Tag: school

  • Hoe een plattelandsgeneratie wordt verslonden door de smartphone

    Hoe een plattelandsgeneratie wordt verslonden door de smartphone

    Op het Chinese platteland worden tussen de zestig en honderd miljoen kinderen min of meer aan hun lot overgelaten door hun ouders die naar de stad vertrekken, vaak ver weg, om de kost te verdienen. Ander vermaak dan gamen op een smartphone is er niet.

    Zodra de zomervakantie begint, gaat de middelbare scholier uit de oostelijke provincie Hebei – we zullen hem hier Yang noemen – in de ‘gamemodus’: de zon staat al hoog aan de horizon als hij nog met zijn mobieltje in bed ligt om ‘forten te verwoesten’. Rond het middaguur werkt hij in een paar happen zijn maaltijd naar binnen, om vervolgens snel weer te proberen ‘kip te eten’, een Chinese uitdrukking die waarschijnlijk afkomstig is van het Engelse winner winner chicken dinner en die de beloning is als je de game wint.

    Om twee of drie uur in de ochtend zit Yang nog hoog te paard en slaat hij woest om zich heen met zijn zwaard tijdens het spelen van Wangzhe Rongyao, een onlinegame die ook bekend is onder de naam King of Glory. Zelfs als hij van de slaap bijna met zijn neus op zijn mobieltje valt, wil Yang ‘blijven vechten tot de laatste druppel bloed’.

    School is niet te harden

    Omdat hij momenteel geen schoolverplichtingen heeft en zijn ouders ver weg werken, in Beijing, is Yang volledig vrij om te doen en laten wat hij wil en de jeremiades van zijn grootmoeder die voor hem moet zorgen te negeren. (‘Ik ben oud, echt te oud om hem nog de baas te kunnen!’) Zijn ouders hebben ook geprobeerd hem mee te laten gaan naar Beijing, maar omdat ze geen tijd hadden om bij hem te blijven, was het resultaat min of meer hetzelfde.

    ‘Wat kan ik anders doen dan gamen?’ zegt Yang, zonder zelfs maar op te kijken van het mobieltje waarmee hij in de weer is. Het valt inderdaad niet mee om een aantrekkelijker bezigheid te vinden in zijn dorp, waar geen plek is om te gaan zwemmen, waar geen enkele activiteit wordt georganiseerd, waar hij niet in bomen mag klimmen en waar ouderlijk toezicht ontbreekt.

    Onlinegames zijn langzaam maar zeker bezig het platteland te verslinden. Talloze pubers zijn nonstop aan het gamen en vinden zichzelf heel modern. Maar veel plattelandskinderen gaan langzaam maar zeker kapot aan de games op hun mobieltje. ‘Wat ik leuk vind, is de opwinding die je voelt, waardoor je hart sneller gaat kloppen’, zegt een middelbare scholiere in het dorp Guan Cun, in de provincie Guangdong. Alleen met gamen kan ze ‘uit haar dak gaan’, terwijl de realiteit in haar ogen eentonig en oninteressant is: ‘School is niet te harden. Je verveelt je er dood!’

    Vroeger spijbelden jongeren om in internetcafés te gaan gamen, maar tegenwoordig nemen de meeste 
leerlingen hun toevlucht tot hun smartphone, een veel praktischer oplossing.

    Antiverslavingssystemen verslaan

    Om obstakels te overwinnen en de onmetelijke wereld van deze games te ontdekken, dienen ze eerst de fijne kneepjes onder de knie te krijgen. Om te beginnen moeten ze de antiverslavingssystemen ‘verslaan’. Sommige games eisen bijvoorbeeld dat hun gebruikers zich identificeren en zien erop toe dat minderjarigen niet meer dan twee uur per dag kunnen spelen. Waarom zou je je op internet dan 
niet uitgeven voor een volwassene? 
Je geeft gewoon een nummer op van een identiteitskaart waarvan de houder ouder is dan achttien, compleet met voor- en achternaam. Dan ben je van alle gedonder af als je je moet registreren of identificeren. Yang is behoorlijk trots op zichzelf: al sinds de basisschool gebruikt hij dit soort 
procedures als hij sites bezoekt die eisen dat hij zich identificeert.

    Zodra de zomervakantie is begonnen, moet het hoofd van de basisschool in Guan Cun een enorm aantal jongeren wegjagen die van zijn wifi gebruik komen maken om te gamen. De school is een van de weinige plekken in het dorp die over wifi beschikken. In het begin dromden kinderen die niet op de school zaten samen voor de deur van zijn kantoor. Na diverse ‘offensieve en defensieve acties’ houden ze zich nu 
op bij de ingang van de school, waar de zinderende hitte van deze julimaand hen er niet van weerhoudt zich uit te leven op hun mobieltjes. De beschikbare wifispots in het dorp zijn plekken die ‘fel bevochten’ moeten worden. Het kunnen huizen van klasgenoten met een internetverbinding zijn, de minisupermarkt in het dorp of de omgeving van de lerarenkamer.

    De echte ‘strijd’ met de leraren begint in feite als de school weer begint. De meeste kinderen uit het dorp gaan intern als ze eenmaal op de middelbare school in de stad zitten, vanwege de afstand en om veiligheidsredenen. Vóór de vakantie woonde Yang dus in het districtsinternaat, waar mobieltjes verboden zijn op straffe van inbeslagname. De scholieren zullen hun lust om te spelen moeten onderdrukken, of het in elk geval stiekem moeten doen. Als er een onverwachte controle wordt gehouden door leraren of surveillanten, verstoppen ze hun mobieltje gauw in de toiletten, in hun schoenen of op een andere geschikte plek. ’s Avonds zorgen ze ervoor dat een van hen de wacht houdt en fluit als er een surveillant komt inspecteren. Omdat er in het internaat geen stopcontacten zijn om de mobieltjes op te laden, moeten ze naar de minisupermarkt om ‘elektriciteit te kopen’ voor 2 yuan [ca. 25 eurocent] per keer.

    Uit een onderzoek in een arm district in de Autonome Yi Prefectuur Chuxiong 
is gebleken dat kleine winkels die in de buurt van scholen gelegen zijn, niet alleen elektriciteit verkopen maar 
ook smartphones die de leerlingen op krediet kunnen aanschaffen om op te gamen. ‘Dat is een enorme business geworden, de meeste middelbare 
scholieren komen op die manier aan een mobieltje, zonder dat hun ouders en hun leraren het weten. De kinderen van tegenwoordig zijn gewiekst’, verzucht Sun Aiying, de moeder van Yang, een tikje schuldbewust.

    Alleen maar spelen

    In het begin wilde ze geen mobieltje voor haar zoon kopen, ‘maar iedereen heeft er een en hij zeurde me elke dag de oren van het hoofd. En het moest nota bene ook nog een smartphone zijn’, zegt ze. Omdat ze denkt dat haar zoon lijdt onder haar veelvuldige afwezigheid, heeft ze uiteindelijk toch maar een telefoon voor hem gekocht voor ongeveer 700 yuan [ca. 88 euro]. Dat heeft niet goed uitgepakt: vanaf dat moment zijn de schoolresultaten van haar zoon allengs slechter geworden en zijn haar man en zij op school 
ontboden omdat Yang met zijn smartphone had gespeeld. ‘Zijn grootouders mopperen op hem en slaan hem, maar het zal hem een zorg zijn, hij denkt alleen maar aan spelen.’

    Zelf komt ze hooguit om de drie à vier maanden naar het dorp. ‘Als ik terugkom, heb ik zelfs geen tijd om hem te vertroetelen’, laat staan dat ze zin heeft om hem de les te lezen. Ze heeft wel geprobeerd zijn mobieltje af te pakken, maar na een woede-uitbarsting van haar zoon, die bovendien weldra terug moest naar het internaat, heeft ze het hem toch maar weer teruggegeven. 
‘Ik ben altijd een beetje ongerust, en 
als hij geen telefoon heeft, kan ik hem niet bereiken als hij weer op school zit.’

    Liu Chengliang van de Universiteit 
van Huazhong heeft na onderzoek in zes districten en gemeenten van de provincies Guangxi en Yunnan geconstateerd dat het gebruikelijk is dat plattelandskinderen een mobiele 
telefoon hebben, omdat hun ouders 
ver weg werken en hun grootouders vanwege hun hoge leeftijd of hun slechte gezichtsvermogen niet in staat zijn goed voor hen te zorgen. Deze 
jongeren zijn vaak zo verslingerd aan Whangzhe Rongyao dat ze ‘er niet meer mee kunnen stoppen’.

    © HH
    © HH

    Elektronische oppas

    Volgens het Rapport over de verslaving van jongeren en adolescenten, 
opgesteld op basis van een gehouden online-enquête over de gezondheidsgevolgen van het gedrag van deze groep, blijkt dat kinderen die door hun in de stad werkende ouders op het platteland worden achtergelaten, veel meer tijd met gamen doorbrengen 
dan andere kinderen. De percentages zijn met name hoger bij kinderen die er vier à vijf uur per dag mee bezig zijn (18,8 tegen 8,8 procent) en kinderen 
die er meer dan zes uur aan besteden (18,8 tegen 8,2 procent).

