De school zou niet hebben voldaan aan de bouwvoorschriften
De zoektocht naar slachtoffers van de instorting van een Indonesische school vorige week is dinsdag beëindigd. Het dodental is opgelopen tot 67, aldus een functionaris. Een deel van de islamitische kostschool in Sidoarjo op Zuid-Java met meerdere verdiepingen stortte op 29 september in toen meer dan 170 leerlingen bijeen waren voor het middaggebed, schrijft The Jakarta Post.
De operationeel directeur van het reddingsagentschap verklaarde dat reddingswerkers dinsdag al het puin op de plaats van de instorting hadden opgeruimd, het gebied hadden doorzocht en tot de conclusie waren gekomen dat het zeer onwaarschijnlijk was dat ze nog meer lichamen zouden vinden. ‘Het totale aantal geëvacueerde slachtoffers is 171, waarvan 67 doden, waaronder acht lichaamsdelen, en 104 overlevenden”, zei Yudhi tijdens een persconferentie.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Volgens de afdeling Rampenslachtofferidentificatie van de politie zijn tot nu toe slechts zeventien lichamen geïdentificeerd. De instorting was volgens het Nationaal Rampenagentschap (BNPB) de dodelijkste ramp in Indonesië tot nu toe dit jaar. Onderzoekers hebben de oorzaak van de instorting onderzocht, maar volgens deskundigen wijzen de eerste indicaties erop dat een ondermaatse constructie mogelijk heeft bijgedragen aan het incident.
De lakse bouwvoorschriften hebben geleid tot grote bezorgdheid over de veiligheid van gebouwen in Indonesië. Zo kwamen in september ten minste drie mensen om het leven en raakten tientallen gewond toen een gebouw waar een gebedsbijeenkomst plaatsvond, instortte in Bogor op West-Java.
Veel leerlingen liggen nog bedolven onder het puin
In Indonesië is maandag minstens één leerling omgekomen, zijn tientallen gewond geraakt en vijfenzestig vermoedelijk onder het puin bedolven toen een schoolgebouw instortte. Reddingswerkers, politie en soldaten hebben de hele nacht doorgewerkt en acht zwakke en gewonde overlevenden gered, enkele uren nadat het gebouw van de islamitische kostschool Al Khoziny in de stad Sidoarjo in Oost-Java instortte terwijl de leerlingen aan het bidden waren.
Reddingswerkers zagen nog meer lichamen, wat erop wijst dat het dodental waarschijnlijk nog zal stijgen. Familieleden van de leerlingen verzamelden zich in ziekenhuizen of in de buurt van het ingestorte gebouw, schrijft The Guardian.
Op een mededelingenbord in het commandocentrum dat in het complex van de kostschool was opgezet, stonden dinsdagochtend vijfenzestig leerlingen als vermist opgegeven. Het ging voornamelijk om jongens in de leeftijd van twaalf tot zeventien jaar.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Zware betonplaten en ander puin en onstabiele delen van het gebouw belemmerden de zoek- en reddingswerkzaamheden, aldus Nanang Sigit, een reddingswerker die leiding gaf aan de operatie. Bij de operatie waren enkele honderden reddingswerkers betrokken, aldus het Britse dagblad.
De autoriteiten doen onderzoek naar de oorzaak van de instorting. Volgens Abast telde de oude gebedsruimte twee verdiepingen, maar werden er zonder vergunning nog twee verdiepingen toegevoegd. ‘De fundering van het oude gebouw was blijkbaar niet in staat om twee verdiepingen van beton te dragen en stortte in tijdens het gietproces,’ aldus Abast, geciteerd door The Guardian.
Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn. Het kleine, relatief arme land heeft inmiddels de beste scholen van Europa. Leraren zijn hoogopgeleid, sociale en persoonlijke vaardigheden krijgen veel aandacht, evenals academisch leren, robotica, muziek en kunst.
Het onderwerp van vandaag in de sciencefictionles op het staatsgymnasium Pelgulinna is Blade Runner. Op donderdag zijn er ‘vrijwillige’ lesdagen, waarop leerlingen van deze middelbare school in de hoofdstad van Estland, Tallinn, kunnen kiezen uit een reeks vakken. Andere vakken die vandaag aan bod komen zijn onder andere een cursus rechten en democratie, programmeren en creatief schrijven in het Engels. De zeven zeventienjarige leerlingen in de sciencefictionles hebben zojuist 30 minuten van de film bekeken en bereiden zich voor om erover te discussiëren. Als ik naar binnen sluip schakelen ze voor mij over op perfect Engels. ‘We hebben het gehad over jungiaanse archetypes, persona’s en het superego,’ zegt Triin, een van de leerlingen. ‘Het heeft me echt geholpen om de verschillende aspecten van het mens-zijn te begrijpen en hoe je diepere personages kunt creëren.’ Ze hebben ook Brave New World en 2001: A Space Odyssey bestudeerd. In de paar minuten dat ik er ben, hebben de leerlingen het over de Amerikaanse geschiedenis, kinderarbeid, empathie en nog veel meer. ‘Ik heb zo veel vragen,’ zegt Triin.
Ik ook. Hoe is Estland, een klein land dat relatief arm is vergeleken met het grootste deel van de EU, een grootmacht op het gebied van onderwijs geworden? Op de ranglijst van het Programme for International Student Assessment (PISA) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, dat de vaardigheden van vijftienjarigen meet op het gebied van wiskunde, lezen en wetenschap, staat een handvol Aziatische landen bovenaan, maar daarop volgt Estland, als de beste van Europa. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden maar ook op academisch leren en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek en kunst. Britse politici nemen hier nota van. In 2022 bracht Bridget Phillipson, de schaduwminister van Onderwijs van Labour, een bezoek om te zien hoe Estland dat doet.
Gelijkheid
Gunda Tire, die internationale evaluaties leidt voor de onderwijs- en jeugdraad van Estland, zegt dat het succes van het land deels te danken is aan de mix van geschiedenis en geografie. ‘We hebben Zweden, Denemarken, Rusland en Duitsland over de vloer gehad. Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn en ze begrepen dat onderwijs hen vooruit zou helpen. Hetzelfde gold toen we onder Sovjetbezetting waren.’
Bauhäusle: Zelfgebouwd studentenhuis
Bauhäusle in Stuttgart begon met een weggerotte vensterbank maar is sinds 1981 het voorbeeld van alternatieve studentenhuisvesting geworden.
Bauhäusle is volledig door architectuurstudenten ontworpen en gebouwd. In plaats van alleen het hout te vernieuwen, kregen ze de opdracht een gebouw te maken waarin ze zelf konden wonen. Het sociologische en architectonische experiment was geïnspireerd op het werk van Walter Segal, pionier in zelfbouw en autodidactisme, een in Duitsland geboren Britse architect die geloofde dat iedereen die met gereedschap om kon gaan in staat was om zijn eigen huis te bouwen. Hij ontwierp een zo eenvoudig en werkbaar mogelijk systeem met hout, panelen en bouten, dat door de bewoners in de loop der jaren is aangepast en verbeterd.
Groepen van vier tot vijf studenten maakten elk de plannen voor hun individuele kamers, die vervolgens werden samengevoegd tot een modulaire structuur. De residentie bestaat uit acht totaal verschillende delen, met een paar vaste afmetingen zoals de breedte van de kamers.
Bewoners hebben de vrijheid hun kamer naar eigen wens aan te passen. Dit zorgt voor een constant veranderende ruimte, waarin elke kamer uniek is. Een van de eerste bewoners noemt het project tegen Süddeutsche Zeitung om die reden ‘hallucinerend’.
Een van de blijvende principes, zegt ze, is gelijkheid – dat iedereen een gratis schoollunch krijgt is zowel een ideologisch als een praktisch besluit. En bijna alle kinderen gaan naar de kleuterschool, die zwaar gesubsidieerd wordt, zodat tegen de tijd dat ze naar school gaan op de relatief late leeftijd van zeven jaar hun achterstand niet te groot is. Autonomie is ook fundamenteel. ‘We geven scholen de mogelijkheid om zelf te beslissen.’
Estland heeft zich ook snel aangepast aan het digitale tijdperk. Al in 1997 lanceerde het land een initiatief met de naam Tiigrihüpe (Tijgersprong), om computers en software te verbeteren en scholen toegang tot internet te geven. ‘We trainden veel leraren, verbonden alle scholen met elkaar en gaven ze computers,’ zegt Tire. ‘Het idee is niet om een IT-klas te hebben, maar om digitale vaardigheden overal te integreren.’ Veel kinderen leren coderen en robotica, en alles, van schoolboeken tot communicatie met ouders, is digitaal. In plaats van leerlingen die de orde verstoren hardhandig te straffen, zegt Tire, hebben Estse scholen over het algemeen een meer verzorgende aanpak – het is gebruikelijk om kinderen mee naar buiten te nemen en ze in een kleine groep te onderwijzen De meeste scholen hebben een psycholoog en een counselor.
‘Ze leren koken, breien, dat soort dingen’
Creatieve vakken worden net zo gewaardeerd, legt Tire uit: ‘Ze moeten allemaal kunst en muziek volgen, en “technologie”. Met andere woorden, ze leren koken, breien, dat soort dingen. We merken dat het welzijn en gevoel van voldoening bij de kinderen daardoor toeneemt. We denken niet dat dat irrelevant is. Sommige landen zeggen: “We hebben de muziekles eruit gehaald om meer wiskunde te geven.” Maar als je naar bladmuziek kijkt is dat echt niet minder ingewikkeld.’
Creatieve vakken, zegt Tire, kunnen allerlei vaardigheden bevorderen, zoals teamwerk en het vermogen problemen op te lossen. Ze glimlacht als ze terugdenkt aan tienerjongens die vorig jaar op een groot festival enthousiast meededen aan de volksdansen die ze op school hadden geleerd. ‘Het is een fysieke activiteit, en een plezierige. Bovendien ben je in een groep en moet je communicatieve vaardigheden gebruiken.’
Griekenland, privatisering universiteiten
Griekse studenten hebben tevergeefs verzet gepleegd tegen een wetsvoorstel van de conservatieve regering dat de privatisering van universiteiten aanmoedigt.
Ondanks wekenlange demonstraties werd ingestemd met het voorstel om het universitaire onderwijs in het land open te stellen voor andere dan de huidige staatsuniversiteiten
Volgens oppositieblad AVGI kneep de regering Mitsotakis openbare universiteiten jarenlang uit en liet ze na wetenschappelijk onderzoek te financieren. Veel studenten vrezen dat de privatisering van universiteiten zal leiden tot hogere collegegelden, waardoor hoger onderwijs minder toegankelijk wordt voor studenten uit minder welvarende gezinnen. Bovendien zal hoogstwaarschijnlijk de focus meer op winst dan op academische excellentie komen te liggen.
De Griekse regering hoopt juist de exodus van Griekse jongeren naar het buitenland tegen te gaan. Studenten zijn echter sceptisch over de effectiviteit van deze maatregel en vrezen dat het creëren van particuliere instellingen niet noodzakelijkerwijs zal leiden tot betere werkgelegenheidskansen of een vermindering van de ‘brain drain’.
Momenteel studeren ongeveer 650.000 mensen aan de Griekse staatsuniversiteiten. Ongeveer 40.000 Griekse jongeren studeren over de grens.
De regering wil in september 2025 de eerste niet-openbare universiteit openen.
Om door te stromen naar het hoger secundair onderwijs, het equivalent van het zesde jaar, leggen de leerlingen slechts drie examens af – wiskunde, Ests en een vak naar keuze. Dat is nogal een verschil met de meeste andere landen. Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen? vraag ik Cordelia Violet Paap, een zeventienjarige studente aan de Pelgulinna State. Ze kijkt geschokt en zegt: ‘Dat is veel. Dan zou ik veel meer stress hebben.’
Creativiteitsethos
Paap vertelt dat de creativiteitsethos van haar school ‘veel leuker is dan de strikte orthodoxe manier, waarbij je alleen maar in een klaslokaal zit en luistert’. Targo Tammela (17), die net uit een les Scandinavische geschiedenis komt, zegt dat er ‘nog steeds discipline is, je moet nog steeds voor elke toets slagen’. Het veelgeprezen digitale onderwijs maakt een groot deel uit van hun leerproces, vertellen ze. Technologie is overal beschikbaar en de meeste leermiddelen en toetsen zijn online. ‘Er zijn een paar nadelen, want je kunt er lui van worden of afgeleid raken door het internet,’ zegt Tammela. ‘Maar de voordelen wegen ertegen op.’
Het is vroeg in de middag en op het Gustav Adolf Gymnasium in het oude gedeelte van Tallinn zit de schooldag er voor veel leerlingen al op. Ik wacht bij de poort op de hoofdonderwijzer en zie jonge kinderen alleen of met vriendjes naar huis lopen. ‘Ze zijn over het algemeen erg zelfstandig,’ zegt Henrik Salum, het schoolhoofd (jonge man, gekleed in spijkerbroek).
Strenge scholen Verenigd Koninkrijk
In Engeland verschijnen steeds meer buitensporig strenge scholen, zoals de Michaela Community School in Londen. Deze scholen worden gekenmerkt door een uiterst gestructureerde en gedisciplineerde aanpak, waarbij strikte controle wordt uitgeoefend op het gedrag van leerlingen.
Met de uitdrukking You can hear a pin drop wordt vaak verwezen naar de extreme stilte en orde die in deze scholen heerst. Strakke regels en routines, gereguleerde bewegingen door de school en een geconcentreerde leeromgeving zouden leiden tot betere academische resultaten.
Deze nieuwe aanpak grijpt terug naar de orde en tucht van de traditionele public schools; exclusieve, dure en meestal particuliere internaten die onafhankelijk onderwijs bieden en leerlingen voorbereiden op de universiteit en maatschappelijke leiderschapsrollen. Ondanks de naam ‘public’, zijn deze scholen privé en worden ze niet door de overheid gefinancierd.
