Afgelopen maandag waren er in Harare, de hoofdstad van Zimbabwe, demonstraties tegen de huidige regering. Iets meer dan vijfennegentig mensen werden gearresteerd toen de protesten uitliepen op rellen waarbij er stenen naar de politie werden gegooid, meldt Al Jazeera. Gisteren verschenen de beschuldigden voor de rechter.
De demonstraties waren een reactie op de aankondiging van de heersende partij ZANU-PF van Emmerson Mnangagwa, die wil dat de termijn van de huidige president verlengd wordt tot 2030. Mnangagwa kwam aan de macht door een militaire coup in 2017 die president Robert Mugabe afzette. Hij zit nu in zijn laatste termijn en volgens de Zimbabwaanse constitutie mag een president twee keer een termijn van vijf jaar zitten, merkt Africanews op. De demonstranten werden aangemoedigd door Blessed Geza, een oorlogsveteraan die vroeger lid was van ZANU-PF maar nu oppositieleider is en Mnangagwa van corruptie beschuldigt.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Maandagochtend vroeg was er al veel politie op straat in de grote steden van Zimbabwe. De meeste mensen in de hoofdstad besloten thuis te blijven en winkels waren gesloten uit angst voor rellen, aldus Africanews. Een groep van ongeveer tweehonderd demonstranten had zich uiteindelijk verzameld op het Robert Mugabeplein. Volgens rechercheur-sergeant Lovemore Chisi hadden ze de intentie om in een mars naar het huis van de Zimbabwaanse president Mnangagwa te trekken en zijn aftreden te eisen, bericht de Zimbabwaanse nieuwswebsite NewsDay. De Robert Mugabeweg, een van de hoofdwegen van Harare, werd door de demonstranten afgezet met bakstenen en brandende autobanden. De protesten werden beëindigd door de politie nadat agenten bij aankomst waren bekogeld met stenen.
Israëlische fans raakten slaags met pro-Palestina demonstranten
Gisteravond in Amsterdam braken er ongeregeldheden uit tussen pro-Palestina demonstranten en Israëlische voetbalfans, na afloop van de Europa League-wedstrijd tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv, die de Amsterdammers met 5-0 wonnen. Er zouden diverse fans belaagd zijn door demonstranten, meldt Der Tagesspiegel.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Naar aanleiding van de rellen heeft premier Netanyahu twee vliegtuigen naar Amsterdam gestuurd. ’Premier Netanyahu neemt het verschrikkelijke incident zeer serieus en roept de Nederlandse regering en veiligheidstroepen op om krachtig en snel op te treden tegen de relschoppers en de veiligheid van de Israëlische burgers te waarborgen‘, berichtte Der Tagesspiegel vanochtend.
The Times of Israël meldde over provocatie: Israëlische fans zouden Arabieren en Palestijnen in Amsterdam benaderen door het roepen van anti-Palestijnse leuzen: ’We‘ll fuck the Arabs‘ en ’Fuck you Palestine‘.
Voor- en tegenstanders van het regime kregen het aan de stok
Een festival voor de Eritrese gemeenschap in Zweden is donderdag volledig uit de hand gelopen. Dat schrijft de krant Dagens Nyheter. Op het festival, waar volgens organisatoren de ‘de Eritrese cultuur en gemeenschap’ werden gevierd, waren met name aanhangers van het regime van de Eritrese dictator Isaias Afewerki aanwezig. Tegenstanders van het regime bestormden het terrein en richtten een ravage aan.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Bij de rellen in Stockholm raakten donderdag vijftig mensen gewond en ruim honderd mensen werden opgepakt. Hoewel er sprake was van een grote politiemacht om rellen te voorkomen, braken de tegenstanders van het regime door hun linie en stichtten brand op het festivalterrein.
De Eritrese gemeenschap organiseert vaker in Europa festivals, die volgens critici worden gebruikt om Eritreeërs in de gaten te houden of onder druk te zetten, en om geld op te halen voor de People’s Front for Democracy and Justice, de enige politieke partij van Eritrea. Eerder liepen dergelijke festivals in Nederland en Duitsland ook uit de hand.
Gepland staatsbezoek van Macron aan Duitsland is afgezegd
In Frankrijk is het al zes dagen op rij zeer onrustig. In steden door heel Frankrijk protesteren jongeren op vaak gewelddadige wijze tegen politiegeweld, nadat een zeventienjarige jongen was doodgeschoten door een politieagent. In de nacht van zaterdag op zondag werd het huis van de burgemeester van de Parijse voorstad L’Hay-les-Roses doelwit van een aanval, meldt Le Monde.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De burgemeester in kwestie was op het moment dat het gebeurde niet thuis. Zijn vrouw en kinderen wel; zij ontvluchtten het huis nadat betogers met een auto hun tuin waren ingereden. Tijdens de vluchtpoging werd er vuurwerk op de vrouw en kinderen afgevuurd, zij raakten gewond bij de actie die door premier Borne veroordeeld is.
De oma van de zeventienjarige jongen die dinsdag werd doodgeschoten heeft de rellende jongeren in Frankrijk gevraagd te stoppen met het geweld. Ze zei hun woede te begrijpen, maar benadrukte dat het vernielen van bussen, bushokjes en scholen niet helpt. President Emmanuel Macron heeft zijn staatsbezoek aan Duitsland vanwege de aanhoudende rellen afgezegd.
Er zou onder meer brand zijn gesticht in de gevangenis
Bij zware rellen in een vrouwengevangenis bij de Hondurese hoofdstad Tegucigalpa zijn zeker eenenveertig doden gevallen, aldus El País. Omdat autoriteiten de controle over de gevangenis nog niet terug hebben en er veel onduidelijkheid is over de toedracht van de rellen, zegt de politie dat het dodental nog kan oplopen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Bij de rellen werden onder andere matrassen en lakens in brand gestoken. Het vuur verspreidde zich naar meerdere gevangenisafdelingen en zeker vijfentwintig mensen zouden door brandwonden om het leven zijn gekomen. Waarom de rellen ontstonden is nog onduidelijk, al hebben ze mogelijk met bendegeweld te maken. Buiten de gevangenis verzamelden zich familieleden van gedetineerden om meer te weten te komen over het lot van hun dierbaren.
Eerder dit jaar beloofde de Hondurese president Ximena Castro dat er ingegrepen zou worden in vijfentwintig van de meest gewelddadige gevangenissen in het land vanwege aanhoudend geweld in de inrichtingen. In de afgelopen jaren zijn er vaker veel doden gevallen bij rellen in gevangenissen. De dodelijkste rellen vonden plaats in 2012, toen driehonderdvijftig gevangenen omkwamen bij een uitslaande brand in een overvol cellencomplex.
De premier zegt de plannen voorlopig niet in stemming te brengen
De geplande juridische hervormingen in Israël gaan voorlopig niet door. Dat heeft de Israëlische premier Benjamin Netanyahu bekendgemaakt in een televisietoespraak aan het hele land, meldt Haaretz. De Knesset, het parlement in Israël, zal op zijn vroegst pas eind april naar het wetsvoorstel kijken. Volgens Netanyahu dreigt een burgeroorlog en moet Israël niet verder verscheurd worden.
De hervormingen kunnen al maanden op grote protesten rekenen. Ook in aanloop naar de toespraak van Netanyahu stonden tachtigduizend betogers voor het Israëlische parlement. Eerder op de dag werd er al gestaakt, onder meer op universiteiten, ambassades in het buitenland en op luchthavens. Grote vakbonden hadden ook stakingen aangekondigd, die na de aankondiging van Netanyahu zijn uitgesteld.
Oppositiepartijen hebben tevreden gereageerd op de toespraak van Netanyahu. Volgens oppositiepoliticus Lapid kan het uitstel goed nieuws zijn voor zowel de regering als Israël, zeker als er meer rechtvaardige plannen komen waar iedereen bij betrokken is. Binnen de regering is er wel onenigheid over. Zo zou de ultrarechtse politicus Ben Gvir alleen akkoord zijn gegaan omdat hij dan een nieuwe politiemacht mag vormen in het land.
Nadat de Israëlische premier Benjamin Netanyahu zondag minister van Defensie Yoav Gallant ontsloeg, zijn in Tel Aviv en Jeruzalem grote protesten losgebarsten. The Jerusalem Post schrijft dat betogers probeerden de ambtswoning van Netanyahu te bereiken. Oproerpolitie kwam in actie met waterkanonnen om te voorkomen dat de woning bestormd zou worden.
Enkele eenheden van het Israëlische leger staken ook uit onvrede over de plannen
De Israëlische regering wil enkele juridische hervormingen doorvoeren, waarmee de macht van het Hooggerechtshof afneemt en het parlement meer zeggenschap krijgt. Gallant kondigde zaterdag aan de hervormingsplannen van Netanyahu niet te steunen, mede omdat er binnen de veiligheidsdiensten en het leger van Israël angst bestaat dat deze de democratie in Israël zullen aantasten. Daarop besloot de Israëlische premier Gallant de laan uit te sturen.
De plannen van de regering worden sterk bekritiseerd: al maandenlang demonstreren Israëliërs tegen de hervormingen. Voor de komende dagen is aangekondigd dat protesten en stakingen verhevigd zullen worden. Zo hebben vakbonden en artsen gezegd dat ze gaan staken en houden universiteiten de deuren gesloten. Enkele eenheden van het Israëlische leger staken ook uit onvrede over de plannen.
Premier omzeilde het parlement om pensioenwet door te voeren
In meerdere Franse steden is het dit weekend zeer onrustig geweest naar aanleiding van de aangekondigde pensioenhervorming van de Franse regering, schrijft Le Monde. Aanleiding is de actie van de premier Elisabeth Borne, die aankondigde grondwetsartikel 49.3 te gebruiken om een stemming over de hervorming in het parlement te omzeilen. De premier vreesde geen meerderheid te hebben voor de hervormingsplannen.
