Het Witte Huis heeft alle onderdelen van de Amerikaanse federale overheid dertig dagen de tijd gegeven om ervoor te zorgen dat geen van hun werknemers TikTok, de Chinese app voor het delen van video’s, op hun werktelefoons hebben geïnstalleerd. Canada heeft de app onmiddellijk verwijderd van de telefoons van zijn ambtenaren, uit vrees dat Beijing toegang zou kunnen krijgen tot gebruikersgegevens.
Volgens TikTok worden de zorgen gevoed door verkeerde informatie. Deze acties hebben geen invloed op de meer dan 100 miljoen Amerikanen die het sociale netwerk gebruiken op privé- of bedrijfsapparaten, aldus CNBC.
Het Amerikaanse Congres stemde in december voor een motie om het gebruik van de Chinese video-app op overheidsapparaten te verbieden voor ambtenaren en gaf de regering-Biden zestig dagen de tijd om richtlijnen uit te vaardigen. De Amerikaanse politiek is er de laatste tijd op gebrand Chinese bedrijven aan te pakken uit vrees dat Beijing ze zou kunnen gebruiken om Amerikanen te bespioneren, schrijft het Amerikaanse nieuwskanaal.
Een agente van de Russische militaire inlichtingsdienst deed zich tien jaar lang voor als een Peruaans-Duitse juwelenontwerpster. Ze leidde een uitbundig sociaal bestaan en verkeerde tussen belangrijke diplomatieke figuren in Napels.
Op 15 september 2018 kocht een vrouw met een lange, Spaans klinkende naam in Napels een enkele reis Moskou. Al zo’n tien jaar lang reisde deze vrouw de wereld rond als een kosmopolitische, in Peru geboren societyfiguur met een eigen sieradenlijn. Die avond landde ze in Moskou en voor zover bekend is ze Rusland sindsdien niet meer uit geweest. Ze reisde op een paspoort met een nummer dat voorkwam in een reeks waarvan Bellingcat de dag ervoor had bekendgemaakt dat ze werden gebruikt door de GROe, de Russische militaire inlichtingendienst. Het nummer verschilde maar één cijfer van dat in de paspoorten waarmee de GROe-chef van de vermoedelijke daders van de aanslag met novitsjok in Salisbury zes maanden eerder naar Engeland was gereisd.
De naam op haar paspoort was Maria Adela Kuhfeldt Rivera; NAVO-mensen in Napels kenden haar al jaren als een succesvolle sieradenmaakster met een bont verleden en een chaotisch privéleven. Samen met onze onderzoekspartners achterhaalden wij haar ware identiteit: een spion van de GROe.
Dit gezamenlijke onderzoek van Bellingcat, Der Spiegel, The Insider en la Repubblica heeft tien maanden geduurd. De uitkomst berust op gegevens uit open bronnen, openbaar toegankelijke archieven, WOB-gegevens uit Peru, uitgelekte Russische databases en interviews met mensen die met de betreffende Russin bevriend waren geraakt zonder te weten dat ze een spion was. De meesten gaven toestemming om hier bij naam genoemd te worden, al waren ze aanvankelijk bang om zich publiekelijk uit te laten over iemand van wie ze nu weten dat ze spioneerde voor de GROe. Een paar informanten wilden om die reden alleen anoniem worden geciteerd.
In 2006 kreeg ‘Maria Adela’ haar eerste Russische paspoort. Volgens de voor haar gecreëerde dekmantel werkte ze als ‘senior specialist’ aan de Staatsuniversiteit van Moskou, en volgens bevolkingsregisters woonde ze in elk geval vanaf 2010 op een adres in Moskou. De huidige bewoners van dat adres hadden nog nooit van haar gehoord.
Opvallend is dat het nummer van haar Russische paspoort behoort tot een reeks waarvan minstens zes andere nummers ook zijn gebruikt voor paspoorten van GROe-spionnen
Opvallend is dat het nummer van haar Russische paspoort behoort tot een reeks waarvan minstens zes andere nummers ook zijn gebruikt voor paspoorten van GROe-spionnen. Onder hen was een inlichtingenofficier die is aangeklaagd voor de vergiftiging van de Bulgaarse wapenhandelaar Emilian Gebrev en een andere agent die betrokken was bij de vergiftiging van Sergej Skripal.
‘Maria Adela’ als lid van de Lions Club Monte Nuovo. Deze foto met haar en andere leden staat op de website van de Lions.
Uit interviews met vier mensen die in de daaropvolgende tien jaar met haar bevriend raakten, komt naar voren dat ‘Maria Adela’ het volgende vertelde over haar naam en afkomst: ze was het kind van een Duitse vader en een Peruaanse moeder, en ze was geboren in Callao, in Peru. In 1980 was haar alleenstaande moeder met de kleine ‘Maria Adela’ naar de Sovjet-Unie gereisd om de Olympische Spelen in Moskou bij te wonen. Toen haar moeder daar een alarmerend bericht van het thuisfront kreeg, was ze snel teruggevlogen naar Peru en had de kleine ‘Maria Adela’ achtergelaten bij een Russisch gezin waarmee ze blijkbaar bevriend was geraakt.
Haar moeder was nooit meer teruggekomen en ‘Maria Adela’ was opgegroeid in Rusland. Ze had een slechte verhouding met zowel haar adoptiemoeder als haar adoptievader, die haar in haar jeugd zou hebben misbruikt. Dat was de reden dat ze niet meer in Rusland wilde wonen en niet met een Rus wilde trouwen, zo vertelde ze vrienden, en de reden voor haar wens om in West-Europa te wonen en daar een gezin te stichten.
Gemmologie
Marcelle D’Argy Smith, voormalig hoofdredacteur van de Britse Cosmopolitan, raakte met haar bevriend toen ze haar in de zomer van 2010 op Malta leerde kennen op een borrel. ‘Maria Adela’ woonde daar destijds met haar toenmalige vriend, maar verhuisde naar Ostia, bij Rome, om een opleiding te volgen in de gemmologie (edelsteenkunde). Volgens D’Argy Smith deed ze erg haar best om op grond van de nationaliteit van haar vader een Duits paspoort te krijgen. Maar die aanvraag verzandde toen ze er plotseling haar interesse voor leek te verliezen. De oudste internationale reisgegevens van ‘Maria Adela’ die Bellingcat heeft kunnen traceren, dateren van 10 oktober 2011, toen ze voor het eerst de tweeënhalve dag durende treinrit maakte van Moskou naar Parijs via Belarus, een reis die ze nog vaak zou herhalen.
Volgens D’Argy Smith studeerde ‘Maria Adela’ aanvankelijk gemmologie aan een universiteit in Rome en nam ze in februari 2011 deel aan een door haar opleiding georganiseerde reis naar verschillende modehuizen in het Verenigd Koninkrijk. In oktober van dat jaar verhuisde ‘Maria Adela’ naar Parijs om er een MBA te gaan halen. Door la Repubblica opgevraagde Italiaanse immigratiegegevens stroken met de herinneringen van D’Argy Smith: eerst kreeg ‘Maria Adela’ een aantal Franse visa voor kort verblijf en in september 2011 uiteindelijk een studentenvisum. Kort nadat ze naar Parijs was verhuisd, legde ze in Frankrijk haar eigen sieradenmerk vast, Serein. Dit was waarschijnlijk de voorbereidende fase van een langetermijnplan van de GROe om hun spion in te zetten als zelfstandige zakenvrouw en societyfiguur. Onder die dekmantel probeerde ze in de jaren daarna contact te leggen met hooggeplaatste personen uit het NAVO-hoofdkwartier in Napels.
Als doodsoorzaak vermeldde de overlijdensakte “dubbele longontsteking en systemische lupus”
In juli 2012 trouwde ‘Maria Adela’ met een man die volgens haar een Italiaan was, zo kregen wij van drie van haar kennissen te horen. In werkelijkheid had haar echtgenoot naast zijn Italiaanse paspoort ook de Ecuadoraanse en Russische nationaliteit: hij was in Moskou geboren als kind van een Russische moeder en een vader uit Ecuador. Uitgelekte Russische reis- en migratiegegevens en openbare gegevens van zijn sociale media tonen aan dat de echtgenoot zijn Russische paspoort in april 2012, vlak voor hun huwelijk, had gekregen van de Russische ambassade in Ecuador. Nadat hun huwelijk in Rome was geregistreerd, reisde hij naar Moskou en kreeg daar in september 2012 een Russisch sofinummer. Een jaar later reisde hij zonder ‘Maria Adela’ opnieuw naar Moskou, waar hij op 13 juli 2013 op dertigjarige leeftijd overleed. Als doodsoorzaak vermeldde de overlijdensakte ‘dubbele longontsteking en systemische lupus’.
Verstandshuwelijk
Uit grensovergangsgegevens blijkt dat ‘Maria Adela’ ten tijde van zijn overlijden niet in Rusland was en pas een maand later, op 15 augustus 2013, in Moskou aankwam. Iemand uit de vriendenkring van de man, die uit vrees voor eigen veiligheid alleen op voorwaarde van anonimiteit met The Insider wilde spreken, zei verbaasd te zijn geweest toen hij zonder zijn vrienden in te lichten ineens was getrouwd. Deze persoon speculeerde dat het wellicht een verstandshuwelijk betrof om iemand aan een Europees paspoort te helpen en wist ook te melden dat de diagnose lupus dateerde van nog geen twee maanden voor zijn plotse dood. (Systemische lupus is een aandoening van het bindweefsel waarvan de oorzaak onbekend is en die volgens de medische literatuur zeldzaam is bij jonge mannen.)
Artikelen die te koop werden aangeboden door Serein, het juwelenmerk van ‘Maria Adela’.
Na haar huwelijk liet ‘Maria Adela’ haar bedrijf ook in Italië registreren: Serein SRL, met als vermelde activiteiten de productie van en handel in sieraden en luxeartikelen. Uit een door de politie van Napels afgegeven verblijfsvergunning die is opgevraagd door la Repubblica, blijkt dat ze uiterlijk in oktober 2015 is verhuisd naar een appartement in de chique wijk Posillipo, met uitzicht op de Golf van Napels.
In de loop van 2015 werd ze secretaris – en een van de actiefste leden – van de Lions Club Napoli Monte Nuovo
In de drie jaar daarna bereikte de carrière van ‘Maria Adela’ als Russische spion in Napels haar hoogtepunt. Ze werd er een bekende verschijning in de sociale scene. Ze opende een boetiek voor sieraden en andere luxeartikelen, waar ze later een club van maakte die populair was in de hogere kringen, en werd secretaris van een liefdadigheidsinstelling waarvan de bijeenkomsten werden bezocht door medewerkers van het NAVO-hoofdkwartier in de stad. In de boetiek verkocht ze sieraden van haar eigen merk Serein, die ze zelf ontworpen zei te hebben. Op de website van haar bedrijf, die nu niet meer bestaat, werden de sieraden aangeprezen als ‘ontworpen voor de modebewuste vrouw die niet van overdaad houdt’. Maar zoek je op internet naar vergelijkbare afbeeldingen van de zelfgemaakte, kleurrijke ‘made in Napoli’-juwelen die ze verkocht, dan lijkt het te gaan om goedkope sieraden die online verkrijgbaar zijn bij Chinese groothandelaren.
Een door ‘Maria Adela’ op Facebook geplaatste foto van een diner ter gelegenheid van een verjaardagsfeest in 2016.
Dat verhinderde niet dat haar ster rijzende was als trendy sieradenontwerpster en gastvrouw in de Napolitaanse society. Als Adela Serein, zoals ze zich volgens vrienden meestal noemde, maakte ze ook haar opwachting in lokale media, zoals in een promotiefilmpje over de lancering van de ‘Serein Conceptgalerie’, waarover een lokale krant schreef dat die werd bijgewoond door gemeenteraadsleden, ondernemers en beroemdheden. [https://vimeo.com/148927805] En de contacten van ‘Maria Adela’ beperkten zich niet tot de Napolitaanse beau monde. In de loop van 2015 werd ze secretaris – en een van de actiefste leden – van de Lions Club Napoli Monte Nuovo. Dit is niet zomaar de lokale tak van deze wereldwijde, aan maatschappelijke verbetering gewijde organisatie: deze Lions Club-afdeling is oorspronkelijk opgezet door een in Napels gestationeerde NAVO-officier.
Warrig en weinig overtuigend
Volgens luitenant-kolonel Thorsten S., een Duitse militair die er in 2015 penningmeester was, kampten ze destijds met een teruglopend ledenaantal en had iemand uit het bestuur van de grootste Lions Club in Napels ‘Maria Adela’ als secretaris getipt, om de ledenwerving nieuw elan en internationale uitstraling te geven. Hij weet nog dat ze haar best deed om de activiteiten van de club nieuw leven in te blazen, dat ze alle bijeenkomsten bijwoonde en op een gegeven moment in 2018, toen het ledenaantal bleef teruglopen en de afdeling dreigde te worden opgeheven, zelfs aanbood de contributie van alle leden te betalen. Waarom ze dat wilde doen heeft luitenant-kolonel Thorsten S. nooit goed begrepen.
‘Maria Adela’ besprak ook haar liefdesleven met vrienden. Marcelle D’Argy Smith gaf Bellingcat inzage in een e-mail waarin ‘Maria Adela’ schreef dat een werknemer van de Amerikaanse marine die fotograaf was ‘een beetje verliefd’ op haar was.
Een krantenartikel uit Bahrein waarin ‘Maria Adela Rivera Kuhfeldt’ wordt genoemd, en een foto van haar op de juwelenexpo. Beide werden in december 2013 gemaild naar Marcelle D’Argy Smith.
Maar niet iedereen die ze in Napels leerde kennen werd verliefd op haar – verre van. Een van de mensen die het goed met haar leek te kunnen vinden was kolonel Shelia Bryant, destijds inspecteur-generaal voor de Amerikaanse marine in Europa en Afrika. Bryant vertrok in mei 2018 uit Napels om zich voor de Democraten verkiesbaar te stellen voor het Huis van Afgevaardigden. Zij zegt dat ze het verhaal van ‘Maria Adela’ over haar verleden warrig en weinig overtuigend vond (‘waarom zou je als moeder je kind in de Sovjet-Unie achterlaten?’) en haar inkomsten moeilijk verklaarbaar (‘zonder geloofwaardige inkomstenstroom opende ze een boetiek en nam ze ettelijke keren een nieuw appartement in de rijke buurten van de stad’). Bryant zegt dat zij en haar man zich in hun contacten met de vrouw beperkten tot privéonderwerpen, en dat ze ‘Maria Adela’ probeerden bij te staan in de moeizame relaties die ze met mannen leek te hebben. Ze waren aan haar voorgesteld door de vrouw van een in Napels gestationeerde leverancier voor de Amerikaanse overheid. Journalisten hebben herhaaldelijk geprobeerd ook met deze vrouw contact te krijgen, maar toen een onderzoeker van Bellingcat haar via Facebook benaderde, werd die door haar geblokkeerd, en voor verslaggevers van Der Spiegel nam ze de telefoon niet op.
Ze nodigde haar kennissen bij de NAVO ook uit in haar boetiek
Iemand anders die volgens luitenant-kolonel Thorsten S. bevriend was met ‘Maria Adela’ (tot ze in 2018 ruzie kregen) werkte als datasysteembeheerder op het NAVO-hoofdkwartier in Napels. Deze persoon, die inmiddels niet meer voor de NAVO werkt, had aanvankelijk toegezegd Der Spiegel te woord te staan; toen bleek wat het beoogde onderwerp van het interview was, kwam er echter geen reactie meer op telefoontjes en berichten van Der Spiegel en Bellingcat.
Het staat vast dat ‘Maria Adela’ direct persoonlijk contact heeft gehad met tal van Europese en Amerikaanse NAVO-officieren in Napels, en dat ze bij sommigen van hen zelfs thuis over de vloer kwam, maar het is niet duidelijk of ze ooit op de NAVO-basis is geweest. Te oordelen naar verschillende digitale sporen en de herinneringen van kennissen was ze wel aanwezig bij tal van door de NAVO of de Amerikaanse krijgsmacht georganiseerde evenementen, waaronder het jaarlijkse NAVO-bal, diverse fundraisingdiners en het jaarlijkse bal van de Amerikaanse marine. Ze nodigde haar kennissen bij de NAVO ook uit in haar boetiek en minstens een van hen herinnerde zich daar sieraden te hebben gekocht.
Uit de herinneringen van D’Argy Smith en berichten op de Facebookpagina van ‘Maria Adela’ en van haar bedrijf komt naar voren dat ze vanaf 2013 geregeld naar Bahrein reisde, zogenaamd voor de jaarbeurs Jewellery Arabia. Na zo’n bezoek aan die beurs mailde ze D’Argy Smith: ‘Het is allemaal goed gegaan in Bahrein, we hebben alleen niets verkocht. […] Maar het was een geweldige beurs, ik ben dol op dit land en de mensen die ik hier heb leren kennen. Toen ik na vijf dagen terug wilde vliegen, moest ik via Moskou reizen omdat het niet goed ging met mijn moeder. Ik ben daar een week gebleven en toen teruggekomen naar Italië. Nu ben ik bezig met de catalogus en het verbeteren van de sieraden. Met Kerst moet ik weer naar Moskou, want het gaat nog steeds niet goed met mijn moeder.’
Een post op de Facebookpagina van Serein lijkt ‘Maria Adela’ te tonen met de toenmalige premier van Bahrein, Khalifa bin Salman Al Khalifa, in 2014.
Waar en met wie ‘Maria Adela’ zich in Bahrein heeft opgehouden, heeft het onderzoeksteam niet kunnen achterhalen. Maar het moet misschien worden opgemerkt dat de Amerikaanse Naval Support Activity Base zich in dat land bevindt, de marinebasis waar het hoofdkwartier van de Amerikaanse vijfde vloot is gevestigd. Die basis omvat zo’n zevenduizend Amerikaanse manschappen.
Cryptisch berichtje
In 2018 vloog de fictieve ‘Maria Adela’ een laatste keer naar Moskou. Ditmaal reisde ze op een nieuw, derde Russische paspoort. Net als haar eerdere twee paspoorten had dit een serienummer uit een reeks die was toegewezen aan de GROe. Het was op slag gedaan met haar tot dan toe zo actieve sociale leven in de stad; geen van de geïnterviewde kennissen kan zich heugen dat zij ooit gewag had gemaakt van plannen om Italië voorgoed te verlaten, of eventuele redenen daarvoor. Het enige aandenken aan haar leven tot 2018 dat ‘Maria Adela’ mee naar huis nam, zo blijkt uit gegevens van de grenspolitie, was een kat. Ze had een zwarte kat, Luisa, door twee van haar kennissen omschreven als de enige stabiele factor in haar leven.
Daarin suggereerde ze dat ze kanker had gehad en zei ze dat haar haar terug moest groeien ‘na de chemo’
Twee maanden na haar vertrek plaatste ze nog één cryptisch berichtje op haar Facebookpagina. Daarin suggereerde ze dat ze kanker had gehad en zei ze dat haar haar terug moest groeien ‘na de chemo’. Maar toen de geschrokken vrienden van ‘Maria Adela’ dit bericht lazen, reed de vrouw achter deze fictieve persoon, een GROe-agente genaamd Olga, in het nieuwste model Audi in Moskou rond op zoek naar een splinternieuw luxeappartement in een chique wijk. En iets meer dan drie jaar nadat ze uit Napels was vertrokken, stuurde ‘Maria Adela’ op 4 december 2021 nog één laatste teken van leven, ditmaal een cryptisch WhatsAppbericht aan Marcelle D’Argy Smith:
‘Lieve lieve Marcelle! Er zijn veel dingen die ik niet kan (en nooit zal kunnen) uitleggen! Maar ik mis je ontzettend en heel heel erg…’
Eind 2021 kon Bellingcat met zijn onderzoekspartners concluderen dat ‘Maria Adela’ wel voor de GROe moet hebben gewerkt, op grond van verschillende overeenkomsten tussen haar gedrag en haar valse identiteit enerzijds en de werkwijze van de Russische militaire inlichtingendienst anderzijds. Ten eerste bestaat er in geen enkele Russische database (inclusief de uitgebreide officiële paspoortdatabase) een persoon met haar naam en geboortedatum, maar komt die naam wel voor in een in 2007 gelekte dataverzameling met paspoortnummers en adressen waarin we eerder al andere ontmaskerde GROe-agenten met hun valse identiteit hadden gevonden. Ze had minstens drie paspoorten gekregen – één binnenlands en twee internationale reispaspoorten – met nummers uit een reeks waarvan er veel gebruikt zijn voor paspoorten van bewezen GROe-agenten. Haar dekmantel was dat ze in Zuid-Amerika was geboren en van gemengde afkomst was – een terugkerend stramien bij dekmantels van zowel de buitenlandse inlichtingendienst van Rusland, de SVR, als de GROe, zoals onlangs weer bleek bij de aanhouding en uitzetting van een GROe-spion die jarenlang in de VS en Ierland had gewoond en daar doorging voor de zoon van een Braziliaanse vrouw en een Duitse vader. En in theorie was het ook mogelijk dat ‘Maria Adela’ voor de SVR werkte, maar het feit dat haar paspoortnummer uit een door de GROe gebruikte reeks kwam, plus haar klaarblijkelijke interesse in de NAVO, maakt het veel waarschijnlijker dat ze voor de militaire inlichtingendienst werkte.
