Per jaar vliegen in de VS duizenden vogels zich te pletter
Elk jaar sterven naar schatting zo’n miljard vogels in Noord-Amerika omdat ze tegen ramen aan vliegen, meldt Colossal. Dat komt volgens de vogelbescherming omdat de meeste vogels hun spiegelbeeld niet herkennen of zelfs denken dat hun rivaal recht voor ze vliegt.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Kunstenaar en docent Holly Greenberg raakt gefascineerd door dit treurige fenomeen. Nadat bijna duizend vogels omkwamen in een botsing met één gebouw in Chicago, lanceerde ze een initiatief om precies 10.863 stoffen vogels te maken, het aantal dat in 2023 dood werd aangetroffen in de straten van de stad.
Via meer dan 140 workshops verspreid over de VS en Canada naait een groeiende gemeenschap met de hand vogels na op basis van echte exemplaren. Uiteindelijk zullen alle vogels samen één groot tapijt vormen.
Een albinobuffel van 700 kilo is in Bangladesh een onwaarschijnlijke mediasensatie geworden nadat hij de bijnaam ‘Donald Trump’ kreeg vanwege zijn goudkleurige hoofdhaar en lichtroze huid, meldt de Bangkok Post.
Bezoekers stroomden massaal naar de boerderij net ten zuidoosten van Dhaka om het beest te fotograferen en aan te raken. Een bezoeker die eerst nog twijfelde aan de gelijkenis, gaf na aankomst toe dat het dier veel van Trump wegheeft. Volgens het boerderijpersoneel is de buffel een ‘kalm en zachtaardig’ dier.
Het beest heeft veel aandacht getrokken in aanloop naar het islamitische offerfeest Eid al-Adha op 27 mei. Het dier is al verkocht voor 3,86 euro per kilo vlees en aan de nieuwe eigenaar afgeleverd.
Hoe Rusland AI als wapen inzet
Rusland gebruikt steeds meer AI-gegenereerde nepvideo’s om de indruk te wekken dat Rusland succes boekt op het slagveld in Oekraïne, aldus The Kyiv Post. Zo zijn er clips gemaakt waarin Russische vlaggen worden gehesen in Oekraïense dorpen, aldus het Institute for the Study of War (ISW). Het ISW ziet de trend als een onderdeel van de bredere Russische informatieoorlog, die sinds de winter van 2025 is geïntensiveerd. Analisten brengen de trend in verband met de trage Russische vooruitgang aan het front. Volgens de monitoringgroep DeepState heeft Rusland in april 141 km² aan Oekraïens grondgebied veroverd – een van de magerste maandresultaten in meer dan een jaar.
Rusland voert een psychologische oorlogscampagne om de werkelijkheid te verdraaien en verschillende doelgroepen te manipuleren. Analisten waarschuwen dat het uiteindelijke doel informatiechaos is – een situatie waarin synthetische content zo wijdverspreid raakt dat zelfs echt bewijsmateriaal als nep kan worden afgedaan.
Iers dorp verbiedt smartphones voor tieners
Greystones, een Ierse kustplaats net ten zuiden van Dublin, heeft zich wereldwijd op de kaart gezet met het radicale initiatief It Takes a Village. Het doel daarvan is kinderen te beschermen tegen sociale media door smartphones te verbieden voor kinderen onder de twaalf jaar, meldt The Telegraph. Ouders tekenen een contract met hun basisschool waarin ze beloven hun kinderen geen mobiel te geven totdat ze rond hun dertiende naar de middelbare school gaan.
‘Het gaat erom dat we het moment waarop ze een smartphone krijgen, uitstellen totdat we ze de vaardigheden hebben bijgebracht die ze nodig hebben om in de online wereld te navigeren,’ aldus Rachel Harper, basisschooldirecteur in Greystones, die het initiatief heeft opgezet.
Ze bedacht het concept toen leerlingen na de covid-lockdowns weer naar school gingen. ‘Ouders vertelden me hoe hun zoon of dochter, die het op school goed deed, ’s avonds thuis helemaal de controle verloor. Kinderen hadden moeite met slapen na tot in de late uurtjes op hun telefoon te hebben gezeten. Door berichten van de avond ervoor kwamen ze dermate uitgeput of overstuur op school dat ze zich niet konden concentreren.’ Op het eerste gezicht klinkt het initiatief draconisch en onwerkbaar, maar ouders, leerkrachten en vooral de kinderen zijn er zeer over te spreken. Zo vertelt een moeder: ‘Ik zag enorm op tegen de dag dat mijn dochter thuis zou komen smeken om een smartphone, omdat iedereen er al een had. Maar dankzij dit schoolinitiatief hebben moeders zoals ik daar geen last meer van.’
En een jongen verklaart: ‘Wat ik tot nu toe van de workshops heb geleerd, is dat socialemediaplatforms zo zijn ontworpen dat ze een eindeloze hoeveelheid content bieden, waardoor het moeilijk is er afstand van te nemen. Ze zijn verslavend en ik wil niet dat mij dat overkomt.’
Franse filmproducent verbreekt banden met 600 filmartiesten
De topman van Canal+, de grootste filmproducent van Frankrijk, heeft onlangs bekendgemaakt dat de groep niet langer zal samenwerken met zeshonderd professionals uit de filmindustrie die een petitie tegen de conservatieve miljardair Vincent Bolloré hebben ondertekend, aldus Le Monde. De aankondiging, gedaan tijdens het filmfestival van Cannes, zal naar verwachting voor grote opschudding zorgen in de Europese filmwereld.
‘Ik ervaar die petitie als een onterechte bejegening van de teams van Canal+, die zich inzetten voor de onafhankelijkheid van Canal+ en de volledige diversiteit van haar keuzes. Ik zal niet langer samenwerken met en ik wil niet langer dat Canal+ samenwerkt met de mensen die deze petitie hebben ondertekend,’ aldus CEO Maxime Saada.
De petitie riep mensen op zich te mobiliseren tegen ‘de toenemende greep van extreemrechts’ op de filmindustrie onder invloed van Bolloré en de Canal+-groep. De agressieve expansie van Bolloré in de Franse media de afgelopen jaren wordt door conservatieven toegejuicht, omdat het volgens hen het machtsevenwicht – dat naar links doorslaat – weer in balans brengt.
De miljardair Bolloré, een vrome katholiek die zijn fortuin verdiende in de logistieke sector, wordt door commentatoren vaak vergeleken met de in Australië geboren Amerikaanse mediamagnaat Rupert Murdoch, omdat zijn nieuwszender CNews overeenkomsten vertoont met de Amerikaanse zender Fox News.
Toerist krijgt compensatie voor gebrek aan ligruimte
Een Duitse toerist heeft ruim 900 euro teruggekregen omdat hij er tijdens zijn vakantie in Griekenland niet in slaagde een ligstoel te bemachtigen, aangezien alle stoelen met handdoeken waren gereserveerd. De man, die in 2024 met zijn gezin een pakketreis maakte naar het Griekse eiland Kos, zei tegen de BBC dat hij elke dag twintig minuten bezig was naar een ligstoel te zoeken, terwijl hij om 06.00 uur al wakker werd.
Vervolgens klaagde hij zijn touroperator aan omdat hij het reserveringssysteem had toegestaan en gasten die ligstoelen met handdoeken reserveerden niet hierop had aangesproken. Volgens de toerist waren de ligbedden zo vaak gereserveerd dat ze onbruikbaar waren en zijn kinderen op de grond moesten liggen. De rechter stelde hem in het gelijk en oordeelde dat de familie recht had op een restitutie van 986,70 euro.
