Tag: samenleving

  • Moet je bedelaars altijd iets geven?

    Moet je bedelaars altijd iets geven?

    Bedelaars wekken medelijden op. Maar geef je ook iets als hij opdringerig is, tot een georganiseerde bende behoort of het geld zou kunnen uitgeven aan drank? Twee redacteuren van Süddeutsche Zeitung gaan met elkaar in debat.

    Ja: ‘Oordeel niet’

    De tijd dat medeleven goedkoop was, is duidelijk voorbij. Duitsers hebben ofwel minder geld dan gewoonlijk of zijn bang dat het ooit zover zal komen; in elk geval maken ze zich steeds meer zorgen over hun financiële toekomst. Mensen die zomaar iets krijgen, maar zonder er hard voor gewerkt te hebben of zich nederig tonen, worden steeds meer met argwaan bekeken, met afgunst zou je soms bijna zeggen. Toch zouden maar weinig mensen van plaats willen ruilen met de mensen die ze hun aalmoezen niet gunnen.

    Het uitkeringssysteem Hartz IV heet nu burgerinkomen en wordt dat op 1 januari met 12 procent verhoogd? Dan zullen ze vast op hun luie reet gaan liggen en mogelijk nog makkelijker rondkomen dan jij! Komen mensen uit verre landen onder levensbedreigende omstandigheden naar ons toe omdat ze hopen op veiligheid en een beter leven hier? Laten we er dan voor zorgen dat ze niet onze banen en tandartsafspraken afpakken en uiteindelijk toch geen Duits spreken en zich niet aanpassen aan de dominante cultuur – op onze kosten! Vluchtelingen uit Oekraïne krijgen een gratis woning? Wat brutaal, je betaalt zelf 15 euro per vierkante meter, kale huur!

    Voor de staat is deze houding tot op zekere hoogte toelaatbaar, zelfs noodzakelijk. De staat heeft maar een beperkte hoeveelheid geld te besteden, dus moet de overheid beslissen wie hoeveel krijgt en onder welke voorwaarden. Met andere woorden, de staat bepaalt de voorwaarden. Het is de taak van de staat om deze voorwaarden op een universeel geldige manier te formuleren, idealiter op zo’n manier dat het resultaat door de meerderheid van de bevolking als eerlijk wordt ervaren. Dit kan niet de taak zijn van het individu, wat een voorrecht is: hij kan ervoor kiezen om onvoorwaardelijk te geven. En dat brengt ons bij het bedelen.

    Experts waarschuwen dat iedereen die hier geld geeft maffiastructuren steunt en versterkt

    Als je iemand op straat ziet zitten met een kartonnen bordje en een metalen bekertje, heb je drie opties. Eén: niets geven. Twee: in ieder geval iets geven. Drie: iets onder bepaalde voorwaarden geven. Deze voorwaarden houden meestal in dat de bedelaar niet opdringerig is. Dat hij niet de indruk wekt dat hij op het punt staat het gekregen geld bij de dichtstbijzijnde slijterij te verbrassen. Dat hij geen oneerlijke trucjes uithaalt of onder valse voorwendselen bedelt. Dat hij niet bij een bedelbende hoort en dus achteraf een groot deel van het geld moet afstaan.

    Het is vooral de verdenking dat hij deel uitmaakt van een bende die mensen ervan weerhoudt om in hun buidel te tasten. Experts waarschuwen dat iedereen die hier geld geeft maffiastructuren steunt en versterkt. Maar hoe kun je snel herkennen of de bedelares met het kind bij zo’n bende hoort? En zelfs als dat zo is: maakt het kleine bedrag dat ze mag houden misschien het verschil voor haar aan het eind van de dag? En hoe zit het met degenen die bedelaars opzettelijk alleen eten geven zodat ze met het geld geen drank kunnen kopen – nemen zij hier niet opnieuw de rol van rechter op zich door dit signaal af te geven: ik kijk weliswaar niet de andere kant op, maar ik beslis wat goed voor jou is? Een moreel dilemma natuurlijk, maar die vraag kun je jezelf stellen.

    De bottomline blijft hetzelfde: het meest genereuze (en overigens ook het meest bevredigende) geschenk is niet aan voorwaarden gebonden, het is gericht aan een persoon die het niet verdient. In dit opzicht is het onrechtvaardig. In de Bijbel staat de gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15:11-32): de jongste zoon eist bij zijn vader zijn erfenis op, verkwist die en keert als een arm man terug naar huis – waar zijn vader hem om de hals valt en een vetgemest kalf slacht om het te vieren. De oudste zoon, die al die jaren hard heeft gewerkt, vindt dit oneerlijk, maar de vader laat niet van de wijs brengen brengen.

    Het Centraal Comité van Duitse Katholieken heeft een lezenswaardige uitleg daarover gepubliceerd: goddelijke rechtvaardigheid, hoog gewaardeerd in het Oude Testament, staat in de gelijkenis van de verloren zoon tegenover liefde, die uiteindelijk sterker blijkt te zijn. En het is een feit: ‘Het primaat en de verhevenheid van de liefde boven de gerechtigheid komt juist tot uitdrukking in mededogen.’ Dat is een radicaal goede uitspraak, en niet alleen met Kerstmis.

    Tanja Rest


    Nee: ‘Een kwestie van afwegen’

    Individuen kunnen niet iedereen helpen, dus maken ze keuzes, en dat is prima. Omdat mensen mensen zijn en geen gevoelloze leeghoofden, raken ze ontroerd als iemand op de grond gehurkt zit bij de tochtige ingang van een metrostation, voor een kerk, bedelend om hulp. Met Kerstmis, dat gevoel krijg ik althns, zijn er meer mensen op straat aan het bedelen dan normaal; velen hebben een kartonnen bordje voor zich neergezet waarop staat ‘Ik ben in nood’, ‘Ik heb honger’, naast een beker of een hoed voor de munten die ze hopen te ontvangen.

    Misschien valt deze overduidelijke armoede ook meer op doordat het moeilijker te verdragen is dat de warme adventssfeer en koude misère tegelijkertijd aanwezig zijn. Ik heb het warm en heb iets te eten en ben misschien al bezig met het vervullen van kerstwensen – terwijl anderen bevriezen en verhongeren en zeer basale wensen hebben.

    In een ideale wereld zou iedereen in nood geholpen moeten worden. Dat is naastenliefde, een belangrijke, misschien wel de belangrijkste lijm die de maatschappij bij elkaar houdt. Het lot van anderen zou je nooit onverschillig mogen laten, mede omdat het kan gebeuren dat je zelf ook een keer afhankelijk bent van anderen. Het individu kan echter niet iedereen helpen, maar inderdaad: alleen individuen. Dus kiezen en beslissen ze of en, zo ja, aan wie ze één of twee euro geven en aan wie niet. En dat is prima.

    Kiezen betekent immers niet dat men voorwaarden stelt. Dat is vaak het verwijt als mensen zeggen dat ze nadenken voor ze een muntje in iemands beker doen: aha, dus nu worden zelfs bedelaars en paupers in de neoliberale meritocratie geacht netjes te presteren en hun hongerloontje te verdienen, door er aangenaam uit te zien, niet te drinken in het openbaar, misschien zelfs door er een kleine prestatie tegenover te zetten. Wat een laatdunkende houding!

    Het aanpakken van fundamentele problemen is in de eerste plaats de taak van de staat

    Maar dit is een beschuldiging die nergens toe leidt. Want de criteria om een keuze te maken kunnen totaal verschillend zijn en vooral onafhankelijk van de individuele bedelaar: ik geef iets aan elke vierde persoon die ik passeer. Ik doe het alleen op een bepaalde dag van de week. Ik koop een van de vele daklozenkranten die nu in de steden verkrijgbaar zijn, met een goede fooi voor degenen die ze aanbieden en uren in de kou wachten. Ik neem intuïtieve beslissingen, die soms onaangenaam kunnen zijn – bijvoorbeeld als je doorloopt omdat je bent lastiggevallen voor de supermarkt.

    Je denkt dus heel eenvoudig na over aan wie je iets geeft. Dit gedrag wordt nooit echt ter discussie gesteld in gesprekken wanneer je geld overmaakt naar liefdadigheidsinstellingen, zelfs niet voor Kerstmis. Wat, even terzijde, waarschijnlijk sowieso de betere oplossing is: als je regelmatig grote bedragen doneert aan organisaties zoals de Kältebus, beslissen anderen die het beter weten dan jij waar het geld het beste aan besteed kan worden.

    En het kan ook betekenen: ik geef niet aan iemand van wie ik het gevoel heb dat hij deel uitmaakt van een georganiseerde bende. Want dan is de kans groot dat het geld niet terechtkomt bij de mensen die ik wil steunen. Met mijn donatie versterk ik een maffia-achtig systeem dat weerloze mensen uitbuit. Ja, deze houding benadeelt deze mensen die het waarschijnlijk hard nodig hebben. Om het bot te zeggen: we weigeren hen te helpen. Op dit punt wil ik echter opmerken dat het aanpakken van fundamentele problemen zoals dakloosheid, armoede (en bendecriminaliteit) in de eerste plaats de taak van de staat is – niet van het individu.

    Je zou hieruit een fatale conclusie kunnen trekken, namelijk dat je gewoon nooit iets van je geld moet weggeven. Wat heeft het voor zin als ik er bijna niets mee voor elkaar krijg? Niets verander aan de fundamentele structuren? Maar dat is geen optie. Want deze beslissing zou niet alleen een teken van hardvochtigheid à la Ebenezer Scrooge zijn, het zou ook betekenen dat je bewust de andere kant opkijkt: je kijkt bewust weg van de plek waar je moet kijken. En niet alleen in de weken voor Kerstmis.

    Maureen Linnartz

  • Het leed van de Arabische vrouw. ‘Meisjes worden van jongs af aan gekortwiekt’

    Het leed van de Arabische vrouw. ‘Meisjes worden van jongs af aan gekortwiekt’

    De Arabische nieuwswebsite Muwatin stelt de vraag hoe het alomtegenwoordige geweld tegen vrouwen is te stoppen. In een door mannen gedomineerde samenleving moeten vrouwen hun onafhankelijkheid bevechten door middel van werk en studie.

    Steeds wanneer er geweld plaatsvindt en er berichten over geweld via de media worden verspreid, vragen we ons af waarom vrouwen het geweld dat hun lange tijd is aangedaan, accepteren. Dat geldt vooral wanneer het geweld vrouwen treft die financieel onafhankelijk lijken, zoals beroemde artiesten, die zich kunnen omringen met de beste advocaten en psychiaters, die de misbruiker kunnen stoppen en daar een hoge prijs voor kunnen betalen.

    Misschien heeft de beroemde zangeres, die we de afgelopen maanden in de bladen en op sociale media hebben kunnen volgen, ons een nieuwe definitie gegeven van het begrip onafhankelijkheid, want een financieel onafhankelijke vrouw in een door mannen gedomineerde samenleving heeft misschien geen man nodig om haar van voedsel en kleding te voorzien, maar ze heeft hem wel nodig om te leven. Om de oorsprong te achterhalen van die ziekelijke behoefte van vrouwen om zich vast te klampen aan mannen, die door de samenleving worden bestempeld als ‘steun van de vrouw’, moeten we teruggaan naar de beginfase van de opvoeding, waarin de vleugels van meisjes al worden gebroken als ze nog een kind zijn.