Zoektocht
Maandenlang had ons team grote moeite om haar ware identiteit te achterhalen. Er waren geen foto’s van deze vrouw te vinden op Russische sociale media, en het zoeken naar vergelijkbare afbeeldingen leverde niets op. De Russische telefoonnummers die in 2007 in de aanvraaggegevens voor haar valse identiteit als contactpersonen waren opgegeven, stonden op naam van een ‘anonieme persoon’ (ook weer een aanwijzing dat ze voor een inlichtingendienst werkte, want telefoonnummers moeten in Rusland altijd op naam van een echte persoon staan). Een zoektocht in de uitgebreide beeldbank van Russische paspoorten leverde geen overtuigende treffers op. Wel honderden mogelijke treffers met een lage waarschijnlijkheidsgraad, die ons team begon na te lopen op dwarsverbanden met andere gegevens. Door ook deze minder overtuigende treffers uitgebreid door te lichten kwamen we uiteindelijk toch uit bij de échte persoon achter ‘Maria Adela’.
Een positieve match tussen foto’s van ‘Maria Adela’ en Olga Kolobova met behulp van de gezichtsherkenningstool Azure.
Twee van sociale media afkomstige foto’s van ‘Maria Adela’ op verschillende leeftijden leverden in de gezichtsherkenningssoftware Azure van Microsoft een belabberde match van nog geen 35 procent op met een oude pasfoto van een in 1982 geboren Russische staatsburger genaamd Olga Kolobova. Nadat deze match eerst terzijde was gelegd, werd hij door de onderzoekers nog eens opnieuw onder de loep genomen vanuit de gedachte dat het een oude foto was, van toen de betreffende vrouw waarschijnlijk pas veertien of vijftien was. En de andere raakpunten tussen deze twee personen bleken al snel bijzonder intrigerend. Ten eerste had deze Olga Kolobova geen enkele digitale aanwezigheid in Moskou tot 2018. In geen van de tientallen uitgelekte Moskouse databases werd ook maar één adresregistratie, verkeersovertreding of telefoonnummerregistratie op haar naam gevonden. Maar vanaf november 2018 was ze digitaal ineens heel actief aanwezig – precies vanaf de tijd dat ‘Maria Adela’ was teruggekeerd naar Moskou.
Nieuwste model Audi 3
En er kwamen nog andere raakpunten aan het licht. Uit databases bleek dat Olga Kolobova in november 2018 haar eerste auto in Rusland had gekocht: het nieuwste model Audi 3. Op het Instagramaccount van ‘Maria Adela’ is een foto te zien waarin ze achter het stuur van een Audi uit 2016 zit, wat lijkt te wijzen op een voorliefde voor dit model. Vervolgens ontdekten we op het Russische socialemediaplatform Odnoklassniki een in 2019 aangemaakt account met de naam en geboortedatum van Olga. Daarop deelde ze pro-oorlogsberichten van de groep ‘Vrienden van Poetin’ en was ze verder maar van één andere groep lid: die van een dierenkliniek in Moskou waar je onder andere terecht kunt met je kat.
Haar kat was de enige stabiele factor in haar leven
Met behulp van oudere uitgelekte databases van andere Russische steden hebben we uiteindelijk ook oudere sporen van Olga’s digitale aanwezigheid in Rusland kunnen vinden: in 2005, toen ze 23 was, liet ze een bedrijf voor de handel in drank registreren in de regio Krasnodar. Op basis van haar toenmalige adres hebben we ook kunnen achterhalen wie haar vader was. Die bleek tot zijn pensionering in 2007 hoofd van de militaire faculteit aan de Staatsuniversiteit van de Oeral in Jekaterinenburg te zijn geweest. En nog intrigerender was dat deze kolonel op de website van de universiteit werd aangeprezen om de talrijke onderscheidingen en medailles die hij had gekregen ‘wegens zijn verdiensten voor het vaderland in den vreemde, waaronder Angola, Irak en Syrië’. Uit eerder onderzoek is gebleken dat kinderen van hooggeplaatste militairen, zeker als die voor de inlichtingendiensten werken, vaak worden gerekruteerd als GROe-spion. Ook dit leek dus weer een aanwijzing dat ‘Maria Adela’ en Olga weleens een en dezelfde persoon konden zijn.
Een vergelijking van twee afbeeldingen in de gezichtsherkenningstool geeft een negatief resultaat, maar wordt nog verder onderzocht.
Deze veronderstelling werd ondersteund door het feit dat Olga Kolobova eigenaar was geworden van twee appartementen in Moskou op tijdstippen waarop ‘Maria Adela’ in Rusland was. Het eerste, een kleine studio op een gewilde locatie, werd gekocht tijdens een van haar reizen naar Rusland in april 2013. Het tweede, een luxe appartement van 100 vierkante meter in een dure flat, die op grond van wat vergelijkbare woningen kosten nu zo’n 800.000 euro waard moet zijn, werd aangeschaft in 2020. Daarnaast bleek uit gelekte gegevens van maaltijdenbezorger YandexFoods dat Olga tijdens kantooruren maaltijden had laten bezorgen op een adres van het Pensioenfonds van de Russische Federatie. Als ze daar administratief medewerker is, is het een raadsel waar ze het geld vandaan haalde om deze appartementen te kopen.
Olga Kolobova
Op basis van al deze aanwijzingen wist ons team een recente foto van Olga Kolobova te bemachtigen via een klokkenluider die toegang had tot de Russische databank van rijbewijzen. Die foto, die uit 2021 lijkt te zijn, levert in de software wel een overtuigende match op na vergelijking met de foto’s van ‘Maria Adela’. Bovendien wordt de profielfoto die ‘Maria Adela’ op Facebook gebruikte ook door Olga als profielfoto gebruikt op WhatsApp. En diezelfde foto was door ‘Maria Adela’ ook op Instagram gezet.
Samen met alle andere overeenkomsten was dat genoeg om de echte identiteit van ‘Maria Adela’ vast te stellen. Maar dat ze voor de GROe werkte? Dat leek wel heel waarschijnlijk op grond van haar paspoortnummers, dat verhaal over die Zuid-Amerikaanse afkomst dat ook door minstens één andere GROe-agent is gebruikt, en het verleden van haar vader. Maar in een poging dit nog nader te bevestigen besloten we de metadata van het telefoonverkeer voor het nummer van Olga Kolobova te analyseren. En op 23 februari 2022, de Dag van de verdedigers van het vaderland in Rusland, belde Olga een nummer dat ons team bekend voorkwam uit een eerder onderzoek: het nummer van het hoofd van afdeling 5 van de GROe.
Zo stopte zij uit eigen beweging, niet omdat ze door westerse inlichtingendiensten was ontmaskerd
De bijna tien jaar lange dienst van Olga Kolobova als spion in het Westen verschilt in diverse opzichten van die van andere bekende Russische spionnen. Zo stopte zij uit eigen beweging, niet omdat ze door westerse inlichtingendiensten was ontmaskerd. Dan rijst de vraag of de GROe haar missie in Europa als een succes of als een mislukking beschouwt. In vergelijking met andere bekende Russische spionnen die tientallen jaren in het Westen hebben gewoond en slechts matig interessante netwerken wisten op te bouwen, lijkt het netwerk van ‘Maria Adela’ in ieder geval op papier wel indrukwekkend: contacten met officieren van de NAVO en de Amerikaanse marine, van wie sommigen toegang zullen hebben gehad tot foto’s van de basis en vertrouwelijke bestanden en databases. En onder het mom van bezoekjes aan vrienden en handelsbeurzen heeft Kolobova in die periode ook veel gereisd, in Europa en naar Bahrein en mogelijk ook Thailand. Dat kan op zichzelf al nuttig zijn geweest voor de GROe.
Er zijn geen aanwijzingen dat de westerse contraspionagediensten en de veiligheidsdienst van de NAVO wisten dat een Russische militaire spion zo dicht bij het NAVO-hoofdkwartier was gestationeerd. Geen van de kennissen van ‘Maria Adela’ die wij hebben gesproken (en die allemaal op grond van openbare bronnen waren te vinden) is door de NAVO of opsporingsinstanties benaderd om over hun contacten met deze Russin te worden verhoord. The Insider en Der Spiegel hebben Olga Kolobova via Telegram en e-mail om commentaar gevraagd. De Telegram-berichten lijken wel te zijn bekeken, maar ze heeft niet gereageerd.
De Amerikaanse minister van Justitie Merrick Garland heeft maandag de Chinese staat ervan beschuldigd ‘het Amerikaanse rechtssysteem te ondermijnen’, technologie te stelen en Chinese burgers die naar de Verenigde Staten migreren te intimideren, bericht The New York Times. Deze uitspraken deed Garland tijdens een persconferentie waarin hij de aanklachten aankondigde tegen dertien Chinese staatsburgers die voor de inlichtingendienst van Beijing zouden werken.
De persoon bleek voor de FBI te werken en overhandigde valse documenten
Twee van de aangeklaagde Chinese burgers zouden spioneren voor Huawei, een Chinees telecommunicatiebedrijf, dat wordt beschuldigd van het stelen van handelsgeheimen. Het tweetal zou tevergeefs hebben geprobeerd voorkennis te verkrijgen over een federaal onderzoek naar het bedrijf door steekpenningen te betalen aan een ambtenaar die toegang had tot gevoelige details van het gerechtelijk onderzoek naar Huawei. De persoon bleek voor de FBI te werken en overhandigde valse documenten.
De aanklacht maakte deel uit van drie ongerelateerde rechtszaken tegen Chinese inlichtingenagenten in de Verenigde Staten die maandag werden aangekondigd, ‘een dag nadat president Xi Jinping van China zijn greep op de macht verstevigde toen het congres van de Communistische Partij in Beijing werd afgesloten’, schrijft The New York Times.
Het schandaal rond de vergiftigde Russische ex-spion Sergej Skripal heeft de verhoudingen tussen Rusland en het Westen nog meer op scherp gezet.
Over en weer werd een ongekend aantal diplomaten uitgezet. Daarmee herleeft een oude strijd tussen de Russische en Britse geheime diensten. Deze volgt op de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen. De spionnen zijn dus terug, maar ze zijn niet meer hetzelfde als in de tijd van John le Carré.
In deze Reader onder meer een spionagedossier, cheerleaders en veel artikelen over eten.
Soms vind je de interessantste weetjes op plekken waar je ze het minst verwacht. Zo blijkt uit een reportage in deze Reader dat beide presidenten Bush ooit cheerleader zijn geweest. In het stuk schetst de verslaggever van The New York Times hoe dit door-en-door Amerikaanse fenomeen ooit begon als een activiteit voor mannen die acrobatische toeren uithaalden op het sportveld. Pas later werden zij overvleugeld door sexy vrouwen in laarzen en hotpants, die met één knipoog het mannelijke publiek konden doen smelten. Overigens zijn de mannen – in de slipstream van #MeToo – intussen weer aan een comeback bezig.
In het Verenigd Koninkrijk had de bloem der natie zoals bekend andere hobby’s, zoals spionage. Veel kinderen uit de leidende klasse gingen zelf bij de service en/of schreven er boeken over. Denk aan John le Carré, William Somerset Maugham en Ian Fleming. Na het einde van de Koude Oorlog leek de spion even verdwenen, maar inmiddels – zo wordt gememoreerd in ons dossier – is deze weer helemaal terug. Zie de praktijken van de NSA, de Russische inmenging in de Amerikaanse verkiezingen en de recente aanslag op voormalig spion Sergej Skripal in Londen.
Hoe gevaarlijk zijn die Russen nou eigenlijk met hun spionageactiviteiten?
Wat je je daarbij wel kunt afvragen: hoe gevaarlijk zijn die Russen nou eigenlijk met hun spionageactiviteiten? Russische en westerse media lijken het erover eens dat Poetin met al zijn hacks maar weinig heeft bereikt. Behalve – en misschien is het hem daar wel om te doen – het zaaien van angst. Net als de islamistische terroristen weet hij met kleine middelen grote paniek te veroorzaken.
Naast deze geopolitieke bespiegelingen vindt u in deze editie veel stukken over eten. Zo is er een prachtig essay van de Iraans-Amerikaanse Liana Aghajanian over de chocolaatjes van Ferrero Rocher, die dankzij slimme marketing het ultieme luxeproduct werden voor een hele generatie migranten in Amerika. Schrijfster Anne Ewbank onderzocht de rol van eten in fantasyromans, en tot slot hebben we twee mooie reportages over de vanillehandel in Madagaskar en Spaanse maffia die zich bezighoudt met de smokkel van zeevruchten.
In de volgende papieren editie, die verschijnt op 31 mei, besteden we uitgebreid aandacht aan het Forum on European Culture, dat op 1, 2, en 3 juni plaatsvindt in Amsterdam. Graag tot dan!
Het grote publiek is gefascineerd door spionnen, maar de waarde van hun inlichtingen is beperkt, schrijft Simon Kuper. ‘Ze zijn vaak het meest van nut als ze in de openbaarheid treden.’
Ik heb net een boek geschreven waarvoor ik me moest begeven in de wereld van de Russisch-Britse dubbelspionnen ten tijde van de Koude Oorlog. Ik zag hoe deze mensen van het ene land naar het andere wipten, de schrik waren van elke Britse premier en vermoord werden – als het Russen waren. (Britse verraders brachten het er meestal levend vanaf, vooral als ze uit de hogere kringen kwamen.)
Er is weinig veranderd. De Russische dubbelagent Sergej Skripal en zijn dochter Joelia belandden onlangs in kritieke toestand in het ziekenhuis van Salisbury, nadat ze waren aangevallen met een zenuwgas uit de Sovjettijd. Voormalig geheime politieman Vladimir Poetin herschept zijn eigen achtergrond: de wereld van de Koude-Oorlogsspionage. Poetin kan ons manipuleren omdat hij weet dat het bij spionage niet om de geheimen gaat. Het gaat om de reactie van publiek, media en politici, telkens als er weer een spion wordt ontmaskerd.
Voor twee landen die weinig met elkaar te maken hadden voordat rijke Russen het centrum van Londen koloniseerden, hebben Rusland en Groot-Brittannië opmerkelijk lang aan uitgebreide wederzijdse spionage gedaan. Maar het grootste deel daarvan leidde nergens toe. Britse dubbelagenten als Kim Philby en Guy Burgess hebben zich er vaak over beklaagd dat de Sovjets hun inlichtingen negeerden. Veel van de Britse documenten die Philby aan de KGB leverde, werden niet eens in het Russisch vertaald.
Paranoia
Een van de oorzaken was paranoia. Een verrader kun je wel rekruteren, maar nooit vertrouwen. De KGB verdacht een gouden dubbelagent als Philby er altijd van dat hij een Britse mol was. En zelfs als de Sovjets wel in bepaalde informatie geloofden, raakte die nogal eens kwijt. Soms waren de koffers vol Britse geheimen gewoon te veel van het goede. Soms raakte informatie versnipperd of verdraaid op zijn weg door de KGB-hiërarchie. En stonden de inlichtingen de baas niet aan, dan gingen ze meestal alsnog de prullenmand in.
Dat werd de Russen noodlottig toen Richard Sorge, een Russische agent in Tokio, herhaaldelijk het Kremlin waarschuwde voor een Duitse inval in de USSR. Op 15 mei voorspelde hij dat de invasie op 22 of 23 juni zou plaatsvinden. Maar Sorges inlichtingen wekten het misnoegen van de baas: Stalin beschouwde Duitsland toen nog als een bondgenoot. (Er werd gezegd dat Hitler de enige persoon was die hij vertrouwde.) Stalin zette Sorge weg als ‘een eikel die zichzelf een mooi leventje heeft bezorgd met wat fabriekjes en bordelen in Japan’. De Duitse invasie op 22 juni kwam voor de USSR als een volslagen verrassing.
Ook Chroesjtsjov en Brezjnev stonden vaak sceptisch tegenover de informatie gespitst op bepaalde stukjes inlichtingen, schrijft de vroegere Britse ambassadeur in Moskou, Rodric Braithwaite, in zijn boek Armageddon and Paranoia. Braithwaite legt uit dat spionage nuttig is om bepaalde geheimen te vinden: zeg een scheikundige formule voor de atoombom. Maar het helpt zelden om de bredere intenties van de tegenstander te doorgronden. Zo voorzagen de spionnen van de Sovjets en die van het Westen in de jaren tachtig geen van beiden dat de andere kant bereid zou zijn om samen te werken aan het beëindigen van de Koude Oorlog.
Alles wat in raadselen is gehuld, vindt het publiek fascinerend
De meeste geheimen zijn trouwens gewoon ergens te vinden, bijvoorbeeld op een obscure technologiewebsite, of op bladzijde 437 van een wetenschappelijk boek dat niemand heeft gelezen. Kortom, ontdekkingen van spionnen hebben zelden invloed op regeringsbeleid. De wereld van de spionage is niet zozeer een schatkist, eerder een uitdragerij waarvan de eigenaar het overzicht over zijn voorraad is kwijtgeraakt. Spionnen, zegt spionageromanschrijver John le Carré, ‘leveren tweedehands inlichtingen die spannender zijn door de geheimzinnigheid waarmee ze zijn verkregen dan vanwege hun werkelijke waarde’.
Die spannende geheimzinnigheid is inderdaad het belangrijkst. Alles wat in raadselen is gehuld, vindt het publiek fascinerend. Daarom hebben spionnen het grootste effect wanneer ze opduiken uit hun duistere wereld. Elke keer als een Britse functionaris werd ontmaskerd als Russische spion – een bijna rituele gebeurtenis die zich tussen 1946 en 1963 geregeld voordeed – nam het vertrouwen van de Britten in hun samenleving verder af. Britse spionnen konden elkaar niet meer aankijken zonder te denken: Ben jij misschien een KGB-agent?
De angst binnen de Britse inlichtingenwereld draaide uit op een paranoïde ‘mollenjacht’ door ‘spionnenvanger’ Peter Wright, die de inlichtingendiensten in de jaren zestig en zeventig bijna verscheurde. Het werd een obsessie voor Wright om gerenommeerde Britse politici te ontmaskeren als Sovjetagenten. En zo veroorzaakten verraders als Philby een paranoïde verlamming binnen de Britse staat – niet door al die uren geheimen doorspelen aan contactpersonen in Londense bussen, maar door iets wat juist niet hun bedoeling was: hun ontmaskering.
Evengoed is het Kremlin door het hacken van de saaie e-mails van de Amerikaanse Democratische Partij in 2016 waarschijnlijk ook niet meer over de VS te weten gekomen dan het al wist. Die hack was alleen belangrijk omdat de Russen (via Wikileaks) het materiaal openbaar maakten. De Amerikaanse media deden de rest. Rusland was van het aloude verzamelen van geheimen overgestapt op de informatieoorlog. Al dat lekken van verhalen heeft de presidentsverkiezingen duidelijk beïnvloed. Vervolgens zorgde de onthulling van de Russische rol (tegen de Russische wens in) ervoor dat de Amerikanen nog verder gepolariseerd raakten.
Ook nu weer is de aanval op de afgedankte, onbeduidende dubbelagent Skripal voornamelijk een publiek statement. Rusland zegt tegen de Britten: wij kunnen in jullie land straffeloos moorden. En het zegt tegen machtige Russen in Groot-Brittannië: wij kunnen jou vermoorden. Omdat spionnen fascinerend zijn voor het publiek, komt de boodschap aan. (Eerdere mysterieuze sterfgevallen van Russische niet-spionnen in Groot-Brittannië hebben nauwelijks stof doen opwaaien.) De Russen gaan steeds bewuster paranoia zaaien. Net als veel andere Russische activiteiten in het buitenland verandert ook de Russische spionage in een pr-machine. Tegenwoordig is het de bedoeling dat Russische spionnen zichtbaar zijn.
Waarom speelt de oorlog tussen de veiligheidsdiensten zich juist op Britse bodem af? Dat is de schuld van de Engelsen, aldus de Russische site InoSMI. ‘Zij zijn gijzelaars geworden van een systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen.’
De opeenvolging van raadselachtige sterfgevallen van Russische vluchtelingen die zich al enkele jaren voordoet in Londen stelt ons eens temeer voor de vraag: waarom vindt deze massale liquidatie van overlopers eigenlijk plaats op de Britse eilanden? In andere westerse landen komt het niet voor. Waarom heeft de grootste kolonie van Kremlin-tegenstanders zich juist in Groot-Brittannië gevestigd, en waarom heeft de oorlog tussen Russische en Britse spionnen zich na het eind van de Sovjet-Unie en de Koude Oorlog voortgezet? Het antwoord is een mengeling van historische, psychologische en geopolitieke factoren. Er zijn veel boeken over het onderwerp geschreven, maar ik wil enkele belangrijke punten onderstrepen. Zonder die punten is het onmogelijk de zaak-Skripal te begrijpen, of de zaak-Litvinenko*, of andere ‘markante momenten’ in deze eindeloze spionagekroniek.
Engeland is bij uitstek het land van de spionage. Al in de elizabethaanse tijd brachten zijn geïsoleerde ligging en zijn beperkte natuurlijke hulpbronnen Londen ertoe van spionage en diplomatie de belangrijkste instrumenten te maken om zijn wereldhegemonie veilig te stellen. Sir Francis Welshingham richtte op bevel van Elizabeth I een geheime dienst van de kroon op en wist daarmee talrijke samenzweringen te verijdelen, zowel binnenlands als internationaal. De beroemde toneelschrijver en dichter Christopher Marlowe behoorde tot zijn informanten. Jonathan Swift, auteur van Gullivers reizen, en Daniel Defoe, schepper van Robinson Crusoe, waren allebei aan de inlichtingendienst verbonden.
