Tag: voetbal

  • Voetballen 
voor Assad?

    Voetballen 
voor Assad?

    Sport als propaganda

    Het Syrische voetbalelftal plaatste zich onlangs voor de play-offs voor het WK 2018. Een geweldige prestatie, maar ook één met een wrange bijsmaak, schrijft sportjournalist Steve Fainaru: ‘De harde waarheid is dat het voetbal door president Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur.’ Sterspeler Firas al-Khatib worstelt met de vraag: stel ik me wel of niet beschikbaar? 

    Op een koele middag in februari zit een van de beste voetballers van Syrië in een winkelcentrum in Koeweit te dubben over een beslissing die hem, zo vreest hij, het leven kan kosten. Vijf jaar lang heeft Firas al-Khatib het nationale elftal geboycot uit protest tegen Assad, die zijn stad heeft uitgehongerd en gebombardeerd. Maar nu lijkt hij ineens van gedachten te zijn veranderd. Hij overweegt zich toch weer beschikbaar te stellen voor de beslissende slotfase van de WK-kwalificatie. Zijn motieven zijn complex en hij praat er niet graag over.

    ‘Ik ben bang, bang,’ zegt hij in ietwat plechtstatig Engels. ‘Zodra je in Syrië nu je mond opendoet, is er iemand die je vermoordt – om wat je zegt, om wat je denkt. Niet om wat je dóét. Ze doden je om wat je denkt.’

    Khatib is een man met een tenger postuur, een baardje, bruine krullen en zachte ogen. Bij zijn profclub in Koeweit verdient hij miljoenen. Het chique winkelcentrum waar wij hem spreken, met uitzicht op een jachthaven waar mannen op terrassen aan een waterpijp lurken, geeft een indruk van zijn luxe leventje hier. Maar hij worstelt zichtbaar met zijn grote dilemma. ‘Elke dag lig ik hier een paar uur over te malen voordat ik in slaap kom.’

    Hij pakt zijn telefoon en laat zijn Facebookpagina zien, waarop dagelijks honderden berichten binnenkomen. Zelfs sommige van zijn beste vrienden dreigen nu met hem te breken. Nihad Saadeddine, een speler met wie hij is opgegroeid, zegt dat Khatib ‘samen met iedereen die de misdadige Assad heeft gesteund op de schroothoop van de geschiedenis’ zal belanden, als hij toch weer voor Syrië speelt. En dat hij hem dan nooit meer wil spreken.

    Keuze tussen twee kwaden

    Over 36 dagen speelt Syrië zijn volgende kwalificatieduel. Voor die tijd moet Khatib een keuze maken tussen twee kwaden. Als hij meespeelt, wordt hij de aanvoerder en spil van het team dat zijn land voor het eerst naar een WK kan brengen. Maar dan speelt hij wel voor een bloedig regime dat niet alleen zenuwgas, marteling, uithongering en bombardementen als wapens hanteert, maar ook voetbal als propagandamiddel inzet. Blijft hij het nationale elftal boycotten, dan kiest hij partij voor een met vreedzame demonstraties begonnen oppositie die inmiddels uiteen is gevallen in een baaierd van splintergroeperingen, waaronder IS en Al-Qaida. En voetbal is voor IS al vaker een doelwit van bloedige aanslagen geweest, zoals die bij het Stade de France in 2016, en de zelfmoordaanslag op een jeugdwedstrijd in Irak die aan 29 kinderen het leven kostte.

    ‘Er zijn nu zo veel moordenaars in Syrië, het zijn er niet meer een of twee,’ zegt Khatib. ‘En ik heb aan allemaal een hekel.’ Hij weet zich geen raad. ‘Wat ik ook doe,’ zegt hij, ‘twaalf miljoen Syriërs zullen me toejuichen en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken.’

    Het is alsof de Syriërs in het hart van hun echte burgeroorlog nog een miniatuuroorlog uitvechten: een felle en soms ook bloedige strijd om de ziel van hun nationale sport. Nu het land tegen alle verwachtingen in kans maakt op een WK-plaats, komen ook sommige spelers (en coaches) tegenover elkaar te staan. De Syrische regering roemt het voetbalveld als een plek waar Syriërs van alle gezindten nog vreedzaam kunnen samenkomen. Voetbal is ‘een droom die mensen samenbrengt,’ zegt Bashar Mohammad, woordvoerder van het nationale elftal. ‘Het tovert een lach op hun gezicht en helpt ze de geur van dood en verwoesting even te vergeten.’ Maar de harde realiteit is dat het voetbal door Assad is ingelijfd in zijn campagne van onderdrukking en terreur – en dat de FIFA het toelaat.

    Minstens 38 spelers uit de hoogste twee competities en nog eens tientallen uit lagere divisies zijn al door de Syrische regering doodgeschoten, omgekomen bij bombardementen of doodgemarteld. Dat soort cijfers worden verzameld door Anas Ammo, een voormalig sportjournalist uit Aleppo die nu onderzoek doet naar mensenrechtenschendingen tegen Syrische sporters. Minstens dertien voetballers worden vermist. Op kleinere schaal hebben ook de oppositiestrijdkrachten sporters gedood: Ammo telt vier slachtoffers van IS. Maar volgens het Syrische Netwerk voor Mensenrechten is het vooral de regering die ‘sporters en sportfaciliteiten inzet voor haar gewelddadige bewind’. Voetbalstadions zijn gebruikt als uitvalsbasis voor aanvallen op burgers, en vanaf het begin van de oorlog werden teams gedwongen voor het regime te demonstreren met spandoeken of shirts met afbeeldingen van Assad. ‘Assad was erop gebrand dat sporters en kunstenaars hem zouden steunen, want zij hebben invloed op de mensen,’ zegt Ammo. ‘Als speler moest je aan die demonstraties meedoen.’

    In 2015 ontving de FIFA een dossier vol bewijzen dat Syrië het verbod op politieke inmenging in het voetbal overtreedt. De afgelopen tien jaar heeft de FIFA op basis van dat verbod al twintig keer een land uitgesloten van internationaal voetbal. Maar op het rapport ‘Oorlogsmisdaden tegen Syrische voetballers’ reageerde de FIFA alleen met de mededeling dat ‘de tragische omstandigheden ver buiten het bereik van de sport vallen’.

    Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als “een schandvlek”. “Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord”

    Mark Afeeva, een in sportzaken gespecialiseerde advocaat in Londen, vindt Syrië ‘een duidelijk geval van systematische staatsinmenging in de sport’ en zegt: ‘De wereldvoetbalbond heeft simpelweg de ballen niet om op te treden tegen wat overduidelijk een zeer kwalijke zaak is.’

    Fadi Dabbas, vicevoorzitter van de Syrische voetbalbond en teamchef van het nationale elftal, wijst alle beschuldigingen van de hand. Volgens hem zijn ze afkomstig van spelers in ballingschap die tegen het regime zijn: ‘De regering beschermt het Syrische volk, en hun probleem is dat zij Syrië verlaten hebben en alleen voor zichzelf spreken.’

    De mogelijke WK-deelname van Syrië stelt niet alleen de FIFA, maar ook spelers en supporters voor een moreel dilemma. Honderden Syrische spelers zijn het land ontvlucht. Daaronder ook voormalige leden van de nationale selectie, zoals verdediger Firas al-Ali. Kort nadat zijn nichtje van dertien bij een regeringsaanval was omgekomen, is hij Syrië halsoverkop ontvlucht. Nu zit hij in een tentenkamp bij Karkamis, aan de Turkse grens. Spelen voor het nationale elftal ervoer hij als ‘een schandvlek’, zegt hij. ‘Ik kon het gewoon niet meer. Het voelde als verraad aan iedereen die door de dictatuur was vermoord. Die spelers voeren de vlag des doods.’

    Seremban, Maleisië. Een klamme middag in september 2016. In de lobby van The Royale Bintang Resort & Spa zitten de spelers van het Syrische nationale elftal te wachten op de bus die hen naar het trainingsveld moet brengen. Hun thuiswedstrijd in de derde kwalificatieronde spelen ze hier in Maleisië, want het Syrische team is als een weeskind dat van pleeggezin naar pleeggezin zwerft. Normaal werkt het zijn thuiswedstrijden af in het stadion van Damascus of Aleppo, maar dat mag niet meer van de FIFA, omdat de veiligheid van spelers en supporters daar niet gegarandeerd is. In de tweede speelronde kon Syrië zijn thuiswedstrijden nog afwerken in Oman, maar ditmaal kon het team nergens in het Midden-Oosten terecht. Enkele dagen voor de eerste wedstrijd deed Macau een aanbod, dat al snel weer werd ingetrokken. In arren moede heeft de Syrische bond nu zijn toevlucht genomen tot Seremban, een industriestad aan de andere kant van de Indische Oceaan, meer dan 7500 kilometer van Syrië vandaan.

    De spelers hebben een afmattende reis achter de rug. ‘Eerst hoorden we dat we zouden spelen in Qatar, toen in Libanon of Macau,’ zegt aanvoerder Abdulrazak al-Hussein. ‘Ik weet niet hoe het precies gegaan is. Je zou toch niet steeds overal geweigerd moeten worden.’ Drie dagen eerder hebben ze uit met 1-0 verloren van Oezbekistan. Na de lange reis hierheen moeten ze over twee dagen aantreden tegen Zuid-Korea. Tien jaar geleden speelden ze al eens in eigen land tegen dat team, voor 35.000 man publiek. Terwijl ze zitten te wachten, vragen de spelers zich af hoeveel supporters er ditmaal zullen opdagen. ‘Hopelijk toch wel drie,’ zegt er een lachend.

    Met al deze problemen is het helemaal een wonder dat het team nog niet is uitgeschakeld. Naast de logistieke problemen en het ontbreken van belangrijke spelers zit de nationale ploeg ook op zwart zaad. Sancties van de EU en de VS hebben de FIFA gedwongen om de ontwikkelingsgelden voor het Syrische voetbal te bevriezen. Hier in Seremban trainen ze op een armetierig veldje om geen 3500 dollar veldhuur aan het stadion te hoeven betalen, zegt Kouteiba al-Refai, de gekweld kijkende secretaris-generaal van de bond, die zelf ook geen salaris ontvangt.

    Na de tweede speelronde staat Syrië tweede in de groep, achter Japan. Het land is in 31 jaar niet zo dicht bij kwalificatie voor een WK geweest. Door de FIFA is het zwakke team op het schild geheven als de ultieme underdog. Op de website fifa.com staan verhalen over hoe het kleine land tegen de klippen op een WK-ticket in de wacht lijkt te slepen. ‘De prestatie van Syrië lijkt welhaast een wonder’, stond er in februari nog te lezen. Maar in al die verhalen blijft één detail steeds onvermeld: dat het elftal een regime vertegenwoordigt dat wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden tegen de eigen bevolking. Impliciet onderschrijft de FIFA zo het standpunt van het regime dat het nationale elftal politiek neutraal is. Volgens Dabbas, de zakenman die optreedt als teamchef, willen ze ‘alle Syriërs verenigen’ en ‘de wereld laten zien dat Syrië nog leeft’. Tegelijkertijd laat hij er geen twijfel over bestaan dat ze ‘voor onze president’ spelen: ‘Elke Syriër in Syrië vertegenwoordigt president Assad, en zijne excellentie president Bashar al-Assad vertegenwoordigt ons. Wij zijn trots op onze president. We zijn trots op wat hij heeft bereikt. Wij willen hem bedanken voor wat hij voor ons land heeft gedaan, we staan achter hem en volgen zijn leiding.’ Volgens Dabbas volgt Assad de verrichtingen van het team op de voet.