    Hoe is het mogelijk dat deze samenleving eerst een crisis voor vrouwen creëert en vervolgens met mannelijke oplossingen komt om problemen die opzettelijk voor vrouwen zijn bedacht, op te lossen? Dat is bijvoorbeeld met polygamie gebeurd. De patriarchale samenleving, die polygamie hoog in het vaandel droeg, verminderde de keuzemogelijkheden van vrouwen door hun, met de wet in de hand, een huwelijk met mannen van een andere religie te ontzeggen. De genadeslag kwam toen in veel Arabische landen vrouwen bij wet werd verboden met mannen van een andere nationaliteit te trouwen. Het besluit om met een buitenlander te trouwen werd daardoor een riskant avontuur. En daar stopte het niet. Vrouwen mochten ook niet meer trouwen met iemand buiten de eigen stam, een verbod dat was gebaseerd op het stamrecht, terwijl het mannen vrijstond om met iedereen, overal ter wereld te trouwen. Hierdoor werd een crisis gecreëerd, die ‘de crisis van de oude vrijster’ werd genoemd, waarvoor vervolgens een oplossing werd geboden die de waardigheid van de vrouw voorgoed zou aantasten: polygamie.

    De vrouw is zwak

    Dit is hoe de mannelijke, patriarchale samenleving met vrouwen omgaat. Die vermindert hun opties, houdt logische oplossingen tegen en verzwakt hen op alle mogelijke manieren, tot ze zich onderwerpen. En dan wordt er gezegd: ‘Kijk, de vrouw is zwak en heeft de steun van de man nodig.’

    Vrouwen zijn in het beste geval een half mens en alles in hun omgeving bevestigt dat

    De maatschappij ziet vrouwen niet als volwaardige mensen en probeert op allerlei manieren te voorkomen dat ze dat ooit zullen worden. Om dit doel te bereiken, worden meisjes er al in hun kindertijd op voorbereid dat ze onvolwaardige volwassenen zullen worden. Meisjes zouden zich bijvoorbeeld kunnen afvragen waarom hun vader naar hun jongere broer wordt genoemd (vader van die-en-die), terwijl zij de oudste zijn. In het begin maken ze nog bezwaar tegen het feit dat ze geen aandacht krijgen, alsof ze niet bestaan, maar als ze opgroeien horen ze dat hun tante van vaderskant haar erfenis is ontnomen en dat hun tante van moederskant iets meer geluk heeft gehad en de helft van de erfenis van haar broer heeft gekregen. Vrouwen zijn in het beste geval een half mens en alles in hun omgeving bevestigt dat. 

    In patriarchale systemen wordt onafhankelijkheid vanaf de kindertijd aangeleerd. De man wordt opgevoed in zelfredzaamheid, terwijl de vrouw wordt opgevoed in volgzaamheid. Wanneer een meisje wordt gevraagd dienstbaar te zijn aan haar broers, die allemaal ongeveer dezelfde leeftijd hebben als zij, is dat verzoek niet zo onschuldig als het voor sommigen lijkt. Het is opzettelijk bedoeld om een deel van haar zelfvertrouwen weg te nemen en dat op een gouden dienblad aan te bieden aan haar broer. Vervolgens opent zich voor de man een wereld van ervaringen, die voor de vrouw gesloten blijft. Hij trekt erop uit, wordt geconfronteerd met het volle leven en leert. Hij gaat niet één keer, maar wel tien keer in de fout en wordt altijd vergeven, terwijl zij wegkwijnt in de gevangenschap van taboes en verboden en wordt doordrongen van het idee van één enkele, fatale zonde. Ze mag geen fouten maken, want als glas eenmaal is gebroken, kan het niet meer worden gerepareerd, en de vrouw is gemaakt van glas; dat heeft de samenleving haar geleerd. Geleidelijk geeft ze haar dromen op en wordt ze volgestopt met ideeën over de schoonheid van vrouwelijkheid en zwakte, vereist om het andere geslacht aan te trekken. En dit alles gaat gepaard met een systematisch proces van intimidatie, als ze tegen de wil van haar familie ingaat. 

    Haar reputatie is het belangrijkste wat ze heeft, belangrijker dan haar leven

    Dit alles maakt haar tot een zwakke, onderdanige persoonlijkheid, die confrontaties uit de weg gaat, uit angst dat iemand haar zal zien en haar verkeerd zal begrijpen. Haar reputatie is het belangrijkste wat ze heeft, belangrijker dan haar leven, haar toekomst en haar dromen. Zelfs dromen heeft ze niet. Ze geeft ze geleidelijk op, tot haar enige doel is geworden zich voegen naar de maatschappij en voldoen aan de lijst van eisen uit de Catalogus van de Meisjes. In diezelfde catalogus wordt gewaarschuwd voor angstaanjagende woorden als ‘oude vrijsters’ en ‘gescheiden vrouwen’. Opgroeiende meisjes zijn daar zo bang voor dat ze het eerste het beste aanzoek accepteren om aan de eerste benaming te ontsnappen en bereid zijn in elke giftige relatie te blijven hangen om ook aan de tweede benaming te ontkomen.

    Dit gendergerelateerde geweld, dat vanaf jonge leeftijd op meisjes wordt uitgeoefend, gaat gepaard met economisch geweld, waardoor vrouwen vaak niet in staat zijn om later in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Hoewel gebrek aan geld waarschijnlijk een van de belangrijkste redenen voor vrouwen is om geweld te accepteren, leiden het gebrek aan zelfvertrouwen, de angst voor de buitenwereld en de onderworpenheid waarmee veel meisjes zijn grootgebracht ertoe dat ook veel financieel onafhankelijke vrouwen in gewelddadige, onstabiele relaties blijven hangen.

    Om te huilen

    Het is lachwekkend maar ook om te huilen dat dezelfde maatschappij die meisjes van jongs af aan kortwiekt, van hen verwacht dat ze kunnen vliegen als ze in de steek worden gelaten door hun man, of als ze weduwe worden of worden verstoten. We zien weduwen die plotseling op eigen benen moeten staan, op zichzelf moeten vertrouwen en zonder ervaring of hulp in de woelige zee van het leven moeten leren zwemmen. 

    Er is een groot verschil tussen afhankelijkheid en behoefte aan ondersteuning. We hebben allemaal steun nodig in het leven; die kan van een zus, broer, vader, moeder of vriend komen. Een man kan gesteund worden door een sterke vrouw. Steun krijgen betekent niet dat je iemand blindelings volgt of vernederingen accepteert. Goede relaties zijn gebaseerd op wederzijdse liefde en op het gevoel dat de behoefte aan ondersteuning wederzijds is.

    Het zijn die verstoorde relaties die bemiddelde vrouwelijke artiesten ertoe drijven zich te binden aan mannen die hen mishandelen

    Het zijn die verstoorde relaties die bemiddelde vrouwelijke artiesten ertoe drijven zich te binden aan mannen die hen mishandelen. Ze hebben het gevoel dat ze na hem hun steun kwijt zijn. Ze zijn er niet aan gewend in hun eentje overeind te blijven zonder een muur om tegen te leunen, ook al zijn zij het zelf die worden gechanteerd en alle ‘steunmuren’, zowel die van vroeger als die van nu, financieel overeind houden. 

    Het leed dat de Arabische vrouw tegenwoordig ondergaat, is bekend bij vrouwen over de hele wereld. Europese en Amerikaanse vrouwen hebben alles meegemaakt wat wij doormaken, maar zij zijn de strijd aangegaan. Beetje bij beetje hebben ze gelijke rechten verworven, dankzij de feministische bewegingen die actief waren na de Eerste Wereldoorlog en een aantal feministische golven die een hele eeuw overspanden. En nog steeds strijden ze voor meer rechten en dat zullen ze blijven doen, tot ze volledige gelijkheid hebben bereikt, volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, een autoriteit die internationale consensus geniet en alle vormen van discriminatie verwerpt.

    Op de Internationale Dag voor de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen moeten we vrouwen eraan herinneren dat gewelddadige mannen destructieve vijanden zijn en geen steunpilaren. En we moeten hen eraan herinneren dat ze zich uit hun afhankelijkheidspositie kunnen bevrijden door te lezen, te studeren, hulp te zoeken bij specialisten, zich te omringen met een netwerk van echte vrienden en overal andere vrouwen te steunen en te helpen de onrechtvaardige, patriarchale wetten te veranderen. Daarnaast speelt ook werk een rol, dat hen economisch bevrijdt en hun ruimere mogelijkheden geeft dan de beperkte kansen die de samenleving biedt. 

  • Hoe Uruguay een voorbeeld voor de rest van Zuid-Amerika werd

    Hoe Uruguay een voorbeeld voor de rest van Zuid-Amerika werd

    Uruguay heeft, in tegenstelling tot veel buurlanden, een grote maatschappelijke consensus en een stabiel partijenstelsel. Het land produceert ook nog eens 97 procent van zijn elektriciteit duurzaam, zonder uitstoot van kooldioxide.

    Luister dit artikel:

    Direct na aankomst in Montevideo wordt duidelijk dat je hier een ander Zuid-Amerika binnenkomt. Op de stijlvolle luchthaven in de voorstad Carrasco vind je geen mensenmassa’s, geen rijen bij immigratie of de douane. De rit naar het stadscentrum 20 kilometer verderop langs de Atlantische kust verloopt rustig, zonder file. In vergelijking met het chaotische, overvolle São Paulo of Buenos Aires krijg je – ondanks de 1,8 miljoen inwoners – het gevoel in een kuuroord te zijn beland.

    In tegenstelling tot de meeste Zuid-Amerikaanse miljoenensteden staan hier weinig glinsterende kantoor- of woontorens. Zelfs de zakenwijken worden regelmatig afgewisseld door wijken met huizen of kleinere woon- of bedrijfsgebouwen. Het centrum rond de haven en de oude binnenstad zijn hier en daar gerestaureerd. Maar het oude stadsgedeelte is gedeeltelijk ook aan renovatie toe en straalt met zijn bric-à-bracwinkeltjes een charme uit van vijftig jaar geleden. Het is tekenend dat er hier trots op gewezen wordt dat tijdschrift Readers Digest, dat zijn beste dagen heeft gehad, Uruguay het leefbaarste en groenste land van Noord- en Zuid-Amerika noemde. 

    Twee derde is middenklasse

    De statistieken bevestigen deze indruk van een conservatieve middenklasse. Anders dan in de meeste Latijns-Amerikaanse samenlevingen bestaat Uruguay niet uit enkele superrijken, een kleine middenklasse en heel veel armen. Twee derde van de 3,6 miljoen Uruguayanen behoort tot de middenklasse. Weinig mensen leven onder de armoedegrens. De verhouding rijk-arm is de laagste in Latijns-Amerika. Het inkomen per hoofd van de bevolking is met 17.000 dollar per jaar het hoogste in de regio.

    Net als in Zwitserland hecht men waarde aan discretie en ‘low profile’

    In de straten van Montevideo ontbreken luxeauto’s zoals in de metropolen van de buurlanden, waar de rijken graag met hun rijkdom pronken. Net als in Zwitserland hecht men waarde aan discretie en ‘low profile’. Zo kan het gebeuren dat de nationale voetbalster Diego Forlán ongestoord tussen de andere gasten in een café zit – iets wat bij een Neymar in Brazilië totaal ondenkbaar zou zijn.

    Je vraagt je af hoe dit voor Zuid-Amerika kleine land – half zo groot als Duitsland, met nauwelijks half zoveel inwoners als Zwitserland – het voor elkaar krijgt sociaal en economisch succesvol te zijn in de onmiddellijke nabijheid van zulke grote en politiek verscheurde staten als Brazilië en Argentinië. Hoe is dit land erin geslaagd zich te isoleren en te onderscheiden van zijn buurlanden, ondanks een sterk overeenkomstige samenleving, geschiedenis en geografie?