De eeuw daarna mengde Engeland zich met zijn diplomatie en spionage in het Europese politieke spel en hanteerde daarbij met succes het ‘verdeel-en-heers’-principe. Om Frankrijk de wereldhegemonie te betwisten maakten de Engelsen Napoleon naar hartenlust het leven zuur door het financieren van complotten, coalities en ten slotte de opstand in de Vendée. De beroemde Britse tv-serie Sharpe laat zien hoe de Engelsen actief het Spaanse verzet steunden in gebieden die door de troepen van Napoleon waren bezet.
Kolonel Lawrence (van Arabië), ook een agent van de Britse inlichtingendienst, maakte zijn opwachting in de spionagegeschiedenis door de enorme inspanningen die hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog getroostte om het Ottomaanse Rijk te vernietigen door middel van steun aan de Arabische opstand op het Arabisch-Palestijnse Schiereiland. De ‘Britse route’ leidde ook naar Rusland, inclusief de deelname van de Engelsen aan de moord op keizer Paul I en Grigori Raspoetin.
Een van de belangrijkste principes van de Britse politiek is altijd het opvangen van alle dissidenten geweest die ‘in verzet tegen de tirannie’ waren gekomen, en in bredere zin alle mensen die de wetten van hun land waren ontvlucht. Het Verenigd Koninkrijk werd het toevluchtsoord voor duizenden ‘dissidenten’ uit alle landen, van de Franse vrijdenker Voltaire halverwege de achttiende eeuw en Karl Marx halverwege de negentiende tot leden van islamistische groeperingen anno nu. De overlopers van de USSR en Rusland vormen een aparte categorie binnen dit keurkorps: men treft er de voormalige KGB-kolonel Oleg Gordievsky aan, de Tsjetsjeense ‘krijgsheer’ Ahmed Zakajev en vele anderen.
De Britse gastvrijheid stoelt op koele berekening: door het opvangen van vluchtelingen beschikt Londen over een doeltreffend middel om druk uit te oefenen op de betrokken landen en die te chanteren bij politieke onderhandelingen. Er is ook een materieel belang: mannen met twijfelachtige fortuinen uit alle hoeken van de wereld, en in de eerste plaats Rusland, nemen in allerijl de wijk naar Engeland en vullen daar de belastingpot. De spionnen leveren informatie, de belastingvluchtelingen brengen hun kapitaal mee en die voordelen wegen op tegen eventuele diplomatieke geschillen. De woordvoerder van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken, Maria Zakharova, herinnerde er onlangs aan dat Rusland op uitlevering door Engeland wacht van minstens veertig aangeklaagde Russische staatsburgers.
Laten we ook de mentaliteit van de Britse leidende klasse niet vergeten. Spionage als internationale sport beantwoordde aan de ‘voorliefde voor gevaar’ die werd gecultiveerd door de Engelse gentlemen, zodat de inlichtingendienst loten van de beste aristocratische stammen kon inlijven. Waar andere culturen zich eerder terughoudend opstelden tegenover het beroep van spion, is het in Engeland altijd omgeven geweest met een aureool van noblesse en een zekere romantiek. Iets wat je terugvindt in de literatuur, de film en de volkscultuur. Alleen al in de twintigste eeuw waren tal van beroemde schrijvers verbonden aan de Britse inlichtingendienst: William Somerset Maugham, Graham Greene, Anthony Burgess, Ian Fleming, John le Carré, Frederick Forsyth en Arhur Koestler.
Niet voor niets wordt Engeland als het vaderland van de spionagethriller beschouwd. Geen enkele andere cultuur heeft het spionagethema zo uitgebreid en minutieus onderzocht. De lijst is eindeloos, dus laten we ons beperken tot enkele meesterwerken zoals The 39 Steps van Alfred Hitchcock (1939), The Third Man (1949), The Spy Who Came in from the Cold (1965) en The Ipcress File (1965), om nog maar te zwijgen van de eeuwige James Bond-serie (From Russia with Love etc.) en ten slotte de kaskraker Kingsman: The Secret Service (2014). De liefde van de Britten voor spionage laat zich verklaren door het feit dat ze het nut ervan inzien en zich ervan bedienen voor politieke doeleinden.
Omdat deze ‘kunst’ zo hoog in aanzien stond, heeft de Engelse politieke elite de regels en risico’s ervan tot aan het vorige decennium geaccepteerd. Bij de zaak-Litvinenko, en meer nog bij de zaak-Skripal, lijken de gentlemen hun legendarische koelbloedigheid te zijn verloren. Rusland en alles wat daarmee te maken heeft is hun duidelijk een doorn in het oog. Vandaar dat de spionage gepaard gaat met russofobie. De combinatie van deze twee tradities, spionage en russofobie, verklaart voor een groot deel deze confrontatie die al decennia duurt en het gebruikelijke inlichtingenkader al lange tijd overstijgt.
De russofobie begon in Frankrijk en Engeland na de napoleontische oorlogen, toen Rusland een invloedrijke mogendheid werd op het continent. In de jaren 1830, met de Poolse opstanden tegen het Russische Keizerrijk, kreeg de Europese russofobie duidelijk vorm. Daarbij speelde echter niet zozeer solidariteit met de Polen als wel de wil om Rusland te verzwakken. De betrekkingen tussen Engeland en Rusland kwamen nog meer onder druk te staan door de ‘Oosterse Kwestie’ en de bestemming van de Bosporus en de Dardanellen, die leidde tot de Krimoorlog (1853-1856) en wat ‘het Grote Spel’ werd genoemd, de geopolitieke confrontatie (met inzet van inlichtingendiensten en diplomatie) tussen het Verenigd Koninkrijk en Rusland in de tweede helft van de negentiende eeuw.
Met uitzondering van de twee wereldoorlogen, toen Rusland (de Sovjet-Unie) en Groot-Brittannië bondgenoten waren, is de spionage- en informatieoorlog tussen de twee landen nooit gestopt
In de jaren 1855-1865 publiceerden Alexander Herzen en Nikolaj Ogarev, onder het welwillende toeziend oog van de Britse autoriteiten, in Londen de eerste tegen de regering gerichte Russische tijdschriften die een beslissende invloed hadden op de liberale Russische intelligentsia. In het begin van de twintigste eeuw werd Engeland een van de belangrijkste toevluchtsoorden voor Russische dissidenten, met name revolutionaire socialisten, mensjewieken en bolsjewieken. In Londen werden het historische tweede en vijfde congres (1903 en 1907) van de Russische sociaaldemocraten gehouden, waar Lenin aan deelnam en waar het bolsjewisme als beweging werd geïnstitutionaliseerd. Het vijfde congres werd grotendeels gefinancierd door Britse industriëlen die sympathiseerden met de Russische Revolutie.
Met uitzondering van de twee wereldoorlogen, toen Rusland (de Sovjet-Unie) en Groot-Brittannië bondgenoten waren, is de spionage- en informatieoorlog tussen de twee landen nooit gestopt. Denk alleen maar aan de Lockhart-affaire (1918), de operatie Trust en Sidney Reilly (1925); de laatste had in Engeland de bijnaam ‘spionnenkoning’ en inspireerde Ian Fleming tot het personage James Bond. Ook de Vijf van Cambridge leven voort in de geschiedenis, de legendarische superagenten, onder wie de beroemde Kim Philby, die in de jaren dertig van de vorige eeuw door de Sovjet-Unie werden gerekruteerd. De concurrentie tussen de diensten werd vooral levendig tijdens de Koude Oorlog, die duurde van 1946 tot 1991. De namen van de ‘helden’ en verraders van deze oorlog zijn welbekend. Vooral de Profumo-affaire, vernoemd naar de Britse minister van Defensie, zorgde voor sensatie en leidde tot het aftreden van de laatste in 1963. Het verhaal van escortgirl Christine Keeler, die zowel een verhouding had met Profumo als met Yevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst, hield de Britten in de ban als een spannend spionnenspel. In 1971 vond de grootste uitzetting van Sovjetdiplomaten uit de geschiedenis plaats, waarbij 105 agenten Londen moesten verlaten.
Christine Keeler had zowel een verhouding met Britse minister van Defensie Profumo als met Jevgeny Ivanov, een officier van de Russische militaire inlichtingendienst.
Na de val van de USSR bleek de adempauze van korte duur: vanaf eind jaren negentig barstte de strijd tussen de inlichtingendiensten weer in volle hevigheid los. Londen werd het toevluchtsoord voor Russische oligarchen, economische criminelen, overgelopen spionnen en allerlei andere tegenstanders van Moskou. De beroemdste van hen, oligarch Boris Berezovski, stierf in 2013 onder nooit opgehelderde omstandigheden. De Russische oppositie in Londen, naar hartenlust uitgebuit door de Britse inlichtingendiensten, is echter voor een groot deel oncontroleerbaar geworden en handelt volgens haar eigen regels. Dat is precies de reden voor een hele reeks onverklaarbare aanslagen die de competentie en de logica van de klassieke inlichtingendiensten te boven gaan en waarschijnlijk het belang dienen van derden. De politieke schade van deze afschrikkingsexecuties is enorm. Het is duidelijk dat de Britten gijzelaars zijn geworden van een systeem dat ze zelf in het leven hebben geroepen.
Engeland heeft voortdurend geklaagd over en aanstoot genomen aan de dood van Russische overlopers, omdat het zelf de regels van dit spel heeft geschreven waarin de internationale oorlog van de geheime diensten zich precies op haar eigen bodem voltrekt. En dan gaat het niet alleen om de Russische diaspora, maar ook om de islamisten die politiek asiel hebben gekregen dankzij steun van de plaatselijke geheime diensten en die momenteel oncontroleerbaar zijn geworden en tal van terroristische aanslagen plegen op het grondgebied van hun gastheren.
Aleksandr Litvinenko, KGB-agent tussen 1988 en 1999, stierf in 2006 in Londen aan een poloniumvergiftiging.
Op 4 maart 2018 werden de voormalige Russische dubbelspion Sergej Skripal en zijn dochter bewusteloos aangetroffen op een bankje in de Engelse stad Salisbury. Al heel snel bevestigden de Britse autoriteiten dat ze waren vergiftigd met novitsjok, een in Rusland geproduceerd zenuwgas. Omdat deze moordaanslag als een chemische aanslag op zijn grondgebied werd beschouwd, zette Londen drieëntwintig Russische diplomaten uit, waarna de Verenigde Staten en diverse Europese landen er op hun beurt ook meer dan honderd uitzetten. Moskou reageerde met dezelfde maatregel.
Moskou is van mening dat er geen enkel bewijs is geleverd voor zijn verantwoordelijkheid voor de aanslag en spreekt van een westerse provocatie om Rusland te demoniseren en te isoleren. Terwijl de twee slachtoffers van Salisbury aan de beterende hand zijn, heeft de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens op 18 april verklaard dat haar laboratoria niet hebben kunnen vaststellen door welk land of welk laboratorium de giftige stof is geproduceerd, aldus het Russische dagblad Gazeta.ru. Maar de Britse vertegenwoordiger van de organisatie laat geen enkele ruimte voor twijfel: ‘Wij zijn van mening dat alleen Rusland over de technische mogelijkheden, de praktische ervaring en de motivatie beschikt om deze operatie uit te voeren.’
InoSMI is een informatiesite die zich specialiseert in de Russische vertaling van artikelen uit de buitenlandse pers. Inderdaad, net als 360. De naam is een samentrekking van twee Russische woorden die ‘buitenlandse media’ betekenen. ‘Alles wat het waard is om vertaald te worden,’ luidt hun slogan. Naast redacteuren en vertalers telt de redactie ook auteurs van oorspronkelijke artikelen in het Russisch.
Een vergelijking tussen de Rusland-affaire en Watergate is gauw gemaakt, schrijft commentator Andrew Cohen. Maar de huidige zaak is veel ernstiger.
De 31 pagina’s tellende federale aanklacht tegen Trumps voormalige campagneleider Paul Manafort en zijn zakenpartner Rick Gates – wegens witwassen, bankfraude en valsheid in geschrifte – markeert het einde van het begin van het diepgaande onderzoek dat speciale aanklager Robert Mueller heeft ingesteld naar de banden van Trumps campagneteam met Rusland. Het voorlezen van de aanklacht op maandagochtend 30 oktober – 51 weken nadat Donald Trump tot president werd gekozen en slechts een paar uur nadat hij had getwitterd dat hij van het onderzoek walgde – betekende dat de fase voorbij is waarin bijna al het nieuws over de kwestie afkomstig was van anonieme bronnen, die allemaal een eigen draai aan het verhaal probeerden te geven. Nu is de fase aangebroken waarin we in elk geval specifieke aantijgingen over crimineel gedrag tot ons kunnen nemen. De advocaten zullen zich namens hun cliënten ontpoppen tot demagogen. En het fascinerende verhaal, waarvan de afloop ongewis is, neemt telkens een nieuwe wending.
Zo ook die maandag. Het belangrijkste nieuws was niet de tenlastelegging, maar de bekendmaking van de details van een strafvermindering die een andere voormalige campagnemedewerker van Trump, George Papadopoulos, had gekregen in ruil voor een schuldbekentenis. Zijn verklaring brengt de campagne rechtstreeks in verband met de vuile spelletjes die de Russen met Hillary Clinton hebben gespeeld. Erger nog – althans bezien vanuit het perspectief van het Witte Huis – is dat Papadopoulos al maanden zijn medewerking aan Muellers onderzoek verleent. Dat betekent dat federale onderzoekers veel meer weten over hoe het werkelijk zit met de openlijk toegegeven samenzwering tussen de campagneleiding en de Russen. Wat weet Papadopolous precies, sinds wanneer weet hij het en aan wie heeft hij het verteld? Een foto waarop hij op 31 maart 2016 met Trump en minister van Justitie Jeff Sessions aanzit tijdens een bespreking over de buitenlandpolitiek logenstraft de mededeling van het Witte Huis, later die maandag, dat hij een randfiguur is, een ‘vrijwilliger’ die aan de campagne meewerkte. In mum van tijd riekte het in Amerika ineens naar doofpot en complot.
Watergate
De vergelijking met Watergate is gauw gemaakt. Een Republikeinse president die van het padje af is. De foute types met wie hij zich heeft omringd. De vuile spelletjes. Het ondermijnen van de democratische normen. De onverschrokken journalisten die de zaak tot op de bodem willen uitzoeken. Een rechtszaak die gewoon doorloopt terwijl er nieuwe feiten naar buiten komen en Congresleden nog bezig zijn met hun onderzoek. Na ruim 45 jaar is ons beeld van de Watergate-affaire echter bepaald door de afloop, niet door hoe ze begon. Het is een rond verhaal met, achteraf bezien, een onvermijdelijke uitkomst: een schurkachtige president die oneervol aftrad. Maar zo dachten onze ouders en grootouders er in juni 1972 helemaal niet over, toen de ‘derderangsinbraak’ aan het licht kwam, of in januari 1973, toen het proces tegen de inbrekers begon. Voor hen was die tijd net zo vaag en verwarrend als deze voor ons.
Daarom is elke vergelijking met Watergate ook zo oppervlakkig. Nog afgezien van de overduidelijke feitelijke verschillen tussen de verhalen (zo zijn de aantijgingen van een Russisch complot veel ernstiger), zijn de wetgeving, de politiek en de journalistiek nu zo anders dat het geen zin heeft om te denken dat alles zich zo zal voltrekken als toen. Hoe complex Watergate ook was, het is kinderspel vergeleken met datgene waar Mueller en zijn team mee te maken hebben. Hoe gemeen de gebeurtenissen destijds ook waren, en hoezeer ook door partijpolitiek bepaald, ze zijn vreemd ouderwets vergeleken met het giftige klimaat rondom het huidige schandaal. De mogelijkheid van een afzettingsprocedure is nog niet van de baan, maar het proces wordt zelfs nog partijdiger dan in 1974.
Zelfs de timing verschilt – en misschien wel totaal – van wat we begin jaren zeventig hebben gezien. Er zaten 208 dagen (ruim zes maanden) tussen de datum van de inbraak in het hoofdkwartier van de Democratische Partij en het begin van het proces tegen de mannen die de inbraak namens het Witte Huis hadden gepleegd. Dat leek misschien lang, maar is niets vergeleken bij waar we nu mee te maken hebben. Het lijkt me sterk, gezien de aard van de huidige federale rechtszaken, dat er binnen een half jaar een proces tegen Manafort en Gates komt. Waarschijnlijk duurt het een jaar of langer, als het al op een proces uitdraait, en niet op een strafverminderingsdeal. Of dat in het voor- of nadeel van de president werkt weet niemand.
Wat we wel weten is dat Mueller anders dan zijn voorganger kan rekenen op weerstand in het Congres, of op z’n minst op pogingen om de boel te traineren. Dat wil zeggen: tot aan de tussentijdse verkiezingen van half november 2018. Na de verkiezingen van 1972 telde het Huis van Afgevaardigden vijftig Democraten meer dan Republikeinen. De Senaat was met zesenvijftig tegen vierenveertig zetels in handen van de Democraten. Zelfs toen, met een Republikein in het Witte Huis, duurde het maanden voordat het Congres uit zijn lethargie ontwaakte en het schandaal besloot te onderzoeken. Op dit moment zijn de Republikeinen de baas in zowel het Huis als de Senaat. Maar dat is maar het halve verhaal. Door gerommel in kiesdistricten en doordat ambtsdragers bang zijn om tijdens een voorverkiezing door een Trump-aanhanger te worden uitgedaagd, zitten er veel minder duiven in de beide huizen dan in 1972 en hebben veel minder wetgevers in staten en districten oog voor beide partijen. 2016 heeft alleen maar tot polarisatie geleid. Nu al zien we welke gevolgen dat heeft voor het onderzoek van Mueller.
Elke analyse van elke ontwikkeling in de naderende rechtszaken stelt miljoenen mensen bloot aan bizarre vormen van bedrog en achterbakse spin
Het is niet verwonderlijk dat Trump, net als Nixon, het gemunt heeft op degenen die zijn bondgenoten gerechtelijk onderzoeken. Nixon was net zo onbesuisd, paranoïde en autoritair. Het verschil is dat Nixon zijn woede binnenskamers hield (zij het dat die op band werd vastgelegd), terwijl Trump publiekelijk op Twitter tekeergaat. Het is trouwens niet alleen Trumps persoonlijke afkeer van Mueller; het Witte Huis voert een georkestreerde campagne om de voormalige FBI-directeur de voet dwars te zetten.
Ook een groot verschil met vroeger, en iets wat de komende processen maar al te gemakkelijk belemmert, is dat steeds meer politici vijandig staan tegenover Muellers onderzoek. Het Congres bemoeide zich niet met het onderzoek naar Watergate; de hoorzittingen behoren tot de grootste wapenfeiten van het overheidsorgaan. Deze keer doen veel Republikeinen in het Congres er alles aan om het onderzoek van Mueller te dwarsbomen door twijfel te zaaien aan zijn geloofwaardigheid, de verhoren te torpederen en de aandacht voor de president te verleggen naar de kandidaat die hij versloeg, die geen publieke functie meer bekleedt. En hoe zit het met de voorgestelde bescherming van de speciale aanklager door het Congres, mocht Trump besluiten hem af te zetten? Ik moet het wetsvoorstel daarvoor nog zien.
Een ander verschil met de periode 1972-1974 is dat de tot machtige commissievoorzitters benoemde Republikeinse houwdegens in het Congres, zoals Devin Nunes (afgevaardigde voor Californië) en Trey Gowdy (voor South Carolina), net doen alsof ze eerlijk opereren uit naam van een wetgevende macht die dient ter controle van de haperende uitvoerende macht. Maar net als de vele senatoren die zich al jaren voordoen als ‘het recht in eigen persoon’ – onder wie Charles Grassley – zijn ze publiekelijk de partijdige mening toegedaan dat Trump het voordeel van de twijfel geniet, en niet Mueller. Dat verschilt fundamenteel van de rol die het Congres speelde tijdens de Watergatecrisis en zal waarschijnlijk niet veranderen zodra de Democraten het in het Congres of in een van beide huizen weer voor het zeggen krijgen. Wat uiteraard sowieso de komende veertien maanden niet zal gebeuren.
Het zullen veertien lange, naargeestige maanden worden, waarin met elkaar wedijverende verhalen in de media over objectieve feiten het land zullen blijven verdelen. Ooit kregen de meeste Amerikanen hun landelijke nieuws via drie tv-netwerken, van de radio en uit kranten die niet vanwege ‘nepnieuws’ en ‘alternatieve feiten’ door het slijk werden gehaald. Maar tussen nu en de tussentijdse verkiezingen kijken miljoenen Amerikanen naar Fox News of lezen ze verhalen op Breitbart en krijgen een totaal ander beeld van de werkelijkheid dan de rest. Elke analyse van elke ontwikkeling in de naderende rechtszaken stelt miljoenen mensen bloot aan bizarre vormen van bedrog en achterbakse spin.
Eind jaren negentig deed ik van a tot z verslag van de soap rond de poging om Bill Clinton af te zetten. Achteraf zie je hoe snel het van kwaad tot erger is gegaan: van Watergate tot Whitewater en van de Lewinsky-affaire tot ‘Russiagate’, met zijn stupide naam. Voor Clinton begonnen de problemen aan het begin van het internettijdperk, toen hij zowel in de beide huizen als in het Congres tegenover een Republikeinse meerderheid stond. Toch bleef hij grotendeels overeind dankzij publieke steun, zelfs toen de omvang van zijn wangedrag duidelijk werd. Trump betreedt met steun van de beleidsmakers, maar met weinig steun van het publiek, een nieuwe fase in een mediatijdperk waarin hij zich in 140 tekens rechtstreeks tot zijn achterban richt. De vernietigende partijdigheid en de manipulatie door de media uit de Clinton-tijd waren mijlenver verwijderd van het Watergate-tijdperk, zoals de afzettingsprocedure tegen Clinton mijlenver verwijderd is van het Ruslandonderzoek. Het gaat duidelijk de verkeerde kant op met dit land.
