Tag: verkrachtingen

  • Sarah werd naar eigen zeggen verkracht door vredeshandhavers. De VN bood haar 50 dollar

    Sarah werd naar eigen zeggen verkracht door vredeshandhavers. De VN bood haar 50 dollar

    Sarah was zeventien toen een VN-soldaat haar verkrachtte in Oost-Congo. Meer dan tien jaar later wacht ze vergeefs op gerechtigheid van de organisatie die haar had moeten beschermen. De vrouwen in de Democratische Republiek Congo die melding maken van seksueel misbruik of uitbuiting, worden soms weggezet als ‘opportunisten’ en ‘profiteurs’.

    Sarah was zeventien toen ze voor het eerst werd benaderd door Gabriel. Ze was onderweg om water te halen aan de rand van haar dorp in het oosten van de Democratische Republiek Congo en herkende hem als de man die klusjes deed voor de vredesmacht van de Verenigde Naties die in het gebied gelegerd was. Gabriel vertelde haar dat een van de vredeshandhavers een vrouw zocht en haar wilde ontmoeten. Sarah, een goedlachs, mollig meisje met vlechten tot op de schouders, was geïntrigeerd. Eerder was ze van school gegaan omdat haar ouders het schoolgeld niet konden betalen en ze zag dit als een kans om haar leven te veranderen.

    De volgende dag trok ze haar mooiste jurk aan en ze ontmoette Gabriel in een houten hut waar een oude vrouw illegaal gestookte alcohol per glas verkocht. Nerveus wachtte ze in een kleine kamer achter de bar en ze werd nog nerveuzer toen Gabriel arriveerde, vergezeld van een jonge soldaat in uniform. Ze herinnert zich dat hij werd voorgesteld als ‘J’ uit Zuid-Afrika.

    Gabriel liet Sarah en J alleen. Aanvankelijk communiceerde Sarah, die Swahili spreekt, door verlegen te lachen en handgebaren te maken. J gaf haar een pak koekjes en bijna 100 dollar – veel geld, als je bedenkt dat de meeste mensen in Congo moeten overleven van nog geen 2,50 dollar per dag. Vervolgens probeerde hij Sarahs borsten aan te raken. Ze schreeuwde van schrik, waardoor hij terugdeinsde en Gabriel de kamer binnenstormde.

    ‘Hij was heel zwaar en ik was dronken. Ik kon me niet bewegen’

    Geschrokken keerde Sarah huiswaarts. Maar ze was toch ook blij met het geld en mogelijk zelfs een huwelijk met een buitenlandse soldaat. Ze zou J een paar dagen later weer zien in dezelfde bar. Maar die keer was het alleen Gabriel die verscheen. Hij had een fles bij zich en vertelde Sarah dat het vruchtensap was. Toen J later die ochtend arriveerde, was ze in slaap gevallen. De drank bevatte alcohol en Sarah was nog nooit dronken geweest.

    Toen ze bijkwam, lag J boven op haar. ‘Hij was heel zwaar en ik was dronken. Ik kon me niet bewegen. Toen hij klaar was, had ik pijn en er was veel bloed.’ Ze zegt dat hij geen condoom gebruikte.

    Zwak, verward en nog steeds onder invloed kostte het Sarah moeite om op te staan. Dat baarde J zorgen. Hij gaf haar koekjes en melk, en bleef de rest van de dag bij haar. Toen ze enigszins was bijgekomen, ging ze alleen naar huis. Sarah zag Gabriel twee dagen later; ze begon tegen hem te schreeuwen omdat hij haar had bedrogen. Gabriel excuseerde zich voor het verzwijgen van J’s bedoelingen, maar volgens Sarah raadde hij haar ook aan om met de soldaat te blijven afspreken. In de optiek van Gabriel was zij nu toch al ‘onteerd’ doordat ze haar maagdelijkheid had verloren, en hij meende dat het haar financieel ten goede zou komen als ze een relatie met J zou hebben.

    Vertrokken

    In de maanden erna ontmoette Sarah J nog vier keer en hadden ze seks. Telkens gaf hij haar snoep en geld, waarmee ze eten voor haar ouders en nieuwe kleren voor zichzelf kocht. (VN-vredeshandhavers mogen geen seks hebben met iemand onder de achttien jaar. Het Congolese wetboek van strafrecht verbiedt bovendien betaalde seks met iemand onder de achttien.) Ze probeerde te vergeten hoe haar relatie met J was begonnen en begon te fantaseren dat hij haar man was; ze hoopte dat hij met haar zou trouwen en haar zou meenemen naar zijn vaderland.

    Toen werd ze meerdere keren niet ongesteld. Ze besefte dat ze zwanger moest zijn en vroeg Gabriel om contact op te nemen met J, van wie ze niet eens het telefoonnummer had. De volgende dag, herinnert Sarah zich, vertelde Gabriel haar dat J opgetogen was over het nieuws en dat hij een huis voor hen wilde kopen in Goma, een stad met twee miljoen inwoners op zo’n 80 kilometer van haar dorp.

    Sarah ging regelmatig naar Goma. Omdat ze bang was dat de mensen in het dorp haar zwangerschap zouden opmerken, besloot ze bij haar oudere zus in die stad te logeren in afwachting van nieuws van Gabriel of J. Maar er gingen drie maanden voorbij zonder dat ze iets hoorde. Ze zegt dat ze terugkeerde naar haar dorp om de mannen te zoeken, maar van een taxichauffeur hoorde dat Gabriel plotseling was vertrokken. Sarah vertelt dat de chauffeur haar een foto gaf die hij met Gabriel en J had gemaakt. Ze hoopte dat ze daarmee de vader van haar kind kon opsporen.

    Ze kon zichzelf al amper voeden, waardoor het een opgave was om genoeg moedermelk voor de baby te produceren

    In de zomer van 2012 werd Sarahs dochter Christine geboren in Goma. Hoewel Sarah dol was op haar kind, had ze moeite om voor haar te zorgen: ze kon zichzelf al amper voeden, waardoor het een opgave was om genoeg moedermelk voor de baby te produceren.

    Sarah hoopte nog steeds dat J met haar zou trouwen en dus ging ze een jaar na de geboorte van Christine weer naar hem op zoek. Ze keerde terug naar haar dorp, maar zag dat de basis van J was gesloten. Toen ging ze naar Minova, een stad op bijna 50 kilometer van Goma, om hem te zoeken in een andere kazerne van de VN-vredesmacht. Ze had nog steeds de foto van J die de taxichauffeur haar had gegeven. Met de hulp van een jongeman die beltegoeden verkocht (en zowel Engels als Swahili sprak) kon ze buiten de basis aan een witte soldaat duidelijk maken wie ze zocht. De soldaat zei dat hij haar zou helpen, hield de foto van J bij zich en zei dat ze de volgende dag terug moest komen.

    Het werd al laat en Sarah kon geen vervoer meer vinden om terug te keren naar het centrum. De jongeman die als tolk had gefungeerd, vertelde haar dat ze wel in een houten hut met een eenpersoonsbed kon slapen. Ze viel in slaap, maar werd midden in de nacht gewekt door getik tegen het raam. Vermoeid trok ze het gordijn opzij en zag de soldaat van eerder die dag. Hij zwaaide met J’s foto. Ze deed de zaklantaarn op haar telefoon aan en deed de deur open, in de hoop dat hij misschien nieuws had.

    Stil

    De soldaat liep de hut binnen, pakte Sarahs telefoon af en deed het licht uit. ‘Hij zei niets, maar begon zijn kleren uit te trekken,’ vertelt Sarah. ‘Toen hij probeerde mijn kleren uit te trekken begon een hevig gevecht.’ En toen, zegt ze, verkrachtte hij haar.

    De rest van de nacht lag ze huilend wakker, wachtend tot het buiten licht genoeg was om terug te keren naar het huis van haar zus. Toen ze daar aankwam, verscheurde ze J’s foto; ze had besloten om niet langer naar hem of welke andere vredesbewaker dan ook op zoek te gaan.

    Sarah schaamde zich voor wat haar was overkomen en hield het stil. Maar in de weken erna werd ze weer niet ongesteld. ‘En het was al een lijdensweg om voor mijn dochter te zorgen,’ zegt ze. ‘Ik wilde niet meer op deze wereld zijn.’

