Schrijver en essayist Susanna Crossman maakt in haar therapie voor traumaverwerking veel gebruik van spel, waarbij alle functionele kaders wegvallen en we losstaan van de tijd.
‘Neem een pen. Zet hem op papier. Teken waar je wilt. Hoe je wilt. Je weet wat Paul Klee zei: tekenen is een lijn mee uit wandelen nemen.’ Tijdens de ziekenhuisworkshop wend ik me naar een patiënt, glimlach en vervolg: ‘Dus laten we samen tekenen. We kunnen huizen tekenen, een pad tussen onze huizen. Laten we de verfdoos pakken. Draai het papier om. Ondersteboven. Als je het goed vindt, kan ik jouw lucht schilderen en jij de mijne… We kunnen spelen en iets maken…’
Al meer dan twintig jaar zeg ik al spelend en makend zulke zinnen in mijn rol als beeldend therapeut, gespecialiseerd in geestelijke gezondheid, en als docent en adviseur wanneer ik creatieve werkvormen toepas met dokters, ziekenhuisdirecteuren en ondernemers. Geïnspireerd door kunstenaars als Louise Bourgeois en Jackson Pollock, en door Plato, besteed ik mijn dagen al borend in wat de fenomenoloog en spelfilosoof Eugen Fink de ‘perzikhuid der dingen’ noemt. Die huid gloeit.
Prestatie-maatschappij
Volgens de Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han is de hedendaagse kapitalistische maatschappij een ‘prestatiemaatschappij’ geworden. We lijden onder een geïnternaliseerde druk om te presteren, om meer te doen, te zijn en te hebben, aldus tijdschrift Psyche. Volgens Han is het moderne zelf niet langer een subject, maar een project. Het zelf moet worden geoptimaliseerd, gemaximaliseerd, efficiënt gemaakt. We krijgen pas betekenis als we onze droombaan, het perfecte huis, een volmaakt leven hebben.
De Duitse filosoof Moritz Schlick (1882-1936) beschreef een eeuw geleden al dat dit een verkeerde benadering is. De ware betekenis van ons leven is volgens hem alleen te vinden in spel. Spel is een activiteit die we omwille van het spel zelf doen. Als we spelen, worden we niet gemotiveerd door beloningen, prestaties of externe doelen.
De filosoof Friedrich Nietzsche beschreef spel eens als ‘wording en ontbinding, bouwen en vernietigen zonder morele implicatie, in eeuwige onschuld’ – als een bezigheid die ‘in de wereld alleen is te vinden in het spel van de kunstenaar en het kind’. Als ik mijn zes jaar oude Jeanne vraagt wat er gebeurt als we spelen, zegt ze: ‘Als alle kinderen in de wereld op hetzelfde moment spelen, groeit het. Dan wordt het steeds groter.’ Spelen is als een droom, want, zoals de dichter Paul Valéry in 1914 schreef, dromen ‘combineren alle mogelijke manieren van verschillende indrukken.’ Spelen betekent het openen van massa’s mogelijkheden.
Toch vraagt spel, ondanks al die nadruk op mogelijkheden en vrijheid, paradoxaal genoeg om strikte regels, waarmee spelen een vaardigheid wordt die je kunt aanscherpen. Verschillende spelspecialisten, zoals Fink en de socioloog Roger Caillois, hebben geprobeerd de noodzakelijke criteria te beschrijven om de toestand van spel te bereiken, door Fink beschreven als licht brengen, of het ‘doen dagen’ van de wereld. Volgens een andere spelexpert, de psychiater Stuart Brown, komt onze spelbehoefte voort uit onze biologische neotenie: wij zijn de enige zoogdieren met een kindertijd van achttien jaar. Voor Brown heeft het spel een aantal hoofdeigenschappen: het is ongericht, vrijwillig en inherent aantrekkelijk, terwijl het je losmaakt van de tijd, je zelfbewustzijn vermindert en zorgt voor improvisatievermogen en continu verlangen. Als we spelen, leven we buiten de tijd en willen we niet ophouden.