Een van deze scholen, Eton College, bracht de meeste politieke leiders voort, zoals Boris Johnson en David Cameron. Twintig in totaal.
Afgezien van de resultaten staan de public schools ook bekend om repressie en bullying en de sociale en emotionele gevolgen daarvan op de ontwikkeling van leerlingen.
Striktere onderwijsmethoden lijken samen te hangen met een conservatieve politieke ideologie. Over de effectiviteit en wenselijkheid daarvan wordt volop gedebatteerd in het Britse onderwijs.
Achter de historische gevel is de school opnieuw ingericht, licht en ruimtelijk. In een van de ruimtes hangen bokszakken, deze wordt ook voor danslessen gebruikt. In een andere ruimte kun je tafeltennissen. In het enorme centrale atrium, waar de kinderen lunchen, staat een piano en is een podium voor optredens. Leerlingen zitten op de traptreden en maken schoolwerk of kletsen wat. De sfeer is gemoedelijk en ontspannen.
Zijn er gedragsproblemen? ‘Natuurlijk,’ zegt Salum. ‘Elke dag is er wel een incident waarbij je leerlingen duidelijk moet maken dat ze anderen moeten respecteren en hoe ze zich moeten gedragen. We hebben bepaalde leerlingen die we beter in de gaten moeten houden en we hebben veel contact met de ouders. Maar over het algemeen merk ik dat de leerlingen het naar hun zin hebben.’ Het ziet er in ieder geval behoorlijk harmonieus uit. In een van de brede gangen zijn twee kinderen aan het schaken en overal liggen keurige stapels kussens voor als je wil socializen of voor als een van de leraren besluit in een andere omgeving dan zijn lokaal les te geven.
‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben’
In een klas waar Ests wordt gegeven is het stil. Een groep acht- en negenjarigen werkt aan een samenvatting van een boek dat ze net hebben gelezen en dat op het grote scherm te zien is. In een andere klas werken twaalf- en dertienjarigen aan hun Engelse woordenschat. Er zitten maar zestien kinderen in deze klas. De klassen tellen meestal achtentwintig leerlingen, maar vreemde talen worden in kleinere groepen onderwezen, zodat iedereen de kans krijgt om te spreken en mee te doen.
In Maria Tooms klas van tien- en elfjarigen zijn enkele kinderen na de les blijven zitten om met me te praten – allemaal in uitstekend Engels. Wat herinneren ze zich van de kleuterschool? Het was leuk, zeggen ze. ‘We hadden slaappauzes,’ vertelt een meisje, Laura. Hier krijgen ze in plaats daarvan ‘hersenpauzes’ – verschillende keren in een les geeft hun lerares, die bij haar voornaam wordt aangesproken, hun een pauze om wat te bewegen of om een spelletje te spelen.
Controverse Frans openbaar onderwijs
Amélie Oudéa-Castéra, de Franse minister met een van de moeilijkste portefeuilles (Onderwijs), heeft een storm van kritiek moeten weerstaan van zowel de lokale als internationale pers, toen zij besloot haar kinderen van een openbare school in Parijs te halen vanwege lessen die niet vervangen zouden worden.
Haar beslissing past in een bredere trend: de toenemende voorkeur van de Franse elite voor particulier onderwijs, wat de sociale segregatie alleen maar versterkt.
Volgens de Zwitserse krant Le Temps vertrouwt de welgestelde klasse simpelweg niet op het openbare schoolsysteem. Op privéscholen zouden hun kinderen floreren omdat het niveau, vanwege segregatie, hoger zou liggen. Het Britse dagblad The Times berispt Oudéa-Castéra omdat ze behalve moeder ook minister is en het goede voorbeeld dient te geven in plaats van de ongelijkheid te benadrukken.
De minister werd tijdens een bezoek aan de voormalige school van haar kinderen begroet door een koor van boegeroep. Ze bood haar excuses aan aan het personeel van de school.
Frankrijk is lang trots geweest op zijn openbare onderwijssysteem, maar dat levert nu gemiddelde resultaten op, volgens The Times. Terwijl studenten hier ooit uitblonken in wiskunde, presteren ze nu ondermaats in dit vak in vergelijking met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk.
‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben,’ zegt Salum. Er zijn normen waaraan ze moeten voldoen, maar hoe ze dat doen is aan hen. Toom heeft toegang tot tablets en laptops voor de kinderen, maar ze geeft net zo lief een les buiten, of op het dakterras, met papier en potlood – niet om de natuur te bestuderen (wat ze ook doen), maar omdat het fijn is om buiten te leren rekenen. ‘Ik denk dat het een gevoel van vrijheid geeft en het leert kinderen de flexibiliteit om waar dan ook te leren.’
Terwijl we door de school lopen, zegt elke leerling ‘tere’ (hallo) tegen Salum. Eén meisje komt naar hem toe en gooit haar armen om zijn middel. ‘Sommigen willen een high five,’ zegt hij. ‘Zolang de leerlingen glimlachen en hallo zeggen, is alles goed. Als ze dat niet meer doen, dan weet ik dat er iets mis is.’ Toen Salum er nog op school zat, was de sfeer traditioneler, maar hij merkt dat de leerlingen een minder hiërarchische sfeer op prijs stellen. ‘We zien onze leerlingen als collega’s, dus we werken samen en betrekken hen overal bij.’ Veel van de docenten van de school zijn oud-leerlingen; ook dat staat hem aan.
Gebrek aan leraren
Het grootste probleem voor Salum, en veel andere schoolhoofden, is het gebrek aan leraren. Ondanks de positieve kanten van het systeem zijn er nog steeds problemen met de werkdruk. Waarom zouden afgestudeerden met een masterdiploma genoegen nemen met een relatief laag salaris als ze een veel beter betaalde baan kunnen krijgen, bijvoorbeeld in de florerende digitale industrie van Estland? Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren.
Het salaris van leraren ‘is overal ter wereld een probleem’, zegt Kristina Kallas, de Estse minister van Onderwijs, als ik haar in haar kantoor ontmoet. ‘Het onderwijssysteem staat voortdurend onder druk.’ Op dit moment zijn er twee belangrijke problemen, zegt ze. ‘Het ene is de economische recessie en het andere is dat elk begrotingsoverschot naar defensie gaat, omdat we ons in een zeer precaire situatie bevinden.’ Alle ogen zijn gericht op buurland Rusland en de situatie in Oekraïne.
Kallas denkt dat de kracht van het Estse onderwijssysteem ligt in het feit dat ‘het van onderaf is opgebouwd, niet wordt geleid door [de centrale overheid], en dat ook nooit is geweest. Het onderwijssysteem is ouder dan de staat.’ Zijn er politici die er meer controle over zouden willen hebben? ‘Verrassend genoeg niet,’ zegt Kallas. ‘Iedereen laat het [onderwijs] over aan de experts. Docenten en universiteiten debatteren erover, soms in het openbaar, en hebben soms verschillende manieren voor ogen. Maar de politici bemoeien zich er niet mee.’
Er zijn zaken waar Kallas haar blik op gericht houdt. Tijdens de pandemie deden Estse kinderen het niet zo slecht omdat ze al goed voorbereid waren op digitaal leren, maar sindsdien is er een zorgwekkend aantal tienerjongens dat afhaakt. En hoewel er geen elitair privéschoolsysteem is, verhuizen families met hogere salarissen vaak om in de buurt van de beste scholen te wonen, waardoor anderen buiten de boot vallen. ‘Dit is een trend die me zorgen baart omdat hij ingaat tegen de redenen waarom ons onderwijssysteem zo sterk is – gelijkheid is belangrijk,’ zegt Kallas.
‘Deze generatie wil betrokken worden in het gesprek. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer’
Pelgulinna State Gymnasium is duidelijk een van de betere scholen. Ze is pas afgelopen herfst geopend, als een van de dertien nieuwe middelbare scholen die de staat de afgelopen vijf jaar heeft gebouwd. Een prachtig gebouw, met de nadruk op ruimte, licht en natuurlijke materialen, vooral hout. Eén ruimte bevat rijen grote schermen; hier kunnen leerlingen in kleine groepen werken en presentaties geven, en er zijn comfortabele hoekjes gebouwd, voorzien van stopcontacten, waar leerlingen zich kunnen terugtrekken. Er zijn ook driehonderd fietsenstallingen, roze badkamers, bomen die binnen groeien en een comfortabele bibliotheek. Een kleine verstoring van deze idylle vormde de les die vanochtend werd gegeven in de collegezaal, waar verschillende legerofficieren ‘defensieonderwijs’ geven. Ook de vakken ‘communicatie’ en ‘zorg voor de buren’ zijn vorig jaar geïntroduceerd op Estse middelbare scholen.
De leraren gebruiken een mix van oefeningen, zegt Agne Kosk, hoofd talen, die de sciencefictionles onderwees. ‘Deze generatie wil haar mening geven, ze wil betrokken worden in het gesprek, ze wil alle kanten van de zaak kennen. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer.’ Ze zegt dat een goede relatie met haar studenten ‘op de eerste plaats komt. Als het niet klikt met de studenten, kan je nog zo je best doen, maar dan werkt het niet’. Op die klik lijkt het Estse onderwijssysteem inderdaad te zijn gericht.
Met de leerlingen uit de sciencefictionklas heeft ze duidelijk een goede band – de studenten hebben hun eigen hashtag gemaakt, die op het whiteboard is geschreven en zich laat vertalen als ‘Agne is cool’. Kosk vraagt ze welke aantekeningen ze hebben gemaakt toen ze het eerste deel van Blade Runner keken, en er ontstaat een discussie over of ze al dan niet zouden zakken voor een empathietest (waardoor ze zouden worden aangemerkt als een van de niet-menselijke replicanten van de film), wat het betekent om mens te zijn en een beetje over filmgeschiedenis (is dit, vraagt een van de leerlingen, een van de eerste films met vliegende auto’s erin?). Het is tijd om verder te kijken. Lichten uit – de leerlingen richten hun aandacht op het scherm.
Een kwart van de scholieren in OESO-landen voldoet niet aan basisvaardigheden. Om daar verandering in te brengen, zijn heel strenge scholen ontstaan, of heel dure. Estland springt eruit met uitstekende docenten en een breed aanbod.
Ondanks dat Estland een klein en relatief arm land is, is het een grootmacht op het gebied van onderwijs. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek.
Het onderwerp van vandaag in de sciencefictionles op het staatsgymnasium Pelgulinna is Blade Runner. Op donderdag zijn er ‘vrijwillige’ lesdagen, waarop leerlingen van deze middelbare school in de hoofdstad van Estland, Tallinn, kunnen kiezen uit een reeks vakken. Andere vakken die vandaag aan bod komen zijn onder andere een cursus rechten en democratie, programmeren en creatief schrijven in het Engels. De zeven zeventienjarige leerlingen in de sciencefictionles hebben zojuist 30 minuten van de film bekeken en bereiden zich voor om erover te discussiëren. Als ik naar binnen sluip schakelen ze voor mij over op perfect Engels. ‘We hebben het gehad over jungiaanse archetypes, persona’s en het superego,’ zegt Triin, een van de leerlingen. ‘Het heeft me echt geholpen om de verschillende aspecten van het mens-zijn te begrijpen en hoe je diepere personages kunt creëren.’ Ze hebben ook Brave New World en 2001: A Space Odyssey bestudeerd. In de paar minuten dat ik er ben, hebben de leerlingen het over de Amerikaanse geschiedenis, kinderarbeid, empathie en nog veel meer. ‘Ik heb zoveel vragen,’ zegt Triin.
Ik ook. Hoe is Estland, een klein land dat relatief arm is vergeleken met het grootste deel van de EU, een grootmacht op het gebied van onderwijs geworden? Op de ranglijst van het Programme for International Student Assessment (Pisa) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, dat de vaardigheden van vijftienjarigen meet op het gebied van wiskunde, lezen en wetenschap, staat een handvol Aziatische landen bovenaan, maar daarop volgt Estland, als de beste van Europa. De leraren zijn hoogopgeleid, de nadruk ligt op sociale en persoonlijke vaardigheden maar ook op academisch leren en het curriculum bevat een breed scala aan onderwerpen, van robotica tot muziek en kunst. Britse politici nemen hier nota van. In 2022 bracht Bridget Phillipson, de schaduwminister van Onderwijs van Labour, een bezoek om te zien hoe Estland dat doet.
Gunda Tire, die internationale evaluaties leidt voor de onderwijs- en jeugdraad van Estland, zegt dat het succes van het land deels te danken is aan de mix van geschiedenis en geografie. ‘We hebben Zweden, Denemarken, Rusland en Duitsland hier gehad. Als de Esten wilden overleven, moesten ze slim zijn en ze begrepen dat onderwijs hen vooruit zou helpen. Hetzelfde gold toen we onder Sovjetbezetting waren.’
Gelijkheid
Een van de blijvende principes, zegt ze, is gelijkheid – dat iedereen een gratis schoollunch krijgt is zowel vanuit ideologisch als vanuit praktisch oogpunt. En bijna alle kinderen gaan naar de kleuterschool, die zwaar gesubsidieerd wordt, zodat tegen de tijd dat ze naar school gaan op de relatief late leeftijd van zeven jaar hun achterstanden niet meer zo groot zijn. Autonomie is ook fundamenteel. ‘We hebben scholen de mogelijkheid gegeven om zelf te beslissen.’
Toen Estland het digitale tijdperk omarmde, deden ook de scholen mee. Al in 1997 lanceerde het land een initiatief met de naam Tiigrihüpe (Tijgersprong), om computers en software te verbeteren en scholen toegang tot internet te geven. ‘We trainden veel leraren, verbonden alle scholen met elkaar en gaven ze computers,’ zegt Tire. ‘Het idee is niet om een IT-klas te hebben, maar om digitale vaardigheden overal te integreren.’ Veel kinderen leren coderen en robotica, en alles, van schoolboeken tot communicatie met ouders, is digitaal. In plaats van leerlingen die de orde verstoren hardhandig te straffen, zegt Tire, hebben Estse scholen over het algemeen een meer verzorgende aanpak – het is gebruikelijk om kinderen mee naar buiten te nemen en ze in een kleine groep te onderwijzen De meeste scholen hebben een psycholoog en een counselor.