    Twee keer probeerde ze haar zwangerschap af te breken: eerst met pillen, daarna met een drankje van citroen en bleekmiddel. Ze lag vervolgens drie dagen op bed, maar de poging slaagde niet. In 2014 beviel ze van een tweeling, Denise en Olive. De buren van haar zus begonnen te roddelen; voor hen betekende de geboorte van Christine en de tweelingzusjes, die allemaal een lichte huidskleur hadden, dat Sarah een sekswerker was die het met buitenlanders deed.

    De op twee na duurste vredesmissie ter wereld

    De VN-vredesmacht arriveerde voor het eerst in Congo in 1999, een jaar nadat de Tweede Congolese Burgeroorlog was uitgebroken. Het conflict trok milities aan uit diverse Afrikaanse landen, waarvan sommige erop uit waren om de lucratieve voorraden diamant, goud en coltan (dat tantalum bevat, een metaal dat wordt gebruikt voor elektronica) van het land te plunderen. Niemand weet precies hoeveel mensen er zijn omgekomen tijdens die oorlog, die officieel eindigde in 2003, en in de nasleep ervan. (Schattingen lopen uiteen van minder dan een miljoen tot meer dan vijf miljoen.)

    In sommige delen van het land zijn nog steeds rebellengroepen actief die dorpen aanvallen, burgers vermoorden of ontvoeren en huizen plunderen. Alleen al in 2022 hebben milities in Oost-Congo meer dan tweeduizend mensen gedood. Sommige waarnemers vrezen dat een militie met de naam M23 dit jaar Goma zou kunnen veroveren. Deze rebellengroep heeft op weg naar die stad al zeven miljoen mensen op de vlucht gejaagd.

    De VN-vredesmissie in Congo (ook wel bekend als MONUSCO) moet dergelijke milities ontmantelen en zorgen voor stabiliteit in het land. Voor de missie met veertienduizend soldaten uit VN-lidstaten is er jaarlijks een budget van ruim 1 miljard dollar beschikbaar. Daarmee is het de op twee na duurste vredesmissie ter wereld. De Veiligheidsraad heeft overwogen om MONUSCO op te heffen, omdat duidelijk is dat het zijn mandaat niet heeft vervuld. Zowel het budget als het aantal soldaten dat aan de missie meedoet is inmiddels verminderd.

    Vanwege de enorme machtsongelijkheid mogen vredeshandhavers niet betalen voor seks

    In de loop der jaren is MONUSCO berucht geworden vanwege incidenten zoals met Sarah, waarbij soldaten het hadden voorzien op de mensen die zij juist moesten beschermen. Van 2015 tot 2022 zijn er 184 beschuldigingen van seksueel wangedrag ingediend tegen MONUSCO-soldaten; in 55 gevallen gaat het om seksueel misbruik (waaronder verkrachting en aanranding) en in 129 gevallen om seksuele uitbuiting (waaronder seks tegen betaling en misbruik). Waarschijnlijk zijn er nog veel meer gevallen van wangedrag die niet zijn gemeld.

    Op papier eist de VN dat de troepen zich aan strikte regels houden. Vanwege de enorme machtsongelijkheid tussen soldaten en burgers in conflictgebieden mogen vredeshandhavers (of blauwhelmen, zoals ze ook wel worden genoemd) niet betalen voor seks, noch met geld, noch met goederen. Dergelijke relaties worden beschouwd als uitbuiting.

    De regels worden echter vaak overtreden, en vooral MONUSCO lijkt een ernstig probleem te hebben. Volgens de eigen gegevens van de VN is deze organisatie momenteel goed voor ongeveer een vijfde van alle vredestroepen ter wereld, maar is bijna een derde van het totale aantal beschuldigingen van seksueel wangedrag tegen haar gericht. (Toen we om commentaar op deze statistieken vroegen, zei een woordvoerder van de VN-vredesmacht vanuit het hoofdkwartier in New York dat de meeste beschuldigingen van seksueel wangedrag tegen MONUSCO betrekking hebben op seks tegen betaling, wat in Congo veel voorkomt vanwege de extreme armoede en de slechte veiligheidssituatie in het land.)

    Instructies

    De bases van MONUSCO hangen vol met posters waarop staat dat de troepen niet mogen betalen voor seks en dat slapen met minderjarige meisjes verboden is. Soldaten krijgen bij aankomst bovendien een geplastificeerde kaart met deze instructies. Om seksueel wangedrag systematischer aan te pakken richtte de VN in 2005 binnen verschillende vredesoperaties op, waaronder MONUSCO, Gedrag en Discipline-units. Deze regionale kantoren fungeren als eerste aanspreekpunt voor lokale bewoners die klachten hebben over vredeshandhavers.

    Maar het personeel van deze units kan zelf geen onderzoek doen naar vermeende misdrijven; dat is de taak van het controleorgaan van de VN, het Office of Internal Oversight Services (OIOS). En ook het OIOS kan niet zomaar zelf een onderzoek beginnen: eerst moet het thuisland van een vredeshandhaver besluiten om een klacht tegen hem in te dienen. Pas daarna kan het OIOS dat land helpen bij het onderzoek, of het onderzoek namens het land uitvoeren.

    De VN heeft zelf weinig mogelijkheden om vredeshandhavers te straffen voor wangedrag: de organisatie heeft geen bevoegdheid om vervolging in te stellen. Als het OIOS een claim geloofwaardig acht, is het enige wat de VN kan doen de soldaat naar huis sturen. Verdere juridische stappen, mochten die noodzakelijk zijn, moeten door de eigen regering van de soldaat worden ondernomen. Landen die troepen leveren doen dat echter zelden; de slachtoffers zijn niet hun eigen burgers, waardoor de druk om er echt wat aan te doen ontbreekt.

    Telkens als er een blauwhelm langsliep, kwamen er pijnlijke herinneringen boven

    Om die redenen is het onwaarschijnlijk dat VN-soldaten die burgers seksueel misbruiken of uitbuiten te maken krijgen met ernstige repercussies. Van 2015 tot 2022 werden slechts 28 MONUSCO-soldaten in hun thuisland gestraft (met degradatie, gevangenisstraf of geldstraffen). 71 zaken werden uiteindelijk geregistreerd als ‘UN pending’; dat betekent dat de soldaten nog niet zijn ontslagen of gerepatrieerd, ook al zijn de beschuldigingen tegen hen gegrond verklaard. Sommige van deze ‘hangende’ zaken bij MONUSCO zijn al meer dan zeven jaar oud, en het lijkt onwaarschijnlijk dat er ooit een straf zal worden opgelegd. In totaal hebben slechts elf zaken binnen MONUSCO geleid tot een gevangenisstraf.

    Ik ontmoette Sarah voor het eerst in 2020 via Umoja Wa Congo (Swahili voor ‘Samen in Congo’), een steungroep voor vrouwen met kinderen die verwekt zijn door vredeshandhavers. Op dat moment had Sarah al enkele jaren een kapsalon in Goma. Maar door de pandemie gingen de zaken slecht: Christine, toen acht jaar oud, en Denise en Olive, toen zes, moesten van school en het gezin kon nauwelijks de huur betalen of zich zelfs maar één maaltijd per dag veroorloven. Sarah was ook steeds vaker ongerust als ze vredestroepen in de stad zag; telkens als er een blauwhelm langsliep, kwamen er pijnlijke herinneringen boven.

    In 2021 benaderde Sarah de MONUSCO-unit voor Gedrag en Discipline in Goma; ze had gehoord dat die vrouwen hielp die seksueel waren uitgebuit of misbruikt door vredeshandhavers. In dergelijke gevallen is het officieel beleid van de VN om onmiddellijk medische en psychologische zorg, juridische ondersteuning en materiële bijstand te verlenen, ongeacht of er een onderzoek loopt. Soms doet de VN uit de bescheiden middelen van een missie ook een kleine betaling aan slachtoffers, om in dringende behoeften te voorzien of hen in staat te stellen om deel te nemen aan een onderzoek.

