Tag: reizen

  • Bestaat er zoiets als een goede toerist?

    Bestaat er zoiets als een goede toerist?

    Protesten tegen overtoerisme nemen toe, en toch blijft de vraag naar goedkope reizen en verre bestemmingen groeien. Hoe kun je op vakantie gaan zonder deel van het probleem te worden?

    Sinds 2019 gaat het vaak over ‘vliegschaamte’; het ongemak wanneer je in een vliegtuig stapt terwijl je je bewust bent van de CO₂-uitstoot die dit met zich meebrengt. Treinen en boten wonnen als vervoermiddel aan populariteit en de vliegbranche leek zelfs gevaar te lopen omdat het aantal passagiers op zakelijke reizen bleef dalen. Cijfers als die uit Spanje – 222 miljoen gebruikers van de luchthavens in 2018 tegenover 236 miljoen in 2023 – laten echter zien dat het ecologisch bewustzijn bij de burger nog altijd minder groot is dan hun wens de wereld te verkennen.

    Massatoerisme is niets nieuws, maar concentreerde deze bedrijfstak zich eerst op bepaalde gebieden die erop in waren gespeeld, zoals de Spaanse stad Benidorm, inmiddels dreigt het alles op te slokken. Met de groeiende impact ervan heeft het idee postgevat dat, in de woorden van antropoloog en ecoloog Emilio Santiago, ‘onze beschaving aan toerisme ten gronde gaat’. 

    Als het gaat om verzet tegen misstanden in de consumptiemaatschappij, is je onttrekken vaak een vorm van luxe

    In 2019 waren protesten als die op de Canarische eilanden in mei en die van 28 juni 2024 in Malaga moeilijk voorstelbaar, waarbij milieukwesties werden gekoppeld aan de woningnood en de uitzichtloze situatie van de jongeren. Maar ook die uitgebuite jongeren willen in het hoogseizoen, als ze vakantie hebben, even van omgeving veranderen en als ze het zich kunnen permitteren liefst ergens ver weg uitrusten of nieuwe omgevingen verkennen. Oftewel: zelf in een toerist veranderen.   

    Juist daarom is het van belang om, net als bij de mode-industrie of de grote techbedrijven die onze data beheren, kritisch te kijken naar de vraag in hoeverre we willen deelnemen aan deze sector. En of we het ons wel kunnen permitteren dat niet te doen. Want als het gaat om verzet tegen misstanden in de consumptiemaatschappij, is je onttrekken vaak een vorm van luxe.

    Van schuld naar het zoeken van alternatieven

    ‘Een van de potsierlijkste privileges die het neoliberalisme in stand houdt, is het weekendje weg. Op zulke dagen krijgen de technische structuren van de kapitalistische samenleving even vrij spel – en dat uit zich in een van haar troosteloze uitwassen: feesten, drinken, een beetje seks’, schrijft Emilio Santiago in zijn recente essay ‘Psychogeografie van nabij; poëtische wandelingen tegen de toeristische dwang’. Toch stelt de ecoloog even later ook dat wie toerisme om morele redenen afwijst en denkt het te bestrijden door simpelweg de ongemakkelijke waarheid over de sociale en ecologische schade te onthullen, onherroepelijk op een politiek fiasco afstevent.

    Mogelijk helpt ‘vliegschaamte’ om de minderheid die verantwoordelijk is voor de meeste vluchten (in Frankrijk bedient 50 procent van de vluchten 2 procent van de bevolking) een schuldgevoel te bezorgen zodat ze enkele van hun verplaatsingen heroverwegen, maar het is niet erg effectief – en ook niet eerlijk – om een beroep te doen op de meerderheid van de bevolking. Al in 2001 stelde de VN een Mondiale Morele Code voor het Toerisme op met tien punten om het toerisme te veranderen in een activiteit die het milieu respecteert en bovendien de landen van bestemming ten goede komt. Maar deskundigen zijn het erover eens dat het verschijnsel eerder samenhangt met grote zakelijke en politieke belangen dan met het gedrag van de individuele toerist.

    Heeft het dan zin je af te vragen of je goed bezig bent op het moment dat je een vakantie plant? Bestaat er, naast die universele code van de VN, een richtlijn die ons als individu kan begeleiden wanneer we toerist worden? 

    Toeristen die onder toerisme lijden

    ‘Het toerisme is als een inktvis die zijn armen naar alle kanten uitstrekt,’ verzucht Juan Luis Toboso, curator en docent, die heeft gezien hoe Porto, de stad waar hij al ruim tien jaar woont, in korte tijd is veranderd. ‘Een van de vervelendste ervaringen wat mij betreft is dat deze stad ineens verschillende ritmes heeft. Die waren er altijd al wel voor degenen die de publieke ruimte innemen: je hebt nachtwerkers, kinderen die naar school gaan, vroege joggers… Maar er kwam een moment dat wij, die door de stad bewogen om ons steentje bij te dragen, werden gedomineerd door groepjes mensen met een ander ritme; dat van de grote menigte toeristen (dat zich op zijn beurt laat opsplitsen: dat van de senioren, dat van de feestgangers, dat van de wandelaars). Zoals wanneer je ’s avonds nog wat boodschappen wilt doen en je kunt er niet langs omdat de stoep vol staat met een groep sangríadrinkers.’ 

    Wat doet Toboso als hij zelf wil ontsnappen uit zijn ‘gekoloniseerde stad’? ‘Het valt niet mee om aan het toerisme te ontkomen, maar er zijn wel wat methodes,’ antwoordt hij. ‘Zo houd ik ervan om op vakantie vrienden te bezoeken. Ik zoek mensen op die al een tijd in een bepaalde stad wonen en probeer dan lokale producten te kopen en naar gewone cafés te gaan, niet naar trendy gelegenheden, en zo de meute en het toeristisch circuit te ontvluchten. Maar dat maakt natuurlijk dat die plekken op een gegeven moment misschien ook toeristisch worden. Een van de oorzaken van het probleem is onze obsessie om alles te posten. Als ik ergens lekker eet vertel ik het niet meer door aan vrienden van vrienden, want ik wil niet dat ze daarheen gaan, foto’s maken en zo het balletje aan het rollen brengen. Ik neem je straks mee naar een geweldig restaurant, maar vertel het niet verder! En ik zal niet toestaan dat je een foto neemt,’ waarschuwt hij.

    ‘Ik denk dat als mensen minder egoïstisch en inhalig waren, de algemene ervaring anders zou zijn’

    Fotograaf en cineast Raquel Agea is in Benidorm geboren en getogen. Ze vertelt dat opgroeien in een stad die zo sterk op toerisme gericht was, haar bewust heeft gemaakt van problemen die voor bezoekers vaak onzichtbaar blijven. Zo vraagt ze zich constant af of toerisme ook eerlijk kan zijn voor zowel werknemers als ecosystemen. ‘Ook als consument zou ik heel graag het antwoord op die vraag hebben. Ik denk dat als mensen minder egoïstisch en inhalig waren, de algemene ervaring anders zou zijn,’ merkt ze op. Ook zij ziet niet af van reizen, maar probeert het zo duurzaam mogelijk te doen. ‘Normaal gesproken passen de toeristische plaatsen zich uiteindelijk aan de bezoekers aan. Mijn insteek is precies andersom: ik wil zo’n plek als toerist en bezoeker benaderen vanuit respect, aandacht, liefde.’

    Overigens beseft Agea heel goed dat het begrip ‘verantwoordelijk toerisme’ – net als veel andere termen omtrent onthaasting en duurzaamheid – ongemerkt iets elitairs kan krijgen. Terwijl we het hier hebben over iets dat in wezen nog altijd een recht is. Vergelijk het met situaties waarin we, ondanks beter weten, toch voor de minst duurzame optie kiezen, simpelweg omdat dat is wat we ons kunnen veroorloven. ‘Alles is terug te brengen tot de economische klasse waartoe je behoort: als je geen geld en tijd hebt, kies je uiteindelijk voor de makkelijkste en snelste weg. En die ene keer per jaar dat je kunt reizen, hoef je je voor je gevoel niet zo druk te maken over duurzaamheid.’

    Tegenstrijdigheden

    Net als elke andere bedrijfstak roept het toerisme tegenstrijdige gevoelens op waar je niet zomaar omheen kunt, zeker wanneer er bijvoorbeeld wordt gestunt met goedkope aanbiedingen. Je kunt proberen je persoonlijke impact te beperken, je CO₂-voetafdruk meten of je aansluiten bij platforms die streven naar politieke en economische verandering. Maar zolang het systeem niet fundamenteel verandert, is het misschien nog het eerlijkst om de tegenstellingen gewoon onder ogen te zien.

    En laten we wel wezen, zegt Agea, als toerist veranderen we allemaal een beetje in een parodie van onszelf. ‘Het is grappig om mensen te zien die, naarmate de connotaties van toerisme negatiever worden, ontkennen er zelf een te zijn – omdat ze zogenaamd de typische valkuilen vermijden. Ook zij maken onvermijdelijk deel uit van wat ze proberen tegen te gaan.’

    Enrique Rey

    werkt sinds 2000 voor El País waar hij alledaagse zaken benadert vanuit de literatuur en de filososofie. Hij surft, ook graag op het internet.

  • Nog even en we zitten in hartje winter aan de Rivièra

    Nog even en we zitten in hartje winter aan de Rivièra

    De wereldwijde temperatuurstijging zal onze vakanties drastisch veranderen. Niet alleen zullen we andere bestemmingen kiezen, ook de traditionele zomer als hoogseizoen staat onder druk.

    In 1975 scoorde zanger en presentator Rudi Carrell een hit in Duitsland met het lied Wann wird’s mal wieder richtig Sommer?, waarin hij verlangde naar de hittegolven van weleer. Een tijd waarin men volgens Carrell nog geen sauna nodig had, en de schapen ’s zomers graag werden geschoren:

    Ein Sommer, wie er früher einmal war,
    Ja, mit Sonnenschein von Juni bis September
    Und nicht so nass und so sibirisch, wie im
    letzten Jahr

    Bewoners van kille, noordelijke streken hebben altijd naar hete zomers verlangd. In elk geval sinds 1923, toen de Amerikaanse socialites Gerald en Sara Murphy zich pioniers toonden op het gebied van zonnen aan de Franse Rivièra. Langzaam ontstond er brede overeenstemming over de ideale weersomstandigheden – een zonnige lucht en temperaturen rond de 25 graden – en de plek die daarbij hoorde: het strand.

    Maar sinds de hittegolven van 2019 is de zomer veranderd van een tijd om naar uit te kijken in een tijd om te vrezen. Europa, dat twee keer zo snel opwarmt als het mondiale gemiddelde, had zijn heetste zomer ooit in 2022.

    De heetste zomer daarvóór was een jaar eerder, en dit alles gebeurde nog voor de warme klimaatcyclus El Niño de wereld andermaal komt plagen. Geen strand is aangenaam bij 40 graden, of met bosbranden in de verte. Voor veel rijke mensen is het veranderen van de vakantiebestemming het eerste tastbare effect van klimaatverandering. Dat is tenslotte gemakkelijker dan ergens anders gaan wonen. Vakantie vieren verandert het klimaat – het toeristenvervoer neemt 5 procent van de mondiale uitstoot voor zijn rekening – en tegelijkertijd verandert het klimaat het vakantie vieren. Nu de pandemie heeft plaatsgemaakt voor een piek in het toerisme, tekent zich een nieuwe wereldkaart met vakantiebestemmingen af.

    Kusttoerisme

    Voorlopig prijken stranden nog prominent op de kaart. ‘Kusttoerisme is de grootste component van de mondiale toeristenindustrie’, zo leert een studie uit 2014 van de Universiteit van Cambridge. Ruim 60 procent van de Europeanen kiest voor strandvakanties, en in de Verenigde Staten is het segment goed voor ruim 80 procent van de inkomsten uit toerisme.

    Sommige strandbestemmingen, zoals de Malediven en delen van het Caribisch gebied, zullen echter onder de golven verdwijnen. Ook langs de Middellandse Zee, en dan vooral aan de Afrikaanse kust, kalven de stranden af door de stijgende zeespiegel. Bovendien wordt het in het hele Middellandse Zeegebied ondraaglijk heet. De trend zal zich waarschijnlijk bewegen in de richting van strandvakanties in het koelere noorden van Spanje, in Normandië, in het Verenigd Koninkrijk en in Scandinavië, totdat de hitte ook die plaatsen uiteindelijk zal overmannen. Alaska en het noordpoolgebied zouden binnenkort al aangename zomerparadijzen kunnen worden.

    Geen strand is aangenaam bij 40 graden, of met bosbranden in de verte

    Dertig jaar geleden bracht ik een paar maanden door in St. Leonards-on-Sea, een stadje aan de zuidkust van Engeland dat ooit betere tijden heeft gekend. Sinds 1820 was het een chique badplaats geweest, totdat goedkope vluchten naar de Middellandse Zee het Britse strandtoerisme de das omdeden. Ik herinner me de plek vanwege de ooit elegante hotels aan de kust, die nu werden bevolkt door krakkemikkige gepensioneerden en mensen met psychische problemen die er door Londense deelgemeenten werden gehuisvest.

    Het nieuwe, opgewarmde klimaat zou St. Leonards in de kaart kunnen spelen (mits de Engelse waterbedrijven het lozen van ongezuiverd rioolwater in rivieren en de zee staken). Dagen dat het te warm is om te zonnen zijn geschikt om de lokale wijngaarden in Sussex te verkennen. Ondertussen zou de kokende Costa del Sol de rol van verlaten vakantiebestemming wel eens kunnen overnemen. Dergelijke verschuivingen zullen de historische stroom van toeristengeld van rijkere naar armere landen gedeeltelijk omkeren.

    Voorjaar

    Nog een ontwikkeling die eraan zit te komen: de zomer is niet langer het toeristische hoogseizoen. Ten eerste is het dan te warm om voor je plezier te reizen. Ten tweede neemt het aantal stellen zonder kinderen toe, en die zijn niet gebonden aan de schoolvakanties. Ten derde hebben populaire toeristische bestemmingen in het hoogseizoen bijna geen ruimte meer. Dus zullen strandresorts zich weer richten op het voorjaar, waarin ze noorderlingen hun eerste zachte zonnestralen van het jaar kunnen bieden. Misschien gaan we zelfs terug naar de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de Britse heersende klasse hartje winter aan de Franse Rivièra neerstreek.

    De wintersport zal op den duur verdwijnen. Momenteel gaat 40 procent van de wintersporters naar de Alpen, en daar zijn al honderden resorts gesloten wegens een gebrek aan sneeuw. Bijna alle Alpengletsjers zullen deze eeuw verdwijnen. In een aantal resorts in de VS is het skiseizoen in de periode van 1982 tot 2016 al 34 dagen korter geworden, bleek uit onderzoek. Skisteden proberen zichzelf om te vormen tot bestemmingen voor zomerse wandel- en fietstochten.

    Er wachten ons traumatische veranderingen in vakantiepatronen. En de grootste slachtoffers zijn de miljoenen werknemers in de toeristenindustrie in arme landen en de familieleden die zij onderhouden. Maar deze omwenteling is nog maar een voorproefje van de nog fundamentelere verschuivingen die in het verschiet liggen.

  • Maakt reizen je een beter mens?

    Maakt reizen je een beter mens?

    Reizen wordt vaak gezien als een manier om je wereldbeeld te verruimen en empathie te vergroten, maar is dat wel echt zo? Twee opiniemakers gaan met elkaar in debat.

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    ‘Wat als reizen niets meer is dan een placebo, een projectie van ons eigen wensdenken?’

    Volgens journalist en auteur Dominik Prantl in een opiniestuk in Süddeutsche Zeitung is het lastig te achterhalen vanaf wanneer reizen precies werd gezien als onbetwistbaar heilzaam. In elk geval kunnen de lovende woorden over dit onderwerp teruggevoerd worden tot de oudheid. Zoals Augustinus van Hippo ooit zei: ‘De wereld is een boek, en wie niet reist, leest slechts één bladzijde.’

    Door de jaren heen heeft de mensheid reizen verheerlijkt. ‘Als we de geschiedenis mogen geloven, heeft reizen ons altijd slimmer, toleranter, gelukkiger en – als je naar influencers op Instagram kijkt – zelfs mooier gemaakt.’ Het omgekeerde wordt ook al lange tijd verkondigd. Wie niet reist, zou als vreemd of onwetend worden gezien. ‘Dan ben je een weirdo, heb je geen geld en blijf je dom, bekrompen en triest.’ Volgens Prantl speelt de reisindustrie hier slim op in, met slogans als ‘See the world with different eyes’ en ‘Travel interesting’ van onder andere het Duitse cruiseshipbedrijf Aida en het digitale reisbureau Expedia. 

    ‘Hoe verder je reist, hoe beter. Zwart Afrika scoort meer punten dan het Zwarte Woud, Nepal meer dan Napels.’ Het lijkt dus niet alleen uit te maken óf je reist, maar ook waarheen. ‘De ervaring leert dat afstand en exotisme – denk maar aan de reisverslagen die de meeste “oohs” en “ahhs” van vrienden en familie ontlokken – nog doorslaggevend zijn bij de evaluatie van een reis, ongeacht de kosten in termen van inspanning en uitstoot.’ 

