond het appetijtelijk schuimende kielzog en een stukje open zee.
Een banaal plaatje? Natuurlijk. Maar afgelopen week maakte het op de onvoorbereide lezer een bijna pornografische indruk. Ongehoord, taboedoorbrekend, mediatoezicht, help! De zon en de schittering op de golven stonden direct op je netvlies gebrand, het nachtblauwe badpak blijft sindsdien maar opduiken in onrustige dromen. Eigenlijk was het alleen een advertentie voor een nieuw hotel in Montenegro. Maar als tinnitus zit het in je oren: oh, wat is Montenegro mooi!
2020 moet maar het jaar worden dat we nergens naartoe gingen. Punto e basta!
De opwinding die je overviel, was nogal pijnlijk, en eigenlijk wil je het er niet over hebben. Maar daar klinkt al: ik móét dit jaar naar de Middellandse Zee. Als een bokkig kind dat zijn mond moet spoelen met een in azijn gedrenkte spons waar ‘luxeprobleem’ op staat. Natuurlijk, ook zonder het virus zijn er genoeg mensen die niet naar zee kunnen of echte zorgen hebben. Dus kun je de reisbeperkingen makkelijk doorstaan en blijf je zitten waar je zit.
In juni ga je een keer op verkenning in het Spreewald of een weekendje naar de Zwabische Jura. Je leest in de inmiddels nutteloze reisbrochures nog een paar alinea’s over het genoegen van armchair travelling of de kunst van de microadventures vlak bij huis. Je kijkt naar zonsondergangen op de 3000 onuitgezochte vakantiefoto’s op je telefoon. 2020 moet maar het jaar worden dat we nergens naartoe gingen. Punto e basta! Hoe zeg je dat in het Zwabisch?
Fernweh
Maar een beetje verdrietig zijn mag. Alleen al omdat dit soort verdriet zo’n mooie naam heeft: fernweh [weemoedig verlangen naar verre landen]. En omdat je je er nog nooit zo heerlijk in hebt kunnen rondwentelen als nu, na drie maanden van gesloten grenzen, zelfs als je geen concrete vakantieplannen had. Het is als honger na een week vasten. Echte, mooie honger, zoals je al lang niet meer, en misschien zelfs nog nooit, hebt gehad. Tot nu toe kende je alleen de lightversie van dit soort honger, een honger naar de wereld. In het oude leven betekende fernweh dat je geen verre reizen naar bijvoorbeeld de Caraïben kon maken. Zelfs aan de kantinetafel wordt er gebeuzeld over fernweh nu ze een keer vijf maanden achter elkaar niet écht op vakantie konden.
Nu we gedwongen gelouterd zijn, merken we pas hoe verknocht we vroeger waren aan het buitenland. Omdat het kon. Voor alle vrijgezellenfeesten naar Barcelona, ieder examenreisje op zijn minst naar Praag. Afspreken met vrienden: waarom niet met zijn allen een paar dagen naar Apulië? Even naar Berlijn, Zürich, Wenen. Voor het werk natuurlijk, maar wel met kaarten voor de opera. Hand opsteken als Porto en Tallinn niet op je to-dolijst stonden, alsof het controleafspraken bij de dokter waren. Vakantiedagen over? Laten we naar Laos gaan.
Shoppen? De markthal in Boedapest is morgen open. Een beetje overdreven misschien, maar zo ging het wel. Waarvoor had je je anders suf gewerkt dan voor af en toe een cadeautje aan jezelf, tweeduizend kilometer naar rechts of links op de landkaart waar het warmer, woester, mooier of gewoon anders was?
Dat er voor corona elke dag vliegtuigen van München naar New York vlogen. Zo maar, en allemaal vol. Ongelooflijk.
Dit voortdurende klaar-om-te-vliegen was na alle acties voor het milieu al zeer verdacht. Maar nu lijkt ook je eigen reiskoorts gewoonweg aanstootgevend. Als je dan leest dat Lufthansa een deel van haar vliegtuigen voorlopig in de mottenballen legt, klinkt het een beetje alsof je je kinderen vertelt dat het vóór corona op een of andere manier een krankzinnige tijd is geweest. Dat er toen elke dag vliegtuigen van München naar New York vlogen. Zo maar, en allemaal vol. Ongelooflijk.
De nadelige gevolgen van overmatige consumptie zijn, zoals bekend, blijvende schade en verslaving. In die zin moet het hele volk door corona in één klap cold turkey afkicken van zijn reisverslaving. En om eerlijk te zijn, loopt het in de rehabklinieken niet zo hard. Afzien is mooi als je jezelf uitdaagt om over je verslaving heen te komen. We vliegen niet, we gaan met de trein naar Venetië, ha! Maar gedwongen worden om af te zien is veel minder leuk. Vakantie op Costa balcone, panna cotta van oma, pootjebaden in het meertje waar je elke dag langsfietst, ook leuk. Zeggen ze. En dan met zalvende stem: wat hebben we het toch goed hier, terwijl elders enz. enz. En dan komt er zo’n ellendige motorbootadvertentie die het hele methadonprogramma tenietdoet. Acute terugval in de oude Méditerranéeverslaving.
Krasse knarren
Dat is ook begrijpelijk. Fernweh, dat is Duits cultuurgoed met een Brentano-keurmerk [Franz Brentano, Duitse filosoof en psycholoog (1838-1917)], de oude Weimaranen deden het ons al voor. ‘Het land van de Grieken zoeken met de ziel,’ zo omschreef Goethe in zijn Iphigenia de overtuiging dat de wereld elders beter was. Toen hij die regels schreef, was hij trouwens zelf net op reis in Italië. Op Grand Tour, de beste uitvinding van de aristocratie ooit.
Reizen als vorming, inspiratie en ontspanning, dat is een idee dat we in elk geval altijd al begrepen. Veel grote Duitse denkers, neem Friedrich Nietzsche of Thomas Mann, waren tenslotte krasse knarren, al was dat voor thuis niet altijd een voordeel. De consensus was dat je alleen over de grens vrij kon denken en dat door verandering van lucht het lyrisch ik groter werd.
In deze zin waren de Duitsers tot 2012 wereldkampioen reizen, daarna namen de Chinezen het over. Maar het betekent wel dat voor generaties actieve Duitsers een bezoek aan een ver land in de vakantie even gewoon was als tv-kijken door de week. We moeten eruit! Ons fernweh is een traditie, wij hebben zogezegd het gewoonterecht op de wijde wereld (en misschien ook nog steeds een beetje een koloniaal complex).
Bedenk maar eens dat aan het begin van de lockdown alleen al in Nieuw-Zeeland 12.000 Duitse toeristen vastzaten. Waanzin
En we mogen dan niet de keurigste reizigers zijn, maar vermoedelijk wel de ijverigste. Met miljoenen persen we ons door de kleinste steegjes van de wereld, in alle bars op Sicilië, op elke overvolle veerboot en bij elke streetfoodkraam in Bangkok kom je onze ondernemende landgenoten tegen. Bedenk maar eens dat aan het begin van de lockdown alleen al in Nieuw-Zeeland 12.000 Duitse toeristen vastzaten. Waanzin. Een land waar je 26 uur voor in het vliegtuig moet zitten en waar je je bij aankomst door druipneuzige beagles moet laten aflebberen!
Het is goed mogelijk dat corona voor langere tijd een eind zal maken aan dit extreme escapisme. Niet alleen omdat de Nieuw-Zeelanders voorzichtiger worden met gore-texinvasies. Maar ook omdat we voor onszelf eerst het idee moeten goedpraten dat we met tweehonderd ademende mensen in een vliegende koker gaan zitten. Aerosol mag dan klinken als een vliegtuigmaatschappij voor zonvakanties, het is nu wel een spelbreker. Het echte fernweh zal dus nog wel een tijdje onbevredigd blijven.
Mentale hygiëne
Echt erg is dat niet. Het zuiden begint gelukkig al veel dichterbij, voor sommige mensen zelfs al in Karinthië. Belangrijk is alleen dat we binnenkort weer ergens heen kunnen waar de mensen een mooi, ander geluid voortbrengen, een andere taal. Belangrijk is dat we binnenkort weg kunnen van thuis. Dat heeft met mentale hygiëne te maken. Duitsland is echt oké, om te wonen bijvoorbeeld of als je met pech langs de autobaan staat. Maar na een tijdje is het niet veel meer dan een vermoeiend decor van ‘uitrit vrijlaten’-bordjes, meergranenbroodjes, ‘geachte reizigers’-aankondigingen, professionele mondhygiënistes en ‘Harry, hol schon mal den Wagen’ [de beroemde terugkerende zin uit de Duitse krimi Derrick]. In dat geval was het tot nu toe tijd om voor jezelf een vakantierecept uit te schrijven.
Want een schitterende zee en mahoniehouten stijgers heb je hier nu eenmaal niet. En ook de andere kleine dingen niet die je langzaam begint te missen: trotse mannen achter de vleessnijmachine, verbleekte ramen in de avondzon, het getik van de masten in de haven, anonieme maar zalige wijn in een dito restaurant, paadjes onder de pijnbomen door naar zee, ’s morgens ‘Cocco bello!’ en ’s avonds gekko’s in je slaapkamer, oleanders, orechiette en Orangina, lieve hemel, inderdaad, de hele banale blotevoetenromantiek.
We zien ze over het hoofd dat we al decennialang ook grote delen van onze levensvreugde outsourcen
Je hoort nu vaak dat geneesmiddelen en mondkapjes weer in Duitsland geproduceerd moeten worden, zodat we niet zo afhankelijk zijn. Daarbij zien ze over het hoofd dat we al decennialang ook grote delen van onze levensvreugde outsourcen. In het volste vertrouwen dat al die hartverheffende finca’s en chalets, trullo’s en trattoria’s, zonsondergangen en strandcafé’s ons altijd ter beschikking zullen blijven staan.
Tsja, dat ligt nu allemaal, op een of andere manier onbereikbaar, daarginds op ons te wachten. Zonder ons. Alles wat we hebben veroverd: de standplaats aan het Gardameer, het laatste betaalbare pension in Zuid-Frankrijk, de vertrektijden van de boot naar Vlieland, de jodelende waard in Huppeldepup sul mare. Als het een normaal jaar was, zouden we al lang hebben gereserveerd en ons erop verheugen. Alleen al van de voorpret zouden we betere mensen zijn geworden, die makkelijk nog twee maanden zonder te klagen met hun zescilinder in de file hadden gestaan. Daarna hadden we een afwezigheidsbericht aangezet en waren we in een paar dagen inderdaad die zondoorstoofde shortdragers uit de advertentie geworden.
Daar gaat het om op vakantie: op een plezierige manier afstand nemen van jezelf
Nog belangrijker dan bruin worden, zou geweest zijn wat psychologen ‘alteratie’ noemen: verandering. De hernieuwde zekerheid dat er ook een meer ontspannen versie van onszelf bestaat. Want daar gaat het om op vakantie: op een plezierige manier afstand nemen van jezelf. Met lossere kleren en gewoonten. Niet hoeven op te ruimen, zinloos geld uitgeven, een uurtje eerder een glaasje meer drinken, langer blijven hangen, een felgekleurd hoedje dragen, de kinderen laten spelen, met vreemde mensen praten, avontuurtjes beleven, elkaar de weggelopen Grote Beer aan de sterrenhemel aanwijzen.Het zijn kleinigheden, maar ze werken! En het helpt niet echt dat Eurowings het in advertenties al over de zomer van 2021 heeft die zeker zal komen. Of dat bij de Aldi volgende week een zwembad van 7000 liter voor in de tuin en een tropische kuipplantenmix in de aanbieding zijn. Sorry hoor: die tropische plantenmix kan de pot op!
Wat je nu ook merkt: het betrouwbare Duitse fernweh heeft niet alleen een romantische functie en dient niet alleen tot zelfbehoud. Het is in dit stoommachineland ook een probaat overdrukventiel. Nu we allemaal thuis zitten, staat er echt druk op de ketel. Als alle Mallorcapensionado’s, de Ibiza- en Toscanefracties, cruisegezinnen, beroepsveelvliegers, free climbers, surfers en interrailstudenten allemaal thuis rondhangen en hun vrijheid ook nog eens hier vorm willen geven, dan gaat het niet lang meer goed, dat ruik je. Daarom is het verheugend dat althans de meeste grenzen binnenkort weer opengaan. Want we moeten hier dringend even luchten.
Tijd is een kostbaar goed, waardoor we ons allemaal laten leiden. Maar wat gebeurt er als we ons ervan ontdoen? De bewoners van het Noorse eiland Sommarøy durfden het experiment aan en leven gedurende 76 dagen per jaar zonder uren en minuten.
Het is ’s avonds laat als ik voor een wit houten huis sta op het strand van het Noorse eiland Sommarøy. Ik klop aan de deur en wacht. Niemand doet open. Achter me roept iemand: ‘Wie zoekt u?’
‘Kjell Ove Hveding.’ ‘Kjell Ove?’ vraagt de man. Hij spreekt de kj uit als sj. ‘Die is aan het kamperen in de bergen.’ Ik kijk hem aan, een beetje geïrriteerd, maar ook wel enigszins geamuseerd door het feit dat de man voor wie ik vanuit Berlijn 2686 kilometer heb gereisd, er niet is. ‘Hij heeft geen mobieltje bij zich,’ roept de buurman nog, ‘en een horloge al helemaal niet.’
Kjell Ove Hveding draagt sinds zes jaar geen horloge meer. Hij leeft zonder tijd. Zo vertelt hij het tenminste op een Facebookfilmpje dat viraal ging. Hij beslist naar behoefte wanneer hij eet of slaapt. Aan dag en nacht is hij niet gebonden, want in zijn woonplaats Sommarøy, in het noorden van Noorwegen, gaat de zon ’s zomers niet onder. Bijna 76 dagen lang daalt hij om middernacht tot vlak boven de horizon, waarna hij weer omhoogklimt. Dus wordt het niet donker.
Kjell Ove is niet de enige die in de video vertelt hoe een tijdloos leven eruitziet. Ook andere eilandbewoners vertellen hoe de kinderen ’s nachts op straat spelen, hoe ze ’s nachts hun huizen schilderen. In de clip nodigen ze uit om naar Sommarøy te komen om zonder klok te leven. Duizenden toeristen reisden erheen om de tijdloosheid op het eiland te ervaren. Maar bij aankomst moesten ze vaststellen dat de video [waarin klokken, wekkers et cetera letterlijk worden opgeborgen] een reclametruc was van de plaatselijke VVV.