Als we spelen, ervaren we een positieve vorm van Augustinus’ tijdsbesef. We bestaan buiten de kloktijd
Geïnspireerd door de improvisatiebeoefenaars Peter Slade, Miranda Tufnell en Keith Johnstone speel ik bij wijze van therapie met een volwassen groep het spel ‘We zijn…’ , en we bedenken om de beurt een scène die we vervolgens spelen. Alles is spontaan. ‘We zijn in slow motion een berg aan het beklimmen.’ ‘We zijn elke game die we spelen aan het verliezen.’ ‘We zijn een gloeiend heet stokbrood aan het eten.’ Na een uur zegt een patiënt verbaasd: ‘Ik had geen idee van de tijd.’ Vorige week zei een ziekenhuisdirecteur aan het eind van een sessie: ‘De tijd vloog voorbij vandaag.’ Als we spelen, ervaren we een positieve vorm van Augustinus’ tijdsbesef – niet de objectieve tijd van de ronddraaiende planeten, maar iets anders als gevolg van onze subjectieve waarneming. We bestaan buiten de kloktijd.
Waarom vallen orka’s boten aan?
Volgens de zeilgemeenschap zijn het aanvallen, maar de wetenschap bestempelt het gedrag van orka’s die boten rammen als ‘interacties’. Sinds 2020 zijn er minstens vifhonderd van zulke incidenten geteld in de Straat van Gibraltar. Omdat het om dieren gaat, blijft het speculeren over hun beweegredenen. Sommigen zien de interacties als aanval op het kapitalisme, aangezien ze luxueuze menselijke activiteiten en de ecologische schade door overconsumptie lijken te weerspiegelen. Maar volgens bioloog Alfredo López (El Mundo) moeten we uitkijken met menselijke eigenschappen aan orka’s toekennen. Volgens hem is er geen sprake van een aanval; uit zijn onderzoek blijkt dat orka’s zich onder mensen niet agressief gedragen. Aannemelijker zou zijn dat trauma een rol speelt, bijvoorbeeld door een ervaring met een vislijn. Marinewetenschapper zeggen dat we er waarschijnlijk nooit achter zullen komen wat hun gedrag bepaalt. Misschien is het gewoon spel.
(Zie ook 360 editie 233)
Mijn dochters zijn vijf of zes en ik observeer hen tijdens hun eerste ‘alsof’-spelletjes. Rose zegt: ‘Ik maak een trein.’ Urenlang zet ze stoelen op een rij voor ‘passagiers en machinisten’. Als alles klaar staat, verkondigt ze, tot mijn verrassing: ‘Nu is het klaar. Mag ik iets lekkers?’ Het spel is het proces, niet het eindproduct. Dat is belangrijk: als we spelen en kunst maken, zijn de producten die we maken, de dingen die we doen ‘autotelisch’ – ze zijn een doel in zichzelf. Zoals Hannah Arendt schreef: ‘Alleen waar we worden geconfronteerd met dingen die onafhankelijk van alle functionele kaders bestaan (…) spreken we van kunstwerken.’ Op deze manier zou je spel kunnen beschouwen als een antikapitalistische activiteit.
Een flow
Fink schreef, met een verwijzing naar de filosoof Martin Heidegger, dat het is ‘omdat we openstaan naar de wereld’ (wat ‘een openheid van Dasein naar de wereld’ impliceert) dat we überhaupt kunnen spelen. Heideggers idee van Dasein, een bij uitstek menselijk vermogen van in-de-wereld-zijn, verschilt niet veel van de ervaring die Mihaly Csikszentmihalyi, grondlegger van de positieve psychologie, definieert als een flow, als ‘in de zone’ zijn. In een flow verdwijnen tijdsbewustzijn en zelfbewustzijn. We voelen ons vervuld en willen de ervaring herhalen. Als je dat toepast op de medische context betekent de ervaring van een flow tijdens sessies dat patiënten terugkomen en na verloop van tijd de strijd aangaan, waarbij ze steeds dieper in het therapeutische proces graven.
