De partij concentreerde zich bij de campagne op soevereiniteit
De Taiwanese regeringspartij DPP heeft zaterdag verloren bij de lokale verkiezingen. De belangrijkste oppositiepartij Kuomintang (KMT) won juist fors. Zo wisten zij onder meer de burgermeesterpost in de Taiwanese Taipei te veroveren, schrijft de Taipei Times. De Taiwanese president Tsai Ing-wen is na de nederlaag opgestapt als partijleider van de DPP.
Tsai blijft nog wel aan tot er in 2024 presidentsverkiezingen gehouden worden. Tsai en haar DPP probeerden munt te slaan uit de opgelopen spanningen tussen het land en China, dat Taiwan ziet als afvallige provincie en wil inlijven onder het één China-principe. Onlangs bezocht Nancy Pelosi, de voorzitter van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, het land, wat spanningen deed toenemen.
Tijdens de verkiezingscampagne richtte DPP zich op deze spanningen, door zich sterk te maken voor soevereiniteit en binnenlandse veiligheid. De KMT zette zich juist in voor criminaliteit, het coronabeleid en milieuvervuiling, lokale thema’s die de Taiwanezen in tijden van geopolitieke spanning toch belangrijker bleken te vinden.
De capaciteit om spullen over zee te verschepen is de laatste decennia enorm vergroot. Dat betekent ook meer ‘containerverlies’. Wat gebeurt er als ze kopje onder gaan?
Keuze uit het archief
Wie de zee beheerst, beheerst de wereld. Dat blijkt nu Iran als reactie op de aanvallen van Israël en de VS de zeestraat van Hormuz gesloten houdt, met wereldwijde energietekorten en prijsstijgingen tot gevolg. De blokkade maakt pijnlijk duidelijk hoe afhankelijk we van de scheepvaart zijn geworden. Een onmisbaar onderdeel daarvan is de zeecontainer. Volgens dit artikel uit The New Yorker van 2022 heeft ‘de zeecontainer afgelopen halve eeuw de wereldeconomie en het dagelijks leven van bijna iedereen op deze planeet ingrijpend veranderd’.
Een deel van de kustlijn in het zuiden van Cornwall is bekend om zijn draken. De zwarte zijn zeldzaam en de groene nog zeldzamer – zelfs een toegewijde drakenjager komt er misschien zijn hele leven nooit een tegen. Deze draken bewaken in tegenstelling tot draken in Europese mythen geen schatten, ze kunnen niet vuurspuwen en ze kunnen ook niet vliegen, want ze hebben geen vleugels. Het zijn waterdieren, ze komen namelijk altijd uit zee en kunnen aanzienlijke afstanden afleggen. Een is er gespot op Chesil Beach, net als Saoirse Ronan; een ander heeft zich gevestigd op het onbewoonde Nederlandse eiland Griend in de Waddenzee. Meestal worden ze echter aangetrokken door de winderige stranden van Zuidwest-Engeland, zoals Portwrinkle en Perranporth, Bigbury Bay en Gunwalloe. Als je zelf op zoek wilt gaan naar deze draken, dan is het wellicht handig om te weten dat ze ongeveer acht centimeter lang zijn, hun armen en staarten missen en gemaakt zijn door Lego.
Cornwall dankt zijn drakenpopulatie aan de Tokio Express, een containerschip dat in februari 1997 van Rotterdam naar Noord-Amerika voer en op zo’n 30 kilometer van Land’s End in noodweer terechtkwam. Op de zware zee helde het schip zo ver opzij dat 62 van de containers loskwamen en overboord vielen. Een van die containers was gevuld met Lego – met 4.756.940 stukjes om precies te zijn, waaronder de draken (33.427 zwarte, 514 groene) en het lot wil dat ook veel van de andere stukken een oceaanthema hadden. De container vol Lego die van het schip gleed, bevatte enorme hoeveelheden miniatuur duikflessen, harpoengeweren, flippers, octopussen, scheepstuig, onderdelen van duikboten, haaien, patrijspoorten, reddingsvlotten en stukjes onderwaterlandschap die onder Lego-liefhebbers bekendstaan als LURP’s en BURP’s (Little Ugly Rock Pieces en Big Ugly Rock Pieces), waarvan er respectievelijk 7200 en 11.520 aan boord waren van de Tokio Express. Niet lang daarna meldden helikopterpiloten dat ze op het oppervlak van de Keltische Zee ‘een vlek van Lego’ zagen. (Net als bij ‘goud’, ‘hout’ of ‘rijst’ is ‘Lego’ het algemeen aanvaarde meervoud van Lego.) Al snel spoelden sommige van de overboord geslagen stukjes aan, vooral op de stranden van Cornwall.
Maar de meest voorkomende manier waarop een container verloren gaat, is door in zee te belanden
Er vallen al dingen van boten in de oceanen zolang de mens de zeeën bevaart, dat wil zeggen: minstens tienduizend en mogelijk meer dan honderdduizend jaar. Maar de specifieke manier waarop de bijna vijf miljoen Lego-stukjes van de Tokio Express in zee terechtkwamen, maakt deel uit van een veel recenter fenomeen dat pas van rond de jaren vijftig dateert en dat in de scheepvaartindustrie bekendstaat als ‘containerverlies’. Technisch gezien verwijst de term naar containers die om welke reden dan ook hun bestemming niet bereiken: gestolen in de haven, verbrand tijdens een scheepsbrand, in beslag genomen door piraten, opgeblazen tijdens oorlogshandelingen. Maar de meest voorkomende manier waarop een container verloren gaat, is door in zee te belanden, meestal doordat hij van een schip valt en soms doordat hij samen met het schip richting bodem verdwijnt.
Allerlei verklaringen
Er zijn allerlei verklaringen voor deze vorm van containerverlies, maar de meest directe is getalsmatig. In de huidige wereld zijn er namelijk op elk moment zo’n zesduizend containerschepen op zee. De grootste daarvan kunnen meer dan twintigduizend zeecontainers per vaart vervoeren; samen transporteren ze elk jaar een kwart miljard containers over de hele wereld. Gezien deze enorme aantallen, plus factoren die het zeevervoer altijd al parten hebben gespeeld – rukwinden, deining, orkanen, vloedgolven, ondiepe riffen, defecten, menselijke fouten, corrosie door zout, water en wind – komen sommige van deze containers onvermijdelijk in het water terecht. De vraag die bij de meesten nu zal opkomen en die ook om economische en milieuredenen van belang is: wat zit er in hemelsnaam in die containers?
Een standaardzeecontainer is gemaakt van staal en is 2.30 meter breed, 2.40 meter hoog, en 6 of 12 meter lang
Een standaardzeecontainer is gemaakt van staal en is 2.30 meter breed, 2.40 meter hoog, en 6 of 12 meter lang. Je zou hem kunnen omschrijven als een veredelde doos, ware het niet dat het begrip ‘edel’ niet van toepassing is. En toch heeft de container, ook al is het een van ’s werelds minst aantrekkelijke objecten, de laatste jaren een soort cultaanhang gekregen. Een verrassende hoeveelheid mensen woont inmiddels in zeecontainers. Sommigen omdat ze geen andere huisvestingsmogelijkheid hebben, sommigen omdat ze zich hebben aangesloten bij de Tiny House-beweging en enkelen omdat ze bij wijze van architectonisch experiment in huizen van enkele honderden vierkante meters zijn gaan wonen, bestaande uit meerdere containers. Weer anderen houden van zeecontainers in het wild en zijn gepassioneerde containerspotters geworden die de herkomst van elk exemplaar kunnen afleiden op basis van kleur, logo, stickers en andere details, zoals wordt uiteengezet in bronnen als The Container Guide van Craig Cannon en Tim Hwang, ook wel de Audubons van de zeecontainers genoemd. Andere boeken op de steeds voller wordende plank met containerliteratuur variëren van Craig Martins Shipping Container, dat deel uitmaakt van de serie Bloomsbury Academic’s Object Lessons en waarin mensen als de Franse filosoof Bruno Latour en de Amerikaanse kunstenaar Donald Judd worden geciteerd, tot Ninety Percent of Everything waarvoor auteur Rose George vijf weken doorbracht op een containerschip. Ze bracht niet alleen het reilen en zeilen van de scheepvaartindustrie tot leven, maar ook het dagelijks bestaan van de mensen die belast zijn met het vervoer van ’s werelds goederen over de gevaarlijke en grotendeels wetteloze oceanen.
Al deze aandacht valt in een bepaald opzicht te verwachten, want in de afgelopen halve eeuw heeft de zeecontainer de wereldeconomie en het dagelijks leven van bijna iedereen op deze planeet ingrijpend veranderd. Het verhaal van die transformatie werd bijna vijftien jaar geleden beschreven door Marc Levinson in The Box: How the Shipping Container Made the World Smaller and the World Economy Bigger. Vóór de opkomst van de container was het vervoer van goederen over water een dure en arbeidsintensieve aangelegenheid. Om de afstand tussen product en transport zo klein mogelijk te houden stonden havens vol met fabrieken en loodsen en met de stuwadoors en havenarbeiders die de goederen moesten laden en lossen. (Het verschil tussen de twee wordt bepaald door de werkplek: stuwadoors werken op schepen, terwijl havenarbeiders op de kade werken.) Sommige van die goederen waren bulkgoederen – zoals olie, die in een tank wordt gegoten en dan relatief gemakkelijk opgeslagen en vervoerd kan worden – maar de meeste waren stukgoederen, die stuk voor stuk moesten worden geladen: zakken cement, wielen kaas, balen katoen, noem maar op. Al deze niet-samenhangende goederen moesten zorgvuldig worden geladen, zodat ze tijdens het vervoer niet zouden verschuiven en andere waardevolle goederen konden beschadigen of, erger nog, het schip zouden laten kapseizen. De arbeiders hadden voor dit werk vaardigheid, spierkracht en een hoge pijntolerantie nodig. (In Manchester raakte in één jaar tijd de helft van de havenarbeiders gewond tijdens het werk.) En de rederijen hadden geld nodig. Tot wel 75 procent van de kosten van het vervoer over water zat in de lonen en de uitrusting die nodig was voor het bevrachten van de schepen wanneer deze nog in de haven lagen aangemeerd.
Malcom McLean
Dat veranderde allemaal in 1956, door een man genaamd Malcom McLean. Hij was oorspronkelijk geen scheepvaartmagnaat maar de ambitieuze eigenaar van een vrachtwagenbedrijf, die dacht dat hij zijn concurrenten te slim af zou zijn als hij goederen soms over het water kon vervoeren in plaats van over de snelweg. Toen zijn aanvankelijke idee om zijn vrachtwagens gewoon de vrachtschepen op te laten rijden economisch inefficiënt bleek, begon hij te knutselen met demonteerbare kisten die op elkaar konden worden gestapeld en gemakkelijk konden worden uitgewisseld tussen vrachtwagens, treinen en schepen. Hij kocht een paar tankers uit de Tweede Wereldoorlog en bouwde die om. Vervolgens nam hij een ingenieur in dienst die al bezig was geweest met aluminium containers die met een kraan van vrachtwagen naar schip konden worden getild. Op 26 april 1956 voer een van de tankers, de SS Ideal-X, van New Jersey naar Texas met 58 zeecontainers aan boord. Een hoge baas van de Internationale Vereniging van Havenwerkers was hierbij aanwezig. Toen hem werd gevraagd wat hij van het schip vond, zou hij geantwoord hebben: ‘Ik zou dat monster wel tot zinken willen brengen.’
