Net als in Barcelona en Amsterdam kunnen ze op sommige plekken in Azië de toestroom van bezoekers niet meer aan. ‘De tijd dat belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht konden worden, is voorbij.’
Toen Willem Niemeijer, directeur en oprichter van het in Bangkok gevestigde reisbureau YAANA Ventures, voor het eerst naar Angkor Wat in Siem Reap ging, had hij de plek, die op de UNESCO-lijst staat, voor zichzelf. Cambodja stond in 1992 onder interimgezag van de VN en het land bereidde zich voor op verkiezingen na tientallen jaren van burgeroorlog. Reizigers waren er dun gezaaid. Dat jaar trokken de ruïnes minder dan negentigduizend bezoekers. In 2017 kwamen er net iets meer dan twee miljoen, waardoor Angkor Wat met gemak de grootste toeristenattractie van Cambodja genoemd mag worden. ‘Toen waren het alleen ik en de VN,’ zei Niemeijer. ‘Nu kan een bezoek een onaangename ervaring zijn.’
Zo onaangenaam dat APSARA, de instantie die toezicht houdt op Angkor Wat, heeft besloten om het aantal bezoekers te beperken dat op de tempel Phnom Bakheng de beroemde zonsondergang achter de ruïnes mag meemaken.
In Thailand heeft het bestuur van de nationale parken en wildparken opdracht gegeven om Maya Bay op Phi Phi Island – beroemd geworden door de film The Beach uit 2000 met Leonardo DiCaprio – vanaf juni voor vier maanden te sluiten voor alle bezoekers.
Het eerder deze maand genomen besluit van president Rodrigo Duterte van de Filipijnen om het vakantie-eiland Boracay voor een half jaar te sluiten vanwege de verslechtering van het milieu onderstreept een trend, al vinden velen de beslissing te drastisch. De tijd waarin belangrijke toeristische bestemmingen in dit gebied vrijelijk bezocht kunnen worden is voorbij, zeggen reisorganisatoren. Quota en sluitingen zullen toenemen omdat regionale besturen moeite hebben de aanwas van toeristen onder controle te houden.
‘De belangrijkste bestemmingen worden platgelopen,’ zei Niemeijer, die in de tijd dat hij Angkor Wat voor het eerst bezocht een bedrijf opzette om gefortuneerde reizigers weg te leiden van de drukke hotspots. ‘We zullen te maken krijgen met per dag en uur vastgestelde bezoekersaantallen en beperkte toegang tot de populaire plekken. Hopelijk leidt dat tot meer belangstelling voor de minder gewilde bestemmingen.’
De Filipijnse autoriteiten op Borocay klagen dat sommige hotels illegaal gebruikmaken van lokale riolen en andere voorzieningen. Buitenlandse bezoekers zullen vanaf het einde van deze maand geweerd worden van het kleine eiland. Andere vakantieoorden die verdacht worden van soortgelijke overtredingen zullen onder de microscoop worden gelegd.
Maar mensen die hun brood verdienen in de sector, werpen tegen dat de moeilijkheden veroorzaakt worden door slechte planning en niet door het massatoerisme, dat de regionale economie 120 miljard dollar heeft opgeleverd.
De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten
Thailand verwacht dit jaar, volgens voorspellingen van de regering, 38 miljoen bezoekers. Maar Frankrijk – een land met eenzelfde oppervlak en bevolking – had in 2016, volgens gegevens van de Wereldbank, bijna 83 miljoen bezoekers zonder dat dit een even grote druk op het milieu tot gevolg had.
Het verschil ligt in de infrastructuur en overheidsbeleid, zoals belastingvoordelen voor bedrijven om minder bekende bestemmingen te ontwikkelen en steun om de druk op populaire plaatsen te verminderen, zei Matt Gebbie, de directeur Asia Pacific voor het toerisme-adviesbureau Horwath HTL Indonesia. ‘Het gaat om planning, planning, planning,’ aldus Gebbie. ‘Je ontwikkelt pas een duurzame toeristenindustrie als de privésector en de publieke sector met elkaar praten.’
Maar bestemmingen in Zuidoost-Azië hebben te maken met unieke omstandigheden. Een explosie van goedkope vliegreizen en de toename van Chinese welgestelden die op vakantie willen, leggen weer nieuwe druk op lokale ecosystemen. In Bali kwamen vorig jaar 5,6 miljoen toeristen op bezoek; dit jaar wordt het aantal geschat op zeven miljoen, een stijging die vooral wordt veroorzaakt door de komst van Chinezen (vorig jaar goed voor 1,3 miljoen bezoekers).
De ellende is dat het vuilnis zich opstapelt op de stranden, terwijl hotels en villa’s waterhoudende grondlagen uitputten, zei Utung Pratama, een activist van Walhi, het Indonesische Forum voor het Milieu. ‘Het gaat hard achteruit op Bali,’ zei hij. ‘De schuldigen zijn de projectontwikkelaars die geen oog hebben voor de invloed van het toerisme op het milieu.’
Er zijn echter tekenen dat lokale toezichthouders de controle aanscherpen. Vorig jaar werd een generaal pardon afgekondigd voor illegale hotels in Phuket, Thailand. Zij mochten een vergunning aanvragen zonder dat ze een boete hoefden te betalen. Daardoor is het officiële aantal onderkomens dat belasting betaalt verdubbeld tot zeventienhonderd.
Vorig jaar steeg het aantal bezoekers aan Phuket met elf procent tot meer dan 8,4 miljoen, doordat het aantal Chinezen met een vijfde toenam. Zo’n veertig Chinese steden hebben directe vluchten naar Phuket, terwijl dat vijf jaar geleden nog maar een handjevol was.
Flaneren over het strand van Borocay, het kleine eiland in de Filipijnse provincie Aklan.
Die aantallen zullen alleen maar toenemen, zei Jens Thraenhart, directeur van het Mekong Tourism Coordinating Office. Toekomstige reizigers in China staan te trappelen om erop uit te gaan nadat ze dat jarenlang was verboden. Vorig jaar reisden Chinezen 127 miljoen keer naar overzeese bestemmingen, volgens gegevens van de China National Tourism Association. ‘Er is een enorme vraag en een grote hoeveelheid reizigers,’ zei Thraenhart.
Milieu- en erfgoedgroepen en toezichthouders maken zich misschien zorgen, maar op vele bestemmingen is dit juist goed nieuws. Na jaren van oorlog en gebrek zijn de inwoners van Laos en Cambodja blij dat de toeristendollars rollen, zei Christian Do Boer, algemeen manager van het Jaya House, een ecohotel in Siem Reap dat zich erop beroemd geen plastic te gebruiken. ‘Bijna elke toerist is een goede toerist,’ zei Do Boer. ‘We hebben het geld nodig.’
De meest gelezen Engelstalige krant in Zuidoost-Azië. In die regio geniet het dagblad een invloedrijke status. Schurkt tegen de Singaporese overheid aan maar staat garant voor goede analyses.
Een halfjaar na de moord op de Maltese journaliste Daphne Caruana Galizia zijn de opdrachtgevers nog altijd niet gepakt. Niet verwonderlijk, vindt men op het eiland: het kan bijna iedereen geweest zijn.
Op een zaterdagavond in januari trekken naar schatting 110.000 mensen – meer dan een kwart van de bevolking – naar Valletta, de kleine parel van een hoofdstad, om te vieren dat de stad zichzelf een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa 2018 mag noemen. ‘De nationale trots bereikt een historisch hoogtepunt,’ aldus premier Joseph Muscat.
Het doet er niet toe dat de stad deze eer moet delen met Leeuwarden, een provinciestad in Nederland. Het doet er niet toe dat landen bij toerbeurt aan bod komen. Het doet er niet toe dat veel van het culturele aanbod die avond gerecycled is. Het doet er niet toe dat de trots verdampte toen mensen soms wel drie uur moesten wachten op de bus naar huis. En het doet er niet toe dat het amper drie maanden geleden was dat het eiland werd opgeschrikt door de ernstigste vorm van reputatieschade ooit: de spectaculaire moord, met een autobom, op de prominentste journaliste van het eiland, Daphne Caruana Galizia.
Cliëntelisme
Dat paste niet in het plaatje van Muscat. Malta beleeft bijzondere tijden. Het is het kleinste land in de EU, zowel qua bevolking als qua grondgebied (kleiner dan de provincie Utrecht). Het is ook (veruit) de dichtstbevolkte lidstaat en de bevolking groeit nog steeds. Het eiland verandert bovendien het snelst binnen de EU.
In 1964 werd Malta onafhankelijk van Groot-Brittannië. De charmes van het eiland waren, uh, niet echt verfijnd te noemen: de hotels waren excentriek, de stranden vuil, de Katholieke Kerk deelde de lakens nog uit, de keuken was beïnvloed door de Royal Navy. Maar het klimaat was betrouwbaar; de mensen innemend, vindingrijk en veerkrachtig, zoals ze hadden bewezen in de oorlog. En zoals de plaatselijke uitdrukking luidt: il-maltin jafu idawru lira – Maltezers kunnen geld verdienen.
De Maltese politiek is fascinerend: altijd rauw, soms gewelddadig. De Arbeiderspartij en de christendemocratenachtige Nationalisten konden rekenen op een soort stammentrouw: meer Feyenoord-Ajax dan links tegen rechts. En vriendendiensten horen er op zo’n klein eiland bij, vooral omdat de meeste banen overheidsbanen zijn. Dat werd nog versterkt door de enkelvoudige overdraagbare stem (‘single transferable vote’), die de concurrentie tussen de kandidaten van dezelfde partij bevordert. Je wordt verkozen als je iedereen kent. ‘Er is altijd cliëntelisme geweest. Arme mensen die druk uitoefenen op politici om een baan te krijgen of een promotie,’ aldus Henry Frendo, professor moderne geschiedenis aan de universiteit van Malta.
‘Het is een ongelukkig systeem voor ons,’ zegt Arnold Cassola, oprichter van de Groene Partij op Malta, die niet zozeer in de verdrukking is geraakt als wel is verstikt. ‘En voor het land, zou ik zeggen. Politici kunnen baantjes vergeven. Ze kunnen het voetbalteam sponsoren, een klarinet doneren aan de plaatselijke muziekband of geld geven voor het dorpsfeest.’
Maar als een kandidaat wint, is hij de baas (‘the winner takes it all’). De premier benoemt iedereen, van de opperrechter, de politiecommissaris tot de schouwburgdirecteur. Loyaliteit is essentieel, competentie optioneel. ‘Het enige verschil met de middeleeuwen is dat we de vrouwen van de tegenpartij niet meer verkrachten,’ zegt Cassola.
Joseph Muscat werd partijleider van de Arbeiderspartij in 2008, toen hij 34 was. ‘Hij was erg modern, erg capabel, erg charismatisch,’ volgens Christian Peregin, redacteur van website Lovin Malta. Hij was voor de scheiding, homorechten, een minder strenge censuur, allemaal gebieden waar de paus vroeger de dienst uitmaakte. Uiteindelijk omarmde Muscat ook de EU waartoe Malta in 2004 was toegetreden ondanks nukkige bezwaren van de Arbeiderspartij, die toen in de oppositie zat. Het land profiteerde, maar de Nationalisten niet: in 2013 behaalde Muscat een grote overwinning. ‘De vorige regering was vermoeid en werd beschouwd als corrupt,’ zei Peregin. ‘Muscat had energie. En hij gaf die energie door aan zijn regering.’
“De regering is niet pro-business. Zij ís business”
Net als zijn Britse evenknie, Tony Blair, moest Muscat afrekenen met de angst dat de Arbeiderspartij het kapitaal zou afschrikken. Maar in tegenstelling tot Blair benoemde hij een zakenman als stafchef: Keith Schembri. ‘Dat is een van de redenen dat deze regering presteert,’ aldus Victor Vella, redacteur van de krant It-Torca, die eigendom is van de vakbond. ‘Er zitten mensen in die dingen voor elkaar kunnen krijgen.’ Dat verklaart nog niet waarom Schembri, die multimiljonair is, dat werk zou willen doen. ‘De regering is niet pro-business,’ zegt priester Joe Borg, ‘zij ís business.’
En de goede tijden hielden maar aan. Het toerisme groeide, omdat Malta een streepje voor had op de ‘gevaren’ van de Noord-Afrikaanse kusten. Onlinegokbedrijven bleven toestromen, tientallen. En dan die alleszeggende term ‘financiële diensten’. In de omvlaggingsbusiness – waarin voorschriften worden ontdoken door rederijen die hun koopvaardijschepen in het buitenland registreren – staat Malta op de zesde plaats, met bijna 90 miljoen registerton, vlak achter de wereldleiders Panama en Liberia. Het eiland ligt niet offshore in overdrachtelijke zin. Het maakt deel uit van de EU, dus is alles, ook de lage vennootschapsbelasting, transparant en legaal. Schijnbaar.
Toch brengen de tweetalige plaatselijke kranten elke dag sappige verhalen over corruptie die verder gaan dan voetbalclubs of klarinetten. Maar wat er ook aan het licht wordt gebracht, de Maltezers lijken er hun schouders over op te halen. Behalve dan over het feit dat Malta’s meest vasthoudende journaliste is vermoord.
De buitenlandse pers heeft Daphne Caruana Galizia onmiddellijk heilig verklaard, wat begrijpelijk was. In Malta waren zelfs haar aanhangers genuanceerder. De laatste tijd hield Daphne (altijd gewoon Daphne) haar eigen onmisbare blog bij, Running Commentary. Dit was erg jammer, want ze zou enorm veel baat gehad hebben bij een goede redacteur. Haar laatste bijdrage staat nog steeds op de site. Hij geeft blijk van een ijzingwekkende scherpzinnigheid: ‘Overal waar je kijkt zitten schurken. De situatie is hopeloos.’ Maar de kop luidt: ‘Die schurk Schembri was vandaag in de rechtbank te beweren dat hij geen schurk was.’ Wat een indruk geeft van haar ongebreideldheid.
Er zijn drie mannen gearresteerd op verdenking van de moord op Daphne, met overtuigende bewijzen. Maar iedereen weet dat het huurmoordenaars waren. Door wie ze betaald werden is niet duidelijk, voor een deel omdat het iedereen geweest had kunnen zijn.
Wat we wel weten is dat zowel Schembri als Konrad Mizzi, de meest invloedrijke minister van Muscat, enkele dagen na de verkiezingsoverwinning van de Arbeiderspartij in 2013 Panamese bedrijven hebben opgericht. Een derde account kon, volgens Daphne, in verband worden gebracht met Muscats echtgenote. Afgelopen zomer besloot een furieuze Muscat dat de bevolking maar moest stemmen over zijn eerlijkheid en schreef hij vervroegde verkiezingen uit. Hij won en zijn meerderheid was vrijwel ongewijzigd. En hij zou morgen weer winnen: Daphne was niet de enige die vond dat de nieuwe oppositieleider waardeloos is – die de staat bovendien nog duizenden euro aan achterstallige belastingen verschuldigd is.