Ook ik heb de video gezien en wilde weten: kunnen ze op Sommarøy echt leven zonder tijd? Hoe voelt het leven zonder klok? Pr-stunt of niet, ik ging op weg.
Als je de bewoners over de video aanspreekt, beginnen ze te lachen.
‘Natuurlijk hebben wij hier ook klokken,’ zei een van hen. ‘Maar we hebben ook meer tijd.’ Pas na vijf dagen begreep ik wat hij daarmee bedoelde.
Gestolen tijd
Michael Ende schreef al in 1973 in Momo en de tijdspaarders over een klein meisje dat tegen de ‘grijze heren’ vecht die mensen beroven van hun tijd. Ze vertellen hun dat ze effi ciënter moeten leven om zo veel mogelijk tijd te sparen – die ze uiteindelijk toch niet kunnen benutten. De grijze heren leven van de tijd van anderen. Als kind dacht ik: wat een geluk dat uren en minuten in het echte leven niet gejat kunnen worden, zoals fietsen of geld. Het is alsof Ende de toestand van de huidige samenleving voorvoeld heeft. Mijn hand zoekt ’s morgens meteen de smartphone. Eerste vraag: hoe laat is het? Douchen, aankleden, ontbijten, op pad. Alles tot op de minuut gepland. Mijn dagelijks leven bestaat uit tijdvensters. Valt er een venster tussenuit, dan probeer ik dat gat zo snel mogelijk op te vullen. Ik wil geen uren verspillen. Maar hoe zou het zijn als ik plotseling niet meer weet of ik om één uur of om vijf uur ’s middags eet? Zou dat bevrijdend zijn, of alleen maar verwarrend?
‘Wat een geluk dat uren en minuten in het echte leven niet gejat kunnen worden, zoals fietsen of geld’
Op mijn tweede dag in Sommarøy sta ik weer voor Hvedings huis en klop aan. Niemand doet open. Dus ik stap in mijn auto. Behalve mijn hotel heb je op het eiland slechts een supermarkt en een klein café. Beide zijn nog gesloten. Ik ben te vroeg. Wat een nonsens, denk ik, dat leven zonder klok. Dan moet je er op goed geluk maar achter zien te komen wat de openingstijden zijn. Die hier overigens toch schijnen te bestaan.
Op straat komt een jongeman me tegemoet. Misschien weet hij waar ik nu een kop koffie kan krijgen. ‘Hé!’ Hij draait zich om en neemt zijn koptelefoon af. ‘Heb je even?’ Hij heet Daniël en heeft de tijd. Als ik hem vraag hoe het leven zonder tijd werkt als je bijvoorbeeld iets wilt kopen of ergens iets wilt gaan eten, lacht hij. ‘Natuurlijk houden wij ons hier ook aan openingstijden.’ Daarvoor kijken ze dus toch op de klok. ‘Ons dagelijks leven verschilt niet zo veel van dat van jullie,’ zegt hij.
‘We hebben gewoon meer tijd.’
Dit filmpje ter promotie van een gebrek aan tijd ging viral.
En net als de eerste keer dat een bewoner dat tegen mij zei, begrijp ik niet goed wat hij daarmee bedoelt.
Daniël is in Sommarøy geboren, en al woont hij intussen in Bergen [ruim 1800 kilometer verderop], steeds weer bezoekt hij het eiland. Het geeft hem wat geen vakantieoord ter wereld hem geven kan: tijd. En dat zonder beperkingen. ‘Ik doe waar ik zin in heb,’ zegt Daniël. ‘Dat kan ik ergens anders op vakantie ook doen, maar overal wordt het op een bepaald moment donker. Hier niet. De dagen zijn eindeloos.’
Als Daniël niet slapen kan, gaat hij vissen. Midden in de nacht. ‘Hoe lang blijf je dan buiten?’ vraag ik hem. ‘Tot mijn hoofd leeg is.’ Dat dat soms tot ’s ochtends vroeg is, ontdekt Daniël pas wanneer hij thuis weer op zijn mobieltje kijkt.
Gewonnen uren
Ondanks nachtelijke uitstapjes blijft hij net als de andere eilandbewoners overdag wakker. ‘Slapen doen we in de winter. Dan betalen we voor de mooie zomer met maanden vol duisternis.’ Ze gooien het dus op een akkoordje met de tijd. Dit bijzondere levensgevoel duurt slechts enkele weken per jaar – zolang het licht is.
Gedurende 76 dagen bevrijden de eilandbewoners zich van uren en minuten. Hoewel er nog steeds openingstijden bestaan, en mobiele telefoons en een tijdschema voor tochtjes met de kayak, zijn de inwoners niet bezig met tijd sparen. Ze leven in één eindeloze dag. Genieten van het moment.
Pas als ze klaar zijn met wat ze aan het doen zijn, beslissen ze wat ze daarna gaan doen. Wel ontmoeten de mannen elkaar elke ochtend voor koffie bij de supermarkt. Hoe laat, wil ik weten? ‘Als de zon achter de heuvel staat en ik wakker ben. Dan is het tijd voor de koffie,’ vertelt een van hen me. Een groep jongelui trekt beladen met snacks en dekens ’s nachts de berg op. Voor een wandeling is het in Sommarøy nooit te laat.
Het is bijna alsof de bewoners dan tijd geschonken krijgen. Tijd die ze eerder verdiend hebben. Zoals in Momo. Alleen zijn er hier geen grijze heren.
‘Het is niet zo dat we te weinig tijd hebben, er is te veel tijd die we niet gebruiken’
Het zijn dus niet de klokken waarvan de mensen zich bevrijden. Het zijn de grenzen van de tijd. De exact ingeplande handelingen. Zo moeilijk kan het niet zijn, denk ik, om met maar één ding bezig te zijn, zonder meteen te plannen wat daarop volgt. Toch?
De volgende dag nodigt een groep vissers me uit om mee te gaan vissen op hun boot. Pas nu merk ik: ik heb geen enkel gevoel voor tijd. De uren zonder klok zijn vermoeiend. ‘Varen jullie elke dag uit? Hoelang? Hoeveel vissen vangen jullie?’ De mannen werpen elkaar blikken toe. Een van hen draait zich naar me om: ‘Tijdens het vissen praten we niet.’ Ik knik. Tuur naar het water. Wacht. Tel de seconden. Stel to-dolijstjes op. Vraag me af hoeveel vissen er wel niet in de zee leven. Tot ik me ten slotte, heel geleidelijk aan, ontspan. Mijn hoofd raakt leeg. Ik kijk naar een van de mannen. Hij glimlacht. Op dat moment begrijp ik waarom Daniël gaat vissen als hij niet slapen kan.
Op mijn laatste dag op Sommarøy doet Kjell Ove Hveding nog altijd niet open. Ik loop naar mijn auto. ‘Nog steeds niet thuis?’ vraagt zijn buurman. ‘Dan is hij waarschijnlijk de tijd vergeten.’ Ik lach en stap in.
De Romeinse filosoof Seneca heeft gezegd: ‘Het is niet zo dat we te weinig tijd hebben, maar er is te veel tijd die we niet gebruiken.’ Weinigen zullen dat zo goed begrepen hebben als de bewoners van Sommarøy.
Na mijn terugkeer blijf ik nog zo’n 48 uur aangestoken door mijn nieuwe inzichten. Het feit dat ik die uren geteld heb, laat zien hoe snel ik weer terugval in mijn oude gewoontes. Toch heb ik een stukje Sommarøy meegenomen: in het weekend blijft mijn agenda leeg.
De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt hetzelfde Zwitserse bergdorp als James Baldwin in de jaren vijftig. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun beider thuisland ook zo veel veranderd?
Dit artikel verscheen eerder op 9 september 2016 in 360 Magazine #105.
Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis.
Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.
Grappig en treurig
James Baldwin verliet in 1951 voor het eerst Parijs om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn.
Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht.
‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig wit dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.
Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie
Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.
Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing’. Ze zou over een trombone kunnen zingen.
En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.
Geen bezienswaardigheid
‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.
Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken. (‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’)
Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’
‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin
Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden wit – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.
Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren. Dit was de grootste verandering van allemaal.
Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en omhuld door een onsterfelijk blauw.
Genetische verwantschap
In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’
Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.
Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach te voorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’
Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.
Sterren
Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.
Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen.
In A Question of Identity (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’
Leukerbad, Zwitserland.
De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis.
En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’.
We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.
Kwestie van afstamming
Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.
Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij er buiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):
‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’
De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.
Fundamentele emoties
Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige witten, net zoals sommige witten meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de witte superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.
Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “wit” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’
En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft.
Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’
Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de witte superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van witte superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.
Amerikaans racisme
Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws.
De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had.
De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metro-treinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen.
Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.
Prachtig dier
Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.
William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’
Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid.
Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep.
Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en witten konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel wit Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost witten een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben.
Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?
Dit was een voorpublicatie uit de essaybundel ‘Vertrouwde en vreemde dingen’ van Teju Cole, De Bezige Bij.
Voor het eerst ziet de reisindustrie zich geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad: de oorspronkelijke bewoners, die meer dan ooit klagen dat ze hun stad niet meer terug kennen. Eindelijk worden er maatregelen genomen om de aantallen toeristen in te perken.
Keuze uit het archief
Hoewel de klimaatverandering de nodige invloed zal hebben op het toerisme, dat zich bijvoorbeeld steeds vaker naar het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen zal verplaatsen, zullen de meesten zich er niet van laten weerhouden te reizen. De velen die afhankelijk zijn van de toeristenindustrie zijn daar blij mee, maar voor de meeste anders ‘locals’ geldt dit niet, zoals te lezen is in dit stuk uit 2018.
Het duurt niet lang of de mevrouw van de hotelreceptie haalt de stadsplattegrond van Porto tevoorschijn. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘dit is de binnenstad met de Douro, daar is de haven en hier … (nu klinkt er trots door in haar stem)… de mooiste boekhandel ter wereld: Livraria Lello!’
Dat klinkt fantastisch en het ziet er op de foto’s ook fantastisch uit. Een pand van twee verdiepingen in neogotische stijl. Veel donker hout, veel oude boeken, ornamenten en gekleurd glas, en een monumentale trap in het midden. De boekhandel, geopend in 1906, is een kathedraal vol boeken, een droom voor leergierigen uit de hele wereld. Een plek met een magische aantrekkingskracht. Op reis wil je toch op zoek naar schoonheid, die eerder in het verleden dan in het heden te vinden is. Misschien wil je zelfs ook een boek kopen, vakantielectuur voor ’s avonds aan de Atlantische Oceaan. J.K. Rowling zou vaak in de Livraria zijn geweest toen ze begin jaren negentig in Porto woonde, waar ze Engels doceerde en ook Harry Potter bedacht.
Porto is geen grote stad, telt maar iets meer dan 200.000 inwoners en de binnenstad is compact. Het eerste dat er van Livraria Lello te zien is, zijn de lange rijen mensen voor de deur. Jonge Japanse meisjes, Scandinavische backpackers, gezinnen uit Frankrijk, stelletjes uit China, Amerikanen en ook Duitsers. Uiteraard.
Roofkever
Een imposante portier bewaakt de toegang. Alleen zij die in de winkel ernaast voor 5 euro een voucher hebben gekocht, met daarop een portret van Fernando Pessoa, de beroemdste Portugese dichter, mogen naar binnen. Ook voor die winkel staat een rij, tussen afzetbanden als bij de incheckbalie op een luchthaven. Het publiek schuifelt er langs rekken met souvenirs, ansichtkaarten en sleutelhangers, het gebruikelijke assortiment.
De boekhandel zelf is in werkelijkheid al even mooi als op de foto’s. Ook al is het eigenlijk helemaal geen boekhandel meer. Nauwelijks iemand bladert en snuffelt er in de boeken, iedereen heeft de smartphone in de hand om foto’s te maken. Foto’s die er net zo uitzien als de meer dan zevenduizend plaatjes die al op TripAdvisor zijn gezet, de grootste toeristensite ter wereld, die de Livraria als een van de topbezienswaardigheden van de stad opvoert.
Vier jaar geleden nog dreigde Livraria Lello failliet te gaan, zoals dat eigenlijk voor het hele land gold na de financiële crisis. De boekhandel werd toen al goed bezocht, maar boeken werden steeds minder verkocht. Iemand opperde op een dag om dan maar gewoon 5 euro entree te gaan heffen. Dat klonk idioot, maar inmiddels komen er gemiddeld vierduizend mensen per dag binnen, en in de zomermaanden zelfs vijfduizend. In 2017 bedroeg het totale aantal bezoekers van Livraria Lello 1,2 miljoen en beliep de omzet ruim 7 miljoen euro.
Wie een boek wil kopen – want ook dat schijnt voor te komen – vindt hier de Portugese klassiekers in vertaling en natuurlijk ook Harry Potter. De voucher wordt op het aankoopbedrag in mindering gebracht. Livraria Lello zou model hebben gestaan voor Klieder & Vlek, de boekhandel waar Harry Potter zijn toverboeken koopt. Een museum, een decor, maar als plek met een magische aantrekkingskracht duidelijk ontsproten aan een rijke fantasie. En een symbool voor het moderne toerisme dat als een roofkever alle mooie plekjes aanvreet. Maar voor de inwoners van Porto staat de boekhandel symbool voor de opleving van een land dat een paar jaar geleden nog tot de crisisgebieden van Europa behoorde.
Wanneer zou er eigenlijk voor het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?
Dat herstel heeft Portugal mede te danken aan het toerisme, dat met dubbele cijfers groeit, ook in het vroegere arme noorden rond Porto. Ryanair en EasyJet vliegen al jaren op de stad, die allang is uitgegroeid tot nieuwe hotspot van het stedentoerisme. Afgelopen jaar kwamen er ongeveer 2,5 miljoen buitenlandse toeristen naar deze streek, van wie een op de twee een bezoek bracht aan Livraria Lello. Porto is nog niet zo ver als Barcelona of Amsterdam, steden waarvan de bewoners zich inmiddels teweerstellen tegen de toeristen die de stad overnemen, maar er is allang een Porto van de toeristen en een Porto van de bewoners. Wanneer zou er eigenlijk voor het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?
Er zijn tijden geweest dat de reusachtige toeristenhotels nabij de stranden van Benidorm, El Arenal op Mallorca en aan de Adriatische kust in Italië symbool stonden voor de lelijkheid van het moderne massatoerisme. Achteraf beschouwd waren dat rustige tijden. Benidorm en El Arenal zijn steden ‘uit de reageerbuis’, gebouwd zodat Europa in de zomermaanden aan het strand kon liggen. Kunstmatige reservaten, niet mooi, maar doelmatig, toeristenfabrieken die men vroeg of laat ook weer had kunnen ontmantelen.