En dus zal Mueller het met zijn team moeten opnemen tegen een vijandig gezind Witte Huis met een president die bereid lijkt het volledige democratische bestel kapot te maken om er zelf zonder kleerscheuren vanaf te komen. De speciale aanklager en zijn collega’s zullen partijdige inmenging van het Congres moeten afweren die erop is gericht het bewijs dat in de rechtszaal wordt gepresenteerd onschadelijk te maken. Mueller zelf wordt het doelwit van propagandisten die zich voordoen als journalisten.
Het land moet intussen rekening houden met de reële mogelijkheid dat de president Mueller zal ontslaan nog voordat Manafort en Gates voor de rechter zullen komen.
We hebben hier niet te maken met een herhaling van Watergate. Wat nu speelt is een veel ernstiger bedreiging van de republiek.
Andrew Cohen is redacteur bij The Marshall Project, medewerker van The Atlantic, fellow bij het Brennan Center for Justice en juridisch commentator voor de programma’s 60 Minutes en CBS Radio News.
Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.
Duitse werkgevers huurden privédetectives in om compromitterende informatie over lastige werknemers te vinden, zodat ze konden worden ontslagen. In de Süddeutsche Zeitung klapt een infiltrant uit de school.
Op een avond voelt de detective dat hij het niet langer trekt. Hij zit achter het stuur, achtervolgt een andere auto met de bedoeling de bestuurder ervan te intimideren. De chauffeur raakt inderdaad in paniek, drukt het gaspedaal diep in, schiet een bocht om, de auto komt in overstuur. ‘Levensgevaarlijk,’ denkt de speurder. Hij heeft weinig scrupules, maar ombrengen wil hij niemand. Nu is het genoeg, zegt hij tegen zichzelf. Hij staakt de achtervolging. De zaak zet hem aan het denken en algauw breekt hij met zijn leven als snuffelaar, belager en vallenzetter. In al die jaren als privédetective heeft hij telkens weer andere rollen moeten spelen en daarbij heeft hij geleerd dat liegen complex is. Hij zit immers niet alleen in zijn auto om anderen te achtervolgen of te fotograferen, om informatie te verzamelen moet hij zich ook vaak uitgeven voor een ander. ‘Een valse identiteit vergt veel voorbereiding,’ zegt hij, ‘een leugen wordt pas geloofwaardig door de details.’
In januari 2012 moet hij inspringen bij een bejaardenhuis in Bad Nauheim (Hessen). Hij bereidt zich hierop voor door op YouTube filmpjes over bejaardenzorg te bekijken. Eind januari heeft hij samen met bejaardenverzorgster Ernestine Cornella en haar collega nachtdienst. Als ze ’s nachts om half twee even pauze hebben, zet hij sekt, tequila en wat glazen op tafel. Hij vertelt dat dit zijn laatste dienst is als uitzendkracht. Bovendien is hij jarig. Verzorgster Cornella vindt haar lange, innemende collega sympathiek, maar dit kan niet, vindt ze. ‘We zijn hier in een bejaardenhuis, niet in de kroeg,’ zegt ze. ‘Alcohol is hier verboden.’
Op dat moment verschijnt volkomen onverwachts de directrice van het huis met een aantal begeleiders. Controle, ver na middernacht. Wat de tequila daar moet, vraagt ze. Het heeft er alle schijn van dat ze haar werkneemster Cornella betrapt heeft op het gebruik van alcohol. Ze stuurt de verkeerde verzorger naar huis en roept haar de volgende dag op het matje. Daarmee begint voor Cornella, destijds midden veertig, een nachtmerrie. De energieke alleenstaande moeder werkt vanaf haar eenentwintigste in de zorg. Ze heeft zich sterk gemaakt voor de oprichting van een ondernemingsraad en werd daar ook direct in gekozen. Sinds die tijd heeft ze een moeizame verhouding met de leiding van het huis. Na de vermeende alcoholnacht wordt Cornella geschorst, haar salaris stopgezet. Op weg naar huis is er maar één vraag die haar bezighoudt: ‘Hoe vertel ik het mijn zoon? Moet ik zeggen dat zijn moeder eruit is gevlogen, omdat ze tijdens de dienst heeft zitten zuipen?’
Hij verzamelt materiaal, bij voorkeur zaken die met seks, drugs of geweld van doen hebben
Vijf jaar later vertelt de detective een heel ander verhaal: hij heeft haar met opzet in de val gelokt. Mogelijk in opdracht van haar werkgever. Hij speelde de aardige invalkracht en moest voorafgaand aan de controle de alcohol op tafel zetten om Cornella wangedrag te kunnen aansmeren. De truc met de tequila moest ervoor zorgen dat ze ontslagen kon worden of minimaal uit de ondernemingsraad kon worden gezet.
Voor de detective zijn dit soort opdrachten in die tijd routine. Hij is een rotzak, dat was hij al op school. Hij verdient zijn brood met het compromitteren van anderen: steeds weer laat hij zich zogenaamd als stagiair of uitzendkracht een bedrijf binnenloodsen en misbruikt hij het vertrouwen van het personeel om hen te bespioneren. Hij verzamelt materiaal, bij voorkeur zaken die met seks, drugs of geweld van doen hebben; hij volgt zijn doelwit met een peilzender op diens auto en fotografeert hem stiekem op het werk. Soms lokt hij zijn slachtoffer in de val of construeert aantijgingen, zodat leidinggevenden ongewenste medewerkers kunnen ontslaan.
Ook voor het bejaardenhuis is de zaak explosief. Na de in scène gezette alcoholuitspatting staakte het de salarisbetaling aan verzorgster Cornella. De zaak zorgde in Bad Nauheim voor veel onrust, al vroeg werd vermoed dat de directie van het huis een infiltrant had ingezet. ‘We koesterden van begin af aan de verdenking dat er provocateurs in het spel waren,’ vertelt Cornella’s advocaat Stefan Schneider. De directrice wees dit als ‘volstrekt absurd’ van de hand. Maar documenten lijken haar ontkenning te weerleggen. Op 16 januari 2012, de dag van de bespreking in het Frankfurter hotel, stuurt het ‘consulting’-bedrijf waarvoor de detective werkt, een e-mail aan het privéaccount van de directrice met als onderwerp ‘infiltratie’. Het betreft ‘ons gesprek van vandaag in het Hilton Hotel Frankfurt’. Het conceptcontract voorziet in de inzet van maximaal vier personen voor het ‘inhoudelijke werk’, voorschot 30.000 euro, basishonorarium 4000 euro, uurtarief per detective 100 euro. Desgevraagd wil ook het bejaardenhuis niets zeggen.
Amerikaanse methoden
Methoden als deze werden al in 1993 door de Amerikaanse antiondernemingsraadactivist Martin J. Levitt beschreven in zijn boek Confessions of a Union Buster. Het gaat om een mengsel van ongefundeerde laatste waarschuwingen, ontslagaanzeggingen en eisen tot schadevergoeding, gerichte psychische terreur, vernedering door leidinggevenden en ook toen al de inzet van privédetectives. Zo worden ontslagbrieven en aanklachten vaak op een zaterdag of aan het begin van de vakantie bij werknemers thuisbezorgd, om op die manier psychologische druk op het hele gezin op te bouwen.
Ook in Duitsland zijn deze methoden binnengeslopen. Het verhaal van de detective leidt naar de achterkamertjes van het Duitse wirtschaftswunder, naar bedrijven waar eigenaars of managers ervan overtuigd zijn dat ze hun bedrijf moeten beschermen tegen de eigen werknemers. In hun optiek gebruiken leden van de ondernemingsraad hun onaantastbare status om het voor het bedrijf schadelijke gedrag van collega’s te dekken en stemming te maken tegen leidinggevenden.
Om werknemersvertegenwoordigers te kunnen ontslaan, moeten bedrijfsleiders hun een delict of een dienstvergrijp kunnen aanwrijven. Daarvoor zetten bedrijven dan spionnen, vallenzetters of provocateurs in. Moraal speelt geen rol. ‘Je zit tussen wolven,’ zegt de detective. ‘Er was geen enkele aarzeling; recht of onrecht deed er niet toe. Er waren alleen het doel en de middelen waarmee dat bereikt kon worden.’
Nadat het bejaardenhuis zijn medewerkster Ernestine Cornella via de alcoholtruc uit de ondernemingsraad had gezet, ontstond er ruzie binnen de raad. De werknemervertegenwoordigers moesten opnieuw worden gekozen. Cornella’s lijst verloor; een door het bedrijf gesteunde groep kreeg een meerderheid. Het bejaardenhuis zette hierop de gerechtelijke ontslagprocedure van Cornella stop. ‘Het eigenlijke doel was immers bereikt,’ zegt Cornella’s advocaat, ‘het ongemakkelijke ondernemingsraadslid had geen werkelijke invloed meer.’
Cornella werkt nog altijd bij het bejaardenhuis. ‘Ik concentreer me op de bewoners, doe alleen mijn werk,’ zegt ze. ‘Ik trek aan het eind van mijn dienst de deur achter me dicht, verwijder de messen uit mijn rug en ga naar huis.’
De detective heeft zich uit de branche teruggetrokken. Zijn geweten plaagde hem, met Naujoks is hij gebrouilleerd geraakt. Het was een afmattend leven dat hij alleen met alcohol en drugs de baas kon. ‘Het constant doen of je een ander bent, vergt heel veel van je.’ Destijds in het bejaardenhuis ervoer hij het als een bewijs van ‘logistiek meesterschap’ dat hij de vermeend drinkende medewerkster en de controlerende directrice op het juiste moment met elkaar confronteerde. ‘Tegenwoordig,’ zegt hij, ‘schaam ik me ervoor’.
Auteurs: N. Richter, A. Kempmann, J. Klofta, R. Pinkert en U. Ritzer
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.
Door al het nieuws over de gevaren van hacken, dreigt een paniekerig sfeertje te ontstaan. Volgens New Yorker-journalist Evan Osnos kunnen we beter eens rustig kijken naar de echte risico’s.
Toen admiraal Mike McConnell, het uiterst deskundige hoofd van de National Security Agency, in 2007 directeur van National Intelligence werd, kwam hij er al snel achter dat veel hoge Amerikaanse ambtenaren niet in de verste verte waren voorbereid op de komst van een digitale oorlog. (Nog geen jaar daarvoor had senator Ted Stevens van Alaska, die voorzitter was van de senaatscommissie die het internet reguleerde, het internet omschreven als een ‘serie buizen’.) Om zijn collega’s wakker te schudden had McConnell een truc uitgehaald: tijdens een afspraak bij een hoge ambtenaar haalde hij een kopie van een memo tevoorschijn dat door zijn gastheer was geschreven en daarna was gestolen. ‘De Chinezen hebben dit van jou gehackt,’ zo legde hij uit, ‘en dat hebben wij weer teruggehackt.’
Tien jaar later is er niemand meer in Washington die niet op de hoogte is van de gevaren. Het hacken tijdens de presidentsverkiezingen van 2016, zoals de aanvallen die de interne gang van zaken binnen de Democratic National Committee en Hillary Clintons campagne openbaar maakten, markeert het begin van een nieuwe fase in de lang voorspelde cyberoorlogen. Als de eerste vijftien jaar van de eenentwintigste eeuw werden gedomineerd door de oorlog tegen het terrorisme, staan we nu aan het begin van een periode waarin de cyberoorlog in onze gesprekken over nationale veiligheid zal opdoemen. Onlangs onthulde WikiLeaks hacking-methodes van de CIA; het was nauwelijks een verrassing dat de CIA telefoons en computers aftapt, ook al was het wel nieuws dat de CIA een Samsung-televisie kan kapen en het als afluisterapparaat kan gebruiken. Kellyanne Conway, adviseur van president Donald Trump, maakte gretig gebruik van dat bericht om de mythe de wereld in te helpen dat Barack Obama Trump met behulp huishoudelijke apparaten zou hebben bespioneerd. Dat zou kunnen zijn gebeurd door middel van ‘magnetrons met een ingebouwde camera’, zei ze. ‘Dat is nu eenmaal een feit in deze moderne tijd.’ (Later zei ze dat het magnetronverhaal uit zijn verband was gerukt).
Als de gevaren van cyberaanvallen en spionagepraktijken voor politieke doeleinden worden uitgebuit, zie je gemakkelijk de echte risico’s over het hoofd. Op de opiniepagina van The New York Times waarschuwde Bruce G. Blair, een voormalig officier op een kernraketbasis en nu onderzoeker op het gebied van mondiale veiligheid aan de Princeton University, voor het gevaar dat hacken voor het Amerikaanse kernwapenarsenaal kan betekenen. De afgelopen jaren hebben de VS zwakke plekken ontdekt in hun eigen systemen, zoals een foutje waardoor ‘hackers de vluchtgeleidingssystemen konden uitschakelen en het dagen of weken zou kosten om ze te repareren’. Hij vroeg: ‘Zou een buitenlandse agent raketten van een ander land op een derde land kunnen afvuren? Dat weten we niet.’
Een voortdurende uitdaging in dit nieuwe tijdperk is grofweg gezegd dat je moet beslissen hoe groot je de paniek laat worden. De verleiding om bij een plotselinge bedreiging te sterk te reageren – door haastig wetten in te voeren, burgerlijke vrijheden in te perken of geld uit te geven aan de verkeerde verdedigingsmiddelen – is heel groot. De overvloed aan krantenartikelen over de gevaren van hacken zorgt voor een grap die in de wandelgangen van Washington de ronde doet, namelijk dat de beste manier om je project gefinancierd te krijgen is om het woord ‘cyber’ aan de titel toe te voegen.
Niet zo geavanceerd
In januari verklaarde het ministerie van Energie dat het elektriciteitsnet van de VS kwetsbaar is voor cyberaanvallen, hoewel volgens critici de risico’s van een totale stroomuitval in Amerika vaak worden overschat, omdat daarvoor veel onderstations fysiek vernietigd zouden moeten worden. (Chris Thomas, strategisch medewerker bij Tenable, een beveiligingsbedrijf, heeft geprobeerd de paranoia wat te verzachten door te wijzen op non-cybergevaren: op zijn website, CyberSquirrel1, staan duizenden meldingen van aanvallen op het elektriciteitsnet van de VS uitgevoerd door eekhoorns, vogels en andere dieren.)
Toch blijft er ook tien jaar nadat McConnell zijn collega’s had wakker geschud in politieke kringen een zekere twijfelachtige houding ten opzichte van hacken, deels omdat veel hoge regeringsambtenaren nog behoorlijk digibeet zijn. In 2013 maakten de meesten leden van het United States Supreme Court, precies de rechters die juridische kwesties met betrekking tot technologie en privacy tegen elkaar moeten afwegen, nog geen gebruik van e-mail.
Bijna altijd noemen journalisten en analytici de laatste cyberaanval ‘een geavanceerde operatie’, ook al omschrijven de technisch deskundigen de aanval als ‘niet bijzonder’ en ‘te voorkomen’. Ben Buchanan, een onderzoeker aan de Harvard University en auteur van het boek The Cybersecurity Dilemma, schreef deze week op de Cipher Brief, een blog over veiligheid, dat, ‘als ieder geval wordt beschreven als “uniek” en iedere bedreiging wordt weggezet als “bijna niet te stoppen” iedere aanval al snel “geavanceerd” wordt. Het effect daarvan is dat je een wereld schetst met zoveel getalenteerde tegenstanders dat cyberveiligheid praktisch onhaalbaar wordt’.
In sommige gevallen zijn de duurste aanvallen betrekkelijk simpel. Hackers die samen zouden werken met de Russische veiligheidsdienst braken in op het Gmail-account van John Podesta, de leider van Hillary Clintons campagneteam, en gebruikten daarbij een ouderwetse techniek, het zogenaamde spearphishing: je stuurt onder valse voorwendselen een e-mail om persoonlijke informatie te verkrijgen, zoals een wachtwoord. Thomas Rid, een wetenschapper aan het King’s College in Londen, vertelde: ‘Het net zoiets als een bermbom. In de jaren negentig, de aanloop naar de oorlog in Afghanistan, was de algemene verwachting dat de toekomst van de oorlogsvoering heel hightech zou zijn. Amerika zou daarin een leidende rol hebben, omdat de Amerikaanse strijdkrachten zoveel geld uitgaven aan digitale platforms. Maar toen kwam de bermbom. Als je in een voertuig op wielen rijdt, kan dat worden aangevallen. Als je een e-mailaccount hebt, kun je worden gehackt.’
“Afschrikking was een mentaliteit uit de Koude Oorlog die alleen maar tot strategie werd verheven omdat je je niet kunt verdedigen tegen kernwapens; je kunt je niet verdedigen tegen duizend binnenkomende kernkoppen”
Gezien de gevaren wordt de druk steeds groter om aan een cyberwapenwedloop te beginnen, de zoveelste poging om geweld met geweld te bestrijden waarmee sommige onderdelen van de nationale-veiligheidsindustrie natuurlijk heel rijk worden. Maar er zijn misschien ook wel slimme manieren om de gevaren te neutraliseren in plaats van te vergroten. Volgens Michael Sulmeyer, een hoge ambtenaar op het Pentagon die onder Obama leiding gaf aan de cyberpolitiek, is het een vergissing om de ideologie van de wapenwedloop uit de Koude Oorlog weer nieuw leven in te blazen. ‘Afschrikking was een mentaliteit uit de Koude Oorlog die alleen maar tot strategie werd verheven omdat je je niet kunt verdedigen tegen kernwapens; je kunt je niet verdedigen tegen duizend binnenkomende kernkoppen. Maar in dit geval moeten we onszelf minder kwetsbaar maken. En dan bedoel ik bijvoorbeeld dit: waarom hebben accounts zoals dat van Podesta niet standaard een dubbele authenticatie?’
Sulmeyer, die nu hoofd is van het Belfer Center’s Cyber Security Project aan de Harvard Kennedy School, wil dat politici en technologiebedrijven een strengere beveiliging toepassen onder meer door hen te stimuleren om de gegevens te delen van de bedreigingen waar ze aan blootstaan.
In zijn boek Dark Territory, een fascinerend verhaal over de cyberoorlog, vertelt Fred Kaplan dat al een paar maanden na het bombardement van Hiroshima en Nagasaki, de militaire strateeg Bernard Brodie, de architect van de Amerikaanse nucleaire afschrikking, schreef: ‘Tot nu toe is het hoofddoel van ons leger geweest om oorlogen te winnen. Vanaf nu moet het hoofddoel zijn om ze te voorkomen.’ Het boek waarin die passage voorkwam heette The Absolute Weapon. Sinds het begin van de Koude Oorlog is het kernarsenaal wel uitgebreid, maar, zoals nog steeds geldt voor kernwapens, het Amerikaanse publiek en de politici die namens ons optreden, zouden minder geïnteresseerd moeten zijn in het winnen van een cyberoorlog dan in het voorkomen ervan.
The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000
Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland. Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen. Bekend om zijn karikaturen, commentaar op de popcultuur en vele korte verhalen.
Het is volkomen legaal en vrijwel alle grote Duitse bedrijven doen het: hun concurrenten bespioneren. Dit jaar groeit de sector van deze zogeheten Competitive Intelligence met 15 procent.
Als Peter Behrends de toekomst van een bedrijf moet redden, heeft hij niet veel bij zich: mueslirepen, koffie, pen en papier en een verrekijker. Zijn opdracht heeft hem deze zomerochtend naar de rand van een stadje in het zuiden van Duitsland gebracht, naar een industriegebied dat tussen spoorrails en een bos ligt. Behrends sluipt een heuvel op, gaat in het gras liggen en spiedt omlaag. Hij ziet bakstenen huizen, loodsen van golfplaten, schoorstenen. Een fabriek die dampend ontwaakt. Behrends telt de werknemers die naar binnen gaan en daarna de vrachtwagens die de schuifpoort passeren. Hij turft ze op een papiertje en verbaast zich, want daar beneden is meer activiteit dan gebruikelijk, veel meer zelfs.
Behrends, een pezige man van halverwege de veertig, werkt voor een kleine ondernemer. Hij moet een concurrent bespioneren om erachter te komen hoe druk het bij de ingang is: een indicatie hoe de zaken gaan. Als hij zijn waarneming juist interpreteert, loopt het goed. De productie is kennelijk gestegen sinds hij de laatste keer bij het bedrijf op de loer lag. Waarschijnlijk is de rivaal aan het uitbreiden.
Competitive Intelligence wordt het werk van Behrends genoemd, kortweg CI. Het houdt in dat de concurrent wordt doorgelicht, volkomen legaal of in elk geval zo ongeveer. Mannen als Behrends spreken werknemers van andere bedrijven aan, zo mogelijk terloops, bijvoorbeeld op de bushalte voor het fabrieksterrein. Ze bellen afdelingschefs, zogenaamd voor een nieuwe studie of een marktrapport. Ze schieten deskundigen aan op congressen. Ze horen verkopers op beursstands uit, doen anonieme testaankopen of liggen zoals Behrends voor de poort.
Vrijwel alle Duitse ondernemingen van enige omvang doen aan CI. Bayer, BMW, Lufthansa, Deutsche Bank en Deutsche Telekom, allemaal hebben ze hun speurders. En die hebben nog nooit zo veel werk gehad als nu. Volgens schattingen groeit de bedrijfstak dit jaar met 15 procent. Tot nog toe stonden Duitse bedrijven op dit terrein te boek als onschuldig, in tegenstelling tot Fransen, Amerikanen en Chinezen. Maar tersluiks, heel stilletjes, is Duitsland een land van economische spionnen geworden.