Streng tegen het VK
Incompetentie, of erger, is nog steeds wijdverbreid in het politieapparaat. En God is ook niet meer almachtig. De Maltese kerk ontsnapte ternauwernood aan schandalen over seksueel misbruik, maar nog maar de helft van de mensen woont de mis bij, en niet zoals vroeger bijna iedereen.
Begin 2017, toen Muscat afstevende op zijn herverkiezing, maakte hij goede sier met het EU-voorzitterschap dat Malta toen bij toerbeurt bekleedde – net zoals Valletta nu Culturele Hoofdstad van Europa is. In die hoedanigheid was hij bijzonder streng tegen het VK. Daarbij dringen twee gedachten zich op. De eerste was dat hij geen keus had: een voormalige Britse kolonie kon zich amper toegeeflijk tonen als het om de Brexit ging. De andere was dat hij een reden had om kwaad te zijn. Malta’s succes is gebaseerd op het gebruik van differentiële belastingen om bedrijven aan te trekken. Dat zou in het gedrang komen door de lang gekoesterde Frans-Duitse droom van belastingharmonisering. Wie was de grootste tegenstander van dat idee? Juist, het VK, dat er straks niet meer zal zijn om bezwaren te uiten.
En er zijn andere dreigingen. Een delegatie van het Europees Parlement was gechoqueerd door de manier waarop Malta de moord op Daphne behandelt. De agressieve verkoop van paspoorten uit de Schengenzone aan mensen met een dubieus inkomen wekt ook onrust in Brussel en Straatsburg. En er is een groeiend gevoel dat Malta de kluit belazert. In het VK kennen ze maar één artikel van het Verdrag van Lissabon, en dat is artikel 50. Elders worden steeds meer mensen zich bewust van een andere verdragsbepaling, namelijk artikel 7, op grond waarvan de rechten van het EU-lidmaatschap kunnen worden opgeschort. Polen en Hongarije zijn vanzelfsprekend doelwit, maar Malta wordt ook zenuwachtig. En het heeft daartoe alle reden. Als je de veerboot neemt van Sliema naar Valletta zie je de basiliek boven de borstwering uittorenen, een van Europa’s prachtige panorama’s. Maar als je terugkeert naar het nieuwe Sliema zie je een goedkope versie van Dubai of Singapore dat gebouwd wordt op een krakkemikkige fundering. De trots van Muscat kan voor een diepe val komen.
New Statesman
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 34.000
Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. In de columns en andere opiniërende stukken stelt het blad zich ook open voor andere dan linkse geluiden.
Het ongebreidelde massatoerisme roept in Spanje net als elders veel irritatie op. Vormen al die reizigers een probleem? Zeker, beweert Íñigo Domínguez, behalve als het om onszelf gaat.
‘Het is erg toeristisch hier’ of ‘Het is hier authentiek’. Het is duidelijk welke van de twee zinnen negatief bedoeld is. Waarom vinden we een plek waar toeristen komen niet deugen? We denken dat het daar duur zal zijn, dat de kwaliteit onder de maat is, dat de producten en de plek niet authentiek zijn. Kortom: we bevinden ons in een onechte, gekunstelde werkelijkheid. We hebben fake-plekken gecreëerd. Pretparken. Wat ooit leuk was is nu een nachtmerrie. En waarom noemen we een plek, winkel of bar authentiek? Omdat alles daar nog steeds is zoals vroeger, voordat de toeristen kwamen. Daar hebben ze zich niet uitgesloofd om mee te bewegen, om te veranderen in wat de toeristen verwachten: in een cliché, een stereotype, dat een opmerkelijk effect heeft. Want eigenlijk wil de toerist niet worden verrast, hij hoopt dat alles precies is zoals hij het zich heeft voorgesteld.
Steden die toeristen willen trekken sloven zich uit om te worden wat de toeristen vinden dat ze moeten zijn. Het hoge woord moet er maar eens uit: het toerisme verpest plaatsen en mensen. Het is niet zo dat de inwoners van een stad of een dorp hun leven leiden en mensen de plek bezoeken omdat hij mooi is. Nee, alles is op de bezoekers gericht, waardoor de plek zijn schoonheid verliest. Wat moeten we doen om u hiernaartoe te lokken en om u hier uw geld uit te laten geven?
Elizabeth Becker, oud-journalist van The New York Times, legt in haar boek Overbooked, The Exploding Business Of Travel And Tourism uit dat het probleem de aantallen zijn. In 1950 werden er 25 miljoen reizen met een toeristische bestemming geregistreerd, in 1970 waren dat 250 miljoen, in 1995 gingen er 536 miljoen mensen op reis. Vorig jaar waren het er 1.235 miljoen volgens de World Tourism Organization.
‘All tourists are bastards’
Pas in 2007 werd voor het eerst berekend wat de bijdrage van het toerisme aan het wereldwijde bbp was, en dat was, zo bleek, even veel als de olie en de landbouw. Nu is dat 10 procent. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze dorpen en steden niet de menselijke maat verliezen? Wat opvalt is dat toeristen steeds minder moeite doen om zich verstaanbaar te maken in de taal van de plaats die ze bezoeken. Dat is niet de mentaliteit van een bezoeker, maar van iemand die iets eist.
Toeristenoorden hebben een bloedhekel aan toeristen die hun hand op de knip houden. Geld maakt het verschil. Zonder geld zijn we klaplopers of, erger nog, immigranten. Dat is wat Adela Cortina signaleert in haar laatste boek, waarin ze vreemdelingenhaat onder de loep neemt. We zijn gastvrij tegenover de toerist en wantrouwend tegenover de vluchteling. Wat ons irriteert is niet de buitenlander maar de armoede. Als drieduizend passagiers van een cruisechip in de haven van Santander van boord gaan, door de stad wandelen en geen cent uitgeven is dat slecht voor de stad, die zich belazerd voelt. En dan denken ze in Santander dat ze iets moeten gaan doen, dat ze de toeristen ertoe moeten overhalen geld uit te geven. Het hoogste streven is het zogeheten kwaliteitstoerisme, oftewel het rijkeluistoerisme. Alleen de mensen met geld doen ertoe, de rest niet.
‘All tourists are bastards’, staat er op enkele muren van Barcelona gekalkt. Op de Ramblas verkopen Pakistani’s in Vietnam gemaakte Mexicaanse sombrero’s alsof dat allemaal made in Barcelona is, inclusief zijzelf. Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Bru Rovira vertelt in zijn uitstekende boek over outcasts in Barcelona hoe families die hun hele leven in een oude buurt hadden gewoond eruit werden gewerkt. Hij vertelt hoe een paar bejaarden die weigerden te vertrekken werden weggepest. Om ze de schrik op het lijf te jagen werd een Afrikaan ingehuurd die avond aan avond als een leeuw in het trappenhuis stond te brullen. Hebzucht heeft stukje bij beetje een hele leefgemeenschap en een traditionele manier van leven ernstig aangetast. Barcelona is aan zijn succes ten onder gegaan en voor Granada of San Sebastian moet gevreesd worden. De binnenstad van Madrid verpaupert in sneltreinvaart.
Toeristen hebben ook een probleem, ze willen naar die ongerepte, authentieke plekken toe en hebben een bloedhekel aan toeristische oorden. Maar daarvoor moet je tegen de stroom in zwemmen en de massa ontlopen. En zelfs als dat je lukt kunnen die oorden erg tegenvallen. In Parijs of Rome los je op in de menigte, maar steden met een klein historisch centrum, zoals Dubrovnik of welke andere stad ook die binnen het bereik van een cruiseschip ligt, zijn totaal verpest. Het irritantste is ongetwijfeld dat we allemaal toeristen zijn zo gauw we de deur achter ons dichttrekken. Are all tourists bastards? Yep, behalve wijzelf. Ergens de enige zijn is nu een privilege. Een extreem voorbeeld is Bhutan, daar kun je alleen naar toe als je heel rijk bent. Hoe kun je met goed fatsoen nog reiziger zijn, een woord dat zo romantisch klinkt? Je eerste prioriteit is de massa ontlopen. Al heeft diezelfde massa ervoor gezorgd dat in de meest afgelegen oorden pizza-tentjes zijn geopend en er een maf soort exotisch avontuur–toerisme is ontstaan.
Maar je hoeft helemaal niet ver weg te gaan. Waar het om gaat zijn je houding en je nieuwsgierigheid. Camilo José Cela, die het beroemde reisverhaal Viaje a la Alcarria (Reis naar Alcarria) schreef, en Patrick Leigh Fermor, die te voet door Europa trok, en ook treinreizigers Paul Theroux en Jack London laten zien dat het wonder zich overal kan voordoen, als je maar nieuwsgierig bent en de tijd neemt om het te zien. Het kan echt, je hoeft alleen maar op een andere manier te reizen. Menselijker. De volgende stap op weg naar de totale vervreemding is de Segway: je loopt niet meer door de straten van je bestemming, je zweeft er met hoge snelheid boven, zonder dat je voeten de grond raken. Je kunt niet anders dan vaststellen dat mensen helemaal vergeten zijn waar ze zich bevinden als ze met een brede glimlach een selfie maken in Auschwitz.
Onze steden zijn steeds meer een decor geworden waar het authentieke moeilijker te vinden is. De onechte wereld breidt zich uit als gevolg van de vastgoedspeculaties van het neokapitalis–me. Voor het weliswaar arme maar mooie en menselijke Italië is iets on–definieerbaars in de plaats gekomen, waarvoor het woord lelijk nog tekortschiet. De verwoesting van de oude wereld van het volk en de vernietiging van het authentieke als gevolg van de modernisering. Identiteit en schoonheid verdwijnen als we gemeenschappen vernietigen, buurtwinkels laten sluiten, gezinnen, kinderen en bejaarden wegjagen. Als we nepsteden maken van onze steden, wat maken wij, de bewoners, dan van onszelf? Wat zijn we dan geworden? En wat willen we zijn? Wat de toeristen willen zien?
Ofschoon het toerisme 20 procent van het bbp oplevert, profiteert alleen de elite ervan; de boeren zijn hun land kwijt en het sekstoerisme met minderjarigen is een plaag
Het is nog steeds zo dat het toerisme in ontwikkelingslanden een belangrijke motor van de economie is. Je hoeft maar te kijken naar het drama dat zich in Egypte of Tunesië heeft voltrokken toen het toerisme instortte. In Thailand en Sri Lanka smachten ze nog steeds naar de terugkeer van de toeristen, die hen moeten redden nadat een tsunami hun kusten verwoestte. Zo ook in Nepal, na de aardbeving van 2015. Na de verstikkingsdood van de economie in Griekenland is op vakantie gaan in dat land ontwikkelingshulp geworden. Aan de andere kant van het spectrum heb je Cambodja, dat in de jaren negentig de gouden kans liet lopen om een nieuw model te ontwikkelen. Het was een land waar decennialang geen buitenlanders mochten komen in de tempels van Angkor en op de paradijselijke stranden. Dat model was een mislukking. Ofschoon het toerisme 20 procent van het bbp oplevert, profiteert alleen de elite ervan; de boeren zijn hun land kwijt en het sekstoerisme met minderjarigen is een plaag.
Buiten de steden tekent zich een nog veel groter probleem af: de vernietiging van de natuur. Costa Rica is een voorbeeld van een land dat probeert om milieu en toerisme met elkaar in balans te houden. Maar veel Afrikaanse landen, zoals Kenia, Zuid-Afrika en Mozambique, waar toerisme de voornaamste bron van inkomsten is, zitten diep in de problemen, en dan hebben we het nog niet eens over de Galapagos–eilanden. ‘Ecotoerisme is een oxymoron, op de lange duur zijn mensen en wilde dieren onverenigbaar,’ oordeelde Richard Leakey, hoofd natuurbescherming in Kenia, die in de jaren negentig de handel in ivoor een halt toeriep. De handel in jachtvergunningen is rooftoerisme in de letterlijke zin van het woord.
De vorm van een stad, de grenzen ervan, is nauw verbonden met de omringende natuur. ‘Het is een en hetzelfde probleem: het behoud van de natuur en de vorm van de stad.’ Dit vindt zijn oorsprong in iets typisch Italiaans: de ideale stad – het renaissancistische concept waarin het menselijke de maat der dingen is – waar het prettig leven is. En in veel steden is het leven vandaag de dag niet prettig. Hoe mooi ook, er wonen is vreselijk en soms onmogelijk. Waar het fascisme niet in slaagde, dat is de machtige consumptiemaatschappij wel gelukt: de uniformering; de vernietiging van het eigene; de verdwijning van de verschillende vormen van mens zijn die Italië op zeer uiteenlopende wijze heeft voortgebracht in de loop van zijn geschiedenis. Dat is het echte fascisme.
Hoe lossen we dit op? Elizabeth Becker geeft een paar schitterende voorbeelden. Het belangrijkste is Frankrijk, een land dat besloot dat hoe Franser en hoe meer het zijn identiteit en manier van leven benadrukt, hoe beter dat is voor het toerisme. Niet voor niets riepen ze in 1959 als eerste een ministerie van cultuur in het leven. Niet met handel als oogmerk, maar protectionisme. De beleidsmaker voor toerisme in Bordeaux legt het zo uit: de sleutel van succesvol toerisme is je richten op de mensen die er wonen, op de burgers. Als je dat goed doet, dan zal de toerist ook gelukkig zijn.’
Dat paradijselijke eilandenrijk de Malediven is verre van paradijselijk voor de lokale bevolking. Sterker nog. Ze noemen het een hel. ‘Male’ telt het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. De doodstraf is heringevoerd, de sharia geformaliseerd en voor het stelen van een mango staat een lange celstraf.
‘Het zijn goede vechters, hè?’ zegt de taxichauffeur trots als ik hem vertel dat ik uit het Midden-Oosten kom en journalist ben. Praat in Parijs, in Brussel, in Tunis met moslims over de jihadisten van IS en ze zeggen allemaal beschaamd, bijna verontschuldigend: Ze zijn knettergek. Op de Malediven zeggen ze: Het zijn helden.
Veel westerse toeristen beseffen niet eens dat het een islamitisch land is. De Malediven zijn evenwel het niet-Arabische land met het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking. Circa tweehonderd, op vierhonderdduizend inwoners. De regering ontkent het. Maar iedereen heeft wel een broer of een neef in Syrië. Toen de hele wereld in augustus naar de Olympische Spelen keek, keken ze hier allemaal naar de strijd om Aleppo. En moedigden ze Al-Qaida aan.