Vervoer van een container met 25 ton aan koffiezetapparaten van een fabriek in Maleisië naar een pakhuis in Ohio, kost minder dan een businessclass vliegticket
Hij begreep heel goed waar hij getuige van was, namelijk het einde van de scheepvaartindustrie zoals hij en generaties havenarbeiders vóór hem die kenden. Op het moment dat de Ideal-X de haven verliet, kostte het laden van een vrachtschip gemiddeld 5,83 dollar per ton. Met de komst van de zeecontainer daalde die prijs tot naar schatting 0,16 dollar – en daarmee daalde ook alle werkgelegenheid die was gerelateerd aan scheepsvracht. Tegenwoordig zoekt een computer uit hoe een schip moet worden geladen en een trolley-en-kraansysteem grijpt ongeveer elke 90 seconden een inkomende container en vervangt die door een uitgaande, zodat het schip bijna gelijktijdig wordt gelost en geladen. De daaruit voortvloeiende kostenbesparingen hebben de overzeese scheepvaart verbazingwekkend goedkoop gemaakt. Om een voorbeeld van Levinson te gebruiken: het vervoer van een container met 25 ton aan koffiezetapparaten van een fabriek in Maleisië naar een pakhuis in Ohio, kost minder dan een businessclass vliegticket. ‘Transport is zo efficiënt geworden,’ schrijft hij, ‘dat de vrachtkosten in veel gevallen weinig invloed hebben op economische beslissingen.’
In andere opzichten zijn die kosten, juist omdat ze zo laag zijn, wel degelijk van invloed op economische beslissingen. Ze zijn de reden dat fabrikanten loon-, werkplek- en milieuverplichtingen kunnen omzeilen door hun fabrieken naar elders te verplaatsen. En ze zijn de reden dat al die plekken elders – kleine steden ver weg van de havens, in Vietnam of Thailand of het Chinese achterland – hun goedkope grond en goedkope arbeidskrachten kunnen aanwenden om voet aan de grond te krijgen in de wereldeconomie. Dankzij de innovatie van McLean kunnen fabrikanten de toeleveringsketen drastisch verlengen en er financieel toch beter van worden. Het antwoord op de vraag waarom een overhemd dat je in Manhattan koopt zoveel minder kost wanneer het uit een fabriek in Malakka komt dan wanneer een kleermaker in het centrum het heeft gemaakt, is grotendeels: de zeecontainer.
10 verdiepingen
Net als de plastic draken van Cornwall ziet een volgeladen containerschip eruit alsof het door Lego gemaakt had kunnen worden. Dat komt omdat containers in één kleur zijn geverfd – blauw, groen, rood, oranje, roze, geel, aquamarijn – waardoor ze lijken op standaard Lego-bouwstenen, vooral wanneer ze op elkaar gestapeld zijn. Die stapels beginnen beneden in het ruim en kunnen bovendeks zo breed worden als 23 containers naast elkaar en zo hoog als een gebouw van 10 verdiepingen.
De schepen die deze stapels vervoeren beginnen bij een omvang die jij en ik als groot zouden beschouwen – zeg 120 meter van boeg tot achtersteven, ruwweg vier vijfde van de lengte van een voetbalveld –, maar door de scheepvaartindustrie wordt omschreven als klein grut, een Small Feeder. De schaal wordt groter, van een gewone Feeder, een Feedermax en een Panamax (294 meter, het maximum dat door het Panamakanaal kon vóór de recente uitbreidingsprojecten), tot aan schepen met de toepasselijke naam Ultra Large Container Vessel (ULCV), die bijna vierhonderd meter lang zijn. Rechtop gezet zou een ULCV op 42nd Street uittorenen boven het Chrysler Building. In zijn normale positie kan hij het Suezkanaal blokkeren, zoals de hele wereld onlangs met fascinatie en/of ontzetting heeft kunnen zien.
Als bij zo’n incident vijftig of meer containers overboord slaan, beschouwt de scheepvaartsector dat als een ‘catastrofe’
De bemanningen van deze ultragrote schepen zijn in vergelijking ultraklein; een ULCV kan van Hongkong naar Californië varen met 23.000 containers aan boord en slechts 25 mensen. Bijgevolg is het niet ondenkbaar dat er soms een paar van die containers overboord kieperen zonder dat iemand het merkt – tot het schip in de haven is aangekomen. (Dit ondanks het feit dat een volgeladen container ongeveer even groot en zwaar is als een walvishaai; stel je de plons eens voor als hij van ongeveer 30 meter hoogte in de oceaan valt.) Vaker gaat het echter om meerdere verschuivende containers die gezamenlijk vallen, een dramatische gebeurtenis die bekendstaat als een stack collapse, een omvallende stapel. Als bij zo’n incident vijftig of meer containers overboord slaan, beschouwt de scheepvaartsector dat als een ‘catastrofe’.
Containers overboord
We weten niet precies hoe vaak dat gebeurt, want scheepvaartmaatschappijen zijn doorgaans niet verplicht om te melden dat hun lading in zee terecht is gekomen. De instantie die heeft betaald voor het vervoer van de goederen wordt op de hoogte gebracht, evenals de instantie die de goederen had moeten ontvangen. Maar of een hogere autoriteit op de hoogte is van het verlies hangt grotendeels af van waar het gebeurde, want de oceaan is een lappendeken van jurisdicties die worden beheerst door verschillende naties, instanties en verdragen, elk met verschillende ondertekenaars en verschillende verantwoordelijkheden wat betreft de handhaving. De Internationale Maritieme Organisatie (IMO), de organisatie van de Verenigde Naties die verantwoordelijk is voor het vaststellen van mondiale scheepvaartnormen, heeft toegezegd een verplicht rapportagesysteem en een gecentraliseerde databank voor containerverlies op te zetten, maar dat is nog niet gebeurd. In de tussentijd zijn de enige beschikbare gegevens afkomstig van de World Shipping Council (WSC), een handelsorganisatie met 22 aangesloten bedrijven die goed zijn voor ongeveer 80 procent van de wereldwijde containercapaciteit. Sinds 2011 voert de WSC onder die leden een driejaarlijkse enquête uit over het verlies van containers. In 2020 was de conclusie dat er jaarlijks gemiddeld 1382 containers overboord gaan.
Neem dat cijfer maar met een korreltje zout. Het is namelijk afkomstig van een vrijwillige enquête die werd uitgevoerd door insiders in een sector die geneigd is geen openheid van zaken te geven. ‘Niemand rapporteert volledig transparante cijfers,’ zegt Gavin Spencer, hoofd verzekeringen van Parsyl, een bedrijf dat zich richt op risicobeheer in de toeleveringsketen. Verzekeringsmaatschappijen maken niet graag melding van de individuele verliezen die ze dekken omdat ze dan minder winstgevend lijken, en dat geldt ook voor rederijen. (‘Het zou een beetje hetzelfde zijn als wanneer luchtvaartmaatschappijen aangeven hoeveel koffers ze kwijtraken.’) Spencers beste schatting van het werkelijke aantal containers dat in zee verloren gaat, is ‘veel hoger dan je je kunt voorstellen’, en zeker hoger dan de cijfers die door de WSC worden verschaft.
Harde wind
De WSC bestrijdt dat haar gegevens op enigerlei wijze onnauwkeurig zouden zijn. Maar ongeacht het aantal lijkt verlies van containers steeds vaker voor te komen. De ONE Apus, een schip dat op weg was van China naar Long Beach in Californië, raakte in november 2020 verzeild in een storm op de Stille Oceaan en verloor meer dan 1800 containers. Dat waren er bij één incident dus al meer dan het geschatte jaargemiddelde van de WSC. Diezelfde maand verloor een ander schip op weg naar Long Beach vanuit China honderd containers door slecht weer, terwijl nog een ander schip kapseisde in de haven van Oost-Java met 137 containers aan boord. Twee maanden later verloor een vierde schip, eveneens op weg van China naar Californië, 750 containers in het noorden van de Stille Oceaan. De laatste jaren is er ook een gestage stroom van berichten over hoeveelheden containers die in andere delen van de oceaan verloren zijn gegaan: 40 voor de oostkust van Australië; 21 voor de kust van Hawaii; 33 voor Duncansby Head in Schotland; 260 voor de kust van Japan; 105 voor de kust van Brits Columbia. Er belanden er steeds meer op de bodem.
Degenen die op containerschepen werken, hebben in de regel geen idee van wat er in al die containers zit
Een van de redenen waarom dit soort incidenten toeneemt, is dat stormen en harde wind – lange tijd de voornaamste boosdoeners bij het verlies van containers – steeds vaker voorkomen en steeds heviger worden naarmate het klimaat onstabieler wordt. Een andere oorzaak is de trend naar steeds grotere containerschepen, waardoor de besturing van het schip en de veiligheid van de containers in het gedrang komen (in beide gevallen omdat de hoge stapels op het dek wind vangen), terwijl deze schepen tegelijkertijd kwetsbaar zijn voor parametric rolling. Dit is een zeldzaam verschijnsel waarbij extreme druk komt te staan op de containers en de systemen waarmee ze worden vergrendeld. Meer recent heeft de sterke stijging van de vraag naar goederen tijdens de pandemie ertoe geleid dat schepen die vroeger op gedeeltelijke capaciteit voeren, nu volgeladen worden en dat bemanningen onder druk worden gezet om zich aan strikte tijdschema’s te houden, zelfs als daarvoor problemen aan boord moeten worden genegeerd of er dwars door stormen moet worden gevaren. Tot overmaat van ramp is er een tekort aan scheepscontainers zelf, door de toegenomen vraag en doordat veel containers vanwege lockdowns zijn gestrand in de verkeerde havens. Daardoor zijn oudere containers met verouderde vergrendelingsmechanismen in omloop gebleven of weer in omloop gebracht. Daar komt nog bij dat het risico op menselijke fouten tijdens de pandemie is toegenomen, omdat de arbeidsomstandigheden op containerschepen, die toch al niet optimaal waren, nog verder zijn verslechterd. Bemanningsleden zaten soms weken of maanden vast op schepen die in de haven of voor anker lagen, voor onbepaalde tijd gestrand in een wereldwijde maritieme file.
Mensen die werken op olietankers, vliegdekschepen of commerciële vissersboten weten wat ze vervoeren, maar degenen die op containerschepen werken, hebben in de regel geen idee van wat er in al die containers zit die hen omringen. Douanebeambten en veiligheidsagenten meestal ook niet. Eén enkele zeecontainer kan vijfduizend individuele kisten bevatten, één enkel schip kan binnen enkele uren negenduizend containers lossen, en de grootste havens kunnen dagelijks honderdduizend containers verwerken, wat betekent dat het in wezen onmogelijk is om meer dan een fractie van alle zeecontainers ter wereld te inspecteren – een zegen voor drugskartels, mensensmokkelaars en terroristen en een nachtmerrie voor de rest van ons.
Sommige mensen kennen natuurlijk wel de inhoud (althans de opgegeven inhoud) van een bepaalde zeecontainer die door een legaal schip wordt vervoerd. Elk van die containers heeft een vrachtbrief, een gespecificeerde inventarislijst, bekend bij de reder, de afzender en de ontvanger. Als een van die containers overboord slaat, komen ten minste nog twee andere partijen snel te weten wat erin zat: verzekeringsagenten en advocaten. Als veel van die containers overboord slaan, kan het incident onderworpen worden aan een zogenaamde algemenegemiddeldecorrectie. Dat is een mysterieus stukje zeerecht dat bepaalt dat iedereen die lading aan boord heeft van een schip dat een ramp overkomt, moet meebetalen aan alle daarmee samenhangende kosten, ook als jouw deel van de lading intact is gebleven. (Deze onlogisch lijkende regeling werd al in het jaar 533 gecodificeerd, uit logische noodzaak: als zeelui zich moesten ontdoen van de lading van een schip in nood, konden ze het zich niet veroorloven tijd te verspillen aan het uitzoeken van spullen die hun de minste sores zouden opleveren en het minste geld zouden kosten.) In theorie zou je, als je nieuwsgierig en volhardend genoeg bent, de gerechtelijke dossiers kunnen opvragen van containerverliezen die tot dergelijke rechtszaken hebben geleid en deze vervolgens kunnen doorspitten op zoek naar informatie over de inhoud van de verloren containers.
