Tag: voetbal

  • ‘Deze vloedgolf van smaad is georkestreerd’

    ‘Deze vloedgolf van smaad is georkestreerd’

    Hoe de zoveelste diplomatieke crisis tussen Marokko en Algerije Abdeslam Ouaddou, voormalig aanvoerder van het Marokkaanse voetbalelftal, tot slachtoffer maakte van een grimmige lastercampagne.

    Het is een kerel wiens bescheidenheid en eenvoud door iedereen, zijn vijanden in-begrepen, worden geprezen. Een uitstekende voetballer die zijn berichten, brieven en e-mails altijd beëindigt met hoffelijke ‘sportieve groeten’. Abdeslam Ouaddou, voormalig aanvoerder van het Marokkaanse voetbalelftal, houdt zich totaal niet bezig met de politiek in zijn land. Hij heeft geen ideologische voorkeur en wanneer hij het over de koning heeft, bezigt hij het eer-biedige en gebruikelijke predicaat ‘Zijne Majesteit’.

    Nooit heeft hij onderwerpen aangeroerd als ernstige mensenrechtenschendingen door het Marokkaanse regime, de onderdrukking van de Sahrawi (het volk van de Westelijke Sahara), de wandaden tegen de mijnwerkers van Jerada, de activisten van Sidi Ifni, de leden van de protestbeweging Hirak in het noordelijke Rifgebied, die werden gemarteld en in de cel gegooid, de zware gevangenisstraffen voor journalisten, youtubers of doodgewone internetters, enkel omdat zij zogeheten gevoelige onderwerpen durfden aan te snijden.

    ‘We hebben niemand die ons vertegenwoordigt in het parlement’

    ‘Ik ben sportman, ik heb geen verstand van dat soort dingen,’ zegt hij, en daarmee is voor hem de kous af. Hij benadrukt dat hij zich als MRE (Marocain résidant à l’étranger, Marokkaan die in het buitenland woont) niet al te bewust is van wat er in zijn land gebeurt. ‘We hebben niemand die ons vertegenwoordigt in het parlement.’

    Als het om liefdadigheidsactiviteiten gaat, is het een ander verhaal. Toen Marokko in 2020 hard werd getroffen door corona, schonk Ouaddou 1 miljoen dirham (bijna 100.000 euro) aan een bijzonder fonds voor de beheersing van de pandemie. Hij is ook bepaald niet te beroerd om computers en tablets te schenken aan schoolkinderen in zijn douar (dorp) of andere gebieden in Marokko, om benefietwedstrijden ter plaatse te organiseren of om een gezin in financiële nood te helpen.

    Alles gegeven 

    Abdeslam was twee jaar oud toen zijn vader, die zich in 1970 in Frankrijk vestigde, hem in 1980 in het kader van de gezinshereniging liet overkomen. Zijn integratie in Frankrijk verliep naar verluidt voorspoedig. In een lokaal pupillenteam, werd hij opgemerkt door AS Nancy-Lorraine, dat hem inlijfde. Later speelde hij in Frankrijk onder meer voor Stade Rennais en Valenciennes FC. Ook in het buitenland bouwde hij een mooi cv op: hij kwam uit voor het Londense Fulham, voor Olympiakos Piraeus en voor andere grote clubs.

    Zijn carrière in Marokko begon in 1998 bij het Olympisch team dat deelnam aan de Spelen van Sydney, in de zomer van 2000. Daarna maakte hij zijn debuut voor het Marokkaanse elftal. ‘Tien jaar international, tachtig keer geselecteerd, een jaar lang aanvoerder: ik heb alles gegeven voor mijn team, voor mijn land,’ meldt hij telefonisch vanuit Nancy, zijn woonplaats in Frankrijk.

    Tijdens het toernooi om de Afrika Cup in 2004, in het Taïeb Mhiri-stadion in Sfax, Tunesië, scoorde de jonge Ouaddou in de 75ste minuut een doelpunt tegen Benin. Dat was een moment van groot geluk en trots. Een paar dagen later won zijn team in hetzelfde stadion afgetekend met 3-1 van Algerije. Marokko bereikte de finale, maar moest daarin buigen voor Tunesië: 1-2. 

    De eer was echter gered. Iedereen in Marokko besefte dat het nationale team een uitstekende prestatie had geleverd. Koning Mohammed VI nodigde staf en spelers uit in het koninklijk paleis in Agadir.

    In het vliegtuig naar Marokko viel het Ouaddou op dat de meeste van zijn teamgenoten een brief aan het schrijven waren

    Eén gebeurtenis uit die periode staat hem nog levendig bij. In het vliegtuig naar Marokko viel het Ouaddou op dat de meeste van zijn teamgenoten, ‘minstens 80 procent van de aanwezigen’, een brief aan het schrijven waren. Hij vroeg wat er aan de hand was en kreeg te horen dat de ontmoeting met de vorst een ideale gelegenheid was om een ‘verzoek’ in te dienen. Hij begreep er niets van. Desgevraagd legde een van zijn medespelers uit dat dit het moment was om het staatshoofd een gunst te vragen: onroerend goed, een licentie voor een taxi- of busbedrijf, een vergunning voor het een of ander, een voordeeltje.

    Deed hij mee aan deze bedelactie? ‘Nee!’ klinkt het stellig. ‘Ik had geen douceurtjes nodig. Ik verdiende goed bij mijn club (Stade Rennais) en van de Marokkaanse voetbalbond kon ik een bonus tegemoet zien voor mijn deelname aan de Afrika Cup. Ik vond toen, net als nu, dat er mensen waren die het harder nodig hadden dan ik.’

    Bovendien, benadrukt hij, was hij bereid om onbetaald voor Marokko te spelen. ‘De ontmoeting met Zijne Majesteit, die zei erg trots te zijn op de wijze waarop wij het land hadden vertegenwoordigd, was al een grote eer voor mij.’

    Belangeloze houding

    Deze in Marokko zeldzame belangeloze houding, zijn toewijding aan zijn team en zijn bescheidenheid konden hem in 2021 echter niet behoeden voor een agressieve campagne in de Marokkaanse pers en op sociale media. Hem werd verweten de kandidatuur van [de Algerijn] Kheireddine Zetchi voor hoofd van de Confédération Africaine de Football (CAF, de Afrikaanse voet-balbond) te hebben gesteund, in plaats van die van [zijn landgenoot] Fouzi Lekjaa. Hij werd gesommeerd zijn voorkeur voor de voorzitter van de Algerijnse voetbalbond boven de machtige baas van de Marokkaanse voetbalbond toe te lichten, maar weigerde tekst en uitleg te geven.

    En dat om één simpele reden: van Marokkaanse supporters wilde hij kritiek voor deze keuze naar eigen zeggen wel accepteren, maar de wekenlange belastering door een georganiseerde bende die ertoe opriep zijn Marokkaanse paspoort in te trekken en hem zijn Marokkaanse nationaliteit te ontnemen – dat ging hem veel te ver.

    Aan deze golven van haat heeft Ouaddou onprettige ‘herinneringen’ over-gehouden. Zo worden er online allerlei berichten gepost en opmerkingen geplaatst, vaak met kwaadaardige beelden en kwetsende woorden: ‘verrader’, ‘buitenlandse agent’, ‘klootzak’ en andere fraaie teksten – als hij al niet wordt vergeleken met een ‘aap’.

    8a32f734 7517 4270 b26c 6336f2d4c559Ik kon niet bevroeden dat onverdraagzaamheid en boosaardig racisme zo ingebakken, zo virulent zijn in mijn land’

    ‘Ik verkeer nog steeds in shock. Het is alsof mijn wereld is ingestort,’ klinkt het verbluft. ‘Ik kon niet bevroeden dat onverdraagzaamheid en boosaardig racisme zo ingebakken, zo virulent zijn in mijn land.’ En dan hij heeft nog niet eens gelezen wat er in het Arabisch over hem is geschreven.

    Net als zijn ouders is Ouaddou Berbertalig. Het Darija, een mix van Arabisch, Berbers, Frans en Spaans die de lingua franca is van veel Marokkanen, verstaat hij wel maar beheerst hij niet tot in de puntjes. Het Arabisch schrift kan hij al helemaal moeilijk ontcijferen. 

    Adressenlijst

    Om de lawine aan haat tot stilstand te brengen zocht Ouaddou in zijn adressenlijst de namen op van enkele Marokkaanse sportjournalisten, maar geen van hen reageerde. ‘Ze lieten me allemaal barsten. Niemand wilde me vragen stellen of was geïnteresseerd in mijn reactie of mijn kant van de zaak. Het was alsof ik van de ene op de andere dag niet meer voor hen bestond,’ verzucht hij.

    De honderden trollen op internet hebben maar één doel: hem vernederen

    Op sociale media probeert hij het gesprek aan te gaan met zijn criticasters, ook als ze hem hebben geschoffeerd. Tevergeefs: door het grote aantal tegenstanders ziet hij zich gedwongen de strijd te staken. De honderden trollen, de accounts van Moorish – een racistische en extreemrechtse clandestiene organisatie die zou zijn voort-gekomen uit de Marokkaanse geheime diensten – hebben maar één doel: hem vernederen.

    Maar vanwaar dan al dit tumult – vooral als je bedenkt dat de voormalige Algerijnse international Lakhdar Belloumi zichzelf zonder problemen kon uitroepen tot ‘ambassadeur van Marokko’ voor het WK van 2026?

    Antwoord: omdat Ouaddou in de zoveelste politieke en diplomatieke crisis tussen Marokko en Algerije beland raakte, over een eeuwigdurend conflict: dat van de Westelijke Sahara. Met deze keer als pikant extraatje het Marokkaanse besluit om de diplomatieke betrekkingen met Israël te normaliseren. Een soeverein besluit van het koninkrijk, dat door het buurland als een bedreiging wordt gezien, wegens – in de woorden van de Algerijnse regering – de ‘installatie’ van Israël voor haar deur. 

    Nog zo’n onderwerp dat, net als de mensenrechten, zijn pet te boven gaat, maar waarvan hij het belang wel degelijk inziet, gezien het enorme aantal bots onder zijn lasteraars. Het feit dat hij in de pers hevige kritiek te verduren kreeg van voormalige Marokkaanse internationals, bevestigt zijn bange vermoeden dat deze vloedgolf van smaad is georkestreerd.

    Deze oud-spelers, met wie hij ooit goed meende te kunnen opschieten, geeft hij lik op stuk. Noureddine Naybet? ‘Welk opleidingsniveau heeft deze meneer en wat doet hij tegenwoordig precies?’ Youssef Chippo? ‘Welke meerwaarde heeft hij gehad voor het Marokkaanse voetbal?’ Mustapha El Haddaoui? ‘Die is al vijftien jaar coach van het nationale beachvoetbalteam en voorzitter van de Marokkaanse Unie van Professionele Voetballers [UMFP]. Op welke resultaten mag hij zich laten voorstaan?’

    Wat Mohammed Sahil en anderen betreft: die zegt hij niet te kennen, maar hij neemt aan dat ze verplicht zijn hem aan te vallen om de ontvangen voordeeltjes te rechtvaardigen – dezelfde voordeeltjes die hij weigerde op te strijken na de wedstrijd tegen Tunesië in 2004.

    Ontslag

    Direct na zijn aankomst in Oujda kreeg Ouaddou te maken met spelers die staakten omdat ze hun loon niet uit-betaald kregen. Pijnlijker nog is dat hij beweert te zijn ‘geïntimideerd’ door de bestuurder van de regio Oriental, Mouaad Jamai, die hem naar verluidt tijdens een door de club georganiseerde lunch verweet dat hij de spelers steunde en ‘de club gijzelde’. 

    ‘De club gijzelen omdat spelers uit hun woning worden gezet vanwege een huurachterstand die ze buiten hun schuld niet meer konden ophoesten?’ vraagt hij ironisch. ‘Sommigen hadden niet eens genoeg te eten,’ zegt Ouaddou, die erop wijst dat ook hij en zijn staf niet werden betaald. Dit wordt bevestigd door de uitgebreide correspondentie tussen zijn Parijse advocaat, Alexis Rutman, en de directie van MCO.

    Zijn weigering om de plaatselijke bestuurder en de voorzitter van Mouloudia ter wille te zijn en te aanvaarden dat zijn contract van vier naar één jaar werd teruggebracht, leidde uiteindelijk tot zijn ontslag. Hij verliet de stad met een bittere smaak in zijn mond en nog een laatste leuke ‘herinnering’: een door de chauffeur van de spelersbus uitgelokt handgemeen, waardoor hij vijfentwintig dagen niet kon werken.

    ‘Waarom steun je de Algerijnen?’ ‘Ben je tegen de Marokkaanse Sahara?’

    Steunde Ouaddou daarom Zetchi in plaats van Lekjaa? De oud-international ontkent het ten stelligste. Bovendien, zo rechtvaardigt hij zichzelf, had hij ruim voor zijn aanstelling bij Mouloudia d’Oujda de Marokkaanse bond gevraagd of hij ergens stage mocht lopen om zo een trainersdiploma te kunnen behalen. Diverse keren schreef hij de bond aan, maar zonder resultaat.

    Daarop wendde hij zich tot de Algerijnse voetbalbond (FAF), via Djamel Belmadi, de coach van het Algerijnse nationale team. En zie, de deuren van de deze bond zwaaiden wél voor hem open. Dat viel niet goed bij een aantal bobo’s van het Marokkaanse voetbal. 

    De beschuldigingen op sociale media konden natuurlijk niet uitblijven: ‘Waarom steun je de Algerijnen?’ ‘Ben je tegen de Marokkaanse Sahara?’ 

    Maar, zo bezweert hij, hij wil echt een einde te maken aan deze zaak. Dat hij Zetchi steunde en niet Lekjaa, is niet uit ressentiment of wraak, maar puur uit sportieve overwegingen. Voor hem heeft de Algerijn een project in gedachten, een visie voor het Afrikaanse voetbal die hij volledig onderschrijft. Algerije won in 2019 de Afrika Cup met een nationaal team dat voor 70 procent bestond uit spelers uit de Algerijnse competitie; de Marokkaanse kampioen telde voor 98 procent spelers die in het buitenland actief waren. Van een jeugdopleiding die de kans op toekomstig succes van het Marokkaanse voetbal kon vergroten, was geen sprake. 

    Verduistering

    Daarnaast wijst Ouaddou erop dat Fouzi Lekjaa de secondant was van de Malagassiër Ahmad Ahmad, de voorzitter van de CAF die werd geschorst wegens ‘het aanvaarden en uitdelen van geschenken en andere voordelen’, ‘machtsmisbruik’ en ‘verduistering’. Die veroordeling maakte zijn herverkiezing onmogelijk.

    ‘Lekjaa heeft veel gedaan voor infrastructuur en stadions in Marokko, maar vergeten wordt dat hij voor Ahmad werkte, die een tekort van 10 miljoen euro in de schatkist van de CAF achterliet. Als we daarbij optellen dat er in Marokko duizend profspelers zijn uit de eerste en tweede divisie die geen sociale zekerheid hebben, dan geeft dat te denken,’ zo stelt een sportjournalist die anoniem wenst te blijven uit angst voor represailles. 

    En zoals Abdeslam Ouaddou hardop zegt, wekt dit enkel wrevel bij de Marokkaanse voetbalbond.

    En verder, zegt hij, terwijl hij zich excuseert omdat hij zijn vliegtuig moet halen: ‘Als Zijne Majesteit of de hoge autoriteiten van mijn land van mening zijn dat ik een verrader ben en dat ik het niet verdien om Marokkaan te zijn, dan ben ik bereid mijn paspoort bij het dichtstbijzijnde consulaat in te leveren’. 5ebda3b7 9ec1 4dd6 bb03 8006a0efa7b7

  • Van Pogba tot Mbappé: waarom Parijs zoveel voetbaltalent levert

    Van Pogba tot Mbappé: waarom Parijs zoveel voetbaltalent levert

    De regio Parijs brengt de laatste jaren meer voetbaltalent voort dan Azië, Afrika en Noord-Amerika bij elkaar. Sportjournalist en Financial Times-columnist Simon Kuper legt uit hoe dat komt.

     

    Keuze uit het archief

    De deze week overleden Braziliaanse voetballegende Pelé is de enige voetballer ooit die drie WK’s wist te winnen. Voetbalkenners zeggen dat de huidige Franse voetbalster Kylian Mbappé misschien wel de enige voetballer is die dat ook kan bereiken. Hij komt in ieder geval uit de juiste omgeving: de regio Parijs is een haast overstromende vijver aan voetbaltalent. In dit stuk uit 2018 ontdekken we waarom.

    Bijna tien jaar geleden noemde [Arsenal-coach] Arsène Wenger de regio Parijs de op een na beste leverancier van voetbaltalent, na het Braziliaanse São Paulo. Maar inmiddels staat de Franse hoofdstad onbetwist aan de top.

    Ziehier een paar hedendaagse spelers die in de Parijse regio zijn opgegroeid: Paul Pogba, Anthony Martial, N’Golo Kanté, Kingsley Coman, Blaise Matuidi en Kylian Mbappé, plus drie andere spelers die tot de vaste opstelling van Paris Saint-Germain behoren, de Algerijnse internationals Riyad Mahrez en Yacine Brahimi, en diverse Senegalese en Marokkaanse internationals die tijdens het komende Wereldkampioenschap zullen spelen. In feite brengt Île-de-France waarschijnlijk meer talent voort dan Azië, Afrika en Noord-Amerika bij elkaar. Hoe komt dat?

    Dat vraag ik me ook elk weekend af.

    Ik woon in Parijs en sta meestal op zaterdagochtend langs de lijn bij voetbalwedstrijden van mijn kinderen. Over het algemeen verlopen die ochtenden volgens een vast patroon: je propt je in iemands auto en rijdt naar een spartaans maar goed onderhouden sportcomplex in de banlieues, de buitenwijken. Mijn favoriete complex, in een banlieue die vroeger communistisch stemde, heet ‘Stade Karl Marx’. Gewoonlijk is het er ijskoud. De velden worden in de regel omringd door sjofele appartementencomplexen. De meeste Parijse banlieues zijn onaantrekkelijk, maar ondanks buitenlandse vooroordelen over deze regio zijn het geen verpauperde, van terroristen vergeven inferno’s. Saai is waarschijnlijk de beste omschrijving.