Tegenwoordig zijn die reservaten niet meer toereikend. Handdoek aan handdoek verdringen zich de zonaanbidders op de stranden van Zuid-Europa. De kleine baaien van Mallorca zouden vanwege overbezetting eigenlijk gesloten moeten worden. Ook aan de Noord- en Oostzee, op Sylt, op Rügen, zijn hotels en pensions volgeboekt.
Toch maken strandgangers nog maar nauwelijks de helft uit van het moderne toerisme in Europa – de andere helft wordt gevormd door cruisevaarders en stedentrippers. Al lange tijd wordt het beeld in de mooie, bijzondere steden van Europa meer door toeristen bepaald dan door de oorspronkelijke bewoners. Steden veranderen in musea en amusementsparken, ontwikkelen speciale zones voor toeristen, waar de stedelingen niet wonen maar alleen werken. In de traditionele restaurants zitten toeristen, die geringschattend toekijken hoe andere toeristen wachten tot er iets gaat gebeuren. Staren is er de belangrijkste bezigheid en gezelligheid is ver te zoeken. Het is als een overval. Ze komen, ze blijven maar even en dan zijn ze weer weg – maar ze doen in tussentijd alsof de stad die ze bezoeken van hen is.
Reizen is van luxe tot gemeengoed geworden, het snel stijgende aanbod van goedkope reizen via internet heeft nieuwe klantenlagen aangeboord voor de toeristische sector: wie een paar dagen in Palma, in Barcelona of op het strand wil doorbrengen, vindt met een paar muisklikken een geschikte vlucht en onderdak. En vaak nog voor een spotprijs ook.
De infrastructuur ter plaatse kan de toestroom van reizigers echter niet meer aan, zowel op de bestemmingen als in het land van herkomst. Op de Duitse luchthavens ontstonden er deze warme zomer soms chaotische toestanden. Mensen verdrongen zich zenuwachtig voor de beeldschermen met vluchtinformatie. Het aantal uitgevallen vluchten was in het eerste halfjaar met 146 procent gestegen, het aantal vertraagde vluchten met 31 procent. In München en Frankfurt kwam in een tijdsbestek van enkele dagen het hele vliegverkeer tot stilstand, omdat nog niet gecontroleerde passagiers door een veiligheidssluis waren gelopen.
Overbelaste infrastructuur, overvolle steden en stranden: de reisbranche lijkt aan het eigen succes ten onder te gaan. Naar schatting 670 miljoen mensen waren afgelopen jaar in Europa op pad. Alleen al in deze zomermaanden reisden er waarschijnlijk bijna 200 miljoen toeristen over het continent. Niet alleen Europeanen die elkaars landen verkennen, maar ook de winnaars van de globalisering en vertegenwoordigers van de nieuw ontstane middenklassen in Rusland, het Verre Oosten en de Arabische landen zorgen voor de groei van het mondiale toerisme.
En voor groeiende problemen, want de sterke toename kent ook verliezers. En die komen steeds vaker in verzet, zoals onlangs de piloten van Ryanair, wier werkgever dankzij hun slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen een prijsvechtersstrategie kan voeren.
Verliezers, dat voelen zich vooral ook de inwoners van de steden en regio’s die de stroom van bezoekers nog maar nauwelijks aan kunnen. Mensen die uit hun woning worden verdrongen, omdat het voor de eigenaar veel lucratiever is om die ruimte per dag of per week aan toeristen te verhuren. Mensen die zich in overvolle vervoermiddelen moeten persen, omdat toeristen bezit hebben genomen van bussen en treinen. Mensen die zich niet meer thuis voelen in hun wijk, omdat ze in hun vertrouwde cafés en restaurants tot een minderheid behoren. Áls ze daar al een plekje kunnen vinden – en zich de stijgende prijzen nog kunnen veroorloven.
Private winsten en maatschappelijke verliezen
De toeristenindustrie ziet zich plotseling geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad. Ze had steeds oog voor de gasten en was de gastgevers simpelweg vergeten. ‘Het toerisme is een fenomeen met veel private winsten en veel maatschappelijke verliezen,’ zegt Christian Laesser, hoogleraar toerisme aan de universiteit van het Zwitserse Sankt Gallen.
De winsten komen vaak ten gunste van enkelen, de verhuurders en hoteleigenaren; slechts een gering deel gaat naar de vaak slechtbetaalde werknemers in de reissector. De grote rest wordt opgescheept met alleen het lawaai, de rommel, de hoge huren en het gevoel een vreemde in eigen land te zijn, een figurant in een soort Disney World voor toeristen.
Dat gevoel is op veel plekken omgeslagen in openlijke vijandigheid: ‘Tourists go home’, spuiten activisten in veel toeristenbolwerken op de muren, en op Mallorca hebben ze een ‘summer of action’ uitgeroepen, met protestacties op de luchthaven en in hotels. In Palma worden toeristen met paardenvijgen bekogeld, in Barcelona worden ze van hun fiets geduwd en in cafés lastiggevallen, in Venetië hebben zelfbenoemde piraten de toegang tot cruiseschepen geblokkeerd.
De reisindustrie heeft inmiddels ingezien dat het eigen succes het fundament van het businessmodel steeds meer aan het uithollen is. ‘Overtoerisme’ is de leus die momenteel de congressen van de branche beheerst. Besproken wordt hoe de toeristenstromen zodanig kunnen worden gespreid dat ze niet meer als een bedreiging worden ervaren.
Maar hoe doe je dat als tegelijkertijd het aantal toeristen blijft toenemen? In de opkomende landen in Azië treden jaar in jaar uit miljoenen mensen toe tot de nieuwe middenklasse. Zij kunnen het zich plotseling veroorloven om verre reizen te maken. En dat doen ze dan ook. Volgens schattingen van de branche zal het aantal toeristen tot 2030 wereldwijd toenemen met 500 miljoen, van wie de helft Chinezen. Velen van hen zullen ook Europa en de bezienswaardigheden daar bezoeken.
Toerisme is op dit moment waarschijnlijk de belangrijkste bedrijfstak ter wereld, veel groter dan de olie-industrie en de automobielbranche. De omvang wordt geschat op circa 7000 miljard euro per jaar, 10 procent van het bruto mondiaal product. Bij dit enorme bedrag inbegrepen zijn behalve de directe omzetten ook die van aanverwante bedrijfstakken als het hotelwezen, het transportwezen met al zijn vliegtuigen, cruiseschepen en touringcars, en de souvenir- en de reisbureaubranche.
‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt’
In vakantieland Spanje draagt de reisindustrie zelfs 14,9 procent bij aan het bruto binnenlands product. In veel landen is het aantal bezoekers groter dan het aantal inwoners, zoals in Griekenland, Portugal, Spanje, Frankrijk en Tsjechië. Dat creëert banen en een bescheiden welvaart, maar maakt ook afhankelijk – en dat is gevaarlijk zodra reizigers wegblijven, zoals de afgelopen jaren het geval was in Turkije en Egypte. Beide landen zien evenwel geleidelijk aan een terugkeer van de toeristen, omdat dat grotendeels vergeetachtige wezens zijn die gevaren als terreuraanslagen verdringen en schendingen van mensenrechten negeren – als het weer maar goed is en de prijs laag.
Goedkoop moet het zijn en goedkoop is reizen geworden, vooral dankzij de digitalisering. Reisportals als Expedia, Trivago en Booking.com hebben de gevestigde reisbureaus gemarginaliseerd en bedreigen ook concerns als TUI en Thomas Cook, die tot nog toe de markt beheersten. Doorlopend bieden ze vluchten en overnachtingen tegen bodemprijzen.
Anders dan de vakantieaanbieders uit het catalogustijdperk runnen de digitale concurrenten geen eigen hotels en hebben ze geen vliegtuigen, cruiseschepen en reisbureaus, maar verdienen ze alleen aan de bemiddeling bij diensten van anderen. Ze kunnen via hun platforms prijzen nagenoeg ‘realtime’ bijsturen en optimaliseren doorlopend hun algoritmen om winst te genereren. Doelgericht verzamelen ze gegevens over de voorkeuren van klanten, en inmiddels krijgen ze het zelfs voor elkaar om op het optimale moment op maat gesneden aanbiedingen te sturen.
Reizen is dankzij de goedkope vliegtickets een soort allemansrecht geworden, zoals goedkope T-shirts en winkelen bij een discounter. Een weekendje Berlijn of Barcelona was opeens een alternatief voor een uitstapje in eigen land, met dramatische gevolgen voor de verschillende bestemmingen. Barcelona heeft zich bijvoorbeeld ontwikkeld van geheimtip tot massabestemming; het marktaandeel van de prijsvechters is daar bijna 70 procent. Op de luchthaven Berlijn-Schönefeld zijn die goed voor bijna 90 procent van de vliegbewegingen. Alleen al in de voorbije tien jaar is het aantal vertrekkende passagiers daar verdubbeld, van circa 6 naar bijna 13 miljoen.
De Duitse hoofdstad is een favoriete bestemming in Europa geworden en moet alleen nog Londen en Parijs voor laten gaan in populariteit. ’s Avonds en in het weekeinde trekken honderden op feest beluste jongeren uit heel Europa door het stadsdeel Mitte. Ze laten meestal niet veel geld achter in de stad, maar wel een hoop afval en lege bierflessen.
Jarenlang zag het ernaar uit dat het traditionele overstap- en het prijsvechtersverkeer onverminderd naast elkaar verder konden groeien. Maar deze zomer loopt dit model voor het eerst tegen grenzen aan. Geannuleerde vluchten, vertragingen en omboekingen zijn aan de orde van de dag. Volgens berekeningen van de wereldluchtvaartorganisatie IATA zijn de vertragingen in het luchtverkeer boven Europa alleen al in het eerste halfjaar van 2018 toegenomen met 133 procent. Sommige luchthavens, zoals Frankfurt, Düsseldorf en Berlijn, verzoeken de reizigers inmiddels dringend om drie uur voor vertrek op de luchthaven aanwezig te zijn om de mensenmassa te kunnen verwerken.
Dat reizen een bezigheid vol stress is geworden, ergert de toeristen, maar het schrikt ze niet af. Paolo Giuntarelli, socioloog, weet ook waarom: ‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt.’ Giuntarelli is manager van het verkeersbureau van de Italiaanse regio Lazio. Zijn kantoor bevindt zich in Rome. Hij houdt daar tamelijk eenzaam de wacht, want veel Romeinen zijn deze weken naar het platteland getrokken omdat het hun in de stad te warm werd.
Maar de bezoekers van Rome laten zich niet afschrikken door de temperatuur.
Er zijn weken dat Rome compleet onder de voet wordt gelopen. Zoals eind juli, toen 60.000 misdienaars uit heel Europa de stad binnentrokken, van wie 50.000 uit Duitsland. Het motto van hun pelgrimsreis was: ‘Zoek de vrede en jaag haar na!’ Maar wat ze vooral najoegen, waren de bezienswaardigheden.
Op dinsdagavond waren de altaarjongens bij de paus. Toen tegen achten de audiëntie ten einde liep, was het Sint-Pietersplein bezaaid met plastic flesjes, A4-tjes met liedteksten, lege Haribozakjes en bananenschillen. Hetzelfde gold voor het aangrenzende Piazza Papa Pio XII. De vuilniszakken in de houders langs de straat puilden allang uit, of waren gescheurd. Ook vrome mensen produceren afval.
Rome: dat zijn lange avonden op de piazza’s, met pasta, rode wijn en vrolijke liedjes. Later op de avond moeten de toeristen het inmiddels doen zonder wijn en bier, want sinds 2017 mag er in Rome na tienen buiten geen alcohol meer worden gedronken. Het verbod, uitgevaardigd door burgemeester Virginia Raggi, is van juli tot oktober van kracht.
In 2017 schuifelden 14,7 miljoen bezoekers door de straatjes van Rome, oftewel een op de vier bezoekers van Italië. Wie in de stad overnacht, blijft gemiddeld tweeënhalve dag, en dat is vergelijkbaar met andere Europese metropolen.
Lazio
In Frascati, Tivoli of andere steden in de regio Lazio raken de bezoekers maar zelden verzeild. Giuntarelli zou de toeristenstroom graag willen laten afbuigen, de regio in, naar een van de kleinere plaatsen. Daar zouden ze kennis kunnen maken met de Italiaanse manier van leven, ‘goed eten, goede wijn’. Of het Franciscuspad kunnen lopen dat door Lazio voert.
In krantenadvertenties en radiospots prijst Giuntarelli Lazio aan, op vakantiebeurzen deelt hij folders uit. Een daarvan presenteert Lazio als trouwlocatie, een andere maakt reclame voor de warmwaterbaden van de regio. Ook als golfbestemming wil Giuntarelli de regio groot maken – ‘we werken eraan’.
Omdat Lazio niet alleen staat met zijn problemen, heeft de regio zich aangesloten bij NecsTour, een netwerk van 37 Europese regio’s die zich verplichten tot duurzaam toerisme, een vorm van reizen die vakantiegangers en economie gelukkig maakt zonder schadelijk te zijn voor het milieu. Dus ongeveer het tegenovergestelde van cruises. ‘Dat is niet het toerisme dat we willen stimuleren,’ zegt Giuntarelli.
De reusachtige schepen stoten massaal smerigheid uit en leveren de regionale handel en horeca nauwelijks iets op. De passagiers zijn maar een paar uurtjes in de stad, overnachten aan boord en nemen bij het passagieren vaak zelf proviand mee. Ze laten nauwelijks geld achter, maar wel veel afval. ‘Cruisetoerisme is alleen goed voor de aanbieders van cruises,’ zegt Giuntarelli met een laatdunkend glimlachje.
In het Kroatische Dubrovnik geven cruisepassagiers gemiddeld slechts 24 euro per dag uit, andere gasten daarentegen ongeveer 160 euro. De stad heeft bijzonder te lijden onder de toestroom van toeristen. Sinds de schilderachtige binnenstad het decor was van de serie Game of Thrones, zijn de bezoekersaantallen exponentieel gestegen. Maar daarvan komen er jaarlijks 800.000 met de boot.
Het aantal bezoekers van Dubrovnik moet worden teruggedrongen naar achtduizend per dag
Dubrovnik heeft 42.000 inwoners, die het liefst thuisblijven als de cruiseschepen binnenvaren. Niet alleen de inwoners hebben te lijden, maar ook het middeleeuwse centrum van de stad, en daarom moet het aantal bezoekers worden teruggedrongen naar achtduizend per dag. Anders, zo heeft Unesco gedreigd, raakt de stad zijn status als cultureel werelderfgoed kwijt.