Hetzelfde geldt voor opvoeding en werk. Spelen is een krachtige motor. Onlangs vertelde een dichter me dat ze na haar letterenstudie aan Oxford haar lust om te schrijven kwijt was als gevolg van een tirannieke docent. Pas later, toen ze zich met boekdrukkunst bezighield en ze een Grieks fragment van Sappho in heen en weer lopend schrift in linoleum kerfde, kwam haar wezenlijke plezier in woorden terug. Het tegengestelde van ‘flow’ is een toestand van ‘vechten of vluchten’.
Op een dag zegt een nieuwe patiënt tegen me: ‘Ik kan niet tekenen.’ In een centrum voor dagopvang staren de patiënt en ik naar een blanco vel papier. De intieme pianoklanken van Falling, Catching van Agnes Obel vullen het lokaal van de workshop. Muziek draalt rond verfpotten, schiet tussen sculpturen van vuilnisemmers en afdrukken van Camille Claudels optimistische schetsen door. De vrouw herhaalt: ‘Ik kan niet tekenen. Ik had nooit moeten stoppen met werken.’ Ze schudt haar hoofd en zegt nog eens: ‘Ik had nooit moeten stoppen met werken.’ De psychiater die haar geval behandelt, noemt dit haar litanie. Ze lijdt aan zware depressies. Ik zeg: ‘Volgens mij kan iedereen tekenen.’ Ik zet mijn pen op het witte papier en trek een kronkellijn. De vrouw stopt met praten en trekt eveneens een lijn. Ineens buigen onze lijnen naar elkaar toe in de vorm van een vlucht wilde ganzen. Terwijl de pianomuziek klinkt, vullen we de witte rechthoek met zwarte groeven die elkaar snijden, groeten, vermijden en parallel over de bladzijde bewegen.
Ze zegt: ‘Het lijkt nergens op.’ Ik zeg: ‘Verbeelding is net zo belangrijk als feiten’
Tien minuten later bekijken we ons werk. Ze zegt: ‘Maar het lijkt nergens op.’ Ik zeg: ‘Verbeelding is net zo belangrijk als feiten. Als we tekenen, beginnen we bij een unieke plek, een Locus Solus.’ Ze fluistert: ‘Ik had nooit moeten stoppen met werken.’ Het klinkt als een smeekbede, als een gebed in de ruimte. Ik vraag: ‘Wat zou je willen tekenen?’ Ze antwoordt: ‘Een golfbaan. Ik maaide daar vroeger altijd het gras.’ Ik knik: ’Geweldig idee.’
Op een nieuw vel papier zetten we de baan uit. Voor het eerst glimlachend geeft ze de afslagplaats aan, de bunkers en de greens. Veertig minuten lang tekenen we grassprieten. De weken erna tekenen we honderden, duizenden groene takjes en blaadjes, en ze glimlacht, streepje na streepje. Ik moet denken aan iets wat Gaston Bachelard schrijft in La poétique de l’espace (1957): ‘Als het beeld nieuw is, is de wereld nieuw.’ Als we spelen, scheppen we, verrijzen we, komen we tevoorschijn. Patiënten stappen uit hun psychische stoornis en ervaren vaak een sensatie van een nieuwe dageraad. Hun wereld is onverwacht groter geworden. Deuren gaan open.
Veilig voelen
Veel denkers en filosofen die over spel schrijven, lijken voorbij te gaan aan het feit dat een sprong in het duister vertrouwen vergt. Iemand moet zich veilig voelen om te kunnen spelen. Zonder vertrouwen is er geen flow, geen dageraad. Voor we de praktijksessies met een groep volwassenen of jongeren beginnen, schrijven we richtlijnen op en bedenken we onze spelcondities. We bespreken verschillende onderwerpen: het gebruik van mobiele telefoons, het belang van op tijd zijn, respect, meedoen, vertrouwelijkheid. Als we met volwassenen spelen, is er een grote, gerechtvaardigde angst om kinderachtig te worden behandeld of uitgelachen en op de een of andere manier bedrogen. Wil een groepsspel zin hebben, dan moet iedereen zich veilig voelen om te spelen.