    ‘Hoewel het veel ouders in het rurale milieu zorgen baart als ze hun kind met hun mobieltje zien spelen, zijn 
er ook heel wat die de smartphone als een “elektronische oppas” beschouwen. Door hun kind een mobieltje te geven, weten ze dat het lief zal spelen zonder lawaai te maken of God weet waar naartoe te rennen.’ Zhang Haibo, directeur van het Centrum voor Onderzoek naar het Mediagedrag van Kinderen van de China National Youth Palace Association (CNYPA), legt uit dat, anders dan in de steden, ouders op het platteland om diverse redenen, die vooral met hun opleidingsniveau te maken hebben, niet begrijpen hoe gevaarlijk een verslaving aan smartphones en games voor hun kind kan zijn. ‘Sommigen denken dat het geen enkel kwaad kan om ze te laten spelen; anderen menen dat het hooguit niet goed is voor hun ogen.’

    Vaak zijn het de scholen die de educatieve verplichtingen op zich moeten nemen die plattelandsouders laten versloffen. Maar ook zij staan machteloos tegenover de mobiele games. Een onderwijzer in Guan Cun vertrouwt ons toe dat de kinderen daar na schooltijd niet kunnen gaan zwemmen of in bomen klimmen, en dat er ook geen avondcursussen zijn, of een bibliotheek of een speelterrein. Wat moeten de leerlingen buiten schooltijd dan doen?

    Niveauverschil

    De laatste jaren is men zich steeds meer gaan interesseren voor educatieve zaken als vermindering van de schooldruk, vrij onderwijs en spelend leren. Maar volgens Liu Chengliang leven deze ideeën alleen nog bij de avant-garde, terwijl er op het platteland, vooral in de minst ontwikkelde regio’s, intensieve steun nodig zou 
zijn om die zaken te verwezenlijken: ‘Het platteland kan zich niet meten met de steden. In de steden worden talrijke pedagogische ideeën toegepast en genieten kinderen de bescherming van zowel de samenleving, hun familie als de school. In rurale gebieden zijn 
de omstandigheden volstrekt verschillend, vooral in de arme regio’s. Als er bijvoorbeeld voor toelating tot het middelbaar onderwijs minder belang wordt gehecht aan de behaalde cijfers op de basisschool, wie zal zich dan nog druk maken over de schoolresultaten van de kinderen en over het niveau 
van hun verworven kennis?’

    In een district dat naar nationale maatstaven gemeten arm is, heeft Chengliang onderzoek gedaan bij 3164 leerlingen uit groep zes van achttien basisscholen: 737 leerlingen in de hoofdstad en 2427 op vijftien dorpsscholen. In de stad had 88,6 procent van de leerlingen een gemiddelde kennis van het Chinees, tegen 54,3 
procent van de leerlingen van het 
platteland; voor wiskunde waren de percentages respectievelijk 71,6 procent en slechts 27,4 procent.

    ‘Behalve het afpakken van de mobieltjes van de leerlingen en hun een standje geven, zijn er weinig andere doeltreffende maatregelen die leraren kunnen nemen’, constateert Wu Qifa, leraar op een middelbare school in de provincie Hubei, in Centraal-China. ‘Bovendien kampen jonge plattelandskinderen vaak met een gebrek aan affectie, vooral door de afwezigheid van hun ouders, zodat ze heel makkelijk verslaafd raken aan games – zo erg zelfs dat veel leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs langzamerhand alle belangstelling voor lezen verliezen.’

    Auteur: Sun Qingling

    Openingsbeeld: © HH

    Zhongguo Qingnian Bao
    China | dagblad | oplage 586.000

    Liberale’ staatskrant die i.s.m. de Communistische Jeugdliga wordt gemaakt. Veel aandacht voor veranderingen in de Chinese samenleving.

    CONTEXT: Een massaal fenomeen

    Volgens statistieken van de Chinese regering, overgenomen in een artikel in de South China Morning Post, leven meer dan negen miljoen minderjarige kinderen op het Chinese platteland zonder hun ouders, die ver van hun dorp werken. In de provincies Anhui, Henan en Sichuan, goed voor de meeste arbeidsmigranten, doet dit fenomeen zich het sterkst voor. Maar liefst 44 procent van de kinderen zou er zonder moeder of vader opgroeien, beduidend meer dan het nationale gemiddelde, dat op 35,6 procent ligt. ‘Het voortijdige verlies van de gezinsstructuur kan psychische stoornissen veroorzaken, zoals depressie, angstgevoelens of zelfmoordneigingen’, aldus een door de krant geciteerd rapport van de ngo Shang Xue Lu Shang en de Beijing Normal-universiteit.

  • Chicago aan de Theems

    Chicago aan de Theems

    Uit Amerika overgewaaide ‘drill’-muziek en sociale media als Instagram en Snapchat wakkeren het bendegeweld onder tieners in Londen aan.

    Een gewelddadig nieuw muziekgenre en de trend om vechtende bendeleden in eethuizen te filmen dragen bij aan een golf van verminkingen en moorden onder tieners, aangewakkerd door geruchten, roddels en bedreigingen op sociale media.

    Op de Instagrampagina’s waar jongeren die bij de bendecultuur zijn betrokken de laatste roddels kunnen vinden, staan foto’s van beruchte, met hun wapens en geld zwaaiende lokale ‘beroemdheden’ broederlijk naast grappen over leraren op school.

    Deze privépagina’s hebben tienduizenden volgers en waarschuwen, onder de belofte van expliciete content, dat ze niet voor ‘watjes’ zijn bedoeld. Sociale media als Instagram, YouTube en Snapchat lijken de gewelddadige bendecultuur aan te wakkeren, ook onder kinderen die nog maar nauwelijks tiener zijn.

    Door naar deze muziek te luisteren blijven jongeren op de hoogte van wie wie heeft bedreigd, en de woorden van de rapsongs zijn doortrokken van plaatselijke roddels

    Na de dood van de zeventienjarige Tanesha Melbourne op paasmaandag in Tottenham, Noord-Londen, wezen mensen uit de buurt op een veel gedeelde video van een man die door een groep jongeren werd ‘besprongen’ in een Tinseltown-eethuis en spraken ze het vermoeden uit dat deze vernedering op sociale media wraak had uitgelokt.

    Leden van de beruchte bende Northumberland Park eisten op een Istagrampost de verantwoordelijkheid op voor Tanesha’s dood en schreven dat ze in een kruisvuur van rivaliserende bendes terecht was gekomen: ‘Als je met mijn vijanden chilt ga ik niet ergens anders op mikken.’ De post vervolgde: ‘Hem hebben we koud gemaakt in Tinseltown en die meid van hem in Chalgrove.’

    Deze grootspraak is niet ongewoon. Geheime Snapchatpagina’s die mensen alleen kunnen zien wanneer ze als vriend worden geaccepteerd tonen gewelddadige beelden, nieuwtjes en standpunten die door de Londense bendeleden worden verspreid. Sommige posts van de site worden vervolgens opgeslagen en gedeeld op Instagrampagina’s, waar velen hun leeftijdgenoten maar al te graag willen laten zien hoe goed ze op de hoogte zijn.


    © Instagram
    © Instagram

    Vorig jaar werd de moordenaar van Quamari Serunkuma-Barnes woest en gewelddadig nadat hij online herhaaldelijk een ‘wasteman’ was genoemd, iemand die alleen maar ruimte inneemt. Hij vertelde dat hij in alle staten was geraakt door de beledigingen, zodat hij een mes in zijn schooltas had gestopt. Bespottingen op sociale media zijn gemeengoed onder rivaliserende bendes, en het jonge publiek slaat al het geweld ademloos gade.

    ‘Drill’-muziek, een immens populair genre waarmee de sterren miljoenen YouTube-kijkers trekken, is een andere manier waarop tieners invloed proberen te verwerven op sociale media. Het genre is geboren in bendestad Chicago, maar inmiddels naar Londense woonwijken geëxporteerd.

    De teksten zijn obscuur, nihilistisch en gewelddadig en bevatten dreigementen aan het adres van rivaliserende bendes. Door naar deze muziek te luisteren blijven jongeren op de hoogte van wie wie heeft bedreigd, en de woorden van de rapsongs zijn doortrokken van plaatselijke roddels.

    Angst

    Geweld is makkelijk in de woorden te herkennen. De populaire groep 1011 rapt over rivalen die op elkaar insteken. Eén tekst luidt: ‘Bloed aan mijn mes, hou ’t maar man, maak ’t schoon, gebruik heet water en bleek ’t.’

    Soms is de boodschap versluierd. MizOrMac van de Harlem Spartans uit Kennington, Zuid-Londen, rapt: ‘Van rupsen tot vlinders, onze drillers, nog altijd aan ’t zwemmen, hier aan ’t vissen, de rivieren aan ’t overleven, je verzuipt als je niet meedoet.’

    ‘Vissen’ is naar rivalen zoeken om neer te steken, terwijl de andere woorden naar slachtoffers verwijzen die verdrinken in rivieren van bloed. MizOrMac, in het echt Mucktar Khan, werd eerder dit jaar tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens bezit van een geladen wapen en een Samuraizwaard.