Vogeltapijt
Elk jaar sterven naar schatting zo’n miljard vogels in Noord-Amerika omdat ze tegen ramen aan vliegen, meldt Colossal. Dat komt volgens de vogelbescherming omdat de meeste vogels hun spiegelbeeld niet herkennen of zelfs denken dat hun rivaal recht voor ze vliegt. Kunstenaar en docent Holly Greenberg raakt gefascineerd door dit treurige fenomeen. Nadat bijna duizend vogels omkwamen in een botsing met één gebouw in Chicago, lanceerde ze een initiatief om precies 10.863 stoffen vogels te maken, het aantal dat in 2023 dood werd aangetroffen in de straten van de stad. Via meer dan 140 workshops verspreid over de VS en Canada naait een groeiende gemeenschap met de hand vogels na op basis van echte exemplaren. Uiteindelijk zullen alle vogels samen één groot tapijt vormen.
Geluidsoverlast door verkeer heeft invloed op gezondheid, groei en voortplanting
Uit onderzoek is gebleken dat geluidsoverlast door verkeer de groei van babyvogels belemmert, zelfs als ze nog in het ei zitten. Dat meldt The Guardian. Pasgeboren vogels en jongen die worden blootgesteld aan lawaai van stadsverkeer ervaren op de lange termijn negatieve effecten op hun gezondheid, groei en voortplanting, zo blijkt uit de studie.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
‘Geluid heeft een veel sterkere en directere impact op de ontwikkeling van vogels dan we voorheen wisten’, zegt dr. Mylene Mariette, expert op het gebied van vogelcommunicatie aan de Deakin University in Australië en co-auteur van de studie, gepubliceerd in het tijdschrift Science. ‘Het zou verstandig zijn om meer te werken aan het terugdringen van de geluidsoverlast.’
Uit een groeiend aantal onderzoeken blijkt dat geluidsoverlast vogels stress bezorgt en de communicatie voor hen bemoeilijkt. Maar of vogels al op jonge leeftijd last hebben van lawaai en hoe lawaai hun omgeving en ouderlijke zorg verstoort, was nog onduidelijk. Zo ontdekten de onderzoekers dat zebravinken 20 procent minder kans hebben om uit eieren te komen als ze worden blootgesteld aan geluidsoverlast.
Kattenliefhebbers verzetten zich tegen uitroeiing wilde katten
Nieuw-Zeeland doet er alles aan om zijn bijzondere, inheemse vogelpopulatie te beschermen en wil invasieve roofdiersoorten indammen met pesticide. Niet alleen ratten en andere knaagdieren worden aangepakt, ook katten zijn het doelwit. Omdat katten erg geliefd zijn, is verdelging een taboeonderwerp geworden, zeggen milieubeschermers.
Katten zijn verantwoordelijk voor de dood van 1,12 miljoen vogels per jaar
Volgens de nieuwssite Wellington Stuff zijn er 1,2 miljoen huiskatten in Nieuw-Zeeland en lopen er nog eens miljoenen wilde katten rond, waarvan de meeste niet gesteriliseerd zijn. Deze enorme aantallen zijn rampzalig voor de vogelpopulaties, waaronder de kiwi, het symbool van Nieuw-Zeeland.
Het Britse dagblad The Guardian publiceerde de schattingen van de Nieuw-Zeelandse milieuorganisatie Forest and Bird: katten zijn verantwoordelijk voor de dood van 1,12 miljoen vogels per jaar. De Nieuw-Zeelandse publieke omroepRNZ meldt dat sommige dierenbeschermingsorganisaties aarzelen om een standpunt in te nemen, omdat ze de kattenliefhebbers niet voor het hoofd willen stoten. Zij zijn echter van mening dat de kat ‘een van de ernstigste ecologische bedreigingen vormt van Nieuw-Zeeland’.
Stuff meldt dat de SPCA, een stichting voor het welzijn van dieren, nu campagne voert voor nationale sterilisatie van wilde katten.
Een groep internationale wetenschappers hebben een dinosaurusembryo van tenminste 66 miljoen jaar oud ontdekt in het fossiel van een ei. Bij het zeldzame embryo van de oviraptor, gevonden in de buurt van de Chinese stad Ganzhou, bleek het hoofd onder het lichaam te liggen met de voeten aan weerszijden en de rug gekruld langs het stompe uiteinde van het ei. Deze houding is nog nooit eerder bij dinosauriërs waargenomen, maar is wel bekend bij vogels: wanneer kuikens zich opmaken om uit het ei te kruipen, stabiliseren zij hun kop onder een vleugel terwijl zij met hun snavel hun schild doorboren, aldus South China Morning Post.
‘Dit is verder bewijs dat de vogels van vandaag afstammen van dinosaurussen’
‘Dit is verder bewijs dat de vogels van vandaag afstammen van de Theropoda [een groep tweevoetige dinosaurussen]’, vertelde Fion Ma Wai-sum, een van de onderzoekers van het team dat het fossiel bestudeerde en dinsdag een artikel hierover publiceerde in het tijdschrift iScience, aan South China Morning Post. Het exemplaar, dat door de paleontologen ‘Baby Yingliang’ werd genoemd, was een van de vele eifossielen die meer dan twee decennia geleden werden ontdekt en jarenlang niet zijn aangeraakt. Onderzoekers vermoedden dat ze dinosaurussen konden bevatten en schraapten een deel van de schaal weg om het fossiel bloot te leggen.
De activistische theekransjes van Emily Williamson stonden eind negentiende eeuw aan de wieg van het verzet tegen de handel in vogelveren, destijds een populaire modeaccessoire – en met succes. De tweede in onze reeks inspirerende persoonlijkheden.
In 1889 verzond Emily Williamson (1855-1936) een reeks uitnodigingen om thee te drinken in haar huis in Didsbury, destijds een bosrijke omgeving van Manchester. Maar terwijl ze haar gasten thee en cakejes serveerde, ontstak de deugdzame getrouwde vrouw – door haar tijdgenoten beschouwd als een zachtaardige en meelevende ziel – plotseling in een woedende tirade.
Het doel van de bijeenkomsten was namelijk om haar vooraanstaande gasten bewust te maken van het bloedbad waarvan vogels over de hele wereld slachtoffer zijn, enkel en alleen zodat de elegante gasten hun hoeden konden versieren met lange struisvogel- of zilverreigerveren, of die van paradijsvogels of kleine, glinsterende gekleurde kolibries – individueel met draad vastgebonden zodat ze mee zwiepten op de voetstappen van hun baasje.
200 miljoen vogels per jaar
Aan het einde van de negentiende eeuw was Londen het epicentrum van de internationale handel in veren. De haven stond vol met enorme ladingen huiden, hoofden en vleugels van vogels en een grote verscheidenheid aan veren. De handel trok internationale klanten aan en genereerde bijna 20 miljoen pond per jaar (tegenwoordig zou dat zo’n 2,9 miljard euro zijn). Wereldwijd werden jaarlijks maar liefst 200 miljoen vogels geofferd.
Ook Britse vogels ontkwamen hier niet aan, vooral zeezwaluwen en rissa’s waren geliefd, die de kliffen aan de kust bewoonden. De fuut, een elegante watervogel, siert zichzelf tijdens het broedseizoen met een franje van hazelnootkleurige en zwarte veren. Deze halsbanden waren welbekend bij hoedenmakers en vormden een zeer modieus accessoire. Al snel waren er nog maar 42 futenpaartjes in de reproductieve leeftijd [nog altijd is de fuut een beschermde diersoort].