Vijfduizend mensen
CI-specialisten moeten blootleggen wat ondernemingen graag verborgen willen houden: op welke markten ze zich richten, welke prijzen ze met toeleveranciers uitonderhandelen, welke producten ze ontwikkelen. ‘CI is een blik in de toekomst,’ zegt Peter Behrends. Mensen als hij zijn meer detective dan marktonderzoeker. Ze opereren niet zo clandestien als staatsspionnen, zijn technisch niet zo goed toegerust, tappen geen telefoons af en hacken geen computers. Maar hun speurwerk kan om miljoenen gaan en hun rapportages beïnvloeden vaak rechtstreeks de besluiten van de bedrijfstop.
De ondernemingen praten er niet graag over, dat hebben ze in elk geval met staatsspionnen gemeen. ‘Wij willen daar niets over zeggen en vragen om uw begrip daarvoor’, klinkt het bij Daimler. ‘Helaas kunnen we geen gesprek aanbieden over het thema Competitive Intelligence’, laat BASF weten. Wie echter zijn oor lang genoeg te luisteren legt, vindt individuele werknemers die wel iets willen zeggen. Dan hoor je dat de CI-afdelingen van de grootste beursgenoteerde ondernemingen maar ongeveer twintig tot dertig medewerkers tellen. Die acteren meestal wel op het hoogste niveau en hebben directe toegang tot het bestuur. Kleinere bedrijven daarentegen nemen vaak gespecialiseerde bureaus in de arm. Daarvan zijn er ongeveer een dozijn in Duitsland. En dan zijn er nog ongeveer honderd bureaus die deze diensten boven op hun advieswerkzaamheden aanbieden. In de sector zijn circa vijfduizend mensen werkzaam.
Hoogleraar Nikos Passas vindt de bedrijfstak “lawful but awful”
Twee belangrijke trends stimuleren de business, zegt Rainer Michaeli, oprichter en bestuursvoorzitter van de brancheorganisatie Deutsches Competitive Intelligence Forum (DCIF). ‘Ten eerste is de strijd op de markten feller dan ooit. Dan betaalt een kleine voorsprong in kennis zich al uit. Ten tweede zijn ondernemingen nog nooit zo internationaal georiënteerd geweest. Wie in steeds nieuwe regio’s doordringt, waar steeds nieuwe rivalen op de loer liggen, moet zich voorbereiden.’ Voor wie is dat nu belangrijker dan voor Duitsland, het grote exportland?
Op het gebied van Competitive Intelligence zijn China en de VS nog altijd toonaangevend. Daar is een regelrechte spionage-industrie ontstaan. Adviesbureaus als het New Yorkse Kroll hebben duizenden mensen in dienst, die gretig gerekruteerd zijn van geheime diensten CIA en NSA of van de federale politie FBI. In Europa is Frankrijk heel actief. Daar zijn speciale CI-academies, zoals de École de Guerre Économique, de school voor economische oorlogsvoering. Alleen al de naam laat er geen twijfel over bestaan hoe serieus de Fransen deze business nemen.
‘De Duitsers bedrijven CI eerder stilletjes, maar ongelooflijk efficiënt,’ zegt Claude Revel, tot voor kort de Franse regeringscommissaris voor Competitive Intelligence – een overheidsambt dat in Duitsland niet bestaat. Ook een school voor economische oorlogsvoering is er niet in Duitsland. Ondernemingen leiden CI’ers vaak in eigen huis op of bij instellingen als het Institute for Competitive Intelligence nabij Frankfurt am Main, waarvan Rainer Michaeli directeur is. Zijn lijst met referenties wordt steeds langer; inmiddels staan er rond de vierhonderd bedrijven op.
Veel CI-specialisten zijn bedrijfseconoom of ingenieur, andere hebben een verleden bij de politie, een inlichtingendienst of in de journalistiek. Met de wisseling van baan begeven ze zich in een grijs gebied. Hoogleraar strafrecht Nikos Passas uit Boston vindt CI bedenkelijk. Het vakgebied is wat hem betreft ‘lawful but awful’. Volgens de Amerikaan schuren de activiteiten tegen industriële spionage aan.
‘Het op een fatsoenlijke manier observeren van concurrenten is heel iets anders dan industriële spionage,’ zegt Elisabeth Hadling, manager van een CI-team bij een grote Duitse onderneming. ‘Bonafide speurders maken alleen maar gebruik van bronnen die openbaar zijn. Bedrijven zijn zo voorzichtig omdat ze bang zijn om met al te louche methoden hun reputatie te verwoesten. Het overgrote deel van het werk is niet bijster spectaculair. Zo’n 90 procent van de informatie is van achter het bureau te achterhalen, bijvoorbeeld met een telefoontje naar de eigen verkoopafdeling, waarvan veel klanten met de concurrentie te maken hebben. Of met een blik in jaarverslagen, brochures en vaktijdschriften. Personeelsadvertenties hebben onze bijzondere belangstelling.’ De concurrent is plotseling op zoek naar ingenieurs? Dan heeft hij mogelijk een grote opdracht binnengehaald. Hij gaat managers met kennis van de Chinese taal in dienst nemen? Dan wil hij misschien wel een nieuw filiaal in Azië openen.
Human intelligence
Mogelijk, misschien. Het bureauwerk mag dan belangrijke aanknopingspunten opleveren, vaak zijn het pas de laatste 10 procent die zekerheid brengen: niet de documenten en tabellen, maar de mensen die erachter schuilgaan. Hier verschijnen specialisten als Thomas Bischof op het toneel. Bischof, een rijzige man met grijs stoppelhaar, zit in de lobby van een hotel. Hij heeft een klein bureau dat aan Human Intelligence doet, onderzoek met behulp van menselijke bronnen: Bischof spreekt mensen aan. Bijvoorbeeld ’s avonds aan de bar. Schijnbaar toevallig raakt hij aan de praat met managers, maar hij heeft alles nauwgezet voorbereid. Hij wist al dat ze hier zouden overnachten, bijvoorbeeld omdat er een conferentie plaatsvindt waarvoor reclame werd gemaakt op internet. Onder een drankje praat Bischof met hen over de stad en vervolgens over hun werk. De capaciteit van de textielfabriek in Bangladesh zou beter kunnen worden benut, de oliedeal in Venezuela dreigt te mislukken: onderzoek via smalltalk. ‘Het is simpel,’ zegt Bischof. ‘Mensen praten over niets liever dan over hun werk.’
Het lukt echter niet altijd. Enkele managers hebben hun medewerkers ingeprent hun mond te houden. Bijvoorbeeld als ze een telefoontje van een hogeschool krijgen. ‘Hallo, ik studeer elektrotechniek, mag ik u een paar vragen stellen voor mijn scriptie?’ Het zou een leergierige twintigjarige student kunnen zijn, maar ook Thomas Bischof.
Dergelijke methoden keurt bestuursvoorzitter Rainer Michaeli niet goed. ‘Wie te goeder trouw is, werkt niet onder een valse naam, dat gaat te ver,’ zegt hij.
Xie maakt alleen van openbare content gebruik, een hacker is hij niet. Althans, dat zegt hij
Een man die verder gaat dan veel Duitse collega’s zich ook maar kunnen voorstellen, is Xinzhou Xie. Hij werkt voor de staatsuniversiteit van Beijing, dus voor de Chinese regering. Zijn missie: alle gegevens verzamelen die er over buitenlandse ondernemingen op internet staan. Echt alle.
Xie zit in een restaurant. Hij doet dit werk al een kwart eeuw en geldt als China’s toonaangevende CI-expert. Hij werkt aan de universiteit en rapporteert rechtstreeks aan de Communistische Partij. Zijn spionnen behoren tot de besten ter wereld. Xie zet webcrawlers in, robotprogramma’s die in adembenemend tempo het internet doorzoeken. Hij laat ze vooral graag los op social media. ‘Mensen communiceren onvervalst, dat maakt de informatie zeer waardevol.’
Zijn programma’s doorzoeken bijvoorbeeld Facebook, Twitter en de Chinese messengerapp WeChat. Bij Amazon sporen ze klantwaarderingen van producten van westerse rivalen op. Xie maakt alleen van openbare content gebruik, een hacker is hij niet. Althans, dat zegt hij. Zijn webcrawlers zijn vooral afgestemd op autoconcerns, elektronicafabrikanten, machinebouwers, de farmaceutische industrie en energiebedrijven, ondernemingen waarvan met name één land er veel heeft: Duitsland.
‘Het afscheid van kernenergie bespoedigt de innovatie in de opwekking van schone energie, wat bijzonder interessant is voor ons,’ zegt Xie. Op termijn wil hij zeer aandachtig kleine ondernemers gaan observeren. De duizenden Duitse wereldmarktleiders die vrijwel niemand kent, maar die enorm veel onderzoeken, ontdekken en ontwikkelen.
Lange tijd analyseerden de robots van Xie alleen websites in het Engels. Dat is aan het veranderen. Ze leren nu ook Duits.
Auteur: Stefan Beutelsbacher
Vertaler: Pieter Streutker
Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.
In een mooie bespreking van de nieuwe biografie van John le Carré ging William Boyd onlangs in op de aantrekkingskracht van spionnen. Niet alleen thrillerschrijvers zijn dol op ze, schreef hij in New Statesman, ook opvallend veel ‘serieuze’ auteurs hebben spionageromans geschreven.
Denk aan Graham Greene, Muriel Spark of John Banville. Als verklaring haalde Boyd een quote aan van Le Carré zelf: ‘Ik denk dat we allemaal deels in een clandestiene situatie leven… We kennen onszelf nauwelijks – negentig procent van onszelf bevindt zich onder water.’
Wat spionnen doen, concludeerde Boyd, is gewoon een uitvergrote versie van ons eigen gedrag. ‘We liegen, bedriegen, doen alsof, en een goede spionageroman werkt omdat dit soort minder fraaie kanten van ons leven erin worden uitvergroot.’ Daar valt weinig op af te dingen, en dus moet het wel raar lopen, wilt u niets van uw gading vinden in het zestien pagina’s tellende spionagedossier waarmee we dit zomernummer beginnen.
Vooral op het openingsstuk uit The Guardian zijn we trots, want het verhaal over twee in Canada geboren broers die ontdekken dat hun ouders Russische agenten zijn, is zonder meer een van de spannendste longreads van dit jaar. Verder zou je kunnen concluderen dat elk tijdperk de (imaginaire) spionnen krijgt die het verdient. Waar de vergeten Britse detectiveschrijver Adam Diment in de Swinging Sixties successen vierde met boeken over een hasj rokende, meisjes versierende antiheld, daar is de spion van de toekomst volgens het tijdschrift Wired een saaie data-analist.
Op de Horizonpagina’s laten twee vrouwen op briljante wijze zien dat er ook een alternatief is voor liegen, bedriegen en doen alsof
Ook elders in deze dubbeldikke editie hebben we gekozen voor langere lees- en reisverhalen. Zo neemt het Amerikaanse tijdschrift Pacific Standard u mee op een cruise naar het noordpoolgebied, waar de lokale Inuitbevolking de toeristen met gemengde gevoelens ziet komen. Die Zeit voert u naar de afgelegen kusten van Japan, waar jaarlijks tientallen mysterieuze spookschepen aanspoelen. En The Washington Post laat u in Oregon kennismaken met de Patriot Movement, een groep ontevreden Amerikanen die zich zo nodig met geweld wil verzetten tegen de ‘tirannie’ van de federale overheid.
Op de Horizonpagina’s tot slot laten twee vrouwen op briljante wijze zien dat er ook een alternatief is voor liegen, bedriegen en doen alsof. Laurie Penny (30) legt uit waarom zij niets ziet in het huwelijk, Helen Walmsley-Johnson (60) waarom ze kiest voor een leven zonder man. Met deze gevarieerde oogst durven we u met een gerust hart vier weken op vakantie te sturen. We zien u terug in augustus.
Donald Heathfield en Tracey Foley leken een doodgewoon Amerikaans stel. Tot de dag dat ze door de FBI werden ontmaskerd als Russische spionnen. Hun zoons Tim en Alex vertellen het verhaal.
Onschuldig
Bijna zes jaar na de arrestatie spreek ik met Alex af in een café bij het Kievstation in Moskou. Zijn officiële naam is nu Alexander Vavilov en die van zijn broer Timofej Vavilov, al gebruiken veel van hun oude vrienden nog steeds hun oude achternaam Foley. Alex is 21. Hij kent inmiddels genoeg Russisch om iets te kunnen bestellen, maar vloeiend spreekt hij het nog niet. Hij studeert ergens in Europa en is hier om zijn ouders te bezoeken. Tim werkt in de financiële sector in Azië. Contact met de media hebben ze na 2010 bewust afgehouden. Dat ze nu wel met me willen praten, komt doordat ze in een juridische strijd zijn verwikkeld om de Canadese nationaliteit terug te krijgen die hun zes jaar geleden is ontnomen. Ze vinden het oneerlijk en onwettig dat zij nu moeten boeten voor de zonden van hun ouders.
Terwijl we een chatsjapoeri eten, een Georgisch broodje met gesmolten kaas, vertelt Alex over de dagen na de FBI-inval. Op de door de FBI geregelde hotelkamer bleven hij en Tim tot diep in de nacht piekeren over wat er was gebeurd. Toen ze de volgende dag thuiskwamen, bleken alle elektronische apparatuur, foto’s en documenten te zijn meegenomen. Zelfs hun PlayStation was verdwenen. Het huis werd belegerd door journalisten en de broers zaten binnen met de gordijnen dicht en zonder telefoon of computer, want dat was allemaal in beslag genomen. De volgende dag sloop Tim ’s ochtends het huis uit om in de openbare bibliotheek online naar een advocaat voor zijn ouders te zoeken. Alle banktegoeden waren bevroren, de jongens hadden alleen het geld dat ze op zak hadden en wat geld dat ze van vrienden konden lenen.
FBI-agenten reden hen naar de zitting in Boston waar hun ouders werden voorgeleid. Ze konden in de gevangenis even met hun moeder spreken. Alex zegt dat hij zijn ouders niet vroeg waarvan ze beschuldigd werden. Dat verrast me: ze moeten toch razend benieuwd zijn geweest?
‘Ik wist dat het voor mijn verklaring in de rechtbank het beste was als ik zo weinig mogelijk wist. Ik wilde geen vragen stellen, omdat het duidelijk was dat er mensen meeluisterden. Ze konden levenslang krijgen. Voor mijn verklaring moest ik er compleet van overtuigd kunnen zijn dat ze onschuldig waren.’
Het gezin had voor die zomer een lange vakantie in Parijs, Moskou en Turkije gepland. Hun moeder ried de jongens aan om meteen naar Rusland te vliegen om het mediacircus te ontvluchten. Dus stapten Alex en Tim op het vliegtuig naar Rusland, zonder te weten wat ze daar konden verwachten. Ze waren nog nooit in Rusland geweest. ‘Het was echt doodeng,’ vertelt Alex. ‘Je zit in dat vliegtuig en hebt geen idee wat je te wachten staat. En terwijl je daar zit, blijven je gedachten maar doormalen.’
Op het vliegveld werden ze opgewacht door een groepje mensen die zich in het Engels voorstelden als collega’s van hun ouders. Vertrouw ons, zeiden ze, en ze namen de jongens mee naar een klaarstaand busje. ‘Ze lieten foto’s zien van onze ouders als twintigers, in uniform en met medailles. Dat was het moment dat ik dacht: oké, dit is echt,’ zegt Alex. Tim en hij werden ondergebracht in een appartement waar het ze aan niets ontbrak. De dagen daarna lieten hun oppassers ze de stad zien: ze werden meegenomen naar musea en zelfs naar het ballet. Ze kregen bezoek van een oom en een neef van wie ze nog nooit hadden gehoord. Er kwam ook een grootmoeder langs, maar die sprak geen Engels en zij spraken geen woord Russisch.
Het zou nog een paar dagen duren voordat hun ouders overkwamen. Op 8 juli bekenden die aan de rechter in New York dat ze Russisch staatsburger waren. Het akkoord over de spionnenruil was al gesloten en op 9 juli reisden ze via Wenen naar Moskou, nog steeds gekleed in hun oranje gevangenisoverall uit Amerika.
Doodgewoon
Op 27 juni 2010 werd Tim Foley twintig. Om dat te vieren namen zijn ouders hem en zijn jongere broer Alex ’s middags mee uit eten in een Indiaas restaurant, niet ver van hun huis in Cambridge, Massachusetts. Beide broers zijn in Canada geboren maar woonden al tien jaar in de VS. Hun vader Donald Heathfield had na zijn studie in Parijs en aan Harvard nu een hoge functie bij een adviesbureau in Boston. Hun moeder Tracey Foley had jarenlang vooral voor de kinderen gezorgd en was daarna makelaar geworden. Wie hen kende, zag een doodgewoon Amerikaans gezin, maar dan met Canadese roots en een voorkeur voor buitenlandse reizen. Hoewel Alex nog maar zestien was, kwam hij net terug van een half jaar in Singapore in het kader van een uitwisselingsprogramma.
Na de maaltijd ontkurkten ze thuis een fles champagne om te vieren dat Tim nu een twintiger was. De broers waren moe: de vorige avond hadden ze thuis een feestje gehad ter ere van de terugkeer van Alex uit Singapore, en Tim wilde die avond gaan stappen. Na de champagne ging hij naar boven om zijn vrienden te mailen over wat ze die avond zouden doen. Toen er werd aangebeld, riep zijn moeder dat zijn vrienden blijkbaar vroeger waren gekomen, als verrassing.
Er wachtte haar een heel andere verrassing: een team in het zwart geklede, gewapende mannen met een stormram. Ze brulden ‘FBI!’ en stormden het huis binnen, roepend dat iedereen de handen omhoog moest doen. Tim dacht eerst dat ze hem moesten hebben, omdat hij drank aan minderjarigen had geschonken: op het feestje van de vorige avond was niemand boven de 21 geweest, en de alcoholwet wordt door de politie van Boston streng gehandhaafd. Maar de FBI kwam voor iets veel ernstigers. Verbijsterd zagen de broers toe hoe hun ouders geboeid in aparte auto’s werden afgevoerd. Tim en Alex bleven achter met een aantal agenten, die zeiden dat ze die nacht het hele huis gingen doorzoeken. Voor de broers was een hotelkamer geregeld. Een van de agenten vertelde dat hun ouders waren opgepakt op de verdenking dat ze ‘illegale agenten in dienst van een vreemde overheid’ waren.
Alex dacht dat het een vergissing moest zijn: een verkeerd adres of een misverstand als gevolg van zijn vaders werk. Donald moest voor zijn baan veel reizen, misschien werd hij daarom voor spion aangezien. Zelfs toen de broers een paar dagen later op de radio hoorden dat er in het hele land in totaal tien Russische spionnen waren opgepakt, in een FBI-operatie genaamd ‘Ghost Stories’, bleven ze ervan overtuigd dat het een vreselijke vergissing moest zijn.
Maar de FBI vergiste zich niet. Niet alleen waren hun ouders inderdaad Russische spionnen, het waren Russen. De mensen die Tim en Alex kenden als papa en mama waren wel hun ouders, maar ze heetten niet Donald Heathfield en Tracey Foley. Dat waren de namen van lang geleden gestorven Canadese kinderen, van wie de identiteit was gestolen. Hun echte namen waren Andrej Bezroekov en Elena Vavilova. Ze waren allebei geboren in de Sovjet-Unie, opgeleid door de KGB en naar het buitenland gestuurd in het kader van een infiltratieprogramma voor spionnen die de Russen zelf ‘illegalen’ noemen. Nadat ze heel geleidelijk een alledaagse Noord-Amerikaanse identiteit hadden opgebouwd, waren ze actief geworden als agenten voor de SVR, het spionagebureau van het huidige Rusland (en daarmee de opvolger van de KGB). Samen met acht andere collega’s waren ze nu verraden door een Russische overloper.
De aanklacht waarin de FBI hun misdaden opsomde, bevat een waslijst aan spionageclichés: dode brievenbussen [een methode van heimelijke gegevensuitwisseling waarbij iemand informatie verstopt in een verborgen ruimte, die later door iemand anders wordt opgehaald], geheime ontmoetingen, gecodeerde berichten en plastic tassen vol dollarbiljetten. Als je de tv-beelden zag van de tien betrapte spionnen die in Wenen landden om te worden uitgewisseld voor vier in Rusland voor spionage veroordeelde Russen, waande je je weer in de Koude Oorlog. Maar de geopolitieke aspecten van die spionnenruil lieten Alex en Tim koud. Zij waren opgegroeid als doodnormale Canadezen en ontdekten nu ineens dat ze kinderen van Russische spionnen waren. Hun wachtte niet alleen een lange vliegreis naar Moskou, maar vooral ook de lange en moeizame emotionele verwerking van deze schok.
De vader van Alex en Tim heet eigenlijk Andrej Olegovitsj Bezroekov en hij is geboren in Krasnojarsk, in hartje Siberië. Er is weinig bekend over zijn verleden of dat van zijn vrouw, Elena Vavilova. Alex vertelt me wat hij over hun rekrutering weet, op basis van het weinige dat hun ouders daarover hebben losgelaten: ‘Ze zijn samen gerekruteerd, als stel. Twee veelbelovende, slimme jonge mensen. Ze kregen de vraag of ze iets voor hun land wilden betekenen en ze zeiden ja. En ze hebben jaren van training en voorbereiding gehad.’