    Voetballende kinderen in de migrantenwijk Goutte d’Or in Parijs. – © Hollandse Hoogte
    Voetballende kinderen in de migrantenwijk Goutte d’Or in Parijs. – © Hollandse Hoogte

    Terwijl de kinderen zich omkleden, halen de ouders koffie, idealiter bij een lokale bakkerij of in het ergste geval bij een automaat in het clubhuis. Daarna komen er jongens van allerlei tinten uit de kleedkamers gestroomd. Op het hek rond het nieuwerwetse kunstgrasveld hangen vaak borden met ‘Fairplay’, dat in het Frans als één woord wordt geschreven. Tijdens de wedstrijd zie je meestal een aantal behoorlijk indrukwekkende passeerbewegingen. Je moet zelf de score bijhouden want aan het eind worden er geen uitslagen bekendgemaakt, doelbewust beleid van de voetbalbond om kinderwedstrijden niet uit de hand te laten lopen. Na afloop geeft iedereen elkaar een hand. Tegen lunchtijd kun je eindelijk naar huis om te ontdooien.

    De mars naar de voetbaltop van Île-de-France is geleidelijk verlopen. De meeste banlieues van de metropool werden in de naoorlogse decennia gebouwd; naarmate er meer mensen kwamen wonen, voornamelijk immigranten, en er meer sportcomplexen werden gebouwd en bemand, werd 
het plaatselijke voetbal beter.

    Aanvankelijk werd het meeste talent hier waarschijnlijk niet gescout. Geen van de spelers in het Franse team dat in 1984 het EK won groeide op in de Parijse regio. In 1998 telde het Franse wereldkampioensteam drie memorabele voortbrengselen van de Parijse banlieues: Thierry Henry, Patrick Vieira en Lilian Thuram. Tegenwoordig levert de regio in de regel meer dan een derde van het Franse team. Ondertussen was 27 procent van de spelers in het Franse eredivisieseizoen 2013-2014 geboren 
in Île-de-France, tegen 10 procent in 1995-1996, aldus Bastien Drut en Richard Duhautois in hun boek Sciences sociales football club.

    Alleen maar voetbal

    In 2016 vroeg ik Pogba tijdens een interview in Turijn waarom er zoveel talent is in de Parijse banlieues. Zijn antwoord: ‘Omdat er alleen maar voetbal is. Op school of buiten in de wijk, iedereen voetbalt. En dat helpt mensen om niet niks te doen of stommiteiten uit te halen. Elke dag is er de bal. En verder niks.’

    Het extreemste geval is misschien wel Les Ulis, een satellietstad van Parijs die zo geïsoleerd is dat je er niet eens een treinstation vindt. De plaatselijke voetbalclub heeft Henry, Martial en Patrice Evra voortgebracht.

    Pogba groeide op met zijn moeder en oudere tweelingbroers in de oostelijke satellietstad Roissy. Naast hun vroegere appartementencomplex is een klein sportveld, met basketbalringen en voetbalgoals. Dat is typerend: in deze dichtbevolkte voorsteden wemelt het op de speelplaatsen van de kinderen die aan hun krappe appartement ontsnappen om een balletje te trappen. Zelfs in het smartphonetijdperk oefenen velen van hen de talloze uren die nodig zijn om de top te bereiken, zonder dat ze worden afgeleid door vakanties of vioolles. Om diezelfde reden brengen Amerikaanse binnensteden basketbalsterren voort.

    Veel vaders in de Parijse banlieues wijden hun leven (meestal tevergeefs) aan het opleiden van hun kinderen tot voetbalmiljonairs. Pogba’s vader, een immigrant uit Guinee, trainde zijn drie zoons (die allemaal prof werden) met ballen die hij keihard had opgepompt, omdat hij dacht dat daardoor hun schotkracht zou verbeteren. In het arme Seine-Saint-Denis, ten noordoosten van Parijs, coachte ook de Kameroense vader van Mbappe zijn zoon, zowel thuis als op zijn plaatselijke club AS Bondy. Die combinatie is cruciaal. Zelfs de armste Franse banlieue beschikt over een door de staat gesubsidieerde sportclub met gediplomeerde trainers.

    Op een korte wandeling vanaf het vroegere appartementencomplex van Pogba bevindt zich de plaatselijke club, US Roissy. In een naar de grootse naam ‘Bureau Football’ luisterende ruimte hangen getekende shirts van alle drie de broertjes Pogba. Op de enige tribune van het hoofdveld vroeg ik Pogba’s vroegere jeugdtrainer, Sambou Tati 
(nu voorzitter van de club), of de kleine Paul altijd al prof wilde worden.

    ‘Alle jongens willen prof worden,’ zei Tati. ‘Het enige probleem was dat hij dribbelde. Dan zei ik: “Nee, Paul, zo verlies je tijd. Als je dat doet ben je geen goede speler.”’ En Tati imiteerde Pogba’s woeste reactie: ‘Waah!’ Maar Pogba leerde ervan, min of meer.

    In deze banlieues, misschien wel meer dan waar ook ter wereld, wordt talent verbeterd door een efficiënte, door 
de staat bevorderde sportstructuur. 
De beste buurtkinderen promoveren algauw naar het profcircuit. Volgens Jamel Sandjak, voorzitter van de bond van Paris-Île-de-France, is vergeleken met de rest van Frankrijk ‘het gemiddelde niveau hoger in Île-de-France 
en zijn de jongeren gemotiveerder om prof te worden. De profclubs hebben bijna overal in onze regio scoutingnetwerken.’

    Als Mbappe wat minder bedreven was geweest, zou hij waarschijnlijk hebben gespeeld voor het Kameroen van zijn vader, of voor het geboorteland van 
zijn moeder, Algerije

    Zo werd Pogba op zijn dertiende gerekruteerd door de voetbalacademie van Le Havre. ‘Ze hadden hem al lange 
tijd gevolgd,’ zei Tati. ‘Op de dag dat 
Le Havre hem contracteerde, wilde Le Mans hem ook hebben, maar ze visten achter het net.’ Op zijn vijftiende vertrok Pogba naar Manchester United.

    Tegenwoordig zou hij waarschijnlijk zijn gespot door een beter georganiseerd Paris Saint-Germain, dat ervoor zorgt geen enkel talent in de regio over het hoofd te zien. Maar ook de buitenlandse concurrentie snuffelt inmiddels rond. De allerbeste spelers stromen door naar Clairefontaine, de Franse nationale academie in de bossen ten zuidwesten van Parijs. Dankzij deze infrastructuur groeide Mbappe uit tot een angstaanjagende combinatie: een geboren atleet die de beste coaching ter wereld genoot. Hij dribbelt en scoort, maar hij kan ook passeren en doet zijn werk in de defensie.

    Als Mbappe wat minder bedreven was geweest, zou hij waarschijnlijk hebben gespeeld voor het Kameroen van zijn vader, of voor het geboorteland van 
zijn moeder, Algerije. Veel kinderen van Afrikaanse immigranten die het 
in Frankrijk niet redden kiezen voor een ander nationaal elftal. Pogba’s tweelingbroers zijn international bij Guinee, terwijl het Algerijnse team, 
dat zo goed presteerde tijdens het WK van 2014, voor driekwart uit in Frankrijk geboren spelers bestond. Senegal komt deze zomer in Rusland uit met een half dozijn spelers uit Île-de-France.

    In 2018 staat de Parijse talentenpoel voor twee grote uitdagingen. Frankrijk, aantoonbaar het getalenteerdste nationale team ter wereld, is van plan het WK te winnen. En Paris Saint-Germain hoopt zijn eerste Champions League te winnen met een team dat veel meer van eigen bodem is dan waarnemers willen geloven.

    Ondanks alle ophef rond Neymar maken keeper Alphonse Aréola (24), centrale verdediger Presnel Kimpembe (22), middenvelder Adrien Rabiot (22) en de 18-jarige Mbappe dit seizoen deel uit van de vaste PSG-opstelling – allemaal geboren in of rond Parijs. Als PSG oplettender was geweest, zou het nog een andere plaatselijke speler hebben gestrikt, Kingsley Coman, die op zijn negende naar de PSG-academie ging maar op zijn achttiende door Juventus werd weggepikt. (Een jaar later ging 
hij naar Bayern München.)

    Zelfs zonder hem zou een PSG-overwinning echt een Parijse overwinning zijn, die een licht-aubade door de Eiffeltoren zeker zou verdienen.

    Auteur: Simon Kuper
    Vertaler: Peter Bergsma

    ESPN
    VS | oplage 1.536.346

    In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.

  • Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Belarussische oppositieleider op intensive care

    » Militieleider schuldig bevonden in Capitool-proces

    Eerder zei het land nog dat er drie migranten waren omgekomen

    Volgens Hassan Al-Thawadi, verantwoordelijk voor de organisatie van het WK in Qatar, zijn er bij de bouw van stadions en andere infrastructuur voor het toernooi tussen de 400 en 500 arbeidsmigranten om het leven gekomen, schrijft CNN. De inschatting van Al-Thawadi is opvallend, omdat zowel Qatar als de FIFA in eerste instantie spraken van drie doden bij de voorbereiding van het toernooi.

    In een interview met Piers Morgan op TalkTV werd uitgezonden zei Al-Thawadi: ‘Ik heb het exacte aantal niet, dat is iets wat besproken is. Eén dode is te veel, zo simpel is het.’ Desondanks ligt de schatting van de Qatarese functionaris nog fors lager dan de 6500 arbeidsmigranten die volgens onderzoek van The Guardian zijn overleden.

    Vanwege mensenrechtenschendingen rondom de voorbereiding op het WK wordt het toernooi in Qatar gezien als zeer controversieel. Arbeidsmigranten uit landen als Bangladesh en Pakistan moesten bij aankomst hun paspoort inleveren, lange werkdagen in de brandende hitte draaien en kregen niet altijd hun salaris uitgekeerd. Daarnaast overnachtten ze op mensonterende plekken en kregen ze slecht te eten.

    Lees ook:

  • Controversieel WK eindelijk van start gegaan

    Controversieel WK eindelijk van start gegaan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Meesteroplichter Elizabeth Holmes veroordeelt tot

    » Twitter-implosie neemt ongekende vormen aan

    Zelfs in de laatste week kwamen er schandalen bovendrijven

    Na maanden van aftellen, controverses over de toewijzing aan het land, talloze onderzoeken over mensenrechtenschendingen en een over het algemeen zeer bekoeld enthousiasme over het aankomende toernooi, is het WK in Qatar van start gegaan. Het gastland trapte zelf af tegen Ecuador. De wedstrijd eindigde in 2-0 voor Ecuador.

    Zelfs in de laatste week voordat het WK Voetbal begon kwamen er nog schandalen boven drijven. Zo werd Qatar ervan beschuldigd meerdere Ecuadoraanse spelers te hebben omgekocht om zo hun eerste wedstrijd te winnen. En twee dagen voor de start van het toernooi besloot het gastland tóch alle alcohol in voetbalstadions te verbieden, schrijft de BBC: een hard gelag voor voetbalfans én voor Budweiser, de biersponsor van het toernooi die naar verwachting een schadeclaim bij voetbalbond FIFA gaat neerleggen.

    Ook de eerste dagen van het Nederlands elftal, dat maandag zijn eerste wedstrijd tegen Senegal speelt, stonden in het teken van de misstanden in Qatar. Twintig arbeidsmigranten uit onder meer Pakistan en Bangladesh waren welkom op de training en mochten een balletje trappen met de Nederlandse spelers.

    Lees ook:

  • Barçaleaks: de absurde eisen van Messi aan FC Barcelona

    Barçaleaks: de absurde eisen van Messi aan FC Barcelona

    El Mundo kreeg toegang tot e-mails en documenten uit de periode die eindigde met de ondergang van FC Barcelona en die de hebzucht onthullen van de spelers tegenover een zwak bestuur, met Messi, Piqué en Neymar voorop. ‘Het obstakel dat alles om zeep hield: 10 miljoen euro.’

    Een skybox in Camp Nou voor zijn gezin en dat van Luis Suárez; een privévlucht voor het hele gezin naar Argentinië met Kerstmis; 10 miljoen euro tekengeld; terugbetaling van de salarisbezuinigingen vanwege de pandemie in de komende jaren met een rente van 3 procent; kunnen vertrekken bij Barcelona wanneer gewenst voor het symbolische bedrag van 10.000 euro. 

    Dit zijn slechts enkele van de draconische voorwaarden die Leo Messi in juni 2020 stelde tijdens zijn rooftocht om het meest omvangrijke contract in de geschiedenis van de sport te verlengen – een contract dat hem al 74,9 miljoen euro netto per jaar opleverde – ten tijde van de verwoestende sociaaleconomische kaalslag door de pandemie. Dit blijkt uit een reeks e-mails tussen zijn vader en tevens zaakwaarnemer Jorge Messi, zijn advocaten, de voormalige voorzitter Josep Maria Bartomeu en de leiding van Barça. El Mundo had exclusieve toegang tot een enorme hoeveelheid documenten en e-mails die in bezit zijn van de gerechtelijke onderzoekers naar Barçagate. Dat onderzoek betreft ook andere grote sterren van de club van de afgelopen jaren, zoals Gerard Piqué en Neymar. Een ware Barçaleaks die de obscene hebzucht van de voetballers aantoont, met Messi als nummer één.

    ‘Laat ze maar het gewicht van het zwaard boven hun hoofden voelen’, schreef Messi’s vader in een van de e-mails aan Alfonso Nebot, directeur van het ‘Family Office Leo Messi’ (het kantoor dat de carrière en het fortuin van de Argentijn onder zijn hoede heeft) en de man die het fortuin van ’s werelds beste speler op dat moment beheerde. Bartomeu ging zelfs zover dat hij de reeks voorwaarden van de familie Messi aanvaardde: hij verlaagde de vertrekpremie van 700 miljoen euro naar 10.000 euro en maakte de betaling van de tekenbonus van 10 miljoen euro afhankelijk van de terugkeer van de clubinkomsten naar die van voor de pandemie. Maar voor de familie Messi was dit niet genoeg en zij braken de onderhandelingen af. De breuk tussen de twee partijen leidde kort daarna tot het versturen van de beruchte burofax [een door de Spaanse rechtbank erkende dienst voor het sturen van beveiligde documenten] met het verzoek te mogen vertrekken en daarop de regelrechte weigering van Bartomeu, aangezien de termijn van de vertrekclausule was verstreken.

    Maar er was nog een jaar te gaan voordat Messi’s kolossale contract, dat in 2017 was getekend, zou aflopen. Na het ontslag van de voorzitter en de komst van Joan Laporta, die ervoor had gepleit dat de Argentijn zou blijven, kreeg de speler te horen wat hij het minst had verwacht: nee. In tranen verliet Messi uiteindelijk de club die hem sinds zijn jeugd had gevormd.

    Draconische voorwaarden

    De echte onderhandelingen begonnen op 11 juni 2020. Om 18:28 uur stuurde Jorge Pecourt, een advocaat van Cuatrecasas, een e-mail aan Bartomeu, aan Óscar Grau, de CEO van de club, en aan Romàn Gomez-Ponti, hoofd juridische diensten. Een kopie ging naar Jorge Messi en Alfonso Nebot, hoofd van de ‘family office’ van de voetballer. In de mail stonden voorstellen om het grootste contract in de geschiedenis van het voetbal te verlengen dat Barcelona in totaal 555.237.619 euro kostte tussen 2017 en 2021, zoals El Mundo onthulde op 31 januari 2021.

    De wettelijke vertegenwoordiger van Messi vroeg om ondertekening van een nieuw miljoenencontract voor de duur van drie seizoenen, lopend van juli 2020 tot juni 2023, met ‘de mogelijkheid tot een eenzijdige verlenging door LM’. Het vaste salaris in het seizoen 2020/21 zou met 20 procent worden verlaagd vanwege corona, aldus het voorstel, met als voorwaarde dat ‘10 procent wordt terugbetaald in 2021/22 en nog eens 10 procent in 22/23, met een rente van 3 procent per jaar’. Ook werd geëist dat de uitstaande loyaliteitsbonus die al in oktober 2020 en juli 2021 in zijn contract was opgenomen, zou worden uitbetaald met ‘dezelfde rente als het vaste salaris’. Dat zou ook moeten gelden voor uitgestelde betalingen die na voltooiing van het nieuwe contract zouden worden gedaan.

    Een voorwaarde was ‘het sluiten van een overeenkomst met Rodrigo Messi’, de broer van de speler

    Alsof dat nog niet genoeg was, namen de Messi’s in hun lijst van eisen ook een tekenbonus op van 10 miljoen, ‘te betalen op 30/6/23’. Zij wilden ook een ‘belastingclausule’, waarbij alle in de nieuwe overeenkomst overeengekomen bedragen zouden worden verhoogd indien het belastingtarief zou stijgen, dit omdat het in de onderhandelingen om nettobedragen ging. Met andere woorden, als de regering op enig moment de belastingen zou verhogen, zou dat het probleem van de club worden en nooit van de Argentijnse voetballer.

    Uiteindelijk, aldus de advocaat in de e-mail, ‘hebben we de opzeggingsclausule geschrapt en daarvoor een symbolisch bedrag van 10.000 euro vastgesteld’. Op die manier verdween de goudenparachuteclausule van 700 miljoen euro, waarmee elke club te maken zou krijgen die Messi zou willen overnemen tijdens zijn contractperiode. Volgens de advocaat van Messi waren dit voorwaarden die al waren besproken sinds de eerste besprekingen in november 2019 begonnen. Maar hij voegde er nog twee voorwaarden aan toe.

    De eerste betrof hernieuwing van het contract van Pepe Costa, een medewerker van de club die dicht bij Messi stond. De eis was ‘de duur ervan aan te passen aan die van het contract van LM’. De andere voorwaarde was ‘het sluiten van een overeenkomst met Rodrigo Messi’, de broer van de speler, ‘om hem de nog openstaande commissies te betalen’. Rodrigo Messi had de speler Ansu Fati vertegenwoordigd en die relatie had tot andere conflicten met de club geleid.