    Er zijn genoeg tekenen dat de nationale ploeg niet het hele Syrische volk vertegenwoordigt, maar vooral een wrede dictatuur die hiermee zijn menselijke gezicht wil tonen. In november 2015 verscheen toenmalig bondscoach Fajer Ebrahim op een persconferentie in een T-shirt met een foto van Assad. Het is Syrische vluchtelingen niet ontgaan dat hij het podium van het WK toen aangreep om Assad te prijzen als ‘de beste man ter wereld’. Ook toen hij in Kuala Lumpur door ESPN werd geïnterviewd, begon hij spontaan Assad te prijzen. ‘Zonder onze president zou Syrië worden vernietigd,’ zei hij. Op de vraag of een voetbalcompetitie de geëigende plek was voor politieke uitspraken, was zijn antwoord: ‘Alles heeft nu met alles te maken.’

    Omdat het regime al duizenden critici heeft gemarteld en vermoord, is het soms moeilijk in te schatten hoe oprecht de uitlatingen van spelers en leden van de technische staf zijn. Volgens Anas Ammo zijn familieleden van sommige spelers opgepakt of gedood. ‘Ze moeten in feite wel spelen om hun familieleden in leven te houden,’ zegt Ammo, die ons verzoekt geen namen te noemen, om spelers en hun familie niet in gevaar te brengen. Andere spelers zijn oprecht trouw aan Assad. Maar Ammo zegt ook van twee spelers te weten dat ze bang zijn dat de overheid hun paspoort intrekt, zodat ze niet meer in het buitenland kunnen spelen. Volgens hem zou een groot deel van het team ervandoor gaan als hun paspoort niet kon worden ingetrokken.

    ‘Wat ik ook doe, twaalf miljoen Syriërs zullen 
me toejuichen 
en de andere twaalf miljoen zullen mijn bloed willen drinken’

    Nauwelijks bekomen van de lange vliegreis treden de Syriërs op een benauwde avond in september aan in het Tuanku Abdul Rahman-stadion in Seremban. Dat heeft een capaciteit van 45.000 man, maar ondanks de gratis toegang zitten er nog geen vijfduizend toeschouwers. Ter hoogte van de middenlijn zit een honderdtal Syriërs hun team aan te moedigen, vooral studenten die zijn overgekomen uit Kuala Lumpur. Het altijd sterke Zuid-Korea speelt dreigend maar komt niet tot scoren, en al snel is Syrië alleen nog bezig om er een 0-0 uit te slepen, en daarmee zijn eerste wedstrijdpunt in deze speelronde. Om de zoveel minuten gaat er weer een Syriër naar de grond om tijd te rekken. De supporters rollen een spandoek uit: een enorme foto van Assad. ‘Syrië, Syrië,’ scanderen ze. Beveiligers snellen toe en laten het spandoek weghalen. Dan klinkt het eindsignaal: 0-0. Iemand van de technische staf maakt een radslag en de reservespelers stormen het veld op. ‘Dit is geen prestatie, dit is een wonder,’ zegt aanvoerder Hussein na afloop. ‘Vandaag hebben we bewezen dat we niet gewoon spelers zijn, maar helden.’

    Dan Berlijn. Een ijskoude, regenachtige middag in februari. Een andere werkelijkheid. Twee dozijn Syrische vluchtelingen dicht opeengepakt in de kleedkamer van de SV Buchholz, een amateurclub die uitkomt op het achtste niveau. Een grijze keet met een sportveldje, midden in een woonwijk. Een voor een trekken de Syriërs een groen voetbalshirt uit een papieren zak. Voor het raam hebben ze de vlag van de Syrische revolutie gehangen – groen-wit-zwart met drie rode sterren. Ten minste twee teams, een in Turkije en een in Duitsland, voetballen namens het Vrije Syrië. Alle spelers hier in Berlijn maken deel uit van de Syrische vluchtelingenpopulatie, inmiddels al bijna zes miljoen mensen groot. Er zitten veteranen bij uit de Syrische competitie; volgens hun coach Nihad Saadeddine vertegenwoordigen ze ‘de mensen die zijn onderdrukt door het regime’ en ‘de sporters die hun leven hebben gegeven voor hun land’.

    Dan druppelen ook de spelers van SV Buchholz binnen. Opgewekt en zorgeloos, blond en kerngezond, als modellen uit een Duitse reisbrochure. De Syriërs vormen zelfs in hun nieuwe tenues nog een verfomfaaid groepje, een verzameling mannen die met de moed der wanhoop strijden voor de goede zaak. ‘Veel van onze spelers hier hebben gevangengezeten of zijn gewond geraakt,’ zegt Saadeddine. Hij is 35 maar ziet er tien jaar ouder uit, met dun haar en holle ogen. Hij was middenvelder, maar zegt tijdens het beleg van Homs in zijn knie te zijn geraakt door een sluipschutter; daarna raakte hij praktisch bedolven onder een muur waarachter een mortiergranaat insloeg toen hij vrouwen en kinderen uit een woning probeerde te halen. Eenmaal in Oostenrijk, waar hij nu woont, stelden artsen drie wervelbreuken bij hem vast. Hij geeft zijn spelers een peptalk: ‘Wij vechten ergens voor, jongens: wij willen de misdadigheid van dit regime aan de kaak stellen en laten zien wat ze met sporters en andere gevangenen doen. In het team van het Vrije Syrië vertegenwoordig je miljoenen mensen.’

    Een van de spelers is Jaber al-Kurdi. Hij werd in 2013 door het regime opgepakt in Hama, waar hij bij de club Taliya speelde. Kurdi zegt dat hij achter de oppositie stond maar nooit een wapen heeft opgenomen. ‘Hoe zouden deze handen een geweer moeten vasthouden?’ zegt hij. ‘Meisjeshanden zijn nog groter.’ Het enige wat hij gedaan heeft, zegt hij, was in demonstraties meelopen en vluchtelingen helpen met kleding en onderdak. ‘Ik kan niet tegen bloed. Maar toen ik mensen in mijn stad zag die in parken en op straat sliepen, kon ik niet werkloos toezien.’

    De gevangenissen van Assad worden door Human Rights Watch ‘een martelarchipel’ genoemd. Kurdi werd zonder vorm van proces vastgehouden in verschillende detentiecentra in Hama, Homs en Damascus. Op de ‘Palestijnse’ afdeling van de militaire inlichtingendienst in Damascus werden zijn voetzolen met een rubberslang bewerkt en kreeg hij elektrische schokken op zijn hoofd. Hij werd een week lang opgesloten in een klein hok waarin hij zich nauwelijks kon verroeren en niet eens ruimte had om te gaan zitten. ‘Het was daar koud, en af en toe kwamen ze even langs om me nat te gooien met water en gingen dan weer weg,’ zegt Kurdi. Na negen maanden werd hij voorgeleid bij een militaire rechter, die zijn vrijlating gelastte. De bewaker van wie hij zijn bezittingen terugkreeg – een lege portemonnee – maakte met een mes ook nog snel een jaap in zijn wijsvinger. ‘Als aandenken,’ zei hij erbij. Kurdi laat het kleine litteken zien.

    Hier in Duitsland is hij in therapie voor zijn terugkerende nachtmerries, waarin Syrische veiligheidsagenten hem achterna zitten in de platgebombardeerde straten van Hama. ‘Ik ben hier niet gelukkig,’ zegt hij, als hij tijdens een gesprek in tranen uitbarst. ‘Duitsland heeft ons opgenomen en biedt ons veiligheid, daar zijn we dankbaar voor. Maar geestelijk zijn we niet gelukkig. Ons volk wordt afgeslacht.’


    Er is één naam die in bijna elk gesprek met de voetballers valt: die van Jihad Qassab, een veertiger die vroeger de ster was van Karama in Homs. Het is niet duidelijk waarom deze oud-middenvelder op 19 augustus 2014 is opgepakt. Hij is nooit berecht. Zijn familie en vrienden denken dat hij in de militaire gevangenis in Saydnaya is beland, het duistere hart van Assads martelarchipel. Volgens Amnesty International, dat zich baseert op getuigenverklaringen, worden de sterkere gevangenen daar door bewakers gedwongen om de zwakkere te verkrachten. Er worden continu mensen afgetuigd. In een ondergrondse executieruimte kunnen tientallen gevangenen tegelijkertijd worden opgehangen. Amnesty noemt Saydnaya ‘een slachthuis’ en schat dat er in vier jaar tijd bijna 13.000 gevangenen zijn geëxecuteerd.

    Vorig jaar september, twee jaar na zijn verdwijning, werd bekendgemaakt dat Qassab is overleden. Dat nieuws kwam naar buiten via moskeeën in Homs en werd opgepikt door sociale media, het Syrisch Netwerk voor Mensenrechten en reguliere media. Nadere details zijn niet bekendgemaakt. ‘In elk ander land zou Jihad zijn geëerd om zijn verdiensten voor de sport,’ zegt Mohamed Hameed, oud-speler van Karama en een goede vriend van Qassab. ‘In Syrië, onder Assad, wordt hij opgepakt en gemarteld.’

    Qassabs stoffelijke resten zijn volgens zijn vrienden nooit vrijgegeven, en sommigen zijn ervan overtuigd dat hij nog leeft. Rashad Shamma, die hem goed kende, zegt dat hij bij zijn snoepwinkeltje in Saoedi-Arabië een kleine herdenkingsdienst voor Qassab heeft gehouden. Het is tekenend voor de onwerkelijke sfeer van geweld in Syrië dat een ster als Qassab zomaar kan verdwijnen, dood worden verklaard en worden herdacht in een ceremonie, en dat Shamma vervolgens rustig kan zeggen: ‘Misschien leeft hij nog. Wie zal het zeggen?’

    Fadi Dabbas van de Syrische voetbalbond zegt desgevraagd dat hij nog nooit van de man heeft gehoord. Als hij erop wordt gewezen dat Qassab meer dan tien jaar in de Syrische competitie heeft gespeeld, zegt hij: ‘Ik weet niet wat er met hem is gebeurd nadat hij bij zijn club is gestopt. Ik heb daar geen informatie over.’