Creatieve vakken worden net zo gewaardeerd, legt Tire uit: ‘Ze moeten allemaal kunst en muziek volgen, en “technologie”. Met andere woorden, ze leren koken, breien, dat soort dingen. We merken dat het welzijn en gevoel van voldoening bij de kinderen daardoor toeneemt. We denken niet dat dat irrelevant is. Sommige landen zeggen: “We hebben de muziekles eruit gehaald om meer wiskunde te geven.” Maar als je naar bladmuziek kijkt is dat echt niet minder ingewikkeld.’
Creatieve vakken, zegt Tire, kunnen allerlei vaardigheden bevorderen, zoals teamwerk en het vermogen problemen op te lossen. Ze glimlacht als ze terugdenkt aan tienerjongens die vorig jaar op een groot festival enthousiast meededen aan de volksdansen die ze op school hadden geleerd. ‘Het is een fysieke activiteit, en een plezierige. Bovendien ben je in een groep en moet je communicatieve vaardigheden gebruiken.’
Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen?
Om door te stromen naar het hoger secundair onderwijs, het equivalent van het zesde jaar, leggen de leerlingen slechts drie examens af – wiskunde, Ests en een vak naar keuze. Dat is nogal een verschil met de meeste andere landen. Kun jij je voorstellen dat je acht of meer examens moet doen? vraag ik Cordelia Violet Paap, een zeventienjarige studente aan de Pelgulinna State. Ze kijkt geschokt en zegt: ‘Dat is veel. Dan zou ik veel meer stress hebben.’
Paap vertelt dat de creativiteitsethos van haar school ‘veel leuker is dan de strikte orthodoxe manier, waarbij je alleen maar in een klaslokaal zit en luistert’. Targo Tammela (17), die net uit een les Scandinavische geschiedenis komt, zegt dat er ‘nog steeds discipline is, je moet nog steeds voor elke toets slagen’. Het veelgeprezen digitale onderwijs maakt een groot deel uit van hun leerproces, vertellen ze. Technologie is overal beschikbaar en de meeste leermiddelen en toetsen zijn online. ‘Er zijn een paar nadelen, want je kunt er lui van worden of afgeleid raken door het internet,’ zegt Tammela. ‘Maar de voordelen wegen ertegen op.’
Harmonieus
Het is vroeg in de middag en op het Gustav Adolf Gymnasium in het oude gedeelte van Tallinn zit de schooldag er voor veel leerlingen al op. Ik wacht bij de poort op de hoofdonderwijzer en zie jonge kinderen alleen of met vriendjes naar huis lopen. ‘Ze zijn over het algemeen erg zelfstandig,’ zegt Henrik Salum, het schoolhoofd (jonge man, gekleed in spijkerbroek).
Achter de historische gevel is de school opnieuw ingericht, licht en ruimtelijk. In een van de ruimtes hangen boskzakken, deze wordt ook voor danslessen gebruikt. In een andere ruimte kun je tafeltennissen. In het enorme centrale atrium, waar de kinderen lunchen, staat een piano en is een podium voor optredens. Leerlingen zitten op de traptreden en maken schoolwerk of kletsen wat. De sfeer is gemoedelijk en ontspannen.
Zijn er gedragsproblemen? ‘Natuurlijk,’ zegt Salum. ‘Elke dag is er wel een incident waarbij je leerlingen moet duidelijk maken dat ze anderen moeten respecteren en hoe ze zich moeten gedragen. We hebben bepaalde leerlingen die we beter in de gaten moeten houden en we hebben veel contact met de ouders. Maar over het algemeen merk ik dat de leerlingen het naar hun zin hebben.’ Het ziet er in ieder geval behoorlijk harmonieus uit. In een van de brede gangen zijn twee kinderen aan het schaken en overal liggen keurige stapels kussens voor als je wil socializen of voor als een van de leraren besluit in een andere omgeving dan zijn lokaal les te geven.
In een klas waar Ests wordt gegeven is het stil. Een groep acht- en negenjarigen werkt aan een samenvatting van een boek dat ze net hebben gelezen en dat op het grote scherm te zien is. In een andere klas werken twaalf- en dertienjarigen aan hun Engelse woordenschat. Er zitten maar zestien kinderen in deze klas. De klassen tellen meestal achtentwintig leerlingen, maar vreemde talen worden in kleinere groepen onderwezen, zodat iedereen de kans krijgt om te spreken en mee te doen.
In Maria Tooms klas van tien- en elfjarigen zijn enkele kinderen blijven zitten om met me te praten – allemaal in uitstekend Engels. Wat herinneren ze zich van de kleuterschool? Het was leuk, zeggen ze. ‘We hadden slaappauzes,’ vertelt een meisje, Laura. Hier krijgen ze in plaats daarvan hersenpauzes – verschillende keren in een les geeft hun lerares, die bij haar voornaam wordt aangesproken, hun een pauze om wat te bewegen of om een spelletje te spelen.
‘Een van de belangrijkste elementen van het Estse onderwijssysteem is dat scholen en leraren veel vrijheid hebben,’ zegt Salum. Er zijn normen waaraan ze moeten voldoen, maar hoe ze dat doen is aan hen. Toom heeft toegang tot tablets en laptops voor de kinderen, maar ze geeft net zo lief een les buiten, of op het dakterras, met papier en potlood – niet om de natuur te bestuderen (wat ze ook doen), maar omdat het fijn is om buiten te leren rekenen. ‘Ik denk dat het een gevoel van vrijheid geeft en het leert kinderen de flexibiliteit bij om waar dan ook te leren.’
Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren
Terwijl we door de school lopen, zegt elke leerling ‘tere’ (hallo) tegen Salum. Eén meisje komt naar hem toe en gooit haar armen om zijn middel. ‘Sommigen willen een high five,’ zegt hij. ‘Zolang de leerlingen glimlachen en hallo zeggen, is alles goed. Als ze dat niet meer doen, dan weet ik dat er iets mis is.’ Toen Salum er nog op school zat, was de sfeer traditioneler, maar hij merkt dat de leerlingen een minder hiërarchische sfeer op prijs stellen. ‘We zien onze leerlingen als collega’s, dus we werken samen en betrekken hen overal bij.’ Veel van de docenten van de school zijn oud-leerlingen; ook dat staat hem aan.
Het grootste probleem voor Salum, en veel andere schoolhoofden, is het gebrek aan leraren. Ondanks de positieve kanten van het systeem zijn er nog steeds problemen met de werkdruk. Waarom zouden afgestudeerden met een masterdiploma genoegen nemen met een relatief laag salaris als ze een veel beter betaalde baan kunnen krijgen, bijvoorbeeld in de florerende digitale industrie van Estland? Eerder dit jaar staakten de leraren van Estland voor het eerst sinds jaren.
Het salaris van leraren ‘is overal ter wereld een probleem’, zegt Kristina Kallas, de Estse minister van Onderwijs, als ik haar in haar kantoor ontmoet. ‘Het onderwijssysteem staat altijd onder druk.’ Op dit moment zijn er twee belangrijke problemen, zegt ze. ‘Het ene is de economische recessie en het andere is dat elk begrotingsoverschot naar defensie gaat, omdat we ons in een zeer precaire situatie bevinden.’ Alle ogen zijn gericht op buurland Rusland en de situatie in Oekraïne.
Kallas denkt dat de kracht van het Estse onderwijssysteem ligt in het feit dat ‘het van onderaf is opgebouwd, niet wordt geleid door [de centrale overheid], en dat ook nooit is geweest. Het onderwijssysteem is ouder dan de staat.’ Zijn er politici die er meer controle over zouden willen hebben? ‘Verrassend genoeg niet,’ zegt Kallas. ‘Iedereen laat het [onderwijs] over aan de experts. Docenten en universiteiten debatteren erover, soms in het openbaar, en hebben soms verschillende manieren voor ogen. Maar de politici bemoeien zich er niet mee.’
Er zijn zaken waar Kallas haar blik op gericht houdt. Tijdens de pandemie deden Estse kinderen het niet zo slecht omdat ze al goed voorbereid waren op digitaal leren, maar sindsdien is er een zorgwekkend aantal tienerjongens dat afhaakt. En hoewel er geen elitair privéschoolsysteem is, verhuizen families met hogere salarissen vaak om in de buurt van de beste scholen te wonen, waardoor anderen buiten de boot vallen. ‘Dit is een trend die me zorgen baart omdat hij ingaat tegen de redenen waarom ons onderwijssysteem zo sterk is – gelijkheid is belangrijk,’ zegt Kallas.
Klik
Pelgulinna State Gymnasium is duidelijk een van de betere scholen. Hij is pas afgelopen herfst geopend, als een van de dertien nieuwe middelbare scholen die de staat de afgelopen vijf jaar heeft gebouwd. Een prachtig gebouw, met de nadruk op ruimte, licht en natuurlijke materialen, vooral hout. Eén ruimte bevat rijen grote schermen; hier kunnen leerlingen in kleine groepen werken en presentaties geven, en er zijn comfortabele hoekjes gebouwd, voorzien van stopcontacten, waar leerlingen zich kunnen terugtrekken. Er zijn ook driehonderd fietsenstallingen, roze badkamers, bomen die binnen groeien en een comfortabele bibliotheek. Een kleine verstoring van deze idylle vormde de les die vanochtend werd gegeven in de collegezaal, waar verschillende legerofficieren ‘defensieonderwijs’ geven. Ook ‘communicatie’ en ‘zorg voor de buren’ zijn vorig jaar geïntroduceerd op Estse middelbare scholen.
De leraren gebruiken een mix van oefeningen, zegt Agne Kosk, hoofd talen, die de sciencefictionles onderwees. ‘Deze generatie wil haar mening geven, ze wil betrokken worden in het gesprek, ze wil alle kanten van de zaak kennen. Simpelweg een tekstboek voorlezen werkt niet meer.’ Ze zegt dat een goede relatie met haar studenten ‘op de eerste plaats komt. Als het niet klikt met de studenten, kan je nog zo je best doen, maar dan werkt het niet’. Op die klik lijkt het Estse onderwijssysteem inderdaad te zijn gericht.
Met de leerlingen uit de sciencefictionklas heeft ze duidelijk een goede band – de studenten hebben hun eigen hashtag gemaakt, die op het whiteboard is geschreven en zich laat vertalen als ‘Agne is cool’. Kosk vraagt ze welke aantekeningen ze hebben gemaakt toen ze het eerste deel van Blade Runner keken, en er ontstaat een discussie over of ze al dan niet zouden zakken voor een empathietest (waardoor ze zouden worden aangemerkt als een van de niet-menselijke replicanten van de film), wat het betekent om mens te zijn en een beetje over filmgeschiedenis (is dit, vraagt een van de leerlingen, een van de eerste films met vliegende auto’s erin?). Het is tijd om verder te kijken. Lichten uit – de leerlingen richten hun aandacht op het scherm.
Volgens de politie was er mogelijk sprake van brandstichting
Bij een brand in een school in de Guyanese stad Mahdia zijn zeker negentien kinderen om het leven gekomen. Ze sliepen in de slaapzaal van de school toen de brand uitbrak. Volgens de politie was er mogelijk sprake van brandstichting door een van de leerlingen, zo schrijft Stabroek News.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ruim drieëntwintig kinderen liggen nog in het ziekenhuis met brandwonden en ademhalingsproblemen. Zes van hen liggen in de hoofdstad Georgetown, waar betere medische hulp kan worden geboden. Door de ernst van de brandwonden is bij meerdere dodelijke slachtoffers nog niet de identiteit vastgesteld. De meerderheid van de slachtoffers waren inheemse meisjes uit de omgeving van Mahdia.
De Guyanese president Irfaan Ali is na de ramp afgereisd naar Mahdia voor een ontmoeting met de nabestaanden van de kinderen. Hij heeft een periode van drie dagen van nationale rouw afgekondigd. ‘Er zijn geen woorden die de omvang van de pijn kunnen beschrijven die onze broeders en zusters doormaken. Dit is een pijn die we als natie en als familie moeten dragen,’ zei hij.
Onder de doden zijn drie kinderen en de vermoedelijke schutter
Bij een schietpartij op een basisschool in de Amerikaanse stad Nashville zijn zeven mensen om het leven gekomen. Drie van de dodelijke slachtoffers zijn kinderen. Ook de vermoedelijke schutter is omgekomen, schrijft NBC News.
De plaatselijke politie, die de dader doodschoot na een vuurgevecht, meldt dat de schutter een vrouw van achtentwintig is die zelf ooit op de school zat. Ze had twee automatische geweren en een pistool bij zich. Over haar motief is niets bekendgemaakt.
Onder meer president Joe Biden heeft gereageerd op de schietpartij. Biden noemde het ‘de ergste nachtmerrie die een gezin kan overkomen’, en riep het Congres op de wapenwetgeving aan te scherpen. Er ligt een wetsvoorstel in het Huis van Afgevaardigden, maar door de huidige meerderheid van de Republikeinse Partij zijn een stemming over en een meerderheid voor dit voorstel niet waarschijnlijk.
Al maanden worden meisjes vergiftigd in scholen door heel Iran
In Iran zijn meer dan honderd mensen gearresteerd die een rol zouden hebben gespeeld bij de massale vergiftigingen van schoolmeisjes de afgelopen maanden. Dat meldt het Iraanse staatspersbureau IRNA. Volgens de Iraanse autoriteiten wilden de daders angst zaaien ‘bij mensen en studenten’ en er zo ‘voor zorgen dat scholen zouden sluiten’. Ook zouden ze het regime in een kwaad daglicht willen stellen, aldus een verklaring van het Iraanse ministerie van Binnenlandse Zaken.