    ‘Moge hij zijn hele carrière bij de club doorbrengen’

    Maanden eerder, op 4 mei, had Bartomeu al met de vader van de speler gesproken over een stevig ‘voorstel’. ‘U weet al sinds onze lunch in november dat we zijn contract willen verlengen en u zei me dat u een contractueel akkoord wilde bereiken over de toekomst van Leo. Dat contract loopt nu af in juni 2021, maar voor ons lijkt het perfect om een verlenging van telkens één jaar af te spreken middels een passage waarin staat dat Leo elk van de volgende seizoenen automatisch verlengt tenzij hij voor 30 april iets anders aangeeft.’

    ‘Je weet dat ik je altijd heb gezegd bereid te zijn om te praten en afspraken te maken over Leo’s betrokkenheid bij de club zodra hij besluit met pensioen te gaan,’ voegde Bartomeu toe aan Jorge Messi. ‘Dat hij als beste speler van de wereld zijn hele carrière bij zijn club blijft is iets heel positiefs, dat zijn grootsheid als mens bewijst. Ik zou hem graag vastleggen, maar ik weet dat er volgend jaar een nieuwe voorzitter zal worden gekozen.’ Al in die eerste e-mail vertelde de voorzitter de familie Messi dat ‘we een paragraaf in het contract zullen opnemen voor het geval in de toekomst de inkomstenbelasting zal stijgen’.

    Niet-onderhandelbaar

    Slechts één dag na ontvangst van het eerste voorstel, dat al vergezeld ging van voorlopige contractontwerpen, kwam Jorge Messi met eisen die hij op tafel legde als niet-onderhandelbaar. ‘Wat betreft de mogelijkheid dat Lionel deel blijft uitmaken van deze club: dat zal altijd afhangen van hoe het in de toekomst gaat en welke richting de wereld opgaat nadat dit is gebeurd,’ begon Jorge Messi raadselachtig. En vervolgens legde hij twee eisen neer: ‘Het vastleggen van de skybox die zijn familie en die van Suárez gebruiken’ en ‘het regelen van de vlucht nadat het seizoen is afgelopen’.

    De gesprekken gingen verder en op 19 mei vertelde de voorzitter van Barça aan Jorge Messi dat de eerste eisen zonder problemen waren geaccepteerd. ‘Ik heb met Óscar (Grau) gesproken en hij heeft me gezegd dat het klopt’ en dat ‘u ermee instemt om de skybox die de familie gebruikt op te nemen in het contract alsmede de vlucht aan het einde van het seizoen’.

    Het bestuur legde de familie Messi toen voor dat de economische situatie van de club zeer gecompliceerd was vanwege de pandemie

    De familie Messi kwam echter op 11 juni naar buiten met de volledige oorspronkelijke lijst van eisen. Van een nieuwe tekenpremie van 10 miljoen euro tot aan het opheffen van de opzegclausule door middel van compensatie met rente, mocht de club op enig moment besluiten de overeenkomst met de speler voortijdig te beëindigen. Maar ook de eis om naar believen over zijn beeldrechten te kunnen beschikken.

    Het bestuur legde de familie Messi toen voor dat de economische situatie van de club zeer gecompliceerd was vanwege de pandemie. ‘De inkomstendaling treft alle grote Europese clubs en de zorgen zijn enorm’, aldus de voorzitter tegen de vader van de speler. ‘We verliezen inkomsten uit de kaartverkoop, horeca, vip-boxen en ook de toestroom van toeristen zal maandenlang minimaal zijn waardoor onze inkomsten uit het museum en de winkels zullen worden aangetast,’ zei hij, haast smekend.

    ‘De daling van inkomsten zal zo’n 30 procent bedragen,’ benadrukte ook de CEO van de club tegenover Jorge Messi, en hij pleitte voor ‘een salarisvermindering van meer dan 20 procent die in de komende jaren zal worden gecompenseerd’. ‘Als een verlaging van 30 tot 40 procent mogelijk is, zou dat zeer gunstig zijn, mits dat door u kan worden gedragen en u er geen dagelijkse schade van ondervindt,’ aldus de Barça-chef verontschuldigend tegen de Messi’s.

    De reactie van de ondergeschikten van de speler op de pleidooien van de club was onverbiddelijk. Ze accepteerden alleen een salarisverlaging van ‘30 procent in het eerste jaar met rente’, lieten ze bij monde van hun advocaat weten, die ook aangaf dat er geen verdere concessies meer zouden worden gedaan: ‘Zoals u begrijpt is de inspanning van de familie erg groot omdat de vergoeding volgend seizoen aanzienlijk daalt, maar zowel Lionel als Jorge accepteren dit in het belang van de club.’ Met hun eisen als voorwaarde waren de Messi’s bereid ‘het contract aan te passen en zo snel mogelijk te ondertekenen’.

    Een veto met twee eisen

    Op 25 juni kwam de voorzitter met een definitieve uitspraak. Hij verzette zich tegen twee van Messi’s eisen: de intrekking van de opzeggingsclausule en de onmiddellijke betaling van de extra 10 miljoen tekengeld. ‘Na intern overleg willen we voor de opzeggingsclausule hetzelfde bedrag aanhouden als we hadden,’ zei hij. ‘Een nieuw bedrag zou moeilijk te verklaren zijn en ik wil niet dat iemand kan zeggen dat we zijn overeengekomen de deur voor Leo open te zetten.’ En, voegde Bartomeu eraan toe, ‘ook al weten we dat hij nooit zal vertrekken, er zijn toch te veel mensen met slechte gedachten’.

    ‘Wat de bonus betreft: gezien de situatie rond corona en de vermindering van de inkomsten, kunnen we er niet mee akkoord gaan.’ ‘Voor alle grote clubs wordt het moeilijk om het salarisniveau van hun teams te handhaven, daarom stel ik voor dat er altijd een verhoging mogelijk is op voorwaarde dat de club weer is teruggekeerd naar het inkomstenniveau van 1,1 miljard.’

    Het obstakel dat alles om zeep hielp: 10 miljoen euro

    De familie Messi weigerde toe te geven en stopte de gesprekken abrupt. Bovendien stuurde ze eind augustus 2020, amper twee maanden na het laatste contact, een burofax met het verzoek om Messi te laten vertrekken. Omdat FC Barcelona weigerde hem te laten gaan zonder dat hij de miljoenenclausule hoefde te betalen, bleef Messi nog één seizoen bij de club en verspeelde hij de kans om zijn miljoenencontract bij Barça om te zetten in een levenslang contract. 

    Het nieuwe bestuur, dat werd opgezadeld met het eerdere aanbod, weigerde het uit te voeren en Messi vertrok een jaar later naar PSG met een veel slechter contract dan het contract dat hij had geweigerd te tekenen. Het obstakel dat alles om zeep hielp: 10 miljoen euro. Ofwel slechts 2 procent van het totale bedrag dat hij als Barcelona-speler ontving: het topje van de ijsberg van zijn hebzucht.

    Lees ook:

  • Voetbal biedt Jemenieten troost in slepende oorlog

    Voetbal biedt Jemenieten troost in slepende oorlog

    Voetbaltoernooien zijn een manier om het aanhoudende oorlogsgeweld in Jemen even te kunnen vergeten. Bovendien versterken de patriottische liederen van het publiek de hoop op een vreedzame toekomst voor iedereen.

    Keuze uit het archief

    Te midden van de oorlog en de humanitaire crisis die in Jemen woeden en die deze week weer zijn opgelaaid na de Amerikaans-Britse aanval op de Houthi’s, is er één ding waar de Jemenieten troost en voldoening uit halen: voetbal. De teamsport zorgt ervoor dat de bevolking de oorlog, die al sinds 2014 gaande is, even kan vergeten en brengt mensen uit heel het land bij elkaar, zoals deze reportage van Al Jazeera uit 2022 laat zien. ‘Ons leven is door oorlog verwoest, maar de liefde voor voetbal en het spelen op straat zijn gebleven,’ aldus een van de voetballers.

    De gewelddadige strijd in Jemen heeft al aan ruim 370.000 mensen het leven gekost. De liefde voor voetbal die veel Jemenieten koesteren helpt hen het hoofd te bieden aan de verwoestingen, het geweld en de humanitaire crisis die hun land teisteren.

    Officieuze voetbaltoernooien in dorpen en steden brengen Jemenitische jongens en mannen samen en bieden hun een schijn van een normaal bestaan. Op geïmproviseerde voetbalvelden van zand en steen tonen amateurspelers hun vaardigheden aan een juichend publiek dat vaak van heinde en verre is toegestroomd. Stoeltjes zijn er niet. De toeschouwers – van achthonderd tot vijftienhonderd man – moedigen hun helden de hele wedstrijd staand aan met spreekkoren en gezang. 

    Zoals aan veel aspecten van het openbare leven in Jemen kwam er ook een abrupt einde aan officiële voetbalcompetities, nadat de oorlog in 2014 was uitgebroken.

    In het politieke vacuüm dat volgde op het aftreden van Ali Abdullah Saleh, de man die vele jaren president van het land was geweest, probeerde de door Iran gesteunde Houthi-groepering de macht in Jemen te grijpen. De Houthi’s veroverden de hoofdstad Sana’a en verdreven de door de Verenigde Naties erkende regering en haar president Abd-Rabbu Mansour Hadi, die de steun genoot van Saoedi-Arabië en andere regionale spelers.

    Voor 5 miljoen mensen dreigt hongersnood en meer dan 1 miljoen mensen hebben cholera opgelopen

    Meer dan de helft van de 370.000 doden is omgekomen door honger, gebrek aan gezondheidszorg en onveilig water, die weer het gevolg zijn van een zwaar beschadigde infrastructuur. Bijna 25 miljoen Jemenieten hebben nog steeds hulp nodig, voor 5 miljoen dreigt hongersnood, en meer dan 1 miljoen mensen hebben cholera opgelopen. 

    In deze erbarmelijke omstandigheden zoeken veel Jemenieten hun toevlucht tot voetbal, niet alleen in de vorm van officieuze toernooien, maar ook straatvoetbal.

    Sportieve infrastructuur

    Volgens Sami al-Handhali, voetbalcommentator en voormalig speler van Al-Ahly Taiz, is de sportieve infrastructuur vermorzeld. Stadions en sportcentra waren het doelwit van aanvallen of werden omgebouwd tot militaire bases. Hoewel de officiële voetbalcompetities in september vorig jaar werden hervat, blijft de financiering van sportclubs en sporters schamel, zegt hij.

    ‘Door eigen evenementen te organiseren op geïmproviseerde voetbalvelden hebben Jemenieten het enthousiasme voor het voetbal nieuw leven ingeblazen,’ aldus Al-Handhali tegen Al Jazeera. ‘Zo kunnen ze hun benarde situatie weer een beetje aan. Mooi is ook dat er op deze manier nieuwe talenten zijn ontdekt, door zowel clubs als door het nationale team. Bovendien voorkom je op deze manier dat jonge mannen in het oorlogsgeweld verwikkeld raken, omdat de banden tussen spelers en publiek van allerlei regio’s en stammen zo worden aangehaald.’

    Het publiek zingt vaak patriottische liederen en roept op tot een verenigd en vreedzaam thuisland voor iedereen

    De wedstrijden versterken niet alleen de verbondenheid met een dorp of provincie, maar komen ook gevoelens van nationale eenheid ten goede, ondanks de jarenlange verdeeldheid, met twee rivaliserende regeringen. Het publiek zingt vaak patriottische liederen en roept op tot een verenigd en vreedzaam thuisland voor iedereen.

    Voor Ramzy Mosa’d (25) zijn de voetbaltoernooien een kans om contact te maken met landgenoten op een manier die hij niet gewend is. Hij behoort tot de Muhamasheen, een gemarginaliseerde bevolkingsgroep van Afrikaanse afkomst. Het is voor hem moeilijk te ontsnappen aan de sloppenwijken van Jibla, een plaatsje in het zuidwesten van Jemen, vlak bij de stad Ibb. Hier wonen de Muhamasheen, afgezonderd van andere Jemenieten, opeengepakt in onderkomens van riet of karton. Basisvoorzieningen als gezondheidszorg, schoon water, sanitair en ononderbroken stroom zijn er niet.

    Vandaar dat de uitnodiging aan het Muhamasheen-voetbalteam ‘Elnaseem’ om deel te nemen aan een toernooi in het district Assayani en te spelen tegen andere teams uit de regio Ibb ‘ons hart verwarmde’, zegt Mosa’d. ‘Dat de bevolking van Assayani naar onze wedstrijden kwam kijken, was van onschatbare waarde. We waren overweldigd en zielsgelukkig toen de menigte ons toejuichte alsof we zonen van de streek waren.’ Als klap op de vuurpijl won zijn team het toernooi.

    Als gevolg van een eeuwenoude sociale hiërarchie waarin de Muhamasheen helemaal onderaan staan wordt deze bevolkingsgroep uit de samenleving geweerd. Juist daarom werd de uitnodiging om deel te nemen aan het toernooi zo enorm gewaardeerd. ‘We wilden anderen laten zien dat wij ook talentvolle voetballers hebben en dat we graag deel van de samenleving willen worden.’

    ANP 408052981
    – Jonge Jemenieten voetballen in 2020 in een wijk in Sana’a. De nationale competitie van Jemen is opgeschort vanwege de burgeroorlog, die in 2015 begon. © EPA/Yahya Arhab

    Nieuwe levenskracht

    Dit specifieke toernooi vindt sinds 2017 elke winter plaats in de regio waar de Houthi’s het voor het zeggen hebben, vertelt Motee’ Dammaj, een van de organisatoren en financiers van het toernooi in Assayani. Er worden uitnodigingen verstuurd naar liefst zestien teams uit dorpen in Assayani en Jibla. ‘We willen dergelijke evenementen organiseren omdat de liefde van de Jemenieten voor de sport ons welbekend is,’ zegt Dammaj, ‘en om veel Jemenieten die door de oorlog zijn getroffen nieuwe levenskracht te geven en de sociale banden tussen hen te versterken.’

    De situatie in het land maakt deelname echter niet altijd voor iedereen mogelijk, zegt Dammaj. ‘Elk jaar is er veel publiek, doen veel spelers mee, de stemming zit er altijd goed in. Door het acute brandstoftekort is het voor velen moeilijk om naar het toernooi te komen, maar toch lukte het acht teams om mee te doen.’ Hij is vooral blij met de deelname van de Muhamasheen. ‘Het is belangrijk om de spiraal van discriminatie te doorbreken waarmee deze minderheid al jaren wordt geconfronteerd’.

    In 2017 ontvluchtte Hamza Mahrous, toen dertien jaar, samen met honderdduizenden anderen de havenstad Hodeida aan de Rode Zee vanwege het escalerende geweld. Hij vestigde zich met zijn familie in Taiz, dat ook niet voor geweld gespaard bleef en sinds 2015 zucht onder een blokkade door de Houthi’s.

    Al op jonge leeftijd ontwikkelde Mahrous, die afkomstig is van het Jemenitische platteland, een grote liefde voor voetbal. Hij sleepte diverse onderscheidingen in de wacht, als spits in zijn schoolteam en voor een lokale club. In Taiz draafde hij op in officieuze toernooien die werden gespeeld in de door oorlog verwoeste straten van de wijk Al-Masbah, waar hij woonde. Hij werd al snel ontdekt door lokale teams, waaronder Talee’ Taiz en Ahly Taiz. In 2019 werd hij opgemerkt door een groep scouts die op zoek waren naar spelers voor het nationale elftal. Hij kreeg een uitnodiging om zich bij de selectie onder 15 te voegen.

    Sommigen schoten van pure blijdschap hun wapens leeg in de lucht

    ‘Ik had nooit durven dromen dat ik nog eens voor het nationale team zou spelen, gezien de zware tijden die we hebben gehad na onze vlucht,’ vertelt Mahrous. ‘Maar door vol te houden en te oefenen, op straat en op voetbalvelden, en dankzij de steun van mijn ouders, is het gelukt.’

    In december 2021 gaven Mahrous en zijn medespelers hun landgenoten een zeldzame reden om te gloeien van nationale trots: ze wonnen het West-Aziatisch kampioenschap voor junioren door Saoedi-Arabië in de finale na strafschoppen te verslaan. De Jemenieten vierden feest in de straten, waar trots en eensgezindheid heersten. Sommigen schoten van pure blijdschap hun wapens leeg in de lucht. 

    ‘Ik merkte dat ik had bijgedragen aan een gevoel van geluk waar miljoenen Jemenieten zo naar verlangden en dat ze zo nodig hadden. Dat kon alleen door voetbal – een sport waar iedereen van houdt,’ zegt Mahrous.

    Stilstand

    Saad Murad (30) vertelt dat hij door de oorlog zijn voetbalcarrière niet heeft kunnen voortzetten. Na ruim tien jaar, waarin hij zich had opgewerkt van schooltoernooien in zijn thuisstad Damt tot speler op het hoogste niveau bij de club Dhu Reidan, leek hij klaar voor het nationale team. Maar toen de competitie en alle officiële sportactiviteiten werden opgeschort, kwam Murads carrière tot stilstand. Alleen de officieuze toernooien die ‘s winters plaatsvinden herinneren hem aan zijn vroegere voetballeven.

    ‘Deze lokale toernooien bieden troost en geven me een manier om mijn verloren dromen te accepteren,’ zegt Murad, die geen baan kan vinden door de erbarmelijke economische situatie in het land.

    Met de deelname van tweeëndertig officiële voetbalclubs en spelers van het nationale team was het toernooi dat afgelopen winter in Damt werd gehouden een van de grootste voetbalevenementen in het land in zeven jaar. Volgens Moammar al-Hajri, lid van het organisatiecomité in Damt, vindt dit toernooi sinds 2018 jaarlijks plaats dankzij onafhankelijke financiering en donaties en door steun van zakenlieden, bedrijven en Jemenieten in het buitenland.

