Tag: USA

  • Een ongelooflijk verhaal

    Een ongelooflijk verhaal

    Een achttienjarig meisje vertelt dat ze is verkracht onder bedreiging met een mes. Vervolgens zegt ze dat ze het allemaal heeft verzonnen. Daar begint dit verhaal, dat werd bekroond met een Pulitzerprijs 2016.

    12 MAART 2009

    Lynnwood, Washington

    Er komt die dag niemand met haar mee naar de zitting, behalve haar pro-deoadvocaat. 
Ze is achttien jaar, haar wordt een ernstige overtreding ten laste gelegd, waarvoor ze tot een 
jaar gevangenisstraf kan krijgen.

    Overtredingen krijgen meestal maar weinig aandacht. Haar zaak is een van de 4859 zaken die in 2008 zijn voorgekomen in de Lynnwood Municipal Court, een rechtbank die tot doel heeft ‘om mensen zich beter 
te laten gedragen – om Lynnwood een prettigere, veiligere en gezondere plek te maken om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren’.

    Maar haar overtreding heeft de kranten gehaald en daarmee komt de nieuwsgierigheid los, maar ook, wat erger is, de hoon. De zaak maakt korte metten met de onlangs verworven onafhankelijkheid die 
zo belangrijk voor haar is na een geschiedenis van pleeggezinnen. De zaak maakt korte metten met haar gevoel van eigenwaarde. Elke keer dat de telefoon begint te rinkelen lijkt er weer iemand de vriendschap te willen opzeggen. Een vriendin uit 
de eindexamenklas belt op met de vraag: Hoe kun je over zoiets liegen? Marie – zo heet ze, Marie – zegt geen woord. Ze luistert alleen maar, hangt dan op. Zelfs haar pleegouders beginnen aan haar te twijfelen. Ze begint aan zichzelf te twijfelen, vraagt zich 
af of er misschien iets mis is met haar.

    Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest

    Ze heeft aangifte gedaan van verkrachting, in haar eigen appartement, door een man die haar heeft vastgebonden en een prop in haar mond heeft gedaan. Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest. Vervolgens geeft ze toe het hele verhaal te hebben verzonnen. Een nieuwszender laat weten: ‘Een vrouw in West-Washington heeft toegegeven dat ze het verhaal 
over een verkrachting eerder deze week uit haar duim heeft gezogen.’ Vervolgens wordt ze aangeklaagd voor het doen van een valse aangifte. Dat is de reden dat ze in de rechtbank moet verschijnen, waar ze 
al dan niet op een schikkingsvoorstel kan ingaan.

    Haar advocaat is verbaasd dat ze is aangeklaagd. Haar verhaal heeft niemand geschaad – er is niemand opgepakt, er is zelfs niemand verhoord. Hij gokt dat de politie zich geschoffeerd voelt. De politie vindt 
het niet fijn om haar tijd te verdoen.

    Het aanbod van de openbaar aanklager is als volgt: als Marie zich het komende jaar aan bepaalde voorwaarden houdt, wordt de aanklacht ingetrokken. 
Ze moet psychologische hulp zoeken omdat ze heeft gelogen. Ze komt voorwaardelijk vrij, maar zal onder toezicht staan. Ze moet zorgen dat ze niet in de fout gaat, dat ze geen wetten overtreedt. En ze moet 500 dollar betalen voor de gerechtelijke kosten.

    Marie wil niets liever dan dit alles achter zich laten. Ze gaat in op het schikkingsvoorstel.

    5 JANUARI 2011

    Golden, Colorado

    Iets na enen op een winterse dag in januari 2011 loopt rechercheur Stacy Galbraith naar een rij eentonige appartementencomplexen, op een flauwe helling in een voorstad van Denver. Op de grond ligt her en der wat sneeuw. Het is winderig 
en vrieskoud. Ze is hier omdat er aangifte is gedaan van een verkrachting.

    Galbraith ziet het slachtoffer staan in een waterig zonnetje voor de deur van haar appartement op de begane grond. Ze is jong, gekleed in een bruine, 
lange jas. In haar ene hand heeft ze een tas met 
spullen. Ze ziet er kalm uit, onaangedaan. Galbraith stelt zichzelf voor. Overal in het appartement zijn mensen van de forensische dienst in de weer. 
Galbraith stelt voor om samen met het slachtoffer 
in een anonieme politieauto te gaan zitten die even verderop staat, zodat ze enige beschutting hebben tegen de ijzige wind.

    De vrouw vertelt Galbraith dat ze 26 is, dat ze een technische opleiding volgt aan een nabijgelegen 
college en dat ze nu vakantie heeft. De vorige avond was ze alleen thuis geweest. Nadat ze een bonenschotel had gemaakt als avondeten, ging ze lekker in bed naar een paar afleveringen kijken van Desperate Housewives, gevolgd door The Big Bang Theory. Uiteindelijk was ze in slaap gesukkeld. Om een uur of acht schrok ze wakker doordat er een man op haar rug dook, die haar tegen de matras drukte. Hij droeg 
een zwart masker, een soort sjaal die hij om zijn hoofd had gebonden. Hij had een pistool in zijn hand, zilverkleurig met zwart. ‘Niet gillen. Eén kik en je bent er geweest,’ zei hij tegen haar.

    Hij wist precies wat hij deed. Hij bond haar handen losjes op haar rug. Uit een grote, zwarte tas haalde hij lange kousen, doorzichtige plastic pumps met roze strikken, glijmiddel, een doosje vochtige doekjes en een flesje water. In de vier uur die volgden verkrachtte hij haar herhaaldelijk. Hij legde het allemaal vast met een digitale camera en dreigde de beelden online te zetten als zij naar de politie zou gaan. Na afloop zei hij dat ze haar tanden moest poetsen en moest douchen. Tegen de tijd dat ze uit de badkamer kwam, was hij verdwenen. Hij had al haar beddengoed 
meegenomen. Eén uiterlijk kenmerk stond haar haarscherp voor de geest: een donkere plek op zijn linkerkuit, zo groot als een ei.

    DNA

    Geschokt hoort Galbraith de vrouw aan. De verkrachting is zo beestachtig; de dader zo bedreven. Er is geen tijd te verliezen. Galbraith zit vlak naast de vrouw, voor in de auto, en ze haalt voorzichtig een paar 
wattenstaafjes over het gezicht van de vrouw om eventueel DNA-materiaal te verzamelen. Vervolgens brengt ze haar naar het St. Anthony North-ziekenhuis. De vrouw krijgt een speciaal medisch-forensisch onderzoek om nog meer DNA-bewijsmateriaal te vergaren. Voor ze met de verpleegster meegaat 
zegt Galbraith: ‘Ik vermoed dat hij dit eerder heeft gedaan.’

    Galbraith keert terug op de plaats delict. Er zijn een handvol agenten en mensen van de forensische dienst bezig. Ze doen buurtonderzoek, maken foto’s in het appartement, keren vuilnisbakken ondersteboven, zoeken overal naar DNA-materiaal, op de muren, op de ramen. Ze zien voetsporen in de sneeuw, die van en naar de achterkant van het appartement lopen, over een kaal terrein. Ze spuiten fluorescerende oranje verf in de voetstappen, zodat ze duidelijk te zien zijn, en maken foto’s. Het is allemaal niet veel. Maar beter dan niets. Een van de agenten zegt dat hij naar het toilet wil. ‘Niets daarvan, gewoon doorwerken!’ zegt Galbraith.

    Als Galbraith die avond naar huis gaat, blijft ze maar malen. ‘Wie is deze man?’ vraagt ze zich af. ‘Hoe krijg ik hem te pakken?’ Galbraith neemt geregeld verkrachtingszaken op zich. Ze is zelf getrouwd, heeft kinderen. Ze kan zich goed inleven in de slachtoffers, die in overgrote meerderheid vrouw zijn. De meesten zijn verkracht door een vriendje of een oude vlam, 
of door iemand die ze hebben ontmoet in het uitgaansleven. In deze gevallen draait het vaak om de vraag of de vrouw al dan niet heeft ingestemd. Heeft de vrouw ‘ja’ gezegd? Vaak een lastige vraag voor zowel politie als openbaar ministerie. Een jury zal niet zomaar iemand naar de gevangenis sturen als het zijn woord is tegen dat van het slachtoffer. Verkrachting door een onbekende komt veel minder vaak voor – slechts in zo’n 13 procent van de gevallen. Maar goed, nu is er het verhaal van deze vrouw. Vertelt ze de waarheid? Of is het een verzinsel, om een uit de hand gelopen seksueel avontuur goed te praten?

    Rechercheur Stacy Galbraith heeft de leiding in de verkrachtingszaak in Golden, Colorado. Ze luistert aandachtig naar het slachtoffer. – © Benjamin Rasmussen
    Rechercheur Stacy Galbraith heeft de leiding in de verkrachtingszaak in Golden, Colorado. Ze luistert aandachtig naar het slachtoffer. – © Benjamin Rasmussen

    In die zin zijn verkrachtingszaken onvergelijkbaar met de meeste andere misdrijven. Er wordt niet alleen geoordeeld over de vraag of de beklaagde schuldig is, maar ook over de vraag in hoeverre het slachtoffer geloofwaardig is. En op het lange, precaire traject van misdrijf naar veroordeling is het de politie die als eerste de feiten weegt. Het is aan de rechercheur om erachter te komen of het slachtoffer al dan niet de waarheid spreekt.

    Galbraith heeft een eenvoudige stelregel: luisteren en verifiëren. ‘Er wordt vaak gezegd: je moet je slachtoffer geloven, je moet je slachtoffer geloven,’ aldus Galbraith. ‘Maar ik geloof niet dat dat de juiste insteek is. Volgens mij gaat het erom dat je naar je slachtoffer moet luisteren. En dan in het verhaal meegaan, of het weerleggen, al naar gelang het 
verdere verloop.’

    Als ze thuiskomt, heeft haar man David de afwas gedaan en de kinderen naar bed gebracht. In de woonkamer laten ze zich ieder op een bank ploffen. Galbraith vertelt wat er die dag is gebeurd. De verkrachter is slim te werk gegaan, hij heeft geprobeerd alle DNA-sporen op de plaats delict te wissen. Voor hij vertrok heeft hij de studente laten zien hoe hij binnen is gekomen, via een glazen schuifdeur. Hij heeft gezegd dat ze het beste een balkje in de sponning kan leggen om toekomstige indringers buiten de deur te houden. Het slachtoffer heeft hem omschreven als een gentleman, zegt Galbraith. Het zal nog knap lastig worden om hem te pakken te krijgen, denkt ze.

    David Galbraith is wel gewend aan dit soort naargeestige verhalen. Ze werken tenslotte allebei bij de politie. Hij werkt in Westminster, zo’n 20 kilometer naar het noordoosten. Golden en Westminster zijn slaapsteden, ingeklemd tussen de wolkenkrabbers in het centrum van Denver en de oprijzende Rockies.

    Dit keer is het anders dan anders. Terwijl David het verhaal aanhoort, komen de details van de zaak hem onrustbarend bekend voor. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze de volgende ochtend meteen contact moet opnemen met het bureau waar hij werkt. ‘Wij hebben er precies zo een,’ zegt hij.

    Lynnwood, Washington

    Ze weet niet of ze op de kleuterschool heeft gezeten.

    Ze weet dat ze honger heeft geleden en hondenvoer heeft gegeten.

    Ze zegt dat ze op haar zesde of zevende onder pleegzorg is komen te vallen.

    Het rapport over Marie – opgesteld door een psychologisch expert die vijf uur lang met haar heeft gepraat – is opgetekend met een klinische afstandelijkheid, en het gaat met name over haar leven voordat ze werd ondergebracht bij pleeggezinnen…

    Ze heeft haar biologische vader slechts één keer gezien.

    Ze zegt dat ze maar weinig weet over haar biologische moeder, die Marie naar eigen zeggen geregeld achterliet bij allerlei vriendjes.

    Ze is zowel seksueel als lichamelijk mishandeld.

    … en daarna: volwassenen, verzorgenden en hulpverleners die komen en gaan, enkele schokkende ervaringen, al dan niet gepaard gaand met misbruik, en een algeheel gebrek aan stabiliteit.

    ‘Ik ben als kind heel veel verhuisd,’ zegt Marie in een interview. ‘Ik heb ook in groepsverband gewoond. Dat laatste twee keer, en ik denk in een stuk of tien, elf pleeggezinnen.’

    ‘Ik gebruikte een stuk of zeven verschillende drugs. En Zoloft is een drug voor volwassenen – dat gebruikte ik op mijn achtste.’

    Marie heeft twee halfbroers en een halfzus van moeders kant. Soms werd ze samen met haar broers en 
haar zus in een pleeggezin geplaatst. Maar meestal werden de kinderen uit elkaar gehaald.

    Niemand legde haar ooit echt uit waarom ze moest verhuizen, of wat er aan de hand was. Ze moest gewoon weer ergens anders heen.

    Toen Marie de puberleeftijd bereikte, leek er een einde te komen aan de jaren van onrust. Haar pleegouders wilden haar adopteren. ‘Ik was echt dol op die mensen en ik maakte veel vrienden,’ zegt Marie.

    Veel kinderen zien als een berg op tegen de eerste dag op de middelbare school. Marie stond echt te popelen. Ze mocht alle vakken volgen die ze wilde. 
Ze had vriendinnen. Ze had eindelijk het gevoel dat ze erbij hoorde.

    Maar op die eerste dag kwam er een maatschappelijk werkster naar school om Marie te vertellen dat het pleeggezin niet langer als zodanig mocht functioneren. Marie kon niet langer bij hen blijven wonen. 
De maatschappelijk werkster kon er verder niets over zeggen.

    ‘Ik moest vooral heel hard huilen,’ zegt Marie. ‘
Ik kreeg iets van twintig minuten om mijn spullen 
te pakken en te vertrekken.’

    In afwachting van een structurelere oplossing trok Marie in bij Shannon McQuery en haar man in Bellevue, een welvarende hightechvoorstad van Seattle. Shannon, een makelaar die al langere tijd pleegkinderen in huis had, kende Marie van bijeenkomsten voor kinderen met een moeilijke achtergrond, en ze voelde zich op een bepaalde manier met Marie verwant.

    Shannon en Marie waren allebei ‘een beetje maf’, om Shannons eigen woorden te gebruiken. ‘We konden om elkaar lachen en we hadden veel lol samen. We leken in veel dingen op elkaar.’ Ondanks alles wat Marie had doorgemaakt was ze niet verbitterd, zegt Shannon. Ze hield contact met eerdere pleeggezinnen. Ze was prima in staat om een gesprek te voeren met volwassenen. Ze ging ’s ochtends zonder problemen naar school.

    ‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien’

    Maar al was Shannon nog zo dol op Marie, ze wist ook dat ze niet zou kunnen blijven, omdat ze al een ander pleegkind in huis hadden dat erg veel aandacht behoefde. ‘We vonden het echt heel erg dat we haar niet bij ons konden houden,’ zegt Shannon.

    Na een paar weken bij Shannon te hebben gewoond ging Marie naar Peggy Cunningham, die als kinderadvocaat werkte in de daklozenopvang. Ze woonde in Lynnwood, een kleinere voorstad op zo’n 20 kilometer ten noorden van Seattle. Marie was Peggy’s eerste pleegkind.

    ‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien,’ zegt Peggy lachend. ‘Maar het was prima. Ik heb een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg en ik had jaren en jaren met kinderen gewerkt. Waarschijnlijk dachten ze bij jeugdzorg: Zij kan het wel aan. Zodoende.’

    In het begin wilde Marie helemaal niet bij Peggy wonen. Marie was gewend aan andere kinderen om zich heen. Peggy had geen kinderen. Marie was dol op honden. Peggy had twee katten. ‘In het begin botsten we nogal,’ zegt Marie. ‘Ik was niet bepaald 
de makkelijkste. Ik heb het gevoel dat mensen vaak een ander beeld van mij hebben dan ikzelf.’

    Peggy, die een vuistdik rapport had gekregen over Maries achtergrond, stond er eigenlijk van te kijken hoe goed ze het deed. Marie had belangstelling voor jongens, tekenen en muziek – of het nou popmuziek, country of gospel was. ‘Ze was heel vrolijk en een en al energie, maar er waren ook momenten dat ze heel geladen was,’ zegt Peggy. Marie wilde niets liever dan erbij horen, wat voor vrijwel alle kinderen geldt. Ze wilde per se een heel vrouwelijke, witte jas met een bontkraag hebben, omdat ze dacht dat meisjes er zo bij hoorden te lopen, maar toen dat niet het geval bleek te zijn, liet ze de jas in de kast hangen.

    Peggy begreep algauw dat de middelbare school waar Marie op zat niet echt geschikt voor haar was – ‘echt van die meidenkliekjes,’ aldus Peggy – en ze ging op zoek naar een school die beter bij haar paste. Daar had Marie het naar haar zin. Ze onderhield nauw contact met Shannon, die grappend zei dat Peggy en zij Marie samen opvoedden – Shannon voor de leuke dingen (laten we lekker gaan varen) en Peggy voor de regels (ik wil dat je zo en zo laat thuis bent).

    Prettig gezelschap

    Via via leerde Marie Jordan Schweitzer kennen, een scholier die een bijbaantje had bij McDonald’s. Uiteindelijk kregen ze verkering. ‘Ze was gewoon heel prettig gezelschap. Het was altijd leuk om met haar te praten,’ zegt Jordan.

    Volgens Marie zelf was de gelukkigste tijd van haar leven zo rond haar zestiende, zeventiende, en de gelukkigste dag van haar leven was misschien wel 
de dag die ze doorbracht met haar beste vriendin, 
die ook in de bovenbouw zat en haar de fijne kneepjes van het fotograferen bijbracht.

    ‘Ik kon echt uren op het strand zitten om naar de ondergaande zon te kijken. Ik deed niets liever. Ze heeft een foto genomen die ik echt prachtig vind. 
We waren naar het strand gegaan, het was een uur 
of zeven ’s avonds, ik weet niet wat ons bezielde, maar ik ging het water in, sprong op uit de golven 
en gooide mijn haar naar achteren.’

    Marie maakte haar school niet af maar probeerde in plaats daarvan een soort staatsexamen te doen. Ze was zeventien en ging tot diep in de nacht uit, wat Peggy zorgen baarde. Er ontstonden spanningen in huis. In het voorjaar van 2008 werd Marie achttien. Ze kon bij Peggy blijven wonen, als ze zich aan bepaalde regels zou houden. Maar Marie wilde op zichzelf gaan wonen.

    Op internet stuitte Peggy op een programma dat onlangs in het leven was geroepen: Project Ladder. Het was het jaar daarvoor opgezet om jongvolwassenen die in pleeggezinnen waren opgegroeid te helpen met de overgang naar een zelfstandig bestaan. Projectmedewerkers zouden de deelnemers bij de hand nemen en ze leren wat de valkuilen waren bij dingen als boodschappen doen, omgaan met een creditcard of een verzekering afsluiten. ‘De spelregels van het leven,’ noemt Marie het. Een van de mooie dingen van Project Ladder was dat men ook zorgde voor gesubsidieerde woonruimte, met voor iedere deelnemer een tweekamerappartementje. ‘Het was een godsgeschenk,’ zegt Peggy.

    Er waren maar een paar plekken, maar Marie wist een plekje te bemachtigen. Ze vond het wel een beetje eng, maar alle huiver werd overwonnen door een gevoel van trots. Ze nam haar intrek in de Alderbrooke Apartments, een rustiek complex dat adverteert met een nabijgelegen winkelcentrum en uitzicht op de watervallen. Marie kreeg ook haar eerste baantje, 
bij [groothandelsketen] Costco, waar ze de klanten bepaalde producten mocht laten proeven. Ze zat er niet mee om zes uur onafgebroken op de been te zijn. Ze vond het leuk om met mensen te kletsen, zonder de druk om iets te moeten verkopen.

    Veel kinderen die uit huis zijn geplaatst raken aan de drugs of belanden in de gevangenis. Maar Marie was er goed doorheen gekomen. ‘Het was fijn om zelfstandig te wonen, zonder alle regels die je in pleeggezinnen hebt,’ zegt Marie. ‘Dit was echt vrijheid. Het was te gek.’

    6 JANUARI 2011

    Golden, Colorado

    De ochtend na de verkrachting in Golden haast Galbraith zich naar haar werk om de tip van haar man na te trekken. Om 9:07 uur stuurt ze een mail naar de politie in Westminster. 
De onderwerpregel is de klemmende vraag: ‘Overeenkomsten verkrachtingszaken?’

    Rechercheur Edna Hendershot in Westminster is net aan haar bureau gaan zitten nadat ze, zoals gebruikelijk, langs Starbucks is gereden voor een Venti, upside-down, skinny caramel macchiato. Ze leest de e-mail, en haar gedachten gaan terug naar vijf maanden eerder, een frisse dinsdag in augustus 2010. In verband met de aangifte van een verkrachting gaat ze naar een appartementencomplex in een arbeiderswijk in het noordwesten van haar stad. Daar vertelt een 59-jarige vrouw dat ze thuis lag te slapen toen er ineens een man boven op haar sprong. Hij droeg een zwart masker. Hij bond haar handen vast. Hij pakte haar roze Sony Cyber-shot-camera en maakte foto’s van haar. Na afloop zei hij dat ze onder de douche moest gaan. Hij zette een keukenwekker zodat ze wist wanneer ze onder de douche vandaan mocht komen. ‘Ik denk niet dat je in de toekomst je ramen nog open laat staan,’ zei de indringer tegen de vrouw, van wie onlangs de man was overleden.


    Krachten bundelen

    Er is meer. Hendershot herinnert zich dat tijdens het onderzoek naar deze zaak een agent haar wees op een voorval in oktober 2009, in Aurora, een voorstadje aan de andere kant van Denver. Destijds had een 65-jarige vrouw de politie verteld dat ze in haar 
eigen huis was verkracht door een man die een zwart sjaaltje om zijn gezicht had geknoopt. Hij had foto’s genomen en gedreigd die op internet te zetten. Tijdens de aanval mepte hij een gele teddybeer van een tafel in haar slaapkamer. ‘Je moet hulp zoeken,’ had de vrouw gezegd, die huismoeder was bij een studentensociëteit. ‘Daar is het al te laat voor,’ had de man geantwoord.

    Rechercheurs willen een zaak soms voor zich houden, uit angst dat er bepaalde details uitlekken die het onderzoek in gevaar kunnen brengen. Ze zijn zich soms niet eens bewust van het bestaan van de FBI-database die jaren geleden is opgezet om recidivisten te pakken, of ze maken er domweg geen gebruik van. Uit onderzoeken blijkt dat het bij een kwart tot 
twee derde van de verkrachters niet om een eenmalig misdrijf gaat.

    Hendershot ziet gelukkig meteen de meerwaarde van samenwerking en de inzet van alle mogelijke middelen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ zegt ze. Galbraith denkt 
er precies zo over. Haar korps is betrekkelijk klein – niet veel meer dan veertig agenten voor een stadje met twintigduizend inwoners. Niets ligt meer voor de hand dan de krachten te bundelen. ‘Ik heb er geen moeite mee om hulp in te roepen,’ zegt Galbraith. ‘Laten we alles op alles zetten om hem te pakken.’

    Een week later zitten Galbraith, Hendershot en rechercheur Scott Burgess uit Aurora samen aan een vergadertafel op het politiebureau van Westminster. Ze leggen hun bevindingen naast elkaar. De beschrijvingen van de verkrachter komen overeen. Net als zijn werkwijze. En er is nog een houvast: de vrouw in de zaak van Galbraith is gedurende de hele, afschuwelijke ervaring scherp gebleven, heeft geprobeerd zo veel mogelijk details te onthouden. Het fototoestel dat de verkrachter gebruikte staat haar scherp voor de geest. Een roze, digitale Sony-camera – een omschrijving die overeenkomt met het toestel dat is gestolen uit het appartement van het slachtoffer in Westminster.

    Galbraith en Hendershot ontmoeten elkaar voor het eerst op die bespreking. De jacht op de verkrachter smeedt een sterke band tussen de twee rechercheurs – beide vrouwen functioneren in een mannenwereld. In Amerika bestaat het politieapparaat voor gemiddeld zo’n 13 procent uit vrouwen. Het is nog altijd een echt mannenbolwerk, vaak met een hiërarchische en militaristische structuur. Maar de beide vrouwen hebben zich een plaats weten te verwerven binnen deze organisatie. Ze zijn opgeklommen.

    Edna Hendershot heeft in haar loopbaan al meer dan honderd verkrachtingszaken onderzocht, als ze de krachten bundelt met Galbraith. – © Benjamin Rasmussen
    Edna Hendershot heeft in haar loopbaan al meer dan honderd verkrachtingszaken onderzocht, als ze de krachten bundelt met Galbraith. – © Benjamin Rasmussen

    Het klikt meteen tussen beide vrouwen. Ze dragen allebei het hart op de tong. Ze maken veel grappen 
en zijn goedlachs. Galbraith is jonger. Ze is een en al energie. ‘Die stormt met 150 kilometer per uur een bepaalde kant op,’ zegt een collega. Hendershot 
heeft meer ervaring. Ze heeft al meer dan honderd verkrachtingszaken gedaan. Ze is behoedzaam, onvermoeibaar, precies – de vrouwen vullen elkaar perfect aan. ‘Met 150 kilometer per uur zie je soms bepaalde broodkruimels over het hoofd,’ aldus dezelfde collega.

    De aanvankelijke pogingen om de verkrachter op te sporen leveren weinig op. De politie in Galbraith weet beelden te bemachtigen van een beveiligingscamera waarop de ingang is te zien van het gebouw waar Galbraiths slachtoffer is belaagd. Een collega-rechercheur bekijkt meer dan twaalf uur korrelig beeldmateriaal. Hij registreert heel nauwgezet 261 auto’s en mensen die in de nacht van het voorval 
zijn gekomen of gegaan. Er is één aanwijzing die misschien bruikbaar is. In de uren vlak voordat de zon opkomt, duikt tot tien keer toe een witte Mazda pick-up op in de beelden. Misschien de verkrachter die wachtte tot de vrouw in slaap was gevallen? Maar pogingen om de eigenaar van de auto te 
achterhalen zijn vruchteloos. Het nummerbord is onleesbaar.

    In de weken die volgen lopen steeds meer sporen dood. Hendershot probeert het met de database die is bedoeld om verkrachters te pakken door zaken in verschillende jurisdicties aan elkaar te koppelen. Het levert enkele doodlopende sporen op. De frustratie neemt toe. ‘Hij gaat nog een slachtoffer maken,’ sombert Galbraith.

    Honingraatmotief

    Eind januari besluiten de rechercheurs dat ze hun onderzoeksterrein moeten verbreden. Hendershot vraagt een van de misdaadanalisten van haar korps om bij andere korpsen naar soortgelijke misdrijven 
te speuren. De analist stuit op een incident in Lakewood, ook een voorstad van Denver, dat ongeveer een maand voor de verkrachting in Westminster heeft plaatsgevonden. Destijds heeft de politie de zaak afgedaan als een inbraak. Maar in dit nieuwe licht bezien heeft het veel weg van een mislukte poging tot verkrachting, en de dader vertoont veel overeenkomsten met de beschrijving van de verkrachter. De analist stuurt Hendershot een berichtje. ‘Ik moet je spreken.’

    In het rapport staat te lezen hoe een 46-jarige kunstenares in haar eigen huis is belaagd door een man met een mes. Hij draagt een zwart masker. Hij probeert haar polsen vast te binden. Maar als de man even de andere kant op kijkt, springt de vrouw uit haar slaapkamerraam. De val van bijna drie meter levert haar drie gebroken ribben en een klaplong op, maar ze weet te ontkomen.

    Op de plaats delict treffen onderzoekers enkele sporen die heel misschien als bewijsmateriaal kunnen dienen. Vlak voor het misdrijf zijn er zware buien gevallen. In de zompige grond onder het slaapkamerraam van de vrouw vindt de politie voetafdrukken. Op het raam zien ze een honingraatmotief.

    Een honingraatmotief. Hendershot gaat ermee aan de slag. De onderzoekers in Westminster hebben soortgelijke afdrukken aangetroffen op het raam van het appartement van het slachtoffer. Hendershot laat de afdrukken vergelijken. De afdrukken van beide plaatsen delict komen overeen. Ze lijken ook overeen te komen met de afdrukken van een stel Under Armour-handschoenen die een rechercheur in Lakewood, heel toevallig, bij Dick’s Sporting Goods heeft gezien.

    Galbraith laat de voetafdrukken natrekken die in Lakewood zijn aangetroffen. Ze komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw bij het appartement van haar slachtoffer in Golden. Ze stuurt afdrukken van de schoenen naar crimeshoe.com, een website die beweert een onderzoek vooruit te kunnen helpen door ‘in één simpele stap’ van een niet nader geïdentificeerde voetafdruk op een plaats delict te komen tot zeer gedetailleerde informatie over de schoen in kwestie. De site, die inmiddels ter ziele is, laat weten dat de afdrukken afkomstig zijn van de Adidas ZX 700 mesh, een schoen die in maart 2005 op de markt is gekomen.

    Er ontstaat een hechte samenwerking: wanneer rechercheur Stacy Galbraith en brigadier Edna Hendershot tot de conclusie komen dat de verkrachtingen het werk zijn van een veelpleger, zoeken ze de samenwerking met andere rechercheurs in Colorado teneinde hem te pakken te krijgen. ‘Twee mensen, 
of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ aldus Hendershot.

    De man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent

    Eind januari 2011 hebben de rechercheurs vier verkrachtingen met elkaar in verband gebracht, allemaal gepleegd in voorsteden van Denver, in een periode van vijftien maanden. Het spoor begint in Aurora, ten oosten van Denver, op 4 oktober 2009, met de 65-jarige vrouw. Dan wordt het negen maanden later weer opgepikt, zo’n 35 kilometer naar het westen, waar de verkrachter de kunstenares in Lakewood belaagt. Weer een maand later wordt de 59-jarige vrouw verkracht in Westminster, zo’n 15 kilometer noordelijker. En tot slot, in januari 2011, volgt de aanval op de 26-jarige vrouw in Golden, dik 20 kilometer ten zuidwesten van Westminster. Als je een kaart zou tekenen, is het bijna alsof de verkrachter vanuit Denver alle windrichtingen heeft willen bestrijken.

    Galbraith en Hendershot proberen door middel van DNA-materiaal de verkrachter te identificeren. Ze hebben de plaatsen delict aan een grondig onderzoek onderworpen. De forensische dienst zoekt naar sporen op ramen, deurkrukken, zelfs op stortbakken van de wc – alles wat de verkrachter maar kan hebben aangeraakt.

    Maar de man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent. Hij weet hoe hij moet zorgen dat hij geen DNA-materiaal achterlaat. Hij gebruikt vochtige doekjes om zijn sperma 
weg te vegen. Hij gebiedt de vrouwen te douchen. Hij neemt hun kleren en beddengoed mee als hij weggaat.
    Hij is heel nauwgezet. Maar niet onfeilbaar. De verkrachter heeft minieme sporen achtergelaten. De technici weten drie monsters van zogeheten ‘touch DNA’ veilig te stellen – slechts zeven of acht huidcellen die met behulp van moderne laboratoriumtechnieken kunnen worden geanalyseerd.

    Een van de monsters is afkomstig uit de keuken in Westminster. Een tweede monster is afkomstig van het slachtoffer in Golden. Een derde van de teddybeer in Aurora.

    11 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood, Washington

    Net even voor negen uur op een maandagochtend reageren twee politiemannen in Lynnwood op een melding van een verkrachting in de Alderbrooke Apartments. Er zijn al een aantal agenten ter plaatse om de plaats delict veilig te stellen. Buiten staat een agent van de hondenbrigade. De hond probeert een geur op te pikken. 
De politiemannen, brigadier Jeffrey Mason en Jerry Rittgarn, hebben het slachtoffer, Marie, op de bank aangetroffen, onder een deken, zo nu en dan huilend. Haar pleegmoeder, Peggy Cunningham, is bij haar. Ook Wayne Nash is aanwezig, haar case manager 
van Project Ladder.

    Marie, die net drie maanden daarvoor achttien is geworden, vertelt de politie dat ze een groot deel van de avond met haar vriendje Jordan aan de telefoon heeft gezeten. Nadat ze eindelijk in slaap is gevallen, schrikt ze wakker van een man met een mes – die haar vervolgens vastbindt, blinddoekt, een prop in haar mond doet en haar verkracht. Volgens haar gebruikte de man een condoom. Over hoe haar belager eruitzag kan Marie maar weinig zeggen. Blanke man, grijze trui. Ze heeft het idee dat de verkrachting heel lang duurde, zegt Marie tegen de politie, maar ze weet het niet zeker. Het is allemaal een grote waas.

    Richtlijnen

    Marie zegt dat ze, nadat de verkrachter eenmaal is vertrokken, met haar voet een schaar uit de onderste la van een kast heeft weten te halen en zichzelf heeft weten te bevrijden, waarna ze Jordan heeft gebeld. Jordan nam niet op, dus heeft ze haar pleegmoeder gebeld en vervolgens de bovenbuurvrouw, die meteen naar beneden is gekomen en het alarmnummer heeft gebeld.

    Mason, die op dat moment 39 is, heeft tot dan toe voornamelijk gepatrouilleerd en drugszaken gedaan. Zijn langste betrekking was bij een klein korps in Oregon, waar hij bijna negen jaar heeft gewerkt en een onderscheiding heeft gekregen voor betoonde moed. Hij komt in 2003 te werken in Lynnwood, bij de narcoticabrigade. Zes weken voordat de melding van Marie binnenkomt, wordt hij gepromoveerd tot brigadier – en overgeplaatst naar de recherche. Tot nog toe heeft hij slechts meegewerkt aan een of twee verkrachtingszaken. Bij deze zaak moet hij de leiding nemen.

    Rittgarn werkt al elf jaar bij het korps, de laatste 
vier jaar als rechercheur. Hij heeft eerder gewerkt 
als technicus in de ruimtevaartindustrie. Daarvoor werkte hij bij het korps mariniers, als specialist helikopterelektronica.

    Het politiekorps van Lynnwood heeft 79 beëdigde agenten, op een inwonertal van rond de 34.000. In 2008 is Maries zaak een van de tien aangiften van verkrachting die bij het korps binnenkomen; met 
zo weinig meldingen beschikt het korps niet over een apart team voor seksuele geweldsmisdrijven.

    Tegen de tijd dat Marie aangifte doet, hebben 
specialisten in seksueel geweld allerlei protocollen opgesteld waarin wordt benoemd waar de problemen en de gevoeligheden schuilen bij het onderzoek 
naar een verkrachtingszaak. In deze richtlijnen, 
die voor alle politiekorpsen beschikbaar zijn, komen veelgemaakte vergissingen aan de orde.

    Zoals in een van de richtlijnen staat, moeten de onderzoekers er niet van uitgaan dat het slachtoffer per definitie hysterisch is in plaats van kalm, dat ze duidelijk zichtbare tekenen van lichamelijke verwondingen vertoont of dat ze in staat is alles tot in detail te beschrijven. Sommige slachtoffers halen details door elkaar of zullen zelfs terugkomen op 
hun woorden. De politie moet ook vooral niet denken in stereotypen – dat een volwassen slachtoffer geloofwaardiger is dan een puber, bijvoorbeeld.
    De politie moet de slachtoffers niet verhoren of 
dreigen met het gebruik van een leugendetector. 
Een leugendetectortest is met name onbetrouwbaar wanneer mensen getraumatiseerd zijn, en kan het vertrouwen van het slachtoffer in het politieapparaat schaden. In veel staten is het gebruik ervan verboden bij mensen die het slachtoffer zijn van een verkrachting.

    ‘Het was net alsof ze het script voorlas van een aflevering van Law & Order’

    Wanneer de politiemensen door Maries appartement lopen, zien ze dat een glazen schuifdeur aan de achterkant niet op slot is, en dat deze een heel klein stukje openstaat. De deur biedt toegang tot een platje, met een houten hekje dat onder het vuil zit – op één stuk na, van ongeveer een meter breed, waar zo te zien iemand overheen is geklommen die al doende het hekje heeft schoongeveegd. Op het bed vindt de politie een schoenveter – kennelijk gebruikt om Marie vast te binden. Boven op een computermonitor treffen ze een tweede veter aan, vastgeknoopt aan een onderbroek: de blinddoek of de prop in haar mond. Beide veters zijn afkomstig uit Maries zwarte tennisschoenen die in de woonkamer staan. Naast het bed ligt een mes met een zwart heft. Marie zegt dat het mes van haar is – het is afkomstig uit haar keuken, en dit is het mes waarmee de verkrachter haar heeft bedreigd. De politie vindt Maries handtas op de vloer van de slaapkamer, haar portemonnee op het bed en haar voorlopige rijbewijs, dat om de een of andere reden uit haar portemonnee is gehaald, in de vensterbank van de slaapkamer.

    Mason zegt tegen Marie dat ze naar het ziekenhuis moet voor een medisch onderzoek, wat standaard is bij verkrachtingszaken. Nadat Marie is vertrokken, samen met haar pleegmoeder en haar case manager, helpen de rechercheurs bij het onderzoeken van de plaats delict. Op zoek naar een condoom of de verpakking van een condoom kijkt Rittgarn in de badkamer en in vuilnisbakken op de nabijgelegen heuvel, maar het levert niets op. Ondertussen heeft de hond een spoor gevolgd in zuidelijke richting, naar een kantoorgebouw, maar ook de hond kan de politie niet dichter bij de identiteit van de verkrachter brengen.

    In het ziekenhuis neemt het medisch personeel meer dan tien huidmonsters. Er wordt getest op hepatitis, chlamydia en hiv. Maria krijgt [de antibiotica] Zithromax en Suprax, omdat ze mogelijk is blootgesteld aan seksueel overdraagbare aandoeningen, en ze krijgt een morningafterpil.