Directoraat S, waaronder dit ‘illegalen’-programma ressorteerde, was het geheimste KGB-onderdeel. Eén zo’n voormalige illegaal heeft me verteld dat hij voor zijn opleiding eind jaren zeventig twee jaar lang elke dag Engelse les kreeg van een Amerikaanse overloopster. Hij leerde ook andere basistechnieken, zoals berichten coderen en mensen schaduwen. Hij kreeg altijd in zijn eentje les, hij zag nooit andere agenten.
Veel inlichtingendiensten maken gebruik van agenten die niet in diplomatieke dienst zijn. Soms rekruteren ze ook immigranten van de tweede generatie, die dus al in het buitenland wonen. Maar alleen de Russen hebben agenten speciaal opgeleid om zich als buitenlander voor te doen. In de Sovjettijd hadden die illegalen twee potentiële functies. Ze moesten het contact vergemakkelijken tussen KGB’ers op de ambassade en hun bronnen in de VS (omdat zulke spionnen niet geschaduwd zullen worden, en ambassadepersoneel wel). En ze fungeerden als slapende cel voor een eventuele ‘speciale periode’: als er oorlog uitbrak tussen de VS en de Sovjet-Unie zouden zij meteen paraat staan.
De KGB stuurde het stel in de jaren tachtig naar Canada. In juni 1990 beviel Vavilova, die inmiddels door het leven ging als Tracey Foley, in Toronto van haar eerste zoon Tim. Zijn vroegste herinneringen betreffen de Franstalige school in die stad en bezoekjes aan het magazijn van zijn vaders bedrijf Diapers Direct, een bezorgdienst voor luiers. Dat klinkt allemaal niet erg James Bond, maar spionagewerk is ook altijd meer een kwestie van vlijt en geduld geweest dan van glamour: jarenlang zorgvuldig bouwen aan een geloofwaardige dekmantel.
Andrej Bezroekov had al een diploma van een Sovjetuniversiteit, maar ‘Donald Heathfield’ niet. Van 1992 tot 1995 studeerde hij daarom voor een BA in internationale economie in Toronto. In 1994 werd Alex geboren. Een jaar later verkaste het gezin naar Parijs, waar Donald een MBA haalde aan de École des Ponts. Ze leidden een sober leven in een klein appartementje op een steenworp van de Eiffeltoren: de twee broers deelden de enige slaapkamer en hun ouders sliepen op de bank.
Volgens Tim hebben ze een “volstrekt normale” jeugd gehad: een liefdevol gezin dat in de weekenden veel samen was, ouders die veel vrienden hadden
Bezroekov en Vavilova werkten dus geduldig aan hun dekmantel, maar het land waardoor ze waren gerekruteerd en opgeleid, bestond niet meer. Het beruchte spionagebureau dat over de hele wereld geheim agenten uitzond, was in diskrediet gebracht en kreeg een andere naam. Onder Jeltsin dreigde Rusland een failed state te worden. Maar in 1999, toen het gezin zich opmaakte om van Frankrijk naar de VS te verhuizen, trad in het Kremlin een leider aan die zelf een KGB-verleden had. Onder zijn bewind zou de SVR, de opvolger van de KGB, weer uitgroeien tot een belangrijke en gerespecteerde dienst. Heathfield, die zich inmiddels met succes voordeed als hardwerkende, hoogopgeleide Canadees, werd eind dat jaar toegelaten tot de Kennedy School of Government van Harvard University. Hij was klaar om als agent voor de SVR te worden ingezet – en hij zou niet spioneren voor de Sovjet-Unie die hem had opgeleid, maar voor het nieuwe Rusland van Vladimir Poetin.
Heathfield en Foley deden hun kinderen op een tweetalige Frans-Engelse school in Boston. Thuis werd zowel Engels als Frans gesproken. Toen Heathfield aan Harvard zijn bul had behaald, ging hij werken voor Global Partners, een adviesbureau voor bedrijfsontwikkeling.
Ik spreek Tim op een zondagmiddag via Skype. Zijn gezicht lijkt op dat van zijn jongere broer en hij heeft net zulk keurig gekapt haar, dat bij hem niet zwart maar blond is. Terugkijkend op zijn jeugd, zegt hij, ziet hij een vader die hard werkte en vaak op zakenreis was. Hij stimuleerde zijn zoons om veel te lezen en nieuwsgierig te zijn, hij ‘was onze beste vriend’. Foley was een echte huismoeder die haar zoons ophaalde van school en naar het sportveld reed. Toen ze op de middelbare school zaten, begon zij als makelaar te werken.
In 2008 ging Tim internationale betrekkingen studeren aan de George Washington University. Hij specialiseerde zich in Azië, nam lessen Mandarijn en studeerde een semester in Beijing. Datzelfde jaar liet het hele gezin zich naturaliseren in de VS, zodat ze naast een Canadees voortaan ook een Amerikaans paspoort hadden. Ze hadden Canada verlaten toen Alex nog maar één was en Tim vijf, maar toch voelden de jongens zich Canadees. Ze gingen nog vaak naar Canada om te skiën, en op schoolreis naar Montreal leidden de jongens hun klasgenoten vol trots rond in ‘hun’ land. Vooral Alex hing sterk aan zijn Canadese identiteit, want ‘op de middelbare school wil je altijd anders zijn’.
Volgens Tim hebben ze een ‘volstrekt normale’ jeugd gehad: een liefdevol gezin dat in de weekenden veel samen was, ouders die veel vrienden hadden. Hij kan zich niet heugen dat het gesprek ooit over Rusland of de Sovjet-Unie ging, ze aten nooit Russische gerechten, en een beleefde jongen uit Kazachstan op school was volgens Tim ongeveer het enige wat ook maar in de verte aan Rusland deed denken. Zijn ouders spraken niet vaak over hun jeugd, maar dat was altijd zo geweest en de kinderen hadden geen reden om daar vraagtekens bij te plaatsen. ‘Ik heb nooit ook maar enige reden gehad om mijn ouders te wantrouwen,’ zegt Alex. Vaak voelde hij zelfs een vage teleurstelling dat ze zo saai en gewoontjes leken.
De werkelijkheid was anders. Al bijna meteen na hun aankomst in de VS werden Bezroekov en Vavilova in de gaten gehouden door de FBI, waarschijnlijk dankzij een dubbelspion bij de Russische inlichtingendienst. Als je in de aanklacht van 2010 leest waar ze zich mee bezighielden, stuit je op beschrijvingen die je alleen in een spionageroman verwacht. Zo wordt een onderschept bericht uit Moskou geciteerd waarin Vavilova instructies krijgt voor een reis naar haar vaderland. Ze moet eerst naar Parijs vliegen en daar de trein naar Wenen nemen, waar ze een vervalst Brits paspoort moet afhalen. ‘Heel belangrijk: 1. Zet je handtekening op pagina 32 van het paspoort. Leer jezelf om die handtekening spontaan te kunnen reproduceren. In het paspoort zit een briefje met nadere aanbevelingen. Vernietig dat na lezing. Goede reis.’
Ondertussen gebruikte hun vader zijn werk als consultant om door te dringen tot kringen van Amerikaanse politici en zakenlui. Het is niet duidelijk of hij toegang heeft gekregen tot geheime informatie, maar de FBI maakt melding van diverse contacten met Amerikaanse ambtenaren en oud-ambtenaren. In de weinige uitlatingen die Bezroekov in het openbaar heeft gedaan, klinken zijn activiteiten meer als het werk van een analist in een denktank dan als dat van een superspion. ‘Inlichtingenwerk is geen kwestie van riskante avonturen,’ zei hij in 2012 in een interview in het Russische weekblad Expert. ‘Als je voor James Bond gaat spelen, houd je het nog geen dag vol.’
Bezroekov en Vavilova communiceerden met de SVR via digitale steganografie: ze zetten plaatjes online waarin berichten in de pixels waren verwerkt, gecodeerd met een speciaal voor hen ontwikkeld algoritme. Een bericht dat Bezroekov volgens de FBI in 2007 naar de SVR stuurde, werd als volgt ontcijferd: ‘Bericht ontvangen. Goed idee om “Boer” te gebruiken om in Washington netwerk van studenten op te zetten. Relatie met “Papegaai” lijkt veelbelovend, goede bron van inlichtingen uit hoge politieke kringen. Om hem professioneel te bewerken hebben we zo veel mogelijk informatie nodig over zijn achtergrond, huidige standpunten, gewoonten, kennissen, mogelijkheden etc.’
Toeval?
Al in 2001, bijna tien jaar voor hun arrestatie, had de FBI een bankkluisje van Tracey Foley doorzocht. Daarin werden foto’s aangetroffen van haar als twintiger, met op één ervan in cyrillisch schrift de naam van het Russische bedrijf dat de foto had afgedrukt. Hun huis werd afgeluisterd, misschien wel jarenlang. In tegenstelling tot hun kinderen was de FBI dus wel op de hoogte van hun ware identiteit. Maar de Amerikanen vonden het nuttiger om het Russische spionnennetwerk in de gaten te houden dan om het meteen op te rollen.
Waarom de FBI uiteindelijk toch ingreep, is niet helemaal duidelijk. Eén mogelijkheid is dat Alexander Potejev, de dubbelspion bij de SVR die de groep vermoedelijk heeft verraden, ontmaskerd meende te zijn. Hij zou Rusland enkele dagen voor de arrestaties zijn ontvlucht. In 2011 is hij door een Russische rechtbank bij verstek veroordeeld tot 25 jaar. Een andere mogelijkheid is dat een van de spionnen gevoelige informatie in handen dreigde te krijgen. Wat de reden ook was, in juni 2010 vond de FBI het tijd om operatie Ghost Stories op te starten en het Russische spionnennetwerk op te rollen.
Tim en Alex hebben er geen moeite mee om over hun ervaringen te praten, maar echt leuk vinden ze het ook niet. Ik moet toegeven dat ik sommige details niet goed begrijp. Hoe is het mogelijk dat ze nooit iets hebben vermoed? In 2012 beweerde The Wall Street Journal uit anonieme overheidsbronnen te hebben vernomen dat de FBI-taps bewijzen dat de ouders al lang voor de arrestatie hun ware identiteit aan hun kinderen hadden onthuld. Bovendien zouden ze Tim hebben verteld dat ze hem ook wilden opleiden om als Russische spion te werken. Een spion van de tweede generatie is immers nog veel waardevoller dan infiltranten als zijzelf, met een dekmantel die weliswaar zorgvuldig was opgebouwd maar toch altijd kon worden doorgeprikt. Volgens die anonieme bronnen was Tim bereid naar Moskou te gaan om door de SVR te worden opgeleid en had hij zelfs ‘trouw gezworen aan moedertje Rusland’.
Tim ontkent dit in alle toonaarden. ‘Waarom zou een jongen die zich al zijn hele leven een Canadees voelt, besluiten om celstraf te riskeren voor een land waar hij nog nooit is geweest en waar hij geen banden mee heeft?’ En dat hij trouw zou hebben gezworen aan moedertje Rusland noemt hij ‘net zo bespottelijk als het klinkt’.
Maar er is nog iets wat me dwarszit: was het echt gewoon toeval dat het gezin die zomer van plan was om naar Rusland te reizen, en dat de broers dus al beschikten over een visum voor dat land? Ja, zegt Alex. ‘Het was mijn idee om daarheen te gaan. We waren al bijna overal geweest, maar nog nooit in Rusland, dus ik was benieuwd naar dat land.’
En toen ze in juli in Moskou met hun ouders werden herenigd, hebben ze toen gevraagd wat hun plannen eigenlijk waren geweest? Hadden ze zich voorgenomen om in Rusland eindelijk alles te vertellen? Of waren ze echt van plan geweest om in Moskou een week lang te doen alsof ze geen woord Russisch spraken?
‘Ik denk echt dat ze dat van plan waren,’ zegt Alex. ‘Misschien dat ze wel mensen zouden ontmoeten buiten ons om. Maar ik geloof niet dat ze van plan waren om ons alles te vertellen.’ Tim beaamt dat. Als ze hun zoons de waarheid hadden verteld, waren die een veiligheidsrisico geworden. Het is niet waarschijnlijk dat ze ‘als professionals’ zo’n risico wilden lopen, zegt hij. Hij denkt niet dat zijn ouders hun echte identiteit ooit hadden willen onthullen.
Beide broers zeggen ook dat ze uit hun vroegste kindertijd wel herinneringen aan hun grootouders hebben. Waar ze die dan zagen? Op vakantie, zegt Alex, ‘ergens in Europa’. Hij weet niet meer precies waar. Als ik het Tim vraag, die toen ouder was, zegt hij dat hij om de paar jaar zijn grootouders zag. Tot zijn elfde, toen verdwenen ze uit zijn leven. ‘Als ik er nu aan terugdenk, snap ik natuurlijk wel hoe dat kwam. Als ik ze was blijven zien, was ik gaan beseffen dat ze helemaal geen Engels spraken – en ook niet erg Canadees leken.’ Met Kerst kregen de jongens wel cadeaus ‘van opa en oma’. Hun ouders zeiden dat ze in Alberta woonden, aan de andere kant van het land. Er kwamen weleens foto’s van hun grootouders, met sneeuw op de achtergrond: het hielp dat Alberta en Siberië een vergelijkbaar klimaat hebben.
Het verhaal van Tim en Alex lijkt misschien verdacht veel op dat van The Americans, de tv-serie over twee KGB-spionnen met een gezin in de VS. Dat komt doordat die serie mede op hun verhaal is gebaseerd: ze speelt zich af ten tijde van de Koude Oorlog in de jaren tachtig, maar is geïnspireerd op het verhaal van het spionnennetwerk uit 2010. Als ik Alex in Moskou ontmoet, heeft hij het eerste seizoen van de serie net gezien. Zijn ouders kijken er graag naar, zegt hij. ‘Het is natuurlijk veel spannender gemaakt, met al die moorden en al die actie. Maar het deed hen denken aan de tijd dat ze zelf jonge agenten waren, en hoe het voelde om ineens in een vreemde omgeving te wonen.’ En het kijken naar de serie wakkert ook zijn eigen nieuwsgierigheid aan, zegt Alex: naar hoe zijn ouders hierin zijn beland, en waarom.
In 2010 kregen de spionnen in Rusland een heldenontvangst. Na een debriefing op het hoofdkwartier van de SVR kregen Bezroekov, Vavilova en de andere uitgezette spionnen een onderscheiding van toenmalig president Medvedev. Later hadden ze een ontmoeting met Poetin, waarbij ze het patriottische Sovjetlied ‘Waar het moederland begint’ gezongen zouden hebben.
Bezroekov en Vavilova kwamen in een heel ander Rusland terug dan het land dat ze hadden achtergelaten. De oudste van de tien teruggekeerde agenten was al tien jaar met spionagewerk gestopt en sprak nauwelijks nog Russisch, zegt Alex. Ze kregen allemaal een nieuwe baan, Bezroekov als docent aan het prestigieuze Moskouse Staatsinstituut voor Internationale Betrekkingen. Daar heeft hij een boek geschreven over de geopolitieke uitdagingen waar Rusland voor staat.
Tim en Alex kregen in december 2010 een Russisch paspoort. Ineens heetten ze nu Timofej en Alexander Vavilov
Tim en Alex kregen in december 2010 een Russisch paspoort. Ineens heetten ze nu Timofej en Alexander Vavilov. ‘Volstrekt nieuwe, vreemde en onuitspreekbare’ namen voor hen, zegt Tim. ‘Een echte identiteitscrisis,’ voegt hij er een beetje wrang aan toe. Hij kon het laatste jaar van zijn studie niet in Amerika afmaken en moest zijn studie vervolgen aan een Russische universiteit. Nadat hij daar was afgestudeerd, haalde hij in Londen zijn MBA.
Alex had minder geluk. Na zijn eindexamen aan de British International School in Moskou wilde hij weg uit Rusland. Hij schreef zich in op een Canadese universiteit, maar kreeg te horen dat hij eerst een nieuw geboortebewijs moest aanvragen, om daarmee opnieuw de Canadese nationaliteit aan te vragen. Alleen dan kon hij weer een Canadees paspoort krijgen. In 2012 werd hij toegelaten tot de Universiteit van Toronto en vroeg een vierjarig studentenvisum aan met zijn Russische paspoort. Toen hij dat visum kreeg, maakte hij zich op om naar Canada te gaan. Maar vier dagen voor vertrek, toen hij zijn spullen aan het inpakken was en al per e-mail met zijn toekomstige kamergenoot correspondeerde, werd hij gebeld door de Canadese ambassade in Moskou, die hem dringend wilde spreken. Op de ambassade werd zijn visum ter plekke ingetrokken, hij kon niet in Canada studeren. Sindsdien is hij ook al tweemaal toegelaten tot de London School of Economics, maar telkens kreeg hij geen visum. Uiteindelijk heeft hij nu een visum om ergens anders in Europa te studeren. Tim reist vooral in Azië: met een Russisch paspoort heb je daar meestal geen visum nodig.
Dat de broers proberen de Canadese nationaliteit terug te krijgen, heeft niet alleen te maken met reismogelijkheden. Moskou is geen gastvrije stad voor nieuwkomers en ze voelen zich allebei niet echt Russisch. Voorlopig willen ze graag in Azië werken, maar als ze een gezin krijgen, zouden ze daarmee liever in Canada wonen. Bovendien is hun Canadese identiteit het enige wat ze nog een beetje houvast biedt nadat hun hele wereld in duigen is gevallen.
‘Ik heb twintig jaar niet anders geweten dan dat ik Canadees was en dat voel ik me nog steeds, daar kan niets verandering in brengen,’ schreef Tim in zijn schriftelijke verklaring voor de Canadese rechtbank. ‘Ik heb geen band met Rusland, ik spreek de taal niet, ik heb er weinig vrienden, ik heb er nooit voor langere tijd gewoond en ik wil er ook niet blijven wonen.’
Iedereen die in Canada is geboren heeft recht op de Canadese nationaliteit, met één uitzondering: kinderen van ouders in dienst van een buitenlandse overheid. De rechters lijken zich even sterk te laten leiden door emotionele als door juridische overwegingen. Misschien speelt het verhaal in The Wall Street Journal over de rekrutering van Tim ook door hun hoofd. Maar zelfs al hadden de broers geweten wat hun ouders uitspookten: wat moet je doen als je op je zestiende merkt dat je ouders Russische spionnen zijn? De FBI bellen?
Bedonderd
Tim en Alex hebben lang geworsteld met de vraag wie ze nu eigenlijk zijn. Hun goede vrienden kennen hun verhaal, maar oppervlakkige kennissen vaak niet. Als iemand vraagt waar ze vandaan komen, zeggen ze allebei automatisch Canada. Ze hebben nog steeds vrienden in Boston. Al zegt Tim dat sommigen het contact hebben verbroken, vooral vrienden wier ouders ook bevriend waren met hun ouders, door wie ze zich nu bedonderd voelen.
Om de paar maanden bezoeken ze hun ouders in Moskou. Ik vraag of het ook druk heeft gezet op hun relatie. Tim en Alex wegen hun woorden. ‘Er zijn natuurlijk lastige perioden geweest,’ zegt Tim. ‘Maar als ik boos word schieten we daar niks mee op.’ Alex zegt dat hij zich weleens afvraagt waarom zijn ouders eigenlijk kinderen wilden. ‘Ze leiden gewoon hun leven als ieder mens, maken keuzes die zich aandienen. Ik ben blij dat ze iets hadden waar ze zo sterk in geloofden, maar door de keuzes die zij hebben gemaakt voel ik geen enkele band met het land waarvoor zij hun leven waagden. Ik zou willen dat de wereld mij niet strafte voor de keuzes die zij hebben gemaakt.’
Alex zegt een paar keer dat het niet aan hem is om over zijn ouders te oordelen, maar dat hij aanvankelijk lang heeft geworsteld met ‘de grote vraag’ of hij hen haatte of zich bedonderd voelde. Uiteindelijk kon hij maar tot één conclusie komen: al droegen ze nog zo’n groot geheim met zich mee, ze blijven nog steeds dezelfde mensen die hem zo liefdevol hebben grootgebracht.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.
Adam Diment werd eind jaren zestig wereldberoemd met zijn spionageroman The Dolly, Dolly Spy. Zijn rebelse, flamboyante hoofdpersoon Philip McAlpine was een fictieve versie van hemzelf. Waarom verdween hij op het hoogtepunt van zijn succes?
Voordat ik aan dit verhaal begon, kende ik Adam Diment alleen van Wikipedia, als het razend succesvolle literaire wonderkind dat in de jaren zestig met zijn populaire spionageromans in één klap het grootste fenomeen in de Britse boekenwereld werd. In 1967, op zijn drieëntwintigste, sleepte hij op basis van één nog niet gepubliceerd manuscript een contract voor zes boeken in de wacht, met het grootse voorschot dat ooit aan een beginnend schrijver was betaald. Hij werd meer gepromoot als een popster dan als romanschrijver, en de Londense pers noemde hem dan ook ‘de belangrijkste gebeurtenis in de entertainmentindustrie sinds de Beatles’. Overal dook zijn gezicht op, altijd omringd door meisjes, of het nu in de zondagsbijlagen was of op de zijkant van een dubbeldekker.
Bij de verschijning in 1967 van The Dolly, Dolly Spy noemde de Financial Times het debuut van Diment een ‘King’s Road-minithriller, dressed to kill’. Het boek werd in dertien talen vertaald en er werden binnen een jaar een miljoen exemplaren van verkocht. Al snel volgde The Great Spy Race (‘Volkomen ongerijmd, maar betreurenswaardig verslavend’, The Observer) en The Bang Bang Birds (‘De beste prestatie van deze schrijver tot nu toe. James Bond, pak maar in!’, The Times Literary Supplement).