    In Berlijn mogen de gevluchte Syriërs dan een symbolische strijd voor hun land voeren, voor het handjevol Duitse toeschouwers dat op die kille zondagmiddag in de gestage regen staat te kijken verliezen ze met 5-2 van SV Buchholz. De wedstrijd heeft iets heroïsch en tegelijkertijd iets ongemakkelijks. De Syriërs maken het eerste doelpunt, uit een prachtige voorzet van de zijkant, maar in de tweede helft worden ze weggespeeld door de Duitsers. Die zijn veel beter in conditie en kunnen regelmatig trainen: de Syriërs zijn de vorige dag pas voor het eerst bij elkaar gekomen. Een Syrische verdediger krijgt bij een van de vele Duitse schoten op doel de bal keihard in zijn gezicht. Hij blijft minutenlang uitgeteld op de grond liggen voordat hij weer opstaat en wankel wegloopt.

    ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek’

    De Vrije Syriërs willen een alternatief vormen voor het nationale elftal van Assad. Maar dat blijkt deze middag een ijle droom. Syrië heeft maar één echt nationaal elftal, en de spelers die goed genoeg zijn om daarvoor geselecteerd te worden, moeten zelf beslissen wat dat team volgens hen vertegenwoordigt.

    Toen Firas al-Khatib in juli 2012 besloot het nationale elftal de rug toe te keren, stond zijn stad Homs in brand. Khatib is een van de bekendste inwoners van Homs en een van de beroemdste Syrische sporters – al sinds zijn tienerjaren is hij een ster. Begin deze eeuw verliet hij zijn land voor een voetbalcarrière die hem van België via China uiteindelijk naar Koeweit voerde, waar hij nu al meer dan tien jaar in de competitie speelt en topscorer aller tijden is. Met de miljoenen die hij verdient, heeft hij meebetaald aan een straat in zijn stad Homs, de Al Khatib-straat, met een voetbalveld en een moskee die ook zijn familienaam draagt. Maar al verdiende hij zijn geld in het buitenland, hij kwam altijd terug naar Syrië om voor zijn land uit te komen. ‘In het nationale elftal heb je 24 miljoen mensen achter je, 24 miljoen Syriërs die hopen dat je wint,’ zegt hij.

    Toen hij bij een demonstratie in Koeweit aankondigde geen interlands meer te willen spelen, was dat een tegenslag voor Assad. Gehuld in een sjerp in de kleuren van de revolutie zei Khatib tegen de uitzinnige menigte: ‘Ik wil hier in het bijzijn van de media zeggen dat ik niet meer voor het Syrische elftal zal spelen zolang er in Syrië bommen vallen.’ Khatib werd op de schouders gehesen en toegejuicht.

    Als we hem in februari spreken, kost het hem moeite om uit te leggen waarom hij nu misschien toch weer voor zijn land wil uitkomen. Aan de misdaden tegen de burgerbevolking is immers nog geen eind gekomen. ‘Het is heel ingewikkeld wat er allemaal is gebeurd,’ zegt hij. ‘Ik kan hier niet meer over praten. Sorry, het spijt me enorm. Het is beter voor mij, beter voor mijn land, beter voor mijn familie, beter voor iedereen als ik daar niet meer over spreek.’

    Maar er valt wel iets af te leiden uit de dingen hij zegt. Bijvoorbeeld dat hij al zes jaar niet meer in de Al Khatib-straat is geweest. En zijn vader niet meer ziet, die vanwege zijn gezondheid niet kan reizen. ‘Dit is de moeilijkste tijd in mijn leven,’ zegt hij. ‘Ik wil niet terugkeren om voor het nationale elftal te spelen of voor of tegen de regering te kiezen. Ik wil naar Syrië als burger die terugkeert naar zijn land. Ik wil mijn ouders eindelijk weer zien, en mijn broers.’ Khatib zegt dat hij nog steeds droomt van een carrière in Homs als voorzitter van de lokale club Karama.

    Toen Khatib zijn boycot aankondigde, heerste alom het idee dat het regime van Assad op omvallen stond. ‘Dat was een goede revolutie,’ zegt hij. ‘Mensen wilden vooruitgang, een sterker land, een beter leven.’ Nu zit Assad weer vast in het zadel. Zijn regering heeft niet alleen Homs, maar sinds december ook Aleppo weer in handen, ooit de dichtstbevolkte stad van het land. De Syrische profcompetitie, lange tijd beperkt tot de steden Damascus en Latakia, kan nu ook weer in andere delen van het land worden gehouden. Eind januari speelden Ittihad en Hurriya, de twee aartsrivalen uit Aleppo, hun eerste stadsderby sinds 2012. De regering buitte het meteen uit als een symbool van de teruggekeerde rust.

    ‘Ik heb gezegd dat ik niet wilde spelen zolang er geen eind kwam aan dat moorden, al die doden,’ zegt Khatib. ‘Nu vraag je waarom ik van standpunt ben veranderd. Het is een voetbalbeslissing, geen politieke beslissing. We willen gelukkig zijn, we willen iets waar we blij van worden. In Syrië zijn nu alleen dingen die ons verdrietig maken.’

    Hij heeft op dat moment nog vijf weken de tijd om te beslissen of hij meespeelt met de volgende wedstrijd. Na de 0-0 tegen Zuid-Korea heeft Syrië gewonnen van China en gelijkgespeeld tegen Iran, de nummer één van de groep. Syriës WK-debuut is binnen bereik.

    Maar hoe kan Khatib meespelen in de ploeg van een regering die burgers blijft bombarderen en zich schuldig maakt aan moord en marteling op ‘mensen van wie je houdt, op ploeggenoten’? ‘Een heel, heel, heel moeilijke vraag,’ zegt Khatib met een klaaglijke glimlach. ‘Ik kan er niet over praten, echt. Ik wil wel. Maar het gaat niet.’

    Paradijs op aarde

    Andere spelers piekeren er niet over om ooit nog voor Assad te spelen. Firas al-Ali bijvoorbeeld. ‘Voor mij was Syrië een paradijs op aarde,’ zegt de voormalige verdediger van het nationale elftal. Maar hij zit niet meer in Syrië en al helemaal niet in een paradijs. Het vluchtelingenkamp bij het Turkse Karkamis heeft meer weg van een open gevangenis. De bijna zevenduizend bewoners van dit tentenkamp (waaronder bijna tweeduizend kinderen) zijn vrij om te gaan – maar ze kunnen nergens heen.

    Vroeger had Ali drie huizen. Nu passen al zijn bezittingen in een van de honderden strak in het gelid opgestelde tenten op de zongeblakerde droge grond. Zijn tent is precies even groot als alle andere, binnen is alles keurig netjes ingericht. Witte glasgordijnen langs de wand, een oosters tapijt op de houten vloer. Een U-vormige zithoek van fleurige kussens. Op een kookplaatje staat een klein zilveren theepotje te pruttelen en er staan zelfs een kleine tv en een koelkastje. Hier woont Ali (31) nu al drie jaar met zijn vrouw en drie kinderen. Zijn jongste dochter Aysha is hier geboren. Voor Syrische voetballiefhebbers moet het onvoorstelbaar zijn: hun ster in zulke primitieve omstandigheden. Bij Shorta, een van de Syrische topclubs, verdiende hij meer dan een ton per jaar, een fortuin in Syrië. En hij zat in de nationale selectie. ‘Uit de 23 miljoen inwoners werd ik gekozen als een van de beste twintig van mijn land,’ zegt hij. ‘Ik was beroemd en werd overal herkend. Financieel had ik niets te klagen. Het kwam nooit in me op om naar het buitenland te gaan.’

    Nu is Ali een vluchteling. En hij zegt liever hier te blijven dan ooit nog voor Syrië uit te komen. In 2011 werd zijn geboortestad Hama aangevallen door regeringstroepen. Zijn negentienjarige neef Adbullah, een student aardrijkskunde, werd doodgeschoten bij protesten. Later kwam een nicht van hem om toen haar huis werd geraakt door een van de vatenbommen die de regeringstroepen over woonwijken uitstrooien. Ali was kort na de inslag ter plekke. ‘Het is een nachtmerrie als iemand zo aan stukken gereten wordt,’ zegt hij. ‘Ze was vrij fors, maar we hebben niets meer van haar teruggevonden.’ Ali begon mee te lopen in demonstraties, met gezichtsbedekking omdat hij zo herkenbaar was. Hij had het gevoel dat hij een dubbelleven leidde: tegen Assad protesteren op straat en voor hem spelen op het voetbalveld.

    Op een ochtend kwam hij in het Abbasiyyin-stadion in Damascus voor de training en zag dat er een legerbasis van was gemaakt. ‘Wij hadden de helft van het stadion om te trainen, de andere helft was voor de Vierde Divisie. Ik zag het met mijn eigen ogen! Artillerie op een sportveld. Vanuit het stadion waar ik aan het trainen was, rukten zij uit om demonstraties neer te slaan. Soms hoorde ik geweervuur buiten het stadion. En de demonstranten hadden toen nog geen wapens. De enige wapens waren in handen van de regeringstroepen.’

    Fajer Ebrahim, de man met een foto van Assad op zijn T-shirt, was toen nog bondscoach. Hij zei openlijk dat de regering de opstand moest neerslaan. Door wedstrijden te winnen, hield hij zijn spelers voor, zouden ze de wereld laten zien dat de protesten weinig uithaalden. De meningen van de spelers waren verdeeld. Ali raakte gedemotiveerd, zijn prestaties gingen achteruit: ‘Ik was er niet bij met mijn hoofd. Al die vrienden en familieleden die stierven.’

    Op trainingskamp voor een toernooi in India kreeg Ali bericht dat Alaa, zijn nichtje van dertien, was omgekomen bij een regeringsaanval op een dorp buiten Hama. Een halfuur later schoof hij met het nationale elftal aan voor het avondeten. Toen een van zijn ploeggenoten de demonstranten bespotte, gooide Ali een lepel naar zijn hoofd. De andere spelers moesten hen uit elkaar houden. Ali ging naar zijn kamer en belde zijn familie.

    ‘Ik stop ermee,’ zei hij tegen zijn zus.

    ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ze.

    ’Ik wil nooit meer voor ze spelen,’ antwoordde hij.

    Hij liet zich de volgende ochtend om half zes ophalen door twee van zijn broers, met wie hij in één ruk doorreed naar gebied dat in handen was van rebellen. Als bekend voetballer kon hij bij controleposten meteen doorrijden, de militairen wisten nog niet dat hij op de vlucht was. Zo belandde hij met zijn jonge gezin uiteindelijk in Turkije. Vrij, maar niet vrij van problemen. ‘Mijn banktegoeden werden door het regime in beslag genomen,’ zegt hij. ‘Ik had drie huizen, die zijn vernietigd. Een stukje grond, dat ben ik ook kwijt. Ik heb niets meer.’