Lukraak
Mogelijk zijn er van die wonderbaarlijk obsessieve zielen die hun leven hebben gewijd aan het najagen van dit soort informatie en het openbaar maken daarvan, maar ik ben ze nog niet tegengekomen. Als het publiek al iets te weten komt over de inhoud van verloren containers, dan is dat meestal lukraak, bijvoorbeeld omdat de inhoud de krantenkoppen haalt. Een schip dat bijvoorbeeld in januari van Singapore naar New York voer, verloor 65 containers, wat een golf van media-aandacht en een hoop grappen over recepten voor rampen veroorzaakte. Het schip had namelijk tienduizenden exemplaren van twee vers gedrukte kookboeken aan boord: Dinner in One van Melissa Clark en Turkey and the Wolf van Mason Hereford.
De inhoud van verloren containers wordt echter meestal pas bekend als die aanspoelt op het strand
De inhoud van verloren containers wordt echter meestal pas bekend als die aanspoelt op het strand en daar de aandacht trekt van bewoners en strandjutters, maar ook van regionale autoriteiten en milieuorganisaties, die vaak gezamenlijk de opruimacties financieren en coördineren. De draken van Cornwall zijn bijvoorbeeld vooral beroemd geworden door Tracey Williams, een lokale strandjutter die op speciale socialemedia-accounts over deze en andere stukken Lego uit de oceaan begon te berichten. Haar berichten waren zo populair dat ze een boek over het onderwerp schreef: Adrift. The Curious Tale of the Lego Lost at Sea, een charmante, zij het wat vluchtige wandeling door de geschiedenis en de nasleep van het ongeluk met de Tokio Express. Toen afgelopen herfst 105 containers voor de kust van Brits Columbia verloren gingen, hadden plaatselijke vrijwilligers al snel een idee van de inhoud, omdat ze de stranden van de regio moesten ontdoen van babyolie, cologne, koelboxen, urinoirmatjes en opblaasbare eenhoorns.
Wat is er nog meer op een containerschip begonnen en in zee geëindigd? Naast vele, vele andere dingen: flatscreentelevisies, vuurwerk, IKEA-meubels, Franse parfum, yogamatjes, BMW-motoren, hockeyhandschoenen, printervullingen, lithiumbatterijen, wc-brillen, kerstversiering, vaten arsenicum, flessen water, tankjes die kunnen ontploffen om airbags op te blazen, een container vol rijstwafels, duizenden blikjes tjauwmin, een half miljoen blikjes bier, sigarettenaanstekers, brandblussers, vloeibare ethanol, zakjes vijgen, zakken chiazaad, kniebeschermers, dekbedden, de complete inboedel van mensen die naar het buitenland verhuisden, vliegenmeppers met de logo’s van universitaire en professionele sportteams, siergrassen op weg naar bloemisten in Nieuw-Zeeland, My Little Pony-speelgoed, Garfield-telefoons, operatiemaskers, barkrukken, accessoires voor huisdieren en prieeltjes.
Voor de wetenschap
Af en toe blijkt een deel van deze verloren lading nuttig voor de wetenschap. Toen in 1990 een containerschip op weg van Korea naar de Verenigde Staten tienduizenden sportschoenen van Nike verloor, elk voorzien van een serienummer, vroeg oceanograaf Curtis Ebbesmeyer strandjutters in de hele wereld om aangespoelde exemplaren te melden. (Ebbesmeyer werkte samen met de voormalige BBC-journalist Mario Cacciottolo ook mee aan Adrift van Tracey Williams.) Nikes blijken goed tegen zout water te kunnen en blijven drijven totdat ze ergens aanspoelen. Maar omdat de twee schoenen van een paar zich anders oriënteren in de wind, kan het zijn dat het ene strand bezaaid raakt met rechter- en het andere met linkerschoenen. De gerapporteerde locatie van de schoenen gebruikte Ebbesmeyer voor zijn werk als pionier in een discipline die hij ‘flotsametrics’ [juttermetrie] heeft genoemd: de studie van oceaanstromingen op basis van de drijfpatronen van overboord geslagen voorwerpen. In de afgelopen drie decennia bestudeerde hij van alles, van het Lego-incident tot het verlies van een container in 1992 met bijna 29.000 plastic badspeeltjes die werden verkocht onder de naam Friendly Floatees, uiteenlopend van klassieke gele eendjes tot groene kikkers, waarvan één badspeeltje er zesentwintig jaar over deed om aan te spoelen.
Hoe belangrijk de studie van de oceaanstromingen ook moge zijn, zij vormt slechts een magere compensatie voor al die containers die overboord vallen. Ebbesmeyer weet dat maar al te goed, want hij is medenaamgever van de Great Pacific Garbage Patch [een gebied van circa 1,5 miljoen vierkante kilometer in de Noordelijke Stille Oceaan vol met drijvend plastic afval]. Insiders in de scheepvaartsector wijzen er graag op dat het probleem van het verlies van containers relatief klein is, waarmee zij bedoelen dat het aantal containers dat in zee belandt slechts een fractie is van het totaal aantal verscheepte containers. Dat percentage heeft misschien nut als meeteenheid voor het bedrijfsleven, maar het is irrelevant voor zeekoeien en krabben en stormvogels en koraal, om nog maar te zwijgen over onszelf. Want of we het nu leuk vinden of niet en of we het nu weten of niet, dat de inhoud van overboord geslagen containers in de oceaan belandt, is een feit.
Geen verantwoordelijkheid
Als die inhoud bestaat uit goederen die door IMO worden omschreven als gevaarlijk (zoals explosieven, radioactieve stoffen, giftige gassen, asbest en spullen die geneigd zijn tot zelfontbranding), is de vervoerder verplicht het incident aan de bevoegde instanties te melden. Het is een nuttige, maar beperkte verplichting, deels omdat de vervoerder, wanneer hij eenmaal melding heeft gedaan, vaak geen verdere verantwoordelijkheid heeft en deels omdat veel goederen die niet aan de IMO-definitie voldoen, wel degelijk destructief zijn voor het zee- en kustmilieu. De Tokio Express was weliswaar niet de Exxon Valdez, maar vijf miljoen stukken plastic zijn nu niet echt een welkome toevoeging aan de oceaan. Net zomin als vliegenmeppers of flessen wasmiddel of kerstversiering, om nog maar te zwijgen van hun verpakkingen – meestal van plastic of, erger nog, piepschuim, dat bij golfslag uiteenvalt in stukjes ter grootte van kiezelsteentjes die bijzonder moeilijk op te ruimen zijn en er voor bepaalde vogels en waterdieren gevaarlijk eetbaar uitzien.
De echte catastrofe is de enorme overvloed aan goederen die we produceren en verschepen en kopen en weggooien
De zeecontainer biedt, als object dat in wezen een eenvoudige doos is en ontworpen om dingen in op te slaan, een opmerkelijke les over de onbeheersbaarheid van het moderne leven, over de manier waarop onze keuzes zich, net als onze goederen, over de hele wereld verspreiden. Het enige wat die flatscreentelevisies en Garfield-telefoons en al die andere zeer diverse inhouden van verloren zeecontainers gemeen hebben, is dat ze gezamenlijk de omvang van onze overconsumptie duidelijk maken. De echte catastrofe is de enorme overvloed aan goederen die we produceren en verschepen en kopen en weggooien: zelfs de fractie van de goederen die verloren gaat, maakt de gevolgen al duidelijk. Zes weken nadat de Tokio Express bij Land’s End in de problemen was geraakt, liep een ander containerschip aan de grond, zestien zeemijl verderop, waardoor tientallen containers vlak voor de kust van de Isles of Scilly in zee terechtkwamen. Sindsdien komen bewoners en strandjutters tussen de schelpen, kiezelstenen en draken constant een deel van de lading tegen: een miljoen plastic zakken, op weg naar een supermarktketen in Ierland, met daarop de tekst ‘Help het milieu beschermen’.
Na een relatiebreuk en de dood van haar vader verbleef schrijver Wendell Steavenson een winter aan de Bretonse kust. Daar ontdekte ze hoe louterend een dagelijkse duik in het ijskoude water is. ‘Als ik in koud water zwem, ervaar ik een lucide zuiverheid.’
Keuze uit het archief
Oud en nieuw staat voor de deur en dat betekent dat veel mensen zich zoals elk jaar weer aan de traditionele nieuwjaarsduik zullen wagen. Mocht je je afvragen wat het nut is van zwemmen in koud water, dan zou je eens te rade moeten gaan bij schrijver Wendell Steavenson.
In dit artikel van The Guardian legt ze uit hoe deze bezigheid haar hielp bij de verwerking van haar relatiebreuk en de dood van haar vader. ‘Zwemmen in koud water is geen kwestie van wilskracht of het overwinnen van geestelijke blokkades. Net als met verdriet is het een kwestie van je aanpassen aan een nieuwe situatie.’
Op 6 oktober 2020, mijn verjaardag, maken mijn vriend en ik na bijna tien jaar een einde aan onze relatie. We zitten in de auto op weg naar huis, na een vakantie in Maine – een laatste poging om onze relatie te redden. We hadden het heerlijk gehad; het veranderde helemaal niets.
‘We kunnen niet…’ ‘Het is niet…’ ‘We hebben geen…’
Overal om ons heen lijken de bomen in brand te staan, de bladeren één grote, vlammende kleurenpracht. Vervuld van afgrijzen zie ik de lange weg naar beneden voor me. Hij blijft in de Verenigde Staten, waar hij werkt; ik ga naar het huisje dat we samen hebben gekocht, aan de noordkust van Bretagne. Dat lijkt de beste plek om de pandemie uit te zitten, tot rust te komen, mijn wonden te likken, misschien zelfs wat te schrijven.
We gaan terug van Maine naar New York naar Washington. Ik stap op een vliegtuig naar Londen, neem de Eurostar naar Parijs, de TGV naar Morlaix, en vanuit Morlaix is het een half uur rijden naar de kust. Het platteland strekt zich groen en blauw voor me uit als ik de laatste helling neem en bij de weidse aanblik van de zee laat ik mijn adem ontsnappen.
Badpak
Het is frisjes: winderig maar zonnig. Achter de haven ligt ons huisje, de luiken gesloten, de zomerrozen deinend in de wind; binnen liggen zijn kleren en zijn boeken, foto’s van een gedeeld leven, snuisterijen en souvenirs en herinneringen. Ik pak mijn spullen uit en huil, door de uitputting van de reis en het schrijnende gevoel van verlies en mislukking. Trek mijn badpak aan.
Ik had nooit van mijn leven kunnen denken dat ik zo iemand zou zijn die het lekker vindt om in koud water te zwemmen. Ik zwom als het warm was, of ik trok baantjes in een binnenbad; ik kon uren in bad zitten. Ik was gek op water, maar ik was net een kat: ik had het vooral graag warm.
Het begint allemaal in de zomer van 2017. Mijn vader is net overleden. We wonen in Parijs en lieve vrienden zeggen dat ik wel een tijd in hun huisje in Locquirec, in Bretagne, mag zitten, om alleen te zijn, tot rust te komen en weer op krachten te komen. De eerste middag loop ik over de weg naar het strandje bij de haven waar zeilboten liggen afgemeerd, waar kleuters zandkastelen kapot slaan en pubers van de havenmuur in zee springen.
