Een Egyptisch oorlogsschip heeft vorige week voor de tweede keer een grote hoeveelheid wapens geleverd aan Somalië, waaronder luchtafweergeschut en artillerie, aldus functionarissen. Een stap ‘die waarschijnlijk de wrijving tussen de twee landen en Ethiopië verder zal aanwakkeren’, schrijft Al Jazeera.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De banden tussen Egypte en Somalië zijn dit jaar gegroeid ‘door hun gedeelde wantrouwen jegens Ethiopië’, wat Caïro ertoe aanzette om verschillende vliegtuigladingen wapens naar Mogadishu, de hoofdstad van Somalië, te sturen nadat de landen in augustus een gezamenlijk veiligheidspact hadden ondertekend.
In januari 2024 protesteerde Somalië hevig tegen een overeenkomst tussen Ethiopië en Somaliland, een land dat door Somalië als een afvallige regio wordt beschouwd. De overeenkomst betrof de toewijzing van een haven die het door land ingesloten Ethiopië toegang gaf tot de Rode Zee. Somalië vermoedde dat Ethiopië Somaliland erkende in ruil voor een havenenclave in Berbera.
Egypte ligt met Ethiopië overhoop vanwege de bouw en exploitatie van een enorme hydro-elektrische dam, de Renaissance Dam. Dit gigantische bouwwerk zou ervoor zorgen dat Egypte minder water krijgt via de Nijl, die van vitaal belang is voor de Egyptische economie.
In Somaliland, een autonome regio in het uiterste noorden van Somalië, speelden dichters een belangrijke rol in het publieke leven. Ze kwamen van pas bij rechtszaken of werden erbij gehaald om vrede te stichten tussen rivaliserende families. En dat is nog niet alles. Poëten hebben zelfs regeringen omvergeworpen.
Op een donkere februariavond plaatst een jonge Somalische wiskundeleraar een gedicht op zijn Facebookpagina. Volgens de traditie van zijn voorouders, die tot voor kort een orale cultuur in stand hielden, spreekt hij het gedicht hardop uit:
‘Toen ik besefte dat
niemand een put
voor jou heeft gegraven,
er geen redders onderweg zijn
en de leiders die gekozen zijn om het land te dienen
de rijkdommen hebben aangetast…’
Vervolgens uploadt hij de geluidsopname op zijn account.
In Somaliland werden gedichten vaak voorgedragen door mannen als tijdverdrijf op lange karavaantochten, en door vrouwen die matten weefden om hun koepelvormige hutten mee te bedekken. De gedichten hadden een cyclische structuur, als het leven van de nomadische volken zelf. Op hun jaarlijkse migratie namen ze hun dieren en hun poëzie mee.
De gedichten dienden ook een publiek doel: ze kwamen van pas bij rechtszaken of om vrede te stichten tussen rivaliserende families. De kracht die uit de versregels sprak, konden maar weinig andere volken begrijpen. In Somaliland, een autonome regio in het uiterste noorden van Somalië, heeft poëzie oorlogen ontketend, regeringen omvergeworpen en wegen naar vrede gebaand.
De stem van de wiskundeleraar, bij een foto van hem op een winderig strand, vervolgt:
‘toen ik getuige was van
parlementsleden die geacht werden voor het land te werken,
Allah te vrezen
en mee te leven met de kwetsbaren,
mensen die, toen hij ze nodig had,
onder de hete zon bijeenkwamen [om op hem te stemmen];
maar eenmaal zijn doel bereikt
vergat hij hun rechten,
hield zich niet aan zijn belofte
en werd een zakenman
die zijn waardigheid verkocht
en jullie grondstoffen’
Xasan Daahir Ismaaciil schrijft in zijn vrije tijd poëzie onder het pseudoniem Weedhsame. Als hij op die avond in 2017 dit gedicht uitspreekt, weet hij nog niet dat hij daarmee in de eregalerij belandt van dichters die in zijn land als moderne wijzen worden beschouwd. Hij weet niet dat hij een poëziedebat ontketent dat de natie op haar grondvesten zal doen schudden.
‘dit gedicht van bezorgdheid
als een [lied] voor lammeren,
dit gedicht dat zucht,
de verantwoordelijkheid draagt me op om voor te dragen – en de omstandigheid draagt jou op te luisteren.’
Hij heeft meer dan tien minuten nodig om het ruim driehonderd verzen tellende gedicht uit te spreken.
Weedhsame begon als tiener gedichten te schrijven. Zijn eerste poëzie ging over de liefde; later ging hij schrijven over corruptie, belastingen, wanbeheer en vriendjespolitiek. Die ontwikkeling was niet vreemd – in de Somalische samenleving waren poëzie en politiek altijd al met elkaar verweven, en het werd als de taak van een dichter gezien om het onrecht te beschrijven.
En in Somaliland was er veel onrecht. Dat kwam deels van buitenaf: maar weinig landen erkenden het autonome stukje land, wat betekende dat de bevolking grotendeels afgesneden was van de mondiale instellingen. Officieel was Somaliland in 1991 geïsoleerd geraakt, toen het door een burgeroorlog werd afgescheiden van Somalië. Maar in wezen was het een terugkeer naar de grens die Britse en Italiaanse kolonisten eind negentiende eeuw hadden getrokken, toen ze Brits- en Italiaans-Somaliland stichtten.
Na de oorlog werd Somaliland min of meer onafhankelijk; onrecht was er nog steeds, alleen nu minder zichtbaar. Mensen klaagden over corruptie, vriendjespolitiek en onderdrukking. Geld van buitenlandse hulp verdween in de zakken van politici, en strenge religieuze leiders verboden de muziek en het theater waar Somaliland ooit beroemd om was geweest.
Aanvankelijk was er niet zo veel belangstelling voor Weedhsames gedichten over corruptie. Maar jaren later zou een generatie die wanhopig op zoek was naar iemand die hun waarheid sprak, ze uit het hoofd leren.
Poëziedebat
Niemand weet wanneer het eerste poëziedebat in Somaliland gehouden werd. Al generaties lang is poëzie verweven met elk facet van het leven. Dichters kenden de vele poëtische richtlijnen uit het hoofd – je zou er een encyclopedie mee kunnen vullen. Liefdesgedichten kenden hun eigen stijl, evenals de nationalistische verzen die tijdens de onafhankelijkheidsstrijd werden gebruikt. Sommige stijlen werden begeleid door de oed, een snaarinstrument uit het Midden-Oosten; kortere, snellere metrische verzen waren voorbehouden aan vrouwen.
In de jaren vijftig van de negentiende eeuw bezocht de Britse ontdekkingsreiziger Richard Burton de Hoorn van Afrika. Hij keek ervan op dat elke Somalische stamoudste een eigen dichter had die zijn leiderschap prees en de eer van de stam verdedigde. ‘Het is apart dat een dialect zonder schrift zo rijk is aan poëzie en welsprekendheid,’ merkte hij op tijdens zijn verblijf in de regio die nu Somaliland is.
Pas in 1972 werd een geschreven vorm van de Somalische taal gestandaardiseerd
In de loop der jaren probeerde het Somalische volk achttien schriftsystemen uit, maar de geschiedenis en cultuur bleven mondeling doorgegeven worden in liederen, gedichten en toneelstukken. Pas in 1972 werd een geschreven vorm van de Somalische taal gestandaardiseerd.
Meer dan een eeuw lang had Somaliland geleden onder kolonialisme, dictatuur, burgeroorlog en economisch verval. Soms liepen de spanningen zo hoog op dat ze in verzen leken uit te barsten. Terwijl journalisten vaak monddood werden gemaakt, konden dichters hun grieven publiekelijk uiten. Het ene gedicht stak het andere aan.
Keten
Wanneer een debat – dat silsilad, oftewel ‘keten’, werd genoemd – in volle gang was, konden dichters uit alle windstreken hun bijdrage leveren. Ze droegen hun gedichten in het openbaar voor en vertrouwden erop dat de luisteraars die zouden onthouden en doorgeven. Later, met het voortschrijden van de technologie, konden ze hun stem op cassettebandjes opnemen en naar de mensen in de diaspora sturen, die ze vervolgens kopieerden en deelden.
Wanneer Weedhsame zijn gedicht op Facebook zet, is dat al tientallen jaren na het laatste poëziedebat in Somaliland – een debat dat jaren duurde en volgens sommigen de weg vrijmaakte voor de val van de dictatuur.
In 2017 overweegt het parlement van Somaliland de Verenigde Arabische Emiraten toestemming te geven om een militaire basis te bouwen in de havenstad Berbera. Weedhsame is geschokt: de maatregel lijkt zonder debat te worden aangenomen. Is er omkoping in het spel?