    Een Syrische jongen houdt een speelgoedpistool vast tijdens een partijtje voetbal in de kapotgeschoten oude stad van Holms. – © Hassan Ammar / HH
    Een Syrische jongen houdt een speelgoedpistool vast tijdens een partijtje voetbal in de kapotgeschoten oude stad van Holms. – © Hassan Ammar / HH

    We spreken hem bij het ‘winkelcentrum’ van het tentenkamp: een verzameling stalletjes waar van alles te koop is, van voedsel in blik tot kookgerei en stroomaggregaten. Een van de verkopers brengt Ali een schotel gegrild vlees, waarmee hij snel een stalletje induikt om te ontkomen aan de vele vliegen. Hij slijt zijn dagen vooral met het geven van voetballes aan de kinderen, voor wie hij hier een beroemdheid is. ‘Het is zwaar, maar ik heb nergens spijt van,’ zegt hij. ‘Hoe moet je je voelen als je speelt voor de vlag en het portret van de man die als enige verantwoordelijk is voor de dood en verdrijving van meer dan zeven miljoen Syriërs?’

    Is Syriës nationale elftal niet meer dan een propagandawapen voor Assad, een middel om te doen alsof er niets aan de hand is? Anas Ammo’s antwoord op die vraag was het aanleggen van een mensenrechtendossier tegen de Syrische regering. Zo wil hij zijn steentje bijdragen aan de oppositie. Vroeger werkte hij als sportjournalist voor de Syrische krant Al-Watan en was hij onbezoldigd woordvoerder voor Ittihad, de grootste club van Aleppo. Nu houdt hij kantoor in Mersin, een kuststadje in Turkije. Vijf jaar geleden kwam hij tot het inzicht dat veel voetballers slachtoffer werden van Assads wrede onderdrukking en dat het regime zijn geliefde sport als propagandamiddel misbruikte. Tientallen spelers zijn gedood en duizenden op de vlucht gejaagd; volgens Ammo ‘is een complete generatie voetballers weggevaagd’. In de loop van de oorlog heeft het regeringsleger stadions in alle grote steden gebruikt als uitvalsbases of detentiecentra. Zo blijkt uit filmopnamen van activisten dat vanuit het Abbasiyyin-stadion in Damascus raketten werden afgevuurd. Maar volgens Fadi Dabbas van de voetbalbond zijn er nooit stadions voor militaire doeleinden gebruikt. Hij verwijt de westerse media partijdigheid.

    Volgens de statuten van de FIFA moeten de aangesloten voetbalbonden ‘onafhankelijk en zonder inmenging van derden’ kunnen opereren. Op die clausule is de afgelopen tien jaar al 24 keer een beroep gedaan bij aanklachten tegen nationale bonden, resulterend in twintig schorsingen als gevolg van duidelijke overheidsbemoeienis. Zo werd Irak in 2009 geschorst omdat de regering het bestuur van de voetbalbond naar huis had gestuurd en vervangen door mensen van de veiligheidsdienst. In 2014 werd Nigeria geschorst omdat de regering het bondsbestuur had ontslagen na de teleurstellende resultaten op het WK in Brazilië. Volgens Ammo vormen ook het gebruik van het Syrische nationaal elftal als propagandamiddel en het gebruik van stadions voor militaire doeleinden een inbreuk op de FIFA-statuten. Door daar niet tegen op te treden maakt de FIFA zich volgens hem ‘medeplichtig aan alle tegen voetballers gepleegde misdaden en alle schade die is toegebracht aan stadions en sportfaciliteiten’.

    Ammo mailde zijn informatie door aan Ayman Kasheet, een voormalige profvoetballer die asiel heeft gekregen in Zweden. In augustus 2014 reisde Kasheet naar Zürich om de FIFA hierop aan te spreken, maar hij kwam niet voorbij de receptie. Om iets te bereiken, begreep hij, moest hij een gedegen rapport opstellen. Hij volgde een cursus van Amnesty International over het documenteren van mensenrechtenschendingen. Dat resulteerde in een twintig pagina’s tellende ‘aanklacht’ namens ‘meer dan tweeduizend sporters die zijn afgesneden van de Syrische voetbalbond’. Het rapport bevat een lijst van tien spelers (waarvan negen met foto) die vermoedelijk gevangen worden gehouden door het regime, plus elf minderjarige en twintig meerderjarige spelers die door de regeringstroepen zouden zijn gedood. Ook bevat het rapport foto’s en filmpjes van stadions die door de strijdkrachten zijn bezet.

    Als Kasheet de informatie eerst naar de FIFA mailt en het rapport vervolgens ook persoonlijk komt afgeven bij de receptie op het hoofdkantoor, hoort hij niets terug. Dan gaat hij in augustus 2015 weer naar het hoofdkantoor in Zürich, nu samen met een tolk die alles filmt. Na veel gesoebat krijgt hij Alexander Koch te spreken, het hoofd Communicatie. ‘Hij zegt dat het fijn zou zijn als de FIFA iets met dit rapport zou doen, want de enige manier om druk uit te oefenen is via de FIFA, omdat de voetbalbond daaronder valt,’ zegt de tolk tegen Koch. Koch lijkt wat van zijn stuk gebracht. ‘Het probleem is dat dit allemaal niet over het voetbal gaat,’ zegt hij. Volgens Koch moet Kasheet zijn klacht indienen bij de Syrische bond, zodat die weer een klacht kan indienen bij de FIFA. Kasheet probeert duidelijk te maken dat zijn aanklacht juist gericht is tégen de Syrische bond, die aan de leiband van Assad loopt.

    Een maand later bevestigt de FIFA bij monde van vicesecretaris-generaal Markus Kattner dat deze zaak buiten de competentie van de bond ligt. ‘De FIFA steunt alle pogingen om te zorgen dat iedereen kan voetballen in omstandigheden die vrij zijn van geweld, en we danken u voor initiatief’, mailt Kattner, die korte tijd later ontslagen zal worden wegens financiële onregelmatigheden. Hij voegt er nog aan toe dat de in het rapport beschreven zaken de sport ‘overstijgen’.

    De Syrische coach Fajer Ebrahim (m.) draagt een T-shirt met de a eelding van Assad voor de match tegen Singapore in november 2015. – © Roslan Rahman / AFP /Getty Images
    De Syrische coach Fajer Ebrahim (m.) draagt een T-shirt met de a eelding van Assad voor de match tegen Singapore in november 2015. – © Roslan Rahman / AFP /Getty Images
    ‘Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict’

    ‘De FIFA moest zich schamen,’ zegt een aangeslagen Kasheet als hij erop terugkijkt. Hij was er kapot van. ‘Ik vroeg de FIFA niet om meteen een beslissing te nemen, ik vroeg ze alleen om een onderzoek in te stellen. Als de informatie niet blijkt te kloppen, kunnen ze het altijd nog terzijde leggen.’

    Op vragen van ons wil de FIFA niet ingaan. De woordvoerder stuurt alleen een algemene verklaring: ‘De FIFA heeft de afgelopen jaren van verschillende kanten – vaak tegenstrijdige – signalen gekregen over geweld met betrekking tot het voetbal in dat land. We begrijpen de tragische omstandigheden waarin dit plaatsvindt, maar als sportfederatie moeten wij ook beseffen dat deze zaken het domein van de sport ontstijgen, in een land dat verwikkeld is in een burgeroorlog.’ Volgens de woordvoerder kan de FIFA niets doen omdat er grenzen zijn ‘aan onze competentie en ons vermogen om de waarheid van de beschuldigingen in die complexe situatie te beoordelen’. Volgens advocaat Mark Afeeva wil de FIFA zich gewoon niet branden aan een politieke crisis waarin grote mogendheden een rol spelen, met name de VS en Rusland, gastland van het komende WK.

    Op een koude avond in maart treden de teams van Zuid-Korea en Syrië aan in het World Cup Stadium in Seoul. De opzienbarendste verandering is dat Firas al-Khatib er sinds de wedstrijd tegen Oezbekistan van vorige week weer bij is. Khatib en de Syrische bond doen allebei alsof het niets bijzonders is. ‘De vorige keer was ik niet eens geselecteerd,’ zegt Khatib. Volgens de teamchef ‘was Khatib altijd welkom in het team’, maar was hij de vorige keer ‘door zijn situatie verhinderd’.

    Khatib interviewen lukt nu pas na veel gesteggel met de persvoorlichter, die eerst nog eist dat we geen vragen stellen over politiek. Die garantie krijgt hij niet, maar Khatib wekt de indruk dat hij er zelf ook niet over wil praten. ‘We laten de politiek erbuiten en gaan het alleen over voetbal hebben,’ zegt hij. Het nationale elftal speelt volgens hem ‘voor het hele volk, voor heel Syrië’, niet alleen voor de regering. Niets doen is geen optie meer. ‘We kunnen niet zitten afwachten en doodgaan. We moeten iets doen voor onze familie, ons land, onze vrienden, onszelf.’

    Dat pikt niet iedereen. Op sociale media zijn de reacties gemengd. Volgens Khatib staat 80 tot 90 procent van de voetballiefhebbers achter zijn terugkeer, maar uit de berichten op zijn Facebookpagina blijkt dat velen het als verraad beschouwen:

    ‘Het minste wat je over jou kunt zeggen, is dat je een verrader bent.’

    ‘Mensen als jij zijn nog geen ouwe schoen waard. Ik spuug op jullie eer, stelletje honden.’

    ‘Schaam je, Firas. Je woord is net zo weinig waard als dat van een kind. Ik spuug op je, vuile leugenaar.’

    Anderen zijn milder. Mohammed al-Homsi, een media-activist in de door de regeringstroepen belegerde wijk Al Waer in Homs, zegt dat hij de verrichtingen van het nationale elftal nog wel volgt, omdat ‘sport het enige is wat ons met vroeger verbindt. Ik zal niet zeggen dat het nationale elftal de volle breedte van het Syrische volk vertegenwoordigt, maar het vertegenwoordigt wel een mooi verleden. Sport moet gescheiden blijven van het conflict.’

    Khatib, die nog moet wennen in het team waarvan hij al vijf jaar geen captain meer is, begint op de bank. Zuid-Korea maakt al na vier minuten de 1-0. De rest van de avond hollen de Syriërs achter de feiten aan. Als Khatib er in de tweede helft in komt, wordt hun spel wel meteen aanvallender. Het stadion, ongeveer voor de helft gevuld met Koreanen, valt stil als de Syriërs herhaaldelijk dreigend voor de goal komen. Ineens staat Khatib links voor het doel, oog in oog met doelman Sun-Tae Kwoun. Zijn schot gaat vanaf een meter of drie recht op het hoofd van de keeper af. Die weet de bal weg te boksen en behoedt zo zijn hoofd en zijn doel voor verder leed.

    In blessuretijd krijgt Khatib nog één kans die het publiek luid gegil ontlokt. Weer alleen voor de keeper lanceert hij vanaf bijna dezelfde plek opnieuw zo’n pegel, nu iets hoger. De bal knalt zo hard op de lat dat het tot op de tribune te horen is. Weer geen doelpunt. Khatib zegt teruggekeerd te zijn omdat hij Syrië – al is het maar even – uit zijn hel wil verlossen. ‘Hier doe ik goed aan,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat ik het Syrische volk wat blijheid kan schenken.’ Vanavond nog niet. Na de 1-0 nederlaag komt Syrië met slechts drie wedstrijden te gaan nog vier punten te kort voor de derde plek en lijkt de kans op een WK-ticket verkeken.