    In het medisch rapport wordt melding gemaakt van verwondingen aan Maries polsen en haar vagina. De blauwe plek op haar rechterpols meet 6,5 centimeter, die op haar linkerpols 7 centimeter. Tijdens het onderzoek, zo staat in het verslag te lezen, is Marie ‘alert en helder, en niet volkomen overstuur’.

    Aandacht trekken

    Op de dag dat ze aangifte doet van verkrachting belt Marie met Shannon, haar voormalige pleegmoeder, zodra ze terug is uit het ziekenhuis. ‘Ze belde me en zei: “Ik ben verkracht,”’ herinnert Shannon zich. ‘Volkomen emotieloos. Alsof ze vertelde dat ze net een broodje had gesmeerd.’ Omdat Marie niet hysterisch is, of zelfs maar overstuur, vraagt Shannon zich af of Marie wel de waarheid vertelt.

    De volgende dag, wanneer Shannon bij Marie thuis komt, wordt die twijfel alleen nog maar versterkt. Wanneer Shannon de keuken binnenkomt, ontwijkt Marie haar blik. ‘Dat vond ik nogal merkwaardig,’ zegt Shannon. ‘We omhelsden elkaar altijd, en ze keek mensen ook altijd recht aan.’ In de slaapkamer gedraagt Marie zich net als anders, en niets wijst erop dat er zich daar iets afschuwelijks heeft afgespeeld. Buiten ‘rolde Marie lachend en giechelend door het gras’, zegt Shannon. Als de twee nieuw beddengoed gaan kopen – het andere beddengoed is door de politie in beslag genomen als bewijsmateriaal – ontsteekt Marie in razernij omdat ze niet hetzelfde overtrek kan vinden. Waarom zou je elke dag opnieuw tegen dezelfde lakens en sprei willen aankijken als je op dat beddengoed bent verkracht? denkt Shannon bij zichzelf.

    Ook Peggy weet niet goed raad met Maries houding. Toen Marie haar die eerste dag belde, nog voor de politie was gearriveerd, ‘zat ze te huilen en kon ik haar nauwelijks verstaan’, zegt Peggy. ‘Ze had echt zo’n heel klein stemmetje, en ik wist het niet goed. Op de een of andere manier leek het gemaakt… in zekere zin had het ook iets heel overdrevens.’ Peggy heeft inmiddels nieuwe pleegkinderen in huis – twee zussen, allebei tieners. Niet lang daarvoor is Marie een keer met Peggy en de zussen en Peggy’s vriend gaan picknicken. Zoals Peggy het zich herinnert probeerde Marie de hele middag de aandacht naar zich toe te trekken. Zozeer zelfs dat Peggy zich nu afvraagt of dit misschien ook een poging is om aandacht te trekken, maar dan wanhopiger.

    Als Peggy die ochtend als een speer naar het appartement gaat, treft ze Marie huilend op de vloer aan. ‘Het was heel gek, want ik ging naast haar zitten en ze vertelde me wat er was gebeurd en toen – ik kijk heel veel naar Law & Order en ik had gewoon het gevoel dat er iets niet klopte,’ zegt Peggy. ‘Het was net alsof ze me het script voorlas van een aflevering van Law & Order.’ Deels komt dat door wát Marie 
vertelt. Waarom zou een verkrachter schoenveters gebruiken om haar vast te binden? En deels komt 
het door de manier waaróp Marie het vertelt: ‘Ze was zo afstandelijk, alsof het haar echt op geen enkele manier raakte.’

    De twee vrouwen die hebben geholpen Marie groot te brengen bellen elkaar. Peggy zegt tegen Shannon dat ze vraagtekens heeft bij het verhaal. Shannon zegt dat ze ook zo haar twijfels heeft. Geen van beiden kennen ze Marie als iemand die liegt – overdrijven, oké, om aandacht vragen, oké – maar nu horen ze van elkaar dat ze niet de enigen zijn die zich afvragen of Marie dit heeft verzonnen.

    Op 12 augustus, de dag nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting, gaat de telefoon van brigadier Mason. Degene die belt laat weten ‘dat [Marie] een geschiedenis heeft van aandachttrekkerij, en 
de beller vraagt zich af of de “verkrachting” werkelijk heeft plaatsgevonden’, schrijft Mason later. In Masons verslag staat niet wie het telefoontje heeft gepleegd – maar het is Peggy.

    Ze belt de politie om haar twijfels kenbaar te maken. Vervolgens gaat Mason naar haar huis om haar te spreken. Peggy licht de politie in over haar twijfels 
en verzoekt om anonimiteit. ‘Ik wilde niet dat het bij Marie terecht zou komen,’ zegt Peggy. ‘In feite wilde ik gewoon mijn burgerplicht doen. Snap je? Ik wilde niet dat ze allemaal tijd en middelen zouden steken in iets wat, nou ja, wat uiteindelijk gewoon een persoonlijke tragedie zou blijken.’

    Mason heeft bovendien een tip gekregen dat Marie niet gelukkig is in haar appartement. Mogelijk wil ze de verkrachting gebruiken om andere woonruimte 
te krijgen.
    Op 13 augustus vervoegt Marie zich op het politiebureau van Lynnwood en legt een geschreven 
verklaring af, waarin ze beschrijft wat er is gebeurd. De verklaring is slechts één pagina. Maar voor Mason staat er een cruciale passage in. Marie schrijft dat haar belager heeft gezegd dat ze zichzelf kan bevrijden als hij weer weg is:

    Zodra hij weg was, pakte ik met mijn mond mijn telefoon (die vlak naast mijn hoofd lag) en probeerde Jordan terug te bellen. Hij nam niet op, dus belde ik mijn pleegmoeder… Ze kwam 
meteen naar me toe. Ik verbrak de verbinding en probeerde mezelf te bevrijden.

    Dat komt niet helemaal overeen met wat Marie 
eerder aan Mason heeft verteld. Ze heeft eerder 
verklaard dat ze heeft geprobeerd Jordan te bellen nádat ze de veters had doorgeknipt. In deze 
geschreven verklaring zegt ze echter dat ze hem heeft gebeld terwijl ze nog is vastgebonden.

    Als rechercheurs Stacy Galbraith en Edna Hendershot ontdekken dat er een serieverkrachter aan het werk is, besluiten ze samen te werken. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ – © Benjamin Rasmussen
    Als rechercheurs Stacy Galbraith en Edna Hendershot ontdekken dat er een serieverkrachter aan het werk is, besluiten ze samen te werken. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ – © Benjamin Rasmussen

    Later die dag praat Mason met Rittgarn, zijn collega-onderzoeker, en hij zegt dat hij er nu – op basis van de tegenstrijdigheden in Maries verhaal, en op basis van informatie die hij van Peggy en Jordan heeft gekregen – van overtuigd is dat Marie het verhaal heeft verzonnen.

    De angst voor valse aangiften van verkrachting kent een lange geschiedenis binnen het rechtssysteem. Rond 1600 waarschuwde de Engelse opperrechter Matthew Hale al dat verkrachting ‘een beschuldiging is die makkelijk wordt gedaan maar moeilijk valt te bewijzen, en waar de beschuldigde partij zich nog moeilijker tegen kan verweren’. In Amerika lazen rechters deze zogeheten Hale-waarschuwing altijd voor aan juryleden – tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uit recent onderzoek blijkt echter dat er betrekkelijk zelden een valse aangifte wordt gedaan. Uit cijfers van de FBI komt naar voren dat de politie jaarlijks zo’n 5 procent van de verkrachtingszaken geheel of ten dele ongegrond verklaart. Sociaal wetenschappers die de politierapporten heel 
grondig hebben uitgeplozen en methodologisch doortimmerde methoden gebruiken, komen met vergelijkbare percentages, van onder de 10 procent.

    De volgende ochtend gaat Mason naar het huis van Jordan om met hem te praten. Jordan vertelt de rechercheur dat hij en Marie al een paar maanden uit elkaar zijn, maar nog altijd goed bevriend zijn. Volgens Masons uitgeschreven rapport zegt hij op geen enkel moment dat hij aan Maries verhaal 
twijfelt. Wél zegt hij dat Marie hem heeft verteld 
dat ze, toen ze die ochtend probeerde te bellen, haar tenen had gebruikt omdat ze was vastgebonden.

    Later die dag – 14 augustus, drie dagen nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting – belt Mason haar op, met de vraag of ze kunnen praten. Hij zegt dat hij haar kan komen ophalen en dat ze vervolgens naar het bureau kunnen gaan.

    ‘Moet ik me zorgen maken?’ vraagt Marie aan de rechercheur.

    9 FEBRUARI 2011

    Westminster, Colorado

    Op 9 februari 2011 komen meer dan tien agenten en rechercheurs van het Colorado Bureau of Investigation samen in de 
vergaderkamer van het politiebureau in Westminster om de voortgang van het onderzoek te bespreken.

    Het staat er niet al te best voor. Na vijf weken speurwerk zijn er nauwelijks aanknopingspunten en is er niet één verdachte. De analyse van het touch DNA heeft gemengde resultaten opgeleverd. Het onderzoek heeft het aantal mogelijke verdachten beperkt tot mannen die behoren tot één en dezelfde familie, van vaderskant. Maar er is niet genoeg genetisch materiaal om één iemand aan te wijzen. De resultaten kunnen dan ook niet worden ingevoerd in de nationale database van de FBI om te kijken of er 
een match is met een verdachte.

    Galbraith heeft goede hoop. In ieder geval hebben ze nu iets concreets. Het is een en dezelfde dader. ‘Het is een doorbraak,’ zegt ze. ‘Maar het is nog niet genoeg.’

    Wanneer de vergadering ten einde loopt, staat een jonge misdaadanalist van het korps in Lakewood op van haar stoel. Ze heeft gezocht naar meldingen uit de afgelopen zes maanden, voertuigen of mensen 
die zich verdacht hebben gedragen binnen een straal van vierhonderd meter van het huis van het slachtoffer in Lakewood. Ze heeft iets gevonden. Maar ze weet niet of het belangrijk is.

    Drie weken voor de poging tot verkrachting in Lakewood heeft laat op de avond een vrouw de politie gebeld met de mededeling dat er een verdachte pick-up geparkeerd stond in de straat, met een man erin. De politie ging een kijkje nemen, maar de man was verdwenen. De agent maakte summier melding van het voertuig. Wat de aandacht van de analiste had getrokken was de plek waar de pick-up had gestaan. Hij stond een half huizenblok van het huis van het Lakewood-slachtoffer, naast een kaal terrein dat grensde aan de achtertuin van het slachtoffer.

    Het betrof een witte Mazda pick-up uit 1993.

    Hij stond op naam van een man uit Lakewood, 
ene Marc Patrick O’Leary.

    Het onderzoek belandt ogenblikkelijk in een 
stroomversnelling. Kunnen de rechercheurs O’Leary’s Mazda in verband brengen met de korrelige beelden van de witte Mazda op de beelden van de beveiligingscamera in Golden? Aaron Hassell, de rechercheur die op de Lakewood-zaak zit, gaat als een speer terug naar zijn bureau. De patrouillewagens in Lakewood hebben camera’s die automatisch een foto maken van elk nummerbord dat ze passeren. Het resultaat is een doorzoekbare database van duizenden nummerborden die zijn gekoppeld aan een bepaald moment en een bepaalde plek. Hassell tikt het nummerbord in uit het politierapport van Lakewood: 935VHX. Hij heeft beet. Een patrouillewagen 
in Lakewood heeft een foto gemaakt van O’Leary 
die naast zijn witte Mazda staat, op de oprit van zijn huis – een kleine twee uur nadat in augustus de weduwe in Westminster is belaagd.

    Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.
    Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.

    Hassell stuurt de foto door naar Galbraith. Heel nauwgezet vergelijkt zij de witte Mazda van O’Leary met die van de beveiligingscamera. Op een still is goed te zien dat het spiegeltje aan de passagierskant van de Mazda is beschadigd. Precies als bij de auto van O’Leary. Beide voertuigen hebben een trekhaak. Beide hebben dezelfde vlekken op de achterkant – misschien een bumpersticker die eraf is getrokken.

    ‘Dat is ’m,’ zegt Galbraith.

    Hendershot komt tot de ontdekking dat de patrouillewagen in Lakewood de foto heeft gemaakt toen O’Leary op weg was naar een nabijgelegen vestiging van het Department of Motor Vehicles [DMV, een soort rijksdienst voor het wegverkeer]. Uit de gegevens van het DMV blijkt dat O’Leary nog geen vier uur na de belaging in Westminster een foto heeft laten nemen voor zijn rijbewijs. Op de foto zien we een man van 1 meter 85 met bruine ogen. Hij is 32 jaar en hij weegt 100 kilo. Hij draagt een wit T-shirt. Zijn uiterlijke kenmerken komen overeen met de beschrijvingen die de slachtoffers hebben gegeven. En de weduwe 
in Westminster heeft tegen Hendershot gezegd dat haar belager een wit T-shirt droeg.

    Hendershot wil geen overhaaste conclusies trekken. ‘Het is zeer bemoedigend, ik ben heel blij,’ zegt ze. Maar: ‘Het is nog niet zeker, voor mij staat het nog niet vast dat dit ook echt onze man is.’

    Tijdens de 24 uur die volgen probeert een handvol onderzoekers met vereende krachten al het mogelijke over O’Leary aan de weet te komen. O’Leary heeft geen strafblad. Hij staat niet bekend als 
zedendelinquent. Hij heeft in het leger gediend.

    Die avond zitten Galbraith en haar man David weer op de bank in hun woonkamer. Op hun laptop zoeken ze naarstig naar informatie over O’Leary – ieder met behulp van een andere zoekmachine. Het duurt niet lang of David heeft iets gevonden. In september 2008 heeft O’Leary een pornowebsite gekocht. Ze vragen zich af of daar foto’s van zijn slachtoffers op staan.

    De rechercheurs willen proberen aan O’Leary’s DNA te komen. Hoewel het onzuivere DNA-materiaal dat ze op de plaatsen delict hebben aangetroffen niet voor honderd procent gelinkt kan worden aan dat van O’Leary, kan wel aangetoond worden dat de misdaden vermoedelijk zijn begaan door een mannelijk lid van zijn familie. Als de politie O’Leary’s mannelijke familieleden kan uitsluiten, kunnen de misdrijven met een hoge mate van waarschijnlijkheid aan O’Leary zelf worden toegeschreven. ‘We kunnen hem nog altijd niet met zekerheid als dader aanwijzen,’ zegt Hendershot.

    Op de ochtend van vrijdag 11 februari houden agenten het huis van O’Leary in de gaten. Het is een klein, gelijkvloers huis met grijze buitenmuren, een half blok van een benzinestation, een plaatwerkerij en een slagerij, in een armoedige buurt. Er staat een laag hek van draadgaas om het huis. Hoge, winters kale bomen torenen boven het huis uit. Net na het middaguur zien de agenten een vrouw en een man die op O’Leary lijkt het huis verlaten. Ze volgen het stel naar een nabijgelegen restaurant en zien hen eten. Als de twee klaar zijn met eten gaan de agenten snel naar binnen. Ze grissen de glazen van tafel. Op de rand moeten sporen van zijn DNA zitten.

    Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.
    Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.

    Terwijl de agenten achter de man aan gaan van wie ze denken dat het Marc O’Leary is, klopt een andere FBI-agent op de deur van het huis. Hij is van plan een camera bij het huis te installeren en wil er zeker van zijn dat er niemand thuis is. Onverwacht doet een man de deur open. Hij lijkt op Marc O’Leary. In de war gebracht, grijpt de agent terug op een beproefde smoes. Hij zegt tegen de man dat hij langs de deuren gaat om mensen te waarschuwen dat er een inbreker in de buurt actief is. De man stelt zich voor. Hij heet Marc O’Leary. Zijn broer, Michael O’Leary, is net 
weggegaan om met zijn vriendin te gaan lunchen. O’Leary bedankt de agent voor de informatie en doet de deur weer dicht.

    Het opduiken van Michael is verwarrend. De rechercheurs wisten niet dat Michael met zijn broer samenwoonde. Of dat zij zo op elkaar leken. Ze besluiten Michaels DNA van de glazen bij het restaurant te vergelijken met het DNA dat op de plaatsen delict is gevonden. De monsters gaan naar analisten van het speciale rechercheteam in Colorado. Normaal gesproken duurt het maanden voor de uitslag van een DNA-analyse terugkomt. Maar in dit geval werken ze de hele nacht door. Tegen twee uur op zaterdagmiddag hebben ze de uitslag. Het DNA van het glas komt overeen met het DNA dat bij de slachtoffers is gevonden. Een man uit de familie O’Leary is de dader. Maar welke?

    Galbraith sluit de vader van de twee broers uit – die is te oud en woont in een andere staat. Maar Michael kunnen ze nog niet als verdachte afschrijven. Het is mogelijk dat hij de verkrachtingen heeft begaan. Of zelfs dat Michael en Marc hebben samengewerkt. De rechercheurs hebben meer informatie nodig.

    Haastig stelt Galbraith een huiszoekingsbevel op om het huis van de broers te mogen binnenvallen. Het is buiten al donker wanneer ze ermee klaar is. Ze belt de rechter die weekenddienst heeft. Hij wil per se 
dat ze hem een fax stuurt. Galbraith rent naar een supermarkt in de buurt van haar huis om het bevel door te faxen. De rechter tekent het op zaterdagavond om tien uur.

    Ze weet precies wat ze zoekt. Ze vertrouwt het geheugen van haar slachtoffer. De donkere plek op zijn kuit. Ze mailt een misdaadanalist van een ander politiebureau: ‘Ik móét het been van die kerel zien. Heel nodig!’

    14 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood, Washington

    Als iemand vraagt of hij zich zorgen moet maken, dan is dat meestal ook zo, weet rechercheur Mason uit ervaring.

    Als Mason, samen met rechercheur Rittgarn, om 
half vier ’s middags Marie gaat ophalen, vinden ze haar zittend op het gras voor haar flatgebouw. 
De drie gaan naar het politiebureau van Lynnwood, waar de twee politiemannen Marie meenemen 
naar een vergaderkamer.

    Te oordelen naar het rapport dat Mason hierover later opmaakt, duurt het niet lang voor hij Marie confronteert met de verschillen tussen haar eigen verklaringen en die van andere getuigen. Marie zegt dat ze niets afweet van tegenstrijdigheden. Maar ze vertelt het hele verhaal nog een keer – alleen zegt 
ze deze keer dat ze gelooft dat de verkrachting heeft plaatsgevonden en niet dat ze het zeker weet. In tranen beschrijft ze haar verleden – al die pleegouders, haar verkrachting als zevenjarige, het feit dat ze nu op zichzelf woont, dat ze zich alleen voelt. Rittgarn zegt tegen Marie dat haar verhaal niet overeenkomt met het bewijsmateriaal. Hij zegt dat hij denkt dat ze het verhaal heeft verzonnen – zomaar ineens, zonder dat ze het van plan was. Hij vraagt haar of er echt 
wel een verkrachter rondloopt in de buurt, waar de politie naar op zoek moet. ‘Nee,’ antwoordt Marie met zachte stem en neergeslagen ogen.

    ‘Gezien haar antwoorden en lichaamstaal was 
duidelijk dat [Marie] over de verkrachting loog’, schrijft Rittgarn later.

    Zonder Marie op haar rechten te wijzen – u hebt recht op een advocaat, u hebt het recht om te zwijgen – vragen de rechercheurs Marie om het ware verhaal op te schrijven, waarin ze toegeeft dat ze gelogen heeft, in feite dus dat ze een misdaad heeft begaan. Ze stemt toe en ze laten haar een paar minuten alleen. Op het formulier vult ze haar naam, adres 
en social security-nummer in en dan schrijft ze, onder andere:

    Ik praatte die avond met Jordan aan de telefoon over zijn dag en over van alles. Na mijn gesprek met hem begon ik na te denken over alles, ik was over mijn toeren en ik vond het ook eng om in mijn eentje te wonen. Toen ik ging slapen, droomde ik dat er iemand inbrak en me verkrachtte.

    Als de politiemensen terugkomen, zien ze dat Marie de verkrachting in haar nieuwe verklaring beschrijft als een droom, niet als een leugen.

    ‘Waarom heb je niet opgeschreven dat je het verhaal verzonnen hebt?’ vraagt Rittgarn.

    Marie zegt huilend dat ze echt geloofde dat de verkrachting had plaatsgevonden. Ze bonkt met haar vuisten op tafel en zegt dat ze het ‘behoorlijk zeker’ weet.

    ‘Behoorlijk zeker, of echt zeker?’ vraagt Rittgarn.

    ‘Misschien is de verkrachting wel gebeurd en heb 
ik het verdrongen,’ zegt Marie.

    ‘Wat vind je dat er moet gebeuren met iemand die liegt over zoiets als dit?’ vraag Rittgarn aan Marie.

    ‘Ik heb misschien therapie nodig,’ zegt Marie.

    Mason komt terug op het bewijsmateriaal. Hij vertelt Marie dat haar beschrijving van het telefoontje naar Jordan anders is dan wat Jordan erover heeft gezegd.
    Marie kijkt omlaag, met haar hoofd in haar handen. Dan ‘schieten haar ogen heen en weer, alsof ze naar een antwoord zoekt’.

    De politiemannen herhalen nog eens wat ze eerder heeft gezegd – hoe gespannen ze was, hoe eenzaam – en uiteindelijk lijkt het erop dat Marie zich ontspant. Ze houdt op met huilen. Ze lacht zelfs een beetje. 
Ze verontschuldigt zich – en is bereid een nieuwe verklaring te schrijven, waarin ze er geen twijfel 
over laat bestaan dat ze gelogen heeft.

    Er zijn veel spanningen in mijn leven op dit moment en ik had zin om met iemand uit te gaan, maar niemand kon, dus heb ik dit verhaal verzonnen, en ik had niet verwacht dat het zo veel gevolgen zou 
krijgen. Ik weet niet waarom ik niet iets anders ben gaan doen. Dit is nooit de bedoeling geweest.

    Kennelijk zijn de rechercheurs met deze verklaring wel tevreden. Rittgarn schrijft later: ‘Op basis van ons verhoor van Marie en de inconsequenties die brigadier Mason in sommige verklaringen heeft 
aangetroffen, wisten we zeker dat Marie ons nu 
naar waarheid vertelde dat ze niet verkracht was.’

    ‘Alsjeblieft, kom me halen, 
voordat ik iets stoms doe’

    Marie heeft het gevoel dat de ondervraging uren heeft geduurd. Ze doet wat ze altijd doet als ze onder druk staat. Ze zet de knop om, zoals zij het noemt, en onderdrukt alle gevoelens waar ze geen weg mee weet. Vóór haar bekentenis dat ze het verhaal heeft verzonnen, kan ze de twee politiemannen niet recht aankijken. Erna kan ze dat wel. Dan lacht ze tegen hen. Ze gaat naar het toilet en wast haar gezicht. Het is een opluchting geweest om de knop om te zetten, en zo kan ze tenminste weg.

    De volgende dag zegt Marie tegen Wayne Nash, haar case manager bij Project Ladder, dat de politie haar niet wilde geloven. Ze begrijpt dat ze in moeilijkheden verkeert en zegt dat ze een advocaat wil. In plaats daarvan nemen de medewerkers van Project Ladder contact op met brigadier Mason. Die vertelt hun dat het verhaal van Marie niet wordt ondersteund door het bewijsmateriaal en dat ze haar verhaal heeft teruggetrokken.

    Maar nu wil Marie niet van wijken weten. 
Op 18 augustus, een week nadat ze haar verkrachting heeft gemeld, heeft ze een gesprek met twee medewerkers van Project Ladder, en tegenover hen houdt ze vol dat ze de verklaring waarin ze haar verhaal intrekt, onder dwang heeft geschreven. Met zijn drieën gaan ze naar het politiebureau, zodat Marie haar intrekking weer kan intrekken – met andere woorden: tegen de politiemensen kan zeggen dat 
ze de eerste keer de waarheid heeft gesproken.

    De medewerkers van het programma blijven buiten wachten, terwijl Marie een gesprek heeft met 
Rittgarn en een andere agent.

    Afschrikken

    Rittgarn vraagt Marie wat er aan de hand is. Marie zegt dat ze wel degelijk is verkracht – ze begint te huilen en vertelt dat ze steeds beelden heeft van die man boven op haar. Ze wil een leugendetectortest ondergaan. Rittgarn vertelt Marie dat ze, als ze niet voor die test slaagt, naar de gevangenis moet. En bovendien zal hij dan Project Ladder aanraden om haar huisvestingsondersteuning in te trekken.

    Marie laat zich afschrikken. De politiemensen 
begeleiden haar naar beneden, waar de vertegenwoordigers van Project Ladder haar vragen of ze 
verkracht is. Marie zegt nee.

    Na het bezoek aan het politiebureau ontdekt Marie dat ze nog steeds niet alles achter de rug heeft. De mensen van Project Ladder zeggen tegen Marie dat ze, als ze in het programma wil blijven – en haar gesubsidieerde woning wil behouden – ook nog tegenover iemand anders een bekentenis moet 
afleggen.

    Later die dag wordt in het wooncomplex een bijeenkomst georganiseerd, waar Maries medebewoners 
in een kring bij elkaar zitten. Marie doet wat haar is gezegd en vertelt de mededeelnemers van Project Ladder dat ze over de verkrachting heeft gelogen. 
Ze hoeven zich geen zorgen te maken, zegt ze tegen de groep. Er loopt daarbuiten niemand rond die haar iets heeft aangedaan en die hun vervolgens iets aan kan doen.

    Als er al enig medeleven aanwezig is in de ruimte, dan merkt Marie dat maar bij één persoon, de jonge vrouw die rechts van haar zit. Verder blijft het pijnlijk, ondraaglijk stil.

    Na de bijeenkomst loopt Marie naar het huis van een vriendin. Onderweg komt ze over een brug. Ze overweegt te springen. ‘Waarschijnlijk de enige keer in mijn leven dat ik alleen maar dood wilde,’ zegt ze nu. Ze belt een vriendin: ‘Alsjeblieft, kom me halen, 
voordat ik iets stoms doe.’ Daarna smijt Marie haar telefoon over de brugleuning.
    Later die maand volgt nog een laatste verrassing. Marie krijgt een brief waarin staat dat ze voor de rechter moet komen. Ze is aangeklaagd wegens het doen van valse aangifte, waar een maximumstraf van een jaar cel op staat. De tenlastelegging is ondertekend door brigadier Mason. De afhandeling van de zaak is overgedragen aan een klein juridisch bureau dat door de stad Lynnwood is ingehuurd om overtredingen te vervolgen.

    Mason heeft niet al te diep nagedacht over zijn besluit om de zaak voor te laten komen. Hij is ervan overtuigd dat Marie heeft gelogen. De politie heeft veel tijd en geld besteed aan het natrekken van die leugen. Volgens de wet is haar leugen een misdaad. Zo simpel is het.

    Er zijn geen harde cijfers over het aantal keren dat de politie een vrouw arresteert wegens het doen van valse aangifte van verkrachting, en ook niet over het aantal keren dat het openbaar ministerie dit soort zaken voor de rechter brengt. Die gegevens worden nergens bijgehouden. Maar vooraanstaande politieorganisaties dringen aan op voorzichtigheid bij dit type 
aanklachten. Volgens de International Association 
of Chiefs of Police en de FBI moet er eerst grondig onderzoek worden gedaan, voordat een aangifte van verkrachting als onwaar wordt bestempeld. Politiemensen moeten even hard hun best doen om een leugen te bewijzen als om een waarheid te bewijzen.

    In de praktijk zullen veel politiediensten alleen in extreme omstandigheden besluiten de vrouw te vervolgen – bijvoorbeeld wanneer het gaat om een zaak die veel publiciteit heeft gekregen en waarin de reputatie van een verdachte ernstig is geschaad, of wanneer de politie heel veel middelen heeft moeten inzetten om onderzoek te doen. Die terughoudendheid komt voort uit de overtuiging dat het grootste probleem bij verkrachtingszaken niet de valse aangiftes zijn, maar het niet doen van aangifte. Slechts eenvijfde tot eenderde van alle verkrachtingen wordt bij de politie aangegeven, zo blijkt uit landelijk onderzoek. Een reden daarvoor is dat vrouwen bang zijn dat de politie ze niet gelooft.

    © Studio Odilo Girod
    © Studio Odilo Girod

    Binnen enkele dagen nadat ze haar verkrachting heeft aangegeven, zegt Marie haar baan bij Costco op. Ze kan het niet opbrengen om daar te staan, mensen aan te kijken, verloren en verward als ze 
zich voelt. Nu stapelen de nare gevolgen zich op.

    Project Ladder verplicht haar om elke avond vanaf negen uur thuis te blijven en zich twee keer zo vaak bij de medewerkers te melden.

    De media schrijven over haar zaak, zonder haar naam te noemen. (‘Politie: aangifte verkrachting Lynnwood was bedrog’, kopt de Seattle Post-Intelligencer.) Maries beste vriendin van de middelbare school – de vriendin die haar heeft leren fotograferen en die de foto van haar heeft gemaakt waarop ze uit de golven opduikt – maakt een webpagina waarop Marie voor leugenaar wordt uitgemaakt, met een foto van Maries Myspace-pagina, de politieverslagen, Maries volledige naam. Wanneer iemand haar op de site wijst, krijgt Marie een aanval van razernij en slaat haar appartement kort en klein.

    Marie gaat niet meer naar de kerk. ‘Ik was kwaad op God,’ zegt ze nu. Ze verliest haar belangstelling voor fotografie. Ze durft de deur niet meer uit. ‘Op een avond probeerde ik wel alleen naar de winkel te lopen, en toen kreeg ik een soort hallucinatie dat iemand me volgde,’ vertelt ze. ‘Ik was doodsbang. 
Ik kwam niet verder dan vijfhonderd meter van mijn huis. Toen rende ik terug.’ Thuis vermijdt ze de slaapkamer, ze slaapt liever op de bank met het licht aan.

    ‘Ik kwam in een donker gat terecht,’ zegt ze. Zelfvertrouwen maakt plaats voor zelfhaat. Ze gaat roken, drinken, wordt dik.

    Voor Marie is dit een vertrouwde reactie, die ze nog kent van de jaren waarin ze misbruikt werd als kind, en van haar jaren in pleeggezinnen, waarin ze van gezin naar gezin werd gestuurd en van school naar school. Zich afsluiten. Het binnen houden. Doen alsof er niets ergs is gebeurd, alsof niets haar ooit raakt. Omdat ze altijd zo naar normaliteit verlangt, begraaft ze de pijn.

    Peggy en Shannon laten haar niet vallen, maar er 
is wel iets veranderd. Marie weet dat ze allebei aan haar verhaal hebben getwijfeld, zelfs nog eerder 
dan de politie.
    Het huis van Shannon is voor Marie lang een toevluchtsoord geweest, een plek waar ze tot rust kon komen. Marie en Shannon maakten vaak lange 
wandelingen in het bos of gingen er met de boot op uit, en dan eindigden ze hun dag bij Shannon thuis. Maar nu is Shannons man bang dat hij vals beschuldigd zal worden, en hij besluit dat het beter is als Marie niet langer bij hen blijft slapen. ‘Dat risico 
loop je, als je pleegouder wordt,’ zegt Shannon.

    Shannon is degene het haar moet gaan vertellen. 
Ze vindt het verschrikkelijk om de boodschap over 
te brengen. Marie vindt het verschrikkelijk om de boodschap te krijgen.

    Begin oktober, nog geen twee maanden nadat Marie in staat van beschuldiging is gesteld wegens het doen van valse aangifte, meldt een 63-jarige vrouw in Kirkland, ten oosten van Seattle, dat ze in haar appartement is verkracht. De vreemde droeg handschoenen. Hij had een mes. Hij bond de vrouw vast – met haar eigen veters. Hij nam foto’s en dreigde 
die op internet te zetten. De afgelopen twee of drie maanden, zegt de vrouw tegen de politie, had ze het gevoel dat iemand haar volgde.

    Shannon ziet een reportage over de verkrachting op het journaal en is onthutst. Haar vader is vroeger hoofd van de politie geweest in Kent, ten zuiden van Seattle. Ze is opgegroeid met de politie, vertrouwt 
de politie, weet hoe die werkt. Ze gaat naar haar computer, zoekt het nummer op en belt – onmiddellijk – om de politie in Kirkland te attenderen op het verhaal van Marie en op de overeenkomsten met deze zaak.

    Shannon belt ook met Marie en raadt haar aan om ook contact op te nemen met de politie in Kirkland. Dat heeft Marie nooit gedaan.

    ‘Ik was gewoon te bang,’ zegt Marie nu. Ze heeft al 
zo veel moeten doorstaan. Ze kan zichzelf er niet toe brengen om weer met de politie te gaan praten. Maar ze zoekt wel op internet op wat er met de vrouw in Kirkland is gebeurd. Als ze het verhaal leest, moet ze huilen.

    Uiteindelijk belt een agent uit Kirkland Shannon terug. Naar aanleiding van Shannons tip hebben rechercheurs uit Kirkland contact opgenomen met hun collega’s in Lynnwood en daar hebben ze te horen gekregen dat het slachtoffer in Lynnwood geen slachtoffer was, dat het verhaal verzonnen was.

    Een van de rechercheurs die aan de zaak in Kirkland werken, is Audra Weber. Zij weet nog dat ze twee keer de recherche in Lynnwood heeft gebeld en daar te horen kreeg dat ze het verhaal van Marie niet geloofden. ‘Ik vertrouwde gewoon op hun oordeel, dacht, nou ja, het is hun zaak, zij kennen de bijzonderheden, ik niet,’ zegt Weber nu. Maar ze weet nog dat ze ‘tamelijk geschokt’ was toen ze hoorde dat ze Marie in staat van beschuldiging hadden gesteld. Ze liet het er maar bij en hing op, met de gedachte: Oké, ik hoop dan maar dat dit goed voor jullie uitpakt, jongens.

    13 FEBRUARI 2011

    Lakewood, Colorado

    Om kwart over acht ’s morgens klopt Galbraith op de deur van O’Leary. ‘Politie! Huiszoekingsbevel, doe open!’ schreeuwt ze een paar keer. Achter haar staan zeven agenten, tegen het huis aan gedrukt, met hun wapen in de aanslag.

    Na een tijdje doet O’Leary de deur open. Hij kijkt 
verward en geschrokken als hij naar buiten stapt, de felle winterzon in. Twee honden, een kleine pitbull en een shar-pei, huppelen achter hem aan. Hij draagt een grijs capuchonvest, een slobberige grijze trainingsbroek en grijze sloffen. Hij is alleen.

    Galbraith trekt hem opzij en gaat met haar handen langs zijn lichaam om hem te fouilleren. Als ze bij zijn benen komt, stroopt ze zijn broekspijp op om 
te kijken.

    Daar is het, op O’Leary’s linkerkuit: een donkere moedervlek, met het formaat van een groot kippenei.

    Het is hem. Hij is de verkrachter. Galbraith steekt even haar duimen omhoog.

    Als een FBI-agent hem aanspreekt, beroept O’Leary zich meteen op zijn recht op een advocaat. Galbraith heeft zich inmiddels achter O’Leary gemanoeuvreerd. Om vijf over half negen doet ze hem de handboeien om. ‘U staat onder arrest wegens inbraak en aanranding in de stad Golden op 5 januari 2011,’ zegt ze tegen hem. O’Leary wordt in een politiewagen gezet en overgebracht naar de Jefferson County Jail.

    Galbraith heeft die dag nieuwe schoenen aan. Altijd als ze daar voortaan naar kijkt, denkt ze terug aan de arrestatie van O’Leary. Het was voor haar belangrijk dat zij degene was die hem arresteerde. ‘Ik denk dat ik de blik op zijn gezicht wilde zien. En ik wilde dat hij wist: we hebben je doorzien.’

    ‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,” vertelt Galbraith. “Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, 
goddank’

    De huiszoeking bevestigt het onderzoek van de rechercheurs. In O’Leary’s klerenkast wordt een paar Adidas ZX 700-schoenen gevonden. De zolen komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw in Golden en buiten het raam in Lakewood. Ze vinden een paar Under Armour-handschoenen met honingraatpatroon. In de badkamer ligt een zwarte sjaal, zo geknoopt dat hij als masker kan dienen.

    ‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,’ vertelt Galbraith. ‘Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, 
goddank.’

    Ook de verhalen van de slachtoffers worden bevestigd. De meesten hadden een blanke man beschreven met groene of bruine ogen, rond de 1 meter 80, van rond de 110 kilo. Ze hadden verteld dat ze vastgebonden waren. Ze zeiden dat hij hun ondergoed had gestolen. In het huis van O’Leary ontdekken de politiemensen een zwart Ruger .380-kaliber pistool, een roze Sony Cyber-shot-camera en een grote rugzak, naast vochtige doekjes en glijmiddel. Verstopt in een onderdeel van een stereo-installatie in zijn kast vinden de rechercheurs een verzameling vrouwenondergoed. Trofeeën.

    Die avond rijdt Hendershot naar ‘haar’ slachtoffer, de 59-jarige weduwe in Westminster, om haar het nieuws te gaan vertellen. De vrouw heeft het jaar daarvoor haar man verloren aan kanker. Ze heeft geen familie in de buurt wonen. Ze is nog steeds niet hersteld van de geestelijke en lichamelijke kwellingen die ze heeft doorstaan tijdens de verkrachting. Hendershot heeft met haar afgesproken bij restaurant Denny’s. Daar treft ze haar in een donkere hoek, waar ze in haar eentje zit te eten.

    ‘Ik kwam binnen en ze was superblij om me te zien, en ik vertelde het haar. Ik bedoel, ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk,’ zegt Hendershot nu. ‘Ik zei tegen haar: “Het is voorbij. Het is voorbij. We hebben hem.”’

    Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.
    Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.

