Het wemelt van de paramilitaire groeperingen in het Midden-Oosten. Uniek aan Hezbollah is dat het zich steeds meer gedraagt als een echte staat.
Het komt zelden voor dat milities net zo machtig worden als het leger. Over het algemeen is een militie oneindig veel zwakker dan het leger van de staat waarvan ze deel uitmaakt. Neem de voorvechters van white supremacy in de VS, of de extremistische Joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever. De milities die ze vormen zijn niet opgewassen tegen het militaire apparaat van de overheden. Bovendien is de zaak waarvoor ze strijden doorgaans zo omstreden en op een beperkte groep gericht, dat niemand ze ervan zal verdenken de belangen van een breder collectief te behartigen. Hun racisme staat niet ter discussie, en ze doen ook geen moeite om anderen te winnen voor hun ideeën over superioriteit, of om eenstemmigheid omtrent hun uitspraken af te dwingen.
Niemand zal het in zijn hoofd halen ze als lichtend voorbeeld op te voeren. Het zijn derhalve ‘marginale’ milities. Maar er zijn ook ‘centrale’ milities. Zoals de Revolutionaire Garde in Iran, of de Iraaks-sjiitische milities Hashd al-Shaabi. Die vormen geen tegenwicht voor het leger van hun staat, maar vullen het aan. Ze volgen het model van Europese totalitaire regimes door taken uit te voeren die hun door de regimes zijn opgedragen. Hiervoor ontvangen ze aanzienlijke budgetten, die worden toegewezen uit naam van ideologische credo’s over de verdediging van het vaderland, de strijd tegen verraderlijke buitenlandse of binnenlandse samenzweringen, enzovoort.
Ooit was [het Libanese] Hezbollah een militie van de eerste soort: ‘marginaal’. Dat was in de jaren tachtig, toen ze door de Revolutionaire Garde werd getraind, in de dagen dat slogans als ‘uw sluier is mij dierbaarder dan mijn bloed’ het goed deden, en ongesluierde vrouwen zuur in hun gezicht kregen. Maar al snel werd Hezbollah een ‘centrale’ militie. Daartoe doopte ze zich om tot verzetsorganisatie die als heilig streven zei te hebben om door Israël bezet Arabisch land te bevrijden. Vervolgens werd Hezbollah erkend en gelegitimeerd door de inter-Libanese vredesakkoorden. De beweging ging deel uitmaken van de regeringsmachinerie, met parlementariërs en ministers. Uiteindelijk werd Hezbollah een actor in de oorlog in Syrië. De benoeming tot Libanese president van christen Michel Aoun, die nooit een geheim heeft gemaakt van zijn banden met Hezbollah, betekent dat de beweging het Libanese buitenlandbeleid mag bepalen.
Door zich voor te doen als het ‘verzet’ verschafte Hezbollah zich voldoende legitimiteit om over alle belangrijke politieke kwesties mee te beslissen
Dit alles heeft de status van Hezbollah als ‘centrale’ militie versterkt. De beweging heeft zich altijd als grensbewaker opgeworpen, in het zuiden tegen Israël, en daarna op nog wat grovere wijze in het oosten, waar Libanon aan Syrië grenst. In werkelijkheid ging het Hezbollah niet om bescherming van de grenzen, maar om binnenlandse politiek. Door zich voor te doen als het ‘verzet’ verschafte Hezbollah zich voldoende legitimiteit om over alle belangrijke politieke kwesties mee te beslissen – en uiteindelijk naar de politieke macht te reiken en sterker te worden dan het Libanese leger.
Vandaag betalen we de prijs. De wereld behandelt Libanon en Hezbollah alsof ze twee hoofden van hetzelfde lichaam zijn. Recente Amerikaanse sancties en het Europese verzoek om geen onderscheid te maken tussen de ‘politieke’ en de ‘militaire’ tak van Hezbollah zijn wellicht een eerste stap naar vijandelijkheden die hun beslag zullen krijgen tegen de achtergrond van de spanningen tussen de VS en Iran.
Auteur: Hazem Saghieh
Vertaler: Carl Stellweg
CONTEXT: Eén groot slagveld
Vanaf een grondgebied dat zich uitstrekt van Iran tot aan Libanon – een grondgebied van vier landen die onder Iraanse controle staan – kunnen raketten op Israël worden afgevuurd om de wereld de macht van Teheran te tonen.
Na veertig jaar vijandschap tussen Irak en Syrië – twee landen die onder bewind stonden van rivaliserende facties van de Baath-beweging – wordt de Iraaks-Syrische grens tegenwoordig gecontroleerd door twee regimes die strategische bondgenoten zijn van Iran. Iraakse sjiitische militieleden zouden zelfs de grens zijn overgestoken om de Syrische strijdkrachten en hun bondgenoten te assisteren bij de bevrijding van de Syrische stad Deir ez-Zor, die onder controle stond van IS.
Qassem Soleimani, de leider van de Al-Quds Brigade, een speciale Iraanse strijdmacht die zich mengt in de oorlogen in Irak en Syrië, verwelkomde de Iraakse milities ter plaatse. De grens overwippen was geen probleem, ook niet voor Iraanse leiders die het front kwamen inspecteren.
Dit is meer dan politiek vertoon, het is een tot wasdom gekomen militaire strategie
Libanon hoort ook bij deze invloedssfeer, omdat ook het pro-Iraanse Hezbollah zich aan beide kanten van de grens ophoudt. Recent zijn grote tanks in Hezbollah-kleuren waargenomen in Noord-Irak, nabij Syrië, en het lijkt erop dat deze tanks van het Syrische leger afkomstig zijn. Volgens het Russische nieuwsagentschap Spoetnik heeft het Iraakse leger alleen T90-tanks, terwijl Hezbollah en Iraakse sjiitische milities de beschikking hebben over efficiëntere T90A’s met Chilka-kanonnen. Dit kan erop wijzen dat er niet alleen internationale grenzen maar ook wapens worden gedeeld, maar het herinnert ook aan de Iraanse voorkeur voor milities die sterker zijn dan nationale legers: zie Hezbollah in Libanon en de Revolutionaire Garde in Iran zelf.
De geografische continuïteit van deze ‘As van Verzet’ (anti-Israël en anti-Saoedi-Arabië) is een bron van trots geworden voor Iraanse gezagsdragers, die daar ook intern gebruik van maken. Ali Akbar Velayati, adviseur van geestelijk leider Ali Khamenei, liet pro-Iraanse strijders in Aleppo weten dat toekomstige gevechten zich zullen afspelen in de rest van Oost-Syrië, wat een uitbreiding van het slagveld betekent. Iraanse functionarissen herhaalden dat de As van Verzet vanuit Teheran via Bagdad, Damascus en Beiroet naar Palestina leidt. Dit is meer dan politiek vertoon, het is een tot wasdom gekomen militaire strategie, zo bleek bijvoorbeeld toen er een Israëlisch vliegtuig boven Libanees grondgebied vanaf de Syrische kant van de grens werd bestookt door een luchtdoelraket.
Hoe denkt Iran op deze aan elkaar grenzende slagvelden te opereren als er een totale oorlog zou uitbreken met Israël? Ten eerste zouden er vanaf verschillende locaties, en met grote intensiteit, ballistische raketten worden afgevuurd om het Israëlische luchtverdedigingssysteem, dat bekendstaat als de ‘ijzeren koepel’, lam te leggen, en zo belangrijke Israëlische doelen bloot te leggen. Daarnaast kunnen al deze aanvallen de vuurkracht van Israël beperken. Ten slotte vergemakkelijkt de geografische continuïteit de verplaatsing van Arabische en buitenlandse strijders op de grond, hoewel dit niet echt nuttig is gezien het luchtoverwicht van de Israëliërs en hun vermogen om infanterie op die manier een halt toe te roepen. Anderzijds zorgt deze geografische continuïteit ervoor dat de boodschap van Irans kracht in de regio luid en duidelijk aankomt, dat er oorlogen en conflicten op afstand kunnen worden beslecht en dat Teheran, zeker op nucleair gebied, een benijdenswaardige internationale onderhandelingspositie krijgt. (Al-Modon, Beiroet)
Er doen steeds meer geruchten de ronde over een ophanden zijnde oorlog tussen de coalitie onder leiding van Iran en een onwaarschijnlijk Israëlisch-Saoedisch bondgenootschap, maar een scenario daarvoor is moeilijk voorstelbaar. Hoewel de twee graag met hun tegenstander zouden willen afrekenen, heeft geen van beide er voorlopig belang bij een militaire confrontatie aan te gaan. Een rondgang langs de partijen die graag een goede oorlog zouden willen… maar dan wel bij volmacht.
IRAN
Sinds zes jaar investeert de Iraanse Revolutionaire Garde (IRG) in Teheran zwaar in Syrië om het regime van Assad te steunen. Deze steun kent diverse vormen: het sturen van ‘militaire adviseurs’ van de Sepah-e Qods, een speciale afdeling van de IRG, het inzetten van enkele duizenden (Libanese) Hezbollahstrijders, het aanvliegen van nieuwe wapens naar de luchthaven van Damascus, het werven door sjiitische milities van duizenden burgers (voornamelijk Afghaanse vluchtelingen) en het verstrekken van kredieten ter hoogte van 1 miljard dollar om de solvabiliteit van de clan van Assad te garanderen. Toch is dat alles onvoldoende gebleken voor een definitieve overwinning van het Syrische regime, dat daardoor slechts in het zadel werd gehouden totdat in september 2015 de Russen tussenbeide kwamen. Nu het voortbestaan van Assad verzekerd is, heeft Iran van de situatie gebruikgemaakt door zeer belangrijke strategische mijnconcessies in Syrië te bedingen en het recht om er een luchtmachtbasis en een militaire haven in de Middellandse Zee te bouwen.
ISRAËL
Bedient zich afwisselend van diplomatieke druk en militaire dreigementen om Teheran ervan te weerhouden een permanent bastion in Syrië te vestigen. Dit Israëlische beleid lijkt in te spelen op een interne strijd binnen het Iraanse regime, waar sommige facties van mening zijn dat de miljardeninvesteringen in de Syrische infrastructuur een beletsel zijn voor het economisch herstel van Iran zelf. Voorlopig heeft Teheran er geen enkel belang bij om in Syrië of Libanon een oorlog te ontketenen tussen zijn plaatselijke bondgenoten en Israël. Iran zou de confrontatie met Israël liever op een ‘gemakkelijker’ terrein willen aangaan: de zuidgrens tussen Israël en de Gazastrook. Een delegatie van Hamas (dat nog steeds Gaza bestuurt) was onlangs op bezoek in Teheran, en een tweede bezoek is binnenkort voorzien.
De relatie tussen Hamas en Iran is bekoeld aan het begin van de Syrische oorlog, toen Iran het Syrische regime hielp honderdduizenden soennieten af te slachten, onder wie de Moslimbroeders, die bondgenoten waren van Hamas. Op het hoogtepunt van de burgeroorlog had Iran zijn steun aan de tegenstander van Hamas, de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ), zelfs opgevoerd. Maar nadien is de relatie verbeterd en zou Iran het oogluikend toelaten als Hamas en de PIJ hun krachten zouden bundelen om incidenten aan de Israëlische grens uit te lokken en de Israëlische aandacht af te leiden van het Syrische strijdtoneel.
DE GAZASTROOK
Ondanks de Iraanse bemoeienis kent de Gazastrook zijn eigen problemen, en hoewel Hamas dolblij is dat zijn relatie met Teheran is hersteld, liggen zijn belangen momenteel in Caïro, waar afgelopen oktober een verzoeningsakkoord is getekend met Al-Fatah en de Palestijnse Autoriteit. Egypte wil dat Hamas de orde in Gaza bewaart en dat de strook geen logistieke vrijplaats wordt voor IS-strijders in de Sinaï. Als er al twijfel bestond, met name in Israël, over de vraag of de onderlinge Palestijnse verzoening het zoveelste fiasco zou zijn, dan is die definitief weggenomen toen Israël op 30 oktober een tunnel van de PIJ verwoestte waarbij veertien PIJ– en Hamasstrijders omkwamen. In andere tijden zou zo’n operatie onmiddellijk tot Palestijnse represailles hebben geleid, maar die zijn ditmaal uitgebleven. Sterker nog, Hamas heeft de PIJ gedwongen de officieuze wapenstilstand te respecteren die in de zomer van 2014 met Israël overeen was gekomen.
HAMAS
De islamitische verzetsbeweging Hamas die al sinds juni 2007 aan de macht is in Gaza, heeft zich zeker niet bekeerd tot het zionisme. Maar de permanente blokkade door Israël van de Gazastrook en de verslechterde economische situatie hebben de nieuwe ‘premier’ van Hamas, Yahya Sinwar, tot de pijnlijke conclusie gebracht dat er zo snel mogelijk een akkoord moet worden gesloten met buurland Egypte en de Palestijnse Autoriteit. Zo niet, dan zal de situatie in de Gazastrook volledig uit de hand lopen. Sinwar is een politieke havik die lange jaren in Israëlische gevangenissen heeft doorgebracht, maar hij is ook afkomstig uit Gaza en kent de politieke spelletjes maar al te goed. En de Hamasdelegatie die naar Teheran is gestuurd legt in Gaza geen enkel gewicht in de schaal.
EGYPTE
Het is nog niet zo lang geleden dat Egypte als de meest vastberaden Arabische partner werd beschouwd in de regionale coalitie die tegen Iran in het leven was geroepen. Maar door zijn zwakke politieke en economische positie heeft het land zich gedwongen gezien pas op de plaats te maken en zich te concentreren op het elimineren van IS in de Sinaï, waar enkele honderden jihadisten dagelijks een veel zwaarder bewapende Egyptische strijdmacht uitdagen. Paradoxaal genoeg is Egypte waarschijnlijk het land dat het meest te vrezen heeft van de eliminering van de bastions van Islamitische Staat in Irak en Syrië. De ontsnapte IS-strijders zijn bezig zich in het naburige Libië te vestigen en de terroristische beweging is er waarschijnlijk op uit haar bastions in de Sinaï te versterken. Daarom heeft Egypte afstand gedaan van zijn historische missie als leider van het soennitisch-Arabische front en de fakkel overgedragen aan Saoedi-Arabië.
SAOEDI-ARABIË
De gebeurtenissen van de afgelopen tijd in Riyad hebben zelfs de best geïnformeerde waarnemers verrast: grootscheepse arrestatie van hooggeplaatste Saoediërs, met inbegrip van prinsen, op verdenking van corruptie; de benoeming op sleutelposities van vertrouwelingen van prins Mohamad bin Salman, alias MBS; een raadselachtig helikopterongeluk waarbij een prins om het leven kwam; het onder druk zetten van vrienden van de Saoediërs, zoals de Libanese premier Saad Hariri (die in Riyad onmiddellijk zijn aftreden bekendmaakte) en Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) et cetera. Deskundigen kunnen alleen maar gissen naar de werkelijke motieven van MBS, die vermoedelijk ambitieuzer zijn dan de wens om zijn greep op het Saoedische koninkrijk te consolideren.
Een van de theorieën over het aftreden van Hariri is dat hij bevel zou hebben gekregen naar Riyad te vluchten, zodat hij niet betrokken zou raken bij een ophanden zijnde, door Saoedi-Arabië gesteunde operatie van Israël tegen Libanon, oftewel een Israëlische aanval op Hezbollah. Het feit dat Hezbollah van een poging tot moord op Hariri is beschuldigd versterkt deze theorie alleen maar. De Saoediërs zouden ongetwijfeld dolblij zijn om hun Iraanse vijanden afgestraft te zien, en vanuit dat oogpunt zou Hezbollah een uitgelezen doel zijn. Maar het geval wil dat Riyad niet zelf een oorlog tegen Teheran kan beginnen. Tweeënhalf jaar geleden zijn de Saoediërs verwikkeld geraakt in een oorlog tegen de door Iran gesteunde Houthi’s in Jemen. Dat werd zo’n fiasco dat de laatsten er begin november in zijn geslaagd een raket af te vuren op de internationale luchthaven van Riyad. Het is dus moeilijk voorstelbaar dat de Saoediërs zich aan een offensief in het Golfgebied wagen tegen een veel sterker en krijgsvaardiger Iran. Vooral op het moment dat MBS zijn handen vol heeft aan binnenlandse politieke uitdagingen.
HEZBOLLAH
Na zes jaar strijd in Syrië onder de vlag van Iran kan Hezbollah zich beroepen op indrukwekkende overwinningen en een ruime mate van militaire ervaring, dankzij een geavanceerd wapenarsenaal en het bevel over indrukwekkende paramilitaire Syrische brigades. Maar de organisatie heeft minstens achthonderd manschappen in de strijd verloren terwijl enkele duizenden zwaargewond zijn geraakt, oftewel een kwart van haar troepen aan het begin van de oorlog in Syrië. Zeker, er zijn duizenden nieuwe rekruten getraind en naar het Syrische front gestuurd, maar dat is op weerstand gestuit binnen de sjiitische gemeenschap in Libanon, waar velen van mening zijn dat Hezbollah zijn rol van ‘Libanese verzetsbeweging’ te lang heeft verwaarloosd en van Libanon een gijzelaar van Iran heeft gemaakt.
Militair gezien is Hezbollah niet meer in staat een oorlog tegen Israël te beginnen. De organisatie levert nog altijd strijd op diverse Syrische fronten en zou haar brigades weer op sterkte moeten brengen alvorens zich aan een nieuwe oorlog te wagen. Er zijn inmiddels achttien maanden verstreken sinds de moord op haar militaire bevelhebber Mustafa Badr al-Din, een aanslag waarvoor de opdracht zou zijn gegeven door Hassan Nasrallah, de feitelijke leider van Hezbollah, op aandringen van Iran. Badr al-Din is nog steeds niet vervangen. Bovendien heeft Nasrallah het aanzien verspeeld dat hij in de Arabische wereld genoot sinds de tweede Libanese oorlog in 2006, waarin Israël en Hezbollah tegenover elkaar stonden. Momenteel wordt hij niet langer gezien als de moedige speerpunt van het anti-Israëlische verzet, maar als moordenaar van Syrische verzetsstrijders tegen het regime van Assad. Nasrallah zou in de verleiding kunnen komen een nieuwe oorlog tegen Israël te beginnen in de hoop zijn imago op te poetsen, maar hij lijkt te beseffen dat zijn manschappen daar niet klaar voor zijn en dat vooral de vernietigende Israëlische represailles tegen de burgerinfrastructuur van Libanon een averechts effect zouden kunnen hebben. Nasrallah zou in dat geval door de Libanezen verantwoordelijk worden gehouden voor hun nieuwe leed. Maar als Hezbollah zich in zo’n kwetsbare positie bevindt, zou Israël dan niet in de verleiding kunnen komen daarvan te profiteren?
ISRAËL
Eén ding is vrijwel zeker. Zelfs als Hariri en de Saoediërs denken dat een Israëlische aanval op Libanon ophanden is, zou die niet voor begin december kunnen plaatsvinden. Israël is momenteel het toneel van de meest ambitieuze internationale militaire manoeuvres uit zijn geschiedenis, waaraan de luchtmachten van zeven andere landen deelnemen. Dit militair-diplomatieke machtsvertoon is al meer dan een jaar geleden gepland en de Israëlische luchtmacht heeft voorlopig geen tijd om zich met iets anders bezig te houden. Israël kan dus op zijn vroegst eind november een oorlog ontketenen, en dan alleen als de spanningen op zijn andere fronten zijn afgenomen.
Voorlopig moet Israël er tot elke prijs voor zorgen dat de rust rond de Gazastrook bewaard blijft. Zijn nieuwe ondergrondse afweersysteem tegen aanslagen vanuit de tunnels van Hamas en de PIJ is nog in ontwikkeling en zal pas eind 2018 operationeel zijn. Bovendien wil Israël de diplomatieke inspanningen van Egypte om de Gazastrook te pacificeren niet in de wielen rijden. Op de Israëlisch-Libanese grens, daarentegen, is de zaak-Hezbollah veel complexer. Zeker, Israël valt regelmatig doelen op Syrisch grondgebied aan, meestal op Hezbollahkonvooien die geavanceerde wapens naar Libanon willen brengen. Syrië heeft herhaaldelijk geprobeerd terug te slaan door weinig effectieve raketten op de Israëlische vliegtuigen af te vuren, maar noch het regime van Assad noch Hezbollah is uit op een escalatie. In militaire kringen in Israël gaan stemmen op voor een grote preventieve operatie op Libanees grondgebied ter voorkoming van raketaanvallen door Hezbollah, maar deze stemmen zijn voorlopig nog in de minderheid.
Ondanks zijn anti-Iraanse retoriek hoedt Benjamin Netanyahu zich ervoor de vijandelijkheden uit te breiden tot de belangrijkste handlanger van Iran, Hezbollah, en geeft hij de voorkeur aan precisieaanslagen. De lessen van de oorlog van 2006, die enkele weken duurde, liggen nog vers in het geheugen bij de militair verantwoordelijken in Israël, en de echte Netanyahu is in de grond van de zaak minder oorlogszuchtig dan hij voorgeeft te zijn. Hij is nooit voorstander geweest van grootscheepse militaire operaties die de mobilisatie van het hele leger vereisen, met het risico dat de waakzaamheid op andere fronten verslapt. Natuurlijk zou Netanyahu meer dan opgetogen zijn als iemand anders Iran blindelings te lijf zou gaan (de Amerikanen, om maar eens iemand te noemen). Maar hoewel de regering-Trump geen gelegenheid voorbij laat gaan om haar anti-Iraanse retoriek te ventileren, lijkt Washington niet te watertanden bij het idee van een oorlog die van retoriek in praktijk zou kunnen omslaan.
Op 6 november verklaarde John Kerry, de voormalige minister van Buitenlandse Zaken van Barack Obama, bij het Royal Institute of International Affairs in Londen dat de Israëlische, Saoedische en Egyptische leiders Obama allemaal hadden gesmeekt Iran te bombarderen. Zijn conclusie was dat geen van deze leiders zich daar rechtstreeks aan durfde te wagen. Dat is een mooie samenvatting van de situatie.
Haaretz (Het Land, aanvankelijk Hadashot Haaretz, Nieuws uit Het Land) werd opgericht in Jeruzalem in 1918, nog voor het einde van de Eerste Wereldoorlog en vlak na de Balfour-verklaring van 1917, die het ontstaan van de staat Israël (in 1948) een forse stap dichterbij bracht. De krant verhuisde in 1923 naar Tel Aviv.
Aanvankelijk werd de krant gesubsidieerd door het Britse militaire bestuur in Palestina, maar in 1919 werd hij overgenomen door een groep linkse zionisten. In 1935 werd Haaretz gekocht door de uit Berlijn afkomstige uitgever Salman Schocken. Diens zoon Gershom was hoofdredacteur tussen 1939 en 1990, zijn kleinzoon Amos is de huidige uitgever. Haaretz heeft qua oplage een bereik van slechts 4 procent van het Israëlische publiek, maar zijn invloed op de politiek en de Israëlische intelligentsia is aanzienlijk. De krant verschijnt in zowel een Hebreeuwse als een Engelstalige editie.
In september 2015 begonnen Aubrey Wade, Sarah Böttcher en Stjepan Sedlar in Berlijn met het fotograferen van vluchtelingen en hun gastgezinnen. Later breidden ze hun project, No Stranger Place, uit naar andere Europese landen, waaronder Zweden. Wat de makers willen laten zien zijn ‘relaties, en wat er mogelijk wordt als mensen die vormen’.
‘De foto’s tonen mensen die net zo zijn als wij. In hun verhalen ontdekken we wat individuen gemeen hebben. Hun gedeelde waarden zijn belangrijker dan hun verschillen.’
Het project werd gesteund door de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.
Alleenstaande moeder en bibliothecaresse Linnea Tell met de Syrische kunstenaar Alqumit Alhamad, die bij haar inwoont in Malmö. ‘Ik kan niet zeggen hoe vrij ik me voel in Zweden,’ zegt Alqumit. ‘Ik kan doen waar ik zin in heb. Het is een andere wereld, zeker als homoseksueel.’
OOSTENRIJK
Kinderjuf Margarethe Kramer (links) met de Iraakse vluchteling Souad Awad in Lavanttal. De twee ontmoetten elkaar via een christelijke hulporganisatie. ‘Ik ben in de zevende hemel,’ verklaart Souad. ‘Margarethe is geweldig, en haar familie ook. Ik heb hier in een maand meer Duits geleerd dan in een halfjaar in een asielzoekerscentrum.’
ZWEDEN
Het lesbische echtpaar Gabriella en Candel Webster met hun Syrische gast Ahmad Lababidi en zijn zoon Ali (18). Dochter Hiba (16) staat niet op de foto. Toen Gabriella en Candel Ahmad vertelden dat ze getrouwd waren, was het even stil, vertellen ze. ’We dachten eerst dat hij misschien van gedachten zou veranderen.’ Dat gebeurde niet. Het was een shock, erkent Ahmad, ‘maar ik zie hoe aardig ze zijn. Ik zie hun menselijkheid, liefde en vriendelijkheid.’
DUITSLAND
De joodse familie Jellinek met hun Syrische gast Kinan uit Damascus. ‘Integratie is geen eenrichtingsverkeer,’ aldus vader Chaim. ‘Het moet van beide kanten komen.’
ZWEDEN
Architect Lars Asklund (rechts) met de Syrische vluchteling Farah Hilal, haar man Waleed Lababidi en haar broer Milad Hilal in Malmö. Toen Asklund Lababidi voor het eerst ontmoette in een opvangkamp, stelde hij hem drie vragen: Ben je getrouwd? ‘Ja.’ Heb je kinderen? ‘Nee.’ ‘En toen keek ik hem recht in de ogen: ben je een fundamentalist? “Nee.” Oké, zei ik, dan heb ik een voorstel voor je.’
OOSTENRIJK
Sabine David, haar man Dominique en haar dochter Nora (1) met de Afghaanse vluchteling Nooria en haar tweejarige dochter Aysu in Lavanttal.
DUITSLAND
Manuela en Jörg Buisset en dochter Nöemi (18) met hun gast Nourhan (18), die net haar tweede kind heeft gekregen (niet op de foto), haar man Ahmed (28) en hun dochter Alin (18 maanden) in Berlijn. Manuela wilde aanvankelijk liever een vrouw alleen in huis dan een heel gezin. Intussen past Ahmed op de kinderen.
DUITSLAND
Edgar en Amelie Rai met haar twee kinderen Nelly (9) en Moritz (12) en hun Syrische gasten, de broers Bilal (26) en Amr (17) Aljaber in Berlijn. ‘Ik noem ze keukennazi’s,’ lacht Amelie. ‘Ik ben nogal een controlfreak, maar als zij koken is de keuken naderhand brandschoon. We hebben nooit huisregels hoeven maken.’
OOSTENRIJK
Martina Schamberger met haar man Engelbert, zoon Laurenz, dochter Lea en hun Syrische gast, oud-basketbal-international Nawras Ahmadook, in Bad Schallerbach. Toen Martina’s dochter Valerie in 2006 Arabisch studeerde in Aleppo, nam Nawras’ familie haar in huis. Toen Valerie in 2015 hoorde dat Nawras Syrië ontvlucht was, belde ze direct haar ouders. Martine: ‘De volgende dag heb ik hem opgehaald.’
Een Zweeds gezin neemt een Syrische vluchteling in huis – uit medeleven, om een kind te helpen dat zegt te zijn ontsnapt uit een IS-gevangenis. Maar gaandeweg raakt de jongen verstrikt in leugens over zijn huiveringwekkende verleden, en realiseren ze zich dat ze geen idee meer hebben wie er onder hun dak woont.
Keuze uit het archief
Sinds de eerste Oekraïense vluchtelingen in Nederland arriveerden en opgevangen werden bij mensen thuis, kwamen er verhalen naar buiten van situaties waarin wrijving ontstond tussen gastgezin en gasten. Dit artikel uit 2017, tijdens de vorige grote vluchtelingenstroom, laat zien hoe ingewikkeld het kan zijn – ondanks alle goede bedoelingen – om vluchtelingen in eigen huis op te vangen.
Achter in de boot zingt een van de jongens boven het ronken van de motor uit, misschien uit blijdschap, misschien uit verveling, misschien wel uit angst – al lijkt zijn gevoeligheid voor dreiging, die sowieso al nooit zo groot was, volledig afgestompt na vier jaar oorlog in Syrië. De anderen bidden. O zee, wees genadig! zingt de jongen. ‘Hou je mond!’ zeggen de anderen. Tegen het einde van oversteek, wanneer ze Turkije ver achter zich hebben gelaten, begeeft de motor het. De jongen laat zich over de rand van de rubberboot zakken en spartelt in de richting van de Griekse kust, die een paar honderd meter ver is. Ook dit is een blijk van zijn roekeloze natuur, want het water is koud en de zee is ruw. De anderen blijven in de boot.
Een reddingswerker zwemt naar de jongen toe en trekt hem mee naar het strand van het eiland Lesbos. Een verpleegster brengt hem naar een tent. ‘Oké, vertel,’ zegt ze. ‘Wat wilt u weten?’ vraagt de jongen. Hij zit nu op een warme, droge plek, maar hij weet niet goed wie deze vrouw is.
‘Alles. Ik wil alles weten,’ antwoordt de verpleegster. De jongen zegt dat hij Paul heet en zestien jaar is. Hij is breedgebouwd en ziet er gezond uit, heeft stevige armen en benen, grote handen, een diepe, peinzende rimpel in zijn voorhoofd en donkere, diepliggende ogen. Hij heeft iets afstandelijks en ondoorgrondelijks, maar ook iets heel innemends, haast iets sluw. Hij praat een beetje houterig, alsof hij bepaalde feiten net uit zijn hoofd heeft geleerd, maar de verpleegster vindt zijn verhaal in grote lijnen geloofwaardig. Als christen in het door oorlog verscheurde Syrië, vertelt hij, is hij geregeld gevangengezet door jihadisten. Hij werpt een blik op de hidjab van de verpleegster. ‘Misschien bent u wel een van hen?’ zegt hij. Het is grappend bedoeld. De jongen heeft nooit kunnen vermoeden dat zijn eerste contact in Europa met een moslima zou zijn die Syrisch Arabisch spreekt, en hij is argwanend. ‘Ben je gek,’ zegt ze.