    Vaderschapsclaims

    Vermeende kinderen van vredeshandhavers hebben ook recht op deze basissteun. In sommige gevallen dekt een VN-fonds voor slachtoffers van seksuele uitbuiting en misbruik, bedoeld om hulp- en beroepsprogramma’s van de gemeenschap te financieren, de kosten voor onderwijs en schoolmaaltijden. Maar uiteindelijk zal elke substantiële vorm van steun aan kinderen moeten komen van de vader van een kind, of van de regering. De VN kan helpen bij vaderschapsclaims, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van DNA om vaderschap te bewijzen, maar kan geen regelmatige toelagen verstrekken aan een vrouw of haar kinderen.

    Veel vrouwen met klachten weten niet precies wat de VN hun formeel wel en niet kan bieden. Bovendien vertelden sommige slachtoffers die ik sprak dat het personeel van Gedrag en Discipline, dat zelf de bevoegdheid heeft om hulp toe te wijzen, niet altijd even meegaand is.

    In juni 2021 werd Sarah uitgenodigd op het hoofdkwartier van MONUSCO voor een formeel gesprek met Gedrag en Discipline. Ze hoopte dat de ambtenaren haar wat geld zouden geven om rond te komen – ze wilde vooral graag het schoolgeld van haar dochters kunnen voldoen – en haar misschien konden helpen de vaders van haar kinderen te vinden.

    Over wat er daarna gebeurde lopen de verhalen van Sarah en de VN uiteen. Volgens Sarah stelde een man bij de receptie zich aan haar voor en vroeg haar niemand te vertellen waarom ze daar was. Vervolgens bracht hij haar naar een noodgebouw, waarna hij weer wegging. Toen ze twee witte soldaten langs het raam zag lopen, werd ze misselijk. ‘Alles begon te draaien toen ik die vredeshandhavers zag,’ vertelt ze. De herinneringen aan wat er gebeurd was kwamen terug.

    Hij zei dat ze naar de gevangenis zou worden gestuurd als ze zou liegen

    Na bijna een uur verscheen er een jonge Congolese man om met Sarah te praten. Ze zaten tegenover elkaar aan een bureau. Sarah herinnert zich dat hij haar vroeg of ze hem de waarheid ging vertellen. En dat hij zei dat ze naar de gevangenis zou worden gestuurd als ze zou liegen. Sarah was doodsbang. Toen ze vertelde wat er met haar was gebeurd – haar eerste, pijnlijke ontmoeting met J, de daaropvolgende relatie, en haar verkrachting door de tweede vredesbewaker – barstte ze in huilen uit. Volgens haar zei de interviewer tegen haar dat de missie niet zou spreken met huilende vrouwen. Halverwege het gesprek voegde de man van de receptie zich bij hen in het noodgebouw en ging achter zijn computer zitten, half luisterend naar Sarahs verhaal en met een schuin oog op het scherm.

    Toen Sarah klaar was met praten, vertelden de twee mannen haar dat ze hun de naam en rang van haar verkrachters moest geven om hulp van de missie te kunnen krijgen. Volgens hen was het VN-beleid om eerst een vaderschapstest af te nemen, voordat ze haar geld konden geven.

    Maar het achterhalen van de namen van de soldaten was een onoverkomelijk obstakel voor Sarah. Ze wist niet hoe de tweede soldaat heette en kende J’s achternaam niet. En, zo vertelde ze, ze zou de tweede soldaat niet eens kunnen herkennen, want zijn gezicht was destijds in duisternis gehuld.

    Vrees

    De twee ondervragers raadden Sarah aan om terug te gaan naar Minova, de stad waar ze door de tweede soldaat was verkracht; mogelijk kon ze daar iemand vinden die hem misschien had gekend. Ook raadden ze haar aan om met Gabriel te praten. Dat was onmogelijk – Sarah had geen idee waar Gabriel zich bevond en geen geld om haar eigen onderzoek te beginnen –, maar, zegt ze, ‘ik stemde met alles in om daar maar weg te kunnen’.

    Geschokt door alles wat haar was gevraagd kon ze die nacht niet slapen. De ondervragers hadden een foto van haar identiteitskaart en haar adres, en ze vreesde dat ze achter haar aan zouden komen. Ze besloot de zaak helemaal te laten vallen. ‘Ik dacht dat ze me zouden helpen,’ vertelt ze later. ‘Ik was diep teleurgesteld.’

    Yewande Odia, hoofd van MONUSCO’s Gedrag en Discipline-units en manager van de mannen die Sarah ondervroegen, betwist haar versie van het gesprek. Volgens haar is de bewering van Sarah dat de hoofdondervrager ‘onsympathiek was, dat hij haar vertelde dat ze naar de gevangenis zou gaan en geen hulp zou krijgen als ze geen andere informatie gaf’ apert onjuist. Odia zegt dat sommige vrouwen na hun aangifte een beroepsopleiding krijgen aangeboden, waaronder naai- en kooklessen, maar Sarah houdt vol dat haar tijdens het interview geen enkele vorm van hulp is aangeboden. De VN-woordvoerder voor vredeshandhaving in New York stelt dat de aanpak die Sarah beschrijft niet in overeenstemming is met het beleid van de organisatie en benadrukt dat slachtoffers ‘centraal staan in onze zorgen en onze respons’.

    MONUSCO-kind

    Het officiële beleid van de VN ten aanzien van vrouwen die zich melden met beschuldigingen van seksueel wangedrag klinkt ruimhartig. Deze vrouwen hebben recht op directe ondersteuning, zelfs als ze geen bewijs hebben van het incident of als ze de identiteit van de dader niet kennen. Wie de dader kan identificeren en kinderen heeft gebaard, kan uiteindelijk in aanmerking komen voor extra steun.

    In de praktijk lijkt de houding tegenover de klagers echter van bureau tot bureau te verschillen. Christine Besong, een hoge functionaris voor de rechten van slachtoffers, die op een ander kantoor in Congo werkte, zegt: ‘Als je me komt vertellen dat dit een MONUSCO-kind is, zal ik je onmiddellijk bijstand verlenen. En ook als de soldaat niet kan worden geïdentificeerd, bieden we toch hulp.’ In verschillende interviews sprak Odia nadrukkelijk over vrouwen die seks tegen vergoeding hebben gehad en die om hulp vragen zonder bewijsmateriaal te hebben. ‘De VN beschouwt seks zonder instemming als verkrachting’, schreef ze in een e-mail. Bij Sarah lijkt het erop dat ‘één geval een relatie met instemming betrof’ (verwijzend naar J) en het andere ‘mogelijk zonder instemming was. Maar alleen een onderzoek kan dat duidelijk maken.’

    Later die zomer kreeg Sarah verschillende telefoontjes van de VN-missie in Goma. Aanvankelijk was ze te bang om op te nemen. Toen ze dat uiteindelijk toch deed, kreeg ze een ander lid van de Gedrag en Discipline-unit aan de lijn. Hij vroeg of ze haar zaak persoonlijk wilde komen bespreken.

    Sarah dacht dat ze elke maand 50 dollar zou krijgen als schoolgeld voor haar kinderen

    Toen ze een afspraak hadden gemaakt, luisterde de man met medeleven naar haar verhaal en vertelde hij Sarah herhaaldelijk hoezeer het hem speet. Hij gaf haar 50 dollar – genoeg voor een paar weken eten – plus wat schriften en schooltassen voor de meisjes en een lap kleurrijke stof die bekendstaat als pagne en die als deken of rok kan worden gebruikt. Toen ze vervolgens langs het noodgebouw liepen waar haar twee eerdere ondervragers werkten, stak de man zijn hoofd naar binnen en vroeg hun hoe het mogelijk was dat ze het verhaal van Sarah hadden aangehoord, maar niets hadden gedaan om te helpen. Sarah zegt dat de man die haar de eerste keer had bedreigd, tegen haar zei dat ze ‘geluk’ had dat ze dit keer geld had gekregen.

    Sarah besefte niet dat de betaling eenmalig was, ze dacht dat ze elke maand 50 dollar zou krijgen als schoolgeld voor haar kinderen. Toen ze vier weken later naar de missie terugkeerde, ‘vertelden ze me dat ze niets meer voor me konden doen’, zegt ze.

