Afgelopen dinsdag blokkeerde de Spaanse regering een poging van het aan de Hongaarse regering gelieerde bedrijf Ganz Mavag om de Spaanse treinfabrikant Talgo over te nemen. Ze nam dit besluit omwille van de ‘nationale veiligheid’ van het land. Talgo is de belangrijkste leverancier van de Spaanse nationale spoorwegmaatschappij Renfe. De Spaanse regering gaf geen uitleg over de exacte redenen voor de weigering en zei alleen dat de informatie waarop de beslissing was gebaseerd door de Ministerraad ‘geheim’ was verklaard.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De Hongaarse premier Viktor Orbán, wiens land het roulerend voorzitterschap van de Raad van de EU bekleedt, heeft nooit een geheim gemaakt van zijn nauwe banden met Moskou. ‘De uitvoerende macht is van mening dat de technologie van Talgo te gevoelig is om in Hongaarse handen te laten’, aldus ABC.
Volgens de Spaanse krant kan de beslissing van Madrid ‘een conflict veroorzaken met een partnerland van de Europese Unie zoals Hongarije. Terwijl de uitvoerende macht de nationale veiligheid aanvoert als reden om de operatie af te wijzen, heeft het tegelijkertijd andere buitenlandse biedingen aangemoedigd.’
Europese regeringen hebben hun spoorwegennetwerk de afgelopen jaren systematisch ingekrompen, terwijl er juist is geïnvesteerd in de uitbreiding van het wegennetwerk, zo meldt The Guardian. Uit onderzoek van de Duitse denktanks Wuppertal Institute en T3 blijkt dat het aantal kilometer snelweg in Europa tussen 1995 en 2020 met 60 procent is toegenomen, terwijl de lengte van het spoor met 6,5 procent is afgenomen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Giulio Mattioli, een transportonderzoeker aan de Technische Universiteit van Dortmund, zei hierover tegen de Britse krant: ‘De meeste Europese landen hebben het autogebruik aangemoedigd door grote hoeveelheden overheidsgeld te investeren in het uitbreiden van de snelweginfrastructuur.’ In het publieke en politieke debat, voegde Mattioli eraan toe, waren kleine investeringen in fietspaden en spoorwegen onderwerp van hevige discussie, terwijl investeringen in wegen als vanzelfsprekend werden beschouwd. ‘Dit moet absoluut veranderen als we de klimaatdoelstellingen in de transportsector willen halen.’
Een handvol Europese landen heeft goedkopere kaartjes voor het openbaar vervoer geïntroduceerd om mensen aan te moedigen de overstap te maken. ‘Betrouwbaarheid van de dienstverlening en infrastructuurnetwerken zijn veel belangrijker. Ik denk dat we het minder over tarieven moeten hebben en veel meer over infrastructuur,’ aldus Mattioli.
Volgens betogers is het spoor jarenlang verwaarloosd
Na de dodelijke treinramp in Griekenland, die volgens GreekReporter aan zeker zevenenvijftig mensen het leven heeft gekost, zijn er in het land protesten uitgebroken. Volgens betogers hebben de Griekse autoriteiten jarenlang de spoorwegen verwaarloosd en had de treinramp kunnen worden voorkomen als er automatische wissels waren.
Met name in Thessaloniki waren de protesten gewelddadig. Zeker tweeduizend mensen liepen mee in een protestmars, waarbij de politie werd bekogeld met molotovcocktails, stenen en vuurwerk. De oproerpolitie zou traangas hebben ingezet om de orde in de Griekse stad te herstellen.
Een passagierstrein en een vrachttrein botsten deze week frontaal op elkaar omdat ze op hetzelfde spoor reden. Het ging om een menselijke fout. De persoon die verantwoordelijk is voor de wissels is gearresteerd, maar veel Grieken vinden dat er een veel diepgaander onderzoek moet komen naar nalatigheid van de autoriteiten.
Twee weken nadat een trein met giftige chemicaliën in een klein stadje in de Amerikaanse staat Ohio ontspoorde, is alles verre van normaal. Door de verwarrende mededelingen van de overheid is de angst onder de inwoners alleen maar toegenomen.
In het ooit zo bloeiende industriestadje in de stille heuvels van oostelijk Ohio lijkt het deze week business as usual. Scholen zijn open, restaurants zijn open voor de lunch en over het spoor dat Market Street doorkruist, rijden weer treinen.
Maar er zijn ook aanwijzingen dat alles verre van normaal is. Mensen ruiken aan het water dat uit de kraan komt, controleren zichzelf in de spiegel op huiduitslag en staren naar de vaalgroene vissen en kikkers die dood in de beekjes drijven. Overal hangt een geur die doet denken aan brandende autobanden, aan verbrand plastic vermengd met polystyreenlijm en nagellakremover.
Het is bijna twee weken geleden dat een goederentrein van Norfolk Southern in East Palestine ontspoorde. Honderden inwoners mochten dagenlang het gebied niet in, omdat werkers de giftige chemicaliën die de trein vervoerde aan het verbranden waren. Sindsdien worden de meeste inwoners hier beheerst door angst.
‘Het geluid was altijd een soort van geruststellend,’ zegt Traci Mascher over het geloei van de treinen die door de stad razen. Ze woont er met drie van haar kleinkinderen. ‘Nu geeft het nare associaties.’
Kinderen van andere gezinnen gaan alweer naar school, maar Maschers kleindochters hebben onlangs huiduitslag gekregen. Traci en Greg vragen zich af in hoeverre hun gezondheid gevaar loopt als ze in de stad blijven. Sinds ze met eigen ogen de monsterlijke rookpluim boven de daken hebben zien hangen, hebben ze geen nacht meer thuis doorgebracht.
De familie Mascher woont al drie generaties lang in East Palestine, maar Greg Mascher (61) praat er nu over alsof het vreemd gebied voor hem is. ‘Ik ben de weg kwijt,’ zegt hij. ‘Totaal de weg kwijt.’
Onbekend
Wat de ongeveer 4700 inwoners van de stad misschien nog het meest beangstigt, is dat er nog zoveel onbekend is. Gevaren die op korte termijn kunnen worden aangepakt zullen mogelijk jaren later alsnog een bedreiging vormen. Om de oorzaken en gevolgen van het incident werkelijk te begrijpen, moet er volgens deskundigen uitgebreider onderzoek worden verricht dan tot nu toe is gedaan.
Het lokale vertrouwen was al niet groot in deze stad die al tientallen jaren gebukt gaat onder de sluiting van fabrieken en bedrijven. Door schijnbaar steeds veranderende mededelingen van regerings- en spoorwegfunctionarissen heeft dit vertrouwen nu een extra deuk opgelopen. Geruchten en vermoedens over het ongeluk doen de ronde op Facebook en TikTok, en in de stad zelf speculeren buren er met elkaar over vanuit hun achtertuinen en pick-uptrucks.
Op de ‘open dag voor informatie’ die de gemeente op 15 februari in de gymzaal van de East Palestine High School organiseerde, liepen de spanningen dan ook hoog op. Enkele uren voordat de bijeenkomst begon, kondigde Norfolk Southern aan niet aanwezig te zullen zijn. ‘Aangezien het steeds waarschijnlijker wordt dat ook externe partijen aanwezig zullen zijn, maken we ons zorgen over de toenemende fysieke bedreigingen aan het adres van onze werknemers (…),’ aldus een woordvoerder. Het bedrijf gaf geen verdere details over de aard of oorsprong van de bedreigingen.
Tijdens een persconferentie op 14 februari gaven staatsambtenaren de mensen in het gebied het advies om fleswater te drinken, vooral aan degenen wier water uit een eigen put komt. Een dag later liet het Ohio Environmental Protection Agency (EPA) weten ‘ervan overtuigd te zijn dat het leidingwater veilig is’, aangezien een reeks testen geen verontreiniging had aangetoond. Toch spoorde het agentschap mensen met een eigen waterput aan om het water eerst te testen.