De kinderarts en psychoanaliticus Donald Winnicott, die het belang van deze veiligheid benadrukt, ziet spel als iets wat plaatsvindt in de ‘transitieruimte’ tussen verbeelding en werkelijkheid. In een ‘alsof’-spel weet een kind best dat die banaan geen telefoon is, maar het belet hem of haar niet om op te nemen als er wordt gebeld. Voor Winnicott geeft spelen in deze tussenruimte kinderen de mogelijkheid hun plaats in de buitenwereld vorm te geven. Al heen en weer bewegend toetsen zij de werkelijkheid. Toch vereist dit toetsen – omdat kinderen met speelgoed gooien, met symbolisch gevaar en mislukking experimenteren – de aanwezigheid van ouders. De ouder zorgt ervoor dat het spel wordt ervaren zonder volgzaam of bang te zijn. Daarom stelde Winnicott dat als we als jonge kinderen veilig met gevaar spelen, we als volwassenen beter omgaan met afwijzing en verlies, en meer gezonde risico’s zullen nemen.
‘Laat je lichaam het denken doen,’ zeg ik tegen patiënten als we om de beurt een reeks vrije bewegingen verzinnen
Spel verenigt, schrijft Fink, ‘het opperste verlangen en het diepste lijden’. Jarenlang werkte ik met tieners die waren gediagnosticeerd als psychotisch. Een hoogtepunt van onze samenwerking was een kort surrealistisch toneelstuk, ‘De verdwenen aardappelstamper’, dat ze rond keukenvoorwerpen situeerden. De hoofdrollen waren voor een koelkast, een buffet, een broodrooster, een fornuis, een tafel en stoelen, en de verdwenen aardappelstamper. De tekst ging over in de steek gelaten worden door je ouders, over wanhoop, eenzaamheid, geweld, gevoelens van noodlot en hoop. Tijdens een training speelde een ziekenhuisdirecteur een keer al improviserend de rol van het dossier van een dode patiënt dat in een vuilnisbak was gegooid. Beide voorbeelden laten de louterende werking van spel zien, waarbij we de kans krijgen de donkere kanten van onszelf toe te laten.
De meeste van mijn dramatherapiesessies, ook als ik met beeldende kunst werk, beginnen met een warming-up, een zintuiglijke voorbereiding. We halen adem, rekken ons uit en geeuwen. De pionier van de dramatherapie, Peter Slade, benadrukte het belang van een dergelijke lichamelijkheid, de concrete actie bij spelen, bij huppelen en springen. ‘Laat je lichaam het denken doen,’ zeg ik tegen patiënten als we om de beurt een reeks vrije bewegingen verzinnen, terwijl we met onze armen draaien en springen, of waterpartijen ontwerpen voor Japanse miniatuurtuinen. In het spel kan het lichaam de eerste betekenisbron worden.
Overal op de wereld wordt de etymologie van het woord ‘spel’ herleid naar het diepgewortelde, instinctieve: in het Latijn verwijst ludere naar springende vissen en fladderende vogels. Het Angelsaksische lâcan betekent als een schip op de golven deinen, of trillen als een vlam. Het Sanskriet woord kridati beschrijft, net als in Germaanse talen, de beweging van de wind. Als we spelen, zijn we zelden bewegingsloos. We leven.
