Vrijdagochtend braken er in Dhaka botsingen uit na de bekendmaking van het overlijden van de 32-jarige Sharif Osman Hadi in een ziekenhuis in Singapore. Hij was maandag gewond geraakt bij een moordaanslag. Duizenden demonstranten gingen de straat op in de hoofdstad om de arrestatie van zijn moordenaars te eisen.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
In Dhaka stichtten demonstranten verschillende branden. Zo staken ze onder andere de kantoren van de twee grootste kranten van het land, de Daily Star en Prothom Alo, in brand, aldus de Dhaka Tribune, die foto’s van de brandende gebouwen publiceerde.
De brand die het Daily Star-gebouw verwoestte, werd vannacht onder controle gebracht, maar er bevonden zich nog 27 medewerkers van de krant binnen. De demonstranten beschuldigen de twee media ervan banden te hebben met buurland India. New Delhi steunt de afgezette voormalige premier van Bangladesh, Sheikh Hasina, die vorig jaar naar India vluchtte nadat ze door studentenprotesten uit de macht werd verdreven.
Ze wil de verwerking van aanvragen van studentenvisa vertragen
‘De regering-Trump is van plan om alle buitenlandse studenten die in de Verenigde Staten willen studeren te verplichten om hun sociale media te laten controleren – een aanzienlijke uitbreiding van eerdere maatregelen’, meldt Politico.
Een intern bericht van het ministerie van Binnenlandse Zaken van dinsdag, onthuld door de nieuwssite en opgepikt door de Amerikaanse en internationale pers, beveelt consulaire afdelingen om het inplannen van nieuwe gesprekken met aanvragers van studentenvisa (F, M en J) op te schorten totdat nieuwe richtlijnen worden uitgegeven over hoe de sociale netwerken van aanvragers zullen worden gescreend.
‘Als de regering dit plan doorzet, kan het de verwerking van aanvragen voor studentenvisa aanzienlijk vertragen’, merkt Politico op. ‘Het zou ook veel universiteiten kunnen schaden die sterk afhankelijk zijn van buitenlandse studenten om hun schatkist te spekken.’
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
F-visa zijn voor buitenlandse studenten, M-visa zijn voor studenten in technische of niet-academische programma’s, zoals kookscholen en andere beroepsopleidingen, terwijl J-visa bedoeld zijn voor internationale onderzoekers. ‘Meer dan een miljoen internationale studenten gaan elk jaar naar universiteiten in de Verenigde Staten, wat miljarden dollars bijdraagt aan de Amerikaanse economie en de wetenschappelijke en technologische sectoren van het land versterkt’, schrijft The Washington Post.
De in Washington gevestigde NAFSA International Faculty Association schat dat internationale studenten 44 miljard dollar hebben bijgedragen aan de Amerikaanse economie tijdens het schooljaar 2023-2024, onder meer door collegegeld, kost en inwoning, transportkosten en uitgaven voor kleding en voedsel, meldt The Washington Post.
De aangekondigde bevriezing ‘is een verdere escalatie van de huidige controlemaatregelen, die vooral gericht waren tegen studenten die betrokken waren bij pro-Palestijnse demonstraties op de campussen’, merkt The Guardian op.
Servische studenten hebben een fietstocht gehouden met Straatsburg – de zetel van de Raad van Europa en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – als eindpunt om aandacht te vragen voor de corruptie in hun land. Zo’n tachtig jongeren werden dinsdagavond in de Franse stad verwelkomd onder het gejuich van honderden medeburgers die waren gekomen om hen te steunen, aan het einde van een fietsreis van meer dan 1400 km. Er was zelfs een rode loper uitgerold op het centrale plein, versierd met Servische vlaggen, meldt het Servische weekblad Vreme.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De fietsers willen de aandacht van de EU vestigen op hun anti-corruptiecampagne die werd opgezet naar aanleiding van het dodelijke ongeluk in Novi Sad afgelopen november. De instorting van de betonnen overkapping van het treinstation van de Servische stad gaf het startschot voor een protestbeweging die sindsdien over het hele land is uitgewaaierd en kritiek levert op het staatssysteem en de corruptie die Servië teistert. Woensdag wordt in Straatsburg een mars georganiseerd van de Raad van Europa naar het Europees Parlement ‘om een krachtige boodschap aan Europa over te brengen: gerechtigheid, democratie en een einde aan de straffeloosheid’, aldus de organisatoren.
In verschillende steden hebben studenten universiteiten bezet om aandacht te vragen voor de situatie in Gaza. Ze eisen dat de banden verbroken worden met Israelische organisaties die op een of andere manier medeplichtig zouden zijn aan de oorlog. Twee opiniemakers gaan erover met elkaar in debat.
Nee: ‘Uit alles wat ik heb gelezen, blijkt dat veel van deze protesten onderdeel van het probleem zijn geworden’
Een commentaar van NYT-columnist en auteur van From Beirut to Jerusalem Thomas L. Friedman
‘Ik heb me sinds 7 oktober alleen uitgelaten over de gebeurtenissen ter plaatse in het Midden-Oosten, maar dit is te groot geworden om te negeren,’ schrijft Thomas L. Friedman in The New York Times. ‘In het kort: ik vind het hele gebeuren erg verontrustend, omdat deze studenten waarheden verwerpen over hoe de oorlog is begonnen en wat er nodig is om die tot een eerlijk en blijvend einde te brengen.’ Daarmee bedoelt hij niet dat hij de protesten antisemitisch vindt. ‘Ik zou dat woord niet gebruiken in deze context, en ik voel me als Jood ongemakkelijk bij de manier waarop de beschuldigingen van antisemitisme te pas en te onpas worden gebruikt in de kwestie Israël-Palestina. Mijn punt is dat ik een nuchtere pragmaticus ben die in Beiroet en Jeruzalem heeft gewoond en geef om mensen aan beide kanten.’ Tijdens zijn decennialange aanwezigheid in de regio is hij naar eigen zeggen tot een belangrijke conclusie gekomen. ‘De enige rechtvaardige en werkbare oplossing voor deze kwestie zijn twee natiestaten voor twee inheemse volken.’ Zolang je voor die oplossing bent, ongeacht religie, nationaliteit of politieke voorkeur, maak je volgens Friedman deel uit van de oplossing. ‘En als je dat niet bent, ben je deel van het probleem. Uit alles wat ik heb gelezen en gezien, blijkt dat te veel van deze protesten onderdeel van het probleem zijn geworden.’
Friedman geeft hier drie redenen voor.
‘Ten eerste gaat het vrijwel overal over het schandelijke gedrag van Israël, terwijl er een vrijbrief wordt gegeven aan Hamas’ schandelijke schending van het staakt-het-vuren op 7 oktober.’ Friedman benadrukt dat iedereen ontzet zou moeten zijn over de reactie van Israël. ‘Maar als je weigert te erkennen wat Hamas heeft gedaan om dit teweeg te brengen – niet om goed te praten wat Israël heeft gedaan, maar om uit te leggen hoe de Joodse staat Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen in omgekeerde richting zo veel leed kan aandoen – ben je gewoon weer een partijdig iemand die olie op het vuur gooit.’
‘Ten tweede, als mensen slogans scanderen als “free Palestine” en “from the river to the sea”, dan roepen ze in wezen op tot het uitwissen van de staat Israël, en niet tot een tweestatenoplossing.’ De studenten beweren in deze gevallen volgens Friedman dat het Joodse volk geen recht op zelfbeschikking of zelfverdediging zou hebben. ‘Ik geloof in een tweestatenoplossing waarbij Israël zich, in ruil voor veiligheidsgaranties, terugtrekt uit de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en de Arabische gebieden in Oost-Jeruzalem, en waarbij een gedemilitariseerde Palestijnse staat die het principe van twee staten voor twee volkeren aanvaardt, wordt gevestigd in de gebieden die in 1967 werden bezet.’
‘Ik ben zowel intens anti-Hamas als anti-Netanyahu’
In zijn 45-jarige carrière is Friedman het trotst op zijn interview met de Saoedische kroonprins Abdoellah bin Abdoel Aziz in februari 2002. ‘Daarin riep de kroonprins de hele Arabische Liga op om volledige vrede en normalisatie van de betrekkingen met Israël aan te bieden in ruil voor volledige terugtrekking tot de linies van 1967 – een oproep die ertoe leidde dat de Arabische Liga de maand daarop in Beiroet een vredesconferentie hield.’ Het werd het Arabische vredesinitiatief genoemd. ‘En weet je wat de reactie van Hamas was op dat eerste pan-Arabische vredesinitiatief voor een tweestatenoplossing? Na de opening van de vredestop doodde een zelfmoordterrorist 19 mensen en verwondde nog eens 172 mensen in een eetzaal van een hotel in een Israëlische kustplaats. Hamas eiste de verantwoordelijkheid voor de aanslag op.’
Maar hoe zit het dan met het geweld dat Israëlische kolonisten pleegden tegen Palestijnen en met Bibi Netanyahu, die doelbewust Hamas opbouwde en de Palestijnse Autoriteit ondermijnde? ‘Dat geweld en die acties van Netanyahu zijn vreselijk en ook schadelijk voor een tweestatenoplossing. Daarom ben ik zowel intens anti-Hamas als anti-Netanyahu. En als je alleen tegen het ene bent en niet ook tegen het andere, moet je eens wat beter nadenken over wat je roept tijdens je protest of je antiprotest. Want niemand heeft méér gedaan om de vooruitzichten op een tweestatenoplossing te schaden dan de van elkaar afhankelijke Hamas- en Netanyahu-aanhangers.’
De derde reden dat de protesten volgens Friedman onderdeel zijn geworden van het probleem, is dat ze voorbijgaan aan de mening van de Palestijnen in Gaza die de autocratie van Hamas verafschuwen. ‘Hamas lanceerde deze oorlog zonder toestemming van de Gazaanse bevolking en zonder voorbereiding voor Gazanen om zichzelf te beschermen, terwijl Hamas wist dat er een brute Israëlische reactie zou volgen. Dat rechtvaardigt de excessen van Israël niet, maar, nogmaals, het is ook geen vrijbrief voor Hamas.’ Friedman gelooft dat Hamas bereid was om duizenden Gazaanse burgers op te offeren om wereldwijd de steun van de TikTok-generatie te winnen. ‘En dat heeft gewerkt. Een van de redenen waarom het heeft gewerkt is dat te veel mensen in die generatie niet kritisch genoeg nadenken – het resultaat van een campuscultuur die inmiddels veel te veel gaat over wát je moet denken en niet hóé je moet denken.’
‘Dit is geen tijd voor uitsluitingsdenken’
Inmiddels zijn er collegevoorzitters die instemmen met een aantal eisen van de studenten om zo de protesten te kunnen beëindigen. De eisen variëren per instelling, maar over het algemeen willen ze dat er een einde komt aan de oorlog in Gaza, dat de investeringen van deze instellingen openbaar gemaakt worden en dat er niet meer wordt geïnvesteerd in bedrijven die banden hebben met Israël of die anderszins profiteren van de militaire operatie in Gaza. ‘Wat Palestijnen en Israëli’s nu het meest nodig hebben, zijn geen performatieve gebaren, zoals desinvestering, maar betekenisvolle gebaren, zoals effectieve investeringen, bijvoorbeeld in organisaties die het wederzijdse begrip bevorderen. Voorbeelden daarvan zijn de Abraham Initiatives, het New Israel Fund of het prachtige Education for Employment Network of Anera, die een nieuwe generatie zullen helpen om de Palestijnse Autoriteit over te nemen en sterke, niet-corrupte instellingen op te bouwen om een Palestijnse staat te leiden.’
De studentenprotesten werken volgens Friedman dus niet mee aan de oplossing. ‘Dit is geen tijd voor uitsluitingsdenken. Het is tijd voor complexiteit en pragmatisch denken: hoe komen we tot twee natiestaten voor twee inheemse volken? Als je een verschil wilt maken en niet alleen een punt wilt maken, sta daar dan voor, zet je daarvoor in, wijs iedereen af die deze oplossing afwijst en geef een knuffel aan iedereen die haar omarmt.’
Ja: ‘Een protest is altijd ongemakkelijk. Dat is de hele bedoeling van een protest’
Een commentaar van voormalig diplomaat en huidig voorzitter van het Center for American Progress Patrick Hubert Gaspard
‘Ik heb vreedzaam gedemonstreerd. Ik ben burgerlijk ongehoorzaam geweest door overheidsgebouwen te bezetten. Ik heb het de machtigen ongemakkelijk gemaakt. Dat is de hele bedoeling van een protest,’ schrijft Patrick Hubert Gaspard in The Guardian. ‘Als je midden in een demonstratie zit die uitloopt op chaos en geweld, kom je er snel achter of je in staat bent je eigen angst en paniek opzij te zetten en de behoeften van de massa voor ogen te blijven houden.’ Het is hem meer dan eens overkomen. ‘Die spanning heeft me er altijd aan herinnerd dat democratie een keuze is en burgerschap een fullcontactsport.’
‘De protesten van studenten en de reacties daarop van universiteiten en ordehandhavers domineren de media en hebben de Amerikaanse politiek opgeschrikt aan het begin van dit belangrijke verkiezingsseizoen.’ Taferelen van tentenkampen, zingende activisten en bezette gebouwen doen denken aan het activisme van eerdere generaties, dat volgens Gaspard een onuitwisbare invloed op de cultuur heeft gehad.
‘Politici, wier beleid uiteindelijk het doelwit is van deze demonstraties, hebben de haatzaaiende uitspraken van enkele marginale figuren verward met het doel van een hele beweging, die gericht is op het vergroten van het bewustzijn over een bloedig conflict dat tienduizenden onschuldigen het leven heeft gekost en een humanitaire crisis heeft veroorzaakt voor meer dan een miljoen mensen.’ Volgens Gaspard moeten universiteiten en bekende mensen een stapje terug doen en nadenken over wat er nu kan worden gewonnen, of juist onherroepelijk verloren kan gaan. ‘En jonge activisten moeten nadenken over hun verantwoordelijkheid om de beweging duurzaam en inclusief te maken, zonder hun blik af te wenden van de benarde toestand van de echte slachtoffers: zowel de Israëli’s die hebben geleden onder een gruwelijke terreurdaad als de Palestijnen die nog steeds lijden onder een gewetenloze en onmenselijke collectieve bestraffing.’ Gaspard benadrukt dat het recht om te demonstreren en het recht op veiligheid twee belangrijke pijlers zijn van elke democratie. ‘Hoewel wetteloosheid en geweld moeten worden aangepakt – en antisemitisme en islamofobie niet kunnen worden getolereerd – is er een reëel gevaar dat het eenzijdig typeren van deze protesten en de harde sancties die volgden op daden van vreedzaam verzet tot gevolg hebben dat een kritisch platform van afwijkende meningen wordt gesmoord, terwijl dat nodig is voor de bevordering van de democratie.’