In theorie zijn de Malediven een archipel van 1192 eilanden. Maar voor de Malediviërs is er maar één eiland: Male. De hoofdstad. Op de eilanden hebben ze maar een paar winkels, en een school. Een voetbalveldje. Soms is er niet eens elektriciteit. Voor alles moet je naar Male. Male lijkt een stad als duizenden andere, maar beslaat slechts 5,8 vierkante kilometer en heeft officieel honderddertigduizend inwoners, al wonen er in werkelijkheid twee keer zo veel: in Male is ieder hoekje en gaatje bewoond.
In een van de hoofdstraten, de Buruzu Magu, sla ik een heel smal steegje in dat uitzicht biedt op een stukje ansichtkaart: een blauw, een groen en een geel huis. Aan het einde een wenteltrap. Achter de eerste deur rechts wonen ze met zijn vijven, achter de eerste links met zijn negenen, en achter de tweede zijn ze allemaal immigrant, ze komen uit Bangladesh, wonen met zijn achttienen in één kamer en slapen bij toerbeurt. In het huis daarna staat achter een deur een tafel van halfverrot multiplex, moeder en dochter zitten in het donker te kletsen en naast hen, op een versleten mat, zit een eveneens versleten oude vrouw te reutelen, haar dorre grijze haar uitstaand als de draden van een doorgebrande gloeilamp. Ze wonen er met zijn zestienen, te midden van vodden en schoenen met gaten, met jute en stukken golfplaat opgelapte muren, de stank van lichamen. De keuken is een butagasstel. In de kamers staan geen tafels of stoelen, er is helemaal niets, ook geen ramen, alles ligt door elkaar op de grond, de was hangt aan het plafond te drogen. Aan de muur hangt een plasmatelevisie, gekregen bij de laatste verkiezingen, in ruil voor een stem. Maar een gemiddeld inkomen hier is 8000 rufiyaa, 470 euro: net genoeg voor een elektriciteitsrekening. De huur voor drie kamers is 20.000 rufiyaa.
Kinaan is in zo’n huis opgegroeid. Met z’n zessen in één kamer, ouders die voortdurend ruziemaakten. De zee was hun douche. Nu is hij eenendertig, en de bekendste en meest gevreesde misdadiger van Male. Als je met hem op pad bent, maakt iedereen ruim baan. Male is verdeeld tussen een dertigtal gangs, elke heeft tussen de vijftig en de vijfhonderd leden. We hebben het hier over een tiende van de bevolking, in de hoogste schatting: een vijfde van alle jongeren. In de eerste en laatste studie over straatgeweld, uit 2009, zei 43 procent van de ondervraagden dat ze zich zelfs in hun eigen huis niet veilig voelden. Kinaan is op zijn vijftiende voor het eerst in de gevangenis beland, omdat hij had gevochten. Hij is sinds zijn zeventiende verslaafd aan heroïne en alcohol. En hij verkoopt nog steeds drugs om te overleven. ‘Want niemand biedt je hier een tweede kans,’ zegt hij. ‘Ik ben bereid elk soort werk te doen, maar niemand heeft me ooit willen aannemen. Zelfs niet als losser in de haven. Vroeg of laat worden we allemaal gearresteerd, allemaal vanwege drugs, want als je met z’n tienen in een kamer woont, leef je in feite op straat. Male is een hel, je hebt er geen toekomst, niks, en alcohol is verboden: heroïne kost veel minder dan wodka. En onzinnig genoeg zijn de straffen erg streng. Als je een mango steelt, riskeer je een jaar gevangenisstraf en ben je voor het leven getekend. Maar tegelijkertijd is er sprake van totale tolerantie: we worden namelijk ingehuurd door politici. Tegen vaste tarieven, twaalfhonderd dollar voor het ingooien van een etalage, zestienhonderd voor het molesteren van een journalist. De opdrachten variëren van flyeren tot iemand overhoopsteken. Dus als ze willen, als je van nut bent, halen ze je uit de gevangenis.’ Kinaan is twee keer veroordeeld, maar heeft zijn straf nooit uitgezeten. Net zomin als zijn vriend Dhonko. ‘En wat doe jij dan voor werk?’ vraag ik hem. Hij lacht. ‘Ik zit vijfentwintig jaar gevangenisstraf uit.’
Kinaan probeert al tien jaar lang zijn leven te veranderen. En dus heeft hij besloten om nu op eigen houtje een tweede kans te creëren: hij heeft besloten naar Syrië te gaan. ‘Het is niet moeilijk. Niemand houdt je tegen. Ze hebben er allemaal belang bij zich van ons te ontdoen: we hebben al hun misdrijven gepleegd, we kennen al hun geheimen. En we willen hier allemaal weg. Alles is beter dan Male.’
‘Als ik in Syrië word gedood, is het in elk geval om een goede reden.’
Voor velen hier is Syrië een economische en morele kans: een vorm van verlossing. Het enige wat Kinaan nog weerhoudt is dat hij wil proberen zijn broer Humam te redden. Na een moratorium van zestig jaar wordt de doodstraf weer uitgevoerd. En Humam staat boven aan de lijst: hij is beschuldigd van het neersteken van een gedeputeerde. Hij heeft zijn bekentenis ingetrokken en verklaard dat hij door de politie onder druk is gezet, en bovenal vertoont hij, volgens Amnesty International, vaak tekenen van geestelijke instabiliteit. Maar hoe het ook zij, hij blijft de dader van een duidelijk politieke moord. Afrasheem Ali was presidentskandidaat, en Maumoon Abul Gayoom, die dertig jaar lang, van 1978 tot 2008, president was van de Malediven en ook nu nog wordt beschouwd als de vader des vaderlands, had verklaard dat zijn partij de kandidaat zou steunen met de sterkste geloofsbrieven inzake de islam. Afrasheem Ali dus, en niet Abdulla Yameen, de huidige president.
Maar toen hij op een avond op weg was naar huis, is Afrasheem Ali vermoord.
In het nieuwe wetboek van strafrecht is niet alleen de doodstraf heringevoerd, maar is een jaar geleden ook voor de eerste keer de sharia geformaliseerd. Op de Malediven is de islam altijd politiek geweest, en niet louter religie. Toen Gayoom aan de macht kwam, waren de Malediven nog gewoon een archipel van primitieve vissers. Want in werkelijkheid is het er helemaal geen paradijs: ze hebben er niet eens een zoetwaterbron. Gayoom had in Caïro aan de Al-Azhar-universiteit gestudeerd: voor de Malediviërs uit die tijd was zijn woord niet dat van een president, maar het woord van God. Het was Gayoom die de resortformule ontwikkelde, het toerisme van vijfduizend dollar per nacht.
Het was dé manier om het land te moderniseren, maar ook om het onder controle te houden, door de bevolking op Male te concentreren en vooral door elk contact met andere culturen te verbieden. Van de 1192 eilanden zijn er slechts 199 bewoond, en 111 zijn resorts, maar er is geen enkele interactie. Ook niet in de resorts. Buiten werktijd is het de werknemers verboden er rond te blijven hangen.
En dan zijn de resorts ook nog eens gebouwd door buitenlandse ondernemers. De wet gebiedt wel dat die een Maledivische partner hebben – over het algemeen een Malediviër die goed bevriend is met een politicus. Of die zelf politicus is. Op de Malediven bezit 5 procent van de bevolking 95 procent van de rijkdom.
Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee
Daar komt bij dat elke tegenstander niet alleen maar een tegenstander is: hij is een ongelovige. Shadindha Ismail, 38 jaar en hoofd van het Democracy Network, de belangrijkste organisatie voor de mensenrechten, zegt hierover: ‘Ze hebben het geloof gepolitiseerd en de politiek gesacraliseerd.’
Zelfs de tsunami in 2004 is geïnterpreteerd als een straf van God. In allerlei filmpjes is te zien hoe het water op een van de eilanden alles wegvaagt, behalve de moskee.
Het resultaat is dat er nu veel, heel veel jongens zijn als Ali. Klaar om naar Syrië te vertrekken.
Ali is 22 en ziet er bescheiden, bijna ascetisch uit. Hij is mager, draagt slippers, jeans en een overhemd met een mao-boord dat een beetje op een tuniek lijkt. Drie, vier centimeter baard. Het is een zwijgzame, verlegen jongen. En hij is er bovenal klaar voor: hij heeft de drieduizend dollar voor de reis bijna bij elkaar gespaard – door hasj te verkopen. Hij is nog nooit buiten de Malediven geweest, maar inmiddels heeft hij een mobieltje met alle kaarten van Turkije en weet hij alles van het front. Hij weet minder over Syrië. Over de complexheid ervan. De gevechten tussen de rebellen, de plunderingen, de smokkel – eigenlijk gaat hij ook niet naar Syrië, want, zegt hij: ‘Ik ga naar het paradijs.’
‘Wat denk je er te vinden?’ vraag ik.
Hij twijfelt geen moment. ‘Broederschap.’ Een nieuw leven. Een ander leven. ‘Een samenleving waarin we allemaal mensen zijn, en geen gieren of kadavers, zoals hier, waar iedereen van elkaar profiteert. Jij mag dan denken dat je nergens in gelooft,’ zegt hij, ‘maar je gelooft wel, je gelooft in de wereld zoals die is. Je gelooft net zo veel als ik.’
Van de islamitische staat waarin hij zou willen wonen weet hij vooral wat het niet moet zijn. Maar Husham lacht als ik hem vertel dat bij ons wordt gezegd dat Syriëgangers niet echt weten wat de islam inhoudt, als ik hem vertel over de Engelse jongen die op het vliegtuig een shariahandboek kocht. ‘Geen enkele moslim zou zichzelf een islamdeskundige durven noemen, of het moet een imam zijn,’ zegt hij. ‘Maar de Koran begint met: “Lees”.’ Dan kijkt hij me aan en zegt: ‘Net als Kant, toch? Sapere aude.’ Hij is twintig, en ziet eruit als wat hij is: een student, en een briljante ook, jeans, poloshirt en schoudertas. Shariafaculteit.
Onder de Malediviërs
‘Islam is rechtvaardigheid. We zouden een tweede Zwitserland kunnen zijn, ware het niet dat alles hier een kwestie van gunsten is. Als je ziek wordt, klop je op de deur van de president en betalen ze je behandeling in het buitenland. Dat is ook de reden dat niemand in opstand komt. Iedereen hier lost zijn problemen zo op. We zijn geen burgers: we zijn bedelaars.’ Maar waarom begint hij dan niet met de Malediven, vraag ik hem. ‘We zijn moslims. We zijn één gemeenschap. En Syrië heeft simpelweg prioriteit. Als we met vijfhonderdduizend doden eerder aan onszelf zouden denken dan aan Syrië, zou dat raar zijn.’
Zijn rolmodel, na Mohammed, is Malcolm X.
En toch zou op de Malediven genoeg voor hem te doen zijn. Alleen moslims kunnen hier burgers zijn, op school is de islam het belangrijkste vak en vijf keer per dag sluiten de winkels voor het gebed, al blijven de werknemers dan binnen zitten koffiedrinken. Ze gaan niet naar de moskee. Het is net als met alcohol: het is verboden, maar wordt verkocht in de bar van het Island Hotel, naast het vliegveld. Als je maar betaalt. Zelfs de minister van Islamitische Zaken is gefilmd in gezelschap van twee prostituees.
Toeristen krijgen hier echter helemaal niets van mee. Ook niet de toeristen die voor een verblijf in een guesthouse kiezen, een recent idee van Mohamed Nasheed, die Gayoom in 2008 heeft opgevolgd bij de eerste democratische verkiezingen in de geschiedenis van de Malediven. Anders dan de resorts bevinden de guesthouses zich op de bewoonde eilanden. En dus leveren ze niet alleen wat salaris op, maar doorbreken ze ook het culturele isolement: in de guesthouses ben je in theorie onder de Malediviërs.
Het eerste is geopend in Maafushi, twee uur met de veerboot vanaf Male. Vier Napolitanen dwalen verloren over dat wat op de bordjes wordt aangeduid als Bikini Beach, het strand voor buitenlanders. Ze zijn hier sinds gisteren, twee gescheiden ondernemers, een met zijn twee twintigjarige zoons. Ze hadden geen idee dat de Malediven islamitisch waren. En het is ook een schuilplaats van IS, zeg ik. ‘Jezus,’ roept Andrea met grote ogen uit. Dan zegt hij tegen zijn vriend: ‘Gast, hoor je dat? IS zit hier. Naar vrouwen kunnen we fluiten.’
In feite is er helemaal niets in Maafushi. In 2012 is Nasheed met een staatsgreep afgezet, en de huidige regering tracht de guesthouses alleen maar tegen te werken: ze betalen dezelfde belastingen als de resorts, waar een tweepersoonskamer echter geen honderd, maar duizend dollar per nacht kost, en er wordt helemaal niets in de eilanden geïnvesteerd. Naast het strand heeft Maafushi alleen maar een paar cafés. ’s Avonds is het enige vertier de krabbenrace, zegt Andrea. ‘Je betaalt voor de naam en dat is het. Alleen om te zeggen dat je op de Malediven bent geweest.’ Een van de twee jongens dwaalt bij zonsondergang met ontbloot bovenlijf door de minimarket, hij checkt elk flesje vruchtensap in een wanhopige zoektocht naar een biertje. Hij heeft nog niet ontdekt dat er wel degelijk bier is: er ligt een boot voor de kust waar alcohol wordt verkocht. Maar in Maafushi verkoopt niemand het, en dus wordt de Koran geëerbiedigd. We staan voor de moskee. De mannen werpen hem een boze blik toe. Hij snapt wat ik denk. ‘Het is warm,’ zegt hij. ‘Mijn huid is helemaal zout, mijn T-shirt plakt eraan vast.’ Er komt een vrouw in een niqaab voorbij, ze wendt zich gegeneerd af. ‘Doorlopen, gedrocht dat je bent,’ zegt hij. ‘Wie wil jou nou?’ Hij kijkt naar haar man. ‘Hou ’r maar lekker.’
‘Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië’
Heel veel vrouwen dragen een niqaab. Helemaal bedekt. Helemaal in het zwart. ‘Maar deze extreme soort islam is geen traditie, het is innovatie,’ zegt Mariyath Mohamed, dertig jaar, journaliste. ‘Net als in Gaza. Net als in Bagdad. Dertig jaar geleden droeg niemand een hoofddoek.’ De islam hier is geënt op het boeddhisme. Het nationale museum mag dan in 2012 bestormd zijn en de beelden die er stonden kapotgeslagen, je hoeft maar een van de oudere moskeeën binnen te gaan om te zien dat het ooit tempels waren. De gebedsrichting naar Mekka werd pas later diagonaal op de vloer aangegeven.
