Tag: Syrië

  • Wie is buitenlandminister Sergej Lavrov? ‘Zijn moraal is de Russische staat’

    Wie is buitenlandminister Sergej Lavrov? ‘Zijn moraal is de Russische staat’

    Minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov is uitgegroeid tot dé vertegenwoordiger van Moskou op het wereldtoneel. Met zijn snelle denkvermogen, dreunende bariton en grote ego is hij geknipt voor zijn rol. Een portret.

    Uit het archief

    Uit dit portret van Sergej Lavrov uit 2016 blijkt al hoe belangrijk de rol van Ruslands buitenlandminister is. Momenteel onderhandelt hij namens Rusland met Oekraïne over een mogelijk einde van de oorlog. Donderdag was de eerste ontmoeting de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken Dmitro Koeleba, maar die leverde geen concreet resultaat op. Wie is deze man die alom gezien wordt als de trouwe uitvoerder van Poetins plannen?

    Stalin liet het misschien voor de eeuwigheid bouwen, maar het is lastig te renoveren. Al jarenlang werken bouwvakkers aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan het Smolenskayaplein in Moskou. Etage voor etage, 27 verdiepingen, 28 liften, tweeduizend werkkamers. De ene kant van het met keramieken tegels beklede gebouw oogt weer als nieuw, de andere staat nog in de steigers. Met de bouw van de eerste wolkenkrabber in Moskou moest het bewijs worden geleverd dat de Sovjet-Unie na de oorlog niet aan het eind van haar Latijn was.

    Het kantoor van Sergej Lavrov bevindt zich op de zevende verdieping. Tapijt op de vloer, landschapsschilderijen aan de muur: sinds de renovatie heeft de sfeer iets weg van de conservatieve elegantie van het Waldorf Astoria, waar Lavrov in zijn New Yorkse periode andere diplomaten ontmoette. In de ontvangstruimte staat een versierde nieuwjaarsboom. Eronder liggen de geschenken die hem vanuit de hele wereld worden toegestuurd. Dat het er weer heel veel zijn, is geen bijzaak: ook dergelijke details zijn een graadmeter om te bepalen of Rusland veel vrienden heeft in de wereld.

    Wereldwijd heeft geen enkele minister van Buitenlandse Zaken zo veel ervaring als hij

    In het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt een positieve balans van het afgelopen jaar opgemaakt: John Kerry, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, is twee keer naar Rusland gekomen en tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties had Lavrov meer dan vijftig persoonlijke ontmoetingen, waarvan meer dan veertig ‘op initiatief van de tegenpartij’ tot stand waren gekomen. Geen spoor van isolement. Sinds de Russische straaljagers het luchtruim boven het noorden van Syrië controleren, onderhouden ook de Amerikanen zich weer regelmatig met de Russen. Islamitische Staat is gekwalificeerd als gemeenschappelijke tegenstander, Oekraïne is naar de achtergrond verdwenen en kijk aan, Lavrov is gewild.

    Amerikaanse levensstijl

    Dat zag er begin 2015 nog anders uit, tijdens de jaarlijkse Veiligheidsconferentie voor regeringsleiders, diplomaten en experts in München. In een korzelige toespraak dist Lavrov de bekende verwijten van Moskou op: de dwalingen van de VS in Kosovo, Irak en Libië, de uitbreiding van de NAVO. De door Washington beraamde Arabische Lente, die het Nabije Oosten in chaos stort. Rechts-radicalen in Kiev die het eigen volk bombarderen. Het Westen splijt Europa. Degenen die het verhaal voor het eerst horen draaien hun ogen naar het plafond, schudden het hoofd, schuiven op hun stoel heen en weer. En als Lavrov in het aansluitende debat verklaart dat de annexatie van de Krim in overeenstemming is met het Handvest van de Verenigde Naties en dat er bij de Duitse hereniging niet eens een referendum heeft plaatsgevonden, klinken er verontwaardigde kreten en beginnen anderen te lachen.

    ‘Misschien vindt u het lachwekkend,’ moppert Lavrov tegen de zaal. ‘Ik vond sommige dingen ook lachwekkend, maar ik heb me ingehouden.’ Als de elite van de internationale diplomatie de Russische minister van Buitenlandse Zaken uitlacht, weet je dat het dieptepunt is bereikt. Het heeft Lavrov ook persoonlijk geraakt, zeggen mensen die hem al lange tijd kennen.

    Toen Sergej Viktorovitsj Lavrov in 1950 in Moskou ter wereld kwam, werd het gebouw waarin hij vandaag de dag resideert net voltooid. Later werkte hij zelf mee aan de bouw van een symbool van Moskou: na zijn schooltijd maakte hij deel uit van een groep vrijwilligers die de graafwerkzaamheden voor het fundament van de televisietoren Ostankino uitvoerde. Daarmee verzamelde hij punten voor de toelating tot het elitaire Instituut voor Buitenlandse Betrekkingen. ‘Ik heb een kuil gegraven voor de televisie,’ grapte hij enkele jaren geleden in een latenightshow.

    Lavrov in afwachting van een televisie-interview. – © Getty Images
    Lavrov in afwachting van een televisie-interview. – © Getty Images

    En daarna? Hij maakt een voorbeeldige carrière in de Sovjetdiplomatie. Naast Engels en Frans wijst de hogeschool hem als derde vreemde taal Singalees toe, waardoor hij in 1972 eerst op de ambassade in Sri Lanka belandt. Wanneer hij in 1981 wordt overgeplaatst naar de Sovjetdelegatie bij de Verenigde Naties, loopt in zijn geboorteland juist het tijdperk-Breznjev ten einde, raakt het Sovjetleger steeds verder verwikkeld in de oorlog in Afghanistan en hebben de VS en andere westerse landen een jaar eerder om die reden de Olympische Spelen in Moskou geboycot. In de Koude Oorlog nadert de temperatuur het dieptepunt.

    In New York leert Lavrov alle spelregels en trucs van de grote diplomatie kennen – én de Amerikaanse levensstijl. Hij is dol op whisky en sigaretten, en in zijn vrije tijd gaat hij skiën in Vermont of wildwatervaren. In 1988 wordt hij teruggeroepen naar een land waar 
een omwenteling gaande is en dat algauw uiteenvalt. Wanneer Boris Jeltsin hem in 1994 weer naar New York stuurt als VN-ambassadeur, is er van de supermacht niet veel meer over dan het vetorecht.

    ‘Who are you to fucking lecture me,’ snauwt hij de Britse minister David Miliband toe

    Dat vacuüm moet hij nu met zijn optreden vullen. Met zijn snelle denkvermogen, zijn dreunende bariton en zijn grote ego is hij de ideale kandidaat voor die rol. Naar goede Sovjettraditie zegt de in Italiaanse pakken gestoken Lavrov in de Veiligheidsraad vooral ‘njet’. Wanneer in 2003 een rookverbod wordt ingesteld in het VN-gebouw, weigert hij zich hieraan te houden. Hij laat secretaris-generaal Kofi Annan weten dat hij, Annan, ook maar gewoon een werknemer is aan wie ‘dit gebouw 
niet toebehoort’. Zijn dochter Jekaterina gaat in Manhattan naar school en 
studeert aan de Columbia University. Tegenwoordig zwaait ze de scepter over het Moskouse filiaal van veilinghuis Christie’s.

    Van zijn 65 jaar is Lavrov er 43 werkzaam geweest in de diplomatieke dienst, de laatste elf als minister van Buitenlandse Zaken. Wereldwijd heeft geen enkele andere minister op die post zo veel ervaring als hij. John Kerry is al de vierde Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken die met hem te maken krijgt. Afgelopen zomer was de Saoedische minister van Buitenlandse Zaken op bezoek in Moskou. Tijdens de aansluitende persconferentie mompelt Lavrov hoofdschuddend: ‘Stomme idioten.’ Eigenlijk zegt hij niet ‘stomme’, maar bezigt hij een onvertaalbare krachtterm die Russische media sinds juli 2014 niet meer mogen afdrukken of uitzenden [als gevolg van een verbod op het gebruik van vloekwoorden in de media]. De belediging is niet bestemd voor Adel al-Jubeir, maar voor de onrustige fotografen. ‘We storen u hopelijk niet?!’ bijt Lavrov hen toe voor hij verdergaat.

    Met beginnelingen samenwerken is behoorlijk zenuwslopend. En als je al zo lang meedraait als Lavrov, is vrijwel iedereen een beginneling. Als je met hem in gesprek bent, wil je vooral niet dat de irritatie die op zijn gezicht geschreven staat over jezelf wordt 
uitgestort. Dat weet Lavrov ook. Naar believen verdoezelt hij zijn superioriteit of zet hij de sluizen open. ‘Who are you to fucking lecture me?!’ snauwt hij Britse minister van Buitenlandse Zaken David Miliband in 2008 toe, wanneer die tijdens de oorlog met Georgië invloed probeert uit te oefenen op de Russen. In Moskouse winkels met patriottische artikelen zijn tegenwoordig muismatjes met die zin en Lavrovs portret te koop.

    Onaangename kant

    In juli 2012 maakt ook Guido Westerwelle kennis met de onaangename kant van Lavrov. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken is in Moskou om te proberen tot samenwerking te komen in het Syrië-vraagstuk. Maar Lavrov vindt zijn aanbod zo mager dat hij alle diplomatieke spelregels overtreedt door op de persconferentie vertrouwelijkheden te verklappen: Merkel had Poetin gevraagd of Rusland Assad asiel wilde verlenen. ‘Neem hem zelf maar als jullie willen,’ steekt hij de draak met de Duitsers. Met een versteende gezichtsuitdrukking laat Westerwelle de vernedering over zich heenkomen.

    Op 9 september 2013 krijgt de wereld een indruk van Lavrovs onderhandelingsvaardigheden. Het is een van die zeldzame momenten waarop diplomatie openlijk wordt bedreven. Voor de Amerikaanse president Obama staan die dag interviews met zes televisiezenders gepland. Hij wil de Amerikanen laten weten dat de Amerikaanse luchtmacht aanvallen op de Syrische dictator Bashar al-Assad zal gaan 
uitvoeren. Drie weken eerder hadden bij een gifgasaanval in de buurt van Damascus 1400 mensen de dood gevonden.

    Binnen de Moskouse machtsverhoudingen gedraagt Lavrov zich als een soldaat

    Lavrov heeft die dag de Syrische minister van Buitenlandse Zaken Walid al-Muallem op bezoek. In Moskou is het acht uur later dan in Washington. Terwijl de twee met elkaar praten, probeert John Kerry in Londen de op handen zijnde militaire actie te duiden. Op de vraag of Damascus de aanval nog kan afwenden, antwoordt hij niet al te 
serieus dat Syrië dan meteen al zijn chemische wapens moet inleveren.

    Onmiddellijk roept Lavrov de media bijeen. De minister van Buitenlandse Zaken stormt de zaal binnen en spreekt precies één minuut en veertig seconden: wij pakken het voorstel van Kerry op. Wij willen ons inzetten om Damascus te bewegen zijn chemische wapens af te staan als daarmee een militaire actie kan worden voorkomen. Dan vertrekt hij. Geen vragen. Niets. Vanuit zijn hotel in Moskou prijst al-Muallem ‘de wijsheid van de Russische leiders’; Syrië is bereid mee te bewegen.

    Lavrov heeft de ondoordachte opmerking van Kerry gebruikt om het heft in handen te nemen en daarmee de macht te grijpen. Uiteindelijk zijn er drie 
winnaars: Assad blijft gespaard, Obama hoeft geen nieuwe, impopulaire oorlog te beginnen en Poetin wordt niet neergezet als een slappeling als er opnieuw een bondgenoot in het Nabije Oosten ten val wordt gebracht.

    En de verliezers? Dat zijn de doden. Tot dan toe waren er in de Syrische burgeroorlog al bijna 100.000 mensen omgekomen. Sindsdien hebben er nog eens 150.000 de dood gevonden, de meesten door toedoen van Assads leger.

    Lavrov op bezoek in Turkmenistan. Hij wordt vergezeld door de Russische ambassadeur in Turkmenistan Alexander Blokhin en de Turkmeense minister van Buitenlandse Zaken.  © Valery Sharifulin / Corbis
    Lavrov op bezoek in Turkmenistan. Hij wordt vergezeld door de Russische ambassadeur in Turkmenistan Alexander Blokhin en de Turkmeense minister van Buitenlandse Zaken. © Valery Sharifulin / Corbis

    Binnen de Moskouse machtsverhoudingen gedraagt Lavrov zich als een soldaat, zegt een journalist die hem 
al vele jaren volgt. De bevelen komen van boven en hij voert ze uit. Dmitri Medvedev wil in 2009 een ‘nieuwe start’ in de betrekkingen met de VS, waarop Lavrov en Hillary Clinton symbolisch op de resetknop drukken. Twee jaar later bestempelt Vladimir Poetin Washington als de sturende macht achter de Arabische Lente en de massale protesten tegen het Kremlin, waarop Lavrov zijn lange lijst met dwalingen van de Amerikanen – van Kosovo tot Irak en Libië – weer tevoorschijn haalt en bij elke gelegenheid aanhaalt.

    Eén keer heeft Lavrov het Kremlin openlijk tegengesproken. Dat was begin 2012, toen de VS net een inreisverbod hadden afgekondigd voor een aantal Russische functionarissen dat ervan verdacht werd een greep in de Russische staatskas te hebben gedaan en het geld naar het buitenland te hebben gesluisd. Sergej Magnitski, de man die de fraude aan het licht had gebracht, was vervolgens in de gevangenis overleden, waarna op zijn lichaam sporen van marteling waren aangetroffen. Als reactie op de ‘Magnitski-lijst’ kwam de Doema met een wetsvoorstel waarmee Amerikanen de adoptie van Russische weeskinderen werd verboden.

    Lavrov heeft zich diverse keren tegen dat wetsvoorstel uitgesproken. Niet omdat daarmee de kinderen in Russische weeshuizen werden gestraft voor iets wat de Amerikanen hadden gedaan, maar omdat zijn ministerie net jarenlange onderhandelingen met de VS over adoptieregels had afgerond. Toen het adoptieverbod een feit was, verstomde ook Lavrovs kritiek.

    ‘Als hij al een moreel kompas heeft, dan weet ik het niet waar het zit,’ zei John Negroponte, die als VN-ambassadeur bij de Verenigde Naties in de Veiligheidsraad met Lavrov te maken kreeg. ‘Zijn moraal is de Russische staat.’