Alleen en verdrietig sta ik tot aan mijn enkels in de branding. Het is juli, maar bewolkt. Het briesje bezorgt me kippenvel. Het is te koud om te zwemmen maar ik wil niet opgeven en met alleen natte voeten teleurgesteld huiswaarts gaan. Ik weifel, waag me nog iets dieper, het water klotst ijzig tegen mijn knieën, tegen mijn dijen. Na een minuut of twee lijken mijn benen gewend te zijn geraakt aan de temperatuur. Maar als de zee aan mijn buik likt, voel ik de kou venijnig steken. Ik aarzel, wil me nog niet gewonnen geven. Zo blijf ik lange tijd staan dubben, met de zee rond mijn heupen. Op een onbewaakt moment geef ik ineens toe. Misschien is het makkelijker om me over te leveren aan de zee dan aan zelfverwijt omdat ik de zee heb laten winnen. En daar lig ik dan ineens, mijn borstkas zwoegend; een snelle, oppervlakkige ademhaling en armen die een driftige schoolslag maken – ik zwem.
Om de een of andere reden is het vrijwel onmogelijk om in zee te huilen
De schrik wordt al snel minder en de kou lijkt minder koud. Ik zwem naar een boei, kijk tevreden naar het water dat over mijn schouders golft. Ik zwem terug naar de kust en zie met een glimlach mijn eigen voetstappen in het zand dichterbij komen. Het is me gelukt! Ik wil papa bellen om het hem te vertellen.
Het verlies is nog niet echt doorgedrongen. Ik verkeer nog altijd in de onwerkelijke, eerste fase van de rouw. Papa voelt nog zo dichtbij dat de dood absurd lijkt, misschien zelfs zinsbegoocheling. Ik ga op onderzoek uit in het dorp: een kerk met een opengewerkte, stenen torenspits, een cafeetje en een paar restaurants rond een haventje, een rotsachtige dam, een breed, halvemaanvormig strand waar surfers in wetsuit als zwarte zeehonden liggen te dobberen. Ik loop om de punt en staar naar de blauwe horizon, worstel met vragen die ergens tussen zee en hemel in zweven. ‘Waar ben je gebleven, pap?’ vraag ik hardop.
De volgende dag ga ik weer. En de dag erna ook. Drie weken lang zwem ik elke dag. Om de een of andere reden is het vrijwel onmogelijk om in zee te huilen.
Schotland
In september nemen mijn moeder, mijn broers en ik de Caledonian Sleeper naar Rannoch Moor in de Schotse Hooglanden om de as van mijn vader uit te strooien op de plek waar hij is opgegroeid. Terwijl mijn moeder en mijn broers verbijsterd toekijken, ga ik zwemmen in het steenkoude meer. Als kind waren we nooit op het idee gekomen om daar te gaan zwemmen. Het water is stil en helder en diep. Mijn neus maakt rimpelingen in het wateroppervlak, ik ruik de oude veengrond en de mineraalachtige geur van graniet. Ik heb het gevoel dat ik deel uitmaak van het landschap dat altijd deel heeft uitgemaakt van papa, en waarvan hij nu weer deel uitmaakt. Even houdt het op met motregenen, de wolken drijven uiteen en de zon spat in een goudkleurige vonkenregen van het water. ‘Het is net alsof papa ons even begroet,’ zegt mijn broer Michael.
Ooit gaf mijn vriend me met kerst een professioneel neopreen wetsuit dat ook door triatleten wordt gebruikt. Het zat zo strak dat ik tien minuten nodig had om het aan te trekken. We gingen naar onze vrienden in Locquirec, om oud en nieuw te vieren, en daar probeerde ik het uit in de winterzee. Het pak was dun maar beschermde me tegen de kou; ik voelde me onoverwinnelijk. Al tintelden mijn handen pijnlijk. Onze vrienden zeiden dat ze gingen verhuizen en dat ze hun huis binnenkort zouden verkopen. Of wij belangstelling hadden?
Locquirec ligt aan zee en heeft een gematigd klimaat. De kust doet denken aan die van Cornwall, maar dan aan de andere kant van het kanaal: rotsachtig, wild, regenachtig. Als je geluk hebt is het in de zomer stralend weer, zonder dat het ooit echt heet wordt. Als het kwik boven de 22 graden komt, zijn de Bretons ontstemd en beginnen te mopperen. ‘Ouf! C’est trop chaud!’ In juli en augustus is het zeewater zo’n 17 of 18 graden. Verkwikkend, laten we het daar op houden. Na enige zomers raak ik eraan gewend en ga elke dag zwemmen, ook met grijze luchten, harde wind of hoosbuien. In de winter draag ik mijn wetsuit, mijn neopreen handschoenen, laarsjes en een bivakmuts.
Als ik er in mijn eentje naartoe ga, ergens halverwege oktober vorig jaar, is het zeewater een graad of vijftien. De zee loopt altijd een paar maanden achter op de seizoenen, in het najaar duurt het even voordat ze is afgekoeld en in het voorjaar duurt het even voordat ze weer is opgewarmd. Ik vraag me af of het te koud voor me is, maar omdat het zo’n gedoe is om me in dat superheldenpak te wurmen en het weer uit te krijgen, besluit ik zonder dat pak te gaan zwemmen.
Voor ik er erg in heb, ben ik volkomen high van de endorfines. Ik wil niet meer stoppen
Het duurt een paar minuten voordat ik door ben. Ik ga stapje voor stapje het water in. Het is niet zo dat ik al mijn moed bijeen moet rapen om mijn angst opzij te zetten. Want ik weet dat de kou in het begin heel naar zal zijn, maar ik weet ook dat dat gevoel van tijdelijke aard is. Dus ik wacht gewoon even tot de aanvankelijk zo stekende kou minder venijnig wordt. Ik wilde zwemmen; uiteindelijk zwem ik ook echt. Ik slaak eerst kreetjes van de schrik, maar ook van verrukking. Mijn slagen worden telkens iets soepeler en krachtiger, totdat ik mijn schouders ontspan, mijn kin laat zakken en het water kus, waarna ik door de zee glijd.
De volgende dag is het al iets makkelijker om het water in te gaan, en de dag erop is het nog weer makkelijker. Ik voel me schoon en gezuiverd en energiek. De vierde dag stormt het en er staan schuimkoppen op de golven. Tot mijn verbazing laat ik me niet afschrikken. De golven klappen tegen mijn hoofd en slaan stuk op de havenmuren, het water bruist en zuigt als een wasmachine. De zee zwelt aan en gaat wild tekeer, het ene moment wordt mijn blik vertroebeld door zeewater, het volgende moment word ik boven de wereld uitgetild. Ik voel me versmelten met de energie. Het is opwindend. Ineens zing ik uit volle borst een INXS-nummer (ik heb de avond ervoor op Netflix een documentaire gezien over Michael Hutchence). ‘Mystify! MYSTIFY ME!’ Voor ik er erg in heb, ben ik volkomen high van de endorfines. Ik wil niet meer stoppen. Ik moet mezelf streng toespreken om het water uit te gaan voordat de zee me meesleurt.
‘Wat gebeurt er met me als ik in koud water zwem?’ vraag ik aan Mike Tipton, hoogleraar menselijke en toegepaste fysiologie aan het laboratorium voor extreme omstandigheden aan de universiteit van Portsmouth. Zeker, ik voel me verkwikt en energiek, maar ik wil iets begrijpen van de fysiologie achter mijn reacties.
Tropische dieren
‘We zijn tropische dieren,’ zegt Tipton. De homo sapiens is geëvolueerd op equatoriale vlakten, vertelt hij. We voelen ons prettig bij een omgevingstemperatuur van rond de 28 graden. Daarom zijn we in koelere klimaten al vroeg huizen gaan bouwen en kleren gaan dragen. In koud water springen is dan ook een behoorlijke schok, waardoor het lichaam in actie komt: de vecht-of-vluchtreflex maakt dat je sneller gaat ademen om meer zuurstof op te nemen, en je hart gaat sneller kloppen. Op die momenten, vertel ik hem, wordt mijn huid gevoelloos, voelt mijn borstkas als een centrale verwarming en tintelt mijn hoofd van het licht.
‘Het lichaam reageert met stresshormonen,’ zegt Tipton. ‘Je ziet een toename van adrenaline en cortisol, je ziet veranderingen in de biochemische en hormonale reacties van de vecht-of-vluchtmodus. Je hartslag gaat omhoog, je ademhaling versnelt. Dat is waarom mensen zeggen: ‘Ik voel me energiek, ik ben scherp, ik ben daarna de hele dag helder.’
Een gebroken hart heelt langzaam; hoop is heel hardnekkig. Ik huil elke dag, soms met langzaam biggelende tranen, soms met heftige snikken. Ik ben labiel, bij het minste of geringste stort ik in. Ik laat een van onze blauwgerande wijnglazen op de stenen vloer vallen en veeg schreeuwend de scherven bij elkaar.
Ik schrijf in mijn dagboek: ‘een gevoel van totale verlatenheid overspoelt me, als een zoeklicht. Pijn, teleurstelling, verdriet; allemaal normaal, allemaal deel van het leven, van wat het betekent om mens te zijn. Maar ik ben moe. Ik schuif alles voor me uit, kom tot niets, haal alleen af en toe ergens een doekje over, doe een afwasje. Ik voel de lethargie opkruipen. En alles gaat kapot. Een kastdeurtje in de keuken hangt scheef, de elektrische blender komt niet in beweging, een strip van de dakbedekking heeft losgelaten. Hij klappert de hele nacht. Om vier uur ’s nachts klaarwakker, met een glas whisky. Slapeloze slaap, warrige dromen. Wakker worden met weer zo’n ellendige dag voor de boeg, gaan zwemmen.’
Begin november test ik de watertemperatuur met mijn keukenthermometer, en die geeft 12,3 graden aan. Ik trek mijn neopreen handschoenen aan. Maar het valt me op dat ik nu makkelijker het water in loop, zonder aarzeling.
Uit onderzoek is gebleken dat gewenning aan koud water niet zozeer een mentale aanpassing is als een fysieke. De effecten van wat wetenschappers ‘koudwatershock’ noemen – het aanvankelijke happen naar adem en de versnelde hartslag – worden telkens iets minder hevig. En je lichaam ‘herinnert’ zich deze bijgestelde reactie. Zelfs als je weken of maanden niet in koud water bent geweest is de schok niet zo groot als de allereerste keer.
Net als met verdriet is het een kwestie van je aanpassen aan een nieuwe situatie
Mensen die in een dikke jas met sjaal over de havenmuur lopen, roepen me toe: ‘Vous êtes courageuse!’ Maar zwemmen in koud water is geen kwestie van wilskracht of het overwinnen van geestelijke blokkades; het is geen kwestie van jezelf of de omstandigheden de baas worden. Net als met verdriet is het een kwestie van je aanpassen aan een nieuwe situatie, en net als met verdriet heeft het proces meer te maken met een natuurlijke gewenning dan met bewuste gedachten. Drie jaar na zijn dood mis ik papa nog altijd, maar inmiddels ontlokt de herinnering me eerder een glimlach dan tranen. Terwijl ik me leer aanpassen aan het koude water, begin ik zelfs te genieten van de aanvankelijke tinteling.
Ik krijg geregeld gezelschap van andere coronabannelingen in Locquirec. Jeff, een gepensioneerde politiecommandant; Jean, een andere gepensioneerde, die een huis aan de haven heeft en het lekker vindt om er heel even in te springen en er snel weer uit te komen; de gracieuze Anne, in een chic taupe badpak, en Kat, een Amerikaanse van in de dertig, getrouwd met een Fransman. Kat gaat het liefst een eind rennen voor ze het water in duikt. We noemen onszelf Les Penguins en Peignoirs omdat we ons in grote witte badlakens wikkelen zodra we uit het water komen. Het is voor ons allemaal de eerste winter dat we zwemmen. We zijn amateurs vergeleken met Les Bonnets Rouges, een groepje oudere dames met opvallende rode badmuts, die al vele jaren lang elke dag gaan zwemmen bij het strandje aan het einde van de baai.