In 1889 richtte Emily Williamson de Society for the Protection of Birds [SPB] op. Een brief die in 1890 in het tijdschrift Punch werd gepubliceerd, laat zien dat er draagvlak was voor haar ideeën: de columnisten zijn van mening dat het opgeven van vogelveren niet ‘zo’n ernstige ontbering’ voor vrouwen betekent. Maar daar is niet iedereen het mee eens.
Een vrouw in een mannelijk universum
Williamson mocht niet lid worden van de British Ornithologists’ Union (BOU), een club die uitsluitend uit mannen bestond die van mening waren dat een vrouw geen echte vogelaar kon zijn. Dit weerhield haar er niet van massaal te rekruteren: zes maanden na haar oprichting telde de SPB vijfduizend leden en in 1893 al twee keer zoveel. De vereniging publiceerde jaarlijks meer dan vijftienduizend brieven en vijftigduizend brochures.
Een portret van Emily Williamson
In het najaar van 1892 boekte de SPB enkele winsten: hoeden versierd met veren en vogels werden nog steeds verkocht, maar waren niet langer in hoedenwinkels te vinden. Maar er was een belangrijker probleem dat de SPB moest aanpakken. De meeste vogelaars in het land waren mannen, en de verenhandel, de mode-industrie en krantenindustrie werden nog altijd door mannen gerund. Maar de SPB had ondanks de groei nog altijd weinig mannen in zijn gelederen. De oplossing: invloedrijke mannen werden gevraagd om zich als ‘geassocieerd lid’ bij de SPB aan te sluiten – wat velen van hen deden.
In 1899 telde de vereniging twintigduizend leden. In dat jaar bevestigde koningin Victoria – een fel tegenstander van dierenmishandeling – het verbod op het dragen van zilverreigerveren in haar leger. Ze werden evengoed vervangen door gekweekte struisvogelveren.
Ondanks de rol die ze speelde, is Emily Williamson grotendeels vergeten
In 1906, twee jaar nadat de SPB veranderde in de Royal Society for Protection of Birds [RSPB, die nog steeds bestaat], schreef koningin Alexandra, de echtgenote van koning Edward VII, de vereniging dat ze het dragen van veren als accessoire afkeurde. Koningin Alexandra was een mode-icoon en enorm populair, en haar steun voor de zaak hielp de RSPB om haar invloed in het parlement uit te breiden.
Nog steeds was er echter nog enige weerstand tegen de ontwikkelingen. Telkens wanneer vogelbeschermers een argument aanvoerden voor een verbod op de handel in veren, verzetten de hoedenmakersgilde en bondgenoten zich daartegen met het argument dat een dergelijke stap negatieve gevolgen zou hebben – en dat de vogels op de een of andere manier toch zouden sterven.
Parlement verbiedt invoer van vogelveren
De vereniging behaalde haar eerste echte politieke overwinning in 1920, toen kolonel Sir Charles Yate een wetsvoorstel in het Lagerhuis voorstelde. De tekst werd ingetrokken, maar in juli 1921 werd door het parlement een wet aangenomen die de invoer van vogelveren verbood. Het jaar erop trad deze in werking, drieëndertig jaar na de start van de campagne die door Williamson was gelanceerd.
Een handvol soorten is echter vrijgesteld, zoals gekweekte struisvogels en eidereenden, waarvan het dons wordt gebruikt om quilts te maken. Maar dat ging slechts om een fractie van de verschillende soorten veren waar hoedenmakers gebruik van maakten. De wet verbood de invoer in het Verenigd Koninkrijk van veren, huiden en andere delen van vogels. En omdat Londen het centrum van deze internationale business was, bracht deze beslissing die handel een fatale slag toe.
Ondanks de rol die ze speelde, is Emily Williamson grotendeels vergeten. Tot onlangs, na veel verzoeken, de RSPB zich verdiepte in zijn oprichters. Williamsons vastberadenheid en activistische theekransjes maakten een einde aan een wereldwijde handel waarin miljoenen ponden omgingen en maakten vogelbescherming tot de nationale politieke prioriteit die het altijd is gebleven.
De legende wil dat als alle raven de Tower of London verlaten, het Britse Rijk ten onder zal gaan. Er zijn er nog zeven. En als het aan ‘Yeoman Warder’ Christopher James Skaife ligt, worden het er weer acht. Hij mist Merlina.
Niets in Edgar Allan Poe’s majestueuze gedicht ‘De raaf’ bereidt je voor op die penetrante geur. Maar Ravenmeester Christopher James Skaife van de Tower of London kent die maar al te goed. ‘Raven kunnen behoorlijk stinken, vooral de jongen. Ik heb maar een klein huisje, verstopt in de muren van de Tower of London, en de raven lopen daar graag omheen en poepen overal. Dat was het eerste waar mijn vrouw over klaagde.’
Skaife (55) heeft een baan die vaak is omschreven als de ‘merkwaardigste van heel Groot-Brittannië’: hij is verantwoordelijk voor de raven die de Tower als hun huis beschouwen. De legende wil dat als alle raven de Tower verlaten, het Britse Rijk ten onder zal gaan. Deze statige bewakers, die Skaife als zijn ondeugende kinderen beschouwt, wonen op het zuidgazon en zwerven over het hele terrein. En Skaife, de zesde Ravenmeester in de geschiedenis van de Tower, zorgt voor ze.
Volgens de legende moeten er altijd minstens zes raven zijn. Vorige maand waren het er acht. Nu nog maar zeven.
De sociale media waren in rouw gedompeld, toen vorige maand bleek dat Skaifes beste vriendin en socialemediaster Merlina vermist was. Een woordvoerder van de Historic Royal Palaces (HRP), de liefdadigheidsinstelling die de Tower en andere koninklijke locaties zoals Hampton Court en Kensington beheert, verklaarde: ‘Onze zeer geliefde raaf Merlina is al enkele weken niet bij de Tower gezien, en vanwege haar langdurige afwezigheid moeten we helaas aannemen dat ze is overleden.’
Skaife: ‘Ik hou natuurlijk van alle raven, maar zij was net even anders.’
De raven van de Tower zijn geen gevangenen: ze zijn niet gekortwiekt, hun vleugels zijn alleen enigszins bijgeknipt. In het verleden zijn er een paar verdwenen en nooit meer teruggekomen, maar Merlina was anders. Zij en Skaife waren maatjes, ze hadden een sterke band. Filmpjes waarop de twee aan het spelen zijn, werden kortgeleden een rage op TikTok. Maar toen Merlina een paar weken vermist was, besloot de Tower met een verklaring te komen.
Ten tijde van haar verdwijning was Merlina volledig ‘vliegwaardig’: haar veren waren al verscheidene jaren niet geknipt en ze kon gaan en staan waar ze wilde. ‘Ik hoopte dat ze altijd in de buurt van de Tower zou blijven, omdat ze dat wilde, omdat ze mijn maatje was,’ zegt Skaife. ‘En ik denk dat ik mijn werk goed heb gedaan, omdat ze zo lang is gebleven. Ik heb geen flauw idee waarom ze nu opeens is verdwenen, het is heel vreemd. Ik heb geen enkel spoor van haar gevonden.’
Intieme band
Nu wordt de wereld van de ravenhouders in de kranten als geheimzinnig omschreven, maar in feite gaat het alleen maar om een man die zijn ziel en zaligheid wijdt aan zijn vogels. ‘We hebben in de loop van de jaren een ongelooflijk intieme band gekweekt,’ zegt Skaife tegen The Independent. ‘Ik voelde haar stemmingen aan en ik denk dat zij de mijne soms ook aanvoelde. Ik hou natuurlijk van alle raven, maar zij was net even anders.’