    Populisten zijn kansloos

    Eén antwoord levert de politiek. Uruguay is een van de stabielste democratieën ter wereld. Op de democratie-index van de Economist Intelligence Unit (EIU) staat Uruguay op de dertiende plaats, drie plaatsen onder Zwitserland en twee boven Duitsland. Volgens deze index is Uruguay de enige volwaardige democratie in Zuid-Amerika, een continent waar de EIU al enkele jaren een gestage achteruitgang in de kwaliteit van democratieën vaststelt. Uruguay gaat in tegen de regionale trend, aldus de EIU. Het land is een van de weinige staten ter wereld die hun democratie al meer dan vijftien jaar voortdurend verbeteren. Op de corruptie-index van Transparency International staat Uruguay met zijn achttiende plaats van de honderdtachtig landen eenzaam aan de top in Latijns-Amerika, twee plaatsen boven Frankrijk.

    Politicoloog Sebastian Grundberger van de Konrad-Adenauer-Stiftung constateert in Uruguay in tegenstelling tot in de rest van Latijns-Amerika een grote maatschappelijke consensus, het stabielste partijenstelsel in de regio, met sterkere democratische afweerkrachten dan in de buurlanden. Populisten hebben hier geen kans, zegt Grundberger.

    Hoe soepel de politiek in Uruguay functioneert, werd eind maart duidelijk bij een referendum. Toen stemden de Uruguayanen over de vraag of 135 van in totaal 476 wetsartikelen ongeldig moeten worden verklaard. Deze waren onderdeel van een wetgevingspakket dat de centrumrechtse regering van president Luis Lacalle Pou kort na haar aantreden in 2020 in het Congres had aangenomen. Centrale thema’s waren veiligheid en onderwijs; thema’s die de regering doortastender wil aanpakken. Bovendien moet de macht van de vakbonden worden ingeperkt en de dominantie van staatsmonopolies, bijvoorbeeld in de telecommunicatie, worden teruggedrongen.

    Populaire president

    Het invloedrijke verbond van vakverenigingen had zich hiertegen gemobiliseerd. Maar anders dan in de buurlanden waren er in de aanloop naar het referendum geen woedende protesten en zelfs geen gewelddadige confrontaties. Ook op de zondag van de stemming wandelden gezinnen met kalebaskommetjes over de Rambla, de boulevard van Montevideo, om hun maté te drinken.

    Dat de regering zich met een flinterdunne marge heeft kunnen handhaven en de wetten dus geldig blijven, is vooral te danken aan de populariteit van de president. De 49-jarige jurist Lacalle Pou is telg uit een politieke familie die sinds het begin van de vorige eeuw de Uruguayaanse politiek bepaalt. Zijn vader was president van 1990 tot 1995. Maar Lacalle Pou ging zelf pas de politiek in toen hij al bijna dertig was. Hij had lange tijd de reputatie van surfboy; pas bij zijn tweede poging in 2019 slaagde hij erin met een nipte meerderheid te worden gekozen.

    Vooral de bedachtzame manier waarop hij de pandemie managede heeft Pou populair gemaakt

    Vooral de bedachtzame manier waarop hij de pandemie managede heeft Pou populair gemaakt. Herhaaldelijk legde hij de nadruk op vrijheid en burgerlijke verantwoordelijkheid. Een lockdown is er nooit geweest. Soms werd thuisonderwijs voorgeschreven. Het land beschikte al over een goede breedbandvoorziening en een digitale infrastructuur. Bars en restaurants hoefden pas om middernacht te sluiten. Uruguay werd na Chili al snel het land met de meeste gevaccineerde mensen in Latijns-Amerika. Halverwege zijn ambtstermijn beoordeelde 52 procent van de bevolking Lacalle Pou positief. Daarmee was hij de populairste president sinds lange tijd. Ook de groei van de economie na enkele jaren van stagnatie geeft Pou een steuntje in de rug.

    Referentiepunt voor burgerkrachten

    Voor de president is het referendum vergelijkbaar met het winnen van tussentijdse verkiezingen. De kans is groot dat Pou samen met de presidenten van Ecuador en Paraguay aan het eind van het jaar tot het selecte clubje conservatieve staatshoofden in Zuid-Amerika behoort. In een regio die politiek gezien naar links afdrijft, wordt hij steeds meer een referentiepunt voor burgerkrachten, zegt politicoloog Grundberger. 

    Dit geldt ook voor ondernemingen in Zuid-Amerika; de stabiliteit van Uruguay trekt ze aan. De laatste jaren staken vooral veel ondernemers uit Argentinië de Río de la Plata over. Bijvoorbeeld Marcos Galperín, oprichter van Mercado Libre, het succesvolste internetplatform van Latijns-Amerika, met zijn hele managementteam. Venancio Trigo, advocaat bij advocatenkantoor Guyer & Regules in Montevideo, meldt dat nu ook detailhandelaren uit Chili overwegen hun hoofdkantoor naar Uruguay te verplaatsen. In Chili zijn ondernemers verontrust door de groeiende linkse tendens in de politiek.

    In het schoolsysteem verlopen de ontwikkelingen traag: 40 procent van de leerlingen verlaat school voortijdig

    Het wordt spannend om te zien wat Pou, nu het referendum zijn beleid heeft bekrachtigd, de resterende twee jaar zal doen. Op de agenda staan hervormingen van het pensioenstelstel en het onderwijs. Vooral in het schoolsysteem verlopen de ontwikkelingen traag: 40 procent van de leerlingen verlaat school voortijdig. Verouderde leerplannen en een personeelsbeleid voor leraren waarbij de vakbonden de banen volgens het senioriteitsprincipe invullen zouden hiervan de voornaamste redenen zijn.

    Software als exportproduct

    Voor Uruguay is dit een tikkende tijdbom. Het land exporteert een recordhoeveelheid software per inwoner. Het is een belangrijke vestigingsplaats voor startende ondernemingen in de regio geworden. Fintechbedrijf dLocal uit Uruguay is op Wall Street nu zo’n 10 miljard dollar waard. Bezorgdienst PedidosYa is inmiddels overgenomen door de Duitse Delivery Hero. Maar er is een groeiend tekort aan ingenieurs en programmeurs. ‘Uruguay zou met zijn geavanceerde digitalisering het Estland van Zuid-Amerika kunnen worden,’ zegt Mischa Goh, directeur van de Duits-Uruguayaanse Kamer van Koophandel en Fabrieken.

    Econoom Augustín Iturralde hoopt op verdergaande economische hervormingen. De directeur van het Centro de Estudios para el Desarrollo, een liberaal economisch instituut, is kritischer over het concurrentievermogen dan de meeste gesprekspartners. Institutioneel gezien is Uruguay een hoogontwikkelde democratie, maar in de economie regeert de middelmaat. Het land heeft een achterstand op het gebied van zakendoen, het is niet ondernemersvriendelijk. Staatsmonopolies in de telecommunicatie worden getolereerd. Uruguay is dus een dure vestigingsplaats. De productiviteit moet hoger, anders verliest Uruguay zijn aantrekkelijkheid. ‘We zijn een klein land,’ zegt Iturralde, ‘we moeten meer bieden.’

    97 procent groene stroom

    Maar Uruguay zou wel eens geluk kunnen hebben. De wereldwijde energietransitie en de geopolitieke verschuivingen zijn in het voordeel van het land aan de Río de la Plata. Want Uruguay heeft zijn elektriciteitssysteem met massale investeringen in windmolenparken in tien jaar omgevormd tot een van de duurzaamste ter wereld. Sindsdien draaien er windturbines op de heuvels in het verlaten binnenland. Tegenwoordig produceert het land 97 procent van zijn elektriciteit duurzaam, zonder uitstoot van kooldioxide. Dit betekent ook dat Uruguay binnenkort een strategisch belangrijke leverancier van groene waterstof kan worden, als vervanger van de energiebronnen olie, kolen en gas. 

    ‘Uruguay zou snel een relevant substituut voor Russisch gas kunnen leveren’

    De Duitse ingenieur en econoom Aram Sander, die in Uruguay al windmolenparken heeft opgezet en operationeel gemaakt, zegt: ‘Door het Oekraïneconflict komen er met de vraag naar voorzieningszekerheid geheel nieuwe argumenten op tafel.’ Vertrouwen is daar een van. Er is geen land in de regio dat zijn contracten zo betrouwbaar nakomt als Uruguay, volgens Sander, die nu wereldwijd waterstofprojecten promoot voor het Duitse bedrijf Enterdreg. Het grote vertrouwen in Uruguay is af te meten aan de lage rentetarieven. In Zuid-Amerika heeft alleen Chili een hogere kredietwaardigheid. Ontwikkelingsbanken verstrekken Uruguay graag kredieten. Sander is er zeker van: ‘Uruguay zou snel een relevant substituut voor Russisch gas kunnen leveren.’

    Een andere aanwijzing voor de stabiliteit waarom Uruguay bij beleggers bekendstaat, is de groeiende belangstelling van family offices, rijke vermogensbeheerders, uit Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland in Uruguay, constateert financieel adviseur Thomas Logemann uit Hamburg. Ze waren niet op zoek naar weekendhuisjes in het mondaine vakantieoord Punta del Este, zegt Logemann, die opgroeide in Uruguay. Ze wilden professioneel investeren in boerderijen en landerijen.

  • Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

    Rocksterfilosoof Sandel: ‘We moeten af van de maatschappij van winnaars en verliezers’

    De enige uitweg uit de crisis is de maatschappij te ontdoen van ‘winnaars’ en ‘verliezers’. Dat zegt Michael Sandel, de ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’.

    Michael Sandel was achttien jaar toen hij zijn eerste belangrijke les kreeg in de kunst van het politiek bedrijven. 

    De toekomstige filosoof was in 1971 voorzitter van de leerlingenvereniging van zijn highschool in de wijk Pacific Palisades in Los Angeles, op het moment dat Ronald Reagan, de toenmalige gouverneur van de staat California, in diezelfde stad woonde. Sandel, die over gebrek aan zelfvertrouwen nooit te klagen heeft gehad, daagde Reagan uit voor een debat ten overstaan van 2400 linkse tieners. Het was op het hoogtepunt van de oorlog in Vietnam, die had gezorgd voor de radicalisering van een hele generatie, en iedere studentencampus was vijandelijk gebied voor een conservatieve geest. Enigszins tot Sandels verbazing nam Reagan de handschoen op en kwam hij, geheel in stijl, in een zwarte limousine aan bij de universiteit. Het gesprek dat volgde voldeed allerminst aan de verwachtingen van de jeugdige gesprekspartner van de gouverneur.

    ‘Ik had een lange lijst voorbereid met in mijn ogen erg lastige vragen,’ vertelt de inmiddels 67-jarige Sandel via een videoverbinding vanuit zijn werkkamer in Boston. ‘Over Vietnam, over het stemrecht voor achttienjarigen – waar Reagan tegen was, over de Verenigde Naties, over sociale zekerheid. Ik dacht dat ik hem met zo’n publiek makkelijk de baas zou zijn. Hij reageerde vriendelijk, aimabel en respectvol. Na een uur realiseerde ik me dat ik niet de winnaar van dit debat was, maar de verliezer. Reagan pakte ons in, zonder ons te overtuigen met zijn argumenten. Negen jaar later wist hij op diezelfde manier in het Witte Huis te komen.’