Maar toch is hij stomverbaasd als het viraal gaat – hij had geen idee dat duizenden Somaliërs over de hele wereld zijn frustraties deelden
Hij voelt zich gefrustreerd en machteloos, denkt aan de toekomst van zijn kinderen en gaat schrijven. In het gedicht ‘Aanklager’ beschrijft hij een rechtbankdrama waarin hij de regering ter verantwoording roept voor corruptie. Hij beseft dat het gedicht emoties oproept die in andere vormen van protest niet geuit kunnen worden. Maar toch is hij stomverbaasd als het viraal gaat – hij had geen idee dat duizenden Somaliërs over de hele wereld zijn frustraties deelden.
Het aantal views neemt met tienduizenden toe en van Canada tot Abu Dhabi reageren mensen op het bericht. Presidentskandidaten en politieke leiders bellen hem op: om goodwill te kweken, te klagen, en soms om te dreigen of te proberen hem om te kopen.
Zijn vriend in de Verenigde Staten, de dichter Cabdullaahi Xasan Ganey, ziet het gedicht en besluit te reageren. Hij doet zich voor als een getuige in de rechtszaal die Weedhsame heeft bedacht. In een lang gedicht schrijft hij hoe het land door zijn politici is verraden:
‘De onderdrukte persoon zei:
“Hoe bitter de waarheid ook is,
ze is broodnodig:
[jullie] verkopen de vliegvelden,
doen de havens van de hand,
exporteren alle mineralen
of zijn de tussenpersoon;
[jullie] misleiden de jongeren,
verkopen hen aan smokkelaars.
Bij Allah, jullie hebben jezelf in gevaar gebracht;
jullie hebben geen geweten.”’
Een debat moet minstens twee partijen hebben, en al snel neemt een volgende dichter de verdediging van de regering op zich. Hij noemt Weedhsame en Ganey verraders die hun land economische ontwikkeling ontzeggen. Dit schrijft Daaha Cabdi Gaas:
‘In mijn geest en spirituele hart
lijkt het of de dichters te horen hebben gekregen
dat het doel van poëzie is
om [de regering] ten onrechte aan te vallen;
weet je wel hoe rampzalig
het is om poëzie
als een scherpe zaag te gebruiken?’
Dan neemt een andere dichter het woord. Hij stelt zich op als de rechter die in het voordeel van Weedhsame oordeelt. Al snel verschijnen er geluidsopnamen in de reacties op zijn post. Door een nieuw poëziedebat te ontketenen heeft Weedhsame een traditie in ere hersteld die teruggaat tot zijn dichtende voorvaders.
Somalische poëzie is overwegend metrisch en allitererend, met verzen die rond een bepaalde letter draaien. Bij ‘Aanklager’ is dat de M. Anderen volgen deze structuur, en zo krijgt het poëziedebat de naam Miimley, ‘Die in M’.
‘Onze poëzie brengt moeilijke en belangrijke kwesties onder woorden’
Waar eerdere poëzieketens zich via cassettebandjes over de Somalische diaspora verspreidden, waardoor ze maar langzaam uitgroeiden tot een debat, barstte deze meteen los. In de twee maanden die volgen fungeert Weedhsame als moderator: hij scant alle gedichten om verwijzingen naar etnische rivaliteit uit te bannen, voordat hij de reacties op zijn Facebookpagina plaatst.
‘Onze poëzie brengt moeilijke en belangrijke kwesties onder woorden,’ zegt Weedhsame. ‘We zijn nog steeds een mondelinge samenleving. We zijn afhankelijk van de woorden die onze dichters voordragen.’
Radio Hargeysa
In 1941 werd Radio Hargeysa opgericht. Nog voordat er liedjes werden gedraaid, zond het station poëzie uit, die vanaf dat jaar op band werd gezet. Het archief van het radiostation – één kamer met rekken tot aan het plafond – is in wezen een archief van de Somalische geschiedenis. Toen er in 1988 een burgeroorlog uitbrak, smokkelden de radiomakers de tapes de stad uit of begroeven ze in tunnels onder het gebouw. Na de oorlog begon het nieuwe ministerie van Informatie alle cassettebandjes te verzamelen die in de stad te vinden waren. Tegenwoordig vormen die vijf miljoen cassettebandjes het omvangrijkste archief van de overheid van Somaliland.
Het Cultureel Centrum van Hargeysa daarentegen begon alle Somalische cassettebandjes te verzamelen die er in de hele wereld te vinden waren. De tapes vullen de muren van het centrum, waar de eenentwintigjarige Hafsa Omer werkt als archivaris. Zij verdeelt haar tijd tussen haar studie psychologie, het spelen in het plaatselijke clandestiene vrouwenbasketbalteam en het catalogiseren van de gedichten en liederen van haar voorouders.
‘Ik dacht dat Somaliërs niet zo slim waren en niet zelf dingen in gang konden zetten’
In het Somaliland waarin Omer opgroeide, is oorlog overal. Buurland Somalië werd door de internationale gemeenschap lange tijd beschouwd als een mislukte staat. In Somaliland zijn er weinig mogelijkheden voor culturele producties en nog minder plaatsen om die te beleven. Maar toen Omer naar de tapes luisterde, ging er een wereld voor haar open.
‘Ik dacht dat Somaliërs niet zo slim waren en niet zelf dingen in gang konden zetten,’ zegt ze. Haar mening veranderde toen ze de poëziedebatten hoorde die de generatie van haar ouders wakker hadden geschud. ‘Ze dachten aan ons… Ze stelden zich voor hoe de wereld er over twee of drie generaties uit zou zien.’
Uit een onlinearchief waar ze jaren aan heeft gewerkt, duikelt ze een bandopname op. Het begint met een gedicht, waarna de ritmische stem van de presentator klinkt: ‘Ik ben Xasan Mohamed, en ik interview Yusuf Shaacir. Met hem praat ik over de gedichten van Siinley.’
De dichter Shaacir had elk vers van Siinley, oftewel ‘Die in S’, uit zijn hoofd geleerd. Het was een debat uit het begin van de jaren zeventig. Siinley was aanvankelijk niet gepland als debat, vertelde Shaacir, maar kwam voort uit een lied in een toneelstuk van de schrijver Cabdi Qays. Daarin vraagt die zich af waar het hiernamaals is: bij de sterren, op het land, in de bergen?
Wetenschappelijk socialisme
Het lied maakte iets los in Mohamed Ibrahim Warsame, een dichter die bekendstaat als Hadraawi, de gerespecteerde vader van de Somalische poëzie. Sinds 1969 was in Somalië, waar Somaliland destijds nog deel van uitmaakte, de wrede dictator Mohamed Siad Barre aan de macht, die autoritair regeerde door middel van een systeem dat ‘wetenschappelijk socialisme’ werd genoemd.
Hadraawi interpreteerde het hiernamaals van Qays als een zoektocht naar vrijheid en gerechtigheid, als een ontsnapping aan de onderdrukking. Het lied bood volgens hem een ingang om over de regering te praten. Dus antwoordde hij met een gedicht.
Over en weer schreven Qays en Hadraawi elkaar gedichten. Al snel namen symboliek en allegorieën de overhand. ‘Is de middelvinger gelijk aan de duim?’ vroeg Qays zich bijvoorbeeld af. Niet lang daarna hadden twintig dichters zich aangesloten, uit Djibouti, Mogadishu en Hargeysa, ieder met hun eigen cryptische kijk op de toestand waarin de natie zich bevond.
‘De tong is een scherpe zaag,’ zei een van de deelnemers later
Er waren al eerder poëziedebatten geweest: de Halac-dheere-keten aan het begin van de twintigste eeuw debatteerde over de ethiek van gastvrijheid tussen twee stammen. Tien jaar lang hadden acht dichters aan het debat bijgedragen. Jaren later was er de Guba-keten, ‘De brandende’, die twee generaties dichters overspande, gedurende bijna dertig jaar. Dat poëziedebat zou hebben aangezet tot twee stammenoorlogen. ‘De tong is een scherpe zaag,’ zei een van de deelnemers later.
Maar dit debat was anders. De verzen van Siinley waren gecodeerde, met symboliek beladen boodschappen die maar weinig luisteraars begrepen. Afgeschermd door metaforen behandelden de dichters de heetste actuele hangijzers, zoals de samensmelting van het Somalische volk tot één natie. Maar ondanks die ondoorzichtigheid had de dictatuur wel door dat deze krachtige gedichten een bedreiging vormden voor haar macht. Al snel werden de tapes dan ook verboden.
In het opgenomen radioprogramma merkt de presentator op dat het harde optreden van de overheid de ware aard van de gedichten blootlegde: ‘Volgens veel mensen effende Siinley als eerste het pad voor kritiek op de overheid.’