De vrouw is een Syrische Zweedse, uit Stockholm, die is gekomen om de honderdduizenden vluchtelingen en migranten te helpen die dat jaar op Lesbos aankomen. Ze gaat binnenkort weer terug naar huis en ze biedt aan om Paul te helpen daar een nieuw leven op te bouwen. Tien dagen later, op 9 oktober 2015, zit hij in Stockholm. Hij is nog heel jong en voor hem is het voornamelijk een avontuur om naar Europa te gaan, hij heeft geen echt doel voor ogen. Wel heeft hij gehoord dat Zweden bekendstaat om het ruimhartige vluchtelingenbeleid.
Niet angstaanjagend
Lina, een van de vriendinnen van de verpleegster, is arts. Zij mag de jongen graag en nodigt hem geregeld uit bij haar thuis, waar ze met haar man Otto en hun drie tienerdochters woont. (De namen van Lina, Otto en de jongen zelf zijn gefingeerd.) Ze vindt Paul ‘op de een of andere manier heel kwetsbaar en innemend,’ zegt Lina. ‘Hij wist – hoe zal ik het zeggen – precies de juiste snaar te raken, meteen al vanaf het eerste moment. Hij raakt je.’
Anderen vinden hem onhandelbaar. De verpleegster heeft weten te regelen dat Paul onderdak krijgt bij een andere vriendin, maar die vraagt hem na enige tijd om weer te vertrekken. Zijn slaappatroon is grillig, net als zijn stemmingen. Maatschappelijk werk plaatst hem bij een wat oudere vrouw, maar daar neemt hij al na een paar dagen de benen. In een klein opvangcentrum voor minderjarige vluchtelingen weigert Paul alles wat hem wordt aangeboden, behalve snoep en sigaretten. Hij slaat tegen de muren en gaat met anderen op de vuist. Later breekt hij de kop van een beveiligd scheermes open en snijdt zijn pols door.
Lina is in het verleden psychiatrisch verpleegkundige geweest. Zij vindt Pauls aanvallen niet angstaanjagend – ze vindt het eerder pijnlijk om van een afstand te moeten aanzien. Zij en Otto hebben het erover de jongen in huis te nemen. Niet alleen raken ze meer en meer op hem gesteld en vinden ze dat ze iets moeten doen voor de vluchtelingen die naar hun land komen, maar ook gaat het al een paar jaar niet zo lekker in hun huwelijk en ze vragen zich af of een dergelijk project – dat naar hun gevoel iets heel zuivers heeft, gewoon doen wat er gedaan moet worden – een springplank zou kunnen zijn voor een nieuw begin, zoals Otto het formuleert. Begin december zijn de vereiste papieren rond en neemt Paul zijn intrek bij het gezin.
Ze weten vrijwel niets over zijn verleden. Zijn Zweeds is te slecht om er gedetailleerd over te vertellen. Lina en hij ontwikkelen al snel de gewoonte om na het eten een wandeling te maken, soms lopen ze uren en uren in het licht van de straatlantaarns. Gaandeweg begint ze zich in grote lijnen een beeld te vormen van zijn leven. Paul is afkomstig uit Shadadi, een kleine plaats in de oostelijke woestijn die bijna drie jaar bezet is geweest door jihadisten. Hij was de jongste van tien broers, die allemaal – samen met zijn ouders en drie zussen – in Syrië zijn gebleven. Hij is gevangengenomen, zo lijkt het, door zowel IS als Al-Qaida, die tegen elkaar streden om de controle over het oosten van Syrië.
Paul heeft vrijwel geen bezittingen wanneer hij in Zweden arriveert. Wel heeft hij een papiertje, dat hij heel zorgvuldig heeft bewaard. Hij heeft het meegenomen uit Syrië – een paar keer dubbelgevouwen en goed weggestopt. Na een tijdje, als hij zich op zijn gemak voelt met Lina, laat hij haar het briefje zien. Hij kijkt er beschaamd en berouwvol bij, herinnert Lina zich. Hij heeft het briefje vele maanden eerder gekregen, in de gevangenis, maar hij heeft het nog aan niemand laten zien en nu is hij bang dat de schrijver van het briefje, een Amerikaanse journalist, dood is. Het briefje begint:
‘Gaat goed maar heb dringend hulp nodig. Iemand moet mijn regering duidelijk maken dat het van het grootste belang is dat ze snel handelen. Ik ga niet op de details in maar één ding is duidelijk. Ze kunnen nu onderhandelen over een oplossing of ze kunnen wachten, het bewust rekken. Als ze voor dat laatste kiezen zal ik er niet meer zijn om over te onderhandelen. Het is hier domweg te gevaarlijk. De mannen die mij gevangen houden zijn te grillig. Ze moeten vandaag nog in actie komen, nu meteen, en ze mogen niet opgeven tot de klus is geklaard. Oké?’
De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in zijn gezicht
Theo Padnos arriveert in 2012 aan de Syrische grens. Padnos, die op dat moment 44 is, wil verslag doen van de oorlog en van wat volgens hem de culturele en psychologische drijfveren achter de oorlog zijn. Hij deelt een kamer in een huis in de heuvels van een Turkse grensplaats en gaat vaak de bergrug op om uit te kijken over Syrië, slechts enkele kilometers verderop. Al snel leert hij drie jonge mannen kennen die beweren samen te werken met een Syrische oppositiegroep. Zij bieden aan hem mee te nemen. De ochtend nadat ze met hem Syrië zijn binnengegaan komt een van de mannen op hem af en geeft hem, zomaar uit het niets, een dreun in zijn gezicht.
Twee jaar lang verdwijnt de wereld uit beeld. Padnos wordt vastgehouden door Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaida. Het is lastig om enige logica te bespeuren in de manieren waarop hij wordt gemarteld – met staalkabels, met vuisten, met mededelingen dat hij binnen afzienbare tijd zal worden vermoord. Een van de mannen zegt dat het geweld is bedoeld om zijn ziel te harden. Padnos is een man met een jongensachtige nieuwsgierigheid, en zelfs onder deze omstandigheden blijft zijn onderzoekende geest intact. Hij probeert de mannen geregeld te verleiden tot een praatje, informeert naar hun privéleven, hun overtuigingen. De meeste vragen worden afgewimpeld. Waar ze vooral niet op willen ingaan, is de vraag waaróm ze hun jihad voeren. Dan komen ze aanzetten met de gebruikelijke clichés over de islam die wordt bedreigd, de islam die zijn onderdrukkers zal afschudden en verpletteren.
Het klinkt Padnos allemaal bekend in de oren. Hij heeft een tijd in Damascus gewoond en ook, op het hoogtepunt van de Irakoorlog, in Jemen, waar hij Arabisch heeft gestudeerd en zich in de islam heeft verdiept. In 2011 heeft hij een boek geschreven over zijn verblijf aldaar, waarin hij het ook heeft over de westerse toeristen die zijn ontvoerd en vermoord. ‘De meeste mensen daar begrijpen wel dat de strijders toeristen vermoorden,’ schrijft hij, ‘omdat zij – de buitenstaanders – te ver zijn gegaan, zich te diep hebben gewaagd in een gebied dat ze niet begrijpen, een gebied dat in de greep is van een rigide, zeer serieus geloof.’ Zelf is hij niet zo naïef. ‘Mijn hele identiteit als schrijver, als mens, stoelde erop dat ik het gebied begreep,’ zegt hij tegen me. ‘Ik had me niet “te ver” gewaagd. Bovendien was ik geen vijand, was ik geen toerist.’
Syrië is in zekere zin een vorm van verraad. Hij was ervan uitgegaan dat hij, ongeacht de omstandigheden, mensen zou weten te overtuigen van zijn zuivere bedoelingen, en dat die bedoelingen ertoe zouden doen.
In juni 2014 wordt hij overgebracht naar een cel met vloerbedekking, waar een aantal mannen en een jongen van een jaar of veertien worden vastgehouden. Het zijn strijders van Jabhat al-Nusra, wordt hem verteld, maar ze worden er – ten onrechte, zeggen ze – van beschuldigd te willen overlopen naar IS. Zoals gewoonlijk vraagt Padnos de mannen naar hun privéleven, en zoals gewoonlijk proberen ze zijn vragen af te wimpelen. De mannen mopperen dat hij niet zo moet ouwehoeren, maar bij de jongen vindt hij een gewillig oor. Op zeker moment vraagt Padnos aan de jongen wat voor hem het doel is van de jihad waaraan hij deelneemt. ‘De wereldoverheersing,’ antwoordt de jongen achteloos. Padnos moet hem ongelovig hebben aangekeken, want de jongen vervolgt glimlachend: ‘Dat lijkt jou zeker niet haalbaar?’ Voor Padnos is dit moment van menselijkheid haast een wonder. ‘Het was voor het eerst in twee jaar dat iemand erkende dat het misschien “niet haalbaar” was,’ zegt hij. De jongen houdt zich niet aan het script, valt uit zijn rol. Ik had echt iets van: ‘Goddank – eindelijk!’
Na slechts een paar dagen krijgt de jongen te horen dat hij zal worden vrijgelaten. Padnos schrijft haastig een briefje, voor een vriend buiten Syrië, waarin hij om hulp smeekt. De jongen stopt het briefje weg wanneer hij vertrekt, en belooft dat hij hem zal helpen.
Chatten op Facebook
In december 2015 krijgt Padnos bericht van een Zweedse vrouw, die zegt dat een jongen die hij uit Syrië kent nu onder haar hoede is. De Amerikaan is vele maanden eerder vrijgekomen, kort nadat hij zijn briefje heeft geschreven – al is het niet dankzij dat briefje. Zijn vrijlating is te danken aan de regering van Qatar, die heeft bemiddeld bij de gesprekken met Jabhat al-Nusra. (Naar verluidt heeft de groepering een paar miljoen dollar aan losgeld ontvangen, al is dit nooit officieel erkend.) ‘Als ik het goed begrijp hebt u een van mijn oude celgenoten gevonden?’ schrijft hij terug. ‘Fijn dat u contact met me opneemt!’
Padnos had zijn briefje ondertekend; Lina kwam er op internet achter dat hij is vrijgelaten en weet hem te vinden op Facebook. Ze stuurt foto’s van het briefje en van de jongen – die in Stockholm groente staat te snijden, die aan het voetballen is. Padnos herkent ogenblikkelijk de tiener met wie hij gevangen heeft gezeten. De jongen was toen echter geen christen, hij heette geen Paul en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was.
Hij zegt tegen de FBI dat er volgens hem in Zweden een lid van Jabhat al-Nusra woont, een jongen die zich voordoet als vluchteling. Hij deelt zijn ongerustheid niet met Lina. Hij hinkt op twee gedachten. Hij is ervan overtuigd dat de jongen in staat is tot geweld; in Syrië waren zulke kinderen meedogenloos tegen hem geweest. Maar ergens gelooft hij ook dat een jonge Syrische moordenaar, ver van zijn thuisland en de jihad, ver van de normvervaging die elke oorlog met zich meebrengt, tot op zekere hoogte onschuldig kan zijn. Het geweld in Syrië staat in dienst van iets veel sterkers, heeft hij het idee, een soort oerkracht die als een orkaan is aangezwollen en nu over het hele gebied raast en de bewoners in zijn greep houdt. ‘Het land is behekst,’ zegt Padnos. Dat geldt niet voor Zweden.
Het ruimhartige vluchtelingenbeleid in Zweden is gebaseerd op een vergelijkbaar beeld van oorlog als een alternatieve werkelijkheid, op een bereidheid om de deelnemers te vrijwaren van veel van de morele oordelen die in vredestijd gehanteerd worden. Tijdens de Europese vluchtelingencrisis van 2015 neemt Zweden 163.000 asielzoekers op. In dat jaar worden er slechts 461 doorgestuurd naar de veiligheidsdienst, die in 29 gevallen uitzetting adviseert. Zelfs mensen van wie is vastgesteld dat ze een bedreiging vormen voor de veiligheid mogen in Zweden blijven als men van oordeel is dat in het land van herkomst hun mensenrechten in het gedrang komen.
Deze vastberaden goedhartigheid wordt soms, vooral buiten Zweden, als dwaze goedgelovigheid beschouwd. (Eerder dit jaar heeft de regering-Trump een inreisverbod voor onbepaalde tijd ingesteld voor Syrische vluchtelingen.) Maar tot nog toe heeft dit tot weinig politiek geweld geleid. Zweden heeft slechts twee aanslagen door jihadisten meegemaakt; een in april van dit jaar, toen een Oezbeekse man die geen asiel had gekregen, met een vrachtwagen vijf mensen doodreed in het centrum van Stockholm, en een in 2010, waarbij alleen de van oorsprong Irakese aanslagpleger om het leven kwam.
Paul is ‘een jonge man met ernstige trauma’s,’ schrijft Lina aan Padnos. ‘Ik ben heel blij dat hij zich bij ons veilig voelt, maar er hoeft maar iets te gebeuren of hij schiet in de stress.’ Ze vraagt Padnos geen contact met hem op te nemen zonder haar goedkeuring. Maar Padnos weet de jongen te vinden op Facebook en de twee beginnen te chatten. Ze zijn allebei blij dat de ander nog leeft, al zijn ze ook een beetje gespannen. De echte naam van de jongen is Ammar. ‘Wat onze vriend Paul betreft,’ schrijft Padnos aan Lina, ‘het is inderdaad een lieverd. Ik kan me hem nog goed herinneren.’
Verhalenverteller
Ammar mag graag verhalen vertellen, en hij heeft een loepzuiver gevoel voor tragikomische spanning – vermoedelijk het resultaat van een jeugd in oorlogsgebied. Zijn favoriete onderwerp is het absurde. Wanneer hij me vertelt wat hij heeft meegemaakt, lijkt hij geregeld te worden meegevoerd door zijn eigen verhaal, al lijken de vele zijpaden ook bedoeld om elke schijn van betrokkenheid bij Al-Qaida weg te nemen. Op een avond, nadat hij lange tijd heeft zitten peinzen, richt hij zich tot mij en vraagt, zo op het oog met een mengeling van woede en teleurstelling: ‘Denk jij dat ik een moedjahedien was?’ Ik zeg dat mij is verteld dat hij dat inderdaad was, maar ook dat hij dat in Zweden niet langer lijkt te zijn. ‘Als ik lieg,’ antwoordt hij cryptisch, ‘is dat niet om iemand te kwetsen, maar om mensen te beschermen.’
Hij speelde spelletjes bij een computerclub, vertelt hij, toen de strijd in het voorjaar van 2011 Shadadi bereikte, de stad waar hij woonde. De militaire politie opende het vuur op een antiregeringsdemonstratie, en hij rende naar huis. Hij was elf.
‘Aan het begin van de revolutie stond ik aan de kant van het regime,’ zegt hij. ‘Want ik wist niet wat de revolutie inhield. Ik keek alleen maar tv-programma’s van het regime.’ Zijn vader werkte in de olie-industrie en had dus goede betrekkingen met de regering van Bashar al-Assad; Ammar werd dan ook met een zeker respect bejegend. Bij de bakker werd hij naar de voorkant van de rij geduwd wanneer hij het brood voor het gezin kwam halen. Ooit had dat hem vervuld van trots. Later, toen het regime begon te wankelen, verloor het gezin zowel hun huis als hun aanzien, en het werd Ammar duidelijk dat de buren nu anders naar hen keken. ‘Kijk nou wat hun is overkomen,’ zeiden ze, met een mengeling van leedvermaak en afgrijzen.
Begin 2013 bezet Jabhat al-Nusra het gebied rond Shadadi, en elke dag komen er weer nieuwe geruchten dat de jihadisten spoedig zullen oprukken om de stad te ‘bevrijden’ uit de greep van Assad, zegt Ammar. Op de ochtend dat ze binnenvallen ligt hij te slapen in het huis van een broer. Hij schrikt wakker door de dreun van een zelfmoordaanslag met een vrachtwagen, en het daaropvolgende glasgerinkel. Hij rent naar buiten en wanneer hij langs de kapotgebombardeerde restanten komt van wat ooit een huis was, hoort hij een man kermen van de pijn. ‘Ik ben gaan kijken,’ vertelt hij. ‘Ik was nergens bang voor.’ Binnen treft hij een soldaat van het regeringsleger aan, die in zijn borst is geschoten. De man vraagt de jongen hem te helpen weg te komen, maar de jongen zegt dat het te gevaarlijk is om de straat op te gaan in een uniform van het regeringsleger. Dus pikt hij wat vrouwenkleren uit een ander verlaten huis, aldus zijn verhaal, en geeft die aan de gewonde man, die ze eerst weigert aan te trekken maar zich uiteindelijk toch laat overhalen. ‘Een gekke en treurige situatie,’ licht Ammar toe. Hij moet er een beetje om lachen dat hij zoiets durfde te bedenken.
Of Ammar dit verhaal nu heeft aangedikt of niet, het is waar dat Jabhat al-Nusra begin 2013 Shadadi binnentrekt. Assads troepen hebben weinig gedaan om de bevolking voor zich te winnen, en die is er dan ook niet rouwig om dat ze vertrekken. ‘De jihadisten stelen niet,’ zegt Ammar. ‘De mensen zijn gelukkig.’ De strijders laten de lichamen van hun gesneuvelde vijanden gewoon op straat liggen, vertelt hij. Het is voor een jonge man weliswaar mogelijk om te overleven zonder zich aan te sluiten bij de jihadisten, maar een lidmaatschap heeft in ieder geval als voordeel dat je gevrijwaard blijft van hun gewelddadige optreden.
Dat najaar krijgt IS een groot deel van Syrië in handen, en tegen het einde van het jaar heeft het Shadadi bevrijd uit handen van Jabhat al-Nusra. De twee legers hebben aangrenzende gebieden veroverd. Het is gevaarlijk om over de grenzen van deze bezette zones te reizen – om handel te drijven in nabijgelegen steden, bijvoorbeeld, of om familie te bezoeken. Beide groeperingen zijn beducht op spionnen. ‘Als je je in een gebied bevindt dat door Daesh wordt gecontroleerd,’ zegt Ammar, die de denigrerende naam voor IS gebruikt, ‘en je gaat naar gebied dat in handen is van al-Nusra, word je voor een spion aangezien.’ In een nabijgelegen plaats die in handen is van Jabhat al-Nusra, wordt een van zijn broers opgepakt op beschuldiging van samenwerking met IS. Ammar gaat naar hem op zoek. Dan wordt hij ook opgepakt.
Hij belandt bij Padnos in de cel. De Amerikaan is broodmager en heeft een verwilderde bos haar, een stevige baard en een klein snorretje – de gangbare combinatie binnen het salafisme. De bewakers behandelen hem wreed. ‘Ik dacht dat hij IS was,’ zegt Ammar. Padnos begint er steeds maar over ‘dat Syrië zo mooi is’, zegt Ammar. Hij probeert de andere gevangenen te verleiden tot een praatje. De jongen vindt hem maar vermoeiend. ‘In het begin vond ik hem vervelend,’ zegt hij. ‘Maar na een tijdje zei ik tegen mezelf: “Wallah, geef hem een kans. Hij is hiernaartoe gekomen als journalist, om de gebeurtenissen te verslaan, en vervolgens is hij gemarteld.”’
Na zijn vrijlating wordt Ammar naar Jabhat al-Nusra’s emir voor oostelijk Syrië gebracht, een Irakees die bekendstaat als Abu Mariyah al-Qahtani. De man vraagt hem om vergiffenis voor het feit dat hij gevangen is gezet en geeft hem een stapeltje Syrische ponden; de jongen zegt tegen de emir dat hij, in dat geval, met alle plezier nog een tijdje blijft. Hij herinnert zich dat Abu Mariyah in de lach schoot.
Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal
Met Kerstmis is het bitterkoud in Stockholm, maar de sfeer is feestelijk. Lina koopt een mooie jas voor de jongen en laat hem de stad zien – de etalages van grote warenhuizen, de ijsbaantjes. Hij kijkt zijn ogen uit en Lina voelt zich weer een jonge moeder, die haar peuter laat kennismaken met de bescheiden wonderen van de wereld. Met Oudjaar krijgen ze ruzie over het vuurwerk. Hij wil het afsteken zoals hij dat in Syrië gewend was, zo uit de hand. ‘In Zweden doen we dat anders,’ zegt ze, geduldig maar vastberaden. Ze laat hem de vuurpijlen in de grond steken. Hij is razend, maar daar trekt Lina zich niets van aan. Zij kan ook koppig zijn, en ze schreeuwt gewoon terug. Hij gedraagt zich alsof hij dat volkomen begrijpt en het alleen maar fijn vindt: haar geschreeuw is, net als haar vergevingsgezindheid, een blijk van haar liefde.
Lina is een lange, sterke vrouw met blauwe ogen, vlasblond haar en een scherpe neus, die iets omhoog krult. Haar gelaatstrekken verlenen haar een krachtige, beheerste uitdrukking. Ze steekt graag tijd en energie in dingen, ze is opmerkelijk geduldig, maar ze houdt niet van dralen. In het Engels eindigt ze de meeste opmerkingen met een vriendelijk doch beslist ‘Yah?’
Ze vraagt niet om nadere uitleg wanneer de jongen opbiecht dat hij geen Paul heet. Ze geloofde zijn verhaal van begin af aan niet helemaal, vertelt ze me. De leugen lijkt haar niet echt te storen, of in ieder geval besluit ze er niet al te lang bij stil te staan. Hij heet Ammar; hij is moslim. Lina zet hem geen varkensvlees meer voor.
Ze schrijft hem in voor kungfules en regelt een baantje voor hem in de keuken van een plaatselijke kerk, waar hij onder meer koffie serveert aan de Zweedse gepensioneerden die daar komen lunchen. Ze snijdt onderwerpen aan als de sociaal-democratie en gendergelijkheid – waar hij meteen voor openstaat – en het homohuwelijk, waar hij wat meer tijd voor nodig heeft. In Stockholm loopt hij een keer per ongeluk tegen een agent op. Tot zijn vreugde en verbijstering draait de agent zich om en zegt: ‘O, sorry!’ In Syrië ging het er heel anders aan toe.
Hij zit soms bij Lina op schoot en dan krabt ze zijn rug, zoals zijn moeder vroeger had gedaan. De twee lopen geregeld arm in arm en omdat ze ongeveer even lang zijn, zouden ze net zo goed vrienden kunnen zijn als moeder en zoon. Stiekem roken ze samen sigaretjes. Lina’s dochters kussen hun moeder op de mond wanneer ze weggaan of thuiskomen. Als Ammar die gewoonte begint over te nemen schrikt ze er even van, maar niet op een vervelende manier.
Alle minderjarige asielzoekers hebben het recht om in Zweden onderwijs te volgen. Ammar gaat in februari voor het eerst naar school. Er zitten veertien kinderen in zijn klas, voornamelijk Afghanen, alleen maar jongens, allemaal gekleed als de Europese voetballers die ze zo bewonderen: skinny jeans en gel in hun haar. Zweedse kinderen noemen de docenten bij de voornaam, maar de jongens vinden dat ongemakkelijk en staan erop hun docenten lärare te noemen, leraar. Ammar is druk en zit vaak te giechelen, maar hij heeft duidelijk taalgevoel. Na korte tijd spreekt hij vloeiend Zweeds.
Maar soms zit hij ook stilletjes te mokken. Een docent herinnert zich de keer dat hij onbedaarlijk begint te huilen en de klas moet verlaten. Sommige leraren denken dat hij depressief is. Gezien zijn impulsieve gedrag en zijn heftige stemmingswisselingen, denkt Lina dat hij misschien aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt. Hij heeft geregeld nachtmerries. Als hij niet kan slapen, daalt zij de trap af naar zijn slaapkamer, onder de dakrand, en kruipt bij hem in bed.
Hij verzuimt geregeld zijn huiswerk te maken, spijbelt van school, blijft weg van zijn werk in de kerk en van de kungfulessen. Lina wijt dit voor een groot deel aan zijn ‘grootheidswaan’: zodra hij een beetje Zweeds kan, of een paar kungfugrepen onder de knie heeft, ziet hij er niet langer het nut van in om nog meer lessen te volgen. Het kost hem moeite Zweedse vrienden te maken; hij beschuldigt ze soms van racisme, al zegt hij dat meestal met een grijns, alsof hij Lina vol trots duidelijk wil maken dat hij zich de stokpaardjes van links Zweden heeft eigengemaakt.
Zijn lastigste buien worden meestal in gang gezet door nieuws uit Syrië. Dan vlamt er plotseling een heftig schuldgevoel bij hem op, zowel om het feit dat hij is gevlucht, lijkt het, als om het feit dat hij nog leeft. Hij spreekt slechts zelden met zijn ouders. Lina heeft Ammars moeder een lange brief geschreven waarin ze belooft voor hem te zorgen alsof hij haar eigen zoon is. Er komt geen reactie. Misschien is deze ogenschijnlijke onverschilligheid terug te voeren op bepaalde Syrische omgangsvormen, of misschien schamen Ammars ouders zich, bedenkt Lina. Maar dan hoort ze dat een van Ammars vrienden, die ook uit Syrië komt, dagelijks met zijn vader belt. Op zeker moment laat ze zich dat ontvallen, zonder er verder bij na te denken. Ammar lijkt gekwetst.
Hij is bijzonder gevoelig voor Lina’s opmerkingen, die hij als kritiek ervaart. Woedend verwijt hij haar, keer op keer, dat ze hem minder liefde geeft dan haar dochters. Vervolgens sluit hij zich op in zijn kamer, of hij weigert te praten, soms dagen achter elkaar. Ondertussen hebben Lina’s dochters het gevoel dat deze nieuwe zoon hen verdringt uit hun moeders hart, om nog maar te zwijgen van het leven van alledag. Om ruimte te maken voor Ammar is het bed van de veertienjarige dochter verplaatst naar een gemeenschappelijke ruimte.
Lina heeft schoenen voor hem gekocht, kleren, een telefoon, een laptop. Toch werpt hij haar voor de voeten dat ze hem behandelt alsof hij niet meer is dan een gast. Aan de andere kant lijkt hij zich vaak opgelaten te voelen wanneer hij dingen van haar aanneemt. Hij slaat maaltijden over, om haar niet op kosten te jagen. Hij heeft het erover om terug te gaan naar Syrië. Soms lijkt hij haar alleen op stang te willen jagen, maar op andere moment lijkt hij het echt te menen. ‘Het lukt hem maar niet om hier te aarden, in Zweden, bij mij,’ schrijft Lina me een keer vertwijfeld. ‘Het is hartverscheurend.’ Hij is min of meer door toeval in Zweden beland, en zijn leven daar komt hem soms onwerkelijk voor, nieuw en opwindend als een computerspel, maar ook leeg. Hij heeft nooit nagedacht over een toekomst in Europa, zelfs niet op het moment dat hij ernaartoe vluchtte. ‘Onmogelijk,’ zegt hij. ‘Een kans van 1 op 14.000. Onmogelijk.’
Vreselijk jaar
De laptop – waarop Ammar Counter-Strike en Clash of Clans kan spelen – leidt in het voorjaar tot een crisis. Lina, die niets heeft te klagen maar bij wie het geld ook niet op de rug groeit, heeft een tweedehandexemplaar gevonden, voor een fractie van de oorspronkelijke prijs. Ammar komt uit een rijke familie en is geen tweedehandsspullen gewend. Hij ervaart Lina’s cadeau als een klap in zijn gezicht en stormt het huis uit.
Hij hoopt duidelijk dat ze hem achterna komt. Niet veel later stuurt hij Lina foto’s van een scheermesje en zijn opnieuw bebloede pols. Ze weet hem te vinden, niet ver van huis, en neemt hem mee terug. Maar niet veel later staat hij op de balkonreling, op de vijfde verdieping, en dreigt naar beneden te springen. Otto trekt hem naar binnen. Lina zit meer dan een uur zwijgend naast Ammar op zijn bed. Hij lijkt tot bedaren te komen en ze laat hem alleen.
Als ze wat later weer naar zijn kamer gaat, blijkt hij uit het raam te zijn geklommen, het dak op. Ze praat op hem in, smekend, maar kijkt op een goed moment van hem weg. Ze wil niet achterblijven met het beeld van een lege kamer en zijn lichaam dat naar beneden valt. Ze begint te huilen. ‘O,’ zegt Ammar. ‘Nu weet ik dat je van me houdt.’
Ammars vrijlating uit de gevangenis is het onheilspellende begin van een vreselijk jaar. Wanneer hij terugkeert na gevangen te zijn gehouden door Jahbat al-Nusra, wordt hij opgepakt door IS, ook nu weer op beschuldiging van spionage voor het andere kamp. Hij wordt een aantal keer vrijgelaten, om vervolgens telkens weer gevangen te worden gezet. (Ook, zo beweert Ammar, stuurt hij berichten naar de man voor wie ook het briefje van Padnos bestemd was. De man zegt nooit dergelijke berichten te hebben ontvangen.) Op zeker moment wordt Ammar ervan beschuldigd te hebben gestolen van een inlichtingenofficier van IS. Hij wordt drie maanden vastgehouden en wordt uren achtereen geslagen, totdat hij zichzelf volkomen stil heeft geschreeuwd. Een andere keer, zo beweert Ammar, is hij opgepakt omdat hij iemand had aangevallen die de belasting kwam innen.