Ik loop over het weggetje naar het strand, moe, met een zwaar gevoel en hangend hoofd. ‘Hoe gaat het?’ vraagt Jeff me. En ik antwoord: ‘Oké. Nou ja, niet echt.’
Inmiddels steekt de kou nog maar een paar tellen, een paar korte ademstoten, tot mijn borstkas in het water zakt en ik voel hoe de zee me omsluit, me drijvend houdt. Zelfs op grijze, grauwe dagen, flikkert het licht zilverig op het wateroppervlak. Mijn huid is zo gevoelloos dat ik geen idee heb van de temperatuur, maar ik voel wel speldenprikken en huiveringen en rimpelingen. Ik heb het zowel warm als koud, ik ben zowel verrast als heel kalm. Een melkwitte mist boven het water bij zonsopkomst, verblindende zonnestralen, glashelder water of schuim dat van de golven waait – ik zwem evengoed, mijn armen doorklieven het water, en Jeff zegt: ‘Ha, je lacht. Dat is beter!’ En zo is het, dit is hoe ik me voel, die kostbare tien minuten in zee.
Donkere decembermaand
’s Avonds steek ik het vuur in het fornuis aan, schenk wat te drinken in, kijk op Netflix naar Queer Eye, probeer te geloven in de mogelijkheid van transformatie, luister naar Adele, en huil. Brei zinnen aaneen tot verhalen. Lees de betere verhalen van anderen; word geraakt en huil weer.
Ik lees The Lost Cat van Mary Gaitskill. Het is een indringende novelle, messcherp, meedogenloos; hij raakt aan open zenuwen. De kat is natuurlijk een metafoor voor alles wat de hoofdpersoon is kwijtgeraakt en niet meer kan vinden. Ze vindt de kat niet meer terug. Ik huil weer.
Gek genoeg hangt het scheve keukenkastje na een paar weken ineens weer recht. Mijn buurman, die heel handig is, repareert de blender. Jeff komt langs en vult de kier tussen de loszittende strip en de dakrand met takjes en wijnkurken zodat de strip niet meer klappert, hoe hard het ook waait. Problemen lossen zich op. Alleen weet ik nog niet zo zeker of ik mijn eigen probleem kan oplossen. Mijn tekortkomingen houden me uit mijn slaap, sijpelen naar buiten, maken vlekken op mijn kussen, bezorgen me een gevoel van schaamte. Ik kan niet… ik ben niet… het lukt me niet.
Die hele donkere decembermaand regent het. Ik zak weg in konijnenholen op internet. Op een dag scrol ik door een fragment uit Obama’s memoires en kom ineens terecht in een interview van Steve Martin en Jerry Seinfeld. Seinfeld zegt: ‘Comedy is net zoiets als in de branding springen en proberen te zwemmen. Je moet je aanpassen aan krachten die jou overstijgen.’
Het grappige aan getijden – wat ik me pas realiseer als ik aan de kust ga wonen – is dat er geen peil op valt te trekken. Locquirec Bay verandert in een zandvlakte met eb (het moment om kokkels te zoeken), dus moet ik zwemmen als het vloed is. De tijd waarop het vloed wordt, verandert met de dag. De tijd dat het vloed blijft, verandert ook met de dag. De ene keer is het een half uur later vloed dan de dag ervoor, soms wel twee uur later. En bovendien verandert het waterpeil zelf ook telkens. Soms komt de zee met vloed maar tot halverwege het strand; een paar dagen later is er geen strand meer te bekennen.
De zee is voorspelbaar en onvoorspelbaar tegelijk, elke dag weer anders, maar ook elke dag mijn kompasnaald, mijn bestemming
Om het beste moment en de beste plek te vinden om te zwemmen, moet ik getijdetabellen en coëfficiënten bestuderen, kijken hoe laat de zon opkomt en ondergaat, kijken uit welke richting de wind komt, afstemmen met Les Penguins en Peignoirs en het schema van Les Bonnets Rouges. Ik heb al twintig jaar de gewoonte om van ’s ochtends negen tot ’s middags twee te schrijven, maar dat kan ik nu wel vergeten. Ik moet leren flexibeler te worden, mijn vaste gewoonten en houvasten los te laten, me te laten meevoeren op de stroming van eb en vloed.
De golven zwellen aan en spatten in mijn gezicht, dragen me op hun toppen als de adem van een grote, goedaardige reus. De zee is voorspelbaar en onvoorspelbaar tegelijk, elke dag weer anders, maar ook elke dag mijn kompasnaald, mijn bestemming. En ook een alledaagse tautologie: je doet dingen door ze te doen. Soms ben ik tot weinig meer in staat dan zwemmen. Er zijn kalme dagen waarop het water kristalhelder is en er zijn dagen dat de zee woelig is, zanderig. Het weer is ook voortdurend aan verandering onderhevig. Het ene moment word ik gegeseld door hagelstenen, het volgende moment is het stralend weer. Voor mij persoonlijk is hoop een soort wassende en afnemende maan, maar dan eentje die een geheel eigen ritme volgt. Ik leer om de slechte tijden uit te zitten; uiteindelijk houdt het wel een keer op met regenen, er bestaat de kans dat morgen de zon zal schijnen en ik me beter voel.
Nog los van het weer krijg ik steeds meer oog voor het licht. Anne-Marie Caroff, de oprichtster en leider van Les Bonnets Rouges, zwemt al twintig jaar in zee bij Locquirec.
‘De lucht ziet er vaak grauw uit,’ zegt ze, ‘maar ook dan is er altijd wel ergens een stukje blauw.’ En ze heeft gelijk. Vanaf mijn bank kan het er buiten grijs en somber uitzien, maar als ik in het water lig, breekt er altijd wel ergens een zonnestraal door de wolken, schittert de zee in verschillende kleuren: roze met zonsopkomst, citroengeel in de winterzon, blauwig in de namiddag. Op heldere dagen verandert de zee in een schitterend turkoois en zwem ik over het gloeiende pad van de zon, ogen toegeknepen tegen het felle licht, lichaam gestold, gezicht verwarmd.
‘Het heeft iets heel intiems om op ooghoogte met het wateroppervlak te zijn,’ merkt Kat op.
Zonsopkomst
Op nieuwjaarsdag ga ik bij zonsopkomst zwemmen met Les Bonnets Rouges. Het is een grijze dag met veel donderwolken. We zijn met meer dan dertig, en de dames stuiven gillend en giechelend het water in. ‘Bonne année!’ ‘Bonne année!’ ‘Bonjour Wendy!’ ‘Ça va!’ ‘Elle est bonne! Elle est bonne!’ ‘Wat is het water lekker! O, wat is het lekker!’ Plotseling breekt in het oosten het wolkendek open. We zwemmen in de regen, met de zon op ons gezicht, en we zijn getuige van een uitzonderlijk natuurverschijnsel: een enorme dubbele regenboog.
Als ik vrienden vertel dat ik elke dag in zee zwem, reageren ze vaak met: ‘O, ken je die malle Nederlander, die koudwatergoeroe?’ Zodoende kijk ik naar de aflevering van Goop, Gwyneth Paltrows lifestyle-serie op Netflix, met Wim Hof, de beroemde Nederlandse kampioen onderdompelen in ijskoud water.
Hij zegt dat zijn regime van zwemmen in koud water en zijn ademhalingsoefeningen hem hebben geholpen over zijn verdriet heen te komen na de zelfmoord van zijn vrouw, en hij zegt dat hij zo zijn eigen immuunsysteem onder controle heeft gekregen. Hof is een eenenzestigjarige yogi met lang haar, een baard en een haast evangelische overtuiging. Zijn website belooft mensen gezondheid en geluk door het volgen van zijn ijsbadworkshops, onlinecursussen, apps en boeken. In de Netflix-aflevering springt de ene na de andere vrijwilliger in het vrieskoude water van Lake Tahoe, in Californië, het grootste zoetwatermeer in de Sierra Nevada. Als ze weer uit het water komen, lijken ze een ander mens. ‘Dit is echt next level shit,’ zegt er een.
De heilzame effecten van koud water worden veelvuldig bejubeld door de liefhebbers, maar er is weinig onderzoek naar gedaan. ‘Het gaat dan over het homeopathische, esoterische, Wim Hof-achtige spectrum,’ zegt Tipton. ‘Je krijgt nog eerder een onderzoek gefinancierd naar verdrinking.’ Wetenschappers houden zich al lange tijd veel meer bezig met de gevaren van koud water dan met de mogelijke heilzame effecten ervan.
Het leidt geen twijfel dat de stimulus van koud water in het hele lichaam hormonale en chemische veranderingen in gang zet – adrenaline, dopamine, serotonine, endorfine. We weten dat het metabolisme hierdoor versnelt, dat het aantal witte bloedlichaampjes een boost krijgt en dat na verloop van tijd en na herhaaldelijke blootstelling, ontstekingen worden tegengegaan – waarmee in theorie de afweer wordt opgepept en versterkt – al is niet helemaal duidelijk hoe dit precies in zijn werk gaat.
Door aan koud water te wennen, zou je beter in staat zijn andere stressvolle omstandigheden het hoofd te bieden
Er zijn veel aandoeningen en ziekten die worden veroorzaakt, of versterkt, door auto-immuunreacties en ontstekingen – boezemfibrilleren, slagaderverharding, chronische darmontsteking, suikerziekte, alzheimer, depressie; dus is het verleidelijk om te denken dat iets dat zo ruim, en gratis, voorhanden is als koud water, soelaas zou kunnen bieden.
Maar het onderzoek is mager en blijft anekdotisch. Koudwaterzwemmers zeggen dat ze minder ontstekingen hebben, dat ze minder last hebben van spierpijn en artritis; sommige zwemmers die kampen met angsten en depressie hebben melding gemaakt van verbetering, zozeer zelfs dat ze met hun medicatie zijn gestopt.
Maar er is vrijwel geen onderzoek naar gedaan welke specifieke aspecten van koudwaterzwemmen verantwoordelijk zouden zijn voor bepaalde effecten. Is een koude douche ook afdoende? Of is het beter om van top tot teen onder te gaan? En hoelang moet de blootstelling aan koud water duren: is een minuut voldoende, of moeten het er tien zijn? Een keer per week of elke dag? Wat is de juiste dosering?
Wat er ook precies gebeurt, de psychologische veranderingen lijken niet van tijdelijke aard. ‘Je zou kunnen stellen dat de aanpassing aan koude een component bevat die opgaat voor stress in bredere zin,’ zegt Tipton. Met andere woorden: door aan koud water te wennen, zou je beter in staat zijn andere stressvolle omstandigheden het hoofd te bieden. Tipton heeft experimenten gedaan door koudwaterzwemmers de bergen in te sturen (met behulp van simulaties) en hij kwam tot de conclusie dat ze regelmatiger ademden, minder zuurstof gebruikten en minder last hadden van de hoogte.
Ik zeg tegen Tipton dat me is opgevallen dat ik de laatste tijd rustiger ben, dat ik minder overstuur raak als ik, om maar iets te noemen, een glas laat vallen.
‘Zorgt het koude water ervoor dat ik in psychologisch opzicht minder gestrest ben over andere dingen, dus niet alleen over fysieke dingen zoals de temperatuur?’ vraag ik hem.
‘Heel eerlijk gezegd weet ik dat niet,’ zegt hij. ‘Maar ik twijfel er niet aan dat er een meer algemeen aspect aan dit alles zit. Alleen weten we niet precies wat dat is.’
