Tag: tunesië

  • 2. Tekenen van een nationale identiteitscrisis

    2. Tekenen van een nationale identiteitscrisis

    Het in Tunis gevestigde digitale weekblad Meem heeft Tunesische onderzoekers en sociologen geïnterviewd om de ambivalente houding van de Franse samenleving tegenover de islam te analyseren.

    De gemiddelde Fransman staat sinds enige tijd vijandig tegenover moslims. Volgens sociologisch onderzoeker Abdessatar Sahbani is dat het gevolg van de ‘zware klappen’ die de Franse samenleving zijn toegebracht door de aanslagen waarbij talrijke onschuldige slachtoffers zijn gevallen. Om diezelfde reden, legt hij uit, ‘zijn de traditionele politieke partijen, die dit probleem niet hebben kunnen oplossen, weggevaagd’.

    Onderzoeker Sami Brahem daarentegen is van mening dat ‘Frankrijk een identiteitscrisis doormaakt omdat de consensus die het gevolg was van de wet van 1905, het fundament van het moderne Frankrijk, enkele vragen heeft opengelaten’. Hij vraagt zich af: ‘Betekent laïcité de scheiding tussen godsdienst en staat, of tussen godsdienst en het openbare leven? Verbiedt ze mensen om kleding te dragen waaruit hun godsdienstige overtuiging spreekt? Dat is de vraag die door de aanwezigheid van Fransen met uiteenlopende religieuze en culturele achtergronden wordt gesteld. Er is eerder sprake van een identiteitscrisis dan van een extremistische crisis, ook al bestaan er racistische antimoslimsentimenten.’

    ‘Het gebeurt maar zelden dat men in het Westen gesluierde vrouwen zelf aan het woord laat om een ander licht op de zaak te werpen’

    Dit extremisme laat zich verklaren, nog altijd volgens Brahem, door het grote aantal moslims. En daar komen de problemen in de Arabische en islamitische wereld nog bij, met name de Palestijnse kwestie. ‘De relatie tussen de islam en het Westen is van oudsher oververhit, al sinds de kruistochten,’ stelt hij. Daarom houdt de ontwikkeling van de islamofobie in Frankrijk volgens hem verband met ‘het westerse onderbewustzijn, dat de islam als bedreigend is gaan beschouwen. En het terrorisme heeft die angst aangewakkerd.’

    Wat de sluier betreft onderstreept Sami Brahem dat ‘de feministische bewegingen, niet alleen in het Westen maar zelfs in de Arabische wereld, van mening zijn dat die vernederend is voor de vrouw en haar reduceert tot haar fysieke dimensie. Het gebeurt maar zelden dat men in het Westen gesluierde vrouwen zelf aan het woord laat om een ander licht op de zaak te werpen.’ Terwijl deze polemiek de discussie over de moslims in Frankrijk weer aanwakkert, zijn veel betrokkenen van mening dat de oplossing ligt in het overwinnen van het minderwaardigheidscomplex door te mikken op opleiding en excellentie.

    ‘De uitdaging waarvoor Fransen van buitenlandse afkomst zich gesteld zien, is om zich Frans te voelen,’ legt Brahem uit. ‘Te meer omdat de meeste Fransen buitenlandse wortels hebben.’ Hij wil de derde en vierde generatie, die geen sterke band hebben met hun wortels, dan ook oproepen gebruik te maken van de rechten die de grondwet en het wetboek hun geven, maar ook om een goede opleiding te volgen en zich zodoende aan hun slachtoffercomplex te ontworstelen. ‘Islamitische wortels hoeven niet strijdig te zijn met Franse wortels. Afrekenen met een neerbuigende houding tegenover moslims is een strategische keus,’ besluit hij.

    Auteur: Aicha Garbi

    Meem
    Tunis | meemmagazine.net

    Dit Tunesische digitale tijdschrift is gespecialiseerd in de problematiek van vrouwen in de Arabische wereld. Het doel is hen aan het woord te laten maar ook om de samenlevingen aan te spreken waarin ze leven.

    Beeld: Winkelier in de arme Parijse immigrantenbuurt rond de Boulevard Barbes. – © Jonathan Alpeyrie / Polaris

  • Verenigde couscousnaties

    Verenigde couscousnaties

    De Maghreblanden Algerije, Marokko en Tunesië kibbelen doorgaans over alles. Maar in een zeldzame opwelling van eensgezindheid willen ze nu couscous laten bijschrijven op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.

    De verstandhouding tussen de landen van de Maghreb laat van oudsher te wensen over, met name het eeuwige, door de pers doorgaans breed uitgemeten gekibbel tussen Algerije en Marokko. Zou de erkenning van couscous als gezamenlijk erfgoed de broodnodige verbroedering teweeg kunnen brengen?

    Slimane Hachi, directeur van het Algerijnse Centre National de Recherches Préhistoriques, Anthropologiques et Historiques (CNRPAH), kondigde onlangs aan dat er een aanvraag is ingediend om het traditionele Noord-Afrikaanse gerecht te erkennen als werelderfgoed. Bijzonder is dat het een gemeenschappelijk initiatief betreft van de drie Maghreb-landen. Experts uit deze landen zullen dit voorjaar bijeenkomen.

    Dat klinkt onschuldig, maar in werkelijkheid ligt de zaak gevoelig. De drie landen eisen ieder voor zich de oorsprong op van het gerecht, dat bestaat uit harde tarwe met groenten, specerijen, vlees of vis, bereid met olijfolie (of boter). De verhoudingen tussen de Algerijnen en Marokkanen zijn al heel lang ernstig vertroebeld door het conflict rond de Westelijke Sahara, en dat werkt door op politiek, diplomatiek, militair en cultureel niveau.

    Couscous markeert is de grens die graan- en rijsteters scheidt

    Tunesië heeft zich altijd ‘positief neutraal’ opgesteld als het om de Westelijke Sahara gaat, en dat lijkt het nu ook te doen ten aanzien van couscous. Het laat liefhebbers van beide landen rustig op internet bakkeleien over wat er beter is aan hun eigen versie van de beroemde Noord-Afrikaanse specialiteit. Eén aspect is gelukkig onomstreden: couscous geeft de onzichtbare culinaire grens aan tussen de Maghreb, het westelijke deel van de Arabische wereld, en de Mashreq, de Arabische landen ten oosten van de Middellandse Zee minus de Golfstaten. Het is de grens die graan- en rijsteters scheidt.

    Slimane Hachi speelt op veilig door deze cultuur van het graan te benadrukken, die immers voor heel Noord-Afrika geldt. Voor Ouiza Gallèze, onderzoekster bij het CNRPAH, betekent een en ander ‘een erkenning van de sterke banden tussen mensen, en een wijze om deze te bevestigen, in die zin dat zij dezelfde tradities koesteren door middel van dezelfde culinaire uitingen. Zoals elke cultuuruiting, is couscous een middel om mensen nader tot elkaar te brengen.’


    Ouiza Gallèze zit niet verlegen om hyperbolen wanneer zij de lof zingt van de korrel van harde tarwe. In haar ogen is couscous ‘wijder verbreid dan aardolie, reikt het over landsgrenzen en geniet het internationale erkenning, aangezien het op alle vijf de continenten aanwezig is’. De eisen van de UNESCO, zo zet zij verder uiteen, ‘houden in dat gemeenschappen het gevoel moeten hebben dat het cultuurelement hun toebehoort’ – en couscous is ‘een onderdeel van de culturele identiteit, symboliseert een offer en grote gebeurtenissen – vreugdevolle of tragische – in het familie- en gemeenschapsleven markeert’.

    Of de betrokken staten hieruit ook economisch voordeel kunnen putten? Dat is volgens haar een kwestie van ‘politieke wil’. Daarnaast merkt zij op dat couscous in Algerije als toeristisch product aangeprezen kan worden.

    Heilig karakter

    Het andere dossier dat Algiers aan de experts van UNESCO wil voorleggen, betreft de raï, een erfgoed waarvoor ook de Marokkaanse buur zich sterk maakt omdat deze muziekstroming afkomstig zou zijn uit de Marokkaanse stad Oujda, net over de grens met Algerije. De onenigheid hierover komt nogal nutteloos over, aangezien het etiket ‘immaterieel erfgoed’ tegenwoordig van iedere betekenis is ontdaan. Oorspronkelijk was het in het leven geroepen om erfgoed dat dreigde te verdwijnen onder de aandacht te brengen, maar deze doelstelling is al snel weggevaagd door het enorme aantal aanvragen. China alleen al zou 200.000 projecten op het oog hebben – een veertigtal aanvragen is reeds ingediend.

    In bijzondere gevallen, zoals Palestina, hebben deze aanvragen enige waarde als cultureel verzet tegen een vreemde entiteit die zich specifieke eigendommen toe-eigent. In andere gevallen lijkt er sprake te zijn van politieke exploitatie. Neem de aanvraag (in november 2010, na een debat over het risico dat het keurmerk van de UNESCO voor commerciële doeleinden wordt misbruikt) voor ‘de kunst van de gastronomische Franse maaltijd’. Daarmee werd het startsein gegeven voor een groot aantal culinaire kandidaturen wereldwijd.

    Wat ons betreft heeft de roem van couscous geen label van de VN nodig. Wat er ook gebeurt, het heilige karakter ervan blijft onaangetast.

    Auteur: Amel Blidi
    Vertaler: Carl Stellweg

    Openingsbeeld: Het gezamenlijk eten van couscous markeert belangrijke gebeurtenissen. – © Getty Images

    El Watan
    Algerije | dagblad | oplage 160.000

    In 1990 is ‘Het Land’ opgericht door journalisten die van de officiële staatskrant afkomstig waren. Directeur Omar Belhouchet heeft in het buitenland verscheidene prijzen voor journalistiek en persvrijheid ontvangen. De weekendeditie verschijnt iedere vrijdag.

  • Is de politieke islam te verenigen met de moderne wereld?

    Is de politieke islam te verenigen met de moderne wereld?

    Volgens critici zijn islamistische bewegingen per definitie ondemocratisch. Maar, schrijft The Economist, de politieke islam is geen homogene beweging, en wordt in ieder land óók gevormd door de lokale context.

    ‘Dood, stervend of achter de tralies.’ Zo omschreef een lid van de Moslimbroederschap in Egypte de situatie van zijn kameraden in wat eens ’s werelds meest vooraanstaande islamistische beweging was. Na de Arabische Lente van 2011 won de Broederschap de eerste vrije verkiezingen in Egypte; begin 2012 was de Broederschap de baas in het land. Maar het leger, geleid door Abdul Fattah al-Sisi en gesteund door massademonstraties, ontzette hen al snel uit de macht. Vier jaar geleden drukte Sisi, de huidige president, de beweging op het Rabaa al-Adawiya-plein de kop in. Vandaag zijn degenen die niet dood zijn en niet achter de tralies zitten gevlucht, of ze houden zich schuil.