    Begin maart weet een forensisch computerspecialist de documenten te kraken die O’Leary op zijn harde schijf heeft opgeslagen. Hij vindt een map ‘meisjes’, met foto’s die O’Leary heeft genomen van zijn slachtoffers in Golden en Westminster. Galbraith herkent ze meteen.

    Maar dan stuit Galbraith op een foto van een vrouw die ze niet herkent. Het is een jonge vrouw – veel jonger dan de slachtoffers in Colorado, een tiener misschien nog. Op de foto’s is te zien dat ze doodsbang is en vastgebonden en gekneveld op een bed ligt. Galbraith voelt zich misselijk worden. Hoe komt ze erachter wie dit meisje is? Hoe kan ze gerechtigheid voor haar krijgen?

    Ze bekijkt alle beelden, en dan vindt ze een antwoord. Het is een foto van het tijdelijke rijbewijs van de vrouw, dat op haar borst is gelegd. Haar naam staat erop. En haar adres.

    Lynnwood, Washington.

    11 AUGUSTUS 2008

    Lynnwood Washington

    Hij komt altijd in de uren vóór de zon op gaat, staat dan te wachten bij haar appartement, bij haar slaapkamer, hoort haar telefoneren, wacht tot ze in slaap valt.

    Het is een droge nacht, dus hij kan het zich gemakkelijk maken. De muur is dun, dus hij kan haar stem horen. Een paar keer verlaat hij zijn plek, even maar, anders ziet iemand hem misschien rondhangen.

    Hij houdt van bomen, want die zorgen voor beschutting, en er staan er meer dan genoeg rond de Alderbrooke Apartments. In een appartement heb je niet zoveel privacy als in een huis, maar het heeft ook voordelen. Al die ramen, om te beginnen. En al die glazen schuifdeuren – belachelijk makkelijk open 
te krijgen als ze niet op slot zitten, wat zo vaak het geval is.

    Ze is niet echt zijn type. Dat heeft hij al eerder gezien, toen hij haar slaapkamer binnen gluurde. Maar hij besteedt zo veel tijd aan jagen (zo noemt hij het, jagen), honderden uren, misschien wel duizend, dat hij zichzelf heeft getraind om zo veel mogelijk vrouwen, jong of oud, in zijn fantasieën toe te laten. Dan is al dat werk niet voor niets.

    Hij heeft al eerder vrouwen begluurd en bij hen ingebroken, maar de volgende stap zetten is iets anders. Hij heeft geleerd van eerdere mislukkingen – op een keer kwam er een man binnen terwijl hij daar stond, met zijn masker op, voor de deur van de slaapkamer van de vrouw die hij had willen verkrachten – dus nu doet hij eerst nauwlettend onderzoek: hij gluurt door ramen, breekt vooraf al een keer in, verzamelt informatie. Jaren later zouden rechercheurs aantekeningen in zijn mobiele telefoon vinden over zijn observatie van een ander doelwit (zijn woord) waarin precies stond wanneer ze in welke kamer was, welke lampen uit of aan waren, welke ramen en luiken open stonden of dicht waren, of haar vriend er was of niet. ‘V in pyjama, game over,’ had hij op een avond geschreven.

    Hij bladert altijd snel door de persoonlijke papieren van een doelwit. Zo komt hij achter haar geboortedatum en kenteken. Hij begluurt haar terwijl ze televisie kijkt. En aan het eind van de jacht, voor hij zijn daad begaat, loopt hij nog even snel door het huis, voor wat hij zelf pre-combat inspection noemt – hij verkent het slagveld, om zich ervan te vergewissen dat er geen wapens binnen bereik van het slachtoffer zijn.

    Hij is al in de ban van afwijkende 
fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende

    Even voor zonsopkomst hoort hij dat het telefoongesprek is afgelopen. Hij wacht nog even terwijl het stil blijft, klimt dan over het hek en glipt door de 
glazen schuifdeur die niet op slot zit. In het volgende halfuur, terwijl zij slaapt, bereidt hij zich voor, hij pept zichzelf op om nu wel de volgende stap te zetten.

    Hij heeft haar weken eerder voor het eerst gezien, door een raam, toen hij buiten bij haar appartement rondsloop. Sindsdien heeft hij twee keer bij haar ingebroken, beide keren door diezelfde glazen deur.

    Hij heeft een term voor wat hij gaat doen: ‘verkrachtingstheater’. Hij is al in de ban van afwijkende 
fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende. Wat moet er van je worden als je op je vijfde al fantaseert over handboeien, heeft hij zich vaak afgevraagd. De eerste keer dat hij bij een huis inbrak, was hij pas acht jaar. Het gaf hem zo’n kick. Sindsdien heeft hij in zeker tien andere huizen ingebroken.

    Reservist

    Nu is hij dertig, een veteraan uit het leger – infanterie, twee keer uitgezonden naar Zuid-Korea – die heeft getekend bij de reservisten, maar zich al maanden niet heeft gemeld.

    In de keuken loopt hij naar het messenblok en trekt uit de bovenste rij, uiterst links, een mes met een zwart handvat. In de woonkamer haalt hij de veters uit haar zwarte tennisschoenen en zet de schoenen terug. Een rechercheur schrijft later in zijn rapport: ‘De schoenen stonden naast elkaar tussen het uiteinde van de bank en de slaapkamerdeur, op hun zolen, alsof ze daar zo waren neergezet (en niet waren verplaatst).’

    Hij gaat gewoon netjes en ordelijk te werk, zoals altijd.

    Hij rijgt een van de schoenveters door een slipje.

    Dan stapt hij de slaapkamer binnen.

    Rond zeven uur in de ochtend staat hij in de deuropening van haar slaapkamer, met in zijn linkerhand, op schouderhoogte, een mes.

    Hij kijkt toe hoe ze wakker wordt.

    Kijk de andere kant op, zegt hij tegen Marie – en dat doet ze. Ga op je buik liggen, zegt hij. Dat doet ze – en dan gaat hij schrijlings op haar zitten, terwijl hij het mes voor haar gezicht houdt.

    Doe je handen achter je rug, zegt hij. Ze doet het. Hij bindt haar polsen vast en bedekt haar ogen. Hij propt een lap in haar mond om geluiden te dempen.

    Dat was een interessant gesprek dat je daarnet had, zegt hij, om haar te laten weten dat hij al een tijdje heeft staan luisteren, wachten.

    Het is niet zo slim om de deur van het slot laten, 
zegt hij.

    Draai je weer om, zegt hij – en dat doet ze, en dan verkracht hij haar, en terwijl hij haar verkracht, 
gaat hij met zijn gehandschoende handen over 
haar lichaam.

    Hij legt haar voorlopige rijbewijs op haar borst en maakt foto’s van haar.

    Als hij klaar is, zegt hij dat hij de foto’s op internet 
zal zetten als ze het aan de politie vertelt, zodat haar kinderen, als ze kinderen heeft, ze kunnen zien.

    Hij haalt de prop uit haar mond en doet de blinddoek af, terwijl hij haar beveelt haar ogen af te wenden en haar hoofd in het kussen gedrukt te houden.

    Een van de laatste dingen die hij zegt, is dat het hem spijt. Hij zegt dat hij zich stom voelt, dat het in zijn hoofd beter leek.

    Hij gaat de kamer uit, loopt naar de voordeur en is weg.

    EPILOOG

    O’Leary heeft schuld bekend aan 28 aanklachten wegens verkrachting en daarmee verbonden misdrijven in Colorado. Op 9 december 2011, bijna een jaar na zijn arrestatie, wordt O’Leary 
veroordeeld tot 327½ jaar gevangenisstraf wegens de verkrachtingen in Colorado – het wettelijk maximum. Hij verblijft nu in de Sterling Correctional Facility, in de kale, afgelegen noordoostelijke hoek van Colorado. Hij komt nooit meer vrij.

    In een verhoor door de politie na zijn veroordeling doet O’Leary zijn verkrachtingen gedetailleerd uit de doeken. Hij beschrijft het gevoel dat hij had nadat hij een oudere vrouw had verkracht: ’Het was of ik net mijn Thanksgiving-diner op had,’ zegt hij.

    Ander politiedistrict

    De politie kan wel wat lessen van hem leren. Hij schept op over de maatregelen die hij heeft genomen om niet opgespoord te worden. Hij wist dat zijn DNA bij het leger bekend was. Dus zorgde hij dat hij geen sporen genetisch materiaal achterliet. Hij besefte ook dat politiebureaus onderling vaak niet communiceren. Dus pleegde hij met opzet elke verkrachting in een ander politiedistrict.

    De vijf andere verkrachtingen – één in Washington, vier in Colorado – dateren allemaal van na de de verkrachting van Marie. ‘Als Washington iets beter had opgelet, was ik waarschijnlijk eerder in beeld gekomen,’ zegt O’Leary.

    Vanuit Colorado brengt Galbraith O’Leary niet 
alleen in verband met de verkrachting in Lynnwood, Washington, maar ook met die in het nabijgelegen Kirkland. Daarvoor doorzoekt ze samen met een 
misdaadanalist van Washington State een database op onopgeloste zaken die vergelijkbaar zijn met de misdaden van O’Leary. Vervolgens vindt ze de naam van het slachtoffer uit Kirkland in een versleuteld document op O’Leary’s computer.

    O’Leary bekent schuld in beide zaken in Washington. In juni 2012 wordt hij veroordeeld tot veertig jaar cel voor de verkrachting in Kirkland en tot 28½ jaar voor de verkrachting van Marie in Lynnwood.

    Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.
    Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.

    Als duidelijk is dat O’Leary verantwoordelijk is voor de verkrachting in Lynnwood, laat Steven Jensen, hoofd van de politie in Lynnwood, een extern onderzoek uitvoeren naar de manier waarop zijn korps het politieonderzoek heeft afgehandeld. In een rapport, dat nog niet eerder openbaar is gemaakt, schrijft brigadier Gregg Rinta, hoofd van de afdeling Zedendelicten bij het openbaar ministerie in Snohomish County, dat ‘het slachtoffer regelrecht gedwongen is om toe te geven dat ze heeft gelogen over de verkrachting’.

    Het is geen wonder dat Marie haar verklaring introk, schrijft Rinta, gezien de ‘intimidatie’ en de ‘bedreigingen’ waaraan ze is onderworpen. De rechercheurs hebben van ‘onbetekenende inconsequenties’ – die vaak voorkomen bij slachtoffers – grote tegenstrijdigheden gemaakt, terwijl ze sterk bewijs dat de misdaad wel degelijk had plaatsgevonden, negeerden. Wat betreft hun dreigement dat Marie de gevangenis in zou moeten en zelfs haar huis kon kwijtraken als ze niet slaagde voor de leugendetectortest, schrijft Rinta: ‘Die beweringen zijn wreed en ongelooflijk onprofessioneel. Ik kan geen enkele rechtvaardiging voor die beweringen bedenken.’

    Jensen gelast ook een intern onderzoek, dat al even vernietigend oordeelt. Mason heeft zich veel te sterk laten beïnvloeden door het telefoontje van Peggy. 
Het tweede verhoor van Marie door de rechercheurs was ‘bedoeld om de bekentenis van een valse aangifte uit te lokken’. De aanklacht wegens het doen van valse aangifte kwam voort uit een ‘eigen behoefte om te scoren’.

    Ondanks de harde woorden van beide onderzoeken werden er tegen niemand bij de politie van Lynnwood disciplinaire maatregelen genomen.

    In een recent interview heeft Steve Rider, de huidige baas van de recherche in Lynnwood, Maries zaak ‘een grote misser’ genoemd, die door de mensen van het korps diep wordt betreurd: ‘Kun je je voorstellen, zij had die beestachtige al verkrachting moeten doorstaan – en dan zeggen wij ook nog tegen haar dat ze liegt. Dat is vreselijk. Wij hebben dit beroep gekozen om mensen te helpen, niet om ze pijn te doen.’ Politieman Rodney Cohnheim van bureau Lynnwood heeft over Marie gezegd: ‘Ze is twee keer geslachtofferd.’

    Brigadier Mason is terug bij de narcotica-afdeling, waar hij aan het hoofd staat van een speciaal team. Als we hem interviewen in dezelfde ruimte waarin hij zeven jaar eerder Marie voor zich had, zegt hij: ‘Het was niet aan haar om mij te overtuigen. Achteraf gezien was het aan mij om de zaak tot op de bodem uit te zoeken – en dat heb ik niet gedaan.’

    Volgens Rider is er naar aanleiding van Maries zaak veel veranderd in de manier van werken en de cultuur bij zijn korps. Politiemensen volgen nu een extra cursus over verkrachtingsslachtoffers. Een verkrachtingsslachtoffer krijgt onmiddellijk bijstand van een advocaat die verbonden is aan een plaatselijk zorgcentrum. Rechercheurs moeten ‘onweerlegbaar bewijs’ hebben dat er een leugen in het spel is, voordat ze een aangifte als ongeloofwaardig afdoen, en een aanklacht wegens valse aangifte moet worden goedgekeurd door hun superieuren. ‘We hebben hier heel veel van geleerd. En we willen niet dat dit ooit nog iemand overkomt,’ aldus Rider.

    Rittgarn, die al voor de arrestatie van O’Leary de politie Lynnwood had verlaten, wilde niet meewerken aan een interview voor dit verhaal. Dat geldt ook voor Zachor & Thomas, het juridisch bureau dat de vervolging van Marie uit naam van Lynnwood afhandelde.

    In 2008 was de zaak van Marie een van de vier gevallen bij de politie Lynnwood die het predicaat ongegrond kregen, volgens cijfers van de FBI. Tussen 2008 en 2012 werden 10 van de 47 aangiftes van verkrachting bij de politie Lynnwood ongegrond verklaard – 21,3 procent. Dat is vijf keer zo hoog als het nationaal gemiddelde van 4,3 procent in diezelfde periode bij politiedistricten met een vergelijkbare hoeveelheid inwoners. Volgens Rider is zijn bureau sinds Marie voorzichtiger geworden met het ongegrond verklaren van een zaak. ‘Ik durf te zeggen dat we heel wat grondiger onderzoek doen naar onze zaken dan veel andere politiekorpsen,’ zegt hij. ‘We letten nu extra goed op dat we tot de juiste conclusies komen.’

    Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.
    Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.

    Tweeënhalf jaar nadat Marie gebrandmerkt werd 
als leugenaarster, zoekt de politie van Lynnwood haar op in het zuiden van Seattle, en vertelt haar 
het nieuws: haar verkrachter is gearresteerd in Colorado. Ze geven haar een envelop met informatie over hulp aan verkrachtingsslachtoffers. Ze zeggen dat haar strafblad zal worden gewist. En ze overhandigen haar 500 dollar, als vergoeding voor de kosten van de rechtszaak. Marie stort in – ze voelt zich tegelijkertijd geschokt, opgelucht en woedend.

    Later maakt Shannon met Marie een wandeling in het bos en zegt tegen haar: ‘Het spijt me zo dat ik aan je heb getwijfeld.’ Marie vergeeft het haar meteen. Ook Peggy biedt haar verontschuldigingen aan. Ze wenst nu dat ze nooit haar twijfels aan de politie kenbaar had gemaakt. ‘Want ik denk dat als ik mijn mond had gehouden, zij hun werk hadden gedaan,’ zegt ze.

    Marie daagt de stad voor de rechter en treft een schikking voor 150.000 dollar. ‘Een kwestie van 
risicomanagement,’ zegt een advocaat van 
Lynnwood tegen The Herald in Everett, Washington.

    Marie is naar een andere staat verhuisd, heeft haar groot rijbewijs gehaald en is trucker geworden. Ze is getrouwd en afgelopen oktober hebben zij en haar man hun tweede kind gekregen. Op haar verzoek wordt haar huidige woonplaats niet bekendgemaakt.

    Voordat ze uit Washington vertrekt om haar leven een nieuwe start te geven, maakt Marie een afspraak voor een gesprek bij het politiebureau van Lynnwood. Ze gaat naar een vergaderkamer en wacht af. Rittgarn heeft de dienst dan al verlaten, maar Mason komt binnen, met een blik ‘als een geslagen hondje’, volgens Marie. ‘Hij wreef met zijn handen over zijn hoofd en zag er letterlijk uit alsof hij zich schaamde voor wat ze hadden gedaan.’ Hij zegt tegen Marie dat hij er spijt van heeft – ‘diepe spijt’, aldus Marie. Ze gelooft dat hij het oprecht meent.

    Tijdens een recent interview vraagt iemand aan Marie of ze overwogen heeft de verkrachting niet aan te geven.

    ‘Nee,’ zegt ze. Ze wilde eerlijk zijn. Ze wilde zo veel mogelijk onthouden. Ze wilde de politie helpen. ‘Om te zorgen dat niemand anders dit zou overkomen,’ zegt ze. ‘Zodat ze op zoek zouden gaan naar de man die mij dit had aangedaan.’

    Auteurs: T. Christian Miller en Ken Armstrong
    Vertalers: Nicolette Hoekmeijer en Annemie de Vries

    Beeld bovenaan: © Studio Odilo Girod

    T. Christian Miller werkt sinds 2008 als verslaggever 
voor ProPublica. Voor die tijd was hij elf jaar in dienst bij 
de Los Angeles Times. Daar schreef hij onder andere over de presidentscampagne van 2000 en was hij drie jaar bureauchef, verantwoordelijk voor tien landen in Zuid- en Centraal-Amerika.

    Ken Armstrong is onderzoeksjournalist met een Pulitzerprijs op zijn naam. Hij heeft voorheen voor The Seattle Times gewerkt en voor de Chicago Tribune, waar het onder andere aan zijn werk te danken was dat de gouverneur van Illinois verschillende executies uitstelde en later de dodencellen sloot. Hij bekleedde de McGraw-leerstoel voor schrijven op Princeton en was Nieman Fellow op Harvard.

    The Marshall Project
    VS | themarshallproject.org

    Na dertig jaar voor The New York Times te hebben gewerkt lanceerde Bill Keller in 2014 een nieuw project: een non-profitnieuwskanaal gewijd aan de behandeling van criminelen binnen het Amerikaanse rechtssysteem. Met deze site wil Keller een levendiger debat bereiken over het optreden van politie, rechtbank en gevangenissen in de VS. De naam verwijst naar de jurist Thurgood Marshall (1909-1993), een liberale voorvechter van burgerrechten die erop hamerde dat bescherming door de wet het meest fundamentele recht is in een vrije maatschappij. Het aantal gedetineerden in Amerika wordt slechts geëvenaard door dat van Noord-Korea, en racisme binnen het rechtssysteem is er aan de orde van de dag. Ook weigert het systeem zijn eigen fouten te corrigeren. De site is volledig onafhankelijk, en bestaat dankzij donaties van stichtingen en individuen, maar is niet neutraal. Medewerkers zijn zonder uitzondering van mening dat het Amerikaanse rechtssysteem dringend behoefte heeft aan serious rethinking.

  • Amerikaanse lessen voor Molenbeek

    Amerikaanse lessen voor Molenbeek

    Waarom zijn er in de VS geen aanslagen als in Parijs en Brussel, en vertrekken er zo weinig Amerikaanse moslims naar Syrië? Voor het antwoord op die vragen moet je in ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ zijn: 
Dearborn, Michigan.

    Van alle Amerikaanse voorsteden lijkt Dearborn, Michigan, 
misschien wel het meest op Molenbeek, waar de terroristen 
vandaan kwamen die de aanslagen pleegden op het vliegveld en in de metro van Brussel en afgelopen najaar in Parijs. Deze gewone voorstad van Detroit, die wel ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ wordt genoemd, heeft de grootste moskee van het land; in Dearborn vind je ook het Arabisch Museum, Arabische cafés, en halal beefburgers. De laatste tijd is Dearborn doelwit van rechtse angstzaaierij en bijtende, islamofobe commentaren. Ron Haddad, hoofd van de politie in Dearborn, vertelt dat hij op reizen door het land altijd maar één vraag krijgt. ‘Dan komt er iemand naar me toe, priemt zijn vinger in mijn gezicht, 
en vraagt: “Zullen de mensen in uw gemeenschap terroristische daden bij jullie melden?”’

    Wat ze bedoelen is: zullen moslims andere moslims aangeven? Haddad heeft dan zijn antwoord klaar: ‘Niet alleen zouden ze dat doen, ze doen het ook,’ zegt hij. ‘Ze hebben het al gedaan.’

    Amerikaanse moslims zijn sterker geassimileerd en patriottischer

    Dearborn en Molenbeek, ze verschillen van elkaar als dag en nacht. In een stad waar bijna een derde van de 95.000 inwoners Arabisch-Amerikaans is, heeft Haddads politiedienst een wijdvertakt netwerk aan contacten in de islamitische gemeenschap. Zijn politiemensen gaan geregeld op bezoek bij de achtendertig scholen en de vele moskeeën die de stad telt. Haddad ondersteunt een programma dat ‘Stepping Up’ heet, en dat onder andere een jaarlijkse prijsuitreiking organiseert voor bewoners die criminele activiteiten aangeven. 
De afgelopen jaren heeft zeker twee keer per jaar een moslimvader die zich zorgen maakte over de invloed van IS 
of andere onlinepropaganda op zijn kind, zijn eigen zoon aangegeven. 
Ook is het voorgekomen dat leerlingen van een overwegend islamitische 
middelbare school problemen rond 
een medeleerling kwamen melden.

    Dat komt volgens Haddad deels doordat er een plek is waar ze hun meldingen kúnnen doen, en deels doordat ze zich verbonden voelen met de rest van Dearborn, Michigan en de Amerikaanse samenleving. Het contact- en informantenprogramma dat hij leidt wordt door de Amerikaanse politie- en contraterrorisme-autoriteiten als voorbeeld gezien. En het is maar één klein onder-
deel van de weinig bekende, maar wijdverbreide inspanningen die in het hele land gaande zijn om netwerken op te bouwen binnen moslimgemeenschappen. Dat gebeurt zowel op landelijk als op federaal niveau, en binnenkort gaat er een nieuw financieringsprogramma van start voor deze inspanningen. 
Toch zijn slechts weinig Amerikanen van deze ontwikkelingen op de hoogte.

    In de race om het Amerikaanse presidentschap is het antimoslimsentiment weer een geliefd onderwerp, en niet alleen bij Donald Trump, met zijn voorstel om moslims te weren. Ook Ted Cruz heeft zijn steentje bijgedragen, toen hij zei: ‘We moeten de politie de middelen geven om de orde in 
islamitische wijken te handhaven, voordat die radicaliseren.’

    Een politieman in Dearborn houdt de wacht terwijl bezoekers de moskee verlaten, vlak na de aanslagen van 11 september 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images
    Een politieman in Dearborn houdt de wacht terwijl bezoekers de moskee verlaten, vlak na de aanslagen van 11 september 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Amerikaanse politiemensen die betrokken zijn bij de pogingen om 
terrorisme tegen te gaan, voelen zich hier bepaald niet prettig bij: volgens hen is er al veel contact tussen Amerikaanse moslimgemeenschappen en de Amerikaanse politie- en inlichtingendiensten. En die gemeenschappen 
blijken niet ‘geradicaliseerd’ te zijn, maar juist verbazingwekkend coöperatief. Verschillende bronnen binnen de Amerikaans politie- en inlichtingendiensten schetsen een beeld van een grotendeels stilgehouden maar wijdverbreide manier van werken: om terrorisme tegen te gaan en inlichtingen te verkrijgen is de federale overheid diep doorgedrongen in moslimgemeenschappen. Hun aanpak bestaat niet zozeer uit surveilleren, maar uit geavanceerde, zij het soms inbreukmakende programma’s gericht op het versterken van contacten en het winnen van informanten. Het resultaat is volgens Amerikaanse functionarissen dat Amerikaanse moslimwijken veel meer meewerken aan het bestrijden van 
islamitisch terrorisme dan hun Europese tegenhangers.

    Bij de bron

    Onlangs ging de grootste van deze federale programma’s van start: een taskforce met vertegenwoordigers 
van de verschillende diensten, 
gecoördineerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat betekent dat geld en bevoegdheden die voorheen altijd over verschillende diensten waren verdeeld nu voor het eerst op één plek terechtkomen. Als onderdeel van dat programma zet de FBI zogenaamde ‘Shared Responsibility Committees’ 
op, waarin mensen uit de federale (FBI) en plaatselijke politie, de geestelijke gezondheidszorg, binnenstads- en schoolprogramma’s, maatschappelijk werkers en imams en andere religieuze leiders samen een aanpak bedenken – en tevens verdacht gedrag onder de aandacht van de FBI brengen.

    Het gaat er niet om verdachten in de val te lokken, zeggen de autoriteiten. De bedoeling is juist om de vervreemding bij de bron aan te pakken en jonge mensen die zich aangetrokken voelen tot IS of andere radicale propaganda, op andere gedachten te brengen en 
ze via therapie en gespreksgroepen terug te brengen naar de samenleving, voordat het te laat is. Maatschappelijk werkers en therapeuten zullen toegang krijgen tot geheime informatie en de Shared Responsibility Committees 
zullen onder andere bespreken of er sprake is van duidelijk misdadige opzet en of ‘alternatieve straffen’ in plaats van lange gevangenisstraffen misschien beter zullen werken.

    Antimoslimgraffiti op de muur van het Islamic Center in de stad. – © Bill Pugliano / Getty Images
    Antimoslimgraffiti op de muur van het Islamic Center in de stad. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Maar natuurlijk geeft het programma ook een stevige basis aan het informantennetwerk van de FBI. Er is veel discussie geweest over dit soort programma’s. In New York maakte burgemeester Bill de Blasio een eind aan een controversieel profilingprogramma van het New York Police Department dat volgens de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie ACLU [American Civil Liberties Union] zo ongeveer elke mannelijke moslim als verdachte aanmerkte.

    In de val

    Een van de middelen die het hoofd van de FBI kan inzetten in de strijd tegen potentiële terroristen – via agressieve undercoveroperaties – staat in de ogen van veel mensen bovendien gelijk met ouderwets in de val lokken. Uit een onderzoek uit 2014 door Human Rights Watch bleek dat ‘in sommige gevallen de FBI misschien wel terroristen heeft gemaakt van gezagsgetrouwe individuen door infiltratieoperaties uit te voeren die de bereidheid van het doelwit om een aanslag te plegen onderzocht en die vervolgens faciliteerde’. In het geval van de ‘Newburgh Four’ (vier moslimmannen uit Upstate New York die in 2014 door de FBI in de val werden gelokt en gearresteerd), zei een rechter dat ‘de overheid de misdaad en de middelen leverde en alle relevante belemmeringen uit de weg ruimde.’

    Volgens politiefunctionarissen zijn deze methodes wel degelijk effectief, al hebben ze ‘lone wolf’-aanslagen, zoals de schietpartij in San Bernardino en de bomaanslag op de marathon van Boston in 2013, niet weten te voorkomen.

    De Amerikaanse aanpak van moslimgemeenschappen is in het algemeen genuanceerder dan die in Frankrijk, waar de politie duizenden moslims 
in de gaten houdt die niets te maken hoeven te hebben met terreurplannen. En veel waarnemers geloven dat die genuanceerdheid een grote rol speelt bij het beantwoorden van die grote vraag: waarom hebben de Verenigde Staten, die toch lange tijd het hoofddoelwit zijn geweest van jihadistische haat, geen terreurprobleem van eigen bodem zoals Europa?

    De agressieve FBI-operaties staan volgens velen gelijk aan uitlokking

    Enkele redenen liggen voor de hand. Europa is geografisch verbonden met Syrië en andere terroristische vrijhavens, en de VS is dat niet. Maar de meeste deskundigen zijn het erover eens dat een deel van de verklaring ligt in de Amerikaanse moslimgemeenschappen zelf. De Amerikaanse moslims zijn veel sterker geassimileerd en patriottischer dan de vervreemde islamitische onderklasse in Frankrijk en België – die vaak bestaat uit ontevreden Algerijnse of Marokkaanse jongeren. En volgens Amerikaanse autoriteiten zijn Amerikaanse moslims zelf enorm behulpzaam geweest bij het verhinderen van aanslagen. ‘In de meer dan tien jaar dat ik nu bij de federale overheid werk, zijn Arabische en Zuid-Aziatische islamitische gemeenschappen in het hele land een van de grootste hulpbronnen geworden voor de bescherming van de veiligheid van ons land en het bevorderen van de Amerikaanse waarden,’ zegt George Selim, die bij Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de nieuwe taskforce.

    Volgens radicaliseringsexpert Jessica Stern is één probleem voor IS-ronselaars in Amerika – waarvandaan procentueel tien keer minder moslims geprobeerd hebben af te reizen naar Islamitische Staat dan vanuit veel West-Europese landen – dat ‘Amerikaanse moslims gewoon te gelukkig zijn. Uit opiniepeilingen blijkt dat Amerikaanse moslims patriottisch zijn. Zij zijn aantoonbaar gelukkiger met de koers van het land dan niet-moslims. Als jongeren in de verleiding komen om zich bij een jihadistische groep te voegen, doen hun ouders vaak alles om ze tegen te houden. Gelukkig heeft de politie in verscheidene Amerikaanse steden een goede vertrouwensband met ze opgebouwd.’

    Dearborn en Molenbeek verschillen van elkaar als dag en nacht

    Een aantal gevallen in de afgelopen jaren illustreert hoe bepaalde situaties in de Verenigde Staten uit hadden kunnen groeien tot aanslagen à la Brussel, maar dat niet deden. In 2010 werd Farooque Ahmed, een genaturaliseerde Pakistaan uit Noord-Virginia, aangegeven door iemand uit zijn moskee en vervolgens aangeklaagd wegens het beramen van een aanslag op metrostations. In 2014 werd de FBI door een plaatselijke informant gewaarschuwd dat drie islamitische tieners van plan waren zich bij IS in Syrië te voegen.

    Moskeegangers passeren een auto met Amerikaanse vlag, eind 2001. –  © Bill Pugliano / Getty Images
    Moskeegangers passeren een auto met Amerikaanse vlag, eind 2001. – © Bill Pugliano / Getty Images

    Maar zoals altijd verplaatst de dreiging zich. John D. Cohen, die aan het hoofd stond van het programma tegen gewelddadig extremisme van Binnenlandse Zaken en nu doceert aan Rutgers University, zegt dat de IS-dreiging nu diffuus is en wordt verspreid via internet, zodat het niet veel zin meer heeft om zich op speciale moslimgemeenschappen te richten – althans niet in de Verenigde Staten. ‘Wat we nu zien 
is dat terroristen in spe niet gewoon in moslimgemeenschappen leven, en zelfs niet altijd een islamitische achtergrond hebben,’ zegt Cohen. ‘Het gaat vaak 
om verwarde mensen die hun leven betekenis willen geven door voor zo’n zaak te gaan vechten. Ze weten vaak nauwelijks iets van de islam.’

    Het is ook een kwestie van het efficiënt uitwisselen van inlichtingen, een belangrijk onderdeel van de inspanningen van Binnenlandse Zaken, dat in Europa veel minder ver gevorderd is. ‘Er zijn twee verschillen met West-Europa,’ zegt Cohen. ‘De ene is dat de immigrantengemeenschappen daar veel minder vertrouwen hebben in de 
politie en in andere mensen. Maar de andere reden waarom wij in dit land zo veel aanslagen hebben ontdekt en voorkomen, is dat de inlichtingenstroom tussen plaatselijke en nationale diensten ongelooflijk verbeterd is sinds 9/11. Ik vermoed dat de informatie over de verdachten die Turkije doorgaf aan de Belgische autoriteiten, wel naar de inlichtingendienst ging, maar misschien niet naar politiemensen. Het zou wel eens kunnen dat die er niet vanaf wisten.’

    Schadelijk

    In de Verenigde Staten vrezen veel betrokkenen nu dat de antimoslimretoriek uit de verkiezingscampagne schadelijk is voor hun zo zorgvuldig opgebouwde programma’s, waaronder ook de nieuwe task force.

    Haddad in Dearborn en andere Amerikaanse politiemensen zijn bang dat deze nieuwe golf openlijke islamofobie de radicalisering die zij juist hebben geprobeerd te beteugelen, weer aanwakkert. Tot nu toe lijken hun inspanningen te werken: Charles Kurzman, socioloog aan de University of North Carolina, zegt dat het relatief kleine aantal moslims in Amerika dat zich aangetrokken voelde tot de IS-ideologie, de laatste tijd nog verder is afgenomen. ‘Het aantal dat naar het buitenland wil reizen (waarschijnlijk naar Islamitische Staat) was tussen half 2014 en half 2015 op zijn hoogtepunt en is daarna aanzienlijk gedaald. Een mogelijke reden daarvoor is dat de aantrekkingskracht van IS is afgenomen door de gewelddadige en wrede beelden.’

    Auteur: Michael Hirsch
    Vertaler: Annemie de Vries

    Politico
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000

    Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.

  • Het nieuwe gezicht van zwart Amerika

    Het nieuwe gezicht van zwart Amerika

    Ze worden de ‘Rihanna-generatie’ genoemd, naar de beroemde zangeres. Nieuwe immigranten uit Afrika en het Caribisch gebied veranderen de cultuur van zwart Amerika.

    Het tv-fragment duurde slechts zes seconden, maar Black Twitter ontplofte. Tijdens een bezoek aan Jamaica, vorig jaar, begroette president Obama een sportzaal bomvol studenten met een paar woorden in Jamaicaans dialect: ‘Greetings massive! Wha gwaan Jamaica?’ [Alles goed, Jamaica?]

    Het was een cultureel feelgoodmoment, dat weerspiegelde hoe zich ongemerkt een grote verandering voltrekt binnen zwart Amerika. Aan de ene kant was daar president Obama, zoon van een Keniaanse immigrant en leider van het machtigste land ter wereld. Aan de andere kant de leden van de groeiende Caribisch-Amerikaanse bevolking die thuis televisie zaten te kijken en het prachtig vonden dat de president ze in hun eigen taal toesprak.

    De zwarte immigrant is in opkomst in Amerika. En dat geldt ook voor hun kinderen en kleinkinderen. Zeker 9 procent van de zwarte Amerikanen is immigrant, volgens onderzoek van het Pew Research Center. Dat is bijna drie keer zoveel als in 1980. Volgens het Amerikaanse bureau voor de statistiek zal hun aantal nog stijgen tot 16,5 procent. Met andere woorden: over niet al te lange tijd is bijna een op de vijf zwarte Amerikanen in het buitenland geboren.

    Eigen identiteit

    In het hele land zorgt deze verandering voor een aanzienlijke verschuiving in grote delen van de zwarte cultuur. In de stadsregio Miami is al 34 procent van de zwarte bevolking in het buitenland geboren. In de stadsregio New York ligt dat cijfer rond de 28 procent en in Washington D.C. rond de 15 procent.

    ‘Het betekent dat we de uniforme kijk op “zwart zijn” in dit land moeten loslaten,’ zegt Onoso Imoagene, een in Nigeria geboren assistent-hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Pennsylvania. ‘In de voortdurende immigratiestroom uit Afrika en het Caribisch gebied zien we groepen die sterk vasthouden aan hun etnische identiteit – niet alleen in de eerste generatie, maar ook in de tweede en derde.’

    Over het algemeen doen in het buitenland geboren zwarten het op belangrijke terreinen als onderwijs en inkomen beter dan oorspronkelijke zwarte Amerikanen. De kans is groter dat ze een universitaire studie hebben afgerond (26 procent tegen 10 procent), een hoger jaarinkomen per huishouden hebben en getrouwd zijn (48 procent tegen 28 procent), en er is minder kans dat ze in armoede leven (20 procent tegen 28 procent), aldus het onderzoek van het Pew Research Center.

    ‘We hebben net het carnaval hier in New York gehad en nu hebben we opeens ook een carnaval in New Jersey. Opeens wordt er overal carnaval gevierd’

    Een manier om de groeiende invloed van deze zwarte immigranten te bestuderen is door te kijken naar hun bijdrage aan de cultuur, de politiek en de wetenschappelijk wereld in de VS in de afgelopen jaren. De familie van voormalig minister van Justitie Eric Holder emigreerde vanuit Barbados, waarna Holder de eerste zwarte man werd die deze positie bekleedde. De ouders van voormalig minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell kwamen uit Jamaica. Ook hij was de eerste zwarte man in die positie. Rihanna, afkomstig van Barbados en Nicki Minaj, uit Trinidad, voeren de hitlijsten aan. De voorzitter van het college van bestuur van Howard University, de meest prestigieuze van oudsher zwarte universiteit van het land, komt uit Trinidad. En ook het levensverhaal van president Obama past in dit plaatje.

    Een model presenteert een creatie uit de Puma-collectie van Rihanna tijdens de New Yorkse Fashion Week. – © Eduardo Munoz / Reuters
    Een model presenteert een creatie uit de Puma-collectie van Rihanna tijdens de New Yorkse Fashion Week. – © Eduardo Munoz / Reuters

    Nog een bewijs voor de toename van de immigratie, met name uit de Cariben, is dat er in de Verenigde Staten steeds meer steeldrumbands te vinden zijn, zegt William Howard, voorzitter van de West Indian Carnival Association, die elk jaar verspreid over het hele land zestig carnavalsfeesten organiseert.

    ‘De steeldrum is het enige instrument van deze eeuw,’ aldus Howard over dit typisch West-Indische instrument, dat aan het begin van de twintigste eeuw in Trinidad en Tobago zijn moderne vorm kreeg. ‘En nu hebben zelfs topuniversiteiten als New York University, Rutgers en Northwestern University hun eigen steeldrumbands. Deze muziek floreert.’ Hij schat dat er op dit moment meer dan drieduizend steeldrumbands in het hele land zijn, van de staat Washington tot Florida.

    Nog een bewijs voor de toename van deze bevolkingsgroep: de West-Indische carnavalsvieringen. ‘We hebben net het carnaval hier in New York gehad en nu hebben we opeens ook een carnaval in New Jersey, er komt een carnaval in Babylon, Long Island en een in Nassau,’ vertelde hij tijdens de vieringen van afgelopen maand. ‘Opeens wordt er overal carnaval gevierd.’