Toen Merlina in 2007 in de Tower kwam wonen, vlak voordat Skaife daar kwam werken, werd ze Merlin genoemd. Ze was als jong langs de kant van de weg aangetroffen in Wales en opgenomen in de volière van een gezin. ‘Toen ik werd aangesteld als Ravenmeester hebben we haar naam veranderd in Merlina, omdat we erachter kwamen dat ze een vrouwtje was,’ zegt Skaife. ‘Vreemd genoeg hebben raven in de loop van de geschiedenis voornamelijk mannennamen gekregen, en dat probeer ik een beetje recht te trekken.’
Omdat ze als jong door mensenhanden was grootgebracht, beschouwde ze mensen als familie. Maar zoals veel intelligente vogelsoorten had ze moeite met een leven in gevangenschap. Ze werd overgeplaatst naar een zwanenopvangcentrum in Barry [in Zuid-Wales], waar ze, zo schrijft Skaife in zijn in 2018 verschenen autobiografie The Ravenmaster, berucht werd om haar woedeaanvallen. In wanhoop benaderde het centrum de Tower, en Merlin (zoals ze toen dus nog heette) trad in koninklijke dienst.
Raven behoren tot de intelligentste dieren ter wereld, ze kunnen zich meten met apen
Je zou verwachten dat een Ravenmeester een ornithologische achtergrond heeft, maar dat was bij Skaife niet het geval. Voordat hij als Yeoman Warder of Beefeater [ceremonieel bewaker] in dienst kwam bij de Tower of London, had hij nog nooit een raaf gezien.
Skaife had het grootste deel van zijn tienerjaren in Dover doorgebracht, waar hij voornamelijk spijbelde in de bossen met zijn vrienden. Door puur toeval was hij op school toen daar een legervoorlichter kwam spreken. Begeesterd door de verhalen over goeieriken en slechteriken ging de zestienjarige Skaife van school om soldaat te worden. Artillerist en tamboer, om precies te zijn.
Iedere militair kan Yeoman Warder worden, maar dan moet hij wel minimaal 22 jaar in dienst zijn, over een onbevlekt blazoen beschikken en wellicht over een voorliefde voor macabere zaken. In theorie bewaken de Yeoman Warders de kroonjuwelen en eventuele gevangenen in de Tower of London. In de praktijk fungeren ze tegenwoordig als gidsen voor het bezoekende publiek, als verhalenvertellers aan de kinderen en als bewaarders van de legenden.
Komische vogels
Toen Skaife op zijn veertigste in de Tower kwam werken, raakte hij gefascineerd door de enorme maar ook komische vogels. Charles Dickens, die bekendstond als houder en liefhebber van raven, beschreef hun tred als die van een heer met te strakke laarzen aan, die over losse kiezels probeert te lopen. Skaife zegt: ‘Pas als je naast een raaf staat, besef je hoe groot en sterk ze zijn. Maar toen ik die raven gemoedelijk rond de Tower zag hopsen, was ik vooral geboeid door hun bewegingen en de manier waarop ze het publiek gadeslaan.’
Raven behoren tot de intelligentste dieren ter wereld. Ze kunnen zich meten met apen: ze gebruiken gereedschap, denken vooruit en zijn in staat om wrok te koesteren. Maar Skaife wist praktisch niets van raven en kende alleen de grondregels voor hun verzorging. Derrick Coyle, zijn voorganger, had het gevoel dat de vogels weleens op Skaife gesteld zouden kunnen raken. Op een dag duwde Coyle hem in een ravenkooi en zei dat hij de vogels niet in de ogen moest kijken.
De raven – en Coyle – besloten dat Skaife geschikt was. Coyle nam hem onder zijn hoede als assistent. Toen Coyle in 2011 met pensioen ging, nam Rocky Stones het over, maar toen die kort daarna ziek werd, was het Skaifes beurt, bijna bij gebrek aan beter. ‘Pas toen ik het werk al maanden deed, besefte ik dat er heel wat meer bij de verzorging van raven komt kijken dan je op het eerste gezicht zou zeggen.’
Om Ravenmeester te worden moet je de regels van de vogels leren, hun pikorde. Een beetje zoals in het leger. De raven dulden niet dat er van hun routine wordt afgeweken, en ze bewaken hun territorium agressief. Een dag begint doorgaans om half zes, wanneer Skaife zich in het donker aankleedt bij het geluid van het vroegeochtendverkeer en de vogels naar buiten laat voor hun ontbijt.
‘Raven zijn wilde vogels. Net als mensen hebben ze behoefte aan vrijheid. Maar ze hebben ook behoefte aan bescherming’
Toen hij net begon zaten de vogels nog in de tamelijk krappe nachthokken uit de jaren tachtig. Maar Skaife zegt in zijn boek dat dat hem een onprettig gevoel gaf. ‘Raven zijn wilde vogels. ‘Net als mensen hebben ze behoefte aan vrijheid. Maar ze hebben ook behoefte aan bescherming.’
Hij ging met de HRP in gesprek over de bouw van een omheinde plek die de vogels overdag vrijheid zou bieden en ’s nachts bescherming. Na twee jaar onderzoek en na overleg met de Londense dierentuin kwam er een ontwerp, al viel het nog niet mee om daarvoor een vergunning te krijgen. En natuurlijk moest het onderkomen bestand zijn tegen vossen, de ‘roodharige ellendelingen’ waarmee Skaife in een voortdurende strijd is verwikkeld.
De vogels werden gevreesd, gehaat als overbrengers van de pest, en als voorbodes van de dood beschouwd
De rest van de dag is Skaife bezig zijn levende haven in toom te houden. Hij heeft assistentie van een team collega-Beefeaters, het Raventeam. Ze beëindigen ruzies, voeren de vogels, delen medicatie uit en helpen wetenschappers die het gedrag van de vogels komen bestuderen. De raven eten kip, lam, rat en, als traktatie, in bloed gedrenkte hondenbrokjes. Anderhalve ton voedsel per jaar. Skaife brengt heel wat tijd door op de Smithfield-markt, om voedsel los te praten bij de handelaars.
Net als andere Yeomen geeft hij rondleidingen door de Tower en staat hij journalisten, historici en kinderen te woord. Skaife is zowel rondleider als verhalenverteller. Hij is ook een icoon: volgens zijn eigen berekening wordt hij zo’n drie- à vierhonderd keer per dag gefotografeerd. En hij heeft meerdere raventatoeages, waaronder een van een raaf met een bolhoed die een pijp rookt.
Daarnaast doet Skaife onderzoek naar raven en schrijft daar uitgebreid over, vooral kinderverhalen. Maar hij was nooit van plan geweest The Ravenmaster te schrijven. ‘Ik kreeg het verzoek van een Amerikaanse uitgever die zo aardig was een hele dag naar mijn gewauwel te luisteren.’
Balanceeract
Skaife gunt de raven meer vrijheid dan enige Ravenmeester voor hem. Het is een eindeloze balanceeract, zegt hij, om ze vrij te laten ronddolen en ze tegelijkertijd aan te moedigen om te blijven. Hij knipt de veren zo min mogelijk bij. Met name Merlina had een vrijbrief. Ze was de enige raaf die weigerde de omheining binnen te gaan; ze bracht de nacht liever door op een dak. ’s Ochtends speurde Skaife altijd eerst de lucht af, op zoek naar haar silhouet.