    Nieuwe buitenlandpolitiek

    Sinds 2014 voert Rusland een nieuwe buitenlandpolitiek, zegt Vladimir Frolov, een oud-diplomaat die in de jaren nul als buitenlandexpert de Russische regering van advies diende. Volgens hem stelt Moskou zich sinds het begin van de crisis in Oekraïne op het standpunt dat ‘als iedereen de regels overtreedt, Rusland dat ook mag’. Daarbij gaat het om wat van pas komt. ‘De Russen eisen van Kiev dat het de opstandelingen niet bombardeert en het volgende moment helpen ze Assad in Syrië dat juist wel 
te doen.’ De politiek is gestoeld op onberekenbaarheid, niet op principes.

    Daarmee is ook de rol van Lavrov veranderd. Nu eens meldt het ministerie van Buitenlandse Zaken een overval van Oekraïense nationalisten op een overheidsinstantie op de Krim, dan weer massa-executies door het Oekraïense leger. Niets daarvan wordt bevestigd. Officiële standpunten en gefingeerde werkelijkheid zijn niet meer uit elkaar te houden.

    ‘Sinds 2014 baseert de Russische buitenlandpolitiek zich niet meer op feiten,’ zegt Vladimir Frolov, de buitenlandexpert, ‘maar wordt een alternatieve werkelijkheid gecreëerd.’ Het Akkoord van Minsk is naar zijn mening daarvan het beste voorbeeld: Moskou heeft de wereld het verhaal van de bedreigde Russischtalige bevolking in Donetsk opgedrongen. Om hun rechten te beschermen, zou een federalisering van Oekraïne noodzakelijk zijn. Op basis daarvan hebben Merkel, Hollande en Poetin in Minsk de belofte van een grond-
wetshervorming bij de Oekraïense 
president Petro Porosjenko afgedwongen.

    ‘De inzet in Syrië wordt verkocht als een nieuwe anti-Hitler-coalitie, maar nu tegen IS, terwijl het eigenlijk om de redding van Assad gaat.’ De afschildering van IS als gemeenschappelijke 
vijand is geaccepteerd en praktisch de realiteit geworden.

    Brutaliteit werkt het beste bij gevaar

    Niets wat afwijkt van de zelf gecreëerde realiteit vindt genade in de ogen van Moskou. Toen de Verenigde Naties in mei 2014 geen nazi’s aan de macht zagen in Kiev en ook geen bedreiging voor de Russischtalige bevolking constateerden, leidde dat tot stevige kritiek van het ministerie van Buitenlandse Zaken op het rapport van de Commissaris voor de Mensenrechten: ‘Een ten hemel schreiende discrepantie en een dubbele norm laten er geen twijfel over bestaan dat de opstellers een politieke opdracht hebben uitgevoerd om de zelfbenoemde machthebbers in Kiev van verdenking te zuiveren.’ Verder werd gerept van een ‘junta in Kiev’ en bovendien zou de ‘protestbeweging in het zuidoosten’ van Oekraïne worden gedemoniseerd.

    In de Sovjetdiplomatie waren dit soort zaken niet aan de orde, zegt historicus Karl Schlögel. ‘De buitenlandpolitiek van de Sovjet-Unie kwam voort uit een eigen wereldvisie, er was een politieke kaart, een coördinatenstelsel als referentiepunt. Je hoefde het er niet mee eens te zijn, maar je wist waar je aan toe was. Zij vertelden ook niet altijd de waarheid, maar ze veroorloofden zich geen demagogisch toontje.’

    Volgens Schlögel is diplomatie de inachtneming van conventies, die gesprekken ook bij onoverbrugbare tegenstellingen mogelijk maken. Maar Lavrov speelt in zijn ogen soeverein met overtredingen van die regels.

    Condoleezza Rice schetst in haar memoires een gesprek waarin ‘Sergej’ terugkijkt op december 1991, toen 
Gorbatsjov aftrad en er opeens vijftien afzonderlijke landen waren. ‘Hij zei 
dat hij niet meer wist welk land hij eigenlijk vertegenwoordigde.’ Met de Sovjet-Unie verdween ook het coördinatenstelsel. En als VN-ambassadeur ondervond Lavrov hoe het Westen keer op keer de regels schond die hijzelf in ere hield: het ingrijpen van de NAVO in Kosovo noch de oorlog in Irak wist hij te voorkomen. De Veiligheidsraad werd gepasseerd.

    Kerry

    Of de ervaren, wereldwijze Lavrov zelf gelooft wat hij zegt? Dat de VS achter alle revoluties zitten, van het Nabije Oosten tot en met het Onafhankelijkheidsplein in Kiev? Frolov denkt van niet. ‘Maar doorslaggevend is dat het werkt.’

    De richtlijnen voor de buitenlandpolitiek worden vastgesteld door anderen, zoals Sergej Ivanov. De stafchef van 
het Kremlin heeft net als Poetin een verleden in de spionage. Maar op het internationale toneel kan niemand 
die richtlijnen beter uitvoeren, zegt Vladimir Frolov. ‘Dat is Lavrovs grote voordeel: hij kan met Kerry werken.’

    Sinds Russische bommenwerpers boven Syrië het pad van de Amerikaanse toestellen kruisen, werkt Kerry ook weer met hem. Brutaliteit werkt het beste bij gevaar. Als de veiligheidsexperts in februari weer bijeenkomen in München zal niemand meer om Lavrov lachen.

  • Hoe Rusland in Syrië zijn positie als militaire wereldmacht bevestigde

    Hoe Rusland in Syrië zijn positie als militaire wereldmacht bevestigde

    De militaire escalatie van Vladimir Poetin in Syrië was wreed en nietsontziend. Het was een showcase van Ruslands militaire macht. Met als doel: een nieuwe machtsrelatie met het Westen.

    Uit het archief

    De Russische militaire tactiek in Syrië, waar het land Assad te hulp schoot, lijkt steeds meer een voorbode te zijn van de wrede aanvallen in Oekraïne. Ook in Syrië deinsde Rusland er niet voor terug om burgerdoelen te bombarderen.

    Als Aleppo valt zal de gewelddadige oorlog in Syrië een geheel nieuwe wending krijgen, met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de regio maar ook voor Europa. De meest recente aanval van de regering op de belegerde stad in het noorden van Syrië, waarbij nog eens tienduizenden mensen op de vlucht zijn geslagen, is ook beslissend voor de betrekkingen tussen het Westen en Rusland. Ruslands luchtmacht speelt een sleutelrol in het conflict. Als de anti-Assadrebellen, die sinds 2012 een deel van Aleppo in handen hebben, worden verslagen, resten in Syrië alleen nog het regime van Assad en Islamitische Staat. Dan is alle hoop vervlogen dat er ooit nog een overeenkomst gesloten zal worden waarin de Syrische oppositie een rol krijgt toebedeeld. En dat is een uitkomst waar Rusland al veel langer op uit is – de achterliggende reden van het besluit van Moskou, vier maanden terug, om over te gaan tot militair ingrijpen.

    Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen

    Het valt nauwelijks toeval te noemen dat de bombardementen op Aleppo, het symbool van de anti-Assadopstand, uitgerekend begonnen op het moment dat in Genève vredesbesprekingen werden gevoerd. Die vredesbesprekingen liepen dan ook al snel vast. De Russische militaire escalatie, bedoeld om het Syrische leger te steunen, moest voorkomen dat een heuse Syrische oppositie zeggenschap zou krijgen over de toekomst van het land. De plannen die het Westen en de Verenigde Naties hadden voorgesteld moesten worden gedwarsboomd. Dit was volkomen in tegenspraak met het feit dat Moskou zich had gecommitteerd om te zoeken naar een gemeenschappelijke, politieke aanpak om einde te maken aan de oorlog. De naschokken zullen wijd en zijd voelbaar zijn. Als de Europeanen in 2015 íéts duidelijk is geworden, dan is het wel dat ze de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten niet buiten de deur kunnen houden. En als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne van 2014, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend van Europa is. Het is een revisionistische mogendheid die tot militaire agressie in staat is.

    Twee mannen met een dode baby, slachtoffer van de recente bombardementen op Aleppo. – © Reuters
    Twee mannen met een dode baby, slachtoffer van de recente bombardementen op Aleppo. – © Reuters

    Dominante positie

    Sterker nog, nu de toekomst van Aleppo op het spel staat, maken de gebeurtenissen – meer dan ooit sinds het uitbreken van de oorlog – duidelijk dat er direct verband is tussen de Syrische tragedie en de in strategisch opzicht verzwakte positie van Europa en het Westen als geheel. Dat het conflict op die manier naar buiten doorsijpelt is een effect dat Rusland niet alleen nauwlettend in de gaten houdt, maar ook in de hand werkt. Dat de instabiliteit zich verspreidt over Europa past uitstekend binnen het streven van Rusland om zich een dominante positie te verwerven door alle twijfels en tegenstellingen uit te buiten in de landen die Rusland als zijn vijand beschouwt.

    Aleppo zal voor een groot deel bepalend zijn voor de verdere ontwikkelingen. Een nederlaag voor de Syrische oppositiegroepen zal IS nog meer sterker in het idee dat zij als enige opkomen voor de soennitische moslims – terwijl IS de bevolking terroriseert in de gebieden die het in zijn macht heeft. De situatie vertoont vele wrange kanten, niet in de laatste plaats gelegen in het feit dat de strategie van het Westen in de strijd tegen IS stoelde op het idee om de lokale Syrische oppositietroepen op de grond te versterken, zodat zij uiteindelijk de jihadistische opstandelingen zouden kunnen verdrijven uit het bolwerk Raqqa. Als uitgerekend de mensen die de grondtroepen hadden moeten vormen om deze klus te klaren in Aleppo worden omsingeld en genadeloos in de pan worden gehakt, op wie kan het Westen dan terugvallen? Rusland heeft van begin af aan volgehouden dat het IS bestrijdt, maar in Aleppo helpt Rusland bij het verslaan van de Syrische groeperingen die in het verleden effectief zijn gebleken in de strijd tegen IS.

    Als er al ooit twijfels bestonden over het oogmerk van Vladimir Poetin in Syrië, dan zijn die volledig weggenomen door de recente militaire escalatie rond deze stad. Vladimir Poetin past in Syrië precies dezelfde strategie toe als in Tsjetsjenië: zware militaire aanvallen op stedelijke gebieden, teneinde alle opstandelingen te doden of te verdrijven. De betrekkingen tussen de Syrische machtsstructuur en de Russische geheime dienst gaan ver terug – tot in het Sovjettijdperk. Net zoals onder het bewind van Poetin de Tsjetsjenen die mogelijk een rol zouden kunnen vervullen bij vredesbesprekingen letterlijk uit de weg werden geruimd, gooit nu Assad alle politieke tegenstanders op een hoop, onder de noemer ‘terrorisme’. En aangezien er in Tsjetsjenië nooit sprake is geweest van een overeenkomst (enkel van een regelrechte oorlog en totale verwoesting, totdat het Kremlin zijn eigen Tsjetsjeense leider installeerde), behoort ook in Syrië een overeenkomst met de oppositie voor Poetin niet tot de mogelijkheden.

    Een onontploft Russisch explosief in de buurt van Aleppo. – © Getty Images
    Een onontploft Russisch explosief in de buurt van Aleppo. – © Getty Images

    Macht

    Maar de strategische belangen van Rusland gaan nog veel verder. Poetin wil opnieuw zijn macht vestigen in het Midden-Oosten, maar uiteindelijk is het hem om Europa te doen. Het beslissende moment vond plaats in 2013, toen Barack Obama na een gifgasaanval afzag van luchtaanvallen op Assads militaire bases. Dat zette Poetin ertoe aan om op het Europese continent de westerse standvastigheid nog eens extra op de proef te stellen. Poetin werd destijds duidelijk verrast door de volksopstand in Oekraïne, maar hij wist al snel zijn macht te herstellen met de inzet van geweld en de annexatie van grondgebied. Hij had – terecht – de inschatting gemaakt dat zijn hybride oorlog in Oekraïne niet door het Westen kon worden voorkomen. Het Russische beleid in Oekraïne heeft het veiligheidsevenwicht in het Europa van na de Koude Oorlog dan ook op zijn grondvesten doen schudden, en Poetin zou graag zien dat Rusland munt slaat uit de nieuwe machtsverhoudingen.

    Als Europa iets heeft geleerd van het conflict in Oekraïne, dan is het dat Rusland niet bepaald een vriend is

    De militaire betrokkenheid van Rusland in Syrië plaatst de NAVO voor een groot dilemma, nu een van de belangrijkste leden in de frontlinies staat. De betrekkingen tussen Turkije en Rusland staan al maanden onder grote spanning. Inmiddels heeft Moskou Turkije openlijk gewaarschuwd geen troepen naar Syrië te sturen om Aleppo te beschermen. Hoe de Turkse leider daarop zal reageren is ook al een vraagstuk dat de Europese leiders hoofdpijn bezorgt.

    Dit alles speelt zich af in een tijd waarin de Europese regeringsleiders als nooit tevoren de samenwerking zoeken met Ankara, teneinde het vluchtelingenprobleem het hoofd te bieden. Als Turkije gaat dwarsliggen op de Midden-Oostenflank van de NAVO dient dat de Russische belangen. Evenzeer zal een nieuwe uittocht van vluchtelingen Rusland in de kaart spelen. De vluchtelingencrisis heeft diepe kloven geslagen in het continent en rechtse, populistische partijen spinnen er garen bij – en veel van die partijen zijn Ruslands politieke bondgenoten in het verzet tegen het project Europa. De vluchtelingencrisis zet belangrijke Europese instituties onder druk – het gevaar van een Brexit is toegenomen (wat Rusland alleen maar zal toejuichen) – en de vluchtelingencrisis ondergraaft de positie van Angela Merkel, de drijvende kracht achter de Europese sancties tegen Rusland.

    Natuurlijk is het overtrokken om te zeggen dat Poetin dit van begin af aan heeft voorzien. Hij heeft de ontwikkelingen willen sturen, maar ondertussen wordt hij er ook door meegesleept. Rusland is niet verantwoordelijk voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië, noch heeft het de hand gehad in alle gebeurtenissen in Oekraïne. Maar het cynisme waarmee Rusland het spel speelt zou in het Westen en de Verenigde Naties meer alarmbellen moeten doen rinkelen dan nu het geval is.

    Poetin mag zichzelf graag neerzetten als een man van orde, maar zijn beleid heeft alleen maar gezorgd voor meer chaos, en daar moet Europa een steeds hogere prijs voor betalen. Om het Russische regime tot een andere handelswijze aan te zetten is meer nodig dan alleen optimisme. In Aleppo voltrekt zich een humanitaire ramp. Het is van het grootste belang dat we de verbanden zien tussen het uitzichtloze lot van deze stad, de toekomst van Europa, en het Rusland dat hier dreigend boven hangt.