    Toch boezemt de Broederschap, een internationale beweging die in de regio al vele andere islamistische partijen heeft voortgebracht, Arabische autocraten nog steeds angst in. Kijk alleen al naar de impasse inzake Qatar. Egypte, Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Bahrein hebben de diplomatieke betrekkingen verbroken met het kleine olierijke sjeikdom en een economische blokkade afgekondigd, en eisen dat het land zijn steun aan de Broederschap intrekt, Al Jazeera, een Broederschap-vriendelijke zender, sluit, en Turkse troepen het land uitzet, omdat Turkije wordt geleid door een op de Broederschap geïnspireerde partij, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP). Ze betogen dat de Broederschap een terroristische organisatie is die de gevestigde orde omver wil gooien.

    Het lijdt geen twijfel dat de Broederschap heeft aangezet tot geweld en dat leden ervan aanslagen hebben uitgevoerd, maar of de beweging wezenlijk gewelddadig is valt moeilijker vast te stellen. Hassan al-Banna, die de beweging in 1928 in Ismaïlia in het noordoosten van Egypte heeft gesticht, wilde geleidelijke hervormingen. Said Qutb, een leidend figuur in de Broederschap in de jaren vijftig en zestig, pleitte voor het opnemen van de wapens tegen goddeloze heersers. Het moderne islamisme – waarvan ruwweg de definitie luidt: het streven naar een staat die wordt bestuurd vanuit islamitische principes – heeft zich vanuit deze discussie in allerlei richtingen ontwikkeld.

    De huidige beweging omvat uiteenlopende groeperingen zoals Ennahda, een vreedzame Tunesische politieke partij, en Islamitische Staat (IS), een gewelddadige jihadistische groepering, die de Broederschap een afvallige organisatie noemt. De huidige Egyptische Broederschap is gesplitst in een groep die de confrontatietactiek omarmt, onder wie enkelen die geweld goedkeuren, en zij die liever een benadering van verzoening voorstaan.

    Erfelijke kalifaten, waarbij de religieuze en de seculiere macht in één persoon waren verenigd, waren langer dan duizend jaar het bestuursmodel voor islamitische staten

    De Saoedi’s en de andere landen die Qatar onder druk zetten beweren dat het hele islamisme een stap te ver is. (Hoewel sommige landen uit tactische overwegingen gemene zaak hebben gemaakt met islamisten in de Palestijnse Staat, Jemen en Syrië.) Andere landen – zoals de westerse landen die geen gehoor hebben gegeven aan oproepen om de Broederschap als een terroristische organisatie te brandmerken – vinden dat er onderscheid moet worden gemaakt. Dat is niet zo makkelijk. Als ogenschijnlijk gematigde en democratische islamisten eenmaal gekozen zijn, ontpoppen ze zich vaak als het tegendeel van die kwalificaties en blijkt die democratische gezindheid van zeer tijdelijke aard te zijn geweest. Maar sommige islamisten bedrijven een gematigde en effectieve politiek, en staan zelfs aan het hoofd van een regering.

    Islamisten zijn echt niet de enigen die proberen de maatschappij te doordrenken met religie. In India hangt de heersende BJP een specifiek hindoeïstisch nationalisme aan. In Israël streeft een aantal partijen ernaar om van het land meer een echt joodse staat te maken. In Europa zijn er veel christendemocratische partijen die beide onderdelen van die term serieus nemen.

    Maar in één opzicht is de islam uniek. Terwijl Mozes een leider zonder land was en Jezus een dissident die door een land ter dood was veroordeeld, was de profeet Mohammed een politiek leider die een staat stichtte, en de heilige schrift van de islam is daar een weerspiegeling van. ‘In de Koran staan in de tekst duidelijke, directe geboden, variërend van de toepassing van hoedoedstraffen (voor vergrijpen zoals diefstal) tot specifieke regels met betrekking tot het erven’, schrijft Shadi Hamid van het Brookings Instituut, een denktank op het gebied van ‘het islamitisch exceptionalisme’. Vandaar dat de Broederschap met trots beweert dat de Koran hun grondwet is.

    Maar ook al zegt de Koran specifieke dingen over het erven en andere zaken, het heilige boek blijft vager over hoe je het landsbestuur moet organiseren. In de ene soera wordt Mohammed opgedragen leden van de gemeenschap te raadplegen en in een andere krijgt hij de absolute macht over hen toebedeeld. Onmiddellijk na de dood van de profeet begonnen al de geschillen. Zijn trouwste volgelingen konden niet beslissen of de rol van kalief – de veronderstelde opvolger van Mohammed als leider – nu een gekozen of een erfelijke functie was, een geschil dat uiteindelijk leidde tot het schisma tussen respectievelijk de soennieten en de sjiieten.

    Het kalifaat zelf wordt niet voorgeschreven door de Koran. Maar ‘in het traditionele islamitische denken wordt het beschouwd als een intrinsiek onderdeel van de islam, dat onbedoeld het geloof eeuwenlang heeft gepolitiseerd’, schrijft Mustafa Akyol, auteur van Islam without Extremes. Erfelijke kalifaten, waarbij de religieuze en de seculiere macht in één persoon waren verenigd, waren langer dan duizend jaar het bestuursmodel voor islamitische staten.

    De ondergang van het Ottomaanse Rijk en de afschaffing van het kalifaat door de republiek Turkije hebben uiteindelijk geleid tot de huidige islamistische beweging. Moslims die waren vernederd door het kolonialisme en het falen van het socialisme en het nationalisme, waarbij binnenlandse autocraten hadden geprobeerd de islam ten eigen voordele te annexeren, verlangden naar een alternatief dat thuishoorde in een wereld van natiestaten en verkiezingen. De Broederschap verschafte hun er een.

    Islamisme lite

    De democratie stond niet vermeld in Mohammeds richtlijnen, dus Banna keurde die staatsvorm af, net als politieke partijen en zelfs de moderne Arabische staat. Maar hij zag de ontwikkeling naar de islamitische staat als een proces in fasen, en iedere fase vereiste een andere tactiek. Dus islamisten verhulden hun religieuze doel in het begin en namen zelfs deel aan verkiezingen, als dat op de lange termijn hun positie verstevigde. Sommigen van zijn volgelingen accepteerden uiteindelijk de democratie als onderdeel van alle fasen van het proces, maar critici vonden dat de meeste islamisten in wezen antidemocratisch waren en dat nog steeds zijn.

    Dat is één manier om naar de AKP en zijn imponerende leider, Recep Tayyip Erdogan, te kijken. Toen Erdogan in 2001 de AKP oprichtte, bleek hij de vertegenwoordiger te zijn van een nieuw soort islamisme, dat door sommigen ‘islamisme-lite’ werd genoemd, en dat zich richtte op vrijheid en de vrije markt. Toen de AKP in 2002 voor het eerst de verkiezingen had gewonnen, voerde de partij democratische hervormingen door, perkte de macht van het leger in en zorgde ervoor dat de mensenrechten beter werden gerespecteerd. Het werd gezien als een hoopvol voorbeeld voor andere islamistische partijen.

    Maar geleidelijk trok Erdogan steeds meer macht naar zich toe. De staatsmedia kwamen volledig in zijn handen en critici zette hij uit de regering, het leger en de rechterlijke macht. Liberalere leden van de AKP, zoals Abdullah Gül, een voormalige president, werden aan de kant gezet. Een mislukte coup in juli 2016 leidde tot een algehele zuivering. Tienduizenden vijanden, echte of vermeende, werden gearresteerd, onder wie ook journalisten. Maatschappelijke organisaties werden opgeheven, ambtenaren werden ontslagen, de toegang tot het internet werd deels geblokkeerd. In april kreeg de president na een referendum over de grondwet (waarbij volgens critici was gefraudeerd) nog meer macht.


    Moskee in Isfahan, Iran. – © EyeEm
    Moskee in Isfahan, Iran. – © EyeEm

    Turkije is het tweede bewijsstuk voor hen die een zaak voorbereiden tegen schijnbaar gematigde islamisten. Egypte is het eerste bewijsstuk. Mohamed Morsi, de man van de Broederschap die president werd, bleek vanaf het begin tweedracht te zaaien. Aan het eind van het eerste jaar had hij verordonneerd dat hij niet gebonden was aan de rechtstaat. Hij drukte er een grondwet door die bij seculiere politici op veel weerstand stuitte en nam heel veel islamisten op in zijn regering. Tegen de tijd dat het leger een coup pleegde, stond het volk aan de kant van de militairen.

    Sommige mensen betogen dat deze resultaten – het succes van de onverdraagzaamheid in Turkije, het falen van de onverdraagzaamheid in Egypte – voorspelbaar waren, onvermijdelijk zelfs. Maar het loont om naar de context te kijken. Voordat de AKP in Turkije ten tonele verscheen, waren al eerder vier islamistische partijen opgeheven ten gevolge van een coup of een gerechtelijk bevel. Toen de AKP aan de macht kwam, bleef die dreiging bestaan. Secularisten in het leger – onderdeel van de deep state, de staat binnen de staat – probeerden in 2007 de verkiezing van de presidentskandidaat van de partij te dwarsbomen. De hoofdaanklager van Turkije beschuldigde de AKP ervan antiseculier te zijn en het scheelde niet veel of hij had de partij verboden. Er volgden een heleboel andere politiek gemotiveerde aanvallen – en toen kwam de couppoging.

    In Egypte zag de Broederschap zich geconfronteerd met een vergelijkbare deep state van militairen, rechters en bureaucraten. De politie weigerde op straat te patrouilleren, wat leidde tot een misdaadgolf. Werknemers van benzine- en elektriciteitsmaatschappijen zorgden ervoor dat de stroom uitviel en dat er een tekort aan brandstof was. Rechters die waren aangesteld door Morsi’s voorganger verklaarden de uitslag van een verkiezing ongeldig.

    Die uitdagingen zijn geen excuus voor het autoritaire gedrag van Morsi en Erdogan. Maar misschien vormen ze wel een betere verklaring voor dat gedrag dan het veronderstelde onverdraagzame karakter van hun ideologie. ‘Islamistische partijen hebben de neiging zich aan te passen aan hun politieke omgeving’, legt Marc Lynch van The George Washington University uit. De angst dat secularisten zouden proberen hun regering te ondermijnen overtuigde islamisten ervan dat ze zo veel mogelijk macht naar zich toe moesten zien te trekken; het gebrek aan diepgewortelde democratische tradities maakte het er niet beter op. Volgens Akyol ligt het probleem van de AKP niet bij het feit dat de partij te islamistisch is, maar te Turks.