    ‘Op veel plaatsen wordt er al meer gekreund dan gejuicht doordat het hamsterwiel dat toerisme heet’

    Volgens Prantl staat het niet vast dat reizen je een beter mens maakt. Wat als we het mis hebben? Wat als reizen niets meer is dan een placebo, een projectie van ons eigen wensdenken?’ In een wereld waarin steeds meer mensen het zich kunnen en kunnen veroorloven om te reizen, worden de nadelen van deze groeiende rusteloosheid steeds groter en duidelijker. ‘Op veel plaatsen wordt er al meer gekreund dan gejuicht doordat het hamsterwiel dat toerisme heet, sneller wordt aangedreven dan de infrastructuur en de lokale bevolking kunnen bijbenen.’ Voorbeelden van overtoerisme variëren van het Eibseemeer tot Barcelona en Machu Picchu.

    Prantl vraagt zich af of de beroemde uitspraak van Mark Twain, die reizen het tegengif noemde tegen vooroordelen en bekrompenheid, nog steeds geldt in het tijdperk van massatoerisme. ‘Is het voldoende om naar het buitenland te gaan om je wereldbeeld te verruimen? En hoe lang moet je dan wegblijven? Drie weken op de Balkan? Drie maanden in Bangladesh?’ Hij twijfelt of reizen werkelijk de remedie is tegen onwetendheid. ‘Is het niet misschien eerder zo dat degenen die al leergierig zijn gewoon liever reizen en geen lesje kosmopolitisme meer nodig hebben? Hoe komt het dat de collega die ooit zo idealistisch was, ineens een beetje, nou ja, neokolonialistisch overkomt na zijn reis naar Afrika?’

    ‘We moeten niet verwachten dat onze reizen de wereld en onszelf zullen genezen’

    Het bewijs dat reizen ons echt beter maakt, lijkt volgens Prantl dun gezaaid. ‘Als je online zoekt naar antwoorden, kom je vooral persoonlijke verhalen tegen, ondersteund door onderzoeken die zelden objectief zijn.’ In 2017 publiceerde Journal of Sustainable Tourism een studie waaruit blijkt dat korte reisjes mensen gelukkiger maken, maar het benadrukt dat de conclusies beperkt zijn. ‘Dit onderzoek volgde slechts vierentwintig mensen en ging over weekendjes weg in eigen land. Strikt genomen zouden de resultaten zo geïnterpreteerd kunnen worden: waarom afdwalen naar verre oorden als je het dichter bij huis kan zoeken?’

    Een ander onderzoek, dat werd uitgevoerd door onderzoekers van de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de Breda University of Applied Sciences met ongeveer vijftienhonderd proefpersonen, kwam tot de conclusie dat een geluksgevoel weliswaar aanwezig is na een vakantie, maar dat het enkele weken na terugkomst weer wegebt. ‘Het onderzoek toont niet aan dat reizigers gelukkiger zijn dan niet-reizigers.’ 

    Maar wat kun je doen in een tijd waarin reizen nog steeds wordt verheerlijkt als het hoogtepunt van het jaar en is opgeklommen tot hét dominante gespreksonderwerp? ‘Misschien is reizen, tegen alle verwachtingen in, wel echt “geconcentreerd geluk” en een van de “weinige kansen op het onvoorziene”, zoals de geschiedenisprofessor Valentin Groebner het ooit beschreef.’ Maar Prantl benadrukt ook dat we realistisch moeten blijven. ‘We moeten niet verwachten dat onze reizen de wereld en onszelf zullen genezen. Beter kunnen we aan onszelf toegeven dat reizen meestal niets meer is dan puur hedonisme.’

    Dominik Prantl, geboren in 1977, is journalist en auteur. Hij schrijft voor Süddeutsche Zeitung en andere media over toerismebeleid, reizen en Oostenrijk. Prantl heeft verschillende boeken geschreven, zoals Gipfelbuch, Gebrauchsanweisung für Namibia en meest recent Tirol – eine Landesvermessung in 111 Begriffen


    ‘Nu de wereld steeds meer verbonden raakt, is internationale ervaring onderdeel van een volledige opleiding’

    ‘Waarom heeft de isolationistische vleugel van het Congres hulp aan Oekraïne geblokkeerd en is het in feite een instrument geworden voor president Vladimir Poetin van Rusland?’ vraagt opiniemaker Nicholas Kristof zich af in een opiniestuk in The New York Times van begin dit jaar. ‘Republikeinse politiek verklaart een deel van deze dwaasheid, maar ik denk dat een andere reden pure domheid is. Het Congres is nogal gesloten en, vergeleken met andere rijke landen, slecht bereisd. Slechts 48 procent van de Amerikanen heeft een paspoort en ze staan erom bekend slecht te zijn in het spreken van vreemde talen.’

    Volgens Kristof is een gebrek aan vertrouwdheid en bekendheid met de wereld een van de redenen waarom de Verenigde Staten regelmatig een ‘zelfdestructief beleid’ voeren in de wereldpolitiek. ‘Misschien wel de grootste fout op het gebied van buitenlands beleid deze eeuw was de verwachting van de regering-Bush dat de Irakezen in 2003 de Amerikaanse troepen met bloemen zouden verwelkomen; dat is het soort waanidee dat je aantreft bij mensen die nog nooit een gesprek hebben gevoerd met een Arabier.’ Hij waarschuwt dat een tweede presidentschap van Trump zelfs ’nog grotere fouten’ met zich mee kan brengen, zoals een terugtrekking uit de NAVO, Oekraïne in de steek laten en daarmee het internationale systeem van na de Tweede Wereldoorlog op zijn kop zetten.

    Kristof stelt dat tijd doorbrengen in het buitenland vooroordelen doet vervagen en empathie doet groeien, omdat we beter beseffen dat we allemaal mensen zijn. ‘Het maakt ons land ook competitiever: ik zou willen beweren dat Utah er economisch van heeft geprofiteerd dat het buitengewoon kosmopolitisch is.’ Een deel van de inwoners heeft namelijk in het buitenland gewoond als Mormoonse missionaris. ‘Mijn boodschap aan jonge mensen: Ga naar het westen! Ga naar het oosten! Ga naar het noorden! En vooral, ga naar het zuiden!’ Universiteiten zouden studenten moeten aanmoedigen om minstens een semester in het buitenland te studeren of om voor de universiteit een tussenjaar te nemen om in een ander land te werken of te studeren, aldus het betoog.

    ’Probeer Engelse les te geven in een klein stadje in Zuid-Korea, Taiwan of Japan. Of doe vrijwilligerswerk in Nepal of Sierra Leone’ 

    ‘We zouden afgestudeerden niet als volledig ontwikkeld beschouwen als ze nog nooit Shakespeare hadden gelezen, de derdemachtswortel van 27 niet kenden en dachten dat Plato’s Republiek een klein Midden-Amerikaans land was’, schrijft hij. ‘Nu de wereld steeds meer met elkaar verbonden raakt, is een ander belangrijk onderdeel van een volledige opleiding de internationale ervaring.’

    Kristof heeft tijdens zijn studie een zomer geld verdiend door op een boerderij in Frankrijk te werken en dat heeft naar eigen zeggen zijn levensloop veranderd. ‘En denk niet dat studeren in het buitenland noodzakelijkerwijs betekent dat je met een meute door Rome of Londen toert. Probeer in plaats daarvan Engelse les te geven in een klein stadje in Zuid-Korea, Taiwan of Japan. Of doe vrijwilligerswerk in Nepal of Sierra Leone.’ 

    De Verenigde Staten integreren steeds meer met Latijns-Amerika, dus Spaans leren is volgens Kristof geen slecht idee. ‘En leer het dan niet in een klaslokaal. Voor een fractie van het collegegeld kun je in je eentje studeren of werken in Chili, Argentinië of een veilig deel van Mexico. Of in Bolivia – bestaat er een magischer land? De beste manier om een taal te leren is via vrienden en vriendinnen.’

    ‘Je zult over jezelf leren en je horizon verbreden’

    De kosten zijn een obstakel voor jongeren die een universitaire graad willen halen, en studeren in het buitenland kan de studieschuld nog zwaarder maken. ‘Hogescholen zouden daarom meer programma’s moeten aanbieden in goedkope landen zoals India, Marokko en Mexico.’ Ook vindt Kristof dat er meer nadruk moet liggen op jonge mensen die met een klein budget de wereld rondreizen. ‘Het beste voorbeeld is misschien wel de manier waarop jonge Australiërs – waaronder mannen en vrouwen uit de arbeidersklasse – soms een paar jaar sparen, hun baan opzeggen en een enkele reis naar Europa maken. Velen hebben me verteld dat het een bepalende ervaring in hun leven was.’ 

    Volgens Kristof moet iedereen de sprong wagen en zichzelf in het diepe gooien. ‘Je zult over jezelf leren, je horizon verbreden en na terugkomst een aantal bekrompen leden van ons Congres goede raad kunnen geven over Oekraïne en de hele wereld.’

    Nicholas D. Kristof is columnist bij The New York Times en tweevoudig winnaar van de Pulitzer Prize. Samen met zijn vrouw, Sheryl WuDunn, heeft hij vier bestsellers geschreven, waaronder het boek Half the Sky. Nicholas Kristof schrijft bij The New York Times over mensenrechten, vrouwenrechten, gezondheid en internationale betrekkingen.

  • Van de Griekse eilanden tot Amsterdam. Twee perspectieven op overtoerisme

    Van de Griekse eilanden tot Amsterdam. Twee perspectieven op overtoerisme

    Van noord tot zuid en oost tot west klagen bewoners over de ondraaglijke last van het toerisme. Terwijl gewone Grieken het zich niet meer kunnen veroorloven om hun snikhete steden te verlaten voor de schone lucht van de Griekse eilanden, denkt Amsterdam het probleem aan te kunnen pakken met de weinig gastvrije slogan ‘Stay Away’.

    Grieken hunkeren naar de Egeïsche eilanden, die onbetaalbaar zijn.

    Griekenland is afhankelijk van toerisme, maar veel Grieken hebben het gevoel dat datzelfde toerisme hun de mogelijkheid ontneemt om van geliefde plekken in eigen land te genieten. De eilanden in de Egeïsche Zee zijn bijvoorbeeld van oudsher een plek om te ontspannen, te zwemmen, te drinken en wilde seks te hebben. Naast deze aardse geneugten zijn het ook plekken van betovering en van metafysisch ontzag – door de eeuwen heen bezongen door Grieken en bezoekers uit het buitenland.

    De place to be in de jaren vijftig en zestig was Hydra (waar Leonard Cohen verbleef) en het nog kosmopolitischere Mykonos, de favoriet van de scheepsmagnaat Aristoteles Onassis, eigenaar van onder meer Olympic Airways. Beroemdheden, van Marlon Brando en Grace Kelly tot Brigitte Bardot en Jackie Kennedy Onassis, bezochten Mykonos en het eiland kreeg in 1971 een eigen vliegveld. Veel eilandbewoners en Griekse intellectuelen zien dat als het moment waarop de Griekse eilanden verpest werden. Bewoners zeggen in ieder geval al sinds de jaren negentig dat ze de winters, wanneer er geen toeristen zijn, de prettigste periodes vinden om er te zijn.

    Opeenvolgende Griekse regeringen beweren al jaren dat toerisme de motor van Griekenland is

    Opeenvolgende Griekse regeringen beweren al jaren dat toerisme de motor van Griekenland is. Het is niet zomaar een theorie of een wens: het gaat om beleid dat, hoewel het misschien niet nadrukkelijk wordt uitgedragen door de centrale regering, in praktijk wordt gebracht door particuliere toerismebureaus, door hotels, B&B’s en andere belanghebbenden. Ze worden in ieder geval aangemoedigd door de regering in Athene.

    31 miljoen bezoekers

    Na de economische ineenstorting van begin 2010 werd dat versterkt. In 2019 trok Griekenland ongeveer 31 miljoen bezoekers, tegenover 24 miljoen in 2015. Na de pandemie, toen de beperkingen door het coronavirus wegvielen, zagen sommige eilanden in de Egeïsche Zee een verbazingwekkend snel herstel van het toerisme. Aangezien de sector inmiddels goed is voor bijna 20 procent van het nationale bbp en één op de vijf banen, blijft de focus van de nationale economische strategie liggen op het verhogen van het aantal bezoekers.

    Maar het Griekse vakantieseizoen van 2023 zal door velen herinnerd worden als de hel, met de aanhoudende hittegolf in juli en de bosbranden op Evia, Corfu, Rhodos en andere eilanden waar sommige vakantieoorden veranderden in puin en as. Duizenden toeristen moesten vluchten of werden geëvacueerd. De schade aan de natuurlijke omgeving is groot – hoe hoog de kosten zijn voor de lokale gemeenschappen en het toerisme zal nog moeten worden berekend.

    Helse zomer

    Zal deze zomer met extreme temperaturen en bosbranden de idylle van de eilanden in de Egeïsche Zee voor de Grieken aantasten, terwijl de klimaatcrisis toeristen van elders tegelijkertijd dwingt om de aantrekkelijkheid van een zonvakantie te heroverwegen en in plaats daarvan bijvoorbeeld naar Denemarken of Ierland te gaan? Het valt te betwijfelen. De aantrekkingskracht van de kale, rotsachtige Cycladen, waar bomen schaars zijn en bosbranden zeldzaam, zou zelfs wel eens kunnen toenemen. Maar al vóór deze helse zomer was een goedkope, spontane augustusvakantie op de Griekse eilanden al onbereikbaar geworden voor veel gewone Grieken van het vasteland. 

    Alleen al de drie uur durende veerboot heen en terug kostte 600 euro

    Vorig jaar was een vakantie in augustus op het piepkleine en prachtige Koufonisi al nagenoeg onbetaalbaar voor een gezin van vier. Alleen al de drie uur durende veerboot heen en terug kostte 600 euro en een vijfdaagse vakantie in de eenvoudigste accommodatie moest minstens 2000 euro kosten.

    Erover klagen lijkt op ondankbaarheid, want Griekenland verdient veel geld aan het internationale toerisme, en het zal nu eenmaal zijn infrastructuur moeten verbeteren zoals een moderne staat betaamt. Maar als Grieken ervan uitgaan dat hun ‘recht’ om dicht bij huis frisse lucht in te ademen altijd zal blijven bestaan, dan hebben ze het mis. Het is een nostalgische gedachte geworden. Je kan het ook verlies noemen. Omdat de Egeïsche Zee iets biedt dat nergens anders te vinden is.

    Op Sifnos staat een piepklein oud kerkje dat Eftamartyros (de Zeven Martelaren) heet. Het staat op een kale rots, boven op een klif, geïsoleerd tegen de blauwe onmetelijkheid van de Egeïsche Zee.

    Het is er alsof je op een zeer persoonlijke pelgrimstocht bent

    Bij Eftamartyros, met zijn witte muren en blauwe koepel, ben je alleen met de zee, alleen met de lucht, alleen met de wind. Het is er alsof je op een zeer persoonlijke pelgrimstocht bent. De uitgestrektheid van ruimte, tijd, gevoel en reflectie heeft niet zozeer te maken met de landschappelijke schoonheid – het gaat veeleer om een betekenis die het zichtbare overstijgt.

    De Griekse dichter Odysseas Elytis was iemand die nadacht over de continuïteit van de Griekse taal door de eeuwen heen. Het modern-Griekse woord voor ‘zee’, zei hij, is thalassa, en dat is precies hetzelfde woord als in de tijd van Homerus werd gebruikt. Op plekken als Eftamartyros wordt dat gevoel van continuïteit van ruimte en tijd overgebracht door de uitgestrektheid van de zee. Het woord en het zeegezicht lijken oneindig; ze zijn van voor onze tijd en ze zullen er nog lange tijd zijn als wij niet meer bestaan. Ook zonder kennis van de Griekse taal is dit gevoel van permanentie er voor iedereen die naar de Egeïsche Zee wil luisteren en zich wil laten meevoeren door haar existentiële grootsheid. 

    Balans

    In een wereld die uit balans is, hebben we meer dan ooit de vrijheid nodig om onszelf van tijd tot tijd in de Egeïsche Zee te kunnen verliezen. Sommigen zullen daartoe nog steeds pogingen kunnen ondernemen – op voorwaarde dat ze een jaar van tevoren beginnen met het plannen van een verblijf in augustus en dat ze het feit accepteren dat ze de hoogste tarieven zullen moeten betalen. Omdat het de moeite waard is, ook als ze het zich niet kunnen veroorloven. 

    Welbeschouwd zullen Eftamartyros en het unieke gevoel erbij te horen en ernaar te verlangen altijd onbetaalbaar blijven.  

    – Elias Maglinis in The Guardian


    De toeristen zijn terug. Hoog tijd om te zeggen dat ze weg moeten blijven

    Ze staan grijnzend voor de poorten van Auschwitz voor een selfie. Ze duiken in de Trevifontein in Rome. Een man kerft zijn naam en die van zijn vriendin in een 2000 jaar oude bakstenen muur van het Romeinse Colosseum. Een Russische influencer wordt samen met haar man het land uitgezet omdat ze een naaktfoto van zichzelf heeft gepost voor een heilige 700 jaar oude banyanboom. Allemaal dragen ze bij aan klimaatverandering en aan de huidige hittegolf die een groot deel van Zuid-Europa teistert: transport van toeristen is verantwoordelijk voor 5 procent van de wereldwijde uitstoot en stijgt nog steeds. 