  • ‘Op korte termijn is er geen andere oplossing dan Assad’

    ‘Op korte termijn is er geen andere oplossing dan Assad’

    Tijdens zijn recente bezoek aan Frankrijk 
gaf de Iraanse president Rohani een exclusief interview aan Le Monde. Hij sprak over Syrië, 
de crisis tussen Iran en Saoedi-Arabië, de strijd tegen het terrorisme 
en de naderende parlementsverkiezingen in zijn land.

    U bent ontvangen door de 
paus in Rome en door 
François Hollande in Parijs. Is Iran niet langer een paria op het internationale toneel?
    ‘Iran is nooit een paria geweest, noch vóór het nucleaire akkoord, noch daarna. In 2013 is mijn initiatief voor een wereld zonder geweld en extremisme unaniem aanvaard door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Ik heb bij die gelegenheid een groot aantal Europese leiders gesproken: ze waren allemaal tegen de sancties en ik kreeg het idee dat er maar weinig landen waren die Iran wilden isoleren. Economisch gezien heeft Iran enigszins onder deze situatie geleden, maar inmiddels is de situatie gunstiger.’

    U wisselt gevangenen uit met de 
Verenigde Staten en er is weer 
diplomatiek contact. Is dat niet al 
een vorm van normalisering?
    ‘Er heeft zich de afgelopen 37 jaar een groot aantal meningsverschillen met de Verenigde Staten ontwikkeld en die los je niet in zo’n korte tijd op. Tijdens mijn gesprek met president Obama heb ik gezegd dat wij de spanningen tussen de twee landen willen verminderen en daar lijkt nu een begin mee 
te zijn gemaakt. Als de verkiezingen 
in Iran en de Verenigde Staten achter de rug zijn, zullen we de draad weer moeten oppakken. De problemen tussen twee grote landen mogen niet eeuwig voortbestaan en op een dag zullen we ze uit de weg ruimen. Maar het is duidelijk dat je niet alles op korte termijn kunt regelen.’

    Is er een ommekeer in de Amerikaanse politiek in de regio, namelijk een toenadering tot Iran en een afstandelijkere houding jegens Saoedi-Arabië?
    ‘Het nucleaire dossier vormde op zich een moeilijk en ingewikkeld probleem. Amerika heeft een actieve en belangrijke rol gespeeld in het oplossen daarvan. Het feit dat wij dit akkoord hebben gesloten met de groep ‘5+1’ – de Verenigde Staten, Rusland, China, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland – betekent een stap voorwaarts. Wat de onderhandelingen over Syrië betreft, wij nemen deel aan dezelfde vergaderingen als de Verenigde Staten, wat enkele jaren geleden nog ondenkbaar was. De situatie is sterk veranderd. De Amerikanen zijn van mening dat Iran het enige land in de regio is dat het terrorisme kan bestrijden. Wij houden regelmatig verkiezingen in Iran, terwijl in de landen om ons heen democratische verkiezingen een zeer zeldzaam fenomeen zijn.’

    Iran is nooit een paria geweest, noch vóór het nucleaire akkoord, noch daarna

    U doelt hier misschien op Saoedi-
Arabië, waarmee u de banden hebt verbroken na de executie van een 
sjiitische hoogwaardigheidsbekleder, gevolgd door de plundering en in het brand steken van de Saoedische ambassade in Teheran…
    ‘Er hebben zich enkele gebeurtenissen tussen onze twee landen voltrokken waarover we het niet eens zijn. Aan de ene kant was er de terdoodbrenging van een belangrijke sjiitische geestelijke die in opstand kwam tegen discriminatie. Het Iraanse volk was daar diepbedroefd over en zelfs de westerse landen hebben deze daad veroordeeld als in strijd met alle principes. Aan de andere kant weet u wat er met de Saoedische ambassade in Teheran is gebeurd. Wij hebben dat niet goedgekeurd, ik was de eerste om het te veroordelen en ik heb opdracht gegeven de schuldigen te arresteren. Ze zitten in de gevangenis en zullen worden berecht. Maar de reactie van Saoedi-Arabië op deze gebeurtenissen was buiten alle proportie. Het deed me denken aan iemand die een fout heeft gemaakt en vervolgens chaos creëert om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Het Saoedische volk is onze nabuur en geloofsgenoot. We moeten de problemen die ons uiteendrijven 
op een verstandige manier oplossen.’

    De Iraanse president Hassan Rohani. – © Chesnot / Getty Images
    De Iraanse president Hassan Rohani. – © Chesnot / Getty Images

    Welke gestes verwacht u van Riyad om de diplomatieke betrekkingen 
te herstellen?
    ‘Het land dat de diplomatieke betrekkingen heeft verbroken zal de eerste stap moeten zetten om ze te herstellen en deze situatie op te lossen. Ik ben ervan overtuigd dat Saoedi-Arabië zijn daden in de toekomst zal betreuren. Wij hoeven niets goed te maken.’

    U beschuldigt Saoedi-Arabië ervan dat ze het terrorisme en de Islamitische Staat financieren. Welke bewijzen hebt u daarvoor?
    ‘Dat is niet zo moeilijk, je hoeft het maar aan de regeringen en volkeren te vragen die getroffen worden door het terrorisme in Irak en in Syrië. Waar komt dat geweldsdenken vandaan? Wat zijn 
de wortels ervan? Wie heeft de eerste 
terroristische acties uitgevoerd, 
welke nationaliteit? Dat valt allemaal makkelijk te achterhalen. Daar ligt 
het probleem niet. Het is noodzakelijk dat iedereen in de regio het terrorisme bestrijdt, want het bedreigt niet 
alleen de regio maar de hele wereld.’

    Bent u bereid de krachten te bundelen en samen te werken met de internationale coalitie tegen IS waarvan Frankrijk en de Verenigde Staten deel uitmaken?
    ‘Er bestaat ook een coalitie van Iran, Irak, Syrië en Rusland, er bestaan een heleboel coalities. Zonder onze hulp zouden ook andere Iraakse steden dan Mosul zijn gevallen. Het gaat niet om de namen, maar om de daden. Als we willen optreden in Irak, moeten we dat afstemmen met de Iraakse regering.’

    Ik ben ervan overtuigd dat Saoedi-Arabië zijn daden in de toekomst zal betreuren

    U verliest veel mensen in Syrië, 
zelfs generaals. Tot wanneer blijft 
u militair in Syrië aanwezig?
    ‘Onze adviseurs zijn aanwezig in Irak en in Syrië op verzoek van de regeringen van die landen. Wanneer er militaire adviseurs naar een oorlogsgebied 
worden gestuurd, kunnen er slachtoffers vallen. Wij zijn niet bereid de onveiligheid in Irak en Syrië te 
accepteren, en zelfs niet in Afghanistan. De onveiligheid in deze landen kan zich uitbreiden naar andere landen. Dus we kunnen niet voorzien hoelang het gaat duren.’

    De vredesonderhandelingen over Syrië moeten op vrijdagochtend 29 januari beginnen in Genève. 
Wat verwacht u ervan? [De onderhandelingen zijn intussen opgeschort tot 25 februari.]
    ‘We hopen dat de onderhandelingen 
zo snel mogelijk zullen zijn afgerond, maar dat zou me verbazen, omdat er in Syrië groeperingen zijn die niet alleen in oorlog zijn met de centrale regering, maar ook met elkaar. Er is ook sprake van buitenlandse inmenging en van buitenlandse wapenzendingen. De oplossing voor de crisis in Syrië is een politieke, maar het zal moeilijk zijn 
om die binnen enkele weken en enkele vergaderingen te realiseren. Dat is te optimistisch gedacht. De Syrische kwestie vereist inspanningen van iedereen, ze moet onze prioriteit zijn. We moeten beginnen met het bestrijden en uitroeien van het terrorisme, zodat er weer vrede en stabiliteit komt en de vluchtelingen kunnen terugkeren. Daarna zal de grondwet moeten worden gewijzigd. Onderhandelingen tussen de centrale regering en de oppositie zullen tot verkiezingen moeten leiden. Er is een heleboel te doen. Een staakt-het-vuren is de eerste stap.’

    De westerse leiders lijken steeds meer bereid om Bashar al-Assad voor lief te nemen, ondanks de misdaden die hij heeft gepleegd.
    ‘Degenen die in Syrië misdaden plegen zijn de terroristen, zij onthoofden onschuldigen, zij plegen massamoorden. Zij zijn de echte misdadigers. We moeten hen te gronde richten, uitroeien. Wat de toekomst van de Syrische regering betreft, die is op dit moment niet aan de orde. Op korte termijn is er geen andere oplossing dan Bashar al-Assad. Als we het terrorisme willen bestrijden, zullen we het Syrische leger moeten helpen, dat zijn werk niet kan doen zonder een stabiele centrale regering. Het dilemma Bashar of geen Bashar doet geen recht aan de realiteit ter plaatse. Daar kunnen we op de lange termijn over nadenken, maar de westerse landen moeten accepteren dat 
de keus niet aan hen is, maar aan het Syrische volk. We zullen eerst moeten zorgen dat het land veilig wordt. Hoe kun je betrouwbare verkiezingen houden als 60 procent van het land door terroristen wordt bezet? Hoe kun je onder die omstandigheden aan een toekomst denken? De strijd tegen het terrorisme is een eerste vereiste.’

    De westerse landen moeten accepteren dat de keus niet aan hen is, maar aan het Syrische volk

    Eind februari komen er parlementsverkiezingen in Iran. Veel kandidaten zijn uitgesloten en u hebt uw irritatie daarover laten blijken. Hebt u de indruk dat bepaalde groeperingen 
uw hervormingen proberen te dwarsbomen?
    ‘De kandidatuur voor de parlementsverkiezingen kent diverse stadia. 
De Raad van Hoeders van de Grondwet zal zich in laatste instantie uitspreken. We wachten op hun interventie zodat een groter deel van de bevolking kan deelnemen. De Iraniërs mogen niet bedrogen worden. Er bestaan bij ons verschillende denkrichtingen en dus uiteenlopende meningen. Men mag oppositie voeren tegen het beleid van de regering, mits dat uiteraard binnen de wettelijke en morele grenzen blijft.’

    Tijdens uw campagne beloofde u 
verbeteringen op het gebied van de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting. Toch worden er nog steeds journalisten gevangengezet 
en minderjarigen geëxecuteerd.
    ‘De regering handelt binnen de grenzen van haar bevoegdheden en het volk weet heel goed wat die grenzen zijn. De rechterlijke macht is onafhankelijk, evenals de wetgevende macht. Het kan gebeuren dat er geen overeenstemming bestaat tussen deze drie machten. 
Ik kan wetten aan het parlement voorstellen die het niet zal aannemen. 
Over bepaalde dossiers kan ik mijn eigen mening hebben. Maar het is van wezenlijk belang dat we ons aan de wet houden. Ook als ik het niet eens ben met een bepaalde maatregel die door het parlement is goedgekeurd en door de Raad van Hoeders is bekrachtigd, ben ik als president verplicht om er uitvoering aan te geven. Wat mijn beloftes betreft, die heb ik voor een groot deel ingelost. Voor de rest doe ik mijn uiterste best. De economische situatie is verbeterd, maar we gaan een moeilijk jaar tegemoet vanwege de olieprijs, die van 100 naar 20 dollar 
per vat is gezakt. Blijft het feit dat de huidige situatie heel anders is dan 
hetgeen ik bij mijn aantreden aantrof, en niemand kan me verwijten maken. Veel mensen kunnen het zich trouwens vandaag de dag permitteren om de regering in alle vrijheid verwijten te maken. Op de universiteiten kunnen politieke groeperingen zich vrijelijk uitspreken. Ik hoop al mijn beloftes in te lossen in de tijd die me rest.’

    Auteur: Christophe Ayad
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000
    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • 4. IS verslaan?

    4. IS verslaan?

    Bombarderen of niet bombarderen? Daarover gaat de discussie in het Westen als het IS betreft. Maar volgens de Libanese nieuwssite Now hebben militaire acties geen zin. Alleen door te proberen Irak nu eens écht te begrijpen, kunnen we een begin maken met een oplossing.

    Op dit moment heeft Amerika twee opties om IS te bestrijden, en die zijn geen van beide militair van aard. De eerste, een noodoplossing die in de toekomst wel eens contraproductief zou kunnen werken, houdt in dat het evenwicht tussen soennieten en sjiieten in Irak en de hele regio wordt hersteld. Daarvoor is het noodzakelijk dat Washington zich krachtig opstelt tegenover Iran, maar dat is een politiek die Obama zichtbaar tegenstaat. Dit ondanks het feit dat een nucleair akkoord met Teheran naar zijn eigen zeggen de VS de vrijheid zou bieden om zich zonder angst voor een nucleaire countdown te kunnen concentreren op de destabilisatiepolitiek van Iran.

    De tweede optie is Irak écht begrijpen – iets waar de Amerikanen niet voor openstaan, zoals Obama veelvuldig heeft herhaald. Amerika moet het idee loslaten een natie op te bouwen, en er juist voor zorgen dat het hele Midden-Oosten zich ontwikkelt tot een regio waarin gerechtigheid het wint van het recht van de sterkste.

    Pech gehad

    Om IS te ontmantelen moet Amerika eerst begrijpen wat de oorzaken zijn geweest voor het ontstaan van deze organisatie. Helemaal omdat Washington grotendeels verantwoordelijk is voor de situatie waaruit deze ergste terroristische groepering op aarde 
uiteindelijk is voortgekomen.

    Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, zoals geldt voor de meeste leiders van IS, dan hebt u vermoedelijk rond uw negende het uitbreken van de oorlog met Iran 
meegemaakt. In de jaren tachtig ging het op de Iraakse televisie alleen maar over dit conflict en werden de hele 
dag vaderlandslievende liederen en items met het laatste nieuws van het front uitgezonden. Tijdens deze oorlog werden de Irakezen voortdurend geconfronteerd met de dood van tientallen jonge mensen – ouders, vrienden, buren, naasten. In die tijd behoorden verdriet, sterfgevallen en begrafenissen tot de dagelijkse realiteit.

    Irakezen werden voortdurend geconfronteerd met de dood van ouders, vrienden, naasten

    In 1991 zou een Iraakse man die begin jaren zeventig geboren was rond de twintig zijn. Op dat moment viel Irak Koeweit binnen, dat vervolgens naar het stenen tijdperk werd teruggebombardeerd door de luchtaanvallen van een coalitie van veertien landen die 
de hele infrastructuur vernietigden 
en het Iraakse leger totaal uiteensloegen om het uit Koeweit te verdrijven.

    Dat was het moment waarop Washington de sjiieten in het zuiden en de Koerden in het noorden aanmoedigde om hun lot in eigen handen te nemen en tegen Saddam Hoessein in opstand te komen. Maar nadat de dictator de rebellen verpletterend had verslagen, was de enige reactie van Amerika: ‘pech gehad’.