Het regime arresteerde Hadraawi, die vervolgens vijf jaar in de gevangenis doorbracht. Maar het was al te laat. Gewone Somaliërs luisterden naar de cassettebandjes die ze onder hun bed verstopten, of in het dak van hun huis, en die ze doorgaven aan vrienden. De luisteraars ‘smachtten naar iemand die iets over de regering durfde te zeggen’, vertelt dichter Shaacir in het radio-interview. ‘Door naar het gedicht te luisteren geeft de gemeenschap er betekenis aan. En voor de gemeenschap was dit wat ze op dat moment nodig hadden.’
Niet lang daarna was de tijd rijp voor een poëziedebat dat krachtig genoeg was om de regering omver te werpen.
Bladeren vangen
Het verzamelen van een orale traditiegeschiedenis is als het vangen van bladeren die van de boom dwarrelen. Abdirahman Yusuf Ducaale, de officieuze chroniqueur van Somaliland, nam deze zware taak op zich. Wat hij niet kon verzamelen in de tijd dat hij meevocht in de burgeroorlog – die in de jaren tachtig begon en in 1991 eindigde met de val van Barre en de gedeeltelijke onafhankelijkheid van Somaliland – verzamelde hij alsnog toen hij minister van Informatie werd in de nieuwe regering.
Zijn huis, in een rustige, zanderige uithoek van Hargeysa, ligt bezaaid met stukjes papier, krantenknipsels, notulen, foto’s, cassettebandjes, filmpjes – zelfs wandelstokken van voormalige leiders van Somaliland. Dit fysieke archief is een ruwe schets van de geschiedenis van Somaliland.
De boeken die Ducaale schreef, liggen op de salontafel in zijn woonkamer; ze gaan over beroemde en onbekende dichters, over oorlog en vrede. Nu hij met zijn vijfenzeventig jaar minder goed ziet, dicteert hij zijn nieuwste boek aan een jonge student die het bij hem thuis komt uittypen.
Elk nieuw boek betekent voor Ducaale dat hij vanaf nul moet beginnen
Elk nieuw boek betekent voor Ducaale dat hij vanaf nul moet beginnen. Voor de biografie van zijn favoriete dichter, de analfabete boer Timacadde, ging hij in diens geboortestad van huis tot huis om verzen te verzamelen bij mensen die ze uit het hoofd kenden. Hij laat een YouTube-video zien en zingt mee.
‘Zo’n stem raakt de mensen diep,’ zegt hij. Elke dichter heeft een eigen klankkleur, en als een dichter geen krachtige stem heeft, kan hij professionele zangers inhuren om ervoor te zorgen dat zijn woorden worden verspreid.
Debat
Voor het schrijven van Deelley: A Prophecy That Came True, zijn boek over het belangrijkste poëziedebat van Somaliland, stuurde Ducaale een vragenlijst naar de tientallen dichters die aan het debat hadden deelgenomen. Zijn bevindingen nemen 468 pagina’s in beslag.
Dit debat, in 1979, zou het lot van Somaliland voorgoed veranderen. In dat jaar publiceerde de dichter Maxamed Xaashi Dhamac, bekend als Gaarriye, een gedicht met als titel ‘Tribalisme biedt geen bescherming’. De Somalische samenleving draait om vijf wijdvertakte familiestambomen die teruggaan op twee broers. De loyaliteit aan deze familiebanden wakkert conflicten aan en voedt de politiek. Eind jaren zeventig wilde de regering-Barre de kracht van deze stamverbanden tegengaan en vroeg deze Gaarriye om een debat te beginnen.
Het gedicht van Gaarriye, dat in het Somalisch begint met het woord dugsi, begon een keten van alliteraties met de letter D. Zo’n vijftig dichters voegden hun gedichten toe aan de keten, die bekend werd als Deelley, oftewel ‘Die in D’. Binnen zes maanden bestond de keten uit bijna zeventig gedichten en trok de regering haar handen ervan af.
Het debat werd met open vizier gevoerd, heel anders dan bij Siinley. De gedichten keerden zich al snel tegen de regering-Barre. ‘Voor het eerst spraken Somaliërs zich openlijk uit tegen het regime,’ vertelt Ducaale. Omdat Barre ertegen opzag om de dichters op te sluiten, organiseerde hij een prijsuitreiking in het nationale theater. Door medailles uit te reiken, dacht hij, zouden de dichters begrijpen dat het debat voorbij was. Zijn plan mislukte, aldus Ducaale: een jaar later was het debat nog steeds gaande. Het jaar daarop, in 1982, werd de Somalische Nationale Beweging opgericht, die de belangrijkste oppositie zou vormen in de burgeroorlog die eind jaren tachtig werd uitgevochten.
‘Alsof het een repetitie was voor de gewapende strijd,’ zegt Ducaale. ‘Een test voor de mensen om de dictator toe te spreken en hem te bekritiseren.’
Verzoeningsdichters
De oude dichters herinneren zich nu hoe poëzie en politiek samenspanden bij het opbouwen van een nieuwe natie. Na drie wrede jaren van burgeroorlog kwam er een einde aan de dictatuur en maakte Somaliland zich los van Somalië. In 1991 vormde het een eigen regering. Een tiental dichters kwam bijeen om te helpen; ze wilden geen rivaliteit meer en zetten zich in voor de vrede. Nu staan ze bekend als de verzoeningsdichters.
‘Poëzie vertelt ons wie we zijn, het is onze literatuur en onze cultuur’
Jamac Cali Xassan, bekend als Gaashaan-cade, heeft nu grijze haren en loopt met een wandelstok. Hij herinnert zich de dagen dat de traditionele leiders bijeenkwamen om de eerste president te kiezen, en de dichters om poëzie voor te dragen. De dichters waren geliefd. Politici nodigden Xassan bij hen thuis uit, en tapes van zijn gedichten werden naar Somaliërs in het buitenland gestuurd. ‘Poëzie vertelt ons wie we zijn, het is onze literatuur en onze cultuur,’ zegt hij. ‘Ik wil dat iedereen deze cultuur gebruikt.’
De dichters van Somaliland zijn fakkeldragers met een grote sociale verantwoordelijkheid. Nu hij in de veertig is, weet Weedhsame dat maar weinig mensen lessen trekken uit de geschiedenis. In zijn cultuur wordt dit soort kennis nog steeds doorgegeven in verzen: mensen wenden zich tot dichters voor een analyse van hun samenleving, voor een onthulling van wat verborgen is. ‘Elke dichter is een soort politicus,’ zegt Weedhsame. ‘Dichters hebben geen politieke positie, maar zijn de stemmen van de samenleving.’
Voorgangers van Weedhsame moesten nog maar afwachten of hun gedichten zich via cassettebandjes zouden verspreiden. Tegenwoordig post Weedhsame zijn gedichten naar zijn 314.000 volgers op Facebook. Door ze op te schrijven wijkt hij af van de mondelinge traditie, maar houdt hij die ook in stand. En zijn volgers luisteren.
Tegen het einde van het Miimley-debat hadden ruim negentig dichters in totaal zo’n honderdtwintig gedichten geschreven. Miimley had meer deelnemers en gedichten opgeleverd dan enig ander debat, en dat in recordtijd. Ongeveer zes maanden later koos Somaliland een nieuwe president. De kandidaten debatteerden over corruptie, nationale hulpbronnen, internationale erkenning – kwesties die door het poëziedebat waren aangewakkerd. Muse Bihi Abdi, die de verkiezingen zou winnen, kwam zelfs met de dichters praten over hun kritiek.
‘Ze hebben gezien dat we het stemgedrag kunnen beïnvloeden’
Weedhsame was blij met deze erkenning. ‘Nu zagen ze tenminste dat een jonge generatie dichters zich kan organiseren,’ vertelt hij. ‘Ze hebben gezien dat we het stemgedrag kunnen beïnvloeden.’
Ondanks de protestgedichten is er nog steeds corruptie, meent Weedhsame. Maar dankzij het debat beseffen politici nu dat ze de poëzie niet kunnen negeren. Lange tijd konden dichters kritiek uiten, maar hun mening in verzen hullen heeft hen niet altijd beschermd. Onder het autoritaire bewind van Barre werden sommige dichters gearresteerd en een paar vermoord. Anderen namen overheidsgeld aan om te zwijgen of zich aan de partijlijn te houden.
Cruciaal
‘Dit medium is van cruciaal belang: het laat mensen dingen zeggen die ze anders misschien niet zouden kunnen zeggen’, schrijft Christina Woolner, onderzoeker van Somalische poëzie aan de Universiteit van Cambridge, in haar aankomende studie over het poëziedebat. ‘Het creëert ruimte voor een bedachtzame afweging over het heden en de toekomst van de staat van de democratie in Somaliland.’
Elke generatie geeft haar eigen invulling aan de traditie, tot de lengte van de regels en de metrische stijl toe. Om de kortere aandachtsboog van tegenwoordig vast te houden, zijn de moderne poëtische genres korter en sneller geworden. De woorden veranderen ook, nu nomadische stammen zich in steden vestigen en traditionele dialecten plaatsmaken voor een uniformere taal.