    In bepaalde opzichten is er altijd een buitenlandse invloed aanwezig geweest in de zwarte cultuur en politiek. DJ Kool Herc, een Jamaicaans immigrant, stond aan de basis van de hiphop. Louis Farrakhan, de leider van de Nation of Islam, een zwarte nationalistische beweging, was de zoon van een vrouw uit Saint Kitts en Nevis en een Jamaicaanse vader. Politicus en publicist Marcus Garvey was Jamaicaan, politica Shirley Chisholm, wier ouders uit Barbados 
en Guyana kwamen, kwam in 1968 als eerste zwarte vrouw in het Amerikaanse congres en werd vervolgens de eerste zwarte presidentskandidaat voor een grote partij.

    Nieuw verschijnsel

    Toch zijn deze verhalen vanuit historisch perspectief een relatief nieuw verschijnsel. Sinds in 1808 de slavenhandel werd verboden zijn er zeer weinig zwarten naar Amerika geëmigreerd. Maar in de jaren zestig van de twintigste eeuw werd een belangrijke immigratiehervorming doorgevoerd, slechts een jaar na de Civil Rights Act, de grootste overwinning van het burgerrechtentijdperk. Het gevolg van beide was dat de zwarte immigratie naar de VS snel steeg. De in het buitenland geboren zwarte bevolking verzevenvoudigde bijna tussen 1960 en 1980.

    De eerste golf zwarte immigranten kwam voor het overgrote deel uit het nabijgelegen Caribisch gebied, onder andere via gezinshereniging. Veel mensen kwamen ook via programma’s voor geschoold personeel. Verreweg het grootste deel van deze immigranten kwam uit Jamaica. Op dit moment wonen er in de VS zo’n 682.000 immigranten die in Jamaica geboren zijn. 
Zij worden in aantal op de voet gevolgd door immigranten uit Haïti, waarvan er zo’n 586.000 zijn. Derde op de lijst zijn de 226.000 Nigeriaanse immigranten, een heel andere groep, die de sterkste verandering in de zwarte immigratie naar de VS markeert. Nog steeds komt het grootste deel van de zwarte immigranten uit het Caribisch gebied, maar de Afrikanen nemen de recentere groei voor hun rekening; daarbij gaan de Nigerianen aan kop. ‘Hun onderwijsniveau is veel hoger dan het gemiddelde in de Verenigde Staten. Hoger dan dat van de Afro-Amerikanen in de Verenigde Staten en veel hoger dan het gemiddelde opleidingsniveau dat je in Nigeria vindt,’ zegt Imoagene, de socioloog aan de Universiteit van Pennsylvania.

    De Haïtiaanse dansgroep ‘Dream Defenders' aan het werk in Miami, Florida. – © Charles Ommanney / Getty Images
    De Haïtiaanse dansgroep ‘Dream Defenders’ aan het werk in Miami, Florida. – © Charles Ommanney / Getty Images

    Er zijn culturele redenen aangevoerd waarom dit het geval is. De bekendste daarvan is de theorie die Amy ‘Tiger Mom’ Chua en medeauteur Jed Rubenfield uiteenzetten in hun boek The Triple Package: How Three Unlikely Traits Explain the Rise and Fall of Cultural Groups in America. Die ‘Triple Package’ bestaat uit een combinatie van 1) een superioriteitscomplex – een diepgeworteld geloof in de aangeboren uitmuntendheid van de groep, 2) een gevoel van onzekerheid en 3) impulsbeheersing. Samen kunnen deze drie volgens Chua en Rubenfield verklaren waarom sommige immigrantengroepen beter presteren dan andere.

    Het succes van Jamaicanen, Ghanezen en Haïtianen, die in veel opzichten op dezelfde manier de sociale ladder hebben beklommen als traditionele ‘modelminderheidsgroepen’ zoals Iraniërs, Cubanen en Chinezen, wordt voor een deel ook toegeschreven aan deze drie eigenschappen. ‘Maar misschien wel het meest succesvol zijn de Nigerianen,’ schrijven Chua en Rubenfield.

    ‘We hebben dan wel dezelfde Afrikaanse voorouders, maar ons succes is te danken aan het feit dat wij met heel andere omstandigheden te maken hebben gehad,’ aldus Kalé Kponee, voorzitter van de Nigeriaanse studentenbond aan Harvard. Zij kwam op achtjarige leeftijd naar de VS, nadat ze eerst twee jaar in een vluchtelingenkamp had gezeten. Kponee schat dat aan de medische faculteit van Harvard meer Nigerianen en andere West-Afrikanen studeren dan zwarte Amerikanen. ‘Wij hebben een andere route gevolgd en onze drijfveren zijn verschillend, door onze andere achtergrond,’ zegt ze, doelend op het feit dat onder Afrikaanse immigranten een ander wereldbeeld heerst, waarin onderwijs als het allerbelangrijkst wordt gezien. ‘Er zijn wel degelijk succesvolle Afro-Amerikanen, maar het Amerikaanse systeem belemmert veel mensen om academisch en financieel succesvol te worden.’

    Misschien wel het meest succesvol zijn de Nigerianen

    Volgens Christina Greer, politiek wetenschapper aan Fordham University, gaat de vergelijking tussen de groepen immigranten en de zwarte Amerikaanse bevolking niet op: ‘Degenen die uit West-Afrika naar Amerika komen, zijn vrijwel altijd hoogopgeleid. Hen afzetten tegen de zwarte Amerikaanse bevolking als geheel, is appels met peren vergelijken.’

    Interessanter dan de verhalen over 
de huidige zwarte immigratiegolf in 
de grote steden – altijd al centra van diversiteit en immigratie – zijn volgens Greer de culturele verschuivingen in steden van het tweede of derde echelon, elders in het land. Sommige van die steden, zoals Lewiston in Maine, hebben nu een zwarte bevolking die vrijwel geheel bestaat uit immigranten en hun kinderen. In het geval van Lewiston kwam die in de vorm van zo’n duizend voornamelijk islamitische vluchtelingen uit Somalië die de afgelopen vijftien jaar naar de stad zijn gekomen. Het is een zwarte gemeenschap in de blankste staat van het land, die vrijwel geen contact heeft met de heersende zwarte Amerikaanse cultuur en die zijn eigen culturele identiteit heeft behouden.

    ‘Bij blanke Amerikanen heb je het over de Grieken, de Italianen, de Polen, de Ieren, enzovoort,’ mijmert socioloog Imoagene. ‘Waarom zou dat bij zwarten anders zijn?’

    Auteur: Daniel Rivero
    Vertaler: Annemie de Vries

    Fusion
    VS | tv-zender, fusion.net

    Fusion is een kabel- en satelliet-tv-zender, gericht op een jong publiek met een latino-achtergrond. De zender is een gezamenlijke onderneming van de Walt Disney Company in Burbank, Californië en Univision Communications Inc. in New York. Fusion kan daardoor mede putten uit de bronnen van ABC News en Noticias Univision. Zender en aanhangende website (fusion.net) werden gelanceerd in oktober 2013 en zijn gevestigd in Doral, een voorstad van Miami (Florida). Men beschikt bovendien over studio’s en kantoren in Mexico-Stad, Los Angeles, New York en Washington D.C. Van de kant van Univision, oorspronkelijk Spaanstalig, is de zender een fors opgezette poging om door te dringen tot het Engelstalige segment van de Amerikaanse markt, en van Disney om (nog) meer greep te krijgen op de Hispanic Americans.

    Wat de inhoud betreft richt Fusion zich op nieuws, popcultuur en satire ‘voor de millenniumgeneratie’, met programma’s die ‘zowel intelligent als oneerbiedig’ bedoeld zijn.

  • 2. … en zij wel

    2. … en zij wel

    Wie zijn toch de aanhangers van Donald Trump, die het Republikeinse establishment tot wanhoop drijven? Volgens The Washington Post vind je ze vaak in achtergebleven gebieden waar zich zelden een presidentskandidaat vertoont.

    Lowell, Massachusetts – Dit oude industriestadje is vooral bekend om wat het ooit was, toen textiel
fabrieken aan de oever van de Merrimackrivier werk boden aan duizenden immigranten uit Ierland, Rusland en Griekenland. Dat Lowell bestaat allang niet meer en nu vecht een nieuwe stad voor zijn bestaan. Ondanks de aanwezigheid van de University of Massachusetts-
campus, heeft maar een op de vijf inwoners hier een universitaire opleiding. Het gemiddelde jaarinkomen per huishouden ligt rond de 49.500 dollar en dat blijft ver achter bij het gemiddelde van de staat en van het land. Negentien procent van de honderdduizend inwoners van de stad leeft in armoede.

    Dit is het soort stad waar miljardair Donald Trump in zijn campagne voor het presidentschap graag zijn verkiezingsbijeenkomsten houdt, en waar zijn boodschap de meeste weerklank lijkt te vinden. De luidruchtige evenementen die het kenmerk en de drijvende kracht van Trumps campagne zijn geworden, zijn meestal niet zijn verkiezingsbijeenkomsten in staten 
als Iowa en New Hampshire, waar de verkiezingen vroeg plaatsvinden. Hij krijgt juist steeds meer een gezicht door de bijeenkomsten in steden waar zich zelden een presidentskandidaat vertoont. Het zijn vaak ook plaatsen die het moeilijk hebben: Mobile, Alabama, waar het werkloosheidscijfer hoger is dan gemiddeld in het hele land en in de staat zelf; Springfield, Illinois, waar de industrie nog niet over de recessie heen is; en Beaumont, Texas, dat zich zorgen maakt over de lage brandstofprijzen.

    Hij krijgt staande ovaties voor zijn beloften dat hij banen uit het buitenland terug zal halen en een muur langs de zuidgrens zal bouwen

    Deze stadjes – en veel andere die Trump tijdens zijn campagne heeft aangedaan – blijven op een aantal fronten achter bij de rest van het land en van hun eigen staat. Het gemiddelde inkomen per huishouden is lager, er is vaak minder eigen huizenbezit en er zijn minder inwoners met een universitair diploma. In de meeste van deze steden wonen veel minderheden, maar het publiek 
op Trumps bijeenkomsten is vrijwel geheel blank.

    En bij dat publiek overheerst het gevoel dat het nog steeds niet goed genoeg gaat met de economie – en 
dat het misschien ook nooit beter zal worden dan het nu is, tenzij er een 
dramatische omslag plaatsvindt.

    ‘Ik zie hoeveel moeite mensen hebben om de basisbehoeften in het leven te betalen,’ zegt Alexis Arondson, 36, die geboren is in Lowell en voor [kabelgigant] Comcast werkt. Ze is van plan om zich als kiezer te registreren zodat ze op Trump kan stemmen. ‘Volgens mij is er de afgelopen jaren niets veranderd. Mensen zijn gewoon immuun geworden voor hoe het met de economie gaat. Iedereen heeft zich er maar bij neergelegd.’

    Slimme underdog

    In deze onbekende stadjes trekt Trump duizenden en duizenden bewonderaars die uren in de zinderende hitte of ijzige kou staan te wachten om hem te horen spreken. Hij doet zich voor als een soort underdog die met zijn boerenverstand het systeem heeft weten te verslaan, 
en hij wordt vaak het hardst toegejuicht wanneer hij tekeergaat tegen Democraten, het Republikeinse establishment, de media, graaiende bedrijven of elke andere instelling waardoor mensen zich in de steek gelaten voelen. Hij krijgt staande ovaties voor zijn beloften dat hij banen uit het buitenland terug zal halen en een muur langs de zuidgrens zal bouwen om illegale immigranten, terroristen en drugs buiten 
de deur te houden.

    Volgens Trumps campagneleider Corey Lewandowski, die in Lowell is opgegroeid, heeft de campagne ‘heel, heel zorgvuldig’ de locaties voor verkiezingsbijeenkomsten uitgekozen. Er is speciaal gezocht naar plaatsen waar inwoners kansen hebben gemist en waar Trumps boodschap in goede aarde zou vallen. Lewandowski wees erop dat veel 
plekken die Trump aandoet, geen 
conservatieve bolwerken zijn waar Republikeinse presidentskandidaten het meestal goed doen. Trump kiest juist vaak steden met een ontevreden Democratische en Republikeinse 
arbeidersbevolking die het gevoel 
heeft niet te worden gehoord.

    Zelf wijst Trump de suggestie dat hij zich op een bepaald type gemeenschap richt van de hand: ‘Nee, volgens mij gaan we overal heen.’

    Ondanks de vrieskou wachten duizenden Trump-fans in Lowell geduldig op de komst van hun kandidaat. © Melina Mara / The Washington Post / Getty Images
    Ondanks de vrieskou wachten duizenden Trump-fans in Lowell geduldig op de komst van hun kandidaat. © Melina Mara / The Washington Post / Getty Images

    Trump stopt wel verwijzingen naar plaatselijke omstandigheden in zijn toespraken – in Michigan heeft hij het over auto’s, in Illinois over tractors, 
in Texas over olie – maar houdt grotendeels dezelfde speech, in welke staat 
hij ook is. Hij heeft voor deze verkiezingsbijeenkomsten kriskras door het land gereisd, maar de zorgen van het publiek zijn vrijwel overal gelijk.

    Neem die 47-jarige man in Springfield die reuzenraden maakt en het gevoel heeft dat dat het laatste is wat nog in Amerika wordt gemaakt. Neem de 37-jarige spoorwegbeambte op een 
verkiezingsbijeenkomst in Worcester, Massachusetts, die zijn vakbond verwijt dat die hem onder druk heeft gezet om twee keer op Obama te stemmen. De 55-jarige voormalige restaurantbedrijfsleider uit West-Oklahoma die 
al langer dan een jaar geen werk meer heeft nu daar op steeds minder plekken olie wordt gewonnen en de steden leeglopen. En neem Kevin Steinke uit een voorstad van Grand Rapids, 
Michigan, die zegt dat hij niet weet hoe hij van zijn ongeregelde inkomen als consultant elke maand de zorgverzekeringspremies moet betalen.

    ‘Soms is zijn retoriek wel een beetje heftig, maar ik denk dat hij de spijker op zijn kop slaat en mensen raken gefrustreerd door het idee dat we niet vooruitkomen als land. Veel van ons hebben het gevoel dat we achteruit gaan,’ zegt Steinke, 53, die met zijn twee zoons naar een verkiezingsbijeenkomst van Trump in Grand Rapids is gekomen. ‘Hij zegt vaak wat mensen denken, en dat komt aan… We hebben in dit land een CEO nodig, geen opperpoliticus.’

    Geen toekomst zonder Trump

    Onder het publiek hier in Lowell is ook een 56-jarige kapper die zegt dat de economie volgens haar en haar klanten is vastgelopen. Er zijn twee broers van begin twintig in Lowell die zich aangetrokken voelen tot Trumps mentaliteit, in tegenstelling tot hun Democratische ouders, die zich zorgen maken om de veiligheid van hun zoons op de verkiezingsbijeenkomst. En er is een elfjarig meisje uit een voorstad van Boston met een zelfgemaakt T-shirt waarop staat: ‘Ik heb een toekomst gepland, maar zonder Trump is er geen toekomst.’

    ‘Ik hou van Trump omdat hij geen 
politicus is,’ zegt Heather Laine, 32, 
die al haar hele leven in Lowell woont, kleuteronderwijs geeft en ook op de bijeenkomst is. ‘Iedereen belooft altijd weer hetzelfde, behalve hij… Ik vind het goed dat hij altijd voor het oog van de natie zegt wat iedereen elke avond onder het eten thuis zegt.’

    Laine zegt dat ze blij is met de diversiteit in Lowell, waar een kwart van de bevolking in het buitenland is geboren. Maar ze zegt ook dat sommige immigranten niet hard genoeg werken en 
te zwaar op de overheid leunen. ‘Ik ben er helemaal voor als mensen naar dit land willen komen en voor hun brood willen werken, maar dat willen ze niet. Ze willen alles voor niks krijgen,’ zegt Laine, die vertelt dat zij en haar man bij familie inwonen omdat ze zich 
geen eigen huis kunnen veroorloven. ‘De Amerikaanse droom, het lijkt wel 
of die niets meer voorstelt.’

    Laine staat geregistreerd als Democraat, maar is van plan dat te veranderen en op Trump te gaan stemmen.


    Backstage heeft Trump privéontmoetingen met supporters, plaatselijke 
leiders en politiemensen, met wie hij geanimeerd praat en bereidwillig op de foto gaat. Voor dat soort dingen heeft deze kandidaat alle tijd, want hij hoeft zich niet bezig te houden met het plezieren van rijke geldschieters. Tijdens deze meet-and-greets, waar geen pers wordt toegelaten, vertoont Trump volgens zijn medewerkers zijn talent voor kleinschalige politiek; hij gaat persoonlijke banden aan met stemmers in het hele land die zijn boodschap weer kunnen overbrengen aan hun vrienden, familieleden, collega’s en buren.

    Toen Trump aankondigde dat hij in Lowell een verkiezingsbijeenkomst 
zou houden in het Tsongas Center – vernoemd naar een vroegere Democratische senator uit Lowell en voornamelijk gebruikt voor ijshockeywedstrijden – dachten sommige mensen in de stad dat het een grap was. Tientallen demonstranten zijn naar de bijeenkomst gekomen en staan buiten in de sneeuw met borden waarop boodschappen staan als ‘Jij, de KKK en Poetin willen Trump als president. Hoe voelt dat?’

    ‘Lowell is een smeltkroes van immigranten en wat Trump gelooft is volgens mij tegen immigranten,’ zegt Tooch Van (40), een immigrant uit Cambodja die als mentor op de gemeentelijke school in Lowell werkt en tegen Trumps verkiezingsbijeenkomst demonstreerde. ‘Ik begrijp er niets van.’

    Trump houdt vol dat zijn publiek niet alleen maar uit nieuwsgierigen bestaat en dat zijn populariteit deel uitmaakt van een beweging die allerlei soorten kiezers bijeenbrengt, niet alleen de arbeiders.

    ‘Er is zo veel liefde in deze zalen – hier, in Dallas, overal waar ik kom’

    ‘Er is zo veel liefde in deze zalen – hier, in Dallas, overal waar ik kom,’ zegt Trump in Lowell, waar de sporthal volgepakt is met meer dan het maximale bezoekersaantal van 7800 mensen. ‘We zijn nu in Massachusetts, we gaan naar New Hampshire, we gaan naar Iowa, we gaan naar South Carolina, we gaan naar Nevada… We waren in Florida, waar het ongelooflijk was, in Texas, het is overal hetzelfde. Het is liefde. Het is liefde.’

    Auteur: Jenna Johnson
    Vertaler: Annemie de Vries

    Jenna Johnson doet voor The Washington Post verslag van de presidentscampagnes 2016.

    The Washington Post
    Verenigde Staten | oplage 700.000
    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Doorgeschoten politieke correctheid

    Doorgeschoten politieke correctheid

    Volgens de conservatieve Wall Street Journal zijn de studentenprotesten een bedreiging voor het recht op vrije meningsuiting.

    Het oproer aan Yale University en de Universiteit van Missouri zich heeft uitgebreid naar andere campussen, van Californië tot New Hampshire. De klachten van de studenten en hun roep om ‘een veilige plek’ [safe space] variëren, maar de kwaal is dezelfde: faculteiten en bestuurders die rassen- en genderdiversiteit boven alle andere waarden stellen, inclusief de vrijheid van meningsuiting.

    De rondgang begint bij Yale, waar het een paar weken geleden tot een uitbarsting kwam nadat een faculteitslid opperde dat het niet aan het bestuur was om uit te maken wat een passend kostuum voor Halloween is. In betere tijden zou ze op elk campusfeestje gratis bier hebben gekregen, maar dit keer leidde het tumult ertoe dat een student de socioloog van Yale uitschold omdat ze ‘gevoelloos’ zou zijn.

    De reactie? ‘Ik heb me nog nooit tegelijkertijd zo ontroerd, uitgedaagd en bemoedigd gevoeld door onze gemeenschap,’ schreef bestuursvoorzitter Peter Salovey van Yale in een brief aan de hele universiteit. Hij beloofde een centrum dat onderzoek zou doen naar ‘ras, 
etniciteit en andere aspecten van sociale identiteit’, meer aandacht voor deze onderwerpen, meer training in het onderkennen van racisme op wat ongetwijfeld een van de meest rassengevoelige plekken op aarde is. Salovey beloofde 50 miljoen dollar in te zetten voor diversificatie van zijn universiteit – en je kunt er donder op zeggen 
dat hij geen intellectuele diversificatie bedoelde.


    Het is ook hommeles in Missouri, waar studenten de bestuursvoorzitter wegjoegen vanwege beschuldigingen dat hij rassenincidenten op de campus niet adequaat zou hebben opgelost. Groepen studenten van naar schatting honderd andere universiteiten volgden hun voorbeeld, allemaal omdat er sprake zou zijn van systematische rassen‑
ongelijkheid. Een dieptepunt was de universiteit in Dartmouth, waar demon‑
stranten de bibliotheek bestormden 
en andere studenten voor racistische onderdrukkers uitmaakten omdat ze liever wilden studeren. Bestuursvoorzitter Phil Hanlon zou de oproerkraaiers moeten wegsturen wegens overtreding van de gedragscode van de universiteit en hen moeten vervangen door enkelen van de duizenden afgewezen gegadigden die de doelstellingen van een universiteit misschien wel onderschrijven.

    Studenten willen de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores

    Maar wel heel bont maakte Princeton University het. Daar drongen studenten het kantoor van de bestuursvoorzitter binnen en eisten dat de universiteit iedere verwijzing naar wijlen president Woodrow Wilson zou schrappen, omdat deze een racist was die de segregatie steunde. Wilson was bestuursvoorzitter van Princeton voordat hij opklom tot het Witte Huis. De huidige bestuursvoorzitter van Princeton, Christopher Eisgruber, beloofde naast andere concessies een discussie in gang te zetten over de nalatenschap van Wilson. Vroeger waren universiteiten trots op de prestaties van hun alumni, maar nu willen studenten de Amerikaanse geschiedenis herschrijven als die niet aansluit bij de huidige politieke mores. Maar als men ziet op welk een gepolitiseerde manier Amerikaanse geschiedenis tegenwoordig wordt onderwezen, kan men dit vak misschien maar beter schrappen. Eisgruber moest zich schamen dat hij de kapers van zijn campus hun zin heeft gegeven.

    Studenten in Missouri gingen in hongerstaking. – © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten in Missouri gingen in hongerstaking. – © Michael B. Thomas / Getty Images

    De voorbeelden zijn eindeloos, met een speciale oneervolle vermelding voor de Smith University: daar verhinderden studenten journalisten om verslag te doen van de demonstraties als ze niet op voorhand bereid waren dat ‘op een positieve manier’ te doen. ‘Journalisten en media die een neutraal standpunt innemen, schaden onze strijd,’ aldus een organisator tegenover een nieuwszender in Massachusetts.

    De capitulerende bestuursvoorzitters zeggen allen pal te staan voor ‘de vrije en open uitwisseling van ideeën’ – om Salovey van Yale te citeren. Misschien moet hij Orwell eens herlezen. De demonstranten en hun vrienden binnen de media zeggen dat bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting een tactiek is om hun het zwijgen op te leggen en de aandacht af te leiden van klachten over rassendiscriminatie. Maar juist dankzij een samenleving die vrijheid van meningsuiting garandeert, kan iedereen zijn klachten uiten. Er zijn maar weinig betere tactieken om 
mensen het zwijgen op te leggen dan een dreigende meute.

    De progressievelingen van na 1960 
die tegenwoordig de universiteiten besturen, roemden in hun hoogtij‑
dagen de vrijheid van meningsuiting, dus waarom doen ze dat ook nu dan niet? Wellicht omdat het opkomen 
voor het Eerste amendement op de Amerikaanse grondwet de erkenning inhoudt dat de westerse beschaving, die de luxe van het leven op de campus heeft voortgebracht, het verdedigen waard is.

    Vertaler: Peter Bergsma

    The Wall Street Journal
    VS | oplage 2.000.000

    Van Dow Jones & Co. Lezers zijn voor 60 procent topmanagers van gemiddeld 55 jaar, met een gemiddeld inkomen van $ 191.000.

    BEGRIPPENLIJST

    Safe space
    ‘De gedachte achter de safe spaces is dat iedereen, met welke identiteit dan ook, recht heeft op een tolerante omgeving om zich te kunnen gedragen naar eigen aard’, zo vat The Guardian het samen. Het idee 
is ontstaan in kringen van de 
LHBT-beweging. Het gaat erom 
alles te vermijden wat sommige leden van een gemeenschap zouden kunnen opvatten als gewelddadig, ook verbaal of symbolisch.

    Trigger Warnings
    Een waarschuwing vooraf die betrekking heeft op een gevoelig onderwerp, waarbij sommige 
leerlingen zich ongemakkelijk zouden kunnen gaan voelen, of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Het gaat soms 
om onschuldige zaken als het werkwoord ‘schenden’ in de betekenis van ‘een wet schenden’.

    Microagressie
    Elk gezegde, elke uitdrukking of verbale agressie, vaak herhaald, 
die een persoon of groep denigreert of omlaaghaalt.

    ‘Let op je woorden’
    In september wijdde The Atlantic het omslagverhaal aan de vrijheid van meningsuiting op de universiteit. In een lang artikel onderschreef het blad de stelling dat ‘politieke correctheid bezig is het onderwijs te ruïneren’. Volgens The Atlantic vragen studenten steeds vaker van de docenten om ‘microagressie’ ten koste van alles te vermijden. De docenten dienen vooraf te waarschuwen dat zij een gevoelig onderwerp gaan aansnijden waarbij studenten zich slecht op hun gemak zouden kunnen gaan voelen of dat bij hen pijnlijke herinneringen zou kunnen wekken. Volgens de schrijvers van het artikel – een sociaal psycholoog en een advocaat gespecialiseerd in onderwijs – is deze tendens om studenten overmatig in bescherming te nemen gevaarlijk. Jonge Amerikanen worden erdoor belemmerd een kritische geest te ontwikkelen en om te gaan met nieuwe ideeën.

  • Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Op Amerikaanse campussen kraait het oproer weer

    Een halve eeuw na de strijd om gelijke burgerrechten staan de Amerikaanse universiteiten weer in vuur en vlam.
De inzet dit keer: racisme, diversiteit en vrijheid van meningsuiting. Onze zwartepietendiscussie is er kinderspel bij.

    Keuze uit het archief

    Al wekenlang vinden er op verschillende universiteiten in de Verenigde Staten protesten plaats tegen de oorlog in Gaza. De afgelopen week sloegen de demonstraties ook over naar de campussen van de Universiteit van Amsterdam en Utrecht. Studenten protesteerden tegen de oorlog in de Gazastrook en riepen op tot vrede. Maar het protest mondde uiteindelijk uit in een confrontatie met de politie.
    Er wordt verschillend tegen deze protesten aangekeken. Demonstreren? Prima, maar hou je gedeisd, zullen sommigen denken. Anderen zullen weer van mening zijn dat de urgentie van de situatie in Gaza om drastische maatregelen vraagt.
    In dit artikel van New Republic uit 2015 over de studentenprotesten in de VS van tien jaar geleden, breekt journalist Roxane Gay een lans voor kritische studenten die hun stem laten horen, een fenomeen dat al teruggaat op de jaren zestig. ‘Studenten begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken.’

    Studentenactivisme is niets nieuws. Soms is het ondoordacht, soms wordt het van tafel geveegd, maar het is altijd oprecht. In 1960 vormden jonge zwarte studenten, die genoeg hadden van rassenongelijkheid en de inbreuk op hun burgerrechten, de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), een geweldloze studentenbeweging. Uiteindelijk werden ze de radicale tak van de Amerikaanse beweging voor gelijke burgerrechten en coördineerden ze de zogenoemde Freedom Rides tegen de segregatie in het openbaar vervoer
en campagnes voor een betere kiezersregistratie. Ze waren gepassioneerd.
Ze waren provocerend. Ze zetten hun leven op het spel. De SNCC toonde aan dat jonge mensen een integraal onderdeel zijn van een participatiedemocratie.



    Nu, na de gelijktijdige en vergelijkbare studentenprotesten aan de Universiteit van Missouri (Mizzou) en Yale University, hebben we opnieuw reden om na te denken over studentenactivisme, ras en de voortzetting van de beweging voor burgerrechten. Er is de laatste tijd veel geschreven over studenten en hun eigenaardige gewoonten, over het feit dat ze uiterst politiek correct zijn, overdreven gevoelig en verwend. Sommigen hebben gesuggereerd dat studenten pietluttige activisten zijn, dat ze geen gevoel voor humor meer hebben en dat het liberalisme op hol is geslagen op de campussen, en dat dit de studenten noodlottig is geworden.

    Dat is een kleinerende en nogal luie kijk op het studentenactivisme. Tijdens de protesten op Mizzou en Yale en ook elders hebben studenten duidelijk gemaakt dat de huidige situatie onverdraaglijk is. Of we het nu met ze eens zijn of niet, we moeten wel luisteren.

    Op 7 november werd bekend dat de zwarte leden van het footballteam 
van Mizzou van plan waren te staken. Ze schaarden zich als laatsten achter promovendus Jonathan Butler, die in hongerstaking was gegaan, en de activistische groepering Concerned Student 1950, die aandrongen op het vertrek van universiteitsbestuurder Timothy Wolfe. Hun protest was het gevolg van Wolfes laksheid en vermeende onverschilligheid ten aanzien van een aantal rassenincidenten op de campus van Mizzou, waaronder een met menselijke uitwerpselen getekend hakenkruis op een muur. Toen de footballspelers zich eenmaal achter zaak hadden geschaard, ging het snel. Er kwamen meer promovendi in opstand. Op 9 november nam zowel Wolfe als R. Bowen Loftin, de bestuursvoorzitter van Mizzou, ontslag. De overige bestuurders kondigden een reeks initiatieven aan om een beter rassenklimaat op de campus te scheppen.

    Halloween

    Bij Yale stuurde de Commissie voor Interculturele Zaken, bestaande uit diversiteitsbestuurders van alle geledingen van de universiteit, vlak voor Halloween een e-mail aan de studenten waarin ze hun smeekten beter na te denken over de keuze van hun kostuums tijdens Halloween, om daarmee beledigende cultuuruitingen of onjuiste voorstellingen van zaken te voorkomen. ‘Halloween is helaas ook een tijd waarin de gebruikelijke bedachtzaamheid en gevoeligheid van de studenten soms uit het oog worden verloren en er betreurenswaardige beslissingen kunnen worden genomen, zoals het dragen van verentooien, tulbanden, “oorlogsverf”, het aanbrengen van een andere huidskleur dan wel zwarte of rode schmink op het gezicht’, aldus een deel van de mail.

    Dit advies doet misschien paternalistisch aan, maar als je bedenkt hoeveel studenten zich in het verleden met zwarte gezichten hebben getooid en op andere manieren culturen en het gezond verstand met voeten hebben getreden, was de mail ongetwijfeld goed bedoeld en niet zo buitengewoon. Desondanks waren er studenten die klaagden.

    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images
    Studenten van de Universiteit van Missouri vieren het aftreden van universiteitspresident Tim Wolfe, die werd beschuldigd van racisme. © Michael B. Thomas / Getty Images

    Erika Christakis, bestuurder van het Silliman College van Yale, schreef een e-mail waarin ze betoogde dat studenten het recht hebben om studenten te zijn en fouten te maken – met andere woorden, om kinderen te zijn. ‘Ik vraag me af, en ik probeer niet te provoceren, of er geen ruimte meer is voor een kind of jongere om een klein beetje aanstootgevend te zijn, een klein beetje ongepast of provocerend, of zelfs beledigend. Amerikaanse universiteiten waren ooit een veilige haven, niet alleen om volwassen te worden maar ook om enige regressieve of zelfs grensoverschrijdende ervaring op te doen. Nu lijken ze steeds meer plekken te zijn geworden waar censuur en verbods‑
bepalingen de boventoon voeren.’


    Theoretisch is het verleidelijk: waarom zouden mensen hun kwalijke oprispingen níét mogen botvieren?

    Maar Christakis las de e-mail van de Commissie voor Interculturele Zaken opzettelijk verkeerd. De commissie 
verbood helemaal niets, en suggereerde evenmin dat ze dat wilde. Ze deed alleen een aantal suggesties om voor Yale-studenten een betere wereld te scheppen dan die waarin we leven.

    Toen ik aan Yale studeerde, werd ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond beschouwd

    Ik heb van 1992 tot 1994 aan Yale gestudeerd. Toen ik daar was, begreep ik dat ik als zwarte vrouw als een indringer op heilige grond werd beschouwd. Niemand kon geloven dat ik daar alleen maar was, net als de anderen, om te leren. Het was niet ongewoon om het doelwit van racistisch gemompel te zijn, van gefluister over positieve discriminatie, en om elke dag minuscule uitingen van agressie [microagressie] te ondergaan. De campuspolitie maakte er een sport van om mij en andere zwarte studenten naar onze studentenkaart te vragen. Mijn ervaring was allesbehalve uniek.



    De huidige protesten zijn het symbool van een veel ingewikkelder probleem: een verstoord rassenklimaat op de campus van Yale dat al vele jaren domineert. De meeste andere overwegend blanke campussen in de Verenigde Staten hebben daar ook last van. Ik heb het grootste deel van mijn volwassen leven op universiteitscampussen doorgebracht, eerst als student en later als docent. Op elke campus was het rassen‑
klimaat altijd gespannen – in het gunstigste geval. Wat er op Yale gebeurt verbaast me niets.

    Op Mizzou is een banale en voorspelbare tegenbeweging op gang gekomen. De studenten zijn door de conservatieve media afgeschilderd als laffe baby’s, kwezels of regelrechte leugenaars. Ze zijn ondankbaar, onverantwoordelijk. Als het om racisme gaat, moeten mensen met een kleurtje kennelijk alles maar zonder klagen slikken.

    Uiterste grens

    Er wordt vaak neerbuigend gedaan over deze zogenaamd kwetsbare jongeren die de echte wereld niet begrijpen. Maar studenten begrijpen de echte wereld wel degelijk, want ze zijn niet alleen maar studenten: ze laten hun sociale achtergrond, seksualiteit, ras
of etniciteit niet achter zich als ze zich aanmelden als student, en hun problemen verdwijnen niet wanneer ze zich inschrijven voor colleges. We mogen hun terechte zorgen niet van tafel vegen. Amerikaanse universiteiten zijn altijd kraamkamers voor de bevoorrechten geweest, en de enigen wier fysieke en emotionele veiligheid daar enigszins is gegarandeerd zijn blanke, heteroseksuele mannen. Is het dan verwonderlijk dat studenten een minimale veiligheidsgarantie eisen? We moeten niet vergeten dat voor de zwarte studenten op zowel Mizzou als Yale de uiterste grens is bereikt. Zij kunnen niet langer verdragen wat ondraaglijk is. Ze zeggen: het is genoeg geweest.



    Studentenactivisme is wijdverbreid omdat sommige studenten hun universitaire ervaring ten volle benutten. Ze begrijpen dat dit heel goed de laatste keer in hun leven kan zijn dat ze echte problemen kunnen aanpakken in een omgeving waar ze gedwongen zijn mensen te ontmoeten die er anders uitzien dan zij, die anders denken dan zij, een omgeving waar verandering nog mogelijk is. De SNCC en de demonstranten op campussen in het hele land, inclusief Yale en Mizzou, maken deel uit van een krachtige, vitale traditie die we niet over het hoofd mogen zien.
De huidige studentenactivisten 
verrichten het noodzakelijke werk om ervoor te zorgen dat de volgende generatie die deelneemt aan de traditie van studentenactivisme een andere strijd zal voeren.

  • 3. Het wonder van Ogden, de meest egalitaire stad van Amerika

    3. Het wonder van Ogden, de meest egalitaire stad van Amerika

    Terwijl de kloof tussen arm en rijk in Amerika toeneemt, wordt ze in Ogden (Utah) juist kleiner. En dat terwijl de voormalige spoorwegstad in de jaren negentig volledig aan de grond zat. Hoe hebben ze ’m dat geflikt?

    Uit het archief

    Ongelijkheid staat de laatste jaren hoog op de politieke agenda, nu de kloof tussen arm en rijk wereldwijd onhoudbaar is geworden. Recente televisieprogramma’s, zoals Sander en de kloof van journalist Sander Schimmelpenninck en de HUMAN-serie Klassen, tonen aan dat ongelijkheid in het zogenaamd egalitaire Nederland ook groeiende is. De Amerikaanse stad Ogden (Utah) laat zien hoe het anders kan: zelfs het bedienend personeel van restaurants koopt er huizen. Een inspirerend voorbeeld voor de rest van de wereld.

    Tom Christopulos stuurt een zwarte Nissan Armada door de rechthoekige stratenblokken van Ogden, Utah, een historische metropool zo’n vijftig kilometer ten noorden van Salt Lake City, aan de voet van de hoog oprijzende Wasatch Mountains. Huis voor huis inspecteert hij de verschillende buurten, terwijl hij ondertussen hardop de nummers opnoemt. Al rondrijdend bestudeert hij het gebied gretig, bijna dwangmatig, en elk detail dat hij ziet, slaat hij op in zijn geheugen – een ritueel dat hij nu al bijna tien jaar lang uitvoert. ‘Ik ken elk huizenblok in deze stad, elk huis,’ zegt hij. ‘Zie je die huizen daar aan 
Jefferson Avenue? Jaren geleden waren die opgesplitst in appartementen – goedkope huurkamers eigenlijk. Wij hebben ze opgekocht, gerenoveerd en er weer eengezinswoningen van gemaakt.’

    Tien jaar geleden zag het er hier somber uit. Nu rijzen wolkenkrabbers op uit de afgebrokkelde infrastructuur

    Christopulos is geboren en getogen in Ogden en heeft de afgelopen acht jaar keihard gewerkt als hoofd van het gemeentelijk bureau dat verantwoordelijk is voor economische ontwikkeling in de wijken. Langzaam en met grote moeite is hij erin geslaagd om nieuwe welvaart te halen uit verlaten spoorwegemplacementen, oude slachthuizen en bouwvallige gebouwen, in een poging de middenklasse terug te brengen in Ogden. ‘Het is echt heel hard werken geweest,’ zegt hij.