    De benderoddels op de socialemediapagina’s zijn nauw verweven met de drillscene. Ze geven volgers de gelegenheid korte video’s in te sturen waarin ze zelf drillmuziek ten gehore brengen en die online te posten, zodat duizenden ze kunnen bekijken. De kant-en-klare video’s en de heftige teksten zorgen voor felle rivaliteit tussen groepen met verschillende Londense postcodes.

    Deze rivaliteit kan soms dodelijk zijn. Een rapper genaamd ‘Showkey’, in het echt Leoandro Osemeke, was zestien toen hij werd doodgestoken tijdens een houseparty in Peckham die uit de hand liep nadat hij ‘viraal was gegaan’ op sociale media.

    Sommigen wijten zijn dood aan het feit dat hij moest getuigen in het proces tegen drie andere tieners, die later werden veroordeeld omdat ze vier maanden eerder zijn vriend Myron Yarde, ook een aspirant-rapper, onder de artiestennaam Mdot, hadden doodgestoken.

    Een Snapchatpost, die volgens vrienden afkomstig was van de jonge rapper vlak voordat hij stierf, luidde: ‘Het leven langs de weg is maf man, alles kan gebeuren, ze kunnen je neersteken of wat dan ook, maar als ik doodga word ik godverdomme een legende.’


    Giggs, een Grime-artiest uit Peckham, spoorde zijn jonge leeftijdgenoten na de dood van Showkey aan om de bendecultuur te verlaten. Hij zei: ‘RIP Showkey, ik vind ’t echt kut om te horen man. Ik was ’n fan, en ik vind ’t echt kut om dit te posten man. Heb echt te doen met z’n ouders man, m’n gedachten en gebeden gaan naar ze uit. Kom op, jongens, ik blijf zeggen dat we zo niet meer hoeven te leven. God heeft ons meer dan ’n paar manieren gegeven om die bendes achter ons te laten.’

    Maar degenen die hun droom willen verwezenlijken om een drillrap-ster te worden lijken het idee te hebben dat ze onderdeel zijn geworden van een hechte en vaak gewelddadige groepen en dat ze, omdat ze op de hoogte zijn van lokale spanningen, een kans maken in de harde wereld van de sociale media.

    Om onlineroem te verwerven posten jonge mensen foto’s van hun wapens op Instagram, waarop commentaar in de vorm van ‘plaagstootjes’ over de troep in de slaapkamers op de achtergrond wordt vermengd met duistere dreigementen. Bij een foto van een man die met een machete poseert schreef iemand bijvoorbeeld als commentaar: ‘Donny moet hiermee kappen voordat-ie wordt omgelegd door ’n net iemand.’ Iemand anders grapte: ‘Kan dat ding beter omruilen voor ’n plumeau om af te stoffen.’

    Gemakkelijke toegang

    De gemakkelijke toegang tot de verhalen van insiders over schiet- en steekpartijen betekent dat tieners vanuit hun slaapkamer op de hoogte kunnen blijven van de cultuur, de bedreigingen en het geweld. De persoonlijke en zelfdestructieve aard van Snapchatposts impliceert dat de meest verontrustende berichten aan de spiedende blikken van volwassenen kunnen worden onttrokken.

    Ook al doen ze online nog zo stoer, soms laten de kinderen die te midden van dit geweld leven ook hun angst blijken. Op een pagina met een link naar een nieuwsbericht over de recente steekpartijen schreef een tiener dat hij bang was om de hele zomer in Londen te blijven. ‘Zag ’t net, ’s zomers als iedereen weg van school en op pad is, ik ben op vakantie godverdomme.’ Een ander gaf de sociale media expliciet de schuld van de steekpartijen en schreef: ‘Het komt doordat de mensen op sociale media mekaar de huid vol schelden en als de vijand ze te pakken krijgt worden ze aan ’t mes geregen.’

    Auteur: Helena Horton
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Telegraph
    VK | dagblad | oplage 458.487

    Brits conservatief dagblad, ooit door de BBC omschreven als ‘een van ’s werelds grote titels’. Zusterkrant van The Sunday Telegraph. Voert sinds 1858 als motto: ‘Was, is and will be’.

  • Dyslectisch 
bij een taal met duizenden karakters

    Dyslectisch 
bij een taal met duizenden karakters

    Er werd gedacht dat Chinese kinderen geen last van dyslexie zouden hebben, omdat zij de visuele vorm, uitspraak en betekenis van een karakter in hun hoofd moeten stampen. Maar het tegendeel is waar.

    In een lokaal van het Weining-centrum, een onderwijsinstelling voor kinderen met dyslexie, pakken diverse leerlingen van een jaar of tien enthousiast kleurenpennen en beginnen aan een reeks Chinese karakters. Het is een van de vele oefeningen om de kinderen van hun dyslexie af te helpen. In het lokaal zijn ze omringd door leeftijdgenoten die met dezelfde stoornis kampen, maar daarbuiten worden ze vaak gezien als slechte leerlingen en ‘stom’ of ‘lui’ genoemd door hun docenten.

    Het is hoog tijd dat de leerbeperking 
in China wordt erkend: volgens een 
in 2016 gepubliceerd rapport van de Chinese Academie van Wetenschappen kampt 11 procent van de basisschoolleerlingen in het land met dyslexie, wat neerkomt op zo’n tien miljoen kinderen. Ondanks dit onthutsende aantal is er op het Chinese vasteland maar weinig begrip en nauwelijks enige steun voor dyslectische leerlingen – het Weining-centrum, gelegen in de zuidelijke techhub Shenzhen, is een van de weinige instellingen die er wat aan doen. In westerse landen is dyslexie een bekend en grondig onderzocht fenomeen, maar op het Chinese platteland is de bekendheid ermee nog altijd gering; zonder steun zullen leerlingen die ermee behept zijn niet mee kunnen op school, met alle gevolgen voor hun toekomst van dien.

    Su Yingzi weet dit maar al te goed. Haar zoon, de elfjarige Xiaogu, is in veel opzichten intelligent en gevat. 
Hij blinkt uit in het ontwerpen van nieuwe games, is een geboren grappenmaker en maakt makkelijk vrienden. Maar het lezen en schrijven van Chinese karakters leek een onoverkomelijke hindernis. Waar sommige van zijn klasgenoten minder dan een halfuur nodig hadden om een paar karakters uit hun hoofd te leren, kon Xiaogu daar uren mee bezig zijn en dan toch nog vergeten hoe hij de woorden moest schrijven. Als er een tentamen was, begreep hij vaak de vragen niet, omdat veel karakters hem gewoonweg niets zeiden.

    Achteraf bezien denkt Su dat haar zoon al op de kleuterschool tekenen van de beperking vertoonde: zijn handschrift was slordig en hij was vaak als laatste klaar met zijn schrijfoefeningen. ‘Maar de docent weet zijn slechte prestaties aan luiheid, en dat geloofde ik ook,’ zegt Su.

    Blanco tentamenblaadjes

    Toen Xiaogu op de basisschool kwam, gaf Su duizenden yuans uit om hem naar een bijlesinstituut te sturen, maar de familie zag weinig verbetering. Su begon haar geduld te verliezen. Ze gaf haar zoon uitbranders vanwege zijn teleurstellende toetsresultaten en bekent dat ze hem sloeg als hij karakters niet goed schreef.

    Xiaogu begreep niet waarom hij zo veel moeite had met iets wat zijn klasgenoten gemakkelijk afging. Zijn afkeer van schoolwerk nam toe. Uiteindelijk gaf hij er helemaal de brui aan en leverde blanco tentamenblaadjes in, hoewel 
hij sommige vragen best had kunnen beantwoorden. Maar voordat Xiaogu naar groep zes ging, kwam er een keerpunt. Een vriendin van Su die maatschappelijk werkster is, opperde dat Xiaogu misschien wel dyslectisch was. Omdat ze nog nooit van de stoornis had gehoord, zocht Su op internet op wat die inhield en liet Xiaogu testen in het Weining-centrum, de eerste ngo op het Chinese vasteland die gespecialiseerd is in dyslexie.

    Mensen met dyslexie hebben problemen met zowel lezen als schrijven. Volgens Tan Lihai, directeur van het Instituut voor Neurowetenschappen in Shenzhen, is de stoornis moeilijker te overwinnen voor kinderen die leren lezen en schrijven in het Chinees, een taal met duizenden karakters. Woorden in alfabetische talen gebruiken een standaardreeks letters en worden net zo geschreven als uitgesproken, maar een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert.

    Sommige karakters lijken hetzelfde maar worden op heel verschillende manieren uitgesproken en gedefinieerd: neem 己 (ji), dat ‘zelf’ betekent, en 已 (yi), dat ‘reeds’ betekent. Om Chinees 
te leren moeten leerlingen de visuele vorm, uitspraak en betekenis van een karakter in hun hoofd stampen.

    Een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert. – © Getty
    Een Chinees karakter bevat weinig of geen informatie over de klank die ermee correspondeert. – © Getty

    Tijdens zijn onderzoek ontdekte Tan dat dyslexie onder Chineessprekenden verband houdt met delen van de hersenen die cruciaal zijn voor visuele perceptie, ruimtelijke relaties en cognitieve vaardigheden – en niet met delen die de conversie van letters in klanken ondersteunen, zoals het geval is bij dyslectische sprekers van alfabetische talen. Het gevolg is dat sommige mensen moeite hebben zich de betekenis van een karakter of zin te herinneren, ook al kunnen ze die herkennen en lezen; sommigen slaan woorden over als ze een zin lezen, anderen halen verschillende onderdelen van een karakter door elkaar en weer anderen schrijven één karakter als twee. Ze doen er vaak veel langer over om taaloefeningen of tentamens te voltooien dan hun klasgenoten – een factor die op de meeste Chinese scholen niet in overweging wordt genomen.