De gearresteerde verdachten komen uit verschillende delen van het land. De vergiftigingen in Iran zijn al maanden aan de gang: sinds november zouden er op vijftig tot ruim honderd scholen gevallen van vergiftiging zijn voorgekomen bij in totaal zeker 2400 schoolgaande meisjes. Zij werden opgenomen met ademhalingsklachten en duizeligheid, in veel gevallen omdat er via de luchtventilatie gassen werden verspreid.
De Iraanse ayatollah Khamenei heeft eerder zijn grootste afkeuring uitgesproken voor de misdaden en vindt dat de daders de doodstraf moeten krijgen. Critici van de regering denken echter dat de autoriteiten zelf achter de misdaden zitten, omdat veel meisjes en jonge vrouwen meededen aan de grootschalige antiregeringsprotesten van vorig jaar.
Bij een zware helikoptercrash in het oosten van de Oekraïense hoofdstad Kyiv zijn zeker 18 mensen om het leven gekomen, schrijft de Kyiv Post. Daarbij is onder meer de Oekraïense minister van Binnenlandse Zaken Denys Monastyrsky en onderminister van Binnenlandse Zaken Jevhen Jenin omgekomen. De helikopter stortte neer vlak bij een school.
Alle negen inzittenden van de helikopter kwamen om bij het ongeluk. Waardoor de helikopter neerstortte is onbekend, er zou niet direct relatie zijn met een Russische aanval. Het voertuig was geleverd door Frankrijk en zou in goede staat zijn geweest.
Monastyrsky was een van de meest prominente politici sinds de Oekraïne-oorlog en was een zeer zichtbare bondgenoot van de Oekraïense president Volodymyr Zelensky. Hij was sinds juli 2021 minister van Binnenlandse Zaken. Hoeveel kinderen van de kleuterschool zijn omgekomen bij de crash is nog onzeker: wel tonen foto’s dat er sprake is van zware schade in de woonwijk waar de school stond.
Nikolas Cruz bracht in 2018 zeventien mensen om in Parkland
Nikolas Cruz, die in 2018 zeventien mensen op een school in Parkland in Florida doodschoot, is veroordeeld tot levenslang. Persbureau Reuters meldt dat de rechter heeft geoordeeld dat Cruz geen kans krijgt op vervroegde vrijlating. Het Openbaar Ministerie had voor de doodstraf gepleit.
De rechter noemde het alcoholisme van de moeder van Cruz tijdens de zwangerschap een verzachte omstandigheid, waardoor de straf lager uitviel. De 24-jarige Amerikaan had eerder al schuld bekend in de zaak. De nabestaanden van de slachtoffers van Cruz zouden de beslissing van de rechter bekritiseerd hebben, zij hoopten op de doodstraf. In een eerder stadium hadden zij een schadevergoeding van 130 miljoen dollar gekregen na een schikking met de overheid.
Cruz richtte in 2018 een bloedbad aan op de Marjory Stoneman Douglas High School in Parkland. Naast veertien schoolgenoten schoot hij drie medewerkers van de school dood. De schietpartij werd een van de dodelijkste schietpartijen op een school uit de Amerikaanse geschiedenis. Omdat Cruz op zeer jonge leeftijd aan een semiautomatisch wapen kon komen, kwam er een nationaal debat op gang over strengere wapenwetten en veiligheid op scholen.
18-jarige jongen opende het vuur op school in Texas
Een achttienjarige jongen opende dinsdag het vuur op een basisschool in Uvalde (Texas), waarbij negentien jonge leerlingen en twee volwassenen om het leven kwamen. De dader Salvador Ramos, die in Uvalde woonde, is gedood door de politie.
‘Hoeveel onschuldige mensen moeten er nog sterven voordat onze volksvertegenwoordigers iets doen aan het wapengeweld’, aldus Austin American Statesman in een hoofdredactioneel commentaar. Net als vele andere Amerikaanse kranten riep het Texaanse dagblad de politiek op tot actie.
Het is de op een na dodelijkste schietpartij op een school in de Verenigde Staten
Het drama in Uvalde is de op een na dodelijkste schietpartij op een school in de Verenigde Staten, aldus The New York Times, dat zijn lezers eraan herinnert dat tien jaar geleden een schutter het land in rouw stortte door twintig kinderen en zes volwassenen te doden op de Sandy Hook Elementary School in Newtown (Connecticut).
In een plechtige toespraak dinsdagavond in het Witte Huis drong president Joe Biden aan op hernieuwde inspanningen om wapens te reguleren. ‘Het is tijd om pijn om te zetten in actie. Wanneer gaan we in godsnaam de confrontatie aan met de wapenlobby?‘ zei Biden. In een analyse meent The Washington Post echter dat de Amerikaanse president zelf verantwoordelijkheid draagt voor het falen van de Amerikaanse politieke klasse om in de afgelopen decennia wapenregulering door te voeren.
Een docent klassieke talen, die van een school was weggestuurd omdat hij de coronamaatregelen niet respecteerde en vervolgens tijdelijk werd aangesteld op het Orazio Lyceum in Rome, heeft grote verontwaardiging veroorzaakt met een Facebook-bericht, aldus Corriere della Sera. Daarin schreef hij: ‘Bidden we gezamenlijk voor degenen die hun dochters verkleed als hoeren naar school laten gaan.’
Die opmerking volgde een week nadat een leraar op een andere school in de Italiaanse hoofdstad met een soortgelijke opmerking woede veroorzaakte. ‘Loop je soms op Via Salaria?’ had hij gevraagd aan een leerling die een naveltruitje droeg, verwijzend naar een straat in de buitenwijken van Rome die bekendstaat als tippelzone. Na zijn opmerking verschenen studentes uit protest massaal in minirokjes en hotpants op school.
Collega’s van de uitzendkracht op het Orzaio Lyceum laten weten ‘afstand te nemen’ van zijn bericht dat ‘de waardigheid’ de van leerlingen schaadt. De verwachting is dat de docent zal worden ontslagen.
In geen enkele stad ter wereld draait het dagelijks leven zo om religie als in Jeruzalem. ‘De Stad van de Vrede’ – die ironisch genoeg nooit vrede heeft gekend – herbergt zelfs burgers met het zogenoemde Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.
Keuze uit ons archief
Al eeuwenlang is Jeruzalem een stad die betwist wordt door christenen, moslims en joden. Ook nu zwelt het conflict tussen Israël (joods) en Palestijnse groeperingen (islamitsch) weer aan na hard optreden van de Israëlische politie tegen Palestijnse betogers bij de Al-Aqsamoskee op de Tempelberg – belangrijke heiligdommen van beide religies –, waarop Hamas reageerde met een spervuur aan raketten. Wat is toch die speciale kracht van Jeruzalem die het hart en hoofd van vele gelovigen op hol brengt, zelfs in zo’n mate dat er een syndroom naar is vernoemd? Dimitrij Kapitelman – atheïst, maar van joodse origine – zocht het uit.
Dit artikel verscheen eerder in nummer 138, april 2018.
In de waarschijnlijk meest gloedvol beschreven stad aller tijden is het deze decemberavond rustig. Bedeesd bijna. In elk geval binnen de majestueuze muren van de Oude Stad. Niet dat er een sacrale stilte hangt, eerder een geconcentreerd zwijgen. Zodra de handelaren hun souvenirshops op slot doen, raken de dicht opeen gelegen, heuvelachtige steegjes tussen de hoge muren van Jeruzalem leeg. Uit de portofoons van de Israëlische soldaten die overal tussen de rijen huizen in groepjes op wacht staan, knetteren korte mededelingen. Het is 18 december 2017.
Twaalf dagen eerder heeft de Amerikaanse politieke komediant Donald Trump aangekondigd dat hij het gedeelde Jeruzalem als hoofdstad van Israël erkent. In het Joodse West-Jeruzalem is de zevende kaars van de chanoekia [de negenarmige kandelaar die met Chanoeka wordt gebruikt] ontbrand, in het oosten de woede van de Palestijnen over dit goddeloze paternalisme. De zogeheten Arabische wereld heeft Dagen van Woede afgekondigd. Jeruzalem heeft koorts. En als Jeruzalem koorts heeft, loopt de temperatuur van de hele mensheid op. Van Bali tot Berlijn klinken brandende redevoeringen, worden dure eden gezworen en wapperen de vlaggen. En dooft het levenslicht.
Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt?
Ondertussen stinkt de Via Dolorosa, de lijdensweg waar Jezus ooit zijn kruis overheen sleepte, naar de pis van de krolse katers die je overal in de steegjes van de Oude Stad hoort krijsen. Tegenover het geboortehuis van de Maagd Maria staan twee lege diepvrieskisten met reclame van Ola. Iets verderop verwisselen Arabischsprekende bouwvakkers putdeksels.
Is dit de stad die de mensheid al eeuwenlang gek maakt? Waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam voor hij tijdelijk overleed om vervolgens in de Kerk van het Heilig Graf te worden opgebaard? Waar de profeet Mohammed opsteeg naar het hemelrijk met achterlating van de Rotskoepel? Waar de tempel van de joden heeft gestaan en waar ze aan de laatst overgebleven muur daarvan, de Klaagmuur, nog altijd bidden? En waar ze zelf in 2004 een heel grote en veel beklaagde muur hebben gebouwd om zich hermetisch af te sluiten?
Door een beetje heiligdomhoppen kun je de symbolen van de drie wereldgodsdiensten in een kwartier aflopen. En door slechts één keer in deze stad te verblijven kun je je verstand kwijtraken. Of God vinden. Of je verstand kwijtraken én God vinden. Of God en dus pas eigenlijk je verstand vinden. Of toekijken hoe God zijn verstand verliest. De wisselwerking tussen deze vondstverlies-verliesvondsten is in Jeruzalem omstreden. Maar dat ze bestaan, valt niet te bestrijden.
Er is een officieel erkende psychose die alleen in deze stad optreedt: het Jeruzalemsyndroom. Overweldigd door de alomtegenwoordigheid van het hemelse gaan sommige toeristen − het maakt niet uit van welke religie − denken dat ze een heilige zijn. Een engel, een apostel, soms zelfs de op dat moment wedergeboren messias. Eerst stoppen ze met slapen, dan met lichaamsverzorging en ten slotte met hun gehele burgerbestaan tot dan toe. Gehuld in beddenlakens zwerven ze door de stad en verkondigen psalmen, hun eigen wedergeboorte, soms het naderende einde.
Uit de vakliteratuur komt niet naar voren of de alomtegenwoordigheid van de hemel in deze stad echt de ziekteverwekker is, of juist het blijkbaar teleurstellende ontbreken daarvan: de onbeheerde Ola-diepvrieskisten, het onderhoudswerk aan putdeksels. Hoe dan ook, meestal laten de zelfverklaarde verlossers zich met klinische zorg en kalmeringsmiddelen van gemiddelde sterkte weer tot individuen terugverplegen.
De ‘Stad van de Vrede’ heeft de facto nooit vrede gekend
Toch lijkt het nog krankzinniger dat uitgerekend de voor miljoenen gelovigen wereldwijd heiligste plaats op aarde, Yerushalayim − etymologisch: ‘Fundament van God’ of ook ‘Stad van de Vrede’ − de facto nooit vrede heeft gekend. Dit feit is bij wijze van spreken een nog kolossaler Jeruzalemsyndroom, een theologisch trauma waar nog geen kalmeringsmiddel of therapie voor is gevonden.
Het gaat dus om gezond mensenverstand en het begrijpen van God in Jeruzalem. Om vermijdbare misvattingen en openbaringen, krampen en verlossingen, wonderen en niet-wonderen die hier elke dag opnieuw worden vastgesteld, alsof ze even natuurlijk zijn geschapen als de mens zelf.
Op een bepaalde manier wordt de grootste psychiatrische kliniek van Jeruzalem, Kfar Shaul, omringd door geestelijke blijmoedigheid. Ertegenover staan twee synagogen en twee joods-orthodoxe godsdienstscholen, waar ook iedere dag en even onverstoorbaar wereldbeschouwingen worden ingestudeerd. Maar als je de leerlingen van de jesjiva naar de kliniek vraagt die een paar meter verderop staat, maken ze een wegwerpgebaar, alsof het een onwelkome indringer van wereldse verdwazing is.
Achter de goed bewaakte ingang ligt geen knots van een kliniek maar een voormalig dorp, met verspreide huisjes en binnenweggetjes. Het Israëlische leger heeft de voorheen Arabische nederzetting in 1948 bezet. Nou ja, eigenlijk ligt er voor de ingang nog, naast een palm, een man met zijn gezicht in de modder van het grasveld. Naar zijn vuile kleding te oordelen ligt hij er al een hele tijd. Vlak daarnaast zit een groepje sombere patiënten op een houten bank naar droevige muziek te luisteren, het klinkt als een vooroorlogse crooner, maar dan op zijn Hebreeuws.
‘Het leven in de kliniek heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen’
Een paar meter verder klinkt uit de kliniek martiaal geschreeuw: de kleine fitnessruimte. Een kamer verder, in het zogeheten resocialiseringscentrum, zit een man met een volle baard en roodomrande ogen in zijn eentje achter de computer en bekijkt aanbiedingen voor cruises in de Cariben. Dr. Gregory Katz is de hoofdarts van Kfar Shaul. Als overtuigd zionist emigreerde hij in 1989 vanuit Moskou naar Jeruzalem, vertelt hij. Hij is mager, begin vijftig en praat vermoeid maar geconcentreerd. Hij was er ook van overtuigd dat het Joodse volk op de berg Sion, de oorsprong van hun geloof, thuishoort. Maar van die overtuiging is nog maar weinig over en godsdienstig is hij überhaupt nooit geweest. ‘Destijds in Rusland leken joden me bijzonder, op een of andere manier verlichter, voor iets voorbestemd. Maar het leven hier heeft me laten zien dat joden mensen zijn als alle anderen. En dat een idee altijd alleen een idee blijft.’