    Iedereen klaagt over toeristen. Maar nu, misschien wel voor het eerst, zijn een paar Europese steden – met Amsterdam voorop – begonnen er iets aan te doen. De kortstondige ervaring van rust tijdens de lockdowns zonder toeristen was de aanzet tot verandering. Gaandeweg beginnen steden zich te verzetten tegen het kapitalisme van het toerisme, en proberen ze de economische geschiedenis om te keren.

    In Barcelona steeg het aantal hotelgasten van 1,7 miljoen in 1990 naar 9,5 miljoen in 2019.

    Tussen 1998 en 2019 verdubbelde het officiële aantal aankomsten van internationale toeristen tot 2,4 miljard per jaar. Die stijging wordt toegejuicht door de lokale toeristenindustrie en de marketingafdeling voor toerisme van de overheid, maar de meeste inwoners van populaire steden moesten ondertussen lijdzaam toezien – hen was niets gevraagd. 

    De toename was vooral acuut in een paar Europese steden. Vanaf de jaren negentig, toen de meeste steden mooier en veiliger werden en goedkope vluchten en internationale treinverbindingen als paddenstoelen uit de grond schoten, werden korte tripjes naar deze plekken de norm. Stedentrips gaan het hele jaar door en nemen sneller toe dan traditionele ‘zon en strand’- of ‘rondreis’-vakanties, aldus Kerstin Bock van de Vrije Universiteit Berlijn. Om een extreem voorbeeld te noemen: in Barcelona steeg het aantal hotelgasten van 1,7 miljoen in 1990 naar 9,5 miljoen in 2019. Dat is exclusief de Airbnb’s, die woonruimte onttrekken aan de lokale woningmarkt.

    Moedige stap

    De vraag is: wat kunnen we eraan doen? Opzettelijk het toerisme terugdringen is een moedige stap, maar het is de vraag of dat haalbaar is in een wereld waarin miljarden nieuwe reizigers staan te trappelen. Maar als er één Europese stad vooroploopt in het afwijzen van toeristen, dan is het wel Amsterdam. De omstandigheden voor deze stad zijn er dan ook gunstig voor. Van 1995 tot 2019 groeide de regionale economie van Amsterdam met 132 procent. Relatief weinig daarvan kwam van toerisme: de drijvende krachten achter de groei waren informatie, communicatie (inclusief IT), financiële en zakelijke diensten. Die hausse zet nog steeds door en lokale bedrijven hebben het al moeilijk genoeg om personeel te vinden, ook zonder een overspannen toerismesector. 

    Veel restaurants, coffeeshops, bordelen en andere werkgevers moeten arbeidsmigranten importeren

    Veel restaurants, coffeeshops, bordelen en andere werkgevers moeten arbeidsmigranten importeren. Ondertussen wordt de grachtengordel – het centrum van Amsterdam waar de meeste toeristische bestemmingen liggen – vooral bewoond door rijke mensen die er niet op zitten te wachten dat hun nachten worden verstoord door lallende toeristen op bierfietsen. Inwoners willen ook andere winkelmogelijkheden dan op toeristen gerichte Nutella-winkels.

    De stad heeft geprobeerd om toeristen te spreiden. Maar dat heeft de trek naar de stad niet verminderd. Amsterdam verwelkomde (als dat de juiste term is) in 2010 5,3 miljoen hotelbezoekers. In 2019 waren dat er 9,2 miljoen, exclusief de miljoenen die in Airbnb’s overnachten.

    Maximum

    In 2021 stelde het stadsbestuur een maximum in van 20 miljoen bezoekers per jaar. Maar volgens prognoses wordt dat dit jaar al overschreden – vooral Chinese toeristen zijn nog maar net de pandemische beperkingen te boven. Als er niets wordt gedaan, zal het bezoekersaantal in 2024 waarschijnlijk hoger zijn.

    En dus komt Amsterdam in actie. De stad wil haar verouderde imago van goedkope pretstad afschudden en zich profileren als culturele bestemming. In de rosse buurt, waar bepaalde hotspots wekelijks door 900.000 voetgangers worden bezocht, hebben de autoriteiten honderden ramen van sekswerkers gesloten en moeten cafés en bordelen nu eerder sluiten (om drie uur ’s ochtends in plaats van om zes uur ’s ochtends). Het roken van wiet op straat is in het stadscentrum verboden. De stad hoopt ook een aantal hotels om te bouwen tot woningen en kantoren.

    De staat lijkt nu zelfs ook niet langer mee te werken aan de promotie van toerisme

    Een stad heeft beperkte mogelijkheden om toeristen te weren, maar in Nederland werkt de staat nu ook mee. Deze maand werd een rechtszaak gewonnen: om milieuredenen mag het aantal vluchten dat landt op Schiphol worden teruggedrongen. Een toerist die vanuit Keulen met de trein naar Amsterdam komt is misschien ‘duurzaam’, maar een toerist die vanuit Californië komt vliegen is dat niet.

    De staat lijkt nu zelfs ook niet langer mee te werken aan de promotie van toerisme. Het officiële internationale logo van Nederland – vroeger was dat een tulp naast het gebruiksvriendelijke maar onnauwkeurige woord ‘Holland’ (in feite is Holland alleen het westelijke deel van het land) – werd in 2019 veranderd in een soberder ‘NL Netherlands’, waarin alleen de golvende ‘L’ nog verwijst naar de tulp van voorheen. ‘Een traditioneel symbool met tulpen is te veel verbonden met toerisme en souvenirs,’ liet een van de ontwerpers van het logo weten.

    Stay away

    Voor wie nog twijfelt aan de wens van Amsterdam om veranderingen tot stand te brengen, is het zaak om eens te kijken naar de nieuwe reclamecampagne van de stad: ‘Stay Away’. De campagne is in eerste instantie gericht op jonge Britse mannen. Als een lid van die doelgroep googelt op een term als ‘vrijgezellenfeest Amsterdam’ krijgt hij wellicht de video te zien van een dronken man die wordt gearresteerd, voorzien van het motto: ‘Dus jij komt naar Amsterdam om de boel op stelten te zetten? Stay away.’

    Deze Stay Away-campagne is absoluut een primeur in de geschiedenis van toeristische marketing. Het zou zomaar het begin van een trend kunnen worden. 

    – Simon Kuper in Financial Times

  • Dark Tourism: waarom sommige mensen op vakantie gaan naar een oorlogsgebied

    Dark Tourism: waarom sommige mensen op vakantie gaan naar een oorlogsgebied

    Ground Zero in New York, Tsjernobyl, het Japanse zelfmoordbos, Dachau en Auschwitz zijn steeds populairdere hotspots. De ‘dark tourist’ reist graag naar bestemmingen die tragisch, morbide of zelfs gevaarlijk zijn. Zelfs toeristen zijn het beu om een gekuiste versie van de werkelijkheid voorgeschoteld te krijgen.

    Noord-Korea. Oost-Timor. Nagorno-Karabach, de bergachtige enclave waar al tientallen jaren een etnisch conflict tussen Armeniërs en Azerbeidzjanen sluimert. Ze staan niet in de top tien van toeristische bestemmingen. Maar laat Erik Faarlund dat niet horen. Deze beheerder van de website van een Noorse camerawinkel heeft ze alle drie al bezocht. Zijn volgende droomreis is een trip naar San Fernando in de Filipijnen met Pasen, als mensen zich daar vrijwillig aan het kruis laten nagelen ter ere van het lijden van Jezus – een gebruik dat de katholieke kerk ontmoedigt. Faarlunds vrouw gaat liever zonnen in de Mediterranée, dus hij reist vaak alleen. ‘Ze vraagt zich af waarom ik in godsnaam naar die plekken toe wil, en ik vraag me af waarom zij in godsnaam naar de plekken wil waar zij heen gaat,’ zegt hij. Faarlund (52) is naar bestemmingen gereisd die geassocieerd worden met dood, drama en macabere gebeurtenissen.

    Nu reizen weer mogelijk is, doen de meeste mensen dat om de bekende redenen: even weg uit de werkelijkheid van alledag, even ontspannen en jezelf opladen. Zo niet de liefhebbers van ‘dark tourism’: die zoeken in hun vakanties de meest sombere en zelfs gewelddadige uithoeken van de wereld op. Met zo’n reis naar een afgedankte kerncentrale of een land waar een genocide heeft plaatsgevonden denken ze meer vat te krijgen op de harde realiteit van de politieke onrust in onze tijd, de klimaatcatastrofe, oorlog en de groeiende dreiging van het autoritaire denken.

    GettyImages 931739604
    Het Japanse ‘zelfmoordbos’ Aokigahara is ook een gewilde bestemming voor zogeheten dark tourists. In 2010 maakten 200 mensen een einde aan hun leven in het dichte bos. Het aantal liep op naarmate het einde van het fiscale jaar in zicht kwam. Sindsdien worden de aantallen niet meer gepubliceerd, om Aokigahara niet met zelfmoord te associëren. – © Carl Court / Getty Images

    ‘Als de hele wereld in brand of onder water staat en niemand de energierekening nog kan betalen, voelt het gênant om in een vijfsterrenresort op het strand te liggen,’ zegt Jodie Joyce, accountmanager bij een Engels bedrijf in DNA-sequencing. Zij heeft al reizen gemaakt naar Tsjernobyl en Noord-Korea. Faarlund vindt niet dat zijn vakanties onder de noemer dark tourism vallen en zegt dat hij gewoon naar plaatsen wil ‘waar alles er heel anders aan toegaat dan thuis’. Maar wat hun motieven ook zijn, Faarlund en Joyce zijn lang niet de enigen. Volgens een in september gepubliceerde enquête onder meer dan negenhonderd mensen door Passport-photo.online zegt 82 procent van de Amerikaanse reizigers minstens één keer te zijn afgereisd naar zo’n bestemming met een rouwrandje. Meer dan de helft van de geënquêteerden zegt vooral graag naar ‘actieve’ of voormalige oorlogsgebieden te gaan. Zo’n 30 procent zegt na de beëindiging van de oorlog in Oekraïne de staalfabriek Azovstal te willen bezichtigen, waar Oekraïense soldaten maandenlang weerstand boden tegen de Russen.

    Groeiende populariteit

    De groeiende populariteit van dit ‘zwart omrand toerisme’ wijst erop dat steeds meer mensen escapisme verruilen voor de kans om zelf een kijkje te nemen in de omgeving van drama’s waarover ze alleen hebben kunnen lezen, denkt Gareth Johnson. Hij is een van de oprichters van Young Pioneer Tours, een reisorganisatie waarvan zowel Joyce als Faarlund gebruik heeft gemaakt. Toeristen zijn het beu om ‘een gekuiste versie van de werkelijkheid voorgeschoteld te krijgen’, zegt Johnson.

    De dark tourist gaat meestal naar een plaats waar zich een tragedie heeft afgespeeld om zich daarin te kunnen inleven

    Het begrip dark tourism werd in 1996 door de twee Schotse wetenschappers J. John Lennon en Malcolm Foley geïntroduceerd in hun boek Dark Tourism: The Attraction of Death and Disaster. Maar al eeuwenlang is het kijken naar gruwelen een populaire vrijetijdsbesteding, zegt Craig Wight, universitair hoofddocent toerisme aan de Edinburgh Napier University. ‘Dat begint al met de gladiatorengevechten’ van het oude Rome, meent hij. ‘Mensen die naar een openbare ophanging kwamen kijken. Ook naar de slag bij Waterloo kwamen dagjesmensen toe om het spektakel vanuit hun rijtuig te bekijken.’ De dark tourist van tegenwoordig gaat volgens Wight meestal naar een plaats waar zich een tragedie heeft afgespeeld om zich daarin te kunnen inleven – wat moeilijker is als je er alleen over leest.

    Motieven variëren

    Zo bezien kan iedereen een dark tourist zijn. Op een weekendtrip naar New York kun je bij Ground Zero gaan kijken. Vanuit Boston kun je een uitstapje maken naar Salem om je licht op te steken over de zeventiende-eeuwse heksenjacht daar. Vakantie-gangers in Duitsland of Polen kunnen een bezoek brengen aan een concentratiekamp. De motieven kunnen variëren van een eerbetoon aan genocideslachtoffers tot verdieping van het historisch besef. Maar een dark tourist is over het algemeen iemand die er een gewoonte van maakt om naar plaatsen te reizen die tragisch, morbide of zelfs gevaarlijk zijn, of het nu vlak bij huis is of aan de andere kant van de wereld.

    Was hier sprake van een soort ramptoerisme, of is het een manier om mee te voelen met het verdriet en steun te betuigen?

    De laatste jaren komen er steeds meer touroperators bij die reizigers een kijkje op de locaties van recente catastrofes beloven, zodat ook de media-aandacht groeit en er vragen rijzen over de bedoelingen, zegt Dorina-Maria Buda, hoofd van de vakgroep toerisme aan de Nottingham Trent University. Verhalen over toeristen die zich kwamen vergapen aan de verwoestingen van de orkaan Katrina in New Orleans of die selfies maakten bij Dachau wekken weerzin en verontwaardiging. Was hier sprake van ‘een soort ramptoerisme, of is het een manier om mee te voelen met het verdriet en steun te betuigen?’ aldus Buda.

    Dark tourists zijn meestal geen ramptoeristen die selfies maken in Auschwitz, zegt Sian Staudinger. Zij is de eigenaar van het Oostenrijkse Dark Tourist Trips, dat rondleidingen verzorgt in onder meer het Verenigd Koninkrijk en andere Europese landen en de klanten daarbij op het hart drukt zich aan bepaalde regels te houden, waaronder ‘GEEN SELFIES!’ ‘Dark tourists stellen doorgaans inhoudelijke vragen,’ zegt Staudinger. ‘Ze praten niet te hard. Ze gaan niet lachen. Ze maken geen foto’s in een concentratiekamp.’

    Vraagtekens

    De Nieuw-Zeelandse journalist David Farrier heeft een jaar lang reizen gemaakt naar plaatsen zoals het Japanse ‘zelfmoordbos’ Aokigahara, de luxe gevangenis die Pablo Escobar voor zichzelf bouwde in Colombia en McKamey Manor in Tennessee, een spookhuis dat berucht is omdat mensen zich bij rondleidingen daar echt laten begraven of onderdompelen in koud water tot ze het gevoel krijgen dat ze stikken of verdrinken. Farriers reis was de basis voor een documentaire tv-serie die in 2018 op Netflix verscheen en door sommige critici als gruwelijk en ‘schunnig’ werd bestempeld.

    ‘Het is ethisch uiterst dubieus terrein’

    Farrier (39) zegt dat hij zelf ook vaak vraagtekens had bij de ethische kant van zijn reizen. ‘Het is ethisch uiterst dubieus terrein,’ zegt hij. Maar toch vond hij het de moeite waard om ‘de camera te laten draaien’ op plaatsen en bij rituelen waar mensen wel over willen weten, maar die ze nooit zelf zullen ervaren. Hij voelde zich klein als hij op plaatsen kwam waar zich vreselijke gruwelen hadden afgespeeld, en het hielp hem zijn eigen angst voor de dood onder ogen te zien. Meestal vond hij het een voorrecht om zo’n plek te mogen bezoeken, zegt hij, behalve McKamey Manor. ‘Dat was gestoord,’ zegt Farrier.

    Buda zegt dat reizigers haar in vraaggesprekken vertelden hoe bang en geschokt ze waren geweest bij het zien van gewapende militairen op straat in een dictatuur of een land waar een gewapend conflict woedt. ‘Als je deel uitmaak van een samenleving die min of meer stabiel is en je leeft in een soort sleur, dan krijg je op een reis naar zo’n plek weer het gevoel dat je leeft,’ zegt ze.

    GettyImages 668328160
    In het Filipijnse San Fernando laten sommige mensen zich op Goede Vrijdag vrijwillig aan het kruis nagelen ter ere van het lijden van Jezus.  – © Dondi Tawatao/Getty Images

    Maar het is niet altijd zonder gevaar. Otto Warmbier, een eenentwintigjarige student uit Ohio die in 2015 met Young Pioneer Tours naar Noord-Korea was gereisd, werd daar gearresteerd omdat hij in het hotel een poster van de muur zou hebben ontvreemd. Hij zat zeventien maanden vast en lag in coma toen hij uiteindelijk vrijkwam. Zes dagen na zijn terugkomst in de VS in 2017 overleed hij. Volgens de Noord-Koreaanse overheid was de doodsoorzaak botulisme, maar volgens zijn familie had hij in Noord-Korea hersenbeschadiging opgelopen bij martelingen. Nu kunnen Amerikanen alleen nog naar Noord-Korea reizen met speciale toestemming van Buitenlandse Zaken.

    En zelfs bij griezelrondleidingen (dark tourism light) kun je als reisorganisator soms voor een dilemma staan, zegt Andrea Janes, de eigenaar van Boroughs of the Dead: Macabre New York City Walking Tours. In 2021 vroegen zij en haar mensen zich af of het wel kies was om weer met hun rondleidingen te beginnen in een stad waar kort tevoren nog koelwagens bij de haven hadden gestaan bij wijze van geïmproviseerd mortuarium. Maar toen de knoop eenmaal was doorgehakt, zaten ze tot hun eigen verrassing al snel weer volgeboekt. Mensen wilden vooral graag de spookverhalen horen over Roosevelt Island, met zijn ruïne van een negentiende-eeuwse kliniek voor pokkenpatiënten. ‘Als historici hadden we moeten beseffen dat mensen in tijden van een epidemie over de dood willen praten,’ zegt Janes.