‘In álle gevallen waren die verstoring en die ontwrichting juist de bedoeling’
‘Ik heb vreedzaam geprotesteerd en het de machtigen ongemakkelijk gemaakt, terwijl ik mijn onvrede uitte te midden van een vreedzame maar geëngageerde ordeverstoring,’ schrijft de voormalig diplomaat. ‘Maar in álle gevallen waren die verstoring en die ontwrichting juist de bedoeling.’ Gaspard heeft dit naar eigen zeggen gedaan ‘volgens de goeie ouwe Amerikaanse traditie van de “good trouble”’, een term van wijlen mensenrechtenactivist John Lewis.
‘Sommige burgers hebben toegang tot beleidsmakers omdat ze politieke donaties kunnen gebruiken als middel om belangen te behartigen. Anderen hebben de mogelijkheid om het publiek te bereiken via de media of kunnen invloed uitoefenen in wetenschappelijke kringen door schenkingen aan universiteiten,’ schrijft hij. ‘Maar voor de overgrote meerderheid die maatschappelijk geëngageerd is, is het recht om te demonstreren veel meer dan een correct gespreksonderwerp voor politici; als we de belofte van een heuse participatiedemocratie willen waarmaken, is het is net zo essentieel als het stemrecht.’
Als immigrant uit een autoritaire samenleving en een trotse activist is Gaspard zich naar eigen zeggen maar al te goed bewust van de relatie tussen ongecontroleerde staatsmacht en geweld. En juist daarom is hij verontrust door de niet-onderzochte beweringen tegen deze studenten, die hen in verband brengen met terrorisme, buitenlandse agenten en opruiers van buitenaf. ‘Ik ben gealarmeerd door oproepen van vooraanstaande Democraten en Republikeinen voor toezicht op en onderzoek naar studenten door de FBI.’ Hij wijst er ook op dat tientallen wetgevende instanties wetsvoorstellen hebben ingediend om straatblokkades aan te merken als terreurdaden. ‘Dit is verontrustend, en het doet denken aan de donkerste momenten uit de geschiedenis.’
‘Ik wist dat die bewegingen niet zouden moeten wachten op de goedkeuring van de mensen met macht’
‘Er is een hoge dosis moed en een flinke scheut radicale naïviteit nodig om de confrontatie met het regeringsbeleid aan te gaan,’ schrijft Gaspard. Daar heeft hij zelf ervaring mee. ‘Ik herinner me de hartkloppingen toen ik op bruggen vóór het verkeer ging staan om op te komen voor hardwerkende mensen die tot armoede waren veroordeeld. En ik weet nog hoe bang ik was toen ik de knuppel moest ontwijken van een paniekerige politieagent die niet voorbereid was op de emoties van een menigte die demonstreerde tegen onverdraagbaar politiegeweld. Terwijl ik tranen van wanhoop en panische angst bedwong, heb ik moeten vluchten voor de rondvliegende stenen en flessen van opruiers die infiltreerden in demonstraties die ik had helpen organiseren. Ik kan nog steeds de golf van trots voelen, dertig jaar nadat het Amerikaanse Congres na onze protesten, arrestaties en, ja, bezettingen op onze universiteiten eindelijk aan de juiste kant van de geschiedenis was gaan staan met de goedkeuring van sancties tegen apartheid in Zuid-Afrika.’
Het is voor Gaspard door de jaren heen duidelijk geworden: ‘Bewegingen slagen alleen als ze een ontwrichtende kracht hebben. ‘Ik wist dat die bewegingen niet zouden moeten wachten op de goedkeuring van de mensen met macht.’’ Het verhaal van de Amerikaanse vooruitgang is volgens Gaspard juist een verhaal van burgerlijke ordeverstoring en geuite onvrede. ‘Maar het is voor mij ook altijd duidelijk geweest dat ontwrichting gepaard moet gaan met dialoog.’ Hij geeft als voorbeeld de dialoog die werd aangegaan door Arabische en Joodse studenten aan de Universiteit van Wisconsin-Madison, met lid van het Huis van Afgevaardigden Ro Khanna. ‘Ze bevroegen onbehaaglijke aannames over elkaar en stelden uitdagende vragen over de geschiedenis. Ze gingen van protest naar participatie en begrepen dat oplossingen ver weg lagen, maar het werk waard waren.’
De protesten zijn volgens Gaspard belangrijk. ‘Demonstreren is nooit gemakkelijk, nooit comfortabel en vaak onpopulair. Maar het doorbreken van onverschilligheid en het aandurven van ordeverstoringen is een manier om actief te kiezen voor democratische waarden.’
Vijf dagen lang bezetten studenten de campus van de universiteit
Studenten aan het Trinity College in Dublin hebben een einde gemaakt aan een vijfdaagse campagne nadat de universiteit had beloofd de banden met Israëlische bedrijven te verbreken. Dat schrijft Al Arabiya.De studenten, die in navolging van studenten elders ter wereld een groot deel van de universiteit bezet hielden, spraken van een overwinning.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het bestuur sloot een akkoord met de demonstranten, zei de universiteit in een verklaring. ‘Trinity zal zich stoppen met investeringen in Israëlische bedrijven die activiteiten hebben in de bezette Palestijnse gebieden en op de zwarte lijst van de VN staan.’ Slechts één Israëlisch bedrijf blijft om contractuele redenen tot maart 2025 op de lijst staan.
Het kampement begon op 3 mei toen pro-Palestijnse demonstranten tientallen tenten opzetten op het Fellows’ Square, terwijl vergelijkbare acties plaatsvonden in de VS, Europese steden, Australië en India uit protest tegen de oorlog van Israël tegen Hamas in Gaza. In tegenstelling tot confrontaties in de VS, waar de politie demonstranten op verschillende universiteiten met geweld uit hun tenten zette, werd hier geen poging gedaan om het protest te stoppen. Eoin O’Sullivan, een decaan die de gesprekken met de studenten leidde, bedankte hen voor hun ‘engagement’.
Ecuador koos zondag een nieuwe president. Guillermo Lasso, voormalig bankier en conservatieve kandidaat, won 52,52 procent van de stemmen uit 92,53 procent van de getelde stemmen, meldt El Comercio. Zijn tegenstander, de socialist Andrés Arauz, econoom en voormalig minister onder Rafael Correa, won in de tweede ronde 47,48 procent van de kiezers.
In zijn woorden werd de dag gekenmerkt door ‘een electorale tegenslag’, maar geen ‘politieke of morele nederlaag’. Zijn tegenstander Lasso gaf als commentaar: ‘Op 24 mei zullen we de verantwoordelijkheid nemen voor de uitdaging om het lot van ons vaderland te veranderen en voor heel Ecuador de kansen en welvaart te bereiken waarnaar we streven.’
Het land kampt met een ernstige economische crisis.
Een ongebruikelijk moment van transparantie?
In wat Daily Beast een ‘ongebruikelijk moment van transparantie’ noemt, gaf China toe dat zijn vaccins een beperkte effectiviteit hebben: voor Sinovac is dat ongeveer 50 procent, voor Sinopharm 79,43 procent en 65 procent voor CanSino. Ter vergelijking: Pfizer en Moderna claimen dat de efficiëntie van hun product hoger ligt dan 93 procent.
Zaterdag zei directeur van het Chinese Centrum voor Ziekten Gao Fu op een medische conferentie dat de vaccins ‘geen erg hoge beschermingsgraad hebben’, alvorens te suggereren dat ze mogelijk moeten worden gecombineerd met andere vaccins.
Zondag kwam hij tegen de Chinese Global Times terug op deze woorden. De krant, die zich dicht bij de macht bevindt, publiceerde een interview met Fu waarin hij ‘de interpretatie weerlegt’ van zijn verklaring door buitenlandse media, en spreekt van een ‘compleet misverstand’.
Volgens South China Morning Post is China van plan om tegen het einde van het jaar 3 miljard doses van het vaccin te hebben geproduceerd.
Aan eindexamen in Kenia doen veel zwangere meisjes mee
Sinds het begin van de pandemie, toen de meeste scholen werden gesloten, is het aantal tienerzwangerschappen in Kenia naar verluidt ontploft. Volgens Daily Nation maken de eindexamens op de middelbare scholen, die op dit moment plaatsvinden, het mogelijk ‘de ernst van de crisis te onderzoeken’. Volgens het Keniaanse dagblad doen tientallen jonge meisjes dit jaar de KSCE-tests (het equivalent van het eindexamen) als moeder.
Tien studenten leggen hun examens af in een ziekenhuiskamer in Kericho County, zes in Homa Bay, acht in West Pokot, vier in Nandi County… Officieel is het moeilijk om de algemene omvang van het fenomeen te overzien. Overheidsstatistieken ontbreken, maar ‘enquêtes in de provincies geven aan dat duizenden schoolmeisjes binnenkort moeder zullen zijn’, schat Daily Nation. ‘Een van de kandidaten uit Londiani, (…) is net bevallen van een tweeling. Ze doet haar examen in het ziekenhuis’, bevestigt bijvoorbeeld ook een ambtenaar uit de provincie Rift Valley in het westen van Kenia.
De Standaard bezocht scholen om erachter te komen of deze zwangerschappen invloed hadden op de examens, en tekende enkele verhalen op van de meisjes. Op een school in Kakamega County vertelt bijvoorbeeld Joan (niet de echte naam): ‘Ik raakte maart vorig jaar zwanger, toen scholen sloten vanwege de pandemie. Ik was alleen thuis en mijn vriend, een student op een nabijgelegen school, was veel bij ons. Maar toen ik hem vertelde dat ik twee maanden zwanger was, gaf hij geen gehoor meer en werd hij overgeplaatst naar een andere school, ver hier vandaan.’
Nadat ze haar zwangerschap aan haar naasten had aangekondigd werd ze weggestuurd van huis. In de slaapzaal waar ze nu woont en studeert verblijven tien andere jonge moeders met hun kinderen.
Verband met covid-19
Volgens Standard zou het aantal schoolmeisjes dat zwanger werd tijdens de pandemie verdrievoudigd zijn ten opzichte van 2019. In juni 2020 zei het in 2010 opgerichte Afrikaanse Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (Afidep) echter in de overtuiging te zijn dat veel van de circulerende cijfers ‘overdreven’ waren. Volgens het instituut zouden de aantallen juist afnemen: in alle landen ter wereld is het aantal tienerzwangerschappen tussen januari en mei gedaald van 175.488 in 2019 tot 151.433 in 2020.
Maar in een artikel uit de Keniaanse krant van voor de pandemie stelt de auteur dat bijna een kwart van de Keniaanse vrouwen op haar achttiende al is bevallen. Op twintigjarige leeftijd is dat bijna de helft.
Ook Turkse studenten krijgen geen adem meer
Protesten bij een van de bekendste instellingen van Turkije, de Boğaziçi-univeristeit, gaan hun vierde maand in. Ze zijn veroorzaakt door de benoeming van een nieuwe, niet-gekozen rector Melih Bulu.
Bulu, die op 1 januari aantrad, heeft banden met de regerende Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP) en werd benoemd door president Erdogan, dankzij een wetsdecreet uit 2016 dat de president machtigde om rechtstreeks rectoren aan universiteiten te benoemen, schrijft de Turkse krant Hurriyet.
Studenten van de Boğaziçi-universiteit hebben al sinds de eerste dag van de protesten tegen Bulu’s benoeming te maken met politiegeweld. Op 7 februari maakte het Boğaziçi Solidariteitsplatform bekend dat ten minste 560 studenten werden vastgehouden (en hoewel ze allemaal zijn vrijgelaten, is hun vervolging nog aan de gang), 25 werden veroordeeld tot huisarrest en 11 werden gearresteerd op beschuldiging van ‘het publiek uitlokken tot haat en vijandigheid’, ‘weerstand bieden aan het gezag’, ‘overtreding van de demonstratiewet’ en ‘verzet om publieke plicht na te komen’.
Volgens de Turkse site van Deutsche Welle werden eind maart ten minste vijf studenten vastgehouden wegens het dragen van LGBT-vlaggen. Anderen kregen reisbeperkingen en gerechtelijke controles opgelegd, waarbij ze zich regelmatig bij het dichtstbijzijnde politiebureau moeten melden.
Lees ook:Demonstranten in Turkije gearresteerd na aanval Erdogan op LGBT-beweging
Bulu blijft volhouden dat hij de rechten en vrijheden van LGBT-individuen verdedigt, en voegt daaraan toe dat hij er al lange tijd van droomde deze positie te bekleden en dat hij van Boğaziçi een van de honderd beste universiteiten ter wereld wil maken, aldus nieuwssite Bianet.
Op 3 februari zei hij tegen verslaggevers vanHaaretz:‘We zullen de Boğaziçi-universiteit naar een hoger niveau tillen.’
Tot dusverre voldoen zijn beslissingen niet aan zijn ambities, aldus de Turkse krant. In april stapte Bulu uit de Commissie voor de preventie van seksuele intimidatie en stuurde hij zijn coördinator Cemre Baytok met onbetaald verlof. In maart kondigde hij nieuwe kandidaten aan voor de belangrijkste posities van de universiteit, met inbegrip van de vicerectoren, enkel mannelijke, waarvan een aantal verantwoordelijk is voor meer dan één positie, schrijft Bianet.
Een groep studenten en academici in Turkije en in het buitenland heeft sinds januari solidariteit betuigd met de studenten van de Boğaziçi-universiteit. Sommigen per brief, andere hebben zich aangesloten bij de protesten. Faculteitsleden die zich tegen de aanstellingen keerden, stonden de afgelopen twee maanden uit protest buiten het rectoraatsgebouw, met hun rug naar het gebouw gekeerd.
Boğaziçi Direnişi 93. gününde devam ediyor | Boğaziçi Üniversitesi'ne atanan kayyum rektöre karşı başlayan direniş, 93. gününde de devam etti. Akademisyenler, nöbetlerinin 67. gününde kayyumluk binasına sırtlarını döndü.
Uit rapporten blijkt dat de politie traangas en rubberen kogels heeft gebruikt in demonstraties, evenals buitensporig geweld, waarbij studenten op de grond werden gegooid en bij de keel gegrepen.
Het bewijs dat op Twitter rondgaat van het politiegeweld herinnert velen aan de dood van George Floyd door toedoen van Amerikaanse politieagenten, waardoor de Turkse vertaling van ‘Ik kan niet ademen’, de woorden die Floyd uitsprak voor zijn dood, trending zijn in Turkije. Voorzien van hashtag #NefesAlamiyorum worden foto’s gedeeld die getuigen van de onverdraagzaamheid van de overheid ten opzichte van de studentendemonstraties.
Een Chinese student Oeigoers, lang woonachtig in Xinjiang, is naar het buitenland gevlucht omdat hij niet meer kon leven met de permanente controle in deze autonome regio. In deze reportage schrijft hij over de manier waarop alles, maar dan ook alles in de gaten wordt gehouden.