    Toen Xiaogu’s diagnose was gesteld, was Su niet onmiddellijk opgelucht dat ze wist wat er aan de hand was, maar eerder bezorgd over de toekomst die haar zoon wachtte met een beperking die niet door het landelijke onderwijsstelsel wordt erkend. ‘Ik was teleurgesteld toen werd geconstateerd dat hij dyslectisch is,’ zegt Su. ‘Waarom moet dat mijn zoon treffen?’

    Toen gevraagd werd waar de term naar verwijst, dachten sommigen dat het om mensen zonder handen ging. Anderen hadden wel van dyslexie gehoord, maar dachten dat het iets was wat alleen maar voorkwam bij mensen die alfabetische talen gebruiken

    Liang Yueyi, docent op het Weining-centrum, zegt tegen Sixth Tone dat hoewel men zich in de ontwikkelde metropool Shenzhen veel bewuster is van het bestaan van dyslexie dan in de meeste Chinese steden, onderzoek heeft uitgewezen dat meer dan 75 
procent van de inwoners nooit van de stoornis heeft gehoord. Toen gevraagd werd waar de term naar verwijst, dachten sommigen dat het om mensen zonder handen ging. Anderen hadden wel van dyslexie gehoord, maar dachten dat het iets was wat alleen maar voorkwam bij mensen die alfabetische talen gebruiken.

    Decennia lang hebben onderzoekers diezelfde fout gemaakt. In Europa wordt dyslexie al sinds het eind van de negentiende eeuw bestudeerd, maar tot de jaren tachtig van de vorige eeuw dachten deskundigen dat Chineessprekenden er geen last van hadden, en pas in de jaren negentig begonnen Chinese onderzoekers zich ervoor te interesseren.

    De vier genen waarvan wordt aangenomen dat ze dyslexie veroorzaken bij sprekers van alfabetische talen, gelden niet als factoren bij Chinese dyslexie. In plaats daarvan hebben wetenschappers twee andere genen gevonden die ermee in verband kunnen worden gebracht. Maar het Chinese dyslexieonderzoek heeft nog een lange weg te gaan en er is maar weinig financiële steun, zegt Tan.

    De tekens hierboven laten zien hoe dyslectische kinderen Chinese karakters schrijven; ze voegen een lijntje toe of verhaspelen verschillende karakters. – © Sixth Tone
    De tekens hierboven laten zien hoe dyslectische kinderen Chinese karakters schrijven; ze voegen een lijntje toe of verhaspelen verschillende karakters. – © Sixth Tone

    De situatie op het Chinese vasteland 
is anders dan die in Hongkong en Taiwan, waar al wel wetten en regelingen omtrent dyslexie bestaan. Zo wordt in Hongkong de leervaardigheid van leerlingen al in groep 3 getest. Degenen bij wie dyslexie wordt geconstateerd, ontvangen zowel financiële steun als speciale bijstand tijdens het lesprogramma, zoals meer tentamentijd en speciaal opgemaakte tentamenformulieren met grotere karakters. Leerlingen mogen ook computerprogramma’s gebruiken om hun tentamenvragen te kunnen lezen en de hulp inroepen van een aantal particuliere taalklinieken en -organisaties. Sommige leerlingen met dyslexie zijn op topuniversiteiten beland – iets wat voor de meeste ouders van dyslectische kinderen op het vasteland ondenkbaar is.

    Ondertussen is er op het Chinese vasteland geen ondersteunend beleid voor dyslectische kinderen. Ngo’s en sociale toeslagen voor deze leerlingen zijn uiterst schaars, zelfs in welvarende steden met grote onderwijsbudgetten zoals Shanghai. In sommige streken in de provincie Guangdong – in de buurt van Hongkong – is de situatie wat gunstiger, maar zelfs daar zijn er amper tien organisaties die dyslectische kinderen helpen, waarvan de grootste er hooguit een paar honderd bedient.

    Sinds het Weining-centrum in 2010 zijn deuren opende, heeft het geprobeerd het bewustzijn van dyslexie te vergroten en werkt het samen met plaatselijke basisscholen. Wang Lei, de directeur van het centrum, zegt tegen Sixth Tone dat het door het ontbreken van onderwijsbeleid voor dyslectische leerlingen – waaronder een standaardonderzoek om dyslexie vast te stellen – moeilijk is de stoornis door scholen en ouders op het vasteland te laten herkennen. ‘Chinese dyslectici vormen een reusachtige groep die hulp nodig heeft, maar ze zijn onzichtbaar omdat ze in het dagelijks leven normaal lijken,’ zegt Wang. Het aanvragen van meer tentamentijd of speciaal opgemaakte tentamenformulieren zoals in Hongkong zou alleen mogelijk zijn met gericht beleid van de plaatselijk onderwijsafdeling.

    Ook zijn er ouders die sceptisch blijven en weigeren te accepteren dat hun kind met een stoornis is behept. ‘Zelfs als er in ons centrum dyslexie bij hun kinderen wordt geconstateerd, kunnen sommige ouders zich niet voorstellen dat het lezen en schrijven van karakters een probleem zou kunnen zijn,’ zegt Wang, om eraan toe te voegen dat hij vaak naar het beleid in Hongkong verwijst om duidelijk te maken dat Chinese dyslexie wel degelijk bestaat.

    Wang hoopt de samenwerking van het centrum met onderzoekers en scholen verder uit te bouwen en gegevens over de kwestie te helpen verzamelen waarmee toekomstige beleidsaanbevelingen kunnen worden gestaafd.

    Deskundigen zijn het erover eens dat het hoog nodig is mensen bewuster te maken van het bestaan van dyslexie en ondersteunend beleid te ontwikkelen voor degenen die met de stoornis zijn behept – niet alleen omdat het de toekomst van miljoenen kinderen betreft, maar ook omdat de ernst van de stoornis kan toenemen naarmate inkt en papier meer vervangen worden door elektronische programma’s.

    Onderzoekers hebben een negatieve correlatie ontdekt tussen de tijd die leerlingen besteden aan het gebruik van elektronica en de snelheid waarmee de lees- en schrijfvaardigheid zich ontwikkelt

    Onderzoekers hebben een negatieve correlatie ontdekt tussen de tijd die leerlingen besteden aan het gebruik van elektronica en de snelheid waarmee de lees- en schrijfvaardigheid zich ontwikkelt. Tans onderzoek heeft ook uitgewezen dat het gebruik van pinyin – het op het vasteland gebruikte Latijnse transcriptiesysteem voor het Chinees – om tekst in te voeren in plaats van karakters met de hand te schrijven een negatieve invloed heeft gehad op de leesvaardigheid van de leerlingen.

    Een jongetje dat lessen volgt op het Weining-centrum vertelt dat hij daar veel gelukkiger is – zijn docent op de basisschool prees hem nooit en moedigde hem nooit aan, zegt hij, maar voer alleen heftig tegen hem uit als hij slecht presteerde. Cao Wenying, wier elfjarige zoon dyslectisch is, zegt dat docenten in de klas van haar zoon de beste leerlingen stelselmatig op pizza trakteerden, wat tot een hoop frustratie leidde bij degenen die het er minder goed van afbrachten.

    Deze behandeling kan volgens Liang een negatieve invloed hebben op het zelfrespect van leerlingen en tot blijvende psychologische problemen leiden. Ze herinnert zich leerlingen 
die zo gefrustreerd waren geraakt dat ze met hun hoofd tegen de muur bonkten. ‘Dat is voor sommige leerlingen een manier om uiting te geven aan negatieve gevoelens, als ze geen begrip en zorg ontvangen van de mensen om wie ze geven,’ zegt ze.

    De grootste omslag voor Cao’s zoon na het volgen van de lessen op het Weining-centrum was niet dat hij beter presteerde, maar dat zijn houding veranderde. Hij was altijd stilletjes in de klas en had maar weinig vrienden. Toen de diagnose eenmaal was gesteld, was hij niet langer ‘de domoor’ en herwon hij zijn zelfvertrouwen. Ook spoort Cao hem niet langer aan om 
uit te blinken in lezen en schrijven, 
en leest ze nu elke avond zijn lievelingsverhalen met hem. ‘Hij is nu veel gelukkiger en spraakzamer dan vroeger,’ zegt ze.

    Toekomst

    Su en haar familie hebben een soortgelijke ervaring. Hoewel ze aanvankelijk geschokt en teleurgesteld was toen bij Xiaogu dyslexie werd geconstateerd, helpt ze hem nu een halfuur per dag om karakters uit zijn hoofd te leren met behulp van een methode die haar door het Weining-centrum is aangereikt. Su heeft de docent van haar zoon er zelfs toe overgehaald het lesprogramma interactiever en boeiender te maken. Ze zegt dat Xiaogu sindsdien veel actiever meedoet in de klas en dat hij nu gemiddeld scoort bij Chinese tentamens.