‘Het is een soort oorlog tussen hebzuchtige grote bedrijven en een kleine Amerikaanse gemeenschap’
Een deel van de trein met een lading gevaarlijke chemicaliën ontspoorde in de nacht van 3 februari. Er ontstond een huiveringwekkende kluwen van zo’n vijftig brandende treinwagons. Staatsambtenaren gingen akkoord met het verzoek van het bedrijf om een deel van de chemicaliën opzettelijk te verbranden; zo werd de kans op een explosie weggenomen die metaalscherven en giftige dampen de stad in had kunnen blazen. Vanwege de brand werden delen van de bevolking van East Palestine binnen drie dagen na de ontsporing gedwongen te evacueren. Een van de chemische stoffen aan boord was vinylchloride: een kleurloos, brandbaar gas dat bij inademing hoofdpijn en duizeligheid kan veroorzaken en na langdurige blootstelling het risico vergroot op een zeldzame vorm van leverkanker.
Een woordvoerder verklaarde op woensdag dat het EPA 459 huizen had onderzocht en geen vinylchloride of waterstofchloride had aangetroffen. Maar een paar dagen daarvoor was een aantal inwoners erachter gekomen dat de trein meer giftige chemicaliën had vervoerd dan hun tot dan toe was verteld. Dit versterkte de overtuiging dat er informatie werd verzwegen. De woordvoerder zegde toe dat Michael S. Regan, hoofd van het EPA, donderdag naar East Palestine zou reizen om met staatsambtenaren, lokale ambtenaren en bewoners in gesprek te gaan.
Nekslag
‘Ik vertrouw gewoon niemand meer,’ zegt Mike Routh (28), die werkzaam is als installateur van telefoonmasten. Hij staat op de parkeerplaats van de Abundant Life Fellowship-kerk in New Waterford, een stad die zo’n acht kilometer ten oosten van East Palestine ligt. De kerk is tijdelijk veranderd in een centrum voor hulpverlening en Norfolk Southern biedt duizend dollar om ‘de kosten van de evacuatie te dekken’. Routh twijfelt of hij het geld moet aannemen, want hij is bang dat het zijn kans op schadevergoeding beperkt in een eventuele toekomstige rechtszaak.
Hij voorspelt dat het bedrijf zich zal vrijkopen en merkt op dat er binnen een paar minuten nadat het evacuatiebevel was opgeheven, alweer treinen door de stad reden. ‘Het is een soort oorlog tussen hebzuchtige grote bedrijven en een kleine Amerikaanse gemeenschap,’ aldus Routh. Hij en zijn vrouw overwegen voorgoed te verhuizen. ‘De stad begon net weer op te bloeien, maar dit is de nekslag.’
Op woensdag verklaarde een woordvoerder dat Norfolk Southern fondsen opzij had gezet voor bewoners in het gebied, waaronder meer dan 1,5 miljoen dollar om de kosten van evacuatie te helpen dekken. Ook zou het aan sommige huishoudens luchtreinigers leveren en de criteria voor financiële steun hebben versoepeld.
‘Ik wil niet dat ik over tien of vijftien jaar kanker blijk te hebben’
‘We zullen worden beoordeeld op basis van onze daden,’ aldus Alan Shaw, president en algemeen directeur van Norfolk Southern. ‘We zijn het gebied op een milieuvriendelijke manier aan het opschonen, we compenseren de bewoners die door de ontsporing zijn getroffen en werken samen met leden van de gemeenschap om vast te stellen waar East Palestine behoefte aan heeft.’
Maar de woede en frustratie van de stad zijn hiermee geenszins tot bedaren gebracht. ‘Ik wil gewoon niet dat ik over tien of vijftien jaar door hun fout kanker of iets dergelijks blijk te hebben,’ aldus Therese Vigliotti (47), die de nacht van het incident in de buitenlucht doorbracht. Naar eigen zeggen voelt ze nog steeds brandwonden op haar tong en heeft ze twee dagen lang bloed in haar ontlasting gehad.
Tot nu toe richtte de meeste woede zich op Norfolk Southern. Ook lokale politici uiten publiekelijk kritiek op de spoorwegmaatschappij. Mike DeWine, de republikeinse gouverneur van Ohio, vindt het ‘absurd’ dat Norfolk Southern niet verplicht was om lokale ambtenaren in te lichten over de lading van de trein. DeWine riep het Congres op om maatregelen te nemen en dreigde juridische stappen te zetten als het bedrijf niet voor de opschoning betaalt.
In een openbare brief zegt Josh Shapiro, een Democraat uit Pennsylvania, dat hij de ‘slechte aanpak’ van Norfolk Southern rondom de ontsporing betreurt. ‘Ze gaven er de voorkeur aan de spoorlijn snel te kunnen heropenen’, schrijft Shapiro, ‘Dat heeft onnodige risico’s met zich meegebracht en veel verwarring veroorzaakt.’
De reactie roept bij veel inwoners het gevoel op te worden behandeld als inwisselbare slachtoffers van overmacht
Op woensdag schreven vier senatoren – Sherrod Brown en J.D. Vance uit Ohio en Bob Casey en John Fetterman uit Pennsylvania – een brief aan het EPA waarin ze het agentschap vragen om meer informatie te verstrekken over hun plannen. Ook verzoeken ze het EPA op de ontsporing te reageren, willen ze weten wat de langetermijneffecten zijn voor het milieu en hoe de spoorwegmaatschappij aansprakelijk zal worden gesteld.
Over twee weken wordt een voorlopig overheidsrapport verwacht waarin het onderzoek naar de ontsporing wordt beschreven. Volgens de National Transportation Safety Board is op camerabeelden van een nabijgelegen woning te zien dat een wiellager van de trein vlak voor de ontsporing oververhit raakte. Medewerkers gaan het wiel, de wagons en de treindocumenten onderzoeken.
Een aantal medewerkers van de spoorwegvakbond en sommige omwonenden wijzen op de online gedeelde bewakingsbeelden van een bedrijf in Salem, Ohio, dat zo’n 32 kilometer bij de plaats van de ontsporing vandaan ligt. Daarop zou te zien zijn dat er vlammen onder de trein vandaan komen. De beelden werden voor het eerst gedeeld door The Pittsburgh Post-Gazette.
Toen de trein uiteindelijk in East Palestine crashte, ‘was het alsof de poorten van de hel opengingen’, aldus Chasity Smith (40). Sindsdien kan Smith het niet laten om te blijven ruiken aan het kraanwater en het putwater dat haar paarden drinken. Sinds de ontsporing heeft ze vrachtwagens en arbeiders door het dorp zien scheuren en zich afgevraagd waarom ze zo’n haast maken met de aanleg van een nieuw spoor. Smith en haar buren willen eerst zeker weten of het wel veilig is om het water te drinken of zelfs maar om de lucht in te ademen.
De reactie van Norfolk Southern en overheidsambtenaren op de situatie roept bij veel inwoners het gevoel op te worden behandeld als inwisselbare slachtoffers van overmacht. Op een straathoek in het centrum van East Palestine stond dinsdagmiddag een man met een spandoek met daarop de tekst: ‘Winst ten koste van mensen / Ze hebben onze gemeenschap vergiftigd.’
De ochtend erna was op een andere straathoek een gezin te vinden – een vader, moeder en meisje van drie. Ze hadden posters bij zich die impliceerden dat het EPA de gecontroleerde verbranding van de chemicaliën alleen maar had opgezet zodat de treinen weer konden rijden: ‘Het EPA heeft een stad platgebrand om de spoorlijn te openen #OhioChernobyl.’