Ook in steden als Nantes, Bordeaux en Marseille is het al dagen onrustig
De actie wordt door oppositieleden als ondemocratisch gezien en machtige vakbonden, studentenorganisaties en tegenstanders van de regering gingen massaal de straat op om tegen de beslissing te protesteren. In onder meer Parijs ging het er gewelddadig aan toe: de oproerpolitie werd bekogeld en er werden brandende barricades opgezet. Politieagenten moesten meerdere malen traangas en waterkanonnen inzetten om de menigte uiteen te drijven.
Ondanks een verbod op protesten in Parijs gaan mensen nog steeds de straat op. Tientallen mensen zijn inmiddels opgepakt. Ook in steden als Nantes, Bordeaux en Marseille is het al dagen onrustig. Volgens veel betogers gaan ze er financieel op achteruit door de pensioenhervorming en zullen ze daarnaast langer moeten werken.
Enkele dagen nadat een woedende menigte het nationale parlement in de Surinaamse hoofdstad Paramaribo bestormde, zijn autoriteiten in het land bezig verantwoordelijken aan te houden en herhaling te voorkomen. De politie heeft bij monde van justitieminister Kenneth Amoksi toegegeven niet voorbereid te zijn geweest op de onlusten, meldt Starnieuws. Voor de komende dagen is het centrum van Paramaribo grotendeels afgesloten, net als het aangelegen district Wanica.
Vanwege de protesten en de daaropvolgende rellen zijn 128 mensen opgepakt. Twintig mensen raakten gewond, onder meer door traangaskogels die werden afgevuurd door de oproerpolitie. Naast wegblokkades in Paramaribo zijn overheidsgebouwen extra beveiligd. Ook heeft het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken het reisadvies voor Suriname aangepast. Reizigers wordt nu aangeraden voorlopig niet naar drukbezochte plekken te gaan.
Stephano Biervliet, die het protest vrijdag organiseerde, is dit weekend aangehouden. Zelf zegt Biervliet geen banden te hebben met de relschoppers die plunderingen aanrichtten en het parlement bestormden. Volgens de protestleider waren de relschoppers goed georganiseerd en ging het om een vooropgezette actie, een observatie die gedeeld wordt door de Surinaamse politie.
Belarussische demonstranten werden systematisch gemarteld
‘De brute onderdrukking van vreedzame protesten en elke vorm van afwijkende mening in Belarus duurt al maanden en is geëscaleerd naar een nieuw niveau’, zegt Jovanka Worner van Amnesty International Duitsland tegen Deutsche Welle. ‘Het gerechtelijk apparaat in Belarus heeft over de hele linie gefaald bij de vervolging van de verantwoordelijken. Daarom moet de internationale gemeenschap nu zorgen voor gerechtigheid.’
In een nieuw rapport toont de mensenrechtenorganisatie hoe honderden vreedzame demonstranten in de voormalige Sovjetrepubliek op brute wijze werden opgepakt en gemarteld. Volgens het rapport werden de slachtoffers ‘gedwongen zich uit te kleden, krijgen ze slaag en moeten ze lange tijd in stressvolle houdingen blijven staan’. Bovendien kregen zij vaak dagenlang geen voedsel, geen drinkwater en geen medische zorg.
‘Amnesty International beschikt over foto’s, video-opnamen en getuigenissen van gearresteerden, slachtoffers en ooggetuigen’
‘Groepen mensen werden op hun knieën en met hun handen tegen de muur door de politie met stokken geslagen. Anderen werden gedwongen het volkslied te zingen terwijl ze werden geslagen. De omstandigheden in een horrorgevangenis in Minsk worden bevestigd door filmfragmenten die buiten zijn opgenomen – het geschreeuw van mensen is duidelijk te horen op straat’, schrijft Svenska Dagbladet.
De ongekende massale protesten tegen president Aleksander Loekasjenka waren het gevolg van de presidentsverkiezingen van begin augustus, legt Die Zeit uit. De afgelopen maanden zijn meer dan 30.000 mensen gearresteerd en honderden gewond geraakt. Verschillende mensen zijn gedood door de ordetroepen, schrijft het Duitse dagblad. ‘Amnesty International beschikt over foto’s, video-opnamen en getuigenissen van gearresteerden, slachtoffers en ooggetuigen die als bewijs dienen van ernstige mensenrechtenschendingen.’
In Thailand is kritiek op het vaccinatiebeleid majesteitsschennis
De vaccinatiecampagne in Thailand zal naar verwachting op 14 februari officieel van start gaan. Momenteel zit het land in een tweede golf, maandag werden er twee nieuwe sterfgevallen als gevolg van covid-19 geregistreerd. Van het vaccin van AstraZeneca, dat vorige week door middel van een spoedprocedure door de overheid werd goedgekeurd, zijn 61 miljoen doses besteld, meldt dagblad Khaosod.
Maar de laatste dagen is er toenemende kritiek op de vaccinatiestrategie, die lijkt te worden beïnvloed door industriële belangen, aldus critici. Zo is het bedrijf Siam BioScience, dat het vaccin in Thailand gaat produceren, volledig in handen van het Thaise koningshuis, schrijft Khaosod.
Volthai – een anonieme polemist – spreekt zich in een opinieartikel in Thai Enquirer uit tegen het besluit van de regering om het aanbod van India om onmiddellijk 2 miljoen doses AstraZeneca-vaccin te sturen, af te wijzen. ‘Ze kosten 3 dollar per stuk, minder dan de 5 dollar die hetzelfde vaccin geproduceerd door Siam BioScience kost.’
Er zijn in dit verband elf klachten wegens majesteitsschennis ingediend
Thanathorn Juangroongruangkit, een politicus wiens partij Future Forward in februari 2020 werd ontbonden, heeft ook vraagtekens bij dit besluit geplaatst. Het aan BioScience verleende monopolie op de productie van het AstraZeneca-vaccin garandeert BioScience een contract ter waarde van 6 miljard baht [meer dan 160 miljoen euro], aldus Khaosod.
De kritiek van Juangroongruangkit op het beleid leidde ertoe dat hij door regeringsfunctionarissen werd aangeklaagd voor belediging van de monarchie.
Er zijn in dit verband elf klachten wegens majesteitsschennis tegen hem ingediend. Enkele dagen eerder werd een voormalig ambtenaar nadat ze in 2015 audiofragmenten op Facebook en Youtube had gedeeld die kritiek uitten op de in 2016 overleden koning Bhumibol en zijn zoon prins Vajiralongkorn, veroordeeld tot 43 jaar gevangenisstraf, schrijft Khaosod.
In Israël rellen orthodoxe jongeren tegen de coronamaatregelen
Niet alleen in Nederland gaan gefrustreerde jongeren ’s avonds de straat op om de boel kort en klein te slaan. Ook in Israël moesten de ordediensten op zondag 24 januari optreden tegen jongeren die zich verzetten tegen de coronamaatregelen. Alleen gaat het daar om jongeren uit een hele specifieke gemeenschap: ultraorthodoxe charedim.
Dit weekend leken sommige Israëlische steden wel een oorlogsgebied: een brandende bus in Bnei Brak; een politieman die in de lucht schiet om de menigte die hem omringt af te schrikken; stungranaten die naar demonstranten worden gegooid in de wijk Méa Shearim in Jeruzalem, schrijft het dagblad Maariv.
Israël oogst wereldwijde bewondering met een razendsnelle vaccinatiecampagne, maar kent ook nog steeds stijgende besmettingscijfers.
De rellen liggen volgens Haaretzin het verlengde van een decennialange strijd tussen de Israëlische regering en de ultraorthodoxe gemeenschap, die een hoge mate van autonomie nastreeft. Zo weigert een deel van de ultraorthodoxe joden zich te houden aan de coronamaatregelen, omdat die in veel gevallen botsen met religieuze bijeenkomsten en gebruiken.
Volgens de Spaanse krant El País lijkt het Frankrijk van Macron op het Frankrijk van voor mei ’68. Sluimert er een opstand?
Alleen de allerbeste journalisten zijn in staat om in 996 woorden, 12 alinea’s en 6180 tekens de stemming van een land te verwoorden. Alleen de allerbesten beschikken over een uitzonderlijk observatievermogen, een sensor waarmee ze de diepe onderstromen peilen die kenmerkend zijn voor een bepaald moment uit de geschiedenis. En alleen de allerbesten, zoals alleen de grote literaire schrijvers dat kunnen, schrijven teksten die je op verschillende manieren kunt interpreteren en die, afhankelijk van de bril waarmee ze worden gelezen, één ding betekenen of precies het tegenovergestelde. Het artikel in kwestie was de meest trefzekere diagnose van het prerevolutionaire Frankrijk van 1968 of een van de grootste analytische missers in de geschiedenis van de journalistiek.
Verveling
‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Dat is de titel van het artikel van Pierre Viansson-Ponté – een ervaren journalist van Le Monde – dat op 15 maart 1968 op de voorpagina van de Parijse ochtendeditie van de krant stond afgedrukt. Het was een klassiek Frans journalistiek stuk: informatief, maar niet overladen met saaie data, interpretatief maar niet opiniërend, helder en prachtig geschreven. Viansson-Ponté beschreef een Frankrijk dat was weggezonken in lethargie en verveling, zoiets als ‘het einde van de geschiedenis’ 25 jaar voordat dit dankzij Francis Fukuyama een populair begrip werd. Frankrijk was een welvarend land, zonder oorlogen, zonder politieke spanningen, zonder sociale conflicten. Het paradijs, of de hel.
Zes weken nadat het artikel was gepubliceerd, barstte mei ’68 los. Eerst waren er de studentenprotesten, daarna volgden de arbeiders en uiteindelijk brak er een politieke crisis uit die de Vijfde Republiek tot aan de rand van de afgrond bracht. In het door Viansson-Ponté beschreven conformistische, melancholische en doodverveelde Frankrijk ontketende zich in een paar weken tijd een ongebreidelde opstand – het tegendeel van verveling – waarin de ambities en dromen van een deel van de westerse jeugd zich samenbalden, en die de kiem droeg van veel van de sociale veranderingen – van gelijke rechten voor mannen en vrouwen tot het individualisme en de ik-cultuur – die onze huidige wereld kenmerken.