Elk nieuw gedicht helpt de orale cultuur in de moderne tijd te brengen. De afgelopen jaren trad de regering van Somaliland hard op tegen de vrijheid van meningsuiting en zette ze meerdere dichters en journalisten gevangen. Maar hun vervolging inspireerde hen precies tot datgene wat de regering wilde onderdrukken: een klein poëziedebat. Het werd Liinta xoorka leh genoemd, naar de drank die wordt geserveerd aan nieuwe gedetineerden in de gevangenissen van Somaliland. Het duurde niet lang en was niet zo opzienbarend als Miimley, maar het was nieuw en relevant. Het was een volgende stap in een aloude traditie.
Verschillende Afrikaanse landen kampen momenteel met een cholera-uitbraak. Afrika kent een ‘exponentiële toename van het aantal choleragevallen’, waarschuwde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) op 9 februari. ‘Het adjectief “exponentieel” is beangstigend, aangezien tien Afrikaanse landen te kampen hebben met epidemieën van uiteenlopende omvang’, schrijft Le Monde. Alleen al in januari ligt het aantal cholerabesmettingen in Afrika op ‘al meer dan 30 procent van het totale aantal geregistreerde gevallen voor heel 2022’, aldus de WHO.
Terwijl in het westen momenteel alleen Nigeria en Kameroen zijn getroffen, hebben Centraal- en Oost-Afrika meer te lijden: de Democratische Republiek Congo (DRC), Burundi, Kenia, Ethiopië, Somalië, Mozambique, Zambia – en vooral Malawi.
Een overgrote meerderheid van de farmaceutische industrie beschouwt het choleravaccin als onrendabel
Dat Zuid-Afrikaanse land met twintig miljoen inwoners is alleen al goed voor bijna de helft van de besmettingen op het continent, met 49.207 gemelde gevallen en 1564 doden sinds maart 2022. Begin december omschreef de regering van Malawi de epidemie als een noodsituatie.
Volgens Marion Pechayre, missiehoofd in Malawi voor Artsen zonder Grenzen, is de ergste cholera-epidemie in de geschiedenis van het land ontstaan door een gebrek aan toegang tot schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen. Malawi is het armste land ter wereld waar geen oorlog is.
Ook is het tekort aan choleravaccins een groot probleem, zei Pechayre tegen Le Monde. Een overgrote meerderheid van de farmaceutische industrie beschouwt dit vaccin als onrendabel.
Bij een reeks zelfmoordaanslagen in Somalië zijn woensdag zeker vijfendertig mensen om het leven gekomen. De terroristische organisatie Al-Shabaab heeft de aanslag opgeëist, schrijft Africa News. De aanslagen vonden plaats in de stad Mahas in de provincie Hiran, waar eind vorig jaar een groot offensief tegen de terreurbeweging werd opgezet.
Naast autoriteiten en de twee zelfmoordterroristen kwamen met name vrouwen en kinderen om het leven. De aanslag werd gepleegd door twee auto’s tot ontploffing te brengen. In oktober vorig jaar werd Hirano ook al opgeschrikt door een zelfmoordaanslag waarbij zeker dertig doden vielen.
Al-Shabaab is een Al-Qaida gelieerde beweging die met name actief is in de plattelandsregio’s van Somalië. Al ruim vijftien jaar vecht de groepering een bloedige strijd uit met de Somalische regering, die gesteund wordt door een internationale alliantie. De beweging probeert meestal met aanslagen terreur te zaaien onder de bevolking van het Afrikaanse land.
Bij een aanslag van vier leden van de radicaal islamitische terreurgroep Al-Shabaab op een hotel in de Somalische stad Kismayo zijn zondag negen mensen omgekomen en ongeveer vijftig mensen gewond geraakt, onder wie leerlingen van een nabijgelegen school. ‘Veiligheidstroepen doodden drie van de aanvallers’ in het hotel na een zes uur durende klopjacht’, aldus Al Jazeera. De vierde had aan het begin van de aanval zelfmoord gepleegd door zijn voertuig bij de ingang van het hotel op te blazen.
Een auto met explosieven ramde de poort van het hotel, waarna de drie schutters al schietend het gebouw binnengingen. De aanslag werd al snel door de gewapende groepering Al-Shabaab opgeëist. Abdiasis Abu Musab, woordvoerder van de militaire operatie van Al-Shabaab, zei dat de groep van plan was de bestuurders van de regio Jubbaland, die vanuit het hotel werken, aan te vallen.
Al-Shabaab probeert al meer dan vijftien jaar de regering omver te werpen en valt regelmatig civiele en militaire doelen aan. In augustus voerde de groep een dertig uur durende aanval uit op het populaire Hayat-hotel in Mogadishu, waarbij 21 doden en 117 gewonden vielen. Over de jaren zijn duizenden Somaliërs gedood in de voortslepende opstand.
Terreurgroep hield hotel meer dan 30 uur in handen
Bij de aanval op het Hayat Hotel in Mogadishu door de islamitische terreurgroep Al-Shabaab afgelopen weekend zijn ten minste eenentwintig burgers gedood, zo meldt Al Jazeera op basis van cijfers van ziekenhuizen. Volgens de politie werden drie aanvallers tijdens de operatie van zaterdagavond door Somalische troepen gedood om een eind te maken aan de belegering. Een vierde werd op zondagmorgen doodgeschoten, ‘toen hij in de menigte probeerde op te gaan’.
De aan Al-Qaida gelieerde terroristen vielen het hotel vrijdag aan met bommen, schoten vervolgens op de menigte en bezetten het gebouw meer dan dertig uur lang. Volgens de ziekenhuiscijfers zijn er 117 gewonden gevallen.
Somalië’s nieuwe president gekozen door slecht 327 mensen
Somalië telt bijna 16 miljoen inwoners, maar slechts 327 mensen kozen zondag de nieuwe president van het land. De stemming beperkt was tot de 328 parlementsleden van het land ‘wegens zorgen over de veiligheid bij grootschalige verkiezingen’, schrijft BBC. Eén parlementslid heeft niet gestemd, vandaar het totaal van 327.
‘De ongebruikelijke omstandigheden illustreren het gebrek aan democratische verantwoording’
Na drie ronden kreeg Hassan Sheikh Mohamud, die van 2012 tot 2017 president was, 214 stemmen tegen 110 voor Mohamed Abdullahi Farmajo, het huidige staatshoofd. ‘De ongebruikelijke omstandigheden illustreren de veiligheidsproblemen in Somalië, evenals het gebrek aan democratische verantwoording’, aldus BBC.
De stemming vond plaats in een zwaar beveiligde loods in Mogadishu. De islamitische Al-Shabaab-militie voert regelmatig aanslagen uit in de hoofdstad en elders. De dreiging die van de groep uitgaat, zal een van de twee belangrijkste uitdagingen voor de nieuwe president zijn. Het tweede is het risico van hongersnood voor 3,5 miljoen mensen als gevolg van de droogte die het land heeft getroffen.
Terreurgroep valt militaire basis van Afrikaanse Unie aan
De terreurgroep Al-Shabaab, die banden heeft met Al-Qaida, heeft in Somalië een militaire basis aangevallen die door de Afrikaanse Unie was gestuurd om de vrede te bewaren, meldt CNN. De basis, die 160 kilometer ten noorden van de hoofdstad Mogadishu ligt, wordt bezet door Burundese troepen. Een zelfmoordterrorist drong afgelopen dinsdag bij zonsopgang de basis binnen en maakte de weg vrij voor andere strijders. Al-Shabaab beweert 59 soldaten gedood te hebben en de controle over de plaats overgenomen te hebben. De beweringen zijn niet bevestigd door de autoriteiten.
Het is de tweede keer dit jaar dat de terreurgroep de basis heeft aangevallen, aldus CNN. De aanval vond plaats op 14 april, de dag waarop Somalië een nieuw parlement beëdigd heeft. Later dit jaar zullen naar verwachting presidentsverkiezingen gehouden worden, na meer dan een jaar uitstel als gevolg van de politieke crisis.
Al-Shabaab is een Somalische groepering die door de Verenigde Staten in maart 2008 als buitenlandse terroristische organisatie is aangemerkt. De terreurgroep strijdt al jaren voor de omverwerping van de centrale regering en voor invoering van een bewind gebaseerd op de strikte interpretatie van de sharia, de islamitische wetgeving.
De Zuid-Afrikaanse auteur Jonny Steinberg kreeg alom lof voor zijn non-fictieboek A Man of Good Hope, dat binnenkort in Nederlandse vertaling verschijnt. In het boek tekent hij het levensverhaal op van de Somalische vluchteling Asad, die naar Amerika wil maar in Zuid-Afrika terechtkomt. In deze voorpublicatie beschrijft Steinberg hoe zijn samenwerking met Asad tot stand kwam.