Onder de plak
‘Ik denk dat het bedrijf genoeg geld heeft om grotendeels te bepalen hoe het nu zal gaan,’ aldus de moeder, die alleen met haar voornaam Melinda in de krant wil en zegt dat de regering volledig onder de plak zit bij de grote bedrijven.
Alle huizen die je tegenkomt als je in zuidelijke richting de stad uit rijdt, zijn afhankelijk van putwater, aldus Russell Murphy (50), die op een boerderij een paar kilometer buiten East Palestine woont. Niemand in het gebied kan dat water nu drinken, en het is onduidelijk wanneer dat wel weer zal kunnen. Murphy en zijn vrouw vragen zich af of ze moeten verhuizen en wie in dat geval hun huis zal kopen.
De Leslie Run is een beek die langs de voet stroomt van de heuvel waarop de Murphy’s wonen. Dinsdag zag Murphy vanaf een brug over het water de ene dode vis na de andere drijven; staatsambtenaren hebben in de waterwegen in de buurt van de ontsporing al 3500 dode vissen geteld.
‘Het water maakt me bang,’ zegt Murphy. Hij zegt dat ambtenaren kunnen blijven testen en beweren dat het veilig is, maar dat hij niet gelooft dat de vrijgekomen chemicaliën zomaar verdwenen zijn.
‘Wat gebeurt er over twee jaar?’ zegt hij. ‘Zullen er dan gevallen van kanker worden gemeld? Of over drie weken al, misschien? Ik weet niet hoe lang dat spul erover doet om zich in het lichaam te verspreiden.’
Murphy ziet mensen om hem heen stickers maken met daarop de tekst ‘I Survived the Toxic Train Wreck 2/2/23’ [Ik heb het treinongeluk van 2/2/23 overleefd]. Maar, zegt hij met een cynische lach, het is nog veel te vroeg om daar zo zeker van te zijn.
In zijn bloeitijd telde het station van Rayak in Libanon 2500 werknemers. Het spoor, dat liep van Medina tot Istanboel, zorgde voor verbinding in een verdeelde regio.
Rayak, Libanon. Tussen de rails van een spoorlijn naar nergens groeien acacia’s. Een eenzame trein, vijftig jaar geleden halsoverkop verlaten, staat verloren tussen de velden. De groene verf is bijna helemaal van de locomotief gebladderd. Kogelgaten en de op een wagonwand gekalkte tekst ‘Syrische Strijdkrachten’ zijn stille getuigen van een duister verleden.
Het treinstation van Rayak, een stadje op 5 kilometer van de Syrische grens in de Libanese Bekavallei, heeft iets weg van een grandioos geraamte. In de Ottomaanse tijd groeide het depot hier uit tot de grootste revisiewerkplaats voor treinen in het Midden-Oosten. Hier werden de locomotieven gerepareerd die waren gesaboteerd door T.E. Lawrence (‘Lawrence of Arabia’) en zijn Arabische revolutionairen in hun strijd tegen het Ottomaanse Rijk. In de hoogtijdagen kon je in Rayak de trein nemen naar Beiroet, Istanboel, Damascus en Bagdad. Later werd het station een basis voor de inlichtingendienst van het Syrische leger.
En zevenenveertig jaar lang was Asaad Namrud hier kind aan huis. In zijn bescheiden woning in Rayak, op een steenworp afstand van wat er nog over is van het oude station, staat de inmiddels vierennegentigjarige Namrud op een warme herfstochtend uien te snijden voor een stoofschotel. De enige decoratieve elementen in zijn woonkamer zijn een schilderij van een spoorlijn, een oude foto van zijn locomotief en zijn machinistenvergunning.
Op 3 augustus 1895 vertrok de eerste trein
In 1976, toen de burgeroorlog die Libanon vijftien jaar lang zou teisteren net een jaar oud was, reed Namrud met een trein van Beiroet naar de Syrische grens. ‘Ik bracht achthonderd geiten van Beiroet naar Rayak. Dat was mijn laatste rit,’ weet hij nog. Nadat hij in Rayak uit zijn cabine was gestapt, reed er nooit meer een stoomlocomotief tussen Beiroet en Damascus. Er was een eind gekomen aan het spoorverkeer.
Het was het einde van een neergang die al eerder was ingezet. Op 3 augustus 1895 vertrok de eerste trein op dit traject, het begin van het spoorverkeer in de Levant. In 1911 kreeg de Noord-Libanese stad Tripoli een station en een verbinding met de Syrische steden Homs en Aleppo. In de eerste helft van de twintigste eeuw konden passagiers in Beiroet de trein nemen naar Damascus, Istanboel en Bagdad, en via een aansluiting op de Hidjaz-spoorlijn zelfs helemaal naar Mekka. Maar na de uitbraak van de burgeroorlog in de jaren zeventig werd het Libanese spoor niet meer onderhouden. En het verouderde Syrische spoor onderging na 2011 hetzelfde lot.
De verroeste en in onbruik geraakte spoorwegen die Syrië en Libanon ooit doorkruisten, vertellen een verhaal van wat had kunnen zijn. Een verhaal van nostalgie en gemiste aansluitingen, maar ook van een onversaagd streven naar verbinding in een verdeelde regio.
Toen Namrud als tiener aankondigde dat hij van school ging om bij het spoor te werken, kreeg hij een oorvijg van zijn vader. Maar al snel liep hij op het station van Rayak mee met een Franse mecanicien. ‘Het was de tijd van generaal De Gaulle, de Fransen beheerden hier het spoor,’ zegt hij. Begin jaren veertig waren Libanon en Syrië nog Franse mandaatgebieden.
Na vier jaar praktijktraining mocht Namrud zich eindelijk machinist noemen. Zijn eerste bestemming was Jordanië, destijds het Britse protectoraat Transjordanië. ‘Een tocht van twee dagen,’ vertelt hij. ‘Ik reed van Libanon naar Damascus en overnachtte daar. De volgende dag reed ik door naar Jordanië, en via Damascus weer terug naar de haven van Beiroet, waar de handelswaar, zoals porselein, werd uitgeladen.’
‘Elke tien minuten passeerde hier wel een passagiers- of goederentrein,’ herinnert Namrud zich. In de bergketen die het kustgebied scheidt van de Bekavallei konden de treinen ’s winters niet over de bergpas bij Dahr el-Baidar heen. Dan reden ze dus door de tunnel. ‘Twintig minuten onder de grond, met die grote berg boven ons hoofd. En aardedonker!’ Bij het stoken in zijn stoomlocomotief brandde hij dan zijn handen weleens.
Het spoor was zijn lust en zijn leven. ‘Ik reed naar Daraa, Homs, Damascus, Turkije, Tripoli, Beiroet en naar de grens met Israël,’ zegt Namrud. Hij kan de afstanden tussen de stations nog zo opdreunen: ‘Rayak-Homs 85 kilometer, Rayak-Damascus 80 kilometer, Damascus-Jordanië 70 kilometer, Aleppo-Turkije 75 kilometer.’ Hij was soms een hele maand weg bij zijn vrouw en zijn zes kinderen. ‘Als ik Rayak weer naderde, trok ik aan de stoomfluit; die was te horen van de bergen tot de zee en dan wist mijn vrouw dat ik terug was.’
‘Rayak was nog mooier dan Londen, zo veel mensen als hier kwamen’
In het begin van de twintigste eeuw werd de lijn Beiroet-Damascus aangesloten op de Hidjaz-spoorlijn van het Ottomaanse Rijk, die via het huidige Jordanië in zuidelijke richting helemaal door de woestijn tot Medina liep. De Taurus-lijn verbond Beiroet via Tripoli en Aleppo met Istanboel. De Orient Express bracht passagiers vanaf Istanboel verder Europa in. Franse, Poolse, Duitse, Amerikaanse en Zwitserse treinen doorkruisten de regio. In zijn bloeitijd telde het station van Rayak 2500 werknemers, zegt Elias Maalouf, schrijver van het boek Lebanon on Rail. Beiroet en Damascus stonden in verbinding met de wereld.