Het zou zomaar kunnen dat Frankrijk zich nu, vijftig jaar later, opnieuw verveelt. Net als in 1968 heeft het land een sterke regering, is er geen noemenswaardige oppositie en staat er een zelfverzekerde, bijna koninklijke president aan het roer. Pas tien maanden nadat Emmanuel Macron de verkiezingen won, valt er iets van sociale onvrede over zijn hervormingen te bespeuren. Maar de diepgaande problemen waarover de Fransen zich ernstig zorgen maakten – de sociale tegenstellingen, de etnische verdeeldheid, de jihadistengetto’s, een bijna chronisch pessimisme en een onherroepelijke achteruitgang – lijken verleden tijd. Sinds de zomer van 2016 is de terroristische dreiging nog steeds van kracht maar groeit de economie, daalt de werkloosheid en wordt de president bewonderd in de wereld.
Verveelt Frankrijk zich? ‘Nee,’ zei Frédéric Dabi, mededirecteur van marktonderzoekbureau Ifop. ‘Frankrijk wacht…,’ vulde hij aan. Dát zou vandaag een betere titel zijn voor het artikel van Viansson-Ponté. Of nog beter: Frankrijk wacht af… Wat wacht Frankrijk af? Wat de hervormingen van Macron gaan brengen. Dat de economie verder groeit en dat de werkloosheid daalt. En dat de kloof tussen het kansrijke en kansarme Frankrijk, tussen de Franse steden en de periferie, gedicht zal worden.
Publicist Alain Minc, tot voor kort pleitbezorger van de globalisering, analyseert het onbehagen in zijn nieuwste boek Une humble cavalcade dans le monde de demain (Een bescheiden ritje ter paard door de wereld van morgen). ‘Het is niet nieuw in de geschiedenis: het kapitalisme is een machine die efficiëntie en ongelijkheid produceert’, schrijft hij. En hij ziet in het Frankrijk van 2018 tekenen van een aanzwellende golf, een gefrustreerde generatie, het pré-mei ’68-klimaat.
Een beeld van wat Frankrijk anno maart 2018 zou kunnen zijn, geeft het Insee (het Centraal Bureau voor de Statistiek en Economische Studies) in zijn jaarlijkse rapport: ‘Frankrijk, een sociaal portret’. Het rapport concentreert zich op wat ze de modale Fransman met een gemiddeld inkomen noemen. 18,5 procent van de bevolking behoort tot die categorie, voor wie het salaris schommelt tussen de 1510 en 1850 euro netto per maand. Hun opleidingsniveau, hun baan – áls ze al werk hebben – en hun toekomstvisie liggen dichter bij die van de arme Fransman. Wat betreft de kans op werk, de toegang tot primaire levensbehoeften, de kans op een eigen woning en de zeldzaamheid van eenoudergezinnen staan ze dichter bij de rijke klassen.
Culturele kloof
In een recent verschenen rapport van de Stichting Jean-Jaurès legt onderzoeker Jérôme Fourquet nóg een kloof bloot: de culturele kloof die de economische ongelijkheid, die in Frankrijk minder groot is dan in andere westerse landen, overstijgt. Het rapport ‘1985-2017: Wanneer de bevoorrechte klasse zich afscheidt’ beschrijft een ‘onzichtbaar proces’ dat bij de elite tot een vorm van separatisme heeft geleid.
De elite woont in dezelfde wijken en steden, en wordt op dezelfde scholen opgeleid. Men gaat met elkaar om, trouwt met elkaar en krijgt kinderen met elkaar. Terwijl vroeger kruisbestuiving tussen de verschillende Frankrijken plaatsvond tijdens de dienstplicht en in de vakantiekampen, bestaat dit niet langer (het eerste geval) of is het nauwelijks meer in trek (het tweede geval).
Als je het huidige Frankrijk op zijn Viansson-Pontés beschouwt, zou je het moeten hebben over een etnische breuklijn en de jihadisten in de getto’s, maar die diagnose zou onvolledig zijn als je voorbijgaat aan de angst van de modale Fransman voor een onzeker bestaan en het risico daarop dat hij loopt, zoals in het Insee-rapport staat. Of aan de sociale klassen die niet meer met elkaar in aanraking komen, zoals Fourquet beschrijft. Door die sociale segregatie is het ongenoegen met de politiek, dat zich niet alleen in Frankrijk manifesteert, beter te begrijpen.
‘Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen’
‘Verveling is wat ons openbare leven kenmerkt. De Fransen vervelen zich’, begon Viansson-Ponté op 15 maart 1968 zijn artikel ‘Wanneer Frankrijk zich verveelt…’ Frankrijk, betoogde hij, had zich afgekeerd van de problemen in Vietnam, Latijns-Amerika en Azië die de wereld op hun grondvesten deed trillen. Frankrijk leefde onder een vreedzame stolp van onwetendheid. ‘Het zijn hun problemen, niet de onze…’ Het Frankrijk van toen had een stabiele regering en de arbeiders, suf van het televisiekijken, gehoorzaamden de wet en de autoriteiten, net als de studenten. Bij de jeugd was de verveling voelbaar. ‘In Spanje, Italië, België, Algerije, Japan, Amerika, Egypte, Duitsland en Polen’, zo schreef de journalist van Le Monde, ‘protesteren de studenten, roeren ze zich. Maar in Frankrijk: vergeet het maar. Het enige waarover ze zich druk maken is of de meisjes op de campussen van Nanterre en Antony op de kamers van de jongens mogen komen.’ ‘Het probleem,’ zo concludeerde hij, was ‘dat je niks opbouwt zonder bevlogenheid.’ En zijn laatste zin was: ‘Uiteindelijk, en dat is gebleken, kun je ook doodgaan van verveling.’
Het knappe van het artikel was dat de schrijver, zonder dat hij het wist, zijn vinger had gelegd op de symptomen van de opstand die op het punt stond uit te breken. De diagnose van de wereld van vandaag moet nog geschreven worden.
De rellen van de laatste weken in de Franse banlieues hebben hun wortels in de Franse koloniale geschiedenis, betoogt Andrew Hussey in zijn boek De Franse intifada.
Op 27 maart 2007 was ik laat in de middag na een werkdag in Parijs-Oost met de metro onderweg naar huis. Op het Gare du Nord stapte ik uit om van trein te wisselen. Als in trance liep ik, opgaand in de muziek op mijn koptelefoon, werktuiglijk naar de winkelgalerij die de verbinding vormt tussen de boven- en benedenverdieping van het station. Normaliter kocht ik hier een krant en koffie en pakte ik daarna een trein naar mijn at in zuid.
Maar het was geen gewone avond. Toen ik de trap naar de uitgang op liep, drong de geur van rook mijn neus binnen en hoorde ik geschreeuw. In de gangen was het meer dringen dan gewoonlijk en waren de mensen iets gespannener en slechter gehumeurd dan doorgaans tijdens het spitsuur. Toen ik het hoofdplein van de galerij naderde, prikte rook in mijn ogen en neusgaten en werd het geschreeuw luider. Ik zag gewapende politieagenten en honden. Niettemin had ik niet het idee dat er echt iets mis was. Het enige wat me zorgen baarde, was hoe ik door de inmiddels tot stilstand gekomen stroom forenzen naar de trein kon komen die me naar huis zou brengen.
Ik wurmde me door de menigte, stapte het plein op en zat plots gevangen in een lege ruimte tussen twee gevechtslinies – aan de ene kant politiemensen in zwart-blauwe uitrusting die met wapenstokken op hun doorzichtige, harde schilden sloegen, aan de andere kant een ordeloze verzameling kinderen en jongeren, voornamelijk zwart of Arabisch, jongens en meiden in hiphopkleding die zongen, lachten en met dingen gooiden. Je kon uit hun accent en manier van doen opmaken dat het geen Parijzenaars waren; het waren kinderen uit de banlieues – de arme voorsteden ten noorden van Parijs die via treinen met Gare du Nord als eindbestemming waren verbonden met de stad. Een Afrikaans uitziende jongen slingerde met een kreet een ijzeren staaf de lucht in, die tegen een fotocabine en een drankautomaat knalde. Een paar meter verderop werd brandgesticht bij een loket.
Vrolijk
De sfeer was vreemd genoeg vrolijk. Achter het staal en glas van de eindhalte van de Eurostar escorteerden soldaten met machinegeweren net gearriveerde passagiers uit Londen naar Parijs, de schitterende hoofdstad van Europa, waar het nu zo te zien oorlog was. Ze sloegen het tafereel met afschuw gade. Jongeren sprongen over metropoortjes, rookten stickies, schreeuwden, liepen waar ze wilden en negeerden de normaal geldende regels rond de toegang naar het station. Het was een vermakelijk gezicht, maar riep tegelijkertijd angst op, want deze jongeren konden je nu zomaar iets aandoen als ze er zin in hadden. Regels en wetten – ze trokken zich nergens iets van aan.
In de dagen daarna las ik de kranten erop na. De meeste reporters en ooggetuigen waren het eens over de chronologie. Om halfvijf ’s middags was een Congolese jongeman, een bekende van de politie, opgepakt toen hij zonder kaartje het station probeerde binnen te komen. Bij de arrestatie ging het niet zachtzinnig toe, en toen de politieagenten op de jongen begonnen in te slaan, kwamen voorbijgangers tussenbeide om het op te nemen voor de underdog. De agenten grepen naar hun geweren en knuppels, en algauw ontstond een niet meer een-twee-drie in te tomen rel.