    Sandel liet zich niet afschrikken door deze vroege nederlaag, maar ontwikkelde zich tot een van de beroemdste intellectuelen en debaters in de Engelstalige wereld, met een leerstoel aan de Harvard-universiteit. Hij is wel omschreven als een ‘filosoof met de wereldwijde uitstraling van een rockster’ die vanaf zijn basis op Harvard online een miljoenenpubliek bereikt. Luisteraars van zijn serie The Public Philosopher op BBC Radio 4 zullen vertrouwd zijn met zijn socratische manier van vragen stellen, waarbij hij de aannames van zijn publiek op een spitsvondige manier op de proef stelt. Miljoenen mensen die zijn lezingen over gerechtigheid gratis volgen via YouTube, zullen vertrouwd zijn met het hoge, ernstige voorhoofd en de vriendelijke, zachte manier van spreken.

    Politiek is Sandel ontegenzeglijk links georiënteerd. In 2012 zette hij Ed Milibands vernieuwingsplannen voor de Britse Labourpartij intellectuele luister bij, door op het partijcongres van dat jaar een lezing te houden over de morele grenzen van de markt. 

    Die toespraak, en zijn in datzelfde jaar verschenen boek What Money Can’t Buy, inspireerden Miliband tot zijn kritiek op het ‘roofdierkapitalisme’, waarmee de Labourleider na de financiële crisis een belangrijke bijdrage leverde aan het Britse politieke debat.

    What Money Can’t Buy bezegelde Sandels status als wellicht de meest geduchte criticus van het vrijemarktdenken in de Engelstalige wereld. Maar in een tijd waarin de politiek steeds gepolariseerder en giftiger wordt, moet hij steeds vaker terugdenken aan die vroege ontmoeting met Reagan. ‘Die heeft me veel geleerd over het belang van aandachtig luisteren,’ zegt hij,  ‘dat evenveel gewicht in de schaal legt als de kracht van argumenten. Voor mij was het een les in wederzijds respect en inclusiviteit in het publieke debat.’

    ANP 20630768
    Twee studenten klappen tijdens een gastcollege van de beroemde Amerikaanse filosoof Michael Sandel. – © Bert Spiertz / Hollandse Hoogte

    De vraag hoe je deze burgerdeugden nieuw leven kunt inblazen, vormt 
    de kern van Sandels nieuwe boek The Tyranny of Merit, dat afgelopen september verscheen. Hoe kan het – getuige de recente presidentsverkiezingen – diep verdeelde Amerika terugkeren naar een minder rancuneus, genereuzer openbaar leven? Het beginpunt blijkt ongemakkelijk genoeg een afrekening te zijn met de zelfgenoegzaamheid waarin een hele progressieve generatie zich heeft gewenteld.

    The Tyranny of Merit is Sandels reactie op de brexit en de verkiezing van Donald Trump. Voor mensen als Barack Obama, Hillary Clinton, Tony Blair 
    en Gordon Brown zal het uitdagende lectuur zijn. Door het bepleiten van een ‘tijdperk van verdienste’ als oplossing voor de uitdagingen van globalisering, ongelijkheid en de-industrialisatie, zo betoogt Sandel, hebben de Democratische Partij en haar Europese tegenhangers de westerse arbeidersklasse en haar waarden links laten liggen, met rampzalige gevolgen voor het algemeen belang.

    Opklimmen

    Sandels toon is gematigd als altijd, zijn formuleringen vertonen de kenmerkende souplesse en elegantie. Maar er is enige frustratie voelbaar wanneer hij de opkomst beschrijft van een stroming die hij beschouwt als ondermijnend links individualisme: ‘De oplossing voor de problemen van globalisering en ongelijkheid, zo werd ons aan weerszijden van de Atlantische Oceaan voorgehouden, was dat degenen die hard werken en zich aan de regels houden, zo hoog moeten kunnen opklimmen als hun inspanningen en talenten toelaten. Dat noem ik in het boek de “retoriek van het opklimmen”. Dat werd een geloofsartikel, een schijnbaar oncontroversiële stijlfiguur. We zullen een eerlijk speelveld creëren, werd door centrum-links gezegd, zodat iedereen gelijke kansen heeft. En als we dat doen, zullen degenen die dankzij hun inspanningen, talent en harde werken opklimmen, hun plaats ten volle hebben verdiend.’

    De aanbevolen manier om ‘op te klimmen’ was het volgen van een hogere opleiding. Oftewel, om de mantra van Blair te citeren: ‘Education, education, education.’ Sandel citeert een toespraak van Obama uit 2013 waarin de president studenten voorhield: ‘Wij leven in een eenentwintigste-eeuwse wereldeconomie. En in een wereldeconomie kunnen banen overal naartoe gaan. Bedrijven zoeken naar de best opgeleide mensen, waar die ook wonen. Als je geen goede opleiding hebt gevolgd, zal het moeilijk worden om een baan te vinden waarvan je kunt rondkomen.’ Aan degenen die bereid waren de vereiste inspanning te leveren werd beloofd: ‘Dit land zal altijd een plek zijn waar je kunt slagen als je je best doet.’

    Tegen deze benadering heeft Sandel twee fundamentele bezwaren. Het eerste, en meest voor de hand liggende, is dat het legendarische ‘eerlijke speelveld’ een hersenschim blijft. Hoewel zijn eigen Harvard-studenten er 
    volgens hem inmiddels in toenemende mate van overtuigd zijn dat hun succes het resultaat is van hun eigen inspanningen, is tweederde van hen afkomstig uit de hoogste inkomensklassen. Datzelfde is het geval op andere gerenommeerde Amerikaanse universiteiten. De relatie tussen sociale klasse en SAT-scores, op grond waarvan de vervolgopleiding van middelbare scholieren wordt bepaald, is onbetwist. In meer algemene zin, merkt Sandel op, stagneert de sociale mobiliteit in |de VS al decennialang. ‘Kinderen van arme ouders blijven als volwassenen meestal arm.’

    Succesethiek

    Maar het belangrijkste thema van The Tyranny of Merit is de links-liberale consensus die dertig jaar lang heeft geheerst en die nu door Sandel genadeloos op de korrel wordt genomen. Zelfs een perfecte meritocratie, zegt hij, zou een slechte zaak zijn. ‘Het boek probeert aan te tonen dat daar een donkere, demoraliserende kant aan zit,’ legt hij uit. ‘De implicatie is dat degene die niet opklimt dat alleen maar aan zichzelf te wijten heeft.’ 

    De centrum-linkse elite heeft de oude klassenloyaliteit laten varen en een nieuwe rol op zich genomen als moraliserende levenscoach, die zich erop toelegt individuen uit de arbeidersklasse een wereld te helpen vormen waarin ze op zichzelf zijn aangewezen. ‘Over globalisering,’ zegt Sandel, ‘zeiden deze lieden dat de keuze er niet langer een was tussen links en rechts, maar tussen “open” en “gesloten”. Open betekende een vrije stroom van kapitaal, goederen en mensen over grenzen heen.’ Deze stand van zaken werd niet alleen gezien als onomkeerbaar, maar ook gepresenteerd als heilzaam. ‘Wie er op enigerlei manier bezwaar tegen maakte, was bekrompen, bevooroordeeld en antikosmopolitisch.’

    De cultuur was doordesemd van een meedogenloze succesethiek: ‘Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers. Hun inspanningen waren minder effectief geweest. Ze hadden bijvoorbeeld geen universitaire graad behaald.’ Naarmate centrum-links en de vertegenwoordigers ervan een steeds betere economische positie kregen, nam de focus op opwaartse mobiliteit toe. ‘Ze raakten voor hun achterban – en in de VS ook voor hun financiering – steeds meer aangewezen op de hogere beroepsgroepen. In 2008 werd Obama de eerste Democratische presidentskandidaat die meer campagnegeld binnenhaalde dan zijn Republikeinse opponent. Dat was een keerpunt, maar het werd destijds niet opgemerkt of benadrukt.’

    In de Verenigde Staten stagneert de sociale mobiliteit al decennialang

    Arbeiders werd in feite voorgehouden dat als ze zich niet ‘verbeterden’, ze de last van hun mislukking zelf maar moesten dragen. Velen voelden zich verraden en stemden anders. ‘Het populistische verzet van de afgelopen jaren is een opstand tegen de tirannie van de verdienste, zoals die werd ervaren door degenen die zich vernederd voelen door de meritocratie en door deze algehele politieke ontwikkeling.’

    Het is een vernietigende analyse. Sympathiseert hij dan met het trumpisme? ‘Ik koester geen enkele sympathie voor Donald Trump, dat vind ik een verwerpelijke figuur. Maar in mijn boek betuig ik begrip voor degenen die op hem hebben gestemd. Het enige authentieke aan Trump, ondanks zijn ontelbare leugens, is zijn intense gevoel van onzekerheid en zijn diepe wrok tegen de elite, die volgens hem zijn leven lang op hem heeft neer-gekeken. Dat is een zeer belangrijke verklaring voor zijn politieke aantrekkingskracht.

    ‘Oordeel ik hard over de Democraten? Ja, omdat hun onkritische omhelzing van marktaannames en meritocratie de weg heeft vrijgemaakt voor Trump. Ook al heeft Trump nu de verkiezingen verloren en zal hij de Oval Office moeten verlaten, de Democratische Partij zal alleen in haar missie slagen als ze meer oog heeft voor legitieme grieven en ressentimenten, waaraan de progressieve politiek in het globaliseringstijdperk het nodige heeft bijgedragen.’

    Tot zover de diagnose. De enige uitweg uit de crisis, meent Sandel, is het 
    ontmantelen van de meritocratische aannames die een maatschappij van winnaars en verliezers van een moreel keurmerk hebben voorzien. De coronapandemie, en in het bijzonder de nieuwe waardering voor zogenaamd ongeschoold, slecht betaald werk, biedt een beginpunt voor vernieuwing. ‘Dit is het moment om een debat te beginnen over de waardigheid van werk; over de beloning van werk in zowel financiële zin als in termen van waardering. Nu pas realiseren we ons hoe enorm afhankelijk we niet alleen zijn van artsen en verpleegkundigen, maar ook van bezorgers, supermarktmedewerkers, vrachtwagenchauffeurs en mensen in de thuiszorg en de kinderopvang, van wie velen zijn aangewezen op een nulurencontract. Dat noemen we vitale arbeidskrachten, maar het zijn meestal niet de best betaalde of meest gerespecteerde arbeidskrachten.’

    Er moet een radicale herevaluatie komen van de manieren waarop 
    bijdragen aan het algemeen welzijn worden beoordeeld en beloond. Het geld dat wordt verdiend in de Londense City of op Wall Street, staat bijvoorbeeld in geen enkele verhouding tot de bijdrage van financiële speculatie aan de reële economie. Belasting op financiële transacties moet fondsen vrijmaken die op een eerlijker manier kunnen worden verdeeld. Maar voor Sandel is het woord ‘eer’ even belangrijk als de betalingskwestie. Er moet een herverdeling komen van zowel waardering als geld, en van beide moet er meer gaan naar de miljoenen mensen die werk doen waarvoor geen universitaire graad is vereist.

    ‘We moeten opnieuw nadenken over de rol van universiteiten als poortwachters van kansen,’ zegt hij, ‘een rol die we langzamerhand als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. 

    Diplomaterreur is het laatste aanvaardbare vooroordeel geworden. Het zou een ernstige vergissing zijn om de investering in beroepsopleidingen en leertrajecten over te laten aan rechts. Meer investeringen zijn niet alleen belangrijk om mensen zonder een hogere opleiding te helpen de kost te verdienen; de publieke erkenning die eruit voortvloeit kan meer waardering kweken voor de bijdrage aan het algemeen welzijn door mensen die niet naar de universiteit zijn geweest.’