    Een week later is er weer nieuws uit Syrië. Khatib had gezegd dat hij geen interlands meer zou spelen zolang Assad nog burgers doodt. Nu heeft het regeringsleger een aanval met sarin gepleegd op een rebellendorp bij Khan Shaykhun. De beelden zijn gruwelijk: stuiptrekkende en schuimbekkende slachtoffers met pupillen zo klein als speldenknopjes. Halfblote kinderen die in een plas water naar adem liggen te happen.

    Het totale dodenaantal bedraagt minstens 85.

    Auteur: Steve Fainaru

    Steve Fainaru is senior writer voor sportplatform ESPN. Hij won in 2008 een Pulitzerprijs voor internationale verslaggeving en is co-auteur van het boek League of Denial, over hersenletsel in het American Football.

    Openingsbeeld: Syrische voetbalfans met een spandoek van president Assad bij de WK-kwalificatiewedstrijd tegen Zuid-Korea. – © Lai Seng Sin / Reuters

    ESPN
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 1.536.346

    In 1998 opgericht als aanvulling op het gelijknamige televisienetwerk dat 24 uur per dag sportgerelateerde programma’s uitzendt. Het blad is eigendom van de Disney-groep en wist een plek op de markt te veroveren naast Sports Illustrated, waarvan wekelijks 3 miljoen exemplaren over de toonbank gaan. De luchtige lay-out en rijk geïllustreerde verhalen wonnen veel prijzen.

    CONTEXT

    24 miljoen mensen telde de bevolking van Syrië in 2011

    11,4 miljoen mensen bleven waar ze waren

    6,6 miljoen mensen zijn op de vlucht in Syrië

    470.000 Syriërs kwamen om het leven

    5 miljoen Syriërs zijn gevlucht naar het Midden-Oosten en Afrika

    900.000 Syriërs zijn gevlucht naar Europa

    38 voetballers uit de eerste en tweede divisie zijn door het regime van Assad om het leven gebracht.

    © ESPN, mei 2017

    CONTEXT: Play-off tegen Australië

    Dankzij een gelijkspel in de uitwedstrijd tegen Iran, op 5 september jl. in Teheran, heeft Syrië zijn kansen behouden om zich voor de eerste keer in de geschiedenis te plaatsen voor het eindtoernooi van een WK voetbal. De gelijkmaker viel diep in blessuretijd. Iran is een van de twee landen die de Syrische president Bashar al-Assad met hun steun in staat hebben gesteld zich staande te houden in de burgeroorlog die nu al zes jaar woedt. Het Syrische elftal moet nu in oktober twee play-offwedstrijden spelen tegen Australië voor een plek in de allerlaatste kwalificatieronde, in november, tegen de nummer vier van Noord- en Midden-Amerika. Het team speelt zijn ‘thuiswedstrijden’ in Maleisië. Deze beslissing van de wereldvoetbalbond FIFA was een tegenslag voor Assad, die de indruk probeert te wekken dat het leven in de gebieden in Syrië die onder controle van het regeringsleger staan, weer normaal verloopt. Het WK voetbal 2018 wordt gespeeld in Rusland, naast Iran eveneens een bondgenoot van Assad in de burgeroorlog.

    (Bloomberg 
Businessweek, New York)

    CONTEXT: Syriës weg naar het WK

    2016

    1 september
    Oezbekistan – Syrië
    1-0

    6 september
    Syrië – Zuid-Korea
    0-0

    6 oktober
    China – Syrië
    0-1

    11 oktober
    Qatar – Syrië
    1-0

    15 november
    Syrië – Iran
    0-0

    2017
    23 maart
    Syrië – Oezbekistan
    1-0

    28 maart
    Zuid-Korea – Syrië1-0

    13 juni
    Syrië – China
    2-2

    31 augustus
    Syrië – Qatar
    3-1

    5 september
    Iran – Syrië
    2-2

    5 oktober
    Syrië – Australië
    _ – _

    10 oktober
    Australië – Syrië
    _ – _

    Vrouwelijke Syrische supporters bij de wedstrijd Iran-Syrië. – © Amin Mohammad Jamali / Getty Images
    Vrouwelijke Syrische supporters bij de wedstrijd Iran-Syrië. – © Amin Mohammad Jamali / Getty Images

    CONTEXT: Iraanse vrouwen niet welkom

    De voetbalwedstrijd Iran-Syrië op 5 september jl. in Teheran heeft beroering gewekt, omdat Syrische vrouwen wel en Iraanse vrouwen niet werden toegelaten tot het Azadistadion. Iraanse vrouwen waren echter wel, voor het eerst in de geschiedenis, in staat gesteld in de voorverkoop kaartjes te kopen. Maar toen enkele vrouwen op de dag van de wedstrijd naar binnen wilden, werden zij tegengehouden. Syrische vrouwen daarentegen mochten doorlopen naar de tribunes.

    De controle bij de ingang was streng. Iraanse vrouwen die zich voordeden als vrouwen uit Syrië en als ‘bewijs’ daarvan een Syrische vlag meevoerden, kwamen ook niet door de controle.

    De populaire voetbalcommentator Peyman Yousefi beklaagde zich er een paar minuten voor aanvang van de wedstrijd openlijk op de televisie over dat er geen Iraanse vrouwen op de tribunes aanwezig mochten zijn. Een groepje vrouwelijke Iraanse parlementariërs had het ministerie van Jeugd- en Sportzaken toestemming gevraagd de wedstrijd te bezoeken, en de drie vrouwelijke afgevaardigden die zich bij het stadion meldden, werden inderdaad toegelaten. Maar de vrouwelijke afgevaardigde Parvane Salahshouri weigerde van dit voorrecht gebruikt te maken. ‘Ik protesteer tegen het feit dat maar een handjevol vrouwelijke parlementariërs wordt toegelaten, en niet willekeurig welke Iraanse vrouw.’

    Shahindokht Mowlaverdi, de (vrouwelijke) woordvoerder van de gematigde Iraanse president Hassan Rohani, liet weten: ‘Volgens onze Wet op de Burgerrechten hebben alle burgers, en vrouwen in het bijzonder, het recht om alle nationale en internationale sportwedstrijden bij te wonen, zolang zij de Iraanse en islamitische cultuur daarbij in acht nemen.’

    Hervormingsgezinde kranten leverden eveneens commentaar. Vaghaye Etefaghie publiceerde op de voorpagina een foto van een Syrische vrouw in het stadion met als bijschrift ‘De enige winnaar van de wedstrijd’, terwijl de krant Bahar tegen het niet toelaten van Iraanse vrouwen protesteerde onder de kop ‘De Iraanse Paradox’.

    (Al-Monitor, Washington D.C.)

  • 3. AC Milan gestrikt in de netten van China Inc.

    3. AC Milan gestrikt in de netten van China Inc.

    Ook de roemruchte voetbalclub AC Milan – waar ooit Gullit, Van Basten en Rijkaard speelden – is sinds kort in Chinese handen. En daar zal het niet bij blijven.

    De recente overname van AC Milan door de Chinezen is geen op zichzelf staande actie van een groep particuliere investeerders, maar maakt deel uit van een zeer duidelijke strategie van de regering in Beijing, die achter alle grensoverschrijdende fusie- en overnameactiviteiten zit. Eenzelfde modus operandi wordt ook toegepast bij de talloze overnames van westerse bedrijven door Chinese organisaties.

    Wie heeft er geïnvesteerd in AC Milan, Inter, Nice, Atletico Madrid, Aston Villa, Manchester City? Meneer Li, Suning, of Wanda misschien? In elk geval was de echte koper steeds ‘China Inc.’, dat als één man opereert, met toestemming van Beijing. Zo had men in het geval van AC Milan eerst te maken met meneer Bee, daarna met meneer Fosun, vervolgens met een Chinees consortium onder leiding van [de Italiaanse zakenmannen] Nicholas Gancikoff en Salvatore Galatioto, en ten slotte verscheen in de negentigste minuut nog het duo Li-Li (Li Han en Li Yonghong) ten tonele.

    Op het eerste gezicht lijkt het alsof er steeds een andere koper is, maar nee: alleen de pionnen zijn veranderd

    Op het eerste gezicht lijkt het alsof er steeds een andere koper is, maar nee: alleen de pionnen zijn veranderd, de stromannen, zou je kunnen zeggen, de uitvoerders van het plan van Beijing. De namen van de nieuwe eigenaren blijken uiteindelijk totaal irrelevant te zijn. Ook de overnames van [bandenfabrikant] Pirelli en talloze andere zijn het werk van de centrale Chinese overheid, en niet door meneer Ren van [de groep] ChemChina.

    In het verleden had China twee belangrijke motieven om actief te zijn in het buitenland: het was ten eerste op zoek naar expertise, knowhow en technologie, en ten tweede naar natuurlijke hulpbronnen. Het model is eenvoudig: toetreden tot het aandeelhouderschap van een westers bedrijf met de verlangde competenties, zelfs als het om een minderheidsbelang gaat, maar wel met een vertegenwoordiging in de raad van bestuur, zodat er enige invloed kan worden uitgeoefend op de markt- en operationele besluiten van het overgenomen bedrijf. De Chinese managers observeren in stilte, analyseren, en beslissen vervolgens over de bedrijfsvoering. Vaak is die gericht op het bevorderen van het openstellen van de Chinese markt voor de producten van het betreffende bedrijf, soms komen ze alleen maar om te leren en daarna te proberen het businessmodel toe te passen in industrieën in het eigen land.

    ac chinees

    Bij deze twee motieven is onlangs China’s wens gekomen om zijn reputatie en imago te verbeteren in kringen die internationaal meetellen, oftewel om zijn zogenaamde ‘soft power’ te vergroten. De Olympische Spelen in Beijing, de Shanghai World Expo en de vele daaraan gerelateerde manifestaties vormen de weerslag van deze wens. Ook de G20, die in september plaatsvond in Hangzhou, maakte deel uit van dit plan. Gedurende enkele maanden waren alle activiteiten in die stad erop gericht de G20 tot een succes te maken: de stad was een maand lang zwaar beveiligd, ondernemingen moesten noodgedwongen dicht blijven, straten werden vernieuwd, oude huizen werden gesloopt of gerenoveerd en parken werden nóg mooier gemaakt (Hangzhou is al een van de mooiste steden van China). Alles om de perceptie van het land in het Westen te verbeteren.

    Zuid-Italiaanse trekjes

    De golf aan investeringen in Europese voetbalclubs moet dus in deze context worden geplaatst, met doelstellingen die ergens tussen soft power en het zoeken naar expertise in zitten. China heeft besloten het WK voetbal te organiseren, en als Qatar erin slaagt het toernooi binnen te halen, zal dat Beijing zeker ook lukken; China wil zelfs een elftal in het leven roepen om daarmee dat WK ook te winnen. We weten dat veel Europese en Italiaanse voetballers en coaches (onder wie voormalig bondscoach Lippi) in China actief zijn of zijn geweest sinds het moment, jaren geleden, dat pionier Damiano Tommasi voor Tianjin speelde. AC Milan is slechts een halte in een traject dat zal leiden tot meer overnames van voetbalteams, ook uit de Serie B.