    De toename van op de sharia gebaseerde verordeningen is grotendeels het resultaat van lokale politici die in ruil voor stemmen toegaven aan de eisen van conservatieve moslimgroepen

    Elders nemen islamistische partijen nog steeds deel aan verkiezingen. De afdelingen van de Broederschap in Jordanië en Koeweit hebben het vorig jaar bij de parlementsverkiezingen na jaren van repressie relatief goed gedaan. Een spin-off van de Broederschap, de Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (PJD), heeft de laatste twee parlementsverkiezingen in Marokko gewonnen en leidt de huidige regering. Buiten de regio van de Broederschap zijn islamistische partijen actief in Indonesië, Maleisië en Pakistan. Het idee dat al die partijen Banna’s langetermijnplanning uitvoeren kan niet echt weerlegd worden, maar het is in elk geval ook mogelijk dat het in een omgeving die autoritair leiderschap niet stimuleert, geen noodzakelijke ontwikkeling is. Op bijna alle plekken waar islamisten politiek actief zijn, is er een grens aan hoeveel macht ze kunnen vergaren. De monarch is uiteindelijk de baas in Marokko, Jordanië en Koeweit.

    Aan de andere kant hoeven islamisten niet per se nationale verkiezingen te winnen om een onverdraagzame impact te hebben. In Indonesië, een seculiere democratie, is bij de nationale parlementsverkiezingen op geen enkele zuiver religieuze partij meer dan acht procent van de stemmen uitgebracht, ook al is de meerderheid van het land islamitisch. Maar lokaal gekozen islamisten hebben meer dan vierhonderd op het islamitische recht gebaseerde verordeningen uitgevaardigd sinds de regio’s van het land in 1999 meer autonomie hadden gekregen. In de provincie Atjeh is alcohol verboden, bestaan er kledingvoorschriften voor de vrouw en worden overspel en homoseksualiteit bestraft met zweepslagen.

    Het misschien wel meest verontrustende blijk van de macht van de islamistische minderheid deed zich voor in april, toen een populaire christelijke ambtsdrager, Basuki Tjahaja Purnama, beter bekend als Ahok, de strijd om het gouverneurschap in Jakarta verloor.

    Islamistische aanhangers van zijn opponent, Anies Baswedan, hielden islamitische kiezers voor dat het haram (verboden door de islam) was om op een christen te stemmen. Toen Ahok die bewering met een citaat uit de Koran probeerde te weerleggen, hadden islamisten een filmpje gemaakt waarin het net leek alsof hij het heilige boek beledigde. Hij werd aangeklaagd wegens blasfemie, verloor de verkiezingen en zit nu in de gevangenis.

     © EyeEm
    © EyeEm

    De situatie in Indonesië laat zien dat democratische processen de macht van een onverdraagzame minderheid kunnen vergroten. Een onderzoek uitgevoerd door het Centre for the Study of Islam and Society, een denktank in Jakarta, toonde aan dat de toename van op de sharia gebaseerde verordeningen grotendeels het resultaat was van lokale politici die in ruil voor stemmen toegaven aan de eisen van conservatieve moslimgroepen.

    Steun aan islamistische wetten, ongeacht welke partij die opstelt, is wijdverspreid in islamitische landen. In Egypte laten opiniepeilingen zien dat een meerderheid achter wetten staat die gebaseerd zijn op de sharia, achter straffen uit de Koran en de bevoegdheid van geestelijken om wetten op te stellen. Maar dat is niet echt een kenmerk van de regeringspolitiek van de AKP in Turkije. De partij heeft meer moskeeën gebouwd en religieuze scholen geopend, de verkoop van alcohol aan banden gelegd en het verbod op de hidjab opgeheven. Maar de AKP heeft alcohol niet verboden en geen kledingvoorschriften ingevoerd. Eigenlijk lijkt de partij vaker de islam te gebruiken ten dienste van de politiek dan andersom.

    Het is voor liberalen een verontrustende gedachte dat islamisten ook vanuit een minderheid bepalingen kunnen doordrukken. Maar dat is uiteindelijk een gevaar dat alle democratieën bedreigt en dat in een sterke democratie bestreden kan worden. Vandaar de overtuiging van sommige analytici dat verkiezingen en niet het liberalisme het belangrijkst zijn: een onvrije democratie is de voorloper van een vrije democratie. In voorheen autoritaire landen moet democratie de tijd krijgen om te wortelen en sterker te worden. De secularisten die in 2013 hebben geprobeerd de Broederschap uit de macht te ontzetten hebben dergelijke argumenten vaak gehoord. Alles wat Morsi deed, zo luidde het pleidooi, zou in de toekomst door seculierdere regeringen ongedaan gemaakt kunnen worden.

    Tunesië

    Als je dat serieus neemt, vertrouw je erop dat islamisten verkiezingen zullen houden als ze aan de macht zijn. Het schoolvoorbeeld hiervan is Tunesië. Veel leden van de Ennahda dromen van het stichten van een islamitische staat in het land, met sharia en al. Maar in het algemeen heeft de beweging, die is gesticht en nog steeds wordt geleid door Rashid Al-Ghannushi, zich gematigd opgesteld en een zeldzame bereidheid tot het sluiten van compromissen aan de dag gelegd.

    Ennahda had geleden onder tientallen jaren dictatuur van Zine El Abidine Ben Ali, die de beweging had verboden. Toen Ben Ali in 2011 ten val was gebracht, kreeg een partij die door de beweging was opgericht bij de eerste vrije verkiezingen van Tunesië een meerderheid in het parlement. Maar in de regering hadden ze minder succes, de partij wist de bevolking van zich te vervreemden en velen stonden sceptisch tegenover de islamisten. Het deed er ook geen goed aan dat in 2013 ultraconservatieve moslims twee linkse politici vermoordden.

    Het verzet tegen de Ennahda-regering mondde uit in heftige demonstraties die het fragiele democratische proces dreigden te verstoren. Maar in plaats van zich in te graven, zoals de Broederschap deed in Egypte, koos Ennahda ervoor om wat terrein prijs te geven (vooral na de coup in Egypte). Bij onderhandelingen over een nieuwe grondwet nam de partij liberale adviezen over, zoals de vrijheid van godsdienst. Ennahda droeg in januari 2014 de macht over aan een regering van technocraten. Ennahda verloor de volgende verkiezingen van Nidaa Tounes, een secularistische partij die speciaal was opgericht om de islamisten te verslaan. Ghannushi sloot meteen een verbond (en vriendschap) met Beji Caid Essebsi, de oprichter van de nieuwe partij. Sindsdien is Nidaa Tounes verdeeld, maar Ennahda heeft haar voordeel als grootste partij in het parlement niet uitgebuit. ‘In deze overgangssituatie hebben we behoefte aan een brede consensus,’ aldus Ghannushi.

    Moslimdemocraten

    Volgens Ghannushi is Ennahda geen islamistische partij, maar een partij van ‘moslimdemocraten’, vergelijkbaar met Europese christendemocratische partijen. De beweging heeft de politieke partij gesplitst van de religieuze tak, die nu enkel verantwoordelijk is voor dawah (bekeren en prediken). De politici mogen geen toespraken houden in een moskee; geestelijken mogen de partij niet leiden.

    ‘Ennahda put nog steeds haar inspiratie uit de islam,’ zegt Ghannushi, ‘maar de aanwezigheid van religie in de maatschappij is niet iets waar de staat over beslist of wat de staat regelt.’ Het moet een verschijnsel zijn dat van onderaf komt, en met een gekozen parlement vormt de plaats van religie in het parlement een afspiegeling van de mate waarin deze in de maatschappij een rol speelt. Secularisten en liberalen hebben lange tijd gehoopt dat het merendeel van de islamisten dat pad zouden volgen. In wezen hopen ze dat islamisten, die lang een protestbeweging waren, minder islamistisch worden als ze worden geconfronteerd met de werkelijkheid van de macht. Dat werpt andere vragen op. ‘Als islamistische partijen hun islamisme moeten opgeven zodra ze zijn gekozen (…) dan staat dat haaks op het wezen van de democratie: de idee dat regeringen ontvankelijk zijn voor, of zich ten minste aanpassen aan de wensen van het volk’, schrijft Hamid.

    Conservatievere leden van Ennahda zijn niet gelukkig met de weg die de beweging heeft ingeslagen. Anderen twijfelen aan de oprechtheid van Ennahda, omdat ze menen dat angst voor repressie en opstand het belangrijkste motief voor hun matiging is – met andere woorden, dat hun handelen zuiver tactisch is. ‘We krijgen van alle kanten ervan langs,’ aldus Ghannushi.

    Net als de ondergang van het islamisme in Egypte wordt de positievere ontwikkeling van het islamisme in Tunesië grotendeels bepaald door de context. Anders dan Egypte en Turkije heeft Tunesië geen sterk en gepolitiseerd leger. En waar de staatsrepressie in het Egypte van voor de revolutie de Broederschap lijkt te hebben verhard, zorgde die in Tunesië ervoor dat leden van Ennahda, die een cel deelden met andere oppositieleiders, een liberaler wereldbeeld ontwikkelden. De unieke uitdagingen waar het islamisme in ieder land mee werd geconfronteerd bepaalden ontegenzeggelijk de ontwikkeling ervan.

    Vertaler: Paul Bruijn

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

  • Waarom de banlieue de Franse staat haat

    Waarom de banlieue de Franse staat haat

    De rellen van de laatste weken in de Franse banlieues hebben hun wortels in de Franse koloniale geschiedenis, betoogt Andrew Hussey in zijn boek De Franse intifada.

    Op 27 maart 2007 was ik laat in de middag na een werkdag in Parijs-Oost met de metro onderweg naar huis. Op het Gare du Nord stapte ik uit om van trein te wisselen. Als in trance liep ik, opgaand in de muziek op mijn koptelefoon, werktuiglijk naar de winkelgalerij die de verbinding vormt tussen de boven- en benedenverdieping van het station. Normaliter kocht ik hier een krant en koffie en pakte ik daarna een trein naar mijn at in zuid.

    Maar het was geen gewone avond. Toen ik de trap naar de uitgang op liep, drong de geur van rook mijn neus binnen en hoorde ik geschreeuw. In de gangen was het meer dringen dan gewoonlijk en waren de mensen iets gespannener en slechter gehumeurd dan doorgaans tijdens het spitsuur. Toen ik het hoofdplein van de galerij naderde, prikte rook in mijn ogen en neusgaten en werd het geschreeuw luider. Ik zag gewapende politieagenten en honden. Niettemin had ik niet het idee dat er echt iets mis was. Het enige wat me zorgen baarde, was hoe ik door de inmiddels tot stilstand gekomen stroom forenzen naar de trein kon komen die me naar huis zou brengen.