‘Het Xinjiang zoals ik het gekend heb als student lijkt in niets meer op het Xinjiang van vandaag. Voordat ik voor mijn studie naar de provincie trok, had ik wel gehoord dat de sfeer er gespannen was, en ik zag er wel een beetje tegen op om me er te vestigen. Maar toen ik arriveerde, werd me eigenlijk geen strobreed in de weg gelegd. Tot in 2016 [na een reeks aanslagen die de autoriteiten als terroristisch hebben bestempeld], toen de situatie plotseling erg veranderde, vooral omdat er allerlei controles werden ingevoerd.
Op het instituut waar ik studeerde, werden de veiligheidsregels buitenproportioneel aangescherpt. Je kon onmogelijk het gebouw, de collegezalen of de slaapzalen binnen zonder een pasje met een magneetstrip, en alle avonden werden onze kamers geïnspecteerd. Voor de Han-Chinezen [een meerderheidsgroep in China] liep het nog wel los. Als je je pas vergeten was, kon je altijd aan een medestudent of kamergenoot vragen een foto van je pas of je studentenkaart te maken en die dan door te sturen. Maar onze Oeigoerse medestudenten konden dat wel vergeten.
In Ürümqi, de hoofdstad van de regio Xinjiang, werden de veiligheidsmaatregelen ook strenger, met overal wachthokjes – soms zat er amper honderd meter tussen. In de straten die uitkomen op de grote markt Erdaoqiao, sloten politieagenten de weg af om je smartphone te controleren, of je nou Han-Chinees was of iemand die tot een etnische minderheid behoorde. Er werden ook veiligheidscontroles ingevoerd in de winkelcentra – om nog maar te zwijgen van de luchthavens en de treinstations. In winkelstraten stond op elk kruispunt en voor elke grote winkel een mitrailleur opgesteld. En dan heb ik het nog niet eens over de oproerpolitie die, met de vinger aan de trekker, overal in de stad op wacht stond. Ik heb nog nooit zo veel mitrailleurs en tanks gezien als in Xinjiang.
Alleen 3G
Bovendien was er geen 4G in Xinjiang. Er is alleen 3G, zodat de internetsnelheid veel te wensen overliet. Al die dingen, die ingrijpende gevolgen hadden voor mijn dagelijkse bestaan, vond ik erg hinderlijk, maar je moest ermee leren leven. Veel van mijn vrienden uit Xinjiang hadden zin om hun provincie te verlaten. Oeigoerse studenten kunnen Xinjiang momenteel op zich vrij gemakkelijk verlaten, maar het is voor hen erg ingewikkeld om naar het buitenland te gaan.
Er bestaat op landelijk niveau een ‘selectieprogramma voor talenten afkomstig uit nationale minderheden’. Voor de geselecteerden geldt bij het toelatingsexamen een veel lagere onvoldoende dan voor Han-Chinezen. Dit programma schrijft trouwens ook voor dat de gediplomeerden, als ze zijn afgestudeerd, naar hun provincie van herkomst terugkeren. Op die manier kunnen talenten uiteraard niet naar het buitenland vertrekken.
Voor Oeigoeren is het bepaald niet eenvoudig om zich buiten hun provincie te begeven. En zelfs op nationaal grondgebied gaat dat niet zonder complicaties.
Bij een van mijn vriendinnen, een jong Hui-meisje [een etnische minderheid die hoofdzakelijk in het noordwesten van China voorkomt en in meerderheid bestaat uit moslims] dat voor een concert naar Sjanghai was gegaan, deed de politie om twee uur ’s nachts een inval in het hotel waar ze verbleef. De agenten wilden haar kamer inspecteren, alleen omdat ze een identiteitskaart had uit Xinjiang! Ze vertelde me dat ze op de rand van haar bed in huilen was uitgebarsten. Als het de Hui al zo vergaat, kunt u zich indenken hoe de Oeigoeren worden behandeld [na meerdere aanslagen, medio jaren 2000, hebben de autoriteiten hen als islamisten gebrandmerkt]. Oeigoerse belangengroepen protesteren tegen het keiharde beleid van gedwongen culturele assimilatie.
Zelfs als studenten van etnische minderheden uit andere regio’s van Xinjiang in Ürümqi een appartement moeten huren, levert dat heel ingewikkelde situaties op. De verhuurder kan regelmatig telefoontjes van de politie krijgen om allerlei dingen te controleren. Uiteindelijk hebben deze studenten waarschijnlijk geen andere keuze dan terug te gaan naar waar ze vandaan komen. Een tijdje geleden heb ik in een dorp lesgegeven als vrijwilliger. Een van de onderwijzers van de lagere school was een Oeigoer, die was afgestudeerd aan een grote Chinese universiteit maar, ongetwijfeld omdat hij tot een etnische minderheid behoorde, geen andere keus had gehad dan les te geven in dit kleine dorp.
Hoewel ze diep van binnen Xinjiang willen verlaten, wil de meerderheid van de studenten van een etnische minderheid met wie ik omging, zich de problemen die je moet overwinnen om dat te bereiken liever niet op de hals halen. De afgestudeerden van ons instituut vinden probleemloos werk in Xinjiang en ze krijgen een goed salaris.
Als ze het instituut verlaten kunnen ze een salaris ontvangen van meer dan 5000 yuan [620 euro] in een van de vier prefecturen in het zuiden van de provincie (Kaxgar, Hotan, Aksu en de autonome Kirgizische prefectuur Kizilsu). Afgestudeerden die gerekruteerd worden door de diensten van de prefectuur van de autonome regio, belast met openbare veiligheid, kunnen meer dan 10.000 yuan verdienen [1240 euro] als aanvangssalaris. Van zo’n salaris kun je heel goed leven.
Voor mij waren de politieke lessen die we iedere week gedwongen moesten volgen een ramp. In mijn hele leven heb ik me nog nooit zo intensief beziggehouden met politiek. Vanaf het eerste studiejaar moesten we die lessen volgen, alle studenten moesten er één keer in de week een middag aan meedoen. Afgezien van de laatste toespraken van de partijleiders, gingen die lessen ook altijd over de actualiteit van iedere provincie, van ieder ministerie en van iedere commissie, en over artikelen die in de officiële media waren verschenen. Ze werden hardop voorgelezen door de docent, die op een podium zat.
Als de lezing voorbij was moesten we nog ‘gedachtenverslagen’ schrijven van 1500 tot 2000 karakters [ca. 800 tot 1000 woorden in het Nederlands]. We moesten eerst opschrijven wat we onthouden hadden, en vervolgens nagaan of we zelf soms iets te maken hadden met de problemen die in de les aan de orde waren gesteld. Hadden we bijvoorbeeld audio- of videobestanden bewaard van terroristische aanslagen? Hadden we geen last van de neiging om te denken als een ‘persoon met twee gezichten’, namelijk dat je enerzijds wel de maatregelen van de partij steunde, maar anderzijds, stiekem, ook mensen met extremistische opvattingen? Het meeste wat we schreven ging over die ‘personen met twee gezichten’.
En dat was niet alles. De eerste dagen van ieder semester had je geen gewone colleges. We moesten een politieke cursus volgen. Maar wat de docent daar op het podium stond te vertellen was oersaai, zodat de meesten op hun smartphone zaten te spelen. Het pedagogisch materiaal bestond uit drie dikke delen die hoofdzakelijk gingen over de buitenlandse reizen van onze leiders, hun redevoeringen, de laatste beleidsmaatregelen, et cetera. Als die lezingen achter de rug waren, moesten we verslagen schrijven over wat we geleerd hadden, en aan het eind van iedere studiecyclus moesten we weer de balans opmaken. Die sessies verliepen altijd volgens hetzelfde stramien, en als we onze verslagen moesten schrijven, schreven we ze gewoon van elkaar over. Voor ons was het volstrekt zinloos.
En dat was niet alles. De eerste dagen van ieder semester had je geen gewone colleges. We moesten een politieke cursus volgen. Maar wat de docent daar op het podium stond te vertellen was oersaai, zodat de meesten op hun smartphone zaten te spelen. Het pedagogisch materiaal bestond uit drie dikke delen die hoofdzakelijk gingen over de buitenlandse reizen van onze leiders, hun redevoeringen, de laatste beleidsmaatregelen, et cetera. Als die lezingen achter de rug waren, moesten we verslagen schrijven over wat we geleerd hadden, en aan het eind van iedere studiecyclus moesten we weer de balans opmaken. Die sessies verliepen altijd volgens hetzelfde stramien, en als we onze verslagen moesten schrijven, schreven we ze gewoon van elkaar over. Voor ons was het volstrekt zinloos.
Het kwam erop neer dat ze toegang hadden tot alles wat er op onze smartphones en onze laptops stond
Omdat de studenten van onze studierichting na hun afstuderen terecht zouden komen in gevoelige sectoren, ondergingen ze een strenge politieke scholing. Maar volgens mij maakt dat van onze studierichting een rampgebied. Als je Oeigoers studeert, wordt niet getolereerd dat je manier van denken ook maar enigszins afwijkt van de officiële lijn.
Ik herinner me een docent die terugkwam uit het buitenland. Omdat zijn smartphone veel buitenlandse apps bevatte, hebben ze hem een hele maand afgesloten. En de inspectiediensten hebben zijn smartphone niet alleen gecontroleerd, maar ook zijn telefoonnummer gewijzigd. Toen pas kon hij er weer normaal gebruik van maken. Zelfs wetenschappelijke uitwisseling met het buitenland is verboden.
Er bestaan wel degelijk heropvoedingskampen in Xinjiang. Toen ik in China was, wist ik niet dat in het buitenland zo veel ruchtbaarheid aan het bestaan ervan was gegeven. Gewoonlijk worden ze ‘opleidingskampen’ genoemd. Maar zelfs onder die naam blijft het daar een taboeonderwerp. In onze slaapzaal zat ook een partijlid, een opgewonden standje. Soms deden we de deuren van de slaapzaal dicht om ‘ons te beklagen’ over het feit dat we in ons dagelijks leven zo veel last ondervonden van de veiligheidsmaatregelen, of om het fluisterend te hebben over een docent die plotseling was verdwenen. Dan probeerde hij te verhinderen dat we daarmee doorgingen, kreeg een woedeaanval, en zei dat hij ons zou aangeven als we niet ophielden met die onzin.
Verdwijningen
Om eerlijk te zijn was ik als Han-Chinees niet bang om in een kamp te worden geïnterneerd. Ik was vooral bezorgd over de plotselinge verdwijningen van docenten. Een van hen was van de een op de andere dag verdwenen. Toen studenten kwamen vragen waar hij naartoe gegaan was, zeiden zijn collega’s dat ze die vraag niet moesten stellen. Ik heb me later laten vertellen dat hij naar een kamp gestuurd was omdat hij in het Midden-Oosten onroerend goed bezat. Als je naar een kamp wordt gestuurd, weet je zeker dat je politieke carrière definitief voorbij is en misschien zelfs dat je nooit meer zult mogen lesgeven. Ik heb me laten vertellen dat een Oeigoerse vader van een gezin geïnterneerd was omdat ze erachter waren gekomen dat hij geld had overgemaakt naar een rekening in het Midden-Oosten, waar zijn zoon studeerde.
De situatie is niet alleen moeilijk voor Oeigoeren, maar ook voor Han-Chinezen. Alle studenten van onze studierichting, ongeacht hun etnische herkomst, moeten hun paspoort afgeven bij de administratie wanneer ze op het instituut beginnen. Als je later naar het buitenland wilt, moet je eerst een aanvraag indienen om je paspoort terug te krijgen. Ik herinner me een docent wiens zoon in het buitenland studeerde: hij kon hem niet bezoeken, en zijn zoon had niet de mogelijkheid om hem te komen bezoeken. Een echte nachtmerrie.
Voor ik begon met de studie had ik wel gehoord over deze regel. Maar ik heb mijn paspoort gewoon nooit afgegeven bij de administratie. De eisen die de administratie stelde aan studenten die niet afkomstig waren uit Xinjiang waren minder streng. Voor een student uit Xinjiang was zoiets volstrekt onmogelijk geweest.
Natuurlijk wist de administratie heel goed of je de provincie had verlaten en wanneer. Ik heb een vriend die, net als ik, in Xinjiang heeft gestudeerd. Vóór zijn studie was hij naar Khorgos, de dry port van de prefectuur Ili, gegaan [in de buurt van de grens met Kazachstan]. Daar is een enorme winkel met taxfreeartikelen. Als je een simpel pasje voor die dry port hebt, kun je naar die winkel. Zelfs van dat soort uitstapjes was het instituut op de hoogte. Natuurlijk hadden ze die informatie ontvangen van de staatsveiligheidsdiensten. Dus vroeg het instituut aan mijn vriend: ‘Wat had jij daar te zoeken?’
Verdeeld
Maar tijdens al mijn jaren in Xinjiang ben ik geen enkele extremist tegengekomen – of de mensen in kwestie hebben er niets over gezegd. Het is wel zo dat er erg vrome moslims zijn. Ik herinner me een jongen die heel graag lekker at, maar die tijdens de ramadan niet eens zijn eigen speeksel durfde door te slikken.
Ik heb gezien hoe bang Oeigoeren waren voor etnische assimilatie. Normaal gesproken mogen ze niet trouwen met Han-Chinezen. Enkele jaren geleden had de beroemde Oeigoerse actrice Gulnuzar een relatie met acteur Hans Zang, een Han-Chinees, waarvoor ze door veel Oeigoeren scherp werd veroordeeld. In hun ogen gedroeg zij zich als een schaamteloze vrouw.
De Oeigoerse samenleving is trouwens zeer verdeeld. Oeigoeren die hoger onderwijs hebben gehad zijn volgens mij wat opener. Enkele jaren geleden had ik een Oeigoerse docent Engels die ons klaarstoomde voor de IELTS-test. Zijn mondelinge beheersing was uitstekend. Deze man, die een goede opleiding had en een goede baan, vond veel Han-gewoonten en -gebruiken niet indruisen tegen zijn principes.
Ik heb privélessen gegeven bij mensen thuis. Als leerling had ik een jonge Oeigoerse. Haar moeder was ambtenaar. Eens per maand moest zij een week naar het zuiden van Xinjiang. Alle Oeigoerse kaderleden zijn daartoe verplicht. Ze moeten iedere maand naar Oeigoerse gezinnen in het zuiden van de provincie om hun [Chinese] karakters te leren lezen en hun een ambacht te leren.
De goede vooruitzichten voor specialisten in de Oeigoerse taal was voor mij een van de belangrijkste redenen om me in deze taal te verdiepen. Met dit specialisme heb je een zeer goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt. Grote webondernemingen zoals Tencent [ontwikkelaar van WeChat] en NetEase [die een zeer populaire Chinese site exploiteert] werven studenten met dit profiel aan zodra ze zijn afgestudeerd. In China is Oeigoers, na Mandarijn, op WeChat de meest gebruikte taal om te communiceren.