    Voor degenen die willen meeliften op deze nieuwe golf van fusies en overnames kan, naast het kopen van aandelen van sportclubs die toekomstige targets zouden kunnen zijn, ook het openen van voetbalscholen in China zakelijk gezien een goed idee zijn. Het buitenlandse voetbal wordt nauwlettend gevolgd in China, en aan het grote enthousiasme van de Chinezen – dat beslist Zuid-Italiaanse trekjes vertoont – zal het niet liggen. Ze wachten nu tot ze die kwijt kunnen in een nieuw avontuur. Italië beschikt over alle kenmerken om deel uit te maken van deze Oriëntaalse voetbaldroom.

    Auteur: Michele Geraci
    Vertaler: Peter Bergsma

    Michele Geraci is hoofd van de studierichting Chinese politieke economie en universitair docent Finance aan de Nottingham University Business School in China.

    Il Sole 24 Ore
    Italië | dagblad | oplage 266.088

    Het prachtige resultaat van de fusie tussen Il Sole en 24 Ore. Financieel gezond, mede dankzij het zondagse magazine. Economisch nieuws heeft de voorkeur.

  • Het nieuwe Duitslandgevoel. ‘We zijn een ontzettend goed volk’

    Het nieuwe Duitslandgevoel. ‘We zijn een ontzettend goed volk’

    Was de briljante 7-1-overwinning van het Duitse voetbalelftal op de Brazilianen een afspiegeling van het Duitsland van nu? Niet helemaal misschien, maar dat onze oosterburen in een goede flow zitten, staat buiten kijf. ‘We mogen weer trots zijn op ons land, zonder die bijsmaak.’

    Keuze uit het archief

    Na een glorieuze voetbaloverwinning op Brazilië in 2014, schreef Der Spiegel een jubelend stuk over ‘het Duitslandgevoel’; Duitsland was weer trots op zichzelf, en met recht. Acht jaar later, als de in dit artikel tevens gevierde Merkel inmiddels is vervangen door kanselier Olaf Scholz, bevindt het land zich in een lastige spagaat tussen een van oudsher loyale houding tegenover de Russen, en de morele verplichting Oekraïne aan wapens te helpen. Toen voormalig Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd ook hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Hoort deze houding eveneens bij dat nieuwe Duitslandgevoel?

    De 61-jarige Christine Meier ligt in bikini op een strandbedje op het eiland Sylt. Ze heeft op drie na alle wedstrijden van het WK voetbal gezien, de meeste in haar volkstuin in Berlijn. ‘We dragen kettingen en hoedjes in de Duitse kleuren, sommigen schminken zich ook, er zijn gebakjes, antipasti, of ik maak een zwart-rood-gele pastasalade.’ Ze is trots op het succes van het Duitse elftal. ‘De mensen in het buitenland kijken naar ons. Ze willen nu weten hoe we leven, wie we zijn.’ Duitsland presenteert zich als een fair land, zegt ze. ‘We zijn een ontzettend goed volk.’

    Dat was twee dagen na de 7-1-overwinning van Duitsland op Brazilië [op 8 juli 2014]. De oude voetbaltovenaars waren van hun magische krachten ontdaan en de Duitsers moesten zich afvragen of ze echt zo lichtvoetig waren als de wedstrijd deed vermoeden en zo geweldig als de uitslag suggereerde. Christine Meier vindt van wel.

    Het was maar een van de zeven wedstrijden op het WK, de andere liepen niet zo geweldig. Maar vaak zijn het juist op zichzelf staande gebeurtenissen, momenten in het bestaan van landen waarop mensen de oren spitsen en zich afvragen: is dat hoe we zijn?

    Voetbal heeft de Duitsers dat soort momenten bezorgd. Tot 2006 zagen ze zichzelf vooral als tobberige natie. Maar in dat jaar vierden ze een vrolijk WK-feest in eigen land. Tot 2010 zagen ze zichzelf vooral als onbeholpen natie, wat zich ook weerspiegelde in het voetbal. Maar in dat jaar speelden de Duitse voetballers op het WK in Zuid-Afrika bij tijd en wijle als dartele veulens. Duitsland bezorgde de wereld momenten van schoonheid, en de wereld verbaasde zich en beleefde plezier aan de Duitsers. De halve finale van 2014 borduurde daarop voort. De Mannschaft speelde gedecideerd, ongedwongen en volwassen.

    hetnieuweduitslandgevoel02

    Klaus Hollweger en zijn vrouw Helga zitten op de delicatessenafdeling van het Berlijnse warenhuis KaDeWe naar de mensen te kijken die langs de schappen lopen. Kaviaar, doorregen steaks. De 78-jarige Hollweger woont in Thüringen.

    Als Hollweger over het Duitse voetbal praat, spert hij zijn ogen wijd open achter zijn bril en vormt hij zijn mond tot een rondje. ‘Oooh,’ zegt hij, ‘voor mij laat het WK zien hoe mooi het is in een verenigd land te leven. Nu kunnen we samen trots zijn op ons nationale elftal.’ Hij is ontroerd. ‘Het gaat zo goed met ons land, het is hier allemaal zo mooi en nieuw, net als bij ons thuis in Weimar,’ zegt Klaus Hollweger.

    Toni Kroos was op dit WK het brein van het elftal. Weet iemand waar hij vandaan komt? Maakt dat wat uit? Kroos is geboren in Greifswald, hij is Oost-Duitser, maar dat speelt geen rol. Toen Michael Ballack in 2004 aanvoerder van het nationale elftal werd, werd daar nog een punt van gemaakt. Een Oost-Duitser, nou ja zeg. Kroos is daarentegen een Duitser uit Greifswald.

    In de politiek zijn er ook dat soort momenten van reflectie. Op 6 juni van dit jaar was bondskanselier Angela Merkel aanwezig bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de landing in Normandië. De staatshoofden en regeringsleiders van de voormalige geallieerden hadden haar uitgenodigd. Hun landen waren destijds de overwinnaars, de Duitsers waren teruggedrongen en West-Europa kon worden bevrijd.

    Maar wie stond er in het middelpunt op die jubileumdag? Angela Merkel. Vanaf maart was de crisis in Oekraïne aan het escaleren en de wereld keek naar haar. Zou zij erin slagen Vladimir Poetin tot rede te brengen? Niet echt, maar desondanks kwam Merkel bijna zeventig jaar na het einde van de oorlog over als een wereldleider. De mensen wreven zich de ogen uit.

    Het Duitsland van 2014 is een heel ander Duitsland dan dat van 1984, een ander Duitsland dan dat van 1994, een ander Duitsland dan dat van 2004. Twee relatief nieuwe indrukken komen samen: ongedwongenheid en gewicht.

    Anders gezegd: er is een nieuw Duitslandgevoel.

    De gesteldheid van een natie blijkt uit twee componenten: de situatie in het binnenland en de verhouding met andere landen. Normaal gesproken vloeit het tweede voort uit het eerste. Daarom zouden we ons moeten afvragen: waar komt die ongedwongenheid vandaan? En hoe presenteren de Duitsers zich aan de wereld? We vragen het hunzelf, in de dagen na de 7-1-overwinning.

    Toni Kroos was het brein op het WK, dat hij Oost-Duitser is speelt geen rol

    De Duitsers waren lange tijd verkrampt omdat hun land in tweeën was gedeeld. Ze wisten niet eens wie ze waren. Duitsers? Ergens wel, maar andere Duitsers dan die achter de Muur? West-Duitsers, Oost-Duitsers, DDR-burgers. West-Duitsers zeiden ook bewust: Europeanen.

    De Bondsrepubliek en de DDR waren zeldzaam definitieve provisoria. Vrijwel iedereen ging ervan uit dat de deling permanent zou zijn, maar de conservatieven in het westen moesten wel benadrukken dat het doel van eenheid niet zou worden opgegeven, absoluut niet, nooit. En de linkse partijen moesten wel zeggen dat er geen eenheid mocht komen, want dan zouden de Duitsers een Derde Wereldoorlog ontketenen, zeker weten, onherroepelijk.

    Zo beet men zich vast in een virtueel debat, en toen kwam plotseling de eenheid en beet men zich nog steviger vast. De Duitsers bouwden een Muur in hun hoofd. Oost-Duitsers klaagden over het verdwijnen van arbeidsplaatsen, veiligheid, gemeenschappelijkheid. West-Duitsers klaagden over het wegvloeien van miljarden voor de opbouw van het Oosten.

    Nu ziet dat er anders uit. Natuurlijk valt er nog altijd wel iets te klagen, maar over het geheel genomen is de eenwording geslaagd. De Derde Wereldoorlog is niet uitgebroken, steden als Leipzig, Dresden en Jena bloeien, en zelfs met Mecklenburg-Vorpommern gaat het de goede kant op. Sommige ouderen verlangen misschien nog wel terug naar de knusheid van de DDR of West-Duitsland, maar de jongeren leven heel vanzelfsprekend in hun vaderland.

    De Duitsers zijn een volk geworden, zijn Duitsers geworden. Voorvoegsels kunnen worden weggelaten. Dat maakt ze een stuk losser.

    Immigratieland

    De 47-jarige Bajram Avdijaj is 22 jaar geleden vanuit Albanië naar Duitsland geëmigreerd. Nu staat hij achter een kraam met groente en fruit op de Viktualienmarkt in München, de meest internationale plek van de stad.

    Avdijaj zegt dat hij niets met sport heeft, net zoals hij ook helemaal zonder religie is opgevoed. Een patriot is hij ook niet echt, maar hij merkt wel hoe de mensen om hem heen veranderen. ‘Maar dat mag toch ook, of niet?’

    Hij is half Albanees, half Duitser, ‘vanuit het gevoel,’ zegt hij. Hoewel, sinds die avond van de halve finale is hij misschien een beetje meer Duitser dan Albanees. ‘Desondanks ben ik voor Argentinië. Ik weet niet, Messi is gewoon de beste, geniaal. Maar die Argentijnen slaan altijd zo veel kruisjes, vier, vijf keer achter elkaar, daar moet je van houden, zoiets hebben de Duitsers gewoon niet. Die doen wat er gedaan moet worden. Er wordt niet gebeden op het veld. Dat helpt uiteindelijk ook niet. Je moet zien wat er gebeurt, dat is het. Dat is Duits. Dat ligt me meer.’

    ‘Duitsland ontwikkelt zich meer en meer tot een modern immigratieland,’ schreef de Neue Zürcher Zeitung in juni. Ook daarin is iets wezenlijks veranderd.

    Wie is Duitser? Wie mag er Duitser zijn? Dubbel paspoort of niet, greencard? Deze onaangename discussies zijn decennia lang gevoerd. De Bondsrepubliek maakte het mensen die geen ‘Duits bloed’ hadden moeilijk om hiernaartoe te komen of zelfs Duitser te worden. Als je anders bent dan ik, dan hoor je er niet bij. Een enorm krampachtig gedoe.