    Ik wurmde me door de menigte, stapte het plein op en zat plots gevangen in een lege ruimte tussen twee gevechtslinies – aan de ene kant politiemensen in zwart-blauwe uitrusting die met wapenstokken op hun doorzichtige, harde schilden sloegen, aan de andere kant een ordeloze verzameling kinderen en jongeren, voornamelijk zwart of Arabisch, jongens en meiden in hiphopkleding die zongen, lachten en met dingen gooiden. Je kon uit hun accent en manier van doen opmaken dat het geen Parijzenaars waren; het waren kinderen uit de banlieues – de arme voorsteden ten noorden van Parijs die via treinen met Gare du Nord als eindbestemming waren verbonden met de stad. Een Afrikaans uitziende jongen slingerde met een kreet een ijzeren staaf de lucht in, die tegen een fotocabine en een drankautomaat knalde. Een paar meter verderop werd brandgesticht bij een loket.

    Vrolijk

    De sfeer was vreemd genoeg vrolijk. Achter het staal en glas van de eindhalte van de Eurostar escorteerden soldaten met machinegeweren net gearriveerde passagiers uit Londen naar Parijs, de schitterende hoofdstad van Europa, waar het nu zo te zien oorlog was. Ze sloegen het tafereel met afschuw gade. Jongeren sprongen over metropoortjes, rookten stickies, schreeuwden, liepen waar ze wilden en negeerden de normaal geldende regels rond de toegang naar het station. Het was een vermakelijk gezicht, maar riep tegelijkertijd angst op, want deze jongeren konden je nu zomaar iets aandoen als ze er zin in hadden. Regels en wetten – ze trokken zich nergens iets van aan.

    In de dagen daarna las ik de kranten erop na. De meeste reporters en ooggetuigen waren het eens over de chronologie. Om halfvijf ’s middags was een Congolese jongeman, een bekende van de politie, opgepakt toen hij zonder kaartje het station probeerde binnen te komen. Bij de arrestatie ging het niet zachtzinnig toe, en toen de politieagenten op de jongen begonnen in te slaan, kwamen voorbijgangers tussenbeide om het op te nemen voor de underdog. De agenten grepen naar hun geweren en knuppels, en algauw ontstond een niet meer een-twee-drie in te tomen rel.

    De rellen op Gare du Nord in maart 2007. Gare du Nord, dat het grensgebied vormt met de banlieues, veranderde ‘binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder in een wetteloos stukje Frans grondgebied’. – © Reuters / Charles Platiau
    De rellen op Gare du Nord in maart 2007. Gare du Nord, dat het grensgebied vormt met de banlieues, veranderde ‘binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder in een wetteloos stukje Frans grondgebied’. – © Reuters / Charles Platiau

    Maar hoe had dit kunnen gebeuren? Wat maakte het Gare du Nord tot een zodanig explosief kruitvat dat het binnen een paar minuten na de arrestatie van een zwartrijder was veranderd in een wetteloos stukje Frans grondgebied? Op dit punt liepen de interpretaties uiteen. In Le Parisien, de krant die verslag doet van het dagelijks leven in de stad, werden de gebeurtenissen omschreven als ‘une émeute populaire’ (een volksoproer). De toon was er een van gematigde instemming. Le Parisien is niet bepaald links te noemen, maar staat altijd, zo wil een diep gekoesterde Parijse mythe, aan de kant van het ‘volk’. Dit woordgebruik plaatste de gebeurtenissen in het Gare du Nord in een lange traditie van volksopstanden in de stad – ze behoren, te beginnen bij de tijd van La Fronde en zo door tot de Franse Revolutie en de Commune, tot de onlosmakelijke elementen van de geschiedenis van Parijs. Een paar andere kranten, waaronder de rechtse Le Figaro, schreven erover met een huivering van afkeer en meldden dat de oproerkraaiers ‘A bas l’état, les flics et les patrons’ (Weg met de staat, de wouten en de bazen) hadden gescandeerd, waarmee ze de rel een plek gaven in de rebelse folklore van de stad.

    Maar het probleem met deze berichtgeving was dat er weinig van klopte. De jongeren die ik zag gaven geen moer om de staat of de ‘bazen’. De meesten van hen hadden sowieso geen werk. En ze hadden weliswaar een grondige hekel aan de politie, maar zouden nooit een ouderwets scheldwoord als flics hebben gebruikt, dat behoort tot het Parijse equivalent van de generatie van de Krays. Politieagenten waren voor de relschoppers keufs of schmitts. Het gescandeer dat ik hoorde ging voornamelijk in het Frans: ‘Nik les schmitts’ (Rot op, juten), en soms in het Engels: ‘Fuck the police!’ Maar er was nog een slogan, die werd gescandeerd in gewoon Arabisch en het hardst leek aan te komen: ‘Na’al abouk la France!’ (Fuck Frankrijk!). Deze slogan – het is eigenlijk meer een vloek – staat volledig los van Franse tradities van opstandigheid.

    Frankrijk herbergt vandaag de dag de grootste moslimbevolking in Europa. Daartoe behoren ruim vijf miljoen mensen uit Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de zogeheten ‘zwarte landen aan de Atlantische Oceaan’, het langgerekte gebied in West-Afrika dat zich uitstrekt van Mali tot Senegal. Bij een korte wandeling in de overbevolkte wijk Barbès in het noorden van Parijs, waar bijna al deze nationaliteiten vertegenwoordigd zijn, krijg je een goed beeld van de diversiteit van deze bewoners en kun je aardig wat opsteken over het Franse koloniale verleden.

    Het Gare du Nord in het hart van deze wijk is grensterrein. Het vormt de scheidslijn tussen de miserabele omstandigheden in de banlieues, de voorsteden rond Parijs, en de relatieve overvloed in het centrale deel van de stad. Dit is de plek waar jonge banlieusards naartoe gaan om rond te hangen, de andere sekse te ontmoeten, te winkelen, te roken, zich te laten zien en te flirten – de dingen die jonge mensen graag doen. Parijs is zowel dichtbij als veraf; je bent er in een wip, maar als het gaat om banen, huisvesting, een leven opbouwen, is het voor deze jonge mensen net zo ontoegankelijk en ver weg als Amerika. En dus koesteren ze dit kleine stukje van de stad dat hun toebehoort.

    In het Gare du Nord kunnen de gemoederen daarom snel hoog oplopen. De sfeer is er over het algemeen gespannen maar stabiel: iedereen houdt zich bij het zijne, van het politie tot de dealers. Maar wanneer de politie hard optreedt, kan dat lijken op het zoveelste vertoon van koloniale macht. De strijdkreet ‘Na’al abouk la France!’ is zodoende ook een kreet van pijn en woede. Er komen oude emoties van verlies, schaamte en angst in tot uitdrukking. En daarom is het zo’n krachtige vloek.

    De relschoppers in de banlieues afficheren zich vaak als soldaten in de “lange oorlog” tegen Frankrijk en Europa

    De relschoppers in het Gare du Nord en in de banlieues afficheren zich daarnaast ook vaak als soldaten in de ‘lange oorlog’ tegen Frankrijk en Europa. Een begrip als ‘beschaving’, dat ze zien als een Europese uitvinding, is voor hen iets om zich tegen af te zetten. De zogenoemde ‘Franse intifada’, de guerrillaoorlog met de politie aan de randen en in het hart van Franse steden, is slechts de nieuwste en meest dramatische vorm van confrontatie met de vijand.

    Het geweld begon op 27 oktober 2005 na de dood door elektrocutie van twee jongemannen die waren weggevlucht in een transformatorhuisje om te ontsnappen aan de politie. Bijna een week lang ontstonden daarna elke avond rellen, waarbij duizenden auto’s in brand werden gestoken. Vervolgens sloeg de onrust over naar andere Franse plaatsen. President Jacques Chirac kondigde de noodtoestand af, die op 8 november om middernacht inging. De regering en de politie kregen hierdoor speciale bevoegdheden om mensen op te pakken en het recht om een avondklok in te stellen en huiszoekingen te doen. Maar dit maakte de situatie er niet beter op. Op 11 november viel in een deel van Amiens de stroom uit toen een elektriciteitscentrale werd belaagd – wat tot schrik van de politie een vaak gebruikte en doeltreffende tactiek werd. Verder werden kerken bestookt met brandbommen.

    Uiteindelijk was het na twee weken gedaan met de rellen. Maar het was voor de politie allesbehalve een makkelijke overwinning – integendeel zelfs. Het geweld werd deels gevoed door het agressieve optreden van de politie en door de onverzettelijke houding van Nicolas Sarkozy, op dat moment minister van Binnenlandse Zaken, die een beleid van zero tolerance afkondigde en zei dat hij het ‘racaille’ (tuig) van de straat zou vegen. Deze harde woorden deden de verontwaardiging in de banlieues alleen maar toenemen – het was onmiskenbaar oorlogstaal. Toen de Franse regering eind november aan het bijkomen was van de onthutsende gebeurtenissen, kon de rekening opgemaakt worden: de rellen in Frankrijk hadden duidelijk gemaakt dat de jongeren van de banlieues met succes de strijd konden aanbinden met de autoriteiten wanneer ze maar wilden.

    De gebeurtenissen in 2005 hebben onvermijdelijk geleid tot een bijna eindeloze stroom artikelen, boeken en debatten in Frankrijk. Hoewel menigeen zich te buiten ging aan luidruchtige retoriek, waren er een paar belangrijke punten waarop rechts en links het met elkaar eens waren. Ten eerste waren beide kampen van mening dat de ernst van de crisis was overdreven door de Engelstalige media, die weinig wisten van Frankrijk en de rellen hadden aangegrepen om de aandacht af te leiden van hun eigen problemen met immigratie en immigranten in hun eigen landen. Uiteraard is dit iets wat de perfide Britten en Amerikanen altijd al hebben gedaan.

    Ten tweede was er de breed gedeelde consensus dat de rellen weinig of niets te maken hadden met de islam en de historische aanwezigheid van Frankrijk in delen van de islamitische wereld. Linkse intellectuelen sloofden zich in Le Monde en Libération uit om aan te tonen dat de rellen op geen enkele wijze terug te voeren waren op de woede die ook een voedingsbodem was geweest voor radicaliserende islamisten. Volgens deze journalisten waren de rellen te wijten aan een ‘fracture sociale’ en een gebrek aan ‘justice sociale’. Zelfs de Franse inlichtingendienst, de Renseignements Généraux, droeg haar steentje bij. Ze kwam met een rapport waarin de rellen werden omschreven als een ‘volksopstand’ en de rol van islamistische groepen en de allochtone afkomst van de relschoppers werden gebagatelliseerd. Aldus werden de rellen van 2005 ontdaan van hun bijzondere lading en weggezet als een zoveelste uitbarsting van traditioneel Frans protest.