‘Er is een herbezinning gaande – weg van het eenzijdige groeidenken dat het toerismebeleid in de meeste steden tot nog toe heeft gekenmerkt,’ zegt planoloog Johannes Novy, die op dit moment aan de Universiteit van Westminster in Londen onderzoek doet naar stadsontwikkeling en toerisme. ‘Te lang ging het alleen maar om de vraag: hoe krijgen we meer toeristen in de stad? Andere doelen werden niet besproken, en ook niet hoe je negatieve gevolgen zou kunnen tegengaan.’ Niet altijd is het toerisme als zodanig overigens het probleem, zegt Novy, soms zijn het bepaalde verschijningsvormen ervan, ‘zoals het in veel steden om zich heen grijpende partytoerisme, of de lange tijd ongebreidelde stijging van het aanbod van vakantiewoningen’.
Steeds vaker doen de verantwoordelijken hun best om de ‘groeipijnen’ van het toenemende aantal reizigers te bestrijden: ze willen de stroom van toeristen laten afbuigen, zoals in Rome, of zelfs aan banden leggen, zoals in Dubrovnik. Barcelona geeft geen toestemming meer voor nieuwe hotels, Parijs heeft Airbnb en andere woningbemiddelaars sterk gereguleerd, Palma de Mallorca heeft de verhuur van vakantiewoningen via dat platform zelfs helemaal verboden. Maar er is geen stad die zo rigoureus optreedt tegen het overtoerisme als Amsterdam.
En toch zijn ze er nog, de plaatsen en regio’s waar toeristen welkom zijn die elders niet meer zo graag gezien zijn en waar niemand zich opwindt over langdurige party’s en zuiprituelen. Daniel Stefanov staat op een podium, ingeklemd tussen de weg en het strand, en kijkt hoe de menigte in het schuim verdwijnt. Er staan twee sneeuwkanonnen op de dansvloer van Megapark Dolphin, een reusachtig partycomplex dat Stefanov samen met zakenpartners is begonnen in het Bulgaarse Zlatni Pjasatsi (Goudstrand), een vakantieoord aan de Zwarte Zee. Uit het ene kanon daalt het schuim als vlokken taartdeeg op de feestende vakantiegangers neer, uit het andere regent het fijne wolkjes zeepsop. De menigte juicht en staat tot kniehoogte in het schuim. Daniel Stefanov is weer een stuk dichter bij zijn doel gekomen om van Goudstrand een vaste bestemming van Duitse feesttoeristen te maken, als alternatief voor El Arenal en Playa de Palma.
Zon, strand en zuipen
Vijftien jaar geleden openden Stefanov en zijn 44-jarige partner Sava Daritkov in Zlatni Pjasatsi de openluchtdiscotheek Megapark Dolphin, een zwemparadijs met aangrenzende dansvloer. Acht jaar geleden kwam daar de Partystadl bij, waar schlagers worden gedraaid en een halve liter bier omgerekend 2 euro kost.
Stefanov en Daritkov hebben veel geïnvesteerd in hun droom. Ze importeerden witbier uit Duitsland, huurden zangers in die anders in de Bierkönig en de Oberbayern op Mallorca optraden en gingen schuimparty’s organiseren. Sindsdien krijg je hier op dinsdag en zaterdag voor 20 euro entree een uur lang cocktails naar keuze en schuim uit het kanon.
De eigenaren draaien het beste seizoen ooit. Allereerst kwamen aan het begin van de zomer de eindexamenkandidaten uit Duitsland, vervolgens de voetbalverenigingen en kegelclubs, en daarna de vrouwen, maar vooral mannen van begin tot midden twintig, die naar eigen zeggen voor vakantiegeluk maar drie dingen nodig hebben: ‘zon, strand en zuipen’. Het seizoen zou weleens tot eind september kunnen doorgaan, denkt Daritkov. En er is nog iets wat hij per se kwijt wil: ‘Wij zijn blij met onze gasten.’
Het is een zinnetje dat een nieuwe betekenis heeft gekregen sinds de ‘Ballermann’ [strandbar Balneario 6 op Mallorca] niet meer zo goed uit de voeten kan met de feestende massa’s. Mallorca wil geen feesteiland meer zijn en heeft de nachtelijke zuippartijen en seks op het strand verboden. Goudstrand, zo luidt de boodschap, is niet alleen de goedkopere, maar ook de ‘betere Ballermann’.
Niklas, Marvin en Marcel staan aan de bar in Megapark Dolphin met in de hand een glas vodka peach en een felgroen shirt aan met het motto van hun trip van vorig jaar: ‘Malle 2017. Einer für alle. Alle für Malle’. Daar [Mallorca] zijn ze met zo’n tien vrienden geweest. De nieuwe verordeningen op het eiland zijn een van de redenen dat ze deze zomer naar Bulgarije zijn gegaan, zegt de 24-jarige vrachtwagenmonteur Niklas. In El Arenal hebben ze gezien hoe de Spaanse politie met drie auto’s kwam aanscheuren toen er ondanks het verbod een emmer sangria op het strand verzeild was geraakt. Dat vonden ze wel een beetje overdreven.
Op Goudstrand is dat anders. Omwonenden zouden hun beklag kunnen doen over de drukte. Maar omwonenden zijn er hier niet.
Dit dossier werd samengesteld door Der Spiegel -redacteuren Dinah Deckstein, Lothar Gorris, Sebastian Hammelehle, Nils Klawitter, Alexander Kühn, Armin Mahler, Martin U. Müller, Ann-Kathrin Nezik, Raniah Salloum en Robin Wille.
De meesten van ons zoeken in de zomer een andere, liefst knalblauwe horizon. Justin Nobel niet, hij volgde de reis van de Solenopsis invicta, de onoverwinnelijke vuurmier die begon in de Amerikaanse stad Mobile, Alabama waar het ‘duivelse insect’ als eerste aan land kwam en sindsdien alle mogelijke moordaanslagen overleeft.
Op 5 oktober 1967 stegen vijf bommenwerpers uit de Eerste Wereldoorlog op van een vliegveld in Florida, om in het zuiden van Amerika hun lading af te werpen. Die ochtend stond in de Sarasota Herald-Tribune dat drie B-17’s en twee PV-2’s, met een dodelijke lading van tienduizend pond, een missie zouden uitvoeren, ‘met als doelwit Sarasota en het oosten van Manatee’.
Hoewel de bommenwerpers wel degelijk ten strijde trokken, zouden ze geen explosieven afwerpen. Hun vijand was een roodbruin insect van enkele millimeters lang, bekend onder de wetenschappelijke naam Solenopsis invicta, letterlijk vertaald ‘onoverwinnelijke mier’ – in de volksmond ook wel de rode vuurmier of de ‘duivelse mier’ genoemd. De bommenwerpers zouden de dieren besproeien met mirex, een gif dat gewoonlijk met griesmeel wordt vermengd.
Eind jaren zestig was de vuurmier al meer dan dertig jaar lang een bekende in het zuiden van Amerika. Er gingen verhalen over verwoeste oogsten, dode dieren en de venijnige beet van de mier. Het was niet helemaal duidelijk hoeveel schade de mieren precies hadden aangericht, maar het was voldoende voor het USDA (het Amerikaanse ministerie van landbouw) om deze plaag de oorlog te verklaren. Tijdens een elf jaar durende campagne werd meer dan 143 miljoen pond mirex afgeworpen boven een gebied van 200 duizend vierkante kilometer, van Texas tot Florida. De kosten bedroegen een kleine 200 miljoen. Het resultaat? De mieren verspreiden zich over een twee keer zo groot terrein. De mirex, die later kankerverwekkend zou blijken te zijn, bleef nog tientallen jaren in het milieu en belandde in vogeleieren, de melk van zoogdieren en in menselijk weefsel. De meest vooraanstaande mierenonderzoeker ter wereld, E.O. Wilson, noemde het mirex-programma het ‘Vietnam van de entomologie’.
Onder de mieren
Als je vandaag de dag een lijn trekt van Virginia Beach via Nashville naar Abilene in het westen van Texas, tref je overal onder die lijn vuurmieren aan, net als in het zuiden van Californië. Volgens entomologen van Texas A&M University bedragen de kosten van de mieren voor de economie, het milieu en de kwaliteit van leven in de Verenigde Staten in totaal zo’n zes miljard dollar per jaar. Alleen al in Texas verwoesten ze jaarlijks voor zo’n 1,2 miljard dollar: 47 miljoen schade aan golflinks; 64 miljoen aan begraafplaatsen (de mieren zijn dol op de open en enigszins overwoekerde plekken rondom grafstenen); en maar liefst 255 miljoen dollar schade aan de veestapel. Ze veroorzaken ook nog andere problemen. In Virginia Beach werd de 30-jarige ex-marinier Bradley Johnson gestoken door vuurmieren terwijl hij buiten aan het werk was – hij stierf als gevolg van een anafylactische shock.
Het is minstens één keer voorgekomen dat de mieren een lagere school in Tennessee zijn binnengedrongen om zich tegoed te doen aan het snoep in de kluisjes van de kinderen.
In het Greystone Retirement Community in Huntsville, Alabama, trof een medewerker de 79-jarige Lucille Devers aan, bedolven onder de mieren, die in haar mond, neus, oren en haren krioelden. De mieren dringen geregeld een bejaardentehuis binnen, aangetrokken door de kruimels in de bedden van de bewoners. Wetenschappers gaan ervan uit dat de mieren hun terrein zullen blijven uitbreiden. Door klimaatverandering en kruising met mierensoorten die beter zijn bestand tegen kou, zijn ze in staat steeds verder op te rukken naar het noorden.
Ik, daarentegen, ben naar het zuiden verhuisd. Vorig jaar augustus hebben mijn vriendin Karen en ik onze spullen ingepakt en zijn we met onze twee katten, een terriër en een mollige, bruine Chihuahua, Jazzy-B genaamd, in een busje gestapt en van New York naar New Orleans gereden. Een paar weken later vierden we ons nieuwe huis met een borrel in City Park. Toen we ons picknicklaken weer oprolden, stonden plots onze benen in brand. We trokken snel onze broek uit en in het licht van een straatlantaarn zagen we dat onze benen helemaal onder de mieren zaten. Ik was meer dan tweehonderd keer gestoken, en het werden allemaal rode kringen zo groot al een onderzetter, en ook zwollen mijn oren en mijn keel op. Een handvol antihistaminica later ging het wel weer, even afgezien van de paar honderd bulten die jeukten als een gek. Gelukkig was ik niet anafylactisch, wat wel geldt voor een half tot één procent van alle Amerikanen. Voor mensen die heel erg allergisch zijn, kunnen dergelijke beten leiden tot spasmen van de bronchi of van de kransslagaderen, waardoor er geen zuurstof meer in de luchtweg komt en binnen enkele minuten de dood intreedt. Toen Jazzy-B een paar weken laten op een mierenhoop stapte en begon te janken, waarna hij de rest van de dag zijn poot likte, verklaarde ik de vuurmier de oorlog. Maar eerst moest ik meer over mijn vijand aan de weet zien te komen.
De Solenopsis invicta is afkomstig uit het reusachtige draslandgebied in het zuiden van Brazilië en Paraguay, dat bekendstaat als de Pantanal. Ergens begin jaren dertig van de vorige eeuw gingen de mieren als verstekeling mee in zakken koffie, in kluiten aarde of in holle boomstronken die onder in een vrachtschip werden geladen. Waarschijnlijk ging het om een handjevol koninginnen, elk ongeveer ter grootte van een duimnagel. Ze aten alles wat ze maar in het ruim konden vinden: kakkerlakken, kevers, zoete lading, en toen de spoeling dunner werd ook zichzelf, door hun eigen vleugelspieren en vetreserves te verteren. Het schip zal langs Rio de Janeiro zijn gevaren, langs de monding van de Amazone, langs de weelderige toppen van de Antillen, terwijl de koninginnen in hun buik de eerste lading eitjes meedroegen. In Mobile, Alabama, meerde het schip af en werden de zakken of de aarde of de boomstammen uitgeladen, en daarmee gingen ook de koninginnen van boord. Onder de kranen in de haven, met daarboven de rondcirkelende meeuwen, vestigden de mieren hun eerste kolonie, misschien wel op een stukje pas gemaaid gras: een hoopje aarde met daarin allemaal kamers en tunnels die wel tot 4 meter diep konden gaan. Ze vonden het prettig om mierenhopen te maken op plekken waar de natuur was verstoord, zoals aan de rand van de weg, naast een gebouw, een weiland, een tuin, of in de buurt van een drukke haven. Ze aten vrijwel alles – zaden, nectar, wormen, snuitkevers, vlinders, en zelfs pasgeboren zeeschildpadden, slangen en alligators. Ze stortten zich op de jongen zodra die uit het ei kwamen.
Een kolonie bestaat uit koninginnen, werksters, en mieren voor de voortplanting, ook wel gevleugelden genoemd. De koninginnen leggen eitjes die larven worden – kleine, witte, rijstvormige korrels die uitgroeien tot volwassen mieren. De gevleugelden worden geboren aan het einde van de winter of aan het begin van de herfst, en ze besteden hun tijd aan voedsel naar binnen werken en zich klaarmaken voor hun paringsvlucht. De werksters beginnen hun leven als verzorgsters, die voor de nakomelingen en de koningin zorgen en hen van eten voorzien. Wat later nemen ze het onderhoud van het nest en de hygiëne voor hun rekening. In hun gouden jaren zijn de werksters opgeklommen tot foerageurs – het gevaarlijkste werk binnen de kolonie, aangezien ze dan de strijd moeten aanbinden met roofdieren, en met de elementen. Als ze het leven uit zich voelen wegglijden, dragen de mieren zichzelf ten grave, en gaan in het mierenmassagraf liggen dat de afvalberg wordt genoemd.
Om de kennelijk onstuitbare mars van de mieren door het zuiden in kaart te brengen, besloot ik hun pad te volgen vanaf de plek waar ze voor het eerst hun aanspraak op Noord-Amerikaanse bodem hadden doen gelden. Vlak voor mijn vertrek doemde er, als een omineus teken van een of andere myrmecologische god, een mierenhoop op in onze achtertuin. Ik begon evengoed onverschrokken aan mijn odyssee.
Een andere truc is om mieren van de ene naar de andere hoop te scheppen – volgens Richard zullen de mieren de koninginnen van de andere kolonie doden
Mobile, de twaalfde havenstad van Amerika, waar het afgelopen jaar 26 miljoen ton vracht is verscheept, verwelkomde me met de aanblik van reusachtige containerkranen die deden denken aan letters in een reusachtig, industrieel alfabet, de stank van diesel, een zilte lucht en – het kon haast niet missen – mierenhopen.