Asad Abdullahi zit tegenover me aan een tafel in de Compagniestuinen. Om ons heen zitten oudere blanke mannen te schaken. Mijn schrijfblok ligt open op tafel, ik heb een pen in mijn hand. Ik vraag Asad naar de wijk Kaaraan in Mogadishu, waar hij ongeveer de eerste acht jaren van zijn leven heeft doorgebracht. Hij zegt dat hij zich er maar weinig van herinnert.
‘Het geeft niet,’ zeg ik. ‘Probeer maar niet het je te herinneren, vertel gewoon wat in je opkomt als je aan Mogadishu denkt.’
Er valt me nu iets heel vreemds op. Hij draagt een nauwsluitende gele sweater met capuchon en blauwe skinny jeans, en in deze strakke kleding lijkt hij niet alleen groot en dun, maar ook als het ware verlengd. Elk deel van hem – zijn neus, zijn wangen, zijn handpalmen en vingers, zijn romp – lijkt heel zorgvuldig te zijn uitgerekt. Het resultaat is elegant.
Ineens bedenk ik dat hij precies op de plek zit waar Kaapstad is ontstaan. De tuinen om ons heen zijn bijna op de dag af 358 jaar geleden aangelegd. Hier zit Asad, op heel oude grond, terwijl hij zelf zo jong is en zo overduidelijk niet welkom.
In zijn slanke vingers houdt hij een twijgje. Dat heeft hij waarschijnlijk gevonden toen we vanaf de bibliotheek hierheen liepen. Nu breekt hij het in tweeën en brengt het naar zijn neus.
Hij trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op. Hij ruikt er nog eens aan.
‘Wat gek,’ zegt hij. ‘Vanaf het moment dat ik het op de grond zag liggen, wist ik waar de geur me aan zou doen denken.’
Asad woont in Blikkiesdorp: de aars van Kaapstad, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben
Hij begint te vertellen hoe hij inkt maakte. Hij was een jaar of zeven en leerling van een madrassa. Daar maakte hij het houtskoolmengsel waarin hij zijn pen zou dopen om de Koran over te schrijven. Om de inkt te binden heb je het sap van de agreeg-boom nodig. Je splijt een takje open en knijpt met je vingers het sap eruit en laat dat in de houtskool en het water druppelen. Terwijl je in het mengsel roert, breng je onwillekeurig je vingers naar je neus. Je ademt diep in. Ah!
Op zijn gezicht verschijnt een intens weemoedige glimlach, en ik denk dat ik weet waar hij met zijn gedachten is.
Hij weet dat ik er nog ben, dat aan de tafel naast ons mannen zitten te schaken. Maar hij is ook ergens anders en hij geniet ervan, omdat hij beseft dat het maar heel even zal duren. Hij is meer dan twintig jaar in de tijd teruggegaan. Dankzij het twijgje dat hij in de Compagniestuinen heeft gevonden, beleeft hij een vergeten hoogtepunt opnieuw, want uit de uitdrukking op zijn gezicht blijkt duidelijk dat het sap van de agreeg bedwelmend is.
Ik krijg een ingeving. Ik weet dat ik als ik erover nadenk, al is het maar heel even, een reden zal vinden om het niet te doen, dus denk ik er niet over na. Een man die zomaar een twijgje opensplijt en daardoor zo levendig, zo krachtig naar een andere wereld wordt teruggevoerd, dat is een man over wie ik een boek zou moeten schrijven.
Enkele weken eerder was ik naar zijn hut gereden om daar te ontbijten. Volgens mijn agenda was dat op 24 september 2010, een nationale feestdag in Zuid-Afrika. Pearlie Joubert, een journaliste die ons aan elkaar had voorgesteld, was bij me. Ik had eerst een heel ander boek in gedachten. Ik had Pearlie gevraagd me te introduceren bij mensen die in mei 2008 uit Kaapstad waren gevlucht na de geweldsuitbarsting tegen buitenlanders die in Zuid-Afrika woonden. Die periode had ik willen vergelijken met gebeurtenissen van vijftig jaar eerder.
Asad kwam naar buiten om ons te begroeten. Hij droeg een turquoise macawi, die rond zijn middel was geknoopt en tot op zijn enkels viel. Pearlie had me verteld dat hij zevenentwintig was. Ik vond dat hij ouder leek, misschien omdat ik een macawi associeerde met iemand van middelbare leeftijd.
Hij nodigde ons uit binnen te komen in de hut, die overal bedekt was met prachtige, geplooide stoffen. Er hingen er een stuk of tien van het plafond in de hoek bij zijn bed om het af te schermen van de rest van de kamer. Ook de blikken muren waren bedekt met stoffen. De kleuren ervan waren donker en gedempt: kastanjebruine en donkergroene tinten. Ze hulden de kamer in schaduwen, alsof het schemerde en niemand het licht had aangedaan, en ik schrok toen ik ineens zijn vrouw zag. Ze zat op een kruk in de hoek. Haar mollige gezicht staarde ons aan vanonder een hoofddoek die haar wangen bijna helemaal bedekte.
Asad nodigde ons uit te gaan zitten en boog zich over een bunsenbrander. Hij zei dat hij voor ons het Somalische ontbijt wilde maken waar hij het over had gehad: pannenkoeken. Naast hem stond het deeg in een plastic kom, en op het fornuis stond een pan met reepjes vlees en uien en paprika’s te sissen.
Asad woont in Blikkiesdorp. Het wordt soms de aars van Kaapstad genoemd, de kringspier waardoor de stad de delen uitscheidt die hij niet wil hebben. Dat klopt wel zo ongeveer. Het dorp dat in 2007 door de gemeente is gebouwd, bestaat uit zestienhonderd identieke eenkamerbouwsels die in zestien identieke vierkante blokken zijn verdeeld. Het is neergezet om mensen onderdak te bieden die uit illegaal bewoonde woningen waren gezet, een dump waar de uitgestotenen van de stad op een hoop zijn gegooid. Doordat het meer dan dertig kilometer van het centrum van Kaapstad ligt, is het economische hart van de stad alleen bereikbaar via een lange, dure taxirit. Het is het ultieme getto: de bewoners zijn ingesloten door afstand, armoede en hun eigen achtergrond. Begin 2010 hebben de stad en het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen in hun gezamenlijke wijsheid besloten om vierendertig Somalische en Congolese families in Blikkiesdorp te plaatsen. Ze hadden in 2008 allemaal hun huis moeten ontvluchten met een bende Zuid-Afrikanen op hun hielen. Allemaal hadden ze het grootste deel van de afgelopen twee jaar moeten doorbrengen in geïmproviseerde vluchtelingenkampen, omdat ze te bang waren om terug te gaan naar Kaapstad. Blikkiesdorp was voor hen de plaats om te re-integreren. Ze mochten zonder huur te betalen in een eenkamerhut wonen te midden van de verschoppelingen van de stad, mensen die misschien niet anders konden dan hen haten.
Twee maanden voordat ik Asad leerde kennen, ging er een gerucht door Blikkiesdorp. Het was de dag voor het einde van het wk voetbal, dat zo trots op Zuid-Afrikaanse bodem werd gehouden. Blikkiesdorp, aldus het gerucht, zou dat vieren door de daar wonende buitenlanders te vermoorden. Die avond verzamelde zich bij Asads hut een menigte, die stenen tegen de blikken wanden begon te gooien. Asad belde Pearlie, die iedereen in Kaapstad leek te kennen, onder wie iemand in de hogere rangen van de politie. Een afdeling ordepolitie haastte zich naar het strijdtoneel.
Tijdens het ontbijt vertelde Asad ons hoe hij zijn kostje bij elkaar scharrelde.
Elke morgen ging hij naar Mitchells Plain Town Centre, ongeveer tien kilometer verderop, een druk winkelcentrum in de grootste township van Kaapstad, dat door Somalische handelaren was overgenomen. Hij bleef daar dan rondhangen tot hij iemand vond die een chauffeur nodig had om voorraden op te halen in een van de groothandels in Kaapstad, of om enkele mensen naar een andere stad te brengen, of voor wat dan ook. Asad bood aan tegen een vergoeding te rijden.
Hij zei dat het nauwelijks iets opleverde, dat hij een handelaar was, een zakenman, en dat hij om te overleven een winkel moest openen hier in Blikkiesdorp, maar dat hij daarvoor alleen het geld nog bijeen moest krijgen.
Dit was geen loze praat. Ik zou de komende weken tijd van hem kopen. Hij zou me door de Somalische delen van de stad leiden, me naar de hostels en restaurants daar brengen en me voorstellen aan de ondernemers. Ook zou hij ontmoetingen regelen met mensen die in mei 2008 uit allerlei delen van de stad waren gevlucht. Met zijn hulp zou ik een verhaal schrijven over de ervaringen van de Somaliërs tijdens die beruchte periode van gewelddadigheden. Ik zou hem zevenduizend rand betalen voor zijn tijd, exact het bedrag dat hij nodig had om een winkel te kunnen beginnen.