    Er is in het hedendaagse Frankrijk echter sprake van een hoogst reëel conflict tussen de tegengestelde beginselen laïcité en communautarisme, dat tot uiting kwam in de rellen. Het begrip laïcité is moeilijk te vertalen; de strekking ervan is simpel gezegd dat het volgens de Franse wet verboden is om onderscheid te maken tussen individuen op grond van hun godsdienst. De Franse notie laïcité is, anders dan het Engels-Amerikaanse model van de seculiere staat, waarin staatsbemoeienis met religieuze aangelegenheden uit den boze is, te beschouwen als een dam tegen elke vorm van religieuze inmenging in staatsaangelegenheden. Dit dateert van de revolutie van 1789 en wordt traditioneel gezien als een manier om de katholieke kerk kort te houden. De Dreyfus-affaire, die in 1905 leidde tot de officiële scheiding tussen kerk en staat, dient nog altijd als schoolvoorbeeld waarom de katholieke kerk op deze wijze in toom gehouden dient te worden. Laïcité garandeert als specifiek antireligieus concept, zo wordt gesteld, de morele eenheid van de Franse natie – de ‘République indivisible’.

    In de voorbije jaren is tegenover deze kernwaarde van de Franse Republiek iets anders komen te staan: communautarisme, waarin de behoeften van de ‘gemeenschap’ worden afgezet tegen de behoeften van de ‘maatschappij’. Opnieuw is er voor het losse Engels-Amerikaanse model, waarin ‘verschillen’ op grond van seksualiteit, godsdienst of handicaps worden getolereerd of zelfs op prijs worden gesteld, geen plaats in Frankrijk, waar ‘verschillend zijn’ wordt gezien als een vorm van sektarisme en een bedreiging voor de Republiek. Het acuutste probleem voor de recente generaties moslimimmigranten in Frankrijk is dat de met nadruk beleden universaliteit van de republikeinse waarden, en met name laïcité, algauw doet denken aan de ‘beschavingsmissie’ in de koloniale tijd. Met andere woorden, als moslims ‘Frans’ willen zijn, moeten ze eerst leren burgers van de Republiek te zijn en pas op de tweede plaats moslims; dit is voor velen niet te doen, en vandaar de zorgen of de moslims in Frankrijk musulmans de France zijn of musulmans en France.

    Heftige emoties

    Maar in dit conflict gaat het niet alleen om politiek of godsdienst. Het gaat daarin ook om heel heftige emoties. De meeste mensen zijn banger voor aftakeling dan voor de dood. Dit is vertrouwd terrein voor psychiaters die patiënten behandelen voor stoornissen als schizofrenie en depressies. Een deel van het proces van geestelijk verval dat kenmerkend is voor deze aandoeningen is een gevoel van gedeeltelijke of algehele vervreemding. Wanneer mensen niet meer het idee hebben een eigen identiteit te bezitten en er van hun ik-gevoel nog maar zo weinig over is dat ze in hun beleving niet meer bestaan, kunnen ze letterlijk vreemden voor zichzelf worden.

    Dit is wat er in de koloniale tijd gebeurde in de door Frankrijk veroverde gebieden en wat er nu gebeurt in de banlieues. En daarom is het voor immigranten uit voormalige Franse kolonies bijna onmogelijk om zich echt ‘thuis’ te voelen in Frankrijk. Ondanks al hun moderniteit lijken deze stadswijken qua ontwerp nog het meest op immense gevangenenkampen. De banlieue staat in de meest letterlijke zin voor ‘anders-zijn’ – het anders-zijn van uitsluiting, van de onderdrukten, van angstige en geminachte mensen, die fysiek en cultureel worden weggehouden van de mainstream van de Franse ‘beschaving’.

    Dit is de stelling die de politicoloog Gilles Kepel poneert in zijn boek Quatre-vingt-treize (2012), een titel die verwijst naar Victor Hugo’s grootse roman over het schrikbewind in 1793 en naar de beruchte Parijse wijk Seine Saint-Denis, die vanwege de postcode bekendstaat als ‘Drieënnegentig’. In dit boek onderwerpt Kepel de recente geschiedenis van dit stadsdeel aan een diepgaand onderzoek, en zijn conclusie is dat de diverse varianten van de islam elkaar weliswaar bestrijden, maar dat ze verenigd zijn in hun vijandigheid tegenover de seculiere Franse staat.

    Kepel is er daarnaast van overtuigd dat de Franse Republiek moet vrezen voor bedreigingen van ‘buiten’, waarmee hij zowel de banlieues als de voormalige Franse gebieden in de moslimwereld bedoelt. In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten denkt hij dat de recente veranderingen in de Franse maatschappij nauw verband houden met gebeurtenissen in de Arabische wereld, die in het Westen amper begrepen worden. ‘Veel Franse politieke commentatoren zijn blind,’ vertelde hij me in zijn krappe werkkamer vlak bij boulevard Saint-Germain. ‘Ze weigeren verder te kijken dan Frankrijk. En dus snappen ze niet dat wat hier gebeurt te maken heeft met onze relatie met de Arabische wereld en ons verleden daar.’

    Kepel beklemtoont dat de huidige spanningen in Frankrijk niet los te zien zijn van de zogenoemde ‘Arabische Lente’ – de golf van opstanden die in 2011 de moslimwereld overspoelde. Ofwel preciezer gezegd: de Arabische Lente heeft ertoe geleid dat de algemeen aanvaarde waarheden over Noord-Afrika, waarvan de wereld tot nu toe een door Franse ogen bepaald beeld had, flink op de schop zijn gegaan.


    De voorstad Aulnay sur Bois in november 2005, tijdens de zevende nacht van de rellen in de banlieues in 2005. – © Reuters / Victor Tonelli
    De voorstad Aulnay sur Bois in november 2005, tijdens de zevende nacht van de rellen in de banlieues in 2005. – © Reuters / Victor Tonelli

    Op 14 januari 2011 ontvluchtte president Zine Ben Ali eindelijk zijn paleis om in ballingschap te gaan in Saoedi-Arabië. In Parijs heerste die dag op straat net zo’n feeststemming als in de steden in Tunesië. Dit kwam doordat het ondenkbare was gebeurd: Ben Ali was sinds 1987 aan de macht geweest, en het leek een uitgemaakte zaak dat hij nog lang aan het roer zou blijven – wat gezien zijn goede gezondheid en eigenwaan heel lang had kunnen zijn – maar binnen een paar weken was hij weg.
    De katalysator voor de woedende demonstraties die hadden geleid tot zijn vertrek was de zelfdoding van Mohammed Bouazizi, een zesentwintigjarige straatverkoper in de tot dan toe onbekende Tunesische plaats Sidi Bouzid. Op 17 december 2010 zette ‘Besboos’, zoals hij plaatselijk bekendstond, om acht uur ’s morgens zoals gebruikelijk zijn kar met fruit neer in het centrum van Sidi Bouzid. Rond tien uur kreeg hij het aan de stok met politieagenten die zeiden dat hij geen vergunning had en daarom niet mocht staan waar hij stond.

    Het werkelijke probleem was dat Mohammed de lokale politie niet genoeg smeergeld had betaald, hoewel hij zich door geld te lenen al voor tweehonderd dollar in de schulden had gestoken om beambten om te kopen. Maar Mohammed was die dag niet in de stemming om met zich te laten sollen en hield voet bij stuk toen een agente van middelbare leeftijd hem beledigde, zijn overleden vader vervloekte en zijn kar in beslag probeerde te nemen. Toen de agente zijn weegschaal pakte, zijn duurste apparaat dat hij, wilde hij zakendoen, absoluut niet kon missen, werd het hem te veel. Hij raakte buiten zichzelf van woede en rende, niet meer in staat zijn tranen te bedwingen, naar het kantoor van de lokale gouverneur om zijn beklag te doen over het hem aangedane onrecht. De gouverneur weigerde vlakaf hem te ontvangen.

    Mohammed verliet heftig gefrustreerd het kantoor van de gouverneur en overgoot zichzelf buiten met een blik benzine. Tot afschuw van de groep mensen die om hen heen was komen staan, stak hij de benzine vervolgens in brand. De vlammen sloegen van zijn lichaam terwijl hij in stille pijn rondwankelde. Dit was om halftwaalf, ongeveer een uur na aanvang van de ruzie over zijn kar.

    Mohammed overleed een paar dagen later in een ziekenhuis. Zijn dood staat nu te boek als de vonk die het vuur van de Tunesische revolutie deed ontbranden. Toen hij op sterven lag, stonden de gewone mensen van Sidi Bouzid op tegen de lagere ambtenaren die hen tot dan toe in toom hadden gehouden. Toen de opstand aan kracht won, staakte het leger zijn pogingen om er paal en perk aan te stellen en beseften honderdduizenden Tunesiërs dat dit hun eerste kans was om in verzet te komen tegen de autoriteiten. De rellen verspreidden zich over het land, en een paar spannende weken later maakte president Ben Ali, voor wie de haat van zijn volk niet meer te trotseren viel, zich uit de voeten.

    Het was het sprookjesachtige karakter van de revolutie dat op de dag van Ben Ali’s vertrek in de straten van Parijs werd gevierd. In Frankrijk wonen ruim zevenhonderdduizend Tunesiërs, grotendeels geconcentreerd in de regio Parijs. Tijdens de revolte in Tunesië stonden overal waar je in Parijs kwam in winkels, afhaalrestaurants en cafés draagbare tv’s waaruit op volle geluidssterkte een polyglot, polyfoon gebabbel op- rees van Al-Jazeera, Al-Arabiya en Franstalige kanalen uit de Maghreb. Iedereen was opgewonden en wilde praten, vooral de Tunesiërs zelf.

    Het verbluffendste aan deze gebeurtenissen – althans voor mensen die Tunesië niet kenden – was dat ze in gang waren gezet in een land dat het Westen beschouwde als een gematigde, stabiele en onopvallende speler in de politiek van de regio. Tot dat moment was Tunesië in de ogen van de buitenwereld een goedkope vakantiebestemming geweest, een land met een gedienstige houding jegens het Westen. De Tunesiërs wisten dat dit beeld op zijn best niet meer dan wensdenken was, en op zijn slechtst een bewuste leugen.

    De pesterijen waarmee Bouazizi te maken had, waren in Tunesië een alledaags fenomeen. Ze waren rechtstreeks terug te voeren tot de mensen op hoge, machtige posities, die deze intimidatie op laag niveau niet alleen toestonden, maar zelfs actief aanmoedigden. Toen Mohammed Bouazizi zichzelf in brand stak, wekte dat zo veel verontwaardiging bij de Tunesiërs dat ze alles op het spel zetten voor de vrijheid. Het recht kreeg met de vlucht van Ben Ali eindelijk zijn beloop. ‘Toen Ben Ali wegging, was dat een prachtig moment,’ kreeg ik te horen van een jonge vrouw die in Tunis de straat op was gegaan om tegen hem te protesteren. ‘Ik wist niet dat mensen zo blij konden zijn.’