Vlak bij de haven zag ik er eentje waar wat wilgentakken uit staken. Er was geen enkele beweging te bespeuren, maar toen ik er een trap tegen gaf, uit rancune vanwege al die jeukende bulten, kwamen ze naar buiten zwermen. Het zouden heel goed de achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-achter-kleinkinderen kunnen zijn geweest (koninginnen leven een jaar of zeven) van de groep die hier in de jaren dertig van de vorige eeuw naartoe was gekomen, met de boot vanuit Zuid-Amerika.
Niet ver van de haven was een buurt met kromme eiken en nette bungalows met keurig onderhouden tuinen. Ik bleef staan bij Charleston Street 550, het huis waar E.O. Wilson zijn jeugd had doorgebracht – en ik bedacht dat de beroemdste mierenkundige ter wereld was opgegroeid in het epicentrum van de bekendste miereninvasie van de wereld. In de weelderige, verlaten tuin van de buren had de jonge Wilson kevers, vlinders, spinnen en allerlei soorten mieren bestudeerd, waaronder de Solenopsis invicta, waarvan hij in mei 1942, op zijn twaalfde, de eerste mierenhoop ontdekte. ‘De soort die ik ontdekte, staat me nog heel levendig voor de geest,’ schreef Wilson in Naturalist, een boek over zijn gelukkige insectenjeugd. Nu lijkt de buurt te zijn ontdaan van vuurmieren – dankzij de onvermoeibare, creatieve en nietsontziende inspanningen van de menselijke bewoners.
Lonnie Rayford, een 72-jarige boer, met naast zich op tafel een geweer en een dode eekhoorn, vertelt me dat hij vaak is gestoken. Naar zijn, niet echt wetenschappelijk onderbouwde mening, was griesmeel vroeger voldoende om met het ongedierte af te rekenen. ‘Graaf een gat en strooi er griesmeel in, dat nemen ze mee naar beneden en voeren het aan hun koningin,’ zei hij. ‘Dat griesmeel wordt hun dood.’ Een man verderop in de straat, die onkruid aan het wieden was, vertelde me dat hij gif gebruikte.
Vanuit Mobile ging ik naar het noordwesten, naar Montgomery, waar ik langs het Alabama State Capitol reed, met de romig witte koepel die wel iets wegheeft van een reusachtige bruidstaart. Ik ging naar Dixie Hardware om me door vakmensen te laten voorlichten over mierenbestrijding. John, een medewerker met een baard, verwees me naar stelling negen, een walhalla voor wie iets wil uitroeien.
‘Je hebt kakkerlakkengif, mierengif, Ant Max – dat is een soort val,’ zei hij, terwijl hij me een rechthoekig, rood-geel doosje liet zien dat eruitzag alsof er snoepjes in zaten voor in de bioscoop, ware het niet dat er op de zijkant een tekening stond van een gemene vuurmier. Het meest verkocht was een grote oranje zak met als opschrift ‘Spectracide Fire Ant Killer Mound Destroyer.’ (‘Spectracide vuurmierenhoop-vernietiger’.)
Johns collega Richard vertelde me nog van alles over de fijne kneepjes van de massa-insectenverdelgers. Het probleem met gif is dat de mieren meestal gewoon naar de tuin van de buren gaan. Dat betekent dat het probleem op buurtniveau moet worden aangepakt. Met andere woorden: in je eentje sta je machteloos tegenover een mierenplaag. Een andere truc is om mieren van de ene naar de andere hoop te scheppen – volgens Richard zullen de mieren de koninginnen van de andere kolonie doden. En dan is er nog benzine, duidelijk de favoriete verdelgingsmethode in Alabama. ‘Neem een bezemsteel, steek die in mierenhoop en giet er benzine in, dan zal alles daarbinnen echt verbranden,’ zei Richard opgetogen.
Vuurmieren verdelgen lijkt wel een beetje op maïsbrood bakken; in het zuiden heeft iedereen zijn eigen recept. Inmiddels waren mijn bulten allang weer weggetrokken en ik kreeg bijna medelijden met die arme beestjes. Al helemaal toen ik doorkreeg dat we hun onverbiddelijke opmars goeddeels aan onszelf te wijten hebben.
Van nature verspreiden mieren zich helemaal niet zo snel. In de jaren dertig en veertig legden de mierenpopulatie zo’n 6 tot 8 kilometer per jaar af vanuit Mobile, een afstand die vooral werd afgelegd op paringsvluchten. Op warme dagen na een natte lente of zomer, verlaten de gevleugelden de mierenhoop, omgeven door een troep lijfwachten. Ze vliegen uit om te paren, in grote wolken tijdens de zogeheten bruidsvluchten. Mannetjes injecteren de vrouwtjes met een voorraad sperma waar ze hun leven mee toe kunnen, en laten vervolgens het leven. Koninginnen die net gepaard hebben dalen neer, verliezen hun vleugels en beginnen een nieuwe kolonie, waarbij ze op hun hoede moeten zijn voor roofdieren als de libelle, die maar al te graag zo’n met sperma gevuld buikje oppeuzelt. Een koningin vliegt gewoonlijk een paar kilometer tijdens een paringsvlucht, en als de wind gunstig is, kunnen daar nog een paar kilometer bij komen. Maar dat is het dan wel.
Mieren kunnen ook besluiten te verhuizen als ze ergens last van hebben. In dergelijke gevallen verhuist de hele kolonie, op instigatie van de werksters, maar meestal gaat het dan slechts om een paar meter. Een flink aantal vuurmierenkolonies in het Zuiden – die bekendstaan als polygene kolonies, wat wil zeggen dat ze meer dan één koningin hebben – kunnen zich zelfs verplaatsen zonder paringsvluchten, door knopvorming zoals bij gist. Een koningin en een paar werksters beginnen domweg elders een nieuwe kolonie. Maar ook hier geldt dat ze nooit ver weg gaan. Veruit de beste manier om vuurmieren te verplaatsen, bieden wij. Mensen.
In 1949 waren de vuurmieren voornamelijk gesitueerd in een gebied van zo’n 75 kilometer rondom Mobile, en op een paar plekken in het midden van Alabama en Mississippi. Maar toen de Amerikanen in de jaren vijftig naar de buitenwijken trokken en een grote voorliefde aan de dag legden voor witte hekken, voortuinen en sierheggen, kwam het tuinieren in een stroomversnelling. Er kwam een transport op gang van aarde, planten en potten, van de ene staat naar de andere, van het ene land naar het andere. Verscholen in de aangekoekte aarde in een bulldozer, in de kluit aarde van een sierplant, of in de laadbak van een pick-up, kan een koningin die net heeft gepaard honderden kilometers afleggen. Dankzij onze horticulturele interesses was de invicta in 1957 doorgedrongen tot alle zuidelijke staten, met uitzondering van Kentucky en de Virginia’s.
Rond die tijd besloot het USDA, het ministerie van landbouw, om de indringers te verdelgen. In 1958 werd een quarantaine-regeling in het leven geroepen om het transport van aarde, planten en hooibalen uit staten waar veel vuurmieren waren naar staten onder vuurmieren, aan banden te leggen – tenzij de producten eerst werden behandeld met insecticiden. Tussen 1957 en 1962 werd zo’n 10.000 vierkante kilometer grond bestrooid met korrels die het insecticide heptachlor bevatten. Daarmee werden inderdaad de vuurmieren gedood, maar ook de merels, kwartels, ganzen, kikkers, katten, krabben en miljoenen vissen – een fiasco dat mede de aanleiding was tot Rachel Carsons boek Silent Spring (Dode lente). Slechts weinigen op het ministerie lieten zich iets gelegen liggen aan haar waarschuwende woorden, en de oorlog werd dan ook voortgezet. Dankzij dit entomologische Vietnam, dat duurde van 1964 tot 1975, heeft 24 tot 33 procent van alle inwoners van het zuiden mirex in hun lichaamsweefsel, zo valt te lezen in The Fire Ants, een boek van mierenkundige Walter Tschinkel.
Bochelvliegen
Ondertussen hebben de onoverwinnelijke schepsels hun werkterrein vergroot, verdubbeld zelfs, en er zijn wetenschappers die het insecticide daar de schuld van geven. Meestal roeide het gif, daar waar het werd toegepast, alle mierensoorten uit, en daarmee werd S. invicta, die als beste in staat zou zijn nieuwe kolonies te vormen, de dominante soort bij herkolonisatie. Het geheim van hun overleving is niet helemaal duidelijk, maar Tschinkel denkt dat het iets te maken heeft met de grootte van de kolonies, het aantal gevleugelden, de grote afstanden die zij kunnen afleggen en het lange paringsvlucht-seizoen.
De vuurmierengrens loopt door het midden van Tennessee. Ik heb het mierenpad gevolgd in noordelijke richting en heb de snelweg verlaten bij McMinnville, het hart van de tuinplantenindustrie, en net onder de vuurmierengrens. Hier moeten de tuincentra de wortels van de planten, waar soms ongemerkt koninginnen in zitten die net hebben gepaard, behandelen met chlorpyrifos, een duur en giftig insecticide. Tommy Boyd, mede-eigenaar van Boyd & Boyd Nursery, vertelde me dat zijn medewerkers zich gewapend met handschoenen en maskers van die taak kwijten. Hij weigert het spul zelf aan te raken omdat hij er hoofdpijn van krijgt. ‘Ik wil niet doodgaan aan een of ander bestrijdingsmiddel,’ zei Boyd tegen me.
Niet veel later reed ik over een winderige weg die me naar het Otis L. Floyd Nursery Research Center bracht, verbonden aan de Tennessee State University. Daar sprak ik met Jason Oliver, een vriendelijke entomoloog in een flanellen overhemd. Hij werkt met een minder schadelijke, meer natuurlijke manier om mieren te verdelgen: Hij experimenteert met het uitzetten van bochelvliegen, die destijds in Pantanal de mieren aten. Eind jaren negentig gingen onderzoekers van USDA naar Zuid-Amerika om verschillende soorten bochelvliegen te vangen. Die bestudeerden ze in het Animal and Plant Health Inspection Service (APHIS) laboratorium in Gainesville, Florida, teneinde vast te stellen hoe ze het best kunnen worden uitgezet in verschillende delen van het Amerikaanse zuiden. Olivers bochelvliegen worden vanuit het lab overgebracht naar Tennessee en daar losgelaten.
Bochelvliegen leggen hun eitjes in de borstkas van de vuurmier, en wanneer de eitjes uitkomen valt de kop van de mier eraf. Oliver liet me een filmpje zien dat hij had opgenomen in een petrischaal, van een vlieg die eitjes legt in een mier. Een klein stipje zoemt om een paar mieren, schuurt in een flits langs een van de mieren en vliegt dan verder. In die fractie van een seconde heeft de vlieg de eitjes geïnjecteerd. Het ging allemaal zo vlug dat ik Oliver moest vragen om het filmpje nogmaals af te spelen. Het leek een ideale oplossing. Maar hoe knap het vliegje ook was, het zou nooit een hele kolonie kunnen onthoofden, het zou er hooguit voor kunnen zorgen dat de mieren hun nest niet meer uit durven te komen. ‘Er zullen altijd vuurmieren blijven,’ zei Oliver. ‘Er bestaat geen manier om ze uit te roeien.’
Vanuit McMinnville reed ik in noordwestelijke richting over kronkelwegen door glooiende heuvels vol tuincentra, langs de frontlinie van de S. invicta. Ten zuiden van de lijn werden lagere scholen, bejaardentehuizen en tuincentra binnengevallen, terwijl het land in het noorden, naar men zei, mierenvrij was. De weg leidde me door een gebied dat was ondergelopen tijdens de rampzalige overstroming van mei 2010. In Nashville was de Cumberland-rivier zo’n 10 meter gestegen, waardoor een groot deel van de stad was ondergelopen, zo ook de Country Music Hall of Fame, het Grand Ole Opry House, en een onbekend aantal mierenhopen. In tegenstelling tot wat je zou denken, waren de mieren niet verdronken. In tegendeel, ze waren verder gewoekerd.
De mieren waren vermoedelijk goed voorbereid, legde entomologe Linda Hooper-Bui van Louisiana State University me uit. De Pantanal, hun land van herkomst, loopt regelmatig onder, dus hebben ze leren drijven. Wanneer het water stijgt, ontruimen de mieren de lagergelegen tunnels en trekken naar een plek hoger in de hoop, om uiteindelijk boven op de hoop samen te komen. Met gebruik van de haakjes aan het uiteinde van hun pootjes, de tarsi genaamd, klampen de mieren zich aan elkaar vast en vormen zo een vlot. Larven in een laat stadium hebben een soort haakjesachtige haren die lucht vasthouden, waardoor ze in een soort bel zitten. Werkstermieren stapelen die larven zo’n drie tot vijf lagen dik boven op elkaar, zodat ze kunnen dienen als drijvers om het vlot boven water te houden. De koningin wordt in het midden gezet, met om haar heen de poppen en de larven in een vroeg stadium, die nog niet voldoende haren hebben om een luchtbel te kunnen maken. Op de klonten eitjes na, die de werkstermieren in hun poten dragen, en het kleine beetje vloeibaar voedsel dat ze in hun lichaam hebben opgeslagen en waar ze een paar dagen mee toe kunnen, gaat er niets mee aan boord. Sterker nog, als het vlot wegvaart, in het water geduwd door de werkstermieren, worden de gevleugelde mannetjes overboord gezet. Als het vlot langer dan vier dagen drijft, beginnen de mieren het gebroed te verorberen – maar niet degenen die zijn gebruikt om het vlot drijvend te houden. Een vlot kan een dag of eenentwintig standhouden, lang genoeg om de gestegen Cumberland-rivier te overleven.
Tenminste, dat is de mening van Steve Powell, een entomoloog verbonden aan de staat Tennessee. In februari ontving hij een melding dat er vuurmieren waren gesignaleerd in Cumberland City, een afgelegen plaats zo’n 120 kilometer ten noorden van Nashville, en ver boven de frontlinie. ‘Ik heb geen andere verklaring voor het feit dat ze daar zitten, zo ver van de andere vuurmierenplagen,’ zei Powell. ‘Als je het mij vraagt, komt het door de overstroming.’