Hij was toen high, legt hij uit. Ammar slikt meer en meer pillen – Zolam, een alternatief voor Xanax, en Baltan, een opiaat – vanwege Noor. Noor was zijn vriendin. Voor de oorlog uitbrak zaten ze een aantal jaar bij elkaar in de klas. ‘Toen werd ik een man,’ zegt Ammar. ‘Ik wist hoe ik moest beminnen en bemind moest worden.’ Noor is een aleviet, een lid van de sekte waartoe ook de familie van Assad behoort – een afvallige, in de ogen van IS. Ammar heeft een aantal foto’s op zijn computer van een meisje van wie hij zegt dat het Noor is. Ze is knap, met donkere ogen en lange, dikke wimpers. Veel foto’s zijn selfies, van bovenaf genomen om de welvingen te benadrukken van haar borsten onder een strak topje. Ze heeft haar lippen een klein beetje getuit. Puberale ijdelheid, ordinair en innemend tegelijk.
Op een dag stuit Ammar ergens op straat in Shadadi, bij een soek en een taxistandplaats, op een groepje mensen, die toekijken hoe Noor wordt onthoofd. De beul spietst het afgehakte hoofd op zijn zwaard en steekt het in de lucht, aldus Ammar. Hij valt flauw. ‘Er zijn dingen die je nooit zult begrijpen omdat je ze niet hebt meegemaakt,’ zegt hij tegen me in een café in Stockholm. Hij schuift zijn plak chocoladecake aan de kant en legt zijn hoofd op tafel. ‘Wat doe ik hier?’ snikt hij. Er ligt een laagje donker glazuur op zijn lippen.
Begin 2015 wordt hij voor het laatst opgepakt. In het noordwesten van Irak heeft IS duizenden vrouwen en meisjes ontvoerd van de yezidi-stam, een etno-religieuze minderheid, die door IS als seksslavinnen worden verkocht aan de strijders. Ammar wordt ervan beschuldigd dat hij yezidi’s heeft gekocht en weer heeft doorverkocht aan hun eigen familie – en naar eigen zeggen heeft hij dat ook echt gedaan, al bekent hij dat niet aan IS. Hij heeft negen yezidi’s gekocht en weer verkocht, zegt hij, onder wie een meisje dat 11.000 dollar opbracht. Hij kan weinig zeggen over zijn drijfveren om dit te doen, en hij kan geen enkel bewijs overleggen, maar hij zegt dat hij na Noors dood woedend was, en voor niets en niemand bang.
IS neemt hem mee naar de Iraakse stad Mosul, waar hij greppels graaft en containers voor bommen soldeert, zegt hij. De strijders voetballen met hem. Er wordt voortdurend op hem ingepraat dat hij zich bij IS moet aansluiten. Hij overweegt het, maar heeft moeite met de gewelddadigheid van de groepering. ‘Ik vind het leuk om rotzooi te trappen, dat geef ik zonder meer toe, maar ik wil niemand echt kwaad doen,’ zegt hij.
Hij wordt weer overgebracht naar Syrië, naar Raqqa, de hoofdstad van IS. Vrijwel iedere dag nemen de bewakers iemand mee naar de binnenplaats – een soldaat van het regeringsleger, een Hezbollah-strijder, een Koerd – om hem voor het oog van zijn medegevangenen te executeren. ‘Dat was niet leuk,’ zegt Ammar. Meestal gaat het om een onthoofding, met een mes of met een zwaard, maar soms worden de mannen verdronken, doodgeschoten, opgehangen of overgoten met zuur.
Hij wordt nogmaals overgeplaatst, dit keer terug naar Shadadi. Daar wordt hij veelvuldig geslagen – men wil hem dwingen op te biechten dat hij de yezidi’s heeft verkocht. (Hij is ervan overtuigd dat hij vermoord zal worden zodra hij dat heeft bekend.) Op een dag wordt hij opgehangen aan het plafond en giet een van de beulen benzine over zijn voeten, waarna hij ze in brand steekt. Ammars plastic sandalen schroeien in zijn huid, die voor altijd ernstige littekens vertoont. ‘De pijn van vlammen is erger dan welke pijn ook,’ zegt hij.
De mannen die met hem in de cel zitten, worden als uitzonderlijk gevaarlijk beschouwd, dus wordt Ammar uitverkoren om te koken. Zo zal hij weten te ontsnappen. Hij zit alleen in een kleine cel die aan de keuken grenst wanneer een van de bewakers hem, op fluistertoon, laat weten dat hij ter dood is veroordeeld. De bewaker spoort hem aan de benen te nemen. Aanvankelijk vertrouwt Ammar het niet, maar later op de dag keert de man terug. ‘Toen hij me zijn mes gaf, geloofde ik hem,’ zegt Ammar.
Die avond zijn er twee bewakers. De eerste houdt de wacht terwijl de andere bidt. Ammar is in de keuken bezig soep te koken, en vraagt of de eerste bewaker even wil komen proeven. De man buigt zich over de pan. ‘Ik wilde hem steken met het mes, maar ik was bang om hem te vermoorden, dus sloeg ik hem met het keukengerei dat ik in mijn hand had,’ zegt Ammar.
Hij rent naar de kamer waar de andere bewaker, een jongen van zijn eigen leeftijd, zit te bidden. Hij pakt zijn wapen. Er worden tweehonderd mannen bevrijd, misschien wel 280, en misschien ook wel enkele vrouwelijke gevangenen. Het hangt er een beetje van af of Ammar in een spraakzame bui is. De ontsnapte gevangenen lopen een dag, of misschien wel twee dagen, door de woestijn, tot ze bij het Koerdische front komen.
De Koerden zorgen dat een groep ontsnapte gevangenen in een konvooi naar het westen kan reizen, naar Aleppo. Van daaruit gaan ze op weg naar de Turkse grens, die ze heimelijk oversteken, in het holst van de nacht, te voet. In Turkije kruipen ze in een afgedekte vrachtwagen. Ze zijn met 25 man en twee schapen, zegt Ammar. Het is augustus 2015. Weldra zal Ammar op weg zijn naar Europa. Hij draagt een jasje dat zijn familie hem heeft gestuurd toen hij in de gevangenis zat; in de zak voelt hij ineens het briefje van Padnos, nooit afgegeven en volkomen vergeten.
Overleden zonen
Jaren en jaren voordat Ammar naar Zweden kwam, kregen Lina en Otto een zoon. Hij overleed op de dag van zijn geboorte. Lina kreeg niet veel later nog een kind, ook een jongen. Dit nieuwe kind had een misvormd middenrif, waardoor zijn longen niet konden uitzetten. Na twee maanden namen ze hem mee naar huis en leek zijn toestand iets te stabiliseren. Maar die vooruitgang hield geen stand. Hij overleed toen hij een halfjaar oud was. ‘Tja, ach,’ zegt Lina, ‘die dingen gebeuren, en je moet…’ Haar stem wordt zachter. ‘Maar twee keer achter elkaar!’ Otto, die destijds net als arts was begonnen, zwoer nooit met kinderen te gaan werken, in die verschrikkelijke vleugel van het ziekenhuis waar ouders hun ogen sluiten en, precies zoals hij had gedaan, bidden dat de alarmbellen die gaan rinkelen de dood verkondigen van het zoontje of dochtertje van een ander.
Het besluit om Ammar in huis te nemen is in zekere zin een sprong terug in de tijd. De jongen zou een zoon voor hen kunnen zijn. Otto hoopt ook dat de komst van Ammar Lina en hem zal terugvoeren naar een eerdere, gelukkigere periode van hun huwelijk. Maar hij heeft het idee dat Lina al haar energie en aandacht in de jongen steekt. ‘In zekere zin heeft hij mijn plaats ingenomen,’ zegt Otto. Lina en hij zijn uit elkaar gegroeid en gaan scheiden. ‘Het komt niet door Ammar,’ zegt hij, ‘maar door hem is alles wel heel scherp aan het licht gekomen.’
Ammar krijgt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Hij zal bij Lina blijven. Ze heeft hem al heel vroeg verteld over haar twee zoontjes en haar verdriet, om hem in moeilijke tijden een hart onder de riem te steken. Je kunt het ontzettend moeilijk hebben, is de boodschap, maar uiteindelijk toch een mooi en gelukkig leven leiden.
De jongens zijn begraven in een schaduwrijk hoekje van een kerkhof in de buurt, en soms gaat Lina met Ammar naar het graf. Op een middag ligt het kerkhof bezaaid met witte bloemblaadjes, ragfijne confetti uit de oude bomen. Ammar zit een sigaretje te roken op een roze grafsteen en de as waait naar het graf van Lina’s zoontjes. Zonder erbij na te denken spuugt hij op de grond. ‘Dat is oneerbiedig,’ zegt Lina en Ammar staat op. Tot zijn verbijstering legt Lina uit dat haar zoontjes zijn gecremeerd. Als mensen worden gecremeerd, zie je ze dan branden? vraagt hij. Lina legt uit dat dat niet het geval is.
Ze lopen over de begraafplaats naar een uitkijkpunt op de top van een heuvel, vanwaar je tot aan het open water kunt kijken, met de pastelkleurige gevels van de oude stad van Stockholm. Ook in de winter is Lina met Ammar naar deze plek gegaan, tijdens hun eerste wandelingen, en hij had het uitzicht betoverend gevonden. Weet je nog hoe mooi je dit vond? vraagt ze? ‘No is beautiful!’ zegt hij plagerig, in gebroken Engels. Ze lopen naar beneden, naar de stad. Lina blijft op de stoep wachten terwijl Ammar de stenen treden beklimt van het koninklijk paleis, waar een enkele soldaat de wacht houdt. Het is een jonge, bleke man, met een blonde snor – twee keurige driehoekjes boven zijn lip – een baret en een geweer met bajonet over zijn schouder. ‘Is de koning thuis?’ vraagt Ammar. ‘Nee, de koning is er niet,’ antwoordt de schildwacht lachend.
Ammar daalt weer af naar de stoep. Hij blijft staan bij een bloembak, trekt er een madelief uit en knakt afwezig de knop van de steel. ‘Sweden is nice,’ zegt hij in het Engels, ook weer half grappend, maar volkomen raak.
‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel. De jihad stroomt door zijn aderen’
Voorjaar 2016 neemt Padnos het vliegtuig naar Stockholm. Hij heeft met Ammar afgesproken voor een moskee. De jongen loopt een lommerrijk paadje omhoog en staat ineens in het felle zonlicht op een open plek. ‘Habibi!’ roept Padnos. Hij schiet aarzelend op hem af, glimlachend maar gereserveerd, probeert de jongen te peilen. Ammar blijft staan, stralend, en spreidt zijn armen. Hij kust Padnos op zijn wangen, drukt zijn voorhoofd tegen dat van de Amerikaan en zegt, lachend, dat hij ervan uit was gegaan dat Padnos dood was. Hij draait een krul van de Amerikaan om zijn vingers en glimlacht: In Syrië was zijn haar veel langer, en veel viezer!
Ammar pakt Padnos’ onderarm en trekt hem mee naar de straat. Onder een rij schaduwbomen staat een jong stelletje te zoenen. Ammar kijkt zijn oude celgenoot aan: ‘Waar is Abu Mariyah?’ grapt hij hardop – Abu Mariyah al-Qahtani, de man die hen gevangen had gehouden, zou dat zoenen maar niks hebben gevonden. Ammar omhelst Padnos, lijkt geen moeite te hebben met de lichamelijkheid. Hij draagt een strakke spijkerbroek, heel modieus boven zijn Nikes, en zijn donkere haar is omhoog gekamd in een Pompadour-kapsel. Af en toe neemt hij een trekje van een Marlboro Light. Padnos lacht en doet mee aan het toneelstukje dat de jongen opvoert – ingetogen, met een treurig soort vertrouwdheid.
Padnos is benieuwd hoe het een jonge strijder vergaat in vredestijd, te midden van alle verlokkingen van een volkomen ander leven. Hij informeert naar Ammars broer, die ook gelijk met Padnos vastzat. ‘Hij zit nu bij Daesh,’ fluistert Ammar.
Ammar neemt Padnos mee naar zijn favoriete kebabrestaurant. Hij stelt hem voor aan de mannen achter de toonbank, een Irakees en drie Syriërs, allemaal in het rode T-shirt van het bedrijf, en hij zegt dat Padnos een ‘jassus Amriki’ is – een Amerikaanse spion. De mannen vinden het hilarisch en Ammar vertelt dat de Amerikaan heeft vastgezeten in Syrië. ‘We haten het regime!’ roepen de mannen. Padnos zegt dat hij is vastgehouden door de oppositie. ‘We haten de oppositie!’ stellen ze hun mening bij. Hij lacht braaf. Er wordt gesproken over het losgeld waaraan hij duidelijk zijn leven heeft te danken en er worden grappen gemaakt over de prijs van elke afzonderlijke haar op zijn hoofd. Padnos bestelt een falafelschotel en gaat ermee aan een zonnig tafeltje op de stoep zitten.
Hij vraagt of Ammar nog iets heeft gehoord van Abu Hamza al-Homsi, een officier van Jabhat al-Nusra. Abu Hamza heeft Padnos altijd goed behandeld, heeft hem papier gegeven om te schrijven en heeft zelfs aangeboden te bemiddelen bij zijn vrijlating. Padnos wil hem bedanken. Abu Hamza is dood, zegt Ammar, gesneuveld tijdens een gevecht bij de grens met Irak. Het is niet duidelijk hoe Ammar dat weet; Padnos denkt dat hij wellicht onder Abu Hamza’s bevel stond. De jongen beweert de namen en rangen te kennen van vele prominente jihadi’s, zegt te weten hoe het hen is vergaan, en zegt over nog veel meer verontrustende informatie te beschikken. Ammar leunt over tafel, laat zijn stem dalen en zegt dat hij heeft gehoord dat IS plannen heeft voor een aanslag in Zweden, een aanslag gericht op ‘homoseksuelen’, gepleegd door ‘blonde’ strijders. Ook pocht hij dat hij de beste van zijn klas is, en dat zonder ooit huiswerk te maken. Hij pakt wat falafel van Padnos bord en smeert het vol humus. Dan staat hij op om zichzelf bij te schenken uit een pot zwarte thee die binnen staat. Hij komt terug met een handvol suikerklontjes, die hij een voor een in zijn thee laat vallen, met de verveelde blik van een kind. Uiteindelijk zegt hij dat de thee te zoet is om nog te drinken.
Hij neemt Padnos mee naar het rustige binnenplaatsje onder Lina’s appartement. Op de kleine patio staan een houten tafel en stoelen, en boven hun hoofd speelt een warm briesje door de bladeren. Maar nog voor ze gaan zitten zegt Padnos ineens dat hij echt moet gaan, en hij laat Ammar achter, in de war en teleurgesteld. Padnos lijkt de moed te hebben opgegeven dat hij ooit een vriend voor de jongen zal kunnen zijn.
‘Jabhat al-Nusra heeft hem gemangeld,’ zegt Padnos tegen me. Ammar kan een leven opbouwen in Zweden, denkt hij, en die kans verdient hij ook. Op andere momenten is die grootmoedigheid vervlogen. ‘Begrijp me goed, die jongen heeft een pact gesloten met de duivel,’ zegt hij. ‘De jihad stroomt door zijn aderen.’
Toen hij destijds echt ten einde raad was geweest, had hij zijn lot in handen gelegd van Ammar, in de hoop dat hij nog over zo veel medemenselijkheid zou beschikken – hoezeer zijn gevoel ook was afgestompt of verdrongen – dat hij het bericht zou doorspelen. Dat was niet het geval. ‘Het raakte hem wel,’ zegt Padnos verbitterd. ‘Maar niet genoeg om in actie te komen.’
Niet lang nadat Padnos Stockholm achter zich heeft gelaten, schrijft Lina hem – op enigszins verwijtende toon – en vraagt of hij denkt dat Ammar lid is geweest van Jabhat al-Nusra. Het zal geen verbazing wekken dat Padnos dat inderdaad denkt, en hoewel hij Ammar heel innemend vond toen hij in Zweden was, heeft de tijd die ze samen hebben doorgebracht hem toch niet van het tegendeel weten te overtuigen.
Het is ‘mooi, om niet te zeggen ontroerend’ dat Lina de jongen zo’n warm hart toedraagt, schrijft Padnos, maar ze laat zich ook een rad voor ogen draaien. Het lijkt hem kwaad te maken, alsof het getuigt van een zekere naïviteit, waarvoor hij ook bij zichzelf bang is. ‘Misschien realiseer je je niet hoeveel van de mensen die we in Lesbos hebben gezien in de Syrische burgeroorlog hebben gevochten, aan welke kant dan ook,’ schrijft hij. ‘Natuurlijk, iedereen zegt dat hij in principe een onschuldig burger was, en voor velen gold dat duidelijk ook. Maar voor veel anderen niet. Waarschijnlijk zit er bij hen allemaal een steekje los – door Bashar [al-Assad], door de sjeiks, door de bommen, door de vele jaren van oorlog. Wat kun je eraan doen?’
Over Ammar schrijft hij: ‘In principe denk ik dat iemand pas na jaren en jaren van psychisch geweld strijder wordt voor een beweging als Jabhat al-Nusra. Hij is waarschijnlijk zwaar onder druk gezet door zijn broers en zijn vader en God mag weten wie nog meer, zelfs toen Jabhat al-Nusra nog niet eens bestond. Zodra hij zich had aangesloten, hebben ze hem waarschijnlijk bepaalde dingen laten doen om zijn betrokkenheid te vergroten. Hun hele psychologie is erop gebaseerd dat ze je totaal onder controle krijgen, zodat je nauwelijks meer een mens bent. Je bent iets anders en je enige vrienden zijn precies zoals jij. Geweld, bidden en geen contact met de buitenwereld. Dat is Jabhat al-Nusra. Dat Ammar uiteindelijk zijn bedenkingen kreeg, zegt iets over zijn karakter. Het pleit voor hem, vind ik. Dat hij in Zweden liefdevol is opgevangen is ook fantastisch. Misschien dat hij een deel van dit verleden achter zich kan laten? Ik hoop het heel erg.’
In het meest gunstige geval werpen we, als een astronoom, een blik op het heelal van Ammars ervaringen en emoties, zien we de felste objecten, die scherp zijn uitgetekend, en kunnen we ons misschien enigszins een beeld vormen van de donkerste uithoeken. Padnos ontwaart daar een dreiging die Lina niet ziet. Ze weigert met de ogen van Padnos naar Ammar te kijken, of naar zichzelf. ‘Ik heb uren en uren met hem gepraat,’ zegt ze over Ammar. ‘Ik heb er veel over nagedacht. En waar ik op uit ben gekomen – nee, dit is niet mijn verhaal over hem. Ik ken de waarheid niet. Maar dit is waar ik op uit ben gekomen. Ik heb ervoor gekozen hem te vertrouwen.’
‘Zweedse houding jegens vluchtelingen wordt norser’
Volgens de jongste cijfers telde Zweden in 2016 zo’n 150.000 vluchtelingen uit Syrië. Dat was na het ‘rampjaar’ 2015, waarin Europa in volle omvang werd geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog in dat land en de terreur van IS in Syrië en Irak. Het Zweedse parlement had al in september 2013, als eerste in de EU, ingestemd met het toekennen van een permanente verblijfsvergunning aan de groep vluchtelingen uit Syrië. Zo kreeg in 2015 zo’n 77 procent van alle vluchtelingen die zich in Zweden meldden een verblijfsvergunning, maar voor de groep vluchtelingen uit Syrië was dat 100 procent.
Kort na zijn aantreden als president van de VS zei Donald Trump in een toespraak in Florida: ‘Kijk wat er gisteravond gebeurd is in Zweden. Zweden! Wie had dat nou kunnen denken? Zweden! Ze hebben grote aantallen vluchtelingen opgenomen. En nu hebben ze problemen die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden.’
Er was die ‘gisteravond’ echter niets gebeurd in Zweden, en de voormalige Zweedse premier Carl Bildt vroeg zich hardop af ‘wat Trump die avond gerookt zou kunnen hebben’. Maar in april reed een afgewezen Oezbeekse asielzoeker in Stockholm met een vrachtwagen in op het winkelend publiek, waarbij vijf doden vielen. Volgens het Oezbeekse ministerie van Buitenlandse Zaken was de man gerekruteerd door IS. Hij moet eind november in Stockholm terechtstaan.
De meeste vluchtelingen in Zweden verblijven rond Stockholm, Göteborg en Malmö. De Amerikaanse radiozender PRI constateerde onlangs in een reportage vanuit Zweden dat de stemming daar een lichte omslag vertoont. ‘Het is waar dat de houding ten opzichte van vluchtelingen en immigranten de afgelopen jaren norser is geworden,’ zei Daniel Hedlund van de Universiteit van Stockholm. ‘Maar ik moet zeggen dat de meerderheid van de Zweden nog altijd positief staat tegenover, bijvoorbeeld, het toekennen van gelijke sociale rechten aan vreemdelingen.’
Halverwege het maken van dit nummer werd bekend dat er in het Amsterdamse debatcentrum De Balie, waar 360 kantoor houdt, een IS-strijder was gesignaleerd. De man hield zich op tussen het publiek bij een lezing van de Syrische actiegroep Raqqa is Being Slaughtered Silently. Nadat hij werd herkend door leden van de groep, rende hij naar buiten en wist hij op de fiets te vluchten.
Hoe beangstigend ook, verbazend is het natuurlijk niet dat er IS-strijders door de mazen van het net glippen en Europa weten te bereiken. Hoe makkelijk zoiets kan gaan, blijkt uit het verhaal waarmee we deze editie openen. Een goedwillend Zweeds gezin neemt op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis een Syrische jongen in huis. Hij is zestien, noemt zich Paul, is naar eigen zeggen christen en beweert dat hij in Syrië is vastgehouden door jihadisten. Maar na verloop van tijd blijkt het verhaal van de jongen niet helemaal te kloppen. Hij heet geen Paul maar Ammar, en vertelt verontrustende verhalen over de horror waarvan hij in Syrië getuige is geweest – en waaraan hij misschien ook heeft meegedaan.
Toevallig blijkt ook Ammar in hetzelfde Syrische cellencomplex te hebben verbleven, en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was
Intussen is ook de Amerikaanse journalist Theo Padnos ten tonele verschenen, een oude bekende over wie 360 eerder twee verhalen publiceerde. In het eerste beschreef Padnos zelf hoe hij in Syrië twee jaar werd gegijzeld door terreurgroep Jabhat al-Nusra. In het tweede werd hij door het Duitse weekblad Die Zeit geïnterviewd, samen met zijn medegevangene van destijds, oorlogsfotograaf Matt Schrier. Toevallig blijkt ook Ammar in hetzelfde Syrische cellencomplex te hebben verbleven, en Padnos was ervan overtuigd dat hij een jihadist was.
Toen Ammar door Jabhat al-Nusra werd vrijgelaten, gaf Padnos hem een briefje mee waarin hij om hulp vroeg. De jongen leverde het briefje nooit af, maar nam het wel mee naar Zweden, waarop zijn pleegmoeder contact opnam met de inmiddels vrijgelaten Padnos. Uiteindelijk komt het tot een confrontatie tussen Ammar en Padnos.
Hoe het afloopt moet u zelf maar lezen. Maar we kunnen alvast verklappen dat Padnos er niet van overtuigd is dat de getrainde en getraumatiseerde Ammar geen bedreiging vormt. Reden temeer om je zorgen te maken over een mogelijk nieuw gewapend conflict in het Midden-Oosten. Hoe dat precies zit, leest u in het minidossier.
Goed nieuws is er gelukkig ook: Big Pharma gaat Afrika helpen met goedkope kankermedicijnen, en we zijn trots op onze nieuwe cultuuragenda die sinds de vorige editie de VPRO-pagina vervangt.
De Syrische Koerden hielpen de VS om IS te verslaan. Maar nu de Amerikanen hen niet meer nodig hebben als bondgenoot, dreigen ze zoals zo vaak aan het kortste eind te trekken.
Met de val van Raqqa is het lot van IS praktisch bezegeld. De beweging is bezig haar laatste stedelijke bolwerken in Syrië en Irak te verliezen en zal veroordeeld worden tot de rol van een guerrillagroep die verrassingsaanvallen uitvoert vanuit de woestijn. Tijdens het beleg van Raqqa, dat op 6 juni begon, verdedigde IS zich met verve, maar zag de groep zich voor een overmacht geplaatst.
Ook de overwinnaars zijn echter niet te benijden. De Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) is een Koerdisch-Arabische strijdmacht, maar de militaire slagkracht komt van de YPG, de zogeheten Volksverdedigingstroepen: zeer gemotiveerde, goed georganiseerde en ervaren Syrisch-Koerdische strijders die banden hebben met de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) in Turkije. De SDF hebben weliswaar bewezen over uitstekende grondtroepen te beschikken, maar danken hun grote successen niet alleen aan hun onmiskenbare militaire vaardigheden, maar ook aan de verwoestende vuurkracht van de door de VS geleide coalitie met haar bommen, raketten en drones.
De Koerden in Syrië hebben zich altijd angstig afgevraagd wat er met hen zou gebeuren als de Amerikanen hen niet meer nodig hadden als cruciale bondgenoot tegen IS. Zij vormen een gemeenschap van zo’n 2,2 miljoen mensen die werden gemarginaliseerd en vervolgd tot aan de opstand tegen het Syrische regime in 2011. Het Syrische leger trok zich in 2012 terug uit hun leefgebied, waarop de Koerden de republiek Rojava (‘Het Westen’) uitriepen, een reeks Koerdische enclaves op een strook land in het noordoosten van Syrië, ten westen van Iraaks-Koerdistan (vandaar de naam) en ten zuiden van Turkije.
In 2014 viel IS de Koerdische stad Kobani aan. Uiteindelijk schoot de Amerikaanse luchtmacht de Koerden te hulp met een grootschalige interventie. Het Pentagon was al lange tijd op zoek naar een plaatselijke bondgenoot en vond die in de YPG. De Amerikaans-Koerdische alliantie is ook zeer effectief gebleken, maar dreigt nu slachtoffer te worden van haar eigen succes.
Tegenwoordig zijn de Koerden actief in soennitisch-Arabische gebieden. Het is een illusie dat ze die gebieden kunnen behouden. Enkele SDF-eenheden zijn over de rivier de Eufraat doorgedrongen tot in de zuidelijke provincie Deir ez-Zor, waar de helft van de Syrische olie wordt geproduceerd en IS zich heeft teruggetrokken. Er dreigt echter ook een botsing tussen de Koerden en het Syrische leger, dat vanuit het westen oprukt.
In het Witte Huis klinken geluiden om de YPG en soennitische stammen te blijven gebruiken voor de verwezenlijking van het plan van president Trump om Iran en zijn bondgenoot – het Syrische regime – te verzwakken. Daaraan kleven evenwel ernstige nadelen: het is mosterd na de maaltijd, omdat het pleit in Syrië feitelijk al is beslecht door het bewind van president Bashar al-Assad en zijn bondgenoten: de Libanees-sjiitische beweging Hezbollah, de Iraanse Revolutionaire Garde en Iraaks-sjiitische paramilitaire groepen. De SDF hebben aanzienlijke versterking nodig van lokale Arabische bondgenoten om nog een kans te maken, waarbij hun rol van afstandsbediening van de VS tot een confrontatie met Rusland kan leiden.
Koerdische commandanten hebben het nu over onderhandelingen met Damascus, omdat het Assad-regime de Arabische oppositie grotendeels heeft verslagen en alleen de Koerdische minderheid als tegenstander overblijft. Trump sloeg onlangs een strijdlustige toon aan tegen Iran, maar het is twijfelachtig of hij verstrikt wil raken in een niet te winnen oorlog in Syrië die Washington mogelijk meer schade berokkent dan Teheran.
Vele spelers
De grootste bedreiging voor de Syrische Koerden komt van Turkije, dat de officieuze Koerdische staat langs zijn zuidgrens als een permanent gevaar ziet. Des te vervelender voor de Turken dat ze voorlopig weinig aan de situatie kunnen doen, zolang de VS en Rusland zich met de regio blijven bemoeien. Als Ankara zijn beperkte militaire activiteiten in Syrië wil uitbreiden, zal daarvoor luchtsteun nodig zijn. De Russen zullen geen Turkse vliegtuigen boven Syrië dulden.
Het Syrische politieke en militaire schaakbord is complex en kent vele spelers. Raqqa markeert de zoveelste van een reeks nederlagen van IS. De beweging zal het nog moeilijk krijgen om te overleven, al zal ze op de val van de stad hebben geanticipeerd en een vlucht naar afgelegen gebieden hebben voorbereid met de aanleg van bunkers en wapen- en voedselopslagplaatsen. Met dat bijltje heeft IS, toen het nog ISI ofwel Islamitische Staat in Irak heette, tussen 2008 en 2011 al gehakt, na op de knieën te zijn gedwongen door een coalitie van de VS en soennitische stammen.
In Syrië en Irak is de belangrijkste kwestie niet meer hoe IS te verslaan, maar wat te doen met de Koerden. Die zullen de grootste moeite hebben om de winst te behouden die zij in de oorlog hebben geboekt.
Auteur: Patrick Cockburn
Vertaler: Carl Stellweg
The Independent
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 75.600
Opgericht 1986 in het Thatcher-tijdperk, politiek neutraal. De kleinste kwaliteitskrant van Engeland.
Raqqa, de hoofdstad van het ‘kalifaat’, is door Koerdisch-Arabische troepen terugveroverd op IS. Maar wat er met de stad gaat gebeuren is onduidelijk.
Onder een blakerende zon in lege straten met verwoeste gebouwen marcheren strijders van de door de VS gesteunde Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) langs de rottende lijken van hun vijanden. Hier wordt de nederlaag van IS gevierd. Hoewel de zegevierende troepen onder leiding stonden van de Koerden, zijn het vooral Arabieren uit Raqqa die deze dinsdag slogans schreeuwen en in de lucht schieten. Zij hebben zich bij de SDF aangesloten om hun stad terug te winnen.