    De acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen

    En nu: immigratieland. Volgens cijfers van de OESO stond Duitsland in 2012 op plaats twee voor wat betreft duurzame immigratie, na de VS. Circa 400.000 mensen wilden zich voor langere tijd in Duitsland vestigen. En dat mogen ze, de drempels zijn verlaagd. ‘De islam hoort inmiddels ook bij Duitsland,’ zei de toenmalige Bondspresident Christian Wulff in 2010, en na die uitspraak gaat er niemand meer terug.

    Immigratie en integratie blijven evenwel lastige onderwerpen. Die Union [CDU/CSU] is nog steeds niet aan de gedachte gewend dat Duitsland een immigratieland is, en met vluchtelingen zou je bovendien wat liberaler kunnen omgaan. Aan de andere kant zou menige migrant beter zijn best kunnen doen om te integreren.

    hetnieuweduitslandgevoel03

    Maar men beweegt naar elkaar toe. In een studie van het Berlin-Institut für Bevölkerung und Entwicklung met de titel ‘Nieuw potentieel – Over de toestand van de integratie in Duitsland’ staat dat de maatschappelijke acceptatie van mensen met een migratieachtergrond is toegenomen. En deze passen op hun beurt hun leefwijze langzamerhand aan die van autochtone Duitsers aan.

    Onlangs nam het gymnasium Graues Kloster in Berlijn afscheid van zijn geslaagden. De vertegenwoordigster van de ouders maakte zich in haar toespraak sterk voor een ‘Buntes’ [kleurrijk] Kloster, omdat er op deze school vrijwel geen kinderen van immigranten zijn. Zelfs in dat bolwerk van homogeniteit is iets gaande. Ene Otto von Bismarck ging hier ooit naar school. In 1871 stichtte hij het Duitse Rijk.

    Dus we zijn een volk, en wel een kleurrijk volk. Ook dat maakt losser. Voor het Duitse elftal zijn migranten toch al onmisbaar.

    Burkhard Kieker stond paf toen hij afgelopen dinsdag de Grand Khaan in het centrum van Ulaanbaatar binnenliep. Het was tegen vier uur ’s nachts, maar desondanks verdrongen zich honderden Mongolen voor de beeldschermen in de kroeg. De meesten hadden hun wangen zwart-rood-geel geverfd. Na het eindsignaal vielen ze Kieker en zijn gezelschap om de hals en gaven een rondje. ‘We waren de sterren van de avond,’ aldus Kieker. ‘Vroeger werden Duitse voetballers hier beschouwd als tanks die linea recta op hun doel af rolden, tegenwoordig worden ze gevierd als een soort kunstenaars.’

    Kieker is vertrouwd met juichverhalen. Als hoofd Toerisme van Berlijn heeft hij een van de leukste banen ter wereld. Hij moet zijn stad in andere landen verkopen, maar dwepen is daarbij niet nodig. Van Berlijn hoeft hij niemand te overtuigen.

    Berlijn is de metropool van het lossere Duitsland. Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn. Dat is verbazingwekkend, want de Berlijner staat nu niet bepaald bekend als wereldburger.

    Maar hier heeft Duitsland zichzelf in de vroege jaren negentig genegeerd en een sprong in het coole diepe gewaagd.

    Zonder Berlijn zou Duitsland nog altijd een provinciaal land zijn

    Na de val van de Muur was het oosten van de stad enige tijd vrijwel niet aan regels gebonden. Veel jonge West-Duitsers waagden de stap en verwierven er samen met jonge Oost-Duitsers nieuwe vrijheden. Er werd niet gevraagd naar vergunningen of huurovereenkomsten, je ging gewoon wonen en dansen waar je wilde. Het was goedkoop, er was veel ruimte. Men stond open voor het andere en anderen, een openheid die de hele wereld omvatte. En die kwam dan ook.

    Vooral de feestvierders kwamen, en Berlijn werd de partyhoofdstad van de wereld. Dat trok kunstenaars en steeds meer toeristen, die niet allemaal langs de portiers van technoclub Berghain komen, maar in Berlijn willen zijn geweest en zich huppelend en springend voor de Brandenburger Tor laten fotograferen. Ze ervaren Berlijn als een stad van ongedwongenheid.

    Dat geldt ook voor de Duitsers. Berlijn straalt af op mensen. Ook Bielefelders en Würzburgers nemen iets van het levensgevoel van de metropool met zich mee naar huis. De oorspronkelijke ongeregeldheid is weliswaar verdwenen en gecommercialiseerd, maar er is nog een beetje van over, op nieuwe, snel wisselende plekken. Berlijn is een belangrijk onderdeel van het nieuwe Duitslandgevoel.

    En wie een heel bijzondere vorm van de Duitse ongedwongenheid wil ervaren, moet eveneens naar Berlijn reizen. Het liefst met het vliegtuig over Schönefeld, want dan is vanuit de lucht een mooi groot luchthavengebouw te zien, fonkelnieuw en leeg. Al ruim twee jaar geleden stond de opening ervan gepland. Falende ingenieurs, een hoofd technische dienst dat wordt verdacht van corruptie, verspilling van miljarden. Is dat hoe we zijn? Ja, zo zijn we ook.

    Adolf Hitler

    Klaus Richter zit in de SchillerGarten in Dresden. Naast een gaslantaarn onder de kastanjebomen staat een groot beeldscherm; in de miezerregen zitten een paar mensen zich te vervelen bij de halve finale Nederland-Argentinië. Vroeger was Friedrich Schiller hier stamgast. Het Schiller-Institut beschrijft zijn houding tegenover de wereld als volgt: in zijn werken maakte hij duidelijk ‘dat de mens hogere plichten heeft dan zijn persoonlijke voorkeuren, dat hij patriot moet zijn en wereldburger, wat geen contradictie is omdat het belang van een natie nooit mag indruisen tegen het belang van de wereld’.

    Is Klaus Richter een patriot? Peinzend staart hij in zijn bier. Natuurlijk is hij blij als de Duitsers in de finale staan, zegt hij. Maar hij zou nooit gaan rondrijden met vlaggetjes op zijn auto. ‘Je kunt in Duitsland niet zo ontspannen omgaan met de symbolen van het land als in de VS of andere landen.’ De geschiedenis van het land is daarvoor te ambivalent, vindt hij.

    Daar is hij weer. Adolf Hitler wandelt door Duitse straten, belt aan bij mensen of slentert over de Fanmeile en heeft het met Duitse supporters over de kansen op een ‘Endsieg’. Hij draagt het bekende uniform en heeft natuurlijk een klein snorretje. In werkelijkheid is het een acteur. Hij speelt Hitler in de verfilming van de bestseller Er ist wieder da, waarin Hitler terugkeert naar de Duitsers.

    Was hij ooit weg dan? De Duitse bedruktheid had voor een groot deel te maken met het naziverleden. Geen enkel ander volk heeft de wereld zulke gruwelijkheden aangedaan, geen enkel ander volk heeft zich zo schuldbewust en intensief met de geschiedenis van zijn misdaden beziggehouden. Dat was nodig om te begrijpen wat er Duits aan was en dus opnieuw zou kunnen gebeuren. Dat was nodig om signalen af te geven aan de wereld dat men het heeft begrepen. Maar het zorgde ook voor een zelfverduistering, die niet alleen voor Duitsers moeilijk te verdragen was. Soms ook voor anderen.

    Deze debatten worden nog altijd gevoerd. Niets houdt Duitsers méér bezig dan een terugkeer van Hitler, in welke vorm dan ook. Een hakenkruis op de huid van een Russische zanger in Bayreuth: groot debat. Een roeister van de Duitsland Acht die een relatie heeft met een neonazi: groot debat. Een regelrecht schandaal is het dat de Nationalsozialistischer Untergrund (NSU) jarenlang migranten kon vermoorden zonder de aandacht te trekken van politie en justitie.

    Ook anderen houden ons graag gevangen in onze geschiedenis. Zelfs de halve finale tegen Brazilië, dat feest van schoonheid en ongedwongenheid, bewoog mensen ertoe de nazitijd in herinnering te roepen. ‘De Duitsers zijn een vreemd land binnengetrokken en hebben het commando overgenomen. Hoe verrassend’, twitterde ene Binyamin Appelbaum. Rob Delaney schreef: ‘Duitsland, ontspan. Het zijn geen Polen.’

    Hitler is geen grap, maar je kunt er wel weer een paar over hem maken. Ook als Duitser, zoals Timur Vermes, wiens boek Er ist wieder da een bestseller is.

    Herinneren betekent vandaag de dag niet: niet lachen, niet vrolijk kunnen zijn. De Duitsers hebben zich voor een groot deel bevrijd van de zelfverduistering. Dat was voor het eerst goed zichtbaar tijdens het WK 2006 in Duitsland, toen ze de wereld een heerlijk voetbalfeest voorschotelden. Herinneren gaat nu gepaard met ontzetting en droefheid, maar zonder totaal te verkrampen.

    De 28-jarige Philipp Stültgens werkt als kok op Sylt. Op zijn vrije woensdagavond is hij met vrienden naar de haven gekomen om voetbal te kijken. Het succes van het Duitse elftal maakt hem trots, zegt Stültgens. ‘Op ons elftal en op ons land.’ Typisch Duits betekent voor hem: veel inzet tonen, de wil om naar voren te gaan. ‘We zijn niet voor niets wereldkampioen export.’ Of hij zichzelf typisch Duits vindt? ‘Nou ja, ijverig ben ik wel.’

    Ook Duitse deugden dragen bij aan de Duitse ongedwongenheid. Dankzij ijver, discipline en volgzaamheid groeit de welvaart, die op zijn beurt het leven licht maakt en het humeur bevordert.

    Duitsland beleeft een klein wirtschaftswunder in de zomer van 2014. Meer dan 42 miljoen werkenden, nog nooit hadden zo veel mensen een baan. De lonen zijn sterk gestegen en vanwege de lage rente is het niet lonend om het geld op een spaarrekening te laten verkommeren. De Duitsers gaan winkelen tot hun armen uitrekken van de zware tassen. En winkelen kan gelukkig maken.

    Doorlopend stellen de economische voorspellers hun prognoses naar boven bij: dit en komend jaar zou de economie met meer dan 2 procent kunnen groeien. Voor een gevestigde volkseconomie is dat een goed cijfer.

    Duitsland profiteert ervan dat het land al rond de millenniumwisseling de update voor de eenentwintigste eeuw heeft geïnstalleerd. Het model van het gezapige kapitalisme, waarbij de winkels op zaterdag al om twee uur ’s middags sloten en je het op zondag zonder verse broodjes moest doen, is verleden tijd.

    De economie en de maatschappij hebben zich aangepast, wat vooral betekent: geflexibiliseerd. De bedrijven hebben hun processen ingesteld op efficiëntie en hun productengamma aangepast op de behoeften van de opkomende industrielanden.