    Kathy Biehl woont buiten New York, in Jefferson Township, en heeft zeker al zo’n tien rondleidingen van Janes’ bedrijf gevolgd. Vooral de Ghosts of the Titanic-wandeling langs de rivier de Hudson staat haar nog goed bij. Dat was rond 2017, toen het nieuws gedomineerd werd door Trumps harde opstelling tegen vluchtelingen en andere immigranten. Die nieuwsberichten sloten perfect aan op de verhalen over immigranten die honderd jaar geleden naar New York probeerden te komen op een schip dat zijn ondergang tegemoet voer, zegt Biehl. Het was voor veel van de deelnemers een emotionele ervaring. ‘De tranen sprongen hun zowat in de ogen bij die verhalen over migratie.’

    GettyImages 1240483451
    De grootste kernramp ooit gebeurde op 26 april 1986 vlak bij de Oekraïense (toen nog deel van de Sovjet-Unie) steden Tsjernobyl en Pripjat. – © Hennadii Minchenko /  Ukrinform / Future Publishing via Getty Images

    Een van de redenen voor de populariteit van dit gruweltoerisme is dat het mensen helpt met het verwerken van alles wat ze om zich heen zien ‘nu de wereld dreigender en somberder wordt’, zegt Jeffrey S. Podoshen, hoogleraar marketing aan het Amerikaanse Franklin and Marshall College en gespecialiseerd in deze vorm van toerisme. ‘Mensen proberen die duistere kanten te begrijpen, dingen zoals de realiteit van dood en geweld,’ zegt hij. ‘Ze zien deze vorm van toerisme als een manier om zich daarop voor te bereiden.’

    Emotionele ervaring

    De Noorse Faarlund moet denken aan een reis die hij met zijn vrouw en hun twee zonen heeft gemaakt: een reis door Cambodja, waarbij ze ook een bezoek brachten aan de killing fields, waar onder de Rode Khmer van 1975 tot 1979 meer dan 2 miljoen Cambodjanen werden gedood of omkwamen van honger en ziekte. Zijn tweelingzoons van 14 hoorden de harde en ongekuiste verhalen over het martel-centrum van de Rode Khmer aandachtig aan. Op een gegeven moment moesten ze even naar buiten, waar ze een hele tijd zwijgend bij elkaar zaten. ‘Ze moesten het even verwerken,’ zegt Faarlund. ‘Dat was heel volwassen van ze.’

    Daarna hadden ze nog een ontmoeting met twee overlevenden van de Rode Khmer, een breekbare tachtiger en een negentigjarige. De tieners vroegen of ze hun een knuffel mochten geven en dat mocht, zegt Faarlund. Het was een aangrijpende reis, waarbij ze ook tempels bezichtigden, zoals de beroemde Angkor Wat in Siem Reap, en kikkers, oesters en inktvis aten bij een eetstalletje. ‘Ze vonden het fantastisch,’ zegt Faarlund. Maar hij ziet ze niet zo snel meegaan om te kijken naar Filipijnen die de kruisiging naspelen; ‘Ik denk dat ze daar toch voor bedanken.’ 

    Lees ook:

  • De meest functionele sociale uitvinding op de Balkan

    De meest functionele sociale uitvinding op de Balkan

    Als mensen niet kunnen reizen maar elkaar wel willen bereiken, sturen ze spullen. In Kosovo gaat dat via een informeel postnetwerk opgezet door burgers.

    Het is nog donker als ik naar de Petrakija-straat ga, in de richting van de Muziekacademie, gedesoriënteerd en verward door de realiteit van de vroege ochtend in Sarajevo. De klok in de toren van de kathedraal, iets verderop om de hoek, slaat zes uur. 

    Bij de laatste slag van de kerkklok dringt het irritante geluid van een Viber-oproep door tot mijn slaperige geest. Wat nu weer? Ik neem de telefoon op.

    ‘Hé, waar ben je?’

    Ze klinkt boos.

    Ik werp een blik op mijn telefoon: 6:02 uur. Klotekathedraal. Heeft God zich vanochtend misschien ook verslapen?

    ‘Wat is er aan de hand? Ik ben maar twee minuten te laat!’ zeg ik, nu zelf ook boos. ‘We zijn niet in Zwitserland!’

    Op dat moment zie ik haar – precies op de hoek van Štadler en Pehlivanuša, waar we hebben afgesproken – gehurkt voor haar auto. Ze ziet mij ook. We hangen allebei op. ‘Hajde, schiet op!’ roept ze naar me.

    Rada houdt er niet van als passagiers te laat komen. Niet omdat ze geen geduld kan opbrengen. Als haar werk geduld vereist wacht ze, zelfs urenlang als het moet. Maar vandaag niet. Rada heeft een strak schema. Om 6:05 uur halen we iets boven Parkuša een pakketje op. Dobrinja, 6:25 uur, een jonge kerel wacht op ons, hij gaat werken in een hotel aan de Albanese kust. Dan, om 6:30 uur, in de wijk Mojmilo, tegenover de Koning Fahd-moskee – de grootste in Sarajevo, een geschenk van Saoedi-Arabië – halen we een dokter op; een gerespecteerde dame, die deze rit vaak maakt. En dan richting Pale, vanwaar Ivana, een programmeur, op weg gaat naar Belgrado voor een werkvergadering en familiebezoek.

    Rada weet dat als ik twee, drie of vijf minuten te laat ben, alle anderen minstens even lang moeten wachten, en misschien nog wel langer als we ook voor een stoplicht komen te staan. En Rada haat het als haar passagiers moeten wachten. Ook degenen die op haar passagiers wachten en degenen die op de pakjes wachten die Rada bij zich heeft en die meestal al minstens zo belangrijk zijn, hebben een hekel aan wachten. Bovenal wil Rada dat we de rivier de Drina bereiken en de grens oversteken voordat het verkeer drukker wordt, zo rond half negen ’s ochtends. Als dat niet lukt, zullen al deze mensen nog veel langer moeten wachten.

    Ik schaam me een beetje.

    ‘Maar goed. We komen er wel,’ zegt ze. ‘Hoe is het met je? Nog nieuws? Hoe is het met je moeder?’

    Raar poeder

    Sinds ze twintig jaar geleden begon met het vervoeren van passagiers tussen Sarajevo en Belgrado, heeft Rada een extra – maar niet minder belangrijke – transportfunctie, als onderdeel van een informeel postnetwerk. Ze vervoert alles wat mensen maar willen verzenden, zolang het legaal is en in haar auto past. Wat meestal het geval is.

    ‘In Belgrado kwam er een vrouw naar me toe. Ze had echt alles gekocht wat je je maar kunt voorstellen – die liep gewoon winkels binnen en begon haar tassen te vullen. Doe dit maar, doe dat maar. Ze kwam met twee enorme tassen en vroeg of er genoeg ruimte was in de kofferbak. Ik keek en zag boven op een van de tassen een enorme zak popcorn liggen. Nou mevrouw, dacht ik bij mezelf, moet u die popcorn echt ook opsturen? Er is toch popcorn in Sarajevo? Maar wat kon ik doen, ze stuurde het naar haar moeder. We vinden de ruimte wel, zei ik.’

    Dit keer is niet alleen Rada aan het werk. Ook mijn tas zit vol pakketjes. Ik neem een doosje sigaretten van het merk Drina uit Sarajevo mee voor een vriend en de avond ervoor heb ik een enveloppe met documenten gekregen – wat of voor wie ze zijn weet ik niet, maar het is belangrijk dat ze zo snel mogelijk in Belgrado aankomen – en een zakje gevuld met een vreemd poeder met grote brokken en een grove textuur. De man die me het zakje overhandigde noemde de naam van het spul, maar ik begreep niet wat hij zei. Hij herhaalde het. Ik begreep hem nog steeds niet, maar besloot te doen alsof ik het wel begreep. Nu vraag ik me af of het legaal is. Ik hoop van wel. Hij zag er betrouwbaar uit. Ook de persoon die het contact tussen ons legde leek in orde. Hoe dan ook, het is beter om dit niet aan Rada te vertellen. Maar als er ruimte is voor de popcorn, moet er ook ruimte zijn voor mijn rare poeder.

    Een paar maanden later, 300 kilometer verderop, op een bruisende lentemiddag op het busstation van Belgrado.

    Ik ben een postbode op een belangrijke missie en ik heb geen tijd te verspillen aan beleefdheden

    Met grote passen loop ik naar de hal met loketten. Dan worden mijn stappen korter: de smalle gang tussen de loketten en de vertrekplatforms is ramvol met passagiers, koffers, geschreeuw, gehaast, verwarde blikken, omhelzingen en kussen.

    Te midden van de drukte wordt mijn blik getroffen door een oude analoge stationsklok. De lange witte wijzers bieden een rustgevend beeld: het is 15:49 uur. Ik hou ervan als ik te vroeg ben, al is het maar één minuut.

    Dan gaat mijn telefoon. ‘Waar ben je?’ 

    We ontmoeten elkaar bij de toegang tot het busplatform. We kennen elkaar niet, maar herkennen elkaar gemakkelijk. Hij houdt een grote doos vast met daarin een synthesizer. Het is een pakket dat ik bij een gezamenlijke vriend moet afleveren.

    nikola aleksic 8P5802PiAWQ unsplash kopie
    © Unsplash

    Ik neem de doos aan. ‘Oké, dat was het,’ en we gaan weer uit elkaar. Ik ben een postbode op een belangrijke missie en ik heb geen tijd te verspillen aan beleefdheden. Ik ren naar een loket en koop een kaartje. 

    Buiten, op perron 4, stroomt de bus naar Pristina vol.

    Lievelingspop

    Ik begon mijn ‘baan’ als postbode in de herfst van 2020, toen ik zo vaak tussen Belgrado en Pristina op en neer reisde dat het mensen begon op te vallen. (Om op te vallen is het eigenlijk al voldoende dat je vaker reist dan, nou ja, nooit.)

    En dus kreeg ik op een dag een telefoontje van een vriend die ik al een tijdje niet had gesproken, maar die op de een of andere manier van mijn reisgedrag op de hoogte was. Een gezin uit Pristina was op vakantie in Belgrado, en toen ze weer thuiskwamen bleek dat hun dochter haar pop had laten liggen. Hoewel Pristina op de weerkaart van Radio Televisie Servië staat aangegeven als onderdeel van Servië, bestaat deze stad wat de Servische postdienst betreft niet, en hetzelfde geldt voor andere plaatsen in Kosovo waar Serviërs niet de meerderheid vormen. Particuliere bezorgdiensten zijn veel te duur. De enige manier waarop de pop Pristina kon bereiken was als iemand hem meenam. 

    Zou je dat willen doen? Het is niet dringend. Maar eigenlijk wel. Het is haar lievelingspop.

    De keer daarop kwam er een verzoek van de andere kant: hé, hebben ze dat Skenderbeg-drankje nog? Neem er alsjeblieft twee voor me mee, ik mis het echt! Vervolgens, in Pristina: het is niet makkelijk om filmrolletjes te vinden voor analoge camera’s, en er is een winkel in Belgrado waar ze niet zo duur zijn. Kun je er een aantal voor me meebrengen? Een paar maanden later stonden op mijn lijstje met succesvolle opdrachten: vinylplaten van de Belgradose new wave, een kilo gedroogde worst, de sleutels van iemands appartement en boeken van Petrit Imami over de gemeenschappelijke geschiedenis van Serviërs en Albanezen (gelukkig, maar ironisch genoeg, waren die in Belgrado meteen uitverkocht).

    En toen begon het me te dagen dat bijna al het persoonlijke verkeer tussen Kosovo en Servië – tussen naaste familieleden, neven en vrienden, tussen degenen die zijn vertrokken, degenen die zijn gevlucht, degenen die zijn gebleven en degenen die ergens tussenin vastzitten – afhankelijk is van drie bussen die dag en nacht rijden tussen Belgrado, Pristina en Prizren, en van de kleine groep mensen die met deze bussen reist.

    Terwijl de chauffeurs in keurige witte shirts haastig bagage inladen, wordt mijn aandacht getrokken door een oudere dame in het zwart die naast een enorme geruite tas staat. Het is me niet duidelijk hoe ze die hier heeft gekregen. Ze wacht geduldig in de rij. Ze glimlacht naar me, en we raken aan de praat.

    ‘Waar gaat u heen in Kosovo?’

    ‘Ik ga niet op reis, jongen. Ik stuur dingen naar mijn familie.’

    Ik wil haar vragen wat ze hun stuurt, maar één blik op de enorme Chinese tas beantwoordt mijn vraag. Hij zit vol zelfgemaakt eten, zorgvuldig verpakt in plastic ijsdozen en grote glazen potten. Is dat sarma [gevulde wijnbladeren]? Ik zie ook een oude plastic doos van een kaasmerk uit Sombor, bijeengehouden door dikke elastieken zodat wat er ook in zit, misschien een salade, er tijdens de reis in blijft zitten. 

    ‘Stuurt u vaak dingen?’

    ‘Niet zo vaak. Ze hebben daar eten, het is niet zo dat ze niets hebben. Maar ze vinden het heerlijk als ik voor ze kook. Onlangs vierde mijn kleindochter haar verjaardag. Dus maakte ik taart. Het is handig zo, ik zet het gewoon op de bus. Anders zou het onmogelijk zijn.’

    Ik bedenk hoe het zou gaan als je aan de balie in een postkantoor zelfgemaakt eten verstuurt

    Ik sta er even bij stil en bedenk hoe het zou gaan als je aan de balie in een postkantoor zelfgemaakt eten zou versturen. Het serieuze gezicht van de bediende die je aankijkt door het glas. Wat zit er in de doos? Een aardbeientaart en sarma met gedroogde ribbetjes. Hoe snel wilt u het laten bezorgen? Onmiddellijk, zodat het niet bederft, u weet hoe warm het de afgelopen dagen is geweest! De waarde? Onbetaalbaar.

    Geen politieagent

    Zoals ik zal ontdekken tijdens verschillende reizen en tientallen gesprekken met mensen die dwars door de Balkan dingen versturen en ontvangen, gaat het niet alleen om voedsel en de mogelijkheid dat het zal bederven.

    Oom Pera keert terug naar Lipjan, waar hij al meer dan zestig jaar woont. Hij was op bezoek in Belgrado. We zitten samen in een bus. Ergens rond de tolweg bij Bubanj Potok bied ik hem een paar Plazma-koekjes aan. In ruil geeft hij me, als we bij een tankstation ergens rond Pojate stoppen, een sigaret. Ik vraag hem of hij per post iets uit Servië verstuurt of ontvangt. 

    ‘Nee,’ zegt hij beslist. ‘Je weet het nooit met hen. Twee maanden geleden was mijn zoon op zoek naar autopapieren van een vriend in Kraljevo. Die zijn nog steeds niet aangekomen.’

    Oom Pera vertrouwt de instituties duidelijk niet. En te oordelen naar het aantal dingen dat dagelijks met de bus meereist, is hij niet de enige.

    In gezelschap van de chauffeurs in een halfdonker café langs de weg dat de hoopvolle naam ‘Evropa’ draagt, probeer ik te achterhalen wat er zoal wordt verstuurd. De meeste reizigers zitten buiten te wachten op het teken voor vertrek.

    ‘Probeer je uit te vissen of we drugs bij ons hebben?’ vraagt een man me nors, terwijl hij me een stuk kip aanbiedt dat hij net uit aluminiumfolie heeft gehaald.

    Hij bood me de kip aan uit beleefdheid. De vraag stelde hij uit openlijk wantrouwen. ‘Maak je geen zorgen, ik ben geen politieagent,’ zeg ik tegen hem. Ik haal mijn perskaart tevoorschijn. Afrim veegt zijn vingers af en bekijkt hem met oprechte nieuwsgierigheid. De gedachte komt bij me op dat mensen in dit café waarschijnlijk al veel dingen uit hun zak hebben gehaald, maar dat dit vast en zeker de eerste keer was dat het om een kaart van de Internationale Federatie van Journalisten ging. Het lijkt enig effect te sorteren.

    mrika selimi bwSYcD0okkM unsplash kopie
    © Unsplash

    ‘Wat de mensen sturen? Nou, van alles. Documenten vooral,’ zegt Afrim. ‘Papieren voor pensioenen in het noorden, in Belgrado, voor degenen die vóór de oorlog in bedrijven werkten, voor onroerend goed, als iemand iets verkoopt in Kosovo. Medicijnen. Mensen sturen ook geld. Mobiele telefoons, kleren. Van alles en nog wat.’

    ‘Hebben jullie weleens problemen?’ vraag ik. Afrim werpt me een scherpe blik toe. Weer die achterdocht. Zijn collega Edin voegt zich bij het gesprek: ‘Het gebeurt weleens dat mensen niet komen opdagen om hun spullen op te halen. Of ze vragen ons ergens anders op hen te wachten… Maar hoe kan ik in godsnaam wachten?’

    ‘Wat gebeurt er dan met die pakjes?’

    ‘We brengen ze terug naar het bureau en de afzender haalt ze daar dan weer op.’