    Nieuw respect en een andere status voor niet-gediplomeerden, zegt hij, zouden eindelijk eens gepaard moeten gaan met enige nederigheid van de kant van de winnaars van de zogenaamde meritocratische wedloop. 

    Aan degenen die, zoals veel van zijn Harvard-studenten, geloven dat ze hun eigen succes simpelweg verdienen, geeft Sandel de wijsheid van Prediker mee: ‘Ik heb onder de zon opnieuw gezien dat niet altijd een snelle hard-loper de wedloop wint, een sterke held de oorlog, dat hij die wijs is niet altijd zijn brood heeft, en hij die inzicht heeft de rijkdom (…) Zij allen zijn afhankelijk van tijd en toeval.’

    Nederigheid

    ‘Nederigheid is een burgerdeugd die op dit moment van wezenlijk belang is,’ zegt Sandel, ‘omdat het een nood-zakelijk tegengif is tegen de meritocratische overmoed die ons uiteen heeft gedreven.’

    The Tyranny of Merit is het nieuwste salvo in Sandels levenslange intellectuele strijd tegen een sluipend individualisme dat sinds het tijdperk van Reagan en Thatcher overheersend is geworden in westerse democratieën. ‘Jezelf als selfmade en zelfvoorzienend beschouwen. Dat beeld van het zelf oefent grote aantrekkingskracht uit, omdat het je op het eerste gezicht macht geeft: ik red het zelf wel, ik kom er wel, als ik mijn best maar doe. Het is een bepaalde kijk op vrijheid, maar wel een die gebreken vertoont. Het leidt tot een competitieve marktmeritocratie die scheidslijnen versterkt en solidariteit ondermijnt.’

    Sandel hanteert een vocabulaire dat liberale ideeën over autonomie aan de kaak stelt op een manier die decennialang uit de mode is geweest. Woorden als ‘ondergeschiktheid’, ‘schuldplichtigheid’, ‘mysterie’, ‘nederigheid’ en ‘geluk’ komen herhaaldelijk voor in zijn boek. De impliciete stelling is dat kwetsbaarheid en wederzijdse erkenning de basis kunnen worden voor hernieuwde affiniteit en gemeenschapszin. Het is een maatschappijbeeld dat het absolute tegendeel vormt van wat het thatcherisme is gaan heten, met zijn nadruk op zelfredzaamheid als voornaamste deugd.

    Naast het ‘klappen voor de zorg’ zijn er volgens hem meer optimistische tekenen dat er eindelijk een ethische verschuiving plaatsvindt. ‘De Black Lives Matter-beweging heeft de progressieve politiek morele energie gegeven. Het is een multiraciale beweging van verschillende generaties geworden, die ruimte biedt voor een publieke afrekening met onrechtvaardigheid. Het toont aan dat je ongelijkheid niet alleen maar tegengaat door het opheffen van meritocratische grenzen.’

    Degenen aan de top hadden hun plek verdiend, maar hetzelfde gold voor de achterblijvers

    Aan het eind van het boek vertelt Sandel het verhaal van Henry Aaron, 
    de zwarte honkballer die opgroeide in het gesegregeerde zuiden van de VS en in 1974 het homerunrecord van Babe Ruth brak. Aarons biograaf schreef dat het slaan tegen een honkbal ‘de eerste meritocratische handeling in Henry’s leven was’. Dat is niet de lering die we moeten trekken, zegt Sandel. ‘De moraal van Henry Aarons verhaal is niet dat we van de meritocratie moeten houden, maar dat we een systeem van raciale onrechtvaardigheid moeten verachten waaraan je alleen kunt ontsnappen door homeruns te slaan.’

    Eerlijke concurrentie vormt geen rechtvaardige maatschappijvisie. Dat moeten Joe Biden en zijn Europese tegenhangers goed begrijpen. Als bron van inspiratie, zegt hij, zouden ze te rade kunnen gaan bij een van zijn intellectuele helden, de Engelse christen-socialist R.H. Tawney [1880-1962]. ‘Tawney betoogde dat gelijkheid van kansen hooguit een deelideaal was. Zijn alternatief was niet een onderdrukkende gelijkheid van resultaten. Het was een brede, democratische ‘gelijkheid van omstandigheden’ die burgers van alle rangen en standen in staat stelt met opgeheven hoofd door het leven te gaan en zichzelf te beschouwen als deelnemer aan een gezamenlijke onderneming. Uit die traditie komt mijn boek voort.’ 

    Dit artikel werd geselecteerd door journalist, programmamaker en presentator Chris Kijne.

  • Diversiteit als rancuneleer

    Diversiteit als rancuneleer

    In de westerse samenlevingen is een nieuw totalitarisme in opkomst, aldus de conservatieve essayist Theodore Dalrymple. Wie de doelen van bepaalde sociale bewegingen zoals Black Lives Matters niet steunt, wordt bestempeld als vijand en ziet zijn carrière gevaar lopen.

    In 1977 publiceerde de Franse essayist Jean-François Revel een traktaat met de titel De totalitaire verleiding. Daarin hekelde hij de faiblesse – het zwak – van de westerse intelligentsia voor stalinistisch getinte dictaturen, dat hij als oneerlijk, aanmatigend, stompzinnig en kwaadaardig bestempelde.

    Je had kunnen denken – ík in elk geval wel – dat met de ondergang van de Sovjet-Unie de totalitaire verleiding voor eens en voor altijd was bezworen. Dat was natuurlijk een bijzonder oppervlakkige zienswijze. In plaats van te verdwijnen, balkaniseerde de verleiding, bij wijze van spreken, en werd ze ook gerepatrieerd. Het totalitarisme was vrij overtuigend aan de kaak gesteld als iets wat inherent absurd was, intellectueel van generlei waarde en met een catastrofale uitwerking. Maar dat was niet voldoende om het minder verleidelijk te maken, althans niet voor wie een volledige oplossing wil voor alle kleine problemen des levens, zoals hoe en waarvoor wij moeten leven. Wat theoretisch een oplossing lijkt, kan in de echte wereld een duizendtal rampen veroorzaken.

    Natuurlijk vergt het een zeker opleidingsniveau om zich door het totalitarisme te laten verleiden: het spreekt bijvoorbeeld geen ongeletterden aan, maar alleen intelligentsia. Die laatsten zijn door de uitbreiding van het hoger onderwijs, of in elk geval door het volgen daarvan, bijna exponentieel in aantal toegenomen. Achteraf gezien is het niet verwonderlijk dat het totalitarisme zijn sirenenzang voortzet in voorheen liberale samenlevingen, vooral wanneer de jongeren, altijd in voor radicale ideeën, zich geconfronteerd zien met reële maar hardnekkige problemen die schijnbaar erger zijn dan die van de vorige generatie.

    jon tyson ekJvnSMahh0 unsplash 1
    Dit jaar overleed Ruth Bader Ginsburg, rechter van het Amerikaanse Hooggerechtshof. Haar handelsmerk was een kanten kraagje; ze droeg een speciale kraag als ze het niet eens was met een uitspraak. – © Jon Tyson / Unsplash

    Intellectuele conformiteit

    We moeten natuurlijk ook weer niet overdrijven. We leven nog niet in een Sovjet-achtige tirannie waarin men in elke universitaire verhandeling, hoe zweverig het onderwerp ook was, verplicht was Lenin te citeren. Het is nog altijd mogelijk, zij het verre van eenvoudig, om als geleerde in de wereld buiten de universiteitsmuren te leven. Maar er is geen tirannie van de volledige politiestaat voor nodig om een hoge mate van intellectuele conformiteit te bereiken, zoals we nu alom kunnen zien. Ik hoor van jonge academici in diverse landen dat ze niet meer vrijuit durven te spreken, niet omdat ze voor hun leven vrezen, maar voor hun promotie. Dat is niet hetzelfde, of even verschrikkelijk, als vrezen voor je leven, maar het ligt wel mijlenver af van John Stuart Mills ideaal van vrijheid van meningsuiting.

    Ik hoor van jonge academici dat ze niet meer vrijuit durven te spreken

    Maar het is nog veel erger. Ze zijn niet alleen genoodzaakt hun mond te houden en niet te zeggen wat ze denken, wat op zichzelf al erg genoeg is voor mensen die voor het leven van de geest hebben gekozen; ze moeten ook dingen onderschrijven die naar hun mening slecht of onwaar zijn. En dat is een kenmerk van totalitarisme. Ze moeten doctrines onderschrijven die ze als absurd beschouwen, bijvoorbeeld door bij een sollicitatie uit de doeken te doen hoe ze de zogeheten diversiteit denken te gaan bevorderen. Door van het verkondigen van onwaarheden een voorwaarde voor het krijgen van een aanstelling te maken, wordt iedere vorm van integriteit bij voorbaat de kop ingedrukt. Wie niet integer is, is gemakkelijker in de hand te houden.

    Steeds vaker dulden sociale bewegingen geen enkele neutraliteit meer ten aanzien van de doelen die ze nastreven. Wie die doelen niet steunt is een regelrechte vijand, wie ertegen zondigt is slecht: als je geen deel bent van de oplossing, ben je deel van het probleem. Als je bijvoorbeeld aanvoert dat je belangstelling elders ligt, zoals bij de taxonomie van sprinkhanen, de biochemie van eikels of de bibliografie van Alexander Pope, dan is er nog altijd één onderwerp dat belangrijker is dan alle andere, en is daarover maar één mening toegestaan. Je moet een loyaliteitstest afleggen.

    Black Lives Matter

    De nieuwste beweging op dit gebied is natuurlijk Black Lives Matter, en de manier waarop de boegbeelden daarvan zo’n groot deel van de intelligentsia hebben weten te intimideren is in zekere zin bewonderenswaardig, en een voorbeeld voor toekomstige politieke organisaties, al moeten we dan het ergste vrezen. Door te beweren dat zwijgen gewelddadig is, hebben ze het handenwringen (om te voorkomen dat er een banvloek over wordt uitgesproken) bijna tot het toonbeeld van deugdzaamheid verheven. Ze zijn erin geslaagd de doelstelling van Martin Luther King zodanig om te draaien dat iemands huidskleur weer belangrijker is dan zijn karakter, en ze hebben het meest stalinistisch-maoïstische van alle ideeën weer in ere hersteld, namelijk dat mensen beloond moeten worden op grond van hun sociale (in dit geval raciale) herkomst. En iedereen die het daar niet mee eens is, is een Vijand van het Volk, waarbij het woord ‘Volk’ in streng technische zin wordt gebruikt, namelijk als de scheidsrechter die beloningen toekent.

    De flagrante onverenigbaarheid van dit alles mag ons niet blind maken voor de populariteit van de beweging bij het inmiddels zeer grote aantal mensen dat is opgeleid, of getraind, in de diverse takken van de rancunestudies. Totalitarisme biedt carrièreperspectieven aan hen die over apparatsjik-achtige neigingen en capaciteiten beschikken, terwijl het appelleert aan de rancune van in elk geval een deel van de bevolking, dat degenen die vroeger een fortuinlijker positie bekleedden dan zijzelf maar al te graag vernederd ziet worden.

    Het is al vele jaren gebruikelijk dat universiteiten in hun colleges politieke filosofie meer aandacht aan macht besteden dan aan vrijheid, omdat de laatste alleen maar als een sluier of rookgordijn wordt beschouwd voor de ongelijke verdeling van de eerste. De enige vraag die het stellen waard is, is Lenins ‘Wie wie?’, oftewel wie doet wie wat aan? De rest is persiflage: en daarmee is de weg vrij voor een sociaal conflict dat alleen kan worden beslecht door almachtige, filosoof-koningen.