‘Raqqa is vrij, vrij! IS, opgerot!’ roept de twintigjarige Abdullah. ‘We hebben ze eruit geschopt!’
Maar iedereen hier beseft dat er nog veel te doen is. Zoals het oprollen van de laatste verzetshaarden en het ruimen van mijnen en geïmproviseerde explosieven waarmee de stad bezaaid ligt – een stad die een verwoeste aanblik biedt door de zware Amerikaanse bombardementen waarmee het SDF-offensief werd ondersteund.
Na een bloedige, vier maanden durende militaire campagne is de ontknoping haast een anticlimax. De aanwezige verslaggevers hebben weinig meegekregen van de laatste dag dat er gevechten woedden, omdat ze om niet geheel duidelijke redenen de frontlinies niet mochten bezoeken.
Het Zwarte Stadion
Een week eerder waren er onderhandelingen tussen Arabische stammen en IS. Inzet was de overgave van lokale strijders, en dat scheelde dagen of weken aan gevechten. SDF-commandanten hadden eerder berekend dat als IS zich bleef verzetten, ze vijftien dagen kwijt zouden zijn.
Een van de laatste belangrijke doelen was de verovering van het grootste stadion van de stad, dat door de SDF ‘het Zwarte Stadion’ is gedoopt omdat het onder het IS-bewind een theater van verschrikkingen was geworden. ‘Wij hebben vandaag bezit genomen van het Zwarte Stadion,’ vertelt Saif al Din Raza uit Raqqa. Dat wil zeggen: de plek was omsingeld. ’Er zitten nog zo’n vijftig tot honderd buitenlandse IS-strijders en die gaan er allemaal aan.’
‘Maar wat hoor ik voor geweervuur?’ vraag ik.
‘Dat zijn jongens die de overwinning vieren,’ aldus Saif. En inderdaad, die dinsdag valt het Zwarte Stadion vlot in handen van de SDF.
‘De buitenlandse strijders konden kiezen tussen zich overgeven of gedood worden,’ vertelt Omar Aloush, een hoge vertegenwoordiger van het nieuwe bestuur in Raqqa. Hij ontkent berichten dat de resterende IS-strijders van Syrische komaf met burgers als levend schild in bussen naar Deir ez-Zor zijn gebracht. Toch zag ik in het oosten van de stad die bussen Raqqa uit rijden. Het bleek om in totaal 3500 burgers te gaan.
De SDF-strijders voelen zich onoverwinnelijk. ‘We gaan naar Deir ez-Zor en zullen het bevrijden, we rekenen in alle Syrische steden met IS af,’ bezweert Saif al Din Raza.
Ondertussen zijn in Raqqa de gevechten van man tegen man gestopt en is ook de bevrijding van het Nationale Ziekenhuis in volle gang. ‘We blijven rond het Zwarte Stadion zoeken naar restanten van IS,’ zegt Mustafa Bali, hoofd van het mediacentrum van de SDF. ‘Verder zijn de strijders al begonnen om de vele door IS geplante mijnen te ruimen. Dat karwei kan wel een paar dagen duren.’ Idris Mohammed, hoofd van de door de VS getrainde Interne Veiligheidstroepen van Raqqa, werd door een van die mijnen gedood, een dag voor de bevrijding.
De nieuwe bestuurders van Raqqa hebben veel te stellen met het grote aantal verzoeken van burgers om snel naar de stad terug te keren. Zij vrezen dat als dit op een chaotische manier gebeurt, plunderingen maar ook dodelijke ongelukken met mijnen het gevolg zullen zijn. ‘De prioriteit na de bevrijding is het ruimen van mijnen. Daarna pas kunnen de burgers weer naar hun huizen en is het tijd voor de wederopbouw,’ zegt Ilham Ahmed, co-voorzitter van de Democratische Raad van Syrië, een grotendeels door Koerden geleide organisatie die gelieerd is aan de ‘Volksverdedigingstroepen’ (YPG), het leger van het officieuze Koerdische republiekje Rojava in Noord-Syrië. ‘Er moet een herstelplan voor de hele stad komen.’ Verder onthult ze dat de door de VS gesteunde Civiele Raad van Raqqa, die tot nu toe vanuit de stad Ain Issa werkte, wordt uitgebreid en geherstructureerd, en naar Raqqa verhuist.
Hoe de wederopbouw van de voormalige hoofdstad van IS ook wordt aangepakt, er zal een hoop geld mee gemoeid zijn. En of dat geld er komt, is de vraag. De Koerdische stad Kobani, die in 2015 werd bevrijd na een maandenlange bloedige, kostbare belegering, is nog steeds zwaar beschadigd en heeft nauwelijks hulp gekregen bij de wederopbouw. Sommige Koerden zijn boos op humanitaire organisaties omdat die volgens hen vooral ‘Arabische steden’ helpen.
Een paar dagen eerder bezocht Brett McGurk – de speciale gezant van de president van de VS inzake IS – Ain Issa en de Civiele Raad van Raqqa. Hij was in het gezelschap van de Saoedische minister van Arabische Zaken, Thamer al-Sabhan. Verslaggevers mochten geen foto’s maken.
‘De Saoedische vertegenwoordiger heeft ons niet veel verteld, maar zei wel dat wij van de Civiele Raad in Raqqa goed werk hadden geleverd door de scholen te heropenen en de sociale eenheid te herstellen,’ aldus Omar Aloush van de Raad. Hij voegde eraan toe dat donorlanden bezig waren om hulpprojecten voor Raqqa te evalueren. ‘Een Comité voor de Wederopbouw zal toezien op het bestuur. Onmiddellijk na de bevrijding wordt de schade aan de instellingen en de infrastructuur opgemaakt.’
Een paar weken eerder werd de Civiele Raad van Raqqa uitgenodigd voor een bijeenkomst in Rome met vertegenwoordigers van diverse westerse en Arabische leden van de door de VS geleide coalitie tegen IS. Er werd geld beloofd voor de wederopbouw van Raqqa. ‘Wij hopen dat Saoedi-Arabië en andere landen het Comité voor de Wederopbouw zullen helpen,’ zei Aloush, ‘want de schade in Raqqa is zeer groot en het herstel kan lange tijd duren.’
Zal de regering-Trump opnieuw toekijken wanneer Turkije, of het Syrische bewind, de Syrische Koerden aanvalt?
Nu IS in Raqqa is verslagen en de laatste verzetshaarden in de provincie Deir ez-Zor worden opgeruimd door de troepen van het Syrische leger en de SDF, rest de vraag of de Verenigde Staten de Koerden in Syrië zullen blijven steunen. Veel Koerden maken zich zorgen over wat er gaat gebeuren met hun grondgebied in het noorden van Syrië. Een veeg teken is dat de VS niet tussenbeide kwamen toen Iraakse regeringstroepen, inclusief door Iran gesteunde sjiitische paramilitairen, gebieden in Noord-Irak terugveroverden die door de Koerden werden betwist. Dat gebeurde na het Iraaks-Koerdische onafhankelijkheidsreferendum op 25 september. Zal de regering-Trump opnieuw toekijken wanneer Turkije, of het Syrische bewind, de Syrische Koerden aanvalt?
In ieder geval hebben de Koerdische leiders in Noord-Syrië gezegd dat ze bereid zijn om over autonomie te onderhandelen met de Syrische regering. Ze benadrukten dat ze zich niet van Syrië willen afscheiden – in tegenstelling tot de Iraakse Koerden, die naar een onafhankelijke staat streven.
Opgezet door Tina Brown, voormalig hoofdredactrice van Vanity Fair en The New Yorker. De site publiceert opiniestukken, nieuwsanalyses en berichten over celebrity’s.
In Syrië zijn door de oorlog veel mannen spoorloos. Hoe moeten hun echtgenotes zich opstellen? De Syrische Islamitische Raad heeft onlangs een fatwa uitgevaardigd.
De Syrische Islamitische Raad heeft op 17 september een fatwa uitgevaardigd met regels waaraan een vrouw gebonden is als haar echtgenoot afwezig of spoorloos is. Volgens de officiële website van de Raad zijn er veel vrouwen van wie de echtgenoot soms al jaren gevangenzit zonder dat ze weten waar hij is of hoe het met hem gaat, of hij dood is of nog in leven. Hoe dienen vrouwen zich onder dergelijke omstandigheden te gedragen? Moeten ze hun man als overleden beschouwen? Kunnen ze om een echtscheiding vragen? Mogen ze hertrouwen?
De rechtsgeleerden noemen een man vermist als er niets van hem is vernomen, als er geen nieuws van hem is, als het niet bekend is of hij dood is of levend of als hij gevangen is genomen dan wel spoorloos als gevolg van de oorlog. In die gevallen wordt ervan uitgegaan dat hij nog leeft, wat betekent dat de echtgenote niet mag hertrouwen noch haar aandeel mag erven. Dat mag allebei pas als zijn dood door een islamitische rechter is bevestigd.
In geval van aanhoudende vermissing kan de echtgenote een rechter verzoeken de dood vast te stellen of de scheiding wegens geleden schade uit te spreken. Indien de rechter de dood waarschijnlijk acht, stelt hij een wachttijd in. Als de echtgenoot niet binnen die tijd opdaagt, wordt bepaald dat hij is overleden.
Als blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig
Als later blijkt dat de echtgenoot nog leeft, kan hij zijn vrouw terugclaimen. De rechter verklaart daarop een eventueel tweede huwelijk nietig. De vrouw moet dan drie maandstonden wachten alvorens terug te keren naar haar eerste echtgenoot, met een nieuw huwelijkscontract. Als hij haar terugkeer niet wenst, kan hij teruggave eisen van de bruidsschat van de tweede echtgenoot. Wat zijn keuze ook is, er valt niet aan te tornen.
Volgens de Raad mag een vrouw hoe dan ook om opheffing van het huwelijk verzoeken indien de afwezigheid van de echtgenoot haar nadeel heeft berokkend, hij haar met te weinig middelen van bestaan heeft achtergelaten, of wanneer zij vreest in zonde te vervallen. De rechter buigt zich echter pas een jaar na de verdwijning van de echtgenoot over dit verzoek, teneinde diens rechten veilig te stellen.
Wanneer een huwelijk wordt opgeheven nog voordat het is geconsumeerd, moet de vrouw de bruidsschat terugbetalen aan de familie van de verdwenen of afwezige echtgenoot. Als het huwelijk wordt ontbonden nadat het al is geconsumeerd, behoort de bruidsschat haar volledig toe.
Indien de echtgenoot afwezig blijft, maar er wel informatie over hem bekend is zonder dat hij kan worden bereikt, bijvoorbeeld omdat hij naar een ver land is afgereisd of omdat hij ergens is waar hij niet weg kan, is het huwelijk nog geldig en kan de vrouw niet hertrouwen. Doet zij dat toch, dan is het nieuwe huwelijk nietig en zal het worden ontbonden, ook als zij schade heeft geleden door de langdurige afwezigheid van haar oorspronkelijke echtgenoot.
De toelichting van de Syrische Islamitische Raad hierbij luidt: ‘Indien de vrouw in bevrijd gebied woont [dus niet onder de controle van het officiële bewind], wordt haar zaak rechtstreeks aan een shariarechtbank voorgelegd. Indien verblijvend in een derde land, machtigt zij een persoon of een gespecialiseerde instantie om haar zaak voor te leggen aan een gerecht in bevrijd gebied, teneinde langs deze weg een uitspraak te verkrijgen over scheiding of overlijden.’
In de Noord-Syrische regio Rojava hebben bewoners een democratische confederatie in het leven geroepen, gebaseerd op lokaal zelfbestuur. Ze streven naar een egalitaire samenleving waarin de rechten van vrouwen en minderheden worden gerespecteerd.
Ondanks de nacht heerst er nog een verstikkende hitte in Kamishli. Nadat we snel zijn vertrokken van de kleine luchthaven die nog altijd wordt gecontroleerd door enkele tientallen politiemannen en soldaten van het regime van Bashar al-Assad, komen we onmiddellijk op het grondgebied van de Democratische Federatie van Noord-Syrië, vaak ‘Rojava’ genoemd (Koerdisch voor ‘west’). In dit gebied langs de Turkse grens tussen de Eufraat en Irak, dat is terugveroverd op de jihadisten van Islamitische Staat, wonen minstens twee miljoen mensen, van wie 60 procent Koerden. Sinds 2014 waait in dit deel van Noord-Syrië een politieke wind die is geïnspireerd door Abdullah Öcalan, de oprichter van de Koerdische Arbeiderspartij PKK, die al vanaf 1999 gevangenzit in Turkije. De PKK en haar Syrische bondgenoot PYD (Democratische Uniepartij) hebben het marxistisch-leninisme vaarwel gezegd en zich bekeerd tot het anarchosyndicalisme van de Amerikaanse ecoloog Murray Bookchin (1912-2006).
Hun beginselverklaring, het in 2014 aangenomen Sociaal Contract van de Democratische Federatie van Noord-Syrië, verwerpt nationalisme en staat een egalitaire samenleving voor waarin alle bevolkingsgroepen gelijkelijk zijn vertegenwoordigd en de rechten van minderheden worden gerespecteerd.
Rojava is de facto autonoom. Behalve de enclave Hasakah en de luchthaven van Kamishli, die onder het gezag van Damascus vallen, wordt de regio gecontroleerd door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), waarin de Koerdische strijders en strijdsters van de Volksbeschermingseenheden (YPG), de Vrouwelijke Volksbeschermingseenheden (YPJ) en leden van de soennitische, yezidische en christelijke milities zich hebben verenigd.
Reusachtige YPG-vlaggen wapperen boven de talrijke wegversperringen in Kamishli, waar de politie van de autonome regering ieder voertuig minutieus inspecteert. Zelfmoordaanslagen door jihadisten vormen een permanente dreiging. Iedereen herinnert zich die van 2016, waarbij 44 doden en 140 gewonden vielen. De duisternis in de straten contrasteert met de verlichting van Nusaybin en Mardin, twee steden aan de andere kant van de Turkse grens. In een regio die wemelt van de natuurlijke hulpbronnen illustreert het energieprobleem de uitdagingen waarvoor het nieuwe bewind zich gesteld ziet. In Rumeilan, op honderd kilometer van Kamishli, langs de weg naar Irak, vormen zich lange wachtrijen bij de pompstations. Voor het begin van de oorlog, in 2011, leverde deze regio 380.000 vaten ruwe olie per dag, eenderde van de productie van het land. Door de strijd is de oliewinning met 70 procent gedaald en is er een schreeuwend gebrek aan benzine. Omdat er geen raffinaderijen zijn, ziet de autonome regering zich gedwongen een deel van de ruwe olie aan het Syrische bewind te verkopen, dat voor een forse prijs brandstof teruglevert: 80 eurocent per liter.
Bovendien schieten de kleine ambachtelijke raffinaderijen die benzine voor 20 eurocent per liter verkopen als paddenstoelen uit de grond, maar hun aanslag op het milieu begint zorgwekkend te worden. De rook kleurt het landschap zwart; huidziekten en ademhalingsproblemen nemen hand over hand toe. ‘We hebben voorlopig geen andere oplossing,’ erkent Samer Hussein, de vrouwelijke adjunct-directeur van de energiecommissie die in Rumeilan zetelt. ‘Zodra we kunnen, zullen we moderne raffinaderijen bouwen en de regio schoonmaken. En we zullen al die arbeiders natuurlijk in de nieuwe fabrieken tewerkstellen.’
Excuus
In andere regio’s van Rojava, zoals Manbij, is het verbod op ambachtelijke raffinaderijen in het verkeerde keelgat geschoten van het deel van de bevolking waarvoor elektriciteit al op rantsoen is gesteld, hoewel de SDF de drie grootste stuwmeren langs de Eufraat heeft veroverd. Volgens internationale afspraken moet Turkije, dat het stroomopwaartse deel van de rivier benut, de doorstroming van 600 kubieke meter water per seconde garanderen. ‘Toen IS de stuwmeren controleerde, liet Turkije een groter volume door,’ bevestigt Ziad Rustem, ingenieur en adjunct-directeur van de energiecommissie van het kanton Jazira. ‘Maar sinds de Syrische Democratische Strijdkrachten het gebied hebben bevrijd, zijn de Turken het watervolume gaan verminderen. Momenteel stroomt er nog geen 200 kubieke meter per seconde door.’
Sherwan Youssef, journalist bij de Koerdische tv-zender Ronahi in Kamishli, onderstreept de onvrede bij de bevolking. ‘In Kamishli hebben enkele honderden mensen een protestbetoging gehouden. Ze geven de autonome regering de schuld, maar niet Turkije. Toch vind ik die betogingen terecht. Oorlog kan niet altijd een excuus zijn voor het gebrek aan geleverde diensten.’
Ook al speelt milieubescherming een prominente rol in het Sociaal Contract, er zijn ook mensen die benadrukken dat de context daarvan de bouw van raffinaderijen, de modernisering van stuwmeren en de ontwikkeling van duurzame energie verhindert. Turkije heeft een blokkade in de regio opgeworpen, net als zijn bondgenoten van de Democratische Partij van Koerdistan (PDK), die het noorden van Irak bezet houden en met een scheef oog naar het succes van de PKK en de PYD kijken.
De dringende behoeften en de onderlinge strijd hebben niet kunnen verhinderen dat er een democratische confederatie in het leven is geroepen, gebaseerd op het principe van lokaal zelfbestuur. De gemeenten hebben zich gehergroepeerd tot drie kantons – Jazira, Kobani en Afrin – die alle drie over een parlement en een kantonnale regering beschikken. Een Syrische Democratische Raad moet de drie kantons, die hun beleid al op elkaar afstemmen, op termijn overkoepelen. De eerste verkiezingen hebben plaatsgevonden in maart 2015, en andere zijn voorzien voor eind dit jaar, terwijl de parlementen begin 2018 moeten worden gekozen. De eerste stemmingsronde is geboycot door de Syrische Koerden, die nauwe banden hebben met de PDK, zoals Narin Matini, bestuurslid van de Koerdische Toekomstbeweging en de Koerdische Nationale Raad (CNK), die wordt geleid door Massoud Barzani, de president van de regionale regering van Iraaks-Koerdistan.
Mevrouw Matini ontvangt ons in haar huis in de volkswijk van Kamishli: ‘Wij zetten ons in voor een onafhankelijk Koerdistan,’ zegt ze. ‘We zijn geen voorstanders van een Democratische Federatie van Noord-Syrië. De autoriteiten hebben onze kantoren gesloten en onze leiders gearresteerd en daarna weer vrijgelaten. De autonome regering zegt dat we ons moeten registreren om te mogen functioneren. Maar dat zou betekenen dat we hen steunen.’
Het parlement van Jazira zetelt in Amuda, op een twintigtal kilometers van Kamishli. Het gebouw wordt zwaar bewaakt en is alleen te voet bereikbaar; bezoekers worden zorgvuldig gefouilleerd en geïdentificeerd. 99 van de 101 leden, waarvan de helft vrouwen, zijn vertegenwoordigers van politieke partijen die het Sociaal Contract hebben ondertekend. Daarnaast hebben er twee vertegenwoordigers van organisaties uit de burgermaatschappij zitting, volgens de regels een man en een vrouw. Zij worden naar voren geschoven door hun gemeenschap of vereniging en benoemd door het parlement. Ten slotte heeft een tiental Koerdische en Arabische politieke organisaties de bevoegdheid en middelen om in het parlement te functioneren zonder er daadwerkelijk deel van uit te maken.
De stichting van een Koerdische natiestaat was geen doelstelling van Abdullah Öcalan, die zijn beweging als antinationalistisch bestempelt. ‘Ik wil dat de bevolkingsgroepen het recht op zelfverdediging krijgen en dat ze bijdragen aan de democratisering van alle partijen van Koerdistan, zonder de bestaande politieke grenzen ter discussie te stellen’, schrijft hij vanuit zijn gevangenis. ‘Wij willen niet gescheiden worden van ander Syrisch grondgebied,’ licht Siham Queyro toe, de vrouwelijke medevoorzitter van het comité van Buitenlandse Zaken van de autonome regering van het kanton Jazira. ‘De Koerden, de Arabieren en de Syriërs hebben in 2013 afgesproken om een autonome regering te vormen.’ Als lid van de christelijke gemeenschap, die voornamelijk uit Syriërs, Assyriërs en Chaldeeërs bestaat, herinnert ze er en passant aan dat de godsdienstvrijheid gegarandeerd is en dat er geen staatsreligie bestaat.
‘De beste manier om te voorkomen dat we opnieuw een dictator in Damascus krijgen, is de macht verdelen tussen de regio’s’
In de ogen van de Nationale Syrische Coalitie, die geacht wordt de oppositie te verenigen maar nauwe banden onderhoudt met de Moslimbroeders, zijn de PYD en de daarmee verbonden militaire groeperingen zonder uitzondering ‘terroristische organisaties’ die gelieerd zijn aan de PKK. Veel leden van de Syrische oppositie beschuldigen de Coalitie ervan onder één hoedje te spelen met het regime. Maar anderen zijn van standpunt veranderd, zoals Bassam Ishak, voormalig directeur van een mensenrechtenorganisatie in Hasakah. Hij had zich in het begin aangesloten bij de Syrische Nationale Raad (SNR), die deelneemt aan de Coalitie en eerst in Istanboel gevestigd was alvorens te verhuizen naar Rojava: ‘Toen de revolutie van vreedzame betogingen in gewapende opstand ontaardde, werd duidelijk dat de SNR een ander doel voor ogen had dan ik. Ze willen Bashar al-Assad verdrijven en een machtsmonopolie verwerven. Ik had dus de keus tussen de religieuze staat die de Syrische Nationale Raad voor ogen heeft, die van een Arabisch nationalistisch Syrië en die van een pluralistische staat. De beste manier om te voorkomen dat we opnieuw een dictator in Damascus krijgen, is de macht verdelen tussen de regio’s.’
Veel Koerden die we ontmoeten ontkennen de beschuldiging dat Rojava met Damascus heult; ze komen telkens weer terug op wat ze als strategische fouten van het regime beschouwen. Leraar Muslim Nabo heeft aan de Universiteit van Latakia gestudeerd. Zijn vrienden en hij publiceerden daar in het geheim een tijdschrift in het Koerdisch. Nadat ze in 2007 waren gearresteerd en overgebracht naar Damascus, werden ze in een minuscule cel gepropt en drie maanden lang geslagen. ‘Sommigen zeggen dat wij het regime van Bashar al-Assad steunen. Dat is een leugen,’ zegt hij. Na een jaar en een week werd hij vrijgelaten, het maximum voor administratieve hechtenis zonder proces. ‘We hebben veel geleden onder dit regime, dat sommige van onze politieke leiders heeft gemarteld en vermoord. Aan de andere kant wilden de Koerdische partijen geen gemilitariseerde revolutie die afhankelijk is van Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar. De steun van deze landen aan jihadistische groeperingen is catastrofaal geweest voor de Syrische revolutie.’ Wat de Amerikaanse hulp betreft, ‘dat is militaire steun en geen politieke of economische,’ zegt commandant Nashrin Abdallah. ‘Een tijdelijke, transparante en tactische overeenkomst’, volgens diverse Koerdische leidinggevenden die we hebben gesproken.
In 2014 en 2015 hebben twee internationale rapporten onenigheid gezaaid over het werkelijke beleid van de PYD in de op IS terugveroverde zones, met name in Tal Abyad: ‘Door opzettelijk woningen van burgers te verwoesten, in sommige gevallen door hele dorpen met de grond gelijk te maken en in brand te steken en door de bewoners zonder enige militaire reden te verplaatsen, misbruikt het autonome bestuur zijn gezag en maakt het schaamteloos inbreuk op de internationale mensenrechten door middel van aanslagen die oorlogsmisdaden vormen,’ zei Lama Fakih, crisisadviseur bij Amnesty International, in oktober 2015. Een jaar eerder stelde een rapport van Human Rights Watch hetzelfde.
Je kunt niet spreken van een etnische zuivering onder Arabieren, verdedigt mevrouw Queryo zich. ‘Toen er gevechten dreigden uit te breken, heeft de YPG de bevolking verzocht haar huizen tijdelijk te verlaten. Na de gevechten heb ik zelf veel dorpen rond Tal Abyad en Raqqa bezocht. De mensen hebben me allemaal verzekerd dat het zo is gegaan. Na twee weken zijn ze teruggekeerd.’ Ook het rapport van de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, gepubliceerd in maart 2017, weerspreekt de beschuldigingen van etnische zuivering: ‘De commissie heeft geen enkel bewijs gevonden dat de strijdkrachten van de YPG of SDF zich om etnische redenen tegen de Arabische bevolking hebben gekeerd, noch dat het kantonnale YPG-bestuur systematisch heeft geprobeerd de demografische samenstelling van de gebieden die onder hun gezag vielen vanuit etnisch oogpunt te veranderen.’ Hoewel de commissie opmerkte dat de verborgen bommen van IS de verplaatsingen rechtvaardigden, had ze kritiek op het gebrek aan ‘adequate’ humanitaire hulp aan de verplaatste gemeenschappen en de ‘gedwongen rekrutering’ door de YPG voor de militaire dienst.
Kobani
We verlaten Amuda en gaan naar Kobani, in het westen van Rojava. De weg loopt langs een eindeloze muur van 500 kilometer lang, gebouwd door Turkije dat daarmee het Syrische grondgebied is binnengedrongen. Dit betonnen bouwwerk, afgezet met prikkeldraad, versterkt het gevoel van isolement van deze gebieden die altijd de graanschuur van het land zijn geweest. Begin juli is het graan van de immense graanvelden geoogst en nu scharrelen er kuddes schapen hun kostje bij elkaar. De heuvels zijn bedekt met keurige rijen olijfbomen – een recente cultuur in de regio. De vaak zeer jonge landarbeiders beginnen vroeg te werken om voor de ergste hitte klaar te zijn. In de buurt van Tal Abyad loopt de weg over een sterk stromende rivier. Dit was kort geleden nog maar een onbeduidend stroompje, maar doordat Turkije het water uit de Eufraat grotendeels voor zichzelf houdt heeft men zich in allerijl op secundaire rivieren gericht, waarvan de irrigatie profiteert.
Bij het binnenrijden van Kobani zien we in de middenberm foto’s van ‘martelaren’, onder wie veel vrouwen. Ook het portret van Öcalan is alom aanwezig. De stad, die nog maar twee jaar geleden grotendeels was verwoest, bruist van energie en activiteit. Door raketten en granaten verwoeste huizenblokken worden afgewisseld door hijskranen en panden in aanbouw. ‘We willen de stad zo snel mogelijk weer opbouwen, zodat de mensen terugkomen,’ zegt Hawzin Azeez, die bij een organisatie voor stedelijke ontwikkeling werkt. Volgens haar voldoet de humanitaire hulp niet aan de verwachtingen en de beloftes. ‘De herbouw komt hoofdzakelijk op onszelf neer.’
De strijd om Kobani, die plaatsvond tussen september 2014 en januari 2015, vormde een beslissend keerpunt in de strijd tegen IS. Na de verovering van Mosul in Irak en Raqqa in Syrië is de uitbreiding van het ‘kalifaat’ hier voor het eerst een halt toegeroepen.
Door de strijd heeft de wereld ook kunnen ontdekken dat de situatie voor vrouwen in het Midden-Oosten aan het veranderen is. Kongra Star is de naam die aan het vrouwenopvanghuis in de stad is gegeven. Dit enorme gebouw, gelegen in een rustig straatje, ontvangt voornamelijk vrouwen die een klacht hebben ingediend wegens geweld binnen het huwelijk. Een grote vergaderzaal komt uit op de tuin, met aan de muur een reproductie van een schilderij van een kunstenaar uit Gaza: een jonge vrouw die oprijst uit de ruïnes, een symbool van toekomst en hoop. Aan weerskanten van dit schilderij hangen portretten van vrouwen die zijn gedood in de strijd om Kobani. Een ander deel van het huis, dat van een aparte, discrete ingang is voorzien, is bedoeld voor de opvang van vrouwen in nood.
De vrouwen met wie we spreken benadrukken dat seksegelijkheid de belangrijkste pijler van het Sociaal Contract van Rojava is. ‘Volgens de nieuwe wetten die door de autonome regering zijn aangenomen, erven een zoon en een dochter een gelijk deel, terwijl de islamitische wet maar in een half deel voor de dochter voorziet,’ geeft Sara al-Khali, een van de medewerkers van Kongra Star, als voorbeeld. ‘Het valt niet mee om deze nieuwe wetten aan een traditionele samenleving op te leggen, maar geleidelijk beginnen de mensen het te accepteren.’ De autonome regering verbiedt ook polygamie, al bestaat er een uitzondering op de regel. De ‘schaarste aan jongemannen’ dwingt sommige vrouwen ertoe om met een man te trouwen die al getrouwd is, vertelt mevrouw Azeez. ‘Als alle betrokken partijen ermee instemmen, kan de rechter ontheffing van het verbod verlenen.’
‘In deze regio bestaat een verschrikkelijke gewoonte, de eerwraak,’ zegt mevrouw Al-Khali, die er trots op is een bijdrage te leveren aan de uitroeiing daarvan. ‘Als iemand mijn broer doodt, moet mijn familie zich wreken door een lid van de andere familie te doden. Kongra Star heeft een comité gevormd om een verzoening tussen vertegenwoordigers van beide families te bewerkstelligen en daarmee een vendetta te voorkomen. Als er in een wijk een probleem ontstaat, komt een comité van vrouwen tussenbeide om een oplossing te vinden. Lukt dat niet, dan komen de vrouwen hier. Als het vrouwenopvanghuis geen oplossing vindt, wordt het conflict voor de rechter beslecht.’