Maar hoe had dit kunnen gebeuren? Wat maakte het Gare du Nord tot een zodanig explosief kruitvat dat het binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder was veranderd in een wetteloos stukje Frans grondgebied? Op dit punt liepen de interpretaties uiteen. In Le Parisien, de krant die verslag doet van het dagelijks leven in de stad, werden de gebeurtenissen omschreven als ‘une émeute populaire’ (een volksoproer). De toon was er een van gematigde instemming. Le Parisien is niet bepaald links te noemen, maar staat altijd, zo wil een diep gekoesterde Parijse mythe, aan de kant van het ‘volk’. Dit woordgebruik plaatste de gebeurtenissen in het Gare du Nord in een lange traditie van volksopstanden in de stad – ze behoren, te beginnen bij de tijd van La Fronde en zo door tot de Franse Revolutie en de Commune, tot de onlosmakelijke elementen van de geschiedenis van Parijs. Een paar andere kranten, waaronder de rechtse Le Figaro, schreven erover met een huivering van afkeer en meldden dat de oproerkraaiers ‘A bas l’état, les flics et les patrons’ (Weg met de staat, de wouten en de bazen) hadden gescandeerd, waarmee ze de rel een plek gaven in de rebelse folklore van de stad.
Maar het probleem met deze berichtgeving was dat er weinig van klopte. De jongeren die ik zag gaven geen moer om de staat of de ‘bazen’. De meesten van hen hadden sowieso geen werk. En ze hadden weliswaar een grondige hekel aan de politie, maar zouden nooit een ouderwets scheldwoord als flics hebben gebruikt, dat behoort tot het Parijse equivalent van de generatie van de Krays. Politieagenten waren voor de relschoppers keufs of schmitts. Het gescandeer dat ik hoorde ging voornamelijk in het Frans: ‘Nik les schmitts’ (Rot op, juten), en soms in het Engels: ‘Fuck the police!’ Maar er was nog een slogan, die werd gescandeerd in gewoon Arabisch en het hardst leek aan te komen: ‘Na’al abouk la France!’ (Fuck Frankrijk!). Deze slogan – het is eigenlijk meer een vloek – staat volledig los van Franse tradities van opstandigheid.
Frankrijk herbergt vandaag de dag de grootste moslimbevolking in Europa. Daartoe behoren ruim vijf miljoen mensen uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de zogeheten ‘zwarte landen aan de Atlantische Oceaan’, het langgerekte gebied in West-Afrika dat zich uitstrekt van Mali tot Senegal. Bij een korte wandeling in de overbevolkte wijk Barbès in het noorden van Parijs, waar bijna al deze nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, krijg je een goed beeld van de diversiteit van deze bewoners en kun je aardig wat opsteken over het Franse koloniale verleden.
Het Gare du Nord in het hart van deze wijk is grensterrein. Het vormt de scheidslijn tussen de miserabele omstandigheden in de banlieues, de voorsteden rond Parijs, en de relatieve overvloed in het centrale deel van de stad. Dit is de plek waar jonge banlieusards naartoe gaan om rond te hangen, de andere sekse te ontmoeten, te winkelen, te roken, zich te laten zien en te flirten – de dingen die jonge mensen graag doen. Parijs is zowel dichtbij als veraf; je bent er in een wip, maar als het gaat om banen, huisvesting, een leven opbouwen, is het voor deze jonge mensen net zo ontoegankelijk en ver weg als Amerika. En dus koesteren ze dit kleine stukje van de stad dat hun toebehoort.
In het Gare du Nord kunnen de gemoederen daarom snel hoog oplopen. De sfeer is er over het algemeen gespannen maar stabiel: iedereen houdt zich bij het zijne, van het politie tot de dealers. Maar wanneer de politie hard optreedt, kan dat lijken op het zoveelste vertoon van koloniale macht. De strijdkreet ‘Na’al abouk la France!’ is zodoende ook een kreet van pijn en woede. Er komen oude emoties van verlies, schaamte en angst in tot uitdrukking. En daarom is het zo’n krachtige vloek.
De relschoppers in de banlieues afficheren zich vaak als soldaten in de “lange oorlog” tegen Frankrijk en Europa
De relschoppers in het Gare du Nord en in de banlieues afficheren zich daarnaast ook vaak als soldaten in de ‘lange oorlog’ tegen Frankrijk en Europa. Een begrip als ‘beschaving’, dat ze zien als een Europese uitvinding, is voor hen iets om zich tegen af te zetten. De zogenoemde ‘Franse intifada’, de guerrillaoorlog met de politie aan de randen en in het hart van Franse steden, is slechts de nieuwste en meest dramatische vorm van confrontatie met de vijand.
Het geweld begon op 27 oktober 2005 na de dood door elektrocutie van twee jongemannen die waren weggevlucht in een transformatorhuisje om te ontsnappen aan de politie. Bijna een week lang ontstonden daarna elke avond rellen, waarbij duizenden auto’s in brand werden gestoken. Vervolgens sloeg de onrust over naar andere Franse plaatsen. President Jacques Chirac kondigde de noodtoestand af, die op 8 november om middernacht inging. De regering en de politie kregen hierdoor speciale bevoegdheden om mensen op te pakken en het recht om een avondklok in te stellen en huiszoekingen te doen. Maar dit maakte de situatie er niet beter op. Op 11 november viel in een deel van Amiens de stroom uit toen een elektriciteitscentrale werd belaagd – wat tot schrik van de politie een vaak gebruikte en doeltreffende tactiek werd. Verder werden kerken bestookt met brandbommen.
Uiteindelijk was het na twee weken gedaan met de rellen. Maar het was voor de politie allesbehalve een makkelijke overwinning – integendeel zelfs. Het geweld werd deels gevoed door het agressieve optreden van de politie en door de onverzettelijke houding van Nicolas Sarkozy, op dat moment minister van Binnenlandse Zaken, die een beleid van zero tolerance afkondigde en zei dat hij het ‘racaille’ (tuig) van de straat zou vegen. Deze harde woorden deden de verontwaardiging in de banlieues alleen maar toenemen – het was onmiskenbaar oorlogstaal. Toen de Franse regering eind november aan het bijkomen was van de onthutsende gebeurtenissen, kon de rekening opgemaakt worden: de rellen in Frankrijk hadden duidelijk gemaakt dat de jongeren van de banlieues met succes de strijd konden aanbinden met de autoriteiten wanneer ze maar wilden.
De gebeurtenissen in 2005 hebben onvermijdelijk geleid tot een bijna eindeloze stroom artikelen, boeken en debatten in Frankrijk. Hoewel menigeen zich te buiten ging aan luidruchtige retoriek, waren er een paar belangrijke punten waarop rechts en links het met elkaar eens waren. Ten eerste waren beide kampen van mening dat de ernst van de crisis was overdreven door de Engelstalige media, die weinig wisten van Frankrijk en de rellen hadden aangegrepen om de aandacht af te leiden van hun eigen problemen met immigratie en immigranten in hun eigen landen. Uiteraard is dit iets wat de perfide Britten en Amerikanen altijd al hebben gedaan.
Ten tweede was er de breed gedeelde consensus dat de rellen weinig of niets te maken hadden met de islam en de historische aanwezigheid van Frankrijk in delen van de islamitische wereld. Linkse intellectuelen sloofden zich in Le Monde en Libération uit om aan te tonen dat de rellen op geen enkele wijze terug te voeren waren op de woede die ook een voedingsbodem was geweest voor radicaliserende islamisten. Volgens deze journalisten waren de rellen te wijten aan een ‘fracture sociale’ en een gebrek aan ‘justice sociale’. Zelfs de Franse inlichtingendienst, de Renseignements Généraux, droeg haar steentje bij. Ze kwam met een rapport waarin de rellen werden omschreven als een ‘volksopstand’ en de rol van islamistische groepen en de allochtone afkomst van de relschoppers werden gebagatelliseerd. Aldus werden de rellen van 2005 ontdaan van hun bijzondere lading en weggezet als een zoveelste uitbarsting van traditioneel Frans protest.
Er is in het hedendaagse Frankrijk echter sprake van een hoogst reëel conflict tussen de tegengestelde beginselen laïcité en communautarisme, dat tot uiting kwam in de rellen. Het begrip laïcité is moeilijk te vertalen; de strekking ervan is simpel gezegd dat het volgens de Franse wet verboden is om onderscheid te maken tussen individuen op grond van hun godsdienst. De Franse notie laïcité is, anders dan het Engels-Amerikaanse model van de seculiere staat, waarin staatsbemoeienis met religieuze aangelegenheden uit den boze is, te beschouwen als een dam tegen elke vorm van religieuze inmenging in staatsaangelegenheden. Dit dateert van de revolutie van 1789 en wordt traditioneel gezien als een manier om de katholieke kerk kort te houden. De Dreyfus-affaire, die in 1905 leidde tot de officiële scheiding tussen kerk en staat, dient nog altijd als schoolvoorbeeld waarom de katholieke kerk op deze wijze in toom gehouden dient te worden. Laïcité garandeert als specifiek antireligieus concept, zo wordt gesteld, de morele eenheid van de Franse natie – de ‘République indivisible’.
In de voorbije jaren is tegenover deze kernwaarde van de Franse Republiek iets anders komen te staan: communautarisme, waarin de behoeften van de ‘gemeenschap’ worden afgezet tegen de behoeften van de ‘maatschappij’. Opnieuw is er voor het losse Engels-Amerikaanse model, waarin ‘verschillen’ op grond van seksualiteit, godsdienst of handicaps worden getolereerd of zelfs op prijs worden gesteld, geen plaats in Frankrijk, waar ‘verschillend zijn’ wordt gezien als een vorm van sektarisme en een bedreiging voor de Republiek. Het acuutste probleem voor de recente generaties moslimimmigranten in Frankrijk is dat de met nadruk beleden universaliteit van de republikeinse waarden, en met name laïcité, algauw doet denken aan de ‘beschavingsmissie’ in de koloniale tijd. Met andere woorden, als moslims ‘Frans’ willen zijn, moeten ze eerst leren burgers van de Republiek te zijn en pas op de tweede plaats moslims; dit is voor velen niet te doen, en vandaar de zorgen of de moslims in Frankrijk musulmans de France zijn of musulmans en France.