Voortdurend werd de vergelijking met Bond gemaakt en dat was, twee jaar na de dood van Ian Fleming, ook onvermijdelijk. Maar er zijn weinig overeenkomsten tussen de shaken-not-stirred Bond en Diments antiheld. Philip McAlpine is een sarcastische, marihuana rokende en in Carnaby Street-stijl geklede charmeur, die tegen wil en dank voor een vage onderafdeling van MI6 werkt, onder druk van de kleine, uitgesproken machiavellistische Rupert Quine, een werkgever met normen die even buitensporig zijn als zijn psychedelische garderobe.
‘Ik vond hem enorm cool,’ zegt misdaadschrijver Peter James, een van de vele McAlpine-fans. ‘James Bond was een fantasiefiguur, ver weg, in een andere wereld, bijna op een andere planeet. Maar Philip McAlpine had bij mij op school kunnen zitten, hij was de knappe veroveraar die iedereen stiekem graag wilde zijn.’
McAlpine was lang en blond en bezat de luchthartigheid van zijn tijd. Daarmee was hij – zoals de schrijver vrolijk toegaf – bijna een fictieve versie van Diment zelf. En in een tijd dat een schrijver meestal veilig binnen de foto op zijn boekomslag bleef, werd Diments succes even sterk bepaald door wat hij schreef als door zijn flamboyante imago en zijn uitspraken over seks en drugs, die altijd weer mooie koppen in de kranten opleverden.
Maar in 1971, na de verschijning van Think Inc, nam Adam Diment simpelweg de benen. Hij liet een spoor van onvervulde mogelijkheden achter: een contract voor nog twee romans, een afgebroken Hollywooddeal waarmee McAlpine de volgende filmspion zou zijn geworden. De storm in de media zwakte af tot hier en daar een gerucht dat hij was gesignaleerd, telkens op een andere, steeds vager wordende, maar altijd exotische locatie. In 1975 bracht The Observer een kort artikel onder de kop: ‘Wat is er toch met Adam Diment gebeurd?’ en het antwoord luidde kort en bondig: ‘Diment woont tegenwoordig in Zürich, houdt zich verre van de publiciteit en heeft geen plannen voor een nieuw boek.’
Veertig jaar later is er nog niets veranderd: geen nieuwe boeken, geen publiciteit en een auteur die zwijgt. Maar anders dan die van zo veel tijdgenoten uit die gouden periode van de Britse spionageroman – Gavin Lyall, Adam Hall, John Gardner – weigerde de ster van Diment te verbleken. In woordenboeken en synoniemenlijsten worden veel woorden toegeschreven aan zijn kleurrijke sixtiesvocabulaire. Op internet bestaat een levendige handel in oude McAlpine-pockets, met hun typerende guns and girls op de cover, ook in grappig vertaalde versies zoals het Zweedse En hip, hip agent [de Nederlandse vertaling luidt Spionage onder druk] en het Franse Les poupées bang bang [Nederlands: De pief-paf-poef poezen].
Boerenzoon
Door de jaren heen hebben uitgevers verschillende (vergeefse) pogingen gedaan om toestemming te krijgen voor een heruitgave van de romans, en hebben thrillerschrijvers van opeenvolgende generaties gezegd dat ze door zijn boeken zijn beïnvloed. En nog steeds vragen mensen zich af wat er toch gebeurd is met Adam Diment.
Zes jaar geleden publiceerde voormalig tv-producer Rob Baker op zijn blog over moderne geschiedenis het stuk ‘The Disappearance of Adam Diment’. Daarin bracht hij alle toen beschikbare informatie over Diment bij elkaar (artikelen, recensies, boekomslagen, tijdschriftfoto’s, plus twee anonieme brieven uit 1969 aan de Bank of England, met schimmige beschuldigingen aan het adres van Diment over witwassen en drugshandel). Het is bepaald niet het enige stuk over Diment dat op internet is verschenen, maar het is de moeite waard, vanwege het bijbehorende discussieplatform, dat is uitgegroeid tot een bedevaartsoord voor Diment-fans.
Er zijn eerbetuigingen van mensen die vroeger al gek waren op de McAlpine-boeken en van mensen die ze nog maar net hebben ontdekt; herinneringen van mensen die Diment in zijn hoogtijdagen hebben gekend of die beweren dat ze hem later hebben ontmoet in Rome, op Ibiza of in Nepal. Sommige mensen beweren dat hij jaren geleden gek geworden is door drugsgebruik, anderen houden vol dat het prima met hem gaat (en dat hij nog steeds schrijft).
Samen laten ze zien dat het verhaal van Diment de natte droom is van elke complotdenker: een afwezige schrijver, een opeenvolging van mooie meiden, een filmdeal die niet doorging, de suggestie van chantage, en dat alles overgoten met een nostalgisch sausje van seks en hasj. Ingrediënten genoeg voor een perfecte Swinging Sixties-thriller, maar weinig feitelijkheden.
Loom, opgewekt controversieel en ontwapenend kleinerend over zijn eigen boeken. ‘Persoonlijk zou ik het rotzooi noemen!’
Frederick Adam Diment werd in 1943 geboren in Weymouth. Zijn ouders waren boeren. Als tiener zat hij op Lancing College, een voorname Victoriaanse kostschool met beroemde literaire oud-leerlingen als Evelyn Waugh, Christopher Hampton en David Hare. In de archieven van de school is echter niets te vinden waaruit de toekomstige carrière van Diment is af te lezen. De gegevens over hem zijn kort en zeggen weinig: ‘Binnengekomen voorjaar ’57. Bronzen Medaille. Prijs voor tekenen ’61. Naar landbouwschool in Cirencester.’
De landbouwschool lijkt een onwaarschijnlijke omweg voor een toekomstig schrijver. Diment brak zijn opleiding dan ook halverwege af. Hij verhuisde naar Londen, waar hij een kamer deelde met een andere vroegere Lancing-leerling, de toekomstige tekstdichter Tim Rice. De schaarse keren dat Rice hem in zijn autobiografie noemt, vormen nu het leeuwendeel van wat bekend is over Diments leven vóór McAlpine; Rice was erbij toen Diment van het ene baantje in het andere rolde en ondertussen veertien verschillende boekmanuscripten produceerde, die allemaal door uitgevers werden afgewezen. En hij was erbij toen Diment naar Fulham verhuisde, naar een flat van James Leasor, die in 1965 Passport to Oblivion[Paspoort voor de vergetelheid] publiceerde, een van de best verkopende boeken van dat decennium.
Het voorbeeld van Leasor werkte blijkbaar stimulerend op Diment, en in zeventien dagen tijd rammelde hij manuscript nummer vijftien uit zijn machine: The Runes of Death. Volgens de overlevering werd het verhaal uitgegeven zonder dat er een letter in werd gewijzigd, afgezien van de titel, die werd vervangen door het beter bij de tijdgeest passende The Dolly, Dolly Spy. Lucy Abelson, die destijds als journalist voor het tienerblad Rave werkte, interviewde Diment bij de verschijning van zijn boek. Het stuk zette de toon voor alle interviews die Diment in zijn succesperiode zou geven: loom, opgewekt controversieel en ontwapenend kleinerend over de boeken zelf. ‘Persoonlijk zou ik het rotzooi noemen!’
Van het begin af aan was de belangrijkste aantrekkingskracht van de boeken niet het luchtige, snelle proza waarin ze waren geschreven, maar de onduidelijke grens tussen McAlpine en Diment zelf. Bij fotosessies poseerde hij bereidwillig als zogenaamde spion: met een machinegeweer in de aanslag, als piloot in een Tiger Moth, achter het stuur van een snelle sportauto, innig verstrengeld met een meisje of bezig een joint te draaien.
Hasj was het belangrijkste ingrediënt in het verhaal achter McAlpine en in Diments eigen verhaal. Het was het symbool van de tegencultuur, dat hen beiden onderscheidde van keurige Bond. Opgewonden citeerde een Italiaans tijdschrift een trotse uitspraak van zijn uitgever: ‘Diment schrijft 750 woorden per uur, met behulp van hasj’. ‘Jongeren praten graag over dit soort dingen, maar dat betekent niet dat ze het ook echt doen,’ verzuchtte zijn vader, toen een reporter van Life bij de familie op de stoep verscheen. In een terugblik op al die media-aandacht zou Tim Rice tientallen jaren later over het succes van zijn vroegere huisgenoot zeggen: ‘Iemand moest de eerste drugsschrijver worden, en Adam had het geluk dat hij dat was.’
‘Ik ben bang dat ik u zal teleurstellen. Maar het is zeker dat het personage dat Diment aan de buitenwereld toonde, gecreëerd was door mijn baas, Desmond Elliott.’ Dat is de eerste zin van mijn correspondentie met Carolann Smith-Dorrien, en het was voor mij ook de eerste aanwijzing dat Diment zelf misschien wel even fictief was als de spion die hij had bedacht. Smith-Dorrien werkte eind jaren zestig als assistent van de man die verantwoordelijk was voor de snelle opkomst van Diment.
Desmond Elliott was een legende in de Londense uitgeverswereld, een kleine, roodharige Ier met een kleurrijke smaak op het gebied van pakken, en het is dan ook verleidelijk om in hem Diments roodharige meesterspion Rupert Quine te herkennen. Hij boekte zijn eerste succes met The Virgin Soldiers van Leslie Thomas en zou later nog bestsellerauteurs als Jilly Cooper, Richard Doyle en Penny Vincenzi begeleiden.
‘Adam was lang en blond, en vrij knap,’ zegt Smith-Dorrien. ‘En hij was kneedbaar. Ik weet zeker dat Desmond iets heeft gezegd in de trant van: “Ik kan iets van jou maken, als je me mijn gang laat gaan.”’ Kennelijk stond Diment daar wel voor open. Hij liet zijn haar groeien, kocht een Bond-waardige Aston Martin en, zoals Rice zegt, ‘begon te doen alsof hij voortdurend stoned was. Elliott stuurde hem naar King’s Road, waar hij zich uitdoste als een soort achttiende-eeuwse dandy.’
Deze wending in het leven van Diment klinkt ook door in het verhaal van een vrouw met een naam die te volmaakt is om waar te zijn: Suzie Mandrake, die in T_he Dolly, Dolly Spy_ opduikt als Veronica, een vroeg liefje van McAlpine. Zelf heeft ze een veelbewogen carrière achter de rug (meisje uit de hogere kringen, nachtvlinder, kunstenaarsmodel, pornosterretje) die een eigen roman waard is.
‘Hij was nog behoorlijk groen, echt een plattelandsjongen, toen we elkaar leerden kennen,’ herinnert ze zich. ‘Adam ging veel met mijn vriendje en mij om, en zo maakte hij kennis met het leven in Chelsea. Zijn new romantic-look kwam pas toen hij beroemd werd en pr-foto’s liet maken. Vóór die tijd was hij meer een “anoraktype”. Volgens mij was die look bedacht door Desmond Elliott.’
In Londen kreeg Diment veel aandacht in de pers en er werd een feest gegeven ter ere van de verschijning van The Dolly, Dolly Spy, uiteraard in nachtclub Dolly’s in St. James’s Street. In het hele land werd Diment gevraagd voor allerlei evenementen, om prijzen uit te reiken, schoonheidswedstrijden te jureren. En altijd waren er de meisjes, die door Elliott werden geronseld om zich samen met de schrijver te laten fotograferen: Victoria Brooke, die later met een Getty trouwde, Camille, een glamoureus meisje uit Cuba dat nog verder uit zicht is geraakt dan Diment, en – kortstondig – Mandrake. Zij en Diment kregen een relatie, maar die duurde niet lang. ‘Voornamelijk,’ zegt ze lachend, ‘omdat zijn ouders het verschrikkelijk vonden dat hij ze wilde laten kennismaken met een meisje met wie hij op een foto in het blad Life in bed lag en ook nog een waterpijp rookte.’
Kort daarna regelde Elliott een deal voor de verfilming van The Dolly, Dolly Spy, met David Hemmings als McAlpine. Het was een logische stap: de eerste vijf Bondfilms waren een doorslaand succes geweest en er werd een stroom navolgers geproduceerd die probeerden mee te liften op de spionnenrage, zoals Licensed to Kill, Our Man Flint en OK Connery. De opnamen zouden eind 1968 beginnen en Diment zette zijn succesverhaal voort. Hij rammelde er binnen dat jaar nog twee romans uit, schreef columns in tijdschriften, trad geregeld op in praatprogramma’s, had een cameo in de cultfilm Popdown (over buitenaardse wezens in Swinging London) en maakte een promotietournee door Europa.
Maar veel journalisten vonden Adam Diment te mooi om waar te zijn. De Britse New Statesman merkte op: ‘Volgens sommigen is het fenomeen Diment te vergelijken met wat er in de popmuziek gebeurt: een ster die wordt bedacht door trendgevoelige ondernemers, die een aardig gezicht vinden en dat vervolgens zijn mond laten bewegen op de maat van de muziek.’
De grote invloed van Elliott op zijn imago doet niets af aan het succes van Diment, of aan zijn schrijverschap. Het zou wel voor een deel kunnen verklaren waarom hij dat alles op een bepaald moment de rug heeft toegekeerd. ‘Hij was heel luchthartig,’ zegt Mandrake, ‘maar in zijn hart wilde hij graag een serieus denker zijn, en al genoot hij er eerst wel van dat hij beroemd was, het begon hem al snel te vervelen.’ Per slot van rekening moest de jonge schrijver zien om te gaan met de gevolgen van het feit dat hij niet één maar twee denkbeeldige personages had gecreëerd: Philip McAlpine en Adam Diment.
Niet vergeten
Adam Diment blijkt helemaal niet moeilijk te vinden te zijn. Ondanks alle verhitte speculaties in de loop der jaren is hij nooit werkelijk verdwenen à la Lord Lucan of Agatha Christie. Dit is het informatietijdperk, en de basisfeiten van zijn leven (net als die van ons allemaal) zijn met één keer zoeken op Google te vinden. Het duurt niet lang om erachter te komen dat hij levend en wel is, en dat hij er gewoon voor heeft gekozen om geen antwoord te geven op vragen die te maken hebben met zijn vroegere roem. Als ik zijn vrienden en familieleden benader, stuit ik op loyaal stilzwijgen en hoffelijke afwijzing. Pr-mensen sturen verontschuldigende e-mails: ‘Tim Rice wil dit liever niet doen zonder toestemming van Adam Diment en hij kan hem op dit moment niet bereiken.’ Jilly Cooper ‘kan zich de heer Diment nog maar heel vaag herinneren’.
Maar de grotere wereld is Diment niet vergeten. Britse thrillerschrijvers van nu zoals Jeremy Duns en Adrian Magson roemen hem om zijn manier van schrijven. ‘Ik was nog een tiener en had geen cent te makken,’ zegt Magson, als hij vertelt hoe hij in een kringloopwinkel in Zuid-Londen op The Dolly, Dolly Spy stuitte. ‘Het was verfrissend en paste goed bij het gevoel van die tijd. Ik vond het leuk dat McAlpine zo tegen het gezag was, een echte rebel en jong genoeg om zich nergens iets van aan te trekken, maar met genoeg ervaring om zichzelf uit de problemen te halen. Het boek bevatte bovendien zwarte humor, dat beviel me ook.’
Duns, die nog niet zo lang bewonderaar van Diments boeken is, zegt: ‘Ik vind dat ze erg worden onderschat. In zijn tijd werden ze door de marketeers verkocht als een hip alternatief voor de saaie, middelbare James Bond, en Diment werd gepresenteerd alsof hij bijna een alter ego van zijn personage was. Daardoor werden zijn boeken denk ik minder serieus genomen. Natuurlijk hebben ze wel wat Austin Powers-trekjes, maar het zijn ook strakke, goedgeschreven thrillers, met een sterke plot.’
Favoriet bij Magson en Duns is The Dolly, Dolly Spy, het debuut dat alle records brak en dat in de The New York Times werd bejubeld als ‘een van de grappigste antispionageromans’. Maar het boek dat mij het meest bijblijft is Think Inc, de grimmige finale van de reeks. Dit deel is in een aantal jaren in plaats van weken geschreven, toen Diment zich terugtrok uit de scene van King’s Road, en het combineert het beste van zijn schrijverschap – een razend tempo, plotselinge overgangen naar ijzig efficiënt proza, verrassende vlagen onverklaard geweld – met een nieuwe, koele sfeer.
De roman begint in de nasleep van een internationale operatie die hopeloos is misgelopen. Na een gespannen confrontatie met Quine wordt McAlpine ontslagen uit de dienst, en om een aanslag op zijn leven te ontlopen neemt hij zonder spijt afscheid van Swinging London en gaat hij ervandoor. Al zwervend door Europa wordt hij lid van een internationaal opererende misdaadbende. Het is een verhaal zonder hoop, elk hoofdstuk hamert een nieuwe nagel in de doodskist van Diments slimme spion. Het eindigt in een sombere, prikkelende cliffhanger, waarin McAlpine alleen is achtergebleven en al zijn levenskansen en geluk heeft opgebruikt.
Think Inc was geen al te groot succes. Tegen die tijd hielden weinig mensen zich bezig met de vervagende roem van de auteur, afgezien van krantencolumnist Eric Hiscock, die het volmaakte grafschrift voor de carrière van de schrijver bedacht: ‘Diments zijn blijkbaar niet forever.’
Hier en daar valt een glimp op te vangen van Adam Diments leven na de roem. Een kennis uit Londen is hem begin jaren zeventig op Ibiza tegengekomen en gelooft dat Diment van plan was om psychologie te gaan studeren aan de Universiteit van Californië. Toen The Observer het ‘Waar is hij?’-artikel publiceerde, woonde Diment in Zürich, de Aston Martin was vervangen door een aftandse Fiat en de rol van beroemd auteur door die van redacteur bij een in psychologie gespecialiseerde uitgeverij. Zijn laatste schrijfwerk dateert – voor zover ik weet – uit die tijd: een bepaald niet spannende introductie bij de nieuwste aanbieding van de uitgeverij.
Backpacker Clay Caughman ontmoette Diment twee jaar later in een afgelegen hotel in Nepal. ‘Adam had de kamer naast mij. Hij zat elke ochtend te tikken en elke middag kwam de ganja-man langs om ons wiet te verkopen. We hebben veel gepraat, voornamelijk over schrijven. En hij leefde nog steeds van het geld dat hij had verdiend met The Great Spy Race, dat weet ik nog.’ Maar toen Suzie Mandrake hem eind jaren zeventig in Londen zag, waren die fondsen blijkbaar uitgeput. ‘We waren elkaar uit het oog verloren. Ineens stopte hij voor mijn neus bij een bushalte, en hij zei dat hij tegenwoordig als minicab-chauffeur werkte.’
Daarna is er voor zover bekend tientallen jaren niets meer van Diment vernomen. Tot er, zo’n tien jaar geleden, weer sporen opdoken: Lucy Abelson kwam hem tegen op een schrijversconferentie in Winchester. Rond dezelfde tijd ontmoette de Canadees Hugh Harrison Diment in een bar in Cambodja en raakte met hem bevriend. ‘Ik weet dat hij nog minstens één boek heeft geschreven. Het probleem is dat uitgevers weinig voelen voor de onderwerpen waarover hij heeft geschreven en dat hij er niet voor voelt om zijn ziel te verkopen… Maar ik durf met vrij grote zekerheid te zeggen dat als Adam een uitgever bereid vindt de manuscripten uit te geven die hij een hele tijd geleden in een schoenendoos heeft gestopt, hij met alle plezier zal instemmen met de herdruk en verspreiding van een passende hoeveelheid van zijn spionageromans uit de jaren zestig.’
Anderen zijn daar minder zeker van. Adam Jezard, een redacteur van de Financial Times die als jongen dol was op de McAlpine-boeken, is die boeken en hun auteur nooit vergeten. ‘Toen ik ouder werd, verdwenen de boeken en kreeg ik er juist meer belangstelling voor. Uiteindelijk deed ik een poging om Adam op te sporen, en ik wist via zijn vader contact met hem te leggen. Adam kwam aan de telefoon en zei dat wat er in het verleden was gebeurd hem niet interesseerde.’ Jezard zucht. ‘Wel heel jammer. Dit is zo’n verhaal dat geen eind krijgt.’
Op de drempel
Mij lijkt het een goed idee om Diment op te sporen. Ik wend me tot zijn jongere broer Nicholas, die vriendelijk en eerlijk reageert: ‘Adam is tegenwoordig een beetje op zichzelf en houdt niet van interviews. Maar wat wil je weten? Misschien kan ik je helpen. Ik zeg niet dat ik zomaar alles mag beantwoorden, maar je kunt het altijd proberen.’
Wat wil ik weten? Dat is een redelijke vraag, die ik tot nu toe steeds heb vermeden sinds ik aan dit artikel begon te werken. Adam Diment, de man die vier decennia geleden de schrijver Adam Diment achter zich liet en nooit te kennen heeft gegeven dat hij van gedachten wilde veranderen. Maar in deze wereld waarin alles toegankelijk moet zijn, accepteren we geen ontbrekende puzzelstukjes; er is altijd een andere route rond het probleem. En tijdens de korte treinreis van Londen naar het dorp waar Diment nu woont, heb ik alle redenen gerepeteerd die hem misschien, heel misschien, toch van gedachten kunnen doen veranderen. Misschien zit er meer vast aan dit verhaal. Misschien kan het op zijn minst een eind maken aan de nieuwsgierigheid, aan het telkens weer opgerakeld worden van dat verleden. En misschien is het zelfs wel een opluchting, na al die jaren van stilte, om eindelijk te praten.