    Sarah is niet de enige vrouw die het moeilijk vond om een klacht in te dienen bij de Gedrag en Discipline-unit van Goma. Ik sprak met een andere steungroep voor vrouwen met kinderen van vredeshandhavers, in Mubambiro, een stad bij Goma waar een VN-basis is gevestigd. Alle vijftien vrouwen zeiden dat zij het bureau om hulp hadden gevraagd. Drie vertelden dat ze erin waren geslaagd een eenmalige betaling te krijgen; de anderen zeiden geen hulp te hebben gekregen. ‘Elke keer zeggen ze hetzelfde,’ zegt de moeder van een tweejarig jongetje dat volgens haar door een Zuid-Afrikaanse soldaat werd verwekt. Ze vertelt dat ze de afgelopen twee jaar zestien keer naar het bureau is geweest, maar dat het niets heeft opgeleverd. Volgens haar ‘zeggen ze dat de vaders er niet meer zijn en dat we ze niet moeten lastigvallen. Ze zeggen dat wij opportunisten en profiteurs zijn, die uit zijn op geld.’

    Krap bij kas

    Nadat we de VN hadden benaderd om een reactie op Sarahs zaak, belden medewerkers van de Gedrag en Discipline-unit van Goma haar meer dan twintig keer op. Sarah zegt dat ze haar aanspoorden om naar het kantoor te komen zodat ze haar konden helpen, maar ook dat een ambtenaar haar vertelde dat ze niet meer met journalisten over haar ervaringen mocht praten. Ze blijft bang en voelt zich nog steeds lastiggevallen.

    Het is nu bijna twee jaar geleden dat Sarah de VN om hulp vroeg. Ze zit krap bij kas: opnieuw zijn haar dochters gedwongen van school gegaan en zitten ze vaak dagenlang zonder eten. Nadat Sarah haar huur – 20 dollar per maand voor een huisje van golfplaat – niet meer kon betalen, nam haar hospita de matras in beslag die door de vier gezinsleden werd gedeeld.

    Daarop bracht Sarah haar dochters naar het huis van haar zus in Minova; ze wist dat ze daar goed verzorgd zouden worden. Ze keerde alleen terug naar Goma en logeert nu bij haar andere zus, terwijl ze probeert geld te verdienen met het vlechten van haar in haar oude salon, die nu door een vriend wordt gerund. Het werk is onregelmatig en ze weet niet wanneer ze genoeg geld zal hebben verdiend om haar dochters weer naar school te kunnen sturen.

    Ze zijn eraan gewend om mzungu (‘witte’ in Swahili) genoemd te worden

    Denise en Olive zijn nu ondeugende meisjes van negen; de elfjarige Christine is stil en teruggetrokken. Ze zijn eraan gewend om mzungu (‘witte’ in Swahili) genoemd te worden. Als ze terugkomen in Sarahs dorp, rennen kinderen hun huis uit om de lichte huid van de meisjes aan te raken. ‘Het brengt hen in verlegenheid,’ zegt Sarah. ‘Het zijn kinderen, en ze willen er gewoon bij horen.’ Vooral Christine heeft het er lastig mee. Op een middag, toen ze nog naar school ging, kwam ze in tranen thuis omdat haar klasgenoten haar de klas uit hadden gewerkt nadat ze bij geschiedenis hadden geleerd hoe Congolese leiders hun witte Belgische onderdrukkers uit het land hadden verdreven.

    Sarah probeert haar meisjes te troosten, maar heeft moeite met het beantwoorden van hun vragen over de identiteit van hun vader. ‘Ik vertel ze dat hun vader Jezus Christus is,’ biecht ze op, terwijl ze ongemakkelijk giechelt. Uiteindelijk is ze van plan alle drie de meisjes de halve waarheid te vertellen: dat ze zijn verwekt door soldaten die naar hun land van herkomst moesten terugkeren. Het belangrijkste voor haar is nu om genoeg geld te verdienen om hen te kunnen onderhouden. ‘Mijn kinderen moeten studeren,’ zegt ze. ‘Mijn ouders hebben niet gestudeerd en ik moest vroegtijdig van school. Ik wil niet dat zij net zo’n leven krijgen als ik.’

  • Mensenjagers

    Mensenjagers

    Honderdduizenden vluchtelingen proberen uit Libië naar Europa te komen. Een miljardenbusiness voor de bendes mensensmokkelaars. Een plaatselijke krijgsheer heeft de mensensmokkelaars de oorlog verklaard: met één schip, 37 mannen en ondoorzichtige motieven.

    De boot is nog maar een paar meter van ons af als het mondingsvuur van een machinegeweer oplicht in de nacht. Schoten knallen, we laten ons op de vloer van de stuurhut vallen en drukken onze gezichten in de matten. Boven onze hoofden slaan kogels in. Vanuit onze dekking aan boord van de Tileel, een patrouilleschip van de Libische kustwacht, zien we op de golven van de Middellandse Zee een rubberboot met Afrikaanse vluchtelingen. Vlak daarnaast, nog geen dertig meter bij ons vandaan, ligt een speedboot waar mannen in camouflagepakken en met maskers op hun automatische geweren op ons leegschieten.

    Donderdag, 6 april 2017, kort na middernacht. De aanval komt als een verrassing. Commander Al Bija van de Libische kustwacht was met de Tileel naar de vluchtelingen toe gesneld, die op weg waren van Libië in Noord-Afrika naar Italië, om hen uit de woelige zee te redden. Toen we hen bijna bereikt hadden dook uit de duisternis een speedboot op die als een schaduw op ons af vloog: mensensmokkelaars, vastbesloten controle over hun menselijke waar te houden.

    Gevaarlijkste grens ter wereld

    We zijn al tien dagen onderweg langs de kust van Libië, de zuidoever van de Middellandse Zee, de gevaarlijkste grens ter wereld. Volgens de Duitse regering houden zich in Libië op dat moment bijna een miljoen vluchtelingen en migranten op, waardoor het verreweg het belangrijkste doorgangsland is op de zeeweg van Afrika naar Europa. Er zouden dat jaar wel 300.000 mensen naar de Europese kust kunnen oversteken. De EU wil hen al in Libië tegenhouden.

    Op de EU-top in februari 2017 in Malta hebben de regeringsleiders van de lidstaten een overeenkomst met Libië gesloten: de Libische kustwacht moet de Middellandse Zee afsluiten, de vluchtelingen opvangen en hen in opvangkampen in Libië onderbrengen. Die kustwacht bestaat ten westen van de hoofdstad Tripoli, waar een groot aantal bolwerken van de mensensmokkelaars ligt, uit één enkele boot en 37 man. Hun leider is commander Al Bija, een gevreesd krijgsheer.

    Al Bija, dertig jaar, heeft een verminkte hand die hij gebruikt als een klauw. ‘Ik heb een heleboel mensen moeten doden,’ zegt hij. En hij is dol op paarden. Drie jaar heeft hij in Berlijn gewoond. Voor de een is hij een held, voor de ander een misdadiger of zelfs een moordenaar. En voor de politieke leiders van Europa is hij hier in het westen van Libië, dit desolate land zonder centrale regering, leger of politie, de enige kans om een eind te maken aan het werk van de mensensmokkelaars.

    Als wij tijdens de aanval op de Tileel gehurkt op de vloer zitten, rent de commander onder een regen van kogels over het dek, schiet op de aanvallers, geeft zijn mannen dekking en schreeuwt bevelen. Om hem heen slaan de kogels van de mensensmokkelaars in de romp. Ramen gaan aan diggelen. Explosies. Geschreeuw. Mannen storten neer en blijven roerloos liggen.

    Minutenlang gaat het schieten door. Dan is het opeens stil en klotsen alleen de golfjes van de nachtelijke zee nog tegen de boot.

    Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)
    Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)

    ‘Niemand kan om ons heen,’ zegt commander Al Bija vier dagen eerder in zijn commandopost, een kleine ruimte met een groot raam dat uitziet over de haven van Zawiyah, zo’n vijftig kilometer ten westen van Tripoli. Aan de andere kant van de kademuren breken de golven van de Middellandse Zee op de okerkleurige rotsen. Al Bija − achterovergekamd haar, dichte baard, doordringende blik en een pistool in de zwartleren riem van zijn spijkerbroek − houdt een sigaret tussen de ringvinger en pink van zijn verminkte hand geklemd. Hij laat zijn aansteker klakken en zuigt de rook diep zijn longen in. Op de banken zitten zijn mannen met hun kalasjnikovs. ‘Wij zijn de enige functionerende kustwacht in het westen van Libië.’ Al bijna twee jaar controleert Al Bija met de zestien meter lange Tileel, een paar rubberboten en zijn kleine troep de kustwateren vanaf de Tunesische grens tot voorbij Janzur, vlak voor Tripoli. Een territorium bijna dertig keer zo groot als de Bodensee. ‘Onze missie,’ zegt Al Bija, ‘is vluchtelingen van de verdrinkingsdood te redden en mensensmokkelaars op te sporen en zo nodig om zeep te helpen.’

    Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht

    Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht. Alleen op 18 maart 2016 al, op één dag, hebben ze in totaal 2700 mensen uit twaalf rubberboten en een grote houten boot gered. Het Libische ministerie van Defensie bevestigt de getallen.

    Al Bija laat ons op zijn telefoon een video zien: zielsgelukkige Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die van de verdrinkingsdood zijn gered, dansen voor de commandopost in de haven van Zawiyah met zijn mannen. Op Facebook hebben ze geschreven: ‘Aan de helden van Zawiyah, zonder jullie was ik nu dood’. Of: ‘God zal het jullie duizendvoudig lonen’. Of ‘Jullie hebben mijn baby uit zee gered, mijn leven behoort jullie toe’.

    Is commander Al Bija dus de bondgenoot waar Europa zo dringend naar op zoek is? Merkels man in Libië? Ook Angela Merkel heeft er op de top in Malta mee ingestemd de Libische kustwacht aan land en op Europese oorlogsschepen te trainen in bewapende grensbewaking en de omgang met vluchtelingen. Om een eind te maken aan de handel van de mensensmokkelaars heeft Italië 200 miljoen euro beschikbaar gesteld en de Europese Commissie in de eerste fase nog eens 200 miljoen euro.

    ‘Training hebben we niet nodig,’ zegt Al Bija in zijn commandopost in de haven van Zawiyah. ‘We weten wel hoe je moet navigeren, vechten en doden.’ Wat wil hij dan? ‘Als Europa wil dat wij de rotklusjes opknappen, dan moet Europa ons daarvoor betalen.’ En de prijs van zijn diensten: ‘Een reddingsboot voor duizend mensen, speedboten, onderdelen, brandstof en soldij.’

    Hoort de commander echt tot de ‘good guys’, zoals hij zelf beweert, of speelt hij dubbel spel?

    Geen alternatief voor Europa

    Een alternatief voor Al Bija is er voor Europa op dit moment niet. Zes jaar na de val en de dood van de Libische dictator Moammar al-Gaddafi tijdens de internationale militaire ingreep in 2011, is de euforie over de Arabische Lente allang vervlogen. Bijna niemand in Libië hoopt nog op een overgang naar democratie. De volksbrigades die onder gejuich van de westerse wereld tijdens de revolutie werden opgericht, hebben na de val van Gaddafi hun wapens niet neergelegd, maar militaire arsenalen geplunderd, lege ministeries bezet en milities opgebouwd.

    De regering van nationale eenheid, waar de EU met haar plannen op steunt, heeft nauwelijks controle over Libië. Minister-president Fayez al-Sarraj, aangesteld door de Verenigde Naties en sinds 15 maart 2016 in functie, moet de nieuwe staat opbouwen. Maar het parlement, dat bijeenkomt in Tobroek, duizend kilometer oostelijk van Tripoli, heeft zijn eenheidsregering niet erkend. In het oosten van het land weigert de machtige generaal Haftar met hem samen te werken. En de terreurorganisatie Islamitische Staat heeft verschillende steden veroverd.

    Experts schatten dat in deze ondoorzichtige burgeroorlog in Libië zo’n 1700 militante groeperingen met elkaar strijden, langs grenzen van clans, stammen en geloof en in de territoria van plaatselijke krijgsheren. Rivaliserende milities controleren steden, grote wegen, raffinaderijen en olievelden. En de lucratieve handel in mensen die de Middellandse Zee willen oversteken.

    ‘Die EU-lui zitten achter hun chique bureaus allerlei prachtige dingen te verzinnen,’ zegt Al Bija terwijl hij ons zijn basis laat zien, een rotsige baai waarvan toegangen en havenmuren streng worden bewaakt. Aan boord van de Tileel zijn mannen bezig een zwaar machinegeweer te oliën. ‘De kust van West -ibië is de “moeder van alle stammen en clans”,’ verklaart Al Bija. Een wereld die afgesloten is voor buitenstaanders, zelfs voor Libiërs die hier niet vandaan komen. ‘Wie hier niet geboren en getogen is, overleeft hier niet.’

    Om de kust van mensensmokkelaars te bevrijden zijn honderden goed getrainde mannen nodig, zegt Al Bija. Maar wie moet die mannen uitkiezen? De zwakke eenheidsregering in Tripoli? De EU? ‘Ik,’ zegt de commander, ‘alleen ik ken de goeie mensen.’

    Over zijn achtergrond vertelt hij dit. Door de revolutie in 2011 moest Al Bija zijn studie aan de militaire academie in Tripoli beëindigen. Hij sloot zich aan bij de rebellen tegen Gaddafi, raakte negen keer zwaargewond en verloor bij een granaataanval twee vingers van zijn rechterhand. Hij trekt met zijn linkerbeen en zijn bekken zit scheef. Als hij denkt dat niemand het ziet, slikt hij pijnstillers.

    In de zomer van 2015 zat deze zoon van een voormalig legerofficier, die eigenlijk Abdurahman Salem Ibrahim Milad heet en Al Bija als geuzennaam voert, met zijn kameraden uit de revolutie in een café in het gebombardeerde Zawiyah. Gaddafi was al vier jaar dood, Libië een mislukte staat. Werk was er niet. Perspectief ook niet. Toen kreeg hij een idee: ‘Waarom doen we niet iets groots en nemen we de haven over?’

    Zijn vriend Mohamed Ramadan, dertig, is vergroeid met zijn machinegeweer. Ramzi Ibrahim met zijn jongensgezicht en blinkend witte tanden, zesentwintig, kan het met zijn kalasjnikov tegen iedere scherpschutter opnemen. Mohamed Erhouma, een visserszoon van dertig, kent de Libische wateren vanaf zijn vroegste jeugd en is een getalenteerd stuurman. En Mohamed Shkoundali kan met zijn magische vingers ieder apparaat weer aan de gang krijgen. Hij is met zijn vijfendertig jaar de oudste van het groepje.


    Samen hebben ze op die zachte, vroege zomerdag van 2015 hun wapens gepakt en een vijandige militie na een bloedige strijd uit de haven verdreven. Ze richtten de commandopost in en brachten de gehavende Tileel, een zestien meter lang patrouilleschip met boordgeschut op de boeg, weer in de vaart. Ze creëerden een eigen embleem, verleenden zichzelf militaire rangen, noemden zich de ‘Libische kustwacht van Zawiyah’ en voeren de Middellandse Zee op.

    Hun zelfverklaarde vijand: de mensensmokkelaars. De Verenigde Naties gaan ervan uit dat er langs de Libische kust tientallen bendes zijn die zich hebben georganiseerd in een netwerk. Ze houden vluchtelingen en migranten die geen geld voor de overtocht hebben vaak maandenlang vast in privégevangenissen, waar geslagen, verkracht, gemarteld en gemoord wordt. In een recent openbaar geworden intern rapport van de Duitse ambassade in Niger wordt gesproken van concentratiekampachtige toestanden.

    Een van de machtigste smokkelaars in het westen van Libië zou een man van nog geen dertig uit Sabratha zijn. ‘Ahmed Dabbashi, VIP-reisjes naar Europa,’ zegt Al Bija. ‘Goede schepen met sterke motoren, geëscorteerd door zijn eigen militie. Aankomst in Italië gegarandeerd.’ Het grootste schip van Dabbashi hebben ze op 5 juli 2016 tegen vier uur ’s morgens opgebracht. ‘We hebben meer dan tien man uitgeschakeld, het escorte tot zinken gebracht en zeshonderd Afrikanen teruggebracht.’ Van toen af aan wist iedereen in Libië: ‘We don’t fuck around,’ zegt Al Bija.