Ik zat in zijn hut en at het ontbijt dat hij had klaargemaakt, toen ik ineens bedacht dat onze overeenkomst zijn leven een stuk gevaarlijker zou maken.
‘Wil je hier een zaak runnen waar alleen contant geld in omgaat?’ vroeg ik. ‘Wat zal je buren er dan van weerhouden je neer te schieten en je dagopbrengst te stelen?’
Hij lachte. Niet alleen met zijn ogen, maar met zijn hele mond. Zijn tanden waren hagelwit en volmaakt regelmatig.
‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer ik zal sterven,’ antwoordde hij. ‘Terwijl je nog in de baarmoeder zit, heeft Allah al de hele loop van je leven bepaald.’
Hij keek me ondeugend aan. Ik had het gevoel dat hij me een privégrapje had verteld.
Een week nadat ik hem in de Compagniestuinen had gesproken, ging ik naar hem toe in Blikkiesdorp. Hij had een gat in een van de blikken wanden gesneden en dat dichtgemaakt met een metalen draadwerk. Erachter stond een krukje en daarachter bevonden zich schappen tot aan het plafond, vol sigaretten en chips en ingeblikt eten en zakken mieliemeel.
Aanvankelijk vertel ik hem niet waar ik op hoop. Ik bezoek hem twee keer per week in Blikkiesdorp. We zitten dan op zijn bed en praten ongeveer een uur. Daarna vertrek ik.
Aan het einde van een van deze bezoekjes vraag ik of hij wil nadenken over het idee dat ik een boek schrijf over zijn leven. Ik zeg dat hem dit, als we het erover eens worden, veel tijd zal kosten: twee ochtenden per week en dat misschien wel een jaar lang. Ik was van plan de plaatsen te bezoeken waar hij had gewoond – of in elk geval de plaatsen waar je naartoe kon – en ik wilde mensen gaan zoeken die hem hadden gekend, de huizen zien waar hij had geslapen en door de straten lopen waar hij had gelopen. Ik beloof hem 25 procent van de royalty’s wanneer het boek uitkomt, en noem het bedrag waar het waarschijnlijk om zal gaan. Hij hoeft me niet meteen een antwoord te geven; ik vind dat hij er eerst over moet nadenken.
Met gemengde gevoelens rij ik over de n2 terug naar Kaapstad. Ik ben opgewonden. Zodra ik terug ben op de universiteit van Kaapstad zal ik, nog voordat ik mijn kantoor binnenloop, regelrecht naar de bibliotheek gaan en er vier of vijf van de meest gezaghebbende boeken over Somalië halen en me erin verdiepen. Ik voel me ook ongemakkelijk. Dit is niet de eerste keer dat ik het zeer persoonlijke levensverhaal opteken van iemand die veel armer is dan ik. Het geeft me een bijzonder ongemakkelijk gevoel om geld te betalen voor toegang tot de privéwereld van iemand die arm is. Per slot van rekening is datgene wat ik maak een commercieel product, en het idee dat ik de enige ben die eraan verdient is onaangenaam.
Bij eerdere gelegenheden heb ik geprobeerd het beste uit beide te halen. Ik vroeg iemands medewerking zonder hem daarvoor geld aan te bieden; zijn beweegredenen om daarmee in te stemmen waren steevast ingewikkeld en vaak ondoorgrondelijk. We werken lang samen. Ik laat hem de conceptversies zien van het manuscript dat zal worden uitgegeven. En vervolgens, zodra ik helemaal zeker ben van zijn toestemming zonder betaling, bied ik hem een deel van de royalty’s aan.
Ik ben het beu om op deze manier te werken. Het is me gaan tegenstaan: de aanmatiging, het verzwijgen, de autoriteit die ik mezelf heb gegeven om de overeenkomst er tot de laatste druppel uit te persen. En dus bied ik Asad op voorhand een handelsartikel aan waarvan we de opbrengst zullen delen. Dat lijkt me veel zuiverder en eerlijker.
Toch lost dit lang niet alles op. Het geld dat ik hem heb betaald om zijn winkel op te zetten, heeft hem de ruimte gegeven om met mij te praten. Je kunt van een man die elke dag om werk loopt te schooien niet verlangen dat hij twee dagen per week vrij neemt om zijn herinneringen door te spitten. De beloofde royalty’s zullen er ongetwijfeld voor zorgen dat hij zijn verplichtingen nakomt tot het einde van het project, ongeacht hoe diep ik in zijn privéleven graaf. Ik heb nog geen manier gevonden om een boek te schrijven zonder macht uit te oefenen.
‘Het is niet aan gangsters om te bepalen wanneer ik zal sterven’
Uiteindelijk zorgt ons project voor een veel directer en onverwachter ongemak.
Het begint met de vraag wat er met Asads winkel moet gebeuren in de uren die hij met mij doorbrengt. Zijn vrouw kan achter de toonbank staan wanneer hij met me praat, maar ze spreekt heel weinig Engels en geen Xhosa of Afrikaans, en dus moet Asad, die deze drie talen steeds beter beheerst, altijd in de buurt zijn. Soms ga ik met hem mee naar Mitchells Plain of naar Bellville, of naar een klusje waarvoor hij in het centrum van de stad moet zijn. Over het algemeen moeten we onze gesprekken echter binnen roepafstand van zijn zaak voeren.
In het begin spreken we af in zijn hut. Ik zit op de rand van zijn bed en hij zit op een plastic stoel. Maar hij voelt zich niet op zijn gemak met deze regeling. Hij friemelt voortdurend met zijn handen. Bij het minste of geringste geluid van buiten spitst hij zijn oren. Toen we een uur bezig waren aan ons tweede gesprek, had hij er genoeg van. Hij laat me kortaf weten dat we niet meer in zijn hut kunnen afspreken en staat erop dat we naar mijn auto verkassen.
En dat wordt dus, keer op keer, de plaats waar we elkaar treffen. Ik zit op de plaats van de bestuurder, hij op die van de passagier, mijn schrijfblok gaat telkens van mij naar hem en weer terug terwijl ik korte aantekeningen neerkrabbel van zijn verhaal en hij tekeningen maakt bij de taferelen die hij beschrijft. Ik sta evenwijdig aan zijn hut geparkeerd, niet meer dan een meter of twee van het met een metalen draadwerk afgedekte gat waardoor zijn vrouw de klanten bedient. Iedereen die iets bij hem gaat kopen, strijkt langs mijn autoportier.
Hij zegt dat hij dit wil omdat zijn hut te klein is, maar dat is niet zo. Het is een heel prettige ruimte om te praten, in feite veel gezelliger dan een auto. Ik vraag me af wat de werkelijke reden is en waarom hij die voor me verborgen wil houden.
Wanneer er een ritme ontstaat in de tijd die we samen doorbrengen en dat ritme betekenis begint te krijgen, dringt het langzaam tot me door. Ronduit gezegd, het dringt tot me door zodra ik me de bizarre en perverse aard van onze ontmoetingen realiseer.
Ik ben een ingezetene van mijn land, en veel vreemdelingen om me heen weten dat. Een van hen wil misschien wel een kogel door mijn hoofd schieten, maar hij weet dat hij daarmee een hele machinerie op gang brengt en dat ze naar hem zullen zoeken. Ik en degenen om me heen, wij bevinden ons in dezelfde kring. We kennen allemaal de regels.
Asad bevindt zich niet in die kring. Hij staat erbuiten, want de regels zijn niet op hem van toepassing. Zijn winkel levert elke dag contant geld op en hij weet dat zijn buren weten dat als iemand hem door zijn hoofd zou schieten en zijn geld zou stelen, de machinerie van de staat in een reflex haperend in beweging en dan tot stilstand zou komen. Het dringt langzaam tot me door dat deze wetenschap zijn leven bepaalt. Bij elke beslissing die hij neemt, botst het imperatief om vrij te zijn met het imperatief om veilig te zijn. Op zijn schouders rust de permanente last om niet vermoord te worden.
Het is onze derde week samen. We zitten in mijn auto te praten.
‘Start de auto,’ zegt hij.
Ik kijk hem aan. Een ogenblik geleden was hij nog diep verzonken in jeugdherinneringen, zijn hoofd gebogen, uit gewoonte met zijn hand over het dashboard strijkend. Nu zit hij kaarsrecht met zijn ogen strak gericht op de achteruitkijkspiegel.
Ik draai me om.
‘Niet doen,’ zegt hij. ‘Start de motor nou maar.’