Heftige emoties
Maar in dit conflict gaat het niet alleen om politiek of godsdienst. Het gaat daarin ook om heel heftige emoties. De meeste mensen zijn banger voor aftakeling dan voor de dood. Dit is vertrouwd terrein voor psychiaters die patiënten behandelen voor stoornissen als schizofrenie en depressies. Een deel van het proces van geestelijk verval dat kenmerkend is voor deze aandoeningen is een gevoel van gedeeltelijke of algehele vervreemding. Wanneer mensen niet meer het idee hebben een eigen identiteit te bezitten en er van hun ik-gevoel nog maar zo weinig over is dat ze in hun beleving niet meer bestaan, kunnen ze letterlijk vreemden voor zichzelf worden.
Dit is wat er in de koloniale tijd gebeurde in de door Frankrijk veroverde gebieden en wat er nu gebeurt in de banlieues. En daarom is het voor immigranten uit voormalige Franse kolonies bijna onmogelijk om zich echt ‘thuis’ te voelen in Frankrijk. Ondanks al hun moderniteit lijken deze stadswijken qua ontwerp nog het meest op immense gevangenenkampen. De banlieue staat in de meest letterlijke zin voor ‘anders-zijn’ – het anders-zijn van uitsluiting, van de onderdrukten, van angstige en geminachte mensen, die fysiek en cultureel worden weggehouden van de mainstream van de Franse ‘beschaving’.
Dit is de stelling die de politicoloog Gilles Kepel poneert in zijn boek Quatre-vingt-treize (2012), een titel die verwijst naar Victor Hugo’s grootse roman over het schrikbewind in 1793 en naar de beruchte Parijse wijk Seine Saint-Denis, die vanwege de postcode bekendstaat als ‘Drieënnegentig’. In dit boek onderwerpt Kepel de recente geschiedenis van dit stadsdeel aan een diepgaand onderzoek, en zijn conclusie is dat de diverse varianten van de islam elkaar weliswaar bestrijden, maar dat ze verenigd zijn in hun vijandigheid tegenover de seculiere Franse staat.
Kepel is er daarnaast van overtuigd dat de Franse Republiek moet vrezen voor bedreigingen van ‘buiten’, waarmee hij zowel de banlieues als de voormalige Franse gebieden in de moslimwereld bedoelt. In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten denkt hij dat de recente veranderingen in de Franse maatschappij nauw verband houden met gebeurtenissen in de Arabische wereld, die in het Westen amper begrepen worden. ‘Veel Franse politieke commentatoren zijn blind,’ vertelde hij me in zijn krappe werkkamer vlak bij boulevard Saint-Germain. ‘Ze weigeren verder te kijken dan Frankrijk. En dus snappen ze niet dat wat hier gebeurt te maken heeft met onze relatie met de Arabische wereld en ons verleden daar.’
Kepel beklemtoont dat de huidige spanningen in Frankrijk niet los te zien zijn van de zogenoemde ‘Arabische Lente’ – de golf van opstanden die in 2011 de moslimwereld overspoelde. Ofwel preciezer gezegd: de Arabische Lente heeft ertoe geleid dat de algemeen aanvaarde waarheden over Noord-Afrika, waarvan de wereld tot nu toe een door Franse ogen bepaald beeld had, flink op de schop zijn gegaan.
Op 14 januari 2011 ontvluchtte president Zine Ben Ali eindelijk zijn paleis om in ballingschap te gaan in Saoedi-Arabië. In Parijs heerste die dag op straat net zo’n feeststemming als in de steden in Tunesië. Dit kwam doordat het ondenkbare was gebeurd: Ben Ali was sinds 1987 aan de macht geweest, en het leek een uitgemaakte zaak dat hij nog lang aan het roer zou blijven – wat gezien zijn goede gezondheid en eigenwaan heel lang had kunnen zijn – maar binnen een paar weken was hij weg.
De katalysator voor de woedende demonstraties die hadden geleid tot zijn vertrek was de zelfdoding van Mohammed Bouazizi, een zesentwintigjarige straatverkoper in de tot dan toe onbekende Tunesische plaats Sidi Bouzid. Op 17 december 2010 zette ‘Besboos’, zoals hij plaatselijk bekendstond, om acht uur ’s morgens zoals gebruikelijk zijn kar met fruit neer in het centrum van Sidi Bouzid. Rond tien uur kreeg hij het aan de stok met politieagenten die zeiden dat hij geen vergunning had en daarom niet mocht staan waar hij stond.
Het werkelijke probleem was dat Mohammed de lokale politie niet genoeg smeergeld had betaald, hoewel hij zich door geld te lenen al voor tweehonderd dollar in de schulden had gestoken om beambten om te kopen. Maar Mohammed was die dag niet in de stemming om met zich te laten sollen en hield voet bij stuk toen een agente van middelbare leeftijd hem beledigde, zijn overleden vader vervloekte en zijn kar in beslag probeerde te nemen. Toen de agente zijn weegschaal pakte, zijn duurste apparaat dat hij, wilde hij zakendoen, absoluut niet kon missen, werd het hem te veel. Hij raakte buiten zichzelf van woede en rende, niet meer in staat zijn tranen te bedwingen, naar het kantoor van de lokale gouverneur om zijn beklag te doen over het hem aangedane onrecht. De gouverneur weigerde vlakaf hem te ontvangen.
Mohammed verliet heftig gefrustreerd het kantoor van de gouverneur en overgoot zichzelf buiten met een blik benzine. Tot afschuw van de groep mensen die om hen heen was komen staan, stak hij de benzine vervolgens in brand. De vlammen sloegen van zijn lichaam terwijl hij in stille pijn rondwankelde. Dit was om halftwaalf, ongeveer een uur na aanvang van de ruzie over zijn kar.
Mohammed overleed een paar dagen later in een ziekenhuis. Zijn dood staat nu te boek als de vonk die het vuur van de Tunesische revolutie deed ontbranden. Toen hij op sterven lag, stonden de gewone mensen van Sidi Bouzid op tegen de lagere ambtenaren die hen tot dan toe in toom hadden gehouden. Toen de opstand aan kracht won, staakte het leger zijn pogingen om er paal en perk aan te stellen en beseften honderdduizenden Tunesiërs dat dit hun eerste kans was om in verzet te komen tegen de autoriteiten. De rellen verspreidden zich over het land, en een paar spannende weken later maakte president Ben Ali, voor wie de haat van zijn volk niet meer te trotseren viel, zich uit de voeten.
Het was het sprookjesachtige karakter van de revolutie dat op de dag van Ben Ali’s vertrek in de straten van Parijs werd gevierd. In Frankrijk wonen ruim zevenhonderdduizend Tunesiërs, grotendeels geconcentreerd in de regio Parijs. Tijdens de revolte in Tunesië stonden overal waar je in Parijs kwam in winkels, afhaalrestaurants en cafés draagbare tv’s waaruit op volle geluidssterkte een polyglot, polyfoon gebabbel op- rees van Al-Jazeera, Al-Arabiya en Franstalige kanalen uit de Maghreb. Iedereen was opgewonden en wilde praten, vooral de Tunesiërs zelf.
Het verbluffendste aan deze gebeurtenissen – althans voor mensen die Tunesië niet kenden – was dat ze in gang waren gezet in een land dat het Westen beschouwde als een gematigde, stabiele en onopvallende speler in de politiek van de regio. Tot dat moment was Tunesië in de ogen van de buitenwereld een goedkope vakantiebestemming geweest, een land met een gedienstige houding jegens het Westen. De Tunesiërs wisten dat dit beeld op zijn best niet meer dan wensdenken was, en op zijn slechtst een bewuste leugen.
De pesterijen waarmee Bouazizi te maken had, waren in Tunesië een alledaags fenomeen. Ze waren rechtstreeks terug te voeren tot de mensen op hoge, machtige posities, die deze intimidatie op laag niveau niet alleen toestonden, maar zelfs actief aanmoedigden. Toen Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak, wekte dat zo veel verontwaardiging bij de Tunesiërs dat ze alles op het spel zetten voor de vrijheid. Het recht kreeg met de vlucht van Ben Ali eindelijk zijn beloop. ‘Toen Ben Ali wegging, was dat een prachtig moment,’ kreeg ik te horen van een jonge vrouw die in Tunis de straat op was gegaan om tegen hem te protesteren. ‘Ik wist niet dat mensen zo blij konden zijn.’
Verrast
In de regeringsburelen van Frankrijk heerste die dag, anders dan onder de Tunesische bevolking in Parijs, geen jubelstemming. De val van Ben Ali was wel het laatste wat de Franse regering had gewild. Vanaf het moment dat hij in 1987 aan de macht kwam, hadden de opeenvolgende Franse leiders zich achter zijn regime geschaard, daartoe aangezet door zijn verwijzingen naar Algerije en de mogelijke dreiging van islamistisch terrorisme in Tunesië. De Fransen hadden Ben Ali op zijn woord geloofd en zich blind gehouden voor de wanpraktijken waarvan hij zich bediende om in Tunesië de ‘stabiliteit’ te handhaven. Daarnaast hadden ze in de veronderstelling verkeerd dat zijn positie onaantastbaar was.
‘We werden verrast,’ zei Henri Guaino, speciaal adviseur van Nicolas Sarkozy op het terrein van mediterrane aangelegenheden. ‘Niemand had door wat er gaande was. Het ging allemaal heel snel, een reeks gebeurtenissen waardoor de boel razendsnel uit de hand liep.’ Verder gaf hij toe: ‘Ik was niet waakzaam genoeg geweest ten aanzien van de ontwikkeling van het regime en de Tunesische publieke opinie.’ Dit was wel heel zwak uitgedrukt. Sinds eind jaren tachtig waren de opeenvolgende Franse regeringen verstrikt geraakt in compromitterende en inconsistente relaties met Tunesië. Franse diplomaten hadden al in 1990 melding gemaakt van het brute karakter van Ben Ali’s regime, maar de autoriteiten in Parijs hadden de andere kant op gekeken.