    ‘Komt het weleens voor dat niemand ze ophaalt?’ Terwijl ik die vraag stel, zie ik ineens een magische antiekwinkel voor me, met her en der allerlei voorwerpen die mensen in de loop der jaren zijn vergeten, elk met zijn eigen geschiedenis, zijn gewone en ongewone verhaal… 

    In die halve of hele minuut lijk je meer vertrouwen op te bouwen dan ooit mogelijk zou zijn met een postmedewerker

    Mijn gedachtespinsels worden ruw onderbroken door Afrim: ‘Nee, nooit. Er komt altijd iemand. Kom, laten we gaan.’

    Het versturen van pakjes per bus of taxi, per chauffeur, vriend of kennis, is een van de meest functionele sociale uitvindingen op de Balkan. Het gaat net zo snel als een auto of bus. En voor een plek waar treinverbindingen zijn vernield en vliegverbindingen domweg zijn opgeheven, is het de snelste manier om dingen te versturen en te ontvangen.

    Eén specifieke persoon – de chauffeur, vriend of kennis – zorgt voor de levering. Het is iemand die je kent of die je op z’n minst een keer hebt ontmoet, iemand die je ooit een hand hebt gegeven en met wie je een paar woorden hebt gewisseld. In die halve of hele minuut lijk je meer vertrouwen op te bouwen dan ooit mogelijk zou zijn met een postmedewerker achter een loket met reclamefoto’s van gele busjes die altijd op tijd zijn.

    Wie vertrouwt u meer, een bedrijf met een slogan die garandeert dat uw zending binnen 48 uur wordt geleverd, en die u de mogelijkheid biedt uw zending te volgen via een speciale code? Of een chauffeur die op de vraag ‘Wanneer komt het ongeveer aan?’ – die u voorzichtig uitspreekt, om maar niet de indruk te wekken dat u hem opjaagt, hij heeft tenslotte alle recht om zijn eigen schema aan te houden – eerst in de verte kijkt, dan een trek van zijn sigaret neemt en ten slotte rook uitblazend zegt: ‘Dat hangt van de spits af, maar niet voor negen uur’? En dan noemt zo iemand altijd een te vroeg tijdstip; beter dat jij moet wachten dan de hele bus.

    Op een of andere manier kiezen verbazingwekkend veel mensen in de Balkan voor optie 2.

    Regels

    En dan is er nog de kwestie van de prijs.

    Wanneer je iets per post verstuurt, zijn er een aantal relevante criteria: het gewicht van het voorwerp, de waarde ervan en de afstand en snelheid van de bezorging. Websites en apps van de post staan vol gedetailleerde tabellen en berekeningen waarmee je de prijs tot op de cent kunt berekenen. Maar hoe dan ook is die prijs meestal vrij hoog. Als je een pakket van een halve kilo van Servië naar Bosnië wilt sturen, zonder retourformulier, speciale bezorging of luchttransport, kost dat je ongeveer 18 euro. Wil je dat pakket via DHL in Kosovo krijgen, dan is de prijs ongeveer 50 euro.

    Verstuur je het op de informele manier, dan stap je het domein binnen van een magisch Balkanritueel dat wordt begrensd door duidelijke regels waarbinnen absoluut niets duidelijk is. Wanneer een vriend of kennis een pakje meeneemt, staat het aanbieden van geld voor die dienst ongeveer gelijk aan het vervloeken van hun moeder. Er is een ongeschreven regel dat je de helper uitnodigt voor een glas vruchtensap of een kop koffie, maar wel tactvol. Het moet lijken alsof je hem niet alleen maar uitnodigt omdat hij je heeft geholpen, maar omdat je echt graag iets met hem wilt drinken.

    Tegelijkertijd wordt haast verwacht dat de ander het aanbod zal afslaan, omdat geen van jullie tijd of zin heeft om iets te gaan drinken. Als jullie samen een drankje hadden gewild, zouden jullie dat wel hebben gedaan, ook zonder pakjesbezorging. Maar zonder dat drankje sta je wel in het krijt bij de helper. Mocht je ooit iets doen wat de persoon in kwestie niet zou bevallen, dan zal die overal rondbazuinen hoe dwaas het was om jou te helpen!

    Bij buschauffeurs liggen de zaken iets anders. Elke dag, soms twee keer per dag, vervoeren zij pakketten over de grens, waarmee ze een risico nemen (hoewel: ze controleren vaak wat erin zit, en als het er illegaal of gevaarlijk uitziet of gemakkelijk kan breken, zullen ze het weigeren, ongeacht hoeveel geld ze aangeboden krijgen). Ze houden zorgvuldig bij wat ze meenemen, voor wie, en waar mensen hen opwachten. Ze schrijven namen en telefoonnummers op, bellen afzenders vanaf slecht verlichte haltes langs de snelweg en maken ruzie met mensen die te laat zijn of gewoon vergeten zijn hun pakje op te halen.

    Kol’ko daš

    Sommigen rekenen het equivalent van een volledig buskaartje, anderen de helft. Bij weer anderen mag je zelf de prijs van de dienst bepalen.

    En zo komen we bij de waardevolle sociale regel kol’ko daš: zoveel als je kunt geven. Zoals met alles in deze regio is deze regel niet wat hij lijkt. Op het eerste gezicht staat het je vrij om de waarde van de dienst zelf te beoordelen. Maar eigenlijk maak je vooral een inschatting van de andere kant van de transactie, namelijk: met welk bedrag kun je voorkomen dat de ander zich beledigd voelt? Daarom betaal je vaak meer dan de dienst werkelijk waard is.

    Maar toch is het nog altijd goedkoper dan de post, en oneindig veel leuker.

    We hebben een strak schema, maar Rada staat een snelle pauze toe bij het tankstation, omdat iemand naar het toilet moet. Ik maak van de gelegenheid gebruik om een sigaret te pakken, of liever gezegd, dat was mijn plan, maar ik realiseer me dat mijn sigaretten op zijn. Gelukkig heb ik een slof Drina-sigaretten meegenomen om aan mijn vriend Bojan uit Belgrado te overhandigen. Hij vindt het vast niet erg.

    De termen Drina en Sarajevo spelen een belangrijke rol in zijn leven, en niet alleen vanwege de sigaretten. Bojan behoort tot een kleine groep journalisten in Servië die consequent blijven schrijven over de Servische oorlogsmisdaden in Bosnië in de jaren negentig. Elke week ontvang ik links naar artikelen die, vrees ik, bijna niemand leest.

    Maar Bojan geeft niet op. Hij werkt momenteel aan een documentaire over de Belgrado-kring, een groep liberale intellectuelen en vredesactivisten die begin jaren negentig in opstand kwamen tegen het regime, de oorlogen en de misdaden van Milošević. Dertig jaar later is er zelfs geen verre echo van hun stemmen meer te horen in de Servische politiek. De groep is nu slechts een herinnering in het hoofd van een kleine kring van toegewijden.

    Als we door Romanija rijden, heb ik het gevoel dat we een van zijn verhalen betreden. We begeven ons in de prachtige natuur van Oost-Bosnië. Op verkeersborden staan plaatsnamen die herinneren aan de gruwelijkste episoden uit de oorlog, plekken waarover velen in Servië alleen maar hebben gehoord via de getuigenissen in Den Haag. Ze staan symbool voor bloed-baden, verkrachtingen en etnische zuiveringen. Hier, vlak voor Sokolac, vinden we de afslag naar Rogatica. Je reist omhoog tot Han Pijesak, dan ga je naar Vlasenica, Milići en Zvornik, en als je vanuit Zvornik naar het zuiden zou reizen, zou je Srebrenica bereiken.

    Uiteindelijk bereiken we de Drina. 

    ‘Vroeger rookte ik Yorks uit Rovinj,’ vertelt Bojan, ‘maar toen werden in 1991 alle banden met Kroatië verbroken. Dus stapte ik over op Drina’s.’

    Slechte beslissing, Bojan, want de banden met Bosnië duurden ook niet veel langer. Begin deze eeuw begon hij ze weer te roken in Sarajevo. Bojan houdt van Sarajevo; soms verdwijnt hij daar gewoon, en dan komt hij levendiger dan ooit terug.

    lona GkwxXKGDV3Y unsplash kopie
    © Unsplash

    En waarom breng ik hem Drina’s, zijn die er dan niet in Belgrado? In maart 2022 sloot de honderdveertig jaar oude tabaksfabriek van Sarajevo, in een land waar bijna een derde van de volwassen bevolking bestaat uit hartstochtelijke rokers. Er zijn echter nog steeds voorraden oude Drina’s, en Bojan wil ze roken zolang ze er nog zijn.

    Zou je ongeveer hetzelfde kunnen zeggen over de Belgrado-kring? De anti-oorlogsgedachte in Servië is verdwenen en we roken al jaren de voorraden op. Maar ook die slinken.

    Einde van de wereld

    De tijd dat het oversteken van de grens bij Merdare spannend was – zowel voor Serviërs bij de Kosovaarse controlepost als voor Albanezen bij de Servische controlepost – is voorbij. Toch wordt het op de een of andere manier altijd wat stiller in de bus als deze Kuršumlija nadert; de sfeer wordt grimmig en gespannen. Een duister voorgevoel. Misschien draagt het verlaten landschap om ons heen daaraan bij. Lege velden, lege straten, lege huizen. En een volledig verlaten weg, die naar het einde van de wereld lijkt te leiden.

    Hier en daar zie je op borden langs de weg Albanese plaatsnamen: Kastrat, Ljuša. Ook het dorp Arbanaška ligt in de buurt. Maar hier wonen al lang geen Albanezen meer. Op een heuvel bij Degrmen, op twee kilometer van Merdare, verrijzen de donkere ruïnes van de kerk van Beć, die vanaf 1912 werd gebouwd met geld van Servische immigranten uit de Sandžak, Montenegro en Zubin Potok. Die vestigden zich op het land van de Albanezen en Turken die na de Servisch-Ottomaanse oorlog van 1876 naar Kosovo waren gevlucht. Door de armoede na de Eerste Wereldoorlog werd de bouw van de kerk uitgesteld tot betere tijden, die nooit kwamen. Er zijn hier ook niet veel Serviërs meer; de beschadigde weg naar het mythische Kosovo voert door een van de armste gemeenten van Servië.

    In doodse stilte verzamelt hij onze ID-kaarten en sorteert ze zorgvuldig in zijn handpalm, en gaat dan naar buiten

    Een oproep in het Servisch en Albanees galmt door de bus: ‘Houd uw identificatiebewijs gereed!’ Omdat Servië en Kosovo elkaar niet erkennen, zijn paspoorten voor Kosovaarse en Servische burgers hier ongeldig. Eerst komt de Servische politieagent binnen. In doodse stilte verzamelt hij onze ID-kaarten en sorteert ze zorgvuldig in zijn handpalm, en gaat dan naar buiten. Na de controle geeft de chauffeur onze kaarten terug, maar algauw komt de Kosovaarse politieagent binnen en begint de hele procedure opnieuw.

    Plots is er een probleem. De douane-beambte blijft rond de achterbak hangen. Hij maakt ruzie met de bestuurder en laat hem iets zien. De passagiers aan de rechterkant van de bus staren naar hem, de passagiers aan de linkerkant staren aandachtig naar die aan de rechterkant, omdat ze de douane-beambte niet kunnen zien. Wat heeft hij gevonden? Zullen ze ons doorlaten? Diep weggestopte angsten komen boven. Plotseling weten we dat alles mogelijk is.

    De chauffeur schudt zijn hoofd. De douanier schudt ook zijn hoofd. Het is alsof hij hier niets mee te maken wil hebben. Hij slaat de deur van de kofferbak dicht. Ik heb het gevoel dat we allemaal weer kunnen ademen.

    We rijden Kosovo binnen. Nu zien we borden met Servische plaatsnamen, maar geen Serviërs.

    Belgrado, eind mei.

    Lula begroet me op de binnenplaats van een oude villa in het centrum van de stad. Op straat heerst een helse middagdrukte. Op de binnenplaats, vol tere rode en gele bloemen, is het volledig stil.

    Lula lijkt in veel opzichten op die villa: elegant, triest en naar binnen gekeerd. ‘Ik ben al lang niet meer buiten geweest,’ zegt ze tegen me. ‘Dit is mijn stad niet meer.’

    De brief en de tas zijn netjes en op tijd bij haar afgeleverd. Ik besluit niet te informeren naar de inhoud van de enveloppe. Ik neem aan dat er een reden voor was dat hij verzegeld was. Maar ik kan het niet laten om te vragen naar de zak met het mysterieuze poeder.

    Mix voor soep

    ‘Tarhana,’ lacht Lula. ‘Een mix voor soep. Mijn tante Ešrefa uit Travnik bereidt dit voor me, en stuurt het via mijn neef. Ze bereiden het anders in Servië. Ook lekker, maar die van haar vind ik lekkerder. In Servië zeggen ze meestal “tarana”, omdat ze hier niet van die “h” houden – die is overgenomen uit het Turks. Net als in Bosnië begonnen ze hem in te voegen op plaatsen waar hij niet thuishoort.’ 

    We zitten in restaurant Kraljevo, niet ver van een grote parkeerplaats aan de Sarajevska-straat in Belgrado, waar Rada normaal gesproken passagiers oppikt en afzet. Waar anders?

    Ze heeft de hele dag in de auto gezeten en is erg moe, maar ze heeft tijd om te praten. Ze vertelt me dat ze de laatste tijd vaak flauwvalt. Laatst kwam ze amper de auto in, maar ze gaf niet op. 

    Aan Marko, die de vrouw bij wie hij mocht onderduiken in de oorlog maar spullen blijft sturen – bonen, paprika’s, walnoten, kajmak [een soort zure room], een pot honing en 50 of 100 euro – vroeg Rada eens of het niet veel makkelijker zou zijn om haar het geld te sturen, zodat ze het eten zelf kan kopen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘dat heb ik geprobeerd, maar ze is blij als ze die doos kajmak ontvangt en dan kan zeggen: “Kijk eens wat mijn lieve Marko me heeft gestuurd.”’ 

    En toen begreep ik het eindelijk. Spullen reizen niet, mensen wel. Als mensen niet kunnen reizen, sturen ze spullen. Maar zelfs dan zijn het eigenlijk niet de spullen die reizen, maar de gevoelens van die mensen.

  • EU adviseert coronamaatregelen voor reizigers uit China

    EU adviseert coronamaatregelen voor reizigers uit China

    » Zeker 35 doden bij zelfmoordaanslagen Somalië

    » Duizenden politieke gevangenen in Belarus in 2022

    De EU verplicht echter niemand om beperkingen in te voeren

    EU-lidstaten worden sterk aangemoedigd om coronamaatregelen tegen reizigers uit China te nemen. Dat schrijft persbureau AP. De landen worden echter nog niet verplicht reisbeperkingen op te leggen.

    In China woedt een zware uitbraak van het coronavirus. EU-landen als Italië, Frankrijk en Spanje hebben al op eigen houtje maatregelen genomen. Zo moeten reizigers uit China die aankomen in Italië een negatieve coronatest kunnen overleggen. Op Schiphol kregen reizigers uit China woensdag zelftests aangeboden, al was het niet verplicht deze tests daadwerkelijk te doen.

    Chinese autoriteiten lieten eerder weten tegen dergelijke beperkingen te zijn en dat tegenmaatregelen genomen kunnen worden als de hele EU bijvoorbeeld verplichte tests invoert. Volgens het land komen de coronavarianten in China al voor in Europa. Ook de luchtvaartindustrie is tegen verregaande beperkingen.

    In de EU bestaat vrees dat er in China nieuwe coronavarianten rondgaan. Er wordt niet uitgesloten dat het advies op een later moment verandert in een verplichting. Naast het advies om te testen voor vertrek, raadt het landenblok aan om weer mondkapjes in te voeren op vluchten en na aankomst streekproefsgewijs te testen.

    Lees ook:

  • Uruguay wil stoppen met verplicht testen voor gevaccineerde reizigers

    Uruguay wil stoppen met verplicht testen voor gevaccineerde reizigers

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ten minste vijf doden bij aanslagen in de buurt van Tel Aviv

    » Wapenstilstand in Jemen tijdens ramadan

    Maatregel moet toerisme een boost geven

    De Uruguayaanse minister van Toerisme Tabaré Viera heeft zijn collega van Volksgezondheid, Daniel Salinas, gevraagd om de mogelijkheid te bekijken om inkomende reizigers die volledig zijn gevaccineerd tegen corona niet langer te verplichten tot testen, bericht MercoPress.

    Hoe eerder die maatregel van kracht wordt, hoe beter voor het toerisme, aldus Viera. ‘Ik denk dat alle parameters aangeven dat de omikrongolf rond eind maart en de eerste helft van april zal afnemen’, zei Salinas vorige week. De verwachting is dan ook dat in april aan het verzoek van Viera zal kunnen worden voldaan, zo heeft het ministerie van Volksgezondheid laten weten.

    Lees ook:

  • Taliban: Afghaanse vrouwen mogen niet meer alleen vliegen

    Taliban: Afghaanse vrouwen mogen niet meer alleen vliegen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Italië: ernstige droogte in het Po-gebied

    » Abramovitsj en Oekraïense onderhandelaars mogelijk vergiftigd

    Nieuwe beperkingen voor vrouwen in Afghanistan

    Wil een Afghaanse vrouw vliegen, dan moet ze vanaf vandaag vergezeld worden door een man. ’Vandaag is de laatste keer’ dat Afghaanse vrouwen alleen aan boord kunnen, noteerde het Indiase dagblad The Hindustan Times afgelopen maandag. Eind december hadden de taliban Afghaanse vrouwen al verboden om reizen van meer dan 72 kilometer door het land te maken als ze niet vergezeld waren van een mannelijk familielid.