Ik doe wat hij zegt. Daarna draai ik aan mijn zijspiegel om te zien wat hij ziet. Een paar honderd meter achter ons komen drie jonge mannen op ons af lopen met de capuchon van hun trui ver over hun wenkbrauwen getrokken. Ik ben niet bang. Ik weet zeker dat ze zo meteen rechtsaf of linksaf zullen gaan en een andere straat in zullen lopen. Het zijn gewoon drie inwoners van Blikkiesdorp die met hun eigen zaken bezig zijn. Iedereen onder een bepaalde leeftijd draagt immers zo’n trui met capuchon. Die van Asad ligt keurig opgevouwen bij de kleren in zijn hut.
We wachten.
Ik begin Asads angst te voelen.
Alsof het een virus is, alsof het van hem is af gesprongen en in mijn huid is gedrongen en nu door mijn aderen kruipt.
Dit moment levert heel veel op. Doordat een deel van hem in mijn bloed zit, kan ik het begrijpen. Ik weet nu waarom hij erop staat dat we elkaar in mijn auto treffen. Belangrijker nog, ik weet welke overwegingen hebben meegespeeld toen hij me toeliet in zijn leven.
‘Elke keer dat ik je bezoek ben je bang,’ zeg ik.
‘Ja,’ antwoordt hij, met zijn ogen nog steeds gericht op de mannen achter ons.
‘Je bent bang dat een blanke in een mooie auto mannen met wapens aantrekt, dat jij en je gezin minder veilig zijn als ik er ben.’
‘Ik maak me daar heel veel zorgen over,’ zegt hij.
‘Je wil ook per se dat we elkaar ’s morgens treffen, omdat de gangsters dan slapen.’
‘Dat klopt.’
‘En je wil me in de auto ontmoeten, zodat je het gevaar kunt zien aankomen.’
‘In de hut,’ zegt hij, ‘kun je niets zien. Het eerste wat je van ze ziet, is een wapen voor je neus.’
De drie jonge mannen zijn ons inmiddels voorbijgelopen en we kijken hen na terwijl ze verdwijnen.
Ik zet de motor af en pak mijn pen en schrijfblok. Ik wil hem niet vertellen wat ik nu nog meer denk te weten. Dat hardop zeggen zou gevaarlijk zijn. Het zou ons dwingen om onze regeling nader te onderzoeken in al haar naakte perversiteit; het zou het ons moeilijker maken door te gaan.
Ik stel me zijn overwegingen voor. Hij wil heel graag met mij in contact blijven, want ik ben net als Pearlie iemand van de andere kant, iemand die binnen de baan van het recht reist. Wie weet wanneer hij de hulp van zo iemand nodig heeft? Misschien vanavond al.
Maar om onze relatie in stand te houden, moet hij urenlang naast me zitten en in zijn verleden duiken. Anders verlies ik mijn belangstelling in hem en ga ik weg. Hij moet die herinneringen ophalen in de buurt van zijn woning en gezin, want hij kan zijn nieuwe zaak niet zo vaak en zo lang in de steek laten. Niettemin denkt hij dat mijn regelmatige bezoekjes waarschijnlijk mannen met wapens zullen aantrekken.
Dus jongleert hij. De delen van mij die veiligheid brengen, haalt hij dichterbij en de delen die gevaar kunnen betekenen, probeert hij zo veel hij kan te reduceren.
Vandaar mijn auto. Tussen oktober 2010 en september 2011 hebben we daar vele uren doorgebracht. Terwijl hij met zijn innerlijke oog naar zijn jeugd kijkt, scannen de twee ogen aan weerszijden van zijn neus de straat.
Auteur: Jonny Steinberg
Een man van van goede hoop, vertaald door Marianne Palm, verschijnt op 22 februari bij Atlas Contact.
Amateurfotograaf Abdulkadir Mohamed gaat de straten van de Somalische hoofdstad Mogadishu op om een ander beeld van zijn land te tonen. Geen dood en verwoesting, maar kleurrijke stranden, markten en spontane performances van gefotograafeerden. Zijn beelden verspreidt hij op de sociale media onder de naam Ato.
Jongens en mannen met geweren, kinderen spelend tussen het puin, families samengepakt in vluchtelingenkampen en bloederige taferelen ten gevolge van bominslagen. Soms zit er ineens een kiekje tussen van het prachtige strand dat de stad ook heeft en zie je tekenen van hoop en opleving: nieuwe flatgebouwen oprijzend tegen de hemel, wegen die worden verlicht door zonne-energie en gloednieuwe geldautomaten. Beide soorten foto’s laten facetten zien van de werkelijkheid van Mogadishu, maar ze maken niet duidelijk hoe de ruim twee miljoen inwoners van de stad het dagelijks leven ervaren en wat het leven voor hen de moeite waard maakt.
‘Zelfs dwars door de verwoesting heen valt er in Mogadishu schoonheid te ontdekken,’ zegt Abdulkadir Mohamed, een Somalisch-Canadese amateurfotograaf. Hij is een autodidact die met zijn camera de straat op gaat en zich elke keer opnieuw laat verrassen door de stranden, de markten, de kinderen, de minaretten, het drukke stadsgedoe. Hij plaatst zijn foto’s op de sociale media en zet er zijn bijnaam onder: ‘Ato’. Dat is een Somalisch woord dat ‘mager’ betekent.
Abdulkadir werd geboren en getogen in het kosmopolitische Mogadishu, waar kunst en cultuur een belangrijke rol speelden. ‘Ik ben opgegroeid met het Pan-Afrikaans en Arabisch Filmfestival [dat voor het eerst werd gehouden in 1987]. In die tijd had Mogadishu twintig bioscopen. De Somaliërs gingen heel vaak naar de film.’
Zijn belangstelling voor fotografie heeft hij niet van vreemden. ‘Mijn oom was fotograaf. Er waren destijds veel fotostudio’s in Mogadishu.’
Abdulkadir verhuisde in zijn tienerjaren naar Canada, vlak voordat Somalië in een langdurige burgeroorlog verzeild raakte. Die burgeroorlog volgde op de val, na een lange regeerperiode, van president Mohamed Siad Barre in 1991. Abdulkadir woonde ruim twintig jaar in Canada en de Verenigde Staten, voordat hij aan het begin van 2014 om familieredenen terugkeerde naar zijn geboortestad.
‘Je wilt niet meer behandeld worden als een tweederangsburger, je wilt niet langer uitgescholden worden’
‘Toen ik in het buitenland woonde, zag ik alleen maar de gebruikelijke foto’s van Somalië. Het waren clichébeelden over de oorlog en over Somaliërs die of piraterij bedreven, of omkwamen van de honger. Dat is niet het Mogadishu dat ik van vroeger ken.’
Toen hij terug was, begon hij foto’s te maken, om aan zijn vrienden in de Somalische gemeenschap in Canada te kunnen laten zien hoe het er in Mogadishu in werkelijkheid aan toeging. Via de sociale media bleven ze op de hoogte. Die vrienden bleven steeds om nieuwe foto’s vragen. ‘Een vriend wilde graag dat ik foto’s zou nemen van de wijk in Mogadishu waar hij was opgegroeid. En mijn tienernichtje drong net zo lang aan tot ik een account opende op Tumblr. Veel andere mensen deden dat vervolgens ook.’
Veel jonge Somaliërs die handig zijn met internet, zijn de sociale media gaan gebruiken om foto’s en video’s te verspreiden die een gunstig beeld geven van hun land. Sommigen – zoals Ugaaso Boocow, die veel volgers heeft op Instagram, of Abla Elmi, producent van de zesdelige videoserie Mogadishu Diaries, of Ahmed Yusuf, oprichter van het YouTube-kanaal Welcome to Somalia – zijn net als Abdulkadir teruggekeerd naar Mogadishu, na jarenlang elders te hebben gewoond. Anderen, zoals Zahra Qorane [een blogster en fotografe uit Mogadishu], zijn nooit weggeweest.
‘Als je terugkeert naar Somalië en je ziet dat het daar heel anders is dan je dacht, dan besluit je dat je nooit meer naar het buitenland wilt. Je wilt niet meer behandeld worden als een tweederangsburger, je wilt niet langer uitgescholden worden,’ zegt Abdulkadir. ‘Het valt niet mee om tegelijk moslim, zwart en immigrant te zijn. In de westerse wereld heerst vreemdelingenhaat. Hier, in eigen land, zal niemand je uitschelden.’
Abdulkadir legt mensen, dingen en scènes vast. Zijn foto’s zijn niet alleen momentopnames, maar ook betekenisvolle verhalen, die een stem krijgen door de onderschriften in het Engels en het Somalisch. Die onderschriften zijn soms heel ad rem, soms grappig en soms ernstig van toon, maar ze zijn altijd begrijpelijk voor niet-Somaliërs.