Katz heeft het Jeruzalemsyndroom niet direct ontdekt (de eerste teksten waarin van een dergelijk syndroom sprake is dateren al uit de zestiende eeuw) maar wel in toonaangevende medische tijdschriften beschreven. En hij heeft meer patiënten met het Jeruzalemsyndroom behandeld dan enig ander. Hoewel ook dat aantal overzichtelijk blijft: vroeger waren het ongeveer vijf tot zes gevallen per jaar. De zuivere vorm, waarbij een tot dan toe psychisch onopvallende persoon in Jeruzalem manisch wordt, komt toch al extreem weinig voor. In de regel is het type B: mensen met een bestaand ziektebeeld dat in Jeruzalem heviger wordt.
‘Alles bij elkaar is het een ziektebeeld dat verdwijnt. Pelgrims kunnen de Oude Stad op Google Street View tot in detail bekijken. Daarom blijft de shock na aankomst uit. Bovendien reizen mensen meer, zijn ze beter opgeleid er geloven ze niet meer zo direct in religie en wonderen’, vertelt Katz
De laatste keer dat hij een patiënt behandelde, was een halfjaar geleden. Een wat oudere Engelse toeriste, protestants, die dacht dat ze een heilige was en die een eind wilde maken aan het conflict in het Midden-Oosten. ‘Een ernstig geval, omdat ze leed aan eeen bipolaire stoornis en er rotsvast van overtuigd was dat ze een directe verbinding met God had.’
‘Maar hoe kun je iemand op een geloofwaardige manier, met argumenten uitleggen dat hij geen rechtstreekse verbinding met God heeft?’
‘Dat is ook onmogelijk. Als ze een aanval krijgen, geven we ze medicijnen.’
‘Wat geeft u de zekerheid dat medicijnen een goede uitleg kunnen vervangen?’
‘Je kunt dit probleem niet filosofisch oplossen. In individuele gevallen zijn medicijnen veel praktischer. Zeker, een religieus iemand gelooft dat God alles ziet en dat hij onder Zijn hoede staat. Na het bidden ervaart hij een zekere extase, een zekere band met God. Daar is bidden tenslotte ook voor. Maar als iemand stemmen hoort die van God komen en die hem concrete opdrachten geven, bijvoorbeeld om zich uit te kleden, dan zijn dat hallucinaties.’
‘Denkt u dat de meeste mensen in Jeruzalem een gezonde verhouding tot het geloof hebben?’
‘U kunt zich niet voorstellen hoe verschillend mensen zijn. We kunnen ze niet over één kam scheren. Iemand die in een ultra-orthodox gezin is opgegroeid kijkt op een bepaalde manier naar de wereld. Goed of niet goed: het is een andere wereld. Ja, de joodse godsdienst kent heel veel concrete voorschriften. Dat kan de basis vormen voor een manie. Maar uit onderzoek blijkt dat godsdienstige mensen minder vaak aan psychische ziektes lijden. Dat ze minder vaak zelfmoord plegen, meer motivatie hebben, na lichamelijke kwalen sneller weer gezond zijn.’
‘Anderzijds heeft religie er aantoonbaar toe bijgedragen dat de Stad van de Vrede altijd omstreden is gebleven, en nu gedeeld is. Het heeft geleid tot zelfmoordaanslagen en een schijnbaar onoplosbaar conflict.’
‘Ja, maar dat is het principiële probleem van ideeën. Groepsideeën als religie of nationalisme leiden altijd tot felle discussies. Wie aan een bepaalde god gelooft en daarnaar leeft, zal altijd in conflict komen met andersdenkenden. Natuurlijk, je kunt cynisch worden en nergens in geloven. Dan wordt het makkelijker en heb je geen last van tegenspraak. Maar kan een mens überhaupt zonder ideeën leven? Ik betwijfel het.’ Na een korte denkpauze voegt Katz eraan toe: ‘Zo ambivalent is de mens nu eenmaal.’
‘En uw eigen idee? U bent een niet-gelovige Jood, en een cynicus lijkt u me ook niet.’
‘Ik teer op de resten van mijn humanisme.’
‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab’
Omdat humanisme goed is, maar metaalscanners beter, staat er altijd een tiental securitymannen bij de ingang van het hoofdbusstation van Jeruzalem. Een paar dagen eerder stak een jonge Palestijn een van deze mannen een mes in de borst. Misschien het begin van de gevreesde Derde Intifada. Of alleen maar een van de gebruikelijke, als alledaagse angst geïnternaliseerde basisgruwelen in deze verscheurde stad.
En toch komt ook het gelukkige, domweg onbezorgde Jeruzalem steeds opnieuw te voorschijn. De vader met lange lokken voor zijn oren die zich bij het verkeerslicht omdraait naar zijn kinderen op het achterzitje om een liedje te zingen of met ze te praten. De monnik die op een biscuitje staat te kauwen. De rabbi die, moge het Gode welgevallig zijn, naar een van de vele over de hele stad verspreide lottokantoortjes loopt om een kraslot te kopen. De kleine Ali die in een van de uitgestorven maar zeer steile straatjes in de Oude Stad op zijn brandweerwagen naar beneden suist, aangevuurd door zijn twee zusjes die in koor scanderen: ‘Ali, Ali!’
Hemelsbreed vijftig meter van de onverschrokken Ali de brandweerman staat de Verlosserskerk, omringd door louter handelaren die van hun religieuze relikwieën af willen: kruisjes, iconen, beschilderde houten eieren, sieraden. Allemaal schelden ze op Trump, die uitgerekend in de kersttijd de toeristen heeft afgeschrikt.
Kafr Aqab
En dan is er nog de onbeschrijfelijke wijk die niemand wil hebben. Toen in het stadhuis van Jeruzalem voor de laatste keer over Kafr Aqab werd gesproken, was dat om te bezien of de wijk niet afgescheiden moest worden en overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit, die daar ook al niet buitengewoon happig op was. Tot 2004 was Kafr Aqab een onopvallende burgerlijke nederzetting met twaalfduizend voornamelijk islamitische inwoners. Officieel hoorde ze bij Jeruzalem, waaraan ook belasting werd betaald. Toen bouwde Israël de grensmuur en lag Kafr Aqab opeens op de Westelijke Jordaanoever. Dit leidde ertoe dat het stadsbestuur zich nauwelijks meer om de verwilderde wijk bekommerde, waarna die er een bouwboom inzette die het inwonertal deed vervijfvoudigen.
Door de hoofdstraat van deze onbeschrijflijke wijk, Ramallah Road, persen zich vergeefs toeterende en God noch gebod erkennende auto’s. Hoog in de lucht stapelen bouwkranen nog meer flats op elkaar. Het kleurrijkst in deze troosteloze berg beton zijn de talloze kinderen en de enorme hoeveelheid vuilnis langs de straten. ‘U bevindt zich hier in de meest vrije wijk ter wereld. Als u na een moord ergens wilt onderduiken, kom dan naar Kafr Aqab. Niemand die vraagt wie u bent of waar u vandaan komt. Hier bestaan geen verkeersregels, geen politie, geen justitie,’ zegt de 69-jarige Munir Zagheir. Het buurtcomité heeft hem gekozen als hun vertegenwoordiger. Als de pseudoburgemeester van Jeruzalems onbeschrijflijke wijk in woede ontsteekt − over huizen die op instorten staan, de marginale drinkwatervoorziening, de leeggeroofde scholen of de drugsdealers − vormen zich in zijn mondhoeken speekselresten zo groot als een kwartje. Die hij even vastberaden wegslikt als zijn voortdurende hoest.
Een van Zagheirs grootste professionele successen is dat hij voor een Israëlische administratieve rechtbank een bodemsanering van Kafr Aqab heeft bevochten. ‘Ik heb de rechtbank duidelijk gemaakt dat ik wel honden en katten bij de vuilnishopen kan weghouden, maar vogels niet, die vervolgens met hun bacillen over de apartheidsmuur naar West-Jeruzalem vliegen.’
‘Het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt’
In de ontvangstruimte van zijn huis hangen aan de muur portretten van zijn oudste zoon en van sjeik Ahmad Yassin, een van de oprichters van Hamas. Zagheirs positie is even duidelijk, maar helemaal onverzoenlijk is hij niet. De grenzen van 1967, Oost-Jeruzalem als hoofdstad van de soevereine staat Palestina, en dan vrede. Soms vertelt hij met zijn stralend groene ogen dat alleen wie bloemen zaait, bloemen kan oogsten. Dan weer spreekt hij met kleurloze ogen over soldaten, tegen de bezetting en gasmaskers. Toen het Israëlische parlement een paar weken geleden beraadslaagde over de afscheiding van zijn wijk, werd Zagheir uitgenodigd. ‘Ik heb gezegd: nooit van mijn leven. Want ze willen het leven in Kafr Aqab helemaal niet verbeteren. Het is alleen een demografische truc om het kiezersbestand te verschuiven ten guste van de orthodoxe joden in Jeruzalem.’
‘Is de ellende in Kafr Aqab het resultaat van religieuze conflicten?’
‘Nee, het conflict is dat rechts de godsdienst misbruikt. Wij moslims weten heel goed dat Jeruzalem voor alle drie de godsdiensten even belangrijk is. Waarom zouden wij dan de stad alleen voor onszelf willen? Ons aller leraar Jezus Christus predikte de wereld al: behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelden.’
Schooluniforms
Zagheir laat foto’s van de wijk zien: zonder vergunning neergezette gebouwen die de stad Jeruzalem inmiddels zelf moet huren voor privéscholen en klinieken. Vijf van deze wolkenkrabbers moeten worden afgebroken. Wanneer Zagheir de verslaggever door zijn wijk leidt, wordt hij onderweg door waanzinnig veel mensen gegroet. Hij kent ze allemaal, de schoolkinderen, shoarmaverkopers, sigarettenhandelaren en invaliden. ‘Salam Abu’, ‘Salam aleikum’, klinkt het uit de openstaande ramen. Een geliefd man in een liefdeloos oord. Wie wil, kan in Zagheir een profeet zien.
Aan de met sloop bedreigde huizen wordt intussen stug doorgebouwd. Blok na blok. Of ze blijven, weten noch de bouwvakkers, noch de meubelverkopers op de hoek die de eveneens speculerende inwoners ijverig van lederen sofa’s voorzien. Op een paar balkons hangt al was te drogen, op de zevende verdieping hangen twee vogelkooitjes.
‘Als u me wilt verontschuldigen, ik moet nog iets zakelijks doen,’ zegt Zagheir na een kleine rondgang.
‘Mag ik vragen wat?’
‘Ik moet naar een naaiatelier.’
‘Een naaiatelier?’
‘Ja. Ontwerpen voor schooluniformen bekijken. Ik ben eigenlijk ontwerper.’
De aanhanger van Hamas en vertegenwoordiger van de rechten van 58.000 mensen is twintig minuten later een schooluniforminspecteur geworden. Nauwkeurig bestudeert hij in het nabijgelegen Aram de op de Amerikaanse honkbalstijl gebaseerde jacks. Vierhonderd stuks voor de laatste klas van de Rhashadiaschool. Omringd door de al even geconcentreerde jacks evaluerende mannen van het atelier. De vrouwen blijven in de achterruimte achter hun naaimachines zitten, in een sober, geheel door videocamera’s bewaakt atelier. Uiteindelijk geeft Zagheir opdracht de rode kragen beter vast te zetten.
Op de terugweg gaat de pseudoburgemeester binnendoor, door het vluchtelingenkamp Kalandia. Een kamp dat al meer dan dertig jaar bestaat en intussen qua infrastructuur wel een stad lijkt. Voor veel Palestijnen is het daarom het symbool geworden voor de nakba, de Verdrijving.
Weer wordt Zagheir allerhartelijkst begroet.
‘Ze willen graag dat ik ook hier de boss word,’ geeft hij als reden voor zijn populariteit.
‘En wordt u dat?’
Zagheir zwijgt even. Hoest. Onderdrukt zijn hoest weer.
‘Misschien. Maar het stelt hoge eisen aan je als je geliefd bent bij de mensen.
‘O ja, hoe dan?’
‘Je moet oprecht zijn. Van de mensen houden als van jezelf. Eerlijk en waarachtig blijven. Maar als je dat ter harte neemt, heb je ook succes.’
‘En beschikt u over al die deugden?’
‘Die heeft mijn godsdienst me geleerd.’
Zagheir komt bij een kruispunt zo smal als een potlooddoosje. Drie vrachtwagens uit drie richtingen, zijn eigen gammele Toyota uit de vierde. Geen verkeersborden, geen regels. Met gebaren maken ze elkaar duidelijk wat ze willen en ze manoeuvreren langs elkaar terwijl het middaggebed van de muezzin over het onbeschrijflijke gebied schalt.
Twee uur later zal er op Ramallah Road van begrip geen sprake zijn. Eerst is er extase, wanneer vijfduizend mensen met Palestijnse vlaggen naar de gehate grensovergang marcheren. Voor de Dag van Woede, met borden waarop staat dat Jeruzalem voor eeuwig bij Palestina hoort. Om dat mee te maken komen de burgers van Kafr Aqab trots uit hun tapijtenwinkels en garages, en staan ze op hun ongeautoriseerde en instortingsgevaarlijke balkons. Ze filmen met hun mobieltjes en zingen luidkeels. Al snel staan er barricades in brand en gooien schreeuwende jongeren uit Kafr Aqab stenen naar de soldaten. Totdat ze Israëlisch traangas inademen uit de lucht die even eerder vol was van enthousiasme.