    Maar de grootste zorg voor ouders van dyslectische leerlingen is de toekomst van hun kinderen. Velen zijn bang dat hun kind niet zal slagen in het uiterst competitieve en tentamengerichte onderwijssysteem. Su, academisch geschoold en nu werkzaam als architect, ging er altijd van uit dat haar zoon ook naar de universiteit zou gaan. Nu verzoent ze zich met een toekomst waarin haar zoon misschien een heel andere weg zal moeten inslaan. ‘Zelfs 
op beroepsopleidingen in Shenzhen 
kom je niet gemakkelijk binnen,’ zegt ze. Xiaogu’s optimistische instelling en vriendelijke houding zouden zijn redding kunnen zijn, hoopt ze.

    ‘We dachten altijd dat toetsresultaten het belangrijkst waren,’ zegt Su. ‘Maar in hoeverre heeft je toekomst eigenlijk baat bij al die goede antwoorden tijdens een toets? De meeste kennis die we vergaren komt uit het echte leven, niet uit boeken. Nu geloof ik dat hij met zijn persoonlijkheid nog ver kan komen.’

    Auteur: Cai Yiwen
    Vertaler: Peter Bergsma

    Openingsbeeld: © Getty

    Uitgelichte bron

    Sixth Tone
    China | sixthtone.com

    Een typisch Chinese uitvinding wordt het genoemd, deze mediastart-up onder toezicht van de Partij. Met een aantrekkelijke, gelikt vormgegeven website wil het Engelstalige platform Sixth Tone een westers lezerspubliek interesseren voor Chinese kwesties. Want, zo heerst het officiële standpunt, China wordt in de media onterecht te negatief afgeschilderd. Sixth Tone heeft daar het antwoord op gevonden. Maar zoals alle publicaties is ook deze onderworpen aan strikte censuur. Hoe het redacteuren dan toch lukt om westerse lezers naar hun verhalen te lokken, komt volgens de hoofdredactie doordat zij het nieuws ‘vermenselijken’ en de ‘frisse’ kant van China laten zien.

  • De tegenwoordige tijd

    De tegenwoordige tijd

    De Britse, gelauwerde schrijfster Hilary Mantel stond ooit voor een overvolle klas in Botswana. Ze hield er een jaar later weer mee op. De tegenwoordige tijd was daar letterlijk en figuurlijk ver te zoeken. Tebogo, Susannah en Iqbal, vergeet ze nooit. Of nooit vergat ze ze?

    ‘Vandaag gaan we iets léúks doen,’ zeg ik.

    Negenentwintig gezichten kijken me ongelovig aan. Nou, denk ik, jullie weten niet half hoe leuk dit is, vergeleken met de saaie kost die nog komt. Volgend jaar is het Cambridge-examen en behandelen we tot gekwordens toe The Mill on the Floss.

    Ik laat mijn blik door het lokaal rondgaan. ‘Vandaag is de vraag: wat zijn de ingrediënten van een goed verhaal? Iemand een idee?’

    Als dit een ander land was geweest, en ik een ander mens, een wat minder onfortuinlijke leerkracht, dan werden er nu dingen geroepen als: ‘Spanning. Personages met wie je meeleeft. Een vlot tempo. Weinig beschrijving. Een vleugje humor. Scherpe dialogen. Een verrassend slot.’ Maar ik ben nu eenmaal hier 
en mezelf, en niemand doet z’n mond open.

    ‘Juist,’ zeg ik. ‘Zullen we…’

    ‘… er vijf minuten over nadenken?’ oppert Moses.

    Hij kent het klappen van de zweep. Zijn glimlach 
is misschien wat lusteloos, maar dat is de mijne evengoed. Dit is klas 4B. Achttien jaar, gemiddeld. 
Aan open vragen zijn ze niet gewend. Geen wonder dat ze op hun hoede zijn. Vanaf hun eerste schooldag hebben ze dictees gekregen, die ze over moesten schrijven van het bord. Zo hebben ze hun junior-certificaat gehaald, naar ieders tevredenheid. Nooit heeft iemand ze om hun mening gevraagd, permissie gegeven om iets te zeggen, of de moeite genomen om naar ze te luisteren.

    ‘Schrijf maar gewoon op in je werkschrift,’ zeg ik. ‘Alles wat er in je opkomt.’

    Tebogo steekt haar vinger op. ‘Hele zinnen, madam?’

    ‘Nee hoor, dat is niet nodig.’

    Het hele lokaal galmt terwijl 4B zich gereedmaakt om te gaan schrijven. De stoelpoten zijn van metaal, de vloer van gepolijst cement, dus elke beweging veroorzaakt een hemeltergend gesnerp. Elk rollend potlood stuitert en klettert, elk kuchje davert als een kanonsalvo, en daarnaast klinkt er een constant gebrom, een laag geroezemoes. Wat ik voor ‘stilte’ laat doorgaan, is alleen maar een tandje zachter dan dit. Met krassende stoelen en luid gekreun duiken de leerlingen in hun tas om hun gum op te diepen. Ze kunnen niet zonder, want ze weten niet anders dan dat fouten worden bestraft. Hup, daar gaan de donkere koppies omlaag. En hup, daar komen ze weer naar boven, zuchtend en steunend. Madam, ik heb mijn gum niet bij me! Mijn liniaal is gestolen! Ik ben beroofd! Die van 4C zitten de hele tijd in mijn tas! Overal dievengespuis! Madam, zo kan ik toch niet schrijven?

    Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters
    Khabazela High School in eMbo, Zuid-Afrika. – © Rogan Ward / Reuters

    Susannah heeft haar breispullen tevoorschijn gehaald en begint behendig steken op te zetten. In het begin zei ik daar wat van. Ik vond het oneerbiedig tegenover de literatuur die we behandelden. Maar ze legde rustig uit dat ze die mutsen breide om haar schoolgeld te betalen. ‘Anders moet ik mijn lichaam verkopen.’ Vandaag maakt ze een gestreepte muts. Ze houdt de wol ter goedkeuring voor me omhoog. Joel geeft Iqbal een stomp; ik zie het vanuit mijn ooghoek gebeuren. Van schrik laat Iqbal zijn schrift los. Het valt met een plof op de grond, glijdt drie rijen naar voren en blijft liggen onder de stoel van Tebogo. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘zou jij…’

    Ze reageert met een meesmuilend lachje – dat duidelijk nee betekent – en een zacht geknor. Nu grijp ik snel in. Breien wil ik nog wel door de vingers zien, maar we hebben maar één moslimleerling en die is overgevoelig voor varkensgrappen. Toch heeft niemand hem ooit voor een varken uitgemaakt, tot ik op een dag begon over de ergste dingen die je tegen mensen kan zeggen, en de betekenis van het gezegde ‘schelden doet geen zeer’.

    Tebogo heeft het schrift buiten haar bereik geschopt, dus kniel ik zelf neer op het roodbruine cement en haal ik het tussen de wirwar van poten en benen vandaan. Voordat ik weer overeind kom, zie ik Tebogo’s scheenbenen. De vlekkerige bruine huid is bezaaid met lichte, ronde littekens zo groot als een sixpence.

    ‘Hier heb je je schrift, Iqbal. Ga maar weer zitten.’

    Met een bozig gezicht pakt hij het schrift aan. ‘Het 
is helemaal vies geworden.’

    ‘Een beetje maar.’ Ik neem het terug. ‘Ik veeg het wel even schoon.’

    ‘Madam,’ fluistert hij, ‘dat is zonde van uw jumper.’

    ‘Geeft niks,’ fluister ik terug. Ik geef hem een schouderklopje. Ik ben erg op hem gesteld. Op de hele klas trouwens. Dat weten ze best. ‘En nu stil zijn,’ zeg ik. ‘Concentreren.’ Ze buigen zich over hun schriften. 
Ik hoor een zacht gekras als Tebogo aan het droge scheenbeen krabt waar ik net bij geknield zat. Eunice snuit haar neus in een velletje wc-papier. Uit de richting van de rectorskamer klinkt gejammer, wat van alles en nog wat kan betekenen.

    Er zijn van die zeldzame momenten dat er een weldadige kalmte heerst en je, heel even, de kans krijgt om te luisteren: naar de stad in de verte waar alles z’n gang gaat, naar het al even verre verkeer, naar het gebulder van een vliegtuig dat op de landingsbaan neerploft, naar de trein uit de Kaap die nog een uur rijden van ons verwijderd is. Een moment om te luisteren naar de innerlijke muziek van het lichaam dat zich heimelijk op de lunch verheugt, naar het zachte gezucht van mijn sandalen als ik langs de rijen loop, naar het kloppen van mijn eigen hart. De kinderen ademen hoorbaar, alsof ze iets zwaars torsen. Ze tekenen rondjes in hun schriften.

    Onorthodox

    Ik wacht rustig af. Ik heb de tijd. De schoolleiding 
is niet al te streng. Ik hoef me niet aan een leerplan te houden, zolang er maar vorderingen worden gemaakt. Ik weet dat de kinderen het makkelijker vinden om dictees te maken, om zinnen over te schrijven van het bord. Maar ik probeer iets meer uit de lessen te halen. Ik wil dat ze meedoen. Dat ze brutaler worden als ze uit hun schulp kruipen, neem ik op de koop toe.