Vanwege het economische en militaire belang van het spoorwegennet streden de koloniale mogendheden Frankrijk en Groot-Brittannië om de aanleg ervan. Maar volgens Maalouf was het Youssef Motran, een zakenman uit de buurt van Baalbek in het huidige Libanon, die van de Ottomanen in 1891 als eerste de rechten kreeg voor de aanleg van de lijn Beiroet-Damascus. Later verkocht hij die gunning door aan de Fransen.
‘Rayak was nog mooier dan Londen, zo veel mensen als hier kwamen,’ zegt Namrud. Voorzichtig opent hij een doos met oude foto’s. Op een foto uit 1973 staat hij met een blonde vrouw. ‘Dat was de dochter van de Londense spoorwegdirecteur, die had gevraagd of zij met mij op de locomotief mocht meerijden. Ik heb mijn assistent gezegd dat hij de stoel moest schoonmaken en heb haar mijn jasje gegeven.’ Dan bladert hij door de foto’s in Lebanon on Rail. Op een van de laatste pagina’s staart een jonge machinist stoïcijns in de camera. Die machinist was Fares Garabet.
De kleinzoon van Fares Garabet, die zelf ook Fares heet, is zes jaar geleden uit Damascus gevlucht en woont nu in Duitsland. Zijn grootvader was een Damascener van Armeense afkomst, die net als Namrud als tiener al bij de spoorwegen ging werken. Hij vervalste zijn identiteitskaart om twee jaar ouder te lijken en te worden toegelaten. Dat lukte. In de jaren dertig en veertig stond hij als machinist op treinen vanuit Rayak. En zijn zoon werd later ook machinist.
Toen er een eind kwam aan het Franse mandaat en Libanon en Syrië hun onafhankelijkheid verkregen, werd de spoorwegmaatschappij (Damas-Hamah et Prolongements) opgeknipt bij de grens: het Syrische deel werd door de Syrische overheid onteigend, het Libanese deel door de Libanese overheid gekocht. Ook de treinen en de werknemers werden over de twee nieuwe maatschappijen verdeeld.
‘Mijn grootvader moest kiezen: in Libanon blijven of terug naar Syrië,’ zegt Garabet via Skype vanuit Duitsland. ‘Hij koos ervoor om in de jaren zeventig en tachtig in Damascus bij de Syrische spoorwegen te gaan werken en is later hoofd van het depot geworden.’ Maar hij had ook familie die in Libanon bleef. Een deel van de familie werd Libanees, een deel Syrisch. Fares senior is in 2017 overleden, in Syrië. In Libanon hebben ze nu alleen nog een tante, en de meeste familie in Syrië is naar Canada, Frankrijk, Duitsland of Australië getrokken. Garabet doet zijn best om de herinnering aan de ooit verenigde familie levend te houden. ‘In de zomer gingen we altijd naar het huis van mijn tante in Beiroet. Dat waren de mooiste dagen van mijn leven. Syrië was een gesloten land, Libanon was een en al openheid.’
‘Het geluid van de uitgeblazen stoom als je door de bergen reed was mooier dan de mooiste muziek’
In 2000 kreeg zijn strijd voor het behoud van het Syrische spoorwegerfgoed gestalte. De toenmalige minister van Verkeer was toevallig een vriend van hem, en Garabet stelde hem voor in Damascus een spoorwegmuseum voor oude stoomtreinen op te zetten. Toen dat museum later werd verwezenlijkt, riep het oude herinneringen op. ‘Mijn vader liet me vroeger de kogelgaten zien in de treinen waarop mijn grootvader reed, die waren aangevallen door Syrische revolutionairen.’
Zijn dierbaarste herinneringen heeft hij aan de ritten tussen Damascus en Serghaya, een rustig bergstadje dat de laatste halte vormt voor de grens met Libanon. Hij mocht bij zijn vader in de locomotief zitten als die de trein bestuurde. Dan reden ze de drie uur van Damascus naar Serghaya, bleven daar slapen en reden de volgende ochtend vroeg terug. ‘Mijn vader maakte me dan om vier uur ’s ochtends al wakker, als de trein nog ijskoud was.’ Als de locomotief eenmaal op stoom was gebracht, vertrokken ze om vijf uur met een trein vol arbeiders en kooplui en waren rond acht uur ’s ochtends terug in Damascus. ‘Dan zag ik de boeren op het land werken, ik hoorde de vogels zingen, de geur van de stoom uit de machine, het geluid van de stoomfluit… Dat was zo machtig mooi, dat zal ik van mijn leven niet vergeten.’
Tripoli-Aleppo
Wat Nassif el Murr zich van zijn dagen op het spoor vooral herinnert, zijn de klanken van de locomotief. ‘Het geluid van de uitgeblazen stoom als je door de bergen reed was mooier dan de mooiste muziek,’ zegt de drieënnegentigjarige oud-machinist in zijn huis in Tripoli. Zijn loopbaan bij het spoor begon in 1947. Toen een jaar later, na de stichting van de staat Israël oorlog uitbrak, werd de net zes jaar eerder aangelegde spoorlijn tussen Naqoura in Zuid-Libanon en Haifa in Palestina door Israëlische troepen gebombardeerd. Het was een voorbode van het grensgeweld dat de aspiraties van de spoorwegen zou verbrijzelen.
Evengoed bleef El Murr ervan dromen om treinmachinist te worden. Het zou een hele tijd duren voor die droom uitkwam, eerst werkte hij twaalf jaar in het depot. Maar toen werd hij begin jaren zestig toch machinist, op de lijn Beiroet-Homs. Hij kent alle details van het traject nog uit zijn hoofd. ‘De trein naar Homs reed ’s nachts en die naar Beiroet overdag. Het kon wel vier uur duren en je mocht maximaal 30 tot 35 kilometer per uur.’
Hij reed op een van de Duitse G8-locomotieven: op de Duitsers buitgemaakt materieel dat de geallieerden aan Libanon hadden geschonken, aldus Nabil Doumani, een treinliefhebber in Tripoli die vicevoorzitter is van een organisatie die de Libanese spoorwegen nieuw leven wil inblazen. Op het afgedankte station van Tripoli staan drie van deze reusachtige locomotieven nu niets te doen. Ze dienen nog slechts als antiek decor voor trouwfoto’s. El Murr kan het niet opbrengen daar nog te gaan kijken, het verval van het station gaat hem te zeer aan het hart. Zelf bestuurde hij zijn laatste trein in 1971, daarna kreeg hij een leidinggevende functie op de kantoren van het spoorbedrijf in Tripoli.
‘Toen het nog één maatschappij was, zag je Syrische werknemers in Libanon en Libanese in Syrië’
Zijn periode op de trein naar Syrië herinnert hij zich als een woelige tijd. ‘Om de twee weken was er wel een staatsgreep. Onder het bewind van Amin al-Hafiz kwam ik tijdens zo’n coup een keer met de trein in Syrië vast te zitten,’ vertelt hij. Al-Hafiz was een Syrische president die in 1966 ten val werd gebracht. Vanaf de Syrische onafhankelijkheid tot het aantreden van Hafez al-Assad in 1971 vonden er geregeld militaire staatsgrepen plaats.
Dat het spoorwegbedrijf was opgeknipt, maakte de grensovergang ook lastiger. ‘Toen het nog één maatschappij was, zag je Syrische werknemers in Libanon en Libanese in Syrië.’ Maar na de onafhankelijkheid moest El Murr zich 5 kilometer voorbij de Syrische grens laten aflossen door zijn Syrische collega. ‘Je had veiligheidsinspecties aan beide kanten van de grens, dat kostte allemaal tijd; de trein, de passagiers en de lading werden gecontroleerd.’