    Vervolgens kregen de Irakezen ook nog een zwaar VN-embargo te verduren dat bijna tot hongersnood leidde. Door hyperinflatie daalde de dinar sterk in waarde, waarna de Iraakse regering geen andere keuze had dan het voedsel te rantsoeneren, en dat wordt tot op de dag van vandaag volgehouden.

    Net als Obama volgde ook oud-president Bill Clinton dezelfde beleidslijn – zich niet langer in de situatie ter plaatse mengen, maar wel de sancties hand‑
haven – met als enig resultaat dat de Iraakse bevolking nog verder verzwakte. Saddam en zijn handlangers hadden uiteraard geen last van het embargo 
en hebben het zelfs gebruikt om het weinige wat het land nog kon voortbrengen te plunderen. De rest van de bevolking leed armoede.

    De door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd

    Om de internationale sancties te overleven begonnen Irakezen die dicht bij de grens woonden te smokkelen. Na 2003 bleken de zo ontstane netwerken ook heel geschikt om mensen, geld en wapens te leveren voor een opstand die aan meer dan vierduizend Amerikanen het leven heeft gekost. Deze netwerken bestaan nog steeds en maken IS tot een goed geoliede organisatie, ondanks allerlei financiële sancties die door Amerika en de rest van de wereld zijn opgelegd.

    Afgezien van de wijdverspreide armoede en de werkloosheid moesten de Irakezen ook nog leven in de greep van een megalomane leider die steeds wreder werd naarmate zijn machts‑
basis verder afbrokkelde. Alsof deze optelsom van armoede, werkloosheid, geweld en economisch isolement nog niet genoeg was, bleven Amerika en zijn bondgenoten Irak bestoken op 
het punt van zijn programma voor massavernietigingswapens, ook al 
was dat inmiddels stopgezet. Van tijd tot tijd bombardeerden westerse 
jachtvliegtuigen Bagdad of andere delen van het land. Operatie Desert 
Fox in 1998 is daar een voorbeeld van.

    Operatie Wraak

    Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, en u hebt twee verwoestende conflicten, een VN-embargo, armoede, werkloosheid en de dictatuur van Saddam overleefd, dan hebt u dus de Operatie Iraqi Freedom in 2003 meegemaakt. Maar de door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd. Was u soenniet, dan was 2003 het jaar dat u er opeens onterecht van werd beschuldigd ofwel een Baath-aanhanger ofwel een terrorist te zijn. Zo raakten de vele duistere gevangenissen uit de tijd van Saddam langzaam vol met soennieten.

    Tegenwoordig zijn de Amerikanen en de rest van de wereld ervan overtuigd dat het een grove vergissing van Washington is geweest om de oorlog tegen Irak te beginnen, want dat gebeurde op grond van verkeerde inlichtingen van de onlangs overleden Ahmed Chalabi. Maar dat is enkel het topje van de ijsberg. Chalabi, van wie later duidelijk werd dat hij voor [de Iraanse] generaal Qasem Soleimani werkte, heeft de Verenigde Staten gevoed met valse inlichtingen, niet alleen voorafgaand aan, maar vooral na de oorlog. Onder invloed van Chalabi, dus in feite onder invloed van Iran, is Operatie Iraqi Freedom omgebogen in Operatie Wraak van Iran. De nieuwe Iraakse leiders – voornamelijk uit 
ballingschap teruggekeerde sjiieten 
en getrouwen van Teheran – hebben de Amerikaanse macht gebruikt om 
de fanatieke Saddam-aanhangers, maar tegelijk ook alle soennieten, 
volledig uit te schakelen.

    Auteur: Hussein Abdul Hussein
    Vertaler: Tess Visser

    Now
    Libanon | now.mmedia.me

    Arabische en Engelstalige nieuwssite sinds 2007, aanvankelijk geconcentreerd op Libanees nieuws. In 2012 werd de focus verlegd naar het gehele Midden-Oosten.

  • Oceaan en muur tussen Syriërs en de VS

    Oceaan en muur tussen Syriërs en de VS

    Kwestie van politieke onwil, noemt George Packer, schrijver en journalist van de New Yorker, het beschamend lage aantal (2000) Syrische vluchtelingen dat de VS toelaten.

    In november 1979 bracht de vrouw van de toenmalige Amerikaanse president Jimmy Carter, Rosalynn Carter, een bezoek aan een vluchtelingenkamp aan de grens van Thailand met Cambodja. Zuid-Vietnam, Cambodja en Laos (tezamen Indochina) waren vier jaar eerder geteisterd door communistische guerrillabewegingen, wat drie miljoen mensen op de vlucht deed slaan: Vietnamese bootvluchtelingen die aan vervolging probeerden te ontkomen, leden van de Hmong-minderheid die de pro-communistische verzetsbeweging Pathet Lao ontliepen en Cambodjaanse slachtoffers van genocide, oorlog en hongersnood. Niemand zat op deze ontheemden te wachten. Buurlanden stuurden gammele, overvolle Vietnamese vissersboten terug en de Thaise regering weigerde de Cambodjanen als vluchtelingen te erkennen; het leger liet velen aan de grens rechtsomkeert maken, de mijnenvelden in. Westerse regeringen stuurden liever hulp dan een reddende hand te bieden.

    De VS zouden ruim één miljoen Zuid-Aziatische vluchtelingen toelaten

    De Amerikanen hadden, na hun jarenlange, nutteloze oorlog in Vietnam, toch al een zekere weerzin tegen de hele regio. Hoewel Washington onmiskenbaar een bepaalde verantwoordelijkheid droeg, wilden sommige progressieve én conservatieve politici niet dat het land midden in een economische crisis geld aan buitenlanders uitgaf. In 1975 zei de zojuist ingezworen gouverneur van Californië Jerry Brown: ‘We kunnen onze blik niet achtduizend kilometer verderop richten en tegelijkertijd de mensen hier links laten liggen.’ Nadat president Gerald Ford toestemming had gegeven om 130.000 Zuid-Aziatische vluchtelingen toe te laten, probeerde iemand uit de kring rond Brown te voorkomen dat een vliegtuig vol vluchtelingen op luchtmachtbasis Travis Air Force Base landde, nabij Sacramento. Senator Jesse Helms maakte op raciale gronden be-zwaar tegen de landing, zonder zich achteraf te verontschuldigen. ‘Door dat hele smeltkroesidee hebben we met steeds meer maatschappelijke problemen te maken,’ zei hij. ‘Er bestaat grote bezorgdheid of zo’n grote groep zich wel aan de Amerikaanse normen en waarden kan aanpassen.’ Er heerste zelfs angst voor een communistische staatgreep.

    Kinderen met Syrische vlaggen voor het Witte Huis in Washington D.C. – © Glyn Lowe / Flickr Creative Commons
    Kinderen met Syrische vlaggen voor het Witte Huis in Washington D.C. – © Glyn Lowe / Flickr Creative Commons

    Jimmy Carter was een groot strijder voor mensenrechten, maar zijn regering stond niet te trappelen om de deuren open te zetten voor Cambodjanen die op de vlucht waren voor honger en gevechten tussen het Vietnamese bezettingsleger en de Rode Khmer. Eind 1979, toen de crisis op een ramp uitdraaide, voelde Carter de druk van democratische rivaal, senator Edward Kennedy, en stuurde hij zijn vrouw naar de chaotische grenskampen. Rosalynn Carter liep tussen de uitgehongerde en stervende mensen door met honderdvijftig journalisten in haar kielzog. Ze hield een baby die bijna doodging in haar armen terwijl ze met de moeder van het kind sprak, die op de grond lag. ‘Mag ik een glimlach?’ vroeg ze een andere vrouw, die ze een kus op het voorhoofd drukte. Na afloop zei mevrouw Carter dat ze snel naar huis terugging ‘om er mijn man over te vertellen’. Doordat de schijnwerpers als gevolg van haar bezoek op de kampen waren gericht, kwamen er internationale hulpprogramma’s en opvangregelingen op gang. Uiteindelijk zouden de VS ruim één miljoen Zuid-Aziatische vluchtelingen toelaten. De meesten bleken zich aan de Amerikaanse normen en waarden te kunnen aanpassen.

    First Lady Rosalynn Carter houdt een Cambodjaans kindje vast als zij in 1979 het vluchtelingenkamp Sa Kaeo bezoekt. – © Corbis
    First Lady Rosalynn Carter houdt een Cambodjaans kindje vast als zij in 1979 het vluchtelingenkamp Sa Kaeo bezoekt. – © Corbis

    Maar al te gemakkelijk wordt vergeten dat elk genereus gebaar dat de VS naar vluchtelingen maken aanvankelijk op fel verzet stuitte, dat werd gevoed door onwetendheid. Door de geschiedenis heen blijkt het optreden van de president de doorslag te hebben gegeven. Na de Tweede Wereldoorlog nam het Amerikaanse congres een wet aan die het Joodse slachtoffers van de nazi’s moeilijker maakte zich in de VS te vestigen dan gevluchte Duitsers. De voorzitter van de senaatscommissie voor immigratie, Chapman Revercomb uit West Virginia, schreef: ‘Velen die tot dit land willen worden toegelaten, hebben nauwelijks enige notie van onze vorm van bestuur. Velen zijn afkomstig uit landen waar het communisme is ontkiemd en waar het de politieke overtuigingen en ideeën van de mensen beheerst.’ De woede en de volharding van president Harry Truman moesten eraan te pas komen om het congres zover te krijgen meer vluchtelingen 
toe te laten en discriminerende maatregelen uit te bannen.


    Vier miljoen mensen zijn op de vlucht voor de burgeroorlog in Syrië, veel meer dan het verbijsterende aantal van Indochina. Het is de grootste humanitaire crisis van na de Tweede Wereldoorlog. De afgelopen maand staken maar liefst negenduizend mensen de Middellandse Zee over, op weg naar Europa. Maar de VS nemen nog geen tweeduizend Syrische vluchtelingen op. In september kondigde president Obama aan de quota voor 2016 naar tienduizend te zullen verhogen. Dat is maar de helft van het totale aantal vluchtelingen uit Indochina dat in 1980 maandelijks naar de VS kwam. Een voorstander van een ruimhartiger vluchtelingenbeleid noemde het ‘een beschamend laag aantal’. En zelfs dat bescheiden doel wordt waarschijnlijk niet eens gehaald.

    Hindernissen

    Het kan maar liefst twee jaar duren voordat Syrische vluchtelingen de 
aanvraagprocedure hebben doorlopen. De nationale veiligheid is zogenaamd de reden voor die lange duur, maar in werkelijkheid zijn de meeste hindernissen vooral bureaucratisch van aard. In de hele regio kampen vluchtelingencentra met onderbezetting en geldgebrek. Al ruim een jaar worden intakegesprekken met vluchtelingen in Libanon – waar één miljoen Syrische vluchtelingen wonen – uitgesteld omdat de Amerikaanse ambassade wordt verbouwd. Zulke gesprekken zouden door middel van een videoconference kunnen worden gevoerd; het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zou bedrijven toestemming kunnen verlenen en kunnen opleiden om een eerste screening te doen en de overbelaste kantoren van de Verenigde Naties ter plaatse te ontzien. De regering zou ervoor kunnen zorgen dat Syriërs die familie in Amerika hebben sneller een visum kunnen krijgen. Zulke technische maatregelen zijn vrij eenvoudig te nemen. De president zou ook de humanitaire noodtoestand kunnen uitroepen en op grond van een vluchtelingenwet die in 1980 nog door Carter werd ondertekend de vluchtelingenquota tot boven de jaarlijkse limiet kunnen verhogen. Het enige wat ontbreekt is politieke wil.

    De regering-Obama laat de Atlantische Oceaan de Amerikanen tegen de humanitaire gevolgen beschermen

    Zoals de verwoesting van Cambodja een indirect gevolg was van de Vietnamoorlog, zo heeft de Irakoorlog bijgedragen aan de strijd in Syrië, al was het maar omdat daardoor ruimte kwam voor de Islamitische Staat. De regering-Obama laat de Atlantische Oceaan de Amerikanen tegen de humanitaire gevolgen beschermen, alsof ligging hetzelfde is als morele verantwoordelijkheid. Lang geleden besloot de president dat Amerikaans militair ingrijpen geen einde aan de oorlog in Syrië kon maken. Dat is geen reden om dan ook maar minder mensen toe te laten. Anders dan senator Ted Cruz noemt Obama Syrische vluchtelingen geen ‘jihadisten die hiernaartoe komen om onschuldige Amerikanen te vermoorden’. Evenmin waarschuwt hij, zoals Donald Trump, dat ‘het paard van Troje niets is vergeleken bij een stelletje vluchtelingen die van IS blijken te zijn’. Maar van de passiviteit van de regering gaat wel dezelfde boodschap uit.

    Amerikaanse programmeurs en ondernemers van Aziatische komaf. – © Danny Choo / Flickr Creative Commons
    Amerikaanse programmeurs en ondernemers van Aziatische komaf. – © Danny Choo / Flickr Creative Commons

    Half november gaat Michelle Obama naar Jordanië en Qatar om onderwijsinitiatieven voor meisjes te promoten. In de geest van Rosalynn Carter, zesendertig novembers geleden, zou ze kunnen overwegen een uitstapje te maken naar een kamp met Syrische vluchtelingen aan de grens met Jordanië, waar ze met een moeder zou kunnen praten en een kind zou kunnen vasthouden. Als dat onhaalbaar is, zou ze op bezoek kunnen gaan bij een Syrisch gezin in een opvangcentrum in Istanboel, of bij het kantoor van de VN in Beiroet. Alleen al haar aanwezigheid zou de wereld laten zien dat haar echtgenoot, en bij uitbreiding het land waarover hij regeert, zich het lot van de vluchtelingen aantrekt.

    Auteur: George Packer
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New Yorker
    Verenigde Staten, weekblad, oplage 1.043.000
    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

  • 8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    Een woedende reactie op een Syrisch oppositieblog.