Het huis van Diment staat boven aan een lange helling, net voorbij de grens waar villawijken en hoge bomen plaats maken voor het open landschap. Het ziet er kleiner uit dan ik had verwacht, een wirwar van schoorstenen en gevels, en ramen die zo klein zijn dat ze ontworpen lijken om het licht buiten te houden in plaats van het binnen te laten. Er klinkt geen geluid in het weidse, lege landschap, er is geen beweging, geen teken van leven, er zijn alleen golvende landerijen en een zachte hemel. Maar onverwacht, bijna tot mijn schrik, staat de voordeur op een kier.
Ik klop aan. Na een paar minuten klop ik nog een keer, een nerveuze roffel en roep dan luid de gang in: ‘Meneer Diment?’ Geen antwoord. Ik zou zo dit schijnbaar lege huis vol mogelijke antwoorden binnen kunnen gaan. Diment is misschien buiten of weg, of hij is wel binnen, maar laat zich niet zien en wacht tot ik wegga. Maar dan klinkt op de weg plotseling gebrul, als de wachtende taxichauffeur even gas geeft. De stilte wordt verbroken en daarmee ook de magie; ik sta, onuitgenodigd, op de drempel van een vreemde.
Een paar uur na mijn vergeefse bezoek krijg ik een telefoontje van Diments jongste zoon. Zijn vader is niet eens in het land. De afgelopen jaren is hij weer het pad van de drop-outs naar het Verre Oosten op gegaan, dat hij voor het eerst in de jaren zeventig had gevolgd.
In een opwelling zoek ik het nummer op van het hotel in Phnom Penh waar Hugh Harrison ooit Diment heeft ontmoet. Het kost een paar minuten moeizaam herhalen via een krakende lijn, om vast te stellen dat daar een Britse toerist logeert met een naam die in de verte zou kunnen klinken als ‘Diment’, maar het duurt slechts een paar seconden voor de opgewekte receptionist aanbiedt om hem te gaan halen. Ik leg de telefoon neer, half in shock, met kloppend hart. Is Adam Diment al die tijd maar één telefoontje bij me vandaan geweest?
Tien minuten later bel ik terug en als ik verschillende keren ‘Dai-ment’ heb gebruld, weten ze weer wie ik ben en wat ik wilde. ‘O, jaaa. Dai-ment! Hij weg.’
Goodbye Mr. Bond. Inlichtingendiensten als het Britse MI6 en de Amerikaanse CIA moeten zichzelf compleet heruitvinden om te overleven in de wereld van de big data.
Je kunt je voorstellen dat de chef van MI6 – kortweg ‘C’ genoemd – even huiverde toen hij de Bondfilm Spectre zag. Niet bij de scène waarin het hoofdkantoor van MI6 wordt opgeblazen, maar bij de verontrustende verhaallijn waarin zijn inlichtingendienst moet opgaan in een nieuwe overkoepelende dienst die helemaal om data-analyse draait. Waarom dat een huivering veroorzaakt? Omdat het gevaarlijk dicht bij de werkelijkheid komt. De spion mag dan een van de oudste beroepen ter wereld hebben en MI6 kan dan bogen op nog zo’n roemrijk verleden, momenteel moet de dienst vechten voor zijn voortbestaan. En de reden daarvoor is data.
De huidige ‘C’, Alex Younger (52), spreekt van een technologische ‘wapenwedloop’. Een inlichtingendienst die goed is in data-analyse is beter opgewassen tegen zijn tegenstanders. Wie daar niet in mee kan, belandt automatisch op een zijspoor. Om dat te voorkomen zoekt MI6 nu antwoord op twee vragen: wat is er nog geheim in het digitale tijdperk? En hoe kun je die geheimen beschermen?
Cyberspionage
Spionage draait om het stelen van geheimen. Dat kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld door het onderscheppen en decoderen van elektronische communicatie, zogenaamde SIGINT (signals intelligence): het werk van diensten als het Britse GCHQ (Government Communications Headquarters) en de Amerikaanse NSA. Je hebt ook HUMINT (human intelligence), waarbij je informatie probeert los te krijgen van mensen die daarover beschikken. Die mensen worden ‘agenten’ genoemd (de medewerkers van MI6 zelf zijn geen ‘agent’ maar ‘inlichtingenofficier’).
Tijdens de Koude Oorlog speelde apparatuur bij deze vorm van spionage nauwelijks een rol. Als inlichtingenofficier was je vooral bezig om KGB-agenten af te schudden op weg naar afspraken met informanten in schimmige steegjes in Wenen of Berlijn. Maar de opkomst van computernetwerken heeft 25 jaar geleden grote veranderingen ingeluid. Bij de KGB, en vervolgens ook bij GCHQ en de NSA, groeide het besef dat er waardevolle overheidsinformatie op computers stond die met het internet waren verbonden. Tot ontsteltenis van MI6 kon GCHQ ineens aan documenten komen die je vroeger alleen kon bemachtigen door een buitenlandse agent stiekem foto’s te laten maken van materiaal dat in een kluis lag opgeslagen.
Cyberspionage veroorzaakte een revolutie in het vak. Je kon op afstand enorme hoeveelheden informatie in handen krijgen zonder gevaar voor mensenlevens. Maar wat is dan de taak van de ouderwetse spion? Op die vraag moet veteraan Younger een antwoord vinden. De strategie? Kort gezegd: data analyseren, onder de radar blijven en overal actief kunnen zijn.
Technologie biedt zowel kansen als bedreigingen. De eerste stap bij het ronselen van buitenlandse agenten is het kiezen van de juiste persoon. Stel dat je wilt weten of een land een geheim nucleair wapenprogramma heeft. Een goede bron zou dan een zakenman zijn die onderdelen voor dat programma kan leveren. De inlichtingendienst moet dus uitzoeken wie er allemaal toegang tot de geheimen hebben, wie een motief zou kunnen hebben om uit de school te klappen en hoe je die persoon kunt benaderen. Dat gebeurt nu allemaal met behulp van computerdata. Dat kunnen openbare data zijn, zoals informatie over wie voor welk bedrijf werkt. En sociale media kunnen een rol spelen bij het vaststellen van iemands interesses en kennissenkring. Zo bouw je een beeld op van iemands leven. Om de beoogde agent te begrijpen moet je tegenwoordig niet alleen naar diens echte maar ook naar zijn onlineleven kijken. Een discrepantie tussen iemands ‘echte’ wereld en zijn onlinegedrag kan op zichzelf veelzeggend zijn.
Ook grote dataverzamelingen worden steeds belangrijker. MI6 heeft gezegd dat die ‘steeds meer worden gebruikt voor het vinden van mensen die interessant voor ons kunnen zijn, en het vinden van mogelijke banden met het Verenigd Koninkrijk die wij kunnen gebruiken’. Om welke dataverzamelingen het precies gaat, is geheim. Dat kan het personeelsbestand van een vreemde overheid zijn, het klantenbestand van een hotel of het abonneebestand van een tijdschrift. Het gaat vaak om data van miljoenen, veelal onschuldige mensen. Volgens Britse spionnen is zowel de vergaring als de verwerking van deze data aan strikte regels gebonden. Elke zoekopdracht in zo’n bestand moet voldoen aan de Britse Human Rights Act: het moet als opsporingsmiddel wettig, noodzakelijk en proportioneel zijn. Dat laatste betekent dat een zoekopdracht die te veel resultaten oplevert niet alleen niet onproductief is, maar mogelijk ook tegen de regels.
Stel dat zo’n zoekopdracht uitwijst dat een ingenieur in geldnood zit; de volgende stap is dan om hem te benaderen. Er zijn systemen die een seintje kunnen geven als hij een hotel boekt. Dan zal een inlichtingenofficier hem daar opwachten in de lobby – want persoonlijk contact is in die fase vaak nog cruciaal.
Het kwetsbaarste moment in de hele spionageketen was altijd de overdracht van informatie van een agent aan een inlichtingenofficier. De overhandiging van een envelop was een uitgelezen moment voor een ‘heterdaadje’. Maar die overdracht kan met behulp van speciaal ontwikkelde technologie nu ook op afstand plaatsvinden. In 2006 beweerde de Russische veiligheidsdienst een door Britten gebruikte ‘spionagesteen’ te hebben ontdekt: een nepsteen waarin communicatie-apparatuur verborgen zat. Een buitenlandse agent zou daar informatie op kunnen zetten terwijl hij er langsliep. MI6 reageerde niet op de aantijging, maar een voormalig Brits regeringslid erkende later dat ze door de Russen ‘waren betrapt’. Inmiddels kan deze techniek waarschijnlijk veel grotere afstanden overbruggen, zodat de pakkans nog kleiner is.
Vroeger wilden spionnen niet dat hun foto’s en persoonsgegevens openbaar werden. Maar welk mens van onder de dertig heeft tegenwoordig geen profiel op sociale media?
‘Gebruik van data is een waardevolle kans om veel bewuster en doelgerichter te werken en onze agenten en ons land dus beter te beschermen,’ zei Younger in zijn eerste openbare toespraak in maart 2015. ‘Dat is goed nieuws. Het slechte nieuws is dat tegenstanders met diezelfde technologie ook kunnen zien wat wij doen en onze mensen en buitenlandse agenten in gevaar kunnen brengen.’ Technologie helpt onze spionnen om bronnen te vinden, maar helpt vreemde mogendheden ook om Britse spionnen en hun informanten te ontmaskeren.
Als je geheimen wilt stelen, moet je ze zelf ook geheim kunnen houden. En dat wordt steeds moeilijker. De eerste tekenen zagen we zo’n tien jaar geleden, toen de douane steeds meer gebruik ging maken van biometrische gegevens. Vroeger had een MI6-officier voor een buitenlandse afspraak met een agent genoeg aan een vals paspoort. Even snel de grens over, gesprek voeren met de agent en weer terug. Maar zodra er sprake is van een irisscan of vingerafdrukken, worden zulke gegevens aan die valse naam gekoppeld. Word je dan niet herkend als spion? Het werd een stuk ingewikkelder om buitenlandse agenten te ontmoeten.
Het volgende struikelblok werden de sociale media. Vroeger wilden spionnen niet dat hun foto’s en persoonsgegevens openbaar werden. Maar welk mens van onder de dertig heeft tegenwoordig geen profiel op sociale media? Wie laat geen digitale sporen na? Zoiets is al genoeg om op te vallen als iemand die zijn privacy uitzonderlijk goed bewaakt, en dus als mogelijke spion. Een paar jaar geleden deed MI6 een test: hoelang duurde het om iemands dekmantel door te prikken met behulp van een paar gerichte zoekacties op Google? De uitslag: ongeveer een minuut.
Ouwe rotten in het vak zeggen dat veel collega’s aanvankelijk de ogen sloten voor de nieuwe gevaren. Tot ze met hun neus op de feiten werden gedrukt. Zo werd in februari 2003 een CIA-team naar Milaan gestuurd voor de ‘buitengewone uitlevering’ van de van moslimextremisme verdachte Abu Omar. Die werd in Italië van straat geplukt en op transport gezet naar Egypte. Drie jaar later was een Italiaanse aanklager er dankzij de analyse van belgegevens, hotelreserveringen en gegevens van autoverhuurders en creditcardbedrijven in geslaagd om een twintigtal leden van het CIA-team te identificeren en bij verstek te vervolgen.
En grote dataverzamelingen? De angst voor wat daarmee mogelijk is, klonk sterk door in Washingtons hysterische reactie toen in 2015 het personeelsbestand van de federale overheid werd gehackt. Daarbij werden de persoonsgegevens gestolen van 21 miljoen werknemers in overheidsdienst. De gegevens van CIA-officieren en andere spionnen zaten daar niet bij, maar dat was juist het probleem: als een ambassademedewerker niet in dit bestand voorkomt, snapt een slimme inlichtingendienst meteen dat die dus voor de inlichtingendienst werkt. Na die hack kreeg de Britse regering de verzekering dat er in Groot-Brittannië niet één enkele database is die zo veel details bevat.
Ontmoetingen met agenten zijn tegenwoordig riskanter. Elkaar in het voorbijgaan op straat iets overhandigen, even kort smoezen in een steegje: vroeger was het niet te traceren zolang je niet werd geschaduwd. Maar nu hangen overal bewakingscamera’s en verzamelen smartphones en andere digitale apparaten allerlei data over je locatie. Sterker nog, die data worden opgeslagen. Dat digitale rookspoor heeft ingrijpende gevolgen voor de werkwijze van spionnen.
Landen leggen steeds vaker grote biometrische bestanden aan met data over hun eigen bevolking. ‘Toen ik bij MI6 ging werken, werd me geleerd hoe ik kon merken of ik werd geschaduwd en of mijn telefoon of radioverkeer werd afgetapt,’ zei John Sawers (van 2009 tot 2014 het hoofd van MI6) in januari 2015. ‘Tegenwoordig worden die arbeidsintensieve technieken ondersteund met geavanceerde software: gezichtsherkenning, voetstapherkenning, enzovoort.’
Sawers, die eind jaren zeventig bij MI6 was begonnen, keerde er na een lange carrière bij Buitenlandse Zaken in 2009 terug om de dienst te moderniseren. Dat hield onder meer in dat de afdeling technologie beter in de operationele activiteiten moesten worden geïntegreerd. Technici en data-analisten worden tegenwoordig dus vanaf het begin bij de planning van een operatie betrokken en niet meer alleen op het laatste moment geraadpleegd. De inlichtingenofficier die agenten rekruteert is nu één gelijkwaardig lid van een team, in plaats van een soort ‘straaljagerpiloot’ aan wie alle andere teamleden ondergeschikt zijn. De input van de data-analist is nu even belangrijk als die van de inlichtingenofficier.
Middeleeuws
Een tijdperk waarin alles wordt vastgelegd en digitale sporen nalaat, vereist andere werkwijzen. Soms betekent het dat je, zoals MI6 het noemt, juist ‘middeleeuws moet gaan’: offline blijven en ouderwetse communicatiemethoden gebruiken. Sommige landen grepen na de onthullingen van Edward Snowden terug op ouderwetse typemachines, en ook technieken als onzichtbare inkt schijnen een comeback te maken.
De volgende fase van de technologische transformatie is de opkomst van inlichtingen uit openbare bronnen, big data en voorspellende analyse. Tien jaar geleden werd in de spionagewereld nog neergekeken op informatiewinning uit openbare bronnen. Inlichtingenwerk was een kwestie van list en bedrog, niet van een zoekopdracht op internet. ‘Het zoeken in open bronnen beperkte zich toen tot het bijhouden van buitenlandse kranten en tv-journaals,’ zegt Cameron Colquhoun, voormalig data-analist bij de Britse inlichtingendiensten en oprichter van Neon Century, een particulier bedrijf dat is gespecialiseerd in informatiewinning uit openbare bronnen. De omslag kwam met de Groene Beweging in Iran in 2009 en de Arabische lente in 2011, die deels via sociale media waren georganiseerd. ‘Vanwege de rijkdom van die data – allemaal verifieerbaar en voorzien van een precieze locatie en tijdstip – was dit niet langer iets om alleen maar een beetje bij te houden, maar iets waarop je complete onderzoeken kunt baseren.’
Volgens een Britse generaal komt naar schatting 85 procent van alle militaire inlichtingen nu al uit openbare bronnen. Geografische informatie is makkelijk te vinden. En wat er onder de bevolking leeft, kun je analyseren met speciale software die de stemming van mensen peilt. Dus waarom zou je nog veel geld uitgeven en risico’s nemen om geheimen te bemachtigen als er zo veel informatie voor het oprapen ligt? Ook de opkomst van IS onderstreept het belang van sociale media: Britse jihadisten gebruiken sites als Facebook voor het ronselen van nieuwe volgelingen.
De analisten van inlichtingendiensten hebben moeite om hierin hun draai te vinden. Hun werkcomputers zijn tenslotte hermetisch afgesloten van internet, gebruik van sociale media is altijd ontmoedigd en ze mogen hun eigen smartphone doorgaans niet meenemen naar het werk. Internet is immers een ideaal achterdeurtje: een potentiële manier voor buitenlandse spionnen om in te breken in de systemen van MI6. En ook het koppelen van grote databestanden en het combineren van allerlei gegevens draagt grote risico’s van virusbesmetting met zich mee. Dé uitdaging waar de techneuten voor staan, is hoe je het internet kunt benutten zonder het je hoofdkwartier binnen te laten.
Volgens een Britse generaal komt 85 procent van alle militaire inlichtingen uit openbare bronnen
Technieken voor data-analyse worden tegenwoordig eerder ontwikkeld door de privésector dan door de overheid. De meest geavanceerde tools komen van start-ups die voor commerciële doeleinden de stemming van consumenten analyseren. Net zoals inlichtingendiensten willen weten wie er positieve en invloedrijke meningen verspreiden over een gruwelijk filmpje van IS, zo kan een fabrikant benieuwd zijn welke mensen op sociale media promotie kunnen maken voor zijn product. Het Amerikaanse Palantir, oorspronkelijk opgericht door In-Q-Tel, de investeringstak van de CIA, levert zowel inlichtingenprogramma’s voor het leger en de veiligheidsdiensten als analysesoftware voor commerciële bedrijven.
De Britse start-up Ripjar doet iets vergelijkbaars. ‘Het verzamelen van data is cruciaal voor het opsporen en blootleggen van crimineel gedrag,’ zegt CEO Tom Griffin. ‘Dat lijkt op het bedrijfsleven, waar de echte waarde van data pas evident wordt als je je zakelijke kennis combineert met analytisch denken en een hele hoop verschillende dataverzamelingen.’ Het gebruik van kunstmatige intelligentie en natuurlijke taalverwerking zal de inbreng van menselijke analisten volgens hem niet overbodig maken, maar het zal die analisten wel in staat stellen patronen te vinden in grote hoeveelheden data, zoals tweets uit het IS-kamp.
De diensten hopen dat big data zullen leiden tot betere analyses, minder ‘strategische verrassingen’ en beter inzicht in de vroege stadia van een dreiging. Hoge CIA-functionarissen zeggen te verlangen naar meer ‘anticiperend inlichtingenwerk’. Bij software die de stemming onder een bevolking peilt, wordt gekeken naar vroege voortekenen van politieke en sociale crises, onlusten en rellen, en tekenen van economische instabiliteit of dreigende tekorten. Het nieuwe Alan Turing Institute van de British Library is een samenwerkingsverband van bedrijfsleven, overheid en wetenschap dat onderzoek doet naar datagestuurde oplossingen voor allerlei nationale bedreigingen, ook voor de nationale veiligheid.
Maar is het, gezien de enorme hoeveelheid data en de onvoorspelbaarheid van mensen, überhaupt mogelijk om voorspellende analyses uit te voeren waar inlichtingendiensten echt iets aan hebben? Na de aanslagen van 9/11 nam data-analyse een hoge vlucht. Zo werden in Irak bijvoorbeeld bommenfabrieken opgespoord door het telefoongebruik van opstandelingen te analyseren.
In Groot-Brittannië werken GCHQ en MI6 nauw samen. Met behulp van grote dataverzamelingen worden eerst ‘doelwitten’ opgespoord, op wie vervolgens meer gespecialiseerde technieken worden losgelaten. Dat is nu veel moeilijker dan vroeger. Vroeger kon één analist van GCHQ een tiental mensen volgen. Nu heb je soms tien analisten nodig voor het volgen van één verdachte, als die persoon een beetje weet wat hij doet. Daarom blijft ook het oude handwerk belangrijk. Als je in een groep zoals Al-Qaida een spion hebt, kan die je vertellen wie iedereen is en wie zijn communicatie sterk beveiligt en wie niet. Er wordt dus vaak gewerkt met een combinatie van technische en menselijke middelen: analisten van GCHQ speuren naar patronen in de online-activiteit en inlichtingenofficieren van MI6 proberen agenten ter plaatse te rekruteren.
De samenwerking wordt steeds hechter. GCHQ heeft soms een spion nodig om een operatie mogelijk te maken. Denk maar aan het Amerikaans-Israëlische Stuxnet-virus, dat het nucleaire programma van Iran platlegde: er was een technicus voor nodig die de usb-stick in het systeem stopte. Bovendien kan een spion soms informatie vinden die je niet uit de data kunt halen. Maar de balans is aan het verschuiven. GCHQ is nu ongeveer tweemaal zo groot als MI6. Binnen MI6 heerst het besef dat er behoefte is aan een nieuw soort spionnen en dat iedereen digitaal vaardig moet zijn.
Het wordt steeds moeilijker om geheimen te bewaren. Spionnen moeten zich bezinnen op wat ze precies doen, alle zwaktes en mogelijkheden analyseren en op zoek gaan naar nieuwe bronnen van informatie en de nieuwste softwaretools om die data te ontginnen. Elke nieuw middel om iemand te bespioneren moet eerst goed worden getest om er zeker van te zijn dat de ander het niet tegen je kan gebruiken. In deze nieuwe wapenwedloop van hoogtechnologische spionage zijn alle landen hard bezig om te kijken wat data-analyse oplevert. De winnaar zal er met de buit vandoor gaan. De verliezer trekt – net als overal in de nieuwe wereld van technologie, maar nu met ernstiger gevolgen – aan het kortste eind.
Gordon Corera is Security Correspondent van de BBC.
Wired
Verenigde Staten | maandblad | oplage 750.000
Wired bericht in print en online over de verbanden tussen technologische ontwikkelingen en cultuur, politiek en economie. Absolute referentie voor internationale technologie. Spraakmakende covers, ongeëvenaarde inhoud.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.