    Deze nieuwe beperking komt een paar dagen na het besluit van de taliban om middelbare scholen voor meisjes te sluiten, net na de heropening die echter al ver van tevoren was aangekondigd.

    Lees ook:

  • Japanse grenzen na twee jaar op een kiertje

    Japanse grenzen na twee jaar op een kiertje

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Sean Penn maakt documentaire over Russische invasie van Oekraïne

    » Poolijs smelt sneller door roetvervuiling van bezoekers

    Japan gaat grenscontroles versoepelen

    Japan gaat de strikte grenscontroles versoepelen, na kritiek van studenten, arbeiders en familieleden die in feite al twee jaar hun land niet binnen kunnen. De maatregelen, die de toegang beperkten van zowel Japanse burgers als terugkerende buitenlandse ingezetenen, troffen zo’n 150.000 studenten, en leidden tot beschuldigingen door politici en ondernemers aan het adres van premier Fumio Kishida dat ze de economie en het internationale imago van het land schaden, schrijft The Guardian.

    Japan versoepelde de regels vorig jaar even, maar scherpte ze in november weer aan in een poging de verspreiding van de besmettelijke omikronvariant tegen te gaan.

    De openstelling zal stapsgewijs gaan en is niet van toepassing op toeristen. Het aantal mensen dat dagelijks zal worden toegelaten stijgt van vijfendertighonderd naar vijfduizend. De duur van de quarantaine wordt verlaagd van een week naar drie dagen voor mensen met een negatief testresultaat en een bewijs dat ze een boostervaccin hebben.

    Lees ook:

  • Nederlandse CEO Brisbane Airport: ‘Australië met 1-0 achter’

    Nederlandse CEO Brisbane Airport: ‘Australië met 1-0 achter’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Afrikaanse president belooft actieplan tegen corruptie

    » WHO: Afrika is klaar om te leren leven met het virus

    Gert-Jan de Graaff roept op tot versoepeling

    Gert-Jan de Graaff, de Nederlandse CEO van Brisbane Airport, de op twee na drukste luchthaven van Australië, verwacht dat het binnenlandse vliegverkeer dit jaar terugkeert op precoronaniveau, maar is vooralsnog somber over het internationale vliegverkeer. In zijn thuisstaat Queensland ging normaal gesproken zo’n 28 miljard Australische dollar, circa 17,6 miljard euro, om in de toeristenindustrie. De Graaff rekent erop dat het drie tot vijf jaar zal duren voordat het internationale verkeer naar Brisbane volledig is hersteld.

    ‘Luchtvaartmaatschappijen moesten noodgedwongen inkrimpen en moeten nu weer opbouwen. De meeste andere landen zijn al open; wij lopen één-nul achter,’ zei hij tegen Sydney Morning Herald. Momenteel mogen alleen Australiërs en inwoners van Singapore, Zuid-Korea, Japan en Nieuw-Zeeland, naast een handvol overige visumhouders, Australië in. De Graaff pleit ervoor dat het land de komende weken opengaat voor gevaccineerde en geteste bezoekers. ‘We zijn hier voorbij de omikronpiek. Ik denk niet dat er veel extra risico’s zijn.’

    Lees ook:

  • Zonder quarantaine naar Singapore

    Zonder quarantaine naar Singapore

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Italiaanse senator geschorst om vaccinatiebewijs

    » Israël: hackers publiceren gegevens van lhbtq-datingsite

    Nederlanders hoeven bij aankomst in Singapore niet in quarantaine

    Singapore verwelkomde op woensdag 20 oktober de eerste reizigers van Singapore Airlines-vluchten uit Amsterdam en Londen in het kader van wat een ‘quarantaine-vrij’-programma wordt genoemd. Luchtvaartknooppunt Changi beschouwt het als een grote stap in de richting van normalisering van het internationale luchtverkeer, schrijft AsiaOne.

    ‘Vaccinated Travel Lines’, aparte stroken voor gevaccineerde reizigers, zijn nu open voor reizigers uit Canada, Denemarken, Frankrijk, Italië, Nederland, Spanje, Groot-Brittannië en de VS, die Singapore zonder quarantaine binnen mogen. Aankomsten uit Duitsland en Brunei waren al toegestaan.

    Overigens gaven de Verenigde Staten de stadstaat deze week het hoogste risiconiveau vanwege de sterke stijging van het aantal besmettingen.

  • Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Het toerisme van de toekomst: langzamer, milieuvriendelijker, minder

    Ook vóór corona was het al duidelijk: als we natuur en steden willen sparen, moeten we onze manier van reizen gaan veranderen. Maar hoe?

    In een niet al te verre toekomst zullen we net zo naar ons reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin ongeremd gerookt en gedronken wordt en het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft: ging dat toen echt zo?

    Eerlijkheidshalve zouden we dan moeten toegeven: ja, dat ging toen zo en niemand die er zich druk over maakte. Mij zouden dan bijvoorbeeld mijn reizen in het jaar 2019 te binnen schieten: in maart bewonderde ik op de Lofoten het noorderlichttheater, in de zomer stroopte ik enkele eilanden van de Cycladen af en tot slot laste ik nog een weekendje weg naar Porto in, waar we onszelf warmdronken in de kilte van de vroege herfst. Tussen die vakanties door was ik achtmaal op dienstreis – met het vliegtuig. Met al dat gereis zou ik 2019 kwalificeren als een heel normaal jaar – het laatste voordat de wereld tot stilstand kwam.

    Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen in 2019 1,5 miljard boekingen

    In dat jaar brak het mondiale toerisme alle records. Nooit eerder werd er zo vaak bezichtigd, bereisd en verwelkomd. Wereldwijd registreerden hoteliers en exploitanten van vakantiehuizen 1,5 miljard boekingen, terwijl toerismeonderzoekers zelfs een verdere stijging naar 1,8 miljard voor mogelijk hielden. Elke anderhalve seconde steeg er wel ergens op onze planeet een vliegtuig op om nieuwsgierigen zoals ikzelf af te zetten in toeristische bestemmingen als New York, Barcelona of Praag – even gewoon als een busreisje en dankzij de prijsvechters niet eens veel duurder. De wereld van 2019 was een onbegrensd draaiende vliegcarrousel.

    DO 2.1 1

    Tegelijkertijd was 2019 het jaar waarin we waarschuwingssignalen dat het zo niet verder kon nog maar moeilijk over het hoofd konden zien. Of het nu de door cruiseschippassagiers geplaagde binnenstad van Dubrovnik in Kroatië betrof of de verstopte toegangswegen naar de Walchensee in Beieren, toeristische hotspots herkenden we aan de fluitconcerten van geïrriteerde autochtonen, aan ‘tourist go home’-graffiti en aan de nare diagnose overtourism in de media. In Europa’s warmste jaar sinds de start van de weerregistraties werden wij, frequent travellers, om de oren geslagen met het begrip ‘vliegschaamte’; circa 80 procent van de reis-gerelateerde CO2-emissies wordt veroorzaakt door vliegreizen naar onze plekken van bestemming.

    Toerismecarrousel

    Toen kwam covid-19. De pandemie legde de toerismecarrousel die tot dan toe voor een soort van mensenrecht was doorgegaan, stil. Als was het een gigantische parkeerklem. Bij nader inzien was de pandemie echter geen rem maar een turbo. ‘Overtoerisme, milieubescherming, duurzaamheid – de coronacrisis werkt als vliegwiel voor ontwikkelingen die toch al vraagtekens plaatsen bij het massatoerisme,’ zegt Alexis Papathanissis, hoogleraar toerismemanagement aan de hogeschool van Bremerhaven. 180 jaar nadat de Engelsman Thomas Cook reizen begon te organiseren en het toerisme onze aarde begon te belasten, moeten we het radicaal heruitvinden.

    Maar als onze oude manier van reizen niet langer functioneert, hoe zou een nieuwe er dan uit kunnen zien? Want helemaal niet meer reizen kan geen oplossing zijn. Reizen voorziet in een essentiële behoefte – waarvan je je net als bij de liefde pas goed bewust bent als het er ineens niet meer is. Juist nu is het verlangen heftig: nog maar net ingeënt trekken waarschijnlijk massa’s mensen binnenkort de wijde wereld in. De prijsvechters breiden hun vloot al uit.

    Maar hoe zou het toerisme er na de gevreesde post-coronaparty dan wel moeten uitzien? Ik maak afspraken met een trendonderzoeker, een avonturier, een toerisme-expert en een klimaatdeskundige – mensen van wie ik antwoorden hoop te krijgen op vragen als: hoe zullen we over vijf of tien jaar op reis gaan? Mag dat eigenlijk nog wel? Hoe kunnen we onze wereld verkennen zonder een verschroeide aarde achter te laten?

    Wie in de toekomst kijkt, moet eerst weten waar hij staat. Daarom vraag ik Nikolaj Koch: Welk effect heeft een jaar met veel reizen zoals dat van mij, op het klimaat? De 38-jarige Koch is klimaatexpert bij Arktik in Hamburg, een organisatie waar je je eigen CO2-uitstoot kunt berekenen en compenseren.

    Koude douche

    Kochs conclusie blijkt een nog koudere douche dan ik al vreesde. Met mijn CO2-voetafdruk heb ik veel weg van een bankier bij Lehman Brothers kort voor het begin van de financiële crisis – het type tot wie nog niet is doorgedrongen hoe megafailliet hij eigenlijk is. Tijdens de 5800 kilometer die ik in 2019 achter het stuur zat, stootte mijn Volvo volgens Kochs berekeningen ongeveer 1300 kilo broeikasgas uit. Hierbij vergeleken vielen mijn 2500 treinkilometers met 90 kilo aan broeikasgassen in het niet. Maar de elf vliegreizen deden het pas echt: het stedentripje naar Porto, mijn vakantietrips naar de Lofoten en Griekenland, samen met een paar businessvluchten binnen Duitsland, veroorzaakten – zo rekende Koch mij voor – bij elkaar een wolk van circa 6800 kilogram CO2. Al met al had ik dus in de loop van het jaar onze klimaatzieke planeet met ruim acht ton kooldioxide opgezadeld – alleen al door mijn mobiliteit. Vanuit klimaatoptiek bezien sta ik sindsdien diep in het rood. ‘Acht ton is meer dan dubbel zoveel als waar een aardbewoner jaarlijks recht op heeft,’ zegt klimaatexpert Koch. En wat nog veel erger is: de mede door mij geproduceerde kooldioxide zal nog in de atmosfeer aanwezig zijn als ik mij allang niet meer aan een of andere vertrekgate meld maar in plaats daarvan voor het avondeten in het verzorgingshuis. Toeristen mogen dan graag bagatelliseren dat het vliegverkeer verantwoordelijk is voor slechts 3 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot – als we eerlijk het staartje aan condensstrepen, zwavel- en stikstofoxiden en het effect daarvan meerekenen, valt de bijdrage van het vliegverkeer aan de opwarming van de aarde minimaal tweemaal zo hoog uit. Die 6 procent CO2-last weegt nog weer zwaarder als we ons realiseren dat maar ongeveer 5 à 10 procent van de wereldbevolking überhaupt vliegt.

    Wij, de piepkleine minderheid van wereldwijde topverdieners, hebben dus een uiterst sterke hefboom in handen die in de toekomst voor de resterende 90 procent van de wereldbevolking een merkbaar verschil kan maken. ‘Onze huidige uitstoot van kooldioxide zal negatief uitwerken op de leefomstandigheden van honderden miljoenen mensen,’ zegt Volker Quaschning, hoogleraar hernieuwbare energiesystemen aan de Hogeschool voor Techniek en Economie in Berlijn. Hij onderzoekt hoe onze energiehuishouding eruit zou moeten zien, willen we het klimaat op aarde niet volkomen ruïneren. In het kort komt dat hierop neer: het moet radicaal anders. ‘Overstromingen, droogte, voedselgebrek, gezondheidsschade en andere gevolgen van onze klimaatverandering zullen generaties na ons nog treffen,’ waarschuwt professor Quaschning.

    Electrofuels

    Bieden de zogeheten electrofuels waarmee de luchtvaartindustrie op een dag klimaatneutraal hoopt te worden, dan misschien een oplossing? De expert in hernieuwbare energiebronnen heeft er weinig fiducie in. Weliswaar kunnen zulke synthetische vliegtuigbrandstoffen inderdaad via wind- of zonnestroom en daarmee CO2-neutraal geproduceerd worden, maar de productie ervan vergt helaas extreem veel energie – meer dan 80 procent daarvan gaat onderweg verloren – en is acht à negen keer zo duur als de productie van conventionele kerosine. Quaschning: ‘Er gaan nog heel wat jaren overheen voor electrofuels inzetbaar en betaalbaar zijn, als dat ooit al het geval zal zijn. Tot dat moment is en blijft het vliegtuig het schadelijkste transportmiddel voor het klimaat’. 

    En compenseren? Dat levert te weinig op. Dus besluit ik ter plekke tot een eigen aanpak. In plaats van voor stedentrips het vliegtuig te nemen, ga ik voortaan vaker met de trein en op de fiets; verplaats ik zakenafspraken van de ochtend naar de middag om niet met de ochtendvlucht maar met de trein te kunnen komen. En mijn volgende vakantie naar Italië maak ik met een van de nachttreinen die de Oostenrijkse spoorwegen net als vroeger door Europa laten rollen. In de toekomst moeten dat er duidelijk meer worden: met de Franse en Duitse collega’s werken de Oostenrijkers aan een netwerk van snelle treinverbindingen dat voor het eind van dit decennium een flink aantal Europese metropolen met elkaar moet verbinden.

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – zou de komende jaren weleens mainstream kunnen worden

    Langzamer, milieuvriendelijker, minder – al die oude reisadviezen zouden de komende jaren weleens mainstream kunnen worden. Want de nood groeit – en het bewustzijn ook: het hoeft niet noodzakelijkerwijs af te doen aan ons plezier wanneer we op onze weg door de wereld wat meer verantwoordelijkheid op ons zouden nemen. Het vereist alleen wat meer denkwerk. Maar dat leidt meteen tot de volgende ongemakkelijke vraag: wat leveren al die inspanningen op als we gewoon met te veel mensen zijn?

    De toerist ‘vernietigt wat hij zoekt door het te vinden,’ stelde schrijver Hans Magnus Enzensberger droogjes vast. Geen wonder dat ze ons op veel plaatsen niet meer willen, in elk geval niet in de hoeveelheden die goedkope luchtvaartmaatschappijen, cruiseschepen en busondernemingen neerkiepen bij de poorten van de hotspots. Bewoners vluchten voor maandhuren die als gevolg van het toerisme onbetaalbaar zijn geworden, hun manier van leven bezwijkt onder de massa’s. Waar lokale toerismemanagers vroeger zoveel mogelijk betalende gasten naar hun bestemming probeerden te lokken, willen ze ons nu zo efficiënt mogelijk spreiden. De fraaie aansporing van de bestseller 1000 Places to See Before You Die heeft op termijn als neveneffect dat de ‘plaatsen die je gezien moet hebben’, langzaam sterven.

    In Barcelona, waar het aantal van 1,7 miljoen bezoekers in 1990 explosief steeg naar dertig miljoen in 2019, worden al geruime tijd geen nieuwe hotels in de binnenstad meer toegestaan en aan de ooit wild voortwoekerende Airbnb-business worden boetes tot wel 30.000 euro opgelegd. Bergen beknot het aantal cruiseschepen dat deze Noorse havenstad mag aandoen, Venetië strijdt nog over een oplossing voor de plaag van drijvende SUV‘s. Amsterdam probeert de toeristische stortvloed van 18 miljoen bezoekers per jaar om te leiden naar minder belaste gebieden, bijvoorbeeld door het 30 kilometer verderop gelegen Zandvoort om te dopen tot Amsterdam Beach.

    Met zulk soort maatregelen kan lokaal mogelijk de grootste stormloop het hoofd worden geboden. Maar wat wanneer de groeiende middenklasse in China, Rusland, India en Brazilië haar koffers pakt en op reis gaat – miljoenen mensen met net zoveel recht op het San Marcoplein, het noorderlicht en het strand van de Cycladen als wij? In China is slechts 10 procent van de bevolking in het bezit van een paspoort maar dit minieme aandeel correspondeert wel met zo’n honderd miljoen potentiële Venetië-gangers.

    Om het groeiende concentratierisico van toeristen van zijn scherpe kantjes te ontdoen, is er duidelijk meer nodig dan wat onbeholpen inreisbeperkingen. Een man die aan zulk soort alternatieve ideeën knutselt, is Guido Sommer, hoogleraar toerismemarketing aan de Hogeschool van Kempten. En een oplossing heeft hij al in zijn zak zitten.