Ik zou willen dat ik een stenopelmatus was, die een manier had gevonden om vreedzaam met de vuurmieren samen te leven, en dat ik soepel over de flanken van de mierenhoop kon dansen zonder gestoken te worden
Ik vervolgde mijn route in noordelijke richting en kwam in Cumberland City – een krakkemikkige verzameling door klimop overwoekerde houten huizen en etalages met rolluiken, op de steile, met bomen begroeide heuvels langs de Cumberland. Aan de rand van de stad staat de immense Tennessee Valley Authority kolencentrale, met vier hoge schoorstenen van zo’n 300 meter, een van de grootste ter wereld. Naast de fabriek staat een restaurantje met groezelige ramen, waar boeren in overall aan lage tafeltjes meerval en varkenskarbonaadjes naar binnen werken. Ik was op zoek naar iemand om over de mieren te praten, en ik verwachtte een levendig relaas dat de vlot-theorie van Powell zou bevestigen. In plaats daarvan stond me een niet geheel onverwachte verrassing te wachten: Bailey Gafford, een verweerde veehouder met laarzen vol aangekoekte modder, vertelde me dat er al lang voor de overstroming vuurmieren in Cumberland waren. Hij kwam zelfs met een innovatieve verdelgingsmethode die ik nog niet kende: ‘Strooi snuiftabak om de hoop. Als ze naar buiten komen, steek je ze in de fik.’
Op weg naar Cumberland had ik een bezoek gebracht aan de begraafplaats van de burgeroorlog, waar wilde bloemen om verweerde grafstenen staan. Boven op een klein heuveltje stond een handjevol hutten, een herinnering aan een strijd van lang geleden. Onze eigen strijd tegen de mier was nog in volle gang, en ik had niet de indruk dat we aan de winnende hand waren. De strijd tegen de S. invicta kwam ineens in een breder perspectief te staan, namelijk dat van het Insecticide-Militair-Industrieel complex. Het was ongeveer in dezelfde tijd dat president Obama zei, met betrekking tot de onophoudelijke strijd tegen het terrorisme, dat we niet onophoudelijk ‘op voet van oorlog’ kunnen blijven. Die opmerking leek ook van toepassing op onze strijd tegen de vuurmieren.
Bovendien, hoezeer we onze technieken ook verfijnen, deze onstuitbare indringers lijken steeds nieuwe manieren te bedenken om op te rukken. Op de een of andere manier heeft de Solenopsis invicta gekruist met de Solenopsis richteri, een andere soort die per vrachtschip uit de Pantanal naar Mobile is gekomen, in 1918. Aanvankelijk heeft de S. invicta de S. richteri verdreven – de laatste is een minder agressieve soort met een voorkeur voor iets koeler weer, voor wie het Zuiden misschien wat te heet was. Maar in 1980 werd een hybride soort ontdekt. Niemand weet precies hoe de kruising heeft plaatsgevonden – in bepaalde delen van de Pantanal overlappen de territoria van beide mierensoorten, maar er wordt niet gekruist. Hier gebeurt dat wel, en dat is misschien wel het meest verontrustende. De volbloed S. invicta houdt het niet langer dan drie, vier dagen vol bij temperaturen onder nul. De S. richteri al evenmin. Maar de hybride soort is beter bestand tegen koude dan de beide zuivere soorten, volgens een onderzoek uit 2002 naar omgevingsentomologie.
Is het denkbaar dat een hybride mier – of misschien een hybride vorm van een hybride mier – op een dag de frontlinie verder naar het noorden doet opschuiven, tot aan Washington D.C. en Philadelphia? Of wat dacht je van New York, met zijn acht miljoen inwoners die net zo weinig weet hebben van de vuurmieren als ik aanvankelijk? Niet zo heel lang geleden zijn de mieren per schip vanuit Australië naar de Verenigde Staten gekomen. Dat is ook gebeurd in Taiwan; van daaruit zijn ze China binnen gedrongen. Volgens een rapport over biologische invasies, uit 2004, zouden de vuurmieren ook kunnen doordringen in Frankrijk, Italië, Griekenland, Japan, Zuid-Korea, Mexico, Midden-Amerika en grote delen van Afrika en India. Is er een manier waarop we met deze schepsels kunnen samenleven? Ik had nog niet alle hoop opgegeven.
Kokend water
Toen ik terugkeerde naar New Orleans bleek de vuurmierenhoop in onze achtertuin vier keer zo groot te zijn geworden. Hij stak nu als de Kilimanjaro boven de grassprieten uit. Terwijl ik me verbijsterd afvroeg wat ik moest doen, kroop er een stenopelmatus langs de noordflank omhoog – een behendig alpinist – die opmerkelijk genoeg ongemoeid werd gelaten. Ik zou willen dat ik een stenopelmatus was, die een manier had gevonden om vreedzaam met de vuurmieren samen te leven, en dat ik soepel over de flanken van de mierenhoop kon dansen zonder gestoken te worden, maar dat was ijdele hoop, wist ik. Zelfs wanneer Karen en ik op een of andere manier het nest zouden weten te mijden, dan nog waren er onze huisdieren – de katten, de terriër, en Jazzy-B, die me op hetzelfde moment vanachter het raam met nieuwsgierige hondenogen aankeek. De vorige keer was hij met de schrik vrijgekomen, maar als hij honderden keren werd gestoken zou het gif vast en zeker te veel zijn voor zijn gevoelige Chihuahua-stelsel. Het was duidelijk wat me te doen stond. De mierenhoop moest verdelgd worden.
Ik brak mijn hoofd over de overdaad aan moordwapens: Rivaliserende kolonies tegen elkaar opzetten, griesmeel, benzine, een bezem en benzine, gif – en zo ja, welk gif dan? Uiteindelijke koos ik voor een methode die minder belastend was voor het milieu en die alleen Oliver had genoemd – half mompelend, aan het einde van ons gesprek, alsof hij een geheim onthulde waar hij zich een beetje voor geneerde: kokend water. Ant Max en Spectracide Fire Ant Killer Mound Destroyer lijken liever niet te willen dat deze methode breed bekend wordt.
Toen Jazzy-B en alle anderen veilig binnen zaten, leegde ik de kattenbak, besprenkelde hem met babypoeder zodat de mieren niet langs de wanden omhoog konden kruipen, en schepte de mierenhoop erin, waarna ik hem zo snel mogelijk tot aan de rand volgoot met kokend water. Een tweede ketel kokend water verdween in de opening aan de bovenkant, zodat het in alle tunnels en kamers zou lopen. Daarna volgden nog een derde en een vierde ketel, om zeker te weten dat ik ook de koningin te pakken had. Er volgde een explosie van rood, omdat grote hoeveelheden gebroed naar buiten werden gebracht, maar dat werd ogenblikkelijk gekookt door het water, en binnen een uur was de mierenhoop verleden tijd.
Met mijn huishoud-wapentuig liep ik weer naar binnen, maar ik was allesbehalve tevreden. Deze slag mocht ik dan hebben gewonnen, de oorlog was een verloren strijd. Je kon er donder op zeggen dat er een nieuwe mierenhoop zou opduiken. Met deze ‘overwinning’ had ik slechts tijd gewonnen.
Justin Nobel schrijft over wetenschap en milieu voor verschillende Amerikaanse tijdschriften. Vorig jaar verscheen zijn boek The story of Dan Bright over een jongeman in New Orleans die ten onrechte van moord werd beschuldigd.
Toen Nautilus me vroeg mijn ‘Ants Go Marching’-artikel te schrijven, besloot ik dat het een reisverhaal moest worden. De geografisch belangrijke plekken vormden mijn uitgangspunt: Mobile, in Alabama, waar de mieren als eerste aan land kwamen, en het eindpunt ergens in het noorden van Tennessee, de meest noordelijke punt van de opmars van de mieren.
Het beginpunt is makkelijk: Mobile is Mobile, en wie naar Mobile gaat, gaat naar de kade. Maar hoe kom ik bij het eindpunt? Met die vraag begint mijn zwerftocht. Zodra ik begreep dat de mieren vlotten konden bouwen en daarmee de rivier af konden gaan, en dat er inderdaad talloze mierenkolonies waren meegevoerd door het water van de Cumberland tijdens de Nashville-overstroming van mei 2010, wilde ik met alle geweld zelf ook de rivier op. De manier waarop doet er niet zoveel toe, hoe gekker hoe beter. Zelf een vlot bouwen? Een of andere vrijbuiter inhuren om me op een vlot van boomstammen de rivier af te roeien, een beetje à la Huckleberry Finn? Mezelf met de stroom mee laten drijven en doen alsof ik een mierenkolonie ben?
Na driftig googelen stuit ik op de website van de General Jackson Showboat, die tweemaal daags met een stel opzichtige entertainers een tocht over de Cumberland maakt. Aan boord is de lokale beroemdheid Steve Hall, met zijn ‘Shotgun Red Show’.
Steve is een legendarisch zwaarlijvige, joviale, muzikale komiek die een groot deel van zijn leven op rivierboten heeft opgetreden, en Shotgun Red is zijn gevatte, brutale pop. Hun act heeft werkelijk niets te maken met mieren, maar de General Jackson biedt een uitstekende gelegenheid om de rivier op te gaan, op zoek naar mieren, of in ieder geval om met de passagiers, en hopelijk ook de entertainers, te praten over mieren.
Ik rij naar attractiepark Opryland, waar de General Jackson Showboat vertrekt vanaf een steiger achter een reusachtige mall, en ik koop een kaartje. Het valt me vrijwel ogenblikkelijk op dat een groot deel van de overige passagiers in een rolstoel zit of met een rollator loopt. Dit is geloof ik het moment waarop tot me doordringt dat het een bespottelijk idee is om op deze geriatrische showboat op zoek te gaan naar vuurmieren. Maar goed, wanneer ik mensen vraag naar de vuurmieren, blijken ze zich maar al te zeer bewust van het bestaan van deze duivelse insecten. ‘Ik heb geprobeerd ze te verdrinken,’ zegt ene Peggy, een zachtaardige vrouw. Ze woont met haar man op een stuk land van 200 vierkante meter in Cleveland, Georgia. ‘Ik had het idee dat ze nauwelijks konden verdrinken!’ Uiteindelijk blijkt dit bijzonder nuttige informatie, want het sterkt me in de overtuiging die langzaam in mijn hoofd begint post te vatten, namelijk dat vuurmieren zelfs de meest zachtaardige mensen, zoals deze vriendelijke oudjes, kunnen doen veranderen in koelbloedige killers.
Zoals wel vaker wanneer ik op pad ben voor een groot artikel, herinner ik me ook nu heel scherp het moment waarop mijn verbeelding het van me overneemt
Eenmaal aan boord van de General Jackson hang ik over de reling en zie zwaluwen, met hun v-vormige staart, naar het grijsbruine wateroppervlak van de snelstromende rivier duiken om de insecten eraf te plukken. Het water heeft de kleur van slappe koffie bij een tankstation. De meeste passagiers zijn binnen, bij het buffet, in afwachting van ‘Steve Hall and the Shotgun Red Show’, maar mijn voornaamste doel is het opsporen van drijvende mierenkolonies. Vergeefs probeer ik in het schuimende kielzog van de boot sporen te ontdekken van mierenvlotten. Zoals wel vaker wanneer ik op pad ben voor een groot artikel, herinner ik me ook nu heel scherp het moment waarop mijn verbeelding het van me overneemt. Ik hoef de rivier helemaal niet af te speuren op zoek naar een mierenvlot, bedenk ik ineens, ik zit al op een mierenvlot! Dus baan ik me snel een pad door de myrmecologische massa op zoek naar de koningin.
Die vind ik, in een flinke theaterzaal in het midden van het vlot. Terwijl honderden werkmieren zich tegoed doen aan cheddar, aardappelpuree en stoofvlees, brengt een aantal podiummieren onder magentalampen hard geluid voort. Er is een vioolmier, een banjomier, en een fantastische, dikke mier in een rood overhemd met lovertjes en sandalen met glitters. Een van de muziekmieren is blind en blijkt later die dag te gaan trouwen. In het midden van de groep staat de koningin, gekleed als een tovenaar. Hij heeft een bolle buik (vermoedelijk vol eitjes), een snor, een matje in zijn nek en een reusachtig hoofd met vele onderkinnen. Na een poosje komt zijn poppenmier, Shotgun Red, het toneel op en vertelt moppen ovegDolly Parton.
Na de show spreek ik op het achterdek de koningin aan; hij probeert zijn koopwaar te slijten aan kindermieren. Hier houdt het visioen abrupt op en wordt de koningin weer gewoon de rivierboot-entertainer Steve Hall. Ik vraag hem hoe het is om op het water op te treden. ‘Deze boot is ongeveer zo groot als een voetbalveld, telt vier verdiepingen en heeft twaalfhonderd passagiers,’ zegt hij. ‘De eerste paar keer was ik me voortdurend bewust van de rivier, maar nu zie ik die niet eens meer, tenzij ik heel goed kijk.’ Steve heeft meer dan zesduizend keer aan boord opgetreden. Ik vraag of hij ooit een vuurmierenvlot op de Cumberland heeft gezien. Nee – wel wasberen en zeearenden en eenden, maar geen mieren.
Maar Steve’s voluptueuze zangeres Jennifer Bruce weet alles van de mieren. ‘Ze zitten in mijn achtertuin!’ roept ze uit. ‘Volgens mij zit daar een hele kolonie.’ Opgewekt maak ik aantekeningen. Dit absurde reisje heeft uiteindelijk misschien toch nut. Want terwijl ik mijn tijd verdoe door op de General Jackson te praten met de rivierboot-musici, heeft een angstaanjagende kolonie vuurmieren in allerijl een reusachtige mierenhoop gemaakt in mijn achtertuin in New Orleans. Net op het moment dat ik weerzin begin te voelen jegens mijn eigen soort en met een bijna milde blik naar de mieren kijk, word ook ik gedwongen me te ontpoppen tot een koelbloedige insectendoder. Het is eigenlijk wel triest dat de mieren en wij gedoemd zijn elkaar te bestrijden met onze respectievelijke wapens.
Nautilus – Justin Nobel
Nautilus
Verenigde Staten | maandblad + website | nautil.us
Begonnen als onlineweekblad, verschijnt Nautilus sinds september 2013 ook op papier. Het prachtige blad wil berichten over de ‘oneindige raakvlakken’ tussen de wetenschap en ons dagelijks leven. Elke maand komt een ander thema aan bod in reportages en analyses.
Een Russische journaliste reist met haar zoontje door Abchazië, en valt van de ene verbazing in de andere. In Europese ogen is het ministaatje in de Kaukasus primitief en straatarm, maar dat lijkt de onverzettelijke bewoners niet te deren. ‘Laten we drinken op de vrijheid.’
‘Geen vuilis weggooien’, staat er in het Russisch op een betonnen muur die langs het strand van Goedaoeta loopt. ‘Kijk, we volgen de Russische wetten bijna naar de letter,’ zegt de Abchazische kunstenaar Nodar Tsvizjba, die een stukje met me meereist. ‘Maar weet je wat onze redding is? Onze spelfouten.’