    Onder de daders van de aanslagen in Parijs waren Arabische moslims, aanhangers van het kalifaat, die in Frankrijk wonen, het land waarvan zij de nationaliteit hebben verworven. Door oorlog te voeren uit naam van IS menen zij de wereld tot de islam te kunnen bekeren. Wanneer begrijpen ze nu eens dat de islam in de versie van het kalifaat zich tegen de moslims zelf zal keren en de islam zal vernietigen? Wanneer zullen ze de godsdienst nu eens terzijde schuiven om een seculiere politieke strijd te voeren, zoals de rest van de wereld dat doet? Oorlog dient ertoe om de vrijheid, de soevereiniteit van een land te verdedigen en zijn fundamentele belangen, niet om de onwetendheid en de haat te doen zegevieren in de naam van de godsdienst. Alleen het gezamenlijk bestaan naast andere beschavingen in de wereld kan de islam uitzicht bieden op vooruitgang, op een verbetering van het bestaansniveau en op een culturele renaissance. Dat de moslims op hun eigen grondgebied kunnen leven, is dankzij de westerse uitvindingen. De auto’s die moslims gebruiken zijn gemaakt door ‘ongelovigen’, evenals het vliegtuig waarmee ze comfortabel op pelgrimstocht naar Mekka gaan. Zelfs de luidsprekers die zij daar tijdens het gebed gebruiken zijn ‘ongelovige producten’. Ze verbieden niet-moslims om Mekka binnen te gaan, maar het zijn de mobiele telefoons uit die ‘ongelovige landen’ die in hun plaats Mekka overstromen.

    Ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen

    De ergste oorlogen die op dit moment in de wereld woeden zijn die waarin moslims tegenover moslims staan – in Libië, Egypte, Somalië, Libanon, Syrië en in een aantal landen in Afrika. Maar ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen. Om zich te verzoenen met het moderne leven en de uitdaging van de ontwikkeling aan te kunnen gaan, dienen de moslims de hele geschiedenis te herzien. De olie van de Arabische landen zou geen stuiver waard zijn geweest als het Westen niet de industriële revolutie had ontketend. En als het Westen eenmaal de bronnen voor alternatieve energie heeft ontwikkeld, zullen de Arabieren zich geen raad meer weten. Een revolutie binnen de islam moet ons in staat stellen ons te verzoenen met het leven. Leven in vrede met andere volken, strijden tegen onderontwikkeling met dezelfde snelheid als het virus van het extremisme. Laten we ophouden met die religieuze instanties die God aanroepen om de onwetendheid te prediken. Laten de moslims eindelijk eens gaan geloven in burger-schap en in politieke strijd.

    Auteur: Habib Saleh
    Vertaler: Peter Bergsma

    Habib Saleh is blogger. In Syrië werd hij drie keer gearresteerd en veroordeeld tot gevangenisstraf, nog altijd verkondigt hij zijn onverbloemde mening op diverse platforms, waaronder syria4all en elaph, een pan-Arabische nieuwssite die in Syrië wordt gecensureerd. Zijn arrestaties werden aangevochten door mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, die op hun site ook zijn tijdelijke vermissing in 2008 meldden.

    All4Syria
    Syrië, all4syria.info
    Voor een vrij en verbonden vaderland, tegen sektarisme, discriminatie en alle vormen van monopolie van mening.

  • In Latakia is de sfeer optimistisch

    In Latakia is de sfeer optimistisch

    Sinds de Russische interventie in Syrië, heeft het leger van president Assad weer moed gevat in de strijd tegen IS. Russische journalisten op reportage in de alevitische stad Latakia krijgen een warm welkom.

    Het lijkt vreemd, maar in Latakia, de Syrische stad waar zich de Russische militaire basis bevindt, heerst een feestelijke sfeer. In deze stad, waar het in augustus 2011 tot heftige confrontaties kwam, is geen spoor van oorlog te bespeuren. Het straatleven heeft zijn normale gang hernomen: auto’s wachten geduldig in verkeersopstoppingen, vrouwen in strakke spijkerbroeken en T-shirts trekken beroepsmatig de aandacht van Russische journalisten. 
’s Avonds treffen de inwoners elkaar in de cafés, in het weekend worden feesten en bruiloften gevierd. Overdag kun je de Syriërs tegenkomen op het strand. De vrouwen lopen onbekommerd in badpak. Alles wijst erop dat deze mensen niet gediend zijn van islamisten.

    De veiligheid van de Russische militaire basis wordt verzekerd door helikopters en het Korps Mariniers. 
’s Avonds klinken in de verte schoten, maar de strijd komt niet in de buurt van de basis. Binnenkort zal het nog rustiger worden, want het Syrische leger is aan een offensief begonnen.

    Patriottische oorlog

    De regio Latakia is net als een groot deel van de Syrische kust alevitisch. Ook de Syrische president Bashar al-Assad behoort tot deze moslimminderheid en 
is uit de regio afkomstig. Zijn regime 
in Damascus wordt aangevallen door radicale islamistische organisaties [de ‘rebellen’], waartoe behalve IS ook Jabhat al-Nusra (ook wel Al-Nusra Front genaamd en gelieerd met Al-Qaida) en andere, minder belangrijke groeperingen behoren. Allemaal hebben ze zich schuldig gemaakt aan wrede etnische of religieuze zuiveringen onder de christelijke Arabieren, de Koerden, de Jezidi’s, de Assyriërs en de sjiieten. Ook de alevieten voelen zich dus rechtstreeks bedreigd door de terroristen, die op nog geen veertig kilometer van Latakia en de luchthaven Bassel Al-Assad opereren. Zij beschouwen de Russische vliegtuigen niet alleen als een schild, maar ook als een factor die een ommekeer in de oorlog teweeg kan brengen. Wij Russische journalisten ervaren dat dagelijks: de mensen salueren voor ons, nodigen ons uit voor een drankje in het café en groeten ons hartelijk.

    Momenteel hebben de rebellen het grootste deel van het land in handen. Alleen in Latakia, Tartus, Damascus en enkele andere steden is het vooroorlogse Syrië nog te zien, een gewoon oosters land, waar de industrie en de openbare diensten functioneren, internet en het mobiele netwerk werken, de cafés geopend zijn. Waar je op je laptop moeiteloos toegang krijgt tot YouTube, Twitter of Facebook. Alleen de sterke militaire aanwezigheid (Syrisch uiteraard) en de controleposten herinneren ons aan de bijzondere situatie in het land.

    De Syrische burgeroorlog is allang een patriottische oorlog geworden. Dat is iets wat de westerse journalisten en experts ontgaat: de Syriërs die vóór Damascus zijn strijden niet voor het regime van Assad, ze strijden voor hun land dat wordt aangevallen door islamisten van over de hele wereld. Zelfs de groeperingen die deze oorlog feitelijk begonnen zijn, zoals het Vrije Syrische Leger (FSA), hebben een wapenstilstand met Damascus gesloten nadat ze zelf werden geconfronteerd met het radicalisme en de wreedheden van de jihadisten. Geen Syriër moet daar iets van hebben.

    De mensen nodigen ons uit voor een drankje in het café en groeten ons hartelijk

    De aankondiging van een Syrisch offensief door de Syrische chef-staf generaal Ali Abdullah Ayyoub heeft de emoties en het patriottisme nog eens verder aangewakkerd. De Syrische officieren en soldaten maken een goede indruk op ons. Velen van hen zijn moderne jongeren die goed Engels spreken. Zij vechten tegen IS en het Al-Nusra Front. Dat laatste vecht niet alleen tegen het reguliere leger, maar voert ook onderling strijd. De terroristen die de leider van IS, Abou Bakr al-Baghdadi, niet erkennen, worden door het westen aangeduid als ‘gematigde oppositie’. Maar hun methodes zijn dezelfde: zelfmoordaanslagen, etnische zuiveringen, het bombarderen van loyalistische posities.


    De belangrijkste conflictgebieden bevinden zich niet alleen in de buitenwijken van Idlib, in Aleppo, rond Homs, in Hama en in Tadmur (Palmyra), maar ook in Hasaka en Deir ez-Zor in het oosten van het land, twee steden die in handen van het leger zijn maar worden belegerd door IS. De steden die de oorlog gespaard zijn gebleven zijn op de vingers van één hand te tellen. Ook Palestijnse eenheden vechten tegen IS, net als de Koerden, die een soort wapenstilstand met Damascus hebben gesloten. Een vreedzaam land, kortom, dat door krachten van buitenaf in een enorme vuurzee is veranderd. Een echo van de ‘Arabische Lente’ die in december 2010 in Tunesië begon als gevolg van binnenlandse conflicten, en zonder inmenging van buitenaf, maar algauw een heel ander karakter kreeg: zo analyseert Andrej Korotajev, islamspecialist en lid van het Instituut voor Oosterse Studies van de Russische Academie van Wetenschappen, de huidige gebeurtenissen. Hij is een van de weinige deskundigen op het gebied van een onderwerp dat ten grondslag ligt aan de grootste politieke controverse op de wereld: de opbouw en afbraak van staten, en de redenen voor burgeroorlogen en rampen. ‘De buitenlandse inmenging in de gebeurtenissen in Libië en daarna Syrië is zonneklaar,’ legt hij uit.

    IS biedt een alternatief door antwoord te geven op existentiële vragen van verwarde bekeerlingen

    In Syrië stak de revolutionaire liberale jeugd de lont in het kruitvat met haar democratische eisen. Toen ook andere stromingen zich bij hun beweging aansloten, met name de islamisten, is het Westen zich er echt mee gaan bemoeien. Aanvankelijk schaarden de westerlingen zich vierkant achter de tegenstanders van Assad. Ze stonden toe dat de jihadisten Syrië binnendrongen, ze hebben geld en wapens gestuurd. Het eerste verzetsleger, het Vrije Syrische Leger, bestond nog uit areligieuze tegenstanders, maar die kregen algauw gezelschap van radicale islamistische splintergroepen. Het breekpunt was de verschijning van het Al-Nusra Front. Daarna heeft IS zich op alle fronten 
in de strijd gestort, tegen de andere islamistische groeperingen en tegen Bashar al-Assad. Ze behaalden de ene overwinning na de andere en bezetten uiteindelijk een groot deel van het land. Al-Qaida is in vergelijking met hen een gematigde groepering. Toch was er een tijd dat Al-Nusra het absolute kwaad vertegenwoordigde in de ogen van de eerste islamistische groeperingen die zich tegen Assad verzetten. Nooit eerder waren er zo veel radicaliseringsgolven in zo korte tijd.

    Kinderen in Latakia tonen foto’s van de Syrische president Assad en de Russische president Poetin om hun steun te betuigen aan het Russische ingrijpen. © Dmitriy Vinogradov / HH
    Kinderen in Latakia tonen foto’s van de Syrische president Assad en de Russische president Poetin om hun steun te betuigen aan het Russische ingrijpen. © Dmitriy Vinogradov / HH

    De regering-Assad leek begin augustus 2015 te wankelen en Syrië balanceerde op de rand van de chaos. Maar in september heeft de frontlinie zich gestabiliseerd, is het offensief van IS gestokt en heeft zich een ommekeer in het krachtveld voltrokken toen het Syrische leger (dat wapens uit Rusland had ontvangen) haar posities versterkte. De Russische luchtmacht verscheen ten tonele op het moment dat het Syrische leger al klaar was voor een tegenoffensief. Als het leger van Assad erin slaagt de buitenwijken van Aleppo en Palmyra te bevrijden, zal IS gedwongen zijn zich terug te trekken in de woestijn.

    De psychologische impact van de Russische aanwezigheid is duidelijk zichtbaar

    De Russische betrokkenheid in Syrië is waarschijnlijk de opzienbarendste militaire en politieke operatie van het tijdperk-Poetin. (…) Vanuit historisch oogpunt bezien betekent deze interventie dat Rusland terugkeert op het internationale toneel als een belangrijke speler waarmee zijn tegenhangers, inclusief de Verenigde Staten, tot een akkoord moeten zien te komen, ook al is het tegen hun zin,’ schreef het invloedrijke Amerikaanse blad The National Interest. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk, zelfs voor de westerlingen, dat Rusland voortaan weer zijn partijtje meeblaast in de globale ontwikkelingen.

    Bescherming van de staten

    Het aantal Russische luchtaanvallen neemt toe. Bovendien worden ze afgestemd met de grondoperaties van het Syrische leger. De psychologische impact van de Russische aanwezigheid is duidelijk zichtbaar: voor het eerst sinds lange tijd heeft het Syrische leger het offensief weer ingezet en steden en dorpen bevrijd. En dan is het effect van het gebruik van Russische precisiewapens nog niet eens gemeten. Chirurgische aanvallen waren tot nu toe voorbehouden aan Washington.

    ‘De Russische operatie is op zichzelf al opzienbarend, en deze chirurgische aanvallen maken haar nog opzienbarender,’ aldus Roeslan Poechov van het Russische Centrum voor de Analyse van Strategie en Technologie (cast).

    Over het werkelijke militaire potentieel dat achter dit machtsvertoon schuilgaat blijven de meningen verdeeld. En als de kansen keren en Rusland met deze beperkte interventie zijn doel niet bereikt? Volgens sommige experts kost een lading van 26 raketten ongeveer een miljard roebel [zo’n veertien miljoen euro]. Rusland beschikt waarschijnlijk over voldoende middelen om de stabiliteit in Syrië te verzekeren. Maar als het de verkeerde kant op gaat, moet het land zich kunnen terugtrekken. Want het probleem in het Midden-Oosten gaat de hele beschaafde wereld aan, en het drama is nog maar net begonnen.

    De Syrische officieren en soldaten maken een goede indruk op ons

    Zelfs in landen waar dat indruiste tegen de Amerikaanse belangen heeft de ‘democratiseringspolitiek’ van de VS gewerkt. Maar vervolgens is het in deze landen [Tunesië, Egypte, Jemen] verschillende kanten op gegaan. Daar staat tegenover dat in landen waar de regimes van oudsher vijandig waren en weinig geneigd om samen te werken, zoals Libië en Syrië, de buitenlandse krachten de revolutie uit alle macht hebben gesteund, alleen maar om ze tot de ondergang te dwingen.

    De Verenigde Staten wilden Assad koste wat kost ten val brengen, totdat ze de controle volledig verloren: het gaat er niet langer om wie de oorlog tussen de staten en machtsblokken in het Midden-Oosten zal winnen, maar om hoe kan worden voorkomen dat alle staten het onderspit delven tegen IS.

    Maar is IS werkelijk zo machtig en verschrikkelijk? Andrej Korotajev windt er geen doekjes om: het gaat niet om zomaar een schurkenbende, maar om een aanval op de algehele beschaving. Het socialistische staatsmodel werd meegesleurd in de val van de Sovjet-Unie, het nationalistische model heeft zijn doeltreffendheid niet bewezen en de democratische mondialisering leidt tot de vernietiging van de staat als zodanig. De verantwoordelijken binnen de Russische politiek stellen zich terecht behoudend op: ze roepen 
op om de staatsinstellingen waar mogelijk in stand te houden. Maar dit idee zal nog ingang moeten vinden in een duurzame en constructieve toekomstvisie, want de natuurlijke afkalving van deze instellingen zal op een dag tot hun ondergang leiden, en het blijft de vraag waardoor ze vervangen moeten worden. IS, hoe misdadig, moordzuchtig en meedogenloos ook, biedt een alternatief door antwoord te geven op existentiële vragen van verwarde bekeerlingen. Heel wat mensen in het [Russische] noorden van de Kaukasus en het Midden-Oosten zijn ervan overtuigd dat zich in Syrië de strijd van het laatste kalifaat tegen de ongelovigen afspeelt voordat de apocalyps zich voltrekt. Wat kun je daartegenover stellen?