    Nu heeft Ogden, met zijn 86.000 inwoners, een naam opgebouwd in het hele land: in een tijd dat de Verenigde Staten – net als veel andere gebieden in de rest van de wereld – worstelen met de schadelijke gevolgen van de steeds groter wordende welvaartsongelijkheid, is Ogden tot veler verbazing een baken van egalitarisme geworden. Volgens het vijfjaarlijkse nationale statistisch onderzoek door het U.S. Census Bureau kent de stad, samen met zijn buurgemeenten, de smalste kloof tussen rijk en arm van alle grote stedelijke gebieden van Amerika.

    Iets meer dan tien jaar geleden zag de toekomst er hier somber uit. De hoofdstraten van Ogden waren verlaten, de winkelgebieden lagen in puin en het centrum werd bevolkt door drugshandelende zwervers. Op een online forum in 2009 werd geklaagd over de stedelijke woestenij van Ogden en over de reputatie van de stad als ‘een verlopen, door bendes beheerst gebied’, en daar werd wanhopig aan toegevoegd: ‘Helaas, is de Ogden-mentaliteit zo diepgeworteld’ dat pogingen om de stad nieuw leven in te blazen werden tegengewerkt en dat ‘velen zich stoorden aan het streven naar verandering’.

    Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.
    Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.

    Al meerijdend met Christopulos en zijn economische team afgelopen zomer, kon ik alleen maar onder de indruk zijn van de schoonheid van dit stukje land aan de westelijke rand van de Rocky Mountains. Voor ons lagen vervallen spoorbanen, een wrede herinnering aan het glorieuze handelsverleden 
van de stad. Maar nu rijzen er wolkenkrabbers van staal en glas op uit de verroeste, afgebrokkelde infrastructuur, als symbolen van het nieuwe landschap. Hoe Ogden zo ver is gekomen, is een waardevolle les voor een land dat grote moeite heeft om de kloof tussen de haves en de have-nots te overbruggen.

    Geen eerlijke kaarten

    De notoir libertair en voormalig hoofd van de Federal Reserve Alan Greenspan, de eigenzinnige miljardair Warren Buffett en de diverse presidentskandidaten zijn de afgelopen jaren allemaal tot dezelfde conclusie gekomen: gewone Amerikanen krijgen tegenwoordig geen eerlijke kaarten meer toebedeeld. In de nasleep van de financiële crisis van 2008 beschreef Greenspan de opkomst van twee verschillende Amerika’s – ‘heel fundamenteel, twee afzonderlijke soorten economie’ – een waarin de rijken een ‘duidelijk herstel’ hadden doorgemaakt, en een waarin het grootste deel van de Amerikaanse beroepsbevolking financieel op een dood spoor bleef zitten.

    De Republikeinse presidentskandidaat Jeb Bush noemde dit jaar, met zijn gebruikelijke retoriek, de groeiende kloof ‘de belangrijkste kwestie van onze tijd’. ‘Meer Amerikanen dan ooit zitten vast op hun inkomensniveau,’ zei hij. Over de oorzaken van deze trend wordt eindeloos gediscussieerd, maar de statistieken liegen niet. Sinds 1979 zijn de reële salarissen met 17 procent gestegen, volgens het Economic Policy Institute, een non-profit, niet-partijgebonden denktank in Washington. Die langzame groei maakt het voor de meeste Amerikanen moeilijk om de rekeningen 
te betalen, laat staan enige rijkdom te vergaren.

    In Ogden koopt zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen

    Maar wanneer Amerikanen hun televisie aanzetten, zien ze hun minister van Financiën, Jack Lew, juichen over de indrukwekkende economische groei, die hij onlangs een van de enige ‘lichtpunten’ in de wereld noemde. Zo’n gebrek aan verbinding kan ontwrichtend werken, zegt Joseph Stiglitz, hoogleraar economie aan Columbia University en winnaar van de Nobelprijs voor economie, omdat ‘voor velen het leven van de middenklasse niet langer binnen bereik ligt.’

    De gevolgen voor de samenleving gaan verder dan dollars en centen. Onderzoek naar de wisselwerking tussen economische en sociale patronen is nog relatief nieuw, maar toont volgens Stiglitz toch aan dat ‘steeds meer mensen patronen van sociaal disfunctioneren vertonen’ – ze stellen zaken als trouwen, een huis kopen en kinderen krijgen uit, zijn vaker alleenstaande ouder. Vroeger hoorden dit soort gedragspatronen, zegt Stiglitz, bij gezinnen ‘die zich op of onder de armoedegrens bevonden’, nu gelden ze voor iedereen die niet rijk is.

    Volgens Stiglitz is de groeiende ongelijkheid niet zozeer het gevolg van 
de natuurlijke krachten van het kapitalisme, maar van wat hij een ‘ersatz’-kapitalisme noemt, waarin een ‘roofzuchtige’ minderheid aan de top meer moeite doet om ‘een groter stuk van de economische taart van het land te 
krijgen dan om die taart zelf groter 
te maken’, voor iedereen.

    Het historische centrum van Ogden. – © Steve Kepple
    Het historische centrum van Ogden. – © Steve Kepple

    Mochten de ultrarijken denken dat dit hen niet zal raken, recent onderzoek van Barry Cynamon en Steven Fazzari in samenwerking met het Institute for New Economics toont aan dat de groeiende inkomensongelijkheid misschien wel de belangrijkste reden is waarom de economie van het land zich zo traag herstelt. Zij wijzen op een daling van 
17 procent in de consumentenvraag, vergeleken met voor de crisis.

    Mondiaal gezien dreigt de ongelijkheid ‘de strijd tegen de armoede tientallen jaren terug te zetten’ door meer rijkdom in minder handen te concentreren, zegt de internationale anti-armoede organisatie Oxfam. Als de huidige trends zo doorgaan, verwacht Oxfam dat de rijkste 1 procent van de wereldbevolking in 2016 meer dan 50 procent van de totale rijkdom op de wereld zal bezitten. Eerder dit jaar heeft ook paus Franciscus geklaagd over wat hij ‘de economie van uitsluiting’ noemde.

    Rijkste 0,1 procent

    Emmanuel Saez, hoogleraar economie aan de University of California en directeur van het daaraan verbonden Center for Equitable Growth, en Gabriel Zucman, assistent-hoogleraar aan de London School of Economics, laten in een baanbrekende studie van het National Bureau of Economic Research zien wanneer de ongelijkheid in de VS is begonnen te groeien: in 1978.

    Saez en Zucman hebben een hele eeuw aan belastinggegevens doorgespit – de enige cijfers over de lange termijn die in de VS consequent zijn bijgehouden – en zij ontdekten dat de groeiende welvaartskloof in de VS niet zozeer moet worden toegeschreven aan de bovenste 1 procent als wel aan de bovenste 0,1 procent – zo’n 160.000 families met een netto bezit van meer dan twintig miljoen dollar. (De welvaartskloof en de inkomensongelijkheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde; in dit onderzoek is ‘rijkdom’ gedefinieerd 
als de huidige marktwaarde van al 
het bezit dat huishoudens hebben na aftrek van schulden.)

    De gemiddelde reële groei aan rijkdom per Amerikaanse gezin lag tussen 1986 en 2012 op 1,9 procent, maar dat getal werd scheefgetrokken door de rijkste 160.000 van het land, die tussen 1986 en 2012 hun reële rijkdom met 5,3 procent per jaar zagen groeien. De onderste 90 procent in de VS kende daarentegen helemaal geen groei in rijkdom.

    Een man op een mountainbike in de bergen rondom de stad. Ogden staat bekend als buitensportcentrum. – © Ben Girardi
    Een man op een mountainbike in de bergen rondom de stad. Ogden staat bekend als buitensportcentrum. – © Ben Girardi

    Dit is een scherpe omkering van de welvaartstrend waarin de onderste 90 procent van de Amerikaanse verdieners in de jaren twintig 20 procent van de rijkdom van het land bezat en dat aandeel zag groeien tot het halverwege de jaren tachtig was gestegen tot 35 procent, volgens Saez en Zucman. Na 2012 is de onderste 90 procent teruggevallen tot een aandeel van slechts 23 procent.

    Ondertussen hebben de 160.000 rijkste families van Amerika hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd, van 7 procent in 1978 tot 22 procent in 2012, een niveau dat niet meer is voorgekomen sinds 1916 en 1929, de piekjaren van ongelijkheid. ‘Het is een zeer zorgwekkende trend,’ zegt Marjorie Wood, die als adviseur verbonden is aan het Global Economic Project van het Institute for Policy 
Studies. Deze denktank in Washington richt zich op sociale rechtvaardigheid. Wood ziet de huidige welvaartskloof als een tweede ‘Gilded Age’ (de periode aan het eind van de negentiende eeuw in Amerika, waarin de kloof tussen arm en rijk ook enorm was, Gilded Age is een term van Mark Twain), met dit verschil dat de tegenwoordige rijkdom vaak niet echt in het oog springt. ‘In het verleden waren er veel meer protesten onder de bevolking, omdat de rijkdom toen zo veel zichtbaarder was.’

    Amerikaanse droom

    Dat de ongelijkheid stijgt is op zichzelf al veel Amerikanen een doorn in het oog, omdat het ingaat tegen de Amerikaanse droom en het breed levende idee dat dit een land van gelijke kansen is. Toch kennen Amerikaanse onderzoekers het probleem al jaren. In 2011 – het jaar waarin Greenspan de opkomst van twee Amerika’s signaleerde – toonde Miles Corak, hoogleraar economie aan de Graduate School of Public and International Affairs van de University of Ottawa, de problematische relatie aan tussen ongelijkheid en sociale mobiliteit, in zijn artikel ‘Inequality From Generation to Generation’. Later werd dit verschijnsel door het Witte Huis ‘the Great Gatsby Curve’ genoemd.

    Uit Coraks onderzoek bleek dat wat een kind in de toekomst gaat verdienen, sterk wordt beïnvloed door het gezin waarin het wordt geboren. Op zijn internationale ranglijst van de landen met de slechtste intergenerationele mobiliteit stonden Chili, het Verenigd Koninkrijk, Italië en de Verenigde Staten (in die volgorde). Landen met de beste intergenerationele mobiliteit waren Denemarken, Noorwegen en Canada. Daar tussenin vielen Spanje, Japan, Duitsland en Nieuw-Zeeland. ‘Er is een discrepantie tussen hoe Amerikanen zichzelf zien en hoe de economie en samenleving in werkelijkheid functioneren,’ schreef hij. ‘Veel Amerikanen blijven geloven dat hard werken de manier is om vooruit te komen, maar in werkelijkheid is het veel moeilijker om vooruit te komen dan het lijkt.’

    Dit jaar heeft Janet Yellen, voorzitter van de Federal Reserve, ook haar steentje bijgedragen aan de discussie. ‘We weten dat het gezin de plek is waar zowel kansen als barrières voor economische mobiliteit worden bepaald,’ zei ze, en ze riep op tot meer onderzoek naar dit onderwerp.

    Yellen heeft heel wat over zich heen gekregen van critici die vinden dat de Fed zich niet met zaken als inkomensongelijkheid moet bemoeien, omdat dat volgens hen te politiek is. Zij verwierp die kritiek: ‘De Federal Reserve houdt zich al lang bezig met economische ongelijkheid’ en die ongelijkheid is ook een steeds grotere zorg voor Amerikanen.

    Helaas zijn er geen makkelijke oplossingen. Pogingen om van bovenaf de ontwikkeling om te buigen zijn nog weinig succesvol geweest. Deskundigen zoals de Amerikaan Stiglitz, de Franse econoom Thomas Piketty en de Britse wetenschapper Anthony Atkinson hebben voorstellen gedaan om geld van de rijken over te hevelen naar de minder rijken, via diverse constructies, bijvoorbeeld via successierechten, het instellen van een ‘erfenis voor iedereen’, publiek gefinancierde ‘universele sociale vangnetten’ en het garanderen van banen in de publieke sector tegen een minimumloon voor mensen die anders werkloos zouden zijn.

    In een artikel in The New York Review of Books schreef Piketty goedkeurend over het voorstel dat Atkinson deed in zijn recente boek Inequality: What Can Be Done? om terug te keren naar een progressief mazenvrij belastingstelsel waarin de rijken meer moeten gaan betalen en de werkende klasse minder. ‘Het spectaculair verlagen van de belastingtarieven voor de hoogste inkomens heeft sinds de jaren tachtig sterk bijgedragen aan de groei van de ongelijkheid, zonder daarbij voordelen voor de samenleving als geheel op te leveren,’ schreef Piketty. In Amerika zal zo’n verschuiving in ieder geval niet snel plaatsvinden. Integendeel: het belastingplan van Bush wil 
de hoeveelheid belastingen die topverdieners in Amerika betalen verminderen.

    Nu er in de VS weer verkiezingen aankomen, horen de Amerikanen presidentskandidaten van beide kanten weer dezelfde sussende woorden uitspreken als in eerdere rondes. Wel probeert Democratisch koploper Clinton het oplossen van de ongelijkheid tot een hoeksteen van haar campagne te maken, door te verklaren dat ‘degenen aan de top nog steeds de beste kaarten krijgen.’ ‘Tegenwoordig is de kans groter dat je arm blijft, als je arm geboren bent’, erkende ook Bush onlangs.

    Senator Bernie Sanders uit Vermont, die lang onafhankelijk was en nu een gooi doet naar de Democratische nominatie, stelde de welvaartskloof van het land al aan de kaak in de dagen dat Nixon nog president was. Hij schreef toen dat 2 procent van de Amerikanen meer dan een derde van de rijkdom van het land in handen had: ‘Een handvol mensen bezit bijna alles, en bijna iedereen bezit niets.’ Dat was in 1973. Korter geleden heeft hij gepleit voor een minimumloon van vijftien dollar per uur in 2020 (dat ligt nu op 7,25 dollar), maar andere kandidaten hebben nog geen steun voor dat voorstel uitgesproken.

    De onderlinge strijd en het gebrek aan consensus zijn frustrerend geweest, ook voor de kandidaten. Clinton kreeg in september de mantel uitgeveegd door Republikeins kandidaat Donald Trump omdat haar lijst met sponsoren meer voordeel zou opleveren voor de superrijken dan voor gewone Amerikanen. Sanders zei op Twitter: ‘De in snel tempo groeiende ongelijkheid in inkomen en rijkdom is niet alleen grotesk en immoreel, hij is ook economisch onhoudbaar.’

    Als die ongelijkheid zo enorm groot blijft en de onderste 30 procent niet in staat is om weer rijkdom te vergaren (vergeet niet dat hun welvaart tussen 1986 en 2012 vrijwel niet is gestegen), zal de ongelijkheid die daarvan het gevolg is, tientallen jaren vooruitgang tenietdoen,’ waarschuwen Saez en Zucman. ‘Dat wil zeggen dat over tien of twintig jaar alle democratisering van de welvaart die sinds de New Deal en de jaren na de oorlog is bereikt, verloren kan zijn. De rijken zijn dan extreem rijk, terwijl gewone gezinnen vrijwel niets verdienen en schulden hebben die bijna even groot zijn als hun bezittingen.’

    Dit alles roept de duivelse vraag op: 
stel dat het ongelijkheidsprobleem zo groot is dat geen enkele leider – of team – het kan oplossen, wat dan? In plaats van eindeloos over dit probleem te blijven discussiëren is het misschien nuttiger om te kijken naar een gemeenschap, liefst van een behoorlijke omvang, die veel van deze problemen al heeft meegemaakt en succesvol heeft opgelost.

    Voor dit artikel heeft Newsweek gekeken naar de laatste welvaartsgegevens uit de vijfjaarlijkse enquête van het U.S. Census Bureau in grote stedelijke gebieden met minstens 300.000 
inwoners. Volgens die gegevens is de grootste welvaartskloof in Amerika te vinden in drie steden in Connecticut: Bridgeport, Stamford en Norwalk – dé hedgefondsregio van Amerika vanwege de vele miljonairs en miljardairs die zich er hebben gevestigd en die vaak 
in het nabijgelegen Greenwich werken. Op de tweede plaats kwam Naples, 
Florida, waartoe ook het chique Immokalee-Marco Island behoort. Op de derde plaats stond het gebied dat New York City, Newark en Jersey City in New Jersey omvat.

    Hoe staat het met Ogden, vergeleken met hedgefondsland Connecticut? 
De rijkste 20 procent van de huishoudens in Ogden bezit ongeveer 40 procent van het inkomen van de stad. Maar als je ook Bridgeport, Stamford en Norwalk tot de metropool rekent, bezit de rijkste 20 procent bijna 60 procent van het inkomen. Ogden heeft niet alleen de smalste welvaartskloof, deze middenklasse-oase biedt zijn inwoners ook hogere lonen en lagere kosten voor levensonderhoud dan het landelijk gemiddelde, en is een van de steden met de laagste werkloosheid en grootste banengroei in het land.

    Het is een van de plekken waarvan de meeste Amerikanen dachten dat ze ergens 
tussen Studio 54 en ‘Reaganomics’ in een wolk van cynisme waren verdwenen.

    Mark Muro van het prestigieuze onderzoeksbureau Brookings schreef in juni een rapport waarin hij Ogden noemde als een van de ‘vijftien belangrijkste steden voor hoogwaardige industrie,’ een stad die hard zijn best heeft gedaan om werkgelegenheid in groeisectoren aan te trekken. Dankzij het feit dat Ogden zich richt op technische banen en op beroepsopleidingen voor niet-universitaire studenten is de stad een centrum voor banen in onderzoek, technologie, techniek en wiskunde geworden, volgens Muro.

    De 160.000 rijkste families van de Amerika hebben hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd

    Terwijl academici in Ogden minder dan de helft van de volwassen bevolking uitmaken, heeft de stad op scholen en op een speciaal college, Weber State University, veel programma’s ingevoerd waarmee studenten en volwassenen meer werkgelegenheidskansen krijgen in de hightechindustrie. En het trainen van technische kennis begint al op de kleuterschool, zegt Terrence Bride, 
die in Ogden verantwoordelijk is voor het aantrekken van bedrijvigheid. Zo kunnen mensen die van een opleiding komen, beter betaalde banen vinden, zonder eerst vier jaar naar de universiteit te hoeven.

    Daardoor hoeven ze ook minder schulden te maken en krijgen ze uiteindelijk de kans om vermogen op te bouwen.
    ‘Ik ben vanuit Californië hierheen ge‑
komen met mijn man, die luchtvaarttechnicus is,’ vertelt Carrie Vondrus, eigenares van een winkel in vintage kleding in het centrum van Ogden. ‘Dankzij de lage kosten voor levens‑
onderhoud hier kon ik thuis blijven om voor mijn kinderen te zorgen, wat niet mogelijk was geweest waar we vroeger woonden. Nu heeft mijn zoon van vijfentwintig een huis met vijf slaapkamers in de stad gekocht. Hij is bedrijfsleider bij Dick’s Sporting Goods en het is zijn eerste huis. Hij en zijn vriendin betalen het helemaal zelf.’

    Dit soort verhalen hoor je veel in Ogden, waar de gemiddelde leeftijd dertig is en zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen koopt – voor velen de eerste stap naar het opbouwen van vermogen. Het gemiddelde inkomen in de stad ligt met 35.844 dollar nog onder het nationaal gemiddelde, maar stijgt, aangedreven door de hightechbanensector, waarin het gemiddelde jaarsalaris volgens Brookings op 60.580 dollar ligt.

    Ommekeer

    De ommekeer begon in 2002, met de verkiezing van de achtentwintigjarige Matthew Godfrey, in die tijd een van de jongste burgemeesters van de VS, die in het decennium daarop gebouwen afbrak, het centrum van de stad opnieuw opbouwde – vaak ondanks protesten – en bedrijven verleidde om zich te vestigen in Ogden, dat hij nieuwe allure probeerde te geven als het mekka voor hightechtalent. ‘Ik was zo jong en we hadden zulke grootse plannen, de meeste mensen verwachtten denk ik niet dat we het voor elkaar zouden 
krijgen,’ zegt hij.

    ‘Aanvankelijk was er totaal geen belangstelling. Onze tech-industrie bestond nauwelijks. We waren alleen maar een smerige, verlopen oude spoorwegstad,’ vertelt Godfrey, die nu 45 is. ‘Bedrijven kwamen kijken en 
verhuisden dan naar Salt Lake City, 
of zoiets. Dus lieten we de hightech‑
bedrijven maar zitten en gingen we er alles aan doen om outdoor-bedrijven binnen te halen. En toen die rond 2008 verschenen, waren de hightechbedrijven ineens wel geïnteresseerd. Opeens waren we die hippe, coole, buitensportstad.’

    Christopulos, die zowel onder Godfrey als onder diens opvolger, Caldwell, heeft gewerkt, was ondertussen begonnen met het opkopen van vervuilde grond, oude bedrijfsgebouwen en verkrotte wijken, waarvoor hij alle fondsen bij elkaar schraapte die de stad maar kon opbrengen. ‘Mijn team en ik zetten onze eigen geheime project op, om de fondsen bij elkaar te brengen die we nodig hadden, via federale en staatssubsidies, leningen, aannemers en milieuregelingen,’ vertelt hij.

    In 2007 begonnen hun inspanningen om commerciële huurders te vinden voor de gerenoveerde historische gebouwen van Ogden, hun vruchten af te werpen. Het leverde de stad miljoenen dollars op in de vorm van extra belastingen, huren en omzetbelasting, die gebruikt konden worden voor investeringen in andere verbeterprojecten. Tot nu toe heeft de stad meer dan vier miljard aan nieuwe belastinginkomsten gegenereerd.

    Van levensbelang voor het masterplan was een levendig stadscentrum. Nadat hij tientallen jaren had staan wegrotten, werd Ogdens historische 25th Street, waar Al Capone ooit illegaal alcohol verhandelde, uitgeroepen tot een van de mooiste doorgangswegen in Amerika, vanwege zijn amfitheater, zijn festivals en straatkunst (volgens Christy McBride, hoofd planning van de stad, vinden er in het centrum, dat nu voor 95 procent bezet is, zo’n 650 evenementen per jaar plaats, waar tienduizenden mensen op af komen.)

    Afgezien van Albuquerque, New Mexico, was Ogden de enige grote stedelijke agglomeratie in het westen die banengroei kende in 2009, toen in de rest van het land de recessie nog steeds woedde. Het was in datzelfde jaar een van de eerste steden in het land waar de productie terug was op zijn oude niveau van voor de recessie. En vóór de recessie was het aantal banen in de hightechsector in Ogden tussen 2002 en 2007 met 12,6 procent gestegen. Nu biedt Ogden onderdak aan een diverse groep groeiende, geavanceerde bedrijven, die samen goed zijn voor zo’n 26.500 banen, volgens Brookings. Onder de werkgevers bevinden zich Northrop Grumman, Rossignol, Universal Cyces, Mercury Wheels, US Foods, Amer Sports, Comerstone Research, Home Depot, Hart Skis ConAgra Foods en Hershey’s.

    Elke stad is anders en zelfs de beste groeistrategieën zullen niet overal 
toepasbaar zijn, maar wat in Ogden is gebeurd kan elders ook gebeuren. Volgens een van de meest vooraanstaande economen ter wereld, Raj Chetty van Harvard University, kunnen beleidsoplossingen op staats- of federaal niveau weliswaar economische groei bevorderen (bijvoorbeeld door te zorgden dat meer mensen een universitaire opleiding volgen), maar heeft iemands geboortestad de grootste invloed op zijn kansen om vooruit te komen.

    In het kader van het Equality of Opportunity-project bekeek Chetty samen met een groep onderzoekers de cijfers van steden in de hele VS en hij ontdekte dat de stad waar een kind geboren is enorme invloed heeft op zijn of haar kansen om vooruit te komen in het leven. Volgens de data van het project, die eerder dit jaar werden gepubliceerd, zou een kind uit een gezin met een laag inkomen in Ogden op zijn 26ste jaarlijks 2.440 dollar oftewel 9 procent, meer verdienen dan het nationaal gemiddelde. Uit dezelfde onderzoeksgegevens blijkt ook dat in Weber County, waar Ogden toe behoort, de inkomensmobiliteit groter is dan in 76 procent van alle county’s in de VS. ‘Denken op lokale schaal is van groot belang, want ik denk dat er binnen een beperkt gebied meer beleidsoplossingen mogelijk zijn,’ zegt Chetty. ‘Beleid van de federale of de staatsoverheid zal niet alles kunnen oplossen, want de problemen per plaats verschillen en er is dus maatwerk nodig.’

    Nieuwe welvaart

    Door als gemeenschap aan het vergroten van de welvaart te werken, heeft Ogden de discussie onder economen over de verdeling van de bestaande welvaart al achter zich gelaten. De stad kan zich nu richten op het aantrekken van nieuwe welvaart, door bedrijven aan te trekken die hogere salarissen bieden aan zijn inwoners en zo ‘de taart groter te maken’ zoals Stiglitz het noemt.

    Hogere salarissen in combinatie met lagere kosten voor levensonderhoud leidt tot meer sparen en het vergaren van rijkdom. Misschien is deze periode niet het eind van de Amerikaanse droom, zegt Christopulos, maar wordt die droom nu opnieuw gedefinieerd. ‘Filosofisch gezien zouden we best een manier kunnen vinden om welvaart te creëren en het niveau van alle inkomens te verhogen,’ zegt hij. ‘Dat heeft meer te maken met economische mogelijkheden dan met een kloof tussen rijk en de arm.’

    Terwijl hij door het centrum van Ogden rijdt, werpt Christopulos veelzeggende blikken op een volgende rij huizen die hij zou willen strippen, opnieuw inrichten en weer teruggeven aan de buurt. ‘We proberen economische instrumenten te gebruiken om sociale veranderingen te bewerkstelligen, maar dat is moeilijk,’ zegt hij. ‘Anders dan Uncle Sam kan ik de geldvoorraad niet vergroten. Wij hebben dat soort beheersinstrumenten niet. Elke situatie is anders en heeft veel aspecten. Er is geen oplossing die overal past.’

    Hoe de oplossing voor Amerika er ook uitziet, Christopulos is er aardig zeker van dat die niets te maken zal hebben met politiek – en zeker niet met partijpolitiek die de werkelijke scheidslijn verhult: financiële ongelijkheid.
    ‘Ik ben Republikein geweest en Democraat,’ zegt Christopulos. Nu ben ik communitarian – een man van de gemeenschap.’

  • 2. De gezondheidsladder

    2. De gezondheidsladder

    Willen we meer gelijkheid dan moeten we twee dingen doen, stelt Michael Marmot: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen.

    De levensverwachting van een jongen die in het armste deel van Westminster, Glasgow, Baltimore of Washington woont, is twintig jaar korter dan die van een 
jongen in het rijkste deel; voor meisjes ligt het iets gunstiger. Maar de meeste mensen wonen niet in het armste deel van een stad en kunnen dus gerust zijn dat dit voor hen niet opgaat. Ze hebben ongelijk. Die gerustheid is niet op zijn plaats.

    Er is een opmerkelijk nauw verband tussen je plek op de sociaaleconomische ladder en je gezondheid – hoe hoger op de ladder, hoe beter de gezondheid. Ik noem dat de sociale gezondheidscurve. U en ik, die niet tot de rijksten of de armsten behoren, zullen naar verwachting korter leven dan de rijksten en langer dan de armsten. De gemiddelde Brit zal acht jaar korter in gezondheid leven dan degene boven aan de ladder. Ongezond zijn betekent dat je vroeger sterft en dat nog tijdens je leven de greep van je hand verzwakt, je mobiliteit achteruitgaat, net als je geheugen en je andere cognitieve vermogens, en dat je verschillende ziektes krijgt. Hoe lager je in de sociale hiërarchie staat, hoe sneller deze dingen gebeuren. Wie zich in het midden bevindt, is niet immuun. Wij maken allemaal deel uit van de sociale gezondheidscurve. En de schaal van het probleem is enorm.

    We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen

    Er zouden elk jaar zo’n 202.000 minder voortijdige sterfgevallen zijn als iedereen in Groot-Brittannië een even laag sterftecijfer had als degenen met een academische opleiding (die minder dan 10 procent van de bevolking uitmaakten toen de mensen die vandaag sterven de studentenleeftijd hadden). Dat is zo’n 500 sterfgevallen per dag. Een mogelijke calamiteit voor ons allemaal, en een tragedie voor het land. Als een vervuilende fabriek zo’n hoge tol eiste, zouden mensen de straat opgaan en maatregelen eisen.

    We zouden ook maatregelen moeten eisen. De oorzaak is ongelijkheid in de omstandigheden waaronder mensen worden geboren, opgroeien, leven, werken en oud worden, én de ongelijke verdeling van macht, geld en hulpbronnen waardoor deze ongelijkheid wordt veroorzaakt.


    Lakmoesproef

    Het goede nieuws is dat we nu weten hoe we dit aantal voortijdige sterfgevallen kunnen verminderen en gezond kunnen leven. Om te beginnen leren ervaringen over de hele wereld dat het verband tussen iemands plaats op de sociale ladder en zijn slechte gezondheid 
weliswaar overal bestaat, maar dat 
de omvang van het probleem sterk varieert. Sommige landen doen al wat nodig is. Ook weten we nu wat er gedaan kan worden. We zullen ons minder moeten richten op de zorgen over de druk op de National Health Service of over ongezonde levensstijlen, en meer op de oorzaken van slechte gezondheid. Dat begint met de aard van vroege ontwikkeling van kinderen, gaat verder in de schooltijd en het werkende leven, en eindigt met de omstandig‑
heden waarin oudere mensen in de laatste fase van hun leven verkeren.

    De curve verandert alles. Stel je even voor dat het probleem van ongelijkheid in gezondheid beperkt bleef tot een slechte gezondheid voor de armen. 
Dat zou een lakmoesproef kunnen zijn. Als we een bepaald type rechtse rakker waren, vonden we misschien dat de armen de architecten van hun eigen ongeluk zijn, nietsnutten, en zouden we dus weinig sympathie voelen voor de ongelijkheid in gezondheid die gerelateerd is aan armoede: als arme mensen goede gezondheid willen, moeten ze worden als wij, harde werkers. Elders op het politieke spectrum zou het ons misschien wel kunnen schelen, een beetje. Maar nog steeds stellen we onszelf dan gerust met het idee dat ‘zij’ het zijn, de armen, die lijden; ‘wij’ hebben geen last van sociale achterstelling.

    Leerlingen van de King Edward VI High School in Birmingham, een van de topscholen in Engeland. Zij zullen gemiddeld acht jaar langer leven dan hun minder gefortuneerde landgenotes.
 –  © Christopher Furlong / Getty Images
    Leerlingen van de King Edward VI High School in Birmingham, een van de topscholen in Engeland. Zij zullen gemiddeld acht jaar langer leven dan hun minder gefortuneerde landgenotes.
 – © Christopher Furlong / Getty Images

    Maar de curve betekent dat iedereen die onder de top zit de handen ineen zou moeten slaan om de omstandig
heden te scheppen voor een goede gezondheid. Er is een duidelijke sociale curve in metingen van vroege ontwikkeling van kinderen: hoe armer het gezin, hoe lager de scores op cognitieve, sociale en gedragsontwikkeling. Ja, de armen hebben de laagste scores. Maar in het midden van de sociale schaal bereikte slechts 52 procent van de kinderen het niveau dat nodig is om klaar te zijn voor school. We moeten voor de hele sociale curve actie ondernemen. Onze samenleving moet twee dingen doen: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren – het is geen goed idee om Sure Start-kindercentra te sluiten – en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen. De Joseph Rowntree Foundation hanteert het criterium van een minimum levensstandaard in het Groot Brittannië van nu. Daarbij horen voedsel, kleding en onderdak. Maar ook dat je genoeg hebt om te kunnen profiteren van de kansen en keuzes die nodig zijn om in de samenleving te participeren. In 2010 zat 31 procent van de huishoudens met kinderen onder dat minimum. Drie jaar later was dat percentage gestegen naar 39 procent. Aandacht besteden aan die onderste 39 procent gaat om veel meer mensen dan alleen ‘de armen’.

    Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert

    Werk zou natuurlijk een manier moeten zijn om het minimum
inkomen te verwerven dat nodig is om aan de samenleving deel te nemen, maar is dat niet. In maar 19 procent van de tweeoudergezinnen die in 2013 onder het inkomensminimum zaten, werkte geen van beide partners. In meer dan 80 procent van de huishoudens met een laag inkomen werkte minstens een van de partners. Het probleem is niet dat uitkeringen te genereus zijn en ook niet dat mensen hun best niet doen. Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert. Net zo min als uitkeringen. Uit onder‑
zoek in Europa blijkt dat in landen waar de uitkeringen hoger zijn, de gezondheid beter is en de ongelijkheid op het gebied van gezondheid kleiner. Interessant is ook dat in landen met hogere uitkeringen de werkgelegenheidssituatie ook beter is.


    Ik heb in rijke en arme landen in‑spirerende voorbeelden gezien van de manier waarop landen actie ondernemen om het leven van hun inwoners te verbeteren en ongelijkheid in gezondheid te verkleinen. 
De belangrijkste factoren zijn sociale cohesie en emancipatie. In plaats van de samenleving te verdelen in twee grote klassen – ofwel die van Marx ofwel die van de nietsnutten en de harde werkers uit een andere politieke taal – kunnen we beter denken aan curves. We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen. Het is niet onredelijk om te zeggen dat alle sociale groepen de goede gezondheid zouden kunnen hebben van de rijkste groep. Maar daarvoor is actie nodig, gebaseerd op nuchtere feiten, voor de hele samenleving.

    Auteur: Michael Marmot
    Vertaler: Annemie de Vries

    Michael Marmot is schrijver van 
The Health Gap: The Challenge of 
an Unequal World, uitgegeven bij Bloomsbury.

  • 1. Aan ongelijkheid en armoede is iets te doen

    1. Aan ongelijkheid en armoede is iets te doen

    Volgens econoom Anthony Atkinson heeft de inkomenskloof niets onvermijdelijks. Hij komt met voorstellen waardoor de ongelijkheid afneemt én de economie verbetert.

    President Barack Obama heeft de stijgende inkomensongelijkheid ‘de belangrijkste uitdaging van onze tijd’ genoemd. Paus Franciscus roept overheden op om de armen te laten delen in de rijkdom, in een nieuwe geest van gulhartigheid.

    Zelfs IMF-baas Christine Lagarde heeft gezegd dat ongelijkheid de stabiliteit van de wereldeconomie bedreigt.
    Maar wat deze wereldleiders niet hebben gezegd is wat ze daaraan wilden doen. Om op die vraag antwoord te geven heb ik het boek geschreven dat in 2015 is verschenen: Inequality: What can be done?


    Positief geluid

    Er heerst een klimaat van kommer en kwel: een gevoel dat er weinig tegen de economische ongelijkheid te doen valt. Ik wil een positiever geluid laten horen. De belangrijkste boodschap is dat huidige omvang van de ongelijkheid en armoede niet onontkoombaar is. We kunnen stappen ondernemen om de ongelijkheid en armoede te verkleinen. Die zijn niet gemakkelijk en er hangt een prijskaartje aan. We zouden sterke economische en politieke overtuigingen moeten loslaten. Maar het is mogelijk.

    De eerste stap is het herstellen van de verzorgingsstaat. Sinds 1980 is in de OESO-landen de herverdelingspolitiek afgebouwd, en dat heeft geleid tot het tegengestelde van inkomensspreiding. Dit is een van de redenen waarom in Canada, waar een op de acht mensen op een laag inkomen leeft, het armoede‑
cijfer zo hardnekkig hoog blijft. Het is een van de redenen waarom de ongelijkheid in Canada groter is dan in Frankrijk, Duitsland of Japan.

    Om dit te veranderen moet de belasting omhoog. Niet gemakkelijk, maar ik stel een reeks belastingmaatregelen voor die de ongelijkheid moeten verkleinen, met als uitgangspunt de terugkeer van de progressieve inkomstenbelasting. Aan de uitgavenkant pleit ik ervoor de kindertoeslagen te verhogen en werkloosheidsverzekeringen nieuw leven 
in te blazen. Ik denk zelfs aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen, een radicaal idee, maar het heeft steun gevonden bij Nobelprijswinnaars van zeer uiteenlopende 
signatuur: Milton Friedman ter rechterzijde en James Tobin op links.

    Herstel de verzorgingsstaat

    De ongelijkheid verkleinen is echter niet alleen een kwestie van belastingen en uitgaven. Veel van mijn voorstellen hebben te maken met de marktverdeling van inkomen: wat mensen ontvangen aan loon, rente en andere vormen van kapitaalinkomen. Dit betekent in de eerste plaats dat de werkloosheid moet worden aangepakt en dat de vermindering van werkloosheid dezelfde prioriteit moet krijgen als het beheersen van de inflatie. Banen zijn echter maar een deel van het verhaal. Het salarisniveau is belangrijk. Slechts de helft van de werklozen in de EU verdient als ze een baan vinden genoeg om hun gezin boven de armoedegrens te houden. Armoede onder werkende mensen is een groot probleem.

    Hoe zit het met rijkdom? De zeer grote ongelijkheid in de verdeling van de rijkdom blijkt uit het feit dat de bovenste 10 procent in Canada meer dan 40 procent van het bruto nationaal inkomen verdient. Ik stel dan ook een grote nieuwe vermogensoverdrachtbelasting voor, die gebaseerd is op het bedrag dat iemand gedurende zijn leven ontvangt in de vorm van legaten en giften. Zo’n belasting zou bijdragen aan het scheppen van gelijke kansen en de eerlijker verdeling zou nog versterkt worden als de opbrengst van die belasting op vermogensoverdracht gebruikt werd om iedereen op zijn achttiende verjaardag een minimum-erfenis te geven.