Op WeChat kun je nu een boodschap dicteren in Mandarijn, en wat je zegt wordt onmiddellijk getranscribeerd in karakters. Maar voor het Oeigoers werkt dat niet. De mensen die aangeworven worden door deze ondernemingen, worden voornamelijk aangenomen om het Oeigoers in lettergrepen op te delen, om de kwaliteit van de spraakherkenning te verbeteren. Maar alleen mensen die het Oeigoers niet als moedertaal hebben, mogen zich inschrijven voor het examen dat toegang verschaft tot de studierichting Oeigoers. Onze docenten zijn allemaal Oeigoeren, maar alle studenten hebben een andere etnische herkomst.
Afgezien van de grote webondernemingen komen de meeste specialisten Oeigoers terecht bij de verschillende veiligheidsdiensten, zowel op nationaal als op provinciaal niveau. De mensen die hiervoor kiezen, worden belast met inspectie en controle, uiteraard van mensen van Oeigoerse herkomst. Veel nationale en provinciale openbare veiligheidsdiensten werven studenten van ons instituut aan.
Juist omdat de functies die een groot aantal van ons geacht wordt uit te oefenen zo vertrouwelijk van aard zijn, wordt ons politieke denken zo gedrild. Bovendien verleent de autonome regio Xinjiang studenten die gespecialiseerd zijn in het Oeigoers belangrijke steun. Voor een master Oeigoers, waarvoor het collegegeld 5000 yuan [620 euro] bedraagt, krijgen we een studietoelage die twee keer zo hoog is.
En dat is dan alleen nog maar de studiebeurs. Je kunt ook nog in aanmerking komen voor toelagen wegens verdiensten. De staat verleent ook talrijke subsidies aan ons instituut. Aan de ene kant wordt er een ultrastrenge controle uitgeoefend, aan de andere kant worden er royale subsidies verstrekt – om de pil te vergulden.
Toezicht
Vanaf dit jaar kunnen studenten Oeigoers nog ergens anders aan de slag. De staat heeft net een nieuwe beleidsmaatregel afgekondigd: een Han-Chinees moet toezicht houden op drie studenten die tot een etnische minderheid behoren. Zodat veel opleidingen mensen zullen moeten aannemen die gediplomeerd zijn in het Oeigoers om toezicht te houden op Oeigoerse studenten. De moeilijkste voorwaarde voor dit werk is dat je je politiek moet conformeren: je kunt alleen maar solliciteren als je lid bent van de partij.
Nu heb ik er spijt van dat ik Oeigoers heb gekozen. Om eerlijk te zijn: ik heb een redelijk niveau en ik was er zeker van dat ik zou worden toegelaten tot de master. Toch heb ik de studie vaarwel gezegd, ik kon het gewoon niet meer opbrengen door te gaan. Ik had geen zin meer om in Xinjiang te blijven. Daarom ben ik naar het buitenland vertrokken.’
Auteur: Jia Biming
Een ‘gedachtenverslag’ is een soort bekentenis waarin iemand, onder dwang of vrijwillig, aan zijn meerderen of in het openbaar zijn politieke gedachten en ideeën kenbaar maakt. Een praktijk die associaties oproept met de Culturele Revolutie (1966-1970).
CONTEXT: 1.000.000
China zou bijna een miljoen Oeigoeren naar geheime ‘heropvoedingskampen’ hebben gestuurd onder het mom van bestrijding van religieus extremisme, zo heeft de mensenrechtenadvocaat Gay McDougall gezegd tijdens een hoorzitting van de commissie tot bestrijding van rassendiscriminatie van de VN op 10 augustus in Genève.
In de autonome Oeigoerse regio Xinjiang bestaat de bevolking voor 45 procent uit Oeigoeren. Volgens Rian Thum, hoogleraar geschiedenis aan de Loyola University van New Orleans, heeft China sinds 2016 680 miljoen yuan (86 miljoen euro) uitgegeven aan de bouw van detentiecentra, zo meldt The New York Times.
Duanchuanmei (The Initium)
China | nieuwssite | theinitium.com
Onafhankelijke nieuwssite opgericht in augustus 2015 in Hong Kong, om te ontsnappen aan de Chinese censuur. Wil ‘Chinezen over de hele wereld’ informeren en richt zich hierbij met name op onderzoek en datajournalistiek. Er is ook een wekelijkse papieren versie.
Ze zijn jong, ongetrouwd en boos. De Ethiopische Qeerroo-beweging wist met stakingen en protestacties de premier van een van Afrika’s meest dictatoriale regimes ten val te brengen.
Tegenwoordig is Desalegne bankier. Maar ooit was hij een Qeerroo: een jonge, energieke, ongetrouwde man afkomstig uit Ethiopiës grootste etnische groep, de Oromo, en gebonden aan wat hij noemt ‘een verantwoordelijkheid om het volk te verdedigen’.
Twaalf jaar geleden hielp hij mee om massaprotesten te organiseren tegen een verkiezingsuitslag die volgens velen gemanipuleerd was door het regerende Ethiopian Ethiopisch Volksrevolutionair Democratisch Front (EPRDF). Hierdoor belandde hij in de gevangenis wegens terrorisme.
Sindsdien is hij getrouwd en heeft hij, zoals velen van zijn generatie, de politiek grotendeels gemeden. Tot 12 februari, toen hij samen met vele anderen in Adama en de regio Oromia meedeed aan een staking voor de vrijlating van oppositieleiders en de beëindiging van het autoritaire regime.
De boycot, die drie dagen duurde en een groot deel van Centraal-Ethiopië stillegde, resulteerde op 13 februari in de vrijlating van Bekele Gerba, een prominente Oromo-politicus die in Adama woont, en binnen 48 uur in het aftreden van Ethiopiës veel bekritiseerde premier, Haile Mariam Desalegne. De geschokte regering riep daarna op 15 februari voor de tweede keer in twee jaar de noodtoestand uit.
‘Alles lag plat,’ zegt Desalegne over de staking in Adama. ‘Bijna iedereen deed mee – zelfs ambtenaren.’ Voor hem en veel andere inwoners van Adama is er maar één verklaring waarom deze normaal zo rustige stad zich aansloot bij de opstand die zich sinds 2014 over delen van Ethiopië heeft verspreid: de Qeerroo.
Jonge vrijgezellen
Wie de Qeerroo precies zijn, en hoe ze hebben geholpen om een van Afrika’s sterkste en meest autocratische regeringen op de knieën te krijgen, is niet zo eenvoudig te begrijpen. In de traditionele Oromo-cultuur staat de term voor een jonge vrijgezel. Maar tegenwoordig staan de Qeerroo symbool voor zowel de Oromo-beweging – een strijd om meer politieke vrijheid en een grotere, etnische vertegenwoordiging in landelijke structuren – als voor een hele generatie Ethiopische jongeren die de laatste tijd assertiever is geworden.
‘Zij zijn de stem van het volk,’ verklaart Debela, een tweeëndertigjarige taxichauffeur in Adama. Hij zegt dat hij te oud is om een van hen te zijn, maar dat hij hun protest begrijpt. ‘Zij zijn de voorhoede van de Oromo-revolutie.’
De identiteit van de Oromo is veel sterker geworden sinds het EPRDF in 1994 een model van etnisch gebaseerd federalisme instelde. ‘In het verleden was het een schande om als Oromo te worden beschouwd,’ zegt Desalegne, wijzend op de etnische assimilatiepolitiek van de twee voorgaande Ethiopische regimes, keizerlijk en communistisch. ‘Maar nu zijn mensen er trots op om Oromo te zijn. Dat heeft de Qeerroo aangemoedigd.’
Naarmate de Oromo-beweging de afgelopen jaren een groter zelfvertrouwen kreeg, trok de rol van de Qeerroo in het organiseren van onrust steeds meer de aandacht van de staat. Begin dit jaar kondigde de politie plannen aan om hard op te treden tegen de Qeerroo, met het argument dat het een clandestiene groep was die het land wilde destabiliseren en controle wilde krijgen over lokale overheidskantoren. Ze werden zelfs beschuldigd van terrorisme. Hoewel veel mensen dat tegenspreken, twijfelen weinigen aan de huidige kracht van de Qeerroo als undergroundgroep.
Sinds de vorige noodtoestand in augustus 2017 werd opgeheven, organiseerden Qeerroo-netwerken stakingen en protestacties in verschillende delen van Oromia. Dit ondanks het feit dat de overheid vanaf eind vorig jaar het complete mobiele internet heeft platgelegd in alle regio’s behalve de hoofdstad.
Bekele Gerba, de oppositieleider, schrijft zijn vrijlating uit de gevangenis toe aan de Qeerroo. Zij stuurden ook honderden mensen naar zijn huis in Adama om hem geluk te wensen. Maar net als vele oudere activisten bekent hij dat hij maar weinig weet van hoe ze zich organiseren. ‘We weten niet wie de leiders zijn en we weten niet of ze een centraal commando hebben.’
Maar in een recent interview met The Guardian lichtten twee lokale leiders in Adama, Haile en Abiy (niet hun echte namen), hun methoden toe. Volgens de twee mannen, beiden achter in de twintig, heeft elk district van de stad één Qeerroo-leider met minstens twintig ondergeschikten die allemaal verantwoordelijk zijn voor het verspreiden van boodschappen en informatie over komende stakingen. Ze zeggen dat hun netwerken de afgelopen maanden beter georganiseerd zijn. Er is nu een hiërarchische commandostructuur en zelfs één enkele leider voor het hele Oromia. ‘Dat zorgt voor discipline en stelt ons in staat met één stem te spreken,’ zegt Abiy.
Hun taak is moeilijker geworden door de afwezigheid van internet. ‘Via sociale media kun je een boodschap in enkele seconden verspreiden,’ zegt Abiy. ‘Nu kan het wel twee weken duren omdat we van deur tot deur moeten gaan.’ In plaats van WhatsApp en Facebook te gebruiken, distribueren ze nu papieren flyers, vooral op universiteitscampussen.
‘De Qeerroo zijn als een voetbalteam. Jawal is misschien de doelman, die helpt en aanwijzingen geeft, maar wij zijn de aanvallers’
De rol van Oromo-activisten in de diaspora, vooral die in de VS, blijft eveneens van cruciaal belang, ondanks de stillegging van internet. Zecharias Zelalem, een in Canada wonende Ethiopische journalist, zegt dat de Qeerroo dankzij prominente socialemedia-activisten het politieke gewicht hebben gekregen waaraan het jeugdbewegingen in andere delen van het land nog steeds ontbreekt. Vooral het werk van Jawar Mohammed, de controversiële stichter van het in Minnesota gebaseerde Oromia Media Network (in Ethiopië verboden), heeft volgens hem de stem van de Qeerroo versterkt.
‘Jawar geeft ons politieke analyses en advies,’ legt Haile uit. ‘Hij kan toegang krijgen tot informatie, zelfs van binnen de regering, die hij deelt met de Qeerroo. Wij evalueren die informatie en beslissen dan of we er iets mee gaan doen.’
Hij en Abiy ontkennen allebei dat Jawar vanuit het buitenland de protesten zou leiden, een vermoeden dat in Ethiopië wijdverbreid is. ‘De Qeerroo zijn als een voetbalteam,’ reageert Haile. ‘Jawal is misschien de doelman, die helpt en aanwijzingen geeft, maar wij zijn de aanvallers.’
De herinstelling van de noodtoestand heeft kwaad bloed gezet bij veel Qeerroo in Adama en elders in Oromia. Die stap wordt algemeen beschouwd als een tactloze poging om het protest te stoppen.
Sommige analisten vrezen dat de leden van een nu nog voornamelijk vreedzame, politieke beweging door nog meer repressie hun toevlucht zullen nemen tot geweld en extremisme.
Veel mensen binnen de regering, en ook elders in het land, maken zich zorgen over een toename van etnisch gemotiveerde aanvallen op mensen en gebouwen, en speciaal op etnische Tigray die zo’n zes procent van de bevolking vormen, maar toch de politiek en het zakenleven zouden domineren.
Eind vorig jaar werden er staatstroepen naar universiteitscampussen gestuurd vanwege het escalerende etnische geweld waarbij meerdere doden vielen. Soortgelijke incidenten werden gemeld tijdens protesten in de afgelopen maand.
Jibril Ummar, een plaatselijke zakenman en activist, zegt dat hij en anderen hebben geprobeerd de protesten in Adama vreedzaam te laten verlopen. Ze kalmeerden de verhitte jongeren die gebouwen wilden vernielen en mensen die geen Oromo’s waren wilden aanvallen. ‘Het baart me zorgen,’ geeft hij toe. ‘Die jongens zijn nog niet volwassen. Als je emotioneel bent, breng je de strijd in gevaar.’
Ook Gerba zegt ongerust te zijn over geweld, inclusief dat van de etnische soort. ‘We weten met zekerheid dat Tigrays door het hele land het vaakst op de korrel worden genomen. Dat verontrust me zeer en daar moet iets aan gedaan worden.’
In de komende tijd zal de EPRDF beslissen wie de nieuwe premier wordt, en velen hopen dat het iemand uit de Oromo Volksdemocratische Organisatie (OPDO) zal zijn, de Oromo-vleugel van de heersende coalitie. Dat zou sommige Qeerroo gunstiger stemmen, op de korte termijn tenminste. Maar waarschijnlijk is dat op zich niet genoeg om de woede te temperen.
‘Als we getrouwd zijn, trekken we ons terug uit de Qeerroo,’ zegt Haile. ‘Maar als we onze vrijheid niet krijgen, zal dat nooit gebeuren.’
Auteur: Tom Gardner
Vertaler: Astrid Staartjes
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 146.766
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten. Online een van de grootste kranten ter wereld.
Na de Duitse hereniging ging het een tijdlang bergafwaarts met Leipzig. Maar inmiddels beleeft de duizend jaar oude stad een opmerkelijke renaissance en steekt ze zelfs Berlijn naar de kroon.
Vaak is het zo dat een droom lange tijd in stilte groeit, voor hij in het volle licht treedt. In Leipzig ging dat anders – daar brak die droom met een oerkreet naar buiten, de oerkreet van tienduizenden dolgelukkige voetbalfans die de sensatie vierden met gejuich en gezang. Een oerkreet die oversloeg op een hele stad.
Het was op een avond, laat in de zomer van 2016, dat Naby Keita in het stadion van RB Leipzig na 89 zenuwslopende minuten de bal achter de doelman van Borussia Dortmund in het net joeg. Bierbekers vlogen door de lucht, fans vielen elkaar in de armen, iedereen ging uit zijn dak – Leipzig deed weer mee.
1-0 tegen de nummer twee van Duitsland, het was de eerste zege in de Bundesliga voor de pas gepromoveerde ploeg waar heel veel Duitse voetbalfans op neerkijken. Tot dan toe was het een kwestie geweest van willen en de beurs trekken. Red Bull koopt een club, en die wordt door iedereen gehaat. Leipzig trotseerde die haat, stad en club vonden elkaar, bijna elke thuiswedstrijd was al weken van tevoren uitverkocht. Maar de avond waarop Naby Keita de Borussen versloeg, was het echte moment waarop de haters de mond werd gesnoerd. Het was de dag waarop ze in Leipzig openlijk begonnen te dromen.