Maar de rest van de vogels laat zich ’s avonds een voor een, in de juiste volgorde, naar hun omheinde ruimte sturen. Een volgorde waarin je je beter niet kunt vergissen. In 2010 nam raaf Munin een verstoring van de vaste routine te baat om te ontsnappen. En net als kinderen gaan de dieren vaak met tegenzin naar bed. ‘Als ik soms naar die jonge verzorgers kijk, vraag ik me af of ze het geduld hebben om vijf uur lang in de stromende regen te staan om een raaf van een dak te lokken.’ Skaife moest een keer de White Tower op klimmen om een ongehoorzame vogel te vangen en hij komt regelmatig te laat thuis voor het avondeten.
Stel je de Ravenmeester voor die, in zijn statige blauwe uniform met koninklijke insignes, met een visnet achter een vogel van drie kilo aan zit. Skaife zegt dat hij dat net in zestien jaar maar één keer heeft hoeven gebruiken, toen de poot van een raaf vastzat.
Wat vind Skaifes echtgenote van Merlina, die andere vrouw? ‘Nou, in haar jonge jaren heeft ze The Birds van Alfred Hitchcock gezien, en die is ze nooit vergeten. Dus mijn vrouw en de vogels kunnen niet zo goed met elkaar opschieten,’ lacht hij. ‘Ze vindt het mooi wat ik doe en steunt me voor honderd procent, maar van de vogels moet ze niet zo veel hebben.’
Hij herinnert zich dat zijn vrouw, toen hij de jongen grootbracht, haar teennagels rood had gelakt. ‘Poppy was gefascineerd door die rode nagels. En als er nu bezoekers binnenkomen, denkt Poppy nog steeds dat die rode teennagels hebben; ze heeft al heel wat keren in schoenen en voeten van mensen gepikt. Dus pas op als je in de buurt van de ravenomheiningen komt, want enig voetenfetisjisme is Poppy nog altijd niet vreemd.’
Legende
De raven zijn het symbool van de Tower, de grote toeristentrekpleister, de gevederde kroonjuwelen. Maar de menselijke fascinatie voor deze vogels dateert al van ver voor het beroemde Londense vestingwerk. Raven zijn de meest wijdverbreide leden van de familie der kraaiachtigen, waartoe ook gewone kraaien, eksterachtigen en roeken behoren; ze kunnen op ieder continent worden aangetroffen, behalve op Antarctica. Ook figureren ze overal ter wereld als spirituele figuren in inheemse verhalen, van Siberië en Bhutan tot Noord-Amerika. In de noordse mythologie is een hoofdrol weggelegd voor een ravenpaar genaamd Huginn (‘gedachte’) en Muninn (‘herinnering’), die de wereld over vliegen en de goden nieuws brengen. Ze worden nog altijd aanbeden door de IJslanders. Volgens de Bijbel was een raaf het eerste dier dat Noach losliet op zijn ark.
Ze komen ook veel voor in Keltische verhalen. Volgens de Welshe legende werd het hoofd van Bran de Gezegende in de buurt van de Towerheuvel begraven. (‘Bran’ betekent raaf.) De vogel figureert nog altijd op het wapenschild van het eiland Man. Het zou koning Karel II zijn geweest die in de zeventiende eeuw beval de zwarte lijfwachten bij de Tower te stationeren. Tot de achttiende en negentiende eeuw, toen ze in groten getale werden afgemaakt, kwamen raven veelvuldig voor in het Verenigd Koninkrijk.
De vogels werden gevreesd, gehaat als overbrengers van de pest en andere ziekten, en als voorbodes van de dood beschouwd. Zoals Poe schreef: ‘Wat die zwarte, nare vogel uit het donkre schimmenheer?’ (Ironisch genoeg viel Poe’s gedicht, dat was geïnspireerd door Charles Dickens en diens huisraaf Grip, samen met een grote gotische opleving die tot gevolg had dat de vogels weer in zwang raakten.) Maar aan het eind van de negentiende eeuw waren de wilde exemplaren praktisch uitgeroeid.
Hun onderkomen droeg ook al niet bij aan hun reputatie. De Tower was al synoniem met dood, marteling en straf. Er werden daar maar liefst drie koninginnen van Engeland vermoord: Anne Boleyn, Katherine Howard en Lady Jane Grey. Het donkergrijze steen oogt onheilspellend in het schemerlicht, en bloed bevlekt rijkelijk het gras.
Zoals Skaife zegt: ‘Mensen zijn behoorlijk morbide aangelegd, dus zijn we altijd op zoek naar het kwaad. We zijn echt gefascineerd door macabere dingen.’ Om die reden gelooft hij dat heel wat marteldetails uit de koker van vroegere Yeoman-bewaarders komen; er is immers maar een handjevol mensen in de Tower terechtgesteld, en maar heel weinigen werden werkelijk gemarteld op koninklijk bevel.
De legende van de raven van de Tower, en het verhaal dat hun verdwijning een voorbode zou zijn van het eind van het Britse Rijk, deed pas opgeld aan het eind van de negentiende eeuw. Skaife vermoedt dat het een verhaal van behoorlijk recente datum is, verzonnen door Yeoman-bewaarders ‘om hun zakgeld wat op te krikken’.
Tijdens de Blitzkrieg dienden de vogels hun land als vliegtuigspotters. Helaas waren er na afloop van de bombardementen nog maar twee raven over. In 1969 werd de eerste officiële Ravenmeester aangesteld, maar pas in 1981 werden de vogels in het Verenigd Koninkrijk tot beschermde diersoort verklaard. En toch worden kraaiachtigen, en dan vooral kraaien, ondanks hun grote intelligentie nog altijd bij honderden afgeschoten.
Katten
Volgens Nicola Clayton, hoogleraar dierlijke cognitie in Cambridge en een vermaard deskundige op het gebied van kraaiachtigen, lijdt de soort onder een slecht imago. ‘Er wordt beweerd dat kraaiachtigen de nesten van andere vogels uitmoorden en allerlei andere schade aanrichten, maar dat is niet waar. Of dat ze verantwoordelijk zijn voor de vermindering van het aantal zangvogels, en ook dat is niet waar. De schuldigen zijn katten die naar buiten worden gelaten, en homo sapiens.’
Interessant genoeg voegt ze eraan toe dat hoe zwarter de kraaiachtigen zijn, des te slechter hun reputatie is. Mensen hebben een grotere hekel aan kraaien en eksterachtigen dan aan bijvoorbeeld Vlaamse gaaien, misschien ‘omdat we van mooie kleuren houden’. Het zou ook bijgeloof kunnen zijn, zoals in het geval van zwarte katten.
Tegenwoordig zijn raven nog steeds uiterst zeldzaam. De Tower of London is waarschijnlijk de enige plek waar je ze nog kunt zien. Clayton kent de raven van de Tower en ook Skaife goed: ‘Ik had de indruk dat Merlina dol op hem was, en hij op haar, en hij zal er vast kapot van zijn.’
Tijdens de Blitzkrieg dienden de vogels hun land als vliegtuigspotters
Net als in victoriaanse tijden maakt de raaf een soort comeback. Toen George R.R. Martin begon met het schrijven van zijn serie A Song of Ice and Fire, bracht hij regelmatig een bezoek aan de Tower, en aan Skaife. Martin nam de raven in zijn wereld op als boodschappers, met een almachtige, allesziende wijze genaamd de Drieogige Kraai die de jonge Bran Stark uiteindelijk moest worden. In de tv-bewerking werd hier een drieogige raaf van gemaakt.
‘George Martin heeft de raven echt een dienst bewezen,’ zegt Skaife. ‘Als anderen over ze schrijven, is het met allerlei duistere connotaties, zoals dood en verderf, terwijl George iets anders deed. Hij zei tegen me dat hij de raven in een positiever daglicht wilde stellen. Ik ben nu een groot fan van Game of Thrones.’