    Waarom riskeert Al Bija zijn leven? ’Ik heb een goed hart,’ zegt hij, terwijl hij een hand op zijn borst legt. ‘Moet ik mijn broeders soms op zee laten verdrinken?’

    En waarmee verdienen ze hun geld? Hij is paardenhandelaar, zegt Al Bija. Zijn kameraden winkelier, aannemer, monteur. ‘Een groot deel van ons inkomen gaat in onze operaties zitten.’ Later zegt hij dat ze driehonderd dagen per jaar op zee zijn.

    En hoe geeft hij zijn gezin echt te eten? ‘We nemen illegale vissersschepen uit Egypte en Tunesië in beslag, verkopen de vangst en leggen ze aan de ketting tot de eigenaars een boete hebben betaald.’

    Maar hij bestrijdt toch vooral mensensmokkelaars? Waarom? ‘Hun clans verdienen er miljoenen aan. Daar kopen ze moderne wapens, kogelvrije auto’s en tanks voor. Als wij er geen eind aan maken, zullen ze uiteindelijk ons overheersen, verdrijven en vermoorden.’

    En hier, in dit schimmige rijk van krijgsheren, milities en georganiseerde mensensmokkel, wil de EU ‘grensmanagement’ bedrijven om een halt toe te roepen aan de toestroom uit Afrika. Maar is een warlord als Al Bija wel de juiste partner om, op de loonlijst van de EU, op de Middellandse Zee op vluchtelingen te jagen? Want zo veel is wel duidelijk: de commander heeft de controle over een enorm gebied, dat aan de staat is ontglipt, met wapengeweld overgenomen. Zijn macht is niet politiek gelegitimeerd, maar door de gevechtskracht van zijn troep.

    Centrum van de macht

    In een kogelvrije terreinauto, met zijn kalasjnikov naast zich op de grond, rijdt Al Bija met ons het betwiste achterland van Zawiyah in waar hij ons iets wil laten zien. We laten de door iedereen verlaten stadsrand, de kapotgeschoten gevels en de granaattrechters achter ons. Bij checkpoints patrouilleren jongemannen in bomberjacks en legerbroeken, met spiegelende zonnebrillen en machinepistolen, op hun pick-ups hebben ze luchtafweergeschut en raketwerpers gemonteerd.

    Na een halfuur bereiken we een afgelegen hoeve. Achter een ijzeren poort opent zich een andere wereld. In goedverzorgde stallen staan prachtige paarden. Twee omheinde stukken land met netjes aangeharkt zand, weilanden, een overdekte manege in aanbouw. In een kleine villa met gestucte plafonds en beschilderde muren ruikt het nog naar verf. Steeds meer gepantserde terreinwagens met schietgaten in de geblindeerde ramen komen binnengereden. Mannen met sluwe koppen, gouden kettingen en lijfwachten stappen uit. ‘Als er problemen zijn tussen clans en stammen,’ zegt Al Bija, ‘dan worden die hier geregeld.’ Nu begrijpen we het: we bevinden ons in het centrum van de macht.

    Hij trekt zijn schoenen uit, loopt op blote voeten door het zand en haalt een van zijn paarden uit de stal. Jodran, de Moedige, is een grijze hengst met welgevormde spieren. Hij wordt een paar keer per dag geroskamd. Al Bija’s ogen stralen als hij hem een rode singel en rode beenbeschermers aan doet.

    Wat kost een hengst als Jodran? ‘Vijftigduizend dollar!’ Allemaal van in beslag genomen vissersboten? Al Bija neemt het pistool uit zijn riem en geeft het aan een van zijn mannen. Dan springt hij in het zadel en rijdt weg.

    Tussen eucalyptus- en vijgenbomen, langs een verlaten weg ergens tussen de chaotische fronten van de burgeroorlog, rijden even later de vorsten van de clans stapvoets naast elkaar. Het is een demonstratie van geslotenheid naar buiten toe, een choreografie van de mistige allianties in de Libische oorlog. Dan maken ze plotseling rechtsomkeert, geven hun paard de sporen en jagen ieder voor zich de horizon tegemoet. Ver voor de anderen uit: commander Al Bija.

    Waarom laat hij ons dit allemaal zien? In de late namiddag zitten we samen in het zand. Al Bija maakt muntthee boven een open vuur. We drinken uit een glas dat de mannen elkaar doorgeven en dat steeds wordt bijgevuld. Waarom? ‘Om iets terug te doen voor de Duitsers.’ Zwaargewond tijdens de revolutie, werd hij in 2012 naar Berlijn gevlogen, waar de chirurgen in het St. Marienkrankenhaus zijn schotwonden hebben geopereerd, de wonden van huidtransplantaties hebben voorzien en aan wat er van zijn rechterhand over is de stompjes van de vingers die er door de granaten van Gaddafi waren afgerukt hebben geamputeerd. Drie jaar heeft Al Bija in Duitsland doorgebracht, en overal werd hij met respect behandeld. ‘En de Duitse vrouwen: beeldschoon,’ zegt hij. Tegen onze tolk spreekt hij Arabisch: het Duits is hij verleerd, maar één woord kent hij nog: ‘Broeders,’ noemt hij ons terwijl hij ons op de schouder slaat.

    Waarom is hij niet in zijn huisje aan de Ernst-Reuter-Platz in Berlin-Charlottenburg gebleven? Waarom is hij in de zomer van 2015 teruggegaan naar een land dat ondertussen in een burgeroorlog was terechtgekomen? ‘Vader. Moeder,’ zegt Al Bija. ‘Familie, clan, stam.’ In Libië kun je je niet gewoon terugtrekken uit de oorlog. Het gaat om meer dan je eigen leven. ‘Verantwoordelijkheid. Eer.’

    Migranten proberen van een zinkende rubberboot op een boot van de kustwacht van Libië te komen. De foto werd vrijgegeven door hulporganisatie Sea-Watch. – © Lisa Hoffmann / Sea-Watch via AP
    Migranten proberen van een zinkende rubberboot op een boot van de kustwacht van Libië te komen. De foto werd vrijgegeven door hulporganisatie Sea-Watch. – © Lisa Hoffmann / Sea-Watch via AP

    Maar er zijn zware beschuldigingen tegen Al Bija ingebracht. Als we weer terug zijn in de commandopost, lezen we voor van TRT World, een van de vooraanstaande Turkse nieuwssites in Istanboel. 22 februari 2017: ‘Al Bija is de grootste speler in de kustwachtmaffia, en hij heeft de lucratieve mensensmokkel in Zawiyah en aangrenzende kuststreken stevig in zijn greep.’

    Al Bija kijkt duister. Zijn mannen kijken op van hun telefoons. ‘Alle mensensmokkelaars ten westen van Tripoli betalen Al Bija een percentage’, zegt het artikel. Wie weigert wordt door de commander aangepakt met de Tileel.

    Experts als de Italiaanse journaliste Nancy Porsia, die al jaren verslag doet uit Libië, weten het zeker: ‘De kustwacht van de Libische marine neemt deel aan de mensenhandel.’ Kolonel Tarek Shanboor, die op het ministerie van Binnenlandse Zaken van de eenheidsregering in Tripoli werkt, moet toegeven: ‘We hebben mensensmokkelaars in onze rangen, dat is een ernstig probleem.’

    Als Europa in deze omstandigheden de Libische kustwacht zou versterken, doet het precies wat het niet moet doen, waarschuwt Frank Dörner van de Duitse hulporganisatie Sea-Watch. In plaats van mensensmokkelaars te bestrijden loopt het EU-actieplan gevaar dat het het tegendeel bewerkstelligt: ‘Het maakt een gewelddadige escalatie op het water waarschijnlijker. Daardoor wordt de situatie voor de vluchtelingen nog gevaarlijker.’ Commander Al Bija legt zijn verminkte hand op tafel. ‘Allemaal leugens die door de mensensmokkelaars de wereld in worden gebracht,’ zegt hij bedrieglijk rustig. Als zijn kustwacht uit de weg is, zouden ze vrij baan hebben met hun smerige handel.

    Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is

    Al Bija en zijn mannen brengen de Afrikanen die ze in de boten van de smokkelaars op de Middellandse Zee onderscheppen onder in speciale kampen van de door de VN gesteunde eenheidsregering. Zoals de EU ze volgens de akkoorden van Malta in de toekomst in heel Libië heeft gepland. In het kamp in Surman, met de auto een half uur ten westen van Zawiyah, zitten in een hal met roestige, getraliede ramen meer dan tweehonderd vrouwen op de grond gehurkt, veel van hen met baby’s. Met hun knieën tegen hun borst gedrukt, hun hoofddoek voor het gezicht, hun ogen strak op hun voeten gericht. Niemand durft zich te bewegen. Zelfs geen gefluister is te horen.

    Pas als de bewaker, een man in camouflage-uniform met een verwaarloosde baard, roodomrande ogen en een alcoholwalm, even naar buiten gaat, vat een jonge vrouw moed om met ons praten. Ze komt uit Nigeria en zit hier al meer dan tien maanden gevangen, zonder enig contact met de buitenwereld.

    Niemand weet waar ze zich bevindt, haar familie denkt vast dat ze dood is.

    Ze gaat op haar knieën voor ons zitten en vouwt smekend haar trillende handen. ‘Ze verkrachten ons,’ fluistert ze en laat haar armen zien, die onder de blauwe plekken zitten, je kunt de afzonderlijke vingerafdrukken zien. ‘Help ons, alstublieft.’ Ze tilt haar doek op. Tussen haar benen zit het trainingspak tot aan haar knieën onder het bloed. Wie heeft dat gedaan? ‘Allemaal. De een na de ander.’ De bewaker kom terug. Ze zwijgt en kijkt ons smekend aan. We voelen haar machteloosheid. We kunnen niets voor deze vrouwen doen. Integendeel: één verkeerd woord van ons, denken we, en ze zouden het zwaar moeten bekopen. Misschien met hun leven.

    Buiten wacht kolonel Ibrahim Ali Abdusalam, directeur van het vrouwenkamp in Surman. Officieel valt hij onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar in werkelijkheid wordt het kamp gecontroleerd door lokale milities. ‘Ziet u hoe stil ze zijn,’ zegt hij glimlachend. ‘Dat betekent dat ze het hier goed hebben.’

    Waarom houdt hij de vrouwen maandenlang onder deze verschrikkelijke omstandigheden vast? ‘Europa wil de vrouwen niet hebben,’ zegt hij rustig en zonder lang te hoeven nadenken, ‘Oké, dan houden we ze hier.’ Maar het is de hoogste tijd dat Europa eindelijk voor hen gaat betalen. ‘Mobiele toiletten en douches, schommels en glijbanen, tampons, luiers, babymelk.’

    Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is. Langzamerhand is ook tot Surman doorgedrongen dat Europa de grensbewaking naar Libië wil verplaatsen en daar op grote schaal in wil investeren. De Libische kustwacht moet de vluchtelingen en migranten die ze hebben opgevangen in de toekomst ‘in adequate opnamefaciliteiten afleveren’, zegt het actieplan van Malta. Libië moet voor deze mensen zorgen en een administratief apparaat opbouwen zodat ze conform de volkenrechtelijke procedures asiel kunnen aanvragen. Degenen die worden erkend kunnen ‘in contingenten’ over de Europese landen worden verdeeld. Degenen die worden afgewezen zal de EU bij de ‘vrijwillige terugkeer naar hun vaderland’ ondersteunen.

    De hulporganisaties lopen tegen dit plan te hoop. ‘Zolang vluchtelingen en migranten in Libië worden blootgesteld aan gevangenis, mishandeling, ontvoering en verkrachting, is de reis over de Middellandse Zee voor velen hun enige hoop om aan die hel te ontsnappen,’ verklaart Markus Beeko van Amnesty International Duitsland. ‘Aan de zware vergrijpen tegen de mensenrechten bij vluchtelingen en migranten in Libië moet een eind komen voor de EU-samenwerking een overweging kan maken.’ De organisatie PRO Asyl schrijft in een open brief aan Angela Merkel over een ‘dieptepunt in de Europese vluchtelingenpolitiek.’ Al eerder werd Libië een door Europa gefinancierde vluchtelingengevangenis, en wel in 2010, toen de EU betrokken was bij een deal tussen de Italiaanse minister-president Silvio Berlusconi en Moammar al-Gaddafi, waarbij die eerste Gaddafi, die vanwege zijn steun aan het internationale terrorisme al in de jaren zeventig vogelvrij werd verklaard, vijftig miljoen euro in het vooruitzicht stelde als hij vluchtelingen en migranten tegenhield.

    Gaddafi liet er destijds geen misverstand over bestaan: zonder hem zou Europa door de illegale migratie ‘zwart kleuren’. In opdracht van Europa liet hij de mensen die op de Middellandse Zee werden opgepakt naar Libië terugbrengen en hield hij ze voor onbepaalde tijd vast in gevangenkampen, zonder te onderzoeken of ze aanspraak konden maken op asiel. Ook toen al stelden mensenrechtenorganisaties de klappen, seksuele mishandeling en marteling aan de kaak.

    24 interneringskampen

    Volgens de Verenigde Naties exploiteert de Libische eenheidsregering vierentwintig interneringskampen voor migranten, veel ervan nog uit de tijd van Gaddafi. Europa wil van de bestaande infrastructuur gebruikmaken en er menswaardige opvangkampen van maken. Niet-acceptabele kampen moeten worden gesloten. Hoe de EU de milities ertoe wil brengen hun kampen op te geven is onduidelijk.

    ‘Ze laten ons hier wegrotten,’ fluistert een man in een cel in het kamp van Annas, dat in een voormalige bandenfabriek in Zawiyah is gevestigd. Door het piepkleine kijkgaatje in de ijzeren deur kunnen we alleen het wit van zijn ogen zien. Een bijtende stank slaat ons tegemoet. Dan wordt er een lucifer aangestoken, steeds meer doodsbange gezichten lichten op in het duister, naakte bovenlijven vol met huidziekten en wonden.

    Dicht op elkaar hurken de mannen op de grond. Omdat de cel te klein is om zich uit te kunnen strekken, slapen ze zittend. Er is geen douche, geen toilet. Ze urineren onder een deken in waterflesjes die ze eerst hebben leeggedronken. Hun stoelgang doen ze in plastic zakjes.

    De man achter het kijkgaatje van de cel heet Mohamed Moseray. Hij is vijfentwintig, een informaticastudent uit Sierra Leone. Hij draagt nog hetzelfde trainingspak, onder de zoutkorsten, dat hij aanhad toen hij weken geleden half verdronken uit de Middellandse Zee werd opgevist. De huid eronder is aangevreten door benzine die door de lekgeslagen boot stroomde. Hij vertelt dat hij zijn studie in Sierra Leone moest afbreken omdat hij er geen werk naast kon vinden en zijn familie hem niet kon onderhouden. Hij had gewoon geen toekomst meer. ‘Mijn grote droom is om af te studeren,’ zegt Moseray, hij begint te trillen en te huilen, maar vermant zich. ‘Daarom wil ik naar Italië, en dan verder naar Canada.’ Daar betaalt de regering zijn studie.

    Na een odyssee van vijf jaar dwars door West-Afrika en de Sahara, vertelt Moseray, duwden Libische smokkelaars kort na middernacht op 19 maart 2017 de rubberboot die hem naar Italië zou brengen de Middellandse Zee in. Meer dan honderdvijftig mensen moesten er van de mensensmokkelaars in. ‘Wie niet instapt, schieten we dood.’ Ze waren nog geen twee uur op zee toen de boot omsloeg.

    ‘Geschreeuw, gebeden, mensen, overal in het water, zwangere vrouwen, kinderen, baby’s. En niemand kon zwemmen!’ Hij somt zijn vrienden op: ‘Mohamed Focus Diallo, verdrinkt. Amadou Melodiba, verdrinkt. Mohamed Bah, verdrinkt.’ De een na de ander zag hij naast zich onder water verdwijnen.