Tactiele sensaties
Een recente studie van de psychologen Maja Stanko-Kaczmarek en Lukasz Kaczmarek, werkzaam aan de Adam Mickiewicz-universiteit in Polen, bracht aan het licht dat de tactiele sensaties bij vingerverven een bewustzijnstoestand teweegbrengt die is gekoppeld aan welzijn. Als we schilderen, zitten we in het moment en onze aandacht is verruimd. Dit kan worden gesteld tegenover gepieker over het verleden of de toekomst, vaak een symptoom van mentale ziekte. Het fysieke karakter van spel en creatie plaatst ons in het hier en nu: het plaatst ons midden in onszelf en mobiliseert een belichaamd kenvermogen dat belangrijk is bij het leren van vaardigheden. In alle stadia van het leven kan bouwen met lego, breien, borduren en schilderen bijdragen tot psychisch welzijn.
Aan het eind van onze sessies vroeg ik patiënten vaak hun fysieke en ook hun mentale en emotionele gevoelens te duiden. Hugo Critchley, een expert in de interactie tussen lichaam en geest en mededirecteur van het Sacklercentrum voor Bewustzijnswetenschappen aan de Universiteit van Sussex, in Engeland, heeft het directe verband onderzocht tussen ‘interoceptie’ (het vermogen om prikkels in het eigen lichaam waar te nemen) en emotionele intelligentie. Spel kan een gedeelde, belichaamde activiteit zijn. Door collectief te spelen transcenderen we welbewust samen.
Het ‘alsof’ bij toneel vraagt om een collectieve ervaring, anders dan de schizofrene hallucinatie, die uniek is
Dit ‘gedeelde’ van spelen werd benadrukt door de Nederlandse historicus Johan Huizinga. In Homo ludens: Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur uit 1938 onderkende hij dat we als we spelen een ‘speelgemeenschap’ binnengaan. We ontlopen en verwerpen over en weer normen. Binnen de cirkel van een spel zijn normale wetten en gewoonten niet langer van toepassing. Ruimte en tijd in een spel zijn altijd beperkt: het podium, de speeltuin, het scherm, het vel papier, de workshop of de magische cirkel. Dus als we dramatherapie toepassen op patiënten met bijvoorbeeld schizofrenie, werkt zowel de groep als de ruimte als een afbakening, waardoor de persoon zijn verbeelding kan gebruiken op zo’n manier dat er geen hallucinaties optreden.
Jaren geleden alweer werkte ik eens met een Amerikaan met schizofrenie, die zich vaak inbeeldde dat iemand op het punt stond zijn hoofd van zijn romp te snijden. Iedere dag bleef hij in de ziekenhuisgangen fluisteren: ‘Ze komen me halen.’ Toch had hij na de warming-up in het lokaal van de dramatherapie zelden hallucinaties. Maandenlang vertolkte hij de rol van een hertog in een stuk dat we hadden gebaseerd op Shakespeares As You Like It (zonder dat hij daarbij ooit dacht dat hij echt een aristocraat was). Het ‘alsof’ bij toneel vraagt om een collectieve ervaring, anders dan de schizofrene hallucinatie, die uniek is. De veiligheid van de groep genereert ook vertrouwen en houvast bij de nieuwe werkelijkheid die ons toestaat denkbeeldige bergen te beklimmen, de zeven zeeën te bevaren.
Beeldende therapie
Op een dag schreef een psychiater beeldende therapie voor aan een jonge Spaanse man die was ingestort na maandenlange arbeid in een visverwerkingsfabriek en nu eetproblemen had. Tijdens onze eerste sessies stelde ik een spontane dadaïstische collage-oefening voor, waarbij hij intuïtief beelden en woorden selecteerde uit een verzameling die op de tafel lag uitgestald. Geen sprake van goede of verkeerde antwoorden. Hij verzamelde beelden van bloemen, een jongeman die zijn haar waste. Uit de uitgesneden woorden stelde hij een mooie, kale tekst samen over het zoeken naar water, naar leven. Maandenlang werkten we aan deze thema’s, waarbij we portretten en zelfportretten uit de achttiende eeuw onderzochten, en we sloten af met het maken van een kunstenaarsboek. Bij dit proces was het beginwerk de sleutel – een schijnbaar willekeurige selectie gebaseerd op een onbewuste keuze. Dit spontane element is een onderlaag op het canvas van het spel, een kernfundament van het huis. Maar hoe breng je spontaniteit teweeg?