Hier zien we een rechtstreekse toepassing van de anarchosyndicalistische beginselen van Murray Bookchin. ‘Elke straat, elke wijk hier kan een deelraad vormen,’ bevestigt Ibrahim Moussa, inwoner van Kobani. ‘Dat is een soort basisbestuur, gekozen door de bewoners en afzetbaar. Vorig jaar zijn er 2300 deelraden geregistreerd in het kanton Kobani. Die hebben 9700 klachten kunnen behandelen, en maar vijfhonderd daarvan zijn voor de rechter gekomen. Ander voorbeeld: de bewoners controleren of de antimonopoliewet in elke wijk wel goed wordt nageleefd, zodat de winkeliers niet van het embargo profiteren door hun prijzen te verhogen.’
De situatie in Kobani illustreert ook de uitdaging waarvoor de coalitie van diverse gemeenschappen zich geplaatst ziet: ze strijden zij aan zij tegen IS, maar zijn het niet per se eens over de rest. Onder het regime van Assad werd onderwijs alleen maar in het Arabisch gegeven. Niet zonder problemen heeft een hervorming van het schoolsysteem de drie officiële talen, Syrisch, Arabisch en Koerdisch, als gelijkwaardig aangemerkt, vertelt Dildar Kobani, lid van de directie Onderwijs van het kanton. ‘Sommigen beschuldigen ons van “koerdisering”. Dat is absurd. De helft van onze twintigduizend docenten is Arabisch. In Kobani is het grootste deel van het bestuur Koerdisch, net als de bevolking. Maar in Tal Abyad, een gemengde regio, is het bestuur half Koerdisch, half Arabisch.’
Volledig gesluierde vrouwen doen hun boodschappen naast vrouwen met een onbedekt hoofd
Onze voorlaatste tussenstop is Manbij, een stad die in augustus 2016 van het juk van IS is bevrijd door de SDF, na een heftige strijd waaraan ook Turkse troepen en het Vrije Syrische Leger deelnamen. In de soek valt meteen de culturele diversiteit op. Volledig gesluierde vrouwen doen hun boodschappen naast vrouwen met een onbedekt hoofd. Arabieren verkopen fruit naast Koerdische slagers en bakkers. Ahmed, een Turkmeen, bereidt pizza’s en verwerpt het idee van een Turkse interventie. ‘We leven hier samen, als broeders. De relatie tussen de Turkmeense, Koerdische, Arabische en Tsjetsjeense gemeenschappen is heel goed. Er zijn zelfs gemengde huwelijken. Wat zou Turkije hier dan te zoeken hebben?’
Abeer al-Aboud, die een sluier draagt, behoort tot de grote Arabische stam Beni Sultan. Haar naam wordt genoemd voor een plek in de burgerregering van Manbij, en ook zij maakt zich kwaad over de bedoelingen die aan Turkije worden toegeschreven: ‘Wij verzetten ons fel tegen de Turkse beschuldigingen dat de Koerden de Arabische, Turkmeense, Tsjetsjeense of Tsjerkessische burgers zouden overheersen. De vijf gemeenschappen zijn vertegenwoordigd in de grote raad, en in alle andere zijn de Arabieren in de meerderheid. Turkije probeert onze reputatie te besmeuren. Als het onder dat voorwendsel tegen de Koerden wil strijden, zullen wij, de Arabieren, achter de Koerden staan om ons mozaïek van volkeren te verdedigen.’
Niet ver van de markt komen we Ali Hatem tegen, een Arabier die zijn hele leven in de bouw heeft gewerkt. Nu verkoopt hij sigaretten, waarop onder IS de doodstraf stond. ‘Toen het Vrije Syrische Leger en het al-Nusrafront hier kwamen, werd de situatie heel slecht. Ze bemoeiden zich overal mee. Bovendien bestalen ze ons en vochten ze met elkaar. Onder IS was het nog erger. Je was bang om te praten, je dacht dat de muren oren hadden. Als we nu een probleem hebben, hebben we een deelraad.’
De lokale autoriteiten doen er alles aan nieuwe haatuitbarstingen te voorkomen. Abeer Mahmoud, lid van de Raad voor Verzoening en Integratie, heeft al drie jaar niets van haar man gehoord, die door IS werd gearresteerd. Toch dringt ze aan op verzoeningsmaatregelen. ‘Toen Manbij werd bevrijd, zijn veel mensen naar de SDF gelopen om collaborateurs aan te geven. Die werden door de militaire raad gearresteerd om te voorkomen dat er wraak werd genomen zonder proces. Na onze verzoeningsinspanningen zijn 250 mannen die geen bloed aan hun handen hadden bevrijd. De doodstraf bestaat hier niet.’ Jihadisten die verdacht worden van halsmisdrijven of daarvoor zijn veroordeeld, worden vastgehouden in gevangenissen die naar men zegt de Conventie van Genève respecteren, die is ondertekend door de YPG.
Ain Issa
Op de weg naar Raqqa stoppen we in Ain Issa, het militaire hoofdkwartier van de SDF. Een dienstplichtige is bezig ‘Syrische Democratische Strijdkrachten’ op een muur te schilderen, in het Arabisch, Koerdisch en Syrisch. De autonome regering legt een militaire dienstplicht van negen maanden op. Maar de overgrote meerderheid van de soldaten aan het front zijn vrijwilligers, onder wie enkele buitenlanders; een van hen was Robert Grodt, vroeger actief in Occupy Wall Street, die op 6 juli werd gedood toen de YPG de buitenwijken van Raqqa binnenviel. Konvooien lichte Amerikaanse pantservoertuigen rijden over de weggetjes van de sector. Na twee uur rijden, door een landschap dat bezaaid is met verwoeste gebouwen en verbrande voertuigen, doemt de stad op. De scherpschutters en de jihadistische aanslagen remmen de opmars van de SDF. Aan het begin van de stad biedt een eerstehulppost de mogelijkheid om lichtgewonden te behandelen. Een stukje verder, in een ander pand, maakt een groep jonge vrouwelijke dienstplichtigen met een yezidische achtergrond zich op om naar het front te vertrekken. Een van hen zegt dat ze alle vrouwen wil wreken die slachtoffer zijn geworden van IS. ‘Het kan me weinig schelen of de gevangen gehouden vrouwen yezidisch, Arabisch of Turkmeens zijn, we zijn gekomen om ze te bevrijden. Daarna gaan we weer naar huis, we zijn geen bezetters.’
Vanaf het terras van het gebouw waar de strijders op verhaal kunnen komen is het uitzicht op deze agglomeratie, die vroeger tweehonderdduizend inwoners telde, indrukwekkend. De straten tussen de verwoeste en nog overeind staande gebouwen zijn uitgestorven. Alle bewoners van de wijk zijn geëvacueerd; af en toe hoor je schieten of een explosie. Op een lagere verdieping doen strijders zich tegoed aan een grote schaal rijst, groenten en kip. De insignes op hun uniform zijn verschillend.
Sommige zijn Arabisch, andere Koerdisch of yezidisch, maar allemaal luisteren ze aandachtig naar een gesprek over de radiotelefoon tussen een lid van de groep en iemand van het hoofdkwartier van de SDF, die hem instructies geeft. IS blijft zich verzetten, en hoewel men voorspelt dat hun ondergang onafwendbaar is, zal er nog heel wat strijd moeten worden geleverd voordat Rojava of de Democratische Federatie van Noord-Syrië met naam en toenaam op de kaart prijken.
‘Le Diplo’ heeft een linkse blik op de internationale politiek en cultuur. Kritisch op de wereldwijde effecten van het neoliberalisme. Met tien buitenlandse edities komt het lezersaantal op 1 miljoen.
Sport had niets met politiek te maken, beweerden fanatieke pleitbezorgers van Nederlandse deelname aan het WK voetbal van 1978 in Argentinië. Waren zij de nationaal-socialistische Olympische Spelen in 1936 expres vergeten om zonder wroeging bij te dragen aan de vuile oorlog van de Argentijnse militaire dictatuur?
Het cabaretduo Neerlands Hoop In Bange Dagen niet. Freek de Jonge en Bram Vermeulen deden een dappere poging de publieke opinie te mobiliseren met hun boycotactie Bloed aan de paal: We gaan naar Argentinië, waar dagelijks wordt gemoord. Maar daar is nu eventjes geen tijd voor, zojuist heeft Rep gescoord.
Indien Rob Rensenbrink in de allerlaatste minuut van de finale Argentinië-Nederland niet tegen diezelfde paal had geschoten, was Oranje in Buenos Aires wereldkampioen geworden en hadden de apologeten van toen triomfantelijk het argument gehanteerd dat ‘wij’ die smeerlappen toch maar een lesje hadden geleerd en dat ‘zij’, de actievoerders tegen deelname, het mooi verkeerd hadden gezien.
President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur
Syrische voetballers staan in deze maanden voor een nog ingewikkelder dilemma. President Assad heeft het nationale team ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur. Het land verkeert in een gecompliceerde oorlogssituatie; er is niet alleen een verschrikkelijke burgeroorlog gaande, maar een die door buitenlandse inmenging buitengewoon ingewikkeld en onoverzichtelijk is geworden. Rusland bemoeit zich ermee, de VS en bondgenoten bemoeien zich ermee, Iran bemoeit zich ermee, de Islamitische Staat in Irak en Syrië bemoeit zich ermee, de Koerden binnen en buiten de Syrische grenzen bemoeien zich ermee. En langs de zijlijn staan enkele invallers klaar om ook nog wat speelminuten te krijgen.
En nu heeft het Syrische nationale voetbalelftal nog steeds een – kleine – kans om zich te plaatsen voor het WK voetbal van volgend jaar in Rusland. Assad zal deze buitenkans ongetwijfeld uitbuiten voor propagandistische doeleinden. Wat doe je dan als Syrische voetballer? Waar sta je in de burgeroorlog, voor of tegen Assad? En als je tegen hem bent, heb je dan het lef om dat te tonen door je niet beschikbaar te stellen voor het nationale elftal? Of zwijg je? Omwille van je eigen carrière, van je familie? Sterspeler Firas al-Khatib heeft het allemaal gedaan. Wel, niet. Spreken, zwijgen. Vijf jaar lang heeft hij het nationale elftal geboycot. Nu is hij terug omdat hij Syrië – al is het maar even – ‘uit zijn hel wil verlossen’.
Sport zou niets met politiek te maken moeten hebben. En vice versa.
Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar?
Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.
‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’
Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’
Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.
Keuze tussen twee kwaden
Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.
‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’
Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.
Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’
In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.
Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als “een schandvlek”. “Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord”
Mark Afeeva, een in sportzaken gespecialiseerde advocaat in Londen, vindt Syrië ‘een duidelijk geval van systematische staatsinmenging in de sport’ en zegt: ‘De wereldvoetbalbond heeft simpelweg de ballen niet om op te treden tegen wat overduidelijk een zeer kwalijke zaak is.’
Fadi Dabbas, vicevoorzitter van de Syrische voetbalbond en teamchef van het nationale elftal, wijst alle beschuldigingen van de hand. Volgens hem zijn ze afkomstig van spelers in ballingschap die tegen het regime zijn: ‘De regering beschermt het Syrische volk, en hun probleem is dat zij Syrië verlaten hebben en alleen voor zichzelf spreken.’
De mogelijke WK-deelname van Syrië stelt niet alleen de FIFA, maar ook spelers en supporters voor een moreel dilemma. Honderden Syrische spelers zijn het land ontvlucht. Daaronder ook voormalige leden van de nationale selectie, zoals verdediger Firas al-Ali. Kort nadat zijn nichtje van dertien bij een regeringsaanval was omgekomen, is hij Syrië halsoverkop ontvlucht. Nu zit hij in een tentenkamp bij Karkamis, aan de Turkse grens. Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als ‘een schandvlek’, zegt hij. ‘Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord. Die spelers voeren de vlag des doods.’
Seremban, Maleisië. Een klamme middag in september 2016. In de lobby van The Royale Bintang Resort & Spa zitten de spelers van het Syrische nationale elftal te wachten op de bus die hen naar het trainingsveld moet brengen. Hun thuiswedstrijd in de derde kwalificatieronde spelen ze hier in Maleisië, want het Syrische team is als een weeskind dat van pleeggezin naar pleeggezin zwerft. Normaal werkt het zijn thuiswedstrijden af in het stadion van Damascus of Aleppo, maar dat mag niet meer van de FIFA, omdat de veiligheid van spelers en supporters daar niet gegarandeerd is. In de tweede speelronde kon Syrië zijn thuiswedstrijden nog afwerken in Oman, maar ditmaal kon het team nergens in het Midden-Oosten terecht. Enkele dagen voor de eerste wedstrijd deed Macau een aanbod, dat al snel weer werd ingetrokken. In arren moede heeft de Syrische bond nu zijn toevlucht genomen tot Seremban, een industriestad aan de andere kant van de Indische Oceaan, meer dan 7500 kilometer van Syrië vandaan.
De spelers hebben een afmattende reis achter de rug. ‘Eerst hoorden we dat we zouden spelen in Qatar, toen in Libanon of Macau,’ zegt aanvoerder Abdulrazak al-Hussein. ‘Ik weet niet hoe het precies gegaan is. Je zou toch niet steeds overal geweigerd moeten worden.’ Drie dagen eerder hebben ze uit met 1-0 verloren van Oezbekistan. Na de lange reis hierheen moeten ze over twee dagen aantreden tegen Zuid-Korea. Tien jaar geleden speelden ze al eens in eigen land tegen dat team, voor 35.000 man publiek. Terwijl ze zitten te wachten, vragen de spelers zich af hoeveel supporters er ditmaal zullen opdagen. ‘Hopelijk toch wel drie,’ zegt er een lachend.
Met al deze problemen is het helemaal een wonder dat het team nog niet is uitgeschakeld. Naast de logistieke problemen en het ontbreken van belangrijke spelers zit de nationale ploeg ook op zwart zaad. Sancties van de EU en de VS hebben de FIFA gedwongen om de ontwikkelingsgelden voor het Syrische voetbal te bevriezen. Hier in Seremban trainen ze op een armetierig veldje om geen 3500 dollar veldhuur aan het stadion te hoeven betalen, zegt Kouteiba al-Refai, de gekweld kijkende secretaris-generaal van de bond, die zelf ook geen salaris ontvangt.
Na de tweede speelronde staat Syrië tweede in de groep, achter Japan. Het land is in 31 jaar niet zo dicht bij kwalificatie voor een WK geweest. Door de FIFA is het zwakke team op het schild geheven als de ultieme underdog. Op de website fifa.com staan verhalen over hoe het kleine land tegen de klippen op een WK-ticket in de wacht lijkt te slepen. ‘De prestatie van Syrië lijkt welhaast een wonder’, stond er in februari nog te lezen. Maar in al die verhalen blijft één detail steeds onvermeld: dat het elftal een regime vertegenwoordigt dat wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking. Impliciet onderschrijft de FIFA zo het standpunt van het regime dat het nationale elftal politiek neutraal is. Volgens Dabbas, de zakenman die optreedt als teamchef, willen ze ‘alle Syriërs verenigen’ en ‘de wereld laten zien dat Syrië nog leeft’. Tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat ze ‘voor onze president’ spelen: ‘Elke Syriër in Syrië vertegenwoordigt president Assad, en zijne excellentie president Bashar al-Assad vertegenwoordigt ons. Wij zijn trots op onze president. We zijn trots op wat hij heeft bereikt. Wij willen hem bedanken voor wat hij voor ons land heeft gedaan, we staan achter hem en volgen zijn leiding.’ Volgens Dabbas volgt Assad de verrichtingen van het team op de voet.
Er zijn genoeg tekenen dat de nationale ploeg niet het hele Syrische volk vertegenwoordigt, maar vooral een wrede dictatuur die hiermee zijn menselijke gezicht wil tonen. In november 2015 verscheen toenmalig bondscoach Fajer Ebrahim op een persconferentie in een T-shirt met een foto van Assad. Het is Syrische vluchtelingen niet ontgaan dat hij het podium van het WK toen aangreep om Assad te prijzen als ‘de beste man ter wereld’. Ook toen hij in Kuala Lumpur door ESPN werd geïnterviewd, begon hij spontaan Assad te prijzen. ‘Zonder onze president zou Syrië worden vernietigd,’ zei hij. Op de vraag of een voetbalcompetitie de geëigende plek was voor politieke uitspraken, was zijn antwoord: ‘Alles heeft nu met alles te maken.’
Omdat het regime al duizenden critici heeft gemarteld en vermoord, is het soms moeilijk in te schatten hoe oprecht de uitlatingen van spelers en leden van de technische staf zijn. Volgens Anas Ammo zijn familieleden van sommige spelers opgepakt of gedood. ‘Ze moeten in feite wel spelen om hun familieleden in leven te houden,’ zegt Ammo, die ons verzoekt geen namen te noemen, om spelers en hun familie niet in gevaar te brengen. Andere spelers zijn oprecht trouw aan Assad. Maar Ammo zegt ook van twee spelers te weten dat ze bang zijn dat de overheid hun paspoort intrekt, zodat ze niet meer in het buitenland kunnen spelen. Volgens hem zou een groot deel van het team ervandoor gaan als hun paspoort niet kon worden ingetrokken.
‘Wat ik ook doe, twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken’
Nauwelijks bekomen van de lange vliegreis treden de Syriërs op een benauwde avond in september aan in het Tuanku Abdul Rahman-stadion in Seremban. Dat heeft een capaciteit van 45.000 man, maar ondanks de gratis toegang zitten er nog geen vijfduizend toeschouwers. Ter hoogte van de middenlijn zit een honderdtal Syriërs hun team aan te moedigen, vooral studenten die zijn overgekomen uit Kuala Lumpur. Het altijd sterke Zuid-Korea speelt dreigend maar komt niet tot scoren, en al snel is Syrië alleen nog bezig om er een 0-0 uit te slepen, en daarmee zijn eerste wedstrijdpunt in deze speelronde. Om de zoveel minuten gaat er weer een Syriër naar de grond om tijd te rekken. De supporters rollen een spandoek uit: een enorme foto van Assad. ‘Syrië, Syrië,’ scanderen ze. Beveiligers snellen toe en laten het spandoek weghalen. Dan klinkt het eindsignaal: 0-0. Iemand van de technische staf maakt een radslag en de reservespelers stormen het veld op. ‘Dit is geen prestatie, dit is een wonder,’ zegt aanvoerder Hussein na afloop. ‘Vandaag hebben we bewezen dat we niet gewoon spelers zijn, maar helden.’
Dan Berlijn. Een ijskoude, regenachtige middag in februari. Een andere werkelijkheid. Twee dozijn Syrische vluchtelingen dicht opeengepakt in de kleedkamer van de SV Buchholz, een amateurclub die uitkomt op het achtste niveau. Een grijze keet met een sportveldje, midden in een woonwijk. Een voor een trekken de Syriërs een groen voetbalshirt uit een papieren zak. Voor het raam hebben ze de vlag van de Syrische revolutie gehangen – groen-wit-zwart met drie rode sterren. Ten minste twee teams, een in Turkije en een in Duitsland, voetballen namens het Vrije Syrië. Alle spelers hier in Berlijn maken deel uit van de Syrische vluchtelingenpopulatie, inmiddels al bijna zes miljoen mensen groot. Er zitten veteranen bij uit de Syrische competitie; volgens hun coach Nihad Saadeddine vertegenwoordigen ze ‘de mensen die zijn onderdrukt door het regime’ en ‘de sporters die hun leven hebben gegeven voor hun land’.
Dan druppelen ook de spelers van SV Buchholz binnen. Opgewekt en zorgeloos, blond en kerngezond, als modellen uit een Duitse reisbrochure. De Syriërs vormen zelfs in hun nieuwe tenues nog een verfomfaaid groepje, een verzameling mannen die met de moed der wanhoop strijden voor de goede zaak. ‘Veel van onze spelers hier hebben gevangengezeten of zijn gewond geraakt,’ zegt Saadeddine. Hij is 35 maar ziet er tien jaar ouder uit, met dun haar en holle ogen. Hij was middenvelder, maar zegt tijdens het beleg van Homs in zijn knie te zijn geraakt door een sluipschutter; daarna raakte hij praktisch bedolven onder een muur waarachter een mortiergranaat insloeg toen hij vrouwen en kinderen uit een woning probeerde te halen. Eenmaal in Oostenrijk, waar hij nu woont, stelden artsen drie wervelbreuken bij hem vast. Hij geeft zijn spelers een peptalk: ‘Wij vechten ergens voor, jongens: wij willen de misdadigheid van dit regime aan de kaak stellen en laten zien wat ze met sporters en andere gevangenen doen. In het team van het Vrije Syrië vertegenwoordig je miljoenen mensen.’
Een van de spelers is Jaber al-Kurdi. Hij werd in 2013 door het regime opgepakt in Hama, waar hij bij de club Taliya speelde. Kurdi zegt dat hij achter de oppositie stond maar nooit een wapen heeft opgenomen. ‘Hoe zouden deze handen een geweer moeten vasthouden?’ zegt hij. ‘Meisjeshanden zijn nog groter.’ Het enige wat hij gedaan heeft, zegt hij, was in demonstraties meelopen en vluchtelingen helpen met kleding en onderdak. ‘Ik kan niet tegen bloed. Maar toen ik mensen in mijn stad zag die in parken en op straat sliepen, kon ik niet werkloos toezien.’
De gevangenissen van Assad worden door Human Rights Watch ‘een martelarchipel’ genoemd. Kurdi werd zonder vorm van proces vastgehouden in verschillende detentiecentra in Hama, Homs en Damascus. Op de ‘Palestijnse’ afdeling van de militaire inlichtingendienst in Damascus werden zijn voetzolen met een rubberslang bewerkt en kreeg hij elektrische schokken op zijn hoofd. Hij werd een week lang opgesloten in een klein hok waarin hij zich nauwelijks kon verroeren en niet eens ruimte had om te gaan zitten. ‘Het was daar koud, en af en toe kwamen ze even langs om me nat te gooien met water en gingen dan weer weg,’ zegt Kurdi. Na negen maanden werd hij voorgeleid bij een militaire rechter, die zijn vrijlating gelastte. De bewaker van wie hij zijn bezittingen terugkreeg – een lege portemonnee – maakte met een mes ook nog snel een jaap in zijn wijsvinger. ‘Als aandenken,’ zei hij erbij. Kurdi laat het kleine litteken zien.
Hier in Duitsland is hij in therapie voor zijn terugkerende nachtmerries, waarin Syrische veiligheidsagenten hem achterna zitten in de platgebombardeerde straten van Hama. ‘Ik ben hier niet gelukkig,’ zegt hij, als hij tijdens een gesprek in tranen uitbarst. ‘Duitsland heeft ons opgenomen en biedt ons veiligheid, daar zijn we dankbaar voor. Maar geestelijk zijn we niet gelukkig. Ons volk wordt afgeslacht.’
Er is één naam die in bijna elk gesprek met de voetballers valt: die van Jihad Qassab, een veertiger die vroeger de ster was van Karama in Homs. Het is niet duidelijk waarom deze oud-middenvelder op 19 augustus 2014 is opgepakt. Hij is nooit berecht. Zijn familie en vrienden denken dat hij in de militaire gevangenis in Saydnaya is beland, het duistere hart van Assads martelarchipel. Volgens Amnesty International, dat zich baseert op getuigenverklaringen, worden de sterkere gevangenen daar door bewakers gedwongen om de zwakkere te verkrachten. Er worden continu mensen afgetuigd. In een ondergrondse executieruimte kunnen tientallen gevangenen tegelijkertijd worden opgehangen. Amnesty noemt Saydnaya ‘een slachthuis’ en schat dat er in vier jaar tijd bijna 13.000 gevangenen zijn geëxecuteerd.
Vorig jaar september, twee jaar na zijn verdwijning, werd bekendgemaakt dat Qassab is overleden. Dat nieuws kwam naar buiten via moskeeën in Homs en werd opgepikt door sociale media, het Syrisch Netwerk voor Mensenrechten en reguliere media. Nadere details zijn niet bekendgemaakt. ‘In elk ander land zou Jihad zijn geëerd om zijn verdiensten voor de sport,’ zegt Mohamed Hameed, oud-speler van Karama en een goede vriend van Qassab. ‘In Syrië, onder Assad, wordt hij opgepakt en gemarteld.’
Qassabs stoffelijke resten zijn volgens zijn vrienden nooit vrijgegeven, en sommigen zijn ervan overtuigd dat hij nog leeft. Rashad Shamma, die hem goed kende, zegt dat hij bij zijn snoepwinkeltje in Saoedi-Arabië een kleine herdenkingsdienst voor Qassab heeft gehouden. Het is tekenend voor de onwerkelijke sfeer van geweld in Syrië dat een ster als Qassab zomaar kan verdwijnen, dood worden verklaard en worden herdacht in een ceremonie, en dat Shamma vervolgens rustig kan zeggen: ‘Misschien leeft hij nog. Wie zal het zeggen?’
Fadi Dabbas van de Syrische voetbalbond zegt desgevraagd dat hij nog nooit van de man heeft gehoord. Als hij erop wordt gewezen dat Qassab meer dan tien jaar in de Syrische competitie heeft gespeeld, zegt hij: ‘Ik weet niet wat er met hem is gebeurd nadat hij bij zijn club is gestopt. Ik heb daar geen informatie over.’
In Berlijn mogen de gevluchte Syriërs dan een symbolische strijd voor hun land voeren, voor het handjevol Duitse toeschouwers dat op die kille zondagmiddag in de gestage regen staat te kijken verliezen ze met 5-2 van SV Buchholz. De wedstrijd heeft iets heroïsch en tegelijkertijd iets ongemakkelijks. De Syriërs maken het eerste doelpunt, uit een prachtige voorzet van de zijkant, maar in de tweede helft worden ze weggespeeld door de Duitsers. Die zijn veel beter in conditie en kunnen regelmatig trainen: de Syriërs zijn de vorige dag pas voor het eerst bij elkaar gekomen. Een Syrische verdediger krijgt bij een van de vele Duitse schoten op doel de bal keihard in zijn gezicht. Hij blijft minutenlang uitgeteld op de grond liggen voordat hij weer opstaat en wankel wegloopt.
‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek’
De Vrije Syriërs willen een alternatief vormen voor het nationale elftal van Assad. Maar dat blijkt deze middag een ijle droom. Syrië heeft maar één echt nationaal elftal, en de spelers die goed genoeg zijn om daarvoor geselecteerd te worden, moeten zelf beslissen wat dat team volgens hen vertegenwoordigt.
Toen Firas al-Khatib in juli 2012 besloot het nationale elftal de rug toe te keren, stond zijn stad Homs in brand. Khatib is een van de bekendste inwoners van Homs en een van de beroemdste Syrische sporters – al sinds zijn tienerjaren is hij een ster. Begin deze eeuw verliet hij zijn land voor een voetbalcarrière die hem van België via China uiteindelijk naar Koeweit voerde, waar hij nu al meer dan tien jaar in de competitie speelt en topscorer aller tijden is. Met de miljoenen die hij verdient, heeft hij meebetaald aan een straat in zijn stad Homs, de Al Khatib-straat, met een voetbalveld en een moskee die ook zijn familienaam draagt. Maar al verdiende hij zijn geld in het buitenland, hij kwam altijd terug naar Syrië om voor zijn land uit te komen. ‘In het nationale elftal heb je 24 miljoen mensen achter je, 24 miljoen Syriërs die hopen dat je wint,’ zegt hij.
Toen hij bij een demonstratie in Koeweit aankondigde geen interlands meer te willen spelen, was dat een tegenslag voor Assad. Gehuld in een sjerp in de kleuren van de revolutie zei Khatib tegen de uitzinnige menigte: ‘Ik wil hier in het bijzijn van de media zeggen dat ik niet meer voor het Syrische elftal zal spelen zolang er in Syrië bommen vallen.’ Khatib werd op de schouders gehesen en toegejuicht.
Als we hem in februari spreken, kost het hem moeite om uit te leggen waarom hij nu misschien toch weer voor zijn land wil uitkomen. Aan de misdaden tegen de burgerbevolking is immers nog geen eind gekomen. ‘Het is heel ingewikkeld wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek.’
Maar er valt wel iets af te leiden uit de dingen hij zegt. Bijvoorbeeld dat hij al zes jaar niet meer in de Al Khatib-straat is geweest. En zijn vader niet meer ziet, die vanwege zijn gezondheid niet kan reizen. ‘Dit is de moeilijkste tijd in mijn leven,’ zegt hij. ‘Ik wil niet terugkeren om voor het nationale elftal te spelen of voor of tegen de regering te kiezen. Ik wil naar Syrië als burger die terugkeert naar zijn land. Ik wil mijn ouders eindelijk weer zien, en mijn broers.’ Khatib zegt dat hij nog steeds droomt van een carrière in Homs als voorzitter van de lokale club Karama.
Toen Khatib zijn boycot aankondigde, heerste alom het idee dat het regime van Assad op omvallen stond. ‘Dat was een goede revolutie,’ zegt hij. ‘Mensen wilden vooruitgang, een sterker land, een beter leven.’ Nu zit Assad weer vast in het zadel. Zijn regering heeft niet alleen Homs, maar sinds december ook Aleppo weer in handen, ooit de dichtstbevolkte stad van het land. De Syrische profcompetitie, lange tijd beperkt tot de steden Damascus en Latakia, kan nu ook weer in andere delen van het land worden gehouden. Eind januari speelden Ittihad en Hurriya, de twee aartsrivalen uit Aleppo, hun eerste stadsderby sinds 2012. De regering buitte het meteen uit als een symbool van de teruggekeerde rust.
‘Ik heb gezegd dat ik niet wilde spelen zolang er geen eind kwam aan dat moorden, al die doden,’ zegt Khatib. ‘Nu vraag je waarom ik van standpunt ben veranderd. Het is een voetbalbeslissing, geen politieke beslissing. We willen gelukkig zijn, we willen iets waar we blij van worden. In Syrië zijn nu alleen dingen die ons verdrietig maken.’
Hij heeft op dat moment nog vijf weken de tijd om te beslissen of hij meespeelt met de volgende wedstrijd. Na de 0-0 tegen Zuid-Korea heeft Syrië gewonnen van China en gelijkgespeeld tegen Iran, de nummer één van de groep. Syriës WK-debuut is binnen bereik.