Maar toen kwam Gayoom. En hij niet alleen. ‘Een paar jaar later kwamen ook alle seculiere Arabieren hier die na 1967, na de zesdaagse oorlog en de nederlaag van Nasser in Saoedi-Arabië waren gaan studeren. Voor Gayoom, voor zijn ideologische monopolie, vormden zij een gevaar. En dus werden ze allemaal in de gevangenis gegooid. Ze werden gemarteld. Gedood. En tot helden gemaakt. Voor velen vertegenwoordigden ze niet alleen de islam, maar ook het verzet tegen een regime.’ En toen, zegt ze, kwam de tsunami. En nu ‘is de volgende tsunami Syrië’.
Maar voor de regering bestaat het fundamentalisme niet. Bij het nieuws van de eerste twee Malediviërs die waren gedood in Syrië, in 2014, wees president Yameen elke verantwoordelijkheid af. ‘We hebben onze landgenoten in het buitenland altijd verzocht zich netjes te gedragen,’ verklaarde hij.
‘De regering gaat de confrontatie min of meer uit de weg, en in wezen onderschrijft ze bepaalde denkbeelden. Zoals iedereen,’ zegt Nazeer. Hij is 23 en een van de bekendste dissidenten. Hij is zich aan het specialiseren in mensenrechten. Maar hij is ook de neef van Ali. Ze zijn erg close, maar toch probeert hij hem niet tegen te houden. ‘Ik kan geen oordeel vellen over zijn keuze. Voor mij is het simpelweg een verloren strijd,’ zegt hij.
Het is dus niet een verkeerde oorlog op zich: voor Nazeer is het alleen een verkeerde oorlog omdat die gedoemd is tot een nederlaag te leiden. Hij zoekt een promotieplaats in Europa. ‘Hier kun je niet studeren. Letterlijk: de toeristen hebben een heel eiland voor zich, en wij hebben niet eens een rustig hoekje om ons op een boek te concentreren. En dan gaan ze af en toe ook nog pal voor je huis van boord en fotograferen je ellende onder het mom dat het folklore is. Maar kijk eens waar we zijn,’ zegt hij. We zijn op het strand van Male. Het is een kunstmatig strand – ook nog eens vervuild door afval van het ziekenhuis. ‘We hebben zelfs geen zee meer. Wat hebben we voor alternatieven? Als je uit een rijke familie komt, ga je in het buitenland studeren. Anders ga je naar Syrië.’
Kinaan is klaar om te vertrekken. Om de onderdrukten te helpen, preciseert hij. Niet om ongelovigen uit te roeien. ‘Een van de gangs heet Bosnië. Wie weet hoeveel er ooit Aleppo zullen heten.’
Francesca Borri (1980) studeerde journalistiek in Florence en Pisa en werkte vervolgens in het Midden-Oosten en de Balkan. Haar eerste boek, uit 2008, ging over het conflict in Kosovo, in 2010 gevolgd door een publicatie over het Israëlisch-Palestijnse conflict. In 2012 richtte zij zich op de Syrische Burgeroorlog en versloeg vooral de strijd om Aleppo. Haar boek daarover, Onze vrouw in Aleppo, verscheen in Nederlandse vertaling bij De Geus. Borri schrijft voor onder meer de Italiaanse tijdschriften Il Fatto Quotidiano,Internazionale en voor de Engelstalige website over het Midden-Oosten, Al-Monitor.
Geïnspireerd door het Franse weekblad Courrier International startte hoofdredacteur Giovanni di Mauro in 1993 het Italiaanse equivalent, Internazionale. Het weekblad – de grote broer van 360 – kiest de beste verhalen uit de wereldpers en maakt artikelen toegankelijk die anders ontoegankelijk zouden zijn gebleven voor een lezerspubliek dat overwegend weinig andere talen dan het Italiaans spreekt. Internazionale besteedt veel aandacht aan fotografie en deinst niet terug voor lange longreads. Voorts heeft het blad zijn eigen buitenlandse columnisten, gerenommeerde namen als Nathalie Nougayrède, Paul Mason en Bernard Guetta. Allemaal journalisten die hun pen onafgebroken inzetten voor een gezonde parlementaire democratie.
Elk jaar organiseert Internazionale een festival in Ferrara aan de spoorlijn van Bologna naar Venetië, waar giornalisti di tutto il mondo drie dagen lang de wereldproblematiek bespreken.
Om het toerisme in te dammen, stelde de stad Barcelona vorig jaar een hotelstop in. Projectontwikkelaars bleken niet voor één gat te vangen: nu bouwen ze massaal luxeappartementen voor buitenlanders.
Als het geen hotel mag zijn, dan maken we er een luxeapparement van. Ruim, van alle gemakken voorzien en bestemd voor een zeer select publiek. Het is bijna een reflex in Barcelona, sinds in juli 2015 een stop op de bouw van nieuwe hotelkamers werd ingesteld. Nu investeerders in Barcelona niet verder kunnen met hun hotelprojecten, zoeken ze naar uitwegen, en de bouw van luxeappartementen is een van de betere alternatieven.
‘Het rendement is minder hoog,’ benadrukt een ondernemer die nog een geschil heeft lopen met de gemeente, waardoor zijn vergunning voor een hotelcomplex aan de Paseo Isabel II, midden in het centrum, is opgeschort. Voorlopig bevat het gebouw huurappartementen voor buitenlanders die tijdelijk in de stad verblijven.
Het eerste geval waarbij de effecten van het hotelmoratorium zichtbaar werden, betrof het voormalig kantoor van de Deutsche Bank op de kruising van de Avenida Diagonal en de Paseo de Gracia. Dat zou een luxe Four Seasons Hotel worden, maar het KHK Investeringsfonds veranderde zijn strategie, en nu werkt architect Carlos Ferrater aan een project met peperdure appartementen en op de begane grond winkels.
Hetzelfde gebeurt met het Condeminas-gebouw in de Paseo de Colón. De eigenaren van het complex, ingeklemd tussen twee hotels, wilden in zee gaan met een tophotelketen, maar door het moratorium zijn de plannen gewijzigd en komen er nu luxeappartementen in het gebouw. Een paar meter verderop hetzelfde verhaal. In het gebouw op nummer 4 van de Via Laietana huisden jarenlang kantoren. Er werden investeerders aangetrokken om het te veranderen in een hotel. De verbouwing is begonnen, maar u raadt het al: ook dit wordt een appartementencomplex. De gemeente is zich bewust van het fenomeen, maar ze kunnen er niets tegen doen, omdat het vergunningen betreft voor woningen en niet voor toerisme.
Het gaat in al deze gevallen niet bepaald om Airbnb-appartementen voor toeristen die een paar daagjes Barcelona doen. Het gaat om luxe onroerend goed dat wordt aangeboden door gespecialiseerde makelaarskantoren in Barcelona en de rest van de wereld. De potentiële kopers zijn kapitaalkrachtige buitenlanders die graag in het centrum van de Catalaanse hoofdstad verblijven: voornamelijk Europeanen (in meerderheid Engelsen en Fransen), Israëliërs en Arabieren. Discretie is wat ze gemeen hebben. De prijzen die ze betalen blijven niet onder de miljoen euro en worden altijd contant op tafel gelegd. Volgens cijfers van het ministerie van Verkeer en Infrastructuur wordt een op de vijf koophuizen in Spanje door buitenlanders gekocht, met name aan de kust en in Madrid en Barcelona. De commercieel directeur van de projectontwikkelaar La Llave De Oro (De gouden sleutel) zegt: ‘Barcelona is in Europa de derde favoriete stad voor een tweede of derde woning.’
‘Spaanse kopers kunnen de hoge prijzen van dit soort woningen niet betalen,’ zegt Carlos Gallofre van investeringsfonds Stoneweg. ‘Maar voor de Britten is Barcelona een vluchtinvestering.’ Er komen ook Israëliërs die de Eiffeltoren hebben verruild voor de Sagrada Familia. ‘Parijs is te duur geworden,’ zegt Miquel Laborde van beleggingsmaatschappij Laborde Marcet, die al vier jaar lang de prijzen in dure woonwijken ziet stijgen.
‘De prijs per vierkante meter in de Paseo de Gracia begint op het niveau van Parijs te komen,’ waarschuwt Emmanuel Virgoulay, vertegenwoordiger in Barcelona van de Frans-Zwitserse onroerendgoedmaatschappij Barnes. Volgens gegevens van zijn firma zijn de prijzen dit jaar met vijftien procent gestegen, omdat ‘er steeds meer vraag en steeds minder aanbod is’. Barnes heeft onlangs een kantoor geopend naast het Turó Park om een ander slag cliënten te bedienen: goedverdienende Fransen die min of meer permanent in Barcelona wonen en willen overstappen van een huur- op een koopwoning in de chique wijken van Barcelona. Hun portefeuille bestaat uit onroerend goed van boven de 200 vierkante meter, bij voorkeur in Pedralbes. Veel Arabieren hebben dan weer een voorkeur voor de Avenida Pearson. In de wijk Sarrià-Sant Gervasi gaat het niet zozeer om geannuleerde hotelprojecten, maar worden veel woonhuizen omgebouwd tot luxeappartementen, waardoor ze spectaculair in prijs zijn gestegen.
Josep Poch, zaakwaarnemer van Coldwell & Banker in Spanje, spreekt zelfs van de ‘wedergeboorte’ van gebouwen, een oplossing voor het gebrek aan bouwgrond voor nieuwe woningen in de Catalaanse hoofdstad. ‘We hebben geen andere keus dan herstructureren en renoveren,’ zegt hij. Zijn makelaarskantoor verkoopt appartementen in de Calle Muntamar voor 6,5 duizend euro per vierkante meter. De hele voorgevel is gelift, de balkons en de terrassen zijn gerestaureerd en het interieur is door binnenhuisarchitecten onder handen genomen, zodat de bewoners er zo in kunnen trekken.
Om eigenaar te worden van een appartement in het gebouw Winterthur van Francesc Macià moet je minimaal 6 miljoen euro op tafel leggen
Een ander voorbeeld van deze ontwikkeling zijn de twee woontorens van het winkelcentrum Diagonal Mar, Illa del Cel genaamd. Ze stammen uit 2003 en hebben een volledig nieuw interieur gekregen. ‘Ze waren van gemiddelde kwaliteit en hebben nu een luxe binnenkant,’ zegt makelaar Marc Velo, die de meeste van de tweehonderd appartementen à 5000 euro de vierkante meter al heeft verkocht. De kopers komen uit de hele wereld.
Ook de wijk Ensanche ontsnapt niet aan de trend. Het voormalige hoofdkantoor van Telefónica aan de Avenida Roma ondergaat sinds twee jaar een radicale gedaanteverwisseling. Het gebouw zou aanvankelijk in tweeën worden gesplitst (een hotel aan de ene kant en appartementen aan de andere), maar zal uiteindelijk één groot woonblok worden met 400 appartementen. Als gevolg van het moratorium is het hotelgedeelte geschrapt en de indeling gewijzigd. De goedkoopste appartementen gaan voor 400.000 euro van de hand. De penthouses en de grootste flats doen tegen de 2,5 miljoen.
Stevige prijzen, maar dat is nog niets vergeleken met wat er wordt betaald op de internationale markt van luxeappartementen. Om eigenaar te worden van een appartement in het gebouw Winterthur van Francesc Macià, moet je minimaal 6 miljoen euro op tafel leggen. In 2009 werd een contract getekend met Marriott International, dat er een vijfsterrenhotel van de buitencategorie van wilde maken, maar door de economische en de vastgoedcrisis werd de bouw stopgezet en het hele geval aan een Brits investeringsfonds verkocht, dat er gelikte appartementen van maakte.
Belazerd
Ook Casa Burés in de buurt Eixample, een modernistisch gebouw ontworpen door Francesc Berenguer i Mestres [een assistent van Gaudí], wordt op dit moment gerenoveerd. Tien jaar geleden zou het een vijfsterrenhotel worden. Maar de gemeente stak er een stokje voor en kocht het op, om het vervolgens aan de Generalitat door te verkopen, waarna het uiteindelijk in handen viel van een internationale investeringsmaatschappij die besloot er luxeappartementen van te maken. De oplevering staat gepland voor oktober 2017 en volgens makelaarskantoor Lucas Fox zijn al enkele van de tien woningen verkocht. De minimumprijs is 4,8 miljoen euro.
De komende maanden zouden we nog wel eens meer van dit soort projecten kunnen zien, aldus welingelichte bronnen. Een beslissende factor zijn de plannen van de gemeente Barcelona. Aangezien niet bekend is wanneer het hotelmoratorium wordt opgeheven, en hoe daarna de regels zullen zijn, maakt de hotelbranche liever nog geen concrete plannen. ‘Er is natuurlijk argwaan,’ zegt Miquel Laborde. ‘Na wat er met het gebouw van de Deutsche Bank is gebeurd hebben grote namen die zich in de stad wilden vestigen zich teruggetrokken.’
Josep Poch zegt dat sommigen van zijn cliënten ‘zich belazerd voelen’, en waarschuwt voor de effecten daarvan op de prijzen in de stad. ‘Misschien werkt het allemaal wel averechts,’ zegt hij. De gentrificatie of elitisering van wooncomplexen, waar de gemeente zo beducht voor is, gaat evengoed – of nog erger – door met exclusieve luxeappartementen, en de werkgelegenheid die deze opleveren is van een heel andere orde.
De voornaamste kopers van onroerend goed in Spanje zijn Europese zakenmensen. In het eerste trimester van 2016 waren Britten de voornaamste buitenlandse kopers van woningen in Spanje (19,73 procent), op grote afstand gevolgd door Duitsers (7,38 procent), Fransen (7,05 procent), Zweden (6,95 procent), Italianen (5,99 procent) en Belgen (5,63 procent). Zij hebben het stokje overgenomen van de Chinezen (3,92 procent) en de Russen (2,96 procent), die tussen 2011 en 2014 de voornaamste investeerders waren. Dat was in een tijd dat de prijzen nog een stuk lager waren. Bovendien kreeg je toen bij aankoop van een appartement boven de half miljoen euro een verblijfsvergunning in Spanje cadeau.
Omdat de Algerijnse overheid het laat afweten, zijn zeven dorpen in het noordelijke provincie Kabylië overgegaan tot zelfbestuur. De afgelopen jaren werden al tal van voorzieningen gerealiseerd, zoals stromend water en afvalrecycling. De volgende stap is een museum om toeristen te trekken.