    ‘Ook de Hartz-hervormingen en het gezond verstand van de sociale partners hebben bijgedragen aan de positieve ontwikkeling,’ zegt Clemens Fuest, leider van het Zentrum für Europäische Wirtschaftsforschung. Voor veel werknemers was een zekere arbeidsplaats belangrijker dan sterke loonstijgingen met de kans op ontslag. Jarenlang stegen de reële lonen in geen enkel Europees land zo bescheiden als in de Bondsrepubliek.

    Duitsland lijkt zo tevreden met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen

    In 2003 doorbrak bondskanselier Gerhard Schröder de sociale consensus. Tot dan toe gaf de staat aan zijn burgers, en wat hij eenmaal had gegeven, nam hij niet terug. Schröder was de eerste die werklozen flink liet inleveren. Dat zorgde voor een slechte sfeer in het land, maar tegelijkertijd bleek dat Duitsland te hervormen was. De mensen volgden hun vakbonden, volgden Schröder, zij het morrend. Een grote opstand bleef uit.

    Zijn opvolgster heeft het nu goed. De groei geeft Angela Merkel de mogelijkheid cadeautjes uit te delen. Dat doet ze dan ook kwistig: extra pensioenverhogingen, oudertoeslag, geld voor kinderzorg, pensioen vanaf 63 jaar, pensioenopbouw tijdens de zorg voor een kind. Er is geen economische reden om daar zorgelijk over te doen, althans nu niet. Toekomstige generaties zullen ervoor moeten opdraaien.

    Andere redenen zijn er wel, maar alleen voor mensen die vinden dat democratie levendig moet zijn en leeft van de strijd tussen standpunten. Merkel ziet dat anders, zij heeft althans de spanning uit de Duitse democratie gehaald. Ze probeert in alle rust met haar coalitie te regeren, zorgt niet voor opwinding met onredelijke politieke of economische eisen en krijgt daarvoor veel waardering van de Duitsers.

    Ze worden niet gehinderd door de politiek en maken zich hooguit regionaal druk omdat er een station wordt gebouwd of een elektriciteitsmast wordt geplaatst. Duitsland wekt momenteel de indruk dat het zo tevreden is met alles dat het de status-quo het liefst zou willen invriezen. Geen nieuwe infrastructuur, geen nieuwe kanselier en zo min mogelijk politiek. Een nieuwe biedermeiertijd lijkt te zijn aangebroken.

    Soevereine staat

    De 47-jarige Dagmar Donabauer zit op woensdagavond om half tien ’s avonds in muziekcafé Spectacel in Inning am Ammersee, vlak voor het begin van de tweede halve finale. Ze is personeelsconsulente in Gilching. Ze heeft het over ‘wij’ en ‘ons’ als ze over het nationale elftal praat.

    Voor Donabauer is ‘in 2006 plotseling alles veranderd, tijdens het WK. Toen begonnen de mensen, en ook ik, pas echt door te krijgen dat ze trots mochten zijn op hun land, zonder die bijsmaak. Toen konden we de vlag laten zien, dat was de ommekeer, en de wereld vond het prima dat we met onze vlaggen zwaaiden, men zag het niet langer als nationalistisch.’ Het taboe ‘om openlijk blij te zijn voor Duitsland was doorbroken,’ zegt ze.

    Dagmar Donabauer is Oostenrijkse. Er moet echt een hoop zijn veranderd aan de rol van Duitsland in de wereld dat Oostenrijkers zo enthousiast kunnen raken over het Duitse voetbal.

    Helmut Kohl heeft ooit in één zin de verhouding tussen Duitsland en de Europese Unie gedefinieerd: ‘Elke voor Europa uitgegeven mark is goed besteed geld.’ Angela Merkel is daar niet zo euforisch over.

    Kohl en zijn voorgangers zagen de Bondsrepubliek niet in de eerste plaats als individueel land, maar als onderdeel van bondgenootschappen. De vroegere kanseliers moesten de voormalige paria van de wereld eerst terugleiden naar de wereldgemeenschap, en dat deden ze via Europa en de NAVO. De West-Duitsers hadden belang bij een versmelting met het Westen, en tegelijkertijd bij een goede relatie met de landen van het Warschaupact. Dit alles gebeurde onder toezicht en de nucleaire paraplu van de Amerikanen. Tot 3 oktober 1990 was de Bondsrepubliek niet echt een soevereine staat.

    Angela Merkel heeft een heel ander Duitslandgevoel. Er is eenheid en daarmee soevereiniteit. Er is economische bloei, waarbij Frankrijk en de zuidelijke partners van de EU een slecht figuur slaan. De nazitijd, die zij zelf niet heeft meegemaakt, is weer een paar jaar langer geleden. Het Duitse imago in de wereld is verbeterd, wat ook te maken heeft met de voetbalfeesten sinds 2006.

    De Duitse ongedwongenheid gaat gepaard met een sterker zelfbewustzijn. We tellen weer mee, deel 2. Deel 1 werd gemarkeerd door de Duitse overwinning op het WK van 1954 en het Wirtschaftswunder. Nu zijn de Duitsers ook politiek zelfbewust. Wat doen ze daarmee?

    Merkel voert in Brussel een politiek van nationaal belang en haar Duitsers vinden dat goed. Nationaal belang betekent in dit geval: de eigen welvaart behouden en uitbouwen. Ze denkt bovendien expansief. Ze wil dat de andere Europeanen hun economie even efficiënt en effectief inrichten als de Duitsers. Ze spoort hen aan tot hervormingen, opdat Europa als geheel een sterke positie in de wereldeconomie zal gaan innemen. Daaruit vloeit politieke invloed voort, die Merkel weer voor de Duitsers en hun exportmogelijkheden wil gebruiken. Want in Europa mag de Bondsrepubliek groot zijn, wereldwijd is het land klein.

    Een Duitse kanselier die expansief denkt? Ook op dat punt is er een hoop veranderd. Het is alleen mogelijk omdat Merkel haar doelen in stilte en met terughoudendheid nastreeft. Anders zouden haar collega’s in Europa zich heviger verzetten dan tot nog toe. Ze streeft een nuchter nationalisme na, zonder pathos, zonder symboliek, zonder doordrammen, maar wel nadrukkelijk.

    Veiligheid

    Hendrik Groβe Lefert zit de dag voor de wedstrijd tegen Brazilië in de lobby van het hotel in Belo Horizonte waar de Mannschaft verblijft. Het hoofd Veiligheid van de Duitse voetbalbond DFB is afgetraind en heeft zijn donkere overhemd wijd openstaan. Hij heeft veel zorgen op dit WK. Zo kon de Duitse selectie het basiskamp alleen per veerboot bereiken. Groβe Lefert heeft er samen met de lokale autoriteiten in Porto Seguro voor gezorgd dat duikers van de Braziliaanse politie voor elke tocht van de veerboot het water op bommen afzochten. Er is niets gevonden.

    In de eerste week van het toernooi was hem gemeld dat iemand op het strand een drone wilde laten opstijgen, vertelt het hoofd Veiligheid. Later bleek dat een reclamebureau er een schip mee wilde fotograferen.

    Veiligheid is een bijzonder thema voor Duitsers. Sinds de eenwording en sinds de wereld hen weer vertrouwt, verwachten de VN, de NAVO, de Amerikanen en de Fransen dat ze ook wat betreft veiligheid verplichtingen op zich nemen, zo mogelijk met het leger. Maar op dat gebied willen de Duitsers geen leidende rol spelen, Merkel noch de burgers.

    Bondspresident Joachim Gauck werd voor “walgelijke oorlogshitser” uitgemaakt

    De inzet in Afghanistan is al te veel gevraagd, in Libië wilden ze niet actief zijn, in Mali en in de Centraal-Afrikaanse Republiek nemen ze taken op zich waarbij Duitse soldaten nauwelijks iets hoeven te riskeren. De Duitsers hebben genoeg van oorlog.

    Ze zijn er ook niet meer zo zeker van of ze wel volledig bij het Westen willen horen. Bij een recente enquête van de Körber-Stiftung vond 56 procent van de Duitsers dat in de toekomst meer met de Amerikanen zou moeten worden samengewerkt. Maar 53 procent zei hetzelfde over de Russen.

    Tijdens de crisis in Oekraïne heeft de Duitse regering goed nagedacht over wat men zou doen als de Russen een van de Baltische NAVO-landen zouden aanvallen. Een van de opties was zich op militair vlak afzijdig houden, ondanks het bondgenootschap. Daarmee zou de westerse alliantie op losse schroeven komen te staan. Waar natuurlijk vrijwel niemand daadwerkelijk op uit is.

    De Amerikanen maken het de Duitsers echter moeilijk om aan hun kant te staan. Twee vermoedelijke spionnen zijn onlangs ontmaskerd: een brutaliteit van de Amerikanen, die daarmee een bondgenoot vernederen.

    Het politieke profiel van Duitsland ziet er momenteel als volgt uit. Wat de binnenlandse politiek betreft zijn de Duitsers buitengewoon tevreden. Ze worden in de watten gelegd door de coalitie van Merkel en zien vrijwel geen reden om ruzie met elkaar te maken. Op het gebied van de buitenlandse politiek ontbreekt de oriëntatie en daarom is alles omstreden. Vroeger speelde de Bondsrepubliek de rol van de beste Europeaan en de beste vriend van de VS. Dat is verleden tijd. Maar hoe het nu verder gaat?

    Toen Bondspresident Joachim Gauck een grotere betrokkenheid bij de wereld eiste, werd hij door een linkse politicus voor ‘walgelijke oorlogshitser’ uitgemaakt. Veel Duitsers zouden het liefst een pijnontwijkende houding aannemen, het geld in eigen zak houden, de eigen soldaten ontzien. Zo kan de ongedwongenheid worden behouden. Maar egoïstisch is het ook.

    Nieuwe biedermeiertijd, nuchter nationalisme, egoïstische houding: wat geeft dat voor een totaalbeeld? Geen 7-1, dus niet de pure schoonheid. Van een ontspannen Duitse natie is nog geen sprake, eerder van een lossere natie. Ze wordt langzamerhand zichzelf, maar heeft nog moeite met haar plaats in de wereld. Moet het een stil hoekje zijn? Of een leidende positie, passend bij de omvang en de welvaart van het land? Hier ontbreekt een bondscoach die een duidelijke lijn uitstippelt.

    De 50-jarige Markus Werner werkt al 28 jaar als reddingszwemmer in Westerland op Sylt. Hij ontmoet zijn landgenoten tijdens de weken dat ze erg ontspannen zouden moeten zijn, maar hij vindt ze niet ontspannen. Nu eens komt de wind uit de verkeerde richting, dan weer is het zand niet fijn of het water niet warm genoeg. Maar dat verandert allemaal tijdens een WK, zegt Werner. De mensen hebben dan ‘een reden om de mondhoeken omhoog te trekken’. Eigenlijk, vindt Markus Werner, zou er twee keer per jaar een WK moeten zijn.

    Goed idee.