    Dat vind ik juist een goed teken. De klaslokalen – en hier zou ik eigenlijk naar de verleden tijd moeten overschakelen, maar heb alsjeblieft nog even geduld – de klaslokalen, zoals ik het nu weer voor me zie, komen allemaal uit op een stoffig binnenplein, dat de Plaats wordt genoemd. Het is een kostschool, met een verzorgingsgebied van honderden kilometers steppen en struiken. De tegenwoordige tijd is hier nog niet doorgedrongen; we gebruiken ouderwetse woorden, en bovendien is het dertig jaar geleden, en zo ging het er toen aan toe. De lokalen waren donker, en dat zijn ze vast nog, met de luiken dicht tegen de hitte. Die hitte is onveranderlijk: zelfs ’s winters wordt de toegang tot het lokaal geblokkeerd door een reep zon die zo massief is als een koperen deur. De achterste banken staan in een zwarte schaduw. In het midden van het lokaal valt licht naar binnen, tussen de jaloezieën door, dat zich in keurig afgemeten strepen over de zwoegende lichamen plooit. De meisjes dragen witte bloesjes. De jongens een grijs overhemd. De stoersten hebben hun kraag van achteren omhoog geslagen, naar de heersende townshipmode. Volgens het hoofd Engels krijg ik nog spijt van mijn onorthodoxe aanpak, als ik een jaar verder ben. Misschien heeft hij gelijk. Hij heeft veel ervaring, en dat kan ik van mezelf niet zeggen. Maar ik vind dat ik het risico gewoon moet nemen. Drie trimesters lang staan voor mij de kinderen voorop. Ik blijf erbij dat ze zelf moeten leren nadenken – tot volgend jaar tenminste, want dan laat ik ze nadenken over The Mill on the Floss.

    Sipho maakt een eind aan de rust. Hij gooit zijn armen in de lucht. ‘Aiii, ik heb niks om te schrijven.’
    ‘Niks om te schrijven, of niks om méé te schrijven?’

    ‘Ik leen de potlood wel van Moses.’

    ‘Het potlood…’ begin ik.

    Sipho kijkt me schalks aan. Hij neemt me in de maling. Ik lach naar hem. We maken graag grappen over de fouten van de lagere klassen. Ik loop gisteren naar het dorp. Ik was me vanochtend met water. Ik doe alles in de tegenwoordige tijd, tot de juf er wat van zegt.

    De vijf minuten zijn om. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘je hebt niet veel opgeschreven.’

    ‘Nee.’ Ze is een meisje dat het anderen graag naar 
de zin maakt – behalve Iqbal dan. Nu kijkt ze me paniekerig aan. ‘Wat de bedoeling is, madam?’

    ‘Woordvolgorde,’ zeg ik vermanend.

    Tebogo knippert met haar ogen. Ze formuleert haar zin opnieuw. Nu is de paniek geweken. Ze lacht naar me.

    ‘Geeft niks, hoor,’ zeg ik. ‘Ik wilde gewoon weten wat er spontaan in jullie opkwam.’

    ‘Niks dus,’ zegt Moses.

    Eunice zegt: ‘Het probleem is: we weten pas of een verhaal goed is als we het horen.’

    ‘Maar ik wil jullie over allerlei soorten verhalen laten nadenken. Goede en slechte, spannende en saaie.’

    Verhalen zijn belangrijk

    Terwijl ik dat zeg, realiseer me hoe weinig verhalen ze kennen. Er is geen televisie in deze regio. Bioscopen zijn er evenmin, aan deze kant van de grens. Op zondagavond vertonen expats thuis films op strakgespannen beddenlakens. Op school wordt aan het eind van het trimester een gehuurde projector naar de eetzaal gezeuld en krijgen we een film voorgeschoteld. De leerlingen van de Christian Union lopen dan demonstratief weg, want zij hebben bezwaar tegen ‘de Bios’, zoals ze het noemen. De rest blijft stilletjes kijken, en sommigen sukkelen in slaap, nu er eens niet tegen ze geschreeuwd wordt. In het halfdonker flikkert het wit van de ogen op, maar algauw dwalen de blikken weg van de bekraste beelden die over het doek springen. Het is alsof er een bioscoop in hun hoofd zit, een inwendige film die een stuk interessanter is dan de gangsters, de showmeisjes of de cowboys die in een stofwolk naar de horizon rijden. Stof kennen we hier maar al te goed, en de rest zegt toch niemand iets. Als de filmrollen in de verkeerde volgorde worden afgedraaid, of als de Zuid-Afrikaanse filmkeuring het eind eraf heeft geknipt, vindt niemand dat een probleem. Het is al mooi genoeg dat er dingen gebeuren, een plot is verder niet nodig. Het soort verhalen dat mijn leerlingen hun leven lang hebben gehoord, gaan over dieren die elkaar – of soms een kind of een simpele ziel – een streek leveren. Die streken zijn nooit erg slim. En de verhalen zijn ook nooit grappig. De volgorde van de gebeurtenissen lijkt volstrekt willekeurig. Als er al een moraal is, is dat steevast een waarschuwing. Verdoe je tijd niet door tegen dieren te praten. En doe je het toch, dan niet tegen een dier dat iets terugzegt.

    Maar nu heb ik ze iets te vertellen, iets waar ik stellig van overtuigd ben. ‘Verhalen zijn belangrijk,’ zeg ik. ‘Je kunt er veel plezier aan beleven, of erdoor aan het denken worden gezet. Sommige verhalen zijn gewoon alleen maar leuk. Amusant. Het ene verhaal is leuker dan het andere. Hoe komt dat? Soms zijn verhalen niet bedoeld om te amuseren, maar om te verleiden. Zoals de verhalen van politici. De kandidaten spelden je allemaal maar wat op de mouw, om te zorgen dat je op ze stemt.’

    Het vorige trimester hebben we het over verkiezingen gehad. We hebben het vocabulaire behandeld: stembiljet, peiling. Zodra de leerlingen mogen stemmen, stemmen ze op de regeringspartij. Omdat die de grootste stam vertegenwoordigt. En omdat, zo heeft John Khumalo me uitgelegd, de president daar de leider van is. Het is logisch dat je op die partij stemt, want de president is de belangrijkste man. 
En je stemt niet op de andere kandidaten, want die zijn minder belangrijk, dus daar heb je weinig van 
te verwachten. Nu maakt hij, met bedeesde stem, zijn punt nogmaals duidelijk. ‘Je stemt niet de president omdat hij het mooiste verhaal houdt, madam. 
Je stemt op hem omdat hij het mooiste huis heeft.’

    Nu doet ook Moses z’n mond open. ‘Politiek hebben we al gehad,’ zegt hij tegen John Khumalo. ‘We doen nu verhaal. Mag ik iets grappigs vertellen, madam?’

    Dit gaat de goede kant op, stel ik tevreden vast. ‘Een verhaal kan heel grappig zijn. Maar dat hoeft niet, natuurlijk.’

    ‘Moses is ook heel grappig,’ zegt Sipho. ‘Maar hij is geen verhaal.’

    Ik begin enthousiast te worden. Bijna zeg ik: ja, precies. Maar ik hou me in en lach naar Moses, omdat 
ik hem niet wil afvallen. ‘Ons leven is een verhaal,’ zeg ik. ‘We moeten ons leven proberen te begrijpen.’

    Tebogo steekt haar vinger op. ‘Zal ik “De krokodil en de kraai” vertellen?’

    Aha, denk ik, ‘De krokodil en de kraai’. Dat heb ik niet eerder gehoord. Al heb ik wel een idee hoe het zou kunnen gaan.

    ‘Dat kent madam helemaal niet,’ zegt John Bothole.

    Tebogo is van haar stuk gebracht. ‘Hoezo kent ze dat niet? Ze is heus niet dom, hoor.’

    Susannah kijkt op van haar breiwerk. ‘Kraai is slim.’

    ‘Maar krokodil doet bijten.’ John Bothole is niet zo ver als de rest van de klas. Maar als hij zijn best doet, kan hij zijn achterstand op tijd inlopen voor het examen.

    ‘Schrijf die fabel vanmiddag maar in het studie-uur,’ zeg ik.

    ‘Je bent een nitwit, Tebogo,’ zegt Joel. ‘Zie je nou wel dat madam het niet kent. Anders hoefden we het niet op te schrijven. Hoe kan ze nou weten of ze het wil horen als ze het niet eens kent?’

    ‘Pooeeheee,’ zegt Tebogo. Ze blaast haar wangen leeg, diep beledigd. Geërgerd schraapt ze haar stoel over de vloer.

    ‘Ze is in haar wiek geschoten,’ lacht Sipho.

    Soms gebruiken ze de raarste uitdrukkingen. Uit schoolboeken van hun grootouders, als die ze hadden. In haar wiek geschoten. Eerlijk duurt het langst. Met voorbedachten rade.

    ‘Luister,’ zeg ik. ‘Ik zal zelf een verhaal vertellen, dat is misschien het beste. Een verhaal als voorbeeld. En dan kunnen we er met z’n allen over praten.’ Ik denk even na. ‘Stel, drie vrienden zitten bij elkaar. Het is avond, en ze besluiten om uit te gaan. Naar het café.’