  • 1. De stille strijd voor het recht om te leven

    1. De stille strijd voor het recht om te leven

    Meer dan 5000 moeders sterven elk jaar in Bangladesh bij de bevalling. Vroedvrouwen moeten levens redden – maar ze moeten zich ook verdedigen tegen vooroordelen van artsen en families. Zo worden ze voortrekkers van de emancipatie.

    Ze trekt haar witte kiel over haar hoofd, pakt haar stethoscoop in en verlaat de kraamkliniek in Dhaka, Bangladesh. De hete lucht van de hoofdstad waar 8 miljoen mensen wonen waait Afroja Akter tegemoet. Het riekt naar uitlaatgassen en rijpe bananen. Vandaag bezoekt de vroedvrouw een jongetje van zeventien dagen oud. De kelderkamer is donker. De ventilator snort tegen de middaghitte.

    ‘Zuster, kijk eens,’ zegt Afroja tegen de moeder terwijl ze het gezichtje van de zuigeling streelt. ‘Zijn oogwit is geelachtig. Hij heeft daglicht nodig.’

    ‘Maar ik kan niet naar buiten,’ zegt de 25-jarige. ‘Buiten zijn zoveel mensen.’

    ‘’s Morgens tien minuten, dat is genoeg,’ zegt Afroja.

    Afroja Akter, 23 jaar oud, in roze hoofddoek en roze gewaad, werkt sinds acht maanden als vroedvrouw. In die tijd heeft ze ongeveer honderd baby’s ter wereld gebracht. Ze geeft zwangere vrouwen voorlichting over geelzucht bij pasgeborenen en helpt moeders bij de borstvoeding. Geboortebegeleiding, preventieve zorg en nazorg – het zijn dezelfde diensten die ook opgeleide vroedvrouwen in Kaapstad, Londen of Hamburg aanbieden.

    Het verschil is dat dit beroep in Bangladesh tot acht jaar geleden niet bestond. Afroja Akter behoort tot de pioniersters in deze professie. De wens kwam vanuit de politiek, om de sterfte onder jonge moeders in het land terug te dringen. Maar Afroja is niet alleen aangesteld in de strijd tegen de vermijdbare dood. Haar beroep heeft in het islamitische land een neveneffect: het emancipeert Afroja en haar collega’s – en meteen ook de jonge moeders van de wijk.

    Een goed alternatief

    Bangladesh heeft de millenniumontwikkelingsdoelstellingen ondertekend, waarvan ook de verbetering van gezondheidszorg voor moeders deel uitmaakt. Het sterftecijfer in het land was sinds de jaren negentig voortdurend gedaald. Maar het streefdoel van de VN – een vermindering van de sterfte met driekwart – haalde het land niet. Per jaar sterven hier meer dan 5000 vrouwen aan complicaties bij de bevalling [ter vergelijking: is Nederland zijn dat er minder dan tien]. De meesten bloeden dood. Voor 2015, zo kondigde de premier Sheikh Hasina toen aan, zouden er 3000 vroedvrouwen aan het werk gaan. Het idee daarachter was simpel: de meeste moeders stierven in de landen met de minste vroedvrouwen.

    Maar de praktische uitvoering in het dichtbevolkte Bangladesh was ingewikkelder. Bijna de helft van alle vrouwen bevalt thuis, ondersteund door ongekwalificeerde helpsters. Velen leven verstoken van medische zorg, en zijn moeilijk bereikbaar. Vaak staat de man niet toe dat de vrouw naar het ziekenhuis gaat. Een reden zijn ook de kosten. Het aantal keizersneden ligt in veel privéziekenhuizen in de buurt van 80 procent. En die zijn tienmaal zo duur als een natuurlijke bevalling. Sommige kraamafdelingen hebben wel operatiekamers, maar geen zaal met kraambedden.

    Afroja’s vader, een handelaar in fietsonderdelen, wilde dat zijn middelste dochter medicijnen ging studeren. Maar haar schoolcijfers waren niet goed genoeg. ‘Deze opleiding was een goed alternatief,’ zegt ze. De drie jaren waren kosteloos, gefinancierd onder andere door het Britse ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Maar wat een vroedvrouw precies is, begreep Afroja pas toen ze bijvoorbeeld leerde hoe hormonen die de borstvoeding regelen beïnvloed worden door huidcontact.

    Vroedvrouw Laili Khatun bezoekt Rabeya (18) en haar dochter Lamia, van vijftien dagen oud. – © Jaco Klamer. Panos Pictures
    Vroedvrouw Laili Khatun bezoekt Rabeya (18) en haar dochter Lamia, van vijftien dagen oud. – © Jaco Klamer. Panos Pictures

    Ook veel burgers weten niet wat een vroedvrouw precies doet. Familieleden vragen bij de geboorte geïrriteerd waar de dokter blijft, vertelt Afroja. Een keer riep een schoonmoeder uit: ‘Hoe moet dit kleine meisje, ongetrouwd en kinderloos, onze kleinzoon op de wereld brengen?’ Afroja, 1 meter 52 lang en tenger als een dertienjarige, lacht. Intussen is ze er wel aan gewend. ‘Ik leg steeds weer uit dat ik voor bevallingen ben opgeleid.’

    Haar kennis van zaken heeft haar zelfverzekerder gemaakt. Tegenwoordig slaat ze haar blik niet meer neer, ook niet wanneer ze argumenten tegen tradities inbrengt of over seks praat. Ze legt families uit dat pasgeborenen geen honing verdragen. Velen geloven dat kinderen daar zoeter van worden.

    Als Afroja een vrouw naar het ziekenhuis verwijst omdat ze syfilis vermoedt, zegt ze: neem je man mee. Wat ze niet zegt is dat de echtgenoot, een riksjarijder, het waarschijnlijk bij prostituees heeft opgelopen. Bij een huisbezoek vertrouwt een textielarbeidster, in de vierde maand van haar zwangerschap, Afroja haar angst toe. Ze is bang dat het weer een miskraam wordt. ‘Als ik slaap merk ik dat mijn man aan mijn buik luistert of hij de baby hoort,’ fluistert ze. Maar haar gebrek aan eetlust en haar knagende angst met hem bespreken? Ze houdt haar sjaal voor haar mond. O nee, dat gaat niet. ‘Wij zijn allemaal vrouwen. Je hoeft je niet te schamen,’ zegt Afroja.

    Afroja is een stille strijdster voor de rechten van vrouwen. ‘De meesten weten gewoon niet beter,’ zegt ze op weg naar de kraamkliniek. Ze weet dat ze haar taal moet aanpassen. Bovendien heeft ze het vertrouwen van de wijk nodig. Ook daarom wordt ze bij haar visites altijd begeleid door een medewerkster van de gemeente die in de betreffende buurt is opgegroeid.

    ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig’

    Afroja werkt zes dagen in de week, ze moet dagelijks drie uur door de chronische verkeersopstoppingen van Dhaka rijden. Ze heeft klem zittende baby’s uit moeders bevrijd, bloedingen gestopt en beslist wanneer de vrouwen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis moeten. Ze is trots op zichzelf: bij haar is geen moeder gestorven.

    Tijdens de nachtdienst slaapt ze in de behandelkamer van het geboortecentrum op de vloer. Ze verdient omgerekend 270 euro per maand; slechts ongeveer een derde meer dan textielarbeidsters. Toch zegt ze: ‘Ik heb mijn doel bereikt.’ Ze is de uitzondering onder haar voormalige vriendinnen uit de klas. Die zijn bijna allemaal getrouwd en hebben geen vak geleerd. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen trouwen ligt in Bangladesh in de buurt van negentien jaar. Ook daarom moesten de vroedvrouwen zich verplichten, tijdens hun opleiding niet te trouwen. ‘Het huwelijk sluit veel vrouwen op achter de voordeur,’ zegt Afroja.

    Statistisch is nog niet na te gaan hoe de vroedvrouwen de sterftecijfers onder moeders in Bangladesh beïnvloeden. Rondi Anderson, de vroedvrouwenspecialiste van het bevolkingsfonds van de Verenigde Naties in Dhaka, hoopt dat dit over ongeveer tien jaar mogelijk is. In totaal had men ongeveer 20.000 vroedvrouwen nodig om alle vrouwen te kunnen bedienen. Tot op heden is slechts een tiende van dat aantal gerealiseerd. Daar komen andere problemen bij. Er zijn geen ervaren collega’s die pas opgeleide vrouwen kunnen instrueren. Veel klinieken zetten de vroedvrouwen weer als verpleegster in, en niet in de ruimte waar de bevallingen plaatsvinden. Bovendien ontbrak het aan medicijnen, vertelt Rondi Anderson: ‘Bangladesh staat nog aan het begin.’

    Aangekomen

    Maar alleen al in Afroja’s kleine kraamkliniek werden verleden jaar meer dan 500 baby’s geboren. De families lijken er dus voor open te staan, de bevalling zonder artsen en traditionele helpsters te laten plaatsvinden. Ook al is er zeker nog een tweede generatie vroedvrouwen nodig om het beroep ingeburgerd te krijgen – Afroja Akter lijkt door de vrouwen in de wijk geaccepteerd te worden.

    ‘Jij weet het beste wat goed is voor jouw zoon,’ bemoedigt ze de moeder wiens baby aan geelzucht lijdt. ‘Er bestaat geen eten dat jouw kind bitter of zoet kan maken. Het heeft alleen maar jouw melk nodig.’ Dan zet ze de weegschaal klaar. 3,2 kilo. De zuigeling is aangekomen. De moeder belooft dat ze de volgende dag naar buiten zal gaan. Tien minuten, heel vroeg in de ochtend.

    Auteur: Fiona Weber-Steinhaus
    Vertaler: Piet Meeuse

    Stern
    Duitsland | weekblad | oplage 1.275.000

    Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages.

  • Mam, wat is white privilege?

    Mam, wat is white privilege?

    Niet worden vertrouwd in een winkel, een makelaar die informeert naar ‘madam’, aannames over integriteit, intelligentie en competentie, het overkomt de Zuid-Afrikaanse Berenice Paulse met regelmaat. Hieronder beantwoordt zij de vraag van haar zoon.

    Een paar maanden voor het debat dat nu op de Zuid-Afrikaanse sociale media woedt, vroeg mijn tienerzoon naar een nieuwe term die hij tijdens een discussie in de klas had gehoord. Dit was zijn vraag: ‘Mam, wat is white privilege?’

    Door zijn vraag realiseerde ik me dat ouders, leerkrachten en Zuid-Afrika in het algemeen het onderwerp ‘white privilege’ onder ogen moeten zien en dat ze bereid moeten zijn daarover te praten. Ik antwoordde mijn zoon door hem te herinneren aan een gebeurtenis van een paar jaar daarvoor. Hij was toen bij het plaatselijke filiaal van een grote outdoorketen om kampeerspullen te kopen voor een schoolkamp. Ik zie helemaal voor me hoe hij verschillende artikelen oppakte en weer neerzette en dan weer naar het volgende doorliep. Hij vond het kamp een beetje spannend, maar verheugde zich er ook op en wilde graag de spullen uitkiezen die hij zelf het mooist vond.