Raven in Game of Thrones.
Het is die combinatie van gotisch en komisch die raven zo boeiend maakt: ze zijn paradoxaal. Skaife zegt dat al zijn raven iets ondeugends hebben. ‘Het is alsof je een speelgoedwinkel binnenkomt met een stuk of zes kinderen van wie je hoopt dat ze netjes bij je blijven, maar die door de looppaden rennen en al het speelgoed aanraken. Ze kunnen lastig zijn, maar ook heel aanhalig.’
Wat misschien verklaart waarom ze zo populair zijn geworden op sociale media. Daar gaat momenteel zelfs alle vrije tijd van de Ravenmeester aan op. Hij begon pas een maand geleden filmpjes te posten op TikTok, maar heeft nu al een enorm publiek. ‘Ik probeer zo veel mogelijk fratsen vast te leggen die de raven uithalen, zoals van hun stok vallen en tegen dingen aan botsen; ze doen alles wat mensen ook doen en het is zo grappig om naar ze te kijken. Ik heb een paar filmpjes gepost waarin ik Merlina aai en ook een paar andere raven. Je kunt zien dat ze vraagt om een aai en dat ze me haar genegenheid wil tonen. Ze kunnen echt contact met je maken. Net als wij hebben ze gevoelens, die ze misschien niet altijd geweldig goed kunnen uiten, maar ze bezitten wel de emotionele kracht om dat te doen, en dat is ongelooflijk.’
Kroepoek
Merlina is de ster, met ook op Instagram en Twitter een grote schare trouwe volgers. ‘Ze krijgt kaarten van over de hele wereld, is op televisie geweest, speelt met stokken, rolt over de grond,’ zegt Skaife. ‘Ze is vooral dol op kroepoek. Ze is erg fotogeniek, en ik denk dat ze een gevoelige snaar raakt bij mensen.’
Volgens Skaife trekken raven van nature mensen aan die met de donkerder kant van het leven worden geassocieerd. En ook de toename van hun populariteit heeft een donkerder kant.
Lloyd Buck, vogelkenner en presentator van natuurprogramma’s, zegt dat door het succes van Games of Thrones veel mensen met het idee speelden om een raaf als huisdier te nemen. ‘Maar daarvoor zijn ze waarschijnlijk de minst geschikte vogels die je maar kunt bedenken. Heel intelligent, ja, maar ook onvoorspelbaar, vernielzuchtig en verbazingwekkend humeurig.’
Buck (53) kan het weten. Hij werkt al bijna dertig jaar met vogels en heeft ze al sinds zijn zesde als huisdier. Hij en zijn vrouw Rose helpen dieren trainen voor natuurfilms en -series, onder meer van David Attenborough. Buck heeft zijn eigen raaf, die ook Bran heet. Zijn Bran is de zoon van een ravenpaar uit de Tower.
Het is die combinatie van gotisch en komisch die raven zo boeiend maakt: ze zijn paradoxaal
‘Alle kraaiachtigen,’ zegt Buck, ‘hebben net iets extra’s, iets wat ze een beetje anders maakt. Ik houd al mijn hele leven vogels, en ik heb nooit andere vogels gehad die op ze lijken. Als ze je aankijken, proberen ze je echt te doorgronden.’
Net als Merlina is Bran door mensenhanden grootgebracht – Buck kreeg hem als jong van amper twintig dagen – en hij ziet Buck als een vaderfiguur. Volgens Buck is Bran een lieverd: dol op zwarte bessen plukken en uiterst gevoelig voor Bucks stemmingen. Voor zover hij weet, is Bran de eerste en enige raaf die ooit een camera heeft gedragen, aan een tuigje. Hij is waarschijnlijk ook de eerste raaf die het heeft overleefd nadat hij per ongeluk in zijn borst was geschoten.
Buck zegt dat hij menigmaal is benaderd door mensen met ravenjongen. Hij raadt altijd af de vogel als huisdier te houden. Zelf denkt hij overigens dat Merlina nog wel ergens rondzwerft. ‘Soms willen ze gewoon eens wat anders. Volgens mij is er een goede kans dat ze nog leeft.’
Rage
Mike Keen, een ander lid van de broederschap van ravenhouders, deelt Bucks zorgen over het feit dat de vogels zo’n rage zijn geworden. Omdat ze zo intelligent zijn, zegt hij, is het gemeen om ze in een volière op te sluiten. Ze raken gemakkelijk verveeld, en ze kunnen in gevangenschap wel veertig worden. ‘Het zijn geen hamsters.’ Maar toen de 51-jarige kroegbaas uit Suffolk een ravenjong kreeg aangeboden door een vriend, aarzelde hij geen moment. ‘Ze was drie weken oud toen ik haar kreeg, en toen ik haar een week of vijf had, begon ik foto’s en filmpjes te posten op Instagram. Toen kreeg ik te maken met de schimmige wereld van de ravenhouderij.’
Ook Keen maakte kennis met de Ravenmeester, via Instagram. Skaife bracht een bezoek aan Keens café en stond er versteld van hoe tam de vogel was: ze vloog vrij rond maar kwam altijd terug. ‘Hij wilde de raven van de Tower net zo aanhankelijk maken, zodat ze niet zouden wegvliegen. Dus zijn we daar samen mee aan de slag gegaan.’
Dat raven zich graag met mensen inlaten heeft maar één reden: eten
In 2018 lanceerde de Tower een ravenfokprogramma, omdat het steeds moeilijker werd aan jongen te komen. (Er zijn betrekkelijk weinig legale fokkers.) Het jaar daarop bracht Skaifes broedpaar vier jongen voort, de eerste in de Tower sinds dertig jaar. Keen nam er drie, Skaife hield George die later een meisje bleek te zijn, Georgina. En Keen verzorgde de drie ravenjongen van de Tower in een kooi in zijn slaapkamer.
Wat Keen betreft is er geen betere ravenverzorger dan Skaife. ‘Hij is ongelooflijk. Maar het is altijd link om te proberen ze in de Tower te houden zonder dat ze kunnen wegvliegen. Ze zinnen altijd op een kans om ervandoor te gaan. Dat hoort er gewoon bij als je raven houdt.’
‘Maar,’ zegt hij, ‘de sociale media laten alleen de positieve kanten zien. Er is me door heel wat mensen gevraagd waar ze een ravenjong kunnen scoren, en ik heb het bijna iedereen afgeraden. Gelukkig is het behoorlijk moeilijk om er een op te kop te tikken, en het zijn beschermde vogels in Engeland. Hopelijk blijft dat zo. De ravenhouders vormen een heel klein wereldje, en dat kan maar beter zo blijven.’
Speelse kinderen
Het tijdstip van Merlina’s verdwijning, midden in de pandemie, in een land dat nog natrilt van de brexit, heeft het publiek de stuipen op het lijf gejaagd. ‘Wij zijn een bijgelovig volkje,’ zegt Skaife. Maar hij voegt eraan toe; ‘We hebben nog altijd zeven raven. Pas als die allemaal weg zijn zou ik zonder werk zitten.’
Hij beschrijft de vogels als ‘een groep speelse kinderen’, elk met een ander karakter en met een andere kleur ring om zijn poot, om ze uit elkaar te houden. Al heeft Skaife die ringen niet nodig. ‘Erin is mijn oudste, zij is moeder de gans, ze heeft de wind eronder. Rocky heeft een machonaam maar is helemaal geen macho. Harris en Gripp zijn mijn pubers. Kleine Poppy is prachtig en ze doet het heel goed, maar ze is vreselijk ondeugend. Georgie gaat goed vooruit en leert een heleboel van Poppy. Jubilee is wat majestueuzer.’