    Auteurs: Mikhail Rogojnikov, Andrei 
Vesselov, Marina Akhmedova 
en Dmitri Vinogradov
    Vertaler: Peter Bergsma

    Roesski Reporter
    Rusland, dagblad, oplage 168.000
    Nieuwsmagazine gericht op de middenklasse.

  • Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Kwaliteit produceren is niet voldoende. Je moet je ook aanpassen aan je markt, zegt de Japanse hoogleraar Technische Wetenschappen Yotaro Hatamura. Het tijdperk van Japan als technologische grootmacht lijkt ten einde.

    De industriële grootmacht Japan schudt al een tijdje op zijn grondvesten. Elektronicareuzen als Sony en Sharp kampen met financiële problemen en de halfgeleiderssector, kort geleden nog de trots van het land, wordt overvleugeld door zijn Zuid-Koreaanse en Chinese concurrenten. Wat is de oorzaak van dit debacle? Die vraag stelden we aan Yotaro Hatamura, emeritus hoogleraar Technische Wetenschappen aan de Universiteit van Tokio en verdediger van de theorie dat men door schade en schande wijs wordt.

    Na de Tweede Wereldoorlog voerde de Japanse industrie een verbeten strijd om haar achterstand op het Westen in te lopen en het vervolgens te overtroeven. Deze inspanningen hebben bijgedragen aan de economische ontwikkeling van het land; de groei bereikte zijn hoogtepunt in de jaren tachtig. Toen het technologische en kwalitatieve niveau van Japanse producten erkenning begon te vinden in het buitenland, ging de archipel er prat op een ‘technologische grootmacht’ te zijn. Maar sindsdien is de financiële situatie van de Japanse bedrijven danig verslechterd, vooral als gevolg van de prijsdaling die is veroorzaakt door de Chinese en Zuid-Koreaanse massaproductie.

    Hoe kan aan deze problemen het hoofd worden geboden? Yotaro Hatamura heeft een zeer originele kijk op deze vraag. Volgens hem kan de periode van zeventig jaar sinds 1945 worden verdeeld in twee grote tijdvakken: vijftig jaar wonderen en twintig jaar getalm. ‘Zoals schepen zich ’s nachts op hun bestemming oriënteren aan de hand van vuurtorens, hebben de Japanse ondernemingen een hoog technologisch niveau bereikt door zich op het Westen te oriënteren en alles in het werk te stellen om hun achterstand in te halen. Dat was hun bestaansreden.’ Maar nadat ze hun doel hadden bereikt, hebben ze het laten afweten. ‘De Japanse bedrijven hadden naar hun eigen bestaansredenen moeten zoeken, maar ze hebben zichzelf alleen maar gefeliciteerd.’

    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons
    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons

    Als voorbeeld noemt Hatamura de halfgeleiders. In de jaren tachtig voldeed meer dan 95 procent van de Japanse productie aan de kwaliteitsnormen, terwijl het Zuid-Koreaanse Samsung bleef steken op tussen de 60 en 70 procent. De Japanse fabrikanten staken de draak met hun Zuid-Koreaanse collega’s, die volgens hen alleen maar ‘rotzooi’ produceerden. Maar door tegen lage kosten te produceren is Samsung erin geslaagd grote hoeveelheden halfgeleiders af te zetten, waardoor het nieuwe apparatuur kon aanschaffen en daarmee de kwantiteit en de kwaliteit van zijn productie kon verbeteren, totdat het uiteindelijk de Japanse markten veroverde.

    Ongeluk

    Hatamura komt met een boodschap om de Japanse industrie te stimuleren: ‘Japan moet de illusie laten varen dat het een technologische grootmacht is.’ Dat dit nodig is werd hem duidelijk toen hij de commissie voorzat die het ongeluk in Fukushima onderzocht. Tot zijn grote verbazing bleken de verantwoordelijken voor de kerncentrale niet te weten in welke staat de brandstof in de reactoren verkeerde. Er waren diverse programma’s om die te analyseren en de resultaten daarvan spraken elkaar tegen. Bovendien waren alle programma’s van Amerikaanse makelij. ‘Met andere woorden, de Japanse centrales worden gerund door mensen die nooit rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van een ongeluk,’ aldus Hatamura. In principe moet er na een nucleair ongeluk een reconstructie plaatsvinden om er zeker van te zijn dat de uitkomsten van het gesimuleerde analyseprogramma corresponderen met de verschijnselen die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. De onderzoekscommissie had om zo’n reconstructie gevraagd, maar die werd te kostbaar bevonden.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren’

    Desondanks willen de regering en de zakenwereld de reactoren weer opstarten en hebben ze zelfs de ambitie die te exporteren. ‘Dat is ontoelaatbaar,’ zegt Hatamura met stemverheffing, en hij veroordeelt het weer opstarten van een van de reactoren op het eiland Kyushu. ‘Hoewel de eerste regel die in een nieuw reglementeringsprogramma zou moeten worden opgenomen het bestaan van een evacuatieplan voor de bevolking zou moeten zijn, is daarin niet voorzien. De regering en de elektriciteitsbedrijven zeggen “lessen te hebben getrokken uit Fukushima”, maar volgens mij hebben ze er alleen de lessen uit getrokken die ze wilden trekken.’ Volgens deze verdediger van het principe dat men door schade en schande wijs moet worden is er sprake van schrijnende onverschilligheid.

    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Als het eenmaal de illusie heeft laten varen dat het een technologische grootmacht is, wat voor toekomst heeft Japan dan nog in dit tijdperk van globalisering? Volgens Hatamura moeten de Japanse bedrijven zich ervan bewust worden dat er verschillende waarden bestaan, en drie regels in acht nemen die ook zijn eigen credo vormen: zich ter plaatse begeven, het werkelijke terrein verkennen en vervolgens in contact treden met de plaatselijke bevolking en in alle openheid met hen discussiëren. Op die manier zullen ze producten kunnen ontwikkelen die zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, met andere woorden, zullen ze de plaatselijke waarden leren begrijpen – en dat is volgens de emeritus hoogleraar de sleutel tot succes.

    Waarden

    Hatamura wijst erop dat sommige Japanse bedrijven deze drie regels inmiddels in praktijk beginnen te brengen. Zo is Nissan in China een succesvolle joint venture aangegaan met een plaatselijk bedrijf dat kleine motoren inbouwt in luxe automodellen. Veel Chinezen die hun auto als een statussymbool zien, hebben voor hetzelfde geld liever een luxueus model dan een model met goede prestaties.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren,’ aldus Hatamura. ‘In werkelijkheid zouden fabrikanten moeten proberen te beantwoorden aan de consumentenverwachtingen op het gebied van kwaliteit, prijs, ontwerp, functies, gebruiksgemak en -plezier, garantie enzovoort. Als Japan in de problemen is gekomen door de wereldwijde concurrentie, dan is het omdat het onvoldoende rekening heeft gehouden met de waarden van de lokale bevolkingen.’

    Kan men zich om die reden tevredenstellen met het verkopen van hoogwaardige technologie aan het buitenland? In 2013 leverde de East Japan Railway Company (JR East) 180 wagons van een oude serie aan Indonesië, samen met de technische ondersteuning die nodig was om het materieel te onderhouden. Het jaar daarop leverde het bedrijf er nog eens 170. De technische ondersteuning waarin het contract voorzag omvatte onderhoud, exploitatie en garantie. De afgelopen jaren was Japan ook in de strijd met China voor de aanleg van een hogesnelheidslijn in Indonesië [Jakarta heeft de opdracht op 4 september aan China gegund]. Het contract met JR East toont aan dat het niet voldoende is om de nieuwste modellen van de hogesnelheidstrein Shikansen te verkopen, maar dat je ook moet beseffen dat er gewoon behoefte kan zijn aan een regionaal netwerk, vooral als daar te weinig materieel voor is.

    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Volgens Hatamura moet Japan in staat zijn om in te spelen op de behoeften van zijn partners, ook al zijn die laatste zich daar misschien nog niet van bewust. ‘JR East verkoopt niet alleen treinstellen van een oude serie, het verkoopt ook spoorwegvoorzieningen. Door een land bekend te maken met je eigen manier van opereren draag je ook bij aan de ontwikkeling van dat land. Daarmee verzeker je je niet alleen van een markt, maar ook van plaatselijke waardering. En je kunt je manifesteren in landen waar je aanwezigheid onontbeerlijk is.’

    Niemand heeft een kant-en-klaarrecept om uit de industriële impasse te geraken. Maar om nieuwe waarden te kunnen kweken zal Japan zich allereerst moeten ontdoen van zijn trots als industriële grootmacht die, zoals we hebben gezien, alleen maar een illusie is.

    Indicatoren halfstok

    ‘Volgens recent gepubliceerde gegevens gunt de Japanse economie premier Abe nog geen rust in dit moeilijke jaar’, onthult The Economist. ‘Het bbp van Japan is in het tweede trimester met 1,2 procent gedaald, waar het eerste trimester nog een groei te zien gaf. Voor het derde trimester wordt gevreesd. De industriële productie is in augustus verder gedaald, wat op een mogelijke recessie duidt’, aldus het Britse weekblad. Toch toont premier Shinzo Abe zich optimistisch; hij mikt zelfs op een toename van het bbp met 22 procent tot 600 miljard yen [4500 miljard euro], overigens zonder aan te geven hoe hij dat wil bereiken en op welke termijn. De vertrouwensindex van de grote industriële bedrijven is in september met 3 procent gedaald.

    Auteur: Takashi Ishitsuka
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan, dagblad, oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)
    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.

  • Waarom de VN Syrië niet kan redden

    Waarom de VN Syrië niet kan redden

    De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.

    In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.

    De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.

    Maar zijn twijfel had ook politieke 
redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde 
diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet 
in geslaagd om een einde te maken 
aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.

    Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het 
spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.

    Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit

    Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van
 de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van 
wereldmachten als Rusland, China 
en de VS. (Omdat geen enkel land in 
de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)

    Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. 
Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.

    De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.

    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters
    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters

    Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. 
‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’

    Een van de grootste problemen van 
De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.

    Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’


    Vriendjespolitiek

    De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt 
de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. 
De opkomst van IS heeft de situatie 
nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.

    Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een 
pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed 
luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.

    Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.

    Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het 
geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.

    De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen 
je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’

    Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan 
ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.

    ‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’

    Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty

    Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de 
bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.

    Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.

    Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan 
ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde 
– al wist hij natuurlijk ook wel dat 
verklaringen alleen weinig uitrichten.

    ‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’


    Genève I en II

    Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.

    Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden 
beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.

    In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.

    Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na 
te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering 
gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle 
partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
    Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in 
Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.

    Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van 
Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in 
Genève heeft gevoerd, waren deels 
bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.


    Lokale gevechtspauzes

    In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. 
Ooit was Aleppo de trots van Syrië, 
een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.

    Maar toen de oorlog uitbrak werd 
Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.

    In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens 
de sleutel naar vrede kon zijn. Een 
bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.

    Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, 
en de stad was zowel doelwit van IS 
als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.

    En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.

    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis
    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis

    Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.

    Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden 
vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.

    Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden 
geworsteld. ‘De oppositie wilde niet 
dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’

    In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. 
De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’

    Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet 
tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.

    Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.

    Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.

    Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.

    Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. 
‘We moeten wel met ze samenwerken.’

    De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.


    Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie

    Geen formule

    Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op 
te houden met bloedvergieten.

    Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave 
te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak 
wist te forceren.

    De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ 
zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar 
dingen vóór op De Mistura, niet in 
de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het 
is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.

    Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het 
zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’

    Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.

    Janine di Giovanni

    (Foto boven: De Veiligheidsraad van de VN in New York. © Cem Ozdel / Getty)

  • ‘Sektarisme is een politiek instrument’

    ‘Sektarisme is een politiek instrument’

    Yassin al-Haj Saleh wordt vaak het geweten van de Syrische revolutie genoemd. Hij zat jarenlang gevangen en verblijft nu in Turkije. Hij laakt de mening in het Westen dat alle partijen in de Syrische oorlog één pot nat zijn, en dat de uitkomst ofwel een voortzetting zal zijn van de huidige dictatuur ofwel een vestiging van een jihadistisch regime.

    Yassin al-Haj Saleh werd in 1961 in Raqqa geboren. In 1980, toen hij geneeskunde studeerde in Aleppo, werd hij gearresteerd en gevangengezet vanwege zijn lidmaatschap van een linkse organisatie. Hij bleef tot 1996 politiek gevangene en bracht de laatste paar jaar van die zestien jaar door achter de tralies van de beruchte gevangenis van Tadmur, in de woestijn.

    Saleh is in de Syrische opstand, die drie jaar geleden begon, bekend geworden als een van de toonaangevende schrijvers en intellectuelen. Hij ontving in 2012 de door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken financieel ondersteunde Prins Claus Prijs, maar kon die prijs niet in ontvangst nemen omdat hij in Damascus was ondergedoken. Nu woont Saleh in ballingschap in Turkije en schrijft hij voor diverse internationale Arabischtalige publicaties. Samen met een groep Syriërs en Turken heeft hij onlangs in Istanboel een Syrisch Cultureel Huis opgericht, dat de naam Hamish (‘marge’ of ‘marginale groep’) draagt. Saleh heeft in het Arabisch een aantal boeken geschreven, waarvan Deliverance or Destruction? Syria at a Crossroads (2014) het meest recente is.

    Yassin al-Haj Saleh
    Yassin al-Haj Saleh

    Voor veel mensen in het Westen is de situatie in Syrië verwarrend. Zo zei president Obama bijvoorbeeld in augustus 2013 dat ‘het onderliggende conflict in Syrië’ lag aan ‘eeuwenoude sektarische geschillen’. Er wordt vaak gezegd – zowel in officiële buitenlands beleidskringen als onder socialisten en pacifistische activisten – dat er in het Syrische conflict geen ‘goede kant’ is, dat alle kanten even slecht zijn en dat het daarom onmogelijk is partij te kiezen. Wat vindt u van deze houding?

    Eigenlijk vind ik het nogal verwarrend dat veel mensen in het Westen de situatie in Syrië verwarrend vinden. Is het een kwestie van kennis en informatie? Ik ben geneigd te denken dat het een kwestie van politiek is. Verwarring zou een functie kunnen zijn van een zekere houding ten aanzien van onze strijd: inactiviteit, mijns inziens de ergste soort activiteit, niet alleen vanuit ons gezichtspunt als Syriërs, maar ook vanuit een regionaal en internationaal oogpunt, om maar niet te spreken van menselijkheid en menselijke solidariteit met de onderdrukten.