De nieuwe messias
Omri Szmulewicz zit achter zijn MacBook in café HaMiffal in West-Jeruzalem, dat niets heeft meegekregen van de Dag van Woede die zich een paar kilometer daarvandaan afspeelt. HaMiffal was tot voor kort een leegstaand gebouw, nu is het superhip als verblijf voor kunstenaars uit de hele wereld. Op dit moment presenteert een Ierse kunstenares er werk dat ze, gezichten van haar onbekende mensen aftastend, met haar ogen dicht heeft getekend. Szmulewicz organiseert in HaMiffal alles wat met muziek te maken heeft. Hij zorgt voor het geluid en bespeelt zelf een groot aantal instrumenten. Daarnaast organiseert hij de fundraising voor een biomedische start-up. Maar zijn eigenlijke roeping, de reden waarom Szmulewicz überhaupt naar Jeruzalem is gekomen, heeft niets met biomedisch werk te maken. Eerder met psychologie. Hij wil de nieuwe messias worden. ‘Ik zou liegen als ik zeg dat ik sinds mijn openbaring niet het gevoel heb dat ik de Ene ben,’ zegt hij. ‘Een stem in mijn hoofd zegt steeds opnieuw: jij hebt de gave, jij moet de boodschap verkondigen.’
Szmulewicz is een uit de kluiten gewassen, modern geklede man van begin dertig met lang zwart haar en de aanstekelijke open grijns van een echte schelm. Hij beschikt over een aanmerkelijke tegenwoordigheid van geest, een bombastische welbespraaktheid en zelfspot. Het tegendeel dus van een in beddenlakens wandelende manische Jeruzalemsyndroomzwamneus, zou je denken. Zijn openbaring, of ‘opwekking tot de psycho magic’ zoals hij het zelf noemt, heeft ook niet plaatsgevonden op een heilige plaats, maar in een psychotherapeutische praktijk waar hij therapie volgde.
Eigenlijk komt hij uit een welgesteld voorstadje van Tel Aviv. Met weldenkende ouders, een huis met kasten vol filosofieboeken en een frequent bespeelde concertvleugel in een woonkamer met glazen pui. ‘Waar ik weinig liefde heb ervaren en ben opgevoed tot scepticus.’ Daarom ook heeft hij in therapie geprobeerd het klaarblijkelijk nutteloze, naar contact snakkende kind in zichzelf te vermoorden. ‘Het zit op de punt van een driehoek. En wat ik ook probeer, ik slaag er niet in het te bereiken. Ik weet dat ik zal sterven als ik val. Ik zit gevangen tussen twee werelden. Ik word gruwelijk depressief, ga zitten, probeer een sigaret te draaien en val omlaag. Maar op dat moment verschijnen er engelen boven me die me opvangen. Ik haal drie keer diep adem, de drie beste ademteugen in mijn leven. Ik realiseer me dat ik het kan. Begin weer op te stijgen, langzaam, beetje bij beetje. Nu om het kind in mezelf te omarmen. En ik begrijp: dit is het dilemma van de mensheid. De top en de afgrond, het gewicht en de gewichtloosheid, het tijdrovende scheppen en het ellendig snelle verwoesten.’
‘God is precies de idee die je van de onverdraaglijkheid van de wereld redt, die met open ogen doet dromen’
Sindsdien begrijpt Szmulewicz het leven als een magische droom die iedereen door liefde kan vormgeven. Daarbij ziet hij heel goed dat veel om ons heen een voorliefde heeft voor het doden: ‘Rationeel beschouwd is de wereld onverdraaglijk. En dat altijd geweest. Maar God is precies de idee die je van deze onverdraaglijkheid redt, die met open ogen doet dromen.’
Szmulewicz wil een avondwandeling maken in de Oude Stad. Op weg daarheen zien we op veel gebouwen affiches hangen met het opschrift ‘God bless Trump’. De achtste kaars van de chanoekia is aangestoken, en de Mamilla Mall die naar de Oude Stad loopt, met zijn luxe winkels, is vol kleurige rijen lampjes en dikke portemonnees. ‘So, so you think you can tell heaven from hell?’ covert een grijze, orthodoxe man Pink Floyd op zijn gitaar. Zonder haast slaat Szmulewicz een van de stille zijstraatjes in. Toevallig lopen we tegen het kerkje van de Arameeërs aan, de eerste leerlingen van Jezus. Voor de onverlichte toeschouwer toevallig, maar voor Szmulewicz een teken.
‘Toeval bestaat niet. Vandaag moest ik deze plaats zien. Eraan herinnerd worden dat ook de grote godsdiensten een paar duizend jaar geleden zijn gevestigd door mensen met openbaringen. En dat geen van hen in zijn tijd erg geliefd was. Abraham heeft zijn familie verlaten om de epische weg naar het beloofde Land op te gaan. Jezus was een jood vol pretenties die iedereen tegensprak. Daarom is hij vermoord. Zelfs Boeddha kwam uit een streng religieus milieu en verklaarde ooit: u kletst allemaal maar wat. Religies hebben behoefte aan iemand die van tijd tot tijd de decadent geworden orthodoxie overwint.’
Smalle treden leiden naar een dak waar je de gouden Rotskoepel bijna kunt aanraken. Eigenlijk is het een aaneengesloten areaal van daken, en ze zeggen dat je over deze daken de Oude Stad helemaal kunt doorkruisen. Achter de al-Aqsamoskee strekt zich de Tempelberg uit, daarboven schitteren zachtgouden sterren. Op een moment als dit is er misschien wel geen plaats op de wereld die wereldser is dan Jeruzalem.
‘We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten’
Szmulewicz gaat zitten om te mediteren. Na ongeveer twintig minuten gaat hij verder: ‘Ik heb de laatste maanden zo veel tekens gekregen en gezien. Soms moet ik ergens aan denken, dan sla ik de kabbala op een willekeurige plaats open, en precies datgene waaraan ik dacht staat daar geschreven. Altijd als ik duistere gedachten krijg, klop ik driemaal op hout om ze te verdrijven. Zo doen wij joden dat. Toen ik het onlangs in de kelder van mijn ouders deed, vormde zich uit deze punten opeens een driedimensionale davidster om me heen.’
Syndroomsteden
Jeruzalem is niet de enige stad waaraan een bepaald syndroom is toegerekend.
Heel ‘betoverend’ bijvoorbeeld is het Florencesyndroom. Dit al in het begin van de negentiende eeuw door de Franse schrijver Stendhal beschreven syndroom zou vooral kunstenaars overkomen die zich in Florence tegenover de alomtegenwoordige kunst opeens bewust worden van hun eigen onbeduidendheid. En als gevolg daarvan symptomen als ademhalingsproblemen en hartritmestoornissen ontwikkelen.
Bekender is het zogenoemde Stockholmsyndroom, waarbij een gijzelaar tijdens een gijzeling sympathie voor zijn gijzelnemer ontwikkelt. Het omgekeerde bestaat ook: een gijzelnemer ontwikkelt positieve gevoelens voor zijn gijzelaar; in zo’n geval spreekt men van het Limasyndroom. Minder extravagant, maar niet minder ernstig is het New Yorksyndroom, dat paradoxaal genoeg niet het verlies van realiteitszin, maar juist het verkrijgen daarvan beschrijft. Achter een bedrukte stemming zitten existentiële angsten en depressies verborgen die zich voordoen bij jonge mensen die hopend op de American dream en een succesvol leven naar New York komen. Om dan te concluderen dat hun droom niet zo eenvoudig te realiseren is.
‘Bent u weleens bang dat u de controle verliest? Dat u uzelf van louter verlichting niet meer herkent?’
‘Ik ben al heel erg veranderd. En dat maakt me een beetje bang. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook de zin van bekering. Natuurlijk is God in de mensen en natuurlijk bezoekt de messias ons af en toe.’
‘En nu bent u de messias?’
‘Misschien. Maar te geloven dat je “de Ene” bent, is tegelijk infantiel. Ik heb de gave, niet mijn ego. En zolang ik mijn ego niet heb overwonnen, ben ik terughoudend. We hebben al genoeg egoïstische en valse profeten.’
Op donderdag, een dag voor de sabbat, zijn de nachten in de meest bezongen stad van de wereld het levendigst. De Ben-Yehudastraat staat vol gouden keeltjes, breakdancers, trommelaars en jongleurs en de uitpuilende cafés doen een wedstrijdje wiens installatie het hardst kan. Opgedoft, vrolijk van de wodka, opgewonden van de drugs: het kan er hier bijna carnavalesk uitzien. Ook al heeft de stad steeds minder seculiere inwoners.
Zowel de orthodox-joodse als de moslimmoeders in Jeruzalem krijgen gemiddeld 6,5 kind, en die gaan op donderdagen echt niet feestvieren. Ze krijgen in de eerste plaats zo veel kinderen omdat hun God hun voorschrijft dat ze vruchtbaar moeten zijn. In de tweede plaats omdat met de grootte van hun groep ook hun macht bij de verkiezingen toeneemt. Daar komt nog bij dat veel orthodoxe joden van een wereldlijke broodwinning afzien om zich helemaal aan de studie van de Heilige Schrift te wijden. Mede daardoor is de beroemdste stad van de wereld ook de armste stad in het Heilig Land. Hoe dan ook, op donderdag feesten degenen die overdag werken en doorgaans voorbehoedmiddelen gebruiken.
Een stukje bij deze levensader vandaan, aan een achterafpleintje met regenboogvlaggetjes, ligt de Videobar, de enige bar − zo niet de enige plek − in Jeruzalem voor homo’s. Opzettelijk in de buurt van een politiebureau, voor het geval er weer met molotovcocktails wordt gegooid. Af en toe komen er nachtvlinders naar de deur van de Videobar, blijven even staan en gaan weer weg. Om later terug te komen, iets dichterbij, en opnieuw haastig om te keren. Een paar van deze donderdagavondklanten vatten pas bij hun derde aanloop voldoende moed om echt naar binnen te gaan.
Tegen een van de muren staan Batman en Robin te vrijen, het achterste gedeelte heeft een kleine dansvloer. Britney Spears zingt over de ‘taste of a poison paradise’. Arabisch en Hebreeuws klinken zo uitgelaten door elkaar als in deze stad maar zelden voorkomt. Waarom ook niet? Het is moeilijk voor te stellen dat de door alle religies uitgestotenen elkaar in de Videobar in de lange haren van hun toupetjes vliegen over de toegang tot de al-Aqsamoskee.
‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop’
Alona, vandaag meer vrouw dan man, met luipaardjas, rode lippenstift en hoge hakken, voorkomt dat homo’s die door hun familie zijn verstoten zelfmoord plegen. Dat zegt ze in elk geval, terwijl ze staat te roken op de veranda. ‘Ik ben de queen van de orthodoxe viespeuken in Jeruzalem, hun sprankje hoop. Geloof me, er zitten verdomd veel verkapte flikkers onder de orthodoxen.’
‘En hoe leer je die kennen?’
‘Dat hoeft niet. Zij kennen mij en komen naar me toe. Heel verlegen, overdag of bij het boodschappen doen op de Mahane Yehuda-markt.’
‘En dan?’
‘Dan geef ik ze waar ze zo hevig naar verlangen. Ik vind ze sexy in hun zwart-witte pakjes. Met hun maagdelijkheid.’
‘Het klinkt alsof je hier in Jeruzalem als queer een nogal vrij leven leidt, Alona.’
‘Ik kan met iedereen goed overweg, ook in Jeruzalem. Ik ben gewoon ik, ik heb geen andere keus.’
‘Zo,’ moppert Joat, Alona’s metgezellin − eveneens flink opgemaakt, meer vrouw dan man, en met een volumineuze paarse sjaal gedrapeerd om haar gouden jurk, die op zijn beurt strak om haar tamelijk dikke lichaam zit. ‘Als jij zo vrij bent, waarom ga je dan niet in deze outfit naar je werk? Of op zijn minst opgemaakt?’
‘Dat mag niet,’ antwoordt Alona, die als veiligheidsbeambte in een openbaar gebouw in Jeruzalem werkt.
De dansvloer is inmiddels propvol en het aantal seksuele toespelingen per nummer benadert het Jeruzalemse religieuze vruchtbaarheidscijfer.
Mea Shearim
Of een van de dansers bij het aanbreken van de dag terug zal sluipen naar Mea Shearim, de oudste ultra-orthodoxe wijk van Jeruzalem? Heel ver liggen beide werelden niet uit elkaar, te voet misschien tien minuten. Maar wie over de drempel stapt, ziet een Joods leven dat nauwelijks door de moderne tijd is beroerd, tussen bouwvallige huisjes, met een oerwoud van stroomdraden en vreselijk vervuilde straten waar desondanks orde heerst. Een leven in liefdevolle, nauwe dorpsstraatjes, waar de buitenwereld niet binnenkomt. Waar kinderen, kinderen en nog eens kinderen hand in hand over straat lopen en sommige moeders zich geheel bedekken. Ze dragen een sluier over hun hoofd en ook van hun lichaam is niets te zien.
Hier kent iedereen iedereen, een donderdags uitje zal hier niet lang verborgen blijven, ook al is het vlak voor sabbat heel erg druk. Iedereen moet zijn vrijdagse vis en zijn pretzels nog in huis halen. Ingewikkelde consumentenverlangens moet je hier niet hebben, Britney Spears’ ‘Toxic’ of een tv-toestel zijn in Mea Shearim niet te vinden. Om drie uur ’s middags klinken overal in de wijk de luidsprekers. Melancholieke Hebreeuwse muziek schalt door Mea Shearim en kondigt het begin van de sabbat aan. De wijk wordt dan afgesloten, om een dag lang nog ongestoorder met God, met zichzelf en met nietsdoen bezig te zijn. Hoe mooi moet die muziek niet klinken als die je je leven lang het wonderschone, strikt voorgeschreven dolce far niente heeft verkondigd? Hoe moeilijk moet het niet zijn om hier weg te gaan en deze muziek nooit meer te horen, om niet alleen op donderdagavond stiekem een vrije zondaar te zijn?