    BayernCloud

    Opgewekt blikt Sommer me op een ochtend via het Zoom-venster op mijn laptop tegemoet. ‘Ziet u dit hier?’ vraagt de 47-jarige wetenschapper terwijl iets uit zijn broekzak frommelt. ‘Het zou weleens een oplossing voor het probleem van het overtoerisme kunnen betekenen.’ Hij houdt zijn iPhone voor de camera. Onze smartphones, zo licht hij toe, wacht een grote carrière in het toerisme. Van een simpel communicatiemiddel waarmee we onderweg hotelprijzen, weersverwachting, alternatieve routes en openingstijden bijeen googelen ontwikkelt het mobieltje zich tot reisgids, reisbureau en risicomanager ineen. Dat wordt mogelijk dankzij een nieuw soort databanken waarin meteorologische diensten, hoteliers, skiliftexploitanten en andere ondernemers in de toeristenbranche voortaan in realtime hun data invoeren. Zo’n centraal informatiebureau is de BayernCloud die momenteel aan Sommers hogeschool wordt ontwikkeld. Al vanaf de zomer van 2022 moet het als een alwetende datawolk boven Beieren zweven. Soortgelijke datacentra ontstaan momenteel op allerlei plaatsen op aarde omdat ze immers een duidelijke meerwaarde te bieden hebben: alle voor toeristen relevante informatie in één enkele, uiterst actuele databron die afgetapt kan worden via één enkele app en een klein apparaatje dat ieder van ons gemiddeld 80 maal per dag ter hand neemt.

    ‘U vindt dat weinig spectaculair klinken?’ vraagt Sommer die mijn licht ontnuchterende blik kennelijk niet ontgaan is. ‘Het is wel degelijk revolutionair.’ Want met kunstmatige intelligentie gevoerde data-aggregators, zoals de BayernCloud, bieden reizigers twee niet te overtreffen voordelen: ze verklappen ons niet alleen de actuele omstandigheden op onze bestemming maar ook de situatie in de nabije toekomst. En nog fascinerender: ze kunnen die toekomst zelfs in positieve zin voor ons veranderen.

    Met slimme reisbegeleiders zullen we intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn

    ‘Neem mij bijvoorbeeld,’ zegt Sommer. Hij vertelt over zo’n typische zaterdagochtend in de winter als hij vanuit zijn woonplaats Kempten in de auto stapt om te gaan skiën in de Allgäuer Alpen. Helaas doen op zonnig-koude zaterdagen met verse sneeuw veel Kemptenaren dat. Niet zelden staat Sommer daarom korte tijd later al in de file, geïrriteerd dat hij toch niet vroeger is vertrokken, en verdoet hij op de plaats van bestemming kostbare minuten met het zoeken van een parkeerplaats om tegen het middaguur op het Oberjoch of de Fellhorn zijn eerste bochtjes te draaien. Dan is hij al een typische toerist; zo eentje die opgefokt is van te veel mensen die hetzelfde willen als hij.

    Maar volgend jaar winter zou dat heel anders kunnen zijn. Met zijn gedownloade BayernCloud kan Sommer al aan de ontbijttafel de voorziene drukte op de parkeerplekken en de rijen voor de skiliften zien – en wel op het moment dat hij denkt aan te komen. Als de sensoren onder de parkeerterreinen en bij de skiliften een cruciale belasting aangeven doet zijn app, nog voor hij in zijn auto is gestapt, al voorstellen voor minder volle alternatieven. ‘Smart assistents als deze zullen ons’ volgens Sommer ‘in de toekomst van onze eerste plannetjes tot aan de ervaring ter plekke op elke fase van onze reis begeleiden’.

    Hoe meer de algoritmes hierbij leren over onze favoriete activiteiten en doelen, hoe preciezer ze een ons passend aanbod kunnen doen. Als de skipistes rond Oberstdorf naar verwachting overvol worden, kunnen ze multisporter Sommer een weinig geboekte skitocht voorstellen of een cursus deltavliegen in het nabije Sonthofen, vanwaar de meteorologische dienst op de app juist een fantastische thermiek en een paar vrije startplaatsen heeft gemeld. Het zou de redding zijn voor zijn zaterdag en ook voor het skigebied – dat zo een overvloed aan mensen bespaard blijft.

    ‘Natuurlijk hebben dergelijke services een prijs,’ zegt Sommer. ‘Voor dat alles betalen we met onze data’. Met slimme reisbegeleiders zullen we in de toekomst niet alleen intelligenter en ontspannener, maar ook duidelijk zichtbaarder onderweg zijn. Willen we dat echt? Tegenvraag: wie wil de voordelen ervan missen?

    Transport naar behoefte

    Want op pad met digitale helpers kunnen we niet alleen betere alternatieven ontdekken maar die zelfs zelf creëren. Verondersteld dat naast Guido Sommer ook andere Kemptenaren in datzelfde weekend belangstelling hebben voor hetzelfde skigebied, dan zou het algoritme van de app voor de betreffende dag een busdienst kunnen activeren die de skiërs één voor één ophaalt en afzet bij het dalstation. ‘Het achterhaalde principe van star streekvervoer met vaste routes kan vervangen worden door het principe van MOIA – individueel transport naar behoefte,’ zegt de toerisme-onderzoeker. Weekendskiërs hoeven dan niet meer naar een vrije parkeerplek te zoeken, ze hoeven helemaal niet meer te zoeken. En mocht de vraag naar een bepaald skigebied, wandelroute of bezienswaardigheid naar verwachting te groot worden, dan schakelt de app ogenblikkelijk over op de methode Galapagos: op die eilandengroep in de Grote Oceaan worden geen nieuwe toeristen meer toegelaten, zodra de aanvaardbare hoeveelheid bezoekers wordt overschreden. Zo zouden ook in Oberstdorf en elders nieuwe gasten vroegtijdig gewaarschuwd en met zachte hand omgeleid kunnen worden voordat ze de toegangswegen en ingangen versperren.

    Op die manier kunnen digitalisering en datawolken een kernprobleem van het moderne toerisme – te veel mensen willen op hetzelfde moment hetzelfde – helpen ontwarren. Bezoekersstromen kunnen er zo mee worden gestuurd dat gedrang en reisfrustratie uitblijven.

    Dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie kan ik me maar moeilijk voorstellen

    Maar er is ook al een visie die nog verder gaat. De gerenommeerde Zwitserse econoom Bruno S. Frey komt met een noodoplossing die bepaald radicaal is. Zijn idee voorziet in een reeks origineelgetrouwe kopieën van publiektrekkers zoals Salzburg, Venetië of Vaticaanstad, een soort golfbrekers die een deel van de last van de hotspots kunnen opvangen. Op dat denkbeeld kwam Frey – niet onverwachts – tijdens een totaal verpeste vakantie in Venetië. Naar zijn mening zouden zulke kunstmatige tweelingen reizigers zelfs een intensere vakantie-ervaring kunnen bieden dan hun echte voorbeeld: ‘Bezoekers van een Venetië-kloon zou bijvoorbeeld een multimediapresentatie over kunstgeschiedenis aangeboden kunnen krijgen of een carnaval waarin ze echt kunnen participeren.’

    Maar hoe goedbedoeld zulke afleidingsmanoeuvres ook zijn – dat ik ooit omhoog zou blikken naar een geanimeerde noorderlichtversie aan een kunstmatige Lofotenhemel, kan ik me maar moeilijk voorstellen. Ook voor een wandeling langs het strand van een Santorini-kloon schiet mijn fantasie tekort.

    Dat leidt tot de volgende wezenlijke vraag: wat zijn mijn verwachtingen als ik ergens arriveer? En waar in hemelsnaam vind ik die? Die vraag stel ik aan een man die in de loop van zijn leven al een behoorlijk stuk van onze aardbol heeft verkend.

    Alastair Humphreys fietste na een lichtvaardige aankondiging tegenover kroegvrienden in vier jaar en drie maanden 74.000 kilometer rond de wereld. Te voet doorkruiste hij de grootste zandwoestijn op aarde, hij was National Geographic Adventurer of the Year en één van de vier gekken die in 2012 in een piepklein roeibootje de Atlantische Oceaan overstaken.

    Microavontuur

    Maar zijn grootste prestatie volbracht Humphreys thuis achter zijn bureau. De Engelse vrijbuiter en schrijver wist het wijdverbreide idee over vrijheid en avontuur op zijn kop te zetten. Hij deed dat door ideeën over even onopzienbarende als verrassende ondernemingen in de nabije omgeving op papier te zetten, er een boek van te maken en dat alles van een duidelijke titel te voorzien: Microadventures.

    ‘Toen ik aan mijn microavonturen begon, heb ik telkens naar het waarom gevraagd: Waarom zou ik als dertiger in mijn voortuin gaan slapen? Moet ik als robuust avonturier geen robuuste dingen maken?’ vertelt Humphreys, die met zijn gezin in een dorp in het zuiden van Engeland woont. ‘Maar een klein avontuur is beter dan geen avontuur.’ Hymphreys definieert een microavontuur als een kleine vlucht in de naaste omgeving die iedereen ’s avonds of in het weekend kan ondernemen. Bijvoorbeeld door tussen twee heel gewone kantoordagen in een nacht in een slaapzak in het bos door te brengen. Door een wandeling van de verst gelegen tramhalte terug naar huis of door een uitstapje met een zelf getimmerd vlot op de rivier die je tot nog toe alleen vanuit het autoraampje kent. Dat alles volgens de formule: weinig voor nodig, minimale voorbereiding, intensieve ervaring.

    Nu zou je daartegen in kunnen brengen dat een man die de halve wereld al over is getrokken gemakkelijk een loflied op eigen land kan zingen. Maar Humphreys was er helemaal niet op uit om een nieuw reisconcept te bedenken – als vader van twee kleine kinderen zocht hij simpelweg naar manieren om zijn drang naar verre landen en lust in avontuur af te kunnen stemmen op zijn gezinsverplichtingen.

    En het werkt. Ik kan er zelf over meepraten. Na de dag dat ik Humpreys Microadventures in handen kreeg sliep ik verschillende nachten in een hangmat in het bos en bracht ik diverse dagen door met eigen miniwandeltochten. Enkele zomers geleden leende ik met vrienden waterdichte zakken en supboards en liet die te water in het mij tot dan toe volstrekt onbekende Feldberger Seenlandschaft. Vier dagen achtereen gleden we van het ene meer naar het andere en hoewel het hoogzomer was, peddelden we vrijwel ongestoord door het glinsterende water. Rond ons bossen van een soort die we eerder in New England of Finland zouden verwachten. ’s Avonds schoven we onze supboards door de rietkraag op de oever en fileerden we forellen die we onderweg hadden gekocht bij een visser. En inderdaad, op de Krüselinsee schoot vlak naast ons een visadelaar het water in om vervolgens met zijn spartelende buit weer op te stijgen.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid’

    De Krüselinsee ligt op drie uur rijden van mijn stadsappartement in Hamburg, maar toen ik daar op de avond van de vierde dag nat van het zweet mijn supboard uitlaadde, leek het alsof ik terugkwam uit een andere wereld. In die vier dagen had ik meer meegemaakt en meer ervaren dan in alle voorgaande georganiseerde vakanties bij elkaar. Op het verlangen naar verre reizen hebben microavonturen hetzelfde effect als een proteïnerijk tussendoortje op stevige trek: ze zijn geen vervanging voor de gewone maaltijd maar ze vullen die aan door in korte tijd een intensieve ervaring te bieden. Tenslotte is het oneindig veel opwindender om voor jezelf een slaapplaats in het bos te zoeken dan dat je je in een hotel te ruste legt in een vers opgemaakt bed.

    Van zo’n concept profiteren waarschijnlijk niet alleen wij reizigers, maar ook de vakantieregio’s in eigen land. Die kunnen zich zo op een gemakkelijke manier in de markt zetten – en zich laten ontdekken. En het beste is nog dat ze er geen bezoekerscentra voor hoeven in te richten, attractieparken aan te leggen of infrastructuur op te bouwen – alle benodigdheden voor een microavonturier zijn er immers al.

    ‘Door microavonturen hervond ik mijn geestelijke gezondheid want ze zorgden voor een dosis wildernis, stilte en fysieke inspanning in mijn leven,’ vertelt Alastair Humphreys. Zelf besefte ik na mijn trip naar het Feldberger Seenlandschaft dat ik voor onvergetelijke momenten geen vliegticket, verleend jaarlijks verlof of touroperators nodig heb. Vereist zijn eerder fantasie, wat durf en waterdicht schoeisel.

    Resonantie

    Als we Verena Muntschick mogen geloven, maak ik daarmee deel uit van een trend. De Frankfurter toekomstonderzoeker en haar team wijdden zich enige tijd terug aan de vraag hoe we in de toekomst gaan reizen en wat we in een vakantie zullen zoeken. De belangrijkste trend die Muntschick en haar collega’s bij het Frankfurter Zukunftsinstitut blootlegden, vatten zij samen in de term ‘resonantie’. Achter dit lastig te doorgronden begrip schuilt volgens Muntschick de ‘behoefte om op reis ervaringen op te doen die je bijblijven, die verdergaan dan het serviceaanbod, de bezienswaardigheden en de beloofde uren zonneschijn’. Met andere woorden: we reizen weer om het echte leven te ontdekken en daarbij ook meteen onszelf. Voortekenen van die trend zijn bijvoorbeeld de pelgrims naar Santiago de Compostella, de couchsurfers of de stellen die na jarenlang hotelvakanties nu een Volkswagenbusje kopen om op eigen houtje de wijde wereld in te trekken.

    ‘Natuurlijk zijn dat allemaal nog niches,’ geeft Muntschick toe, ‘maar die niches worden wel gestaag groter’. De Corendons en de all-in-concepten zullen altijd wel blijven bestaan en ook het massatoerisme zal niet verdwijnen omdat een paar mensen op een sup in eigen land vakantie houden in plaats van met een surfplank op Bali. Maar jongere reizigers zijn opgegroeid met een heel andere gevoeligheid voor de ecologische en sociale gevolgen van onze reisactiviteit. En daarmee stellen ze ook hogere eisen aan de toeristenbranche: ‘Mensen willen niet meer als economisch object behandeld worden maar als vriend van een gemeenschap.’

    Liever een handvol echte ervaringen dan duizend overvolle places to see

    De vraag is alleen: is dat echt de toekomst? Feldberg klinkt nu eenmaal minder aanlokkelijk dan Faro, Brandenburg saaier dan de Balearen. Zijn we echt verstandig en bereid genoeg om van dat alles af te zien?

    Op den duur ligt de toekomst ook helemaal niet in de keuze tussen het een of het ander, maar in een eerlijke mix. Voor mij betekent dit dat ik naar de Cycladen of het noorderlicht zal kunnen blijven gaan, maar misschien niet meer zo vaak als vroeger en niet per vliegtuig maar met veerboot en trein. Wel zou ik, zelfs als je royaal tijd voor het inchecken meerekent, meer dan tweemaal zolang naar mijn bestemming onderweg zijn. Maar als er iets is wat vakantiegangers in de toekomst hebben, dan is het wel tijd.

    Sinds het opkomen van de naoorlogse reisgolf in 1950 is onze levensverwachting met gemiddeld vijftien jaar gestegen. Dat zijn vijf uren per dag die wij meer ter beschikking hebben dan onze grootouders. Elke dag weer. Anders dan zij, die ook nog eens zes dagen per week zwaar werk verrichtten, hoeven wij onze reizen niet in een paar vakantiedagen te persen. De oude drieklank van het leven – school, werk, oude dag – kunnen we vervangen door een meer ontspannen soundtrack. De tijd speelt voor ons. We kunnen hem nemen. Altijd krijgen we te horen dat de toekomst ligt in levenslang leren. Ik zou dat willen aanvullen: ze ligt in levenslang reizen.

    Dat is niet in het minst te danken aan een neveneffect van corona: door de pandemie is ook de laatste scepticus ervan overtuigd geraakt dat zeker kantoormedewerkers probleemloos vanaf diverse plekken met elkaar samen kunnen werken, vooropgesteld dat er WLAN en elektriciteit aanwezig is. En juist dat zullen veel van ons na de pandemie ook willen. Waarom niet vanuit een bergboerderij inloggen bij een Zoom-bijeenkomst? Waarom dat nieuwe idee niet uitwerken op een wandeltocht met collega’s?

    Werkverblijf

    ‘Het concept van de “mooiste weken van het jaar” waarin we bij moeten komen van de met werk gevulde rest van het jaar, is momenteel zienderogen aan het verdwijnen,’ zegt Claudia Brözel, hoogleraar economie van het toerisme (afdeling duurzame ontwikkeling) aan de Hogeschool van Eberswalde. In de toekomst zou bijvoorbeeld een reeks microavonturen gecompleteerd kunnen worden met een maandenlang werkverblijf aan de Middellandse Zee, een tuinierproject in een naburig dorp met een lange sabbatical waarin we door half Afrika trekken. Onder het motto: liever een handvol echte ervaringen dan 1000 overvolle places to see. Niet langer ‘meer’, maar ‘indringender’. Beleven in plaats van bereizen.

    Dit volslagen andere idee van wat een vakantie dient te zijn en wat hij ons moet brengen, zou weleens de sterkste veranderingskracht voor het toerisme kunnen blijken. Niet uitgesloten dus dat we ons op een dag het jaar 2019 herinneren als het jaar waarin we op een heel nieuwe manier begonnen te reizen.