    Het liep heel anders dan hij zich had voorgesteld. De hele tijd dat mijn zoon in die winkel was, werd hij op de voet gevolgd door een geüniformeerde bewaakster. Hij moest van haar zijn hoodie afdoen en uiteindelijk waarschuwde ze hem dat ze hem scherp in de gaten hield. Geen van de andere – blanke – jongens in de winkel kreeg deze behandeling. Later die avond vertelde mijn zoon het verhaal aan mij. Ik diende onmiddellijk een klacht in bij de filiaalmanager, kreeg een halfbakken verontschuldiging terug en de vage belofte dat hij er nog op terug zou komen. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord.

    Ik heb het gevoel dat we op de een of andere manier permanent op proef zijn. Overtreed onze regels en het is aju paraplu met jou, meisje!

    Nu herinnerde ik mijn zoon eraan dat hij toen, al had hij een volkomen legitieme reden om in die winkel te zijn, al had hij het geld om te betalen voor wat hij wilde kopen en al was hij bepaald niet de enige jongere met een hoodie (dat lijkt wel bijna een universeel uniform voor jongeren), wel de enige was die in de gaten werd gehouden. Dat was racisme, natuurlijk; het gevolg van etnisch profileren waarmee zo veel jonge zwarte mannen nog steeds elke dag te kampen hebben.

    De blanke mannelijke jongeren die in dezelfde tijd in ongeveer dezelfde outfit bij dezelfde winkel waren, hadden een heel andere ervaring. Dat is vaak zo, wanneer een blank persoon een publieke ruimte binnengaat en het vanzelfsprekend vindt dat niemand iets verdachts achter zijn of haar aanwezigheid zoekt. Als een blanke jongere een winkel binnengaat, komt het niet in zijn hoofd op dat iemand zou kunnen denken dat hij geen geldige reden heeft om daar te zijn, of dat hij niet de middelen heeft om te betalen voor wat er te koop is. Het komt niet in zijn hoofd op omdat hij nooit als een mogelijke verdachte is behandeld vanaf het moment dat hij ergens binnenkwam. Dat is white privilege en zo legde ik het begrip uit aan mijn zoon.

    Tegen Zuid-Afrikanen die in de verdediging gaan en zich verzetten tegen pogingen om het verschijnsel white privilege te benoemen, zou ik dit willen zeggen: ik ben een zwarte vrouw met een diploma van een universiteit die van oudsher zwart is. Dit betekent dat vaak wordt aangenomen dat mijn diploma minder waard is dan dat van een universiteit die van oudsher blank is. Ik werk bij een overheidsinstelling en verdien een aardig salaris. Algemeen wordt aangenomen dat ik mijn baan heb gekregen dankzij positieve discriminatie, en dat ik dus ook niet competent ben.

    Ik woon in een voorheen blanke middenklassewijk in een noordelijke voorstad van Kaapstad en na veertien jaar gluren mijn buren nog steeds angstvallig over de schutting om in de gaten te houden wat mijn gezin en ik uitspoken. (Ik heb het gevoel dat we op de een of andere manier permanent op proef zijn. Overtreed onze regels en het is aju paraplu met jou, meisje!) Na meer dan tien jaar democratie werd mijn jongste broer (die als student bij mij woonde), een keer aangehouden door een passerende politiewagen en ondervraagd over wat hij in de wijk te zoeken had.

    Af en toe komt er een vreemde bij mij aan de deur, voor een collecte, om iets te verkopen of vanwege een of andere marketingactie. Heel vaak zegt zo iemand dan tegen me dat hij of zij graag ‘de vrouw des huizes’ wil spreken. Een makelaar vroeg me of ik de ‘madam’ wilde roepen. Het overkomt me geregeld dat ik bij de buurtsupermarkt iets uit een schap sta te pakken en een verbolgen blanke persoon achter me ongeduldige geluiden maakt omdat ik ruimte inneem die hún toekomt, zo vinden ze. Af en toe maken ze dan denigrerende opmerkingen over mijn ‘hinderlijke’ aanwezigheid – in het Afrikaans, want ze denken dat ik dat niet versta.

    Onlangs nog stond mijn man in de rij bij de kassa, terwijl ik nog even wegliep om iets te halen wat we vergeten waren. Toen ik weer in de rij ging staan, hoorde ik twee mensen in het Afrikaans tegen elkaar praten over hoe ‘die mensen’ altijd proberen voor te dringen. Ze gingen ervan uit dat ik niet weet hoe ik me in het openbaar hoor te gedragen, en dus gingen ze ervan uit dat ik wilde voordringen. Als ik een winkel binnenkom waar luxeartikelen worden verkocht, komt de eigenaar of de verkoopster vaak met een bezorgde uitdrukking naar me toe, alsof ik daar misschien per ongeluk ben binnengegaan, of me niet realiseer waar ik ben. Informeer ik naar een bepaald artikel, dan noemen ze vaak uit zichzelf de prijs, zonder dat ik daarom heb gevraagd. Bij andere gelegenheden zeggen ze nauwelijks iets tegen me, maar lopen ze wel achter me aan door de winkel of kijken ze telkens naar me, met een blik die zowel discreet als ontmoedigend bedoeld is.

    Beste lezer, om het netjes te formuleren: ze nemen aan dat ik misschien niet de middelen heb om die artikelen te betalen en dat ik van plan ben om ze op een onwettige manier te bemachtigen.

    Overdreven handgebaren

    Ik ga meestal met de trein naar mijn werk (als die tenminste normaal rijdt). Altijd als ik mijn maandkaart koop en niet uit mezelf zeg welke klasse ik wil, krijg ik de vraag: ‘Metro of Metro Plus?’ Ik dacht altijd dat dat de standaardvraag was. Tot ik een keer in de rij achter een blanke man stond, en hij wel zei waar hij naartoe moest, maar niet in welke klasse. Voor hem was de vraag iets anders: ‘Metro Plus, meneer?’ Daarin lag de onuitgesproken aanname dat hij het hogere tarief kon betalen voor dezelfde reis en ik niet. Het respectvolle ‘meneer’ vraagt ook om nadere beschouwing – maar de kwestie van mannelijk privilege bewaar ik nu even voor een ander moment en een andere plek.

    Een paar jaar geleden schampte ik op een parkeerplaats langs de auto naast de mijne. Niemand zag het gebeuren, maar toen ik openlijk de schade aan de andere auto opnam, raakten verscheidene bezitters van geparkeerde auto’s gealarmeerd en kwamen naar me toe. Ze waren opgewonden en wezen naar mij en een man zei tegen niemand in het bijzonder dat ze de eigenaar van de andere auto moesten zien te vinden. Een paar mensen wilden per se mijn rijbewijs zien. De eigenares van de andere auto bleek een Afrikaans sprekende blanke vrouw te zijn en verscheidene mannen boden heel ridderlijk aan om haar te helpen (zoals ik al eerder zei, laten we het een andere keer over het mannelijke privilege hebben). Ik moet haar nageven dat ze rustig hun hulp afwees en dat wij vriendschappelijk gegevens uitwisselden. Uiteindelijk besloot ze geen schade bij mijn verzekeraar te claimen, omdat haar auto nauwelijks beschadigd was. De activiteiten van de omstanders waren duidelijk ingegeven door de aanname dat ik mijn verantwoordelijkheid zou ontkennen, of me op de een of andere manier onder de financiële aansprakelijkheid uit zou proberen te wurmen. Zij vonden het terecht om aan te nemen dat een blanke vrouw beschermd moest worden tegen een zwarte.

    Dus, beste lezer, als je dit soort ervaringen niet herkent, dan ben jij daartegen beschermd door je white privilege.

    White privilege betekent dat je nooit te kampen krijgt met aannames over je integriteit, intelligentie, competentie, prestaties, vermogen om te betalen, over dat je alleen als dienstbode in een bepaalde wijk kunt wonen, enzovoort, gewoon omdat je zwart bent. White privilege betekent dat je nooit geërgerde zuchten hoeft aan te horen omdat je ruimte inneemt waarvan anderen vinden dat ze die niet met jou zouden hoeven delen. White privilege betekent in de wijk gaan wonen waar je wilt wonen en dan niet beschouwd worden als bewoner van een andere planeet. Het betekent dat je nooit de neiging hoeft te onderdrukken overdreven handgebaren te maken om wantrouwige verkoopsters of beveiligers te laten zien dat je echt niet van plan bent om iets stiekem mee te graaien – zeker als je een zwarte man met een hoodie bent.

    Door dit white privilege zijn we nog nauwelijks begonnen met pogingen om de meeste Afrikanen gelijke kansen te geven. Onze kinderen zullen nog met de effecten ervan worstelen als wij er al lang niet meer zijn. Dus laten we hen daarop voorbereiden door erover te praten.

    Auteur: Berenice Paulse
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Picknick op de Fourways Farmers Market in Johannesburg, Zuid-Afrika. – © Leon Neal / Getty

    Berenice Paulse is feministe en schrijft vooral over sociale kwesties.
    Berenice Paulse is feministe en schrijft vooral over sociale kwesties.

    Daily Maverick
    Zuid-Afrika | dailymaverick.co.za

    Begon in print, veranderde in 2008 noodgedwongen in een digitaal tijdschrift en groeide uit tot een van de belangrijkste nieuwssites van Zuid-Afrika. Eigenzinnig, analytisch en grondig.

  • Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    De Zweedse schrijver en vertaler Ulf Peter Hallberg denkt dat de oplossing voor veel maatschappelijke malaise ligt in kunst en literatuur die openheid en begrip mogelijk maken.

    IQ: De maatschappij ziet cultuur vaak als een soort ontspanning, die niets te maken heeft met politiek. Vindt u dat ook?

    Ulf Peter Hallberg: Kunst en cultuur staan voor veel meer dan ontspanning. Wij moeten inzien dat kunst, de literatuur, de muziek, alle kunstvormen in verschillende opzichten belangrijk zijn. Dat we er armer van worden als cultuur in het leven van alledag een kleinere rol krijgt toebedeeld door de politiek, omdat die ons in staat stelt het kritisch vermogen te ontwikkelen en niet te vergeten, om verandering te bewerkstelligen.

    In mijn boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a Father schrijf ik over iemand die zijn vader heeft verloren. De vader was niet geïnteresseerd in rijkdom of macht, hij was 87 toen hij stierf, maar voelde zich 27. Waarom? Omdat hij geld zag als iets wat mensen alleen maar kan vernietigen. Hij had de belangrijkste waarden van zijn leven ontdekt in de kunst. Daar had hij belangstelling voor, hij verzamelde artikelen over kunstwerken en dacht er veel over na. Ook ik wil graag geld hebben en uitgeven, net als iedereen. Maar dat is niet het belangrijkste doel in mijn leven, of mijn grootste drijfveer.

    Natuurlijk is hier een verband te leggen met de politiek. Een voorbeeld: de Zweedse Democratische Partij zegt dat het land zich moet ontdoen van alle buitenlanders, dat Zweden blank moet zijn en één natie, een zuivere staat. Hoe je ook op dat soort ideeën reageert, het blijft retoriek. Dan kan het helpen om te bedenken dat het de literatuur of de kunst niet uitmaakt wie jij bent of waar je vandaan komt en wat de kleur van je huid is. Die principes zouden naar mijn idee de leidraad in het leven moeten zijn.

    Hoe is de manier waarop de samenleving, of concreter de politieke klasse, naar kunst kijkt, te verbinden met het idee van de populistische natiestaat?