Zwemmen met maanlicht
Anne-Marie Caroff heeft tachtig mensen op haar mailinglist staan voor Les Bonnets Rouges, van wie ongeveer de helft ook in de winter regelmatig zwemt. Zij ziet niet alleen fysieke voordelen, maar ook sociale voordelen. Les Bonnets Rouges heeft zich ontwikkeld tot een collectief van gelijkgestemden, ze geven elkaar wat ze over hebben van de oogst uit hun tuin: ’s zomers tomaten, ’s winters appels. Ze gaan samen vissen, ze zoeken naar mosselen of ze plukken zeekraal in het estuarium. Les Bonnets Rouges heeft de traditie in het leven geroepen van de eindejaarsduik, of de nieuwjaarsduik (afhankelijk van het moment waarop het hoogwater is) en inmiddels komen daar meer dan honderd mensen op af, om te zwemmen of wat rond te spetteren. Mensen nemen warme chocomelk mee, glühwein en zelfgebakken taart, en de plaatselijke krant stuurt een fotograaf. Aan het einde van de zomer is er een grote picknick – ‘het begint een beetje uit de hand te lopen,’ erkent Caroff. Iedereen neemt eten mee, en er komen zo’n vijftig, zestig mensen. Als het zomers volle maan is en het tij meezit, organiseren ze nachtelijke zwempartijen. ‘Met maanlicht is de zee echt op haar mooist,’ zegt ze.
Caroff vertelt me dat februari en maart de moeilijkste maanden zijn, dan is de zee op haar koudst. Maar hoe kouder het water in februari, hoe meer het trekt. Ik was ervan uitgegaan dat ik op zeker moment zou besluiten mijn wetsuit aan te trekken, maar dat is niet het geval. Het lijkt of mijn hersenen anders functioneren, alsof er nieuwe verbindingen zijn gemaakt. Ik heb jaren en jaren rondgelopen met een zekere zwaarte in mijn hoofd, een gevoel van niet goed genoeg zijn. Er is een lange lijst van dingen die me het gevoel geven dat ik klem zit, dat ik niets waard ben, ik ben alleen, afgesneden van mijn familie en vrienden door corona en brexit, ik teer in op mijn spaargeld, zit emotioneel aan de grond na een verbroken relatie – en toch voel ik me vaak op een merkwaardige manier fantastisch.
Ergens rond Valentijnsdag houd ik op met huilen. Ik houd op met schreeuwen en smijten en dingen kapotmaken als er iets tegenzit: een afwijzing van een uitgever, een aangebrande taart, de keer dat ik 200 euro in de pinautomaat heb laten zitten.
Mijn gedachten worden overgenomen, niet door de balsem van opwinding maar door een innerlijke spanning
Ik heb respect voor de kou, maar ik ben er niet langer bang voor. Op dezelfde manier leer ik mijn somberte en mijn teleurstellingen te respecteren, zonder er bang voor te zijn.
In februari komt er een koudegolf. Het ijzelt, auto’s glibberen de berm in. Aan het strand is het zand bevroren in richels, wit van de vorst. De lucht is zo ijzig dat de zee relatief warm aanvoelt, al geeft de thermometer 5 graden aan. Ik moet achteruit zwemmen omdat de wind sneeuw in mijn gezicht jaagt. Mijn gedachten worden overgenomen, niet door de balsem van opwinding maar door een innerlijke spanning, een gebalde focus van pure overlevingsdrift. Als ik uit het water kom, is mijn lichaam rood als een kreeft.
Ik had gedacht dat er een grens is aan wat ik aankon, maar nu wordt me duidelijk dat dat niet het geval is. Les Bonnets Rouges maken zich vrolijk over de sneeuwstorm: ‘Oef! Het was wel frisjes! Maar nu is het gelukkig weer 7 graden!’ Ik heb het ergste van de winter doorstaan. Ik koop narcissenbollen en zie ze vrolijk geel openbloeien.
Yann, een vriend van me in het dorp, heeft het zwaar, hij heeft multiple sclerose. Hij is in de veertig en in het verleden surfte hij de hele winter door, werkte hard voor zijn gezin en zorgde voor zijn zesjarige tweeling; nu is hij uitgeput, zowel lichamelijk als geestelijk. Als hij na een aanval terugkeert uit het ziekenhuis weet ik hem over te halen mee te gaan zwemmen. Het zeewater is inmiddels een milde 9 graden, koud genoeg om oningewijden af te schrikken, dus ik zegt dat hij beter een wetsuit kan aantrekken.
Verkwikkend
‘GODVER wat is dit koud!’ roept hij, terwijl hij tot aan zijn middel het water in waadt. Een paar minuten later laat hij weten: ‘Het wordt al iets beter.’ Nog weer een paar minuten later ligt hij te dobberen. ‘AIIEE! Het is koud als het bij je nek naar binnen druppelt!’
‘Tja,’ zei ik plagerig. ‘Als je geen wetsuit draagt, heb je daar allemaal geen last van.’
Yann gaat de volgende dag weer zwemmen, en de dag erna ook. Elke dag wordt het ietsje makkelijker, precies zoals het bij mij ging. Elke keer zegt hij na afloop dat hij zich een stuk beter voelt – ‘super bien’ – en met een glimlach verlaat hij het strand. ‘Het is verkwikkend! Zelfs als ik denk dat ik moe ben,’ zegt hij, ‘maakt de zee me wakker.’
Caroff erkent dat ze zonder meer verslaafd is. Misschien komt het door alle endorfine, maar naarmate de weken verstrijken merk ik dat het zwemmen steeds minder gaat over de kou, over het trotseren van de kou, maar meer en meer over de waardevolle minuten van verwondering. Ik ervaar een lucide zuiverheid. Ik begin te begrijpen dat het een soort mediteren is, een overgave aan de fundamentele elementen water en licht – en schoonheid: de regen die een grijze sluier over de hele baai legt, de regendruppels die opspatten van het wateroppervlak, de meeuwen die laag over scheren en de aalscholvers met hun sierlijke parabolen. De golven rijzen op, ik sluit mijn ogen tegen het felle zonlicht.
Caroff vertelt me dat ze zelfs na twintig jaar zwemmen nog elke keer verbaasd staat van zichzelf. ‘Soms pak ik mezelf dik in om de hond uit te laten, compleet met jas en sjaal en muts, en vijf minuten later sta ik dan in alleen mijn badpak op het strand – het is bijna alsof het buiten mezelf om gebeurt. Heel vreemd.’
In zee ben ik een raadsel voor mezelf. Ik heb geen idee hoe ik hier ben gekomen, of waar ik mee bezig ben. Het enige wat ik doe is zwemmen en me verwonderen.
Amazon boekte in 2020 een omzet van 44 miljard euro in Europa, maar betaalde geen cent vennootschapsbelasting. Volgens eigen woordvoerders leveren ze wel degelijk een belangrijke bijdrage aan de samenleving.
Er zijn nieuwe vragen gerezen over de belastingmoraal van Amazon nadat het Luxemburgse jaarverslag onthulde dat het bedrijf in 2020 in Europa een recordomzet van 44 miljard euro had geboekt, maar geen cent vennootschapsbelasting afdroeg aan het groothertogdom.
Uit het jaarverslag van Amazon EU Sarl, de Luxemburgse tak van het bedrijf dat producten levert aan honderden miljoenen huishoudens in Europa, blijkt dat er ondanks een recordomzet een verlies van 1,2 miljard euro is geleden, zodat het bedrijf van belasting werd vrijgesteld. Sterker nog, het ontvangt een belastingaftrek van 56 miljoen euro bij eventuele winst in de toekomst. Het gaat om 2,7 miljard euro aan overgedragen verliezen, die op toekomstige winsten in mindering kunnen worden gebracht.
De Luxemburgse tak, die de verkopen afhandelt aan Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, Polen, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden, heeft 5262 mensen in dienst, wat neerkomt op een omzet van 8,4 miljoen euro per werknemer.
Oorverdovend
Margaret Hodge, een parlementslid van de Labour Party dat al lange tijd campagne voert tegen belastingontduiking, zegt: ‘Het lijkt erop dat Amazons schaamteloze belastingontduiking onverminderd doorgaat. De inkomsten van het bedrijf zijn tijdens de pandemie de pan uit gerezen terwijl onze winkelstraten worstelen met hun voortbestaan, en toch blijven ze hun winsten naar belastingparadijzen als Luxemburg sluizen om een eerlijke belastingafdracht te vermijden. Deze grote digitale bedrijven zijn allemaal afhankelijk van onze openbare diensten, onze infrastructuur en onze goed opgeleide en gezonde arbeidskrachten. Maar anders dan kleinere bedrijven en hardwerkende belastingbetalers weigeren de techreuzen hun steentje bij te dragen aan de publieke zaak. De Amerikaanse president Biden heeft een nieuw, eerlijker systeem voorgesteld voor het belasten van grote digitale bedrijven, maar het Verenigd Koninkrijk heeft zich nog niet achter de hervormingen geschaard. De stilte hier is oorverdovend. De Britse regering moet deze unieke kans aangrijpen om belastingontduiking door grote bedrijven naar het verleden te verbannen.’
‘Amazon betaalt niet alleen nu geen belasting, maar zal dat ook de komende jaren niet doen‘
Paul Monaghan, bestuursvoorzitter van de Britse Fair Tax Foundation, zegt: ‘Deze cijfers zijn ontstellend, zelfs voor Amazon. We zien overal ter wereld een exponentieel groeiende marktdominantie die grotendeels onbelast blijft, waardoor lokale bedrijven die voor een verantwoordelijker benadering kiezen op een schandalige manier worden ondermijnd. Het overgrote deel van het geld dat Amazon in het VK verdient vloeit naar de zwaar verliesgevende poot in Luxemburg, wat betekent dat ze niet alleen nu geen noemenswaardige belasting betalen, maar dat ook de komende jaren niet zullen doen.’
Uit het jaarverslag van Amazon EU Sarl in Luxemburg blijkt dat de omzet van 32 miljard euro in 2019 in 2020 is gestegen met 12 miljard euro. Het verslag, dat maar 23 bladzijden telt, splitst niet uit hoeveel geld Amazon in elk afzonderlijk Europees land heeft verdiend.
Maar uit het Amerikaanse jaarverslag van Amazon blijkt dat de omzet in het VK vorig jaar met 51 procent is gestegen tot een recordbedrag van 21,7 miljard euro. De winkels waren het grootste deel van het jaar gesloten vanwege de lockdown en het thuiswerken stuwde het gebruik van Amazon Web Services, het cloudplatform van het bedrijf, op tot ongekende hoogten. Maar hoeveel belasting daar het afgelopen jaar is betaald, blijft onvermeld. In 2019 betaalde het bedrijf, dat oprichter en CEO Jeff Bezos inmiddels een privéfortuin van 164 miljard euro opleverde, in het VK 339 miljoen euro belasting over een omzet van ruim 14 miljard.
1,2 miljard
1,2 miljard verlies leidde Amazon in Europa, ondanks een recordomzet van 44 miljard euro
De 22,5 miljard euro die klanten in het VK in 2020 bij Amazon besteedden is ongeveer het dubbele van de omzet van Marks & Spencer, het 137 jaar oude Britse warenhuis, en benadrukt hoe de coronapandemie een revolutie heeft ontketend in onze manier van winkelen en een bedreiging vormt voor de toekomst van onze winkelstraten. Vorige week meldde Amazon zijn grootste kwartaalwinst aller tijden: 6,6 miljard euro over een omzet van 89 miljard.
Een woordvoerder van Amazon zegt: ‘Amazon betaalt alle verschuldigde belasting in ieder land waar we actief zijn. Vennootschapsbelasting is gebaseerd op winst, niet op omzet, en onze winst blijft laag vanwege onze grote investeringen en de geringe winstmarge in de uiterst concurrerende detailhandel. We hebben sinds 2010 meer dan 78 miljard euro in Europa geïnvesteerd, en een groot deel van die investeringen betreft infrastructuur die vele duizenden nieuwe banen heeft opgeleverd, aanzienlijke bedragen aan lokale belasting genereert en kleine Europese bedrijven ondersteunt.’