    Sektarische geschillen? Wat een scherpzinnige analyse! Als een gewapende organisatie haar zogenaamd nationale leger, media en middelen gebruikt om haar eigen mensen te doden als ze zich verzetten tegen de tirannieke overheersing – dan is dat toch amper een sektarisch conflict te noemen. We hebben het hier niet zomaar over een organisatie – we hebben het over het wrede staatsapparaat van het regime van Assad. Daarom is het belachelijk om de Syrische strijd te verklaren in termen van sektarische conflicten. Voor zover ik weet zijn staten geen partijen, toch?

    Ik wil helemaal niet suggereren dat er geen sektarische spanningen en conflicten zijn in de Syrische maatschappij. Er is door veel schrijvers, onder wie door mij, over sektarisme in Syrië geschreven. Mijn voornaamste conclusie is dat partijen door de politiek voortgebrachte entiteiten zijn en sektarisme een politiek instrument is om mensen in bedwang te houden, een strategie voor politieke overheersing. Het is zeker geen kwestie van sociale ‘geschillen’, maar veeleer een methode om sociale privileges te waarborgen en een strijd tegen tirannie en manipulatie om te vormen tot sektarisch getwist, een fitna. Het woord ‘fitna’ heeft religieuze sporen en het is dan ook opvallend dat de ‘seculiere’ Assad het woord zestien keer heeft gebruikt in zijn eerste toespraak na het begin van de revolutie, op 30 maart 2011.

    Zelfs nu, na meer dan duizend dagen strijd in Syrië, is het nog steeds een enorme politieke en ethische fout om te zeggen dat er alleen maar slechteriken zijn. Het regime is in essentie crimineel en biedt geen enkele oplossing voor de vele problemen in Syrië. Volgens mij zijn de mensen die zeggen dat alle kanten in Syrië even fout zijn, dezelfden die geloven in dat verachtelijke motto van de realpolitik: beter een duivel die je kent dan eentje die je niet kent. Waarmee wordt bedoeld dat de duivel die je kent eigenlijk geen duivel is. Alleen de duivel die je niet kent is de slechterik. Dat is slechte politiek bedrijven, gespeend van enige kennis en menselijke waarden.

    Evacuatie uit Homs - © Thaer Al Khalidiya/Reuters
    Evacuatie uit Homs – © Thaer Al Khalidiya/Reuters

    De Sloveense linkse filosoof Slavoj Žižek schreef een artikel voor The Guardian, waarin hij Syrië kenschetste als een ‘pseudostrijd’ zonder een radicale emancipatoire stem. Wat vindt u van die kritiek?

    Ten eerste gaat hij voorbij aan het feit dat het islamitische geloof een bevrijdend instrument kan zijn. Dat is een tegenstrijdig fenomeen, dat geef ik toe, maar het is er een. Religie en religiositeit kunnen een emancipatoire mobilisatie voeden. Ten tweede zegt hij niets over de oorzaak van de situatie in dit land – en dan met name extreme politieke armoede (geen recht op samenkomen, zelfs niet in de privéomgeving, geen vrijheid van meningsuiting of persvrijheid). Ten derde, het belangrijkste, doet de opstelling van Žižek en andere gelijkgestemden de seculiere Syriërs die tegen het regime strijden geen goed. Sterker nog, wij worden door deze houding verzwakt, en het versterkt zowel het regime als de islamieten.

    Wat ze eigenlijk zeggen, is dat mensen die geïnteresseerd zijn in de emancipatie van de massa niets te maken hebben met ‘pseudostrijd’ en maar het beste bij dat soort strijd uit de buurt kunnen blijven. Dit is onverantwoordelijk en ongevoelig ten aanzien van menselijk lijden. Hun aanbeveling – en ik denk dat dit het werkelijke criterium is voor de beoordeling van analyses van ‘linksen’ – is niet dat Syriërs als wij zich van de strijd distantiëren, maar erger: in feite kiezen ze nog meer de kant van het regime. Het regime is niet alleen verantwoordelijk voor het lijden van de Syriërs de afgelopen decennia, maar ook voor de dominantie van de jihadistische groepen waar Žižek over klaagt. Het probleem is niet dat dergelijke schrijvers iets belangrijks over Syrië negeren, maar dat ze bijna niets weten van dit erbarmelijke land.

    Cultuur kan een strategisch gebied kan zijn in onze strijd voor vrijheid en tegen fascisme

    Geeft u ons een idee van uw politieke biografie. U werd in 1961 in Raqqa geboren. Wat waren de politieke en intellectuele invloeden op u als jongeman? In 1980 werd u gearresteerd vanwege uw politiek activisme en zat u zestien jaar achter de tralies. Waar werd u precies voor gearresteerd? Wat deed uw groep in die periode? Hoe zag het Syrische politieke leven er in die tijd uit?

    Toen ik aan de universiteit van Aleppo studeerde, was ik lid van een van de twee communistische partijen in Syrië: de Syrian Communist Party-Political Bureau. De partij was tegen het regime van Hafez Assad en streed voor democratie. Ik werd beïnvloed door denkers als de twee overleden Syriërs Yassin al Hafez en Elias Murqus, en de Marokkaanse historicus en politiek theoreticus Abdallah Laroui. Aan degenen onder ons die op zoek waren naar een beter begrip van onze sociale en historische toestand boden ze een niet-dogmatisch marxisme dat gericht was op onze samenleving en culturele problemen. Onder hun invloed besloot ik dat ik schrijver wilde worden. We waren enthousiast over het eurocommunisme van de jaren zeventig, en kritisch ten aanzien van de Sovjet-Unie. Maar onze politieke identiteit was voornamelijk gestoeld op onze ervaringen in de strijd tegen de tirannieke heerschappij van Assad, de vader. Het was een combinatie van traditionele linkse verwantschap en een vergaande betrokkenheid bij de bevolking en een vrijheidsideaal.

    Vóór 1980 kon er amper gesproken worden van een politiek leven in Syrië. Er was een alliantie van zeven partijen, inclusief de traditionele communistische partij (die sterk leunde op de Sovjets). De alliantie, het National Progressive Front (NPF) stond onder leiding van de Baath-partij, en dit was zogenaamd het raamwerk voor het politieke leven in Syrië. In werkelijkheid was dit het raamwerk voor politieke dood. Andere groepen die standvastig tegenstand bleven bieden aan het regime werden gevangengezet. Gevangenissen en de NPF zijn nu dus al 41 jaar de politieke instituties in het land.

    Op politiek niveau veroordeelden we het regime scherp en hielden we het verantwoordelijk voor de sociale en nationale crisis die tussen 1979 en 1982 in het land uitbrak. Destijds vertoonde het regime van Hafez Assad steeds meer fascistische neigingen – georganiseerd geweld tegen elke onafhankelijke sociale of politieke activiteit, het stichten van ‘volksorganisaties’ om de maatschappij onder controle te houden, van schoolkinderen tot universiteiten, vrouwen en vakbonden. Het kweekte ook een diepgeworteld, wijdverbreid nepotisme dat een schaamteloos sektarisch element bevatte, en creëerde een Assad-cultus via de media, het leger en opleidingsinstanties en in openbare ruimten (standbeelden, banieren, portretten, liederen, ‘spontane marsen’). In een paar jaar tijd leidde dit tot een grote politieke en sociale crisis en een gewelddadige strijd tussen het regime en de Moslimbroederschap. Tegen de tijd dat het regime de strijd met bloedige middelen won, wat op internationaal niveau volledig werd genegeerd, was het al op weg om alle overgebleven vormen van politiek en cultureel leven te vermorzelen.

    De Syrian Communist Party-Political Bureau hekelde de fascistische uitbarstingen en sprak zich uit voor een democratische verandering om geweld in Syrië te voorkomen en het politieke systeem open te stellen voor organisaties en initiatieven van het volk. Wij namen in 1980 actief deel aan de protesten in veel Syrische steden. Daarna was ik gedwongen twee maanden onder te duiken, tot ik op 7 december 1980 werd gearresteerd. Ik was toen nog geen twintig en heb zestien jaar in de gevangenis doorgebracht. Riad al-Turk (de Syrische oppositieleider) heeft bijna achttien jaar in eenzame opsluiting gezeten.

    Toen ik uit de gevangenis kwam, werd ik schrijver en nam ik deel aan veel activiteiten van de oppositie. Zestien jaar in de gevangenis is lang, maar voor mij was het een vormende ervaring als een publieke intellectueel en als ethische agent in de strijd voor verandering. Tegelijkertijd was het een emancipatoire ervaring: door lijden, leren en strijd ontsnapte ik uit een aantal van mijn interne gevangenissen: die van nauwe politieke verwantschap, die van rigide ideologie en die van het ego van de intellectueel. De op één na belangrijkste invloed op mijn politieke identiteit is waarschijnlijk de revolutie die in maart 2011 begon en de strijd met open einde en op de vele niveaus die nu in mijn land woedt. Ik heb twee jaar ondergedoken gezeten in Damascus en nog eens zes maanden in andere delen van het land. Ik had de rol van intellectueel en schrijver, niet van politicus of politiek activist. Ik ben van plan me de komende jaren te richten op de culturele dimensies van de Syrische revolutie, omdat ik denk dat cultuur een strategisch gebied kan zijn in onze strijd voor vrijheid en tegen fascisme – zowel de Assad – als de islamitische versie.

    Onrecht voedt extremisme

    Nu we het toch over strijd voor vrijheid en tegen fascisme hebben: in een stuk dat u eind september voor de The Irish Times schreef, omschreef u de jihadisten in Syrië als ‘vijanden van de revolutie’, en u stelde dat ze in werkelijkheid dunner en minder samenhangend zijn dan de indruk die ze uit de verte maken. Het is onjuist, volgens u, om te beweren dat wat goed is voor de jihadisten, slecht is voor het regime. U zegt: ‘Wat wel waar is, is dat wat goed is voor de revolutie, het Vrije Syrische Leger en de democratische activisten in binnen- en buitenland, slecht is voor het regime en de jihadisten.’

    Kunt u hier voor de mensen die dat verwarrend vinden iets meer over zeggen? Tot op welke hoogte zijn democratische krachten in Syrië nu op twee fronten aan het strijden – het ene tegen het regime en het andere tegen de jihadisten? Als het regime van Assad de komende maanden ineen zou storten, zou er dan niet in de nasleep een tweede oorlog ontstaan tussen de democratische krachten binnen de revolutie en de jihadisten? In welke mate is die oorlog nu al gaande? Vraagt deze double bind waarin de Syrische democratische krachten zich bevinden niet juist om méér solidariteit van de internationalisten aan de zijlijn, in plaats van het de laatste tijd gangbaardere defaitistische wegkijken van het Syrische conflict?

    Jihadistische groeperingen kwamen pas vele maanden na het begin van de revolutie in Syrië. Hoe erger de situatie voor de meeste mensen werd, hoe beter de omstandigheden voor de extreme jihadisten. Als de sociale omgeving wordt vernietigd, en er dagelijks in het hele land tientallen mensen worden gedood terwijl de wereld gewoon toekijkt, is dat de perfecte wereld voor nihilistische groeperingen. Hun doctrines zijn juist gestoeld op de aanname dat de wereld slecht is en tegen hen – Arabieren of moslims – samenspant. Trouwens, dit is een paranoïde wereldbeeld dat het regime van Assad en de jihadistische groeperingen gemeen hebben. Het moge zo langzamerhand duidelijk zijn dat het regime blij is met de komst van deze groeperingen, omdat het daardoor in staat wordt gesteld het verhaal van ‘oorlog tegen het terrorisme’ te verkopen aan eenieder in het Westen en elders die het maar geloven wil. Er zijn prominente figuren in westerse inlichtingendiensten en diplomatieke kringen die pleiten voor een gecoördineerd optreden, samen met Assad, tegen terrorisme. Als je zo’n goed verkoopbaar product hebt, de ‘oorlog tegen het terrorisme’, ben je in staat om afspraken te maken met invloedrijke internationale mogendheden, en dat is iets waar het regime voortdurend van afhankelijk is om de internationale rechtmatigheid en het mandaat het bewind te blijven voeren te hernieuwen. ‘Voor eeuwig’ aan de macht blijven is het hoogste doel voor de Assad-dynastie.

    Dus het valt te verwachten dat het regime zijn best zal doen de productie van dit goed op grote schaal veilig te stellen. Speculatie of samenzweringstheorieën zijn eigenlijk onnodig om mogelijke geheime banden tussen het regime en een aantal van deze groeperingen te zien. Op 21 januari publiceerde The Telegraph op basis van westerse geheime inlichtingen een artikel over de geheime samenwerking tussen het regime en Al-Qaida, met name ten aanzien van de olie in het oostelijk deel van het land.

    Ik was tot halverwege de herfst van 2013 in Raqqa, waar het officiële hoofdkwartier van de ISIS (Islamitische Staat van Irak en Syrië en de Levant, een splintergroepering van Al-Qaida) zetelde in het enorme gebouw van de lokale overheid. Hoewel de strijders van het regime besloten dat het van strategisch groot belang was om in de eerste dagen van oktober een school aan te vallen, waarbij twintig leerlingen omkwamen, en ze helikopters bommen op woonwijken gooiden, werd er nooit op het ISIS-gebouw gericht.

    De beste manier om de jihadistische groeperingen te bestrijden is door radicale veranderingen door te voeren in Syrië en een einde te maken aan het regime dat al 44 jaar over het land heerst. Het verdwijnen van het regime, met alle daarbij behorende machinerieën van wreedheid en vernedering, zal nationale en democratische Syriërs en gematigde islamisten het mechanisme verschaffen om extremistische en expansionistische organisaties zoals de ISIS het hoofd te bieden. Dit zou dan een proces van tolerantie en verzoening in gang kunnen zetten tussen diverse Syrische partijen, en de roep om rede en vergeving te laten horen – dingen die nu onmogelijk klinken. Toen ik tussen april en juli 2013 in oostelijk Ghouta was, keek een lid van de Burgerbescherming, die tot taak had de doden te wassen en in een doodskist te leggen, me met een zwaar verminkt lichaam in zijn armen aan, en zei: ‘Istath (geleerde man), hoe kunnen we omgaan met degenen die een kind dit hebben aangedaan? Hoe kunnen we daarmee samenleven?’ Ik had op dat moment geen antwoord. Het is voor ‘istaths’ als wij onmogelijk iets nuttigs te doen zolang de grote moordenaar nog op zijn post zit en dagelijks voortgang boekt in zijn werk van martelen, uithongeren, bombarderen en moorden.