Een Turkse brochure uit 1926-’27 (nog steeds in Arabisch-Turks schrift) markeert de annexatie van de Anatolische Spoorwegen door de Turkse Staatsspoorwegen. De omslag toonde een TCDD 3700-stoomlocomotief van İhap Hulusi Görey. Een iets latere brochure voor de Simplon Orient en Taurus Express gaf aan dat deze treinen 3 continenten met elkaar verbonden, 14 landen doorkruisten en een afstand van 11.630 kilometer aflegden.
Lievelingsdeken
Arda Kashkashian kan zich die grenscontroles niet herinneren. Ze was nog klein toen ze geregeld met de trein tussen Tripoli en Aleppo reisde. Omdat hun gezin in beide steden familie had, waren ze vaste passagiers op dit traject. Haar familie van Armeense afkomst vestigde zich meer dan een eeuw geleden in Aleppo. Na een van de vele Syrische staatsgrepen stopten de scholen daar eind jaren zestig met het geven van Franse en Engelse les. Toen besloot de familie naar Tripoli te verhuizen. ‘Libanon was opener en democratischer dan Syrië,’ zegt Kashkashian. De negenenvijftigjarige psycholoog woonde tot twee jaar geleden zelf ook nog in Tripoli. Toen is ze terugverhuisd naar Aleppo, nadat ze als gevolg van de financiële crisis in Libanon al haar spaargeld had verloren.
Haar vader Jean had een tapijthandel in Aleppo en Tripoli, dus het gezin reisde vaak tussen beide steden op en neer. ‘Het was een heel lange rit, doodsaai voor mij, en ik was altijd misselijk,’ weet ze nog. ‘Ik was maar een kind.’ Maar ze moet giechelen als ze terugdenkt aan het incident met de deken.
Het gezin bracht de zomer altijd door in Hadath al-Jebbeh, een plaatsje in de Libanese bergen. Op een zomer voltrok zich een ramp: ze hadden Kashkashians lievelingsdeken in Aleppo laten liggen. ‘Ik heb twee of drie nachten niet geslapen, kon alleen maar huilen.’ Haar vader moest de machinist, Manuel, vragen om de deken uit Aleppo mee te nemen naar Tripoli. ‘Toen is mijn moeder naar Tripoli gegaan om die deken daar op te halen voor mij, zodat ik zou stoppen met huilen en weer kon slapen.’
Haar familiegeschiedenis is ook verweven met het hoofdstation in Aleppo, Station Bagdad genoemd, omdat daar de treinen naar de verre Iraakse hoofdstad vertrokken. Toen Kashkashians vader zes jaar oud was, werd hij door zijn vader naar het station gestuurd om er aankomende reizigers naar hun kleine hotel te lokken. Jaren later werd Kashkashians vader directeur van het befaamde Baron Hotel, zegt ze. Een luxehotel voor sjieke buitenlandse reizigers in de periode dat Aleppo een bruisend handelscentrum was. Agatha Christie heeft er gelogeerd en schreef er een deel van Moord in de Oriënt-Expres. De beginscène van die klassieker speelt zich af op het station van Aleppo.
‘Libanon was toen de beste plek, dat was het Zwitserland van het Oosten’
Met de stoomtrein door de sneeuw. Dat is een herinnering die Walid Kamari koestert. Tweeënveertig jaar lang reed zijn vader op de trein van Beiroet naar de Syrische grens. Vanaf dat punt reden Kamari’s ooms die trein door Syrië verder naar Turkije. Zijn grootouders zijn geboren in Turkije, zijn ouders in Aleppo en hijzelf in Libanon.
Kamari weet nog dat hij als kind ‘wel meer dan tien keer’ bij zijn vader op de locomotief is meegereden. ‘Dan legde hij uit hoe alles werkte. Dat was machtig mooi, zeker in de winterse sneeuw,’ vertelt hij. Ze gingen ook vaak naar Aleppo om familie te bezoeken, en Kamari herinnert zich de grappen die ze dan uithaalden, en het eten dat van Aleppo naar Beiroet werd gestuurd. ‘Er zaten altijd veel passagiers in de trein. Syriërs gingen vaak naar de sneeuw in de Libanese bergen.’ Zijn laatste treinritje maakte hij in 1969, zegt hij. Hij was toen vijftien. Daarna rukte de auto op.
De eerste keer dat Georges Said met de trein reisde, was te danken aan een staatsgreep in Syrië. Als jonge tiener in Aleppo was hij met andere jongeren ‘uitgenodigd’ om een festival bij te wonen dat in Damascus was georganiseerd door president Adib Shishakli. ‘Die wilde laten zien dat hij populair was,’ zegt Said. ‘De reis kostte ons dertig uur. We legden die 350 kilometer af, bleven daar drie dagen, sliepen er in een school, woonden dat festival bij en keerden met de trein terug naar Aleppo.’
Enige tijd daarna vertrok zijn familie uit Syrië en belandde in Beiroet. ‘Libanon was toen de beste plek, dat was het Zwitserland van het Oosten.’ Ze reisden tussen Aleppo en Beiroet vaak met de automotrice, een dieseltrein. Tot ze in 1963 hun eerste auto kochten, een Opel. Dat was het laatste jaar dat hij nog naar Syrië ging. Said is inmiddels 84 en heeft een ijzerwarenwinkel in de wijk Mar Mikhaël in Beiroet. ‘Ik ben nooit meer in Syrië geweest. Ik ben van geen enkele politieke partij, maar het Syrische regime staat mij niet aan, ik heb graag een vrije regering,’ zegt hij. Zijn Syrische familie komt wel bij hem in Beiroet op bezoek, vertelt hij, maar andersom niet.
Rayak
Elias Maalouf werd geboren in Ecuador, maar had een ‘virtuele deur’ naar Libanon. Zijn ouders waren al vroeg in de Libanese burgeroorlog uit Rayak gevlucht en hadden de neiging hun kroost te overstelpen met nostalgie. ‘We werden door onze ouders gehersenspoeld om van Libanon te houden. We droomden maar van één ding, en dat was terugkeren naar Libanon, naar Rayak, de stad met het grootste treinstation en de grootste luchtmachtbasis in het universum,’ vertelt Maalouf bij hem thuis in Rayak. Als kind maakte hij zich vaak een voorstelling van de oude bioscopen, de souks en natuurlijk het station in de stad.
In 1991, toen de burgeroorlog was afgelopen, keerde de familie naar Rayak terug. Er reden toen al vijftien jaar geen treinen meer. ‘We zagen er alleen stof, geiten en verdrietige oude mensen die droomden van vroeger.’ Maalouf was elf en vroeg zijn vader waar de oude bioscopen waren: dat waren nu aardappelloodsen. Van de oude souks en een ijsfabriek resteerden alleen wat sporen. Gevraagd naar het station was zijn vader onverbiddelijk: ‘Ik wil niet dat je daar ook maar gaat kijken.’
Het Syrische leger, dat Libanon in 1976 op verzoek van de Libanese president Suleiman Franjieh was binnengetrokken, was na afloop van de burgeroorlog ‘blijven hangen’. Het station van Rayak en de aanpalende luchtmachtbasis werden het hoofdkwartier van hun inlichtingendienst, waar ‘ze mensen mishandelden’, aldus Maalouf. Naakte gevangenen werden in de roestige treinwagons gepropt, ‘of het nou zomer of winter was’, zegt hij. Hij heeft er tientallen getuigenverklaringen van voormalig spoorwegpersoneel en oud-inwoners over verzameld. ‘Het was in beide gevallen even akelig’, zegt hij.