‘De staat is afwezig in onze dorpen. Ze denken pas aan ons als ze de politie hiernaartoe sturen om ons de oproepen voor militaire dienst te bezorgen.’ Wie de moeite neemt om door dit deel van Kabylië te trekken, zal vast getroffen worden door de woeste schoonheid van de streek, maar niet alleen daardoor. Afgelopen mei werd in de provincie het project Ayla Tmurt [rijkdom en grondstoffen] gelanceerd: een regionaal plan om zeven dorpen gezamenlijk te ontwikkelen. Het idee is om solidair te zijn en elkaar zo veel mogelijk te helpen: alle voorzieningen worden onderling gedeeld, ook binnen de dorpen zelf.
Dat is hard nodig, want zowel ’s zomers als ’s winters hebben de bewoners van de dorpen veel te lijden. In de zomer is het stikheet in het gebied, terwijl de winters juist hard zijn. Het is bitterkoud en er valt vaak meer dan een meter sneeuw. De meeste van deze dorpen zijn moeilijk bereikbaar, niet alleen ’s winters. Maar de streekbewoners hebben wel wat anders om over te klagen dan de slechte wegen. ‘De meeste van onze dorpen zijn voor hun lokale ontwikkeling volledig op zichzelf aangewezen. We moeten zelf maar zien hoe we, met onze beperkte middelen, overleven in dit geïsoleerde, bergachtige gebied,’ vertelt een zestigjarige aan de rand van het dorp Iguersafène in de gemeente Idjer (een van de zeven gemeenten die bij het plan betrokken zijn). De dorpelingen hebben er hun eigen bestuur opgezet. Het dorpscomité, Tajmaât, zit overal bovenop en is verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van het dorp. Dit systeem van zelfbestuur functioneert goed; de bewoners hebben, met hulp van émigrés in Frankrijk, alle projecten zelf gefinancierd.
Brandschoon
Het dorp oogt brandschoon, je zult hier niet snel een peuk op straat aantreffen. Niet verwonderlijk trouwens: overal in het dorp staan borden om de voorbijganger eraan te helpen herinneren zich om zijn omgeving te bekommeren. Sinds 2012 betaalt elk huishouden een door het dorpscomité vastgestelde milieubelasting van 400 Algerijnse dinar [1000 dinar is 8,64 euro] per jaar. Ook wordt er goed op gelet dat iedereen zijn afval scheidt. Her en der op straat staan afvalcontainers in verschillende kleuren, elk voor een bepaald type afval.
Organisch afval, glas en plastic worden in een speciaal met dit doel ingerichte centrale verder verwerkt. Het plastic afval wordt verkocht aan een recyclingbedrijf, wat het comité weer wat extra inkomsten oplevert. Het organisch afval wordt op een centraal punt buiten het dorp samengeperst en als compost verzameld. Voor het vervoer ervan is een tractor aangeschaft; de jongeman die hem rijdt krijgt 25.000 dinar per maand.
‘We geven wel 8 miljoen dinar per jaar uit. Al deze projecten financieren we zelf. Elk gezin draagt zo’n 800 dinar per jaar bij en oud-dorpsbewoners in het buitenland maken 60 euro over,’ vertelt voormalig wiskundeleraar en fabrieksdirecteur Arezki Messaoudène, nu voorzitter van het dorpscomité van Iguersafène. In het dorp wonen momenteel 4500 mensen, wat het de grootste agglomeratie van de gemeente Idjer maakt. In de afgelopen jaren is er in Iguersafène een levendige artistieke cultuur in de openlucht ontstaan, vooral nadat het dorp in 2014 de twaalfde editie van het festival Raconte-Arts organiseerde.
‘Bij ons zijn zelfbestuur en zelfvoorzienendheid een cultuur geworden. Aangezien er geen hulp van de overheid komt, doen we het maar zelf. Maar dat is al heel lang zo, eigenlijk al sinds de onafhankelijkheid,’ vertelt de voorzitter. In 1957 wilden 65 dorpelingen zich met wapens en munitie bij het verzetsleger ALN aansluiten, en ze besloten daarom dienst te nemen in het koloniale leger. Zodra zij onder de wapenen waren, organiseerden ze een collectieve ontsnapping naar het hoofdkwartier van kolonel Amirouche. Als represaille maakte het Franse leger het hele dorp met de grond gelijk.
Na de onafhankelijkheid beschikte de staat nauwelijks over middelen, dus de dorpelingen moesten zelf voor de wederopbouw van hun dorp zorgen. In die tijd ontstond de eerste vrijwilligersdienst, en al snel kwam er een tweede om het dorp van vers bronwater te voorzien. ‘De gemeente hoefde alleen nog voor de waterzuivering te zorgen,’ vertelt de voorzitter. ‘In 2008 hebben we gevraagd of 145 nieuwe woningen op het elektriciteitsnet konden worden aangesloten, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. We leven hier heel geïsoleerd in de bergen en kunnen niet wachten tot de staat ons komt helpen.’ In 1998 besloten de bewoners stromend water in hun woningen aan te leggen en installeerden ze hun eigen watermeters. Dit project werd uit eigen middelen gefinancierd en kostte in totaal 34 miljoen dinar. Maandelijks betalen de gezinnen niet meer dan honderd dinar per woning.
Alleen in de droge tijd tussen juni en december is het watergebruik gelimiteerd. ‘In die periode mag het gebruik niet boven de tachtig liter water per dag per persoon uitkomen. Gaat een huishouden daar overheen, dan moet het een boete van vijfhonderd dinar per kubieke meter betalen, oftewel een halve dinar per liter,’ vertelt de voorzitter van het dorpscomité. Voor het onderhoud van de waterleiding heeft het dorp voltijds een loodgieter in dienst genomen, die 25.000 dinar per maand verdient.
1. Een bewonersbijeenkomst in Iguersafène; 2. Overal in de dorpen roepen borden op om het milieu te beschermen; 3. Dorpelingen metselen een muurtje.
Vrijwilligersdiensten zijn in het dorp traditie en vinden elke week plaats. Iedereen moet op zijn beurt een taak vervullen in het algemeen dorpsbelang. Is iemand zonder geldige reden afwezig, dan mag hij of zij zijn beurt inhalen of moet anders een boete van duizend dinar per dag betalen. In de laatste maanden hebben de dorpelingen, met uit de dorpskas betaalde materialen, honderd meter waterleiding aangelegd, de wegen om het dorp heen onderhouden, de straten verbreed om ze berijdbaar te maken en twee pleinen aangelegd. Verder is het dorpskerkhof opgeknapt en is verlichting aangelegd op de weg naar dit kerkhof. ‘De realisatie van al deze projecten heeft zo’n 6,5 miljoen dinar gekost,’ vertelt de president van het dorpscomité.
Het dorp heeft ook een lokale verordening, die door de inwoners nauwgezet wordt nageleefd. Wel is deze verordening momenteel onderwerp van discussie, want de dorpelingen willen hem amenderen. ‘De discussie over een nieuwe verordening zal eind dit jaar worden afgesloten. We moeten hem aanpassen aan de huidige tijd, want zowel het dorp als de mentaliteit van de bewoners zijn veranderd,’ zegt Arezki Messaoudène. In alle dorpen die we bezochten leeft een sterk moreel besef: de dorpelingen laten iemand die hulp nodig heeft nooit in de steek. Armlastige personen ontvangen structurele hulp. Net als in veel andere dorpen in Kabylië, heeft ook in dit dorp de dorpsraad veel gezag; de voorzitter van het dorpscomité heeft eerder een gidsfunctie.
Het dorpscomité vergadert zowat elke dag, helemaal sinds de leden voor hun werk een vergoeding ontvangen
Dat geldt ook voor het dorp Boumessaoud in de gemeente Imsouhal in dezelfde streek, dat maar 350 inwoners telt. Dit jaar werd Boumessaoud tot het schoonste dorp van Kabylië gekozen [in oktober ontving het als prijs 10 miljoen dinar van het ministerie voor Water en Milieu]. Bij de ingang van het dorp ontmoeten we de 66-jarige metselaar Nacer Ami. Hij is lid van het dorpscomité en vertelt ons dat hier dezelfde verordening van kracht is als in Iguersafène. ‘De enige verschillen zijn de manier waarop de contributie wordt geïnd en de hoogte van de boetes,’ vertelt hij. In Boumessaoud betalen de bewoners het comité 120 dinar per persoon per jaar.
Tweemaal per week draaien de dorpelingen vrijwilligersdiensten. Het dorpscomité vergadert zelfs zowat elke dag, helemaal sinds de leden voor hun werk een vergoeding ontvangen. Nacer Ami’s 22-jarige zoon Ramdane, die als kok werkt in Azazga, verzekert ons dat zijn dorp ‘zich helemaal niet had voorbereid op de verkiezing voor het schoonste dorp’. ‘We waren er gewoon klaar voor, omdat we al ruim tien jaar als vrijwilligers aan het onderhoud van ons dorp werken. Dat is een traditie die we van onze voorouders hebben meegekregen. Alle tekeningen, beelden en versieringen van het dorp zijn door de bewoners zelf gemaakt,’ legt Ramdame uit.
Al in 1974 legden de bewoners van Boumessaoud hun eigen riolering aan; in 1991 werd die vernieuwd. Daarvoor werden, met geld uit de dorpskas, voor in totaal 10 miljoen dinar vier boren aangeschaft. Net als in Iguersafène, krijgt het dorp vooral steun van naar Frankrijk geëmigreerde ex-bewoners. ‘Afgezien van Sonelgaz is de staat in de overheid niet meer aanwezig. Het gemeentebestuur hebben we ooit om ondersteuning gevraagd en we kregen toen enkel twee emmers verf van ze. Als we alleen van hun afhankelijk waren, zouden we nog in het stenen tijdperk leven,’ zegt Nacer Ami wrang.
In deze twee dorpen, evenals in het nabijgelegen Tazerouts, speelt het comité voor scheidsrechter bij conflicten tussen dorpelingen. ‘Maar als twee strijdende partijen ook samen met het comité geen overeenstemming kunnen bereiken, dan moet de voltallige dorpsraad zich over de kwestie buigen. Wordt er dan nog geen oplossing gevonden, dan wordt het geschil overgedragen aan justitie. Besluit een van de partijen die stap op eigen houtje te zetten, dan betaalt hij daarvoor een boete van 10.000 dinar. Maar tot nu toe heeft nog niemand dat gedaan,’ vertelt de 44-jarige Slimane Aït Khaldoun, die lid is van het dorpscomité van Tazerouts. De bewoners van dit dorp kozen al in 1960 voor zelfbestuur.
‘Uit onze eigen middelen hebben we onder andere een dorpsplein aangelegd, meerdere fonteinen, een draaimolen van 500.000 dinar en een crèche,’ vertelt de 59-jarige Youssef Aït Ali Amara, een gepensioneerd politieman die ook lid is van het dorpscomité. Het dorpscomité van Tazerouts, een stadje met 1200 inwoners op 1200 meter hoogte, wordt bij de totstandkoming van deze projecten ondersteund door een stel lokale winkeliers.
Museum
Maar niet alleen door hen. Slimane erkent dat de families van zijn dorp, net als die uit andere dorpen in de streek, kunnen rekenen op ‘contributie uit de diaspora, van gepensioneerden in Frankrijk, en ook van voormalige mujahideen die in de Algerijnse vrijheidsstrijd hebben gevochten’. Maar volgens hem zijn die inkomsten onvoldoende. ‘Ons dorp heeft een slechte infrastructuur. We hebben geen middelbare school, geen ziekenhuis, geen vergaderzaal. Ook hebben we geen sportaccommodatie, bioscoop of polikliniek. We kunnen lang niet alles doen wat we zouden willen,’ zegt Slimane met spijt in zijn stem. Er heerst vaak ook onduidelijkheid over of de staat verplicht is de stoffelijke overschotten van ex-bewoners die in het buitenland zijn overleden te repatriëren. Politieke organisaties in de diaspora stellen het gebrek aan steun van de kant van de overheid hierbij aan de kaak en vinden dat de staat het op zich zou moeten nemen. Voor de dorpen met zelfbestuur vormt dit echter niet langer een probleem. In het dorp Tabourt met 900 inwoners, dat onder de gemeente Tifagha valt, neemt de vereniging van oud-dorpelingen in Frankrijk de repatriëringskosten van stoffelijke overschotten voor haar rekening.
Ondanks de beperkte middelen ontbreekt het in deze autonome dorpen niet aan ideeën. Het dorpscomité van Tazerouts wil een opnamestudio voor jonge artiesten uit het dorp inrichten, en een radiostation. Verder moet er een tweede watertoren komen en wil men de geldprijs van 7 miljoen dinar die het dorp vorig jaar kreeg, toen het werd uitverkozen tot het op een na schoonste dorp van Kabylië, investeren in de bouw van een museum op de hoogste heuveltop van de regio.
In Iguersafène wil het dorpscomité zelf het plastic afval gaan recyclen, om het vervolgens tegen een betere prijs door te kunnen verkopen. Daarvoor is al een contract gesloten met een klant in Béjaïa. Maar daarbij blijft het niet: het comité wil ook een studiecentrum in het bos openen waar scholieren en studenten, waar ze ook vandaan komen, zich aan de studie kunnen wijden. De bewoners van het dorp hopen met dit project meer bezoekers en toeristen te lokken. Zoals de jonge Idir Raab het verwoordt: ‘De toekomst ligt in handen van de generaties die de bloeiperiode van deze autonome dorpen in Kabylië hebben meegemaakt.’
In 1990 is ‘Het Land’ opgericht door journalisten die van de officiële staatskrant afkomstig waren. Directeur Omar Belhouchet heeft in het buitenland verscheidene prijzen voor journalistiek en persvrijheid ontvangen.
Het hectische fietsverkeer in Amsterdam kan intimiderend zijn voor buitenstaanders. Kun je als toerist meekomen? De Duitse journaliste Katja Schnitzler neemt de proef op de som.
Op de eerste brug kom ik erachter dat mijn fiets niet remt. Van links komt een Amsterdammer op zijn rijwiel, dat men hier ‘fiets’ noemt, aan sjezen. Niet alleen aan mijn gezicht ziet hij dat we elk moment op elkaar zullen gaan knallen. De fietsverhuurder had zo-even nog gezegd dat elke Amsterdammer liever een terugtraprem heeft dan een handrem: ‘Die kan gewoon beter tegen een stootje en hoeft niet constant gerepareerd te worden.’ Toen wist ik nog niet dat ook hij het kennelijk te veel moeite vond om de handremmen van mijn huurfiets te repareren.
Bij de brug trapt de Amsterdammer dus terug, zo hard hij kan, terwijl ik met mijn schoenzolen over de straat schuur. Maar goed dat ik ze de komende twee dagen niet al te veel ga belasten. Ik wil Amsterdam niet lopend, maar fietsend verkennen. Welke stad zou zich daar beter voor lenen?