    Voedselbank in Waterloo, Ontario – © Feed My Starving Children /  Flickr Creative Commons
    Voedselbank in Waterloo, Ontario – © Feed My Starving Children / Flickr Creative Commons

    Zo denk ik aan een reeks voorstellen om de ongelijkheid te verkleinen en armoede aan te pakken. Er valt natuurlijk over te discussiëren. Sommigen zullen zeggen dat door deze uitruil tussen billijkheid en efficiency het nationale inkomen en de groei daarvan zullen afnemen. Ik zou daarop antwoorden dat dit bezwaar voornamelijk afhangt van de manier waarop je de werking van een moderne economie ziet. Als je kijkt naar de onvolmaakt‑
heden van de markteconomie, wordt duidelijk dat er omstandigheden bestaan waarin we zowel qua vermogen als qua efficiency vooruitgang kunnen boeken. Het tegengaan van de ongelijkheid zou wel eens hand in hand kunnen gaan met het verbeteren van de economische performance.


    Mensen zullen misschien zeggen dat ‘in een geglobaliseerde economie, een land niet in zijn eentje een koers kan volgen die tot minder ongelijkheid leidt’. Maar landen zijn niet alleen maar passieve deelnemers op het wereldwijde speelveld. Het effect op de herverdeling van inkomen hangt af van de manier waarop nationale overheden inspelen op een veranderende wereld.

    De derde tegenwerping is dat ‘we het ons niet kunnen veroorloven.’ Inderdaad moeten er harde keuzes gemaakt worden. Willen we werkelijk de ongelijkheid verkleinen en de armoede aanpakken, dan moeten we de belastingen verhogen en de manier heroverwegen waarop marktinkomens worden bepaald.

    Maar we kunnen niet zeggen dat er niets aan te doen is.

    Auteur: Anthony B. Atkinson
    Vertaler: Annemie de Vries

    Anthony B. Atkinson is als senior 
onderzoeker verbonden aan het Nuffield College, Oxford en als professor aan de London School of Economics. 
Hij schreef Inequality: What can be done?, 
Harvard University Press, 2015.

    (Foto boven: Denise Corley (46) en haar dochter Aniya Hall (9) moet alle zeilen bijzetten om rond te komen. Haar man werkt bij McDonalds. – © Rene Cle)

    Toronto Star
    Canada, dagblad, oplage 400.000
    Grootste krant van Canada. Een van de weinige titels die een plechtige ‘principeverklaring’ in ere houdt, te vinden op de site. Daarin staat als kerntaak van de krant ‘het publiek te wijzen op misstanden en de mogelijke oplossingen daarvoor’.

  • Amerika’s meest gehate exportproduct: de supergevangenis

    Amerika’s meest gehate exportproduct: de supergevangenis

    De Amerikaanse supergevangenis – de supermax – 
wordt over de hele wereld gekopieerd. De ironie is dat men er in de VS juist van terugkomt.

    De gevangenisbewaarder in een Braziliaanse gevangenis kwam naar me toe. ‘Je geeft toch wel een goed cijfer, hè?’ zei hij lachend, met een blik op mijn aantekenboekje. ‘In Amerika heb je veel extra beveiligde gevangenissen. Heeft ons veel studiereisjes daarheen gekost om deze te bouwen.’ Hij wees naar het prikkeldraad en vertelde hoeveel reisjes ze naar Amerika hadden gemaakt en wanneer. ‘En nu kom je de onze bekijken. Grappig.’

    Ik vond er niets grappig aan. Ik was in de Penitenciária Federal de Catanduvas, Braziliës eerste federale extra beveiligde inrichting. Deze in 2007 geopende ‘supermax’, zoals zo’n maximum security gevangenis wel wordt genoemd, bevat 208 eenpersoonscellen. Zo’n supermax wordt gekenmerkt door een gebrek aan activiteiten en gemeenschappelijke ruimten, een directie met veel bevoegdheden en geen extern toezicht en – het grootste verschil met gewone gevangenissen – eenzame opsluiting voor alle gedetineerden. De bouw van dit indrukwekkende complex heeft 18 miljoen dollar gekost. En daarna zijn er nog vier gebouwd, wat voor Brazilië een ongekende grote investering in detentie is. Het gebouw lijkt zo uit de Verenigde Staten te zijn overgeplant. Toen ik het voor het eerst zag, vergat ik bijna in welk land ik was.

    Dat is niks nieuws. De afgelopen twee jaar heb ik in een tiental landen gevangenissen bezocht. Meestal leverde dat een sterk déjà vu op: ander land, zelfde afschrikwekkende gebouw. Neem de Gasabo-gevangenis in Rwanda, een statig gebouw van roze baksteen met prikkeldraad op de muren en een wachttoren die op een geschutkoepel lijkt: het deed me denken aan de gevangenissen in New York, waar ik doceer. En die lijken weer op het Tower Street Adult Correctional Centre in het Jamaicaanse Kingston: een kolos van baksteen en beton met een elegante wachttoren en muren van zeven meter hoog. In 1845 gebouwd om 650 gedetineerden te huisvesten, nu zitten er zo’n 1700. En die Jamaicaanse gevangenis verschilt weer weinig van de nor in het Australische Fremantle, in 1850 door dwangarbeiders gebouwd en destijds de grootste koloniale gevangenis in de regio.

    Het gevangeniscomplex in Catanduvas kostte 18 miljoen dollar, en bevat 208 eenpersoonscellen. Er zitten vooral zwaardergestraften. – © Jammil Bittar / Reuters
    Het gevangeniscomplex in Catanduvas kostte 18 miljoen dollar, en bevat 208 eenpersoonscellen. Er zitten vooral zwaardergestraften. – © Jammil Bittar / Reuters

    Die overeenkomsten zijn geen toeval. Ze zijn het gevolg van een akelige vorm van na-aperij die in de VS is begonnen. Gevangenissen zijn niet alleen het rampzaligste sociale experiment van de VS, ze zijn ook een van de akeligste exportproducten van dit land. Het op-
vallendste symptoom daarvan is de supermax, het type gevangenis dat ik in Brazilië bezichtigde. Amerika heeft dat model uitgevonden. De Quakers begonnen in 1787 met eenzame opsluiting te experimenteren in de Walnut Street Jail in Philadelphia. In 1829 werd daar vlakbij een gevangenis geopend waar alle gedetineerden in eenzame opsluiting zaten, de Eastern State Penitentiary, gemodelleerd naar een klooster (de gedetineerden droegen kappen die aan een monnikspij deden denken en kregen allemaal een bijbel). In een strafinrichting in Marion, Illinois, werd in 1983 de eerste isolatie-afdeling opgezet waar gedetineerden 23 uur per dag op cel zitten. Doordat in de jaren daarna het aantal gedetineerden bleef stijgen en de roep om een harde aanpak steeds luider werd, begonnen andere staten dat voorbeeld te volgen. Californië bouwde Pelican Bay, waar vorig jaar een dikke tweehonderd gedetineerden al meer dan tien jaar in eenzame opsluiting zaten. In het zogenaamde Alcatraz van de Rockies in Colorado, ADX Florence, zit één man al 32 jaar in eenzame opsluiting, waarbij hij het grootste deel van de tijd zelfs geen direct contact met gevangenispersoneel mocht hebben. In 1999 telde Amerika 57 supermax-gevangenissen, verdeeld over 34 staten.

    Hardvochtig

    In minstens negen andere landen, van Australië tot Mexico, vind je nu kopieën van dit type gevangenis. In Brazilië, een land met een van de snelst groeiende gevangenispopulaties ter wereld (momenteel 550.000 mensen), kosten ze de belastingbetaler veel geld. Volgens de directeur van Catanduvas kosten zijn gevangenen de staat 120.000 dollar per persoon per jaar. Vergelijk dat eens met de 36 dollar per jaar in Braziliës verwaarloosde reguliere gevangenissen, waar de gedetineerden vaak zelf voor eten en kleding moeten zorgen.

    Ook aan de bouwplannen voor Auckland Prison in Nieuw-Zeeland kun je zien dat de extra beveiligde afdeling gemodelleerd is naar die van Marion. En de twee extra beveiligde inrichtingen die Zuid-Afrika kort na het einde van de apartheid opende, waren het resultaat van een studiebezoek aan ADX Florence en Marion door adviseurs van de toenmalige minister Sipo Mzimela. De Amerikaanse vereniging van detentiecentra heeft zelfs een handleiding uitgegeven voor het opzetten van een zwaarbeveiligde inrichting: Supermax Prisons: Beyond the Rock.

    Je kunt ruwweg zeggen dat dit type inrichtingen een omslag in het denken markeert: van de progressieve, op maatschappelijke reïntegratie gerichte benadering van begin twintigste eeuw naar de op straffen gerichte aanpak die sinds de jaren zeventig de boventoon voert in de vs – en in navolging daarvan in vele andere landen. En dat terwijl er volgens een rapport van het Urban Institute uit 2006 weinig bewijs voor is dat het isoleren van gevangenen bijdraagt aan terugdringing van de misdaadcijfers, gevangenisgeweld of recidive. Het rapport riep op tot meer onderzoek naar de financiële én menselijke kosten van dit inmiddels wereldwijd toegepaste, hardvochtige detentieregime.


    Een regime dat al sinds het ontstaan door de VS naar het buitenland wordt geëxporteerd. In de achttiende eeuw, toen lijfstraffen nog de norm waren, begon onder Europese denkers het idee te leven dat je criminelen beter voor hun misdaden kon laten boeten met een periode van eenzame opsluiting. Die strafvorm leek hun netter, beheerster en rationeler, beter passend bij het zogenaamde Tijdperk van de Rede dan onthoofding of verbanning. Het jonge Amerika, dat net zijn onafhankelijkheid had bevochten en zich graag progressiever wilde betonen dan het koloniale moederland, bracht deze ideeën halverwege de negentiende eeuw in de praktijk in twee baanbrekende nieuwe gevangenissen: de Eastern State Penitentiary in Philadelphia, met zijn regime van eenzame opsluiting, en de Auburn Correctional Facility in New York, waar het accent vooral lag op dwangarbeid.

    De Amerikaanse prototypes vonden 
al snel internationale navolging, want een bezoek aan deze inrichtingen was vaste prik op de Amerika-reis van Europese machthebbers en intellectuelen. Frederik Willem IV van Pruisen kwam er een kijkje nemen, en daarna vorsten uit Saksen, Rusland en Nederland en ambtenaren uit Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken en Zweden. Alexis de Tocqueville en Charles Dickens beschreven in geuren en kleuren welke gruwelijkheden ze er aantroffen. John Daughtrey, van 1841 tot 1861 inspecteur-generaal van het gevangeniswezen op Jamaica, modelleerde Tower Street naar de Eastern Penitentiary. 
‘Er klinkt geen ander geluid dan van hamer, bijl en zaag,’ schreef hij in een rapport in 1844. Zo drong dit type gevangenissen door in alle culturen van Europa, en via de Europese koloniën ook in landen als Colombia, China, Japan en India. Afrikaanse gevangenissen uit het begin van de twintigste eeuw zijn een tastbare uitdrukking van de koloniale hiërarchie, alleen al door hoe ze eruitzien: ordentelijke, westerse gebouwen die de ‘roerige’ inboorlingen discipline moesten bijbrengen.


    De nieuwste ‘innovatie’ die vanuit de VS nu de wereld verovert, is de privatisering van gevangenissen. Vooral in Australië is dat aangeslagen: nergens is het aantal gevangenen in particuliere gevangenissen groter (ongeveer 
19 procent van de circa 33.000 gedetineerden), en de detentiecentra voor immigranten zijn allemaal geprivatiseerd. En overal waar ik kwam, hoorde ik hetzelfde liedje. Van Thailand, waar ik vrouwengevangenissen bezocht die onder toezicht staan van een door de prinses van Thailand zelf geleide NGO, tot Brazilië en zelfs het progressieve Noorwegen, waar ik een jonge gedetineerde sprak die zestien jaar had gekregen wegens heroïnegebruik: overal zitten de gevangenissen stampvol als gevolg van een draconisch antidrugsbeleid Amerikaanse stijl, hoge minimumstraffen en een ongedifferentieerd, niet op het individu toegesneden strafsysteem. Resultaat: in 78 procent van alle landen op de World Prison Population List van het International Centre for Prison Studies is de gevangenispopulatie tussen 2008 en 2011 gegroeid. In 2013 zaten zo’n 10,2 miljoen mensen achter de tralies, vaak nog zonder veroordeling, jarenlang wachtend op een proces en verstoken van juridische bijstand.

    Bewakers in de supermax in Catanduvas, in de Braziliaanse staat Parana. 
– © Jammil Bittar / Reuters
    Bewakers in de supermax in Catanduvas, in de Braziliaanse staat Parana. 
– © Jammil Bittar / Reuters

    Ironisch genoeg lijkt het in de Verenigde Staten juist de andere kant op te gaan. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat zij zich eindelijk willen ontdoen van deze detentieplaag. Iedereen spreekt zich uit tegen Amerika’s dure verslaving aan gevangenissen, van Bill en Hillary Clinton tot de conservatieve Right On Crime-beweging. Obama’s toespraak over hervorming van het gevangeniswezen en zijn bezoek aan een federale gevangenis in juli waren echte keerpunten. Maar Amerika mag dan misschien met dit monster willen afrekenen, de tentakels ervan reiken nog diep in de samenleving van vele andere landen. Massale criminalisering van armen en minderheden, supermax-gevangenissen en eenzame opsluiting, het hele penitentiair-industriële complex: het is niet alleen een mondiale realiteit, het is een groeiende mondiale realiteit. Een Amerikaanse nachtmerrie waaruit de wereld voorlopig nog niet is ontwaakt.

    Auteur: Baz Dreisinger
    Vertaler: Frank Lekens

    The Atlantic
    Verenigde Staten, maandblad, oplage 430.000
    Voorheen The Atlantic Monthly. Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Boekte in 2010 voor het eerst winst dankzij een krachtige onlinestrategie. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

  • Handvol families financiert Amerikaanse verkiezingen

    Handvol families financiert Amerikaanse verkiezingen

    Ooit werd Frankrijk bestierd door tweehonderd families. In de VS gebeurt nu iets soortgelijks: uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 superrijke families bijna de helft van al het campagnegeld bijeen hebben gebracht.

    Het zijn in overgrote meerderheid rijke, oudere blanke mannen in een natie die in toenemende mate wordt gevormd door jonge kiezers, vrouwelijke kiezers en kiezers met een kleurtje. In dit onmetelijk grote land wonen zij vooral in een kleine archipel van exclusieve rijke wijken verspreid over een handjevol steden. En in een economie waarin miljardairs van oudsher fortuin maakten in een onafzienbare reeks verschillende industrieën, danken zij hun rijkdom grotendeels aan slechts twee sectoren: financiële dienstverlening en energie. Met hun enorme rijkdom hebben ze nu de politieke arena betreden. Bijna de helft van al het campagnegeld van de Democratische en Republikeinse kandidaten is van hen afkomstig. Uit onderzoek van The New York Times blijkt dat 158 families, deels via bedrijven die geheel of gedeeltelijk in hun handen zijn, nu al 176 miljoen dollar aan de campagnes hebben bijgedragen. Sinds Watergate is het niet meer gebeurd dat zo’n klein aantal mensen en bedrijven in zo’n vroeg stadium van de verkiezingen zo veel geld heeft ingebracht. Overwegend via kanalen die pas wettelijk zijn toegestaan sinds het Hooggerechtshof met het Citizens United-arrest vijf jaar geleden de weg vrijmaakte voor super-PAC’s [zie kader onderaan dit artikel]

    De samenstelling van deze groep donateurs weerspiegelt de veranderende samenstelling van Amerika’s economische elite. Er zitten betrekkelijk weinig mensen bij met oud geld of uit het traditionele bedrijfsleven. De meesten hebben zelf een bedrijf opgebouwd en zijn rijk geworden met een combinatie van lef en talent: door het oprichten van een hedgefonds in New York, door het opkopen van onderschatte olievelden in Texas of door kassuccessen in Hollywood. Meer dan een dozijn van deze donateurs is niet geboren in de 
VS maar in Cuba, de voormalige Sovjet-Unie, Pakistan, India of Israël.
    Maar hoe ze hun geld ook hebben 
verdiend, in hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs aan de verkiezingscampagnes naar rechts. 
Ze hebben al tientallen miljoenen gedoneerd aan Republikeinse kandidaten die paal en perk beloven te stellen aan regelgeving en overheidstoezicht, aan de belastingtarieven op inkomen, vermogenswinst en erfenissen en aan subsidies en sociale voorzieningen. Allemaal beleidskeuzes die hun eigen rijkdom beschermen, maar die ze om andere redenen zeggen te omarmen: volgens hen leidt dit tot economische groei en behoud van een stelsel dat ook anderen in staat stelt rijk te worden.
    ‘Veel families die op eigen kracht rijk zijn geworden, vinden dat kleine ondernemingen last hebben van het woud aan regelgeving,’ zegt Doug Deason, een belegger uit Dallas die vijf miljoen in de campagne van de Texaanse 
gouverneur Rick Perry had gestoken. (Nu Perry zich heeft teruggetrokken, dingen veel andere kandidaten naar zijn gunsten.) ‘Zij hebben goed geboerd. En ze gunnen het andere mensen om ook goed te boeren.’

    Een fundraiser voor Donald Trump in het huis van autohandelaar Ernie Boch Jr. in Norwood, Massachusetts. – © Brian Snyder / Reuters
    Een fundraiser voor Donald Trump in het huis van autohandelaar Ernie Boch Jr. in Norwood, Massachusetts. – © Brian Snyder / Reuters
    Het zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn bergen te verzetten, en graag tegen de stroom inroeien

    Tegenwicht voor demografie

    Met al dat geld voor Republikeinse kandidaten bieden deze rijke donateurs financieel tegenwicht aan de demografische ontwikkeling. Die levert juist steeds meer electorale steun op voor 
de Democraten en hun economische beleid. Uit een peiling van The New York Times en CBS News bleek in juni dat twee derde van alle Amerikanen voorstander is van een hoger belastingtarief voor wie meer dan een miljoen per jaar verdient. Zes op de tien is voorstander van actiever overheidsbeleid om de kloof tussen arm en rijk te dichten. 
En volgens het Pew Research Center 
is bijna zeven op de tien Amerikanen voor behoud van ons huidige uitkeringen- en ziektekostenstelsel.
    Republikeinse kandidaten hebben moeite om stemmen te winnen onder latino’s, vrouwen en zwarte kiezers. Maar in deze campagne blijken de Republikeinen een grote voorsprong op de Democraten te hebben in de wereld van de zogenaamde super-PAC’s. Voor donaties aan het campagneteam van een kandidaat geldt een strikte limiet, maar aan zo’n ‘onafhankelijk’ political action committee mag iedereen zo veel geven als hij wil. De meeste donaties vloeien dan ook daarheen. Tot 30 juni hadden de 158 grootste donateurs in de campagne ieder al minstens 250.000 dollar bijgedragen, zo blijkt uit gegevens van de Federale kiescommissie 
en andere bronnen. En nog eens 200 andere families gaven ieder meer dan 100.000 dollar. Bij elkaar opgeteld waren deze twee groepen verantwoordelijk voor meer dan de helft van al het campagnegeld tot nu toe, en het leeuwendeel daarvan ging naar Republikeinen. ‘Het stelsel voor campagnefinanciering werkt nu als tegenkracht tegen de feitelijke ontwikkeling van het electoraat en het beleid dat kiezers willen,’ zegt Ruy Teixeira, een politicoloog van het linkse Center for American Progress.

    In hun politieke voorkeur neigen de grootste donateurs naar rechts

    Eigen klasse

    Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten. De meeste families die wij benaderden, wilden ons niet te woord staan over hun campagnebijdragen of hun politieke denkbeelden. Veel donaties waren afkomstig van bedrijfsadressen of postbusnummers, of ze liepen via brievenbusfirma’s of trustfondsen. Allemaal nieuwe methoden die mogelijk zijn gemaakt door het Citizens United-arrest, dat bedrijven veel meer speelruimte geeft om verkiezingscampagnes te financieren. Sommige donateurs staan vanwege hun privacy of om belastingtechnische redenen niet ingeschreven als eigenaar van het huis waar ze wonen. Dat maakt het nog moeilijker de sociale verwevenheid en de familiebanden van deze kleine groep te achterhalen.
    Maar uit interviews en onderzoek in openbare bronnen – zoals kiezersregistraties, bedrijfsgegevens en data van de federale kiescommissie – komt een beeld naar voren van een heel eigen klasse die geografisch, sociaal en economisch sterk samenklit. De wijken waar ze wonen, zouden samen bijna allemaal binnen de stadsgrenzen van New Orleans passen. Maar nog geen vijfde van de totale bevolking van die wijken bestaat uit minderheden, en praktisch niemand is zwart. De bewoners verdienen er vierenhalf keer zo veel als de gemiddelde Amerikaan en de kans dat ze een universitaire opleiding hebben genoten is tweemaal zo hoog. De meeste families wonen in slechts negen steden, vaak vlak bij elkaar in buurten zoals het chique Bel Air en Brentwood in Los Angeles of River Oaks in Houston, een wijk die vooral in trek is bij topmannen van energiebedrijven. Of Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met een eigen beveiligingsdienst, 35 villa’s en een 18 holes-golfbaan. Soms zijn ze, Republikeinen zowel als Democraten, donateur van dezelfde musea, symfonieorkesten of hulpprogramma’s voor achterstandskinderen. Ze doen samen zaken, ze trouwen met elkaar en zitten soms in hetzelfde pokerclubje. Meer dan vijftig leden van deze families staan in de Forbes 400-lijst van de rijkste miljardairs van het land. Ze zijn zo rijk dat zelfs een campagnebijdrage van een miljoen dollar voor hen een kleinigheid is.
    Neem hedgefondsmiljardair Kenneth C. Griffin uit Chicago: volgens de gegevens die zijn vrouw indiende in hun echtscheidingszaak, bedraagt zijn besteedbaar inkomen 68,5 miljoen dollar per maand. Hij heeft in totaal 300.000 dollar aan lobbygroepen van Republikeinse presidentskandidaten gegeven. Dat lijkt een enorm bedrag, maar gemeten naar zijn jaarinkomen is het evenveel als 21,17 dollar voor een gemiddeld Amerikaans huishouden (uitgaande van cijfers over het gemiddeld besteedbaar inkomen van het Congressional Budget Office [de Amerikaanse rekenkamer]).
    De rijkdom van deze families is deels een gevolg van de enorme groei van de financiële dienstverlening en de hausse in de olie- en gasindustrie, twee ontwikkelingen die de Amerikaanse economie in de afgelopen decennia ingrijpend hebben veranderd. De families profiteren bovendien van de politieke en economische ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de groeiende kloof tussen arm en rijk. Terwijl het aandeel van de middenklasse in het nationaal vermogen en het nationaal inkomen is gekrompen, is dat van deze families juist gegroeid.

    Zoals de meeste superrijken treden de nieuwe donateurs niet graag naar buiten
    Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met ruim tachtig supperrijke bewoners, onder wie veel politieke donateurs. – © Scott Morgan / Reuters
    Indian Creek Village, een particulier eiland bij Miami met ruim tachtig supperrijke bewoners, onder wie veel politieke donateurs. – © Scott Morgan / Reuters

    Financiën en energie

    De vermogensgroei is vooral hard gegaan in de hogere echelons op Wall Street. Waar beleggers voorheen vooral het geld van anderen beheerden, werden ze steeds vaker zelf schatrijk. Eén tiende procent van de Amerikaanse belastingbetalers werkt in de financiële sector, en volgens één onderzoek is hun aandeel in het nationaal inkomen sinds 1979 vervijfvoudigd. Van de hier besproken families zijn er 64 rijk geworden in de financiële sector. Dat is de grootste subgroep onder de superdonateurs in deze verkiezingsrace. De meeste hebben zich daarbij niet omhooggewerkt binnen een gevestigd bedrijf als Goldman Sachs of Exxon. Ze hebben, al dan niet in samenwerking met anderen, eigen ondernemingen opgezet. In de financiële sector beheerden ze hedgefondsen en andere risicovolle beleggingsfondsen die profiteerden van het gunstige belastingklimaat voor schulden en beleggingen, en van de aantrekkende beurzen en lage rentetarieven van de laatste tijd. In de energiesector gaat het onder meer om avonturiers die als eersten profiteerden van de nieuwe boortechnieken en de hoge energieprijzen die de winning van schaliegas in North Dakota, Ohio, Pennsylvania en Texas rendabel maakten. Anderen maakten fortuin door die pioniers te voorzien van pijpleidingen, vrachtwagens en apparatuur om te ‘fracken’.
    In beide sectoren kan een succesvol 
bedrijf in korte tijd enorme winsten opleveren – in tegenstelling tot sectoren waar het kapitaal vastzit in investeringen. En als ze niet worden gehinderd door aandeelhouders of een raad van bestuur, hebben deze ondernemers alle vrijheid om met dat geld hun politieke passie uit te leven. Meer dan de helft van het geld van de 158 grootste donateurs komt uit deze twee sectoren. ‘Als ik die families zie: dat zijn razend succesvolle ondernemers die gewend zijn om bergen te verzetten, en die graag tegen de stroom in roeien,’ zegt David McCurdy, vroeger Congreslid voor Oklahoma en nu voorzitter van de Vereniging van Amerikaanse Aardgasbedrijven.
    Grote beursgenoteerde bedrijven laten zich doorgaans niet in met super-PAC’s, vanwege de negatieve publiciteit over de invloed van het grote geld op de campagnes. Maar deze zelfstandige ondernemers stoppen er rustig miljoenen in. En ze zetten hun geld soms op kandidaten waar het partijestablishment en traditionele donateurs de neus voor ophalen. Neem de drie families die tot nu toe de grootste campagnebijdragen hebben gedoneerd: de familie Wilks uit Texas, die miljarden heeft verdiend met vrachtwagens en boorapparatuur voor de schaliegasvelden; de familie Mercer uit New York, van hedgefondsbelegger Robert Mercer; en Toby Neugebauer, een private equity-belegger uit Texas. Allemaal steunen zij de Texaanse senator Ted Cruz, de uiterst conservatieve Tea Party-hardliner die slecht ligt bij de Republikeinse partijtop.
    ‘Veel geld inzetten op iets waar 
anderen nog niets in zien. Dat is de overeenkomst tussen het succes in 
die twee sectoren, energie en beleggingen,’ zegt Tim Phillips. Hij is de voorzitter van Americans for Prosperity, een conservatieve lobbygroep gelieerd aan de Republikeinse geldschieters Charles G. en David H. Koch.
    Sommige families zitten in netwerken van ideologisch gedreven partijdonateurs die, zowel op links als op rechts, fundamentele invloed proberen uit 
te oefenen op de koers van hun partij. Zo zijn meer dan een dozijn donateurs of hun familieleden ook betrokken bij Koch Seminars, de tweejaarlijkse conferentie van de gebroeders Koch, die 
via diverse lobbygroepen onder meer ijveren voor afschaffing van de Export-Import Bank [een bank van de federale overheid, die kredieten verstrekt om 
de export van Amerikaanse goederen te bevorderen. Het rendement hiervan is omstreden en rechts-conservatieven zoals de gebroeders Koch beschouwen dit als een ongewenste vorm van staatsinmenging in de economie]. Dat geldt bijvoorbeeld voor bovengenoemde Deason en zijn vrouw, voor beleggingspionier Charles Schwab, wiens vrouw Helen veel aan de partij doneert, en voor Karen Buchwald Wright, van de familie die compressoren voor de 
winning en het transport van aardgas maakt. ‘De meeste deelnemers aan de conferentie zijn ondernemers die hun bedrijf helemaal zelf, van de grond af, hebben opgebouwd,’ zegt Deason, die alle vormen van subsidies en sociale uitkeringen wil afschaffen, ook als zijn eigen investeringen ervan profiteren.
    Anderen, zoals hedgefondsbelegger George Soros en zijn zoon Jonathan, hebben juist banden met de Democracy Alliance, een netwerk van linkse partijdonateurs die willen dat de Democratische partij veel meer doet aan klimaatbeleid en een progressief belasting-
stelsel. Deze groep geldschieters, die hun rijkdom veelal te danken hebben aan Hollywood of Wall Street, hebben miljoenen in de campagne van Hillary Clinton gestoken.


    Veel op het spel

    Tot op zekere hoogte doneren deze families geld omdat ze persoonlijke, regionale of professionele banden 
hebben met de kandidaten die ze steunen. De vader van Jeb Bush heeft zijn geld verdiend in de olie en Jeb Bush heeft zelf miljoenen verdiend op Wall Street. Sommige kandidaten die door de superrijken worden gesteund, 
hebben een politiek ambt bekleed in Florida of Texas, de twee staten waar de meeste families op de lijst van 158 wonen. Maar dat deze families de mogelijkheden van het Citizens United-arrest ten volle uitbuiten, is vooral een teken dat er voor hen ook veel op het spel staat, juist in de financiële dienstverlening en de energiesector. De regering Obama, de Democraten 
in het Congres en zelfs Jeb Bush zijn voorstander van regelgeving en belastingmaatregelen die een fikse lastenverhoging voor durfkapitaal- en private equity-fondsen kunnen betekenen. Hedgefondsen kenden van oudsher weinig regelgeving, maar zijn sinds 2010 gebonden aan de regels van de Dodd-Frank-wet [848 pagina’s aan financiële regulering die in juli 2010 werden doorgevoerd ter bestrijding van de financiële crisis]: verschillende Republikeinse kandidaten hebben beloofd om die terug te draaien, terwijl Clinton hem juist wil handhaven.
    En de schaliegashausse heeft in korte tijd weliswaar heel veel geld opgeleverd, maar ook geleid tot overproductie van olie, waardoor de prijzen nu dalen. Binnen de industrie bestaat brede steun voor opheffing van het veertig jaar oude verbod op de export van olie, om Amerikaanse olieproducenten een nieuwe afzetmarkt te geven, en voor de aanleg van de omstreden Keystone XL-oliepijpleiding [vanuit Canada 
naar de VS. Olie-raffinaderijen, milieuactivisten en enkele leden van het Amerikaanse Congres spanden rechtszaken aan die de bouw moesten dwarsbomen]. ‘Ze vragen geen hulp van de overheid, ze willen alleen graag olie exporteren, en de meesten willen ook de Keystone-pijpleiding,’ zegt T. Boone Pickens, belegger en voorstander van aardgaswinning, over zijn collega’s in de energiesector. ‘De olie- en gasindustrie heeft wonderen verricht voor dit land. Ze betalen zich krom aan belasting, en toch blijven de mensen je aanvallen,’ vervolgt Pickens, die 125.000 dollar heeft gedoneerd aan steuncomités voor Jeb Bush of Carly Fiorina. ‘Het zijn ondernemers, en ze hebben overal een mening over.’

    Nicholas Confessore, Sarah Cohen en Karen Yourish

    Kader: Wat zijn super-PAC’s?

    Amerikaanse presidentskandidaten krijgen in hun campagnes vaak bijval van zogenaamde political action committees (PAC’s), lobbygroepen die in naam onafhankelijk zijn, maar in feite actie voeren voor (en vooral ook tegen) specifieke kandidaten. Net als de financiering van campagneteams is die van PAC’s aan strikte regels gebonden: donaties mogen niet anoniem plaatsvinden en niet meer bedragen dan 5000 dollar per persoon. 
Maar twee uitspraken van het Hooggerechtshof in 2010, waaronder het Citizens United-arrest, hebben de weg vrijgemaakt voor zogenaamde super-PAC’s. Daaraan mogen particulieren en bedrijven zo veel geld doneren als ze willen. Officieel mogen de super-PAC’s niet met een kandidaat of zijn campagneteam overleggen over de te volgen koers, maar in de praktijk spelen hun publiciteitscampagnes al sinds 2012 een grote rol in de verkiezingen.

  • Hoe latinokinderen griezelen van Donald Trump

    Hoe latinokinderen griezelen van Donald Trump

    Sinds zijn hatelijke tirades tegen Mexicaanse immigranten, heeft el señor Trump voor de jeugd uit de latinogemeenschap het imago van een schurk uit een superheldenstrip.

    Latinokinderen hebben een hele hoop monsters en spoken om van te griezelen. Neem La Llorona, die haar dode kinderen beweent [er bestaan vele versies van het verhaal, maar het gaat altijd om een moeder die haar kinderen heeft vermoord, waarna ze ‘s nachts huilend naar hen op zoek gaat]. Of de iets jongere legende van de Chupacabra, die zich voedt met het bloed van geiten, maar desnoods ook met stoute, kleine kinderen. En nu kunnen we een nieuwe boeman toevoegen aan het Latijns-Amerikaanse arsenaal van enge verhalen voor het slapengaan. Die boeman heet ‘de Donald’.

    Sinds Donald Trump zijn campagne voor het Republikeinse kandidaatschap begon met een hatelijke tirade tegen Mexicaanse immigranten heeft hij in de latinogemeenschap een imago als van een schurk in superheldenstrips. De boeman met het fletse pompadoerkapsel die met dreigementen en beledigingen strooit is inmiddels in ieder latinogezin een begrip. Kinderen zien hem op tv of horen aan tafel hun ouders over hem praten.

    In Lynwood, een overwegend door latino’s bevolkte arbeiderswijk in Los Angeles, is het niet moeilijk om kinderen te vinden die van el señor Trump hebben gehoord. Hugo, zeven jaar en klein van stuk, is de zoon van Mexicaanse immigranten. Hij is nog te jong om te snappen wat Trump bedoelt als hij Mexicaanse immigranten voor ‘verkrachters’ uitmaakt, en vat diens boodschap kernachtig samen als ‘Mexicanen zijn lelijk’.

    ‘Zijn woorden raken ons latino’s in de ziel’

    Als Trump Mexicanen weer eens publieke-
lijk voor moordenaars uitmaakt, raken zijn woorden ons latino’s in de ziel. We zijn beledigd, we zijn gekwetst en we zijn boos. ‘Ik ben bang dat iemand hem iets zal aandoen,’ zei mijn dochter van tien laatst. En je kunt Trump nu al een symbolisch pak slaag geven: aan de andere kant van de grens, in Tijuana, gaan Trump-piñata’s als warme broodjes over de toonbank.

    Een piñata van Donald Trump in de Mexicaanse grensplaats Reynosa. – © Daniel Becerril / Reuters
    Een piñata van Donald Trump in de Mexicaanse grensplaats Reynosa. – © Daniel Becerril / Reuters

    Grootste angst

    Trumps campagne speelt in op de grootste angst van gezinnen zoals dat van Hugo: de kans dat Hugo van zijn ouders gescheiden wordt. Hugo is in 
de VS geboren [en daarmee automatisch Amerikaans staatsburger], maar zijn vader en moeder zijn tien jaar geleden uit Mexico gekomen.

    ‘We hebben hem verteld dat wij niet over dezelfde papieren beschikken als hij,’ zegt Hugo’s vader. ‘En we hebben hem moeten uitleggen dat er mensen zijn die ons hier niet willen, zoals Donald Trump en Arpaio.’ Hij doelt op sheriff Joe Arpaio van Maricopa County in Arizona. Die was in juli aanwezig op Trumps verkiezingsbijeenkomst in Arizona en staat bekend om zijn harde beleid tegen illegale immigranten. 
In gedachten noem ik hem altijd onze Cucuy (naar de boeman uit volks-
verhalen, ook wel El Cuco genoemd, 
die kinderen ontvoert). Presentator 
Bill O’Reilly van Fox News is voor mij 
El Cadejo (een boze geest met scherpe tanden) en de conservatieve commentator Ann Coulter een Llorona die ¡Adiós, América! krijst – de titel van haar laatste anti-immigratieboek, waarin ze Mexico een ‘derdewereld-hel’ noemt.

    Maar het is vooral ‘de Donald’ die tegenwoordig in de belangstelling staat. Met zijn ongegeneerde vreemdelingenhaat ligt hij in het versnipperde Republikeinse kamp ineens op kop. 
Net als sommige politici destijds in de Weimarrepubliek heeft hij een ideale zondebok gevonden in een groep die zich moeilijk kan verdedigen en waar een flinke minderheid van het electoraat graag op afgeeft.

    ‘Wij latino’s worden sterker en dat zint hem niet’

    En zijn schimpscheuten spoken ook de allerkleinsten door het hoofd. ‘Hij zei dat Mexicanen slecht zijn, dat ze drugs willen verkopen,’ zegt de negen jaar oude Alexandra Rubalcava. ‘Hij wil de Mexicanen het land uit schoppen en hier alleen met Amerikanen wonen. Dat vind ik niet netjes. Iedereen moet eerlijk zijn, we moeten allemaal netjes behandeld worden.’ Alexandra is met haar vader en haar twee zusjes in 
Plaza México, een winkelcentrum in Lynwood dat de Mexicaanse identiteit uitdraagt met replica’s van Olmeekse beelden, een standbeeld van Pancho Villa en de gevel van een koloniale kerk. Ik vraag waarom ze trots is op Mexicanen. ‘Omdat ze heel hard werken voor geen geld,’ zegt ze.

    Anderen zien in Trumps agressie een teken van zwakte. ‘Wij latino’s worden sterker en dat zint hem niet,’ zegt Irene Huerta, een studente van 24. ‘Hij kan ons wel uitschelden, maar steeds meer latino’s gaan studeren en willen daarin uitblinken. Ik in ieder geval wel.’ En Trump is dus alleen maar een extra aansporing. Dat krijg je als je een hele bevolkingsgroep aanvalt: je wordt een hoofdstuk in hun verhaal over de obstakels die ze hebben moeten overwinnen.