‘Deze stad rukt iedereen zijn masker af. Ze duldt geen veinzerij,’ bevestigt pater Nikodemus Schnabel, priester en hoofd van de Dormitio-abdij, een benedictijnenklooster op de berg Sion. Hij woont sinds zestien jaar in Jeruzalem, is in 1978 in Stuttgart geboren en volgens zijn gelofte tot het eind van zijn leven aan zijn orde in het Nabije Oosten gebonden. En hier wilde pater Nikodemus ook precies naartoe. Zijn abdij staat op de plaats waar Jezus zijn Laatste Avondmaal tot zich nam. Een plaats van diepe contemplatie, hoog verheven boven het alledaagse lawaai van de Heilige Stad. ‘Om vijf uur in de ochtend, tijdens het eerste gebed bij zonsopgang, is Jeruzalem juist door die diepe godsvrucht om verliefd op te worden. Dan heeft Jeruzalem geen syndroom en al helemaal geen behoefte aan therapie.’
‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden’
Als er geen aanslagen met brandbommen op zijn klooster werden gepleegd. Of als er niet op de voorgevel werd gekalkt dat alle christenen dood moeten. Vlakbij liggen de nederzettingen van de radicaal-religieuze Heuveljoden. Vanwege hen moest er een permanente politiepost voor zijn deur worden neergezet. ‘Ik begrijp waarom Jeruzalem de perfecte stad is om atheïst te worden. Op gewone dagen word ik, als ik het klooster uitga, bespuugd, beledigd en geschopt. De radicale religieuzen roepen graag: “Oprotten naar Rome!” Hier is niets hetzelfde, iedereen is hier naakt. Ik ook.’
Als je pater Nikodemus ziet, is hij een open, zachtaardige en levenslustige man met rode wangen. Je kunt je de pas 39-jarige pater makkelijk voorstellen als gangmaker in het café, terwijl hij met zijn diepe joviale lach handen schudt en moppen vertelt. Een indruk die meteen vervliegt als de pater op de empathische toon van een zielzorger spreekt.
‘En welk gezicht zag u in de spiegel toen Jeruzalem u ontmaskerde?’
‘Ik zag en ik zie mijn valkuilen. Soms wil ik degenen die me bespuwen gewoon op hun bek slaan. Maar als ik mijn zoektocht naar God serieus neem, met de gedachte dat de mens naar het evenbeeld van God is geschapen, dan is zoeken naar God ook zoeken naar de mens. Wie ben ik, als ik me van iemand afmaak? Als ik iemand in een la stop?’
‘Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’
Ook van degenen die in de spiegel plotseling een godheid ontwaren en bij dr. Katz terechtkomen, wil de pater zich niet afmaken. ‘Die hebben we hier altijd. Ze doen niemand kwaad, huppelen rond, brabbelen wat, dossen zich vaak merkwaardig uit. Maar als de kerken deze mensen buiten zetten, waar moeten ze dan heen?’ Het zou in elk geval een probleem worden als deze zwaarbelaste mensen troost vinden in de tuin van het klooster en daar helemaal niet meer weg willen. Over een paar uur zal pater Nikodemus de nachtmis lezen. Waarschijnlijk als enige katholiek op de wereld preekt hij voor een gehoor dat voor het grootste deel joods is.
Bethlehem
Ondertussen is in Bethlehem, de geboorteplaats van Christus, het feest al aan de gang. Eigenlijk maar negen kilometer, maar ook een omweg om een hele lange grensmuur heen verder. Op de markt waar de Geboortekerk en de Omarmoskee oog in oog staan, is een parade. Een bigband in militair ogende uniformen speelt ‘Jingle Bells’ met een Arabisch accent. Maar het Palestijnse Bethlehem lijkt op dit moment niet zo ontvankelijk voor kerstliedjes uit Trumpistan. Een affiche met een in het paars geklede Sinterklaas wenst ons Merry Christmas, een nog groter affiche dat eroverheen geplakt is herinnert ons eraan dat Jeruzalem voor eeuwig de hoofdstad van Palestina blijft.
De bewoners van de stad volgen de parade met een merkwaardige mengeling van plichtsbewustzijn, kijklust en ergernis. Tussen de rijen door dringen minderjarige kauwgom- en parapluverkopers naar voren. Eromheen cirkelen geconcentreerde Palestijnse soldaten en een groot aantal internationale cameraploegen. En om iedereen heen jaagt een akelige wind die maling heeft aan het milde winterzonnetje. En hoe verder je van de theoretisch zo feestelijke markt af komt, in de richting van Jeruzalem, in de richting van de gemilitariseerde scheidingsmuur, des te voelbaarder het wordt dat Bethlehem weinig zin heeft om feest te vieren.
De wind die over het feest joeg heeft tegen de avond dankzij de talloze regenbuien een zee van plassen in de Oude Stad veroorzaakt. Desondanks is de Dormitio-abdij voor de nachtmis van pater Nikodemus tot de laatste plaats bezet. Ook Omri Szmulewicz, die zich in staat acht de erfgenaam van de jarige te zijn, is gekomen. Hij luistert met gesloten ogen, een steentje dat zijn derde oog moet symboliseren tegen zijn voorhoofd gedrukt. Soms glimlacht hij enthousiast, dan weer kijkt hij een beetje mistroostig.
‘Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij’
Pater Nikodemus weet het verrassend jonge joodse publiek snel voor zich te winnen. In een wit met gouden kazuifel schertst hij vanaf de preekstoel: ‘Ik ben hier niet om u te bekeren. Als de messias verschijnt, kunnen we hem eindelijk vragen of hij hier voor het eerst is. Zo ja, dan hebt u gelijk, zo nee, dan wij.’ De pater verklaart dat God niet alleen een over ons wakende en wraakzuchtige God is. ‘Maar vol liefde en hartstocht. Almachtig, zeker, maar een God van vrede, van licht en van vergeving.’
Szmulewicz vergeeft de pater na afloop snel dat de mis ‘te mainstream’ was. En ook wil hij wel door de vingers zien dat het publiek zijn aandacht niet voldoende bij de dienst hield en dat ze ondertussen foto’s maakten met hun mobieltjes. ‘Maar misschien is het alleen mijn ego dat kritiek heeft. Waar moet de pater anders over preken dan over liefde en vergeving? Religie moet niet te ingewikkeld zijn.’
Een paar kilometer verderop staan de straten van de onbeschrijflijke wijk Kfar Aqab een halve meter onder water. De Dagen van Woede gaan verder. Dr. Gregory Katz moet over een paar uur met zijn restje humanisme in een dokterstas naar zijn werk. In de meest aanbeden stad ter wereld is het vandaag geen feestdag.
Life of Brian
Nooit is het Jeruzalemsyndroom zo prachtig en komisch ad absurdum gevoerd als in de klassieker Monty Python’s Life of Brian: in deze satirische film uit 1979 wordt de jonge Brian tegen zijn zin tot messias uitgeroepen, terwijl hij alleen de mooie Judith voor zich wil winnen. Verder wil hij met rust gelaten worden. Aan het bittere slot van de film klinkt de song ‘Always Look on the Bright Side of Life’, terwijl Brian en een tiental andere veroordeelden aan kruisen bungelen. De song werd even beroemd als de film: de laatste werd door het British Film Institute ondanks veel controverse gekozen als een van de honderd beste Engelse films.
De auteur
Dmitrij Kapitelman (31) heeft Jeruzalem in zijn leven tot nu toe drie keer bezocht, en de stad als ‘waanzinnig vermoeiend’ ervaren. Maar ook als een bijzondere plaats. ‘Het is moeilijk in woorden uit te drukken,’ zegt hij, ‘maar je voelt daar veel directer dan elders hoe belangrijk religie voor mensen kan zijn.’ Kapitelman is zelf van joodse origine, maar noemt zichzelf een ‘Hebreeuws gevormde atheïst’.
De lokale fluittaal van de Canarische eilanden is tot immaterieel cultureel erfgoed verklaard. Kinderen leren het op school. Soms is het lastig om het verschil tussen gallina en ballena te verstaan. Maar als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als spreken.
Gezeten op een hoge klif op Gomera, een van de Canarische Eilanden, kan Antonio Márquez Navarro tot in de wijde omtrek buren bij hem uitnodigen (‘Kom naar ons, we gaan het varken slachten’) zonder dat er een woord over zijn lippen komt: hij hoeft zijn uitnodiging maar te fluiten. In de verte blijven aan de overkant van een ravijn drie wandelaars staan als ze die schrille klanken van de rotswanden horen weerkaatsen.
In zijn jeugd, zegt Márquez (71), wandelden er geen toeristen over de ruige steile voetpaden van dit eiland, maar liepen er louter schaapherders, die zo’n uitnodiging meteen met luid en duidelijk gefluit zouden hebben beantwoord. Maar aan de wandelaars was zijn boodschap niet besteed, dus die hervatten al snel hun route over het eiland. Márquez is de trotse hoeder van het Silbo Gomero, de fluittaal die hij ‘de poëzie van mijn eiland’ noemt. En net als poëzie, voegt hij eraan toe, ‘hoeft het fluiten geen nut te hebben om mooi en waardevol te zijn’.
Gefloten versie
De fluittaal van de inheemse bevolking op het eiland werd in de vijftiende eeuw al vermeld in verslagen van ontdekkingsreizigers die de weg plaveiden voor de Spaanse verovering van het eiland. Aanvankelijk was het een gefloten versie van de inheemse taal, maar in de loop der eeuwen stapten de eilandbewoners ook voor hun fluittaal over op de taal van de Castiliaanse veroveraars.
Het Silbo Gomero bestaat uit meerdere fluittonen van verschillende lengte en toonhoogte die ieder een van de klinkers of medeklinkers van de gesproken taal vertegenwoordigen. Helaas zijn er minder verschillende fluittonen dan het Spaans letters telt en zijn de gefloten versies van sommige woorden dus meerduidig, wat tot misverstanden kan leiden. Sommige Spaanse woorden klinken in gefloten vorm identiek: korte woordjes zoals sí (ja) en ti (jij) bijvoorbeeld, maar ook langere woorden die al een beetje op elkaar lijken, zoals gallina en ballena (respectievelijk kip en walvis). ‘Binnen een zinsverband is altijd duidelijk welk dier er wordt bedoeld, maar niet als je alleen een los woord fluit,’ zegt Estefanía Mendoza, die de fluittaal onderwijst.
Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan
In 2009 werd het Silbo Gomero door Unesco op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed geplaatst als ‘de enige volledig ontwikkelde gefloten taal ter wereld die nog in gebruik is bij een grote gemeenschap’ – de 22.000 inwoners van La Gomera dus. Maar nu de taal niet meer onmisbaar is voor het communiceren over grotere afstanden, is het voortbestaan ervan vooral afhankelijk van de wet uit 1999 die het Silbo verplichte lesstof maakte op de scholen op het eiland.
In het havenstadje Santiago blijkt een klas met kinderen van zes weinig moeite te hebben met het herkennen van de fluittonen voor de verschillende kleuren of de dagen van de week. Lastiger wordt het als daarmee zinnen worden gevormd, zoals: ‘Hoe heet het kind met de blauwe schoenen?’ Sommige kinderen horen ‘geel’ in plaats van ‘blauw’.
En levert het verstaan van de klanken soms al problemen op, nog veel moeilijker is het om ze correct te fluiten. De meeste leerlingen steken daartoe een vingerkootje in hun mond, anderen hooguit één of twee vingertoppen, en weer anderen doen het met één vinger van elke hand. ‘Daar zijn geen regels voor, je gebruikt gewoon de vinger waarmee jij het makkelijkst fluit, en sommigen lukt het helaas helemaal niet,’ zegt Francisco Correa, de coördinator van het schoolfluitprogramma. ‘Er zijn ook oudere mensen die het Silbo al van kindsbeen af prima verstaan, maar het zelf nooit verstaanbaar uit hun mond hebben gekregen.’
Twee fluiters die voor het eerst met elkaar communiceren, kunnen in het begin wat moeite hebben om elkaar te verstaan en zullen de ander soms vragen een zin te herhalen, net als sprekers die ieder een ander dialect van dezelfde taal spreken. Maar ‘als ze enige tijd met elkaar gefloten hebben, gaat het net zo makkelijk als Spaans spreken’, zegt Correa.
Generatiekloof
Zoals bij zoveel talen, of ze nu gefloten of gesproken worden, is ook op Gomera sprake van een generatiekloof. Ciro Mesa Niebla, een boer van 46, zegt dat hij soms moeite heeft om in de fluittaal te converseren met de jongere generatie die het fluiten op school heeft geleerd. ‘Ik ben een jongen uit de bergen die thuis de woorden heeft leren fluiten die we in onze familie op de boerderij gebruikten,’ zegt hij, ‘maar ik heb niet de woordenschat van die jonge salonfluiters, die allemaal dure woorden kennen.’
Er zijn ook bejaarde bewoners die gestopt zijn met fluiten omdat ze niet meer al hun tanden hebben. Márquez heeft een kunstgebit en fluit nog wel, ‘maar het gaat niet meer zo makkelijk en klinkt niet meer zo hard als toen ik nog met mijn vingers op mijn eigen tanden kon drukken,’ zegt hij.
Als je het landschap hier ziet, begrijp je wel waarom de mensen hun toevlucht namen tot deze fluittaal: de meeste Canarische Eilanden bestaan uit hoge bergen doorsneden door diepe ravijnen, waar zelfs het afleggen van kleine afstanden heel wat tijd en moeite kost. Zo ontstond dit alternatief, omdat fluiten veel verder draagt dan schreeuwen – als de wind goed staat, in sommige ravijnen tot wel vier kilometer. Daarbij weten oudere bewoners van Gomera ook nog goed dat de eilandbewoners het Silbo vroeger gebruikten om elkaar te waarschuwen voor politie op zoek naar smokkelwaar. In de recente film La Gomera (The Whistlers) gebruiken gangsters het als hun geheimtaal.