Onze voorwielen raken elkaar bijna als we tot stilstand komen. Typisch geval van een toerist. Alleen die houden zich niet aan de ongeschreven fietsersregels van Amsterdam:
1. Geremd wordt er niet. 2. Ook niet ingeval van kleinigheden zoals andere fietsers, zebrapaden of voorrang voor rechts. 3. Of een rood stoplicht. 4. Obstakels worden hooguit omzeild, maar zijn geen reden om te stoppen.
Zelfs de politie vindt het niet nodig om met de fiets te stoppen enkel en alleen omdat het licht op rood gesprongen is: kennelijk hebben fietsers in Amsterdam altijd voorrang – en proberen zij uit hoe ver ze op de kruising kunnen komen. Pas vlak voor een motorkap houden ze in en laten ze de automobilist welwillend voor gaan. Voor hen betekenen voetgangers bewegende slalomstangen die, in het geval van toeristen, af en toe recht voor de banden springen. Alles stroomt, en hard ook.
De slingerende toerist wordt zachtjes bij de schouder gepakt, weer in het juist spoor gebracht en terug richting stoep geduwd
Omafietsen worden alleen buiten Amsterdam gezapig bereden, in deze grachtenstad moet het pijlsnel. Niet vanwege de hectiek van de grote stad, maar vanwege de bruggen. Om niet bij elk van de vele stenen bogen over een gracht weer vaart te moeten trappen, zijn de lokale fietsers simpelweg constant in ijltempo op pad. Op het moment dat ik denk dat ik wel zo’n beetje aan de plaatselijke maximumsnelheid zit, word ik losjes voorbij gefietst door een hooggehakte vrouw in een mantelpakje.
Ondanks het hoge tempo draagt niemand hier een helm. Zelfs kleine kinderen laten hun haren in de wind wapperen terwijl ze op eigenhandig aangelaste stangen boven het voorwiel van vaders fiets met de armen over elkaar geslagen staan te mokken omdat papa gewoon de ijssalon voorbij is gesuisd.
Na een paar minuten is het echt leuk om per fiets de oude wijken van Amsterdam te verkennen – tenminste, als je doorhebt hoe het moet. Amsterdam is de ideale stad voor fietsers: de straatstenen zijn vlak en vaak in visgraadmotief gelegd, zelden laten gaten in het wegdek de bestuurder voelen dat zijn fiets vrijwel elke vering ontbeert. In de smalle straten herinneren drempels je er steeds weer aan om niet al te hard te rijden – maar ook deze oneffenheid is maar een lichte golfje dat niet doet afremmen.
Met name de grachtengordel rond het oude centrum met de rosse buurt heeft veel weg van een versteende zee met huizen die tegen elkaar leunen. De gevels buigen voorover, wat het gevoel van beweging nog versterkt. Deze smalle huizen van machthebbers en gegoede burgers lijken zich welwillend te keren naar de mensen op straat. Daartussen flitsen de fietsers als haringen in een school. En die komen toch ook niet met elkaar in botsing.
Alvorens zelf in die zee te duiken, kun je het best even op een terrasje gaan zitten en kijken: twee fietsers naderen elkaar pijlsnel, negeren natuurlijk ‘rechts heeft voorrang’, de een suist vlak voor de ander over de kruising zonder dat een van hen ook maar een ietsepietsje inhoudt. Een kwestie van centimeters – nee, millimeters. Waar men elders tekeer zou gaan, dreigen, schreeuwen, haalt men hier niet eens de schouders op.
De Heren-, Keizers- of Prinsengracht zijn geschikt om te oefenen. Niet alleen vanwege de schitterende grachtenhuiscoulisse. Het verkeer is overzichtelijk, automobilisten proberen deze smalle straten zo veel mogelijk te vermijden. Algauw ben ik erachter dat mijn fiets toch langzamer gaat als ik met alle kracht de punten van mijn handremmen helemaal omhoog trek. En wanneer ik een brug sneller moet nemen om net voor een andere fiets het volgende straatje in te suizen.
Bovendien leer ik heel snel: wie stoppen wil, geeft dat aan door zijn hand uit te steken, zoals elders wanneer je afslaat. Alleen toeristen remmen zonder dat aan te geven en veroorzaken zo bijna-kop-staartbotsingen, wanneer ze weer eens iets bezienswaardigs hebben ontdekt. Dus ongeveer elke twintig meter.
Omdat Amsterdam zo rijk is aan mooie gebouwen, gevels, façades, bruggen en kerken – de stad is tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels voor bombardementen gespaard gebleven – komen toeristen niet alleen voortdurend tot stilstand. Ze zwenken onder het rijden ook nog eens heen en weer, omdat ze van verbazing vergeten te sturen.
Gelukkig is een Amsterdammer niet alleen ontspannen, maar altijd – ook op de fiets – uiterst vriendelijk en voorkomend. De slingerende toerist wordt zachtjes bij de schouder gepakt, weer in het juist spoor gebracht en terug richting stoep geduwd. Dat alles natuurlijk in het voorbijrijden, een reden tot remmen is het zeker niet.
Terwijl in Duitsland heel veel bestuurders erop vertrouwen dat een fietser graag wil blijven leven, weet de Amsterdammer dat automobilisten hier slechts geduld worden
En automobilisten? Die rijden voorzichtig omdat overal, vanuit alle richtingen fietsers zouden kunnen komen. Terwijl in Duitsland heel veel bestuurders erop vertrouwen dat een fietser graag wil blijven leven en daarom zelf wel goed op zal letten, weet de Amsterdammer dat automobilisten hier slechts geduld worden.
Onderweg door smalle en brede straten, over bruggen en via ruime, rood gemarkeerde fietspaden wordt duidelijk wat de werkelijke reden is dat Amsterdammers niet zonder terugtraprem kunnen: ze hebben geen handen over om te remmen. Ze eten een ijsje, roken, zijn in de weer met hun smartphone of rijden hand in hand. Echt gelukkig lijken ze alleen te zijn als ze zich op twee wielen kunnen voortbewegen.
Ouders die met gespannen gezicht een kinderwagen over de schuin liggende trottoirs duwen, lijken aan het eind van hun Latijn. Dat in tegenstelling tot de stralende moeder die haar baby in een draagdoek heeft gebonden en daarmee in het gebruikelijke tempo door de straten flitst. Amsterdamse kinderen groeien letterlijk op op de fiets, ze zijn ware natural born bikers.
Later kunnen ze de fiets van hun ouders overnemen, het zou niet eens opvallen: vrijwel alle fietsen zijn van stevig materiaal en vertonen duidelijke sporen van gebruik. Een licht lopende mountainbike zie je zelden. Niet alleen omdat bergen ontbreken, maar ook omdat het hoogst diefstalgevoelig zou zijn. Zelfs een oude rammelkast wordt hier minstens twee maal op slot gedaan.
Alles dus oké in de Amsterdamse fietserswereld? Eigenlijk wel. Als er tenminste geen scooters zouden zijn
Zelfs na vijftien uur op pad te zijn geweest doen mijn voeten geen pijn, op de pedalen kunnen ze uitrusten van de wandelingen door grachtenhuizen en musea. In plaats van maar een paar punten af te lopen kun je zo de stad echt leren kennen. Wie het op de enkele niet zo mooie hoeken in Amsterdam niet bevalt, rijdt gewoon verder – bijvoorbeeld ’s ochtends door de rosse buurt die naar alcoholpis stinkt en waar, vlak achter de Oude Kerk, vrouwen in lingerie zich in etalages te koop aanbieden.
Een paar minuten later ben ik in een andere wereld. Hij ligt maar een klein stukje verderop, achter de grachten, in de voormalige arbeidersbuurt de Jordaan. Ergens anders zou dit een prachtwijk zijn: op de begane grond zijn winkeltjes en woonhuizen als uit een designcatalogus, alleen is het hier gemoedelijk en zijn de ingangen door rozen omrankt. Je ziet hier maar weinig toeristen, want afgezien van de Noorderkerk zijn er geen afzonderlijke bezienswaardigheden – maar de buurt op zich is alleszins de moeite van het ontdekken waard. Alleen is het lopend geen doel dat toeristen na het naburige Anne Frank-huis of de Westerkerk zomaar even mee zouden nemen.
Als fietser rij ik recht onder het Rijksmuseum door naar het Museumplein. Lopend zou je opnieuw een stevige – en als je niet meer dan twee dagen hebt, tijdrovende – mars voor de boeg hebben en zou je je wellicht liever op het grasveld voor de musea werpen dan van kunstwerk naar schilderij en sculptuur stappen. Maar op de fiets doet hooguit het achterwerk pijn, en niet eens al te erg. De typerende zin van een stadstoerist – ‘ik kan geen stap meer verzetten’ – is aan de fietstoerist niet besteed.
Ik maak mijn slot los – het ziet eruit, klinkt en weegt ook bijna net zo veel als een ankerketting – en flits verder naar het Vondelpark voor een snack in het theehuis. Dat heeft veel weg van een blauwwitte ufo die een tijdje geleden tussen de fraai aangelegde vijvers is geland en meteen maar is gebleven.
Scooters
Slechts enkele minuten later is een fietstoerist terug in het centrum om met een drankje aan zijn favoriete gracht de middag af te sluiten, de diversiteit aan gevels en façades te bestuderen en te observeren hoe er steeds meer vrijetijdsverkeer komt: de Amsterdammers steken van wal in kleine bootjes, voorzien van bier, wijn en zitkussens, ze toeren even achteloos door de grachten als eerder per fiets over de bruggen.
Alleen voor een uitstapje in de schemering per boot blijft de fiets staan, maar niet lang: op een zachte avond is het ook vlak voor middernacht nog leuk om met de fiets over de parallel lopende Prinsen-, Keizers- en Herengracht te flitsen.
Alles dus oké in de Amsterdamse fietserswereld? Eigenlijk wel. Als er tenminste geen scooters zouden zijn. Die noemt men hier naar het geluid dat ze maken bromfiets en zij eisen dezelfde ruimte op als de fietsen: ook zij rijden over de fietspaden langs de doorgangswegen, ook zij slingeren tussen groepjes voetgangers door, ook zij remmen niet. De bromfietsers suizen rond zonder zich ook maar enigszins in te spannen, zogezegd de watjes tussen alles op twee wielen in Amsterdam. Ook zij doen het zonder helm. Alleen: ze zijn veel lawaaiiger. Geen wonder dat de Amsterdammer wel eens zijn onverstoorbaarheid verliest als zo’n knetterende bromfiets echt op zijn voorrang staat en zo een vrouw op een fiets uit haar evenwicht brengt.
In de zee zou een bromfiets de vis zijn die eenvoudigweg dwars door de school heel zwemt. De klemgereden vrouw en ik wisselen veelbetekenende blikken. Wij fietsers in Amsterdam zitten nou eenmaal op dezelfde golflengte.
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.
De Bosnische hoofdstad Sarajevo en omgeving zijn erg in trek bij toeristen uit de Golfstaten, die ook veel onroerend goed opkopen. Daar is niet iedereen blij mee.
‘Naar Ilidza, alstublieft.’
‘U bedoelt Koeweit City?’ grapt Mustafa, een taxichauffeur uit Sarajevo. ‘Het is niet goed wat er gebeurt. Niemand houdt die lui tegen. De politici laten ze hun gang maar gaan. Begrijp me goed, ik ben moslim en ik heb niks tegen de Arabieren die hier komen, maar je moet de boel wel in de hand houden,’ voegt hij eraan toe, zonder zijn woede te verbergen over de laksheid van de Bosnische autoriteiten, die Arabieren uit de Perzische Golf grootscheeps laten investeren in onroerend goed in Bosnië en Herzegovina.
‘Ik ben accordeonist. Op een avond speelde ik met vrienden in een café in Sarajevo, we vierden feest. Toen kwam er een man met een baard op ons af, waarschijnlijk uit Saoedi-Arabië, die me in het Engels zei dat het zondig was om accordeon te spelen en te zingen. Het café zat bomvol, maar niemand die wat tegen hem zei. Ik laat me toch zeker niet door hem vertellen wat goed is en wat niet?’ klaagt Mustafa.
Als we het kuuroord Ilidza naderen, aan de rand van Sarajevo, is het inderdaad alsof we in Koeweit City arriveren. Bijna alle reclameaffiches en uithangborden zijn in het Arabisch. Mustafa zet me af voor Hotel Hollywood, waar de Arabieren verblijven. Voor het hotel staat een luxeauto geparkeerd, gebruikt door de sjeiks. Het huren van zo’n auto kost volgens de klant tussen de negen- en dertienhonderd euro per dag. Als ik door de straten van Ilidza loop, herinner ik me de woorden van Mustafa. Het wemelt er van de Arabieren in traditionele dracht, voor het merendeel afkomstig uit de Golfstaten. Restaurants, schoonheidssalons, winkels en cafés, allemaal hebben ze Arabische uithangborden. Nooit in het Engels, noch in het Bosnisch.
Abou Muhamed, een Koeweiti die ik in Ilidza heb ontmoet, is een van de weinige zakenmannen die met me wil praten. Hij laat diverse panden bouwen in Ilidza. ‘Sinds het eind van de oorlog breng ik mijn vakanties in Bosnië en Herzegovina door. Het is een mooi land, de mensen zijn er vriendelijk, en voor het merendeel moslim. Dat is belangrijk voor ons omdat we zo geen problemen hebben met het eten of het belijden van onze godsdienst,’ legt Abou Muhamed uit. Hij heeft besloten er te bouwen vanwege de lage grondprijzen en de goedkope arbeidskracht.
‘Voor de mooie villa die ik hier heb gekocht heb ik tien keer minder betaald dan in welk ander land dan ook. We brengen de zomer door in Bosnië en Herzegovina en de winter in Koeweit,’ zegt Abou Muhamed, die niet wil zeggen wat hij voor de villa betaald heeft, alleen dat hij 17 procent provisie kwijt was aan een bemiddelaar.
Het kapitaal waarmee de welgestelde Arabieren in Bosnië en Herzegovina arriveren is belangrijk. Hotel Bristol is met Arabisch geld gerestaureerd. De winkelcentra BBI en Sarajevo City zijn ook met Arabisch geld gefinancierd, net als het toeristenoord Sarajevo Resort in Osenik, dat zich uitstrekt over 160.000 vierkante meter, met een kunstmatig meer van 12.000 vierkante meter. Men is van plan rond het meer 160 appartementencomplexen te bouwen, twee overdekte zwembaden, een hotel, tennisbanen, supermarkten plus de bijbehorende infrastructuur. De kosten van het toeristencomplex worden op 25 miljoen euro geschat en het biedt plaats aan 1125 toeristen.