    Susannah steekt haar vinger op. ‘Zijn het alle drie mannen?’

    ‘Ja, het zijn alle drie mannen.’

    Susannah leunt gerustgesteld achterover. Als er vrouwen in het café zouden zijn, ging het verhaal over prostitutie.

    ‘De drie vrienden hebben het heel gezellig,’ zeg ik. 
‘Ze komen geen bekenden tegen. Ze drinken twee biertjes, en dan zegt er een: “Het is al laat.” En dus gaan ze naar huis.’

    Ik hou even m’n mond. ‘Dit verhaal is maar saai,’ 
zeg ik ten slotte.

    Ze glimlachen geduldig. Alsof ze het spannend genoeg vinden. Tebogo vraagt: ‘Hoe heten die drie vrienden eigenlijk?’

    ‘Daar heb ik niet over nagedacht. Het doet er eigenlijk niet toe.’

    Ze kijken teleurgesteld.

    ‘Maar we kunnen ze best namen geven hoor,’ zeg ik. ‘Moses. Sipho.’

    ‘O, zijn ze zwart?’ vraagt Agnes bedeesd. ‘Dat wisten we niet.’

    Ik kijk haar vriendelijk aan. Agnes neemt niet vaak het woord. ‘Zie je ze voor je?’ vraag ik. ‘Bijvoorbeeld wat voor kleren ze aanhebben?’

    ‘Jawel, madam.’ Agnes slaat haar ogen neer.

    ‘U moet nog een derde naam noemen,’ zegt Joel.

    Ik aarzel even. ‘Laten we die dan maar John Khumalo noemen.’ Ik weet dat ze geen van drieën lid zijn van de Christian Union. Je hoeft maar een verkeerde naam te noemen of ze lopen de klas uit als ik ze naar een café laat gaan, zelfs al is het een denkbeeldig café.

    ‘Nu ga ik het verhaal wat mooier maken,’ zeg ik dan. ‘Door het een beetje te veranderen. Luister. De drie jongens zitten in het café, en op een gegeven moment zegt er een: “Hé, daar loopt een oude vriend van me. Even vragen hoe het met hem is.” En weg is hij. Als hij terugkomt…’

    ‘Woordvolgorde!’ zegt Tebogo. De klas schiet in de lach. ‘Weg is hij?’

    ‘Jazeker,’ zeg ik, ‘dat is heel gewoon als we een verhaal vertellen. Dat heet inversie. Dan draai je de woorden om.’

    ‘Waarom?’

    ‘Voor het ritme. En de nadruk. De verteller hoeft zich niet aan de regels te houden. Want haar rol is heel bijzonder.’ Weer aarzel ik, nu over mijn woordkeus. Voor je het weet ontstaat er een misverstand. ‘Haar rol. Niet haarrol.’ Ik schrijf de woorden op het bord. ‘Haar taak, bedoel ik. Daarom mag je de dingen omdraaien, en bijvoorbeeld ook de tegenwoordige tijd gebruiken. Want dan is het net alsof we erbij zijn, bij de mensen uit het verhaal.’

    ‘Wij zijn ook in dat café?’ Susannah klinkt ietwat geschrokken.

    ‘Als de verteller aan het woord is, ziet ze het verhaal voor zich, alsof het zich hier en nu afspeelt. En het is de bedoeling dat de luisteraar het zich ook voorstelt.’

    Moses kijkt ongerust. ‘Wie is de luisteraar?’

    ‘Jij.’ Ik glimlach. ‘Jij bent de luisteraar.’

    ‘God is de luisteraar,’ zegt Joel.

    Er klinkt instemmend gemompel.

    En het getik van Susannahs naalden. ‘Christus is onze Verlosser. God zij geloofd.’

    ‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel

    Ik zou het liefst de borstel naar haar hoofd gooien, maar ik beheers me. Als je hier een jaar bent, hou je 
je niet langer in, zo is me verteld.

    ‘Terug naar het 
verhaal. We maken het nog een beetje mooier. John Khumalo ziet zijn oude vriend. Hij gaat achter hem aan. Hij loopt het café uit. Tien minuten later komt hij terug. Met zijn hoofd verkeerd om.’

    ‘Aiiii,’ zeggen de luisteraars.

    ‘Zijn hoofd staat achterstevoren op zijn schouders. Hij kijkt naar zijn vrienden als hij op ze af loopt, maar zijn voeten wijzen naar de deur waardoor hij 
is binnengekomen.’

    ‘Wat erg!’ Susannah wuift zich koelte toe met haar breiwerk, twee centimeter lila met bruin.

    Tebogo gebruikt haar schrift als waaier. ‘Dit gaat te ver.’

    ‘Maar het verhaal is er wel beter op geworden,’ zeg ik. ‘Wat zullen zijn vrienden zeggen als ze hem zien?’

    ‘Aiiii,’ oppert John Bothole.

    ‘Ze schrikken zich een hoedje,’ zegt Tebogo. ‘Ze willen weten wat er gebeurd is.’

    ‘En wat zegt hij dan, denken jullie?’

    Nu mengt ook Elijah zich in het gesprek. Hij is een trotse jongen met een scherp verstand. ‘Kan zoiets echt?’

    ‘In een verhaal wel, hoor.’

    ‘Misschien,’ zegt Sipho, ‘speelt het zich af in een ver land, of in een ver geleden.’

    ‘Dat kan niet,’ werpt Elijah tegen met een bedenkelijke blik, ‘want jij komt erin voor, Sipho. En jij bent tegenwoordige tijd.’

    Ik heb geen idee waar ik hem zo ineens vandaan 
heb gehaald, deze stripfiguur met zijn omgedraaide hoofd. Hij is net zo komisch en wonderlijk als een reus uit een kinderboek. Zijn blote voeten zijn even lang als zijn kuiten, met dikke tenen die wriemelen onder het lopen. Hij heeft een grijns van oor tot oor, en een gebit als een rij hoekige grafzerken. Ik moet er zelf vanbinnen om lachen. ‘Is dit grappig?’ vraag ik. ‘Wat vinden jullie?’

    Op dit punt van de les wil ik geen lange stilte laten vallen. ‘Wacht, ik kan het nog mooier maken,’ zeg 
ik. ‘Soms laten we een verhaal op een onverwachte manier aflopen. We zetten de lezer expres op het verkeerde been. Die denkt dat het de ene kant op gaat, maar eigenlijk gaat het precies de andere kant op. Zo zorgen we dat het einde verrassend is.’

    ‘Het is nu toch al verrassend?’ zegt Sipho. ‘Ik vind het verrassend genoeg. Het is gewoon tegennatuurlijk.’

    Ik schiet in de lach. ‘Dat is het ook. Maar toch kunnen we er nog een extra wending aan geven. Stel je voor: hij loopt het café uit, blijft tien minuten weg, komt terug, loopt naar zijn vrienden toe, met zijn hoofd achterstevoren, en die roepen allebei: “John! Wat is er met je hoofd gebeurd?” En dan zegt John: “Hoezo? Waarom kijken jullie me zo aan? Zijn jullie soms gek geworden? Er is niks met mijn hoofd gebeurd.”’

    Nu vind ik het echt een goed verhaal worden. Ik kijk op mijn horloge. Door de vele vragen – die ik vanzelfsprekend alleen maar aanmoedig – zijn we altijd meer tijd kwijt dan mijn bedoeling is. Daardoor heb ik aan het eind van de les nog maar een paar minuten om tot de kern te komen.

    Robinah steekt haar vinger op. Ze is een fors, moederlijk meisje, dat meestal alleen iets zegt als je haar rechtstreeks aanspreekt. Ze heeft ons het hele trimester lang met welwillende afstandelijkheid gevolgd. ‘Madam, deze John, John Khumalo. Heeft hij zelf niet gemerkt dat er iets met hem gebeurd is?’

    ‘Kennelijk niet.’

    ‘Heeft hij geen pijn?’

    ‘Nee,’ zeg ik.

    Ik geef verder geen tekst en uitleg. Er trekt een golf van rumoer en consternatie door de klas, maar die negeer ik. Ik wil zien waar dit heen gaat.

    ‘Dan heeft Sipho gelijk. Dit is tegennatuurlijk.’

    ‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel. De les is voorbij.

    Hamlet

    Als ik de volgende dag naar de klas kom, staat Shakespeare op het programma. We hebben besproken waarom Desdemona op Othello valt, hoe het allemaal begint. Dit is voor iedereen een heikel thema; over de grens in Zuid-Afrika, zo is me duidelijk gemaakt, zou Othello door zijn gedrag een proces aan z’n broek krijgen. Het hoofd Engels zegt: ‘Kop op, we hebben het allemaal moeten doen. We hebben de lesstof nu eenmaal niet voor het kiezen. Die ouwe Bullock hebben ze hoorndol gemaakt toen hij Hamlet behandelde. Dat trok die beste man niet. Daarom is hij vertrokken en hebben we jou nu.’

    Ik leg mijn stapel schriften neer. Susannah graait 
in haar tas en haalt er een stel naakte naalden uit; 
de bruin-met-lila muts is blijkbaar af. ‘Jullie hebben goed je best gedaan,’ zeg ik. Ik kijk om me heen. ‘Weet iemand waar John Khumalo is?’