Maar hoe kan Khatib meespelen in de ploeg van een regering die burgers blijft bombarderen en zich schuldig maakt aan moord en marteling op ‘mensen van wie je houdt, op ploeggenoten’? ‘Een heel, heel, heel moeilijke vraag,’ zegt Khatib met een klaaglijke glimlach. ‘Ik kan er niet over praten, echt. Ik wil wel. Maar het gaat niet.’
Paradijs op aarde
Andere spelers piekeren er niet over om ooit nog voor Assad te spelen. Firas al-Ali bijvoorbeeld. ‘Voor mij was Syrië een paradijs op aarde,’ zegt de voormalige verdediger van het nationale elftal. Maar hij zit niet meer in Syrië en al helemaal niet in een paradijs. Het vluchtelingenkamp bij het Turkse Karkamis heeft meer weg van een open gevangenis. De bijna zevenduizend bewoners van dit tentenkamp (waaronder bijna tweeduizend kinderen) zijn vrij om te gaan – maar ze kunnen nergens heen.
Vroeger had Ali drie huizen. Nu passen al zijn bezittingen in een van de honderden strak in het gelid opgestelde tenten op de zongeblakerde droge grond. Zijn tent is precies even groot als alle andere, binnen is alles keurig netjes ingericht. Witte glasgordijnen langs de wand, een oosters tapijt op de houten vloer. Een U-vormige zithoek van fleurige kussens. Op een kookplaatje staat een klein zilveren theepotje te pruttelen en er staan zelfs een kleine tv en een koelkastje. Hier woont Ali (31) nu al drie jaar met zijn vrouw en drie kinderen. Zijn jongste dochter Aysha is hier geboren. Voor Syrische voetballiefhebbers moet het onvoorstelbaar zijn: hun ster in zulke primitieve omstandigheden. Bij Shorta, een van de Syrische topclubs, verdiende hij meer dan een ton per jaar, een fortuin in Syrië. En hij zat in de nationale selectie. ‘Uit de 23 miljoen inwoners werd ik gekozen als een van de beste twintig van mijn land,’ zegt hij. ‘Ik was beroemd en werd overal herkend. Financieel had ik niets te klagen. Het kwam nooit in me op om naar het buitenland te gaan.’
Nu is Ali een vluchteling. En hij zegt liever hier te blijven dan ooit nog voor Syrië uit te komen. In 2011 werd zijn geboortestad Hama aangevallen door regeringstroepen. Zijn negentienjarige neef Adbullah, een student aardrijkskunde, werd doodgeschoten bij protesten. Later kwam een nicht van hem om toen haar huis werd geraakt door een van de vatenbommen die de regeringstroepen over woonwijken uitstrooien. Ali was kort na de inslag ter plekke. ‘Het is een nachtmerrie als iemand zo aan stukken gereten wordt,’ zegt hij. ‘Ze was vrij fors, maar we hebben niets meer van haar teruggevonden.’ Ali begon mee te lopen in demonstraties, met gezichtsbedekking omdat hij zo herkenbaar was. Hij had het gevoel dat hij een dubbelleven leidde: tegen Assad protesteren op straat en voor hem spelen op het voetbalveld.
Op een ochtend kwam hij in het Abbasiyyin-stadion in Damascus voor de training en zag dat er een legerbasis van was gemaakt. ‘Wij hadden de helft van het stadion om te trainen, de andere helft was voor de Vierde Divisie. Ik zag het met mijn eigen ogen! Artillerie op een sportveld. Vanuit het stadion waar ik aan het trainen was, rukten zij uit om demonstraties neer te slaan. Soms hoorde ik geweervuur buiten het stadion. En de demonstranten hadden toen nog geen wapens. De enige wapens waren in handen van de regeringstroepen.’
Fajer Ebrahim, de man met een foto van Assad op zijn T-shirt, was toen nog bondscoach. Hij zei openlijk dat de regering de opstand moest neerslaan. Door wedstrijden te winnen, hield hij zijn spelers voor, zouden ze de wereld laten zien dat de protesten weinig uithaalden. De meningen van de spelers waren verdeeld. Ali raakte gedemotiveerd, zijn prestaties gingen achteruit: ‘Ik was er niet bij met mijn hoofd. Al die vrienden en familieleden die stierven.’
Op trainingskamp voor een toernooi in India kreeg Ali bericht dat Alaa, zijn nichtje van dertien, was omgekomen bij een regeringsaanval op een dorp buiten Hama. Een halfuur later schoof hij met het nationale elftal aan voor het avondeten. Toen een van zijn ploeggenoten de demonstranten bespotte, gooide Ali een lepel naar zijn hoofd. De andere spelers moesten hen uit elkaar houden. Ali ging naar zijn kamer en belde zijn familie.
‘Ik stop ermee,’ zei hij tegen zijn zus.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.
’Ik wil nooit meer voor ze spelen,’ antwoordde hij.
Hij liet zich de volgende ochtend om half zes ophalen door twee van zijn broers, met wie hij in één ruk doorreed naar gebied dat in handen was van rebellen. Als bekend voetballer kon hij bij controleposten meteen doorrijden, de militairen wisten nog niet dat hij op de vlucht was. Zo belandde hij met zijn jonge gezin uiteindelijk in Turkije. Vrij, maar niet vrij van problemen. ‘Mijn banktegoeden werden door het regime in beslag genomen,’ zegt hij. ‘Ik had drie huizen, die zijn vernietigd. Een stukje grond, dat ben ik ook kwijt. Ik heb niets meer.’
We spreken hem bij het ‘winkelcentrum’ van het tentenkamp: een verzameling stalletjes waar van alles te koop is, van voedsel in blik tot kookgerei en stroomaggregaten. Een van de verkopers brengt Ali een schotel gegrild vlees, waarmee hij snel een stalletje induikt om te ontkomen aan de vele vliegen. Hij slijt zijn dagen vooral met het geven van voetballes aan de kinderen, voor wie hij hier een beroemdheid is. ‘Het is zwaar, maar ik heb nergens spijt van,’ zegt hij. ‘Hoe moet je je voelen als je speelt voor de vlag en het portret van de man die als enige verantwoordelijk is voor de dood en verdrijving van meer dan zeven miljoen Syriërs?’
Is Syriës nationale elftal niet meer dan een propagandawapen voor Assad, een middel om te doen alsof er niets aan de hand is? Anas Ammo’s antwoord op die vraag was het aanleggen van een mensenrechtendossier tegen de Syrische regering. Zo wil hij zijn steentje bijdragen aan de oppositie. Vroeger werkte hij als sportjournalist voor de Syrische krant Al-Watan en was hij onbezoldigd woordvoerder voor Ittihad, de grootste club van Aleppo. Nu houdt hij kantoor in Mersin, een kuststadje in Turkije. Vijf jaar geleden kwam hij tot het inzicht dat veel voetballers slachtoffer werden van Assads wrede onderdrukking en dat het regime zijn geliefde sport als propagandamiddel misbruikte. Tientallen spelers zijn gedood en duizenden op de vlucht gejaagd; volgens Ammo ‘is een complete generatie voetballers weggevaagd’. In de loop van de oorlog heeft het regeringsleger stadions in alle grote steden gebruikt als uitvalsbases of detentiecentra. Zo blijkt uit filmopnamen van activisten dat vanuit het Abbasiyyin-stadion in Damascus raketten werden afgevuurd. Maar volgens Fadi Dabbas van de voetbalbond zijn er nooit stadions voor militaire doeleinden gebruikt. Hij verwijt de westerse media partijdigheid.
Volgens de statuten van de FIFA moeten de aangesloten voetbalbonden ‘onafhankelijk en zonder inmenging van derden’ kunnen opereren. Op die clausule is de afgelopen tien jaar al 24 keer een beroep gedaan bij aanklachten tegen nationale bonden, resulterend in twintig schorsingen als gevolg van duidelijke overheidsbemoeienis. Zo werd Irak in 2009 geschorst omdat de regering het bestuur van de voetbalbond naar huis had gestuurd en vervangen door mensen van de veiligheidsdienst. In 2014 werd Nigeria geschorst omdat de regering het bondsbestuur had ontslagen na de teleurstellende resultaten op het WK in Brazilië. Volgens Ammo vormen ook het gebruik van het Syrische nationaal elftal als propagandamiddel en het gebruik van stadions voor militaire doeleinden een inbreuk op de FIFA-statuten. Door daar niet tegen op te treden maakt de FIFA zich volgens hem ‘medeplichtig aan alle tegen voetballers gepleegde misdaden en alle schade die is toegebracht aan stadions en sportfaciliteiten’.
Ammo mailde zijn informatie door aan Ayman Kasheet, een voormalige profvoetballer die asiel heeft gekregen in Zweden. In augustus 2014 reisde Kasheet naar Zürich om de FIFA hierop aan te spreken, maar hij kwam niet voorbij de receptie. Om iets te bereiken, begreep hij, moest hij een gedegen rapport opstellen. Hij volgde een cursus van Amnesty International over het documenteren van mensenrechtenschendingen. Dat resulteerde in een twintig pagina’s tellende ‘aanklacht’ namens ‘meer dan tweeduizend sporters die zijn afgesneden van de Syrische voetbalbond’. Het rapport bevat een lijst van tien spelers (waarvan negen met foto) die vermoedelijk gevangen worden gehouden door het regime, plus elf minderjarige en twintig meerderjarige spelers die door de regeringstroepen zouden zijn gedood. Ook bevat het rapport foto’s en filmpjes van stadions die door de strijdkrachten zijn bezet.
Als Kasheet de informatie eerst naar de FIFA mailt en het rapport vervolgens ook persoonlijk komt afgeven bij de receptie op het hoofdkantoor, hoort hij niets terug. Dan gaat hij in augustus 2015 weer naar het hoofdkantoor in Zürich, nu samen met een tolk die alles filmt. Na veel gesoebat krijgt hij Alexander Koch te spreken, het hoofd Communicatie. ‘Hij zegt dat het fijn zou zijn als de FIFA iets met dit rapport zou doen, want de enige manier om druk uit te oefenen is via de FIFA, omdat de voetbalbond daaronder valt,’ zegt de tolk tegen Koch. Koch lijkt wat van zijn stuk gebracht. ‘Het probleem is dat dit allemaal niet over het voetbal gaat,’ zegt hij. Volgens Koch moet Kasheet zijn klacht indienen bij de Syrische bond, zodat die weer een klacht kan indienen bij de FIFA. Kasheet probeert duidelijk te maken dat zijn aanklacht juist gericht is tégen de Syrische bond, die aan de leiband van Assad loopt.
Een maand later bevestigt de FIFA bij monde van vicesecretaris-generaal Markus Kattner dat deze zaak buiten de competentie van de bond ligt. ‘De FIFA steunt alle pogingen om te zorgen dat iedereen kan voetballen in omstandigheden die vrij zijn van geweld, en we danken u voor initiatief’, mailt Kattner, die korte tijd later ontslagen zal worden wegens financiële onregelmatigheden. Hij voegt er nog aan toe dat de in het rapport beschreven zaken de sport ‘overstijgen’.
‘Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict’
‘De FIFA moest zich schamen,’ zegt een aangeslagen Kasheet als hij erop terugkijkt. Hij was er kapot van. ‘Ik vroeg de FIFA niet om meteen een beslissing te nemen, ik vroeg ze alleen om een onderzoek in te stellen. Als de informatie niet blijkt te kloppen, kunnen ze het altijd nog terzijde leggen.’
Op vragen van ons wil de FIFA niet ingaan. De woordvoerder stuurt alleen een algemene verklaring: ‘De FIFA heeft de afgelopen jaren van verschillende kanten – vaak tegenstrijdige – signalen gekregen over geweld met betrekking tot het voetbal in dat land. We begrijpen de tragische omstandigheden waarin dit plaatsvindt, maar als sportfederatie moeten wij ook beseffen dat deze zaken het domein van de sport ontstijgen, in een land dat verwikkeld is in een burgeroorlog.’ Volgens de woordvoerder kan de FIFA niets doen omdat er grenzen zijn ‘aan onze competentie en ons vermogen om de waarheid van de beschuldigingen in die complexe situatie te beoordelen’. Volgens advocaat Mark Afeeva wil de FIFA zich gewoon niet branden aan een politieke crisis waarin grote mogendheden een rol spelen, met name de VS en Rusland, gastland van het komende WK.
Op een koude avond in maart treden de teams van Zuid-Korea en Syrië aan in het World Cup Stadium in Seoul. De opzienbarendste verandering is dat Firas al-Khatib er sinds de wedstrijd tegen Oezbekistan van vorige week weer bij is. Khatib en de Syrische bond doen allebei alsof het niets bijzonders is. ‘De vorige keer was ik niet eens geselecteerd,’ zegt Khatib. Volgens de teamchef ‘was Khatib altijd welkom in het team’, maar was hij de vorige keer ‘door zijn situatie verhinderd’.
Khatib interviewen lukt nu pas na veel gesteggel met de persvoorlichter, die eerst nog eist dat we geen vragen stellen over politiek. Die garantie krijgt hij niet, maar Khatib wekt de indruk dat hij er zelf ook niet over wil praten. ‘We laten de politiek erbuiten en gaan het alleen over voetbal hebben,’ zegt hij. Het nationale elftal speelt volgens hem ‘voor het hele volk, voor heel Syrië’, niet alleen voor de regering. Niets doen is geen optie meer. ‘We kunnen niet zitten afwachten en doodgaan. We moeten iets doen voor onze familie, ons land, onze vrienden, onszelf.’
Dat pikt niet iedereen. Op sociale media zijn de reacties gemengd. Volgens Khatib staat 80 tot 90 procent van de voetballiefhebbers achter zijn terugkeer, maar uit de berichten op zijn Facebookpagina blijkt dat velen het als verraad beschouwen:
‘Het minste wat je over jou kunt zeggen, is dat je een verrader bent.’
‘Mensen als jij zijn nog geen ouwe schoen waard. Ik spuug op jullie eer, stelletje honden.’
‘Schaam je, Firas. Je woord is net zo weinig waard als dat van een kind. Ik spuug op je, vuile leugenaar.’
Anderen zijn milder. Mohammed al-Homsi, een media-activist in de door de regeringstroepen belegerde wijk Al Waer in Homs, zegt dat hij de verrichtingen van het nationale elftal nog wel volgt, omdat ‘sport het enige is wat ons met vroeger verbindt. Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict.’
Khatib, die nog moet wennen in het team waarvan hij al vijf jaar geen captain meer is, begint op de bank. Zuid-Korea maakt al na vier minuten de 1-0. De rest van de avond hollen de Syriërs achter de feiten aan. Als Khatib er in de tweede helft in komt, wordt hun spel wel meteen aanvallender. Het stadion, ongeveer voor de helft gevuld met Koreanen, valt stil als de Syriërs herhaaldelijk dreigend voor de goal komen. Ineens staat Khatib links voor het doel, oog in oog met doelman Sun-Tae Kwoun. Zijn schot gaat vanaf een meter of drie recht op het hoofd van de keeper af. Die weet de bal weg te boksen en behoedt zo zijn hoofd en zijn doel voor verder leed.
In blessuretijd krijgt Khatib nog één kans die het publiek luid gegil ontlokt. Weer alleen voor de keeper lanceert hij vanaf bijna dezelfde plek opnieuw zo’n pegel, nu iets hoger. De bal knalt zo hard op de lat dat het tot op de tribune te horen is. Weer geen doelpunt. Khatib zegt teruggekeerd te zijn omdat hij Syrië – al is het maar even – uit zijn hel wil verlossen. ‘Hier doe ik goed aan,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik het Syrische volk wat blijheid kan schenken.’ Vanavond nog niet. Na de 1-0 nederlaag komt Syrië met slechts drie wedstrijden te gaan nog vier punten te kort voor de derde plek en lijkt de kans op een WK-ticket verkeken.
Een week later is er weer nieuws uit Syrië. Khatib had gezegd dat hij geen interlands meer zou spelen zolang Assad nog burgers doodt. Nu heeft het regeringsleger een aanval met sarin gepleegd op een rebellendorp bij Khan Shaykhun. De beelden zijn gruwelijk: stuiptrekkende en schuimbekkende slachtoffers met pupillen zo klein als speldenknopjes. Halfblote kinderen die in een plas water naar adem liggen te happen.
Steve Fainaru is senior writer voor sportplatform ESPN. Hij won in 2008 een Pulitzerprijs voor internationale verslaggeving en is co-auteur van het boek League of Denial, over hersenletsel in het American Football.
ESPN
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 1.536.346
In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.
CONTEXT
24 miljoen mensen telde de bevolking van Syrië in 2011
11,4 miljoen mensen bleven waar ze waren
6,6 miljoen mensen zijn op de vlucht in Syrië
470.000 Syriërs kwamen om het leven
5 miljoen Syriërs zijn gevlucht naar het Midden-Oosten en Afrika
900.000 Syriërs zijn gevlucht naar Europa
38 voetballers uit de eerste en tweede divisie zijn door het regime van Assad om het leven gebracht.
Dankzij een gelijkspel in de uitwedstrijd tegen Iran, op 5 september jl. in Teheran, heeft Syrië zijn kansen behouden om zich voor de eerste keer in de geschiedenis te plaatsen voor het eindtoernooi van een WK voetbal. De gelijkmaker viel diep in blessuretijd. Iran is een van de twee landen die de Syrische president Bashar al-Assad met hun steun in staat hebben gesteld zich staande te houden in de burgeroorlog die nu al zes jaar woedt. Het Syrische elftal moet nu in oktober twee play-offwedstrijden spelen tegen Australië voor een plek in de allerlaatste kwalificatieronde, in november, tegen de nummer vier van Noord- en Midden-Amerika. Het team speelt zijn ‘thuiswedstrijden’ in Maleisië. Deze beslissing van de wereldvoetbalbond FIFA was een tegenslag voor Assad, die de indruk probeert te wekken dat het leven in de gebieden in Syrië die onder controle van het regeringsleger staan, weer normaal verloopt. Het WK voetbal 2018 wordt gespeeld in Rusland, naast Iran eveneens een bondgenoot van Assad in de burgeroorlog.
De voetbalwedstrijd Iran-Syrië op 5 september jl. in Teheran heeft beroering gewekt, omdat Syrische vrouwen wel en Iraanse vrouwen niet werden toegelaten tot het Azadistadion. Iraanse vrouwen waren echter wel, voor het eerst in de geschiedenis, in staat gesteld in de voorverkoop kaartjes te kopen. Maar toen enkele vrouwen op de dag van de wedstrijd naar binnen wilden, werden zij tegengehouden. Syrische vrouwen daarentegen mochten doorlopen naar de tribunes.
De controle bij de ingang was streng. Iraanse vrouwen die zich voordeden als vrouwen uit Syrië en als ‘bewijs’ daarvan een Syrische vlag meevoerden, kwamen ook niet door de controle.
De populaire voetbalcommentator Peyman Yousefi beklaagde zich er een paar minuten voor aanvang van de wedstrijd openlijk op de televisie over dat er geen Iraanse vrouwen op de tribunes aanwezig mochten zijn. Een groepje vrouwelijke Iraanse parlementariërs had het ministerie van Jeugd- en Sportzaken toestemming gevraagd de wedstrijd te bezoeken, en de drie vrouwelijke afgevaardigden die zich bij het stadion meldden, werden inderdaad toegelaten. Maar de vrouwelijke afgevaardigde Parvane Salahshouri weigerde van dit voorrecht gebruikt te maken. ‘Ik protesteer tegen het feit dat maar een handjevol vrouwelijke parlementariërs wordt toegelaten, en niet willekeurig welke Iraanse vrouw.’
Shahindokht Mowlaverdi, de (vrouwelijke) woordvoerder van de gematigde Iraanse president Hassan Rohani, liet weten: ‘Volgens onze Wet op de Burgerrechten hebben alle burgers, en vrouwen in het bijzonder, het recht om alle nationale en internationale sportwedstrijden bij te wonen, zolang zij de Iraanse en islamitische cultuur daarbij in acht nemen.’
Hervormingsgezinde kranten leverden eveneens commentaar. Vaghaye Etefaghie publiceerde op de voorpagina een foto van een Syrische vrouw in het stadion met als bijschrift ‘De enige winnaar van de wedstrijd’, terwijl de krant Bahar tegen het niet toelaten van Iraanse vrouwen protesteerde onder de kop ‘De Iraanse Paradox’.
Rusland heeft eigenlijk niets te zoeken in Syrië, betoogt deze Israëlische commentator. ‘Het gaat Poetin vooral om status, maar iedereen ziet dat die schijn is.’
Wat heeft Rusland precies te zoeken in Syrië? Wie die vraag stelt, kan rekenen op een aantal standaardantwoorden. Moskou is vastbesloten de dreiging van het islamitisch fundamentalisme uit te roeien voordat het de moslimminderheid in Rusland – 7 procent van de bevolking – bereikt. Of: door tegen IS te vechten, hoopt Poetin de aandacht van het Westen af te leiden van zijn manoeuvres in Oekraïne. Of: Moskou moest het regime van Bashar Assad overeind houden om de Russische marinebasis in de Syrische havenstad Tartoes te redden.
Maar wat Poetin in de eerste plaats beoogde, was een herstel van de Russische status van grote speler in het Midden-Oosten. Hij wilde de wereld laten zien dat Rusland nog net zo’n grootmacht is als in de goede oude tijd van de Koude Oorlog.
Anderhalf jaar later is de balans voor Rusland niet zonder meer gunstig. Zeker, het regime van Assad is van de ondergang gered. En Rusland heeft nu niet alleen Tartoes: er is een luchtmachtbasis bij Latakia bijgekomen. Aan de andere kant heeft het Westen zich weinig bereid getoond tot een verlichting van de sancties die Rusland zijn opgelegd vanwege de inval in Oekraïne. Uit de bomaanslag op 4 april in de metro van Sint-Petersburg blijkt dat de dreiging van islamitisch extremisme nog niet is geweken. En ten slotte heeft de verrassende Amerikaanse raketaanval op Syrië een einde gemaakt aan de toenadering tussen Moskou en het Witte Huis van Trump.
Poetin heeft zeker winst geboekt als het gaat om het imago van Rusland als grootmacht. Anders dan de stuurloze Amerikanen heeft Rusland aangetoond dat het zijn vrienden te hulp schiet zonder vervelende vragen te stellen over mensenrechten en democratie, zelfs niet over het gebruik van chemische wapens.
Voor de dictators en monarchen van de regio lijkt Moskou een veel geschiktere bondgenoot en begunstiger dan Washington. Toch zijn er weinig tekenen dat zij dit ook werkelijk vinden. Ik vermoed dat ze inzien hoezeer Moskous status als grootmacht schijn is.
Rusland stelt belang in het Midden-Oosten, maar heeft er geen belangen. Echte belangen beginnen met jongens en meisjes in nette pakken met aktetassen vol contracten om dingen te bouwen en te verkopen. Daarna komen pas de generaals, de oorlogsschepen en luchtmachtbases om dat alles te beschermen. Handel en investeringen zijn wat grootmachten als de VS, Europa of China naar een regio als het Midden-Oosten lokt. Militaire betrokkenheid vloeit daaruit voort.
Poetin heeft het paard achter de wagen gespannen, en hij heeft niet eens een behoorlijk paard. De waarheid is dat Rusland een onderontwikkelde economie heeft, die de wereld weinig meer kan bieden dan wapens, nucleaire technologie, energie en tarwe.
Deze beperkingen in aanmerking genomen, heeft Rusland het niet slecht gedaan. Als graanexporteur streefde het de VS vorig jaar voor het eerst in decennia voorbij, en is het op dit gebied nu hoofdleverancier van Egypte. Tussen 2006 en 2015 bracht de Russische wapenverkoop aan het Midden-Oosten en Noord-Afrika een kleine 12 miljard euro op, twee keer zoveel als in het decennium ervoor.
Ja, Rusland heeft ook overeenkomsten gesloten om kerncentrales in Egypte, Jordanië en Iran te bouwen. Russische energiebedrijven zijn actief in Egypte en Irak. Het klopt dat Rusland wapendeals heeft met Egypte en zelfs in de Golfregio een voet tussen de deur heeft gekregen. Maar dat heeft weinig te maken met de kwaliteit van Russisch wapentuig in de Syrische burgeroorlog en veel meer met de westerse aarzeling om wapens te verkopen aan tirannieke regimes. Overigens is de nucleaire deal van Moskou met Egypte economisch niet levensvatbaar. En nu blijkt zelfs dat Egypte geen kernenergie nodig heeft, na de vondst van grote aardgasvelden voor de Egyptische kust. Het is moeilijk voor te stellen dat de machten in het Midden-Oosten de voorkeur zullen geven aan Russische energiebedrijven boven hun technologisch geavanceerdere westerse concurrenten.
Ahmed en Alin zijn tien en elf jaar oud als hun ouders omkomen in Aleppo. Ze vluchten naar Turkije en werken daar, van elkaar gescheiden, als schrootverzamelaar en naaister. Soms dromen ze van een koningin die Merkel heet.
Op een vroege ochtend deze zomer loopt de dertienjarige Alin, een meisje met vermoeide ogen, zingend door de nog donkere straten van de stad Mersin. Met klepperende sandalen wandelt ze in haar eentje door de fabriekswijk, langs vervallen gebouwen, langs honden die nog slapen en langs lantaarns zonder licht. Het liedje dat ze zingt gaat over twee kinderen die geen leven hadden, maar nadat het ergste leed geleden was toch werden gered.
Er waren eens twee kinderen, zo gaat het liedje, een jongen en een meisje, die alles waren kwijtgeraakt, hun ouders, hun huis, hun vaderland. Ze kwamen uit een oude stad, en toen in hun land een oorlog uitbrak, vluchtten ze naar een ver rijk. Om hun beschermers daar van dienst te zijn, werkten ze zo hard dat hun rug er krom van werd en hun handen onder het bloed zaten. Bijna waren ze gestorven. Maar op een dag, Allah is groot, werden ze rijkelijk beloond voor hun leed. God gaf ze hun land terug en schonk ze goud en geluk. Volgens het liedje dat van Raqqa tot Damascus op de scholen werd geleerd, waren ze nu koning en koningin van Syrië.
Alin zingt met een dun stemmetje. Dan slaat ze een steegje in, waar links en rechts uit de huizen steeds luider het ratelen van honderden machines klinkt. Alin vertraagt haar pas, het lawaai overstemt haar gezang. Ze stopt met zingen, gaat bukkend een lage deur door, loopt langzaam een trap af, vijftien treden, en staat in een vochtige, raamloze kelder.
Er hangt een geur van zweet. Neonlicht straalt vanaf het plafond en valt fel op een twintigtal fijnbesneden gezichten. Negentien meisjes en vijf jongens zijn hier verzameld, allemaal nog kinderen. Enkelen steunen op krukken, drie van hen hebben maar één been. Als soldaten staan ze in een rij naast elkaar. Een man roept hun namen af, schreeuwt in het Arabisch ‘Jalla, jalla!’, ‘Opschieten, opschieten!’, en dan gaan de kinderen aan het werk. Alin gaat op een plastic stoeltje aan een van de tegen elkaar geschoven houten tafels zitten. Ze plant een kussen in haar rug, zet haar linkervoet op een pedaal en vist in een stapel kleding. Ze pakt een T-shirt, zwart van kleur, legt het op de naaimachine en begint te naaien, één zoom, twee, drie, vier. Vanavond, wanneer het boven in de straten van deze Turkse stad aan de Middellandse Zee weer donker wordt, zullen het er duizend zijn.
Later die dag, na een paar honderd zomen, zal ze kramp krijgen, in haar nek, in haar zitvlak, in haar schouders. Maar ze zal niets zeggen, geen woord. Ze zal doen wat ze moet doen. Na elf of twaalf uur werken zal ze alleen steels op een kleine wandklok kijken en aan haar broer Ahmed denken, voor wie op dat moment bij een sloperij in Gaziantep, 300 kilometer ten oosten van Mersin, de nachtdienst begint.
Ze kunnen elkaar niet ontmoeten en niet met elkaar praten. Maar Alin zal zich verbeelden hoe Ahmed, een halve kop kleiner dan zij, over bergen afval klautert, een jongen van twaalf in met olie besmeurde kleren, met dunne armen en brede handen. Alin zal zich voorstellen hoe die handen loodzware dingen tillen, autobanden en motoronderdelen, hoe haar broer Ahmed die stuk voor stuk verzamelt en op een kar achter zich aan trekt, gebogen, hongerig, kilometers door de stad, tot zijn lijf er zeer van doet.
En wanneer Alin na veertien uur achter de naaimachine de kelder weer uitloopt, ligt er geen liedje meer op haar lippen, alleen nog maar gebeden. Dan vouwt ze haar handen, sluit haar ogen en smeekt of er iemand kan komen om hen te redden, net als bij de twee kinderen uit haar liedje. Zij en haar broer, zoon en dochter van gedode ouders, gevlucht uit Aleppo, gevangen in het zuiden van Turkije.
De dag dat de oorlog kwam
Het verhaal van Ahmed en Alin is dat van twee kinderen, een jongen en een meisje, die gevlucht zijn voor de bommen in Syrië en nu als zwartwerkers in Anatolië overleven, die dromen van een koningin genaamd Merkel en van het verre eiland Europa, maar er geen weg naartoe kunnen vinden omdat er voor gevluchte kinderen – anderhalf miljoen zijn het er – geen weg uit Turkije meer is.
Ze vertellen hun verhaal gescheiden van elkaar, op verschillende momenten, op verschillende plaatsen. In een ondergrondse kledingfabriek in Mersin. Op de vuilnisbelten en schroothopen van Gaziantep. In eenvoudige woorden, nu eens luidkeels en dan weer zachtjes, soms bevend en soms stilletjes, zo levendig en oprecht als alleen kinderen kunnen vertellen.