De andere Canarische Eilanden hebben weer andere fluittalen, maar die zijn grotendeels in onbruik geraakt – al wordt die van El Hierro tegenwoordig weer onderwezen. ‘Het Silbo is niet uitgevonden op Gomera, maar dat is wel het eiland waar de taal het best behouden is gebleven,’ zegt de etnomusicoloog David Díaz Reyes. Gomera is tegenwoordig sterk afhankelijk van toerisme, en dat levert weer kansen op voor jonge fluiters zoals de zestienjarige Lucía Darias Herrera, die in een van de hotels op het eiland elke week een fluitshow geeft. Ze fluit normaal gesproken in het Spaans, maar ze kan haar Silbo aanpassen aan de talen van de mensen in het publiek – meestal Duitsers op vakantie.
In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen
Helaas zet corona sinds vorig voorjaar niet alleen een streep door deze optredens, maar ook door de praktijkles op school. In een tijd van mondkapjes kunnen docenten hun leerlingen niet echt helpen met hoe ze hun vinger in hun mond moeten plaatsen. De kleinere kinderen ‘kost het nog veel moeite en ze blazen veel lucht uit, waardoor het soms meer spuwen dan fluiten wordt,’ zegt schoolcoördinator Correa. Om verspreiding van het virus te voorkomen kunnen de kinderen tijdens de wekelijkse les dus voorlopig niet zelf fluiten, maar alleen naar opnamen van het Silbo luisteren.
Bijkomend probleem is dat er buiten de les weinig gelegenheid is om in het Silbo te communiceren. In de eerdergenoemde schoolklas steken maar zeventien leerlingen hun hand op bij de vraag of ze het Silbo thuis ook gebruiken. ‘Mijn broer kan heel hard fluiten, maar hij wil het niet voordoen, want als hij niet op zijn PlayStation zit, is hij wel met vrienden op stap,’ klaagt een van de meisjes, Laura Mesa Mendoza.
Toch fluiten sommige tieners elkaar wel in het Silbo toe als ze elkaar tegenkomen in de stad, en ze gebruiken de taal ook om gesprekken te voeren die veel volwassenen om hen heen niet kunnen volgen. Sommige ouders hebben als kind op school immers geen les in het Silbo gehad, of ze zijn pas op latere leeftijd op het eiland komen wonen. De vijftienjarige Erin Gerhards kan haar smartphone niet missen, maar ze lijkt vast van plan om beter te leren fluiten en zo te helpen de traditie van haar eiland in stand te houden. ‘Het is een eerbetoon aan de mensen die hier vroeger leefden,’ zegt ze. ‘Om te beseffen waar we vandaan komen, dat al die technologie er niet altijd al was, maar dat we heel simpel zijn begonnen.’
Amerikaanse openbare scholen promoten onderwijs met beeldscherm. In welgestelde gezinnen is persoonlijk contact juist een nieuwe luxe. Want hoe moet een kind later solliciteren als het niet geleerd heeft een normaal gesprek te voeren?
Keuze uit het archief
Ging een aantal decennia geleden de ‘digitale kloof’ tussen arm en rijk nog om toegang tot technologie, nu smartphones alomtegenwoordig zijn draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik. De begeleiding die kinderen ontvangen om op een verantwoordelijke manier met technologie om te gaan is volgens The New York Times in dit artikel uit 2018 namelijk nogal ongelijk verdeeld. Een probleem dat steeds groter wordt naarmate socialemediaplatforms als TikTok en Snapchat verslavender en algoritmen gewiekster worden. Helemaal nu bovendien AI-tools de verspreiding van nepnieuws makkelijker maken, is een gedegen digitale opvoeding van levensbelang voor de samenleving.
De ouders in Overland Park waren het zat. Ze wilden hun kinderen van hun beeldscherm af krijgen, maar dat konden ze niet alleen. Ten eerste omdat je als ouder niet wilt dat jouw kind als enige dat rare buitenbeentje zonder smartphone is. En ten tweede omdat het gewoon heel, heel moeilijk is om een scholier zijn mobieltje af te nemen. ‘We begonnen onze bijeenkomsten met de constatering: dit is lastig, het is onontgonnen terrein.
Wie kan ons hierbij helpen?’ zegt Krista Boan. Zij heeft in Kansas City de leiding over een programma genaamd START, wat staat voor ‘Stand Together And Rethink Technology’. ‘Dit is iets waarover we onze moeder niet om raad kunnen vragen.’ In Overland Park, een voorstad van Kansas City, komen zo’n honderdvijftig ouders daarom al zes maanden lang ’s avonds bijeen in schoolbibliotheken om over maar één ding te praten: hoe ze hun kinderen kunnen losweken van hun mobiel.
Zonder beeldschermen
Nog niet zo lang geleden was de grootste zorg dat rijke leerlingen veel vroeger in aanraking kwamen met internet, waardoor ze een technische voorsprong opbouwden die tot een digitale tweedeling zou leiden. Scholen vragen leerlingen om hun huiswerk online te doen, terwijl ongeveer eenderde van de Amerikanen thuis geen internet heeft.
Maar nu ouders in Silicon Valley zich steeds grotere zorgen maken over de impact van technologie op hun kinderen en steeds meer streven naar een huishouden zonder beeldschermen, groeit de vrees voor een nieuwe digitale kloof. Het zou zomaar kunnen dat kinderen in arme en modale gezinnen worden grootgebracht met beeldschermen, terwijl het kroost van de elite in Silicon Valley juist terugvalt op houten speelgoed en de luxe van persoonlijk contact.
Je ziet dat nu al gebeuren. In rijke wijken zijn ouderwetse, op fysiek spelen gerichte kleuterscholen in zwang. Anderzijds heeft de overheid in Utah juist een onlineonderwijs- programma voor kleuters gefinancierd dat circa tienduizend kinderen bereikt. De organisatie heeft al aangekondigd dat dit digitale kleuteronderwijs in 2019 met federaal overheidsgeld wordt uitgerold naar vijf andere staten.
Volgens onderzoek van Common Sense Media, een onafhankelijke mediawaakhond, besteden tieners uit armere milieus per dag gemiddeld 8 uur en 7 minuten aan beeldschermvermaak, tegen 5 uur en 42 minuten voor leeftijdgenoten uit rijkere milieus. (In dit onderzoek werd elk beeldscherm apart meegeteld: één uur append voor de tv hangen telde dus als twee uur beeldschermtijd.) In twee studies waarbij ook de etnische achtergrond werd meegenomen, bleek het beeldschermgebruik bij blanke kinderen beduidend lager dan bij kinderen uit Afro-Amerikaanse en latinogezinnen.
En ouders constateren zelf ook een groeiende tweedeling tussen openbare en particuliere scholen binnen dezelfde wijk. Op de particuliere Waldorf School of the Peninsula, zeer in trek bij het hogere kader van Silicon Valley, wordt beeldschermgebruik bijvoorbeeld vermeden. Een eindje verderop adverteert de openbare Hillview Middle School juist met zijn iPad-onderwijs.
De psycholoog Richard Freed schreef een boek over de risico’s van beeldschermgebruik voor kinderen en hoe je hen weer in contact kunt brengen met de echte wereld. Hij verdeelt zijn tijd tussen lezingen voor volle zalen in Silicon Valley en zijn praktijk met minder bemiddelde gezinnen in San Francisco. Bij die laatste is hij vaak de eerste van wie ouders horen dat beperking van het beeldschermgebruik de concentratie- en gedragsproblemen van hun kind kan helpen verminderen. ‘Ik ga van lezingen in Palo Alto [een schatrijke stad in Silicon Valley] naar consulten in Antioch [een arme gemeente die zwaar werd getroffen door de huizencrisis], waar ik de eerste ben om ze op die gevaren te wijzen’, zegt Freed.
Wat hem vooral zorgen baart, is het werk van collega-psychologen die techbedrijven helpen hun apps zo waanzinnig verslavend te maken. Zij zijn doorkneed in de technieken van persuasive design, oftewel het bespelen van beeldschermgebruikers. Een paar voorbeelden: de autoplay-functie van YouTube, de teller met ‘likes’ op Instagram die oploopt als een fruitautomaat, het ‘snapreeks’-icoontje op Snapchat.
Smartphones in de ban
‘Eerst ging de digitale kloof over gebrek aan toegang tot technologie. Nu iedereen er toegang toe heeft, draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik’, aldus Chris Anderson, oud-redacteur van het blad Wired. In het hele land maken ouders, artsen en leerkrachten zich hier sterk voor. ‘De bedrijven hebben de scholen voorgelogen en nu liegen ze de ouders voor’, zegt Natasha Burgert, een kinderarts
in Kansas City.
‘We worden allemaal in het ootje genomen’, vindt ze. ‘We onderwerpen onze kinderen, de mijne ook, aan een van de grootste sociale experimenten die we in lange tijd hebben gezien. Hoe moet het straks met mijn dochter, als ze geen normaal gesprek kan voeren onder het eten? Hoe moet ze dan aan de man komen? Hoe kan ze op sollicitatie gaan?’
‘Ik heb nu gezinnen die er helemaal van af willen’, zegt Burgert. ‘Die zeggen: het is welletjes, we kappen ermee.’ Zoals in huize Brownsberger. Smartphones waren daar al lang in de ban gedaan, maar nu heeft ook de tv met internetaansluiting het veld geruimd. ‘We hebben de tv van de muur gehaald en ik heb het kabelabonnement opgezegd’, zegt Rachael Brownsberger (34), moeder van twee zoons van elf en acht.
‘Hoe krankzinnig dat ook klinkt.’ Zij en haar man, eigenaar van een bedrijf in sierbeton, hebben hun kinderen nooit een smartphone gegeven. Maar ze merkten dat zelfs de geringste blootstelling aan beeldschermen al een slechte invloed had op hun gedrag. Haar oudste zoon, die ADHD heeft, werd vaak boos als de tv uit moest, zegt ze. Dat vond ze verontrustend. En zijn verlanglijstje voor Kerst bestond uit een Wii, een PlayStation, een Nintendo, een MacBook Pro en een iPhone. ‘Ik heb gezegd: die krijg je dus niet, jongen’, zegt Brownsberger. ‘Ja, dan ben ik de kwaaie pier.’
Ouders maken zich steeds grotere zorgen over de impact van technologie op hun kinderen
Maar één ding maakt het gemakkelijker: dat andere ouders in hun buurt hetzelfde doen. ‘Je moet dit met een hele gemeenschap doen’, zegt Brownsberger. ‘Ik had het er gisteravond nog over met mijn buurvrouw: ben ik soms zo’n slechte moeder?’ Krista Boan heeft in Overland Park drie proefprojecten met elk zo’n veertig ouders die samen naar goede methoden zoeken om hun kinderen af te krijgen van mobieltjes en andere beeldschermen.
De Kamer van Koophandel steunt het project en de gemeente wil in het komende beleidsplan ook een paragraaf opnemen over ‘digitaal welzijn’. ‘De gemeente en de Kamer van Koophandel zeiden: we zien de gevolgen voor onze stad’, zegt Boan. ‘We willen dat onze jongeren opgroeien tot zelfstandige burgers die verstandig met hun apparaten omgaan, maar daar moeten we ze wel toe in staat stellen.’
Ook in Silicon Valley maken sommigen zich zorgen over de groeiende tweedeling wat betreft beeldschermtijd. Kirstin Stecher en haar man, die bij Facebook werkt, voeden hun kinderen bijna volledig beeldschermvrij op. ‘Is dat omdat we goed geïnformeerd zijn en veel van de technologie weten?’ zegt ze. ‘Of is het omdat we bevoorrecht zijn en makkelijker zonder beeldscherm kunnen?’
‘Er heerst een gedachte dat je kind wordt achter- gesteld en in een andere dimensie opgroeit als het geen beeldschermtijd krijgt’, zegt Pierre Laurent, voormalig manager bij Microsoft en Intel en nu bestuursvoorzitter van de Waldorf School in Silicon Valley. ‘Maar die gedachte slaat in deze contreien niet meer zo aan’, meent hij. ‘Hier snappen de mensen dat het in die bedrijven vooral draait om big data, om AI, en dat is niet iets waarin je zelf heel bedreven wordt doordat je al vanaf je tiende een mobieltje hebt.’
‘Vaardigheden voor de toekomst’
Al krijgen de werknemers in deze sector steeds meer bedenkingen, de markt voor beeldschermtoepassingen voor kinderen groeit intussen als kool. Apple en Google proberen om het hardst hun producten aan scholen te slijten en leerlingen zo jong mogelijk aan zich te binden, als ze merkentrouw beginnen te worden. Google heeft onderzoeksresultaten gepubliceerd van zijn project in het schooldistrict Hoover City in Alaska.
Daar wil Google de leerlingen naar eigen zeggen ‘vaardigheden voor de toekomst’ bijbrengen. Chromebooks en Google-tools hebben volgens het bedrijf levens veranderd: ‘De leiding van het schooldistrict wil de leerlingen opleiden voor succes door ze de vaardigheden, kennis en gedragingen bij te brengen die ze nodig hebben om verantwoordelijke burgers in de wereldgemeenschap te worden.’
Maar volgens Richard Freed wordt bij kinderen uit armere milieus te snel naar deze technologische middelen gegrepen. Hij constateert die kloof iedere dag opnieuw in zijn werk met aan technologie verslaafde kinderen van ouders met modale en lagere inkomens. ‘Veel kinderen in Antioch zitten op scholen die geen geld hebben voor naschoolse activiteiten’, zegt hij, ‘en een kinderoppas kunnen hun ouders niet betalen.’
De kenniskloof over de gevaren van de nieuwe technologie is volgens hem enorm. Met tweehonderd andere psychologen heeft hij een open brief ondertekend waarin ze hun beroepsvereniging oproepen tot het veroordelen van de medewerking van psychologen aan persuasive design in apps gericht op kinderen. ‘Zodra die technologie eenmaal grip op een kind heeft, wordt het heel moeilijk het daar nog van te bevrijden’, zegt Freed.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.