    We zullen veel in de natuur zijn omdat we het digitale ‘always on’ moe zijn

    De visionair Bernd Neff, initiator van het Berlin Travel Festival en voormalig marketingmanager van Design Hotels, voorspelt een trend naar een luxe en groene vakantie. Historisch gezien werden pandemieën altijd gevolgd door fases van verhoogde levenslust en luxe. Nadat de pest was overwonnen gingen de mensen overal in Europa trouwen en zetten ze kinderen op de wereld; op de Spaanse griep volgden de roaring twenties. Wij zullen in de post-coronajaren een tijd van luxereizen meemaken. Maar het zal een nieuwe, minder materieel bepaalde vorm van luxe zijn. We zullen in kleinere groepen op vakantie gaan en veel in de natuur zijn omdat we het digitale always on moe zijn. Overal zullen nederzettingen met tiny houses ontstaan of zoals in Italië, albergi diffusi: goed voorziene hideaways in de buurt van steden. In Berlijn ontwikkelt een start-up onder de naam Raus momenteel zo’n mix van boutique-hotel, boshut en smart loft. Wilde tuinen, workshops en wellness maken deel uit van het concept. Wat verdwijnen gaat is dat zinledige snel-maar-ergens-heen-vliegen. Net als ecofashion en veganisme zal bewustzijn van de gevolgen van al ons reizen gemeengoed worden. We zullen weer waardering krijgen voor wat lokaal is, per slot van rekening was het nogal saai om van Tokio tot aan Quebec dezelfde restaurantketens en merken aan te treffen. Reizen zal inspirerender worden. ‘Nachttreinen in plaats van budgetvluchten, drie maanden in een work-away-hotel in plaats van een driedaags stedentripje. Voor mij is dat de echte luxe.’

    De veelsporige Monisha Rajesh reisde ‘de wereld rond in tachtig treinen’ en schreef er een boek over. Die goeie ouwe trein heeft de toekomst, voorspelt de Britse schrijfster. ‘Als treinreiziger houd je steeds een gevoel voor ruimte en tijd – in tegenstelling tot bij een vliegreis. Je kunt met een kopje thee in bed liggen, samen eten, werken en de wereld aan jezelf voorbij zien trekken. Ik ben er vast van overtuigd dat het reizen per trein – ook vanwege de gunstige CO2- balans – een grote toekomst wacht. In Azië, Afrika en Latijns-Amerika is de trein ook nog eens een relatief goedkoop transportmiddel. De beste ter wereld zijn in mijn ogen de Japanse. Met de Shinkansen kun je binnen een paar uur bijna het halve land doorkruisen. Op het eindstation voltrekt zich een ‘zevenminutenwonder’: schoonmaakpersoneel bestormt de trein, draait de zittingen om, maakt tafeltjes en vloeren schoon, voert afval af en zeven minuten later springt het weer naar buiten en kunnen er nieuwe gasten instappen.

    In Europa wordt reizen per trein lastig zodra we de grens overgaan. Elk land heeft zijn eigen spoorwegmaatschappij, er is geen centrale website of een aanbieder die alle verbindingen bestrijkt. Mocht er een Europese spoorminister komen en ik zou die baan krijgen, dan zijn mijn eerste maatregelen: invoering van extra nachttreinverbindingen, prijsdalingen van tickets en opbouw van een centraal boekingssysteem voor heel Europa.’

    ‘Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Een geweldig avontuur’

    Anselm Pahnke fietste 414 dagen door vijftien landen in Afrika. Hij is filmmaker, schrijver (Von Anderswo und anderen Orten) en een van de oprichters van Terran e.V. voor reizen zonder vliegtuig. ‘Het is waar, zelf heb ik de wereld kunnen ontdekken en mijn reishonger uitvoerig kunnen stillen. Ik heb ook een vaag vermoeden van wat het succes van mijn film aan reizen naar Afrika heeft veroorzaakt. Daarom zou het absurd zijn om nu anderen moreel de les te lezen over vliegen. Maar voor mij moeten reisdoel en reistijd wel met elkaar in overeenstemming zijn. Drie weken naar Thailand staan in geen verhouding tot de kostbare reis. Steeds meer beroepen en bedrijven zullen in de toekomst een sabbatical kennen waarin mensen een deel van de wereld kunnen leren kennen zonder hectisch heen en weer terug te moeten vliegen. Althans dat hoop ik. Bij mij duurde het vijf maanden voor ik me in Afrika op mijn gemak begon te voelen.

    Sinds ik weer in Freiburg woon, ben ik veel met de fiets, de trein en te voet op pad, Naar Denemarken of in de Alpen. Dat geeft absoluut niet de exotische kick die Afrika mij gaf, maar het voelde ook in geen enkel opzicht als minder. Niet zo lang geleden nam ik samen met een vriend spontaan de trein richting Slowakije. Na twintig uur kwamen we daar aan. Een geweldig avontuur. Om eerlijk te zijn: het is opwindender om onvoorbereid op een trein richting Oost-Europa te stappen dan voor een georganiseerde safari naar Kenia te vliegen.’ 

    Technoloog Marta Kwiatkowski Schenk, wetenschappelijk onderzoeker aan het Gottlieb Duttweiler Institut in Rüschlikon (Zwitserland) vertrouwt de reisleiding al gauw toe aan digitale assistentie. ‘Reizen betekent kiezen. Huur ik een auto of beschikt mijn hotel over fietsen? Biedt het restaurant glutenvrije maaltijden en kan ik die wandeling ook met een slechte knie maken? Al die informatie moeten we moeizaam bijeengaren. En daarna moeten we beslissen. Reizen betekent daarom altijd ook stress. Dat zullen slimme assistenten ons binnen enkele jaren uit handen nemen. Zij zullen ons als privéreisbureau, navigator, reisgids en ticketshop vergezellen en helpen bij de besluitvorming. We zullen er ook geen extra apparaat voor aan te hoeven schaffen. De assistentietechnologieën zullen verwerkt zitten in onze polshorloges, koelkasten, auto’s en misschien zelfs wel in kledingvezels. Onopvallend op de achtergrond zullen zij hun werk verrichten. We noemen dat calm tech. Dankzij kunstmatige intelligentie zullen zij ons alleen voorstellen doen voor belevenissen die relevant voor ons zijn. Zij kennen ons immers omdat zij ons voortdurend begeleiden.

    Het zal sommigen van ons doen denken aan de sciencefictionfilm Her en inderdaad vormde deze film van Spike Jonze een inspiratiebron voor ons onderzoek. Maar digitale assistentie is geen sciencefiction, het maakt al deel uit van onze werkelijkheid, zij het ook nog niet zo uitontwikkeld als het ooit zal zijn en alles op zijn kop zal zetten.’

  • Reizen na corona

    Reizen na corona

    Zal ons reisgedrag weer terugspringen naar hoe het was? Foreign Policy kijkt in een kristallen bol.

    Nu we de eerste zomer van pandemie nieuw stijl – met een gedeeltelijk gevaccineerde bevolking – ingaan, is er een aarzelende versoepeling van de reisbeperkingen begonnen. In juni heropenden de landen van de Europese Unie hun binnengrenzen en zij zijn van plan om in de loop van juli reizigers van buiten het blok toe te staan. Singapore en China zijn begonnen met het toelaten van onderlinge essentiële reizen, maar alleen voor passagiers die negatief testen op het coronavirus en een app gebruiken die hun contacten traceert. IJsland laat wel toeristen toe, maar iedereen moet verplicht op de luchthaven worden getest.

    Het internationale langeafstandsverkeer is zo goed als dood

    De luchtvaartmaatschappijen voeren hun zomerdienstregeling op, hoewel het aantal vluchten slechts een fractie zal zijn van het aantal van voor de pandemie. Luchthavens zijn nog steeds spooksteden (sommige zijn zelfs overgenomen door wilde dieren), en het internationale langeafstandsverkeer is zo goed als dood, schrijft het Amerikaanse tijdschrift.

    Overal ter wereld heeft de ineenstorting van de toeristische economie hotels, restaurants, busondernemingen en autoverhuurbedrijven failliet doen gaan – en naar schatting 100 miljoen mensen werkloos gemaakt.

    Niemand weet hoe snel het toerisme en het zakenverkeer zich zullen herstellen, of we nog evenveel zullen vliegen en hoe de reiservaring eruit zal zien zodra de nieuwe gezondheidsmaatregelen van kracht zijn. Eén ding is zeker: tot die tijd zullen er nog veel vakanties, zakenreizen, weekendjes weg en familiereünies worden geannuleerd.

    Al kruipt het bloed waar het niet gaan kan, is het geen verspilde moeite om verder te kijken dan de zomer en na te denken hoe de de manier waarop we reizen permanent zal of moet veranderen.


    Reizen zou onbetaalbaar kunnen worden

    ‘Ongeacht ons inkomensniveau, zal reizen een groter deel van ons besteedbaar inkomen opeisen’, stelt Elizabeth Becker, buitenlandcorrespondent.

    ‘Van de ene op de andere dag ging een groot deel van de wereld van een situatie van overtoerisme naar geen toerisme. Sindsdien hebben de plaatselijke bewoners gezien hoe hun leven is verbeterd zonder die krankzinnige drukte: heldere luchten, een drastische vermindering van zwerfvuil en afval, schone oevers en kanalen, en een terugkeer van de wilde dieren.

    Maar het ene bedrijf na het andere ging failliet zonder die toeristen, waaruit blijkt hoezeer de wereldeconomie afhankelijk is van non-stop reizen. Die economische verwoesting zal betekenen dat veel minder mensen het zich kunnen veroorloven om te reizen. Wat ons inkomensniveau ook is, reizen zal een groter deel van ons besteedbaar inkomen in beslag nemen.

    Veel gezondheidsmaatregelen zullen permanent worden

    Wees dus voorbereid op twee dramatisch verschillende trends. Sommige nationale en lokale overheden zullen hun toerismestrategieën herontwerpen om de drukte te beperken, meer geld in de lokale economie te houden en de lokale regelgeving te handhaven, waaronder die ter bescherming van het milieu. Veel gezondheidsmaatregelen zullen permanent worden.

    Andere regeringen zullen concurreren om het krimpende aantal toeristische dollars door de reisindustrie zichzelf te laten reguleren, hoge kortingen te gebruiken om hotels en vliegtuigen te vullen en overtoerisme nieuw leven in te blazen.

    Slimme reizigers zullen minder reizen en langer op één plek blijven

    Slimme reizigers zullen vertrouwen hebben in plaatsen met een goed bestuur en goede gezondheidssystemen. Ze zullen minder reizen en langer op één plek blijven. Zij zullen deze pandemie zien als een voorbode van wat ons nog te wachten staat met de klimaatcrisis. Zij zullen zich gedragen als verantwoordelijke burgers en als gepassioneerde reizigers.’


    Vergaderen via Skype of Zoom is de norm geworden

    ‘Onze zakelijke bijeenkomsten, familievakanties en vrijetijdsbestedingen zullen zich steeds meer naar virtuele werelden verplaatsen’, aldus Vivek Wadhwa, techondernemer en bedrijfskundige.

    ‘De afgelopen maand heb ik met meer CEO’s gesproken dan ik normaal in een jaar zou doen. Ze waren ontspannen, betrokken en aandachtig. We konden brainstormen over ideeën waarmee ze hun bedrijven opnieuw konden uitvinden zonder dat poortwachters of nee-zeggers de discussies torpedeerden. Dit waren de meest productieve gesprekken die ik met bestuurders uit de hoogste echelons heb gevoerd, en zoals je misschien al geraden hebt, gebeurde dit allemaal vanuit huis.

    Twee maanden geleden zou het ondenkbaar zijn geweest om via Skype of Zoom te vergaderen; nu is het de norm. (…) We beseffen het misschien niet, maar de videoconferentietechnologieën die we gebruiken, komen regelrecht uit sciencefiction. Herinnert u zich de TV-serie The Jetsons? We hebben nu de videofoons die George en Judy gebruikten.

    De volgende sprong voorwaarts zal virtual reality zijn

    De volgende sprong voorwaarts zal virtual reality zijn, die zich in een razend tempo ontwikkelt en ons zal verrassen. Onze zakelijke vergaderingen, gezinsvakanties en vrijetijdsactiviteiten zullen zich steeds meer naar virtuele werelden verplaatsen.’


    We vergaten hoezeer reizen bij het moderne leven hoorde

    ‘Wat er verloren kan gaan door een lange onderbreking van die gemakkelijke wereldwijde verbindingen, wordt nu pas duidelijk’, schrijft James Fallows, redacteur bij The Atlantic.

    ‘Omdat reizen vaak zo routineus en vervelend was, concentreerden mensen in het tijdperk vóór de pandemie zich zelden op de vraag hoe fundamenteel reizen – grootschalig, snel, relatief goedkoop menselijk verkeer – was voor de idee van modern wereldburgerschap.

    Studenten beschouwden het als vanzelfsprekend dat zij een academische opleiding konden volgen in een andere regio, een ander land of een ander continent, en toch nog terug konden gaan om hun familie te bezoeken. Mensen die permanent waren geëmigreerd, of hun land hadden verlaten voor een paar jaar werk of avontuur, wisten dat hun thuisland nog steeds relatief snel bereikbaar was. Kinderen zagen hun grootouders van dichtbij. Families konden bijeenkomen voor bruiloften, geboorten, diploma-uitreikingen, begrafenissen. Zakenmensen uit afgelegen plaatsen gingen naar conventies en conferenties om zaken te doen en plannen te coördineren. De culturele en toeristische attracties van de wereld werden toegankelijk voor mensen uit alle hoeken van de wereld.

    Door de commercialisering van reizen konden mensen met een normale beurs een ‘bucket list’ samenstellen

    Voor Amerikanen waren vliegreizen en internationale contacten ooit zo’n zeldzaamheid dat de nu zo absurd klinkende term ‘jetset’ echt iets betekende toen die in de jaren vijftig werd bedacht. Door de commercialisering van reizen konden mensen met een normale beurs een ‘bucket list’ samenstellen van bezienswaardigheden die ze wilden zien – en ervan uitgaan dat ze dat ook zouden kunnen.

    Vóór de lockdown was het gemakkelijk om alle schade op te sommen die massareizen hadden aangericht, van de drommen die Venetië of Machu Picchu overspoelden tot de standaardisering van het hotel- en luchthavenleven wereldwijd. Wat er verloren kan gaan door een lange onderbreking van die gemakkelijke wereldwijde verbindingen, wordt nu pas duidelijk.’

  • Augustusnummer | De grens over

    Augustusnummer | De grens over

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Over de grens. De toekomst van toerisme

    » ‘Made in Bagladesh’ zorgt voor booming telefoonbusiness

    » Van visvoer tot megatrend: de evolutie van de erwt

    Weet je nog?

    Redactioneel

    Over niet al te lange tijd heft het alles overspoelende massatoerisme zich vanzelf op. Op zoek naar zon, zee en strand, of welke attractie dan, het liefst in korte broek en op sandalen, en wat kan het schelen als er honderden andere vakantiegangers op hetzelfde idee zijn gekomen… Wie doet het straks nog? Wie wil er straks nog ver van huis om naar adem te snakken onder de rook van bosbranden of te verschroeien door de ondraaglijke temperatuurstijging die zich opdringt tot in het Arctisch gebied. Stel je voor, wordt het miezerige weer in Nederland nog een zegen waar we in plaats van permanent over klagen nu nostalgisch mijmerend aan terug denken. Weet je nog, hoe je op de fiets zat met die heerlijke slagregens en die verrukkelijke telkens draaiende wind.

    Het klimaat, dat we zo graag willen vergeten, naar onze hand willen zetten, waar we pas aandacht aan besteden wanneer het uitkomt, dat we bezingen en verguizen, waar we zo lang veronachtzaamd mee zijn omgesprongen wetende dat al onze dagelijkse handelingen op enigerlei manier invloed op de temperatuur van de atmosfeer hebben, laat zich nu in al haar grootsheid zien.

    Onoverwinnelijk tegen wil en dank.

    Gingen vroeger mensen nog fysiek ergens heen?

    Hoogste tijd, nee het is al ná hoogste tijd, als we de klimaatdeskundigen mogen geloven om rigoureuze en onmiddellijke maatregelen door te voeren. Van overheidswege hoeven we dat niet te verwachten zolang er ministers zijn die zeggen dat ze er wel ‘een juridische truc’ voor zullen vinden, terwijl het dezelfde overheid is die het wel lukt om 17 miljoen mensen langdurig binnen te houden. Wat de politiek ervan weerhoudt om radicale hervormingen door te voeren, is inherent aan de politiek zelf; gefragmenteerd, zichzelf vastgeketend aan allerlei leibanden, angstvallig rekening houdend met genoeg draagvlak, et cetera. Dus moeten we het toch zelf doen, in plaats van blijven hameren op een grootscheepse wijziging van het systeem. That will be the day. Hoopvol is dan ook de opening van Harald Willenbrock in Geo (p.12), waarin hij schetst hoe we in een niet al te verre toekomst net zo verbaasd naar ons alledaags consumentisme en reisverleden kijken als nu naar Mad Men, de serie uit de jaren 60 waarin het plastic bestek na de picknick gewoon in de natuur achterblijft. Waren we echt zo milieu-onbewust, propten we tachtig budgetvluchten per dag vol voor 35 euro retour? Hadden ze toen nog geen virtuele reizen met voelbare temperatuur- en hoogteverschillen? Wat? Gingen mensen nog fysiek ergens heen? Hoor je dat, ze vlogen nog en droegen vakantiekleren.

    Katrien Gottlieb

    gottlieb@360international.nl

    cover LR 1 1