    Verrast

    In de regeringsburelen van Frankrijk heerste die dag, anders dan onder de Tunesische bevolking in Parijs, geen jubelstemming. De val van Ben Ali was wel het laatste wat de Franse regering had gewild. Vanaf het moment dat hij in 1987 aan de macht kwam, hadden de opeenvolgende Franse leiders zich achter zijn regime geschaard, daartoe aangezet door zijn verwijzingen naar Algerije en de mogelijke dreiging van islamistisch terrorisme in Tunesië. De Fransen hadden Ben Ali op zijn woord geloofd en zich blind gehouden voor de wanpraktijken waarvan hij zich bediende om in Tunesië de ‘stabiliteit’ te handhaven. Daarnaast hadden ze in de veronderstelling verkeerd dat zijn positie onaantastbaar was.

    ‘We werden verrast,’ zei Henri Guaino, speciaal adviseur van Nicolas Sarkozy op het terrein van mediterrane aangelegenheden. ‘Niemand had door wat er gaande was. Het ging allemaal heel snel, een reeks gebeurtenissen waardoor de boel razendsnel uit de hand liep.’ Verder gaf hij toe: ‘Ik was niet waakzaam genoeg geweest ten aanzien van de ontwikkeling van het regime en de Tunesische publieke opinie.’ Dit was wel heel zwak uitgedrukt. Sinds eind jaren tachtig waren de opeenvolgende Franse regeringen verstrikt geraakt in compromitterende en inconsistente relaties met Tunesië. Franse diplomaten hadden al in 1990 melding gemaakt van het brute karakter van Ben Ali’s regime, maar de autoriteiten in Parijs hadden de andere kant op gekeken.

    Michèle Alliot-Marie, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, zette zich op 11 januari 2011 schandelijk te kijk toen ze ten overstaan van de Nationale Assemblee in Parijs meedeelde dat de opstand in Tunesië ‘een complexe situatie’ was, en dat het niet aan de Franse regering was om ‘het regime de les te lezen’. Een arrogantere en zelfgenoegzamere verklaring was moeilijk voorstelbaar op het moment dat het Tunesische volk vocht voor zijn vrijheid. Maar het werd allemaal nog erger: Alliot-Marie bood Ben Ali’s regime vervolgens het ‘wereldbefaamde savoir-faire’ van het Franse leger aan en zei bereid te zijn dit ‘savoir-faire’ over te laten brengen naar Tunis. Alle Assembleeleden, het maakte niet uit van welke partij, reageerden vol ongeloof. Bedoelde de Franse minister daadwerkelijk dat Franse soldaten of politiemensen ingezet zouden worden om de mensenmenigten in Tunis onder vuur te nemen?

    Sarkozy nam in het openbaar onmiddellijk afstand van haar – zijn adviseur deelde mee dat Alliot-Marie haar ‘eigen persoonlijke analyse van de situatie’ had gegeven. Links reageerde trager, deels omdat veel linkse politici, onder wie de burgemeester van Parijs, zelf problemen hadden met Tunesië. In de regio en in de banlieues van Frankrijk wekte de toespraak echter woede. In Algerije stelde het dagblad Liberté dat Michèle Alliot-Marie in haar arrogantie ‘kennelijk niet bang is om de herinneringen op te rakelen van mensen die in het verleden al kennis hebben gemaakt met het militaire “savoir-faire” van Frankrijk. Deze herinneringen zijn feiten: ten aanzien van Algerije kunnen we terugdenken aan 11 december 1960 in Algiers, in de wijk Belcourt, en aan 17 oktober in Parijs in 1961 – om slechts twee voorbeelden te noemen.’ Tunesische bloggers – bloggen was inmiddels de voornaamste vorm van communicatie in het land – waren furieus en sarcastisch. ‘Merci la France!’ luidde de reactie in een campagne op Facebook.

    De controverse liep in de volgende paar dagen nog hoger op toen aan het licht kwam dat Alliot-Marie, die hechte vriendschappelijke banden onderhield met Ben Ali, de kerst van 2010 had doorgebracht in een luxeresort in Tabarka, en dat ze daarheen was gereisd in een privévliegtuig van een goede vriend van Ben Ali, die tevens een crimineel was. Daarna werd bekend dat ze recent een appartement had gekocht in het vakantiecomplex te Gammarth niet ver van Tunis. En ondertussen ging Tunesië op in vlammen.

    Deze Franse dubbelhartigheid wekte bij de Tunesiërs amper verbazing. In de voorbije paar jaar hadden ze moeten aanzien hoe Ben Ali en zijn familie en vrienden schatrijk waren geworden door de natie te plunderen. Tunesië was geen rijk Arabisch land – het heeft bijvoorbeeld geen inkomsten uit olie. Maar dit weerhield Ben Ali en zijn kompanen er niet van om zich de nationale hulpbronnen toe te eigenen en het geld te spenderen in Frankrijk.

    Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn “echte hoofdstad”, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan

    Toen ik op een middag in de herfst van 2012 in Tunis uit het vliegtuig stapte, waren er vrijwel geen andere westerlingen te bekennen. Ik zag meteen dat alles was veranderd na mijn laatste bezoek in 2011. Ik had Tunis vanaf 2005 vrij vaak bezocht, maar sinds de revolutie was ik er niet meer geweest. De stad had nu een heel ander aanzien.

    Tijdens de korte rit van het vliegveld naar de stad zagen de buitenwijken er smeriger en vervallener uit dan tevoren. De meest in het oog lopende verandering in de stad was de afwezigheid van de enorme portretten van Ben Ali, die tot de revolutie langs elke hoofdstraat in en rond de stad hadden gestaan. Toen we het stadscentrum in reden, was er overal graffiti te zien, vaak in diverse talen, niet alleen het Arabisch; in de graffiti in het Engels, Frans en Spaans werd opgeroepen tot meer revolutie en de oorlog verklaard aan het Westen en iedereen die de islam haatte.

    Een paar dagen eerder was de Amerikaanse ambassade in Tunis belaagd en de American School in brand gestoken door een salafistische menigte die naar verluidt demonstreerde tegen de provocerende anti-islamitische film The Innocence of Muslims. Slechts een paar dagen hiervoor was de Amerikaanse ambassadeur in Libië vermoord door een jihadistische militie. De Amerikanen hadden in Tunesië al hun personeel en burgers weggehaald om de Tunesiërs duidelijk te maken dat ze niet gediend waren van agressie. De sfeer werd nog onbestendiger door de publicatie in Frankrijk van afbeeldingen van de Profeet in het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Toen de salafisten daarna met doodsbedreigingen kwamen, achtte de aanzienlijke populatie Fransen in Tunesië het verstandiger om niet meer de straat op te gaan en thuis te blijven.

    Bij mijn vorige bezoeken aan Tunis was het er steeds makkelijk werken geweest, vond ik; het was er veilig en alles was goed geregeld. Maar ondanks de schoonheid en ogenschijnlijke orde had het leven in Tunesië altijd een geheime en sinistere kant. Je had er niet te maken met het soort geweld en extremisme waardoor Algerije werd geteisterd, en de armoede was er minder schrijnend dan in Marokko. Desalniettemin deed Tunesië me denken aan mijn tijd in Roemenië begin jaren negentig, waar gewone mensen zelfs na de val van Ceausescu nog zo bang waren dat ze liever niet zeiden wat ze werkelijk dachten. De Roemenen noemden dit ‘zelfcensuur’ en zeiden dat het veel effectiever was dan de Securitate, de geheime politie. Bijna iedereen die ik voor de revolutie ontmoette in Tunesië, had zich deze gewoonte eigengemaakt. Het was een land waar je met niemand echt contact kon krijgen. De geheime politie was overal, luisterde overal mee en hield alles in de gaten. Maar feitelijk was hun werk overbodig, want de mensen durfden sowieso geen kritiek te leveren op de regering.

    Toen de journalist Christopher Hitchens in 2007 hier was om een stuk voor Vanity Fair te schrijven, noteerde hij dat zijn vriend Edward Said hem had verteld dat Tunesië het ‘aangenaamste land van Afrika’ was. Hij werd niet teleurgesteld: de elegantie van de avenue Habib Bourguiba, de verkeersslagader in Tunis, sprak hem zeer aan, en datzelfde gold voor de olijfgaarden en de adembenemende pracht van het eiland Djerba (waar in 2002 overigens negentien toeristen waren omgekomen bij een aanslag van Al-Qaida). Tunesië was in Hitchens’ ogen een ‘mild’ land, en hoewel hij vraagtekens had bij de twintig jaar dat Ben Ali aan de macht was, de alomtegenwoordigheid van diens portret en de onwil van de mensen om over politiek te praten, was het voor hem bemoedigend dat je er anticonceptiemiddelen kon krijgen, dat jonge men- sen elkaars hand vasthielden, dat er andere duidelijk zichtbare tekenen van ‘westerse waarden’ te bespeuren waren, en dat er onverschilligheid heerste ten aanzien van de puriteinse waarden van het islamisme. Dit was wat iedereen zag wanneer je voor het eerst in Tunesië was. Onder de oppervlakte telde de Tunesische werkelijkheid echter tal van wrange facetten die de psyche van de natie niet onberoerd lieten.

    Net als in Algerije en Marokko behoorden voetbalwedstrijden tot de schaarse gelegenheden waar je een glimp kon opvangen van de innerlijke woede van de Tunesiërs. In september 2008 zag ik hoe een groep van niet meer dan honderd fans van Espérance Sportive Tunis – de grootste club van het land – het in de achterafstraten rond place de Carthage en place de Barcelone opnam tegen de oproerpolitie. Wat vooral indruk op mij maakte, was dat de ‘hooligans’ behendig en goedgeorganiseerd te werk gingen – ze vormden een beweeglijke, voortdurende veranderende formatie, maar bleven desondanks een solide geheel. Ze sloegen ruiten stuk en trokken al schreeuwend door de stegen en straatjes. Ze hadden de situatie volledig onder controle en vonden het zo te zien prachtig om het gevecht aan te gaan met de voetsoldaten van het regime. Later sprak ik in bar Celestina, een met rook gevuld dranklokaal nabij het metrostation, met een aantal van hen. Ze maakten meteen al duidelijk dat ze niet vochten met fans van andere clubs, alleen met de politie, die de gewapende vleugel van de regering vormde. Niemand had het over Ben Ali, maar hij was uiteraard de grote vijand.