Tijdens creativiteitsseminars spreek ik over de ‘wachters’ bij de poort van de geest over wie de toneelschrijver en filosoof Friedrich Schiller schreef aan zijn vriend, de jurist Christian Gottfried Körner – dus schildwachten van de rede wier taak het is onhandelbare creativiteit in toom te houden. ‘Stel, de wachters kijken over je schouder mee,’ zeg ik tegen een lokaal vol ondernemers. ‘Dit zijn je bewakers. Je wilt nieuwe ideeën ontwikkelen en problemen oplossen. Jouw ideeën, oplossingen komen bij de poort en – voordat ze een kans krijgen – filteren, ontkrachten, censureren je bewakers jouw ideeën als slecht, stompzinnig, belachelijk. De meeste van je ideeën komen er nooit doorheen.’ De groep lacht, en ik ga verder: ‘Als we creatief te werk gaan, halen we die bewakers weg. Dan laten we de ideeën stromen.’ In De droomduiding (1899) citeert Sigmund Freud Schiller, wanneer hij het uiten van ‘vrij opkomende’ ideeën aanmoedigt: ‘Het is schadelijk voor het creatieve werk van de geest als het intellect van te dichtbij de ideeën inspecteert die als het ware bij de poorten staan te dringen. Op zichzelf bezien mag een idee heel onbeduidend en heel gedurfd zijn (…) maar in een bepaald verband met andere, die even absurd mogen lijken, kan het misschien een heel bruikbare constructie vormen.’
Waar het hart sneller van klopt
Hoofdkussenboek (Makura no Sōshi) is een van de beroemdste literaire werken uit het klassieke Japan, geschreven rond het jaar 1000 tijdens het Heian-tijdperk door hofdame Sei Shōnagon. Het is een verzameling van observaties, gedachten, anekdotes, poëzie, lijstjes en commentaren op het hofleven die opvalt vanwege de lichtheid en originaliteit, en ook omdat deze veel vertelt over de tijd waarin ze leefde. In dit gedicht van haar wordt het leven voorgesteld als een toneelstuk.
Spreeuwen die hun jongen voeden.
Een huis passeren waar kleine kinderen buiten spelen.
In een kamer slapen waar men een delicate wierook heeft gebrand.
Zien dat je prachtige Chinese spiegel een beetje dof begint te worden. Gadeslaan hoe een heer zijn wagen voor je poort laat halthouden en zijn bedienden opdracht geeft zijn komst aan te kondigen. Je haar wassen, toilet maken en met parfum besprenkelde kledingstukken aantrekken; ook al is er geen levende ziel die je ziet, toch geven deze voorbereidingen je een heel plezierig gevoel.
Het is nacht en je verwacht een bezoeker. Plotseling word je verrast door het geluid van regendruppels die door de wind tegen de blinden slaan.
Vertaald uit het Engels (The Pillow Book of Sei Shōnagon, Ivan Morris) door Paul Heijman (2e druk, 1988, Nijgh en Van Ditmar).
Tijdens een workshop met een groep Franse maatschappelijk werkers gooien we verf op een doek à la Jackson Pollock. De cursus vindt plaats in een groot herenhuis. Ik heb op alle muren en vloeren zeildoek geplakt. De workshop heeft als thema lâcher prise – loslaten – bij besluitvorming, stressbeheersing, emotionele intelligentie, en het inzetten van creativiteit als middel. Met verfkwasten druppelen en spetteren we om de beurt met roze, blauwe, oranje, gele en paarse verf. Deze methode moedigt ons aan om zonder angst voor mislukking vorderingen te maken met de ‘growth mindset’, de op groei gerichte denkrichting, die is gemunt door de psycholoog Carol Dweck, gespecialiseerd in menselijke motivatie. We proberen te onderzoeken en ons te ontwikkelen, net als Pollock, die zei: ‘Als ik schilder, ben ik me er niet van bewust wat ik doe. Pas na een soort ‘kennismakingsperiode’ zie ik waar ik mee bezig ben geweest (…) Het schilderen heeft een eigen leven.’