    Fabeltje

    ‘Mijn broer heeft me een filmpje laten zien,’ zegt Damaris, op de draaimolen in Plaza México. ‘Hij zegt heel verkeerde dingen over Mexicanen.’ Een meisje van tien zoals Damaris ziet ‘de Donald’ op de roltrap in zijn Trump Tower. Of ze ziet hem in Texas bij de grens, een wit petje op zijn hoofd met de tekst ‘Make America Great Again’. En ze begrijpt niet precies wat hij zegt, maar ze voelt dat haar ouders en haar grote broer boos en bezorgd zijn. En zo leert ze van ‘de Donald’ onbedoeld diezelfde waardevolle les die de essentie is van alle griezelverhalen: pas op, want er zijn mensen in de wereld die je kwaad kunnen doen.

    Maar wees niet bang, niños. Monsters zijn uiteindelijk maar een fabeltje. En je kunt er altijd een piñata van maken en daar net zo hard op slaan tot het papier scheurt en er snoep uit valt.

    Héctor Tobar


  • De voors en tegens van het populisme

    De voors en tegens van het populisme

    Populisten zoeken eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. Hun no-nonsens-retoriek appelleert aan diep ontgoochelde mensen 
die het idee hebben dat hun iets is afgepakt. 
Maar, schrijft George Packer, ze rekken ook de grenzen van het debat 
op en zorgen uiteindelijk voor belangrijke veranderingen.

    Thomas E. Watson, een populist uit Georgia met een lange, allengs demagogischer loopbaan in de Amerikaanse politiek, schreef in 1910: ‘Het schuim der schepping wordt bij ons gedumpt. Enkele van onze belangrijkste steden zijn eerder buiten-
lands dan Amerikaans. De gevaarlijkste, verderfelijkste hordes van het Avondland overspoelen ons. De zedeloosheid en de misdaad waarmee ze ons confronteren, zijn misselijkmakend en angstaanjagend. Wat brengt deze Goten en Vandalen naar onze kust? Vooral de industriëlen treft blaam. Zij wilden goedkope arbeid en het kon ze geen moer schelen dat hun harteloze beleid onze toekomst zou kunnen schaden.’

    Het voorwerp van Watsons gal waren de Italianen, de Polen, de Joden en andere Europese immigranten die 
destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Een eeuw later, in de populistische zomer van 2015, juichen sommige van hun achterkleinkinderen Donald Trump toe wanneer die de jongste generatie immigranten hekelt in bewoordingen die opvallend veel lijken op die van Watson.

    Bernie en Trump

    De geschiedenis van het Amerikaanse populisme is complex en Watson belichaamde de paradoxen ervan. Hij besloot zijn loopbaan als senator met het aanwakkeren van de haat van het blanke, protestantse volksdeel jegens zwarten, katholieken en Joden. Maar aanvankelijk drong hij er als leider 
van de People’s Party (‘Volkspartij’) bij zwart en blank op aan de handen ineen te slaan om een door ‘de macht van het geld’ gedomineerde economische orde omver te werpen. Watson eindigde als een soort Trump, maar begon als een soort Bernie Sanders, de huidige presidentskandidaat en zelfverklaarde ‘democratische socialist’. Dat Watson tekeerging tegen die ene procent van de bevolking die aan het einde van de negentiende eeuw bijna alles bezat, zou Sanders met trots hebben vervuld. Een paar van Watsons vroege ideeën – zoals gratis postbezorging op het platteland – werden uiteindelijk gerealiseerd.

    De wispelturige aard van het populisme kan de vonk tot hervormingen zijn, maar ook tot conservatisme, tot idealisme 
of de zoektocht naar een zondebok.

    Thomas E. Watson had een hekel aan Europese immigranten die destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Zou Donald Trump het van hem hebben? – © Getty Images
    Thomas E. Watson had een hekel aan Europese immigranten die destijds de Verenigde Staten binnenstroomden. Zou Donald Trump het van hem hebben? – © Getty Images
    Populisme is eerder een instelling 
en een bepaald soort retoriek dan een ideologie of een reeks standpunten

    Het komt tot bloei in tijden als die van Watson en die van onszelf, waarin talloze burgers die zichzelf als de ruggegraat van Amerika beschouwen (destijds de ‘handwerklieden’, tegenwoordig de ‘middenklasse’) het gevoel hebben dat ze aan de verliezende hand zijn. Het zijn bepaald niet de verschoppelingen der aarde: Sanders trekt hoogopgeleide stedelingen, Trump kleinsteedse zakenlui. Het zijn mensen die het idee hebben dat hun iets wordt afgepakt, die een visioen hebben van een Amerika van weleer dat onder vuur ligt en 
waarin alles beter was.

    Populisme is eerder een instelling 
en een bepaald soort retoriek dan een ideologie of een reeks standpunten. Het spreekt van een strijd tussen goed en kwaad en eist eenvoudige antwoorden op ingewikkelde problemen. (Trump: ‘De handel? Gaan we regelen. Gezondheidszorg? Gaan we ook regelen.’) Het wantrouwt het gebruikelijke handjeklap en gepolder dat bij democratisch bestuur komt kijken. (Tijdens politieke redevoeringen geeft Sanders zelden hoog op van de successen die 
hij boekt als voorzitter van de uit beide partijen samengestelde senaatscommissie voor veteranenaangelegenheden.) Populisme is zowel samenzweerderig als apocalyptisch van aard: het is het geloof dat het land, of althans een flinke meerderheid, door toedoen van een bepaalde groep boosdoeners (Mexicanen, miljardairs, Joden, politici) op de ondergang afstevent.

    Trump: ‘De handel? Gaan we regelen. Gezondheidszorg? Gaan we ook regelen’
    Donald Trump, vastgoedmagnaat en presidentskandidaat voor de Republikeinen. – © Getty Images
    Donald Trump, vastgoedmagnaat en presidentskandidaat voor de Republikeinen. – © Getty Images

    Authentieke stem

    Bovenal vertolkt én behaagt het populisme de authentieke stem van het volk. Zowel de aanhangers van Sanders als die van Trump prijzen hun kandidaat omdat ze, anders dan de politici, durven zeggen wat gewone mensen denken. ‘Ik ben het dan misschien niet met alles eens wat Bernie zegt, maar ik denk dat hij ergens voor staat, dat hij daaraan vasthoudt en ons niet zal voorliegen,’ zei zijn aanhanger Liam Dewey tegen ABC News. Dat Sanders net zo monotoon speecht als een spreker tijdens de Conferentie voor Socialistische Wetenschappers van rond 1986 – die overigens door 27.000 deelnemers werd bezocht – maakt zijn geloofwaardigheid er alleen maar groter op. Hij is de onwaarschijnlijke lieveling van een 
ten diepste ontgoocheld publiek. Wat Trump betreft: zijn retoriek is zo bot 
en impulsief dat zijn fans zich er voortdurend van verzekerd weten dat die authentiek is.

    De fenomenen Trump en Sanders reageren op hetzelfde politieke klimaat en lijken oppervlakkig gezien op elkaar. Allebei staan ze niet bekend om hun trouw aan de partij, wat hun imago als man van de straat juist ten goede komt: ze ontlenen hun autoriteit aan de rechtstreekse band met hun aanhangers, zonder tussenkomst van een of andere institutie. Ze gaan allebei tekeer tegen buitenlandse-handelsovereenkomsten, geven af op het officieuze werkloosheidscijfer en steken hun minachting voor politici en het foute geld dat ze ophalen om aan de macht te blijven niet onder stoelen of banken. Eind augustus had Trump zelfs geen goed woord over voor de maas in de wet die investeringsmanagers de kans biedt de belasting op hun winst 
te omzeilen (een favoriet mikpunt van links). ‘Al gaan ze over lijken, die hedge-
fondsgasten gaan vrijuit,’ zei hij tegen CBS News. ‘Ze schuiven alleen maar papier heen en weer en worden er beter van.’

    Senator en presidentskandidaat voor de Democraten, Bernie Sanders. – © Getty Images
    Senator en presidentskandidaat voor de Democraten, Bernie Sanders. – © Getty Images

    Begrijpelijke hervormingen

    Maar het verschil tussen Sanders en Trump is groot en fundamenteler dan het verschil tussen hun persoonlijke stijl en hun plaats in het politieke 
spectrum. Sanders, die het merendeel van zijn loopbaan een buitenstaander binnen het politieke systeem was, gelooft heilig in de politiek. Hij beschouwt die als een klassenstrijd (meer nog dan Elizabeth Warren lijkt hij de rijken 
écht te haten), maar gelooft dat dat conflict met verkiezingen en wetten kan worden opgelost. Wat Sanders een politieke revolutie noemt, zijn eerder ingrijpende maar begrijpelijke hervormingen. Hij stelt een belasting op financiële transacties en de opheffing van grote banken voor, maar vraagt niet om nationalisatie van de bankensector. Zijn opvattingen jagen Wall Street misschien op de kast, ze vallen binnen de grenzen van de rationele overtuiging.

    Wat Trumps overtuigingen verder ook mogen zijn, hij speelt het spel van de antipolitiek. Van George Wallace tot Ross Perot: antipolitiek is een constante factor in de recente Amerikaanse geschiedenis. Uiteenlopende presidents-
kandidaten als Jimmy Carter, Ronald Reagan en Barack Obama zijn president geworden doordat het leek alsof ze de verguisde politiek-bestuurlijke sector afwezen dan wel erboven stonden. Trump voert dat spel door tot in het demagogisch extreme. In het vocabu-
laire van zijn verkiezingstoespraken is geen vuiger woord denkbaar dan ‘politicus’. Hij voedt de verachting van zijn publiek voor alleen al het idée dat problemen met politieke middelen kunnen worden opgelost. China, IS, immigranten, werkloosheid, Wall Street: laat het maar aan Trump over, hij bouwt gewoon een muur, deporteert die elf miljoen 
illegalen, herschrijft de grondwetparagraaf over burgerrechten, schept banen, doodt terroristen. Elk voorstel draait louter om hemzelf, de leider die de ondergang van het land afwendt puur dankzij de kracht van zijn persoonlijkheid. Toen hij onlangs sprak in Mobile, in Alabama, vroeg hij zich zelfs af of er wel een evenredige volksvertegenwoordiging nodig was. Nadat hij op zijn voorsprong in de verschillende peilingen had gewezen, vroeg hij de dertigduizendkoppige menigte: ‘Waar hebben we verkiezingen voor nodig? Nergens voor.’ Wanneer Trump zijn ogen tot spleetjes knijpt en zijn onderlip naar voren duwt, is hij een showman die doet alsof hij een sterke man is.

    Er zijn in de Amerikaanse geschiedenis niet veel voorbeelden van populistische sterke mannen te 
vinden (selfmade man Huey Long, de in het interbellum actieve ‘dictator van Louisiana’, is een van hen). Daarvoor zijn we te zeer gehecht aan de democratie, zo niet aan haar instituties en belangrijke vertegenwoordigers. Er zijn meer voorbeelden van populisten die zonder de presidentsverkiezingen te winnen de grenzen van het debat hebben opgerekt en uiteindelijk voor belangrijke veranderingen hebben gezorgd (onder wie Robert M. La Follette Sr.). Hoewel populisten zelden tot president worden gekozen, kunnen ze – zoals de jonge én de oude Tom Watson – de politieke lucht klaren dan wel bezoedelen.

    George Packer

  • Het echte Hollister

    Het echte Hollister

    Hollister? Dat zijn toch die hoodies van Abercrombie&Fitch? In 587 winkels te koop, verspreid over de hele wereld, met een omzet van meer dan 2 miljard dollar? Klopt. Maar Hollister is in de eerste plaats een stadje in Californië – zonder ook maar één Hollisterwinkel. De zeer succesvolle branding is gebaseerd op een groot verzinsel. Bestsellerauteur Dave Eggers vertelt de werkelijke geschiedenis van Hollister, die van zijn betovergrootvader, T. S Hawkins.

    De naam wordt tegenwoordig overal ter wereld geassocieerd met goede smaak en een zekere status. In het jaar dat ik drieënveertig zou worden, werd ik op een goede ochtend wakker met de gedachte dat ik eens een bezoekje moest brengen aan Hollister. Ik zag overal van die hoodies en ik moest geregeld aan het plaatsje denken. In mijn garage diepte ik een oude atlas op, bestudeerde de kaart van Californië om er zeker van te zijn dat ik nog wist hoe ik er moest komen, en ging op pad. Niemand verwachtte me en ik had geen verwachtingen. Het was echt zo’n uitstapje voor een man van middelbare leeftijd, van wie de kinderen naar een partijtje zijn.

    Het is twee uur rijden vanuit de San Francisco Bay Area, in zuidelijke richting over de Interstate 280 naar de 85, vervolgens naar de 101 en tot slot naar de 25. Langs de Interstate 280 zie je tientallen hectaren dichtbegroeid heuvellandschap, met in het midden het Crystal Springs Reservoir. Het is een beschermd natuurgebied van onschatbare waarde. Uiteindelijk wordt het landschap wat vlakker en het klimaat droger. De groene hellingen kleuren langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid. Al snel duiken er aan beide kanten van de snelweg boerderijen op, pompoenkraampjes, stallen en stof. Dit alles roept de sfeer op van het Wilde Westen, terwijl je je op nog geen uur rijden van San Francisco bevindt.

    Een Hollister-hoodie. Carrie Black/Flickr Creative Commons
    Een Hollister-hoodie. Carrie Black/Flickr Creative Commons

    Haarnetjes

    Hollister doemt in alle rust op. Keurige rijen uien, kersenbomen en paprikaplanten maken plaats voor wat kleine fabriekjes – een groepje vrouwen met haarnetjes gaat net even pauzeren voor de Marich-banketbakkerij als ik voorbij rijd – en vervolgens zie je eettentjes en tankstations en uiteindelijk een stadscentrum dat iets tijdloos heeft zonder echt ouderwets aan te doen. Er staat een prachtige kerk van rode baksteen, de Hollister United Methodist-kerk, en op loopafstand daarvan staan vele goed onderhouden Victoriaanse huizen. Maar je ziet er ook winkels die zijn gesloten en verlaten kantoorpanden. Op de hoofdweg, San Benito Street, kom ik langs een pand met een bordje voor het raam:
    DIT GEBOUW STAAT NIET LEEG.
    HET ZIT VOL MOGELIJKHEDEN.

    Niet veel verderop staat een groepje vrouwen op een straathoek, met een bordje in de hand: ‘Bid om een einde te maken aan abortus.’ Achter hen is een lommerd, iets verderop in de straat een winkel in tweedehandsspullen en een motel dat luistert naar de naam Cinderella – niet te verwarren met de nabijgelegen quinceañera en de bruidsboetiek, met kleding voor zowel novias als princesas. Het stadje gaat aan beide kanten geleidelijk over in landbouwgebied en achter de boerderijen liggen de heuvels, nauwelijks ontsierd door bebouwing.

    Het is een merkwaardig compleet plaatsje, haast iets uit een kinderboek van Richard Scarry. Je hebt er fabrieken, boerderijen, scholen, wegen, paarden, schapen, geiten en schuren. Je hebt er mannen met cowboyhoed, die in een pick-up rijden. Er is een winkeltje waar ze honkbalplaatjes verkopen. Op een groot bord staat het eindfeest van de middelbare school aangekondigd: Disney-bal.

    Ik ben twee keer in Hollister geweest sinds ik drieëntwintig jaar geleden van de westkust naar Illinois ben verhuisd. Beide keren heb ik heel bewust een bezoek gebracht aan het Hazel Hawkins Memorial Hospital. Ook nu weer herinner ik me dat het niet ver uit het centrum ligt, en inderdaad, ik heb het al snel gevonden. Maar er lijkt iets veranderd. Op een bord voor de deur staat: ‘Bidden is de beste manier om in de hemel te komen – maar inbreken gaat sneller.’ Dan ineens zie ik, op de hoek van Hawkins en Monterey, een groot bord met ‘Te huur’. Dat is nieuw voor me – wat ooit een gezichtsbepalend gebouw in het centrum was, een schitterend pand in Spaans-koloniale stijl, met Italiaans aandoende versieringen, is nu kennelijk opgedeeld in kantoorunits. Ik zet mijn auto neer en ga een kijkje nemen.

    Gezien het feit dat dit oorspronkelijk een ziekenhuis is geweest, en dat het een van de oudste gebouwen van de stad is, ga ik ervan uit dat er non-profitorganisaties in zullen zitten – sportclubs, erfgoedinstellingen, vrouwenverenigingen. Dus loop ik over de witte trap die iets naar links helt. Het valt me op dat de stenen cherubijntjes bij de ingang tamelijk liefdeloos in de verf zijn gezet. Rechts van de voordeur zie ik een bordje in de erker: ‘Eerste maand huur gratis. Hoge kortingen.’ Achter het raam zie ik een bureau, met daarop een computer uit de jaren negentig die de eerste tekenen van verval vertoont. Het contrast tussen de rococo-buitenkant en de armoedige binnenkant is schokkend.

    Op een laag tafeltje in de hal liggen keurige stapeltjes folders en visitekaartjes van taxiondernemingen, kerken, gebedsgenezers en mensen die borg kunnen regelen. Links van me bevindt zich de New Light Embassy, die zichzelf afficheert als een ‘Holistisch centrum voor hersentraining & hypnotherapie… verrijkt, ontwikkelt en versterkt het menselijk potentieel.’ Het grootste deel van de rechtervleugel van het gebouw wordt in beslag genomen door het NewLife Worship Center.

    Binnen is echter geen mens te bekennen. Noch in de New Light Embassy, noch in het NewLife Worship Center. ‘Wist u dat Jezus een kerkganger was?’ staat te lezen op een groen foldertje. ‘Daar horen we niet vaak over, maar het is wel zo.’ En dan hoor ik, in de drukkende stilte van het uitgestorven pand, een geluid. Een ritmisch geluid. Ik loop het geluid achterna door de gang, tot ik voor een deur sta. Er ligt een mat voor de deur, met als tekst: ‘Eli’s Chop Shop’. Ernaast staat een driekleurige, gestreepte paal, zoals je die bij kapperszaken ziet. Ik hoor hiphop-muziek en vang ook wat stemmen op, en heel even ben ik zo blij dat ik niet de enige in dit gebouw ben dat ik met de gedachte speel naar binnen te gaan. Maar ik doe het niet en keer om.

    Downtown Hollister doet denken aan een boek van Richard Scarry. – © Getty
    Downtown Hollister doet denken aan een boek van Richard Scarry. – © Getty

    Hoody

    In de tuin voor het gebouw blijf ik staan onder een oude wilg en weet niet goed wat te doen. Aan de overkant van de straat zie ik een man het gras maaien. Ik ervaar diverse emoties en kom tot een aantal conclusies. Het bedrukt me dat het gebouw zo is vervallen. Van binnen ziet het er allemaal even deprimerend uit, en de huurders zijn slechts tijdelijk en ze lijken zich weinig aan te trekken van de vervallen staat van het gebouw. Maar waarom trek ik het me zo aan?

    Vijftien jaar terug zei het woord ‘Hollister’ vrijwel niemand iets. Tegenwoordig kom je in vrijwel elke stad, van Melbourne tot Montreal tot Mumbai, wel iemand tegen die het op zijn T-shirt of hoody heeft staan. Abercrombie&Fitch, dat Hollister in 2000 in de markt heeft gezet, heeft binnen korte tijd met dit merk de wereld weten te veroveren. In 2013 waren er 587 Hollister-winkels verspreid over de wereld, en het merk genereerde een omzet van meer dan 2 miljard dollar.

    Een rij consumenten voor een reclamebord van Abercrombie & Fitch.  © Simon Dawson / Getty
    Een rij consumenten voor een reclamebord van Abercrombie & Fitch. © Simon Dawson / Getty

    Vrijetijdskleding

    De kleren zelf zitten gewoonlijk in het segment van de sweaters en de joggingbroeken – ze vertonen griezelig veel overeenkomst met de vrijetijdskleding die je kunt kopen bij Target of Walmart. Maar een Hanes-hoody bij Target kost 13 dollar, terwijl een Hollister-hoody 44,95 dollar kost. Dat moet dus wel betekenen dat de term ‘Hollister’ ergens voor staat en een toegevoegde waarde heeft.

    Al vele jaren krijgt het personeel in de Hollister-winkels tijdens de inwerkperiode het Hollister-verhaal te horen, en dat gaat ongeveer zo: John M. Hollister is geboren aan het einde van de negentiende eeuw en als kind bracht hij zijn zomers door in Maine. John hield van avontuur en hij vond het heerlijk om te zwemmen in het heldere, koele water. In 1915 haalde hij zijn bul aan Yale. In een poging te ontsnappen aan het comfortabele leventje in Manhattan dat al voor hem was uitgestippeld, zette hij koers naar Nederlands-Indië en kocht daar in 1917 een rubberplantage. Hij werd verliefd op een vrouw, Meta, en hij kocht een schoener van vijftien meter. Samen met Meta zeilde hij over de Stille Zuidzee en ze verzamelden schatten van ‘de kunstenaars die daar leven’. Uiteindelijk gingen ze in 1919 in Los Angeles wonen. Ze kregen een kind, John junior, en openden een winkeltje in Laguna Beach, waar ze allerlei spullen uit de Zuid-Pacific verkochten – meubels, sieraden, stoffen en kunstvoorwerpen. Toen John junior op latere leeftijd de zaak overnam, voegde hij daar surfkleding en surfuitrusting aan toe. (Hij kon zelf geweldig goed surfen.) Zijn surfwinkel, die zijn naam droeg, kreeg steeds meer bekendheid en groeide uit tot een wereldwijd merk. Het Hollister-verhaal draait om ‘hartstocht, jeugd en een liefde voor het water’ en roept een beeld op van ‘de harmonie van romantiek, schoonheid en avontuur’.

    Het is volledig bezijden de waarheid. De meeste merken van Abercrombie&Fitch – waaronder het inmiddels uit de markt genomen Gilly Hicks en Ruehl No. 925 – steunen op verzonnen verhalen die zijn bedacht door Mike Jeffries, de voormalige CEO van het bedrijf. Abercrombie&Fitch heeft de Los Angeles Times verteld dat de naam Hollister is verzonnen en dat elke relatie tussen het merk en het stadje dan ook op toeval berust. Maar toch kunnen we de betrekkingen tussen het bedrijf en het stadje Hollister in Californië, met een inwonertal van zesendertigduizend, niet bepaald neutraal of ontspannen noemen.

    In 2006 zette een ondernemer uit Hollister de tekst ‘Rag City Blues: Hollister’ op een spijkerbroek en ze besloot zich in te schrijven in het internationale merkenregister. Vervolgens ontving ze dreigementen van juristen die waren ingeschakeld door Abercrombie&Fitch. Ze was verbijsterd. De juristen hadden min of meer gezegd dat ze haar voor het gerecht zouden slepen als ze de naam van haar woonplaats op haar kleding zou zetten – het handelsmerk dat aan het merk was verbonden, oversteeg de rechten van de stad. (Volgens het bedrijf gaat het hier zuiver om een merkenkwestie en doet het niet ter zake dat de onderneemster afkomstig is uit Hollister.) Volgens de L.A. Times vreesden de leerlingen van een plaatselijke middelbare school dat er ook juridische stappen genomen zouden worden tegen hun sporttenue. In een poging de gemoederen tot bedaren te brengen, stelde het stadsbestuur Abercrombie voor om een outlet te openen in Hollister. Het leek een logische stap – een Hollister-winkel in Hollister – maar het bedrijf gaf te verstaan dat de inwoners van Hollister niet het geschikte publiek vormden voor dit ambitieuze merk. (Het bedrijf laat weten zich niets van dit verzoek te herinneren.)

    Hollister heeft geen winkelcentrum, en maar weinig boetiekjes of cafeetjes. Het is geen toeristenbestemming, zoals het nabijgelegen Salinas, waar John Steinbeck woonde, of Gilroy, beter bekend als ‘de knoflookhoofdstad van de wereld’. Veel oudere inwoners zijn Kaukasiërs, maar de afgelopen vijftig jaar is de bevolkingssamenstelling ingrijpend gewijzigd, waardoor vandaag de dag 67 procent van de inwoners onder de noemer latino valt. De meesten van hen werken op de boerderijen in de buurt of in de paar nabijgelegen fabrieken. Hollister is een weinig opwindend plaatsje, maar inmiddels wordt de naam overal ter wereld geassocieerd met goede smaak en een zekere status. Wat merkwaardig is, omdat de plaats zelf op geen enkele manier garen spint bij dit succes.

    Ik heb met verwondering toegekeken hoe het merk Hollister aan de weg timmerde, aangezien mijn betovergrootvader T. S. Hawkins een grote rol heeft gespeeld bij het stichten van de stad. Als kind zag ik vrijwel dagelijks zijn gezicht, met de grijs-witte baard, op een oude foto die wij in Illinois in de woonkamer hadden hangen. Circa een meter daarnaast, aan de schouw, hing zijn geweer, dat hij van Missouri naar Californië had gedragen.

    Het oude Hazel Hawkins-ziekenhuis, genoemd naar de kleindochter die aan een blindedarmontsteking overleed.
    Het oude Hazel Hawkins-ziekenhuis, genoemd naar de kleindochter die aan een blindedarmontsteking overleed.

    Sterk en zelfstandig

    Het ware verhaal van Hollister begint in 1836 in Marion County, Missouri, zo’n dertig kilometer van Hannibal, de geboorteplaats van Mark Twain. Hier komt T. S. Hawkins ter wereld, de oudste van negen kinderen, op de boerderij van zijn ouders. De familie is vanuit Ierland, Engeland en Schotland naar Virginia getrokken, als een van de eerste kolonisten.

    De familie Hawkins woonde in twee aangrenzende blokhutten, met een gedeeld dak. De jongens sliepen op zolder, onder de dakspanen, waar ze ’s zomers de regen hoorden roffelen. ‘De planken vormen een goed dak om de regen buiten te houden,’ schreef Hawkins in zijn autobiografie Some Recollections of a Busy Life, dat hij zelf in 1913 heeft uitgegeven.

    ‘Maar in de winter joeg de wind de stuifsneeuw door de kieren van de dakplanken. Het was geweldig om daar te liggen, zo heel hoog, op de ouderwetse verenmatras, met de dekens opgetrokken tot aan je oren, terwijl de wind om het huis huilde, hagel en sneeuw het dak geselden en de elementen zich roerden, totdat je uiteindelijk in slaap viel. Als we ’s ochtends wakker werden, lag er een dikke sneeuwdeken over het beddengoed en de vloer.

    Van een afstand lijkt het een zwaar leven, maar ik kan me niet herinneren dat wij het zo voelden, en in ieder geval werd je er sterk en zelfstandig van’.

    De familie ving eekhoorns en kwartels en zo nu en dan een buidelrat, en ze aten hun eigen varkens, verwerkt tot spek en ham, drie keer per dag, maanden achter elkaar. Ze maakten wollen kleren voor bijzondere gelegenheden, maar voor hun alledaagse kleren gebruikten ze schors – de schors van ‘verschillende bomen’, schrijft Hawkins, al blijf ik het lastig vinden me een beeld te vormen van die kleren. Naar ik aanneem was het in elk geval ademende kleding.

    Hawkins ging een paar maanden per jaar naar het schooltje, dat uit één lokaal bestond, totdat hij zestien was. Dat was het moment waarop zijn jongere broers zijn taken op de boerderij konden overnemen en Hawkins vrij was om zijn opleiding te vervolgen. Hij ging op weg naar Kentucky, waar hij bij zijn grootvader zou gaan wonen – een reis van dik zevenhonderd kilometer, wat voor een ‘bedeesde, onhandige plattelandsjongen’ was alsof hij ‘de vertrouwde wereld achter zich liet’. Hij beproefde zijn geluk met lesgeven, vervolgens met geneeskunde, en uiteindelijk keerde hij huiswaarts met driehonderd dollar op zak.

    ‘Ik had er geen problemen mee om een poosje te luieren, lekker in mijn kano op de Meramec te dobberen of te rusten in de schaduw van de bomen. Maar dat kon niet eeuwig duren, en na niet al te lange tijd ging ik op zoek naar een activiteit. Het dichtstbijzijnde dorp was dertig kilometer van ons huis. Her en der waren wel kleine winkeltjes, maar ook die waren minstens tien kilometer ver. Zo kwam ik op het idee om zelf een winkeltje te beginnen…’

    ‘Ik nam een timmerman in de arm en eind juli stond er een gebouw van zes bij twaalf meter, compleet met planken en een toonbank. Ik was al naar St. Louis geweest om te praten met een bedrijf dat lokale winkeltjes bevoorraadde, en omdat ik geen flauw idee had wat ik nodig zou hebben, stelden zij een inventaris samen ter waarde van 2.000 dollar. Ik gebruikte mijn 300 dollar als aanbetaling’.

    Het is belangrijk om hier enkele zaken vast te stellen. Ten eerste was er een groothandelaar die T.S. Hawkins voor 2.000 dollar aan goederen ter beschikking stelde, wat omgerekend naar onze tijd zo’n 50.000 dollar zou zijn. Ten tweede was de groothandelaar bereid het risico te nemen, zonder onderpand, terwijl Hawkins geen enkele ervaring had als winkelier. Ten derde was Hawkins nog maar éénentwintig.

    De Hawkins-stoet

    De winkel werd een succes. Hawkins was ‘winkelbediende, conciërge en boekhouder in één’. Zodra het donker werd, ging hij naar huis om te eten, maar daarna ging hij weer terug naar de winkel, waar hij een ‘veldbed onder de toonbank vandaan haalde, mijn bed opmaakte en met een wapen onder mijn kussen sliep tot de volgende ochtend. Omdat er vrij veel ongure types naar de bergen trokken, was het geen goed idee om de zaak ’s nachts onbemand te laten, aangezien het dichtstbijzijnde huis bijna een kilometer verderop stond’.

    Het jaar daarop trouwde hij met Catherine Patton, een beschaafde vrouw afkomstig uit twee zuidelijke families. Binnen een jaar kreeg ze echter problemen met haar gezondheid, en de dokter adviseerde hun naar een gematigder, droger klimaat te verhuizen. Hawkins verkocht de winkel en maakte zich klaar voor de reis naar het westen. Tegen de tijd dat alles in gereedheid was, hadden Catherine en hij een kind, een zoon, T.W. geheten. Het reisgezelschap was uitgedijd tot twintig man, onder wie Hawkins’ vader en zijn zwager, compleet met zestig stuks vee, vier huifkarren, veertien paarden en zeventien ossen.

    Dit was niet de grote trek naar de goudvelden van tien jaar eerder. De groep van Hawkins zag slechts zo heel nu en dan een andere colonne huifkarren. Men had verwacht onderweg voldoende bizons te kunnen schieten, maar dat bleek niet het geval; tijdens de hele reis wisten ze slechts twee antilopen te schieten. In plaats daarvan waren ze aangewezen op handel met indianen, andere reizigers en kolonisten. In het zuiden van Utah had kort daarvoor een bloedbad plaatsgevonden, het zogeheten Mountain Meadows Massacre, waarbij honderdtwintig mannen, vrouwen en kinderen uit Arkansas waren omgebracht door mormoonse milities die zich voordeden als indianen. De Hawkins-stoet zocht aansluiting bij een andere huifkarrenstoet die vanuit Illinois naar het westen trok. Maar de mormonen die zij tegenkwamen toen ze Salt Lake naderden, waren hun goedgezind, schrijft Hawkins.

    ‘Omdat we al zo lang leefden van bacon en gezouten vlees, zonder groente, ging ik naar een groot huis dat de indruk wekte dat er welvarende mensen woonden. Ik klopte op de voordeur, maar toen er geen reactie kwam, liep ik naar de achterkant, waar ik een grote, stevige man onder een boom zag zitten, met op elke knie een baby, terwijl er nog allemaal andere kinderen, ergens tussen de twee en de acht jaar oud, in de tuin speelden. Twee vrouwen waren bezig kleren te wassen, in dezelfde tobbe, terwijl een derde vrouw ze ophing (de kleren, niet de vrouwen) zodat ze konden drogen. Het was mijn eerste kennismaking met polygamie. De man zag er goedgevuld en gelukkig uit, net als de andere mannen die ik later ontmoette, terwijl de vrouwen moe en afgetobd waren.’

    Pas nadat ze Bear River waren overgestoken, kregen ze te maken met de drama’s en ontberingen waar alle reizigers naar het westen rekening mee hielden.

    ‘In het gezelschap uit Illinois bevond zich een echte waaghals, een jonge man, en toen al het vee de rivier in was gelopen, ging hij er op zijn paard achteraan. Hij was ongeveer halverwege de rivier op zijn sierlijk zwemmende paard, toen zowel de man als het paard plotseling verdween. Na een poosje kwam het paard even verderop weer boven, maar de jonge man hebben we nimmer meer terug gezien. We hebben ons kamp opgeslagen aan de oever en hebben met zijn allen geprobeerd het lichaam te vinden. De veerman bezwoer ons dat het zinloos was, dat Bear River nooit zijn doden prijsgaf’.

    Twee uur rijden van San Francisco ‘kleuren de groene hellingen langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid.’ © Getty
    Twee uur rijden van San Francisco ‘kleuren de groene hellingen langzaam goud, maar verliezen niets van hun schoonheid.’ © Getty

    Kinderen en dwazen

    Ze trokken door de Sierra Nevadas. Ze wisten Angels Camp en French Camp te vinden en ze trokken in zuidwestelijke richting door de Livermore Valley, naar San Francisco Bay, in de buurt van Milpitas. Uiteindelijk kwam Hawkins in 1860 in Mountain View aan.

    ‘Zo eindigde onze reis over de vlakten,’ schrijft hij. ‘Ik heb ergens gelezen dat “De Heer zich ontfermt over kinderen en dwazen.” Achteraf gezien moet ik haast wel concluderen dat wij tot een van die groepen gerekend moeten worden’.

    Aanvankelijk leek Catherine Hawkins op te knappen, maar toch overleed ze nog geen twee jaar na de tocht. In de ogen van sommigen was dat een wreed spel van een boosaardige God. Toch besloot Hawkins in Californië te blijven.

    ‘Alleen zij die de metgezel uit hun vroege jaren zijn verloren, kennen de inktzwarte duisternis die zich dan aandient, en het gevoel dat de bodem is weggeslagen onder alle hoop en ambitie, dat het allemaal geen zin meer heeft, in ieder geval waar het je eigen leven betreft. Ik realiseerde me echter dat werken, heel erg hard werken, voor mij de enige remedie was’.

    Hawkins kocht zo’n achthonderd vierkante meter grond net ten noorden van Gilroy en hij trouwde met Emma Day, de dochter van een boer. In 1864 werd hun eerste kind geboren, Charles, en in 1867 was Hawkins een welvarende boer met vier kinderen. Hoewel hij zich het boeren vrijwel geheel zelf had aangeleerd, verscheepte hij dat jaar al een kleine 40 ton tarwe naar San Francisco.

    Hawkins hoorde al snel van ene kolonel W.W. Hollister, die zo’n tachtig vierkante kilometer landbouwgrond in de buurt in bezit had. Dat land was lange tijd in handen geweest van Spaanse adel, nadat de indiaanse inwoners voor het grootste deel waren verdreven of waren ingelijfd bij de Spaanse missies. Toen Mexico zich losmaakte van Spanje werd een groot deel van het land aan Mexicaanse soldaten en kolonisten gegeven. Na de Mexicaans-Amerikaanse oorlog kocht Hollister een stuk land van Francisco Pérez Pacheo. Hollister had een zuidelijke route naar Californië gevolgd, van Ohio door New Mexico en Arizona naar Santa Barbara, en daarna naar het noorden. Hij was begonnen met acht- of negenduizend schapen, met de bedoeling de grootste kudde ooit over het continent te verplaatsen. Uiteindelijk had hij er nog maar een paar duizend over, maar toen de burgeroorlog uitbrak, verdiende Hollister een vermogen met de verkoop van wol voor de uniformen van de unionisten.

    In 1868 was Hollister zover dat hij zijn land wilde verkopen, het maakte deel uit van een ranch die bekendstond als San Justo. Hawkins wist een groep plaatselijke boeren over te halen de grond te kopen voor 370.000 dollar. Ze deelden het land op in vijftig stukken en lieten in het midden zo’n vijfhonderd vierkante meter vrij voor een stadje. Ze waren van plan het plaatsje San Justo te noemen, maar daar had een van de mannen bezwaar tegen. Moet elke plaats in Californië naar een heilige worden vernoemd? zei hij. En zo kwamen de boeren, na veel gesoebat, uit op Hollister, als eerbetoon aan ‘een van de meest edelmoedige mensen die ik ooit heb gekend’, om de woorden van Hawkins te gebruiken.

    Hawkins kreeg nog een kind en uiteindelijk gaf hij het boerenleven eraan om de Bank van Hollister op te zetten. Uiteindelijk kregen zijn vijf kinderen weer elf kinderen, die het op één na allemaal voor de wind ging. Hazel Hawkins, geboren in 1892, overleed op negenjarige leeftijd aan een blindedarmontsteking, al wordt de ziekte niet vermeld in Some Recollections. In de honderdeenenzestig pagina’s van zijn memoires lijkt Hawkins stoïcijns, om niet te zeggen luchtig, te reageren op tegenslag en verlies, maar de dood van Hazel Hawkins brak zijn hart.

    Welterusten grootvader

    ‘Ze was haar hele leventje bij ons geweest. Ik had haar voortdurend om me heen en we hielden van elkaar met een toewijding die ik niet eerder had gekend. Elke dag opnieuw zette ze zich onbaatzuchtig in voor het geluk van anderen,’ schrijft Hawkins. ‘Op vijf maart stond ik aan haar bed. Ze deed haar ogen open, keek me aan en zei met die lieve stem van haar: “Welterusten, grootvader”. Vervolgens viel ze in slaap, om weer te ontwaken in Gods Paradijs.’
    Tot op zekere hoogte weet Hawkins de dood van zijn kleindochter aan de gebrekkige hygiëne in het landelijke Hollister. Hij stortte zich op het bedenken van een oplossing en het oprichten van een monument. Hazel Hawkins Memorial Hospital, noemde hij het.