    En de andere grote vijand waren de Fransen. Tunesië was ten tijde van Ben Ali onofficieel Frankrijks meest begunstigde natie in de Maghreb. De banden tussen Ben Ali en een reeks Franse presidenten, van Mitterrand tot Chirac en Sarkozy, waren altijd stevig. Ben Ali reisde vaak naar Parijs, zijn ‘echte hoofdstad’, waar hij leefde in overdaad en niet alleen de Franse elite paaide, maar ook de meer dubieuze figuren binnen de Trabelsiclan. Ben Ali’s tweede vrouw Leila was lid van de Trabelsifamilie, een maffia-achtige organisatie met onderkomens in de duurste quartiers van Parijs en Nice die in Tunesië feitelijk de dienst uitmaakte als was het hun persoonlijke bezit. De Tunesiërs wisten dat de val van Ben Ali niet alleen was toe te schrijven aan de ideologische steriliteit van zijn regering, maar ook aan het feit dat op korte termijn aan het licht zou komen dat hij het land samen met de Trabelsi’s flink had geplunderd. Dat was de reden waarom hij zo snel Tunesië ontvluchtte.

    De rebellie duurde slechts vier weken. Maar het veranderde alles in Tunesië en de rest van de Arabische wereld: gewone mensen van Marokko tot Jemen raakten zo begeesterd dat ze hun angst opzijzetten en zich tegen hun leiders keerden. De meeste Tunesiërs, niet alleen de salafisten, voelen zich nu tweemaal verraden door Frankrijk, het land dat de politieke en culturele identiteit van Tunesië ruim een eeuw lang heeft gedomineerd en vormgegeven. Of ze nu wilden of niet, ze waren opgegroeid in de overtuiging dat Frankrijk hun moederland was, en dat de Fransen het beste met hen voorhadden. Nu was echter in de onstuimige tijd van de revolutie gebleken dat Frankrijk een cynische en corrupte vijand was.


    Op 14 oktober 2008 was er ’s avonds in het Stade de France een vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Tunesië. Sinds de rellen in Clichy-sous-Bois in 2005 waren wedstrijden tegen Noord-Afrikaanse teams aldoor een potentiële aanleiding geweest voor trammelant in Parijs. Niettemin werd Tunesië voor een minder instabiel en gevaarlijk land gehouden dan Marokko of Algerije en werden Tunesiërs in Parijs niet beschouwd als gangsters of islamitische radicalen. Maar om mogelijke spanningen weg te nemen hadden de autoriteiten besloten dat de elftallen voor aanvang door elkaar in de rij zouden gaan staan, en dat de ‘Marseillaise’ gezongen zou worden door Laam, een jonge r&b-zangeres van Frans-Tunesische komaf.

    Zodra Laam de microfoon oppakte, begon het gefluit, en algauw klonk het zo hard dat het van links naar rechts door het stadion galmde. De jonge vrouw keek om zich heen voor hulp, maar die bleef uit. Ze probeerde er ondanks de orkaan van herrie toch nog iets van terecht te brengen, maar het was hopeloos. Toen ze eindelijk klaar was, lachten de Tunesische fans en gaven ze elkaar high fives alsof ze met 3-0 voorstonden.

    ‘Waar kwam dat vandaan, die muur van haat?’ vroeg ik een Tunesische gozer naast me in de bar waar ik de wedstrijd bekeek. Hij glimlachte sullig en sloeg zijn laatste restje bier achterover: ‘Made in France!’

    Dit is een voorpublicatie uit De Franse intifada van Andrew Hussey, dat onlangs verscheen bij De Arbeiderspers.
    Vertaler: Jan Braks

    ISBN: 9789029510455
    Prijs: € 22,99

    schermafbeelding 2017 03 09 om 10 54 29
  • Tunesiës verloren generatie

    Tunesiës verloren generatie

    Het gaat niet goed met de Tunesische jongeren, die in 2011 nog aan de basis stonden van de Arabische lente. Vijf jaar later lijkt hun droom van een betere toekomst vervlogen. Velen lijden aan apathie en depressie, of vertrekken naar het buitenland.

    Hoe komt het toch dat jonge Tunesiërs zo lamgeslagen zijn, zo apathisch, depressief, ongeïnteresseerd in wat er in hun land gebeurt? De alarmbellen hadden eind 2014 al moeten gaan rinkelen, door de krankzinnig lage opkomst onder jongeren bij de verkiezingen voor het presidentschap en het parlement. Zij bleven toen liever in de cafés hangen dan in de rij te gaan staan voor het stemlokaal. De vele partijen in Tunesië slagen er niet in om jongeren te motiveren voor een actieve rol in het politieke leven. Bij organisaties als de scouting, scholierenverenigingen en studentenbonden zijn bespottelijk weinig jonge mensen aangesloten. Hetzelfde geldt voor de burgerlijke organisaties.

    Dat is geen teken van gebrek aan liefde voor hun land of van verlies aan nationalistisch sentiment. De jonge Tunesiërs houden van hun land en zijn bereid de vlag ervan te verdedigen. Maar hun land geeft ze niet meer de kans om te dromen. Het is duidelijk dat dit te maken heeft met de jaren van ondeugdelijk onderwijs en onsamenhangende overheidsprogramma’s. Het is duidelijk dat de jaren van dictatuur en demagogie de magische band die een kind verbindt met zijn geboorteland hebben verbroken.

    Weggaan uit Tunesië is weggaan van alles wat me tegenstaat in mijn land. Het is mezelf bevrijden, want hier stik ik

    Jongeren willen weg, en niet alleen naar rijke landen. Sommigen hebben er helaas voor gekozen om naar Syrië, Irak of Libië te gaan en zich bij jihadistische groepen te voegen. De roep van het buitenland blijkt sterk. De meeste jongeren worden erdoor gehypnotiseerd en niemand weet hoe dat te verklaren is, of in te dammen.

    Eind november verdrong zich een menigte scholieren voor de ingang van Hotel Africa, waar een beurs over studeren in Canada plaatsvond. Ik vroeg een meisje waarom ze naar Canada wilde, terwijl er in Tunesië toch universiteiten genoeg zijn. Ze antwoordde: ‘Ik wil daarheen omdat ik genoeg heb van het leven hier. De smerigheid, het slechte onderwijs, het gebrek aan respect voor meisjes, de kwaliteit van leven. Ik wil erheen want ik weet zeker dat ik daar een diploma kan halen waarmee ik straks een baan kan vinden. Dan kan ik overal ter wereld werken. Weggaan uit Tunesië is weggaan van alles wat me tegenstaat in mijn land. Het is mezelf bevrijden, want hier stik ik!’ Andere jongeren mengden zich in het gesprek. Allemaal vertelden ze hoe verstikt ze zich voelden en hoe graag ze weg wilden.

    Naar het buitenland gaan, de band met je familie, je land verbreken, is een nieuw verschijnsel. In de periode 1960-1980 zijn generaties jonge Tunesiërs in Frankrijk of elders gaan studeren, maar de meesten kwamen terug om in Tunesië te gaan leven en werken. Sinds 1990 komen degenen die vertrokken zijn niet of nauwelijks meer terug. Waarom? Dit is geen puur economisch verschijnsel. Veel jongeren die dromen van een vertrek naar het buitenland, komen uit welgestelde families en kennen geen financieel gebrek.

    In werkelijkheid lijdt een aanzienlijk deel van de jonge Tunesiërs aan een vorm van depressie. Niet het type depressie waarvoor mensen bij de psychiater aankloppen, maar een kwaadaardiger vorm, die besluitvaardigheid verlamt, dromen blokkeert, de ziel niet vervult van triestheid maar van apathie, en waardoor tegelijkertijd de enige vreugde niet meer is om iets van jezelf te maken, maar om bij de groep te horen. Vertrekken is voor deze jongeren de enige hoop om hieruit te komen. Ver weg gaan. Naar een plek waar ze niet geconfronteerd worden met al die dingen die de oorzaak zijn van hun huidige wanhoop. De scholen die niet meer onderwijzen en waar je dus weinig leert; de smerige en lelijke straten waar verbaal geweld en onbeleefdheid van voorbijgangers samengaan; de niet-functionerende overheidsinstellingen waarbij alleen al de simpele stap om ernaartoe te gaan een oneindige moed vergt; het schandelijke gebrek aan plekken waar de jongere zich kan ontspannen en ontwikkelen, zonder de alomtegenwoordige blik van smokkelbendes of groepen extremisten die proberen de dienst uit te maken in de volkswijken.


    Seksualiteit is ook een probleem. De gemiddelde leeftijd om te trouwen ligt rond de dertig jaar en de sociale druk is zo groot, dat weinig jongeren een seksuele relatie kunnen hebben. De enige mogelijke sublimatie blijft zelfbevrediging bij de ononderbroken stroom onrealistische beelden, of vluchten in drugs of in een kille religiositeit.

    Maar vertrekken blijft verreweg de meest gedroomde weg om te ontsnappen uit de gevangenis zonder muren die dit land is geworden. Een manier om in afwachting daarvan de spanning te verkleinen is het café. Je hoeft maar door de straten van de Tunesische steden te lopen en je ziet het: talloze cafés, soms salon de thé genoemd, vol jonge en wat minder jonge mensen die er een groot deel van de dag en de nacht doorbrengen met roken, praten, flirten, leven.

    Bijna niemand leest een boek of een krant, sommigen zijn verdiept in hun smartphone of tablet, anderen zitten te kaarten, maar de meesten kletsen, discussiëren, verbeteren de wereld in elke zin en in alle talen. In de grote steden hebben velen zo te horen een universitaire studie achter de rug. Toch zijn er maar weinig die een vreemde taal goed beheersen of iets met hun handen kunnen. Vrijwel niemand heeft werkervaring, afgezien misschien van een paar weken in een callcenter. Bijna allemaal leven ze op kosten van hun ouders. Ze wachten tot de overheid iets voor hen doet, tot de dingen veranderen, maar ze wachten alleen maar.

    De tijd is een andere dimensie van hun ruimte geworden. Ze laten hem voorbijgaan, rustig, langzaam, sommigen versnellen hem een beetje door heimelijk een joint te roken, stiekem gekocht bij de dealer op de hoek. Elk café heeft zijn eigen clientèle, zijn eigen publiek. Hier zijn het rijken, daar mensen uit het zakenleven, elders studenten en scholieren. De allerarmsten hebben ook hun eigen plekken. De verschillende groepen gaan niet met elkaar om. In de theesalons en de chique cafés zijn vrouwen aanwezig, maar zodra je in de minder rijke voorsteden komt, zie je alleen nog mannelijke klanten. Een minderheid trekt aan het eind van de dag naar de bars die alcohol schenken, maar de grote meerderheid blijft de cafeïne trouw.