‘Dat was net Disney World: grote, roestige, oude treinen, prachtige koloniale Franse gebouwen, honderden wagons’
Na de moord op de Libanese premier Rafik Hariri in 2005 trok het Syrische leger zich terug uit Libanon en groeide de politieke verdeeldheid in het land. Maalouf rondde dat jaar zijn studie als documentairemaker af en besloot de terugtrekking van het Syrische leger uit Libanon te documenteren. ‘Rayak was de laatste stad in Libanon waaruit ze vertrokken,’ zegt hij. Dus sloop hij de revisiewerkplaats in. ‘Dat was net Disney World: grote, roestige, oude treinen, prachtige koloniale Franse gebouwen, honderden wagons.’ Ineens leken de nostalgische verhalen van zijn ouders over vroeger werkelijkheid te worden. ‘Ik realiseerde me toen dat mijn ouders wel degelijk de waarheid spraken als ze ons over het oude Rayak vertelden. Voor het eerst geloofde ik ze toen echt.’
Hij zag drie Syrische soldaten die de wacht hielden bij een treinwagon, zegt hij. Daar kwam rook uit. Zodra ze wegliepen, rende Maalouf naar de wagons toe. ‘Ik zag dat ze prachtige oude archieven aan het verbranden waren en probeerde er wat van te redden.’ Maar hij brandde zijn handen en in een reflex ontglipte hem een pijnkreet. De soldaten, op zijn aanwezigheid geattendeerd, schoten in de lucht. Hij nam de benen en keek vanuit zijn schuilplek toe hoe ze terugliepen naar de wagon om er de wacht te houden tot alles volledig was verbrand. Hij had maar een handvol papieren weten te redden.
Dat was het begin van zijn nu al vijftien jaar durende inspanningen voor het behoud van het spoorwegerfgoed en de terugkeer van het treinverkeer in Libanon. Hij heeft er de organisatie Train/Train voor opgericht, die heeft geprobeerd in Rayak net zo’n treinmuseum op te zetten als in Damascus. Maar de Libanese autoriteiten hadden er geen oren naar.
Hij legde contact met andere treinliefhebbers in Libanon en Syrië. ‘Eerst discussieerden we een tijdje over welke stad het mooiste station had: Rayak of Tripoli.’ Toen besloten ze de krachten te bundelen. ‘Ik raakte verliefd op alle treinstations in Libanon. Onze stem vond weerklank, overal ter wereld schreven kranten over onze missie. Iedereen las erover, behalve de Libanese politici,’ zegt Maalouf.
Na een in het openbaar uitgevochten ruzie in 2012 met Ziad Nasr, hoofd van de Libanese toezichthouder op het spoor, werd Maalouf de toegang tot alle Libanese treinstations ontzegd. ‘Ik wilde verhinderen dat ze oude onderdelen van de trein als schroot zouden verkopen,’ vertelt hij. Gevraagd of het verbod ook te maken kan hebben met die keer dat hij een station was binnengeslopen en een locomotief een paar meter wist te verrijden, haalt Maalouf glimlachend zijn schouders op.
‘Eerst lachen ze je uit, dan bestrijden ze je, en dan win je,’ zegt hij, een uitspraak citerend die vaak ten onrechte aan Gandhi wordt toegeschreven. Toen hij voor het eerst over de terugkeer van treinverkeer in Libanon begon te praten, ‘moesten mensen lachen, ik was Sancho Panza. En toen begonnen ze me te bestrijden en werd ik Don Quichot.’ Na vijftien jaar activisme doet hij het inmiddels wat rustiger aan. Hij brengt zijn tijd nu vooral door met zijn gezin en op zijn wijngaard in Rayak. ‘Het gedeelte waarin ik win moet nog komen.’
‘Treinen zijn voor mij geen hobby, maar een passie’
Nabil Doumani, de vicevoorzitter van Train/Train, rolt met zijn ogen als hij het station van Tripoli binnenloopt en bij een verroeste G8-locomotief een bruidspaar ziet poseren. Het station is niet omheind en er staan zes locomotieven, drie Franse en drie Duitse. ‘Dit zijn niet de oorspronkelijke locomotieven die hier stonden toen het in 1911 werd geopend,’ zegt Doumani. ‘Die staan waarschijnlijk in Syrië.’
Doumani’s grootvader was een van de zakenlieden in Tripoli die de bouw van het station hielpen financieren. De enige keer dat hij zelf in Libanon een ritje met de trein maakte was halverwege de jaren zestig, toen zijn moeder de machinist van een vrachttrein van Tripoli naar het nabijgelegen Chekka vroeg of haar kinderen in de laatste wagon mochten meerijden. Dat had hij toen enorm leuk gevonden. ‘Treinen zijn voor mij geen hobby, maar een passie,’ zegt hij.
Door het raam van het afgedankte depot zien we een stapel spoorstaven die buiten liggen te verkommeren. ‘Die rails, gloednieuwe rails, zijn in 2002 door de Libanese regering gekocht,’ roept hij uit. Er werd toen een poging ondernomen om weer een spoorverbinding tot stand te brengen tussen Syrië en Libanon, er werd geld uitgetrokken voor de aanleg van 35 kilometer spoor tussen Tripoli en de Syrische grens. Maar toen werd in 2005 Hariri vermoord ‘en kwam er een eind aan het hele project’.
Stille dood
Weer bleken politieke perikelen een spoorverbinding in de weg te staan. Maar het verval is aan Libanese kant ook te wijten aan slecht beleid. ‘Van 1961 tot het begin van de burgeroorlog heeft de Libanese overheid geen meter spoorlijn aan het netwerk toegevoegd. Ze beheerden alleen het spoor dat er al lag en lieten het een stille dood sterven,’ zegt Doumani.
Eerst had je in de jaren zestig de ‘autorevolutie’: de trein werd als ouderwets ervaren. En zeker in Libanon hadden de autoriteiten een oogje op de economische waarde van het spoorwegvastgoed. ‘Het economische beleid bestaat in Libanon vooral uit investeren in grond en diensten. Als je grond vooral als handelswaar beschouwt, zul je er alles aan doen om er zo veel mogelijk winst uit te halen. Dat is ten koste gegaan van de openbare ruimte en het openbaar vervoer,’ zegt stedenbouwkundige Abir Saksouk. Toen de regering begin jaren zeventig aankondigde het spoorbedrijf te willen opdoeken, kwam de spoorwegvakbond (een van de machtigste in het land) in het geweer: heel Beiroet werd platgelegd door alle verkeersaders met treinen te blokkeren. ‘De regering begreep dat dit niet zou lukken, dus koos ze voor een sterfhuisconstructie. Medewerkers bij het spoor die met pensioen gingen, werden niet meer vervangen,’ zegt Elias Maalouf.
Glunderend zegt Carlos Naffah tegen de camera dat hij met een historische locomotief uit 1948 van Sissach naar Genève rijdt. Het onderschrift bij dit filmpje op zijn Facebookpagina: ‘Samen zetten we Libanon weer op de rails’. Naffah omschrijft zichzelf als een ‘treinfanaat’. Het buurjongetje dat zijn groene speelgoedtrein met zes batterijen ooit kapotmaakte, heeft hij naar eigen zeggen nooit vergeven. In 1995 zat hij in de wijk Daura in Beiroet op school en zag daar een paar keer een groen-gele trein langsrollen. ‘Dat was een Poolse SU45, in 1971 in Libanon geïntroduceerd,’ zegt hij. Sinds het uitbreken van de burgeroorlog lag het spoorverkeer weliswaar stil, maar rond 1984 vond er wel sporadisch vrachtverkeer over het spoor plaats tussen Beiroet en Jounieh, Jieh en Zahrani. En na de oorlog reden er tussen 1994 en 1996 een paar treinen met cement van Chekka, net buiten Tripoli, naar Beiroet.