    ‘Het winnende team won dit jaar ongeveer 500.000 Jemenitische riyal [bijna 2000 euro] aan prijzengeld, en de verliezend finalisten ontvingen 300.000 Jemenitische riyal [bijna 1200 euro],’ zegt Al-Hajri. Dat zijn grote bedragen in een land waar de lokale munt forse devaluaties heeft ondergaan als gevolg van de oorlog. Banen zijn verloren gegaan, salarissen worden niet uitbetaald, miljoenen mensen houden met moeite het hoofd boven water. En tot overmaat van ramp heeft een brandstoftekort de inflatie opgedreven.

    ‘Ons leven is door oorlog verwoest, maar de liefde voor voetbal en het spelen op straat zijn gebleven’

    Mahioub al-Marisi, een vijftigjarige ambtenaar die dit jaar met zijn kinderen de meeste wedstrijden van het toernooi bijwoonde, stond versteld van het grote aantal bezoekers uit verre streken, die vaak te voet waren gekomen. ‘De velden waren zanderig, maar dat kon het enthousiaste publiek niet deren,’ zegt hij. ‘De mensen stonden tot op de rand van boerengebied om een ​​glimp op te vangen van de wedstrijden, zo blij waren ze dat ze erbij konden zijn. Het heeft het moreel van de Jemenieten voor een deel hersteld.’

    Buiten deze toernooien gaat de 22-jarige Jameel Nasher bijna dagelijks naar een veldje in de buurt van zijn huis aan de weg naar Taiz in Ibb, waar hij ‘s middags andere liefhebbers ontmoet om tot ’s avonds laat te voetballen. Hij is groot fan van Mohamed Salah en draagt het ​​Liverpool-shirt met nummer 11 van de Egyptenaar.

    Nasher heeft een team van acht spelers samengesteld. Op het veld is er een bonte verzameling kleuren, elke speler draagt een shirt ​​van de club waar hij fan van is. ‘Ons leven is door oorlog verwoest, maar de liefde voor voetbal en het spelen op straat zijn gebleven,’ zegt hij. ‘We zijn opgegroeid met voetbal, en het is een geruststellend idee dat dat ons niet is afgenomen.’

    Lees ook:

  • Zorgverleners Maradona beschuldigd van doodslag

    Zorgverleners Maradona beschuldigd van doodslag

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Sri Lankaanse economie staat ‘compleet op instorten’

    » Bulgaarse regering moet na zes maanden al aftreden

    Acht verzorgers riskeren 8 tot 25 jaar gevangenisstraf

    Er komt een strafrechtelijk onderzoek naar Diego Maradona’s dood. Acht zorgverleners die verantwoordelijk waren voor de Argentijnse ster die in november 2020 overleed, worden ervan verdacht ‘hun plichten te hebben verzaakt’ en worden beschuldigd van doodslag, bericht Olé. De verzorgers zouden nalatig zijn geweest. De strafzaak, die woensdag door een rechter uit San Isidro werd aangekondigd, zal niet voor eind 2023 beginnen.

    Onder de verdachten is Leopoldo Luque, een neurochirurg. Volgens de aanklagers negeerde en minimaliseerde hij ‘systematisch de symptomen en tekenen die op hartfalen wezen en die door mensen buiten het medische team werden gemeld’. Ook Carlos Ángel Días, de psycholoog van de voormalige nummer 10, en Nancy Edith Forlini, die Maradona’s verzorging thuis begeleidde, werden genoemd. Ze kunnen tussen de acht en vijfentwintig jaar gevangenisstraf krijgen.

    Lees ook:

  • Infantino: FIFA heeft arbeidsmigranten WK Qatar ‘waardigheid en trots’ gegeven

    Infantino: FIFA heeft arbeidsmigranten WK Qatar ‘waardigheid en trots’ gegeven

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Wapenstilstand afgekondigd in staalfabriek Marioepol om burgers te evacueren

    » Colombia: drugshandelaar Otoniel aan Verenigde Staten uitgeleverd

    Voorzitter FIFA betwist onderzoek van The Guardian

    Gianni Infantino, sinds 2016 voorzitter van FIFA (Fédération Internationale de Football Association), heeft op een conferentie in Los Angelos gereageerd op geruchten over migranten die worden gedwongen te werken aan de bouw van nieuwe stadions en over het aantal arbeiders dat op deze bouwplaatsen is omgekomen: 6500, volgens een gepubliceerd onderzoek in The Guardian.

    Qatar is later dit jaar gastheer van het Wereldkampioenschap voetbal. Duizenden migranten worden ingezet voor projecten die met het toernooi te maken hebben, zoals de bouw van stadions en de beveiliging. De rol die de FIFA naar verluidt speelt bij het mogelijk maken van de uitbuiting van migranten is stelselmatig bekritiseerd door organisaties als Amnesty International, dat recentelijk verklaarde dat sommige WK-arbeiders ‘dwangarbeid’ hebben moeten verrichten.

    ‘Het is geen liefdadigheid’

    ‘Laten we één ding niet vergeten als we over dit onderwerp spreken’, zei Infantino op het Milken Institute, geciteerd door The Athletic. ‘Wanneer je iemand werk geeft, zelfs in moeilijke omstandigheden, geef je hem waardigheid en trots. Het is geen liefdadigheid.’

    Ook ging hij in op het onderzoek van The Guardian: ‘Wat betreft de bouw van de WK-stadion: we onderzoeken al deze zaken met behulp van externe partijen. Het zijn drie personen die zijn overleden. Dat is drie te veel, maar het zijn er geen zesduizend.’

    Infantino erkent dat de verschillende controverses rond de wedstrijd ‘een schaduw hebben geworpen op de voorbereiding’ van het evenement.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/het-moet-anders-en-wel-nu/

  • Voetbal, racisme en homohaat. De banden van Hongaarse hooligans met extreemrechts

    Voetbal, racisme en homohaat. De banden van Hongaarse hooligans met extreemrechts

    Orbán en veel van zijn collega’s vertonen zich in de media graag met tienduizenden brullende Hongaren op de achtergrond. De teksten die worden gebruld liegen er niet om, hoewel supporters zelf zeggen dat ze weliswaar fanatiek zijn, maar geen racisten.

    Uit het archief

    Onlangs boekte de Hongaarse premier Viktor Orbán een grote zege bij de verkiezingen en haalde hij opnieuw een tweederdemeerderheid in het parlement. Zijn antiliberale beleid en retoriek lijken weinig veranderd. Dit onderzoeksartikel van Bellingcat laat het duistere gedachtegoed van het extreemste deel van Orbáns achterban zien.

    Vóór de WK-kwalificatiewedstrijd op 2 september in Boedapest tegen Engeland zei de Hongaarse bondscoach dat hij achter de Engelse spelers stond die van plan waren om voor de aftrap te knielen als protest tegen racisme.

    Toen hem werd gevraagd wat hij vond van eventuele racistische reacties van Hongaarse fans, zei bondscoach Marco Rossi: ‘Ik hoop erg dat die uitblijven, maar mochten ze er toch zijn, dan staan we helemaal aan hun kant, de kant van de Engelse spelers, bedoel ik.’

    Een groot deel van de Hongaarse fans trok zich weinig van zijn woorden aan. Zodra de Engelse spelers voor de aftrap knielden, werden zij door Hongaarse fans onthaald op luid boegeroep. En toen Raheem Sterling de score opende voor de Engelsen werd hij bekogeld vanuit het vak van de Karpatische Brigade, een groep hardcoresupporters van het Hongaarse nationale elftal. Na de wedstrijd – die Engeland met 4-0 won – werd duidelijk dat een aantal van hen racistische apengeluiden richting zwarte Engelse spelers had gemaakt.

    Ook de Engelse supporters maken zich geregeld schuldig aan zulk racistisch gedrag, bijvoorbeeld in juli 2021. Nadat hun team de WK-finale na strafschoppen van Italië had verloren, werden de Engelse spelers online massaal beledigd door eigen fans. Ook bij Engelse competitiewedstrijden worden spelers die knielen uit protest tegen racisme uitgejouwd. Vóór het WK weigerden de Britse premier Boris Johnson en de minister van Binnenlandse Zaken Priti Patel Engelse fans te veroordelen die hieraan mee hadden gedaan.

    Maar de harde kern van de Hongaarse supporters maakte het nog veel bonter. De Europese voetbalorganisatie UEFA legde de Hongaarse voetbalbond een boete op van 100.000 euro en verplichtte het elftal om twee wedstrijden zonder publiek te spelen, vanwege anti-lgbt- en racistische uitlatingen van Hongaarse fans tijdens EK-wedstrijden in Boedapest en München.

    De wedstrijd van 2 september tegen Engeland was een WK-kwalificatiewedstrijd en viel dus onder verantwoordelijkheid van de mondiale voetbal-organisatie FIFA. Bij de UEFA-straf werd deze daarom niet meegewogen.

    Volgens de Hongaarse voetbalbond werden haar sporters vooral gestraft vanwege anti-lgbt-spreekkoren en -spandoeken. De uitspraak van de UEFA preciseert dit: het ging om een anti-lgbt-spandoek en spreekkoren tijdens de eerste wedstrijd in de poulefase tegen Portugal in Boedapest op 15 juni 2021, anti-lgbt-spreekkoren en een anti-BLM-spandoek tijdens de wedstrijd tegen Frankrijk in Boedapest op 19 juni 2021 en tot slot een anti-lgbt-spandoek en spreekkoren tijdens Hongarijes laatste wedstrijd tijdenshet toernooi tegen Duitsland op 23 juni in München.

    Anti-lgbt-wetsvoorstel

    De spreekkoren en de spandoeken volgden op het aannemen van een controversieel anti-lgbt-wetsvoorstel door het Hongaarse parlement, waarin de rechtse Fidesz-partij van premier Orbán de meerderheid heeft.

    De wet verbiedt het om homoseksualiteit of transgenderisme te promoten en af te beelden onder minderjarigen. Hongaarse lgbt-ers voelen zich hierdoor gestigmatiseerd en vrezen voor hun toekomst.

    Een formele band tussen Fidesz en de supportersgroepen die betrokken waren bij de racistische en homofobe incidenten is er niet. Prominente Hongaarse politici wimpelen kritiek op deze incidenten echter af, bagatelliseren ze en gingen er de afgelopen maanden soms zelfs achter staan.

    Lees ook:

    Voor Orbán en zijn medestanders is voetbal meer dan een spelletje. Fidesz heeft in de ogen van veel Hongaren het voetbal ‘gekoloniseerd’ en gebruikt zowel het nationale elftal als de topclubs om aan de macht te blijven. Aan Fidesz gelieerde zakenlui bezaten dit seizoen 11 van de 12 clubs in de hoogste Hongaarse divisie. In de loop van het afgelopen decennium werden minstens 25 stadions gebouwd, dankzij belastingvoordelen voor bouwbedrijven – vaak gelieerd aan Fidesz – die schenkingen doen aan sportteams.

    Orbán en veel van zijn collega’s vertonen zich in de media graag met tienduizenden brullende Hongaren op de achtergrond. Een artikel uit juni 2021 van het politieke weekblad HVG merkte op dat Fidesz-politici ‘meer foto’s posten van de toeschouwers bij wedstrijden van het nationale elftal dan van de wedstrijden zelf’.

    Hongaarse hooligans: wij zijn misschien ‘fanatici’, maar geen racisten

    Toen supporters bij een vriendschappelijke interland vlak voor het EK knielende Ierse voetballers uitjouwden, nam Orbán het voor de supporters op. En alhoewel de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken Péter Szijjártó toegaf dat er tijdens de wedstrijd tegen Engeland racistische incidenten hadden plaatsgevonden, suggereerde hij dat de ophef erover overdreven was. Wel bekritiseerde hij Engelse supporters die bij een eerdere wedstrijd het volkslied van de tegenstander met boegeroep hadden overstemd.

    Orbán ging zelfs zo ver te suggereren dat de voetbalfans die de knielende Ierse voetballers uitjouwden waren uitgelokt. Op CNN zei hij: ‘Hun reacties zijn niet altijd even verfijnd, maar we moeten begrip hebben voor hun motieven… Ik sta aan de kant van de supporters.’

    Toen de UEFA het verbood om tijden de wedstrijd tussen Hongarije en Duitsland op het EK de Allianz Arena in München te verlichten in de kleuren van de regenboogvlag, juichte Szijjártó de beslissing toe en noemde hij het plan ‘een politieke provocatie van Hongarije’.

    Ondanks een ellenlange lijst van antisemitische, anti-zwarte, anti-Roma en homofobe incidenten houden prominente Hongaarse hooligans vol dat zij misschien ‘fanatici’ zijn, maar nog geen racisten. Toch wordt de supporterscultuur in en om veel Hongaarse voetbalstadia gedomineerd door extreemrechtse groepen – al maken zij maar een minderheid van de fans uit.

    De Hongaarse keeper Péter Gulácsi sprak zich zelfs uit vóór lgbt-rechten en het homohuwelijk

    Normaal gesproken richten deze extremistische supporters zich op hun rivaliteit met andere clubs, die soms uiterst gewelddadige vormen aanneemt. Maar zodra het nationale elftal speelt, zetten zij hun verschillen opzij en sluiten veel van hen zich aan bij de Karpatische Brigade, een in 2009 opgerichte groep hardcoresupporters van het nationale elftal met een lange geschiedenis van racistische, antisemitische en anti-lgbt-retoriek.

    Deze Karpatische Brigade waarschuwde de supporters op haar Facebook-pagina bijvoorbeeld om, voordat zij naar Duitsland gingen, tattoos ‘die niet in overeenstemming zijn met lokale wetten’ te bedekken. Waarschijnlijk wordt gedoeld op een artikel uit het Duitse Wetboek van Strafrecht dat extremistische symbolen verbiedt, helemaal als die met neonazi’s geassocieerd zijn.

    Zeker niet alle bij de Karpatische Brigade aangesloten supporters zijn neonazi’s, en lang niet alle Hongaarse fans deden mee met het boegeroep tegen Engelse en Ierse knielende spelers. Eerder dit jaar sprak de Hongaarse keeper Péter Gulácsi, die voor de Duitse club RB Leipzig speelt, zich zelfs uit vóór lgbt-rechten en het homohuwelijk.

    Toch bleek uit een opensourceonderzoek van Bellingcat dat sommige supporters van het nationale elftal die vóór het EK beledigende anti-lgbt-spandoeken in hun bezit hadden en deze later in de stadions toonden, nauwe banden hebben met notoire extreemrechtse- en neonazigroeperingen.

    ‘LMBT? Nein Danke’

    In de poulefasewedstrijd van het EK 2020 tegen Duitsland, die op 23 juni in München werd gespeeld, ontrolden Hongaarse supporters een spandoek met de tekst ‘LMBT? Nein Danke’ (LMBT is de Hongaarse afkorting voor lgbt). Erbij stond een grove, met de hand geschilderde afbeelding.

    Het spandoek was die avond in München niet voor het eerst te zien. Al eerder die middag, zeker acht uur voor de wedstrijd, werd er een foto van gepost op een Telegram-kanaal van neonazi-hooligans van de club Budapest Honvéd FC, vaak afgekort als Kispest.

    Het is geen geheim dat Légió Hungária, een aan de extreemrechtse partij Mi Hazánk gelieerde paramilitaire beweging, en extreemrechtse voetbalsupporters relaties met elkaar onderhouden. Légió Hungária plaatst geregeld berichten van extreemrechtse voetbalsupporters die hun bijeenkomsten bezoeken.

    ‘De gemeenschap van voetbalfans in Hongarije is erg nationalistisch en daar zijn we trots op’

    Toen Bellingcat Légió Hungária om commentaar vroeg, wilde de organisatie Bellingcats vragen over hun relatie met de Karpatische Brigade niet beantwoorden. ‘De gemeenschap van voetbalfans in Hongarije is erg nationalistisch en daar zijn we trots op,’ vertelt een zegspersoon van Légió Hungária per e-mail. ‘Légió Hungária is solidair met alle voetbalsupportersgroepen die zichzelf rechts noemen.’

    Légió Hungária liet Bellingcat bovendien weten dat het wenste dat alle landen ter wereld supporters hadden zoals de Hongaren – fans die tegen zogenaamde deviantsi zijn. Die fans maken van Hongarije, in hun woorden, een ‘baken’, waar deze ‘afwijkingen’ nooit wortel zullen schieten.

    Na ons verzoek om commentaar te hebben ingewilligd, beklaagde Légió Hungária zich op haar Telegram-kanaal over de journalist van Bellingcat en zijn berichtgeving over de groep. ‘Als iemand zich niet eerlijk tegen ons gedraagt, dan proberen wij diegene als het even kan met gelijke munt terug te betalen.’

    De acties van een minderheid van de Hongaarse voetbalfans stellen natuurlijk niet alle supporters van het nationale elftal in een kwaad daglicht, laat staan Hongarije als land. Maar de weigering van de Hongaarse regering om deze supporters, na de straf van de UEFA, af te vallen, is typerend voor hoe Orbán en zijn medestanders met internationale kritiek omgaan. De premier en zijn collega’s kloppen zichzelf op de borst over een vermeende Hongaarse wedergeboorte, die in zou gaan tegen een algehele, smorende ‘politieke correctheid’.

    ‘Voetbalsupporters hebben een belangrijk aandeel gehad in de opkomst van populistische, onliberale regeringen’

    Het eerder genoemde commentaar van Péter Szijjártó is een goed voorbeeld van dit herwonnen Hongaarse zelfgevoel. In een Facebookbericht beklaagde hij zich over het slechte gedrag van Engelse fans jegens Italiaanse supporters tijdens de EK-finale. Szijjártó gaf weliswaar toe dat er racistische incidenten hadden plaatsgevonden tijdens de wedstrijd tegen Engeland, maar beklaagde zich over de ‘dubbele maatstaven’ die werden gehanteerd – geheel in lijn met eerdere reacties vanuit Boedapest op internationale kritiek.