Negen maanden later is die droom werkelijkheid geworden. RB – de twee letters staan voor RasenBallsport (balsport op gras), maar natuurlijk ook voor sponsor Red Bull – eindigt in de competitie op de tweede plaats, voor Borussia Dortmund; het hoeft alleen het oppermachtige Bayern voor zich te dulden.
Wanneer de ploeg in de laatste thuiswedstrijd uiteindelijk met 4-5 het onderspit delft tegen de landskampioen uit München, maakt de frustratie al snel plaats voor trots. Deze club, dweept burgemeester Burkhard Jung, ‘staat symbool voor de opleving van een totale stad’.
De neergang van Leipzig werd ingezet ten tijde van de DDR en bereikte haar dieptepunt bij de Duitse hereniging, toen hele reeksen fabrieken gesloten moesten worden. Nu laat de stad deze neergang niet alleen achter zich, maar zit ze weer in de lift, met een ongelooflijke dynamiek – en niet alleen in de Bundesliga. Jung heeft gelijk: RB is geen doekje voor het bloeden, maar staat symbool voor die bloei.
Het zijn figuren zoals Naby Keita waardoor de mensen worden meegesleept. Aanvankelijk had hij zich in Leipzig eenzaam gevoeld, zo vertelt de 22-jarige middenvelder, die het voetbal leerde in de straten van de Guineese hoofdstad Conakry. Tegenwoordig is er vaak een hele entourage om de speler heen, vrienden en familie. Vooral dankzij maman, zijn moeder, voelt hij zich in Leipzig inmiddels thuis. Maar heel goed kent hij zijn nieuwe vaderstad nog niet. Daarvoor ontbreekt het hem aan tijd.
Ook andere sterren houden van de stad. Ze hebben gehoord dat het er anders moet zijn dan elders in het oosten van Duitsland. In Berlijn of Hamburg hoor je vaak zeggen: ‘Als ik op een andere plek in Duitsland zou moeten wonen, dan alleen in Leipzig.’ Sommigen doen dat ook. Nog maar kort geleden kocht Elyas M’Barek, het tieneridool uit Fack Ju Göhte [een populaire Duitse filmkomedie uit 2013], die eigenlijk in München woont en vaak in Berlijn is, een villa aan de zuidkant van het centrum.
Wel bijzonder: deze stad is niet klein te krijgen. Er steekt in haar iets dat steeds weer de kop opsteekt, naar de top, de wereld in. Die kwaliteit wekte niet alleen bewondering, maar ook jaloezie en nijd. De altijd felle Maarten Luther trok in de vroege jaren veertig van de zestiende eeuw al van leer tegen ‘hoererij en woeker’ in de jaarbeursstad. Ook de zich als edelman voordoende August Maurer die brieven schreef over Leipzig im Taumel (Leipzig in roes), stelde het zedenverval aan de kaak. ‘Zo veel lage schepsels en verdorven meisjes kan men alleen aantreffen tijdens de Leipziger jaarbeurs’, schreef hij aan het eind van de achttiende eeuw.
In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide
Maar met de start van de eenentwintigste eeuw begon de hype. Toen ontdekte The New York Times Leipzig als ‘the better Berlin’, tenminste voor jonge creatievelingen. Ook de Britse Guardian zag een stad ‘better than the capital’. Al gauw prezen alle lokale kranten ‘Hypezig’ de hemel in.
Wie zich afvraagt wat deze stad heeft wat andere steden niet hebben, moet misschien maar eens een blik werpen op de menukaarten en de namen van nieuwe horecagelegenheden. Ook hieruit spreekt de geest van de stad. Königsberger Klopse (een Oost-Pruisische specialiteit) en ook de nodige gerechten met curry. Bier van hier en rum van ver, dat alles overgoten met een zoet smakend restje communistische saus.
‘Subbotnik’ heet een restaurant, genoemd naar de extra werkdag die de arbeiders in de Sovjet-Unie aan hun Partij moesten schenken. ‘Werk 2’ luidt de naam van een cultuurcentrum in het stadsdeel Connewitz. De grote fabriekspoort roept beelden op van de proletarische massa’s die hier ooit onderdoor liepen. Wie de DDR heeft meegemaakt, zal het zich zeker kunnen herinneren.
Dat is het: de heimat, maar ook de wereld. In Dresden zijn ze alleen heimat en verder vooral op zichzelf. In Berlijn zijn ze alleen wereld, maar kennen ze geen heimat. Leipzig wil beide. Leipzig is beide.
Iemand die zich hierdoor aangetrokken voelde, is Lizette Ardelean. Het is het oeroude verhaal van het zoeken naar de juiste plek om te wonen – een plek die schittert, die een belofte betekent. Ardelean is twintig als ze het Roemeense Oradea inruilt voor Leipzig.
Drie jaar geleden is dat nu en ze belandt meteen in de legendarische katoenspinnerij van Plagwitz, een gigantische fabriek die een plek voor de kunsten werd. Galeries, ateliers van bekende schilders en tweemaal per jaar de zogeheten spinnerijrondgang. Dan trekt half Leipzig door haar wereldberoemde kunstfabriek en mengt de lokale bevolking zich tussen verzamelaars en kenners die van over de hele wereld komen. Bij de allereerste rondgang, zo vertellen de Leipzigers elkaar, zouden alle parkeerplekken voor privéjets op de luchthaven bezet zijn geweest.
Ardelean woont een tijdje met een kunstenaarsechtpaar in hun loft in de spinnerij. ‘Een mooie tijd,’ zo herinnert ze zich. Ze krijgt van hen een fiets en in haar eerste zomer in Leipzig doet ze daarmee wat iedereen hier doet: de stad verkennen, overdag en ’s nachts. En ook de vele meren buiten de stad.
Aan het eind van die eerste zomer begint ze met bloggen en zet ze een magazine op dat ze Effusive noemt. Nog altijd verwondert ze zich over het gemak waarmee zij als buitenlandse journaliste hier voet aan de grond kon krijgen. De mooie tijd in de spinnerij ligt achter haar; ze woont nu in het duidelijk minder hippe Altlindenau.
Die wijk heeft twee gezichten, vertelt ze. Overdag is het er rustig, je ziet veel vriendelijke gezichten en treft er winkels aan die zo Oost-Duits aandoen dat sommige toeristen denken dat deze speciaal voor hen zijn ingericht. Maar het is gewoon nooit gestopt – de lampen, de behangsels, de ragouts en dat typische DDR-softijs, het is er allemaal gewoon nog. Maar wanneer de zon onder is, toont de wijk zich van zijn minder vriendelijke kant – dan slaan de bierglazen tegen de stoep en trekt de wijk nachtbrakers en zwervers aan.
Goedkope huren, goedkoop bier
Hier wonen studenten, creatievelingen, jonge gezinnen. Bij Subbotnik kost een biertje 1,80 euro. Goedkope huren, goedkoop bier – voor veel studenten twee goede redenen om naar Leipzig te komen. Maar ook hier is verandering merkbaar, stijgen de huren en dus trekken veel mensen weer weg.
Maar dat geldt niet voor Lara Rüter. Voor nog geen 1000 euro kan zij in Eutritzsch leven, een stadsdeel in het noorden van Leipzig. Voor een metropool zoals Berlijn zou zoiets onvoorstelbaar zijn. De 26-jarige vrouw studeert aan het Duitse Instituut voor Literatuur. Ze is geboren in Hannover en belandde via Hildesheim en Berlijn in Leipzig. ‘Hier is mijn thuis,’ zegt ze over haar tweede vaderstad.
Het instituut waarvan de oorsprong teruggaat op het jaar 1955, is vergeleken bij de eerbiedwaardige bakens van Leipziger cultuur zoals het Gewandhaus (concertgebouw) en het koor van de Thomaskerk (waarvoor Johann Sebastian Bach als cantor werkte) bepaald jong. Afgestudeerd aan het instituut zijn onder meer Clemens Meyer en Juli Zeh [allebei succesvolle Duitse romanschrijvers].
Ook blogster Ardelean wil studeren. Fotografie, aan de Hogeschool voor Grafiek en Boekkunst, een van de oudste openbare kunstacademies van Duitsland. Berlijn is haar te groot, zegt ze. In Leipzig maak je gemakkelijker vrienden. Leipzig is het Berlijn voor de lafaards, zeggen spotters.
De Leipzigers – ook de nieuwe – ergeren zich over al die vergelijkingen met Berlijn. Voor een traditiebewuste Saks is Berlijn een parvenu: als grote stad nog geen honderdvijftig jaar oud. Vergelijk dat eens met Leipzig, dat in haar duizendjarige geschiedenis al vaak in een heel andere divisie speelde. De stad beschikt over een aanzienlijk niveau en ligt ‘een paar flinke mijlen boven de cultuurzeespiegel Berlijn’, schreef de grote journalist Joseph Roth in een reisrapportage uit 1922. ‘Leipzig is de literaire graanschuur van de Duitse landen. Vanuit hier gaan lectuur en lexicon de wereld over. Met name deze stad maakte van het Duitse Rijk het land van de meeste geletterden.’
Maar ook in recentere tijden heeft Leipzig goede redenen voor een solide zelfbewustzijn tegenover de hoofdstad. In de herfst van 1989, toen de maandagse demonstraties aanzwollen en uiteindelijk tienduizenden Wir sind das Volk roepend over de ringweg rond de binnenstad trokken, was het Leipzig dat als Heldenstadt gevierd werd. en niet Berlijn, waar de SED-elites erin slaagden het protest min of meer in de hand te houden.
En zo staat niet Berlijn maar juist Leipzig voor de vrijheidsrevolutie van 1989. Rebels was de stad altijd al. In 1965 gingen bij de zogenaamde Beatkrawalle honderden de straat op om te protesteren tegen het verbod op beatmuziek – maar liefst 54 van de 58 officieel geregistreerde bands in de stad werden toen verboden.
Toen Siegfried Bülow aan het begin van de jaren negentig in het weekend terugkeerde naar zijn flat in Chemnitz en vanaf zijn balkon op de elfde verdieping uitkeek over het Ertsgebergte, dacht hij dat het hem gelukt was. De in 1952 geboren Saks had al tijdens de DDR carrière gemaakt. Na een opleiding tot instrumentmaker studeerde hij machinebouw en schopte het tot directeur van de Chemnitzer Motorenwerke.
Toen later het Volkswagenconcern het bedrijf overnam, bood deze autofabrikant ook Bülow een baan aan. Hoewel automan Bülow nu moest pendelen tussen Chemnitz en Wolfsburg, was hij toch tevreden. Heel wat van zijn collega’s werkten in bedrijven van de Treuhandanstalt (het agentschap dat na de hereniging van Duitsland Oost-Duitse ondernemingen privatiseerde) en wisten niet wat de toekomst zou brengen. Anderen konden niet meekomen in het kapitalistische systeem en raakten werkloos. Bülow daarentegen was een gewild man. Op een dag in 1999 ging zijn telefoon, en een man aan de lijn vroeg: ‘Een groot autobedrijf wil in het oosten, bij u in de buurt, een fabriek bouwen. Hebt u belangstelling?’
Bülow had belangstelling. Wat hij aanvankelijk niet wist, was dat de headhunter het over Porsche had. Porsche! Een schitterend merk dat voor passie staat, een autobouwer die in heel de wereld uiterst winstgevend is. Uitgerekend voor dit concern moest Bülow, ooit verantwoordelijk voor de montage van de Barkas, het logge DDR-bestelbusje, een nieuw productiebedrijf opbouwen. In februari 2000 werd in een maisveld vlak bij de luchthaven van Leipzig de eerste steen voor de nieuwe fabriek gelegd, die in augustus 2002 feestelijk werd geopend. Het was een tijd waarin alles mogelijk leek. ‘De stemming was euforisch,’ herinnert Bülow zich. Een baan bij Porsche Leipzig GmbH, zoals de firma heet, was een lot uit de loterij.
Later zou de vestiging een keerpunt blijken te zijn in de economische geschiedenis van de stad. Vlak voor de arbeiders- en boerenrepubliek ten onderging, kende de Leipziger industrie nog meer dan honderdduizend arbeidsplaatsen. Veel daarvan waren allang niet meer concurrerend.
Toen de muur viel en het kapitalisme zijn intrek nam, ging het pijlsnel bergafwaarts. Er bleven nog geen negenduizend banen over, veel te weinig om de stad van een half miljoen inwoners te onderhouden.
Toen kwam Porsche – en daarna algauw ook BMW. Alleen al de autofabrikanten schiepen meer dan tienduizend banen. Beide fabrieken liggen maar 13 kilometer van elkaar vandaan. Langs de A14, aan de noordrand van de stad, rijgen de bedrijven zich als parels aaneen. Amazon heeft een groot logistiek centrum gebouwd en pakketdienst DHL heeft de luchthaven uitgebouwd tot het op vier na grootste vrachtvliegveld van Europa.
Sinds 1991 was het werkloosheidspercentage in Leipzig nog nooit zo laag, momenteel ligt het op 7,7 procent. Ter vergelijking: in 2002 lag het rond de 20 procent. Tussen 2010 en 2015 liet de jaarbeursstad een groei zien van ruim 17 procent op een aantal van bijna 250.000 werknemers. Daarmee staat Leipzig in Duitsland bovenaan, nog voor München.
Ook vanwege de werkgelegenheid komen elk jaar duizenden mensen naar de stad. In de afgelopen vijf jaar kwamen er 62.000 nieuwe inwoners bij – een groei die geen enkele andere grote Duitse stad kan laten zien. En waarmee niemand had gerekend.
In 2005 werd aan de Humboldtuniversiteit van Berlijn nog een proefschrift verdedigd over ‘gemeentepolitiek in krimpsteden’. Daarin werd Leipzig vergeleken met Duisburg, beide steden werden als een extreem voorbeeld van demografische neergang beschreven. En dat klopte ook: met haar inwonertal was Leipzig in 1998 afgegleden naar plaats vijftien. Maar vervolgens haalde de Saksische metropool eerst Dresden in, toen Neurenberg en daarna Duisburg, Hannover en Bremen. Vaststaat dat de stad binnenkort ook Essen en Dortmund achter zich zal laten. Daarmee is het de op zeven na grootste stad van het land. Momenteel telt Leipzig bijna 584.000 inwoners; voor het jaar 2030 rekent men op het stadhuis op 722.000.
In plaats van krimpen is het dus groeien wat de klok slaat. Overal ontstaan nieuwe stadswijkjes, zoals vlak naast het centraal station, aan de Lindenauer Hafen of bij de Bayerischer Bahnhof. Leipzig beleeft op dit moment een nieuwe Gründerzeit (de tijd van grote economische opbloei in Duitsland na de stichting van het keizerrijk in 1871).