    Wat daarna gebeurde, weet Mohamed Moseray niet meer. Hij herinnert zich alleen het schip dat kort na zonsopgang op hen afkwam. En de hand die zijn redder hem toestak. ‘Als een klauw,’ zegt Mohamed Moseray. ‘Hij miste een paar vingers.’

    Een detentiecentrum in Tripoli, Libië. Hier worden illegale migranten vastgehouden. – © Florian Gaertner / Photothek via Getty Images
    Een detentiecentrum in Tripoli, Libië. Hier worden illegale migranten vastgehouden. – © Florian Gaertner / Photothek via Getty Images

    Tegen tien uur ’s avonds gaan we aan boord van de Tileel, met een tiental zwaarbewapende mannen in camouflage-uniformen, de klittenbandsluitingen strak onder hun kin. Commander Al Bija heeft van zijn spionnen een tip gekregen: op het strand van Sabratha, een stad vlak in de buurt, hebben mensensmokkelaars in deze stormachtige nacht een rubberboot vol mensen op weg naar Europa gestuurd.

    De mannen drukken patronen in het magazijn van hun kalasjnikovs, leggen granaatwerpers naast zich op de bank en een patroonband in het zware machinegeweer op de boeg. Redden betekent voor hen steeds vaker vechten. Doordat ze met de Tileel langs de kust cruisen wakkeren ze de geweldspiraal aan. Want steeds meer bendes gaan ertoe over hun menselijke vracht bewapend te escorteren.

    De oversteek naar Italië kost op het ogenblik ongeveer 2500 dollar per persoon. Als je dit bedrag omrekent voor de 181.000 mensen die in 2016 naar Italië zijn overgestoken, en voor de meer dan 5000 mensen die bij hun poging zijn verdronken, dan hebben de Libische mensensmokkelaars in 2016 ongeveer 450 miljoen dollar binnengekregen.

    Het bedrag moet weliswaar van tevoren worden betaald, maar toch: als je je vracht verliest aan de Tileel, is dat slecht voor de zwaarbevochten handel. Want degenen die op zee worden opgepakt en teruggebracht naar Libië, zullen in de wijdvertakte netwerken langs de Afrikaanse migratieroutes hun smokkelaars sterk afraden. Vanuit het gezichtspunt van de laatsten is het minder erg als hun klanten in de Middellandse Zee verdwijnen. Of niet meer te identificeren zijn als ze op een strand aanspoelen.

    Zonder boordverlichting, als een spook, vaart de Tileel de haven van Zawiyah uit en iets later breekt hij door de hoge branding, de Middellandse Zee op. Schuim spat op aan de boeg. Windvlagen rukken aan de stuurhut. ‘Als we ze niet vinden, zijn ze dood,’ zegt commander Al Bija aan het roer.

    In Libië, waar het erom gaat te overleven, speelt niemand open kaart. Wat Al Bija’s agenda ook mag zijn, aan boord van de Tileel vermoeden we uiteindelijk dat wij er ook een plaatsje in hebben. Wil hij uit het verhaal dat we over hem zullen schrijven als een waardige partner van Europa naar voren komen? En ons nu bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk is?

    Al Bija vertelt dat zijn deal met de EU in volle gang is. Vlak voordat wij aankwamen heeft hij in Tunis met Engelse diplomaten gesproken. De Spaanse regering heeft hem uitgenodigd naar Madrid te komen. Waar die gesprekken over gaan? ‘Geheim!’ Toch maakt hij ons deelgenoot van een paar van zijn eisen: ‘Een levens- en ziektekostenverzekering voor mij en mijn mannen. En visa voor een relaxvakantie van twee weken in Europa.’

    Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot

    Koers Noordnoordwest. 18 knopen. De lichtjes van de kust zijn ver weg, boven het pikzwarte water staat de halve maan bijna recht boven ons als op het radarscherm iets oplicht. Gespannen dringen de mannen rond commander Al Bija. De ramen van de stuurhut beslaan van hun adem, met hun vingers gaan ze over het radarscherm alsof ze daarop kunnen voelen wat ons buiten te wachten staat. Een halfuur lang koersen we op het signaal af. Dan ziet de infraroodcamera op de boeg een boot, ongeveer 400 meter voor ons. Commander Al Bija bestudeert het silhouet op de monitor. ‘Een rubberboot,’ zegt hij tenslotte met nauwverholen triomf in zijn stem

    Al Bija kijkt veelbetekenend om naar ons. Tot aan het eind komen we er niet achter wie de commander echt is: de man die in Berlin-Charlottenburg genas om terug te gaan naar Libië en met een gekaapt schip en een paar mannen de kustwateren te veroveren. Vaststaat alleen dat hij in het door oorlog ontwrichte Libië een gaatje heeft gevonden om geld te verdienen met het redden van vluchtelingen.

    De belangrijkste pijlers onder de EU-afspraken met Libië wankelen. De kustwacht zit vol dubieuze figuren. En wat die veilige opvangkampen betreft: op dit moment zijn het niet meer dan door de milities gemanagede pakhuizen vol weerloze mensen, waardevolle assets in de oorlog om Libië en om de Europese miljoenen.

    ‘Snelle oplossingen zijn er niet,’ zegt Martin Kobler, de Duitse speciale VN-ambassadeur voor Libië. ‘We moeten doen wat we kunnen om Libië te stabiliseren.’ Dan zouden veel mensen in plaats van in boten te klimmen in het olieland blijven om daar, net als vroeger onder Gaddafi, te gaan werken. En de mensensmokkelaars zouden maar weinig klanten hebben.

    De honderdvijftig mensen die nu in het zicht van de Tileel in de volgepakte opblaasboot tegen metershoge golven vechten, hebben niets aan langetermijnoplossingen. Als we ze bijna bereikt hebben, komt uit de nacht een raceboot op ons afgesneld. De smokkelaars openen het vuur en wij laten ons op de vloer vallen.

    Commander Al Bija rent door de kogelregen, schiet terug, trekt een gewonde uit het schootsveld en kruipt naar ons toe. Met zijn verminkte hand tikt hij ons op de schouder. Leven we nog? Hij kijkt alsof het succes van zijn missie daarvan afhangt.

    Opeens is het stil. Voorzichtig tillen we ons hoofd op. Met een pikhaak trekken Al Bija en zijn mannen de raceboot dichterbij. Drie smokkelaars zijn neergeschoten, twee van hen zijn zwaargewond.

    ‘Geloven jullie ons nu?’ schreeuwt de commander. ‘Geloven jullie nu eindelijk dat wij niet bij hen horen?’ We weten het niet zeker. Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot.

    Als versteend zitten ze in het licht van onze zaklantaarns. Geen van hen lijkt gewond te zijn. De vrouwen hebben hun handen gevouwen in gebed. Huilende kinderen begraven hun hoofd in de jas van hun moeder. Het zou uren duren om ze terug te slepen naar de haven. De mensensmokkelaars hebben via hun satelliettelefoons hun basis op de hoogte gebracht. Tegen hun vloot van zwaarbewapende raceboten heeft de Tileel geen schijn van kans.

    ‘Te riskant,’ zegt commander Al Bija terwijl hij de boot met zijn voet wegduwt. Het water staat tot aan hun knieën. Waarom neemt hij niet een paar van hen aan boord? In elk geval de kinderen? In plaats van te antwoorden vaart Al Bija met volle kracht terug naar Zawiyah. De mensen in de rubberboot drijven weg en verdwijnen in de duisternis.

    Tekst: Michael Obert
    Vertaling: Izaak Hilhorst

    Michael Obert en Moises Saman zijn al vaker onder vuur komen te liggen in crisisgebieden. Maar niet midden in de nacht op een boot op de Middellandse Zee. Aan land kun je je in elk geval gecontroleerd terugtrekken, op de Tileel konden ze alleen op de vloer blijven liggen en hopen. Hun tolken Salah Almorjini en Moises Saman bleven ongedeerd, Michael Obert brak toen hij tijdens de aanval struikelde een paar ribben.

    Süddeutsche Zeitung Magazin
    Duitsland | weekblad | oplage 445.000

    Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 131: De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?