    Misschien bestaan er tussen de Hongaarse machthebbers en de marginale extreemrechtse groeperingen geen formele banden. Maar de weigering van politici om de acties van een kleine groep ‘fanatici’ te veroordelen, roept hoe dan ook vragen op. Weten ze wel hoe extreem de supporters zijn die deze spandoeken omhooghielden? En als ze het weten, maakt het ze dan iets uit? Voetbalsupporters hebben immers, volgens de Britse schrijver James Montague, ‘een belangrijk aandeel [gehad] in de opkomst van populistische, onliberale regeringen, vooral in Oost-Europa en op de Balkan’.

    Volgens Montague, die een boek publiceerde over subculturen van voetbalsupporters, zijn hooligans door hun extreme standpunten heel lang outsiders bleven. Maar nu in landen als Hongarije, Servië en Polen de kleur van de regering is veranderd, ‘zijn deze gezichtspunten opeens niet meer zo radicaal. Veel politici beseften dat ze dit sentiment konden gebruiken.’

    Lees ook:

  • EK 2021: zijn volle stadions een goed idee?

    EK 2021: zijn volle stadions een goed idee?

    Tijdens het aankomende EK voetbal heeft Hongarije als enige land aangekondigd het maximaal aantal toeschouwers in de stadions toe te laten. De Hongaarse pers is verdeeld over dit besluit.

    JA

    We kunnen ons niet zomaar laten beroven van onze passies

    Nemzeti Sport | Boedapest (ingekort)

    Op een herfstavond in 2020 was ik op weg naar huis, chagrijnig door de regen en de 4-1-overwinning van Juventus op Ferencváros in de groepsfase van de Champions League. In plaats van te balen, had ik van deze ervaring moeten genieten toen het nog kon. Een week later, op 11 november, gingen de coronamaatregelen van kracht en vanaf dat moment stond de wereld stil. 

    De pandemie heeft het vurig enthousiasme dat sport in ons aanwakkert gedoofd

    De volgende dag kwalificeerde Hongarije zich in een verlaten stadion tegen IJsland voor het EK, een wedstrijd die in normale tijden uitverkocht zou zijn. De pandemie heeft het vurig enthousiasme dat sport in ons aanwakkert gedoofd. Dankzij mijn werk kon ik een paar wedstrijden bijwonen, maar de gezondheidsbubbels scheiden me van degenen met wie ik na een wedstrijd zou hebben gefeest of gehuild.

    Na zes maanden stagnatie schijnt er weer licht aan het einde van de tunnel. Dankzij de vier miljoen gevaccineerden heropent Hongarije de theaters, circussen, sportscholen, ijsbanen, dierentuinen, zwembaden en speeltuinen. Dansvoorstellingen en concerten zijn weer toegankelijk voor toeschouwers [indien in het bezit van een immuniteitsbewijs]. Maar belangrijker nog: de sportevenementen! Mijn kinderen zijn al lang voorbij de speeltuinleeftijd, maar voor sport is nooit iemand te oud. We kunnen ons niet zomaar laten beroven van onze passies, waaraan we ons zelfs in de meest onhoudbare en hopeloze situaties vastklampen.

    100 procent bezetting van de Puskás Aréna

    In 1945 was het beleg van Boedapest nog maar net voorbij en de kanonnen klonken nog na, toen de teams van de Hongaarse hoofdstad hun rentree maakten op de voetbalvelden. In april 1919 speelden Oostenrijk en Hongarije vlak na de Eerste Wereldoorlog tegen elkaar, voor een publiek van 40.000 uitgehongerde voetbaltoeschouwers, toen er even een rustige periode was in de Spaanse griepepidemie. De ‘derde wereldoorlog’, die van de coronapandemie, is nog niet voorbij. De vijand is nog steeds onder ons. Als een sluipschutter of terrorist valt hij de burgerbevolking aan, op steeds weer onvoorspelbare wijze. We hebben weliswaar een effectief wapen om het te neutraliseren, maar sommigen besluiten de strijd aan te gaan zonder schild.

    Daarom rust een grote verantwoordelijkheid bij de organisatoren van de sportevenementen die ons de komende weken te wachten staan. Zij moeten goed nadenken over openbare toegang en een goed systeem opzetten voor het controleren van immuniteitscertificaten en testen. Voor internationale bijeenkomsten geldt dat in het bijzonder. Bilbao en Dublin vielen in ongenade als speelsteden voor het EK doordat ze weigerden publiek toe te laten. München ontsnapte dat lot ternauwernood door de toezegging om 14.500 toeschouwers te ontvangen in de Allianz Arena, die 75.000 zitplaatsen heeft. Maar de Puskás Aréna accepteert de volle 100 procent van haar capaciteit. We kruisen onze vingers, op hoop van zegen.

    Attila Ballai, april 2021


    NEE

    De Hongaarse regering speelt met mensenlevens

    Népszava | Boedapest

    Boedapest is de enige speelstad van het EK die zijn stadion tijdens de wedstrijden voor 100 procent wil vullen. Net als in Bakoe en St. Petersburg hoeven buitenlandse supporters niet in quarantaine bij aankomst in de Hongaarse hoofdstad als ze een negatieve PCR-test laten zien. Als alle tickets worden verkocht, zou dat betekenen dat 68.000 toeschouwers de tribunes van de Puskás Aréna zullen vullen, waar drie poulewedstrijden zullen worden gehouden en één zestiende finale. En als andere steden alsnog terugkrabbelen, worden dit er mogelijk meer.

    Afstand houden tot elkaar is in het stadium onmogelijk. Bij elke wedstrijd lopen daarom 68.000 levens gevaar. Er is geen garantie dat degenen die naar het stadion komen hun buren niet zullen besmetten. De Hongaarse regering geeft enkel toegang aan supporters die zijn gevaccineerd of die al corona hebben gehad. Deze laatste vormen minder risico, want ze zijn in het bezit van een certificaat dat hun immuniteit bevestigt en zes maanden geldig is vanaf de datum van hun positieve test.

    Maar gevaccineerden kunnen pas twee weken na de dag van de tweede injectie als immuun worden beschouwd. De eerste groepswedstrijd in Boedapest vindt plaats op 15 juni. In de praktijk mogen dus alleen degenen naar binnen die hun tweede prik uiterlijk 1 juni hebben gekregen. Het probleem is alleen dat veel mensen na de eerste injectie al een immuniteitscertificaat krijgen, en niet de moeite nemen om de tweede dosis te laten zetten, omdat ze het gevoel hebben al beschermd te zijn.

    Als zelfs maar een paar van hen tijdens de wedstrijden besmet raken, leidt dat mogelijk tot een grootschalige ramp

    Deze mensen zullen voor slechts 50 tot 70 procent beschermd zijn, afhankelijk van het type vaccin dat ze hebben ontvangen. Als zelfs maar een paar van hen tijdens de wedstrijden besmet raken, leidt dat mogelijk tot een grootschalige ramp. Hongaarse immuniteitscertificaten [plastic kaartjes die na de eerste dosis per post worden verzonden] bevatten een QR-code die aangeeft of de betrokkene werkelijk is ingeënt. Ik betwijfel echter of de bewakers bij de ingangen van het stadion die gegevens zorgvuldig zullen controleren.

    Tijdens het EK van 2016, georganiseerd door Frankrijk, zorgden identiteitscontroles voor eindeloze rijen. Gezien de ernst van de gezondheidssituatie zou het beter zijn om grote groepen mensenmassa’s zowel buiten als binnen het stadion te vermijden. De Hongaarse regering speelt met mensenlevens door te beweren dat in Boedapest als enige speelstad wél volle stadions mogelijk zijn. Westerse democratieën hebben dit soort zelfrechtvaardiging, kenmerkend voor autoritaire regimes of dictaturen, niet nodig. Het voortbestaan van een natie en de legitimering van haar macht zijn niet afhankelijk van hachelijk avonturen. En dat is absoluut geen toeval.

    Péter Bernau, april 2021

  • Hoe voetballers sociale verandering in gang kunnen zetten: ‘Het moet anders. En wel nu’

    Hoe voetballers sociale verandering in gang kunnen zetten: ‘Het moet anders. En wel nu’

    Hoeveel sociale verandering voetballers teweeg kunnen brengen, mag nooit onderschat worden. Volgens journalist Simon Kuper snakt het Europese voetbal naar maatregelen, zoals het aanstellen van zwarte managers en bestuurders.

    Keuze uit het archief

    Waar de voetbalwereld zich eerst politiek afzijdig hield, is er de laatste jaren in het voetbal steeds meer aandacht gekomen voor maatschappelijke ontwikkelingen; voetballers steken hun ontevredenheid daarover soms niet langer onder stoelen of banken. Onder andere worden grote toernooien aangegrepen om politieke statements te maken. Zo heeft de Franse sterspeler Kylian Mbappé tijdens het EK, dat momenteel in volle gang is, herhaaldelijk opgeroepen om tegen extreemrechts te stemmen en benadrukte hij het belang van de stembusgang.
    In dit artikel uit het Italiaanse sportmagazine Undici laat journalist Simon Kuper zien hoe topvoetballers geholpen hebben de ondergeschikte positie van zwarte voetballers en zwarte mensen in het algemeen op de agenda te zetten. Ook anno 2024 is dit onderwerp nog altijd zeer relevant en actueel.

    Ik schrijf al dertig jaar over voetbal en politiek, maar tot afgelopen mei heb ik spelers vrijwel nooit op activisme kunnen betrappen. Ze reden in dikke auto’s, gingen naar nachtclubs en onderwierpen zichzelf in interviews en op sociale media aan zo’n grondige zelfcensuur dat hun clubs zich amper zorgen hoefden te maken.



    Eén smartphonefilmpje uit het verre Minneapolis in de VS bracht daar verandering in. Het toonde een witte politieman die zijn knie acht minuten lang in de nek van de zwarte George Floyd drukte tot die bezweek. De historische witte minachting voor zwarte levens kon niet beter worden geïllustreerd, en overal in de VS en Europa gingen betogers de straat op. Ook voetballers spraken zich uit. Tot aan Liverpool toe maakten teams selfies waarop ze op één knie zaten, het symbool van de Black Lives Matter-beweging. Arsenal speelde zijn eerste wedstrijd na de covid-19-pauze met ‘Black Lives Matter’ op hun shirt. De Engelse international Raheem Sterling, een van de weinige voetballers die zich sinds jaar en dag tegen discriminatie verzetten, ronselde Jadon Sancho, Kevin De Bruyne, Jordan Henderson en andere topvoetballers voor een 75 seconden durend filmpje dat eindigt met de woorden: ‘Het moet anders. En wel nu.’

    Apengeluiden

    Dit is allemaal belangrijk. Voetballers kunnen een klein beetje doen om de maatschappij anders te maken. En ze kunnen een heleboel doen om het voetbal anders te maken.

    Zwarte voetballers worden pas sinds kort als gelijkwaardige burgers erkend op het veld. Toen hun aantal in de jaren zeventig aanzienlijk groeide in Engeland, werden ze vanaf de tribunes onthaald op apengeluiden en bananen, een gewoonte die in sommige andere Europese landen nog doorwoekert.

    Tot rond 1990 werd er gediscrimineerd op salarisgebied: zwarte spelers in Engeland verdienden minder dan witte van hetzelfde niveau, zoals econoom Stefan Szymanski en ik hebben aangetoond in ons boek Soccernomics. Zelfs toen de salarissen gelijk waren getrokken, kwamen zwarte spelers van jongs af aan alleen in aanmerking voor stereotiepe spelposities: ze werden betrouwbaar geacht als snelle vleugelspelers, maar minder als controlerende middenvelders of centrale verdedigers, laat staan als keepers. Als ze veel succes hadden, werden ze bespot om hun levensstijl. Sterling heeft erop gewezen dat toen zijn witte teamgenoot Phil Foden een huis kocht, een krant kopte: ‘Jeugdige sterspeler Phil Foden van Manchester City koopt huis van 2 miljoen pond voor zijn moeder.’ Boven een artikel over de zwarte speler Tosin Adarabioyo stond: ‘Jonge Manchester City-speler (20) verdient 25.000 pond per week en koopt villa van 2,25 miljoen pond hoewel hij nog nooit in de basis heeft gestaan in de Premier League.’

    Ook in het voetbal is de Black Lives Matter-beweging doorgedrongen. De Engelse international Raheem Sterling is een van de weinige voetballers die zich sinds jaar en dag tegen racisme verzet. – © Justin Tallis / Getty
    Ook in het voetbal is de Black Lives Matter-beweging doorgedrongen. De Engelse international Raheem Sterling is een van de weinige voetballers die zich sinds jaar en dag tegen racisme verzet. – © Justin Tallis / Getty

    Achteraf bezien begon de verandering aan de andere kant van de oceaan, in het American football, in 2016. Toen liet de zwarte quarterback Colin Kaepernick van de San Francisco 49ers zich voor het eerst op één knie zakken terwijl het Amerikaanse volkslied klonk, als protest tegen het geweld jegens zwarte Amerikanen. Donald Trump, nooit te beroerd voor wat wit racisme, beschuldigde hem van minachting voor de Amerikaanse vlag. De nationale footballbond NFL koos de kant van Trump. Toen Kaepernick zijn contract bij de 49ers opzegde, wilde geen enkel ander team hem mysterieus genoeg hebben.

    Toch was het veelzeggend dat nadat hij op een zijspoor was gezet, zijn sponsor Nike hem bleef steunen. In 2018 betaalde het bedrijf hem voor een optreden in een commercial waarin hij zei: ‘Geloof ergens in, ook al moet je er alles voor opofferen.’ Enkele rechtse fans verbrandden uit protest Nike-producten. Donald Trump twitterde: ‘Net als de NFL, waarvan de populariteit RAZENDSNEL DAALT, gaat Nike totaal kapot aan woede en boycots.’ Het tegendeel gebeurde. De beurskoers van Nike steeg in het kielzog van de commercial tot recordhoogte. De jongere generatie bleek klaar voor activistische zwarte sporters.

    Covid-19

    De volgende aanleiding voor voetballers om in actie te komen was de covid-19-pandemie. De Britse regering, niet in staat om het virus te beteugelen en naarstig op zoek naar een alternatief doelwit voor de volkswoede, trok er een uit de oude doos: de overbetaalde voetballer. Minister van Volksgezondheid Matt Hancock opperde een salarisverlaging voor spelers. Ook de clubs waren daarvoor te vinden. Maar door de drie maanden durende onderbreking van de competitie hadden de voetballers alle tijd om over grotere kwesties na te denken. Spelers uit de Premier League, onder leiding van Liverpool-aanvoerder Jordan Henderson, wezen erop dat de salarisverlaging grotendeels in de zakken van de schatrijke clubeigenaars zou verdwijnen en dat de NHS, het Britse nationale gezondheidsstelsel, een flink deel van hun belastingbijdrage zou mislopen. Ze besloten in plaats daarvan grote donaties aan de NHS te doen.

    Het was een doorbraak: spelers ontdekten dat ze buiten hun clubs een stem hadden. Eigenaars konden hen niet makkelijk straffen: bij voetbal draait het om talent, en als clubs getalenteerde spelers die zich activistisch opstellen vervangen door minder getalenteerde spelers die zich gedeisd houden, zullen ze meer wedstrijden verliezen.

    Wat ook meespeelt, is dat dit de best opgeleide generatie Britse voetballers aller tijden is, deels omdat het onderwijsniveau in het land sinds de jaren negentig is verbeterd, deels omdat veel clubs jonge spelers tegenwoordig betalen om naar dure privéscholen te gaan. Huidige spelers zijn vaak goed op de hoogte van sociale kwesties. Ook onderkennen ze de speciale verantwoordelijkheid van het voetbal: het is bijna de enige maatschappelijke sector met een groot aantal invloedrijke zwarte stemmen.

    Eén 22-jarige zwarte voetballer heeft er bijna in zijn eentje al een opmerkelijke sociale verandering doorheen gedrukt. Aanvaller Marcus Rashford van Manchester United groeide op in een arbeiderswijk in Zuid-Manchester en was voor zijn (gratis) ontbijt en lunch afhankelijk van school. Afgelopen juni drong hij er bij de Britse regering op aan 120 miljoen pond te spenderen aan gratis maaltijden voor arme leerlingen tijdens de zomervakantie. FareShare, het voedselprogramma waarvoor Rashford twintig miljoen pond bijeen heeft helpen brengen, beschikt inmiddels over voldoende middelen om drie miljoen maaltijden te verstrekken. Schoolmaaltijden zijn een sociale kwestie, maar ook een specifiek zwarte: voor zwarte kinderen in Groot-Brittannië ligt honger veel eerder op de loer dan voor witte. ‘Als arme zwarte jongen heb ik me omhoog weten te worstelen,’ zegt Rashford. ‘Nu gaat het erom de gezinnen te helpen die me het meeste nodig hebben. Het is belangrijk om een stem te hebben.’

    Black Lives Matter

    Toen Black Lives Matter wereldwijd bekend werd, kon steun uit de voetbalwereld niet uitblijven. De meeste Europeanen steunen de beweging sowieso. Zwarte spelers staan nu op gelijke voet met witte en hebben hun teams er warm voor weten te maken. Toen de Bundesliga in mei weer opstartte, droegen diverse spelers van Borussia Dortmund en Bayern München tijdens de warming-up shirts met protestslogans als ‘No Justice, No Peace’. Marcus Thuram, een aanvaller van Borussia Mönchengladbach, liet zich op één knie zakken na het scoren tegen Union Berlin. Marcus’ vader Lilian Thuram, de Franse recordinternational, was de prominentste zwarte activist van de vorige generatie voetballers.



    In Engeland twitterde DeAndre Yedlin van Newcastle United: ‘Een paar dagen na de dood van Floyd sms’te mijn opa me dat hij blij is dat ik op dit moment niet in de VS woon omdat hij zou vrezen voor mijn leven als jonge zwarte man.’ Toen de Premier League weer begon, lieten spelers en officials zich voor de aftrap op één knie zakken. De FIFA, die iedere ‘politieke’ actie van spelers normaliter bestraft, begreep uit welke hoek de wind waaide en verklaarde niet te zullen ingrijpen.