Michèle Alliot-Marie, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, zette zich op 11 januari 2011 schandelijk te kijk toen ze ten overstaan van de Nationale Assemblee in Parijs meedeelde dat de opstand in Tunesië ‘een complexe situatie’ was, en dat het niet aan de Franse regering was om ‘het regime de les te lezen’. Een arrogantere en zelfgenoegzamere verklaring was moeilijk voorstelbaar op het moment dat het Tunesische volk vocht voor zijn vrijheid. Maar het werd allemaal nog erger: Alliot-Marie bood Ben Ali’s regime vervolgens het ‘wereldbefaamde savoir-faire’ van het Franse leger aan en zei bereid te zijn dit ‘savoir-faire’ over te laten brengen naar Tunis. Alle Assembleeleden, het maakte niet uit van welke partij, reageerden vol ongeloof. Bedoelde de Franse minister daadwerkelijk dat Franse soldaten of politiemensen ingezet zouden worden om de mensenmenigten in Tunis onder vuur te nemen?
Sarkozy nam in het openbaar onmiddellijk afstand van haar – zijn adviseur deelde mee dat Alliot-Marie haar ‘eigen persoonlijke analyse van de situatie’ had gegeven. Links reageerde trager, deels omdat veel linkse politici, onder wie de burgemeester van Parijs, zelf problemen hadden met Tunesië. In de regio en in de banlieues van Frankrijk wekte de toespraak echter woede. In Algerije stelde het dagblad Liberté dat Michèle Alliot-Marie in haar arrogantie ‘kennelijk niet bang is om de herinneringen op te rakelen van mensen die in het verleden al kennis hebben gemaakt met het militaire “savoir-faire” van Frankrijk. Deze herinneringen zijn feiten: ten aanzien van Algerije kunnen we terugdenken aan 11 december 1960 in Algiers, in de wijk Belcourt, en aan 17 oktober in Parijs in 1961 – om slechts twee voorbeelden te noemen.’ Tunesische bloggers – bloggen was inmiddels de voornaamste vorm van communicatie in het land – waren furieus en sarcastisch. ‘Merci la France!’ luidde de reactie in een campagne op Facebook.
De controverse liep in de volgende paar dagen nog hoger op toen aan het licht kwam dat Alliot-Marie, die hechte vriendschappelijke banden onderhield met Ben Ali, de kerst van 2010 had doorgebracht in een luxeresort in Tabarka, en dat ze daarheen was gereisd in een privévliegtuig van een goede vriend van Ben Ali, die tevens een crimineel was. Daarna werd bekend dat ze recent een appartement had gekocht in het vakantiecomplex te Gammarth niet ver van Tunis. En ondertussen ging Tunesië op in vlammen.
Deze Franse dubbelhartigheid wekte bij de Tunesiërs amper verbazing. In de voorbije paar jaar hadden ze moeten aanzien hoe Ben Ali en zijn familie en vrienden schatrijk waren geworden door de natie te plunderen. Tunesië was geen rijk Arabisch land – het heeft bijvoorbeeld geen inkomsten uit olie. Maar dit weerhield Ben Ali en zijn kompanen er niet van om zich de nationale hulpbronnen toe te eigenen en het geld te spenderen in Frankrijk.
Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn “echte hoofdstad”, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan
Toen ik op een middag in de herfst van 2012 in Tunis uit het vliegtuig stapte, waren er vrijwel geen andere westerlingen te bekennen. Ik zag meteen dat alles was veranderd na mijn laatste bezoek in 2011. Ik had Tunis vanaf 2005 vrij vaak bezocht, maar sinds de revolutie was ik er niet meer geweest. De stad had nu een heel ander aanzien.
Tijdens de korte rit van het vliegveld naar de stad zagen de buitenwijken er smeriger en vervallener uit dan tevoren. De meest in het oog lopende verandering in de stad was de afwezigheid van de enorme portretten van Ben Ali, die tot de revolutie langs elke hoofdstraat in en rond de stad hadden gestaan. Toen we het stadscentrum in reden, was er overal graffiti te zien, vaak in diverse talen, niet alleen het Arabisch; in de graffiti in het Engels, Frans en Spaans werd opgeroepen tot meer revolutie en de oorlog verklaard aan het Westen en iedereen die de islam haatte.
Een paar dagen eerder was de Amerikaanse ambassade in Tunis belaagd en de American School in brand gestoken door een salafistische menigte die naar verluidt demonstreerde tegen de provocerende anti-islamitische film The Innocence of Muslims. Slechts een paar dagen hiervoor was de Amerikaanse ambassadeur in Libië vermoord door een jihadistische militie. De Amerikanen hadden in Tunesië al hun personeel en burgers weggehaald om de Tunesiërs duidelijk te maken dat ze niet gediend waren van agressie. De sfeer werd nog onbestendiger door de publicatie in Frankrijk van afbeeldingen van de Profeet in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Toen de salafisten daarna met doodsbedreigingen kwamen, achtte de aanzienlijke populatie Fransen in Tunesië het verstandiger om niet meer de straat op te gaan en thuis te blijven.
Bij mijn vorige bezoeken aan Tunis was het er steeds makkelijk werken geweest, vond ik; het was er veilig en alles was goed geregeld. Maar ondanks de schoonheid en ogenschijnlijke orde had het leven in Tunesië altijd een geheime en sinistere kant. Je had er niet te maken met het soort geweld en extremisme waardoor Algerije werd geteisterd, en de armoede was er minder schrijnend dan in Marokko. Desalniettemin deed Tunesië me denken aan mijn tijd in Roemenië begin jaren negentig, waar gewone mensen zelfs na de val van Ceausescu nog zo bang waren dat ze liever niet zeiden wat ze werkelijk dachten. De Roemenen noemden dit ‘zelfcensuur’ en zeiden dat het veel effectiever was dan de Securitate, de geheime politie. Bijna iedereen die ik voor de revolutie ontmoette in Tunesië, had zich deze gewoonte eigengemaakt. Het was een land waar je met niemand echt contact kon krijgen. De geheime politie was overal, luisterde overal mee en hield alles in de gaten. Maar feitelijk was hun werk overbodig, want de mensen durfden sowieso geen kritiek te leveren op de regering.
Toen de journalist Christopher Hitchens in 2007 hier was om een stuk voor Vanity Fair te schrijven, noteerde hij dat zijn vriend Edward Said hem had verteld dat Tunesië het ‘aangenaamste land van Afrika’ was. Hij werd niet teleurgesteld: de elegantie van de avenue Habib Bourguiba, de verkeersslagader in Tunis, sprak hem zeer aan, en datzelfde gold voor de olijfgaarden en de adembenemende pracht van het eiland Djerba (waar in 2002 overigens negentien toeristen waren omgekomen bij een aanslag van Al-Qaida). Tunesië was in Hitchens’ ogen een ‘mild’ land, en hoewel hij vraagtekens had bij de twintig jaar dat Ben Ali aan de macht was, de alomtegenwoordigheid van diens portret en de onwil van de mensen om over politiek te praten, was het voor hem bemoedigend dat je er anticonceptiemiddelen kon krijgen, dat jonge men- sen elkaars hand vasthielden, dat er andere duidelijk zichtbare tekenen van ‘westerse waarden’ te bespeuren waren, en dat er onverschilligheid heerste ten aanzien van de puriteinse waarden van het islamisme. Dit was wat iedereen zag wanneer je voor het eerst in Tunesië was. Onder de oppervlakte telde de Tunesische werkelijkheid echter tal van wrange facetten die de psyche van de natie niet onberoerd lieten.
Net als in Algerije en Marokko behoorden voetbalwedstrijden tot de schaarse gelegenheden waar je een glimp kon opvangen van de innerlijke woede van de Tunesiërs. In september 2008 zag ik hoe een groep van niet meer dan honderd fans van Espérance Sportive Tunis – de grootste club van het land – het in de achterafstraten rond place de Carthage en place de Barcelone opnam tegen de oproerpolitie. Wat vooral indruk op mij maakte, was dat de ‘hooligans’ behendig en goedgeorganiseerd te werk gingen – ze vormden een beweeglijke, voortdurende veranderende formatie, maar bleven desondanks een solide geheel. Ze sloegen ruiten stuk en trokken al schreeuwend door de stegen en straatjes. Ze hadden de situatie volledig onder controle en vonden het zo te zien prachtig om het gevecht aan te gaan met de voetsoldaten van het regime. Later sprak ik in bar Celestina, een met rook gevuld dranklokaal nabij het metrostation, met een aantal van hen. Ze maakten meteen al duidelijk dat ze niet vochten met fans van andere clubs, alleen met de politie, die de gewapende vleugel van de regering vormde. Niemand had het over Ben Ali, maar hij was uiteraard de grote vijand.
En de andere grote vijand waren de Fransen. Tunesië was ten tijde van Ben Ali onofficieel Frankrijks meest begunstigde natie in de Maghreb. De banden tussen Ben Ali en een reeks Franse presidenten, van Mitterrand tot Chirac en Sarkozy, waren altijd stevig. Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn ‘echte hoofdstad’, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan. Ben Ali’s tweede vrouw Leila was lid van de Trabelsifamilie, een maffia-achtige organisatie met onderkomens in de duurste quartiers van Parijs en Nice die in Tunesië feitelijk de dienst uitmaakte als was het hun persoonlijke bezit. De Tunesiërs wisten dat de val van Ben Ali niet alleen was toe te schrijven aan de ideologische steriliteit van zijn regering, maar ook aan het feit dat op korte termijn aan het licht zou komen dat hij het land samen met de Trabelsi’s flink had geplunderd. Dat was de reden waarom hij zo snel Tunesië ontvluchtte.
De rebellie duurde slechts vier weken. Maar het veranderde alles in Tunesië en de rest van de Arabische wereld: gewone mensen van Marokko tot Jemen raakten zo begeesterd dat ze hun angst opzijzetten en zich tegen hun leiders keerden. De meeste Tunesiërs, niet alleen de salafisten, voelen zich nu tweemaal verraden door Frankrijk, het land dat de politieke en culturele identiteit van Tunesië ruim een eeuw lang heeft gedomineerd en vormgegeven. Of ze nu wilden of niet, ze waren opgegroeid in de overtuiging dat Frankrijk hun moederland was, en dat de Fransen het beste met hen voorhadden. Nu was echter in de onstuimige tijd van de revolutie gebleken dat Frankrijk een cynische en corrupte vijand was.