De dag dat de oorlog kwam was een zomerdag, twee jaar geleden. Ahmed en Alin, de kinderen van een wasserij-eigenaar in Aleppo, waren tien en elf jaar oud. Een jongen met flaporen, die gek was op drop en liever ging fietsen of voetballen dan bidden. Een meisje dat graag haar huiswerk deed, dat op school heel goede cijfers haalde en leerde koken van haar moeder, die in een bakkerij werkte.
Ze zaten net aan het avondeten, moeder Adeeba had couscous met dadels klaargemaakt. Vader Mohammed zat over zijn werk te vertellen. Een Syrisch gezin, samen aan tafel, wanneer als uit het niets een explosie hen alle vier van hun stoel rukt. De bom, neergekomen op de woning ernaast, vernielde drie muren, legde hun woonkamer in puin. De kinderen gilden, vader riep om hulp. Alleen moeder, begraven onder stenen, was stil. ‘Ze lag daar maar,’ zegt Ahmed, ze ademde niet meer. En toen rook en stof langzaam optrokken zagen ze dat er bloed over haar voorhoofd liep. Het leek wel, aldus Alin, ‘rood water in een rivier’.
Een tante waste het lichaam. Ahmed en zijn vader begroeven moeder op de laatst overgebleven begraafplaats van Aleppo, niet ver van hun verwoeste woning.
Ze gingen bij een oom wonen. Mohammed, de vader, raakte kort na zijn vrouw ook zijn bedrijf kwijt. Bom na bom viel op hun wijk, maar hij wilde Aleppo niet verlaten. Alin en Ahmed zeggen dat hij Assad vervloekte, en ook de soldaten van de dictator die de halve stad omsingelden. De kinderen mochten het huis niet uit, weken-, maandenlang. Overdag zagen ze rook opstijgen boven de huizen van hun vriendjes en vriendinnetjes. ’s Nachts gingen ze bij hun vader in bed liggen, klampten zich aan hem vast bij elke klap die de muren deed trillen.
Op een warme ochtend een jaar geleden, vertellen beiden, ging hun vader de deur uit en kwam niet meer terug. Hij had eten willen halen, pide [Turks brood], meel en een jerrycan water. De laatste winkel in hun wijk bevond zich maar vier straten verderop, maar overal op de daken, zo hadden de buren later verteld, loerden scherpschutters. Volgens sommigen had een soldaat van het regime vader van achteren door het hoofd geschoten. Anderen waren ervan overtuigd dat het strijders van Islamitische Staat waren geweest. Alin en Ahmed zeggen dat ze hun vader niet meer te zien hebben gekregen.
Nog altijd kunnen ze er nauwelijks over praten. Doen ze het toch, dan worden hun zachte trekken star en beginnen hun ogen te dwalen. Over hun laatste dagen en weken in Aleppo weten ze niet veel meer. Alleen nog dat ze op een gegeven moment, misschien pas maanden later, de stad hebben verlaten. ‘Onze oom zei dat we weg moesten,’ zegt Ahmed. ‘Hij is gebleven,’ zegt Alin, ‘maar wij moesten vertrekken.’
Ze zagen Syrische meisjes, ouder dan zijzelf, onder de zon bezwijken. Zelf werkten ze verder, tot het seizoen ten einde liep
Een broer van hun overleden vader betaalde met zijn laatste geld twee mensensmokkelaars. De eerste bracht de kinderen de stad uit, verstopt in de kofferruimte van een auto. De tweede stak met hen en andere Syriërs te voet de grens over. Alin en Ahmed weten niet waar ze de kilometerslange afrastering van prikkeldraad zijn gepasseerd en Turkse bodem hebben betreden. Ze weten alleen nog dat hun mars twee nachten en twee dagen duurde, en dat het vrijwel onafgebroken regende.
Het eerste wat ze van het vreemde land zagen, vertelt Alin, waren mannen met geweren. Net over de grens werden ze opgepakt door soldaten, de mensensmokkelaar had hen alleen gelaten. De mannen spraken een hard klinkende taal, die Alin en Ahmed niet begrepen. Ze brachten de kinderen naar een perceel bos in de provincie Hatay, het zuidelijkste puntje van Turkije, alsof ze hen weg wilden houden van de rest van het land. Hier zouden maanden later de wegen van broer en zus scheiden. Het was de plek waar Ahmed en Alin zonder het te beseffen misschien wel voor altijd uit elkaar zouden gaan.
Eerst woonden ze daar met honderden vluchtelingen in een kamp onder bomen, in hutten van karton en plasticfolie, zonder bedden en zonder eten. De enige stroom kwam van de accu van een kapotte tractor, zegt Ahmed, het water om je te wassen uit een smerig kanaal, zegt Alin. Artsen, hulpverleners, mensen die naar hen omkeken hebben Alin en Ahmed niet gezien.
Om geld te verdienen voor eten sloten ze zich algauw aan bij andere vluchtelingen. Ze volgden hen naar de omliggende velden, plukten katoen voor Turkse boeren, oogstten watermeloenen, tien uur per dag, zeven dagen per week. Ze zagen Syrische meisjes, ouder dan zijzelf, onder de zon bezwijken. Zelf werkten ze verder, tot het seizoen ten einde liep.
Toen kwam de winter. De volwassenen gingen op zoek naar nieuw werk en een dak boven hun hoofd, ter bescherming tegen de kou. De mannen en vrouwen splitsten zich, en met hen de jongens en de meisjes. Het zou van korte duur zijn, zo werd gezegd, en de kinderen stelden geen vragen. Alin, die van haar moeder naaien had geleerd, klom de laadruimte van een vrachtwagen in. Ze reed met de vrouwen langs de kust van de Middellandse Zee naar de textielfabrieken van Mersin, 300 kilometer verder naar het noordwesten. Ahmed trok met de mannen naar het noordoosten, twee uur in een raamloze veewagen, tot in de ver uitgedijde buitenwijken van de miljoenenstad Gaziantep.
Op een avond in mei van dit jaar, wanneer warme lucht de zomer aankondigt, trekt de nog geen anderhalve meter lange Ahmed een kar achter zich aan. Op zijn kapotte gymschoenen loopt hij langs garagebedrijven en verlaten, bouwvallige fabriekscomplexen, gevolgd door straatkatten. Dit is zijn moment, nu het gaat schemeren. Hij zoekt naar alles wat van niemand is en wat nog te gebruiken is: hier een weggegooide cilinder van een automotor, daar een oude blikken kuip. Om de paar honderd meter bukt hij zich en tilt de buit op zijn kar, die aan het einde van de nacht zo zwaar is dat hij hem nauwelijks meer kan trekken. Van zijn Turkse baas krijgt hij vijf kuruş per kilo, anderhalve cent. In goede nachten, zegt Ahmed, komt hij tot 300 kilo, vierenhalve euro. Wanneer de dag aanbreekt, gaat hij slapen, zijn vieze kleren nog aan; op hetzelfde moment dat zijn zus Alin in Mersin naar de kelder afdaalt.
Maanden na de vlucht is dit het vijfde baantje van Ahmed. De bloeduitstortingen op zijn schouders zijn van het zware dragen, zegt hij, de krassen op zijn buik van de scherpe kantjes van de metalen vondsten, de littekentjes op zijn hals van de gloeiende vonken die zijn huid hebben verbrand.
Toen hij net in Gaziantep was aangekomen, sliep hij ’s nachts in een tent met zes mannen en tien jongens, slaapzakken en dekens dicht tegen elkaar aan. Ze werkten samen, lasten staal op een werkplaats, bakten klinkers in een cementfabriek, zeulden stenen op bouwplaatsen waar nu huizen van vijf verdiepingen staan. De volwassenen legden elke Turkse lira opzij, zeiden dat ze er een plaatsje op een boot mee wilden betalen, een overtocht naar Europa. In Duitsland, zo vertelden ze hun kinderen, zouden ze het allemaal beter hebben. Maar afgelopen voorjaar ontdekten politieagenten hun tent aan de rand van de stad, trapten die kapot en ranselden hen af. De mannen werden als vee een vrachtwagen ingeduwd. Alleen de jongens mochten blijven. Ze werden nergens naartoe gebracht. Ze bleven gewoon op straat.
Nu het dag wordt in Gaziantep loopt Ahmed van de sloperij naar zijn huidige slaapplaats, die hij deelt met de andere kinderen. Het is een hutje van golfplaten en planken, aaneengespijkerd op een van de aardebruine heuvels die zich in het zuiden van de stad verheffen, richting Mekka en Aleppo. Vanaf de hoogte, een uurtje rijden van de Syrische grens, reikt de blik ver over donkere huizen en vlaggen met een halve maan. Bijna twee miljoen mensen wonen hier, van wie bijna een op de zes voor de oorlog naar Gaziantep is gevlucht.
Ahmed gaat in kleermakerszit op de grond zitten en zegt dat ze hun hut helemaal zelf hebben gebouwd, met gereedschap dat ze ergens hebben gevonden of gestolen. Ze, dat zijn negen jongens uit Homs en Aleppo, uit platgebombardeerde steden en dorpen, op zichzelf aangewezen in een land waarvan voorheen niemand van hen wist waar het lag. Ze gooien afvalzakken en een paar latten en takken op een hoop, maken een vuur en zetten een pot zoete thee, als volwassenen.
Ieder heeft zijn taak, ieder zijn eigen verhaal. Mahmud, de oudste, is vijftien en al lang voor de oorlog wees geworden. Mohammed, de jongste, is elf en heeft zijn ouders op de vlucht verloren. Ze kenden elkaar niet, vonden elkaar op de bouwplaatsen. Omdat er niemand was die op hen lette, stichtten ze hun eigen gezin, een gezin met alleen kinderen. Ze staan samen op en gaan samen aan het werk. Ze bidden samen en delen hun brood.
Het enige wat Ahmed nog van thuis heeft, is een rugzak. Daarin zitten een T-shirt met de tekst ‘I love Syria’, een broek, sokken, een zakje chocoladesnoepjes, een kleine speelgoedrobot en een gehavend mobieltje. Soms, als hij ’s ochtends na het werk niet in slaap kan komen omdat het dan al te warm is, pakt hij de telefoon en gaat oude foto’s bekijken, van zijn ouders, van Aleppo, van Alin.
Niet meer bang voor de dood
Deze ochtend gaat Ahmed met een duim over het apparaat en bekijkt foto’s van zijn oude school, waarop jongens met gelkapsels en meisjes met bonte hoofddoeken te zien zijn, arm in arm. Ahmed weet niet waar zijn vrienden nu zijn of hoe het met hen gaat. Hij stuurt hun berichtjes, maar ze antwoorden niet meer. Soms denkt hij dat ze nog altijd in Aleppo zijn. En soms beeldt hij zich in dat ze al dood zijn, ‘misschien in het paradijs’.
Ahmed zegt dat hij niet bang meer is voor de dood. Hij heeft al veel mensen zien sterven. Hij vertelt dat hij net in de tweede klas zat, net had leren lezen, toen hij samen met anderen niet ver van school zag hoe een man door een andere man werd onthoofd. Hij scrolt verder over het display van zijn telefoon en vindt uiteindelijk een wiebelige video. Op het filmpje, ruim twee jaar geleden opgenomen, is een geblinddoekte man te zien die geknield in een plas donker bloed zit. Naast de man staat een andere man in een zwart gewaad, en om hen heen staan mensen toe te kijken. De man in het gewaad heeft een groot zwaard in zijn hand, dat hij tegen de nek van de knielende man houdt. Hij roept Allahu akbar, God is groot. Dan slaat hij hem het hoofd af.
Ahmed zegt dat hij het filmpje zelf heeft gemaakt, op een marktplein in Aleppo. Zijn vader had hem toegeschreeuwd, hem opgedragen het te wissen, er nooit meer naar te kijken, maar Ahmed heeft hem niet gehoorzaamd. Nu laat hij het aan iedereen zien; de jongens kijken er met grote ogen naar. Mahmud, de oudste, fronst zijn voorhoofd en kijkt als een wolf naar de nachtelijke hemel. ‘Er zijn oorlogen,’ zegt hij, ‘omdat er boze mensen zijn.’ Mohammed, de jongste, vraagt hoe je die kunt herkennen, hoe je die van goede mensen onderscheidt.
Na werktijd is Ahmed vaak met zijn mobiel in de weer. Hij stuurt berichtjes aan zijn oom, die een paar maanden geleden uit Aleppo is gevlucht, maar de grens niet meer over komt. De oom is vrijwel altijd aan het foeteren. Hij schrijft dat Ahmed zijn zus moet gaan zoeken, maar Ahmed zegt dat hij niet weg wil, ‘nooit meer op reis wil’.
Ooit groeiden Alin en hij op zoals de meeste broers en zussen, dicht bij elkaar. Tot zijn negende sliepen ze op één kamer, met knuffeldieren in bed en zelfgemaakte tekeningen aan de muren. Ze pestten elkaar, trokken aan elkaars haar. Soms vertelden ze elkaar tot diep in de nacht verhaaltjes of moppen, dan schoven ze hun bedden dicht tegen elkaar zodat hun ouders hen niet konden horen. Maar nu de oorlog hen verdreven heeft, worden ze gescheiden door honderden kilometers vreemd land. Op hen moet het overkomen als een hele wereld.
Hun enige contact bestaat uit berichtjes via de mobiele telefoon, vrijwel elke avond. Alin schrijft dan hoeveel kleren ze die dag heeft gezoomd. En af en toe stuurt ze foto’s van de kamer waar ze de nacht doorbrengt, een krappe ruimte met kapotte matrassen waarop nog een stuk of tien kinderen slapen. Ze schrijft dat ze na het werk vaak honger heeft, maar geen geld omdat haar hele loon alleen maar een plekje in deze kamer is. Als Ahmed zijn zus vraagt wat ze het meest mist, dan antwoordt ze ‘school’. Als Alin haar broer dezelfde vraag stelt, dan weet hij het niet.
Alin vraagt zich niet af hoe de Duitsers rijk en mooi kunnen zijn terwijl zij, een kind, in een raamloze kelder zit. Ze denkt dat er in Duitsland gewoon al genoeg kinderen zijn
Een paar weken geleden, toen Angela Merkel naar Gaziantep reisde, toen de Duitse kanselier zich daar voor de camera’s liet rondleiden door een opgepoetst vluchtelingenkamp, schreef Alin aan haar broer: ‘De meisjes hier zeggen dat de koningin van Europa bij jou is. Ze komt je halen!’ Ahmed begreep het niet. Hij had geen idee wie Angela Merkel was, had haar naam nog nooit gehoord. Nog altijd weet hij niet waar Duitsland ligt, alleen dat het op een of andere manier bij Europa hoort en dat Europa veilig is en kinderen daar niet werken. Ahmed zegt dat hij het werk haat en dat hij het haat als zijn armen pijn doen. Hij zou liever voetballen, maar dan zou hij verhongeren, dat weet hij.
De enige Duitser die Ahmed meent te kennen, is Arjen Robben. Dat is een Nederlander, maar een lichte huid staat voor Ahmed gelijk aan Duits. Vroeger in Aleppo, zegt hij, keek hij in een theehuis bij hen in de straat wel eens een wedstrijd van Bayern München. Het elftal in de rode shirts won altijd en de man zonder haar scoorde altijd, zegt Ahmed. Sindsdien gelooft Ahmed dat Duitsland ‘een goed land’ is. Al zijn vrienden geloven dat, alle acht jongens op de heuvel. Maar geen van hen weet hoe je in Duitsland moet komen. En weken geleden was Merkel, in de ogen van de kinderen een koningin die hen wilde helpen, nog maar net aangekomen in dat kamp in de buurt of ze was alweer vertrokken.
Ahmed en Alin hebben geen idee van vluchtelingenquota. Ze weten niets over Turkije, over een president genaamd Erdogan of over een overeenkomst met de EU. Het enige wat ze weten is dat ze niet terug mogen naar Syrië omdat het daar te gevaarlijk is en dat ze niet door mogen reizen naar een ander land omdat de andere landen hen niet willen.
In Alins verbeelding is Europa een eilandje, omgeven door een zee, ‘ergens in het noorden’. En in haar dromen, zo zegt ze, is Angela Merkel geen mevrouw in een broekpak, maar een jongedame in een wit gewaad, met een supergladde huid en lang, goudachtig haar. Ze heeft nog nooit een echte foto van haar gezien, maar enkele meisjes met wie ze kleding naait, hebben gezegd dat alle Duitsers ‘rijk en mooi’ zijn. Alin vraagt zich niet af hoe de Duitsers rijk en mooi kunnen zijn terwijl zij, een kind, in een raamloze kelder zit. Ze denkt dat er in Duitsland gewoon al genoeg kinderen zijn.
In de fabriek in Mersin zit Alin achter de naaimachine kleine krokodillen op witte poloshirts te naaien. Lacoste, Adidas, Puma, Nike, in een minuut naait ze een logo op sportbroekjes en T-shirts, op vervalste merkkleding die van Mersin naar Istanboel gaat, van Istanboel naar Bulgarije en van daaruit naar Duitsland. Dat vertelt Nasser, een man met een slecht gebit en een hemd dat nat van het zweet is. Hij is 34 jaar oud en net als de kinderen die voor hem werken afkomstig uit Syrië. Hij kwam hier vier jaar geleden aan, ook uit Aleppo, waar hij als kleermaker werkte. Na zijn vlucht verkocht hij zijn auto, schafte ruim twintig naaimachines van het merk JUKI aan en begon in een wijk waar zich al lange tijd geen politieagent meer vertoont zijn fabriek.
Aanvankelijk zaten er nog Turken aan zijn naaitafels, vrijwel alleen volwassenen. Maar gaandeweg, zegt Nasser, kwamen er steeds meer Syriërs, gevluchte kinderen ‘die half zo duur waren’. Nasser loopt de trap op, schuift de kelderdeur open en kijkt de straat in, waar zich tientallen fabrieken bevinden. Volgens hem zijn het allemaal kelders als de zijne, waar duizenden jongens en meisjes zitten, alleen is hij, zelf een vluchteling, de enige Syrische eigenaar. Nasser trekt aan zijn sigaret, zegt dat hij zelf vier kinderen heeft en geen andere keus.
Beneden bij de naaitafels heeft hij een cd-speler neergezet, waarvan de luidsprekers veertien uur per dag Arabische liedjes produceren. Een heldere vrouwenstem zingt over hoop en geluk. De muziek stimuleert de kinderen, zegt Nasser, ‘houdt hen in het ritme’. Hij loopt langs de rijen, de armen kruiselings achter de rug, als een leraar door het klaslokaal. De kinderen mogen niet met elkaar praten. Praten, roept Nasser hen toe, is slecht voor de productie en kost geld. Overdag hebben ze maar één pauze, veertig minuten waarin ze warme limonade drinken, linzensoep eten en pal naast de werkruimte achter een oud gordijn boven een gat in het beton hun behoefte doen.
In de vastentijd, zegt Alin tijdens een pauze, mag ze overdag helemaal niets eten en nog geen slokje drinken. Ze zit gehurkt op de grond tussen bergen rode en zwarte stoffen. Tegen de middag is ze al zo uitgeput dat ze nauwelijks meer op haar benen kan staan. Ze probeert aan iets leuks te denken en zegt dat ze het liefst met de kleine krokodil bezig is. Ze vindt krokodillen leuk omdat krokodillen sterke dieren zijn. Als het kon, zegt Alin, zou ze zelf gewoon wegzwemmen, naar Europa, zoals andere vrouwen en meisjes gedaan hebben toen ze hier in Mersin geen onderdak en geen werk hadden kunnen vinden. Ze kochten een buskaartje en reden langs de kust naar Bodrum. Daar stapten ze in een rubberboot en daarna, zegt Alin, heeft ze nooit meer iets van hen gehoord.
Ze weet dat er mensen in de Middellandse Zee verdrinken. Maar ze weet ook dat veel mensen de overkant wel bereiken. Ze is jaloers op de kinderen die het hebben gered, zegt Alin, omdat die niet hoeven te werken en naar school kunnen gaan. Alin vertelt dat het altijd haar droom is geweest om arts te worden en dat ze nu bang is dat ze haar hele leven in de kelder moet blijven. Ze is al twee jaar niet meer naar school geweest. Haar broer Ahmed, zegt ze, ‘heeft geen idee hoeveel twaalf keer twaalf is’.
Aanplakbiljetten
Kinderen als Ahmed en Alin, de straten van Gaziantep en Mersin zijn er inmiddels vol mee. En aan de muren in die steden – Alin en Ahmed lopen er elke dag langs – hangen behalve reclames voor Coca-Cola en Erdogan grote aanplakbiljetten met Arabische teksten. Islamitische Staat laat die ophangen, lonkt met zakgeld en eten, met een ‘grote familie’ die zich om jongeren bekommert.
Alin weet niet precies wat Islamitische Staat is. Ze kent alleen de beelden van gemaskerde strijders die mensen het hoofd afsnijden of levend verbranden. Wanneer ze ’s avonds vanuit de fabriek naar haar slaapadres loopt, ziet ze wel eens andere kinderen die verkleed executies naspelen.
Nog niet zo lang geleden, zegt Alin, ving ze een gesprek op tussen Nasser en andere mannen, die het erover hadden dat in Gaziantep, waar Ahmed woont, een autobom was ontploft voor een politiebureau. Twee mensen waren omgekomen, tweeëntwintig gewond geraakt, en de chauffeur van de auto zou een jonge, minderjarige Syriër zijn geweest, een kind nog.
Toen Alin dat hoorde, leek het wel alsof de schrik van Aleppo haar weer had ingehaald. Ahmed schreef dat hem niets was overkomen, maar dat was voor Alin niet voldoende. Zij, de oudere zus, besloot haar broer te gaan halen, hem persoonlijk te beschermen. De volgende ochtend stapte ze met al het geld dat ze had, vijftig lira, in de bus naar Gaziantep.
De rit duurde vijf uur. Alin keek uit het raam, zag de katoenvelden van Adana waar ze zelf ooit had gewerkt, en de steengroeven bij Gaziantep, waar nu ook kinderen werkten. Na aankomst op het busstation belde ze haar broer, maar Ahmed nam niet op. Ze bleef het urenlang tevergeefs proberen, net zo lang tot het donker werd, en nam toen de laatste bus terug naar Mersin.
Tijdens die rit, zegt Alin, heeft ze heel lang gebeden voor haar broer en dat ze elkaar ooit zullen terugzien. Ze moest ook aan het liedje over de twee kinderen denken dat ze vroeger, in een ander leven, op school had geleerd. De kinderen uit dat liedje werden gered. Toen de oorlog voorbij was, mochten ze terug naar hun geboorteland. Alin begon te piekeren. Ze kwam tot de conclusie dat Allah misschien twee kinderen zou kunnen redden, maar waarschijnlijk geen honderden en al helemaal geen honderdduizenden. En toen, zegt Alin, stelde ze zich voor wat er met Ahmed en haar zou gebeuren als het geluk hen niet vond, als hun lot niet dat van die twee kinderen uit het liedje zou zijn en het slecht met hen zou aflopen.
Toen kwam er een berichtje van Ahmed binnen. Hij schreef: ‘Hallo zus, we zijn dag en nacht aan het werk geweest. Binnenkort heb ik genoeg geld, binnenkort heb ik genoeg voor jou en mij samen.’
De ochtend nadat ze was teruggekeerd uit Gaziantep ging Alin zoals altijd voor zonsopgang weer aan het werk, vijftien treden omlaag de vochtige, naar zweet ruikende kelder in. Nasser, de baas, ontving haar met een paar stevige verwensingen omdat ze een hele dag niet was komen opdagen, omdat duizend zomen niet waren genaaid. Zwijgend liep ze naar haar plaats, plantte het kussen in haar rug, zette haar linkervoet op het pedaal en legde haar rechterhand op de naaimachine. Maar toen biggelden de tranen over haar wangen. Ze schaamde zich, sloeg haar handen voor het gezicht, maar ze kon niet stoppen met huilen. Het was niet om haar dode ouders. Niet om de pijn in haar lijf. Het kwam, zo vertelt ze, doordat Nasser, een volwassene, tegen haar tekeer was gegaan. Ze had zich voor heel eventjes kind gevoeld.
Claas Relotius (1985) studeerde politieke en culturele wetenschappen in Bremen en Valencia en journalistiek aan de Hamburg Media School. Hij liep tijdens deze studie stage bij het journaal van het ZDF en de Deutsche Welle in Berlijn. Hij werkt sinds 2011 als freelancer en schrijft zowel in het Duits als in het Engels. Publicaties van zijn hand verschenen in Die Zeit,Weltwoche,Neue Zürcher Zeitung,The Guardian en Los Angeles Times.
Eind augustus 2015 werd een vrachtwagen aangetroffen op een parkeerplaats in Oostenrijk. In de laadruimte vond de politie de lichamen van 71 vluchtelingen. Hun dood werd het symbool van de mislukte Europese vluchtelingenpolitiek. Felix Hutt vroeg zich af: wie waren deze mensen?
Als de beide agenten van de verkeerspolitie Potzneusiedl/Burgenland op de ochtend van 27 augustus 2015 tegen elven op de vrachtwagen af lopen, worden ze vanaf de rechterachterdeur aangestaard door een kip. ‘Ik smaak zo goed omdat ik zulk goed voer krijg’, staat op de reclamefoto boven de kop van het dier te lezen. Via de kieren van de laadruimte drupt roodachtig vocht op het asfalt. De stank slaat de agenten tegemoet. Wanneer de bergers later wordt gevraagd deze geur te beschrijven, schudden zij het hoofd en maken daarbij afwerende gebaren. Onmogelijk, zeggen ze, zoiets roken ze nog nooit.
De koelwagen van het type Volvo FL 180 met het Hongaarse kenteken Z-12198 heeft jarenlang met slachtkippen door Slowakije gereden, tot de firma Hyza hem afdankte en naar Hongarije verkocht. Hij staat al langer dan een dag op de parkeerstrook langs de A4 richting Wenen, vlak bij de afrit Parndorf. Aangezien deze autosnelweg van Wenen naar Hongarije en Servië loopt, staat hij ook wel bekend als de Balkanroute. Er worden wel vaker oude auto’s achtergelaten. Prioriteit heeft zoiets niet. Het is ruim 30 graden, vakantietijd, een superzomer. Naar de Neusiedler See is het niet ver en in het Outlet Center naast de weg zal die avond het populaire late-night-shopping plaatsvinden. Met Furla-damestassen van € 353 voor maar € 70.
Maar deze vrachtwagen kan niet langer worden genegeerd. Een onderhoudsmedewerker aan de snelweg, die in de omgeving de berm maait, heeft vanwege de stank de politie gebeld. De agenten openen de laadruimte. Deinzen achteruit. Ze zien lichamen die in staat van ontbinding verkeren, tegen elkaar leunen en in elkaar verzonken zijn, alsof ze in een overvolle metro staand in slaap gevallen zijn. De voeten steken tot aan de enkels in een mengsel van poep, urine en lijkvocht. De agenten roepen naar binnen. Er komt geen antwoord. Ze stellen de arts van dienst en het bureau op de hoogte en maken voor hun collega’s een foto die de situatie moet verduidelijken. De volgende dag zal die foto opduiken in de Kronen Zeitung. Ze sluiten de deur. Het is te veel. Om 11.25 uur sturen ze via politiesysteem SMS Pro een bericht: ‘Vrachtwagen met ca. 20 doden aangetroffen op A4 Parndorf’.
Het zijn er 71. Eenentwintig Afghanen, negenentwintig Irakezen, vijftien Syriërs, vijf Iraniërs en één man wiens identiteit niet vastgesteld kan worden.
Negenenvijftig mannen, acht vrouwen, vier kinderen. De jongste, Lida uit Kunduz/Afghanistan, is elf maanden. Vervolgde of vertwijfelde mensen, soennieten, sjiieten, christenen, onderwijzers, advocaten, handelaren, politieagenten, tieners, drie families, fans van Barcelona, posters op Facebook, een caleidoscoop van de mensheid. 71 doden die ons niet het plezier hebben gedaan om ergens ver weg te verdrinken in zee. 71 levens die zich door mensensmokkelaars in een veel te kleine laadruimte door Hongarije en Oostenrijk hebben laten rijden, omdat aan het einde van hun odyssee Duitsland lonkte, het beloofde land. 71 lichamen die ons hebben beroofd van de illusie dat oorlogen en problemen van anderen ons niet aangaan. Enkele dagen voordat via de Oostenrijks-Hongaarse grens bij Nickelsdorf, op nog geen 25 kilometer van de parkeerstrook bij Parndorf, vluchtelingen massaal te voet over de snelweg naar Wenen beginnen te lopen. Wir schaffen das, zegt Angela Merkel. Ze zet de deur open.
Stern wist van de meeste mensen in de koelwagen een foto te achterhalen.
Vlnr: Mohammed Ihsan Baba (Irak); Mohamad Tamin en Zahra (huwelijksakte); Hasan Al-Damen (Syrië); Khaled Hammadi Abd Elhabib; Hasan Ali Sabah (I); Aqueel Salem Ali Mohammed (I); Hussein Khalil Mustafa (S).
Er zijn zo veel verliezers in dit verhaal. Nahed Asker (31) heeft haar man verloren. Farah Alshaikh (31) haar familie. Twee verhalen uit de vele die in de koelwagen langs de A4 samenkomen. Na de tragedie is Asker met haar kinderen haar dode man achterna gereisd, in een vluchtelingenverblijf in Oostenrijk wachten ze nu op asiel. Alshaikh woont allang in Duitsland. Ze had bij haar familie in Syrië aangedrongen om te vluchten en ook naar Duitsland te komen. Nu is iedereen dood.