    In de cafés op het platteland zitten de verschillende leeftijden en sociale klassen door elkaar. Maar daar zul je geen vrouwen aantreffen, alleen mannen. Sommigen verkopen of kopen er iets, of onderhandelen, maar de rest praat, rookt, laat de tijd voorbijgaan en klaagt over de regen, het werk, de toekomst, de staat.

    Herfstbladeren

    Wie als buitenlander in Tunesië komt, kan alleen maar verbaasd staan over dit land waar zo’n groot deel van de bevolking – bijna 30 procent van de Tunesiërs is tussen de vijftien en dertig jaar – vastzit, stilstaat. Deze jongeren, die vaak een diploma bezitten en cultureel onderlegd zijn, hebben aan de basis gestaan van de revolutie van 14 januari 2011, de ‘Arabische lente’. En nu zijn ze toeschouwers van hun eigen toekomst geworden, herfstbladeren die door de wind in het rond worden geblazen en alleen bestaan om het bestaan.

    Hoe overwin je die depressieve toestand, die leidt tot stilstand, vluchten en soms zelfmoord? Wat is er nodig om de jongeren hun ambitie te laten terugvinden, het verlangen om te leven en iets op te bouwen in hun land? Hoe is deze vicieuze cirkel te doorbreken waarin Tunesië jaar na jaar wordt beroofd van zijn beste kinderen, die andere landen gaan dienen en verrijken? Hoe kunnen we, kortom, de sociale realiteit van de Tunesiërs veranderen? Tunesië is ziek en we kunnen alleen maar hopen dat degenen die het land willen genezen, allereerst de juiste diagnose stellen.

    Auteur: Sofiane Zribi

    Beeld bovenaan: © YouTube

    Leaders
    Tunesië | leaders.com.tn

    Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.
  • De terroristen zijn onder ons

    De terroristen zijn onder ons

    Een Tunesische journalist wijt het toenemende terroristische geweld in zijn land aan de islamisering die werd ingezet onder het bewind van de Ennahda-partij in 2011.

    Sinds 7 maart vinden in Ben Guerdane gewelddadige confrontaties plaats tussen het leger en terroristische elementen. Het kleine stadje in het zuidoosten, aan de grens met Libië, staat in vuur en vlam; er zijn negentien doden gevallen: twaalf soldaten en zeven burgers. Een aanval als deze hebben we nog niet eerder meegemaakt. Hoe is het mogelijk dat terroristen op ons grondgebied kunnen toeslaan met de bedoeling om er een IS-kalifaat te vestigen?

    Natuurlijk heeft het alles te maken met de situatie in de regio: het naburige Libië valt uit elkaar en terroristische organisaties floreren er. Verder is Tunesië de speelbal van geopolitieke belangen. Onderwijl probeert het land zo goed en zo kwaad als het gaat het hoofd boven water te houden.

    Laten we niet vergeten dat er momenteel meer dan vijfduizend Tunesische jihadisten in Syrië, Irak en Libië vechten

    Uiteraard kunnen de toename van terroristische aanslagen in ons land en de verslechterde veiligheidssituatie niet los worden gezien van deze grotere internationale ontwikkelingen. Ons land staat zeker niet buiten de wereldpolitiek. Maar toch zijn er ook specifiek Tunesische factoren die de groeiende macht van de religieuze radicalen mogelijk hebben gemaakt, of er zelfs aan hebben bijgedragen. Zo hebben we de weg geplaveid voor de indoctrinatie van duizenden jongeren die zich bij terroristische groeperingen willen aansluiten. Laten we niet vergeten dat er momenteel meer dan vijfduizend Tunesische jihadisten in Syrië, Irak en Libië vechten.

    In de periode dat [de islamistische partij] Ennahda in Tunesië aan de macht was (tussen november 2011 en januari 2014), werd de Tunesische maatschappij in rap tempo islamitischer. Religieuze facties droegen de ideologie van de politieke islam uit waar ze maar konden. Moskeeën werden met geweld bezet door extremistische imams, die een terugkeer naar de sharia predikten en een boodschap uitdroegen van haat jegens ongelovigen. Dit liep al snel uit de hand. De religieuze sfeer vermengde zich met de politieke en tegenstanders werden gedenigreerd of voor ongelovigen uitgemaakt. Hier en daar werd zelfs opgeroepen hen te doden. De publieke ruimte was al evenmin veilig: voor de deur van scholen werden gebedstenten opgesteld, ongehinderd door de autoriteiten. Indoctrinatie was overal.

    Obscurantisme

    Vanaf 2012 luidden leger, burgers en politici de alarmbel over de onstuitbare opkomst van radicale bewegingen; men zag hierin terecht een risico voor de toekomst. Waarschuwingen werden niet gehoord, of men deed of men ze niet hoorde. De leider van Ennahda, Rached Ghannouchi, vertelde hoezeer zijn salafistische kinderen hem deden terugdenken aan zijn jeugd, en zei blij te zijn dat zij ‘een nieuwe cultuur willen’. In 2012 kwam er een video-opname naar buiten waarop te zien was hoe hij een delegatie van salafisten ontving, sprak over de lessen van de recente Algerijnse geschiedenis en de strijders opriep geduld te hebben en het project van islamisering stap voor stap te volbrengen. Dit was volgens Ghannouchi nodig omdat noch de media, noch het veiligheidsapparaat en het leger, noch de Tunesische regering (al) overtuigd waren van de noodzaak ervan.


    Ook hebben we in Tunesië te maken met een toestroom van buitenlandse predikers, die ideeën van zuiver wahabistische snit komen uitdragen. Er worden lezingenseries georganiseerd, en op deze surrealistische bijeenkomsten valt een mengeling van obscurantisme en radicalisme te beluisteren. De leiders van Ennahda en van het Congres voor de Republiek [CPR, centrum-linkse partij die tweede werd bij de verkiezingen van 2011] heetten deze types, die uit alle uithoeken kwamen om de sharia en de besnijdenis van kleine meisjes te bepleiten, allerhartelijkst welkom.

    Maar dat was nog maar het begin. In datzelfde jaar 2012 ontstond er ongerustheid over de aanwezigheid van terroristen in de westelijke hooglanden, om precies te zijn op de flanken van de berg Chaambi [op de grens met Algerije; bij de strijd van het leger en de nationale garde tegen de daar verschanste terroristen vielen meerdere doden]. De woordvoerder van minister van Binnenlandse Zaken Khaled Tarouche becommentarieerde deze zorgwekkende situatie door luchtig op te merken dat het maar om een paar sportievelingen ging die iets aan hun verhoogde cholesterol probeerden te doen. We weten allemaal hoe dat afliep.

    Slachtofferrol

    Nu hebben de leiders van Ennahda voor een slachtofferrol gekozen en roepen ze luid dat ze worden vervolgd. Je hoort overal: ‘Eerst was het schrikbeeld Ennahda, nu zijn het de salafisten, maar we zijn niet van plan om de confrontatie met die groepen aan te gaan.’

    Zo kon het gebeuren dat er op de Avenue Habib Bourguiba, in het centrum van Tunis, een grote manifestatie plaatsvond van salafisten die de invoering van de sharia eiste. Verder was er in Kairouan een grote bijeenkomst van Ansar Al-sharia, een beweging die na de aanval op de Amerikaanse ambassade in september 2012 als terroristisch was aangemerkt. Leider Abou Iyadh [de man achter deze aanslag] ontving mensen als Sadok Chourou en Habib Ellouze van Ennahda, evenals Abderraouf Ayadi van het CPR. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Ali Larayedh had deze Abou Iyadh na de aanslag op de Amerikaanse ambassade laten lopen, waarna hij kon uitgroeien tot onze nationale volksvijand nummer één. Op een cruciaal moment was hij door het leger ingesloten in de El Fath-moskee [in het centrum van Tunis]. De troepen wachtten alleen nog op het bevel van de minister van Buitenlandse Zaken om hem te overmeesteren, dat niet kwam. Ongehinderd kon de leider van Ansar Al-sharia toen door medestanders over de grens met Libië worden gesmokkeld.

    Tunesische politieagenten protesteren bij het huis van de premier in Tunis. Ze eisen meer geld en betere werkomstandigheden nu ze geregeld worden aangevallen door islamistische militanten. – © Zoubeir Souissi / Reuters
    Tunesische politieagenten protesteren bij het huis van de premier in Tunis. Ze eisen meer geld en betere werkomstandigheden nu ze geregeld worden aangevallen door islamistische militanten. – © Zoubeir Souissi / Reuters

    Deze politici zagen in hem als niet meer dan een vogelverschrikker, maar uiteindelijk groeide hij uit tot een serieuze bedreiging van de staatsveiligheid. Met de moorden op Chokri Belaïd [op 6 februari 2013], Mohammed Brahmi [op 25 juli 2013] en tientallen van onze dappere soldaten, en met de talloze aanslagen waarvan die in Ben Guerdane tot nog toe de laatste was, lijkt aan deze bloedige periode voorlopig nog geen einde gekomen.

    Toen in 2015 de partij Nidaa Tounes aan de macht kwam [de centrumpartij die de parlementsverkiezingen van oktober 2014 won, evenals de presidentsverkiezingen van december 2014], haalde een groot deel van onze maatschappij opgelucht adem en dacht dat de veiligheidssituatie nu snel zou gaan verbeteren. Helemaal omdat Nidaa zich aanvankelijk een onverzettelijk tegenstander van de islamistische beweging Ennahda betoonde. Maar sindsdien zijn Nidaa en Ennahda alweer vriendjes geworden en is alles wat er is voorgevallen met de mantel der liefde bedekt.

    Auteur: Ikhlas Latif

    Business News
    Tunesië businessnews.com.tn

    Business News is een onlinetijdschrift gericht op politiek, economie en technologie

    CONTEXT: Opgeleid in Libië

    ‘Volgens een woordvoerder van de afdeling terreurbestrijding van het ministerie van Justitie zijn de lichamen van de 22 terroristen die op 7 maart
werden gedood bij de drievoudige aan-val op Ben Guerdane geïdentificeerd. Het zijn allen Tunesiërs,’ bericht La Presse.

    De klopjacht op de terroristen is voortgezet en in totaal zijn er vijftig gedood en acht gearresteerd. Zij waren opgeleid in Sabratha en in Sirte, in Libië, en hun doel was een kalifaat te
vestigen volgens de regels van de sharia. 
Maar de bevolking is de straat op gegaan ‘om hen met stenen te verdrijven’ en de regeringstroepen te ondersteunen, benadrukt Business News.

    Premier Habib Essid heeft de Tunesiërs opgeroepen om giften te doen aan 
het Nationale Fonds voor Terreurbestrijding.