‘Tussen de Sovjet-Unie en Noorwegen waren de grenzen dicht, maar er reed nog wel een trein’
Sinds 2018 is Naffah voorzitter van Train/Train. ‘Ik ben stapelverliefd op dit erfgoed. Ik zag hier een mogelijkheid om ons land weer te verbinden.’ Na tien jaar verwoestende oorlog in Syrië en met Libanon in de greep van een neerwaartse economische spiraal lijkt gepraat over treinen misschien wat wereldvreemd. Maar Naffahs droom van een nieuw leven voor het spoor omvat meer dan alleen vervoer. ‘Libanon heeft niet alleen economisch maar ook maatschappelijk zwaar te lijden,’ zegt hij. Hij ziet zijn land als een verzameling afzonderlijke gemeenschappen die niet met elkaar in contact staan. ‘De mensen in het zuiden zijn nog nooit in het noorden geweest, en de mensen aan de kust nog nooit in de Bekavallei.’ En ‘wat de mensen van Libanon met elkaar in verbinding kan brengen, en Libanon met de wereld daarbuiten,’ zegt hij, ‘dat is de trein.’
Toch zal het lastig worden om Beiroet weer met Damascus te verbinden. Maar andere landen met een complexe geschiedenis zijn er ook in geslaagd hun onderlinge treinverkeer in stand te houden, zegt Naffah. ‘Tussen de Sovjet-Unie en Noorwegen waren de grenzen dicht, maar er reed nog wel een trein, met speciale veiligheidsmaatregelen. Het zou mogelijk moeten zijn om Damascus weer met Beiroet te verbinden, of Homs met Tripoli, ook al zijn er dan ingewikkelde veiligheidsmaatregelen voor nodig.’ En hij voegt eraan toe: ‘Treinen kunnen vrede brengen tussen steden, omdat mensen dan de kans krijgen om zich te verplaatsen, met elkaar in contact te treden.’ Elias Maalouf denkt er ook zo over. ‘Ik kan wel met de auto naar Byblos gaan, maar dat is niet hetzelfde als wanneer je met “de ander” samen rijdt, praat, werkt, grappen maakt, verliefd wordt,’ zegt hij.
Als hij kon, zegt Walid Kamari, zou hij de trein naar Aleppo nemen. Fares Garabet zou in het voetspoor van zijn vader en grootvader van Damascus naar Rayak willen rijden. Oud-machinist Nassif el Murr zou een bezoek aan Beiroet willen brengen.
‘Stel je voor dat je van hier zo naar Syrië of Irak kon gaan. Dan zou je in een half uur in Damascus kunnen zijn’
En terwijl Georges Said, de winkelier in Mar Mikhaël, nog over zijn ideale bestemming nadenkt, loopt zijn buurvrouw Norma Irani de winkel in. Haar vader Fuad verkocht begin jaren veertig kaartjes voor de lijn Beiroet-Damascus, dus zij doet ook een duit in het zakje. ‘Het is heel belangrijk om een spoorweg te hebben. Stel je voor dat je van hier zo naar Syrië of Irak kon gaan. Dan zou je in een half uur in Damascus kunnen zijn,’ zegt ze.
‘Wat heb jij met Damascus? Ik heb alleen interesse in treinen binnen Libanon,’ zegt Said.
‘Het is maar een voorbeeld. Ik zou graag toeristische dingen gaan doen in Damascus, Homs of Aleppo. Ik nam vroeger altijd shanklish mee uit Syrië, heerlijk was dat,’ zegt Irani, verwijzend naar een in de Levant populaire soort oude kaas.
‘Ga jij dan naar Syrië, ik blijf lekker in Zahle,’ zegt Said tot besluit van het gesprek. Zahle is een stad in de Bekavallei.
Arda Kashkashian, de psycholoog die als kind vaak het traject Aleppo-Tripoli aflegde, zou dat nu weer eens willen doen en ‘zien wat het losmaakt’ in haar herinneringen. Maar ze voegt eraan toe: ‘Dit is een droom, en sommige dromen komen nooit uit.’
‘De hindernissen zijn te groot, maar het is van groot belang om je wel de mogelijkheid van een ander leven te kunnen voorstellen,’ zegt Abir Saksouk, de stedenbouwkundige. En die mogelijkheid leek heel even tastbaar te worden in augustus 2019, toen Train/Train met zijn nationale masterplan voor een Libanees spoorwegnet kwam. Dat voorzag in een verbinding met Syrië via Damascus en Homs. ‘De inwoners van Damascus kunnen dan binnen drie kwartier in Beiroet zijn om daar het weekend door te brengen, en mensen in Amman kunnen in anderhalf uur naar Beiroet voor een vergadering en nog dezelfde dag terug naar Amman,’ vertelt Carlos Naffah.
Amper twee maanden later wekte een regeringsplan om belasting te heffen op WhatsAppgebruik zo veel woede dat het uitmondde in massale protesten tegen het falen van de Libanese politiek. De betogers wilden een nieuwe regering en het land gleed weg in de ergste financiële crisis in ruim een eeuw. Het is nu twee jaar later, de waarde van de nationale munt is gekelderd en de meeste mensen hebben nu zelfs gebrek aan basisbenodigdheden als stroom en medicijnen. Naffah zegt dat Train/Train al gesprekken heeft gevoerd met potentiële investeerders van bedrijven in Spanje, Frankrijk, Duitsland, Italië, China en Zwitserland. Toch zijn de vooruitzichten somber. ‘Er kan niet worden geïnvesteerd als deze chaos voortduurt,’ zegt hij, ‘het is tijd voor hervormingen, mensen die ter verantwoording kunnen worden geroepen.’
Maar Naffah heeft iets van een Don Quichot. Hij geeft zijn droom niet op en blijft optimistisch. ‘Onze trein zal van Naqoura in het zuiden naar Aboudieh in het noorden rijden en alle steden langs de Middellandse Zee aandoen. Het wordt een van de mooiste treintrajecten ter wereld,’ zegt hij.
Ook Asaad Namrud, de laatste machinist van de lijn Beiroet-Damascus, is na al die jaren nog even enthousiast over treinen. Gevraagd waar die liefde toch vandaan komt, heeft hij zijn antwoord meteen paraat: ‘Treinen zijn de weg naar vrijheid, ze rijden alleen maar vooruit.’
Over tien jaar zullen miljoenen banen zijn verdwenen, en miljoenen andere zijn ontstaan. De kunst voor bedrijven en werknemers is om in te spelen op toekomstige behoeftes. Speciale afdelingen proberen deze glazen bol fulltime te ontcijferen.
Een bouwopzichter bij de Duitse Spoorwegen zal in de toekomst met drones moeten werken. De opzichter moet weten hoe je de kleine vliegende robots moet bedienen en de data van de cameraopnames moet gebruiken. Hij of zij zal over meer vaardigheden moeten beschikken dan nu. Om precies te zijn: zes.
Hoe het concern dat zo precies weet? Sinds ongeveer een jaar is een nieuw team, lab 1, uitsluitend bezig met de vraag welke beroepen er in de toekomst zullen bestaan. Sommigen van hen doen dat fulltime, anderen besteden een derde van hun uren eraan. ‘Wij willen niet overvallen worden door wat er straks gaat gebeuren, maar het nu al weten,’ zegt Kerstin Wagner, hoofd personeelwerving bij de Spoorwegen. ‘Wij willen de kristallen bol voorspelbaar maken.’
Toekomstige sollicitatiegesprekken
De vijftien werknemers uit heel verschillende afdelingen hebben daarvoor een eigen methode bedacht. Eerst analyseren ze bij een functieomschrijving hoe die er nu uitziet en ondervragen ze de werknemer: wat doe je elke dag? Welke vaardigheden zijn daarvoor nodig? Bij de bouwopzichter is het bijvoorbeeld niet meer zo dat hij perrons opmeet en de gegevens met de hand op papier noteert. Hij gebruikt een digitaal bouwdagboek.