Vorige zomer meldden veel kranten dat de raven verveeld raakten door het gebrek aan toeristen, en dat ze daarom verder weg vlogen
Dus de toekomst van het Britse Rijk is voorlopig veiliggesteld. Maar hoe zit het met de Tower, en de raven die er wonen? Als liefdadigheidsinstelling is de HRP afhankelijk van bezoekers. Met de inkomsten kunnen de gebouwen worden onderhouden en de vogels worden gevoerd. De verzorging van de raven kost nog geen tienduizend pond per jaar en ze zijn hun geld meer dan waard als toeristische trekpleister, en natuurlijk ook door het auteursrecht van Skaifes boek. Maar de pandemie is funest voor de inkomsten van de liefdadigheidsinstelling. Volgens een woordvoerder kelderen die dit jaar met honderd miljoen pond, een afname van ruim 85 procent.
Vorige zomer meldden veel kranten dat de raven verveeld raakten door het gebrek aan toeristen, en dat ze daarom verder weg vlogen. Maar Skaife haast zich dat te corrigeren. ‘Wat er toen in de kranten stond was feitelijk onjuist. Natuurlijk waren de dieren door de lockdown lange tijd op zichzelf aangewezen, maar raven zijn heus niet de beste vrienden van mensen. Dat ze zich graag met mensen inlaten heeft maar één reden: eten. Ze raakten helemaal niet verveeld.’
Dichtten de media de vogels te veel menselijk eigenschappen toe en projecteerden ze hun eigen frustratie op de raven? Skaife denkt dat er eerder sprake is van een misvatting. De vogels gingen gewoon eens ergens anders hun benen strekken.
En bovendien waren de raven helemaal niet alleen. Wat mensen altijd verbaast, zegt Skaife, is dat er zo’n honderdvijftig mensen binnen de muren van de Tower wonen. ‘We hebben hier onze eigen kroeg, we hebben een kapelaan, een politieman, een eigen arts.’
Toeristen die over de kantelen lopen, zijn vaak verbaasd als ze beneden auto’s zien staan, was die te drogen hangt en spelende kinderen. ‘Het is een kleine gemeenschap in het hart van Londen. En de raven zijn daar onderdeel van.’
Net als wij allemaal zijn Skaife en zijn Tower-team in lockdown – Skaife beklaagt zich over de slechte wifi tussen de oeroude muren – maar ze hopen voor Pasen weer open te kunnen. Er zijn voorlopig nog geen plannen om Merlina te vervangen (al is ze volgens Skaife onvervangbaar). ‘Merlina was de onbetwiste aanvoerder van het stel, de ravenkoningin van de Tower,’ zegt een woordvoerder. ‘Ze zal node worden gemist door de andere raven, de Ravenmeester en alle anderen binnen de Tower-gemeenschap.’ Maar haar naam zal voorlopig niet in een grafsteen worden gebeiteld, voor het geval ze toch nog terugkomt.
Raaf onder de raven
Nathan Emery, gespecialiseerd in cognitief vogelgedrag, heeft de raven van de Tower de afgelopen vier jaar bestudeerd. De experimenten leveren geen geld op, maar ze zijn van onschatbaar belang voor de studie van de dierlijke intelligentie. Naast de intelligentie van kraaiachtigen krijgt ook het voortbestaan van de soort steeds meer aandacht. Ravenpopulaties beginnen zich te herstellen, en de Britse vogelbescherming doet er alles aan om illegale jagers voor de rechter te brengen.
Maar volgens Emery heeft Skaife ‘meer voor de kraaiachtigen betekend, en voor raven in het bijzonder, dan honderd wetenschappelijke studies ooit zouden kunnen. Zijn aanstekelijke humor en zijn grote inzicht in hun aard, die hij heeft verkregen door raaf onder de raven te zijn, is zowel een bewijs van zijn fascinatie voor de soort als van zijn vermogen om zich om dieren te bekommeren die in veel opzichten van ons verschillen maar ook frappante gelijkenissen met ons vertonen. Dat zijn favoriete pupil, Merlina, vermist wordt, en misschien wel dood is, is hartverscheurend, maar we kunnen ook wensen dat ze heeft besloten de wereld te gaan verkennen, nu wij mensen een minder prominente rol in haar leven spelen.’
Skaifes vrouw en 31-jarige dochter wonen inmiddels niet meer bij hem in de Tower-bubbel. Ze zijn twee jaar geleden verhuisd naar Whitstable in Kent, waar Skaife op zijn vrije dagen heen reist. ‘Dus ik leef hier een beetje als een vrijgezel. Met alleen zeven raven.’
En over Merlina, die nooit meer zijn maatje zal zijn, zegt hij: ‘Ik hoop echt dat ze nog ergens is, waar ze waarschijnlijk vakantie viert of iets liefdadigs doet. Dat blijf ik hopen. Als eeuwige optimist. Ja, het verlies van een raaf is afschuwelijk voor mij, afschuwelijk voor de Tower, maar er gebeuren momenteel veel dingen in de wereld die het volstrekt onbetekenend maken. Belangrijker is dat ze mensen in de loop der jaren een heleboel liefde heeft gegeven. Ik wil dat ze daarom herinnerd wordt.’
Terwijl de ijskappen afbrokkelen en Twitterpresident Trump zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, vraagt de Amerikaanse bestsellerauteur Jonathan Franzen zich af wat zijn rol als schrijver kan zijn in tijden van crisis.
Keuze uit het archief
Recent verscheen het nieuwe boek van de toonaangevende Amerikaanse auteur Jonathan Franzen: Crossroads (Kruispunt, in vertaling van Peter Abelsen). In 2017 schreef Franzen voor The Guardian een doorwrocht essay over zijn eigen schrijverschap, de democratische crisis in de Amerikaanse samenleving, de destructieve rol van sociale media en de klimaatcrisis. Wat hij zich vooral afvroeg: wat kan een schrijver (ik) hieraan doen?
Als we kijken naar de oorsprong van het woord essay – afkomstig van het Oudfranse essai, proef – dan gaat het om iets onderzoekends, iets voorlopigs, een tekst waarin niet het laatste woord over een kwestie wordt gesproken; een tekst op grond van de persoonlijke, subjectieve ervaringen van de auteur – misschien leven we momenteel wel in de gouden eeuw van de essayistiek. Naar welk feestje je vrijdagavond bent geweest, hoe je bent behandeld door een stewardess, hoe jij tegen de politieke waan van de dag aankijkt: social media stoelen op de gedachte dat zelfs het allerkleinste verhaal het waard is om niet alleen te worden vastgelegd, bijvoorbeeld in een dagboek, maar ook om te worden gedeeld met anderen. De president van de Verenigde Staten handelt ook vanuit die gedachte.
Traditioneel nuchtere journalistiek, zoals te vinden in bijvoorbeeld The New York Times, biedt inmiddels ook volop ruimte aan het ik, met de daarbij horende stemmen en meningen en impressies, en ook literair recensenten voelen zich minder en minder genoodzaakt een zekere mate van objectiviteit te betrachten. Vroeger deed het weinig ter zake of Raskolnikov en Lily Bart sympathieke personages waren, maar de vraag of iemand sympathiek is – waarbij impliciet de gevoelens van de recensent gewicht krijgen – speelt tegenwoordig een cruciale rol binnen de literaire kritiek. Literaire fictie krijgt steeds meer weg van een essay.