    Niemand geeft antwoord. In het geroezemoes klinkt een zweem van afkeuring door. Susannah haalt een streng bloedrode wol uit haar zak. Ze trekt het eindje los met haar tanden en begint de draad om haar hand te winden. Dan zegt ze: ‘John ligt in het ziekenhuis, madam.’

    ‘Ach jeetje,’ zeg ik bedaard. Dat gebeurt wel vaker. Soms willen de kinderen er gewoon even tussenuit. Dan ontdek ik hier en daar nog meer lege plekken, 
al is het me niet meteen duidelijk wie er ontbreken.

    ‘Zijn ouders zijn gekomen.’ Joel klinkt treurig. ‘Om hem op te halen.’

    ‘Waarom?’ Ik denk: Het zal toch niet vanwege achterstallig schoolgeld zijn? Zo vlak voor het eind van het trimester?

    ‘Ze kwamen met een vrachtwagen,’ zegt Joel. ‘Hij kan niet lopen.’

    ‘Niet lopen? Wat is er dan gebeurd?’

    Robinah schraapt haar keel. ‘John schreeuwde het uit, zo’n pijn als het heeft gedaan. In tien minuten lukte het ze niet. Maar uiteindelijk is het ze toch gelukt.’ Haar grammatica is bijna vlekkeloos, stel ik vast. Maar dan gaat ze alsnog de fout in. ‘John gilt en smeekt,’ zegt ze. ‘Hij merkt het echt wel hoor, dat ze aan hem draaien.’

    Agnes zegt: ‘Tebogo had gelijk. Alleen heksen kunnen zorgen dat hij niet schreeuwt. Maar als we vorig jaar Macbeth lezen, hebben we niet goed genoeg opgelet.’ Ze knikt en zucht. ‘Ons leven is een verhaal,’ zegt ze dan.

    Auteur: Hilary Mantel
    Vertaler: Cecilia Tabak

    Hilary Mantel is een Britse auteur van korte verhalen, memoires, essays en romans. Ze won twee keer de Man Booker Prize gewonnen, in 2009 voor de roman Wolf Hall, in 2012 voor Bring Up the Bodies. Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator en recensent voor verschillende media in Groot-Brittannië en de VS. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.

    London Review of Books
    Verenigd Koninkrijk | oplage 45.905
    Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.

  • Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Worden Amerikaanse scholieren overbelast?

    Onder druk van hun ouders moeten scholieren in de VS steeds harder werken, zo stellen onderzoekers. Dat leidt tot angsten, slaapgebrek en zelfs het gebruik van pepmiddelen. Gaan Amerikaanse ouders te ver?

    Frank Bruni: Ja

    Bij het lezen van het zojuist verschenen boek Overloaded and Underprepared kreeg ik soms medelijden met Amerikaanse middelbare scholieren. De meest ambitieuze onder hen doen er alles aan om maar beter te zijn dan de rest. Sommige gebruiken pepmiddelen als Aldenall. Anderen spieken. Maar het meest aangrijpende was wel wat ik las over slaap. Zolang je nog niet volwassen bent moet je goed slapen. Anders ga je er geestelijk aan onderdoor. Maar veel tieners zijn tegenwoordig zo opgefokt en gestrest dat ze bij lange na niet genoeg uitrusten. In het boek komt een middelbare school in Silicon Valley voor die slaapexperts van buitenaf inhuurde, een soort slaapcurriculum opstelde en leerlingen opleidde tot ‘slaapambassadeurs’. Allemaal om maar een oog dicht te kunnen doen. Slaapambassadeurs? Zelf ging ik in de tachtiger jaren naar de middelbare school, in een omgeving die destijds als veeleisend gold. Het enige slaapprobleem waar ik en mijn medeleerlingen mee kampten was dat we ons versliepen, waardoor we te laat op school kwamen. Nu is het andersom: het probleem is niet meer hoe je tieners hun bed uit krijgt, maar hoe je ze kunt laten pitten. Dat geeft aan hoe – onder een ambitieus en bevoorrecht deel van de Amerikanen tenminste – opgroeien is verworden tot een exact uitgestippelde, op status gefixeerde en soms ronduit geestdodende race. Het boek, geschreven door Denise Pope, Maureen Brown en Sarah Miles, kijkt naar de hoeveelheid huiswerk, de opbouw van een schooldag en nog veel meer. Het is het laatste in een reeks boeken die vraagtekens zetten bij de overdreven bemoeizucht van ouders, het teveel aan bijlessen, de al te intensieve voorbereiding op gestandaardiseerde tests en dergelijke uitwassen. Een overkoepelend thema van het genre is: ‘genoeg is genoeg’. Volgens Denise Pope, professor pedagogiek aan Stanford University, komt er een moment dat je moet zeggen: nee, dit wordt te gek. De waanzin beperkt zich niet tot een gebrek aan slaap, maar dit thema illustreert wel perfect de trend dat er bij het opgroeien steeds minder plek is voor spontaneïteit en speelsheid, omdat alles moet wijken voor ‘de druk van 
de perfectie’. Een recent artikel in The New York Times beschreef zes zelfmoorden in dertien maanden op de 
Universiteit van Pennsylvania, de angstigheid en depressies die heersen op college-campussen en het onvermogen van veel uitblinkers om ook maar de kleinste tegenslag te verwerken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben deze studenten gewoon behoefte aan slaap. In een recent onderzoek van het Amerikaanse tijdschrift Pediatrics gaf 55 procent van de Amerikaanse tieners van tussen de 14 en 17 jaar aan minder dan zeven uur per nacht te slapen, terwijl de National Sleep Foundation hun wel acht tot tien uur aanraadt.

    Frank Bruni is opinieredacteur van The New York Times. Hiervoor werkte hij als restaurantcriticus voor dezelfde krant. Hij schreef boeken over de liefde van zijn familie voor eten en over George W. Bush.

    Robert Pondiscio: Nee

    Over het onderwijs wordt eindeloos gediscussieerd: over de hoeveelheid huiswerk, wiskundeonderwijs, straf op school en nog een aantal hete hangijzers. Zo nu en dan laaien deze discussies op en bedaren dan weer, zonder dat ze ooit afgesloten of beslist worden. Een van die eeuwige twistpunten is opeens terug van weggeweest: de mythe van het overbelaste kind. Opgetogen begroette _New York Times_–columnist Frank Bruni het verschijnen van een golf aan nieuwe boektitels over het onderwerp, met als overkoepelend thema: ‘genoeg is genoeg’. Hij beweert dat de Amerikaanse jeugd in een snelkookpan van overbelasting en stress moet opgroeien, 
al is daar in onderzoeksresultaten weinig van terug te zien. In 2006 bijvoorbeeld gingen psycholoog Joseph Mahoney en zijn collega’s na hoeveel tijd kinderen precies aan sportwedstrijden en -trainingen, religieuze activiteiten, vrijwilligerswerk, naschoolse activiteiten en andere verplichtingen besteden. Gemiddeld was het vijf uur per week. Zo’n veertig procent van de tieners deed doordeweeks helemaal niet mee aan georganiseerde activiteiten. Waar zijn die overbelaste uitblinkertjes eigenlijk? Niet meer dan zes procent van de Amerikaanse tieners neemt wekelijks twintig uur of meer deel aan buitenschoolse activiteiten, en zelfs deze overdrijvers blijken uiteindelijk beter af te zijn dan degenen die er helemaal niet aan doen. ‘De bewering dat buitenschoolse programma’s te zwaar zouden zijn, is overdreven,’ aldus professor Mahoney. ‘Relatief weinig jongeren hebben te veel naschoolse verplichtingen en zelfs zij doen het in alle stadia van hun jeugd op allerlei vlakken beter dan jongeren die helemaal nergens aan meedoen,’ benadrukt hij. Toen ze in 2012 opnieuw gingen kijken, bleek dat bij hen de gunstige effecten van extra–
curriculaire activiteiten ook als jongvolwassen nog merkbaar waren. ‘Ze hadden minder last van spanningen, hun studieresultaten waren beter en ze waren maatschappelijk meer betrokken.’ Er bestaat een wijde kloof tussen het 
beeld van de overbelaste Amerikaanse tiener in de media 
en de werkelijke situatie. Bruni geeft zelf al aan dat de overbelasting vooral een probleem vormt voor ‘een ambitieus 
en bevoorrecht deel van de Amerikanen’. Ik geloof graag dat in veel gezinnen kinderen inderdaad onder grote druk staan om te presteren en veel te bereiken. Maar veel zorgelijker zijn de vele Amerikaanse kinderen die veel te weinig worden uitgedaagd, niet over lesmateriaal van academisch niveau beschikken en nauwelijks kansen of mogelijkheden hebben om aan buitenschoolse activiteiten mee te doen. Het zou jammer zijn als de zorgen omtrent een kleine bevoorrechte groep – hoe gegrond ook – zonder meer worden betrokken op de rest. Onderzoeksresultaten spreken duidelijke taal: de meeste kinderen hebben behoefte aan meer verdieping en uitdaging, niet aan minder.

    Robert Pondiscio is voormalig journalist en onderwijsspecialist. Hij adviseert scholen in de New Yorkse wijk Harlem en schrijft regelmatig opiniestukken voor o.a. The Wall Street Journal en The Atlantic.