Tussen het station van Vesjoloje, de grenspost met Rusland, en Soechoemi, het eindstation, rijdt de trein met een slakkengang. In Abchazië kun je maar beter geen haast hebben. De wegen zijn er slecht en er lopen koeien op. Vanuit de trein zie ik statige ruïnes van oude stations voorbijglijden. Gagra, Goedaoeta, Psyrtscha, Novy Afon, als even zovele overblijfselen van een ingestort rijk. Bloemblaadjes van de oleander liggen verspreid tussen de Dorische zuilen, klimop kronkelt in golven over de fijnzinnige reliëfs van art-decolantaarnpalen. De trein baant zich traag een weg door deze welig tierende begroeiing.
‘Geen grotere luilakken dan de Abchazen,’ tiert de conducteur terwijl hij vol afgrijzen naar dit prachtige tafereel kijkt. ‘In de tijd van de Sovjets waren de spoorlijnen netjes, de stations versierd met witte bloembakken. En nu? Ze doen er niets aan!’ Ik voer aan dat het oorlog is geweest. ‘Maar dat is al twintig jaar geleden!’ ‘En daarna kwam de economische blokkade…’
De conducteur wuift alles weg. ‘Het zijn wel de Russische Spoorwegen die dit allemaal financieren! Kijk nou hoe de spoorbaan erbij ligt! Waar is het geld gebleven, vraag ik u!’ Net als elke zichzelf respecterende Rus ziet hij zich als een barmhartige Samaritaan die een horde arme sloebers helpt. Maar zo zit het niet. Het klopt dat de Russische Spoorwegen Abchazië in 2009 een krediet hebben verstrekt. Met dat geld zijn bruggen en spoorlijnen hersteld. Nu moet Abchazië die lening terugbetalen. Maar met de minieme begroting die het land heeft, gaat dat wel even duren. Abchazië betaalt altijd de hoogste prijs. Zowel voor de spoorwegen als voor de eigen onafhankelijkheid, ja eigenlijk voor het hele voortbestaan van het land.
‘Hé adelaartje, hier komen!’ Ljosja Agrba, bij wie we in Novy Afon logeren, weet mijn zoontje Fjodor op straat bij zijn broek te grijpen. Verlegen stribbelt hij tegen, maar Ljosja houdt hem stevig vast. ‘Luister eerst even. Je zag best dat er oudere mensen in de kamer zitten. Je hebt ze niet eens gedag gezegd en je wilde ons ook voorbijrennen zonder iets te zeggen. Dat doe je hier niet…’ Fjodor kijkt hem ondeugend aan, maar lijkt wel sorry te willen zeggen. Twee dagen later volgt hij Ljosja vol bewondering, helpt mee in huis en luistert verzaligd naar zijn preken over hoe je je in Abchazië hoort te gedragen.
De alamys is de traditionele ethische code in Abchazië. Die bepaalt hoe je je moet gedragen tegenover ouderen, bezoek, vijanden, dieren en planten. In Abchazië vreest iedereen twee dingen: dat het land opnieuw onder Georgisch protectoraat komt, en dat de alamys verloren gaat. In beide gevallen zou dat het einde van het land betekenen. ‘Weet u, ik heb nooit aan politiek gedaan,’ zegt Nodar Tsvizjba. ‘Wat heb je daaraan? We moeten zorgen dat onze taal en onze tradities blijven bestaan. We zijn maar een minuscuul eilandje met een heel oude cultuur. We hebben het Abchazisch weten te bewaren zoals dat in de elfde en twaalfde eeuw gesproken werd. Wij hebben bijvoorbeeld geen woord voor “dood”. We zeggen “mijn ziel is geboren”. En voor “ik hou van jou” zeggen we “ik zie je in het echt”. Nu ik hier belangrijk sta te doen, zouden ze van mij in het Abchazisch zeggen dat ik je mijn paard laat zien. Het “ik” is bij ons taboe.’
Door de alamys is de Abchazische samenleving voor Europeanen moeilijk te doorgronden. Hier wordt bijvoorbeeld de traditie van de eremoord nog volop in stand gehouden. ‘Een jongen bedenkt zich wel twee keer voordat hij een jong meisje onteert,’ legt Ljosja Agrba uit, ‘want hij weet dat ze zal worden gewroken. Binnen een half uur of over tweehonderd jaar, maar gestraft zal hij worden. We gaan dan nooit naar de politie. Er is de familie. En die vergeeft niemand.’ In een land waar elk gezin wapens bezit, is deze traditie van bloedwraak heel effectief. Afgezien van wat kleine delicten tegen toeristen is er geen sprake van criminaliteit.
Elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin
Een ander krachtig afschrikmiddel: de befaamde Abchazische gastvrijheid. Zelfs als een vijand zijn toevlucht zoekt bij een naaste van zijn tegenstander, dan wordt hij een gast en krijgt hij bescherming. Die vervloekte gastvrijheid brengt de Abchazen tegenover toeristen in een netelige situatie. In feite zouden Fjodor en ik de voornaamste inkomstenbron van onze gastheer moeten zijn. Maar elke avond onthaalt Ljosja ons gratis op gegrilde vis, zelfgemaakte wijn en uitgebreide verhalen. De eerbied voor tradities lijkt sterker dan de behoefte aan geldelijk gewin.
Het kernbegrip van de alamys is het geweten. Een Abchaas ‘sterft levend’ door iets te doen wat tegen zijn geweten indruist. En dat brengt de Abchazen vaak in een lastig parket. Als ik naar een vernield gebouw wijs, waarvan je er hier veel hebt, en ik aan mijn gesprekspartner vraag waarom het er zo bij staat, slaat hij zijn ogen neer en zegt dat het door de oorlog komt. Terwijl deze plek helemaal niet door de oorlog is getroffen – de ramen en deuren van dit gebouw zijn tijdens de blokkade gestolen. Deze Abchaas wil niet liegen, maar hij schaamt zich. Pchasjtsjarop wordt dit soort schaamte genoemd die je niet voor jezelf voelt, maar voor je hele volk en je land. Dat maakt de Abchazen tot een volk waarmee het moeilijk vechten is.
Ik vraag aan Nodar om me over de Kaukasusoorlog te vertellen [die duurde van 1817 tot 1864 en leidde tot de annexatie van Ciskaukasië door het Russische keizerrijk]. ‘Dat zal Ljosja Agrba me niet in dank afnemen,’ zegt hij. ‘Het is verkeerd om daar met Russen over te praten.’ Ik blijf zwijgen en doe alsof het me niet echt interesseert. Dan barst Nodar los: ‘Omdat Sjamil [de imam van Dagestan die het verzet van de Tsjetsjenen en de Dagestanen tegen het leger van de tsaar leidde] gecapituleerd heeft. Wij waren de enigen die zich tot het einde toe hebben verzet. De Abchazen en de Oebychen. De Engelsen hadden de Oebychen met artillerie bewapend. Een Russische generaal vroeg aan een Oebychse vorst: “Wat moet je nog met al die artillerie? Je volk is uitgeroeid.” Waarop de prins antwoordde: “Ik snijd zwangere vrouwen de buik open, dan kunnen hun baby’s op jullie schieten.” Wat een haat!’
Toen de laatste Abchazische en Oebychse strijders naar de kust waren teruggedreven, kregen ze het aanbod om zich over te geven of naar Turkije te vluchten. Alle Oebychen en bijna een half miljoen Abchazen [vooral de moslims onder hen – veel Abchazen die oorspronkelijk orthodox waren, hadden zich tijdens de Ottomaanse invasie in de vijftiende eeuw tot de islam bekeerd] kozen er toen voor naar Turkije te gaan. Deze demografische ramp heet hier machadzjirstvo en blijft in Abchazië een pijnlijke episode. Tegenwoordig zijn er nog maar honderdduizend echte Abchazen in Abchazië zelf, maar er wonen er een miljoen in Turkije.
De langzame, vaak geïnstitutionaliseerde verdrijving uit hun eigen land die in de negentiende eeuw begon, is in de twintigste eeuw doorgegaan. In 1931 verloor Abchazië de status van republiek en werd onderdeel van Georgië. Daarna moesten er in de jaren veertig onder het bewind van Stalin duizenden Georgiërs gedwongen verhuizen naar Abchazië. Abchazisch spreken werd verboden, er was veel discriminatie bij het aannemen van personeel, Abchazische scholen werden gesloten… Volgens de bevolkingspolitiek van Stalin moesten minderheidsvolken zich vermengen met grotere volken, die op hun beurt weer moesten opgaan in de nieuwgevormde gemeenschap van het Sovjetvolk. Na Stalins dood was er niemand die een ander beleid wilde. Met als gevolg dat bij dit nog latente etnische conflict de spanningen steeds verder opliepen.
Maar meteen na de val van de Sovjet-Unie kwam het tot uitbarsting. Georgië en Abchazië riepen [in 1991] tegelijkertijd hun onafhankelijkheid uit en kozen elk hun eerste president: Edoeard Sjevardnadze en Vladislav Ardzinba. Georgië tekende meteen protest aan tegen de onafhankelijkheidsclaim van Abchazië. Vervolgens zijn beide landen begonnen aan gecompliceerde en eindeloze onderhandelingen. Op 14 augustus 1992 maakte de Opperste Sovjet van Abchazië zich onder voorzitterschap van Ardzinba op om een ontwerp voor een federale grondwet met Georgië te ondertekenen. Maar diezelfde ochtend vielen Georgische troepen Abchazië binnen en trokken op naar Soechoemi.
In deze oorlog tussen Georgië en Abchazië [die tot eind 1993 heeft geduurd] stond Rusland officieel aan Georgische zijde. En Abchazië, dat soldaten noch wapens bezat, kreeg geen enkele steun uit Moskou. Integendeel. Nadat het als door een wonder de Georgiërs had teruggedreven, heeft het acht jaar lang te maken gehad met een economische blokkade van Rusland. Pas in 2000 is die blokkade weer opgeheven. In augustus 2008 heeft Rusland de onafhankelijkheid van Abchazië erkend. De Abchazen zijn daar enorm dankbaar voor. Maar ook al zeggen ze ‘voor de Russen’ te zijn, de machadzjirstvo, de oorlog en de blokkade vergeten ze niet. Voor Abchazië vloeit de keuze voor Rusland voort uit de geschiedenis. Een lastige keuze is het wel. ‘Ik heb een hele militaire uitrusting thuis. Ljosja ook. We zijn hier allemaal goed bewapend. Mijn kinderen konden al op hun zesde schieten,’ zegt Nodar kalm. Hij lacht. Abchazië staat duidelijk klaar om zijn onafhankelijkheid tegenover wie dan ook te verdedigen. Georgië, Rusland, de Verenigde Staten, voor die jongens daar is het allemaal één pot nat.
Vrijheid: een groot goed
De moderne geschiedenis van Abchazië start met de oorlog tegen Georgië. Maar alles begon al veel eerder, met de voorouders van de Hettieten die drieduizend jaar voor Christus uit Klein-Azië kwamen. Abchazië is een van de zeldzame streken op de wereld waar de oorspronkelijke bevolkingsgroepen zich hebben weten te handhaven.
Abazijnen, Oebychen, Adygeërs, Kabarden en Tsjerkessen: ze zijn allemaal verwant aan de Abchazen. Wanneer die laatsten je beginnen te vertellen over de geschiedenis van hun land, dan wordt het een ware mythologie, of het nu over de moderne tijd of de oudheid gaat. Hun vermogen om uit elke gebeurtenis een tijdloze, universele les te trekken, is iets wat Europeanen irriteert omdat ze er een vorm van propaganda in zien. Toch gaat het hier niet alleen om een verschil in perceptie, maar ook om een andere verhouding tot de tijd. Gebeurtenissen herhalen zich en elk nieuw hoofdstuk in de geschiedenis heeft voor Abchazen hetzelfde gewicht als gebeurtenissen van duizenden jaren her, als je ze tenminste als universeel relaas opvat. Europeanen zien dat als vorm van primitief bewustzijn, terwijl het voor de Abchazen een vorm van wijsheid is die zorgt voor continuïteit van de geschiedenis.
Bij Ljosja Agrba drinken we elke avond zoete wijn in de grote serre van zijn huis. Buiten rommelt de donder en valt er regen. ‘Weet je,’ begint Ljosja ernstig, ‘wij zijn altijd vrij geweest. Hier is nooit sprake van lijfeigenschap geweest, bij ons kon elke boer tegen zijn landheer zeggen wat hij dacht. En de landheren vertrouwden hun kinderen toe aan de dorpelingen, zodat ze opgroeiden met de tradities van hun land.’
Door de hele geschiedenis van Abchazië heen is er vreemd genoeg maar zelden sprake van ambitie. Geen oorlogen – hooguit defensieve – geen pogingen om zich te onderwerpen aan de hoogste bieder of om een uiterst bescheiden economie te versterken. Het gevolg is klip en klaar: in Europese ogen is Abchazië straatarm. Er is hier niets wat oligarchen zou kunnen aantrekken of de interesse van de georganiseerde misdaad kan opwekken. De negen jaar durende economische blokkade heeft de lokale industrie de genadeslag gegeven. De landbouw is het net zo vergaan. Zelfs nu is er voor de thee, tabak en de mandarijnenoogst nog geen goed georganiseerd exportsysteem. ‘Zie je die bergtoppen?’ vraagt Ljosja verbitterd terwijl hij naar een bergketen wijst. ‘Ik heb er vier hectare land. Het paradijs. Ik heb er honderd ananasguaves geplant. En kaki’s, mandarijnen, avocado’s. En dat allemaal voor niets. Alles staat daar weg te rotten. Ik heb hier niemand aan wie ik dat fruit kan verkopen. En hoe krijg ik het naar Rusland? Ik ga het er echt niet zelf naartoe brengen.’
Behalve de Abchazen zelf heeft niemand interesse voor de rijkdommen van dit land: een fantastische flora met meer dan 3500 soorten – waarvan de helft inheems –, een bijzondere fauna, bossen en rivieren vol wild en vissen, en ten slotte ongelooflijk goede grond waarop alles wil groeien, van wortels tot avocadobomen. Maar in deze tijd weegt de rijkdom van de natuur niet meer op tegen de armoede van de overheid. En gek genoeg lijkt niemand zich daar hier druk over te maken.