Na de orkestrepetitie, als niemand kijkt, maakt de Letse dirigent Andris Nelsons een radslag. Niet zo perfect als bij een ballerina, maar toch een prima radslag; zijn zwarte overhemd glipt daarbij een stukje uit zijn zwarte broek. Soms draagt Nelsons onder zijn zwarte overhemd een wit T-shirt, dan komt het wit achter zijn openstaande boord tevoorschijn en heeft hij wel iets weg van een geestelijke.
In zekere zin, zegt Nelsons, is een dirigent ook missionaris, bemiddelaar tussen twee werelden, die van de orkestleden en die van het publiek. Met name in Leipzig, de stad met zo’n unieke muzikale traditie, werkt dat goed. De betrekkelijk geringe omvang van de stad, heel compact ook, is voor hem als kunstenaar perfect. ‘Hier kan ik veel mensen bereiken.’ Ook op het leven hier verheugt hij zich al.
In het komende seizoen, waarin het Gewandhausorchester zijn 275e verjaardag viert, zal Nelsons Riccardo Chailly opvolgen als dirigent. Daarmee treedt hij toe tot een traditie die bepaald glanst van grote namen – van Felix Mendelssohn Bartholdy en Wilhem Furtwängler tot Kurt Masur. Een traditie die een minder van zijn missie overtuigde man de moed in de schoenen zou doen zinken.
Nelsons gaat er enthousiast aan staan. Het is natuurlijk ook prestigieus, zo geeft hij toe, om hier te mogen werken. Hij is in 1978 geboren in de Sovjet-Unie, maar wel in het nooit helemaal door Sovjet-Rusland gevormde Riga. En ja, tot op zekere hoogte doet Leipzig, dat ooit achter het IJzeren Gordijn lag, hem denken aan zijn vaderland.
Sinds drie jaar is hij chef-dirigent van het Boston Symphony Orchestra – daar hing al enigszins een Leipzig-achtige geur. Want de Symphony Hall in Boston werd ooit gemodelleerd naar het oude concertgebouw van de jaarbeursstad. Nelsons zal zowel in Boston als in Leipzig dirigeren – en slaat zo een heel eigen Atlantische brug tussen evenbeeld en voorbeeld. Wanneer hij die avond voor een uitverkochte zaal zijn orkest aanvuurt en intoomt, en zelf tot het uiterste gaat, danst hij er zelfs iets bij.
Gentrificering en misdaad
Leipzig danst, Leipzig bloeit. Voorbij zijn de tijden waarin de stad in de Berlijnse kranten met advertenties als ‘Kom naar Leipzig, wij hebben ruimte’ naar inwoners hengelde. In de stad met haar kolossale huizen, hoge plafonds en ooit voordelige huren, wordt het krapper en duurder. Er gebeurt wat er altijd in zo’n situatie gebeurt. Sommige kunstenaars trekken een wijk verder oostwaarts, naar Leipzig-Neustadt, naar de beruchte Eisenbahnstraße.
Het is een wedloop – ook investeerders slapen niet. Ze zien in een van de laatste nog niet gegentrificeerde wijken uit de Gründerzeit een goudmijn, ondanks de criminaliteitscijfers die er hoger zijn dan waar ook in het land.
Leipzig lijkt inderdaad een bijzondere aantrekkingskracht uit te oefenen op criminelen. De stad staat op plaats twee, niet alleen in de Bundesliga, maar ook in de ranking van gevaarlijkste Duitse steden. Vorig jaar kende de stad op elke 100.000 inwoners 15.811 misdrijven. Meer dan in Hannover (15.764 delicten), meer zelfs dan in Frankfurt am Main (15.671), jarenlang in Duitsland het bolwerk van criminaliteit. Alleen Berlijn doet het met 16.161 delicten nog slechter.
Leipzig, zo zeggen cynici, is allang het kleine Chicago van de Bondsrepubliek. De bijna 89.000 misdrijven in 2016 betekenden een stijging van 20 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Vooral de cijfers van eigendomsdelicten, diefstallen en woninginbraken vliegen omhoog. Met name de drugsscene zorgt voor problemen. Leipzig ligt in het centrum van drugsstromen in het midden van Duitsland, zegt een woordvoerder.
De stad is ook altijd weer een politiek slachtveld. Links tegen rechts. Links tegen de staat. Rechts tegen de staat. Eind 2015 escaleerde de situatie bij een demonstratie van neonazi’s, toen meer dan tweeduizend linkse tegendemonstranten hevig slag leverden met de politie. Tientallen agenten raakten daarbij gewond.
Duizenden spoelen zingen, honderden wolkammachines ratelen in de stoffige, verstikkende lucht, een oorverdovend lawaai. Grote, oude industrie – de Leipziger katoenspinnerij, de grootste in zijn soort op het Europese continent. Hier werkten in 1989 nog bijna 1700 mensen, in meerderheid vrouwen. Een van de jonge vrouwen was Katrin Heichel, en soms maakt het leven merkwaardige capriolen, soms lukt zelfs een synchroonsprong. De sprong vanuit een huishoudschort naar het cultuurbezeten heden, ze hebben hem beide synchroon uitgevoerd: de oude spinnerij die een kunstfabriek werd en de jonge vrouw die er werd opgeleid tot vakarbeider textiel en die later schilderes werd. ‘Ik droomde er tijdens mijn werk altijd al van dat op deze plek ooit cultuur geschapen en gestimuleerd zou worden,’ zegt ze.
Nu is Heichel 45. Ze staat in haar atelier, naar eigen zeggen een van de laatste vrijplaatsen in het centrum van Leipzig. Ze is in deze stad geboren en groeide op in de burgerlijke wijk Gohlis. Ten tijde van de DDR was Leipzig een grauwe stad, vertelt ze, in het zuiden werd bruinkool ontgonnen. Ze moest voortijdig van school, naar eigen zeggen ongewild: te eigenzinnig en onaangepast. Naast Heichels ateliergemeenschap moet nu een kinderdagverblijf verrijzen. ‘Daarvoor worden veel oude bomen gerooid,’ zegt ze boos. De schilderes is een van die Leipzigers met een donkerbruin vermoeden dat het binnenkort wel eens voorbij zou kunnen zijn met de postsocialistische coolness van de stad – met de vreedzame co-existentie van vroeger en nu, met goedkope ateliers en nostalgie met een knipoog.
De liefde voor haar vaderstad heeft min of meer plaatsgemaakt voor woede, zegt Heichel. De stad is gewoon te gladjes geworden. Te perfect, te gehypet.
Leipzig groeit niet alleen door zijn immigranten, ook de babyboom gaat onverminderd door. Sinds 2014 worden er meer mensen geboren dan er overlijden. In combinatie met de trek van vooral jonge volwassenen naar de stad leidt dit ertoe dat de gemiddelde leeftijd van de bevolking daalt. Leipzig is een jonge stad.
Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.
Sinds de financiële crisis van 2008 strijden steeds meer studenten economie voor een hervorming van de lesprogramma’s, en meer aandacht voor alternatieve benaderingen. Maar het verzet van de gevestigde neoklassieke orde is hevig. Wie heeft er gelijk?
Voor een groep die heeft bijgedragen aan een verandering in het lesprogramma van de studie economie aan universiteiten overal in Engeland, had de Post-Crash Economics Society een allesbehalve gedenkwaardige start.
In november 2012 kwamen zeven studenten bijeen in een benauwd kamertje op de bovenste verdieping van de studentenvereniging van de Universiteit van Manchester. Ze zaten in een halve cirkel en luisterden naar de twee oprichters, die een korte powerpointpresentatie hielden waarin ze uitlegden wat er volgens hen mis was met de studie economie. Daarna werd er beleefd gediscussieerd tot iedereen de deur uit slenterde om aan de kerstvakantie te beginnen. Het was niet echt Parijs 1968.
De studenten hadden gereageerd op een e-mail met in de onderwerpregel: ‘Oproep aan alle econosceptici.’ ‘Midden in de grootste mondiale recessie in tachtig jaar,’ aldus de mail, ‘zetten overal ter wereld studenten vraagtekens bij de fundamenten van onze discipline.’
Verder vroegen de opstellers zich af of de economie zoals ze die gedoceerd kregen – vol wiskundige formules en abstracte modellen – wel toepasbaar was op de echte wereld. ‘In hoeverre kan economie een echte wetenschap worden genoemd?’ luidde een prikkelende vraag, verwijzend naar de neiging van academische economen om hun vergelijkingen en wiskundige identiteiten als ijzeren wetten te presenteren in plaats van als onvolmaakte pogingen om een model te maken van onvoorspelbare menselijke interacties. Lijkt economie eigenlijk niet meer op politicologie dan op natuurkunde, vroegen ze zich af.
Onder druk
De Post-Crash Economics Society stond niet alleen in deze opvatting. Ha-Joon Chang, een ontwikkelingseconoom die doceert aan de universiteit van Cambridge, herinnert zich dat studenten op zijn deur bonsden en riepen: ‘We zitten midden in de grootste financiële crisis sinds 1929 en onze hoogleraren geven college alsof er niets is gebeurd.’
In 2011 richtten studenten aan de universiteit de Cambridge Society for Economic Pluralism op, nadat ze aanwezig waren geweest op een feestje van de Marshall Society, de officiële economievereniging van Cambridge. Het feestje had als thema ‘casino’, was zwaar gesponsord door het bedrijfsleven, en de gasten nipten er champagne en spraken over een baan in de City. Volgens een medeoprichter van de Society for Economic Pluralism, doctoraalstudent Rafe Martyn, is het initiatief gericht op degenen ‘die economie studeren om de wereld te verbeteren in plaats van alleen maar hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten’. Vergelijkbare verenigingen als de Post-Crash Economics werden ook op andere campussen opgericht.
Het is nauwelijks verrassend dat na de ernstigste economische crisis sinds de beurskrach in 1929 en een zelfs nog langduriger gevoelde malaise, die overal in Europa en de VS tot politieke beroering heeft geleid, het beroep van econoom zwaar onder druk is komen te staan.
De economische ‘deskundigen’ die ons hadden verteld dat we voor eens en altijd de problemen met onze conjunctuurschommelingen hadden opgelost en die de toenemende ongelijkheid in de meeste ontwikkelde landen negeerden of zelfs roemden, bleken tekort te schieten in hun voorspellende en oplossende macht. Nog opvallender is de vastberadenheid van velen binnen de economische elite om hun positie te verdedigen.
Leden van de Post-Crash Economics Society aan Manchester University.
Toch hebben de studentenprotesten tegen de verwachting in effect gehad en de aanzet tot veranderingen gegeven. Sinds dit jaar bieden verscheidene universiteiten in Engeland programma’s aan die economie benaderen vanuit een breder perspectief. Tweedejaarsstudenten in Cambridge kunnen bijvoorbeeld een lesprogramma van dertig colleges volgen over de Geschiedenis en Filosofie van de Economie. Volgens cursuscoördinator Chang is dit het eerste programma met een dergelijke inhoud aan een Engelstalige universiteit in twintig jaar. In Londen bieden het Goldsmiths College en de University of Greenwich lesprogramma’s aan met een pluralistische inslag. Het University College London neemt deel aan het opensource- en interactieve programma Core (Curriculum Open-access Resources in Economics), waarin wordt geprobeerd de studie economie beter toepasbaar te maken op de echte wereld. Ook in Manchester worden breder georiënteerde modules geïntroduceerd, te laat en nog te beperkt voor de studenten die in 2012 aandrongen op veranderingen, maar desalniettemin wel een doorbraak. Post-Crash Economics heeft zich ontwikkeld tot Rethinking Economics, een officieel netwerk dat meer dan veertig studentengroepen verbindt die op campussen van Italië tot Canada en van China tot Brazilië aandringen op veranderingen in het lesprogramma.
‘Er is van alles gaande,’ vertelt Diane Coyle, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Manchester. ‘Bijna iedereen die economie doceert, accepteert dat na de crash het lesprogramma aan hervormingen toe was, hoewel ik begrijp dat het voor de studenten nog veel te langzaam gaat.’
De opstand tegen het lesprogramma heeft implicaties die verder reiken dan de academische wereld. De studenten van tegenwoordig zijn tenslotte de opgeleide economen van morgen, die onze economie runnen vanachter hun bureau bij de overheid, banken, multilaterale instellingen en denktanks. Wat studenten leren over hoe de economie werkt en hoe overheden het resultaat kunnen beïnvloeden zal een grote impact hebben op het toekomstige beleid over zoveel zaken, van belastingen en staatsuitgaven tot rentetarieven, minimumlonen, uitstoot van broeikasgassen en de handel.
Toch klagen de studenten op dit moment dat ze nog steeds worden geïndoctrineerd in de methodologie van een pseudowetenschap die gestoeld is op zogenaamde neoklassieke beginselen. The Econocracy [Manchester University Press] een boek dat in november uitkomt en waar onder anderen Joe Earle aan heeft meegewerkt, een van de oprichters van Post-Crash Economics, schetst een beeld van de reguliere economen als ware gelovigen in een grotendeels in diskrediet geraakte reeks aannames, die een parallel universum hebben uitgevonden met ‘goed gedefinieerde mechanische relaties tussen verschillende bewegende delen, verbonden door metaforische buizen, remmen en hefbomen: rentetarieven omhoog, meer bankleningen; belastingen omlaag, investeringen omhoog.’
De financiële crisis van 2008 werd volgens en student in 2011 tijdens zijn eerste jaar aan de Universiteit van Manchester niet één keer genoemd
De economen hebben volgens de studenten het ernstigst gefaald bij het verklaren, laat staan voorzien, van de financiële crisis van 2008. Die crisis, aldus Earle, werd in 2011 tijdens zijn eerste jaar aan de Universiteit van Manchester niet één keer genoemd. Zijn docenten bleken liever te geloven in een rationeel economisch systeem dat grotendeels zichzelf corrigeerde, een systeem dat automatisch zou terugkeren naar een staat van evenwicht.
Earle is zelfverzekerd, maar uiterst beleefd. Ik had met hem afgesproken in een café in Kentish Town, vlak bij waar hij is opgegroeid, en na afloop stuurde hij me een e-mail waarin hij zich ervoor verontschuldigde dat hij was vergeten om mij te bedanken voor de koffie met gebak. Hij lijkt me niet echt het type van de luis in de pels van het establishment. Tegen de tijd dat hij begon aan zijn studie filosofie, politicologie en economie, had hij er twee jaar opzitten bij The Big Issue [de Britse daklozenkrant], een baan waar hij in contact was gekomen met daklozen in heel Engeland. Hij begon op twintigjarige leeftijd met een veel breder perspectief aan de Universiteit van Manchester. De economie die hij daar leerde kennen leek niet echt bezig met de problemen van de echte wereld, zoals ongelijkheid en financiële stabiliteit. Die werd gedomineerd door elegante modellen waarin een rationele en representatieve beleidsvormer probeerde zijn nutsfunctie te maximaliseren binnen bepaalde restricties.