Daarna spreekt het team met deskundigen uit de eigen onderneming en van buitenaf die goed thuis zijn op het gebied van technologie, politiek en maatschappij, demografische veranderingen, milieu en duurzaamheid. Zij moeten vertellen welke trends er in hun vakgebieden zijn en hypothesen opstellen over de effecten die dat op hun speciale vakgebied zal hebben – en wanneer.
Na deze vijf analyses overlegt de personeelsafdeling van de Spoorwegen welke bijscholingen belangrijk zijn voor de werknemers en wat voor banen er gecreëerd moeten worden. Bij de bouwopzichter zou het in toekomstige sollicitatiegesprekken aankomen op digitale vaardigheden, de omgang met data en de visualisering daarvan. Bij presentaties zouden er in elk geval geen plattegronden meer aan de wand hangen. ‘Maar we hebben het hier niet over een radicale verandering in de komende een of twee jaar, maar over een ontwikkeling in tien jaar,’ zegt Kerstin Wagner.
Van de vijfhonderd beroepsprofielen bij de Duitse Spoorwegen heeft het lab er vijf uitgezocht waarbij de methode eerst getest wordt: treinmachinist, bouwopzichter, data-analist, signaalmonteur en elektricien. Daarna moeten alle overige beroepsbezigheden doorgenomen worden. Een nieuw beroep dat pas sinds kort bij de Spoorwegen is ontstaan, is geomaticus. Zijn taak: geodata verzamelen en geschikt maken voor multimediale producten.
‘Kleine ondernemingen kijken twee jaar vooruit en denken niet na over wat in 2030 belangrijk zal zijn’
Het Bondsministerie voor Arbeid en Sociale Zaken houdt er rekening mee dat in de komende zes jaar 1,3 miljoen arbeidsplaatsen zullen verdwijnen en 2,1 miljoen nieuwe arbeidsplaatsen zullen ontstaan. Voor het jaar 2035 rekent het ministerie op een toename van 3,3 miljoen en een afname van 4 miljoen arbeidsplaatsen. Niet alleen bij de Duitse Spoorwegen stelt men zich de vraag welke banen heel concreet schuilgaan achter deze cijfers.
Bij het autoconcern BMW heet het, heel in het algemeen, dat de personeelsafdeling analyseert welke competenties belangrijker worden en welke onbelangrijk, en dat men prognoses maakt hoe groot de behoefte aan werknemers in de toekomst zal zijn.
‘Maar alleen grote bedrijven kunnen zich bezighouden met langetermijn perspectieven,’ zegt Oliver Stettes, arbeidsmarktdeskundige bij het Institut der Deutsche Wirtschaft (IW) in Keulen, dat dicht bij de werkgevers staat. ‘Kleine ondernemingen kijken twee jaar vooruit en denken niet na over wat in 2030 belangrijk zal zijn.’
Soms wacht men met een verandering tot die wordt afgedwongen. Juist nu moeten bedrijven hun arbeidsorganisatie veranderen omdat werknemers vanwege de pandemie thuis moeten werken. Het businessmodel kan plotseling veranderen omdat klanten andere wensen hebben. Zo werd al voor covid-19 steeds vaker online gekocht in plaats van in winkels. Waaruit het beroep van e-commercehandelaar voortkwam.
Met sociale media werd ook de socialemediamanager geboren. Iedereen heeft het plotseling over duurzaamheid: ondernemingen maken daar speciale afdelingen voor. In de fabriek zullen machines steeds meer met elkaar in contact staan. Wat daar nu al ontbreekt, zal daarom nog belangrijker worden: informatici die kunstmatige intelligentie programmeren en grote hoeveelheden data kunnen analyseren. De gezondheidszorg zal verder groeien, en nog veel meer personeel nodig hebben, alleen al omdat de mensen steeds ouder worden.
Jobreport 2020
Een onderneming die precies weet welke banen gevraagd worden, is LinkedIn. Dat sociale netwerk voor professionals heeft wereldwijd 700 miljoen leden, van wie meer dan 15 miljoen in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. ‘Wij zien in real time welke nieuwe vaardigheden onze leden opgeven, wat voor arbeidsplaatsen worden aangeboden en naar welke banen de mensen overstappen,’ zegt Kristin Keveloh. Zij geeft leiding aan alle projecten rondom economische diagrammen voor de Duitstalige wereld.
In het Jobreport 2020 heeft Linkedin uiteengezet welke beroepen tussen 2015 en 2019 steeds belangrijker werden – en nog zullen worden. ‘Wij kunnen niet in de toekomst kijken, maar wij zien aan de hand van onze verzamelde data veranderingen en trends die de arbeidsmarkt in de komende jaren zullen beïnvloeden,’ zegt Kristin Keveloh.
Volgens het rapport zijn mensen die verstand hebben van kunstmatige intelligentie en data-analyse de meest gevraagden. Gevolgd door een ‘site reliability engineer’, die de ontwikkeling van sites en apps coördineert. Aangezien nieuwe technologieën het dagelijks leven ook in de toekomst sterk zullen bepalen, moet er volgens LinkedIn van uitgegaan worden dat dit beroep voortaan van elementair belang zal zijn.
Binnen tien jaar zouden er cybercityanalisten kunnen bestaan
Hoe de wereld van het werk verandert, willen ook economen als Oliver Stettes weten. Daarom analyseert hij de cijfers van de Bundesagentur für Arbeit, van de microcensus, of bekijkt hij gedetailleerde enquêtes van werknemers en bedrijven. ‘Sommige anderen zijn stoutmoedig en stellen berekende scenario’s op,’ zegt hij. ‘Maar dat is voor mij een blik in een glazen bol.’
Enzo Weber ziet dat anders. Weber leidt het onderzoek naar prognosen een economische analyses bij het Institut für Arbeitsmarkt und Berufsforschung (IAB). Naast enquêtes benut hij ook modelberekeningen. Hij kijkt daarbij naar parameters als de demografie en de consumptie – en ontwikkelt op basis daarvan scenario’s. Een resultaat kan bijvoorbeeld het aantal bakkers zijn dat in 2035 zal bestaan. ‘Natuurlijk kan er in de toekomst iets gebeuren dat niet te voorzien is,’ zegt hij. ‘Dat is altijd de onzekere factor bij prognoses.’
Sinds meer dan tien jaar werkt Weber mee aan het Qube-project, waarin het IAB met het Bundesinstitut für Berufsbildung toekomstprojecties voor verschillende kwalificaties en beroepen opstelt. Volgens dit onderzoek zal er ongeveer evenveel vraag zijn naar opvoeders, artsen, ouderenverzorgers en loodgieters. Wie werkt in de verkoop, in de gastronomie of de metaalbewerking zal in het jaar 2035 met fellere concurrentie te maken krijgen. Treinmachinisten hoeven zich ondanks de digitalisering geen zorgen te maken. Enerzijds gaan binnenkort heel veel machinisten met pensioen, anderzijds zullen treinen wel autonomer rijden, maar ze moeten toch gecontroleerd worden.
Binnen tien jaar zouden er cybercityanalisten kunnen bestaan die zich bezighouden met de in een gedigitaliseerde stad beschikbaar komende big data. Personal data brokers zouden de persoonlijke data van hun klanten kunnen beheren en te gelde maken.
Op deze ideeën kwam het IT-adviesbureau Cognizant. In de studie ‘21 toekomstige jobs’ speculeert het welke beroepen er zouden kunnen bestaan, waar nu nog niemand een idee van heeft. Bekeken werden de belangrijkste macro-economische, demografische, zakelijke en technologische ontwikkelingen van deze tijd. Behalve met digitalisering zouden mensen binnenkort geld kunnen verdienen met het gezelschap houden van ouderen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.