‘Praktisch gezien lijken we misschien in een wat lastige situatie te zitten,’ geeft regeringswoordvoerder Beslan Goerdzjoea toe, terwijl hij een fles Lychny [wijn] ontkurkt. ‘Maar filosofisch gezien gaat alles goed.’ We zitten in een café aan zee in Soechoemi. Achter ons tekenen zich de spookachtige silhouetten van de haven af met zijn kranen, die gelukkig recentelijk zijn vernieuwd. Oude Abchazen met de hoekige gezichten van bergbewoners wandelen trots over de promenade. ‘Je moet de situatie niet met een Europese blik bekijken,’ vervolgt Goerdzjoea. ‘Neem nu centrale verwarming. Die hebben we niet, dat klopt. Maar de winters zijn hier erg zacht en alle gebouwen hebben elektrische verwarming. Door onze eigen energiebronnen is elektriciteit hier spotgoedkoop.’ Met zijn bergrivieren is Abchazië een paradijs voor energietechnologen. Tegenwoordig kan de waterkrachtcentrale aan de Ingoeri het hele land van licht voorzien en ook nog energie aan Georgië leveren. Bij gebrek aan vraag liggen vier andere centrales stil. Deze economie die zo zwak lijkt, is dankzij de eigen energievoorziening en de landbouwproductie in staat om te overleven, zelfs tijdens de diepste laagconjunctuur.
Het volk heeft het laatste woord
‘Maar er ook een democratisch paradijs van maken, dat kunnen jullie niet. Door de corruptie.’ ‘Dat klopt. Maar wij zien de democratie niet als een paradijs. Voor ons betekent democratie dat het volk het laatste woord heeft. In die zin zijn wij democratischer dan Rusland. Als onze president zich morgen laat omkopen door Poetin en een referendum zou organiseren over aansluiting van Abchazië bij Rusland, dan werd hij binnen twee uur afgezet. De politie zou niet eens hoeven in te grijpen.’
Net als in de hele post-sovjetwereld moet hier politiek behoedzaam worden gemanoeuvreerd. Mocht Rusland besluiten de schaar te zetten in de kaart van Abchazië, dan wordt het oorlog. In dat geval heeft Abchazië de beste kansen. Vooral omdat het beleid van het ministaatje – balancerend tussen respect voor de gemeenschappelijke belangen en een modernisering die niet gericht is op economische slavernij maar op ontwikkeling – laat zien welke kant het op moet.
Tijdens de oorlog leidde Nodar aan het oostfront een patrouille verkenners. Toen de Georgische troepen de grens overkwamen, was dat net in het toeristisch hoogseizoen. De kinderen op de stranden wezen lachend naar de vliegtuigen. Die vliegtuigen waren op weg om de hoofdstad te bombarderen. Binnen amper drie dagen bereikten de Georgiërs Soechoemi en bezetten de stad. Ook Gagra werd ingenomen. Het kleine Abchazië maakte zich onmiddellijk op voor de strijd. De jachtgeweren werden van zolder gehaald. De oorlog heeft aan Abchazische kant vijfduizend doden geëist. Op een totale bevolking van 250 duizend mensen is dat ontzettend veel. En ontzettend is ook het woord dat alle Abchazen gebruiken als dit conflict ter sprake komt.
Nodar steekt een sigaret op en schenkt iedereen nog een rondje van die heerlijke zoete wijn in. ‘Oorlogen beginnen in de grote steden en bij de banken,’ zegt hij terwijl hij zijn glas heft. ‘Daar tellen ze de miljoenen. Hier komen we in opstand, we strijden en we vallen. Daarginds is het niet meer dan een spel, hier is het de werkelijkheid. Je vroeg me naar de zin van die oorlog. Die zit in wat we hebben meegemaakt.’ Hij heft zijn glas. ‘Laten we drinken op de vrijheid!’
Nieuwsmagazine, onderdeel van de Kommersant-groep die ook de grote Russische bladen Expert en Kommersant (beide gericht op ondernemers) uitgeven. Deze publicatie heeft als doelgroep de middenklasse en besteedt extra aandacht aan fotografie.
Het ongebreidelde massatoerisme roept in Spanje net als elders veel irritatie op. Vormen al die reizigers een probleem? Zeker, beweert Íñigo Domínguez, behalve als het om onszelf gaat.
‘Het is erg toeristisch hier’ of ‘Het is hier authentiek’. Het is duidelijk welke van de twee zinnen negatief bedoeld is. Waarom vinden we een plek waar toeristen komen niet deugen? We denken dat het daar duur zal zijn, dat de kwaliteit onder de maat is, dat de producten en de plek niet authentiek zijn. Kortom: we bevinden ons in een onechte, gekunstelde werkelijkheid. We hebben fake-plekken gecreëerd. Pretparken. Wat ooit leuk was is nu een nachtmerrie. En waarom noemen we een plek, winkel of bar authentiek? Omdat alles daar nog steeds is zoals vroeger, voordat de toeristen kwamen. Daar hebben ze zich niet uitgesloofd om mee te bewegen, om te veranderen in wat de toeristen verwachten: in een cliché, een stereotype, dat een opmerkelijk effect heeft. Want eigenlijk wil de toerist niet worden verrast, hij hoopt dat alles precies is zoals hij het zich heeft voorgesteld.
Steden die toeristen willen trekken sloven zich uit om te worden wat de toeristen vinden dat ze moeten zijn. Het hoge woord moet er maar eens uit: het toerisme verpest plaatsen en mensen. Het is niet zo dat de inwoners van een stad of een dorp hun leven leiden en mensen de plek bezoeken omdat hij mooi is. Nee, alles is op de bezoekers gericht, waardoor de plek zijn schoonheid verliest. Wat moeten we doen om u hiernaartoe te lokken en om u hier uw geld uit te laten geven?
Elizabeth Becker, oud-journalist van The New York Times, legt in haar boek Overbooked, The Exploding Business Of Travel And Tourism uit dat het probleem de aantallen zijn. In 1950 werden er 25 miljoen reizen met een toeristische bestemming geregistreerd, in 1970 waren dat 250 miljoen, in 1995 gingen er 536 miljoen mensen op reis. Vorig jaar waren het er 1.235 miljoen volgens de World Tourism Organization.
‘All tourists are bastards’
Pas in 2007 werd voor het eerst berekend wat de bijdrage van het toerisme aan het wereldwijde bbp was, en dat was, zo bleek, even veel als de olie en de landbouw. Nu is dat 10 procent. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze dorpen en steden niet de menselijke maat verliezen? Wat opvalt is dat toeristen steeds minder moeite doen om zich verstaanbaar te maken in de taal van de plaats die ze bezoeken. Dat is niet de mentaliteit van een bezoeker, maar van iemand die iets eist.
Toeristenoorden hebben een bloedhekel aan toeristen die hun hand op de knip houden. Geld maakt het verschil. Zonder geld zijn we klaplopers of, erger nog, immigranten. Dat is wat Adela Cortina signaleert in haar laatste boek, waarin ze vreemdelingenhaat onder de loep neemt. We zijn gastvrij tegenover de toerist en wantrouwend tegenover de vluchteling. Wat ons irriteert is niet de buitenlander maar de armoede. Als drieduizend passagiers van een cruisechip in de haven van Santander van boord gaan, door de stad wandelen en geen cent uitgeven is dat slecht voor de stad, die zich belazerd voelt. En dan denken ze in Santander dat ze iets moeten gaan doen, dat ze de toeristen ertoe moeten overhalen geld uit te geven. Het hoogste streven is het zogeheten kwaliteitstoerisme, oftewel het rijkeluistoerisme. Alleen de mensen met geld doen ertoe, de rest niet.
‘All tourists are bastards’, staat er op enkele muren van Barcelona gekalkt. Op de Ramblas verkopen Pakistani’s in Vietnam gemaakte Mexicaanse sombrero’s alsof dat allemaal made in Barcelona is, inclusief zijzelf. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Bru Rovira vertelt in zijn uitstekende boek over outcasts in Barcelona hoe families die hun hele leven in een oude buurt hadden gewoond eruit werden gewerkt. Hij vertelt hoe een paar bejaarden die weigerden te vertrekken werden weggepest. Om ze de schrik op het lijf te jagen werd een Afrikaan ingehuurd die avond aan avond als een leeuw in het trappenhuis stond te brullen. Hebzucht heeft stukje bij beetje een hele leefgemeenschap en een traditionele manier van leven ernstig aangetast. Barcelona is aan zijn succes ten onder gegaan en voor Granada of San Sebastian moet gevreesd worden. De binnenstad van Madrid verpaupert in sneltreinvaart.
Toeristen hebben ook een probleem, ze willen naar die ongerepte, authentieke plekken toe en hebben een bloedhekel aan toeristische oorden. Maar daarvoor moet je tegen de stroom in zwemmen en de massa ontlopen. En zelfs als dat je lukt kunnen die oorden erg tegenvallen. In Parijs of Rome los je op in de menigte, maar steden met een klein historisch centrum, zoals Dubrovnik of welke andere stad ook die binnen het bereik van een cruiseschip ligt, zijn totaal verpest. Het irritantste is ongetwijfeld dat we allemaal toeristen zijn zo gauw we de deur achter ons dichttrekken. Are all tourists bastards? Yep, behalve wijzelf. Ergens de enige zijn is nu een privilege. Een extreem voorbeeld is Bhutan, daar kun je alleen naar toe als je heel rijk bent. Hoe kun je met goed fatsoen nog reiziger zijn, een woord dat zo romantisch klinkt? Je eerste prioriteit is de massa ontlopen. Al heeft diezelfde massa ervoor gezorgd dat in de meest afgelegen oorden pizza-tentjes zijn geopend en er een maf soort exotisch avontuur–toerisme is ontstaan.
Maar je hoeft helemaal niet ver weg te gaan. Waar het om gaat zijn je houding en je nieuwsgierigheid. Camilo José Cela, die het beroemde reisverhaal Viaje a la Alcarria (Reis naar Alcarria) schreef, en Patrick Leigh Fermor, die te voet door Europa trok, en ook treinreizigers Paul Theroux en Jack London laten zien dat het wonder zich overal kan voordoen, als je maar nieuwsgierig bent en de tijd neemt om het te zien. Het kan echt, je hoeft alleen maar op een andere manier te reizen. Menselijker. De volgende stap op weg naar de totale vervreemding is de Segway: je loopt niet meer door de straten van je bestemming, je zweeft er met hoge snelheid boven, zonder dat je voeten de grond raken. Je kunt niet anders dan vaststellen dat mensen helemaal vergeten zijn waar ze zich bevinden als ze met een brede glimlach een selfie maken in Auschwitz.
Onze steden zijn steeds meer een decor geworden waar het authentieke moeilijker te vinden is. De onechte wereld breidt zich uit als gevolg van de vastgoedspeculaties van het neokapitalis–me. Voor het weliswaar arme maar mooie en menselijke Italië is iets on–definieerbaars in de plaats gekomen, waarvoor het woord lelijk nog tekortschiet. De verwoesting van de oude wereld van het volk en de vernietiging van het authentieke als gevolg van de modernisering. Identiteit en schoonheid verdwijnen als we gemeenschappen vernietigen, buurtwinkels laten sluiten, gezinnen, kinderen en bejaarden wegjagen. Als we nepsteden maken van onze steden, wat maken wij, de bewoners, dan van onszelf? Wat zijn we dan geworden? En wat willen we zijn? Wat de toeristen willen zien?
Ofschoon het toerisme 20 procent van het bbp oplevert, profiteert alleen de elite ervan; de boeren zijn hun land kwijt en het sekstoerisme met minderjarigen is een plaag
Het is nog steeds zo dat het toerisme in ontwikkelingslanden een belangrijke motor van de economie is. Je hoeft maar te kijken naar het drama dat zich in Egypte of Tunesië heeft voltrokken toen het toerisme instortte. In Thailand en Sri Lanka smachten ze nog steeds naar de terugkeer van de toeristen, die hen moeten redden nadat een tsunami hun kusten verwoestte. Zo ook in Nepal, na de aardbeving van 2015. Na de verstikkingsdood van de economie in Griekenland is op vakantie gaan in dat land ontwikkelingshulp geworden. Aan de andere kant van het spectrum heb je Cambodja, dat in de jaren negentig de gouden kans liet lopen om een nieuw model te ontwikkelen. Het was een land waar decennialang geen buitenlanders mochten komen in de tempels van Angkor en op de paradijselijke stranden. Dat model was een mislukking. Ofschoon het toerisme 20 procent van het bbp oplevert, profiteert alleen de elite ervan; de boeren zijn hun land kwijt en het sekstoerisme met minderjarigen is een plaag.
Buiten de steden tekent zich een nog veel groter probleem af: de vernietiging van de natuur. Costa Rica is een voorbeeld van een land dat probeert om milieu en toerisme met elkaar in balans te houden. Maar veel Afrikaanse landen, zoals Kenia, Zuid-Afrika en Mozambique, waar toerisme de voornaamste bron van inkomsten is, zitten diep in de problemen, en dan hebben we het nog niet eens over de Galapagos–eilanden. ‘Ecotoerisme is een oxymoron, op de lange duur zijn mensen en wilde dieren onverenigbaar,’ oordeelde Richard Leakey, hoofd natuurbescherming in Kenia, die in de jaren negentig de handel in ivoor een halt toeriep. De handel in jachtvergunningen is rooftoerisme in de letterlijke zin van het woord.
De vorm van een stad, de grenzen ervan, is nauw verbonden met de omringende natuur. ‘Het is een en hetzelfde probleem: het behoud van de natuur en de vorm van de stad.’ Dit vindt zijn oorsprong in iets typisch Italiaans: de ideale stad – het renaissancistische concept waarin het menselijke de maat der dingen is – waar het prettig leven is. En in veel steden is het leven vandaag de dag niet prettig. Hoe mooi ook, er wonen is vreselijk en soms onmogelijk. Waar het fascisme niet in slaagde, dat is de machtige consumptiemaatschappij wel gelukt: de uniformering; de vernietiging van het eigene; de verdwijning van de verschillende vormen van mens zijn die Italië op zeer uiteenlopende wijze heeft voortgebracht in de loop van zijn geschiedenis. Dat is het echte fascisme.
Hoe lossen we dit op? Elizabeth Becker geeft een paar schitterende voorbeelden. Het belangrijkste is Frankrijk, een land dat besloot dat hoe Franser en hoe meer het zijn identiteit en manier van leven benadrukt, hoe beter dat is voor het toerisme. Niet voor niets riepen ze in 1959 als eerste een ministerie van cultuur in het leven. Niet met handel als oogmerk, maar protectionisme. De beleidsmaker voor toerisme in Bordeaux legt het zo uit: de sleutel van succesvol toerisme is je richten op de mensen die er wonen, op de burgers. Als je dat goed doet, dan zal de toerist ook gelukkig zijn.’
Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.