    Het belang van voetbal als sociale factor blijkt ook uit de zogeheten Democratic Football Lads Alliance, een van de krachtigste protestgroepen tégen Black Lives Matter. Deze groepering van echte en pseudohooligans zakte op 13 juni af naar Londen om dronken, wildplassend en onder het brengen van de Hitlergroet een standbeeld van Winston Churchill te ‘verdedigen’.



    Bij de vraag hoeveel verandering voetballers teweeg kunnen brengen mag de ‘soft power’ van ’s werelds grootste idolen nooit onderschat worden. Ook het voetbal zelf kan veel veranderen, met name de kwestie die Sterling herhaaldelijk aan de orde heeft gesteld: het vrijwel ontbreken van zwarte managers en bestuurders. Aan het eind van het vorige seizoen telde het Engelse proefvoetbal maar 92 zwarte managers. Overal in Europa betrekken bijna alle clubs hun managers en trainers nog altijd uit een netwerk van witte ex-spelers. Maar Andrea Agnelli, voorzitter van Juventus, hoofd van de European Club Association en daarom aantoonbaar de machtigste man in het clubvoetbal, ziet het probleem niet zo. Toen ik hem een paar jaar geleden vroeg waarom er zo weinig zwarte trainers waren, antwoordde hij: ‘Ik heb geen idee. Volgens mij heeft het niets met discriminatie te maken. Ik heb er nooit echt bij stilgestaan.’



    Daar komt hij niet meer mee weg. Al op 24 mei, de dag voordat Floyd werd vermoord, kondigde de NFL aan zijn weinig effectieve ‘Rooney-regel’, bedoeld om teams meer zwarte trainers te laten aannemen, te zullen aanscherpen. Nu zullen teams voor trainersvacatures minstens twee minderheidskandidaten voor een gesprek moeten uitnodigen. Het Europese voetbal snakt naar dit soort maatregelen. Nu is de tijd rijp dat Sterling, Rashford en anderen die afdwingen.

  • Afrikaanse speler is gewild van Nepal tot Kirgizië

    Afrikaanse speler is gewild van Nepal tot Kirgizië

    De handel in jonge Afrikaanse voetballers is big business, zeker nu Aziatische landen steeds meer investeren in hun voetbalcompetities. Malafide makelaars beloven de jonge talenten gouden bergen.

    Toeristen in het Himalayagebergte in Nepal, op de steppen van Kazachstan en in de jungles van Zuidoost-Azië zullen verbaasd opkijken van alle jonge Afrikanen die er in de lokale, regionale en nationale voetbalcompetities spelen. In Aziatische competities speelt een buitenproportioneel groot aantal (voornamelijk West)-Afrikaanse voetballers. Duizenden jonge mannen verlaten Afrika om hun droom van een gloedvolle, internationale voetbalcarrière na te jagen. Nu de Europese markt zo goed als verzadigd is met aspirant-spelers, wijken de Afrikaanse jongeren uit naar Azië, in de hoop een positie bij een voetbalclub te bemachtigen.

    Dat voetbal welhaast een religie is in Afrika is algemeen bekend, en veel jonge Afrikanen willen hun voetbalhelden van de Europese competities naar de kroon steken. Het pad naar een internationale voetbalcarrière, voor veel arme jongeren een van de weinige manieren om op de sociale ladder op te klimmen, wordt als een uitweg voor de armoede gezien. Zelfs de gelukkigen die een contract hebben bij lokale Afrikaanse teams, kunnen als voetballer veelal niet in hun onderhoud voorzien. Slechts een handvol professionele clubs kan het zich veroorloven zijn spelers te betalen, maar meestal zijn de spelers voor hun levensonderhoud afhankelijk van familie en giften van fans. Bovendien verdienen Afrikaanse voetballers een schijntje in vergelijking met hun buitenlandse collega’s; driekwart van de Afrikaanse sporters verdient minder dan 1000 dollar per maand. ‘Zodra een jonge voetballer talent aan de dag legt, wordt hij door een buitenlandse club benaderd met de belofte dat zijn bedje, en dat van zijn familie, zal zijn gespreid. De voetballers gaan liever het avontuur aan dan dat ze bij een lokale club blijven hangen,’ zegt Kazimir Makeh, coach van een eerstedivisieclub in Kameroen.

    Op straat rondzwerven

    Hoewel een plek in de selectie van een Europese club voor de meeste jonge spelers de ultieme droom is, verleggen steeds meer Afrikaanse voetballers hun blik naar clubs in Azië, die minder onbereikbaar zijn en worden gezien als een opstap naar Europees succes. Veel Aziatische voetbalclubs op hun beurt zijn op zoek naar Afrikaanse spelers, vanwege hun speelstijl en hun fysieke kunnen. Buitenlandse spelers zijn dure investeringen voor voetbalclubs, dus maken Aziatische clubs handig gebruik van de wanverhouding tussen de enorme belangstelling vanuit Afrika en het beperkte aantal beschikbare plaatsen. ‘Veel clubs profiteren van het feit dat ze deze Afrikaanse spelers voor een belachelijk laag bedrag kunnen strikken,’ zegt Gabriel Ken Gadaffi, voorzitter van de Nigerian Community Association (NCA) in Laos. De scheve situatie heeft gezorgd voor de opkomst van malafide voetbalmakelaars en andere tussenpersonen die munt slaan uit de dromen van de jonge Afrikanen.

    Emmanuel Koska uit Kameroen verliet tweededivisieclub Menoua en verkocht het stuk land van zijn vader om de reis naar Thailand te kunnen betalen, waar hij volgens zijn makelaar meteen als contractspeler aan de slag kon. Na zijn aankomst in Thailand ging de spelersmakelaar er met zijn geld vandoor en het beoogde voetbalteam wilde hem niet hebben. ‘Tegenover de veertig spelers die met een officieel contract voor een Thaise club uitkomen, staan vijftig anderen die zonder contract, en dus zonder inkomen, op straat rondzwerven,’ vertelt een Kameroense spelersmakelaar over de situatie in Thailand. In 2010 werden twee Kameroense voetballers gearresteerd, omdat ze aanboden Amerikaanse dollars te vervalsen. Ze waren gestrand in Myanmar, nadat ze er niet in waren geslaagd een contract af te dwingen bij een Birmese club. Andere jonge voetballers proberen in Myanmar het hoofd boven water te houden met lesgeven of werk in de bediening. Maar zelfs wie wel een contract heeft, verdient vaak een schamel maandsalaris van niet meer dan 200 dollar – in een land waar je voor een paar voetbalschoenen al snel 100 dollar neertelt. Bovendien arriveren veel Afrikaanse voetballers met onrealistische verwachtingen, denkend dat het lage niveau van Aziatische clubs betekent dat die geen hoge eisen stellen en iedereen verwelkomen.

    gettyimages 970799266

    De hausse aan voetbalmakelaars wakkert het naïeve beeld bij jonge voetballers verder aan, zodat niet alleen spelers maar ook clubs worden gedupeerd, als na de transfer blijkt dat een speler nauwelijks een bal kan trappen. ‘Afrikaanse voetballers die hierheen komen omdat ze denken dat het allemaal van een leien dakje zal gaan, zullen bedrogen uitkomen. Op het eerste gezicht lijkt de Birmese voetbalwereld misschien weinig om het lijf te hebben, maar als ze gaan meespelen, zullen ze zien dat ze geduchte concurrentie hebben,’ vertelt Jonathan Yamoah, de Ghanese manager van Nay Pyi Taw FC. Yamoah heeft als profvoetballer de hele wereld afgereisd en op drie continenten gespeeld en streek in 2009 in Myanmar neer, toen daar de nationale voetbalcompetitie werd opgericht. Voordat hij manager werd, speelde hij voor Zeyar Shwe Myay FC. Toch blijven de voetballers uit West-Afrika toestromen, aangetrokken door de beloofde contracten en de hogere lonen. De salarissen in Azië lopen sterk uiteen: buitenlandse spelers kunnen in Bangladesh 2000 dollar per maand verdienen, tegen 9000 dollar in Thailand; topspelers in Indonesië krijgen een jaarsalaris van 80.000 dollar; het jaarinkomen van sterspelers in Vietnam ligt op 200.000 à 300.000 dollar. Met deze bedragen, die vele malen hoger zijn dan die in Afrika, verlokken scouts jonge voetballers tot de oversteek. Hoewel sommigen succes oogsten, wordt het merendeel uitgebuit, of raakt gestrand in een vreemd land, kaalgeplukt door spelersmakelaars die er met hun geld vandoor zijn gegaan. Het probleem is dat iedereen zich voor voetbalmakelaar kan uitgeven; sinds de wereldvoetbalbond FIFA zijn regels in 2015 heeft gewijzigd, is het zelfs alleen maar makkelijker geworden. Met ingang van 2015 hebben voetbalmakelaars geen licentie meer nodig. Waar makelaars voorheen een examen moesten afleggen, hoeven ze nu alleen nog maar te verklaren dat ze van onbesproken gedrag zijn. Vóór de wijzigingen van 2015 werd slechts 30 procent van de transfers afgesloten door erkende makelaars en de overige 70 procent door tussenpersonen zonder licentie. Het nieuwe systeem van de FIFA was bedoeld om illegale wervingspraktijken aan te pakken en de transfers transparanter te maken, maar de wijzigingen hebben de situatie juist verergerd. ‘Ik ken weinig bedrijfstakken waar tussenpersonen zelf een verklaring van goed gedrag mogen afleggen en waar een bemiddelaar niet wordt nagetrokken of getoetst, of aan beroepsnormen hoeft te voldoen,’ stelt Jake Marsh, hoofd sportintegriteit & anticorruptie bij het in Qatar gevestigde International Centre for Sport Security (ICSS).

    In februari 2015 werden de tekortkomingen van het FIFA-systeem pijnlijk duidelijk gemaakt door een geruchtmakende zaak, waarbij de internationale spelersvakbond FIFPro onderzoek deed naar de illegale transfer van 23 Afrikaanse spelers van amper veertien jaar oud naar een ongeregistreerde voetbalacademie van de Laotiaanse club Champasak. De verhandelde jongens moesten bij aankomst in het kleine Aziatische land een zesjarig contract ondertekenen. Hoewel hun een maandloon van 200 dollar en huisvesting was beloofd, werden ze niet uitbetaald en zaten ze opgesloten in het stadion van de club, waar ze met z’n allen in één ruimte op de vloer moesten slapen. De jongeren waren uitgenodigd door de Liberiaanse ex-profvoetballer Alex Karmo, die volhoudt dat de academie naar eer en geweten heeft gehandeld en dat de spelers keurig hun loon hebben ontvangen. De Liberiaanse journalist en sportpromotor Wleh Bedell denkt daar het zijne van: ‘Deze “academie” heeft geen coach, geen sportarts. Karmo was de coach, de manager – alles. Het was volslagen absurd.’ Een jonge speler vertelde dat er geen medische hulp werd geboden, ook al liep een aantal van hen malaria en tyfus op. Hij noemde het ‘regelrechte slavernij’. FIFPro uitte het vermoeden dat de zaak niet op zichzelf stond, maar slechts het topje van de ijsberg was. De Cambodjaanse voetbalcompetitie raakte in een soortgelijk schandaal verwikkeld toen de Nigeriaan Wilson Mene in 2012 tijdens een wedstrijd in elkaar zakte en aan een hartaanval overleed. Daarbij rees het vermoeden dat zijn dood te wijten was aan de barre leefomstandigheden en de ondermaatse medische zorg die zijn Cambodjaanse club bood. Na de dood van Mene werd wereldwijd geijverd voor strengere regelgeving, hoewel veel jonge Afrikanen in Cambodja en heel Azië nog altijd gebukt gaan onder slechte werkomstandigheden.

    Lage kosten voor levensonderhoud, een aangenaam klimaat en de kans om ongeveer 2000 dollar per maand te verdienen lokken Afrikaanse voetballers naar Bangladesh

    Naast alle spelers die met valse beloften naar Azië worden gelokt, bestaat er een grote groep Afrikaanse voetballers die op een toeristenvisum naar Azië afreizen, in de hoop het te gaan maken. Cambodja kreeg tussen 2007 en 2010 te maken met een enorme toestroom aan Afrikaanse spelers, nadat het land entreeprijzen had ingesteld voor voetbalwedstrijden en het maandsalaris van spelers van 20 à 30 dollar per maand was gestegen naar 70 à 100 dollar. Er wordt nu door meer dan honderd Afrikanen en voetballers uit de rest van de wereld gevochten om de dertig beschikbare plaatsen voor buitenlandse spelers. In Myanmar arriveren elk jaar vlak voor het transferseizoen tientallen Afrikanen op een toeristenvisum, dromend van een contract. In de meeste gevallen blijven ze langer dan het toeristenvisum toestaat, tevergeefs wachtend op hun grote doorbraak, om vervolgens platzak in de illegaliteit – en soms in de criminaliteit – te belanden. Degenen zonder verblijfsvergunning die wel een contract binnenslepen, zijn overgeleverd aan hun werkgevers, die hen onder slechte omstandigheden en tegen schandalig lage lonen laten werken. En uit angst voor deportatie zullen spelers zonder verblijfsvergunning ook niet zo snel naar de politie stappen om misbruik aan te geven. Zelfs Louis-Paul Mfede, die bij het WK van 1990 en 1994 in het nationale elftal van Kameroen speelde en nadien zijn carrière in Indonesië voortzette, werd glashard vastgezet toen zijn visum verliep.

    Olewale Sunday verliet Nigeria in de veronderstelling dat hij gecontracteerd was door een professionele Russische voetbalclub, maar belandde voor een fractie van het beloofde salaris bij een amateurclub in Tadzjikistan. Zijn verhaal staat niet op zich: Centraal-Azië is onderhand het afvoerputje voor opgelichte Afrikanen. ‘In de regio zijn nieuwe “voetbalslavenroutes” ontstaan,’ aldus David McArdle, die over voetbal in Azië schrijft. Sunday had nog geluk: hij wist in Kirgizië een positie bij een tweededivisieclub te bemachtigen. Ook Daniel Togoe, uit Ghana, kwam met hoge verwachtingen in Rusland aan en eindigde, in eerste instantie gedesillusioneerd, in Kirgizië. Togoe is nu een van de vier West-Afrikaanse spelers in het Kirgizische nationale voetbalteam. Volgens de FIFA-regels mag een voetballer voor een ander land uitkomen wanneer hij daar vijf jaar woont en het staatsburgerschap heeft gekregen. Ondanks het gemis van vrienden en familie, vermaken Togoe en zijn Afrikaanse ploeggenoten zich inmiddels prima in Kirgizië: de West-Afrikaanse elftalspelers worden er op handen gedragen.

    ‘Bij de Asian Confederation Challenge Cup van 2013 scoorde David Tetteh (uit Ghana) alle doelpunten voor het nationale elftal. Ik heb geen idee hoe hij over Kirgizië heeft gehoord’, schreef de Kirgizische journalist Bektour Iskender, ‘maar dankzij hem en de andere Afrikaanse spelers is ons elftal op de kaart komen te staan.’ Bengalese voetbalpromotors betonen zich al even enthousiast; de groeiende populariteit van het voetbal in Bangladesh is in hun ogen mede te danken aan de Afrikanen, die de competitie naar een hoger niveau hebben getild. De Bengalese Premier League werd pas in 2007 opgericht en sindsdien voeren Afrikaanse spelers de topscorerslijsten aan. Het allereerste doelpunt en de allereerste hattrick van die eerste competitie werd gescoord door de Nigeriaanse spits Elijah Obagbemiro Jr. In 2013 telde de voetbalcompetitie vijftig buitenlandse spelers, het merendeel West-Afrikanen, zoals de Ghanese Awuda Ibrahim, die een van de topspelers is geworden. Lage kosten voor levensonderhoud, een aangenaam klimaat en de kans om ongeveer 2000 dollar per maand te verdienen lokken Afrikaanse voetballers naar Bangladesh. ‘Het voetbal zit hier in de lift, daarom komen Afrikaanse spelers eropaf,’ zegt Abdul Samad Yussif uit Ghana. ‘Als ik tussendoor thuiskom, vraagt iedereen me het hemd van het lijf. Mijn vrienden willen ook deze kant op komen.’

    Op het dak van de wereld

    In de diverse Indiase voetbalcompetities spelen ongeveer vierhonderd Afrikanen, bijna iedere Thaise eredivisieclub telt minstens één Afrikaanse speler en sommige kunnen zelfs bogen op vijf. Al met al speelden in 2015 meer dan dertig Afrikaanse voetballers bij clubs op het hoogste niveau en daarnaast speelde nog een veelvoud in de lagere divisies. Afrikaanse spelers zijn ook populair in Maleisië. Ze figureren prominent in de media en doorbreken daarmee negatieve stereotypen, die dankzij de groeiende immigratie de kop opsteken – alleen al in 2013 immigreerden zo’n 79.000 Afrikanen naar Maleisië. Afrikaanse voetballers vinden zelfs hun weg naar het hooggelegen Nepal, waar ondertussen meer dan vijftig Afrikanen op verschillende niveaus spelen. Gelegen op het dak van de wereld, ingeklemd tussen China en India, is Nepal misschien wel de laatste plek waar je Afrikaanse spelers zou verwachten – zelfs de spelers zelf zijn verbaasd dat ze hier zijn beland. ‘Ik had nog nooit van Nepal gehoord,’ vertelt Adewumi Joshua Femi, uit Nigeria, ‘laat staan van Nepalees voetbal.’ Andere Afrikanen vertellen soortgelijke verhalen. De Ivoriaan Zikahi Leonce Dodoz, die bij JC Abidjan in de eerste divisie speelde, strandde in Nepal nadat hij was opgelicht door een voetbalmakelaar die hem een contract bij een club uit een grote Aziatische competitie had beloofd. Uiteindelijk wist hij zelf een plek af te dwingen bij Three Star Club. ‘Voor lokale begrippen krijgen Afrikaanse voetballers een goed salaris,’ zegt hij. ‘Het is een hele uitdaging voor ons, omdat wij Afrikanen beter betaald krijgen dan de Nepalezen,’ vult de Nigeriaanse verdediger Peter Segan hem aan, ‘dus we moeten onszelf iedere dag bewijzen.’ Voor Dodoz heeft de hele onderneming, na de eerste schok, gelukkig goed uitgepakt; hij woont inmiddels samen met zijn Nepalese vriendin en is bezig de taal te leren. Ook de andere Afrikaanse voetballers zijn te spreken over het land en loven de Nepalese gastvrijheid. Niet alle oversteken eindigen dus in een drama, hoewel alle Afrikaanse voetballers heel wat te verduren krijgen op hun riskante avontuur in Azië.