De wezenlijke rol van spel, toeval en instinct bij creativiteit is erkend door vele vroegtwintigste-eeuwse kunstzinnige bewegingen, waaronder het dadaïsme en het surrealisme, en komt terug in jazz, en in latere bewegingen, zoals punk. Punk, erkent de Amerikaanse kunstenaar Judy Nylon, stond voor doe-het-zelf, vormverandering en streven naar de ‘grootst mogelijke armslag’. Spel heeft echter ook veel van de menselijke geschiedenis opgeluisterd, vanaf Nicholas de Cusa’s gebruik van de balspelmetafoor voor theologisch gepieker in De ludo globi (1463) tot aan de ontwikkeling van de commedia dell’arte. Plato benadrukte: ‘Het leven moet worden geleefd als een spel (…) en dan zal een mens in staat zijn de goden gunstig te stemmen, zichzelf te verdedigen tegen zijn vijanden en die wed strijd te winnen.’
Spelen is experimenteren, plezier herwinnen, het mogelijke en onmogelijke doen om het onmaakbare te verzinnen en te maken
Spelen is experimenteren, ontdekken, plezier herwinnen, het geheim blootleggen, het mogelijke en onmogelijke doen om het onmaakbare te verzinnen en te maken, de brug oversteken die je niet kon oversteken, water laten branden, op water lopen, vliegen. Het is voor iemand met pleinvrees zingen ten overstaan van een menigte, dansen, lachen en huilen, een afbeelding maken, zorgen, pijn en dood vergeten, buiten de tijd leven, in een flow zijn, verbinden, ontbinden, opnieuw verbinden, verbeelden, maken.
Het is een zomernamiddag op een afdeling kinderpsychiatrie in Frankrijk. Een dertienjarig meisje monstert me van top en teen en zegt: ‘Volgende maand kan ik niet naar de groep komen. Ik ga naar Wondirection.’ Ik zeg: ‘Wie zijn Wondirection?’ De groep tieners giechelt. Het meisje, dat ooit uit Rwanda is geadopteerd en oorlogstaferelen, verkrachting en geweld heeft meegemaakt, articuleert letter voor letter. ‘W-o-n d-i-r-e-c-t-i-o-n is een boyband.’ ‘O, One Direction,’ zeg ik. Iedereen lacht om mijn Britse accent. ‘Wat is jouw favoriete nummer van One Direction?’ vraag ik. Ze trekt haar wenkbrauwen op: ‘Daar vindt u toch niets aan.’ Ik zeg: ‘Dat weet je nooit, wie weet vind ik het geweldig. Waarom neem je volgende week geen cd mee?’ Ze haalt haar schouders op. De vijf tieners zeggen gedag. Een van hen is doof, een verminkt zichzelf, een ander kan het lokaal niet binnenkomen zonder te huilen. Later maken de psychiatrisch verpleegkundige en ik notities en spreken we over ziektegeschiedenissen, fobieën, ontspanning, anorexia, verbeelding, psychotische symptomen en het belang van lachen.
Leren omgaan met gevaren
Kinderen hebben baat bij de ‘Risky Playground’ van Mike Hewson.
The Conversation berichtte eind 2022 over riskante openbare speeltuinen van kunstenaar Mike Hewson in Melbourne en Sydney. ‘Alle speelbare onderdelen lijken geïmproviseerd, in elkaar geflanst met karton en kippengaas, precies in evenwicht of wankelend op het randje van instorten.’ Niet alleen is de constructie riskant, maar ook worden kinderen uitgenodigd om zelf risico’s te nemen.