De manier waarop hij mensen portretteert is bijzonder; Abdulkadir heeft een uitzonderlijk vermogen om een verstandhouding op te bouwen met degenen die hij fotografeert. ‘Ik geloof er heel erg in om mensen in hun waarde te laten. Ik neem nooit foto’s zonder toestemming.’ Hij fotografeert van betrekkelijk dichtbij, en velen voelen zich daarbij zodanig op hun gemak dat ze graag een performance geven voor de camera. Dat levert mooie, onverwachte en levendige beelden op. Ook als de mensen zich laten fotograferen zonder zich speciaal bewust te zijn van de camera, wekken de foto’s geen voyeuristische indruk. De kijker krijgt niet het gevoel dat hij op ontoelaatbare wijze binnendringt in het leven van de geportretteerde. ‘Als de mensen in Mogadishu je zien met een camera, dan denken ze meteen dat je persfotograaf of journalist bent,’ zegt hij. Journalistiek blijft een bijzonder gevaarlijk beroep in de stad. ‘Ik zie mezelf trouwens niet als een professionele fotograaf.’
Hoewel veel foto’s van Abdulkadir een bepaalde documentaire kwaliteit hebben, ziet hij zichzelf niet als een documentairemaker. ‘Ik heb besloten om mij te richten op positieve berichtgeving. Dat betekent dat ik de gebruikelijke negatieve verhalen over mijn stad aan anderen overlaat.’ Deze stellingname maakt hem tot een visueel activist. Internationaal gezien doen de foto’s van Abdelkadir denken aan het werk van een andere straatfotograaf met Canadese connecties: Thana Faroq, oprichtster van een Jemenitisch fotoproject. Haar motto: ‘Het gaat mij om het leven, níét om oorlog.’
In de jaren vijftig was het Robert Frank (1924) die brak met de regels van de Amerikaanse fotografische traditie, door schaamteloos een persoonlijk stempel te drukken op zijn fotoserie The Americans. Terwijl Frank de onderbuikgevoelens van de Amerikanen in beeld wilde brengen, vanuit het koele gezichtspunt van een buitenstaander, is het Abdulkadir vooral te doen om het tonen van positieve beelden van binnenuit. Zijn foto’s laten zien hoe de mensen hoop houden, hoe ze genieten van kleine dingen, hoe ze hun vrije tijd besteden (met muziek, dans en sport) en hoe belangrijk familie en kinderen zijn. Aan de hand van de foto’s van Abdulkadir kan iedereen bedenken wat het leven de moeite waard maakt in Mogadishu – en ook in de rest van de wereld.
Auteur: Mo Keita
Vertaler: Janet Luis
True Africa
Verenigd Koninkrijk, trueafrica.co
Mediaplatform over cultuur, muziek, lifestyle, politiek, mode en technologie in Afrika en diaspora. De site is gericht op een nieuw geluid, jong getalenteerden plaatsen bijvoorbeeld artikelen over skateboarden in Accra, lesbiënne zijn in Lagos en street art in Rwanda.
China drijft intensieve handel met Afrika, een miljoen Chinezen vestigden zich al op het continent. De rest van de Chinezen lijkt weinig te begrijpen van de aantrekkingskracht van deze handelspartner. Toon mij uw zoekvragen en ik zeg u wie u bent…
China’s ambities in Afrika zijn bekend. De handel met het continent dat zo rijk is aan grondstoffen, heeft onlangs de 200 miljard overschreden en Chinese agentschappen en bedrijven hebben groots geïnvesteerd in de aanleg van de zo noodzakelijke wegen, spoorwegen en in de bouw van openbare gebouwen. Intussen hebben meer dan 1 miljoen Chinezen huis en haard verlaten om hun geluk te beproeven in een Afrikaans land.
Die banden brengen China en Afrika misschien dichter bij elkaar, maar dat betekent niet dat de gewone Chinese burger het continent erg goed begrijpt. Bijvoorbeeld: ‘Waarom wonen er in Zuid-Afrika zoveel blanken?’ is bij Baidu, China’s grootste zoekmachine, de belangrijkste automatisch aangevulde vraag over dat land. Baidu’s auto-aanvuller werkt net zo als die van Google: wanneer iemand een zoekopdracht begint te typen, wordt een lijst getoond van mogelijke manieren om die opdracht af te maken, deels door de archieven van de machine af te zoeken naar eerdere populaire zoekopdrachten. Die automatisch gegenereerde suggesties bieden vaak het extra voordeel dat die uit online discussies zijn gefilterd en zo de diepzinnige en (vaak vermakelijke) banale vragen blootleggen die mensen ertoe brengen om op zoek te gaan antwoorden.
De meest voorkomende zoekopdrachten met betrekking tot Afrikaanse landen geven aan dat de gevoelens van de Chinese internetgebruiker over Afrika niet verschillen van die van de westerling: vaak associëren ze het werelddeel met geweld, armoede, ziektes en buitenissige eetgewoontes. Dat blijkt uit resultaten per land afzonderlijk, maar het blijkt ook uit zoekopdrachten over Afrika als geheel.
Baidu’s eerste suggestie voor Egypte is waarom dat land ouder is dan China
Baidu:
Waarom is Afrika
… zo arm?
… zo achtergebleven?
… achtergebleven?
… niet in staat om zich te ontwikkelen?
Google:
waarom is afrika
waarom is afrika zo arm
waarom is afrika
waarom is afrika arm
waarom is afrika een zootje
waarom is afrika de naam van dat continent
waarom is afrika zo achterlijk
waarom is afrika zo corrupt
waarom is afrika nog steeds arm
waarom is afrika zo onderontwikkeld
waarom is afrika zo’n chaos
Bepaalde resultaten zijn specifiek Chinees. Baidu’s eerste suggestie voor Egypte is waarom dat land ouder is dan China, wat aangeeft dat de trots waarmee de Chinezen de lange geschiedenis van hun beschaving vergelijken met die van Europa en vooral met die van de Verenigde Staten enigszins verbleekt bij de piramides van Giza.
Onderwerpen die voortkwamen uit Afrika’s gecompliceerde geschiedenis staan ook boven aan de resultaten voor andere landen. Internetgebruikers vragen waarom Côte d’Ivoire en Ghana ook Ivoorkust en Goudkust worden genoemd. Zoekopdrachten over Algerije en Libië die werden aangevallen door Franse en Amerikaanse strijdkrachten, verwijzen naar vroegere en latere interventies door het Westen. Verder is er de erfenis van het imperialisme, de apartheid en de verzoening die het overwicht van blanken in de Afrikaanse ‘regenboognatie’ verklaart.
Van luchtiger aard zijn zoekopdrachten over voetbal
Niub
Misschien wel het raadselachtigste resultaat is de vraag waarom de inwoners van Gambia zo nb zijn – een afkorting van niub, een Chinese term die ongeveer vertaald kan worden met een sarcastisch bedoeld ‘gaaf’ (maar die eigenlijk iets veel platters en vulgairders betekent). Deze zoekopdracht leidt naar verscheidene bulletinboards waarop een lijst staat van vermeende dreigementen van het kleine West-Afrikaanse landje om de Sovjet-Unie binnen te vallen en te bezetten, of Noord-Amerika, of het grootste deel van Europa, of Taiwan te helpen bij de herovering van het Chinese vasteland. Die bedreigingen konden we niet alle-maal verifiëren, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat ze niet helemaal uit de lucht gegrepen lijken te zijn gezien de dingen die de kleurrijke leider van het land in het verleden heeft gezegd.
Zoekopdrachten naar geweld krijgen soms een Chinees tintje door het woord luan – meestal vertaald met ‘chaos’, een beladen woord dat vaak wordt gebruikt om politieke en sociale instabiliteit te suggereren. Verwijzingen naar luan komen voor bij resultaten voor Zuid-Afrika, maar vooral bij die voor Somalië. Internetgebruikers willen ook weten waarom Somalië – door The Economist ‘de meest mislukte staat ter wereld’ genoemd – geen regering heeft, waarom het Amerika haat en waarom het piraten heeft.
Van luchtiger aard zijn zoekopdrachten over voetbal. ‘De Ontembare Leeuwen’ staat boven aan de lijst van suggesties van vragen naar het nationale voetbalelftal van Kameroen. Baidu meldt ook dat het team van Nigeria ‘de Superadelaars’ wordt genoemd, hoewel die zoekopdracht in het niet zinkt bij veelvuldige vragen naar de korte verbanning van dat land uit de internationale competitie vorig jaar. Recente krantenkoppen vormden de aanleiding voor een eerste suggestie voor de Centraal Afrikaanse Republiek, waar sektarisch geweld heeft geleid tot kannibalisme.
Onze methode bestond uit het typen van de vraag ‘Waarom is [land X]…’, hoewel beperkte resultaten bij sommige landen ons in enkele gevallen tot een bredere aanpak heeft genoopt en we alleen de landsnaam intypten om te kijken welke auto-aanvullingen Baidu zou geven. Deze aanpak leverde onverwachte resultaten op voor onder meer Burundi (een vissoort uitsluitend voorkomend in een meer aldaar) en Soedan (de zaden van een plaatselijke variëteit van sorghum).
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.