Doug Gurr, onlangs vertrokken als directeur van Amazon.co.uk, legt uit dat ‘de website Amazon.co.uk wordt beheerd door Amazon EU Sarl, een in Luxemburg gevestigde entiteit die het Europese hoofdkwartier van Amazon vormt’.
Jean-Claude Juncker, de toenmalige premier van Luxemburg had persoonlijk zijn steun aan Amazon aangeboden
Er wonen maar iets meer dan zeshonderdduizend mensen in Luxemburg, maar toch hebben veel van de grootste bedrijven ter wereld er hun hoofdkwartier. Amazon arriveerde in 2003 en sloot binnen enkele maanden een vertrouwelijke overeenkomst met de Luxemburgse belastingdienst.
Bob Comfort, tot 2011 hoofd Belastingen bij Amazon, zei tegen een Luxemburgse krant dat Jean-Claude Juncker, de toenmalige premier van het land en de voormalige voorzitter van de Europese Commissie, persoonlijk zijn steun aan Amazon had aangeboden. ‘Hij zei gewoon: “Als jullie onoplosbare problemen tegenkomen, zeg het me dan. Dan probeer ik jullie te helpen.”’ Comfort werd later tot honorair consul van Luxemburg in Seattle benoemd, waar het Amerikaanse hoofdkwartier van Amazon is gevestigd.
Fiscale ondergrens
Vorige maand heeft Joe Biden plannen voorgelegd aan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, een club van voornamelijk rijke landen, om het wereldwijde belastingsysteem ingrijpend te herzien en onder andere een minimaal belastingtarief in te voeren om te voorkomen dat multinationals gebruikmaken van mazen in de wet. Duitsland en Frankrijk steunen de plannen, maar het VK hult zich in stilzwijgen. Washington dringt al lange tijd aan op wereldwijde verdragen die ervoor zorgen dat machtige multinationals een fatsoenlijk bedrag aan belasting betalen. Volgens het voorstel van de Amerikaanse president zouden grote techbedrijven voortaan belasting moeten betalen aan nationale overheden op basis van de omzet die ze in elk land genereren, ongeacht het land waar ze statutair gevestigd zijn.
Ook zou er wereldwijd een fiscale ondergrens moeten worden afgesproken. De VS hebben een tarief van 21 procent voorgesteld, al zou dat een struikelblok kunnen vormen omdat het hoger is dan het wettelijk minimum in sommige landen, waaronder Ierland, Hongarije en het Caraïbisch gebied. Bezos, de rijkste man ter wereld, juichte Bidens plannen toe en zei dat Amazon achter een verhoging van de vennootschapsbelasting stond.
Amazon is niet de enige multinational die ingewikkelde bedrijfsstructuren creëert om belasting te ontduiken. De zes grootste Amerikaanse techbedrijven – Amazon, Facebook, Google, Netflix, Apple en Microsoft – zijn ervan beschuldigd het afgelopen decennium voor 82 miljard euro aan belasting te hebben ontdoken, aldus een rapport van de Fair Tax Foundation. Stuk voor stuk zeggen ze keurig aan hun belastingverplichtingen te hebben voldaan.
Het rapport wijst Amazon aan als de grootste zondaar. Het bedrijf zou dit decennium tot nu toe slechts 2,8 miljard euro belasting hebben betaald, ondanks een omzet van 788 miljard en een winst van 21,9 miljard.
Volgens de Fair Tax Foundation betekent dit dat Amazons werkelijke belastingtarief het afgelopen decennium 12,7 procent bedroeg, tegen 35 procent voor de gehele VS in diezelfde periode.
Volgens Amazon wekt het rapport een ‘verkeerde suggestie’ en heeft het bedrijf ‘in de periode 2010-2018 in werkelijkheid 24 procent aan belasting afgedragen’.
TOCH GEEN VAKBOND VOOR AMAZON
Werknemers in het Amazon-pakhuis in de stad Bessemer in Alabama, streden dit voorjaar voor de eerste vakbond binnen het bedrijf. Als deze er zou komen, zouden er meer volgen, was de verwachting. De werknemers in Bessemer verdienen meer dan het door de Democraten gewenste minimumloon van 15 dollar per uur, maar klagen over werkdruk en gebrek aan privacy: ze worden voortdurend in de gaten gehouden en hebben per tien uur maar twee keer een half uur pauze.
Onder aanvoering van vakbondleider Stuart Appelbaum zag het er rooskleurig uit, maar toen de stemming begin april plaatsvond, keerde onverwacht ruim twee derde van de werknemers zich tegen het besluit: 1.798 versus 738. Ook werden zo’n vijfhonderd stemmen terzijde gelegd, vooral door Amazon, omdat er iets mis zou zijn met de formulieren.
Volgens Appelbaum heeft Amazon de werknemers verkeerd geïnformeerd en geïntimideerd. Amazon voerde campagne tegen de vakbond door te zeggen dat de werknemers contributie moesten gaan betalen – wat niet klopte, want de lidmaatschapsbijdrage is in Alabama niet verplicht. Via verplichte anti-vakbondsbijeenkomsten, via sms-jes en via stickers op de wc kregen de medewerkers te zien en te horen dat ze ‘het winnende team’ niet moesten verlaten.
Ook zouden bij een stembus die op het terrein van Amazon werd geplaatst, stemmers in de gaten zijn gehouden.
Stuart heeft zich er nog niet bij neergelegd. ‘We laten Amazons leugens, bedrog en illegale activiteiten niet onbeantwoord’, aldus de voorzitter.
In de Japanse media was deze week volop aandacht voor de drievoudige ramp in Fukushima, tien jaar geleden. Wat ging er mis, hoe vordert de wederopbouw en hoe gaan de overlevenden met het trauma om?
Vorige maand, op 13 februari iets na elf uur ’s avonds, werden de inwoners van de noordoostelijke kustprovincies van Japan opgeschrikt door een zeebeving van 7,3 op de schaal van Richter, vlak voor de kust van Fukushima. Ze vreesden het ergste. Maar dit keer bleek het mee te vallen: er vielen één dode en 185 gewonden, de schade aan gebouwen en infrastructuur was te overzien en – heel belangrijk – er kwam geen tsunami. Maar voor de mensen in de Tohoku-regio was het een angstig moment en een pijnlijke herinnering aan die alles verwoestende natuurramp van tien jaar geleden, zo schrijft de Asahi Shinbun.
Die zeebeving van 11 maart 2011 was met een kracht van 9.0 op de schaal van Richter de op drie na grootste beving in de geschiedenis van de seismologie. Door de schok werd de aardas zeseneenhalve centimeter verschoven en kwam Japan vier meter dichter bij Amerika te liggen. Bij de tsunami die daarop volgde, kwamen meer dan 18.000 mensen om het leven. Een half miljoen mensen werd uit hun woning verdreven. Bij drie reactoren van de kerncentrale Fukushima Dai-ichi vond een kernsmelting plaats en door waterstofexplosies werd radioactief materiaal in de wijde omgeving verspreid. Het was het ernstigste nucleaire ongeval ter wereld sinds Tsjernobyl in 1986.
Wederopbouw
Japan is gewend aan aardbevingen en er goed op voorbereid. Het land heeft de hoogste normen ter wereld voor aardbevingbestendig bouwen, ook voor kerncentrales, en dankzij regelmatige drills weten de mensen precies wat ze moeten doen als de aarde begint te trillen. Hoewel dit de hevigste beving was in Japan sinds de metingen in 1900 begonnen en de materiële schade enorm was, zijn er als gevolg van de aardbeving zelf maar weinig doden gevallen. Datzelfde geldt voor de fall-out van de kernramp in Fukushima.
Dit aspect van de drievoudige ramp trok nationaal en wereldwijd weliswaar de meeste aandacht, maar tot dusverre zijn er geen slachtoffers gemeld van stralingsziekte, en ook van een verhoogd langetermijnrisico op aan straling gerelateerde kanker is volgens een recent rapport van het Wetenschappelijk comité van de Verenigde Naties inzake de gevolgen van atoomstraling (UNSCEAR), anders dan in het geval van Tsjernobyl, geen sprake.
De tsunami eiste verreweg de meeste slachtoffers. De beelden gingen in real time de wereld over. Het was de eerste keer dat een dergelijke natuurramp live werd gefilmd: een helikopter van de Japanse staatstelevisie NHK kon nog net opstijgen voordat het vliegveld van de kustplaats Sendai door de aanstormende golven werd verwoest.
De regio, die vóór de ramp al kampte met vergrijzing, leegloop en economische neergang, telt nu nog minder mensen en bedrijvigheid dan voorheen
Op donderdag 11 maart werd de ramp in heel Japan herdacht. In een plechtige ceremonie in Tokio betuigde premier Suga namens de regering zijn medeleven aan de nabestaanden van alle slachtoffers en vermisten, inclusief de bijna vierduizend mensen die de afgelopen tien jaar na hun evacuatie uit het getroffen gebied zijn overleden als gevolg van aan de ramp gerelateerde psychische of lichamelijke aandoeningen. Keizer Naruhito en Keizerin Masako bezochten het rampgebied eerder deze week en waren ook bij de ceremonie aanwezig.
In de Japanse media werd de afgelopen weken uitgebreid stilgestaan bij de ramp en de ontwikkelingen nadien. Sinds 2011 is er hard gewerkt aan de wederopbouw van de regio, het afgraven van door radioactieve neerslag besmette grond en de ontmanteling van de kerncentrale in Fukushima. Dat laatste is een uiterst complex proces waarvoor de overheid nog 20 tot 30 jaar nodig denkt te hebben en waarvoor de technologie deels nog moet worden ontwikkeld, volgens de Japan Times. Er is meer dan 30 triljoen yen (ca. 250 miljard euro) geïnvesteerd in woningbouw en het herstel van wegen, bruggen en vliegvelden en aan de aanleg van een nieuwe, hoge zeewering over een lengte van meer dan 400 kilometer.
Maar hiermee zijn de problemen zeker nog niet opgelost. Volgens de Asahi Shinbun verblijven er op dit moment nog 2000 mensen in tijdelijke opvang en zijn ongeveer 40.000 van de half miljoen evacués nog niet of niet meer teruggekeerd naar hun regio. De regio, die vóór de ramp al kampte met vergrijzing, leegloop en economische neergang, telt nu nog minder mensen en bedrijvigheid dan voorheen. De nieuw gebouwde appartementen staan voor een deel nog leeg, omdat de oorspronkelijke bewoners er niet meer terug willen keren, inmiddels elders zijn gesetteld of zijn overleden.
Een deel van het gebied rond de kerncentrale in Fukushima is nu nog verboden terrein, maar ook de gemeenten die weer veilig zijn verklaard hebben nog maar 20 procent van het oorspronkelijke aantal inwoners. De komende jaren zal er nog veel moeten gebeuren om dit gebied nieuw leven in te blazen en vooral om de trauma’s te helen en de bevolking ervan te overtuigen dat het er echt veilig is. Pas onlangs stelde het Hooggerechtshof tienduizend evacués in het gelijk en bevestigde dat de overheid en beheerder Tepco medeverantwoordelijk waren voor de ramp, meldt de Japan Times. Al in 2009 was er gewaarschuwd voor het gevaar van een tsunami voor de elektriciteitstoevoer van het koelingssysteem van de reactoren, en zijn maatregelen uitgebleven.