    Auteur: Jeremy Luedi
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Asia by Africa
    Canada | asiabyafrica.com

    Het blog Asia by Africa, in 2017 opgericht door freelancejournalist Jeremy Luedi, onderzoekt ‘de verbazingwekkende interactie tussen de twee grootste regio’s van de wereld’. Het platform publiceert artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen.

  • Misselijk van voetbal

    Misselijk van voetbal

    De stoere Duitse verdediger Per Mertesacker, wereldkampioen in 2014 en tot voor kort aanvoerder van Arsenal, doet niet mee aan het komende WK. In mei hing hij na vijftien jaar profvoetbal zijn kicksen aan de wilgen. In een openhartig afscheidsinterview met Der Spiegel vertelt hij hoe meedogenloos de voetbalbusiness is.

    Vier à vijf seconden voor het fluitsignaal wordt hij iedere keer overvallen door acute misselijkheid. Als hij zijn positie op het veld heeft ingenomen, te midden van de brullende supporters. Hij weet dat hij nu weer alles moet geven, negentig minuten lang.

    De spanning, zegt hij, is dan bijna ondraaglijk. ‘Mijn maag draait zich om alsof ik moet overgeven. Ik moet dan één keer zo heftig slikken, dat de tranen me in de ogen springen.’ Hij draait zijn hoofd dan altijd opzij, met de kin naar de schouder, opdat niemand er iets van merkt: de tv-camera’s niet, de trainer niet, zijn medespelers niet. Zodat niemand ooit zal vragen wat er eigenlijk voor iedere wedstrijd met hem aan de hand is. Met Per Mertesacker, de rustige, soevereine, centrale verdediger.

    De wereldkampioen van 2014 en aanvoerder van Arsenal uit Londen zit in een Thais restaurant in het noorden van de stad. Het is een vrijdag in januari. Hij heeft het tafeltje online gereserveerd en per WhatsApp een screenshot gestuurd: 14.00 uur, twee personen, Mertesacker. ‘The big fucking German’ noemen ze hem hier in Engeland. Hoe passend die bijnaam is, laten we in het midden. Fucking big is hij zonder twijfel. Slechts één keer probeert hij zijn benen onder de tafel te vouwen.
    Per Mertesacker, 1 meter 99 lang, mager, draagt witte gymschoenen, jeans en een grijs sweatshirt. Hij bestelt spa blauw, kip met cashewnoten, geen koriander. Hij komt juist van de training.

    Diarree

    Veel aan de 33-jarige maakt een jongensachtige indruk: zijn lachen, de coolness waarmee hij achteroverleunt in zijn stoel, armen over elkaar. Of misschien wil hij nog een beetje afstand houden, voordat hij iemand dichterbij laat komen dan enige actieve voetballer van wereldklasse voor hem deed.

    In mei zet Mertesacker een punt achter zijn carrière, na 15 jaar profvoetbal, na 104 interlands, 221 wedstrijden in de Bundesliga, 155 in de Premier League en 83 in de Europa League.

    Hij is moe, uitgeput, zegt hij.

    Hij is kapot, zeggen de artsen.

    Maar Mertesacker wil er niet zomaar mee ophouden. Hij wil iets nalaten ‘voor de volgende generaties’, zegt hij.

    Dat moeten inkijkjes zijn in de meedogenloosheid van de voetbalbusiness. Hij wil afrekenen met valse veronderstellingen en in eigen persoon laten zien wat het betekent om met deze job te leven, die velen als een droombaan bestempelen: om de desastreuze druk te verdragen, om gevangen te zitten in een voortdurende dwang van training en wedstrijden spelen, en daarbij altijd alleen op je prestaties beoordeeld te worden.

    Altijd alleen maar de speler te zijn, nooit de mens in het shirt.

    Hij stelt een voorwaarde, en kijkt me strak aan. ‘Dit mag allemaal niet klagerig klinken, want natuurlijk besef ik wat een bevoorrecht leven ik heb.’ Dat er velen zijn die van zijn roem en zijn bankrekening dromen. En van wat daarmee samenhangt: villa’s, luxe auto’s, vakantie op de Seychellen, de Malediven, Mauritius. Hij wil er alleen aan toevoegen wat hij zelf veel te lang weggedrukt heeft. Dat deze gigantische voetbalbusiness niet alleen van het lichaam heel veel vergt.

    ‘De kwestie van die misselijkheid, het is voor het eerst dat ik daarover praat,’ zegt Mertesacker. Dat begint al in de nacht voor de wedstrijd. Clemens Fritz, met wie hij bij Werder Bremen een kamer deelde, had hem daar eens op attent gemaakt.

    ‘Hij vond dat hij altijd alles op alles moest zetten om eerder in slaap te vallen dan ik. Ik zou voor wedstrijden zo trillen met mijn rechtervoet, dat het hele dekbed ritselde. Daar zou hij gek van worden.’ Hemzelf was dat nooit opgevallen.

    En dan de diarree, op de ochtend van elke speeldag, terugblikkend dus op vijfhonderd dagen van zijn leven. Mertesacker richt zijn blik op zijn lange vingers, somt op: ‘Vanuit bed moet ik meteen naar het toilet, na het ontbijt naar het toilet, na het middageten weer naar het toilet, in het stadion nog eens naar het toilet.’ Al wat hij at moest er meteen weer uit.

    Zelfs met zijn vrouw, zijn familie, zijn vrienden heeft hij nooit over die misselijkheid gesproken. ‘Ik wilde dat niet dramatiseren. Het had geen effect op mijn prestaties.’

    Mertesacker pauzeert, denkt na. ‘Aan de andere kant deed ik als kind al alles alleen.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al

    Op zijn vierde stond hij voor het eerste op een voetbalveld. In Pattensen, Nedersaksen. Zijn vader Stefan was toen trainer van de dorpsvereniging. ‘Ik weet nog hoe ik met de andere jongetjes altijd voor de kleine bekers in de hal stond: O, kijk eens, misschien winnen we die, of die.’

    Bij wedstrijden moesten de kinderen vaak huilen als ze hem zagen. Omdat hij zo groot was, toen al. Al vroeg speelde hij mee met een hogere jaargang. ‘Altijd in de verdediging, altijd simpel, maar effectief. Zoals eigenlijk nog steeds.’

    Op zijn elfde ging hij naar Hannover 96. Dat hij het ooit zou schoppen ‘tot het hoogste niveau’, daar had hij nooit aan gedacht. ‘Ik wilde nooit profvoetballer worden. Voetbal was mijn hobby, en meer niet.’

    Zijn vader had meer in hem gezien, bleek toen Per vijftien was. Hij leed aan groeistoornissen, was te snel gegroeid, zijn botten moesten zich nog aanpassen. ‘Ik had zo’n pijn in mijn linkerknie dat ik een jaar lang niet kon trainen.’ Zijn vader zat er erg over in. ‘Jij redt het toch niet,’ had hij hem eens toegeroepen. ‘Maak jij eerst maar eens je school af, dan zien we verder,’ stelde zijn moeder hem gerust.

    Jij redt het toch niet. ‘In zekere zin heeft dat zinnetje me bevrijd,’ zegt Mertesacker nu. Want plotseling was de druk weg, die hij altijd had gevoeld.

    Toen hij na een jaar rust terugkeerde in de B-jeugd van 96, was er opeens de linie van vier verdedigers, met twee binnenspelers. Speel dat eens, had zijn trainer gezegd. Jij bent rustig aan de bal, en wint kopduels. Voor zijn toenmalige trainer werd hij al snel de ‘vuurtoren’ van het elftal. Na de jeugd kreeg hij een contract bij de amateurs. Hij moest maar een mobieltje kopen voor het geval ze hem nodig hadden bij de profs. ‘Dat was de eerste keer dat ik dacht: Wacht even, nu wordt het hier toch gevaarlijk,’ zegt Mertesacker.

    In 2003 tekende hij zijn eerste profcontract. Looptijd: twee jaar. Salaris: duizend euro per maand. Zijn vader vond dat hij eerst maar eens respect moest afdwingen. Op 1 november 2003 speelde hij zijn eerste wedstrijd in de Bundesliga tegen FC Köln als de jongste in Duitsland geboren speler van de Liga.

    Ongeveer twintig wedstrijden later rinkelde zijn mobieltje: Jürgen Klinsmann. ‘Hij wilde een frisse wind in het nationale elftal brengen, en mij een keer uitnodigen,’ herinnert Per Mertesacker zich. Hij lacht, schudt zijn hoofd. ‘Ik dacht alleen maar: Dat moet een 1-aprilgrap zijn.’


    Dan trekt hij een ernstig gezicht. Zijn geschiedenis tot dat moment heeft hij verteld als een entertainer, nu praat hij zachter, zoekt meer naar woorden.

    ‘Het ene hoogtepunt volgde op het andere. Bovendien was het toen al een moeilijke spagaat: ik heb m’n eindexamen gehaald, elke dag getraind en in de weekends gespeeld. Maar ik heb mezelf vaak aangemoedigd: niet nadenken, doorgaan, gewoon doorgaan.’

    Hij zwijgt even. ‘Want natuurlijk, op zeker moment besef je wel dat het allemaal behoorlijk zwaar is, lichamelijk en mentaal, dat je dat ook moet verwerken en ergens moet wegstoppen. Dat het helemaal niet meer om het plezier gaat, maar dat je moet presteren, zonder mitsen en maren. Zelfs als je geblesseerd bent.’

    Zijn eerste zware blessure had hij in 2005. Een overtreding in een interland, een schop tegen de achillespees. De blessure laten genezen was geen optie, voor Hannover 96 dreigde weer eens degradatie uit de Bundesliga, voor hemzelf ging het ook om een plaats in het nationale elftal.

    En dus speelde hij verder, een jaar lang, totdat zijn bot erdoor vervormd was. ‘Dat waren helse pijnen. Maar in dit werk moet je altijd bereid zijn je gezondheid op te offeren. Onder het motto: van lijden word je hard.’

    Het betaalde zich uit, Klinsmann riep hem op. ‘Het idee om erbij te zijn op het WK in eigen land, dat was een soort roes.’

    Per Mertesacker schuift zijn bord opzij, haalt een rood notitieboekje tevoorschijn. Hij bladert erin, zijn blik vliegt langs de trefwoorden die hij voor de ontmoeting met Der Spiegel genoteerd heeft. ‘Natuurlijk was ik ook teleurgesteld toen we tegen Italië in de halve finale uitgeschakeld werden, maar ik was vooral opgelucht. Ik weet het nog goed, alsof het gisteren was. Ik dacht alleen maar: Het is voorbij, het is voorbij. Eindelijk is het voorbij.’

    ‘Had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Zelfs één enkele wedstrijd had hij niet meer kunnen spelen, vanwege zijn hiel. ‘De spanning vrat me op. Dat voortdurende horrorscenario dat je een fout maakt, waaruit een doelpunt ontstaat.’ Hij zwijgt een moment. ‘Die angst heb je ook bij andere wedstrijden, dat je steeds weer naar de klok op het scorebord kijkt, de minuten aftelt. Maar bij het wereldkampioenschap was het onmenselijk.’ Mertesacker speelt gedachteloos met zijn servet. Rolt hem op, en weer uit, op, en uit. ‘Maar had ik dat kunnen zeggen? Dat ik blij was dat we eruit lagen?’

    Voetbal is de lievelingssport van de Duitsers, de voetbalprofs zijn zoiets als nationaal bezit. Zelfs als hij na de wedstrijd volledig opgebrand was, gold: de mensen hebben recht op je, Per. Hij weet niet meer hoe vaak hij dat zinnetje heeft gehoord. Op momenten waarop hij alleen maar weg wilde, met niemand wilde praten.

    Hij keert terug naar zijn notities. Na het Wereldkampioenschap van 2006 moest zijn hielbeen in de oorspronkelijke vorm worden teruggeschaafd. Hij koos een revalidatiekliniek in Donaustauf bij het Beierse Woud. ‘Ik wilde zo ver mogelijk weg van de voetballerij, van de club, van de stadions.’ Opnieuw laat hij een stilte vallen, kiest zijn woorden zorgvuldiger. ‘Iedereen denkt dat het een drama is om uit te vallen met een blessure. Dat is niet zo. Want het is de enige manier om een gelegitimeerde time-out te krijgen, even weg uit de mallemolen.’

    De mallemolen. Altijd dezelfde opeenvolging van sponsorverplichtingen, trainingen en wedstrijden, week in week uit. De dagelijkse metingen ondergaan: hoeveel heeft hij gelopen? Hoe snel? Hoe hoog gesprongen? ‘En het interesseert feitelijk geen hond of je tien goede wedstrijden hebt gespeeld. Altijd is de laatste wedstrijd de enige die telt.’

    Voetbal is een spel waarbij liefde en haat elkaar afwisselen. ‘Als de supporters je bejubelen is dat onbeschrijfelijk. Fluiten ze je uit, ai, dan ga ik door de grond van schaamte.’

    In zijn tijd als profvoetballer ging zijn lichaam minstens een keer per jaar in staking, zegt hij. Na het seizoen 2007/2008 stond hij na drie weken weer op het veld, hij had het EK nog gespeeld. ‘Ik kwam bij de eerste training heel normaal aanlopen, toen ik een knik in mijn knie voelde. Ik viel en kon mijn knie niet meer bewegen. Gescheurde meniscus. Zomaar ineens. Peng.’ Hij klakt met zijn tong.


    © Getty
    © Getty

    Lang heeft hij zich afgevraagd waarom dat gebeurde. ‘Het antwoord is simpel: ik zat er doorheen, volledig. Mijn lichaam was niet klaar voor een nieuwe inspanning.’ Hij speelt met het leeslint van zijn notitieboekje. ‘Als ik niet meer kon, was ik geblesseerd. Zo was het altijd. Ik durf zelfs te beweren dat veel terugkerende blessures een psychische oorzaak hebben. Dat het lichaam de ziel daarmee rust bezorgt. Maar niemand vraagt daarnaar.’

    Zeven weken lang valt hij uit met zijn gescheurde meniscus, hij herstelt weer in Donaustauf. In de kliniek leert hij zijn huidige vrouw Ulrike Stange kennen. Van die relatie heeft hij enorm geprofiteerd, zegt Mertesacker. Zij is een voormalige handbalster van het nationale team, kent de druk, de verwachtingen. Het lange wakker liggen ’s nachts. Na avondwedstrijden kwam hij voor vijf uur niet in slaap. ‘Dan sta je de volgende dag volkomen uitgewoond op het trainingsveld.’

    Zijn vrouw toont tot op heden stilzwijgend begrip als hij, zoals in januari 2012, drie dagen lang ziek in bed ligt omdat hij weer eens overbelast is, en alleen maar wacht tot dat gevoel weggaat. Welk gevoel? ‘Nou ja, de uitputting, die totale uitputting.’

    Na zijn transfer van Hannover 96 naar Bremen in 2006 treft hij in de kleedkamer voor het eerst een psycholoog aan. Hij werd zo aan hem voorgesteld: als je eens iets hebt, dan kun je er altijd met hem over praten.

    Hij heeft geen gebruikgemaakt van het aanbod. ‘Als hij ons aansprak reageerde iedereen altijd in de trant van: ik heb niks, met mij gaat het goed. Blijf uit mijn buurt, ik wil niet met je praten.’ Mertesacker trekt met zijn mes lijnen in de stof van zijn servet, haalt zijn schouders op. ‘Je wilt toch ook niet dat de anderen in het team denken dat je een probleem hebt. Dat topsport misschien toch niets voor jou is.’ Op het veld zijn ze een elftal, maar uiteindelijk staan ze er allemaal alleen voor; de een wat gevoeliger dan de ander. ‘In de kleedkamer dol je wat met elkaar, met twee of drie anderen heb je misschien meer contact. Maar dat was het ook wel. Niemand laat het achterste van zijn tong zien en zegt hoe hij zich voelt.’ Maar op wedstrijddagen liepen ze allemaal naar de wc.
    Pas bij Arsenal ging hij in gesprek met een psycholoog. Die werd hem aangeprezen als een coach die hem nog duidelijker zou maken wat zijn taken als centrale verdediger waren. Het gaf hem ‘meer zelfvertrouwen’, zegt Mertesacker. Wat de stress met hem deed, hoe hij zich in bepaalde situaties voelde, daar vroeg de psycholoog nooit naar.

    Zelfmoord Robert Enke

    Hoezeer zwakheden en ziekte in het voetbal weggestopt worden, heeft vooral de dood van Robert Enke in 2009 aan het licht gebracht. Als hij spreekt over de zelfmoord van zijn vriend, destijds doelman bij Hannover 96, wellen er tranen in de ogen van Per Mertesacker. ‘Zelfs ik heb er niets van meegekregen hoe slecht het met hem ging. Dat zegt wel iets, nietwaar?’

    Foto’s van Enkes rouwplechtigheid laten een huilende Mertesacker zien. ‘Ik stond op het punt het bijltje erbij neer te gooien. Vooral omdat een week later alles weer als vanouds was.’ Het gepraat over meer menselijkheid in het voetbal, het waren alleen maar mooie woorden.

    Waarom hij dan toch was blijven spelen? De euforie na overwinningen, dat is nergens mee te vergelijken. De goede feedback van zijn trainer. De liefde voor het spel. Het deel uitmaken van een team. De mensen, vooral de kinderen, voor wie je een idool bent. De nieuwe uitdagingen, die ook steeds weer voor nieuwe motivatie zorgden; en ten slotte het aanbod van Arsenal uit Londen, de wereldclub, waarvoor hij altijd al had willen spelen.