Op 14 oktober 2008 was er ’s avonds in het Stade de France een vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Tunesië. Sinds de rellen in Clichy-sous-Bois in 2005 waren wedstrijden tegen Noord-Afrikaanse teams aldoor een potentiële aanleiding geweest voor trammelant in Parijs. Niettemin werd Tunesië voor een minder instabiel en gevaarlijk land gehouden dan Marokko of Algerije en werden Tunesiërs in Parijs niet beschouwd als gangsters of islamitische radicalen. Maar om mogelijke spanningen weg te nemen hadden de autoriteiten besloten dat de elftallen voor aanvang door elkaar in de rij zouden gaan staan, en dat de ‘Marseillaise’ gezongen zou worden door Laam, een jonge r&b-zangeres van Frans-Tunesische komaf.
Zodra Laam de microfoon oppakte, begon het gefluit, en algauw klonk het zo hard dat het van links naar rechts door het stadion galmde. De jonge vrouw keek om zich heen voor hulp, maar die bleef uit. Ze probeerde er ondanks de orkaan van herrie toch nog iets van terecht te brengen, maar het was hopeloos. Toen ze eindelijk klaar was, lachten de Tunesische fans en gaven ze elkaar high fives alsof ze met 3-0 voorstonden.
‘Waar kwam dat vandaan, die muur van haat?’ vroeg ik een Tunesische gozer naast me in de bar waar ik de wedstrijd bekeek. Hij glimlachte sullig en sloeg zijn laatste restje bier achterover: ‘Made in France!’
Dit is een voorpublicatie uit De Franse intifada van Andrew Hussey, dat onlangs verscheen bij De Arbeiderspers.
Vertaler: Jan Braks
In 1990 vonden de eerste rellen plaats in de Parijse voorstad Aulnay-sous-Bois. Sindsdien zijn de sociale en institutionele problemen die de oorzaak waren van dit geweld niet afgenomen.
Eind 1990, begin 1991 vonden in een tiental Franse voorsteden geweldsuitbarstingen plaats, van Lyon tot Parijs. Die boezemden destijds veel angst in, omdat ze werden geassocieerd met woorden als ‘drugs’, ‘getto’, ‘stedelijk geweld’ et cetera.
De ontwikkelingen die zich dezer dagen voltrekken in Aulnay-sous-Bois in het departement Seine-Saint-Denis zijn hiervan een klassiek voorbeeld; ze herinneren ons er alleen maar aan dat we in 27 jaar niets hebben geleerd en dat er niets is veranderd aan de sociale en institutionele problemen waardoor dit soort geweldsuitbarstingen regelmatig wordt uitgelokt.
Het gaat altijd op dezelfde manier: op een dag is het buitensporige politiegeweld de druppel die de emmer doet overlopen – de emmer waarin de rancune van een groot deel van de bewoners van arme wijken zich dag in dag uit heeft opgehoopt. De politie wordt enkele dagen lang de belichaming van alle kwaad. ’s Nachts organiseren de opstandelingen zich en komt het tot een treffen.
De politie probeert de ‘leiders’ te arresteren om anderen te ontmoedigen. Meestal pakken ze alleen de jongsten op of degenen die het minst hard rennen. Nadat die voor het parket zijn gebracht, wordt er meestal snelrecht toegepast en krijgen ze een fikse gevangenisstraf die niet in verhouding staat tot wat ze hebben gedaan. Alsof bepaalde rechters zich in de collectieve emotie meer bekommeren om de openbare orde dan om individuele vrijheid.
Dat deze ontwikkeling helaas niet de laatste is in een heel oude reeks, komt doordat geen enkele regering de elementen van het scenario de afgelopen 27 jaar heeft veranderd. De arme wijken zijn nog altijd arm. De miljarden die in het beton van de ‘stadsvernieuwing’ zijn gestoken hebben niets veranderd aan de dagelijkse problemen van de bewoners. Om te beginnen de werkloosheid, die in veel wijken ruim de helft van de jongeren onder de dertig treft. De crisis van 2008 heeft de problemen alleen nog maar verergerd, omdat de bewoners van deze ‘gevoelige stadswijken’ er het hardst door zijn geraakt.
Ook is er niets veranderd aan de discriminatie waardoor een deel van onze medeburgers nog altijd moeilijk toegang krijgt tot werk, huisvesting, goederen en diensten. Alleen is de etnisch-raciale discriminatie voor een deel vervangen door discriminatie op grond van godsdienst, die vooral vrouwen met een hoofddoek treft. In deze wijken zijn gezinnen nog altijd even bang dat hun kinderen mislukken op school – en terecht, want de ongelijkheid op onderwijsgebied is nog altijd even groot. Op een school in een welgestelde buurt slaagt meer dan 95 procent voor zijn eindexamen; in de ‘gevoelige wijken’, een paar kilometer verderop, slaagt minder dan 50 procent van de kinderen.
Ook de relatie met de politie is nog altijd even slecht. Er is in 27 jaar niets veranderd, ondanks de ontelbare waarschuwingen, rapporten en boeken die over dit onderwerp zijn gepubliceerd. Ten eerste omdat meer politie in de wijk, waar de bewoners zowel hier als elders op aandringen, een politiek taboe is geworden. In 2002 heeft een bekende politicus, die nu overigens wordt verdacht van ernstige zakelijke fraude [Nicolas Sarkozy], dit beleid in diskrediet gebracht. Zijn opvolgers bij het ministerie van Binnenlandse Zaken hebben zijn gebod tot het eind van de conservatieve regeringsperiode gerespecteerd. Toen in 2012 de socialist François Hollande aan de macht kwam, hoopte men op verandering, omdat meer politie in de wijken een van zijn verkiezingsbeloftes was. Die is helaas niet ingelost en snel begraven door de nieuwe bewoner van het ministerie op het Place Beauvau, Manuel Valls.
Rellen dringen alleen door tot de media als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren
Frankrijk heeft dus nog steeds geen nationale politie die in staat is wijkagenten aan te stellen die dagelijks patrouilleren, te voet of op de fiets, die bewoners, middenstanders en verenigingsbestuurders ontmoeten, informatie inwinnen, diensten verlenen, maar ook boetes uitdelen en wetsovertreders zo nodig aanhouden.
Nee, de bewoners zien nog altijd auto’s passeren die nooit stoppen, behalve om een controle uit te voeren. Ze kennen alleen maar een interventiepolitie, gevormd door jonge rekruten van elders, die zich tijdens hun opleiding hebben bekwaamd in ‘interventietechnieken’ en strafwetsregels, maar niet in conflictbeheersing of menselijke betrekkingen. Jongeren die vaak met angst in hun buik naar wijken worden gestuurd waar ze alleen oog hebben voor het (vaak reële) gevaar en niet voor de burgers, en waar ze blindelings te werk gaan, zonder aanziens des persoons.
Onder deze omstandigheden doen zich dagelijks incidenten voor, maar die interesseren meestal niemand. Ze dringen alleen door tot de media als ze uitzonderlijk ernstig zijn en als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren.
Zolang thema’s als veiligheid en geweld in de wijken er alleen maar toe dienen om politici carrière te laten maken, zolang de noodzaak van openbare orde elke analyse het zwijgen oplegt, zolang de politie hetzelfde type agenten naar de wijken blijft sturen en zolang de bewoners van de arme wijken met dezelfde problemen blijven kampen, kunnen we met een gerust hart voorspellen dat Aulnay-sous-Bois nog heel wat navolging zal krijgen.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Het is chaos in Gabon sinds de betwiste verkiezingsoverwinning van president Ali Bongo eind augustus. Reden voor een bijtend commentaar van de krant Le Pays in het nabijgelegen Burkina Faso.
Het duurde niet lang voordat de verkiezingsoverwinning van zittend president Ali Bongo Ondimba (ABO), in wie veel van zijn landgenoten een Ali Baba zien, in geweld ontaardde. Al enkele uren nadat op 31 augustus de voorlopige resultaten werden bekendgemaakt – 49,8 procent van de stemmen voor ABO tegen 48,23 procent voor zijn belangrijkste uitdager, Jean Ping –, vonden in de Gabonese hoofdstad Libreville gewelddadige betogingen plaats waarbij publieke en particuliere eigendommen werden vernield en het parlementsgebouw in vlammen opging. Voor de betogers is deze overwinning van Ali Bongo moeilijk te slikken: ze vermoeden dat er met de cijfers is geknoeid om hem van de overwinning te verzekeren, met name in zijn geboortestreek Haut-Ogooué. Daar eiste de oppositie een hertelling, en drong de internationale gemeenschap aan op openbaarmaking van de resultaten door de stembureaus.
Over de uitslag doen de wildste geruchten de ronde
Door geen openheid van zaken te geven wakkert de Gabonese regering de twijfels over de overwinning van Ali Bongo nog verder aan. Over de uitslag in Haut-Ogooué doen de wildste geruchten de ronde. Zo wijzen bronnen erop dat, om de cijfers te halen die door de nationale kiescommissie Cenap zijn verstrekt, de bevolking van Haut-Ogooué vervijfvoudigd moest zijn: de ongeveer 50.000 stemgerechtigden waren uitgegroeid tot 250.000 stemmen. Zoiets hoort thuis in het Guinness Book of Records. De opkomst in deze regio loopt volgens de officiële cijfers tegen de 100 procent, terwijl die in de rest van het land op 60 procent wordt geschat. Gekker moet het niet worden! Zelfs in de meest geavanceerde democratieën is zoiets nog nooit vertoond. Er zit een addertje onder het gras. Vooral omdat, ondanks de explosieve en funeste situatie, de machthebbers geen gevolg geven aan de oproep de stemmen opnieuw te tellen, of anders op z’n minst de resultaten van de stembureaus openbaar te maken.
Toch is het de vraag of de spanning daardoor zou afnemen. Waarom zou je niet kunnen denken dat er onder deze omstandigheden naast onjuiste informatie ook juiste informatie bestaat? Waarom zou je niet kunnen denken dat, ondanks de torenhoge opkomst in de geboortestreek van de president, Jean Ping een aanzienlijke voorsprong had en dus alle reden om in zijn overwinning te geloven?