In The Econocracy staat een typische tentamenvraag voor de studie economie: ‘Laat je gedachten gaan over een twee-periode economie waarin een representatieve consument zijn/haar levensduur-nutsfunctie maximaliseert U (C1, C2) = u(C1) + ßu(C2), gegeven de levensduur-budgetrestrictie (1 + t)C1 + C2/R = W, waar 0 < ß < 1, W is de contante waarde van het levensinkomen na belasting, t is het btw-tarief en R = 1 + r, waar r de rentevoet is.’
Earles bezwaar tegen het herhaalde gebruik van zulke formulaire modellen is dat het een ‘gesloten systeem’ oplevert, immuun voor iedere kritische benadering. ‘Je krijgt een vernauwde manier van denken over economie gedoceerd als een bepaald stelsel van regels en wetten dat niet ter discussie gesteld en niet onderuit gehaald mag worden,’ zegt hij. Hij zou graag willen dat ‘politicologie en filosofie en ook ethiek’ weer werden ingevoerd in de studie economie door het te onderwijzen als een ‘beproefd’ multidisciplinair vak waarin verschillende benaderingen worden getest op scenario’s uit de echte wereld. Vroegere auteurs op het gebied van de economie, zoals Jeremy Bentham en John Stuart Mill, stelden ethiek centraal in de discussie.
Spontaan gedrag
Naast de neoklassieke school zou een pluralistisch curriculum ook denkrichtingen kunnen bevatten die het accent leggen op klassenverhoudingen of de psychologie van de mens. In plaats van het extrapoleren van één rationeel, optimaliserend instrument, zoals neoklassieke economen doen, zouden complexere modellen ‘spontaan gedrag’ kunnen onderzoeken, gebruikmakend van methoden uit de chaostheorie en de meteorologie.
In de praktijk voelen veel economen zich bedreigd door het binnendringen van hybride benaderingen in de omsloten schoonheid van hun wiskundig perfecte tuin. Pontus Rendahl doceert macro-economische theorie in Cambridge. Hij vindt het prima dat studenten worden geconfronteerd met economische geschiedenis en met ideeën die het neoklassieke denken in twijfel trekken. (Hij geeft de voorkeur aan de omschrijving ‘regulier’, omdat neoklassiek, net als neoliberaal, bijna een scheldwoord is geworden.) Hij waarschuwt echter voor de overstap naar een pluralistisch curriculum waarin verschillende denkrichtingen evenveel gewicht krijgen.
‘Pluralisme is een mooi gevonden woord,’ zegt hij. ‘Maar dezelfde redenering gebruiken de creationisten in de VS die zeggen dat natuurlijke selectie maar een theorie is.’ Omdat de reguliere economie ‘onwrikbare wetten’ heeft, zo betoogt hij, zou het verkeerd zijn om heterodoxe theorieën te onderwijzen alsof ze gelijk gewicht hebben. ‘Om dezelfde redenen vind ik ook dat er geen heterodoxe techniek of alternatieve geneeskunde zou moeten worden gedoceerd.’
Volgens Rendahl is de reguliere economie flexibeler dan de critici willen doen geloven. ‘Net zoals de economie in staat is geweest om de ideeën van John Maynard Keynes op te nemen, die het opvoeren van de overheidsuitgaven propageerde om de chronische onbalans tussen vraag en aanbod te corrigeren, zo kan de economie ook andere ideeën opnemen, zoals de gedragseconomie die zegt dat slecht beleid suboptimale nutsfunctie met zich meebrengt.
De macro-economie is “kapot”. Maar de micro-economie is nog solide en vaak verifieerbaar met behulp van data uit de echte wereld
Ook andere academische economen vinden dat studenten de problemen overdrijven. Angus Deaton, een winnaar van de Nobelprijs voor Economie die doceert aan de Universiteit van Princeton, vindt dat economie een vrijzinnige kerk is, maar wel een die kort gehouden moet worden. Hij geeft als voorbeeld Daron Acemoglu, een jonge superstar aan het Massachusetts Institute of Technology, die onder meer onderzoekt hoe instituties groei stimuleren of afremmen. ‘Hij is een heel goed voorbeeld van hoe dingen zouden moeten gaan: je houdt je bezig met geschiedenis, maar je weet genoeg van wiskunde om er ook een model van te maken. Het verbannen van de wiskunde is niet de oplossing,’ zegt hij. ‘Een model is de kruiscontrole of je eigenlijk wel weet waar je het over hebt.’
In Manchester verdedigt ook Diane Coyle de basismethodologie van de economie. Volgens haar halen de critici micro-economie, de studie van het gedrag van mensen en bedrijven, en macro-economie, de studie van economie als geheel, door elkaar. De macro-economie, zo geeft ze toe, is ‘kapot’. Maar de micro-economie is nog solide en vaak verifieerbaar met behulp van data uit de echte wereld.
Soms ontaardt de botsing der ideeën. Een wetenschapper die ik ontmoette op University College London sprak alleen op fluistertoon met me voor het geval dat collega’s haar kritiek op het curriculum zouden horen, ondanks de recente openstelling voor pluralistische ideeën. In Cambridge zegt Chang, die nooit een volledig professoraat heeft gekregen, vaak voor de grap dat zijn collega’s juist respect voor hem zouden moeten hebben als econoom omdat de markt hem gelijk heeft gegeven: zijn boeken verkopen veel beter dan die van hen. Ze reageren arrogant. Rendahl citeert een concurrent: ‘Wie zegt dat Chang over economie schrijft? Volgens die rekenmethode moet J.K. Rowling [de auteur van de Harry Potter -boeken] als de beste econoom ter wereld worden beschouwd.’
De cursus die Chang geeft over de geschiedenis en de filosofie van de economie laat studenten kennismaken met non-neoklassieke denkers en stimuleert ze om de methodologie van reguliere economen kritisch te benaderen vanuit het perspectief van andere academische disciplines. Het is een begin, maar volgens Chang is het lesprogramma nog niet genoeg veranderd. ‘Er zitten nog veel intellectuele fossielen, die zeggen dat er niets mis is,’ zegt hij.
De ideeën van de studenten slaan ook steeds meer aan in de buitenwereld. Robert Skidelsky, de biograaf van Keynes, is een aanhanger. Net als Andrew Haldane, de belangrijkste econoom bij de Bank of England. Ook hij denkt dat dingen langzaam aan het veranderen zijn. ‘Naar mijn gevoel varen we nu een iets andere koers. En in de loop van de tijd zal dat, heel geleidelijk, tot verbeteringen leiden.’
Earle van de Post-Crash Society zegt dat de studentenbeweging aan invloed wint, ook al is die verandering bescheidener dan hij zou willen. Het overkoepelende doel is volgens hem om de economie af te laten stappen van het idee dat die ‘de enige ware weg’ heeft gevonden. Ware neoklassieke gelovigen, die kritische heterodoxe economen handig wegzetten als charlatans, gedragen zich als ‘astronomen voor de tijd van Galileo’. Uiteindelijk moet de studie economie ‘pluralistischer, kritischer, liberaler’ worden, vindt hij, meer een verkenning van ideeën en minder een opleiding in het economische priesterschap.
Financial Times
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000
Gezaghebbende krant voor de Londense City en de rest van de zakenwereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. Het in 1888 opgerichte dagblad wordt inmiddels in 23 landen gedrukt en heeft naast de Britse ook drie Europese, een Amerikaanse en een Aziatische editie.
Volgens de conservatieve Wall Street Journal zijn de studentenprotesten een bedreiging voor het recht op vrije meningsuiting.
Het oproer aan Yale University en de Universiteit van Missouri zich heeft uitgebreid naar andere campussen, van Californië tot New Hampshire. De klachten van de studenten en hun roep om ‘een veilige plek’ [safe space] variëren, maar de kwaal is dezelfde: faculteiten en bestuurders die rassen- en genderdiversiteit boven alle andere waarden stellen, inclusief de vrijheid van meningsuiting.
De rondgang begint bij Yale, waar het een paar weken geleden tot een uitbarsting kwam nadat een faculteitslid opperde dat het niet aan het bestuur was om uit te maken wat een passend kostuum voor Halloween is. In betere tijden zou ze op elk campusfeestje gratis bier hebben gekregen, maar dit keer leidde het tumult ertoe dat een student de socioloog van Yale uitschold omdat ze ‘gevoelloos’ zou zijn.
De reactie? ‘Ik heb me nog nooit tegelijkertijd zo ontroerd, uitgedaagd en bemoedigd gevoeld door onze gemeenschap,’ schreef bestuursvoorzitter Peter Salovey van Yale in een brief aan de hele universiteit. Hij beloofde een centrum dat onderzoek zou doen naar ‘ras, etniciteit en andere aspecten van sociale identiteit’, meer aandacht voor deze onderwerpen, meer training in het onderkennen van racisme op wat ongetwijfeld een van de meest rassengevoelige plekken op aarde is. Salovey beloofde 50 miljoen dollar in te zetten voor diversificatie van zijn universiteit – en je kunt er donder op zeggen dat hij geen intellectuele diversificatie bedoelde.
Het is ook hommeles in Missouri, waar studenten de bestuursvoorzitter wegjoegen vanwege beschuldigingen dat hij rassenincidenten op de campus niet adequaat zou hebben opgelost. Groepen studenten van naar schatting honderd andere universiteiten volgden hun voorbeeld, allemaal omdat er sprake zou zijn van systematische rassen‑ ongelijkheid. Een dieptepunt was de universiteit in Dartmouth, waar demon‑ stranten de bibliotheek bestormden en andere studenten voor racistische onderdrukkers uitmaakten omdat ze liever wilden studeren. Bestuursvoorzitter Phil Hanlon zou de oproerkraaiers moeten wegsturen wegens overtreding van de gedragscode van de universiteit en hen moeten vervangen door enkelen van de duizenden afgewezen gegadigden die de doelstellingen van een universiteit misschien wel onderschrijven.
Studenten willen de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores
Maar wel heel bont maakte Princeton University het. Daar drongen studenten het kantoor van de bestuursvoorzitter binnen en eisten dat de universiteit iedere verwijzing naar wijlen president Woodrow Wilson zou schrappen, omdat deze een racist was die de segregatie steunde. Wilson was bestuursvoorzitter van Princeton voordat hij opklom tot het Witte Huis. De huidige bestuursvoorzitter van Princeton, Christopher Eisgruber, beloofde naast andere concessies een discussie in gang te zetten over de nalatenschap van Wilson. Vroeger waren universiteiten trots op de prestaties van hun alumni, maar nu willen studenten de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores. Maar als men ziet op welk een gepolitiseerde manier Amerikaanse geschiedenis tegenwoordig wordt onderwezen, kan men dit vak misschien maar beter schrappen. Eisgruber moest zich schamen dat hij de kapers van zijn campus hun zin heeft gegeven.
De voorbeelden zijn eindeloos, met een speciale oneervolle vermelding voor de Smith University: daar verhinderden studenten journalisten om verslag te doen van de demonstraties als ze niet op voorhand bereid waren dat ‘op een positieve manier’ te doen. ‘Journalisten en media die een neutraal standpunt innemen, schaden onze strijd,’ aldus een organisator tegenover een nieuwszender in Massachusetts.
De capitulerende bestuursvoorzitters zeggen allen pal te staan voor ‘de vrije en open uitwisseling van ideeën’ – om Salovey van Yale te citeren. Misschien moet hij Orwell eens herlezen. De demonstranten en hun vrienden binnen de media zeggen dat bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting een tactiek is om hun het zwijgen op te leggen en de aandacht af te leiden van klachten over rassendiscriminatie. Maar juist dankzij een samenleving die vrijheid van meningsuiting garandeert, kan iedereen zijn klachten uiten. Er zijn maar weinig betere tactieken om mensen het zwijgen op te leggen dan een dreigende meute.
De progressievelingen van na 1960 die tegenwoordig de universiteiten besturen, roemden in hun hoogtij‑ dagen de vrijheid van meningsuiting, dus waarom doen ze dat ook nu dan niet? Wellicht omdat het opkomen voor het Eerste amendement op de Amerikaanse grondwet de erkenning inhoudt dat de westerse beschaving, die de luxe van het leven op de campus heeft voortgebracht, het verdedigen waard is.
Van Dow Jones & Co. Lezers zijn voor 60 procent topmanagers van gemiddeld 55 jaar, met een gemiddeld inkomen van $ 191.000.
BEGRIPPENLIJST
Safe space
‘De gedachte achter de safe spaces is dat iedereen, met welke identiteit dan ook, recht heeft op een tolerante omgeving om zich te kunnen gedragen naar eigen aard’, zo vat The Guardian het samen. Het idee is ontstaan in kringen van de LHBT-beweging. Het gaat erom alles te vermijden wat sommige leden van een gemeenschap zouden kunnen opvatten als gewelddadig, ook verbaal of symbolisch.
Trigger Warnings
Een waarschuwing vooraf die betrekking heeft op een gevoelig onderwerp, waarbij sommige leerlingen zich ongemakkelijk zouden kunnen gaan voelen, of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Het gaat soms om onschuldige zaken als het werkwoord ‘schenden’ in de betekenis van ‘een wet schenden’.
Microagressie
Elk gezegde, elke uitdrukking of verbale agressie, vaak herhaald, die een persoon of groep denigreert of omlaaghaalt.
‘Let op je woorden’
In september wijdde The Atlantic het omslagverhaal aan de vrijheid van meningsuiting op de universiteit. In een lang artikel onderschreef het blad de stelling dat ‘politieke correctheid bezig is het onderwijs te ruïneren’. Volgens The Atlantic vragen studenten steeds vaker van de docenten om ‘microagressie’ ten koste van alles te vermijden. De docenten dienen vooraf te waarschuwen dat zij een gevoelig onderwerp gaan aansnijden waarbij studenten zich slecht op hun gemak zouden kunnen gaan voelen of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Volgens de schrijvers van het artikel – een sociaal psycholoog en een advocaat gespecialiseerd in onderwijs – is deze tendens om studenten overmatig in bescherming te nemen gevaarlijk. Jonge Amerikanen worden erdoor belemmerd een kritische geest te ontwikkelen en om te gaan met nieuwe ideeën.
Een halve eeuw na de strijd om gelijke burgerrechten staan de Amerikaanse universiteiten weer in vuur en vlam. De inzet dit keer: racisme, diversiteit en vrijheid van meningsuiting. Onze zwartepietendiscussie is er kinderspel bij.
Keuze uit het archief
Al wekenlang vinden er op verschillende universiteiten in de Verenigde Staten protesten plaats tegen de oorlog in Gaza. De afgelopen week sloegen de demonstraties ook over naar de campussen van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht. Studenten protesteerden tegen de oorlog in de Gazastrook en riepen op tot vrede. Maar het protest mondde uiteindelijk uit in een confrontatie met de politie.
Er wordt verschillend tegen deze protesten aangekeken. Demonstreren? Prima, maar hou je gedeisd, zullen sommigen denken. Anderen zullen weer van mening zijn dat de urgentie van de situatie in Gaza om drastische maatregelen vraagt.