    Ook het salaris was natuurlijk altijd een argument, ‘idioot veel geld’, zoals hij zegt. ‘Toch zou ik nooit zeggen dat ik persoonlijk overbetaald werd, of word. Ik weet wat ik daarvoor gepresteerd heb, wat die belasting met mij gedaan heeft.’

    Wat hij daarvoor heeft opgegeven – zijn jeugd, zijn privéleven, zijn vrijheid. ‘Maar nogmaals: ik stel het alleen maar vast. Ik heb er zelf voor gekozen, niemand heeft me ertoe gedwongen.’

    Vrienden zijn voor Per Mertesacker de mensen die hij kende voor hij de stervoetballer werd. Voormalige klasgenoten, jongens met wie hij als tiener bij Hannover 96 gespeeld heeft. Die het niet gehaald hebben, ook omdat ze niet om konden gaan met de druk.

    In mei speelt Per Mertesacker zijn afscheidswedstrijd. ‘En dan zal ik als dertigplusser voor het eerst van mijn leven vrij zijn,’ zegt hij. Na drie maanden rust zal hij in de zomer de jongerenopleiding van Arsenal gaan leiden. Hij heeft grote plannen. ‘Ik wil het systeem aanvallen. Wij zijn verantwoordelijk voor de jongeren die naar ons toekomen. Die mogen niet alles op de voetbalkaart zetten, en de school verwaarlozen. Tenslotte wordt maar 1 procent van hen prof. En van de 99 procent die overblijft is dan 60 procent langdurig werkloos.’

    Hij wil ook de blik van de jongeren scherpen. Dat het maar kleine splintertjes van de realiteit zijn die sommige spelers op Twitter, Instagram en Facebook posten. Dat de grote koptelefoons en donkere zonnebrillen niet zozeer coole accessoires zijn, maar bescherming tegen de buitenwereld.
Er zijn vele uren verstreken als Per Mertesacker zijn notitieboekje dichtslaat. Hij leunt achteruit in zijn stoel, strekt zijn lange benen uit. Hij had totaal geen idee waar hij aan begon toen hij prof werd, zegt hij. ‘Maar zelfs als ik voor iedere wedstrijd moest braken en twintig keer moest revalideren, zou ik het zo weer doen.’

    In 2014 voor Duitsland de wereldtitel pakken, en in Wembley staan als vijftigduizend man voor Arsenal juichen – ‘Voor die herinneringen was het het allemaal waard.’

    Auteur: Antje Windmann
    Vertaler: Piet Meeuse

    Openingsbeeld: © Hollandse Hoogte

    Der Spiegel
    Duitsland | weekblad | oplage 840.000

    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat tal van politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.

  • Controverse: Bedrijft Schmeichel propaganda voor Poetin?

    Controverse: Bedrijft Schmeichel propaganda voor Poetin?

    De voormalige Deense topkeeper en voetbalanalist Peter Schmeichel verslaat 
de aanloop naar het WK voetbal voor de zender Russia Today, bekend als spreekbuis van het Kremlin. Dat levert hem veel kritiek op in zijn vaderland.

    JA

    Peter Schmeichel werd tot twee keer toe verkozen tot keeper van het jaar, won met Denemarken het EK van 1992 en vierde triomfen met zijn club Manchester United. Zijn vizier staat nu echter minder scherp dan in zijn tijd als keeper. Dat kunnen we tenminste opmaken uit zijn recente werkzaamheden voor de Russische televisiezender Russia Today (RT). Een zender die niet alleen gefinancierd wordt door de Russische staat, maar ook 
als journalistieke spreekbuis van het Kremlin fungeert.

    Natuurlijk heeft Schmeichel het recht om zijn geld te verdienen zoals het hem goeddunkt. Wat hij doet is, zoals zijn vroegere teamgenoot Stig Tøfting het verwoordde, ‘in ieder geval niet verboden’. Maar is het ook slim? Of ook maar verdedigbaar? Rusland is, na een korte flirt met de democratie, uitgegroeid tot schurkenstaat. Poetins opponenten zijn onschadelijk gemaakt, potentieel gevaarlijke tegenstanders worden uitgesloten van deelname aan de verkiezingen, sommigen van hen zelfs vermoord of ze verongelukken onder verdachte omstandigheden. De president vertrekt hierbij geen spier. De Krim is ingelijfd, de Baltische staten voelen zich bedreigd en in het oosten van Oekraïne woedt een oorlog, waarbij een Maleisisch lijnvliegtuig werd neergehaald met luchtafweerraketten van Russische makelij. De Russische ambassadeur in Kopenhagen dreigt zelfs eventueel kernwapens in te zetten tegen Deense oorlogsschepen, indien het land zich aansluit bij het westerse antiraketschild. Het Deense ministerie van Defensie en de grote wapenfabrikant Maersk hebben te lijden onder cyberaanvallen. En dat is nog maar het begin van een lange, lange lijst.

    De oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?

    Schmeichel heeft echter vrolijk besloten zich in dienst te stellen van dit regime. Hij benadrukt dat hij geheel zelfstandig de thema’s en inhoud van zijn programma’s mag kiezen, en dat hij niemand verantwoording schuldig is. Dat is fijn voor Schmeichel en helemaal voor RT, want de oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?

    Op zich kan het medialandschap het best zonder een kritische Schmeichel stellen. Rusland komt de laatste tijd sowieso bijna uitsluitend negatief in het nieuws. Stemmingmakerij tegen het land is dus onnodig, die verzorgt het zelf al. Het meest recente voorbeeld was de poging tot moord in Salisbury.

    Schmeichel heeft een onverstandige keuze gemaakt, misschien zonder er goed over na te denken. Hij zou op zijn beslissing terug moeten komen. Sportief als hij is, ziet hij dat hopelijk zelf ook in. 

    Redactioneel – Jyllands-Posten

    Denemarken | dagblad | oplage 84.000
    Liberaal-conservatieve ochtendkrant. Jyllands-Posten kwam in 2005 internationaal 
in het nieuws toen het satirische politieke spotprenten publiceerde waarin de profeet Mohammed werd gebruikt.

    1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).
    1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).

    NEE

    Peter Schmeichel wordt voorgesteld als een clown met een rode neus in een Russisch staatscircus, met Vladimir Poetin als directeur met de hoge hoed. Anderen zien in Schmeichel een naïeve topvoetballer die voor presentator speelt zonder te beseffen dat hij in werkelijkheid een 1.91 meter lange reclamezuil is voor het beleid van Poetin. En weer anderen vinden hem een slimme zakenman die gewoon zijn Peter Schmeichelshow verkoopt 
aan de hoogste bieder.

    Zonder twijfel wordt Peter Schmeichel voor zijn werk als presentator bij de Russische televisiezender Russia Today vorstelijk betaald – zelfs naar Russische maatstaven. Ook staat buiten 
kijf dat RT Poetins propagandakanaal is. En ten slotte is evident dat Schmeichel, door als gastheer voor het gastland van het wk voetbal op te treden, smakeloze televisie maakt.

    Als kijker kun je moeilijk Schmeichels enthousiasme delen wanneer hij een stadion in de stad Nizjni Novgorod binnenwandelt, schilderijen van Kandinsky bekijkt, langlauft of Russische matroesjkapoppetjes beschildert.

    Heeft Schmeichel iets van een gids in een van Poetins nationalistische potemkindorpen? Iets wel, ja. Helpt hij met zijn optredens mee om Rusland in een gunstig daglicht te zetten? Absoluut.

    Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers

    Om allerlei redenen was het onverstandig van Schmeichel om zich door RT te laten inlijven. Toch is het wel zo fair om hem naar de concrete inhoud van zijn programma’s te beoordelen. Goed beschouwd was zijn optreden daarin tot dusver eerder pijnlijk dan werkelijk laakbaar.

    Schmeichel kreeg kritiek omdat hij, in een interview over de veiligheidssituatie tijdens het WK, naliet om door te vragen. 
Die kritiek was terecht, maar hij ondervroeg de president van [wereldvoetbalbond] FIFA, de Zwitser Gianni Infantino. Niet de Russische autoriteiten. Niet Poetins woordvoerder.

    En zelfs al is de inhoud van deze televisieprogramma’s misschien soms discutabel, dan nog kunnen bepaalde Deense politici de ex-voetballer moeilijk bekritiseren zonder hypocriet over te komen. Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers. Onze deelname aan het evenement legitimeert Poetin net zo goed.

    Als Denemarken, net als andere landen, van plan is om zijn volkslied op Poetins WK te laten klinken, dan is dat vanuit de overtuiging dat voetbal landen moet verenigen en niet verdelen. Wij zijn ervan overtuigd dat het beter is om contact te blijven houden en een dialoog te voeren, dan om het Russische volk de rug toe te keren. En wij denken dat het mogelijk is Poetins beleid scherp 
te veroordelen en tegelijkertijd toch in zijn stadions te spelen.

    Daar kun je het mee oneens zijn. Maar in dat geval moet je ook de consequenties aanvaarden. Je kunt niet tegelijkertijd meedoen met het WK en diegenen bekritiseren die het evenement verslaan. Politici die dat doen, zijn hypocriet.

    Auteur: Christian Jensen
    Christian Jensen (1972) is hoofdredacteur van Politiken. Hij werkte eerder 
voor Dagbladet Information en, 
als onderzoeksjournalist, voor 
het dagblad Berlingske.

    Politiken
    Denemarken | dagblad | oplage 88.000
    Een van de grootste kranten van Denemarken. Met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. De vormgeving van Politiken wordt wereldwijd geprezen.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • Je mist een WK en de wereld stort in

    Je mist een WK en de wereld stort in

    Voetballand Italië beleefde de recente uitschakeling voor het WK in Rusland als een historische ramp. Mag het wat minder dramatisch, schrijft politicoloog Alessandro Campi.

    Keuze uit het archief

    Italië doet niet mee aan het wereldkampioenschap voetbal, dat deze zomer in de VS, Canada en Mexico wordt gehouden. Voor de derde keer op rij werd het elftal uitgeschakeld tijdens de WK-kwalificatiewedstrijden, een zware domper voor een voetballand als Italië.
    Toen dat in 2017 gebeurde, heerste er in het land een heuse rouwstemming en werd de uitschakeling opgeklopt tot een nationale ramp. Politicoloog Alessandro Campi legt in dit artikel uit Il Messaggero uit wat aan deze dramatiek ten grondslag ligt en zet de lezer met beide benen op de grond. ‘Het blijft tenslotte maar een spelletje.’

    Je begint je af te vragen wat een fantastisch land Italië zou zijn als zijn inwoners ook maar een tiende van de hartstocht, de mentale inspanning, de lichamelijke energie, de creativiteit en de woorden zouden spenderen aan hun maatschappelijke betrokkenheid, hun dagelijks werk, hun sociale relaties en het algemeen belang als aan voetbal – zij het vaker als toeschouwer dan als speler.

    Eens te meer hebben we laten zien waartoe we in staat zijn: het Squadra Azzurra heeft zich tegenover het over het algemeen zwakke Zweden, dat zich beslist niet kan meten met onze reputatie op voetbalgebied, niet kunnen kwalificeren voor het WK 2018 in Rusland. En op het moment dat het fluitje van de scheidsrechter het einde van de wedstrijd aankondigde, en daarmee niet alleen onze nederlaag bekrachtigde maar vooral onze fysieke inferioriteit, werden we overspoeld door een stortvloed van commentaren, beschuldigingen, protesten en standpunten die grensde aan een collectief psychodrama.

    Een heel land voelde zich geroepen zijn mening te geven. We eisten op hoge toon het ontslag van de verantwoordelijken – en dan vooral van één daarvan, altijd dezelfde, de trainer. We hebben de vreselijke economische gevolgen die deze uitschakeling met zich mee zal brengen schromelijk overdreven. Om een parallel te trekken met deze nederlaag op het ereveld hebben we aan de zwartste uren van onze nationale geschiedenis gerefereerd, de onlangs herdachte Slag bij Caporetto die Italië de nekslag toebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog. Plotseling zijn wij Italianen – gewoonlijk zo wars van iedere vorm van collectiviteitsbetoon – onszelf als een gekwetste, gewonde, diep gekrenkte gemeenschap gaan beschouwen die nu wanhopig op verlossing wacht. De woorden ‘catastrofe’, ‘tragedie’ en ‘apocalyps’ waren niet van de lucht, en ze zijn met zo veel luchtigheid en onmatigheid gedebiteerd – het blijft tenslotte maar een spelletje – dat je je kunt afvragen welke termen je moet gebruiken om een echte ramp te omschrijven.

    We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt

    We zijn vooral in sociologische en massapsychologische verklaringen vervallen, op een toon die aan een cafégesprek doet denken. Maar waar staat geschreven dat voetbal een metafoor is voor de maatschappij? En dat een nationaal elftal in crisis dus het product van een land in crisis moet zijn? Want als dat zo was, zouden we daaruit de even ridicule als wijdverbreide conclusie moeten trekken dat de voetbalkracht van een land bepalend is voor zijn economische kracht en zijn internationale geloofwaardigheid. Het gezond verstand zou willen dat het tegendeel het geval was. Bovendien kunnen we minstens tien landen noemen die op voetbalgebied geen deuk in een pakje boter slaan maar desondanks over grote rijkdommen beschikken en een belangrijke rol spelen. Willen we onszelf misschien wijsmaken dat we door onze uitschakeling voor het WK voortaan voor spek en bonen zullen meedoen op het internationale toneel en dat ons bbp weldra een dieptepunt zal bereiken?

    Je krijgt het gevoel dat deze merkwaardige parallel tussen sport en politiek, tussen de overwinningen van de eerste en de macht van de tweede, een onbewuste erfenis is van de totalitaire traditie van de twintigste eeuw, waarin de twee gebieden opzettelijk nauw met elkaar verweven waren. Maar de geloofwaardigheid en het goed functioneren van een democratie – waarin sport als eenvoudig volksvermaak moet worden beschouwd, en niet als een dwangmiddel voor collectieve mobilisering, voor het versterken van de burgerzin en het doen vergeten van de smeerlapperij van en de vrijheidsberoving door de machthebbers – zijn niet afhankelijk van het aantal gescoorde doelpunten of gewonnen bekers.

    Gianluigi Buffon en Leonardo Bonucci omhelzen elkaar na de fatale play-off tegen Zweden in het San Siro-stadion in Milaan. – © Claudio Villa / Getty
    Gianluigi Buffon en Leonardo Bonucci omhelzen elkaar na de fatale play-off tegen Zweden in het San Siro-stadion in Milaan. – © Claudio Villa / Getty

    Als we eens zouden ophouden met filosoferen over een eenvoudige nederlaag – waarvan iedereen weet dat die sportief gezien verdiend was – zouden we misschien ontdekken dat het ons aan een minimum aan voorbereiding en organisatie heeft ontbroken. We hebben gewoon de verkeerde mensen op de verkeerde plekken gezet. Die hebben gewoon hun werk slecht gedaan, fouten gemaakt op het gebied van management, strategie, voorbereiding en prognostiek. Zulke dingen kunnen gebeuren. Maar als zoiets bij een bedrijf gebeurt – en het voetbalmilieu is, de oprechte hartstocht waardoor het wordt bezield even buiten beschouwing gelaten, een enorme commerciële onderneming geworden waarin alles draait om belangen, investeringen en getallen met zes nullen – stroopt men de mouwen op. En men probeert, met het oog op een glorieuzere toekomst, het goede te behouden en het slechte te verbeteren. Zeker, dat is een prozaïsche benadering, maar wel de enige serieuze en rationele.

    Voor de rest is het alleen maar weliswaar vermakelijk maar onverdraaglijk geklets, waarmee de Italianen hun fouten en hun vaak zo armetierige houding graag plegen te maskeren. Zoals wanneer ze zich ware nationalisten betonen, het volkslied galmen, te vuur en te zwaard het Squadra verdedigen of zich alleen maar gedurende de negentig minuten van de wedstrijd als de trotse hoeders van een prestigieuze nationale geschiedenis ontpoppen. Om elkaar vervolgens weer te verscheuren, hun naaste of buurman de rug toe te keren, zich op te sluiten in hun individuele of regionale coconnetje, anti-Italiaanse stereotypen uit te braken of zich te verliezen in zelfdenigrering zodra het nationale elftal de drempel van de kleedkamer over is.

    Dit volk moet eerst vermoeid en verbijsterd zijn voordat het zijn eenheid en solidariteit denkt te kunnen hervinden rond zoiets als een voetbal! En het wordt pas echt pathetisch als het van een verloren wedstrijd een historische ramp maakt waarvan het zich pas in de verre toekomst zal kunnen herstellen. Laten we duimen dat dat gebeurt. We zijn tenslotte Italianen, we hebben wel meer erge dingen meegemaakt en we beschikken over zo veel verborgen krachten.

    Om niet de lachlust te wekken zullen we de soberheid van onze vaders moeten hervinden, die behept waren met een ware hartstocht voor de ronde bal, maar daarvan geen staatskwestie maakten. Toen we in januari 1958 een smadelijke nederlaag leden tegen Noord-Ierland, kopte La Gazetta dello Sport alleen maar: ‘Squadra Azurra uitgeschakeld voor WK’. Meer niet. Heel anders dan het moord en brand geschreeuw van tegenwoordig. Maar dat waren andere tijden, en andere Italianen.

    CONTEXT: Einde van de wereld

    De dag na de uitschakeling van de Azzurri kwam de Italiaanse pers dramatische bewoordingen tekort: ‘Apocalyps’, ‘EINDE’, ‘nationale schande’. De meeste kranten publiceerden foto’s van wanhopige spelers en vertwijfelde koppen. ‘Voor het eerst in zestig jaar zonder WK’, klaagde de Corriere della Sera. We zijn ‘de wereld uitgezet’, voegde Il Giornale eraan toe. Naast al het geweeklaag heeft het land snel naar zondebokken gezocht. De beschuldigende vingers gingen naar trainer Giampiero Venturo, ontslagen op 15 november, en naar bondsvoorzitter Carlo Tavecchia, die op 20 november aftrad.