Tragische fout
In de media verschenen ook veel persoonlijke verhalen. Zo schrijft Asahi Shinbun over Eiki Okuyama, die zijn moeder op 10 maart dit jaar eindelijk kon begraven, nadat haar stoffelijk overschot in februari was gevonden en via DNA-onderzoek kon worden geïdentificeerd. In de Japan Times is een fotoverslag te vinden over de witte telefooncel van meneer Sasaki, waar inmiddels 30.000 mensen troost vonden in een telefoongesprek met hun overleden geliefden.
En dan is er het trieste verhaal over de Okawa Basisschool in het dorpje Kamaya, in Ishinomaki, waar 74 kinderen en tien leerkrachten door de tsunami werden meegesleurd. Jarenlang hebben de ouders zichzelf verweten dat ze niet met hun kinderen waren gevlucht, een naburige heuvel op. Ze hadden het advies van de schoolleiding gevolgd, en waren op de school gebleven, zo valt te beluisteren in een podcast van de Japan Times.
In deze telefooncel bellen overlevenden van de ramp met hun overleden dierbaren.
Toch was dat niet zo’n vreemde beslissing. De schoolgebouwen in Japan zijn volgens extra strenge normen gebouwd en liggen meestal op een plek die veilig is voor aardbevingen en tsunami’s. Dat bleek ook uit de cijfers: onder de meer dan 18.000 slachtoffers was er in het hele land nog maar één ander kind dat op het moment van de ramp op school was.
De dood van de kinderen en leerkrachten in Kamaya was het gevolg van een tragische fout: in het crisisplan van de gemeente was de school aangemerkt als vluchtplaats voor de dorpelingen, terwijl de school zelf werkte met een achterhaald noodplan, wat leidde tot chaos, misverstanden en paniek, met fatale afloop. De ouders zijn later door het Hooggerechtshof in het gelijk gesteld in hun zaak tegen de gemeente, maar na de toekenning van de compensatie bleef het muisstil in de rechtszaal. De ouders hadden hun kinderen er niet mee terug.
In april zal de school worden heropend als monument voor de slachtoffers, zo schrijft de Japan Times. Wie weet helpt dit de inwoners van Kamaya op termijn een beetje om in het reine te komen met hun immense verlies. Maar ook premier Suga erkende in zijn herdenkingsrede dat de wederopbouw in de getroffen regio weliswaar goed gevorderd is, maar dat de verwerking van het enorme trauma voor velen nog moet beginnen.
De Japan Times bracht de geleden schade overzichtelijk in beeld.
Elektronicareus Samsung is gestopt met de productie van de Galaxy Note 7, zonder te kunnen verklaren waarom sommige apparaten vlam vatten. Waarschijnlijk, zo schrijft de Zuid-Koreaanse krant Chosun Ilbo, is de fout te wijten aan bezuiniging op de onderdelen.
Een slechter moment is niet denkbaar. Terwijl de feestdagen in aantocht zijn, is de Galaxy Note 7, de nieuwe smartphone van Samsung met het grote scherm, waar het bedrijf zo trots op was, nog maar 59 dagen na zijn verschijning tot verdwijnen gedoemd. De droom van Samsung om Apple in het stof te doen bijten is in rook opgegaan. Het nieuws was even schokkend als het nieuwe product veelbelovend was. Het is waarschijnlijk de grootste crisis die de telefonietak van het bedrijf in dertig jaar meemaakt.
Het consumentenvertrouwen is tot het nulpunt gedaald vanwege de verwikkelingen: het ontploffen van smartphones, het terugroepen van apparaten, het opnieuw in de handel brengen en, uiteindelijk, een productiestop.
Toch mikte Samsung Electronics, wereldleider op het gebied van smartphones, met meer dan 300 miljoen verkochte apparaten per jaar, op kwaliteit. Iedereen herinnert zich de spectaculaire vernietiging van 150.000 telefoons en faxapparaten die in 1995 in het bijzijn van tweeduizend werknemers werd georganiseerd, met de belofte om ‘voortaan kwaliteitsapparaten te produceren die onze klanten zo gelukkig mogelijk maken’. De hele voorraad van de fabriek in Gumi, met een waarde van enkele tientallen miljoenen euro’s, werd massaal vermalen en vervolgens verbrand om het moreel op te vijzelen. Samsung overleefde op een markt waar na de verschijning van de iPhone in 2007 Motorola en daarna Nokia het loodje legden.
Zelfkritiek
De huidige crisis is van binnenuit gekomen, zonder enige bemoeienis van buitenaf. Wanneer is ze begonnen? En zal de Galaxy S8, waarvan de verschijning voor maart 2017 is voorzien, gespaard blijven?
‘Dat we ons hebben verlaten op een foutieve werkwijze en een gebrekkig systeem is het probleem van iedereen in onze draadloze telefonietak’, schreef een werknemer in een mea culpa op de site van het bedrijf nadat op 11 oktober de stopzetting van het model was aangekondigd. ‘Het is niet alleen de schuld van onze directeur Koh Dong-jin, maar van ons allemaal; wij zijn allemaal verantwoordelijk voor het huidige systeem’, verklaarde een andere werknemer.
Iedereen in de branche is het erover eens dat de obsessie met resultaten, zowel in de ontwerp- als de productiefase, de oorzaak is van de kwaliteitsafname. Om de kosten te drukken produceert het bedrijf sinds vorig jaar zelf de essentiële onderdelen van de smartphone, zoals het aanraakscherm of de NFC (Near Field Communication), een technologie waardoor twee apparaten op korte afstand contactloos met elkaar kunnen communiceren. Zulke onderdelen werden tot die tijd door toeleveranciers werden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de metalen behuizing, die vroeger bij KH Vatec werd gekocht. Voordat de Galaxy S6 werd uitgebracht werd een complete productielijn naar de Vietnamese fabrieken van Samsung verplaatst. Aan een computergestuurde machine om het metaal te snijden werd meer dan 1000 miljard won (800 miljoen euro) uitgegeven.
Deze eigenaar heeft dubbel pech: behalve zijn Galaxy Note 7 ging ook zijn jeep in vlammen op.
Tijdens het ontwikkelen van zijn eigen productiesysteem heeft Samsung Electronics ook gebroken met wereldwijd bekende fabrikanten van halfgeleiders, zoals Synaptics, ST Microelectronics en NXP. ‘Het probleem is dat Samsung met alle geweld de kosten wilde verlagen, terwijl het onvoldoende kennis had van de productie van chips, zodat men genoegen heeft genomen met smart-phoneonderdelen die hooguit accep-tabel waren,’ legt een Zuid-Koreaanse deskundige uit. ‘Het gerucht ging dat het bedrijf ook de technieken van zijn partners kopieerde, zodat die laatsten steeds minder zin hadden om met Samsung samen te werken.’
De essentiële onderdelen werden door de groep zelf gefabriceerd, voor de rest werd automatisch de voordeligste offerte geaccepteerd. Sinds vorig jaar vragen de Samsungfabrieken in Vietnam elke drie maanden nieuwe offertes op om de onderdelen zo voordelig mogelijk te kunnen inkopen.
Samsung Electronics had zijn bedrijfsvoering zodanig ingericht dat het zijn nieuwe modellen zo snel mogelijk kon uitbrengen om leider te kunnen blijven op een zich zeer snel ontwikkelende markt. De producten werden elk jaar vernieuwd, met gebruikmaking van de laatste technologische innovaties. Deze haast is waarschijnlijk de oorzaak geweest van de kwaliteitsafname.
Het merk heeft een marge van zes maanden om met een nieuw product te komen
De vlaggenschepen van het bedrijf zijn de Galaxy S8, die begin 2017 zal uitkomen, en een nieuwe Galaxy Note 8, die iets later wordt verwacht. Elk model wordt dus na een jaar vervangen, wat erg kort is voor het ontwerpen, de fabricage van onderdelen, het uittesten, het assembleren van het eindproduct en de marketing. Het merk heeft een marge van zes maanden om met een nieuw product te komen. Zodoende was het bedrijf op het moment dat de Galaxy Note 7 uitkwam al volop bezig met de opvolger. Van de Galaxy Note 7 moesten drie miljoen exemplaren per maand worden verkocht, oftewel twee keer zo veel als de Galaxy Note 5. Dat betekende dat de productie van onderdelen moest worden versneld.
De complexiteit van het productieproces van onderdelen heeft vermoedelijk bijgedragen aan de kwaliteitsafname. De wens om de kosten te drukken en de productiviteit te verhogen heeft het bedrijf ertoe gebracht onderdelen te gebruiken die door verschillende bedrijven in verschillende landen waren geproduceerd. Samsung Electronics heeft vorig jaar 324,8 miljoen telefoons verkocht. Voor elke smartphone zijn 700 tot 1000 onderdelen nodig, dus meer dan 300 miljard onderdelen per jaar. En dat met een uiterst krap tijdsbestek en een steeds gecompliceerder fabricage- en distributieproces naarmate de apparaten grotere schermen met een hogere resolutie krijgen.
Dat het bedrijf de radicale beslissing heeft genomen om te stoppen met de Galaxy Note 7 is om de schadelijke gevolgen voor de Galaxy S8 zo veel mogelijk te beperken. Het probleem met de ontploffende accu’s, dat funest was voor het imago van het merk, kon zich niet langer blijven voortslepen. Daarom heeft Samsung op eigen initiatief besloten met de productie te stoppen, voordat het daar door de autoriteiten toe zou worden gedwongen.
Zolang de problemen niet zijn opgelost, blijft onzeker wat de gevolgen van de crisis zullen zijn. De oorzaak van de ontploffing is nog steeds onbekend. Het is bijna een mysterie. Als reden wordt wel de isolatie van de accu genoemd, maar het bedrijf is er in werkelijkheid nog niet achter. Het gaat misschien om een minieme maar fatale ontwerpfout, die kennelijk moeilijk te achterhalen valt. Duidelijk is in ieder geval dat de tot dusver gebruikte methode om de producten te testen tekort blijkt te schieten.
Het fiasco van de Galaxy Note 7 komt Samsung duur te staan. Het terugroepen van het model zal 2,3 miljard dollar kosten, berekent het Zuid-Koreaanse bedrijf. De totale schade zal de komende zes maanden ongeveer 3 miljard dollar belopen. ‘Zuid-Koreanen zullen Samsung misschien trouw blijven, maar veel klanten in het buitenland niet,’ aldus een analist in de Financial Times. ‘Die zullen waarschijnlijk voor de iPhone 7 van Apple gaan, en de Chinezen zullen eerder voor toestellen uit eigen land kiezen.’
augustus 2016 Lancering van de grote smartphone Galaxy Note 7, die moet concurreren met de iPhone7 van Apple die in september zal uitkomen. Vanaf 24 augustus verschijnen op de sociale netwerken foto’s van beschadigde telefoons.
begin september Nadat er 35 Galaxy Note 7’s zijn ontploft roept Samsung 2,5 miljoen apparaten terug. Maar sommige vervangende smartphones vliegen ook in brand.
8 september De Amerikaanse luchtvaartautoriteit vraagt passagiers hun Galaxy Note 7 niet aan te zetten of op te laden aan boord van het vliegtuig en niet in hun ruimbagage te stoppen.
10-11 oktober Totale verkoop- en productiestop van de Galaxy Note 7. Uit veiligheidsoverwegingen vraagt het bedrijf mensen die nog een apparaat bezitten het uit te zetten.
Chosun Ilbo
Zuid-Korea | dagblad | oplage 2,4 miljoen chosun.com
De grootste krant van Zuid-Korea, opgericht in 1920, ontleent zijn naam aan de eerste Koreaanse staat en het laatste koninkrijk van het land (Chosun). Nadat de linkse regering van Kim Dae-jung het blad in 2001 fiscaal heeft laten doorlichten, is het nog conservatiever, anticommunistischer en liberaler geworden.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.