In dit artikel van New Republic uit 2015 over de studentenprotesten in de VS van tien jaar geleden, breekt journalist Roxane Gay een lans voor kritische studenten die hun stem laten horen, een fenomeen dat al teruggaat op de jaren zestig. ‘Studenten begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken.’
Studentenactivisme is niets nieuws. Soms is het ondoordacht, soms wordt het van tafel geveegd, maar het is altijd oprecht. In 1960 vormden jonge zwarte studenten, die genoeg hadden van rassenongelijkheid en de inbreuk op hun burgerrechten, de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), een geweldloze studentenbeweging. Uiteindelijk werden ze de radicale tak van de Amerikaanse beweging voor gelijke burgerrechten en coördineerden ze de zogenoemde Freedom Rides tegen de segregatie in het openbaar vervoer en campagnes voor een betere kiezersregistratie. Ze waren gepassioneerd. Ze waren provocerend. Ze zetten hun leven op het spel. De SNCC toonde aan dat jonge mensen een integraal onderdeel zijn van een participatiedemocratie.
Nu, na de gelijktijdige en vergelijkbare studentenprotesten aan de Universiteit van Missouri (Mizzou) en Yale University, hebben we opnieuw reden om na te denken over studentenactivisme, ras en de voortzetting van de beweging voor burgerrechten. Er is de laatste tijd veel geschreven over studenten en hun eigenaardige gewoonten, over het feit dat ze uiterst politiek correct zijn, overdreven gevoelig en verwend. Sommigen hebben gesuggereerd dat studenten pietluttige activisten zijn, dat ze geen gevoel voor humor meer hebben en dat het liberalisme op hol is geslagen op de campussen, en dat dit de studenten noodlottig is geworden.
Dat is een kleinerende en nogal luie kijk op het studentenactivisme. Tijdens de protesten op Mizzou en Yale en ook elders hebben studenten duidelijk gemaakt dat de huidige situatie onverdraaglijk is. Of we het nu met ze eens zijn of niet, we moeten wel luisteren.
Op 7 november werd bekend dat de zwarte leden van het footballteam van Mizzou van plan waren te staken. Ze schaarden zich als laatsten achter promovendus Jonathan Butler, die in hongerstaking was gegaan, en de activistische groepering Concerned Student 1950, die aandrongen op het vertrek van universiteitsbestuurder Timothy Wolfe. Hun protest was het gevolg van Wolfes laksheid en vermeende onverschilligheid ten aanzien van een aantal rassenincidenten op de campus van Mizzou, waaronder een met menselijke uitwerpselen getekend hakenkruis op een muur. Toen de footballspelers zich eenmaal achter zaak hadden geschaard, ging het snel. Er kwamen meer promovendi in opstand. Op 9 november nam zowel Wolfe als R. Bowen Loftin, de bestuursvoorzitter van Mizzou, ontslag. De overige bestuurders kondigden een reeks initiatieven aan om een beter rassenklimaat op de campus te scheppen.
Halloween
Bij Yale stuurde de Commissie voor Interculturele Zaken, bestaande uit diversiteitsbestuurders van alle geledingen van de universiteit, vlak voor Halloween een e-mail aan de studenten waarin ze hun smeekten beter na te denken over de keuze van hun kostuums tijdens Halloween, om daarmee beledigende cultuuruitingen of onjuiste voorstellingen van zaken te voorkomen. ‘Halloween is helaas ook een tijd waarin de gebruikelijke bedachtzaamheid en gevoeligheid van de studenten soms uit het oog worden verloren en er betreurenswaardige beslissingen kunnen worden genomen, zoals het dragen van verentooien, tulbanden, “oorlogsverf”, het aanbrengen van een andere huidskleur dan wel zwarte of rode schmink op het gezicht’, aldus een deel van de mail.
Dit advies doet misschien paternalistisch aan, maar als je bedenkt hoeveel studenten zich in het verleden met zwarte gezichten hebben getooid en op andere manieren culturen en het gezond verstand met voeten hebben getreden, was de mail ongetwijfeld goed bedoeld en niet zo buitengewoon. Desondanks waren er studenten die klaagden.
Erika Christakis, bestuurder van het Silliman College van Yale, schreef een e-mail waarin ze betoogde dat studenten het recht hebben om studenten te zijn en fouten te maken – met andere woorden, om kinderen te zijn. ‘Ik vraag me af, en ik probeer niet te provoceren, of er geen ruimte meer is voor een kind of jongere om een klein beetje aanstootgevend te zijn, een klein beetje ongepast of provocerend, of zelfs beledigend. Amerikaanse universiteiten waren ooit een veilige haven, niet alleen om volwassen te worden maar ook om enige regressieve of zelfs grensoverschrijdende ervaring op te doen. Nu lijken ze steeds meer plekken te zijn geworden waar censuur en verbods‑ bepalingen de boventoon voeren.’
Theoretisch is het verleidelijk: waarom zouden mensen hun kwalijke oprispingen níét mogen botvieren?
Maar Christakis las de e-mail van de Commissie voor Interculturele Zaken opzettelijk verkeerd. De commissie verbood helemaal niets, en suggereerde evenmin dat ze dat wilde. Ze deed alleen een aantal suggesties om voor Yale-studenten een betere wereld te scheppen dan die waarin we leven.
Toen ik aan Yale studeerde, werd ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond beschouwd
Ik heb van 1992 tot 1994 aan Yale gestudeerd. Toen ik daar was, begreep ik dat ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond werd beschouwd. Niemand kon geloven dat ik daar alleen maar was, net als de anderen, om te leren. Het was niet ongewoon om het doelwit van racistisch gemompel te zijn, van gefluister over positieve discriminatie, en om elke dag minuscule uitingen van agressie [microagressie] te ondergaan. De campuspolitie maakte er een sport van om mij en andere zwarte studenten naar onze studentenkaart te vragen. Mijn ervaring was allesbehalve uniek.
De huidige protesten zijn het symbool van een veel ingewikkelder probleem: een verstoord rassenklimaat op de campus van Yale dat al vele jaren domineert. De meeste andere overwegend blanke campussen in de Verenigde Staten hebben daar ook last van. Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven op universiteitscampussen doorgebracht, eerst als student en later als docent. Op elke campus was het rassen‑ klimaat altijd gespannen – in het gunstigste geval. Wat er op Yale gebeurt verbaast me niets.
Op Mizzou is een banale en voorspelbare tegenbeweging op gang gekomen. De studenten zijn door de conservatieve media afgeschilderd als laffe baby’s, kwezels of regelrechte leugenaars. Ze zijn ondankbaar, onverantwoordelijk. Als het om racisme gaat, moeten mensen met een kleurtje kennelijk alles maar zonder klagen slikken.
Uiterste grens
Er wordt vaak neerbuigend gedaan over deze zogenaamd kwetsbare jongeren die de echte wereld niet begrijpen. Maar studenten begrijpen de echte wereld wel degelijk, want ze zijn niet alleen maar studenten: ze laten hun sociale achtergrond, seksualiteit, ras of etniciteit niet achter zich als ze zich aanmelden als student, en hun problemen verdwijnen niet wanneer ze zich inschrijven voor colleges. We mogen hun terechte zorgen niet van tafel vegen. Amerikaanse universiteiten zijn altijd kraamkamers voor de bevoorrechten geweest, en de enigen wier fysieke en emotionele veiligheid daar enigszins is gegarandeerd zijn blanke, heteroseksuele mannen. Is het dan verwonderlijk dat studenten een minimale veiligheidsgarantie eisen? We moeten niet vergeten dat voor de zwarte studenten op zowel Mizzou als Yale de uiterste grens is bereikt. Zij kunnen niet langer verdragen wat ondraaglijk is. Ze zeggen: het is genoeg geweest.
Studentenactivisme is wijdverbreid omdat sommige studenten hun universitaire ervaring ten volle benutten. Ze begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken in een omgeving waar ze gedwongen zijn mensen te ontmoeten die er anders uitzien dan zij, die anders denken dan zij, een omgeving waar verandering nog mogelijk is. De SNCC en de demonstranten op campussen in het hele land, inclusief Yale en Mizzou, maken deel uit van een krachtige, vitale traditie die we niet over het hoofd mogen zien. De huidige studentenactivisten verrichten het noodzakelijke werk om ervoor te zorgen dat de volgende generatie die deelneemt aan de traditie van studentenactivisme een andere strijd zal voeren.
De recente demonstraties van Zuid-Afrikaanse studenten gaan over veel meer dan een verhoging van het collegeld. Ze laten zien dat ook de nieuwe zwarte politieke elite moet oppassen dat zij het contact met de samenleving niet verliest.
Het was de eenendertigste president van Amerika, Herbert Hoover, die ooit spottend zei dat ‘jongeren gezegend zijn omdat zij de nationale schuld zullen erven’.
Die opmerking maakte hij een paar jaar nadat Franklin Roosevelt hem in 1932 van een herverkiezing had afgehouden. Hoover kreeg toentertijd de schuld in de schoenen geschoven voor de Grote Depressie, die samenviel met het begin van zijn ambtstermijn.
Het citaat kwam in me op toen ik de minister van Financiën, Nhlanhla Nene, hoorde aankondigen dat de regering 200 miljoen rand [ruim 13 miljoen euro] opzij had gezet voor ‘voorbereidende werkzaamheden’ aan het Zuid-Afrikaanse kernenergieproject.
Dat voorgestelde project – waarvan president Jacob Zuma de spil vormt – zal naar verwachting inderdaad miljoenen rand gaan kosten – één biljoen als we sommigen mogen geloven. Dat geld zullen we ergens moeten lenen.
Op het moment dat Nene dit eind oktober aankondigde in zijn begrotingsspeech, hadden duizenden gefrustreerde studenten zich verzameld bij de hekken van het parlement om te eisen dat naar hen zou worden geluisterd. Nene repte met geen woord over de crisis die letterlijk voor de deur stond.
In wat nu al een historisch moment is, baanden de studenten zich een weg over het parlementsterrein, en kwamen zelfs helemaal tot aan de deuren van het Lagerhuis waar Zuma, zijn kabinet en andere parlementariërs bijeen waren om naar Nene’s verklaring over het budgetbeleid te luisteren. In het Lagerhuis deed iedereen alsof er buiten niets aan de hand was, afgezien van de Economic Freedom Fighters [EFF, de partij van de voormalige president van de ANC-Jeugdliga, Julius Malema]. Zij werden weggestuurd omdat de partij eiste dat over de studentenprotesten zou worden gesproken.
Ondertussen eisten de studenten dat de minister van Hoger Onderwijs, Blade Nzimande, naar buiten zou komen om te spreken over hun eis de voor 2016 voorgestelde verhoging van het collegegeld met 6 procent te bevriezen. De daaropvolgende taferelen – schermutselingen, stungranaten en arrestaties – hoef ik niet nog eens te beschrijven.
Keerpunt
De gebeurtenissen van 21 oktober vormden een keerpunt in het politieke debat in het Zuid-Afrika van na de apartheid. Voor het eerst sinds 1994 daagden studenten de heersende elite uit, en ze verstoorden de maatschappelijke orde op een nog nooit vertoonde wijze.
Als ze hadden gewild, hadden ze het Lagerhuis kunnen binnenvallen, maar ik betwijfel of ze dat van plan waren. Het symbolisch uitdagen van de heersende macht en de status quo was voldoende. En het spreekt ook voor de studenten dat ze zich afkeerden van politieke opportunisten die probeerden de legitieme strijd tegen de verhoging van het collegegeld uit te buiten voor politiek gewin.
Leiders van de [liberale] Democratische Alliantie en de EFF werden uitgejouwd toen ze probeerden een slaatje te slaan uit de situatie.
Zelfs het ANC, dat pas laat besefte dat het verkeerd bezig was en de situatie probeerde te redden door Blade Nzimande alsnog naar buiten te sturen om de studenten voor het parlement toe te spreken, was niet welkom. Het was te laat. Zijn poging om hen via een luidspreker te bereiken, werd overstemd door demonstranten die ‘Blade must fall’ schreeuwden [naar het voorbeeld van de slogan #RhodesMustFall, waarmee studenten strijden voor het weghalen van een standbeeld van de koloniaal Cecil Rhodes bij de universiteit van Kaapstad]. Zijn zesprocentvoorstel werd ronduit afgewezen door de studenten. Eerder had Nzimande journalisten laten weten dat de protesten niet op een ‘crisis’ wezen.
Het lijkt erop dat het ANC zich weer in eenzelfde positie bevindt als in 1976, toen het te laat in de gaten had dat zich een politieke vloedgolf over het land verspreidde – studentenopstanden die men niet in de greep had en waar men geen invloed op kon uitoefenen.
Wantrouwen
Nzimande en andere ANC-kopstukken behandelen de studenten net zoals de toen in ballingschap levende ANC-leiders de jonge Steve Biko [een van de kopstukken in de strijd tegen de apartheid]: met wantrouwen. Pas na de opstand in Soweto vroeg het ANC de jonge Thabo Mbeki contact te maken met mensen als Biko. Dat is nooit gebeurd, want Biko werd in 1977 vermoord.
De taferelen in het parlement hebben de positie van het ANC, dat zichzelf toch profileert als de stem van het volk, op ernstige en gewelddadige manier ondermijnd. Het was beschamend.
Door politieke invloed van buitenaf van de hand te wijzen, hebben de protesterende studenten de boodschap af-gegeven dat zij zichzelf zullen bevrijden. Niet dat ze apolitiek zijn – een groot aantal van hen maakt deel uit van verschillende politieke organisaties – maar ze hebben duidelijk ge-maakt dat ze een gemeenschappelijke strijd voeren voor toegang tot onderwijs, en er niet op uit zijn om op een makkelijke manier een politiek punt te scoren.
In een land met een maatschappij die zo ongelijk is als de onze, waren dergelijke protesten al een hele tijd te verwachten. De studenten voeren strijd voor hun toekomst en die van dit land. Per slot van rekening zijn zij het die dit land en zijn schuld zullen erven.
Toekomstige leiders
Bij afwezigheid van een substantiële bijdrage van de private sector aan de verbetering van het onderwijs, moet de regering zichzelf een serieuze vraag stellen. Wil zij toekomstige generaties belasten met de schuld van een ambitieus kernenergieproject – waarvan slechts weinigen in de regeringspartij veel kennis lijken te hebben – of zou het verstandiger zijn een deel van het geld te steken in de opleiding van de toekomstige leiders van het land? Al in het volgende financiële jaar zal de staatsschuld stijgen tot naar verwachting 49,8 procent van het bruto binnenlands product.
Wat ook het resultaat van de protesten zal zijn – de invoering van een onderwijsbelasting, een tijdelijke opschorting van de collegegeldverhoging of meer staatssubsidie voor universiteiten – het is duidelijk dat de dingen nooit meer hetzelfde zullen worden.
Sibusiso Ngalwa
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.