    Volgens mij kunnen veel gebeurtenissen vergeleken worden met situaties die in boeken worden beschreven of in beeldende kunst worden afgebeeld. Je kunt je afvragen hoe een bepaald dilemma zou worden opgelost in een roman of een novelle. De literatuur kan in die zin een inspiratiebron zijn. Zelfs al stond het duidelijk in de wet, geen enkele persoon of groep kan alleen maar als goed of alleen maar als slecht worden bestempeld. De lijn die goed scheidt van kwaad, zwart van wit, werkt niet in de kunst.

    Politici, vooral degenen die zich laten leiden door een populistische overtuiging, willen de samenleving overtuigen van hun ideeën over gerechtigheid en gebruiken daarvoor simplistische retoriek. De Hongaarse premier Viktor Orbán en de Amerikaanse president Donald Trump zijn daar goed in.
    Toch zit het probleem niet zozeer in die retoriek zelf, maar in de middelen die worden ingezet om besluiten te kunnen nemen.

    Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld

    Wat is de invloed daarvan op de Europese Unie en haar waarden?

    Cultuur maakt veel zichtbaar. Ze zorgt voor het behoud van de gevoeligheid in de moderne wereld. De Litouwse filosoof en schrijver Leonidas Donskis en de Poolse socioloog Zygmunt Bauman hebben al eerder vastgesteld dat in de huidige samenleving de cohesie ontbreekt. Er is geen behoefte meer aan wederzijdse banden, geen verbondenheid waardoor de zaak wordt opgeschud, waardoor men wordt uitgedaagd of gedwongen de strijd in te gaan. Donskis en Bauman vonden dat Europa veranderd was en, ze hadden gelijk. Door die transformaties zijn culturele verschijnselen naar de zijlijn gedrongen. De samenleving is een machine geworden die een ‘vloeibare moderniteit’ heeft veroorzaakt, zoals de filosofen het noemen. Dat wil zeggen een plek zonder verbinding, een toneel voor machtsspelletjes. Het verlies van persoonlijkheid en individualiteit is vaak een belangrijk probleem.

    Hoe is dat te veranderen? Via de literatuur, de kunst en het theater. Mijn studenten aan de Sorbonne hebben me weleens gevraagd waarom ik hen dwong om te schrijven. Nu begrijpen ze dat schrijven niet alleen een middel is om je gedachten te uiten, maar ook om dialoog uit te lokken, contact te maken met de medemens. Dat idee brengt ons naar de Oudheid, de tijd van Plato, toen alles was geschapen naar de idee dat het leven zich in het hart van het denken bevond.

    Dat vergeten we tegenwoordig. De Europese Unie en Brussel worden mechanische apparaten met een zwak hart. In het beleid van die institutiesbestaat geen dialoog, er worden geen banden meer gesmeed. Ik denk dat de kunst en de literatuur terug moeten komen op de politieke agenda van Europa. Er moet een intellectuele blik op die Unie komen. Als er geen dialoog is met de cultuur, is de politiek ook een lege huls.

    We kunnen ons alleen tegen zo’n ontwikkeling beschermen door ons ervan bewust te zijn. Het kan soms lastig zijn om door retoriek heen te kijken, maar kritisch nadenken heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. We moeten openstaan, nieuwe ideeën toelaten in de samenleving, in je familie, niet bang zijn om vragen te stellen, en de wereld niet verdelen in goed en kwaad. Wat Europa nu nodig heeft, zijn ideeën waarmee we kunnen behouden wat we zijn en die ons beschermen tegen overheersing door de economie en fanatieke demagogen.

    Het schilderij Picasso's Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH
    Het schilderij Picasso’s Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH

    In welk opzicht is dat verbonden met de grote rol die nieuwe technologieën in het leven van alledag zijn gaan spelen?

    Ik vind het geweldig hoe het internet en de moderne technologie ons de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen, te communiceren, informatie te delen, enzovoort. Dat is een formidabel middel om verbinding te scheppen en herscheppen. Maar in mijn eigen land, Zweden, hebben de meeste mensen op Facebook alleen Zweedse vrienden. Mijn eigen netwerk bestaat voor negentig procent uit buitenlanders. En daarom zijn mijn berichten meestal in het Engels. Ik heb belangstelling voor deze communicatie, want zo komen we dichter bij het kosmopolitisme.

    Toch, in twintig jaar tijd hebben de nieuwe technologieën onze samenleving enorm veranderd. Je kunt ze verwijten dat ze geen ruimte bieden voor echte discussie en dat ze de mens veranderen in een bron van inkomsten. Die situatie kennen we allemaal. Je hoeft maar ‘Rome’ in te tikken op Google en meteen verschijnen op andere sites die je bezoekt advertenties met reisaanbiedingen naar die stad. Diee kun je allemaal negeren, maar voor mij lijkt het steeds meer op persoonlijke informatielekken.

    Daarom sta ik kritisch tegenover de sociale media. Als ik er foto’s tegenkom van kennissen die in bed zitten te ontbijten, dalen zij bij mij toch in aanzien. Ik wil dat helemaal niet zien, ergens heb ik het gevoel dat dat niet hoort. Sommige dingen moeten privé blijven, binnen de intimiteit van je eigen huis, anders worden zulke momenten minder waardevol.

    In dat opzicht bieden de literatuur en de kunst een veiliger toevluchtsoord. Studenten leer ik kritisch naar de sociale media te kijken en voorzichtiger te worden met het delen van persoonlijke informatie. Het zou mooi zijn als politici en andere mensen op machtsposities dat ook in gaan zien. Ik ben optimistisch van aard en ik denk dat uiteindelijk iedereen begrijpt wel hoe belangrijk dat is en hoe hoog de prijs zal zijn als we zo doorgaan.

    Kosmopolitisme wordt vaak in één adem genoemd met globalisering, open grenzen en vrijheid. Wat betekent het woord voor u?

    Ik zou het concept van het kosmopolitisme uitleggen door een parallel te trekken met de band die de kunstenaar onderhoudt met zijn land van herkomst, wanneer hij zich buiten de grenzen daarvan bevindt. Zo iemand gaat een innerlijke strijd aan die wordt gemarkeerd door de vreemde omgeving en zijn land van herkomst. Er zijn talloze schrijvers voor wie dat geldt. Een voorbeeld is de van oorsprong Noorse schrijver Henrik Ibsen, die decennialang in Italië heeft gewoond, maar veel over zijn geboorteland schreef.

    Deze kunstenaars krijgen creatieve impulsen doordat hun bestaan en hun identiteit door elkaar worden geschud en ter discussie gesteld. Het jaagt hun productiviteit aan. Ze hebben begrepen dat de concepten van ‘het oude land’ en ‘de natiestaat’ die in deze tijd de basis van alles zijn, niets meer betekenen. Het werk van deze kunstenaars berust op een evenwicht tussen de cultuur en de actuele situatie, op de band met de wereld om hen heen. Al die dingen is Europa nu kwijt, naar mijn idee.

    Maar in Vilnius voel ik nog steeds het omgekeerde. Ik heb deze stad drie jaar geleden ontdekt. Het is een levende stad die haar wezenlijke kenmerken heeft behouden: in de straten klinkt meertaligheid, de architectuur is multicultureel. En, niet onbelangrijk, er is genoeg ruimte voor de bewoners van deze stad, de Litouwers, de joodse bevolking en alle anderen.

    Men zegt altijd dat elk kind dat geboren wordt een vreemdeling is. Dat is zo, volgens mij. Toch is het mogelijk om banden te scheppen, die te koesteren en zo jezelf en je omgeving vorm te geven. Dat noem ik een kosmopolitische blik hebben op de wereld.

    Welk type mensen heeft zo’n kosmopolitische kijk op de wereld?

    Veel mensen denken dat het kosmopolitische wereldbeeld van kunstenaars of anderen niets anders is dan een romantische grotestadsblik. Alsof de rest van de mensheid hun ogen alleen richt op het asfalt. Maar dat klopt niet. Het kosmopolitisme onderscheidt zich door een bepaalde opvatting van ruimte en tijd. Het gaat voor kosmopolieten om een bron van creativiteit die hen beveelt om nooit stil te staan.

    Nieuwe ideeën worden gevormd op het moment dat je geconfronteerd wordt met een moeilijke of ingewikkelde situatie. Een ziekte bijvoorbeeld, een verlies of een ander probleem dat een schok veroorzaakt. Zulke situaties leren ons iets, maar die lessen vergeten we vrijwel meteen weer. In de kunst gebeurt het omgekeerde, het biedt de kans in het moment te zijn, ergens tussen de dood en het leven.

    Wat bedoelt u als u zegt dat Europa wordt geconfronteerd met het verlies van zijn waarden? Wat zijn de gevolgen daarvan?

    In mijn ogen heeft de redevoering die Winston Churchill in 1948 in Den Haag hield de basis gelegd voor de Europese beweging. Hij sprak toen over de tragedie van Europa. Hij waarschuwde dat de tijd kon opraken, dat zelfs als de strijd was opgehouden en de kanonnen zwegen, het gevaar bleef bestaan. Hij verdedigde het Europa dat gefundeerd was op de waarden van het christendom, de cultuur, de filosofie, de wetenschap en de geschiedenis. Met het vergroten van de Europese gemeenschap, in een streven naar een vrije markt, zijn veel van die waarden verloren gegaan.

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden

    De culturele waarden zijn onlosmakelijk verbonden met mensenrechten en met democratische waarden. De politiek besteedt er volgens u weinig aandacht aan. Welke lessen kunnen we daaruit leren?

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden. Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld.

    Tegenwoordig is het waardensysteem van de Europese Unie behoorlijk uitgehold. Wij kunnen het niet meer goed voelen. Elke man en elke vrouw op straat begrijpt dat. En als de waarden ons teleurstellen, nemen we er afstand van en gaan we op zoek naar nieuwe.

    Maar succes leert ons niets, mislukkingen zijn onze beste leraren. Zij stuwen ons naar voren. Daarom moeten we niet bang zijn onze mislukkingen te erkennen, er conclusies uit te trekken en nog harder ons best te doen.

    Ik denk dat de toekomst van de politiek afhankelijk is van de cultuur. Tegenwoordig is alles wat op Facebook, in de politiek of in Hollywood gebeurt identiek, veel staat in het teken van de zoektocht naar populariteit. Toch is cultuur altijd de kracht en de ware identiteit van Europa geweest. Jarenlang hebben verschillende volken naast elkaar geleefd, hadden verschillende talen en verschillende wereldbeelden elk hun eigen plaats.

    Nu moeten we veel te vaakhet Amerikaanse circus tot ons nemen, in plaats van Aristoteles, Charles Dickens, Dante en de anderen.

    Auteur: Kotryna Tamkuta
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Wolfgang Thöner, curator van de tentoonstelling Carl Fieger. Vom Bauhaus zur Bauakademie, in een opblaasbare replica van een huis van Carl Fieger. – © Klaus-Dietmar Gabbert / HH

    IQ
    Litouwen | maandblad | oplage 10.000

    IQ The Economist verschijnt sinds 2010 in samenwerking met het Britse weekblad The Economist. Het maandblad biedt veel vertaalde artikelen, maar ook journalistieke verhalen en commentaren geschreven door Litouwse persoonlijkheden. De slogan van de Litouwse editie luidt: ‘De traditie van intellectuele journalistiek’.

    hallberg peter

    Ulf Hallberg

    Schrijver Ulf Hallberg is geboren in Malmö, Zweden en woont sinds 1983 in Berlijn. Hij heeft onder anderen Georg Büchner, Bertolt Brecht en Frank Wedekind vertaald. Aan de Ateliers d’écritures van de Sorbonne doceert hij creatief schrijven en vertalen. In 2009 publiceerde hij het boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a father, dat in 2012 in Engelse vertaling verscheen.