Reden tot zorg is het feit dat het kapitaal dat vanuit de Golfstaten naar Bosnië en Herzegovina stroomt nauwelijks aan controle onderhevig is
‘Het begon allemaal zeven jaar geleden, met de komst van Arabische toeristen in Bosnië. Bosnië is een moslimland in het hart van Europa, en het is er goedkoop. Elk jaar komen er meer Arabische toeristen,’ horen we van Sajeda Khader, directeur van Jo Petra Export-Import, een bedrijf dat is gespecialiseerd in toerisme en de verkoop van onroerend goed.
‘De Koeweiti’s kwamen als eersten, zij hadden geen visum nodig. Ze werden gevolgd door mensen uit de Emiraten en Bahrein. Alleen Saoediërs hebben een visum nodig. In het begin kochten ze grond in het centrum van de stad waarvan de prijs per vierkante meter erg laag was, tussen een halve en vijf euro. Nu kost een vierkante meter wel zestig euro. Op de heuvel van Poljine, niet ver van het centrum, is een woonwijk verrezen. Bakir Izetbegovic, lid van het presidentschap van Bosnië, bezit er een villa [het presidentschap bestaat uit drie leden: een Bosniak, een Kroaat en een Serviër]. Ook enkele sjeiks hebben er huizen gekocht. De Saoediër Al-Shiddi, die het winkelcentrum City Centre heeft gebouwd, woont er al zes jaar,’ vertelt Sajeda ons.
Maar Ilidza blijft de favoriete bestemming van de Arabieren. ‘Het ligt vlak bij de bron van de Vreslo Bosne, de Bosnarivier, de natuur is er schitterend en de grond is er goedkoper dan in Sarajevo,’ vervolgt Sajeda. ‘Ilidza werd voornamelijk door Serviërs bewoond, die hun grond en hun huizen voor een spotprijs aan Arabieren hebben verkocht. De ambassadeur van Koeweit heeft zijn residentie aan de oever van de Vreslo Bosne laten bouwen, evenals zijn privévilla.’
Witwassen
Ilidza telt 140 makelaarskantoren. Volgens de Bosnische wet mag een buitenlander geen onroerend goed op zijn naam zetten. Daar moet hij een maatschap voor oprichten. Niet onoverkomelijk, want het oprichten van een maatschap kost hooguit 2500 euro, inclusief juridische en administratieve kosten. Door een maatschap op te richten kan iemand een verblijfsvergunning krijgen en onroerend goed kopen. De makelaarskantoren zijn voor 60 procent in handen van mensen uit Koeweit, de Emiraten en andere Golfstaten, de rest is het eigendom van Bosniërs die in de Arabische landen hebben gestudeerd, en van Libanezen, Syriërs en Palestijnen. Behalve in Ilidza kopen de Arabieren ook grond in Trnovo, Luzani, Otes, Mazaric en Hadzici, maar ook de steden Visoko, Travnik, Bihac en zelfs Banja Luka, de hoofdstad van de Servische Republiek, zijn in trek.
Reden tot zorg is het feit dat het kapitaal dat vanuit de Golfstaten naar Bosnië en Herzegovina stroomt nauwelijks aan controle onderhevig is. De transacties komen op een nogal primitieve manier tot stand. Een rijke Arabier of sjeik arriveert met een koffer vol geld en rekent contant af. Hij betaalt geen onroerendgoed- of inkomstenbelasting. Nog verontrustender is dat het geld niet via banken circuleert die worden geacht de herkomst te controleren. De voormalige Bosnische minister van Veiligheid, Fahrudin Radoncic, was de enige die erop wees dat de Arabische jacht op Bosnisch onroerend goed ‘de etnische structuur van het land dreigt te veranderen en een radicale islam dreigt de introduceren’.
‘We kunnen onze ogen er niet voor sluiten dat de Arabische landen sinds de oorlog Bosnische politieke partijen financieren. De corruptie heeft wortel geschoten in dit land,’ zegt Sajeda verontwaardigd. ‘De Arabische investeringen dragen ongetwijfeld bij aan onze ontwikkeling, maar ik keur het niet goed dat men hier komt om geld wit te wassen en zich over onze rug te verrijken. Ik doe zaken met Arabieren, maar je moet op je hoede blijven. We zijn bezig ons land te verkopen. Op straat hoor je overal Arabisch, veel Arabische vrouwen dragen boerka’s. De mensen zijn geschokt, ze keuren het af, ze zijn bang voor terrorisme.’
Als er nu een volkstelling zou worden gehouden in Ilidza, zouden de Arabieren in de meerderheid zijn.
Auteur: Hassan Haidar Diab
Vertaler: Peter Bergsma
De cruise-industrie groeit als kool, zelfs op de noordpool. Zo vaar je met de Akademik loffe acht dagen lang door de met ijs bedekte wateren van de Noordwestelijke Doorvaart. De plaatselijke Inuitbevolking ziet de toeristen met gemengde gevoelens komen.
De zeevogels in de Straat Davis zijn niet gewend aan het geluid van wapens. Wanneer op een koude, heldere middag in augustus de schoten over het water echoën, reageren de rondcirkelende meeuwen nauwelijks op alle onbekende commotie – geen gealarmeerd gekrijs en geen wild geklap met vleugels. In plaats daarvan blijven de vogels rustig boven het ranke, witte schip in hun midden zweven.
Onder hen, op het achterschip van de Akademik loffe, staat een handjevol mannen in donskleding en Gore-Tex, in een slordige halve cirkel, allemaal met een 12 kaliber halfautomatisch geweer over de schouder. De loffe is een in Finland gebouwd schip, oorspronkelijk bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek, dat nu in Russische handen is en is omgetoverd tot een 117 meter lang cruiseschip dat wordt verhuurd. Het schip biedt plaats aan honderdtwee passagiers, en een crew van een stuk of zestig man, bestaande uit reisleiding en bemanning. Er is een eetzaal, een bar, een bibliotheek, een cadeauwinkel, een ziekenboeg, een bescheiden gym, een sauna en een bubbelbad in de open lucht.
Morgen zal het schip de oostelijke grens bereiken van Canada’s afgelegen Arctische Eilanden. Vanaf daar zal het schip acht dagen lang in westelijke richting varen, door de met ijs bedekte wateren van de beruchte Noordwestelijke Doorvaart. Telkens wanneer de passagiers van de loffe voet aan wal zetten op een eilandje op de noordpool, gaat er een gewapend escorte mee. In het land van de ijsbeer kun je geen risico’s nemen.
Legendarische doorgang
Jimmy MacDonald, een ervaren hydroloog en gids, die de vorige dag een praatje heeft gehouden voor de passagiers over het onderzoek naar ijsformaties, richt zijn wapen op het water voor de boeg. Pang, klik-klik, pang, klik-klik, pang! De zee slokt de kogels binnen enkele tellen op, de golven vlakken al snel de rimpelingen uit.
Misschien zijn schietoefeningen niet het eerste waaraan je denkt bij een cruise – maar de Noordelijke IJszee is dan ook geen doorsneevakantiebestemming. Desondanks zetten elk jaar meer en meer kleine cruiseschepen koers naar het gebied, en de Noordwestelijke Doorvaart – de legendarische doorgang waar honderden ontdekkingsreizigers het leven hebben gelaten – oefent een ongekende aantrekkingskracht uit.
De Noordwestelijke Doorvaart bestaat niet uit één enkele doorgang. Het is de verzamelnaam van een reeks zee-engten en zeestraten die in een bepaald seizoen bevaarbaar zijn. Ze kronkelen tussen de 36.563 Canadese Arctische Eilanden door en verbinden zo de wateren van de Davis Straat in het oosten met de Beaufortzee in het westen. De eilanden vormen een van de meest onontgonnen en afgelegen gebieden op aarde. Op de bijna anderhalf miljoen vierkante kilometer – bijna het oppervlak van Mongolië – wonen nog geen twintigduizend mensen.
De meeste eilanden maken deel uit van het Canadese territorium Nunavut, dat in 1999 onafhankelijk werd van zijn oudere, westelijke buur, de Northwest Territories. Nunavut betekent ‘ons land’ in het Inuktitut, de taal die van oudsher in het gebied wordt gesproken, en het ontstaan van het territorium was het resultaat van vele tientallen jaren onderhandelen tussen Inuitleiders en de Canadese overheid.
De Inuit [de naam waarmee eskimo’s in Groenland en Canada zichzelf aanduiden] hebben een oude cultuur, maar Nunavut is een jonge jurisdictie: de mensen zeggen dat ze in de afgelopen jaar ‘vanuit hun iglo het internet op zijn geslingerd’. Het groeiende aantal schepen dat het gebied aandoet trekt passagiers met het spannende verleden van het territorium, de adembenemende natuur, de wilde dieren en de eeuwenoude tradities van de bevolking. Maar de schepen bezoeken gemeenschappen die hebben gezien hoe zich in een onvoorstelbaar tempo veranderingen voltrokken – en nog altijd voltrekken.
De passagiers van de loffe, allemaal gestoken in een rood regenpak, gewapend met een telelens als een bazooka, en onder gewapend escorte, zijn getuige van enkele van die veranderingen – die ze tegelijkertijd zelf belichamen.
Pond Inlet, een Inuitdorp, lijkt op te rijzen uit het water. Op de glooiende heuvels zie je vervaalde huizen en lage overheidsgebouwen, met daarachter weer nieuwe rijen huizen en gebouwen. Er slingeren een paar onverharde wegen tussendoor, en er zijn enkele vissersboten het kiezelstrand op getrokken.
Overal zie je terreinwagens en kinderen die op hun fietsje rondscheuren. Achter het laatste gebouw begint de kale, boomloze woestenij, die zich uitstrekt tot de zwartblauwe schaduwen van de bergen in de verte.
Het overwegend Inuitdorp (ook wel Mittimatalik genoemd), heeft zo’n vijftienhonderd inwoners, en de Engelse naam is ontleend aan de inlet, de baai waaraan het is gelegen; een smalle waterweg die de noordelijke kust van het immense Baffineiland scheidt van een kleiner eiland met gletsjer.
Een Barbie die ergens op de toendra ligt; de huid van een ijsbeer die over een fiets is gedrapeerd; een Ford F-150 met een bloederige, afgehakte walvisstaarten in de laadbak
De loffe vaart de baai in en gooit het anker uit op een heldere, besneeuwde ochtend in augustus, omgeven door steile bergtoppen met kronkelige, blauwe tongen van smeltwater in de valleien ertussen.
Geen van de stadjes en dorpen van Nunavut, die oorspronkelijk nederzettingen werden genoemd, zijn over de weg bereikbaar. Vele liggen ten noorden van de poolcirkel en het zijn allemaal nietige stipjes die getuigen van menselijke aanwezigheid in een immense, ruige wildernis. Er lopen geen telefoonlijnen, glasvezelkabels of pijplijnen naar het zuiden. De gehuchten zijn afhankelijk van dieselgeneratoren, de brandstof is opgeslagen in tanks die worden geleverd door een schip dat de gehuchten aandoet in de krappe ijsvrije periode tussen eind augustus en begin september. De enige toegang tot internet, televisie en telefoonverkeer wordt geleverd door satelliet- en microgolfsignalen; in de grotere plaatsen is inmiddels mondjesmaat mobiel bereik.
Grote goederen worden over zee getransporteerd, maar alles wat in de winkels ligt is tegen schrikbarende prijzen per vliegtuig aangevoerd. Jagen en vissen blijven de voornaamste bezigheden – en dan gaat het niet alleen om vierpotige landdieren als de kariboe. Het betreft ook de omstreden jacht op dieren die in zee leven: zeehonden, walvissen en ijsberen.
Voor een buitenstaander zijn deze gehuchten fascinerende plekken, haast een andere wereld, vol beelden die schuren omdat ze vertrouwd en vreemd zijn tegelijk: een Barbie die moederziel alleen ergens op de toendra ligt; de huid van een ijsbeer die over een fiets is gedrapeerd; een Ford F-150 met een paar bloederige, afgehakte walvisstaarten die uit de laadbak hangen.
Maar voor de inwoners zelf zijn de gehuchten geen voer voor Instagramposts; het is hun thuis. Dat is iets waar de bewoners van Pond Inlet de bezoekers op vriendelijke, maar klemmende wijze aan herinneren.
Tijdens het ontbijt wordt in de scheepskantine een folder uitgedeeld:
Welkom in Pond Inlet.
Neem gerust foto’s van het schitterende landschap en ons lieflijke dorpje, maar vraag het alstublieft even voor u foto’s neemt van ons, onze kinderen en onze huizen. Doe gerust inkopen in onze winkels, maar wees u ervan bewust dat het de nodige moeite kost om onze winkels te bevoorraden, en dat verse levensmiddelen slechts één keer per week worden aangevuld, als het weer dat toelaat. Dus koop alleen wat u echt nodig heeft. Wanneer u zich buiten ons dorp begeeft, geniet dan van het landschap en de lokale fauna, maar realiseert u zich wel dat onze stenen en cultuurschatten geen souvenirs zijn, ze maken deel uit van onze eeuwenoude geschiedenis, dus laat ze alstublieft waar ze thuishoren!
Met deze waarschuwingen in het achterhoofd schuifelen de passagiers van de loffe door het smalle gangpad naar de zodiacs die al liggen te wachten om hen af te zetten op het strand van Pond Inlet, waar ze worden opgewacht door lokale gidsen voor een korte wandeling. De gidsen dragen bruin-witte amautis van zeehondenhuid – ponchoachtige kledingstukken met grote zakken op de rug, waar soms een klein kind in wordt gestopt.
De jongste gids, Alex, een achtentwintigjarige vrouw met een heel jong gezicht, die antropoloog wil worden, leidt haar groepje de heuvel op, terwijl ze opgewekt allerlei vragen beantwoord over het leven van een jonge vrouw in Pond Inlet.
Heeft ze een vriend?
‘Bijna iedereen hier is familie van elkaar, en ik wil geen relatie met een neef.’
Gaat ze dan ergens anders op zoek naar een man?
Misschien, maar ze vraagt zich wel af of een buitenstaander zich niet zal laten afschrikken door het leven dat ze hier leidt. ‘Ik moet wel een man hebben die kan jagen.’
Alex’ rondleiding voert door het plaatsje, langs twee kerken – een Anglicaanse en een katholieke –, het kantoor van Parks Canada en het hoofdkwartier van de Mittimatalik Hunters & Trappers Organization. Er staat een pick-up voor het gebouw. Het is een komen en gaan van mannen die plastic zakken uitladen met vers gevangen en in stukken gehakte tandwalvis, die verdeeld zullen worden over de gemeenschap. In de laadbak liggen twee brede, Y-vormige staarten, glinsterend in de zon. ‘Meestal eten we de staart ook op,’ zegt Alex. ‘Lekker knapperig.’ Sommige bezoekers werpen elkaar een snelle blik toe, weten niet goed of ze het serieus meent.