Voor de ramp kenden de twee vrouwen elkaar niet, hoewel ze beiden uit het Oost-Syrische Deir ez-Zor komen. De Eufraat stroomt door deze stad, waar de jasmijn bloeit, de aardolie borrelt, granaatappel en katoen groeien. Al vijf jaar heerst er nu oorlog. Asker en Alshaikh hebben elkaar nog niet ontmoet. Ze whatsappen en bellen. Na die 27e augustus delen beiden hun lot, maar niet hun rouw. Die laat zich niet delen. ‘Ze hebben mijn familie behandeld als kippen,’ zegt Alshaikh. ‘Mijn ziel is stuk,’ zegt Asker.
Asker woont met haar zoon Zaid (11) en haar dochter Tala (5) in Wiener Neustadt op een kamertje in een vluchtelingenverblijf. Ze heeft drie matrassen zo naast elkaar gelegd dat ze met elkaar één groot bed vormen. Ze gaan samen slapen en worden samen wakker. Asker kijkt graag muziekvideo’s van Beyoncé, post veel op Facebook, draagt een legging en gebruikt lippenstift en mascara. Ze kookt samen met de andere Syriërs. Ze weet welke medicijnen haar kinderen nodig hebben wanneer ze ziek zijn, omdat ze in Syrië in een apotheek werkte. In Oostenrijk mag ze niet werken. Ze spreekt geen Duits en heeft asiel aangevraagd voor de gezinsleden die ze nu nog heeft. ‘Toen we elkaar voor de laatste keer zagen, zei mijn man: wat er ook met mij gebeurt, zorg altijd goed voor onze kinderen. Die wens van hem ga ik vervullen,’ zegt Asker.
Alshaikh woont met haar man Fateh Alhamad (41) en hun zoon Omar (1) in een ruim huis in Noord-Duitsland. Ze spreken bijna accentloos Duits en hebben de Duitse nationaliteit. Zij is gynaecoloog en heeft op dit moment ouderschapsverlof. Hij werkt als internist in het ziekenhuis. Tijdens de ramadan eten en drinken ze pas na zonsondergang. Alshaikh draagt een hoofddoek, niet omdat ze dit moet, maar omdat ze dit wil. Omar heeft bruin haar en bruine ogen, hij leert net lopen en belandt daarbij meestal op zijn billen. Soms moet zijn moeder dan glimlachen. Vaak loopt ze met hem naar een speelplaatsje aan het eind van de straat en doet ze boodschappen, verder blijft ze thuis. De buren kennen haar verhaal niet.
In november 2014 was ze in Saarbrücken tweemaal in het bureau van de vreemdelingendienst geweest. Ze woonden toen in het Saarland, werkten daar in het ziekenhuis, hadden een auto en een huis in een voorstad van Saarbrücken. Het huis had een tuin en was meer dan groot genoeg voor henzelf. Ze informeerde bij de vrouw van de vreemdelingendienst naar de aanvraag voor familiehereniging die ze een half jaar eerder had ingediend. Ze wilde haar moeder Fadila (53), haar vader Abdel (57), haar broer Almuthanna (23) en haar zus Hend (17) naar Duitsland halen, omdat er in Deir ez-Zor niet meer gewoon te leven viel. IS en regeringstroepen vochten om de stad, de situatie was onoverzichtelijk. Haar broer Almuthanna studeerde rechten. Omdat hij had gerookt, werd hij door IS gearresteerd. Haar zus Hend mocht – vlak voor haar eindexamen – niet meer naar school. De zaken van haar vader, handelaar in auto-onderdelen, werden geplunderd, de huizen van de familie verwoest. Elke dag telefoneerde Farah Alshaikh met haar moeder Fadila. Ze merkte dat haar moeder bang was, ook al sprak ze dat niet uit.
Destijds was Alshaikh acht maanden zwanger. Ze wilde haar familie op eigen kosten laten overkomen. Maar de vrouw van de vreemdelingendienst zei: ‘Bij ouderschapsverlof ontvangt u maar 60 procent van uw salaris. Dat is te weinig om uw kind en uw familie te kunnen onderhouden.’
‘Dat lukt ons wel. In ons huis is plaats genoeg. We willen geen geld, echt niet,’ had Alshaikh gezegd. De ambtenaar informeerde bij haar chef. De aanvraag werd afgewezen. Een week later was ze nog eens naar de vreemdelingendienst gegaan. Om te vragen of ze dan in elk geval haar zus kon laten overkomen. Vanwege haar astma. Afgewezen.
Ayman Muhalal (S); Shwan Jamal Hussein (I); Hend Alshaikh en haar oom Youssef; vader Abdel Alshaikh; Alan Hamad Amin Ahmad (I); Jihab Abd Elkader Hasan (S) en Youssef Massud Cherif (S); Guli Ali (I); Ali Aland Hazim Kali (I).
‘Mijn vader wilde niet vluchten. Hij was bang vanwege zijn gezin en vreesde de mensensmokkelaars. Hij wilde Syrië alleen verlaten als ze ergens legaal naartoe konden,’ vertelt Alshaikh. Ze bood hem de kamers in hun huis aan. Als het niet langer uit te houden viel, moesten ze komen, hoe dan ook. ‘Ik heb aangedrongen. Misschien heb ik wel te veel aangedrongen.’
‘We kunnen niet meer,’ zegt haar vader begin juli 2015 aan de telefoon. Met zijn gezin en 20.000 dollar op zak verlaat hij Deir ez-Zor. Met hun Toyota rijden ze via Raqqa naar de Syrisch-Turkse grens. Daar laten ze de auto achter. Ze betalen een smokkelaar die hen door een bos brengt. Ze bereiken de Turkse stad Urfa. Daar woont een andere zus van Alshaikh. Ze blijven er een paar dagen. Alshaikhs vader Abdel wint inlichtingen in bij kennissen. Hij zoekt een smokkelaar. Hem wordt een zekere Abules aanbevolen. Een Syriër die vanuit Urfa smokkelroutes organiseert en hiervoor zowel van smokkelaars als vluchtelingen provisie opstrijkt. Abules informeert Abdel Alshaikh over route en prijs.
Op 17 augustus 2015 zit de familie in een hotel in Izmir te wachten. Vanaf de Turkse westkust willen ze via Samos, Athene en Macedonië naar Belgrado. Daar zullen ze een zekere Afghani treffen. Hij zal de tocht via Hongarije en Oostenrijk naar Duitsland organiseren.
De familie Alshaikh is niet alleen, hun groep bestaat uit twaalf personen, onder wie Alshaikhs oom Youssef (39), een broer van haar vader, en Hasan Al-Damen (36), de man van Nahed Asker. Hij moest dienst nemen in het Syrische leger en vechten voor Assad, die hij veracht. Als onderwijzer kan hij niet meer aan de slag. Hij wil naar Duitsland en zijn gezin later laten overkomen. Asker en de kinderen zijn in Damascus achtergebleven.
‘Geef jullie bagage maar aan ons. Die past niet in de rubberboot,’ zeggen de smokkelaars in Izmir. Alshaikhs zus Hend schrikt daarvan. Nu heeft ze alleen nog maar haar mobieltje en de broek en het T-shirt die ze draagt. Op de foto die ze haar zus in Duitsland via WhatsApp stuurt, waait de wind door haar zwarte krullen. Ze staat bij het water en probeert vrolijk te kijken. Maar dat gaat haar niet goed af. Ze is een echt stadsmeisje, dat met haar zeventien jaar graag op haar smartphone naar romantische Arabische popmuziek luistert en medicijnen wil studeren. Voor de zee is ze bang. Aan haar rechterhand draagt ze een zilveren trouwring van haar moeder. Die moet haar beschermen.
Voor de overtocht naar Samos incasseren de smokkelaars € 1200 per persoon. Twee pogingen mislukken. De eerste keer worden ze gesnapt door de Turkse kustwacht die hen op het strand weer uit laat stappen en de boot tot zinken brengt. Bij de tweede poging komt er, als ze op het punt staan af te varen, een politiepatrouille langs. Pas de derde poging is raak. In de vroege ochtend van 19 augustus wordt de boot een kilometer buiten de kust van Samos opgebracht door de Griekse kustwacht.
Moeder Fadila is blij. Ze heeft de hele nacht over moeten geven. Als ze in de EU aan land gaan, komt de zon op.
Vlnr: Sine Amer Gailani (I) en broer Ali en Sines man Mahmoud en haar zus Seineb; de familie Alshaikh; Kesra Mikail Khalou (S); Saad Joumaa Majid Almawsi (I); Muhannad Mustafa en Lefana Ali (S); Imad Khalaf Jassem (I); Raman Khalil Mustafa (S); Elin Hazim
In de haven van Samos krijgen ze provisorische reisdocumenten. Daarmee kunnen ze tickets kopen voor de veerboot naar Athene. In Samos slapen ze één nacht op de grond. Ze hebben er weinig te eten. De volgende dag nemen ze de veerboot naar Athene. Van daaruit bellen ze met Farah Alshaikh in Duitsland. Haar vader Abdel klinkt vermoeid, toch zegt hij: ‘We zijn oké. We gaan door.’ Haar zus Hend huilt: ‘Ik ben op, ik kan niet meer.’ Haar moeder Fadila zou het liefst teruggaan naar Syrië.
In Athene komen weer ze op krachten. Ze gaan er Arabisch eten. Sommigen in hun groep zouden graag wat langer blijven, maar Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, dringt aan om verder te reizen. Hij denkt dat de grenzen binnenkort dichtgaan. Na een dag in Athene vertrekken ze per bus naar de Macedonische grens. Daar deelt de groep zich op. Ze proberen op verschillende plaatsen over het hek te komen. De grenspolitie slaat met stokken en sproeit de vluchtelingen traangas in het gezicht. Ze krijgen Almuthanna te pakken. Hij weet te ontsnappen en heeft alleen wat kneuzingen. Moeders worden gescheiden van kinderen, er wordt geschreeuwd, gehuild. Een uur later is de groep aan de Macedonische kant van de grens weer compleet. Het regent, hun kleren zijn kletsnat, ze rillen van de kou. Met een bus rijden ze vier uur lang door Macedonië naar de Servische grens. Ze kijken uit het raam. En hadden zich Europa heel anders voorgesteld.
In Belgrado treffen ze mensensmokkelaar Afghani. Een Afghaan die al een hele tijd in Europa woont. Een zwartharige, magere man met een schoudertas, gekleed in T-shirt en joggingbroek. ‘Geloof me, ik regel dat jullie rechtstreeks naar Duitsland kunnen, zonder dat jullie eerst in Hongarije of Oostenrijk geregistreerd worden en vingerafdrukken achter moeten laten,’ zegt hij tegen Hasan Al-Damen en Abdel Alshaikh, die de onderhandelingen voeren. Voor het transport vraagt hij € 1600 per persoon. In deze zomer voor deze tocht een gebruikelijke prijs. De mannen gaan akkoord. Een deel van hun geld hebben ze achtergelaten bij Abules in Urfa. Hij zal het geld pas aan de smokkelaars overmaken als ze goed in Duitsland aangekomen zijn. Zo hopen ze bedrog te voorkomen.
In de middag van maandag 24 augustus 2015 bellen de Alshaikhs vanuit een hotel in de buurt van Belgrado met Farah Alshaikh. De stemming is goed. Haar broer Almuthanna heeft uit Syrië een e-mail gekregen dat hij geslaagd is voor zijn examen. ‘Let voortaan maar goed op je woorden als je tegen me praat, ik ben nu advocaat,’ zegt hij tegen zijn zus. ‘We zijn weer wat uitgerust en hebben nieuwe kleren gekocht,’ vertelt haar moeder Fadila. ‘Ik heb een goed gevoel over de smokkelaar, hij lijkt me een man met ervaring,’ zegt haar vader Abdel. Aan haar zus belooft Alshaikh om binnenkort naar de dierentuin in Stuttgart te gaan, omdat Hend dat al heel lang wil. Het is de laatste keer dat ze haar familie spreekt.
Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten
’s Avonds om zes uur komt de groep samen in het park naast het busstation in het centrum van Belgrado. Het wemelt er van vluchtelingen en smokkelaars. In die weken is Belgrado het knooppunt in de vluchtelingenroute via de Balkan. Afghani telefoneert de hele tijd, in een taal die ze niet verstaan. Zijn telefoon is oud. Mensensmokkelaars gebruiken oude mobieltjes en prepaidkaarten om niet gelokaliseerd te kunnen worden. Vluchtelingen gebruiken smartphones omdat ze internet even hard nodig hebben als water. De telefoon is hun enige contact met de mensen die ze achter moesten laten.
‘Wacht in het park tot het donker wordt. Er is veel politie, we moeten voorzichtig zijn,’ zegt Afghani. De meesten proberen wat te slapen. Rond middernacht worden ze door Afghani gewekt. Ze volgen hem door het duister langs de tramrails en komen via een brug over de Sava uit bij een parkeerplaats. Vanaf de oevers dreunen de bassen in de discotheken. De jeugd van Belgrado viert feest.
Afghani sommeert hen zich op te delen in drie groepen. In elke auto kunnen vier mensen mee. De eerste auto rijdt weg met moeder Fadila, broer Almuthanna en Al-Damen. In de tweede zit Youssef Alshaikh, als laatsten verlaten vader Abdel en zus Hend de parkeerplaats in de derde auto. ‘Jij rijdt met je moeder mee, let goed op haar,’ zegt Abdel Alshaikh tegen zijn zoon Almuthanna, die bij zijn oom Youssef wil instappen. Die beslissing kost Almuthanna het leven.
Drie uur duurt de rit noordwaarts over de autosnelweg E75. Ze rijden door het vlakke land langs de Servisch-Hongaarse grens. Buiten vliegt het duister voorbij, alles is zwart. Verdwenen is het gevoel voor tijd en plaats.
De smokkelaars zetten hun passagiers af in een bos bij Domaszék aan de Hongaarse kant van de grens. Nadat de eerste auto is gearriveerd, komt even later de derde aangereden. ‘Hier wachten, we komen gauw terug,’ zeggen de smokkelaars. De Alshaikhs staan in het bos. Alleen oom Youssef ontbreekt. Hij zat in de tweede auto, die na twee uur rijden ineens was gestopt. De smokkelaar had een telefoontje gekregen waar hij erg opgewonden van was geraakt. Hij gooide de vluchtelingen langs de snelweg uit zijn auto. ‘Waiting, waiting,’ riep hij, terwijl hij wegreed. Youssef Alshaikh had in Servië geen simkaart gekocht en kon niemand bereiken.
Bij het ochtendgloren bereiken ze een dorp en rijden met een taxi terug naar Belgrado. Youssef koopt een simkaart en belt met zijn broer. Abdel Alshaikh vertelt dat ze met nog een andere groep vluchtelingen in een bos zitten te wachten. ‘We hebben honger en dorst, neem wat te eten en te drinken mee,’ zegt hij. ‘Ga niet verder mee,’ zegt Yousseff Alshaikh, ‘er klopt iets niet.’ Hij blijft in Belgrado. Zo redt hij zijn leven. De groep valt uiteen.
Op 25 augustus 2015 krijgt Farah Alshaikh een berichtje van haar vader: ‘Zitten in het bos te wachten tot het verdergaat.’ Ze wil antwoorden, maar ineens is hij weg. Op WhatsApp ziet ze dat hij om twaalf uur voor het laatst online was. Ook de rest van de familie kan ze niet meer bereiken. Om tien uur ’s avonds krijgt Nahed Asker in Damascus het laatste bericht van haar man Hasan Al-Damen: ‘Ik zit in het bos. De smokkelaars zeggen dat we wachten moeten vanwege politiecontroles. Ik heb honger en eet appels van de bomen. Geef de kinderen een kus van mij. Nog even en alles is achter de rug.’
De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk
Een week daarvoor koopt een man de koelwagen bij een handelaar in tweedehandsauto’s in Keckskemét. Hij laat de vrachtwagen op zijn naam zetten en doet geen enkele moeite om zijn identiteit te verhullen. De zaken gaan goed, elke dag rijden honderden wagens met vluchtelingen ongecontroleerd richting Oostenrijk. De man maakt deel uit van een groep die ruim twintig smokkeltochten organiseerde en uitvoerde. Naast de Afghaan bestaat de groep uit vier Bulgaren. Ze zijn alle vijf betrokken bij de rit van 27 augustus 2015. De lading is kostbaar, 71 × 1600 euro. Zo’n vracht doen de bazen zelf.
Op woensdag 26 augustus 2015 rijden de smokkelaars tegen vier uur ’s ochtends de koelwagen vanuit Keckskemét naar het bos bij de grens. Keckskemét, een oude Hongaarse universiteitsstad, ligt een uurtje rijden ten noorden van Domaszék. De lucht is helder, het belooft opnieuw een mooie warme dag te worden in het zuiden van Hongarije, waar tomaten, paprika’s, aardbeien en abrikozen groeien. De 71 vluchtelingen zitten al meer dan een dag verstopt in het bos te wachten op voortzetting van hun reis.
De familie Alshaikh uit Deir ez-Zor, Syrië. De familie Rahm uit Kundus, Afghanistan. Vader Khuda, zijn vrouw, drie kinderen onder wie de kleine Lida, en een neef. In Afghanistan werkte Rahm als politieagent. De taliban bedreigden hem en zijn familie. Muhannad Ali en zijn vrouw Lefana uit Tall Abyad, Syrië. Ze zijn pas drie maanden getrouwd en willen in Duitsland een gezin stichten. De Irakees Mahmoud Abidi, die kort tevoren tot viersterrenofficier is bevorderd en met zijn vrouw Sine Gailani uit Bagdad is gevlucht. Sine wil naar haar broer in Duitsland, omdat die daar als ingenieur een goed leven heeft. Ze haalde niet alleen haar man over om mee te gaan, maar ook haar broer Ali en zus Seineb. De Koerd Saeed Othman uit Sulaimaniyya in Noord-Irak. Hij heeft maar één nier en hoopt op medische verzorging in Duitsland omdat hij veel pijn lijdt. Mohammed Baba uit Karkur, Irak, is werkeloos en droomt over een carrière als profvoetballer. Alles wijst erop dat ze vrijwillig zijn ingestapt.
Om vijf uur wordt de koelwagen door camera’s van het Hongaarse tolsysteem geregistreerd. Hij rijdt dan bij Domaszék op de autoweg M5 in noordwaartse richting. Ongeveer tien minuten voor de vrachtwagen uit rijdt een andere auto. Die moet de smokkelaars in de vrachtwagen waarschuwen als er onderweg politiecontrole is. En er met de chauffeurs vandoor kunnen gaan, mocht er iets misgaan.
Om 6.03 uur passeert de vrachtwagen Kecskemét, twee uur later is hij bij Boedapest en om 9.15 uur bij Nickelsdorf aan de Oostenrijkse grens. Ongeveer twintig minuten later laten de smokkelaars hem achter op de parkeerstrook bij Parndorf. Waarom? De smokkelaars zeggen geen woord. Die dag was er op de route geen politieblokkade. Op een of andere manier moeten ze zich hebben gerealiseerd dat hun lading verloren was.
De laadruimte van de 7,5-tonner kan van binnenuit niet worden geopend. Het koelaggregaat functioneert niet. Het heeft de lucht alleen laten circuleren, maar geen nieuwe zuurstof toegevoegd. De vluchtelingen moesten het doen met de zuurstof die aan het begin van de rit in de laadruimte aanwezig was. Om vast te stellen waar zij overleden zijn, of het een zaak is voor de Hongaarse dan wel de Oostenrijkse justitie, wordt na de vondst van de vrachtwagen een deskundigenrapport opgesteld. De inhoud van de laadruimte wordt berekend en gedeeld door het aantal personen. Op elke vierkante meter stonden ongeveer vijf vluchtelingen. Ze moeten nog voor achten in Hongarije zijn gestikt. In de laadruimte en op de lijken worden geen sporen van doodsstrijd aangetroffen. Het lijkt erop dat de slachtoffers flauw zijn gevallen als gevolg van zuurstofgebrek en op het moment van overlijden niet bij bewustzijn waren. Uit de positie van de lijken blijkt dat kinderen werden opgetild. De lichamen van een echtpaar lijken elkaar te hebben omarmd.
De smokkelaars worden kort na de vondst van de vrachtwagen in Kecskemét gearresteerd. Ze staan op het punt om te vluchten, maar het kenteken van de vrachtwagen en de diverse registraties op de snelwegcamera’s zorgen ervoor dat de politie hen snel weet te vinden. Ze zitten in Kecskemét in voorarrest en zwijgen in alle talen. In september worden ze in staat van beschuldiging gesteld, begin 2017 begint het proces.
Vlnr: Mohammad Tagik (Afghanistan); Dad Mohammad (A); Ahmed Bashir Yusaf (A); Sher Khan (A) en zijn neef Eid Mohammad; Abdul Wasil Hashemy (A); Hawkar Hama Aziz Saleh (I); Sarbaz Hamad (I).
De vrachtwagen wordt overgebracht van de parkeerstrook naar een koelhuis in Nickelsdorf. Forensische lijkschouwers halen de lijken eruit. Ze worden gefotografeerd en in relatie gebracht met voorwerpen, zoals paspoorten die in borstzakken steken of geld dat ingenaaid zit in mouwen of ceinturen. Hasan Al-Damen, de man van Nahed Asker, heeft zijn onderwijzersdiploma bij zich. Hij heeft het in het Duits laten vertalen, om later werk te kunnen vinden.
Omdat de agenten die ochtend de laadruimte hebben opengemaakt, is er lucht bij de lijken gekomen. Daardoor verloopt de ontbinding sneller. Bij de berging is de huid van de slachtoffers al zwart. Aan rugzakken en jasjes kleven flarden van lichamen. De meeste mobieltjes lijken wel in een zuurbad te hebben gelegen. Zelfs de forensische experts kunnen er niets meer mee. Langs die weg kunnen ze niets te weten komen over wat zich de laatste momenten in de vrachtwagen heeft afgespeeld.
De lijkschouwers geven elke witte lijkzak een nummer. Naamloos liggen de doden daar. Anders dan bij een vliegtuigongeval is er geen passagierslijst die kan worden afgewerkt. De rechercheurs openen een hotline voor familieleden. Ze moeten hun DNA hebben om de doden te kunnen identificeren. Voor één man zal niemand zich melden en het duurt tot 10 december 2015 voordat alle anderen geïdentificeerd zijn.
Op de middag van 27 augustus ziet Nahed Asker op tv een nieuwsbericht over de vrachtwagen. Ze woont met haar kinderen bij haar moeder in Damascus. Asker zegt onmiddellijk te hebben geweten dat haar man dood was. Als de tolk van de politie Burgenland die voor de identificatie verantwoordelijk is, haar enkele weken later belt, huilt ze niet. Het lichaam van haar man kan niet worden overgebracht naar Syrië. Hij wordt bijgezet op de islamitische begraafplaats van Inzersdorf in Wenen. Asker wil afscheid van hem nemen. Met haar kinderen gaat ze op weg naar Wenen. De vluchtelingenroute is open.
Farah Alshaikh staat met Omar op haar arm bij het raam van haar huis in Saarbrücken naar de tuin te kijken, als de telefoon gaat. De paspoorten zijn gevonden. Ze laat Omar vallen.
Begin 2016 zijn ze verhuisd naar het noorden van Duitsland. Ze konden de vragen van vrienden in Saarbrücken niet langer verdragen, waren het medeleven zat. Sinds kort staat er een foto van haar familie op de plank boven de televisie in de woonkamer. Ook de Alshaikhs zijn begraven op het kerkhof van Inzersdorf. Bij de begrafenis op 7 oktober 2015 wil Farah Alshaikh per se het gezicht van haar moeder zien. Ze laat de kist openen. Sindsdien is ze niet meer op het kerkhof geweest. Ze kan het niet.
In het weekend na de catastrofe van Parndorf arriveren duizenden vluchtelingen op stations in Duitsland. Ze worden met applaus ontvangen, krijgen water en kleding toegestopt. De kinderen krijgen teddyberen en snoepgoed. Velen verlaten die weken de noodopvang in sportzalen. Zij beginnen een nieuw leven.
Het grootste actualiteitenblad van Duitsland, bekend om de rijk geïllustreerde reportages. Is sinds de publicatie van de vervalste dagboeken van Hitler een beetje verbleekt.
De Koerden in Syrië dreigen slachtoffer te worden van de toenadering tussen Turkije en Rusland. Gaat hun droom van een eigen staat eens te meer in rook op?
De aankondiging van een wankel bestand op 30 december jl. bood de meeste inwoners van Syrië enig soelaas, maar voor een aantal groepen in het door oorlog verscheurde land betekent het dat hun kansen in negatieve zin zijn gekeerd. Het bestand behelst ook een overeenkomst tussen Rusland en Turkije. De nauwere banden tussen deze twee landen betekenen dat sommige rebellengroepen niet langer steun zullen krijgen van Ankara. De Koerden in Noord-Syrië lijken de grootste verliezers.
Sinds juni 2016 hebben Turkije en Rusland gewerkt aan een normalisering van de verhoudingen. Op die manier probeerde Rusland zijn invloed in de regio uit te breiden. De Turkse president Erdogan op zijn beurt paste zijn beleid aan, zodanig dat het beter strookte met het primaire strategische belang van zijn land in Syrië: het bedwingen van de Koerdische aanspraken op een eigen staat en invloed langs de Turkse grens.
Tot voor kort stonden Rusland en Turkije tegenover elkaar in het conflict. Rusland steunt de Syrische president, Bashar al-Assad, Turkije wil dat hij vertrekt. Rusland voorzag Assad van militaire steun, Turkije bood – in overleg met de Golfstaten – de rebellen wapens en ondersteuning.
Akkoord
Door recente ontwikkelingen, waaronder met name het bestand, hebben de partijen nu andere stellingen betrokken. ‘Het bestand houdt in dat Rusland en Turkije tot een akkoord zijn gekomen. Turkije zal zijn grenzen voor de rebellen sluiten en hen niet meer steunen. In ruil daarvoor zal Rusland de eenwording van de Koerdische gebieden helpen doorbreken,’ aldus Fabrice Balanche, hoofdonderzoeker aan de Universiteit Lyon 2.
In de nasleep van de Syrische opstanden in 2011 richtten de Koerden in het noorden van het land drie zogeheten federale entiteiten op, die samen de politieke enclave Rojava vormen. De kantons Cizre, Kobani en Afrin hebben een overwegend Koerdische bevolking, maar er wonen ook Arabieren en Assyriërs.
De Partij van de Democratische Unie (PYD), de belangrijkste Koerdische partij in Syrië, verklaarde medio maart dat het gebied een federale entiteit is binnen Syrische grenzen. Rebellengroepen, Syrië, de VS en Turkije verwierpen deze verklaring. De VS eisten dat de Koerdische YPG-militie zich zou terugtrekken uit posities ten westen van de Eufraat, terwijl Assad de stap een onwettige actie noemde die de ‘territoriale integriteit’ van het land in gevaar zou brengen.
De Koerden hebben evenwel een gecompliceerde relatie met Assad. De Syrische oppositie heeft de Koerden er voortdurend van beschuldigd samen te werken met de Syrische regering via haar bondgenoot Rusland, waar de PYD in februari kantoren opende om diplomatieke betrekkingen met Moskou te smeden.
De nauwere banden tussen Rusland en Turkije en het recente bestand hebben de positie van de VS als belangrijke speler in de regio verzwakt. Volgens analisten dwingt dit de Koerden tot een nieuwe politieke koers en een herziening van hun plannen voor een gefederaliseerd Syrië.
‘De Koerden hebben geprobeerd goede betrekkingen te behouden met de VS én met Rusland. Nu zijn ze bang om met Rusland samen te werken, omdat ze Assad niet vertrouwen. Tegelijkertijd zijn ze er niet zeker van of de VS hen nog tegen Erdogan kunnen beschermen,’ zegt Balanche.
Volgens Ahmed Araj van de Syrian Democratic Council, de politieke arm van de Syrian Democratic Forces (een alliantie van seculiere milities, waaronder Koerdische), kan de verzoening tussen Turkije en Rusland een afspraak zijn om te voorkomen dat de Koerden hun controle over noordelijk Syrië uitbreiden. ‘De echte slachtoffers van de wapenstilstand zijn de Koerden,’ zegt Balanche. ‘De PYD blijft voor de bühne volhouden dat alles in orde is, maar in de stad Manbij bijvoorbeeld, in het gouvernoraat van Aleppo, voelen de strijders zich intens verraden door de VS en zijn ze bang voor wat er gaat komen.’
Verzwakking
Vertegenwoordigers van het Syrische leger verklaarden in december dat de door de Koerden bestuurde gebieden weer onder het gezag van de regering moesten terugkeren, nu de strijd tegen de rebellen en IS een nieuwe fase inging.
Na de herovering, in december, van Aleppo op de rebellen, waren er tevens berichten dat het Syrische leger de Koerdische YPG-militie had verzocht te vertrekken uit de Sheikh Maqsoud-enclave, een voornamelijk door Koerden bewoonde wijk in de stad Aleppo. Op 21 december verklaarde het Turkse leger dat door Ankara gesteunde Syrische rebellen nu de volledige controle hadden over de snelweg die de stad Al-Bab met Aleppo verbindt, na hevige grondgevechten en bombardementen vanuit de lucht.
‘Wanneer door Turkije gesteunde rebellen Al-Bab in handen krijgen, zullen ze optrekken naar [het slechts 50 kilometer verderop gelegen] Manbij, en dan is er voor de Koerden geen enkele mogelijkheid meer de gebieden tussen de kantons Afrin en Kobani met elkaar te verbinden,’ aldus Balanche. De Koerden zullen in dat geval de hoop op een aaneengesloten gebied in het westen moeten opgeven, een ernstige verzwakking van hun hele federatie.
In 2011 gelanceerd door een groep onafhankelijke wetenschappers, naar eigen zeggen zonder financiële steun. Heeft de ambitie om de belangrijkste nieuwsbron voor het Midden-Oosten te worden. Breed spectrum maar veel aandacht voor economisch nieuws.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.