    Het gaat er niet alleen om dat het regime garen spint bij de reactionaire fascistische groeperingen die openlijk hun vijandschap ten aanzien van de revolutie uiten. De machten die trouw zijn gebleven aan de revolutie zijn juist degenen die tegenover deze nihilistische groeperingen zijn komen te staan. U weet misschien dat er zich begin dit jaar veel gevechten met de ISIS hebben voorgedaan waaraan veel gematigde groeperingen deelnamen, en dat de uitkomst was dat de ISIS uit heel Idlib en veel districten van Aleppo is verdreven. Dit gebeurde ondanks de oorlog die het regime voert tegen deze zelfde districten. Daarmee wil ik zeggen dat als de Syriërs maar tegen één vijand hoefden te vechten, het veel gemakkelijker zou zijn tegen partijen als de ISIS te vechten.

    De algemene sociale wet die de afgelopen drie jaar opgeld deed in Syrië, en overigens ook tijdens alle nachtmerrieachtige decennia onder de Assads, is dat extremisme extremisme voedt. Het is voor het land van essentieel belang dat de extremistische bron wordt uitgedroogd: het fascistische regime heeft een hele industrie van het doden van de arme bevolking, en de hele wereld weet dat nu na het lekken van 55.000 foto’s van 11.000 meedogenloos gemartelde lichamen. Deze hele moordenaarsbende naar de kerkers van de geschiedenis sturen zou een eerste stap zijn op weg naar het herstel van het land. Pas dan kan er een dynamiek ontstaan van gematigdheid en meetellen, die leidt tot het isoleren van de meest extremistische groeperingen. Gematigdheid is in Syrië onmogelijk zonder gerechtigheid voor het Syrische volk. Het verband tussen de concepten ‘gematigdheid’ en ‘gerechtigheid’ is in het Arabisch duidelijk: het woord i’tidal (gematigdheid) stamt af van adl (gerechtigheid). Dienovereenkomstig voedt onrecht extremisme.

    Wat internationalistische partijen over de hele wereld moeten weten, is dat er niets progressiefs, anti-imperialistisch of seculiers is aan het regime. Het is een fascistisch regime, een zwaar sektarische en ernstig corrupte junta die tot elke misdaad bereid is om maar aan de macht te blijven. Op de dag dat de tweede ronde van besprekingen in Genève begon, stelde een televisiepresentator in een interview een vraag aan Assads adviseur Buthaina Shaaban over de 11.000 slachtoffers in de dodenfabrieken van het regime. Zij antwoordde: ‘En hoe zit het met het lot van de christenen? Vindt u dat niet belangrijk? Weet u dat er nog steeds elf nonnen ontvoerd zijn?’ Dat is representatief voor de denkrichting van het regime. In een commentaar op de chemische afslachting op 21 augustus in oostelijk Ghouta zei Shaaban dat de doden kinderen uit kustplaatsjes waren (alevieten dus), die waren ontvoerd, naar Ghouta waren gebracht en vergast! Zelfs het Franse kolonialisme dat Syrië tussen de wereldoorlogen beheerste was niet zo efficiënt in het verdeel-en-heersbeleid als dit regime.

    Het is ook duidelijk dat de imperialistische machten hun best doen om ervoor te zorgen dat het regime niet valt of zelfs maar verzwakt raakt. Sterker nog, ze doen precies het tegenovergestelde: ze hebben noch het Vrije Syrische Leger (FSA) noch de Syrische Nationale Raad geholpen no-flyzones en veilige zones in te stellen, iets waar deze groepen al sinds het najaar 2011 om vragen. Er is door het FSA geen enkele Stinger-raket verkregen, terwijl het regime al meer dan achttien maanden gevechtsvliegtuigen inzet.

    Een jongen voor een beschadigd legervoertuig in Homs - © Ahmed Jadallah/Reuters
    Een jongen voor een beschadigd legervoertuig in Homs – © Ahmed Jadallah/Reuters

    Bent u het eens met de stelling dat de situatie die u beschrijft herinneringen oproept aan de Spaanse Burgeroorlog, waarin de democratische krachten binnen de revolutie (de POUM, anarchosyndicalisten, onafhankelijke socialisten) op het ene front tegen Franco’s fascisten vochten, maar zich na verloop van tijd tegenover de stalinisten wisten, die evenveel – of zo mogelijk nog meer – tijd besteedden aan het bevechten van de democratische krachten van de revolutie als aan het bestrijden van Franco? Bevinden de democratische machten in Syrië zich heden ten dage in een soort parallelle situatie?

    De zaken in Syrië zijn nu veel gecompliceerder dan ze driekwart eeuw geleden in Spanje waren. Niet alleen omdat de jihadisten, onze ‘stalinisten’, een last voor de revolutie zijn (ze zijn inderdaad vijanden van de revolutie), maar ook omdat een aantal van hen wordt verdacht van een geheime samenwerking met het regime, en dat het regime zijn best doet om de zaak van de zogenaamde vijanden te stimuleren. Daarnaast hebben alleen de ergste van onze ‘stalinisten’ en uiteraard het fascistische regime buitenlandse vrijwilligers. Wij hebben geen democratische of republikeinse vrijwilligers, zoals het geval was in Spanje.

    Misschien is de militaire zwakte van de democratische machten in Syrië het grootste verschil. De democraten in het land namen niet hun toevlucht tot wapens om de bevolking te beschermen, ook al steunden velen van hen de strijd van het volk tegen de fascistische aanhangers van Assad. Dit is een reden – de belangrijkste reden zelfs – waarom diverse soorten islamisten leidinggevende posities in het gewapend verzet innemen. De andere reden is dat het regime degenen die de leiding hadden tijdens de opstanden heeft gearresteerd, gedood of verbannen. Hoewel dit goed is voor de islamisten, zegt het een hoop over het ‘seculiere’ regime en de zogenaamde oppositie tegen fundamentalisten. Het is net als Franco die de Spaanse Communistische Partij cultiveerde om de Europeanen en Amerikanen te chanteren tot betrokkenheid bij en medewerking aan zijn regime.

    Uiteindelijk was Franco een dictator, en een heel wrede, maar met een visie voor Spanje en de grootsheid van het land, die was afgeleid uit de vocabulaire en idealen van Europees rechts uit die tijd. Vergeleken daarmee is Bashar op geen enkele betekenisvolle manier een nationalist. Hij is alleen maar een massamoordenaar, en hij en zijn bende hebben geen enkele visie of ideaal ten aanzien van Syrië of Syrisch nationalisme. Zijn enige heilige principe is macht – aan de macht blijven tot hij sterft, en zijn post niet aan zomaar een jonge Juan Carlos overdragen, maar aan zijn zoon, die niet geheel toevallig Hafez heet.

    Er is wel een grote gelijkenis tussen het verloop van de Syrische revolutie en oorlog en die van Spanje, namelijk de rol van de democratische westerse grootmachten ten aanzien van de twee zaken: die is kortzichtig, besluiteloos, zonder visie en moed, contraproductief en zeer egoïstisch. Dat is schadelijk voor ons Syriërs, net zoals het destijds schadelijk was voor de Spanjaarden. En de tijd zal leren dat het schadelijk is voor de wereld als geheel.

    Michael Ignatieff heeft betoogd dat een van de redenen waarom er geen interventie is gepleegd in Syrië, is dat de Syrische oppositie heeft gefaald. In een vergelijking tussen Bosnië en Syrië zegt hij: ‘Interventie zal niet gebeuren totdat tussenkomende partijen zich kunnen identificeren met een zaak waar democratische kiezers in het Westen zich achter kunnen scharen. In voormalig Joegoslavië begrepen de Bosnische inwoners van Sarajevo dit als geen ander en hielpen ze de westerse verontwaardiging aan te wakkeren, waardoor interventie uiteindelijk mogelijk werd. Zij hadden altijd gestaan voor een tolerante stad waarin meerdere geloven verenigd waren, en achteraf gezien hebben ze een grootse klus geklaard door te zorgen dat Europa achter de zaak ging staan. Er werd uiteindelijk in 1995 geïntervenieerd, tenminste tot op zekere hoogte, omdat de Bosniërs werden gezien als waardige slachtoffers die konden worden geholpen uit naam van de algemene verdediging van “Europese waarden”.’

    De genocide van Srebrenica en het bombardement van de markt in Sarajevo gaven het startschot voor de interventie, maar de ideologische basis was in het Westen al gelegd door de slachtoffers van de belegering van Sarajevo. Tot nog toe zijn de Syriërs er niet in geslaagd een universele claim neer te leggen.

    De beschadigde souk van Homs - © Yazan Homsy/Reuters
    De beschadigde souk van Homs – © Yazan Homsy/Reuters

    Kunt iets over dit betoog zeggen? Bent u het eens met de stelling dat de Syrische oppositie in dit opzicht heeft gefaald?

    Wel, de Syrische oppositie is er niet in geslaagd om het verschrikkelijke lijden van Syrië een universele betekenis te geven. Ik heb dit zelf geconstateerd toen ik naar Turkije ging. De Syrische politici en activisten daar doen óf alleen zaken met officiële Turkse instanties, óf wonen in hun eigen geïsoleerde gemeenschappen. Ze organiseren demonstraties in Turkse steden, maar met spandoeken en slogans die alleen in het Arabisch geschreven zijn, en dus bereiken ze de Turkse gemeenschap niet met hun boodschap. Het lijkt erop dat dit ook geldt voor Frankrijk, waar al lang een Syrische gemeenschap met veel intellectuelen woont.

    Ik denk dat een reden waarom er sprake is van een monoloog in plaats van een dialoog te maken heeft met de standaard interactiemodus van Syriërs: we leven eigenlijk al een halve eeuw in eenzaamheid. Zo’n 90 procent van de Syriërs heeft waarschijnlijk nooit een andere politieke formatie gekend dan het Baath-regime, en misschien wel meer dan 80 procent heeft alleen de monsterachtige Hafez en zijn verschrikkelijke zoon Bashar gekend. Verder is er in Syrië en de Arabische wereld als geheel een diepgewortelde haat ten aanzien van het Westen als gevolg van hedendaagse traumatische ervaringen met de grote westerse mogendheden. De Palestijnse kwestie is een belangrijk symbool voor de kloof tussen de twee werelden en een dynamische bron van Arabische vijandigheid ten aanzien van het Westen. Het is ook een bron van aarzeling voor het vragen om westerse hulp. Desalniettemin zijn de Syriërs realistisch genoeg om al vanaf de zomer van 2011 om hulp te vragen, zelfs voordat ze naar de wapens grepen om zichzelf te verdedigen en zelfs voordat ze hun toevlucht zochten tot God als de enige strategische kern van wie ze steun verlangen.

    Ik zou daaraan willen toevoegen dat pas sinds kort, in de afgelopen maanden of zo, een toenemend aantal Syriërs is gaan beseffen dat hun zaak, de Syrische zaak, een mondiale zaak is die in dezelfde context moet worden beschouwd als de strijd om de vrijheid die de Oost-Europeanen en Zuid-Afrikanen hebben gevoerd. Volgens mij zijn er op dat niveau dingen aan het veranderen, en wellicht zullen we meer Syriërs gaan zien die hun zaak in de mondiale arena bevechten.

    Maar om terug te komen op Ignatieffs constatering: ik denk dat de Syrische strijd niet alleen veel zegt over het falen van de Syrische oppositie, maar ook over het falen van een op het Westen geconcentreerde benadering. De op het Westen gerichte benadering verwacht dat de onderdrukten en zwakken de westerse mogendheden zien als het geweten van de wereld, of als de rechtvaardige wijze die je moet overtuigen van de rechtvaardigheid van je zaak – en als je geduldig genoeg bent, zul je hem uiteindelijk overtuigen en zal hij handelen volgens de principes van rechtvaardigheid en mensenrechten. Ik ben bang dat dat verhaal een fabeltje is. Palestina is wat dat betreft heel toepasselijk. De hele wereld kent de situatie heel goed en weet ook uitstekend wie de koloniale macht is die maar blijft knagen aan het Palestijnse land en de Palestijnse middelen, sterker nog, aan hun hele bestaan. Voor Palestina hebben we een ‘vredesproces’ dat al 23 jaar duurt, het belachelijkste uit de geschiedenis.

    Welke keuze hebben we als een regime zijn eigen mensen met chemische wapens doodt en de grootste wereldmacht genoegen neemt met het innemen van slechts een deel van de wapens van de misdadiger, zonder enige vorm van straf? Welke conclusie zal de oorlogsmisdadiger trekken, anders dan dat hij gewoon door kan gaan met moorden, zij het met andere wapens? Kun je de Amerikaanse houding interpreteren als: ‘Het is in orde om een bepaald soort mensen te doden. Zij zijn niet de verkeerde mensen om te doden. Waarom zouden wij ons druk maken en voor hen interveniëren?

    Overigens was militair ingrijpen niet onontkoombaar, en er waren maar weinig Syriërs die daarom vroegen. Waar Syriërs op hoopten, was enige vorm van militaire ondersteuning waarmee ze de taak dan zelf zouden hebben uitgevoerd. En ik denk dat dit nou precies is wat de invloedrijke mogendheden niet wilden dat er zou gebeuren. Het is ook belangrijk om te zeggen dat de Verenigde Staten niet alleen onwillig waren in te grijpen, maar dat zij ook andere landen onder druk zetten – Frankrijk, Turkije en een aantal Golfstaten – om geen efficiënte wapens te leveren aan de Syrische rebellen. De huidige impasse is niet een inherent kenmerk van conflicten in het Midden-Oosten, het is iets wat is bewerkstelligd door onze vermeende ‘vriend’ Amerika, de supermacht. Dat komt niet aan bod in de benadering van Ignatieff.

    Wat ik samenvattend wil zeggen, is dat hoe ernstig de tekortkomingen van de Syrische oppositie ook zijn – en ze zijn ernstig – het voor ons onmogelijk is geweest de ‘internationale gemeenschap’ ervan te overtuigen dat wij ‘waardige slachtoffers’ zijn die kunnen worden geholpen uit naam van de algemene verdediging van ‘Europese waarden’. Ik ben bang dat de Europeanen, wanneer het het Midden-Oosten betreft, de eersten zijn die hun verkondigde waarden loslaten. Dit moet veranderen, want alleen nihilistische groeperingen als Al-Qaida gedijen in dergelijke omstandigheden.

    Auteurs: Danny Postel en Nader Hashemi
    Vertaling: Martinette Susijn

    The Boston Review
    VS, tweemaandelijks, oplage 10.000
    In 1975 opgericht door een groepje studenten in Massachussets en dankzij een moedige, immer progressieve koers uitgegroeid tot toonaangevend blad waarin meer en minder beroemde schrijvers, politici en grote denkers als Noam Chomsky en Tom Paine hun ideeën uiteenzetten. Behalve essays en politieke geschriften is er ook ruimte voor poëzie.