    Ik sta op de witte, stenen trap en vraag me af wat er is gebeurd. Op zoek naar informatie over de status van het gebouw ga ik naar de kamer van koophandel van Hollister. Ik moet wachten. Debbie Taylor, die er de scepter zwaait, is in gesprek met een vrouw die van alles wil weten over de plaatselijke boy scouts. Ze is nieuw in Hollister en ze is lang van stof, ze heeft grootse plannen. Terwijl ik zit te wachten, blader ik wat in de folders die op een tafel liggen. ‘Gezocht!’ staat er op een flyer. De Hollister Hills Junior Off-Highway Rangers, een groep jonge terreinwagenliefhebbers, zijn op zoek naar leden die over de goudgele hellingen in de omgeving willen scheuren.

    Wanneer ik Taylor eenmaal te spreken krijg, begin ik over de goudgele hellingen en zeg hoe goed het is dat de stad deze heuvels beschermt. Taylor weet niet of ze het wel met me eens is. Het strookt misschien niet helemaal met het officiële beleid van de kamer van koophandel, maar Taylor laat doorschemeren dat men het niet zo erg zo vinden als de hellingen zouden worden bebouwd. Men zou geen bezwaren hebben tegen economische groei, op wat voor manier ook. De recessie heeft hard toegeslagen, zegt Taylor, en wat lichtpuntjes kunnen geen kwaad. Er zijn te veel tatoeageshops, zegt Taylor, en ze betreurt het dat de karatestudio onlangs om twijfelachtige redenen de deuren heeft moeten sluiten.

    Zonder al te veel moeite komen we op Abercrombie&Fitch. Taylor vertelt over de rechtszaken waarmee het bedrijf heeft gedreigd en over het interessante gegeven dat het bedrijf weigerde een Hollister-vestiging te openen in Hollister. Maar, zegt ze, binnenkort komt er een Walgreens-vestiging in de stad en daar is iedereen erg blij mee – Debbie Taylor zelf niet op de laatste plaats.

    Klanten van Abercrombie & Fitch in Londen.  Garry Knight/Flickr Creative Commons
    Klanten van Abercrombie & Fitch in Londen. Garry Knight/Flickr Creative Commons

    Kapper

    Ze vraagt wat mij naar Hollister voert en ik vertel haar van T. S. Hawkins en mijn relatie met hem. Ze bladert door mijn exemplaar van Some Recollections. Ik laat haar de foto zien van de jonge Hazel Hawkins en leg uit wat het verband is tussen dit meisje en het ziekenhuis dat haar naam draagt.

    ‘O!’ zegt Taylor. ‘Weet je dat er vanavond om half zes een lint wordt doorgeknipt?’ Dat wist ik niet. Ik heb geen idee waar ze het over heeft. Ze legt uit dat er net een nieuwe vleugel aan het verplaatste Hazel Hawkins-ziekenhuis is gebouwd. Het betreft een gezondheidscentrum voor vrouwen, dat over een paar uur wordt geopend. Ze geeft me het adres – het is een heel eind van de oorspronkelijke locatie van het ziekenhuis – en ik vertrek weer. We zijn beiden verbaasd over de wel zeer gelukkige timing van mijn bezoek.

    Dit lijkt me een uitgelezen moment om naar de kapper te gaan.

    Ik ga terug naar het oude Hazel Hawkins Memorial Hospital en doe de deur open van Eli’s Chop Shop. Achter een kappersstoel staat een grote man, vol tatoeages, die bezig is het haar te knippen van een andere man vol tatoeages. Op een tweede kappersstoel zit een derde grote man vol tatoeages – gewoon voor de gezelligheid, lijkt het. Ze zijn stomverbaasd als ik binnenkom.

    Dan zie ik een moeder en haar puberzoon op een bank hangen, wachtend op hun beurt. Ik zie er heel anders uit dan de overige klanten en ik ben veel ouder – zelfs de moeder lijkt een jaar of tien jonger dan ik. Mijn hand rust nog op de deurkruk, ik moet de knoop doorhakken. Ik kan me nog omdraaien en ze daar rustig laten zitten, maar in plaats daarvan zeg ik: ‘Kan ik gewoon wachten?’

    ‘Yep,’ zegt de kapper.

    Ik neem plaats op de lage, uitgezakte, leren bank en kijk naar ‘SportCenter’ op de flatsceen televisie die hoog aan de muur hangt. Harde hiphop galmt door de ruimte.

    Het is duidelijk dat de drie mannen zich afvragen wat ik kom doen, maar na een tijdje zetten ze hun gesprek voort. In een poging mezelf onzichtbaar te maken en ze niet op de zenuwen te werken, kijk ik zo ingespannen naar ‘SportCenter’ dat het haast lijkt alsof ik gecodeerde boodschappen uit de ruimte probeer op te vangen.

    Er wordt wat op schouders geslagen wanneer de man in de kappersstoel opstaat, waarna de jongen zijn plaats inneemt. Ondertussen heeft de kapper de televisie op een andere zender gezet: een realityshow met als titel ‘World’s Dumbest Criminals’.

    De moeder en ik lachen om het programma, dat bij vlagen zeer geestig is, en dan ineens kijkt ze me aan en zegt: ‘Jij bent aan de beurt’. De kapper heeft een ingewikkeld geometrisch patroon in de onderste helft van het haar van de jongen geschoren. Hij heeft het gedaan met vaste hand, en de jongen is er zeer mee ingenomen. Hij vertrekt, samen met zijn moeder, en ik ga zitten. De man die net is geknipt, leunt tegen de toonbank, met daarop allerlei gels en kammen en shampoos. De man op de andere stoel slaat zijn armen over elkaar, waarmee nieuwe tatoeages zichtbaar worden. ‘Family,’ staat er op zijn ene arm. ‘First,’ op de andere. Familie voor alles.

    ‘Hoe wil je het?’ zegt de kapper.

    Hij kijkt naar mijn achterhoofd, en zijn twee vrienden kijken ook naar mij. Ik zeg dat ik tweeëntwintig jaar geleden voor het laatst naar een echte kapper ben geweest.

    ‘Dat is te zien,’ zegt de kapper. ‘Hoe dat zo?’

    Ik leg uit wat de financiële voordelen zijn van zelf je haar knippen, en ze knikken allemaal.

    ‘Ik moet één keer per week naar de kapper,’ zegt Family First. Hij draait zijn hoofd en ik zie een ingewikkeld patroon dat duidelijk veelvuldig onderhoud behoeft. Het is het werk van een kunstenaar.

    Ik zeg tegen de kapper dat hij er maar overal een stukje af moeten halen, naar eigen inzicht, en hij gaat aan het werk. Er komt nog een man binnen, gespierd en gebronsd, met een hele verzameling tatoeages op zijn armen. Hij neemt plaats onder ‘World’s Dumbest Criminals’ en praat met de kapper over het Ultimate Fighting Championship en het gevecht dat binnenkort in Sacramento plaatsvindt.

    Dan kijkt de kapper mij aan. ‘Hoe kom je aan dit adres?’ Hij zegt het met een mengeling van argwaan en achteloosheid. Het is de vraag waar zijn twee vrienden op zaten te wachten. Zelfs de man op de bank draait zich om. Ik vertel ze het verhaal van T. S. Hawkins en hoe hij dit land in bezit heeft gekregen, dat hij het voormalige ziekenhuis heeft gebouwd op de plek waar we nu zitten, dat het een eerbetoon was aan zijn kleindochter die zo jong is gestorven. De vier mannen knikken respectvol.

    Dan gebeurt er ineens iets. De televisie staat heel hard, en de muziek ook, dus mij valt niets op, maar de twee vrienden maken zich ineens heel erg druk om een bepaald geluid.

    Undercover agent

    ‘Hoorde je dat?’ zegt de man die zich net een nieuw kapsel heeft laten aanmeten.
    ‘Hoorde je het?’ zegt Family First.
    Ik heb geen idee waar ze het over hebben. De mannen zeggen iets over een piep of een of ander elektronisch geluid dat ze hebben opgevangen.
    ‘Draagt iemand een microfoontje?’ vraagt Family First. Zijn vriend lacht en beklopt snel zijn lijf, laat zijn handen over zijn borst en zijn aanzienlijke buik glijden. Nu kijken ze weer naar mij, en eindelijk begint het me te dagen: ze denken dat ik van de narcoticabrigade ben.
    ‘Ach, wat,’ zegt de kapper, over de mogelijkheid dat ik een microfoontje draag. ‘Ik ben zo het raam uit.’
    De drie mannen hebben het erover wat ze zouden doen als er ineens agenten opduiken, of misschien al binnen zitten. Ineens herinner ik me het bordje voor de deur, dat inbrekers worden neergeschoten, naar de hemel gejaagd, et cetera. De sfeer is nog altijd grappend, maar de drie vrienden voelen zich toch niet meer helemaal op hun gemak. Het is gek: ze blijven beleefd, en mijn haar wordt met de grootst mogelijke zorg geknipt, maar ondertussen hebben ze het over een mogelijke undercover agent in de zaak alsof het over iemand anders ging – niet over mij.
    Ik probeer over iets anders te beginnen en vraag Family First en zijn vrienden waar ze vandaan komen. Pas op dat moment realiseer ik me dat dit een vraag is die een normaal iemand nooit zou stellen, maar die een undercoveragent briljant zou vinden. Een van de mannen zegt dat hij uit Visalia komt. De andere geeft geen antwoord. De kapper duwt mijn hoofd iets naar voren zodat hij goed bij mijn nek kan. Als ik weer opkijk, zijn de twee vrienden verdwenen.
    De stilte is om te snijden, en ik besluit hem te doorbreken.

    De afslag naar Hollister
    De afslag naar Hollister

    Knoflookfestival

    Ik vraag de kapper hoe lang hij al in Hollister woont.
    ‘Geen idee. Niet zo heel lang,’ zegt hij.
    ‘Bevalt het?’ vraag ik.
    ‘Mwah,’ zegt hij. ‘Het is niks.’
    Hij vertelt dat hij uit Gilroy komt, waar hij het veel meer naar zijn zin had. Gilroy, dat een kleine vijfentwintig kilometer verderop ligt, is bepaald geen bruisende wereldstad – hooguit heel even, tijdens het knoflookfestival – maar het is een grotere plaats dan Hollister, en daar gaat het hem om.
    Ik vraag waarom hij ervoor heeft gekozen zijn kapperszaak te vestigen in het voormalige Hazel Hawkins Memorial Hospital. Hij haalt zijn schouders op. De huur was lekker laag, zegt hij. Ik vraag hoe hij aan voldoende klanten komt terwijl er niet eens een uithangbordje hangt. Afgezien van de deurmat wijst niets op het bestaan van zijn zaak, nu ik er goed over nadenk. Hij zegt dat hij genoeg klanten heeft door mond-tot-mondreclame. Ik zeg nog iets over de achtergrond en de uitstraling van het gebouw, maar hij vindt het gebouw ook maar niets.
    ‘Weet je dat er een lijkschouwer in de kelder zat?’ zegt hij.

    Echo van het verleden

    Dat is voor hem nog een reden om te vertrekken. Hij heeft het gevoel dat het spookt in het gebouw. Vakkundig knipt hij het haar bij mijn oren en veegt met een borsteltje mijn nek schoon. Hij haalt de kapmantel weg. Het knippen kost 15 dollar. Ik betaal en ik bedank hem – hij heeft me perfect geknipt – maar we zijn allebei een beetje van slag door wat er zojuist is voorgevallen. ‘Tot over tien jaar maar weer,’ zegt hij. Ik sta al in de deuropening als hij opgewekt zegt: ‘Al zit ik hier dan niet meer, denk ik.’
    Als zoveel plaatsen van deze grootte en maatschappelijke verhoudingen wordt Hollister geteisterd door bendes en de daarmee gepaard gaande toename van het gebruik van meth en heroïne. De gemeenteraad heeft overwogen extra agenten in dienst te nemen om de drugshandel en de bendeactiviteiten tegen te gaan. Misschien denkt de kapper dat ik een van die nieuwe agenten ben – en denkt hij dat ik er bepaalde veronderstellingen over hem en zijn vrienden op na hield. Ik speel met de gedachte terug te gaan en mijn excuses aan te bieden, maar is dat niet precies wat iemand van de narcoticabrigade zou doen?
    Bendes, echt of ingebeeld, zijn een echo van het verleden, hier in Hollister. Aan het begin van de twintigste eeuw begon de American Motorcyclist Association met de zogeheten Gypsy Tours: motorrijders werden aangespoord om wedstrijden, rally’s, shows en picknicks te organiseren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam dit allemaal stil te liggen, maar naderhand werd het weer nieuw leven ingeblazen. De sfeer was toen echter heel anders. Veel van de jonge mannen die waren teruggekeerd uit Europa en het Stille Zuidzee-gebied waren een psychisch wrak, gedesillusioneerd. Mannen die anders gewoon thuis waren gebleven, op het platteland, of die ergens in de buurt in een fabriek zouden zijn gaan werken, hadden nu de wereld gezien, waren getuige geweest van onbeschrijflijke verschrikkingen, en konden niet meer aarden in het leven van alledag. Motorrijden werd ongekend populair. De rally’s werden steeds groter en het ging er steeds wilder aan toe.
    En zo streek de Gypsy Tour ook neer in Hollister, op 4 juli 1947. Naar verluidt zou het aantal mensen in het plaatsje met een inwoneraantal van 4500, van de ene op de andere dag zijn verdubbeld door de komst van allerlei clubs – de Boozefighters, de Market Street Commandos, de Galloping Goose, de Pissed Off Bastards of Bloomington. De leden van de motorclubs reden door het plaatsje, maakten herrie, dronken bier, gooiden flessen stuk. Kortom, ze zetten het plaatsje op zijn kop. De politie had grote moeite om de mensenmassa’s in bedwang te houden.
    Verhalen over wilde motorrijders groeiden uit tot verhalen over ongeregeldheden en rellen, en zes jaar later speelde Marlon Brando een verwarde en onbegrepen man in een leren jack, die betrokken raakt bij rellen in Hollister. ‘The Wild One’ was de schrik van de brave, gezagsgetrouwe burgers, maar voor de rebellen op hun motor leek het een blauwdruk van het echte leven. Het duurde niet lang of ook de Hells Angels kregen er lucht van en organiseerden jaarlijkse bijeenkomsten, hoewel de plaatselijke bevolking verdeeld was over de vraag of deze klandizie wel zo wenselijk was. Hoe dan ook, in 1997 werd besloten dat het een goed idee zou zijn om de ‘rellen’ van 1947 te gedenken met een groots feest.

    Moderne incarnatie

    De festiviteiten zijn een terugkerend fenomeen geworden, dat slechts eens in de zoveel jaar wordt afgelast wegens gebrek aan belangstelling of te weinig draagvlak onder de bevolking. Debbie Taylor vertelt dat de rally vorig jaar is afgelast, maar voegt er meteen aan toe dat men van plan is de traditie weer op te pakken. ‘Volgend jaar zeker,’ zegt ze. (Uiteindelijk zal dat Debbie Taylors laatste rally worden. Ze neemt ontslag bij de kamer van koophandel en vertrekt uit Hollister. Ook Eli’s Chop Shop sluit de deuren.)
    Als ik bij de kamer van koophandel vandaan kom, slenter ik wat door de stad. Ik kom langs Hazel Street, Hawkins Street en Steinbeck Street, langs de middelbare school waar de leerlingen, voor het merendeel latino, de schooldag er net op hebben zitten en naar huis gaan. Het is alweer wat later op de middag en ik besluit dat het tijd wordt om op zoek te gaan naar de moderne incarnatie van het ziekenhuis. Pas dan dringt het tot me door dat ik de hele dag nog niet één iemand in een Hollister-hoody heb zien lopen. Het is een opmerkelijke omkering: vrijwel overal ter wereld zie je tussen de honderden kinderen die uit een schoolgebouw komen altijd wel iemand met ‘Hollister’ op zijn borst of op zijn petje of op zijn korte broek. Maar hier, waar je zou verwachten dat het woord meer betekenis heeft dan waar ook, zie je het nergens.
    Als ik bij het ziekenhuis kom, gaat net de zon onder, en de klap komt hard aan. Het is een groot en modern gebouw. Overal grote borden met in grote letters de naam Hazel Hawkins. Het nieuwe vrouwengezondheidscentrum is een glimmende aanbouw, met een eigen rotonde en een atrium van twee verdiepingen.
    Er staan tientallen mensen, allemaal keurig gekleed, en ik loop daar in mijn korte broek en een merkloze hoody. Ik ga naar binnen, met Some Recollections onder mijn arm – een plakkertje bij de pagina’s over Hazel en T.S. En dan, terwijl ik tussen de mannen in pak en vrouwen in mantelpakje door loop, voel ik me ineens dat prototypische malle familielid: de slechtgeklede en ongeschoren man die uit het niets opduikt, met onder zijn arm een honderd jaar oud boek waarin hij bepaalde passages heeft gemarkeerd. Alleen dankzij mijn nieuwe kapsel, aangemeten door een man die dacht dat ik bij de narcoticabrigade zit, zie ik er nog enigszins toonbaar en normaal uit.
    Ik zie Debbie Taylor staan. Zij stelt me voor aan een aantal artsen en hoogwaardigheidsbekleders – steevast als een nazaat van Hazel Hawkins. De meesten zegt de naam niets, en ze zijn al helemaal verbaasd wanneer ze horen dat Hazel Hawkins een meisje was dat al heel jong het leven heeft gelaten. Ik vertel ingekorte versies van het verhaal, waarbij ik steeds naar het boek wijs en hoop dat ik niet zo warrig overkom als ik eruitzie.

    Culturele diversiteit

    Verder is het een efficiënte, leuke en vrolijke bijeenkomst. Gloria Torres, hoofd van de kinder- en kraamafdeling, zegt dat dit nieuwe centrum precies is waar de gemeenschap behoefte aan heeft en waar de gemeenschap recht op heeft – ze noemde de vorige kinderafdeling ‘beschamend’. Gordon Machato, voorzitter van het bestuur van het San Benito Health Care District, laat weten dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd door een lokale aannemer, en dat levert een stevig applaus op. Liam McCool, de manager van het project, wordt naar voren geroepen. Machado grapt dat McCool weliswaar een Ier is, maar dat hij toch elke dag op tijd op zijn werk was, zelfs de ochtend na St. Patrick’s Day. McCool zwaait even naar de aanwezigen – een mooie afspiegeling van de culturele diversiteit in het Californië van vandaag de dag. Ik zie wat oudere, blanke afgevaardigden, ik zie tweede en derde generatie latino’s, van wie de ouders gastarbeiders waren en de kinderen wellicht gaan studeren, ik zie verpleegsters en doktoren die vanuit India en China en wie weet waar naar Amerika zijn gekomen.
    Sommige mensen zijn van mening dat de Spaanssprekende bevolking de dienst zou moeten uitmaken in Californië. Andere mensen zijn van mening dat de Engelssprekenden de baas dienen te zijn, en weer anderen zeggen dat we vanuit een historisch besef, of domweg vanuit fatsoen, de oorspronkelijke inwoners van Californië de belangrijkste stem zouden moeten gunnen. Ook zijn er mensen die geen flauw benul hebben van de geschiedenis van de staat, en die het allemaal niets kan schelen.

    Maar Californië is altijd een doorgangsstaat geweest, een staat waar mensen op zoek gaan naar een tweede kans, al dan niet met goede bedoelingen. Al is het dan beneden de maat voor een Hollister-kledingvestiging, dit is het echte Hollister, een plaats met hardwerkende mensen die soms worstelen met het verleden en het heden, maar ondertussen heel doelgericht met de toekomst bezig zijn. Ze bouwen nieuwe ziekenhuizen waar nieuwe Californiërs ter wereld kunnen komen, nieuwe ziekenhuizen die zijn vernoemd naar een jong, blank kolonistenkind over wie velen in totale onwetendheid verkeren.

    Dave Eggers

    Dave Eggers © Paolo Vescia / The New York Times
    Dave Eggers © Paolo Vescia / The New York Times

    Empathie en betrokkenheid

    Dave Eggers is auteur van een hartverscheurend oeuvre van duizelingwekkende genialiteit. Hij is ook de drijvende kracht achter tijdschrift McSweeney’s en schrijversvereniging 826 Valencia. In al zijn werk snijdt Eggers op empathische wijze sociale problemen aan en toont hij betrokkenheid bij de mensen die hij ontmoet.

    360 Magazine publiceerde in editie 57 het verhaal De weg naar Riyad, over een benauwde taxirit door de woestijn van Saoedi-Arabië en de dwaasheid van het begrip nationaliteit.

  • Is New Orleans veilig?

    Is New Orleans veilig?

    Tien jaar na Katrina is de hamvraag of New Orleans bestand is tegen een nieuwe superstorm. De staat Louisiana heeft een masterplan bedacht om de stad te beschermen. Maar dat gaat vele miljarden dollars kosten.

    Deze stad heeft altijd een ander ritme gehad. Totaal anders dan dat van New York. Het schijnt dat iemand ooit een havenarbeider heeft horen zeggen: ‘Red je het niet in The Big Easy, dan red je het nergens’, en die kreet werd gemeengoed, eerst in de zwarte gemeenschap, vervolgens in Newsweek en van daaruit in de rest van het land. Tientallen jaren waren de jonge ambitieuze mannen en vrouwen hier verknocht aan hun stad, maar gingen ze er toch weg, terwijl nieuwkomers een plek voor zichzelf vonden in de bestaande huizen, zich er nestelden en de stad in hun hart sloten.

    De orkaan Katrina, deze maand tien jaar geleden, heeft veel veranderd. De essentie van de stad – zijn ritme en zijn geuren – heeft de storm overleefd, ook al lijkt het er nu meer op Disneyland dan ooit. Maar het is ook een dynamische plek geworden. Na de storm kwamen tienduizenden hierheen om de stad weer op te bouwen; duizenden, vaak jonge mensen, zijn gebleven. Zij kwamen niet om zich in bestaande ruimtes te nestelen: ze kwamen om ruimte voor zichzelf te maken, niet te vinden, om een nieuwe Amerikaanse stad te scheppen.

    Dankzij hun energie, plus 71 miljard dollar overheidsgeld voor Louisiana, waarvan het grootste deel voor de hoofdstad New Orleans, is veel veranderd. Tot verbazing van degenen die de stad kennen is die niet alleen springlevend, maar trekt hij ook jong talent aan. In 2014 had New Orleans volgens zakenblad Forbes het snelst groeiende aantal afgestudeerden van het land, en in 2013 was het de stad waar de meeste werkende Amerikanen naartoe verhuisden. Ook het ondernemersklimaat is hier volgens het blad het beste van het land, onder andere dankzij de jaarlijkse Entrepreneur Week, waar dit jaar tienduizend deelnemers op afkwamen.

    De armoede en criminaliteit zijn gebleven, maar in New Orleans heerst nu ook een klimaat van kansen en mogelijkheden dat tien jaar geleden ondenkbaar was. Er is één vraag over de toekomst die steeds maar blijft hangen: hoe veilig is deze stad?

    © The Historic New Orleans Collection / David G. Spielman
    © The Historic New Orleans Collection / David G. Spielman

    In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm

    100-jarige storm

    Die vraag gaat niet over criminaliteit, een ernstig, maar oplosbaar probleem. De kwestie is: zal de oceaan de stad verslinden – kan de stad blijven bestaan? Het antwoord daarop is lastig en ook belangrijk voor andere steden, waaronder New York. New Orleans heeft een nieuw systeem dat overstromingen tegen moet gaan. Het systeem dat er vóór Katrina was, faalde als gevolg van fouten van de Army Corps of Engineers [die in de VS de rol speelt van een soort militaire Rijkswaterstaat], maar dit nieuwe systeem moet wél zijn werk doen. Het biedt bescherming tegen een zogenaamde 100-jarige storm, ofwel een storm die eens in de honderd jaar voorkomt – het soort bescherming dat ook New York wil, maar nog niet heeft.

    Maar er zijn drie problemen: die norm van ‘eens in de honderd jaar’ zelf, de geologie en zeespiegelstijging, en de politiek. De eerste twee kunnen opgelost worden, het derde zou wel eens ongeneeslijk kunnen zijn. Bescherming tegen een storm die eens in de honderd jaar voorkomt klinkt veilig, maar is het niet. Het betekent dat de stad beschermd is tegen een storm waarvan de kans dat hij in een bepaald jaar toeslaat 1 procent is; de kans dat de gemiddelde inwoner tijdens zijn leven minstens één storm zal meemaken die even krachtig is als de norm, of krachtiger, is echter meer dan 50 procent. De 100-jarige norm is in 1973 vastgelegd in het National Flood Insurance Program en diende oorspronkelijk alleen voor verzekeringsdoeleinden. Hij is nooit bedoeld geweest als veiligheidsnorm.

    Vóór 1973 legde het Army Corps of Engineers stormvloedkeringen aan die de stad moesten vrijwaren van de ergste overstroming die zou kunnen optreden. Dat was de norm in de jaren dertig, toen na een overstroming van de rivier de Mississippi in 1927 – die rampzaliger was dan Katrina – dijken en afvoerkanalen werden aangelegd langs de benedenloop van de rivier. Dat was maar goed ook, want in 1937, 1973 en 2011 kwam het water bij de benedenloop van de Mississippi ook hoger dan het 100-jarige record, maar richtte het weinig schade aan, dankzij de dijken en afvoerkanalen. Daarentegen zijn delen van het land met dijken van vóór de 100-jarige norm herhaaldelijk overstroomd. Voor New Orleans, dat altijd afhankelijk is geweest van de goede wil van vreemden, is het dom om zichzelf op de borst te kloppen over die 100-jarige bescherming; voor het rijke New York is het idioot om naar die 100-jarige norm te streven. Toen Katrina aan land kwam, werd het water opgestuwd tot de hoogte van een 400-jarige storm; Sandy had op sommige plekken de kracht van een 200- tot 500-jarige storm.

    In Nederland zijn steden beschermd tegen een 10.000-jarige storm; dat is financieel onhaalbaar aan de Golf van Mexico en aan de oostkust, die met veel zwaardere stormen te maken krijgen dan de Nederlanders. Maar de norm moet hoger zijn dan die honderd jaar; vijfhonderd jaar zou het minimum moeten zijn. Dat is zeker bereikbaar in New York, gezien de draagkracht van die stad. Is het ook haalbaar in New Orleans?

    Nieuw Atlantis

    Om die vraag te beantwoorden moeten we ons realiseren dat de hele kust van Louisiana gevormd is door sedimentafzettingen die zijn aangevoerd door de rivier de Mississippi. Het sediment sloeg neer op het moment dat de rivier de oceaan bereikte, vormde eerst zandbanken, en daarna, toen daar planten op gingen groeien, stevig land – 20.000 vierkante kilometer land dat zich uitstrekt tot aan Texas in het westen. Mensen hebben in dit natuurlijke proces ingegrepen en sinds 1932 is zo’n 5000 vierkante kilometer – een gebied zo groot als Delaware – van de kust van Louisiana verdwenen. Dat land vormde ooit een buffer tegen stormvloeden.

    Het landverlies gaat voort in zo’n tempo dat een gebied ter grootte van Manhattan in achttien maanden verdwenen kan zijn. Wordt er de komende vijftien jaar niets aan gedaan, dan verdwijnt nog eens 700 tot 1300 vierkante kilometer van Louisiana – en gaat het verlies verder tot New Orleans een Nieuw Atlantis wordt, met muren van dijken die de zee tegenhouden.

    Toch heeft New Orleans wel een kans om te overleven, om twee redenen. Om te beginnen heeft de stad het concept van ‘leven met water’ omarmd – al is er weinig gedaan om dat ook werkelijk door te voeren – bijvoorbeeld door huizen op palen te bouwen. Ten tweede, en dat is veel belangrijker, zouden dezelfde natuurkrachten die de kust hebben gevormd, ook dienst kunnen doen om de kust die er nog is te bewaren, zodat de kuststreken van Louisiana een kans krijgen op een duurzame toekomst. Wat verdwenen is kan niet meer worden hersteld, en er zal nog steeds land verdwijnen, maar zelfs met de komende zeespiegelstijging kan, als er genoeg sediment en zoet water wordt aangevoerd, op strategische plekken nieuw land worden gevormd om de bevolking te beschermen.

    De werkelijke kosten van het masterplan zullen meer dan 100 miljard dollar bedragen

    Het is nu zelfs zo dat het dijkensysteem van New Orleans de stad waarschijnlijk zal beschermen tegen een eens in de vijfhonderd jaar voorkomend ‘stil hoogwater’, ofwel een stijging van het water zonder golven. Golven verspreiden zich over land, dus het opnieuw opbouwen van een landbuffer kan de veiligheid van de stad aanzienlijk vergroten. De Mississippi geeft New Orleans en Louisiana dus een kans, en duidelijk een veel betere dan bijvoorbeeld Miami, Tampa of Houston hebben, die geen beroep op de Mississippi kunnen doen.

    Masterplan

    Zal dit gebeuren? De staat heeft er een ‘masterplan’ voor ontwikkeld. Het grootste technische probleem is het sediment, dat met 50 procent is afgenomen, waardoor de technici minder hebben om mee te werken dan vroeger. De staat hoopt het sediment te verspreiden via pijpleidingen of ‘omleidingen’: openingen in dijken om natuurlijke stromen na te bootsen. Maar hoe lastig de techniek ook is, de politiek is nog lastiger. De meeste deskundigen zien het omleiden van het water als de enige mogelijkheid om op de lange termijn land te laten aangroeien. Nu al zijn oesterkwekers daar echter een campagne tegen gestart, omdat oesterbedden er volgens hen door vernietigd worden terwijl er geen land zal worden opgebouwd, en maakt de scheepvaartsector zich zorgen om veranderingen in het vaargebied.

    En het gevecht om de omleidingen is nog maar het begin. De strijd zal pas echt losbarsten wanneer mensen buiten de beschermde gebieden beseffen dat hun gemeenschap zal verdwijnen, of als de staat het voorstel aanneemt – waarvan veel deskundigen voorstander zijn – om een nieuwe riviermonding te creëren, waardoor een deel van de staat wordt afgesneden. Nu al zijn er in een regio felle protestacties gaande, omdat het voorstel kan betekenen dat mensen moeten verhuizen uit gebieden met ‘zware, herhaaldelijke overstromingen’. Dan is er natuurlijk nog de kwestie van het geld.

    Officieel zal het masterplan voor de hele staat 50 miljard dollar kosten. Ongeveer een vijfde daarvan is bestemd voor de 500-jarige bescherming van New Orleans. Maar volgens een onderzoek van de Yulane University zullen de werkelijke kosten van het masterplan meer dan 100 miljard dollar bedragen. En zelfs die begrote 50 miljard kan de stad al bij lange na niet opbrengen.

    Oliemaatschappijen

    De politieke realiteit is dat de belastingbetalers van het land heus niet tientallen miljarden dollars naar Louisiana zullen sturen, zeker niet zolang de politici van Louisiana zelf geen maatregelen nemen tegen een andere belangrijke oorzaak van het verlies aan land.

    Olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen hebben naar schatting 15.000 kilometer aan kanalen door het kustgebied gegraven. Het zoute water dat daardoor het land in kon stromen, was dodelijk voor planten, en zonder de wortels daarvan kalfde het land af. Bovendien hebben bedrijven zo veel stoffen uit de grond gehaald dat het oppervlak is verzakt. Toch gaat niemand serieus de discussie aan over de rol van het bedrijfsleven in het landverlies. Zelfs een onderzoek dat werd gefinancierd door de Louisiana Mid-Continent Oil and Gas Association, de brancheorganisatie van grote oliemaatschappijen, kwam tot de conclusie dat activiteiten van het bedrijfsleven ‘de grootste oorzaak’ waren voor landverlies in gebieden waar dat verlies het ernstigst was. Volgens een onderzoek van de staat Louisiana komt 76 procent van het landverlies in diezelfde gebieden voor rekening van energiebedrijven. Een onderzoek onder leiding van de Amerikaanse geologische dienst, waaraan ook wetenschappers uit de bedrijfstak meededen, schreef 36 procent van het verlies over een groter stuk van de kust toe aan het bedrijfsleven.

    Een herdenkingsbijeenkomst voor de orkaan Katrina in New Orleans. - © Lee Celano / Reuters
    Een herdenkingsbijeenkomst voor de orkaan Katrina in New Orleans. – © Lee Celano / Reuters

    Dijkraad

    Voor de meeste activiteiten van het bedrijfsleven waren vergunningen afgegeven, en daarin stond steeds specifieker de vraag om de schade zo veel mogelijk te beperken. In 1980 eiste de staat expliciet dat aangetast gebied ‘in zijn oude staat hersteld’ zou worden. Bedrijven hebben daar maar heel zelden aan voldaan. Een voorbeeld: in 1982 kreeg een bedrijf een vergunning van de staat, met daarin de eis om een kanaal ‘binnen negentig dagen af te sluiten; achttien jaar later had het bedrijf er echter niets aan gedaan en betaalden de belastingbetalers 5 miljoen dollar voor de afsluiting.

    Sindsdien zijn nog tientallen miljoenen dollars aan belastinggeld uitgegeven aan het herstellen van dit soort schade waarbij het bedrijfsleven in gebreke is gebleven. Als olie-, gas- en pijpleidingmaatschappijen het geld zouden bijdragen dat nodig is om gebieden in hun oude staat te herstellen, zou daarmee een groot deel van het masterplan kunnen worden gefinancierd – misschien wel het hele plan.


    Maar olie heeft lang de boventoon gevoerd in de politiek van Louisiana. De staat en de federale overheid hebben geen eisen gesteld aan het bedrijfsleven. Dat deed de Southeast Louisiana Flood Protection Authority East twee jaar geleden wel. Deze dijkraad, die na Katrina door hervormers werd ingesteld, en die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de regio New Orleans, daagde 97 bedrijven voor de rechter wegens het doen toenemen van stormvloeden.

    Een van de leden van deze raad is voorzitter van een panel van de National Academy of Science over het verkleinen van risico’s aan de kust, en was daarvoor voorzitter van de American Society of Civil Engineers, waarin waterbouwkundigen en overstromingsexperts samenwerken. (Ik heb zelf zes jaar in de raad gezeten.) De raad hoopte met deze rechtszaak te bewerkstelligen dat in de hele staat regelingen konden worden getroffen ter financiering van het masterplan, hetzij via aanvullende gerechtelijke uitspraken, hetzij via belasting op het bedrijfsleven.

    Twee buurgemeenten van New Orleans spanden inderdaad een proces aan, maar de burgemeester van de stad, Mitchell J. Landrieu, heeft dat niet gedaan, ook al heeft hij ooit gezegd dat de industrie ‘haar eigen rotzooi moest opruimen’ en zou hij met het winnen van zo’n zaak de ‘leven met water’-benadering kunnen financieren. Ondertussen reageerde het grootste deel van de gevestigde politici en ondernemers met verbijstering en woede. De Republikeinse gouverneur, Bobby Jindal, probeerde de raad de nek om te draaien, bijvoorbeeld door een nationaal erkend overstromings-expert, die hoofdingenieur was bij de aanleg van 2300 kilometer aan federale dijken in Californië, te vervangen door een lobbyist die de financiële man is van de stichting van Jindals vrouw.

    Het parlement van de staat stelde oliemaatschappijen zelfs boven de wet en nam wetgeving aan die de rechtszaak van de raad met terugwerkende kracht onmogelijk maakte (die wetgeving is door een gerechtshof ongrondwettelijk verklaard). De voorstemmers hadden maar een krappe meerderheid, dus zei Chris John, hoofd van de organisatie van oliemaatschappijen, waarvan het eigen onderzoek zijn leden schuldig had verklaard aan het landverlies, dat hij ‘deze keer meer geld dan ooit zou besteden’ aan de staatsparlementsverkiezingen in 2015.

    300-jarig bestaan

    Wat betekent dit allemaal voor New Orleans? Op dit moment is de situatie beter dan vóór Katrina, maar echt veilig is de stad nauwelijks, en het gevaar wordt met de dag groter. Toch kan de veiligheid wel verbeterd worden, zelfs nu we geconfronteerd worden met een stijgende zeespiegel. De staat heeft het geld om zelf een programma te starten, ook al heeft het bij lange na niet genoeg om het noodzakelijke werk voort te zetten, laat staan af te maken, als de BP-regeling [de schadevergoeding die BP moet betalen voor de olievervuiling na de ramp met de Deep Horizon in de Golf van Mexico, in 2010] eenmaal opgebruikt is. Er is een ongelukkig precedent. Na orkaan Betsy in 1965 begon de federale overheid met de aanleg van de orkaanbescherming van de stad. In 2005, toen Katrina toesloeg, waren die waterwerken nog niet voltooid.

    Op de tiende verjaardag van Katrina zullen er veel felicitaties zijn voor alles wat de stad heeft bereikt. Burgemeester Landrieu heeft verklaard dat de herbouw klaar is, en wil nu van New Orleans een internationaal pronkstuk gaan maken voor het 300-jarige bestaan van de stad in 2018. Als de stad en de staat zich concentreren op de enige echt ernstige bedreiging waarvoor ze staan, kan New Orleans een duurzame toekomst tegemoet gaan. Maar als ze hun aandacht verspreiden, als de politiek daadwerkelijke maatregelen tegenhoudt, is dat 300-jarige bestaan hoogstwaarschijnlijk het laatste eeuwfeest dat de stad zal vieren.

    Zoals T.S. Eliot schreef, wordt de kracht van water ‘vaak vergeten / door de bewoners van steden – maar hij is onverbiddelijk / kent zijn seizoenen en zijn woedes, vernietiger, die herinnert aan / wat de mens wil vergeten. Niet geëerd, niet verzoend /… maar hij wacht, kijkt toe en wacht.’

    John M. Barry

    John M. Barry (1947) is een Amerikaanse auteur en historicus. Hij schreef voor zo’n beetje alle grote Amerikaanse bladen en publiceerde verschillende boeken over natuurrampen uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.