Eén ding is zeker: doordat de Gabonese regering weigert open kaart te spelen nemen de twijfels over de overwinning van Ali Bongo toe. Overigens doet de belanghebbende zelf sinds de aankondiging van zijn overwinning niet mee aan deze bluf. Hoe zou dat komen? In elk geval kunnen we constateren dat Gabon dit jaar het derde Centraal-Afrikaanse land is waar verkiezingen in geweld ontaarden, na het Congo van Denis Sassou-Nguesso en het Tsjaad van Idriss Déby Itno, terwijl het in de Democratische Republiek Congo al even hard gist. Geen reden om trots te zijn op deze Afrikaanse regio, die elke dag een beetje meer bewijst een martelaar van de democratie te zijn.
Bewaarheid
En in het geval van Gabon zijn de zorgen die al vóór de verkiezingen bestonden helaas meer dan bewaarheid geworden. Want met het toenemen van de spanningen had men al repressie in Libreville verwacht. Uiteindelijk is die repressie voor de tegenstanders van Ali Bongo uitgelopen op een bloedbad, want sinds woensdag 31 augustus zijn de veiligheidstroepen ten tonele verschenen die vanuit een helikopter het campagnehoofdkwartier van de onfortuinlijke kandidaat Jean Ping hebben gebombardeerd, waar op dat moment veel van zijn partijgenoten aanwezig waren. Eén ding is zeker: Gabon is in nood.
De oppositie zou er goed aan doen de legale wegen te bewandelen, te meer omdat er volgens sommige cijfers al zeven doden en talrijke gewonden zijn gevallen en veel mensen zijn gearresteerd. Geweld is op geen enkele manier te verdedigen in een democratie. Daarom valt het te betreuren dat het leger en de veiligheidstroepen bij elke verkiezing in onze Centraal-Afrikaanse contreien bloeddorstig partij kiezen voor de heersende machthebber, ten koste van het volk, terwijl ze zich neutraal zouden moeten opstellen.
Het bestoken van een campagnehoofdkwartier als een jihadistisch broeinest is het onomstotelijke bewijs dat men voor eens en voor altijd korte metten wil maken met iedere vorm van verzet, terwijl dit verzet juist is ingegeven door het ondoorzichtige karakter van deze presidentsverkiezing. Als het de bedoeling is het verzet in de kiem te smoren, dan kan die strategie wel eens gevaarlijk blijken, als hij niet op de korte termijn slaagt.
Als de tegenstanders blijk zouden geven van een onvermoede veerkracht, zou Ali Bongo in dezelfde situatie kunnen komen als Pierre Nkurunziza in Burundi, wiens verkiezing al sinds juli 2015 bestreden wordt. En als de oppositie solidair met het verzet zou blijven, zou hij zich nog meer zorgen moeten maken, want zoals het Gabonese het spreekwoord zegt: ‘Een hechte kudde heeft van de wolf niets te vrezen.’ Ten slotte is er nog het risico dat het hele land in brand komt te staan, waar de veiligheidstroepen wel eens goed garen bij zouden kunnen spinnen.
Gabon maakt dus een onzekere periode door. Nogmaals, de oppositie zou er goed aan doen de legale wegen te bewandelen, al is het weinig waarschijnlijk dat ze voet aan de grond zal krijgen bij een constitutioneel hof dat zichzelf al twee keer in diskrediet heeft gebracht door zich tijdens de presidentsverkiezing voor Ali Bongo uit te spreken. En wat de herkozen president betreft, als hij de dorst naar verandering van de Gabonezen werkelijk begrepen heeft, zou hij moeten gaan nadenken over zijn vertrek, zelfs als de bui zou overwaaien. Nog eens zeven jaar onder de huidige omstandigheden? Nee, Ali Bongo, het is welletjes!
Hoewel president Compaoré weinig waarde hecht aan een vrije pers, is er in Burkina Faso een rijke mediacultuur. Le Pays, onafhankelijk sinds 1991, is populair vanwege de scherpe commentaren op de regering.
Na de massa-aanranding in Keulen is het asieldebat in Duitsland op een kookpunt beland. In een commentaar roept Der Spiegel op het hoofd koel te houden.
Haar regering, zo zei een enigszins zelfingenomen bondskanselier in haar oudejaarstoespraak, had het het afgelopen jaar niet bij woorden gelaten. Er waren daden gevolgd om de vluchtelingen ‘onze waarden, ons rechtsbegrip, onze wetten en onze regels’ bij te brengen.
Twee uur na later lieten in Keulen een paar honderd mannen op Merkels woorden daden volgen die insloegen als een bom. Het seksuele geweld en de criminele handtastelijkheden in Keulen, Hamburg, Stuttgart en elders kun je omschrijven als het gedrag van een losgeslagen dronken bende die het op de mobieltjes en de lichamelijke integriteit van jonge vrouwen had voorzien. Maar in het hoofd van veel Duitsers passen de kwalijke daden naadloos in een sombere kijk op de toekomst van een Duitsland dat niet meer van hen is, in een vorm van gijzeling die verder reikt dan de vrouwen bij het station.
Een jaar eerder, Oudejaar 2014, zouden deze handtastelijkheden mogelijk (en helaas) alleen de lokale pers hebben gehaald, maar aan het einde van dit moeilijke jaar, dat de Duitsers scherp tegenover elkaar heeft gezet, had deze geweldsuitbarsting het effect van een nationale angstversneller.
Voor iedereen die in Merkel de FDJ-troela ziet die Duitsland laat opvreten door vreemdelingen, was Oudejaarsavond een feest van heimelijke vreugde
Voor iedereen die Merkels immigratiepolitiek steunt, betekent Oudejaarsavond 2015 het slechtst mogelijke nieuws. Zij maken terecht onderscheid tussen vluchtelingen die bij ons rust en veiligheid zoeken en criminele migranten; maar ze vrezen dat er voor zulke opvattingen steeds minder ruimte is. Voor iedereen die steeds sterker twijfelt aan Merkels ‘Wir schaffen das’ zijn de horden mannen die vrouwen hier net zo behandelen als op het Tahrirplein in Caïro vleesgeworden Pegida-propaganda.
Voor iedereen die in Merkel de FDJ-troela [Freie Deutsche Jugend, een communistische jeugdbeweging] ziet die Duitsland laat opvreten door vreemdelingen, was Oudejaarsavond een feest van heimelijke vreugde. In één nacht werden deze mensen die eerder vluchtelingenhelpsters een Syrische verkrachter in huis toewensten, voorvechters van de lichamelijke integriteit van de Duitse vrouw.
Dictatuur
De grote coalitie tegen Merkel, die zich uitstrekt van Pegida en de AfD [Alternative für Deutschland, een eurosceptische partij] via de CSU tot aan de salonhitsers van de Frankfurter Allgemeine Zeitung,Die Welt, het opinietijdschrift Cicero en nationaal-conservatieve blogs als Tichys Einblick, ziet de kanselier als een vrouw die voortdurend het Duitse recht schendt, niet meer toerekeningsvatbaar is of een dictatuur heeft gevestigd. Ongehoorzaamheid wordt dan tot plicht. De verachting en de haat die Merkel vanuit dit deel van de burgerij ten deel vallen nemen door de gebeurtenissen op Oudejaarsavond triomfantelijke proporties aan. In het vluchtelingenvraagstuk culmineert de toekomstangst van Duitsers die terugverlangen naar het Duitsland van voor de globalisering, dat weliswaar over heel de wereld goederen exporteerde maar zich afschermde van de boze buitenwereld; met het gepeupel van Oudejaarsavond toont het kwaad zich nu dreigender nabij dan ooit tevoren.
Hoe kan men in tijden waarin goederen en kapitaal onbegrensd de hele wereld over stromen, de stroom mensen reguleren die naar een plaats willen waar ze de oplossing van al hun problemen verwachten? Door een immigratiewet. Hoe kan men voorkomen dat met deze mensen gedrag gewoon wordt dat niet past in onze waardencanon? Door politie en justitie, door een staat en een samenleving die deze waardencanon verdedigen.
Vijf stappen
De veroordeling van de daders van Keulen en Hamburg kan daarom slechts een eerste stap zijn. Het wijzigen van de verblijfswetten zou het uitzetten van criminele asielzoekers eenvoudiger moeten maken.
De tweede stap: de bondsregering moet via een duidelijke reductie van vluchtelingenaantallen de angst bij de Duitsers voor overbelasting van de samenleving wegnemen.
Ten derde: de wijze waarop wij integratie organiseren, financieren en vormgeven, vormt de beste waarborg tegen criminele bendes en de import van primitief gedrag. Het vrouwbeeld van vele jonge moslimmannen verandert elke dag doordat hulpverleensters, politica’s en politieagentes hun laten zien welke rol vrouwen in onze samenleving spelen. Zij zijn bij uitstek degenen die voor integratie kunnen zorgen.
Ten vierde: het moet ons lukken om het misbruik van vluchtelingen door politiek, media en populisten in te dammen. Niet alle moslims zijn potentiële verkrachters, net zo min als alle Duitsers potentiële brandstichters zijn.
Ten vijfde: de eenstemmige verontwaardiging over het oudejaarsavondgeweld tegen vrouwen vormt een goede basis om het seksuele geweld tegen vrouwen in grote delen van onze samenleving te bestrijden. En wie als demonstrant in Dresden journalistes tegen de grond duwt, vergrijpt zich evenzeer aan onze waarden als iemand die op het centraal station van Keulen vrouwen bij de borsten pakt.
Der Spiegel
Duitsland | oplage 976.000
Duitslands grootste en invloedrijkste weekblad. Het ontstond op initiatief en met steun van de Britse bezettingsmacht. Lijkt qua stijl en lay-out op Amerikaanse nieuwsmagazines als Newsweek en Time, en staat onder meer bekend om de dikte en de academische manier van schrijven.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.