De groep doet de Arctic Co-op aan, een van de twee supermarkten, en de bezoekers dolen door de gangpaden, kijken met toegeknepen ogen en een uitgestoken vinger naar de prijzen: 2 dollar 69 voor een blikje tomatensoep, 7 dollar 99 voor een blikje babymais.
Weldra is het tijd voor het culturele deel van het programma en de toeristen steken de straat over naar het dorpshuis, waar ze plaatsnemen op een rij zwarte, metalen klapstoeltjes. Het programma begint met een Inuktitutuitvoering van ‘O Canada’, waarna de ceremoniemeester een kort praatje houdt over Pond Inlet: de mensen, de geschiedenis, de flora en fauna. Dan volgen demonstraties van traditionele spelen en krachtvertoon. Er wordt gezongen, getrommeld en gedanst, en daarna volgt het plechtige aansteken van een walvisvetlamp door een gerimpelde oudere inwoner.
Karen Nutarak is een van de zangers die voor de passagiers optreedt. Gekleed in een lange amauti, en met een hoofdband vol kralen, zingt en lacht ze met haar collega’s terwijl de toeristen voorovergebogen op hun stoel zitten en hun camera’s klikken.
Nutarak was nog een tiener toen ze zich aansloot bij een toneelgezelschap en voor de toeristen ging optreden. Inmiddels is Nutarak achtendertig en werkt op een plaatselijk community college, maar ’s zomers treedt ze ook nog altijd op voor de toeristen. ‘Ik vind het geweldig om te doen omdat er nog veel onbegrip is over een belangrijk deel van onze cultuur,’ zegt Nutarak. ‘En als wij de informatie geven, is die rechtstreeks afkomstig van de Inuit, niet van onderzoekers.’
Toch heeft ook zij, die al zo lang meedraait in de toerisme-industrie van Pond Inlet, gemengde gevoelens over de cruiseschepen. ‘Het levert de bevolking niet zo veel op,’ zegt ze. ‘De mensen proberen wel om de spullen die ze hebben gemaakt aan de man te brengen, maar het vindt betrekkelijk weinig aftrek.’ De gidsen sporen mensen aan om tekeningen, houtsnijwerk en andere handgemaakte spullen te kopen wanneer ze het plaatsje aandoen. Maar op een plek die zo ver afstaat van de consumptiemaatschappij – een plek waar een bezoeker die iets koopt in het winkeltje de gemeenschap misschien eerder schaadt dan vooruithelpt –, is het een ingewikkelde kwestie hoe men de economie het beste een impuls kan geven.
‘De opbrengst is zeer bescheiden,’ zegt Madeleine Redfern. Redfern is voorzitter van de Ajungi Group, een consultancy die vanuit Nunavut werkt, en in het verleden stond ze aan het hoofd van Nunavut Tourism. ‘Het aantal inwoners dat op de een of andere manier bij het cruiseschepentoerisme betrokken is, is betrekkelijk gering. Het wordt dan ook niet gezien als iets waar de gemeenschap in bredere zin baat bij heeft. Wanneer een cruiseschip zijn passagiers aan land zet, wordt de gemeenschap plots overspoeld door bezoekers. Je kunt dan het gevoel krijgen dat je van alle kanten wordt aangegaapt.’
Cruise-industrie
Maar Redfern is ervan overtuigd dat er, met enige inspanning, verandering in die situatie kan worden gebracht. De cruise-industrie in Nunavut is nog ‘in de ontwikkelingsfase’.
Redferns optimistische veronderstelling dat het cruisetoerisme zou kunnen uitgroeien tot een factor van economisch belang is niet onterecht. Het cruisewezen maakt een ongekende groei door: in 2014 ging er wereldwijd meer dan 120 miljard om in de bedrijfstak, en hoewel Nunavut nog lang niet is te vergelijken met Florida of de Cariben, waar de meeste cruises plaatsvinden, is dit een bedrijfstak die zich kenmerkt door een exponentiële groei in nieuwe markten.
Neem Antarctica als voorbeeld. Het massatoerisme op het bevroren continent is van relatief recente datum, en de overgrote meerderheid van de bezoekers arriveert per cruiseschip. In het toeristenseizoen 1992-1993 deden 6704 cruisepassagiers Antarctica aan, via een van de tien verschillende bedrijven die dit mogelijk maken. Nog geen vijftien jaar later hadden 48 bedrijven maar liefst 55 schepen in de vaart, die bijna 33.000 passagiers afzetten tussen de pinguïns en de zeeluipaarden.
Ook in Alaska heeft de cruise-industrie een snelle opmars gemaakt, en terwijl Antarctica voornamelijk wordt aangedaan door de kleinere cruiseschepen, ziet de meest noordelijke staat zich geconfronteerd met immense, moderne schepen, die elk duizenden passagiers vervoeren.
Vandaag de dag zijn de schepen niet meer weg te denken: afgelegen stadjes en dorpen zoals Skagway (inwoneraantal over het hele jaar: 1040) en Sitka (8929) zijn erop gebouwd om de dagelijkse instroom van toeristen te kunnen verwerken. Loop op een zomerse dag door de hoofdstraat van Skagway en je ziet tientallen bedrijfjes die rondleidingen proberen te slijten, of T-shirts, sieraden, gerookte zalm en nog veel meer. Maar zo is het niet altijd geweest. De eerste commerciële cruises naar Alaska dateren van eind jaren vijftig, en de grote, mondiale, cruisemaatschappijen gingen pas ergens begin jaren zeventig een rol spelen. Momenteel varen er jaarlijks zo’n miljoen cruiseschippassagiers naar de negenenveertigste staat. In 2014 was de cruise-industrie verantwoordelijk voor dik 18.500 banen en 953 miljoen dollar aan directe uitgaven binnen de staat.
Vergelijk die kolossale aantallen eens met de opkomende industrie in Nunavut zelf. Acht kleine bedrijven bieden boottochten aan van en naar het gebied, met ruwweg elf verschillende schepen. In 2015 stonden in het hele gebied dertig reizen gepland (waarvan er uiteindelijk negen werden afgelast vanwege het ijs), waarmee 2900 mensen naar Nunavut werden gebracht. In de Noordwestelijke Doorvaart zelf had Transport Canada in 2015 slechts twee volledige en één gedeeltelijke overtocht geregistreerd, door schepen met elk zo’n honderd tot driehonderd passagiers. Maar toen later in 2015 Crystal ten tonele verscheen, met een schip dat ruimte biedt aan zo’n duizend passagiers, werd in één klap, of liever gezegd in één cruise, dat aantal verdubbeld. Het economisch potentieel, de mogelijkheid voor een grootschalige verandering, is er. En dat stemt hoopvol – maar het is tevens beangstigend.
Aan het einde van de middag verlaat de loffe Pond Inlet. Het anker wordt gelicht en in de beginnende schemering zet het schip koers in westelijke richting, terwijl de passagiers hun dessert naar binnen werken: chocolat pot de crème, afgemaakt met een felgekleurde ananassalsa. De volgende ochtend vroeg ontwaakt men in Milne Inlet, een uitloper net ten zuiden van de grote doorgangsroute. Snel trekt iedereen warme laagjes aan en gaat naar het dek, voor wat een medewerker ‘Missie Narwal’ heeft gedoopt.
De schuchtere eenhoornvissen, die zich slechts zelden laten zien, trekken elk jaar met duizenden tegelijk door Lancaster Sound. Milne Inlet, een baai ten zuiden van Eclipse Sound, net ten westen van Pond Inlet, is een van hun meest geliefde plekken om de zomer door te brengen. De bedoeling is dat de loffe zo stilletjes mogelijk de baai binnenvaart, zodat opvarenden de walvissen kunnen zien zonder ze te verjagen. Zodra er een groep walvissen wordt gesignaleerd, worden de passagiers aan land gezet en gaan alle motoren uit, zodat er een grotere kans is dat de walvissen zich gedurende langere tijd vertonen.
Vandaag werken de narwals echter niet mee. Dat komt vaker voor: zelfs onder de meest gunstige omstandigheden laten ze zich soms nauwelijks zien. In Pond Inlet had men al eerder opgemerkt dat er dit jaar nog minder narwals te zien waren dan voorheen.
‘Er wordt geklaagd dat er geen walvissen meer komen, door alle schepen,’ zegt Nutarak. Ze doelt niet alleen op de cruiseschepen.
Milieuplan
Een paar dagen voor de komst van de loffe verscheepte de onlangs geopende ijzererstmijn, Baffinland, de eerste ladingen erts via Milne Inlet en Eclipse Sound. (De mijn mikt erop jaarlijks honderdvijftig van dit soort ladingen te verschepen.) In een aanvankelijk milieuplan was voorgesteld het vervoer via een minder precair gebied te laten verlopen, maar onder druk van de dalende prijzen is de route verlegd. Oceans North Canada, een milieuorganisatie die zich richt op het behoud van het zeeleven, heeft de krachten gebundeld met plaatselijke jagers, teneinde seizoensgebonden akoestische registratiestations op te zetten in Milne. Daartoe laat men vlak voor het aanbreken van de lente registratieapparatuur door kieren in het pakijs zakken, om dat in de herfst allemaal weer naar boven te halen, net voordat het ijs zich weer sluit. ‘We hebben heel erg hard gewerkt om alles in gereedheid te brengen voordat het intensieve cruiseverkeer op gang kwam,’ zegt Christopher Debicki, de projectcoördinator van Oceans North Canada.
De resultaten tot nog toe? ‘Duidelijk is dat we veel minder narwals horen wanneer er schepen aanwezig zijn,’ aldus Debicki. ‘Dat lijkt erop te duiden dat ze in ieder geval tijdelijk naar een andere plek zijn getrokken, in reactie op al het scheepsverkeer.’ (De gevolgen van de walviscruises zijn grondiger bestudeerd aan de beide kusten van Noord-Amerika, waar alles erop lijkt te wijzen dat het gedrag van de walvissen verandert door de aanwezigheid van bezoekers.)
De passagiers van de loffe mogen dan teleurgesteld zijn dat ze geen narwals hebben gezien, voor de inwoners van Pond Inlet is het wegblijven van de dieren veel ingrijpender
De passagiers van de loffe mogen dan teleurgesteld zijn dat ze geen narwals hebben gezien, voor de inwoners van Pond Inlet is het wegblijven van de dieren veel ingrijpender. Walvissen en zeehonden vormen een onmisbare bron van eiwit. Het jagen wekt de woede van vele buitenstaanders, en als een gevolg daarvan zijn de betrekkingen tussen een aantal grote milieuorganisaties – Greenpeace, Sea Shepherd – en de Inuit al vele jaren gespannen.
Dat is weer aanleiding tot iets minder concrete zorgen omtrent de aanwezigheid van de cruiseschepen in Nunavut: men voelt zich bekeken, men is bang dat bezoekers die het Inuitbestaan vastleggen – ofwel: die foto’s maken van bloederige zeehonden of walviskarkassen – meer mensen ertoe zullen verleiden zich negatief over de Inuit uit te laten; men is bang dat organisaties als Greenpeace meer acties zullen gaan voeren; men is bang voor economische sancties uit de buitenwereld, zoals een importverbod in Europa en de Verenigde Staten op alle zeehondenproducten.
Maar de cruiseschepen symboliseren ook de mogelijkheid van een dialoog, ze bieden een kans om meer begrip te genereren voor de manier van leven van de Inuit, in de hoop de vertrekkende passagiers tot bondgenoten te maken, in plaats van vijanden.
Madeleine Redfern schat het positief in. Bezoekers zullen in het begin misschien geschokt of boos zijn omdat er zeehonden en andere zeezoogdieren worden gevangen en gegeten, maar ‘zodra ze het binnen de context zien, binnen de cultuur, hebben ze meer iets van: “Nou ja, ik vind het nog altijd niks, maar nu begrijp en respecteer ik dat het een wezenlijk onderdeel uitmaakt van jullie dieet. Ik begrijp dat de jacht is gebaseerd op respect, dat jullie je gezin te eten moeten geven, dat het een belangrijke bron is van essentiële voedingsstoffen. Dat er in het poolgebied geen efficiënte, haalbare, pragmatische landbouw mogelijk is.” We moeten deze kans aangrijpen om mensen te informeren en om alle clichés te ontkrachten, die een vertekend beeld geven van de waarheid.’
Poolzon
Op een middag, drie dagen nadat ze Milne Inlet achter zich hebben gelaten, staan de passagiers van de loffe klappertandend aan dek en kijken naar een ijsschots op enkele tientallen meters afstand, waar een ijsbeer over het kadaver van een ringelrob staat gebogen en met zijn kromme, gelige tanden de ingewanden eruit trekt. Ze horen het monotone schrapen van de ijsbeerpoten over het ijs terwijl hij het geronnen bloed weghaalt.
Twee nachten eerder hebben ze een stuk gletsjer zien afkalven en in zee zien storten, hun gejoel vermengd met het gebulder van honderden tonnen ijs die het water raken en in nieuwe ijsbergen uiteenvallen. Ze hebben door kiezelachtige maanlandschappen gelopen waar het enige leven bestaat uit een dun laagje korstmos op de stenen onder hun voeten. Ze hebben gezien hoe de poolzon onderging boven de Noordwestelijke Doorgang, het donkere water deed oplichten in zijn gloed, om enkele minuten later alweer op te komen.
Ze verlaten de loffe achter in Cambridge Bay, een gehucht helemaal aan de westkant van Nunavut, midden in het noordpoolgebied. Met zijn zestienhonderd inwoners is Cambridge Bay nauwelijks groter dan Pond Inlet.
De passagiers klauteren een laatste keer uit de rubberboten op het rotsachtige poolstrand, waar ze worden opgewacht door een plaatselijke ondernemer die plattegrondjes uitdeelt en iedereen eraan helpt herinneren wanneer de laatste bus naar het vliegveld vertrekt vanaf het kleine bezoekerscentrum.
De toeristen maken nog een laatste ommetje; door de stoffige, onverharde straten, tussen de kleine, kleurrijke huisjes, met aan de ene kant uitzicht op het donkere, koude, ijsvrije water van de Noordwestelijke Doorvaart, en aan de andere kant de onafzienbare, vlakke, kale toendra rondom Cambridge Bay. Vlak voor de kust ligt de loffe voor anker, de scherpe, slanke contouren oplichtend in de Arctische zomerzon, in afwachting van de volgende groep passagiers die inscheept.
Auteur: Eva Holland
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Pacific Standard
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000
Dit in 2008 opgerichte tijdschrift droeg tot 2012 de achternaam van oprichter Sara Miller McCune, die ook eigenaar is van de internationale uitgeverij Sage Publications. PS is onderdeel van de non-profitorganisatie Miller McCune Center for Research, Media and Public Policy. Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.