De kunstwerken – met Hewsons achtergrond in techniek is elk speelbaar element minutieus ontworpen en structureel gebouwd – zijn een reactie op de risicomijdende houding ten opzichte van spelen. Al sinds begin jaren tachtig is er een grote focus op de risico’s, gevaren en veiligheid van kinderen. In onder meer Australië en de VS werden normen voor speelveiligheid ingevoerd. Het gevolg: speeltuinen werden gestandaardiseerd tot ‘saaie’, veilige versies.
‘De afgelopen dertig jaar zijn bij interpretaties van deze veiligheidsnormen vaak de betekenissen van “risico” en “gevaar” door elkaar gehaald, schrijft The Conversation. ‘Een risico is iets waarvan het kind zich bewust is, waardoor het gedwongen wordt de uitdaging te identificeren, analyseren en overwinnen; een gevaar brengt iemand in gevaar omdat er een voorwaarde voor letsel bestaat die de gebruiker niet kan waarnemen.’
‘Door deze betekenissen door elkaar te halen, is er een culturele houding ten opzichte van spelen ontstaan die zeer risicomijdend is’, aldus The Conversation. En dat is problematisch. Zo kan risicomijding ‘op de lange termijn gevolgen hebben voor de gezondheid, en mogelijk van invloed zijn op de ontwikkeling van angst, depressie, obesitas en diabetes.’ Vanuit dit idee werd in 1968 in Massachusett ook De Sudbury Valley School opgericht, bekend als ‘de school waar alles mag’.
(Zie ook 360 editie 49, ‘Ga toch spelen’.)
Bij de volgende sessie heeft het meisje de cd van One Direction bij zich en we luisteren naar haar favoriete nummer, What Makes You Beautiful. Bij de sessie erna stel ik het volgende voor: ‘We gaan doen of we bij een concert van One Direction zijn. De band loopt het podium op. Lichten flitsen. Wij roepen hun naam.’ Zo hard we kunnen roepen we ‘Niall, Zayn, Liam, Harry, Louis!’ en slaan dubbel van het lachen. De weken erna werken de tieners aan verhalen over een pakketreis naar Griekenland, waarbij ze rijden op onzichtbare ezels, verbranden door de zon en met elkaar zwemmen in de glinsterende zee. Een jongen met autisme kan alleen maar meedoen met improviseren als hij eerst een radioquiz nadoet en brult: ‘We hebben een winnaar!’
Intieme, persoonlijke handelingen
Aan het begin van elke sessie roepen we de namen van de bandleden. De laatste week, voor de schoolvakantie, zingen we met elkaar: ‘You don’t know you’re beautiful, that’s what makes you beautiful…’ (Je weet niet dat je mooi bent, daarom ben je mooi.)
In haar artikel ‘Maatschappij en cultuur’ uit 1960 schreef Arendt: ‘…zonder de schoonheid van menselijke, wereldlijke creaties die we kunst noemen, zonder hun stralende luister waarin potentiële onvergankelijkheid aan en in de wereld tot uiting komt, zou alle menselijk leven onbeduidend zijn en zou geen enkele grootsheid kunnen voortduren.’
Ondanks dit alles neem ik het woord ‘creatief’ niet graag in de mond, vanwege de populaire psychologische connecties: een bedrijfsjamboree die zwaar leunt op ‘kapitalistisch realisme’, goeroes met kraagloze hemden die elkaars hand vasthouden en harten op muren plakken. Als spelbegeleider voel ik diepe reserves bij formele, universele spelbeginselen. Ik zie spelen en creëren als intieme, persoonlijke handelingen. Hun kracht bij individuele verandering is hun Locus Solus. In ‘fragment 52’ beschrijft Heraclitus Eon, de kosmische tijd, als een spelend kind en spel als een metafoor voor het eeuwig levend kosmisch vuur, pur aeizoon, ‘de bliksemflits die alle dingen bestiert’. We kunnen en moeten denkbeeldige handelingen met elkaar delen, maar onze verbeelding – wil ze kracht hebben, ons omverwerpen en ons ’s nachts wakker houden omdat we verlangende schepselen zijn – zou met een uniek, levendig licht moeten mogen branden.