In enkele van de meest invloedrijke romans van de afgelopen jaren, van Rachel Cusk en Karl Ove Knausgard, wordt het perspectief van de ik-verteller die op zichzelf reflecteert naar een hoger plan getild. De echte fans van dit genre zullen zeggen dat verbeelding en vernieuwing niet meer van deze tijd zijn; dat het een vorm is van appropriation, om niet te zeggen kolonisering, om je de subjectiviteit toe te eigenen van een personage dat anders is dan de auteur, dat de autobiografie de enige authentieke, en politiek verantwoorde manier van vertellen is.
Ondertussen is het persoonlijke essay – dat serieuze literaire genre waarin sprake is van oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed, in het leven geroepen door Montaigne en verder ontwikkeld door Emerson, Woolf en Baldwin – op zijn retour. Er zijn vrijwel geen grote Amerikaanse tijdschriften waarin nog echte, onversneden essays worden gepubliceerd. Het essay houdt voornamelijk stand in kleine publicaties die meestal minder lezers hebben dan Margaret Atwood volgers heeft op Twitter. Moeten we rouwig zijn om het uitsterven van het essay? Of moeten we blij zijn dat het essay de cultuur in bredere zin heeft veroverd?
Essayistiek
Een persoonlijk en subjectief microverhaal: de paar dingen die ik heb geleerd over het schrijven van essays zijn allemaal lessen geweest van mijn redacteur bij The New Yorker, Henry Finder. Ik klopte bij Henry aan in 1994, als aanstormend journalist in geldnood. Het was deels een kwestie van geluk dat ik een publicabel artikel kon leveren over de US Postal Service. Later schreef ik, door narratieve onkunde, een stuk over de Sierra Club dat niet voor publicatie geschikt was. Dat was het moment waarop Henry zei dat ik misschien wel enige aanleg had voor de essayistiek. Wat ik vooral in zijn woorden hoorde was: ‘omdat je duidelijk een journalist van niks bent’. Ik weerlegde zijn opmerking dat ik aanleg zou hebben voor essayistiek. Ik was opgegroeid in het Midwesten, waar je vooral niet te veel over je zelf moet ouwehoeren, en daarnaast had ik bepaalde vooroordelen, ingegeven door bepaalde misvattingen over romans. Ik was van mening dat je de dingen beter kon uitbeelden dan beschrijven. Maar goed, ik had geld nodig, dus ik bleef Henry aan zijn kop zeuren of ik recensies mocht schrijven. Een van die keren vroeg hij me of ik geïnteresseerd was in de tabaksindustrie – waar Richard Kluger net een omvangrijke studie over had geschreven. Ik reageerde meteen met: ‘Sigaretten zijn echt wel het laatste waaraan ik wil denken.’ Waarop Henry ogenblikkelijk reageerde met: ‘Daarom moet je er juist over schrijven.’
Dat was de eerste les van Henry, en meteen ook de belangrijkste. Nadat ik een jaar of tien had gerookt, was ik erin geslaagd om twee jaar te stoppen toen ik begin dertig was. Maar toen ik dat US Postal Service-stuk mocht schrijven, en met het zweet in mijn handen de telefoon moest pakken om mezelf te introduceren als een verslaggever van The New Yorker, was ik weer gaan roken. In de jaren die volgden, slaagde ik erin mezelf te zien als iemand die niet rookte, of in ieder geval iemand die zo vastbesloten was om weer te stoppen dat ik feitelijk geen roker was – maar ondertussen rookte ik wel. Mijn gemoedstoestand was een soort kwantumgolffunctie waarin ik tegelijkertijd een roker en een niet-roker kon zijn, zolang ik mezelf maar niet de maat nam. En het was zonneklaar dat ik gedwongen zou worden mezelf de maat te nemen zodra ik over sigaretten zou gaan schrijven. Want zo gaat dat met essays.
Nog los van dit alles was er mijn moeder, die haar vader had verloren aan longkanker, en die altijd fel tegen roken gekant was geweest. Ik had vijftien jaar lang voor haar verborgen weten te houden dat ik rookte. Een van de redenen dat ik mijn schimmige staat van roker/niet-roker in stand moest zien houden, was dat ik het vervelend vond om tegen haar te liegen. Zodra het met zou lukken om weer te stoppen, en dan voorgoed, zou de golffunctie ineenstorten en zou ik, honderd procent zeker, de niet-roker zijn die ik altijd had voorgewend te zijn – maar die vlieger ging natuurlijk niet meer op als ik eerst, zwart op wit, moest opbiechten dat ik rookte.
Henry was een wonderkind van ergens in de twintig toen Tina Brown hem had aangenomen, bij The New Yorker. Hij had een heel aparte manier van praten, een beetje afgeknepen, een soort overdreven gearticuleerd gemompel, als een tekst die nauwgezet is geredigeerd maar toch nauwelijks valt te lezen. Ik was onder de indruk van zijn intelligentie en zijn erudiete en na niet al te lange tijd leefde ik in een voortdurende angst hem teleur te stellen. Door de hartstochtelijke nadruk die Henry had gelegd in zijn opmerking ‘Daarom moet je er juist over schrijven’ – hij was de enige spreker van wie ik zoiets kon hebben, het beklemtoonde eerste woord ‘daarom’ gevolgd door het gebiedende ‘moet’ – durfde ik een bescheiden hoop te koesteren dat hij op een bepaalde manier notie van mij had genomen.
En zo begon ik aan mijn essay en pafte elke dag een half pakje lichte sigaretten weg, gezeten voor een ventilator in de vensterbank van mijn woonkamer. Na afloop gaf ik Henry het enige stuk dat ik ooit voor hem heb geschreven dat geen redactie behoefde. Ik weet niet meer hoe mijn moeder het stuk in handen had gekregen en hoe ze me duidelijk maakte dat ze zich intens verraden voelde, of ze me een brief schreef of dat ze me belde, ik weet alleen nog dat ze zes weken lang elk contact meed – verreweg de langste stilte waarmee ze me ooit heeft gestraft. Het ging precies zoals ik had gevreesd. Maar toen ze er dan eindelijk overheen was en me weer brieven schreef, voelde ik me echt gezien, gezien als wie ik echt was, op een manier die nieuw voor me was. Het punt was nog niet eens dat ik mijn ‘ware’ zelf voor haar verborgen had gehouden; het punt was dat er eigenlijk helemaal nooit sprake leek te zijn geweest van een waar zelf.
Drukbezette mens
In Of/Of drijft Kierkegaard de spot met de ‘drukbezette mens’ voor wie druk zijn een manier is om maar niet eerlijk naar zichzelf te hoeven kijken. Misschien word je midden in de nacht wakker en voel je je op dat moment heel alleen in je huwelijk, of bedenk je dat je toch eens een kritisch moet kijken naar de milieuschade van je consumptiepatroon, maar de volgende ochtend heb je van alles en nog wat te doen. Zolang er oneindig veel kleine dingetjes om aandacht vragen, kun je de grotere vragen uit de weg gaan. Het schrijven of het lezen van een essay is natuurlijk niet de enige manier om even pas op de plaats te maken en je af te vragen wie je nou eigenlijk bent en wat de zin van je leven zou kunnen zijn, maar het is wel een goede manier. En als je bedenkt hoe lachwekkend gezapig het Kopenhagen van Kierkegaard moet zijn geweest, in vergelijking met onze moderne tijd, dan lijken die subjectieve tweets en haastige blogposts lang niet meer zo essayistisch. Ze lijken eerder een manier om weg te lopen voor de dingen waar een echt essay ons mee zou kunnen confronteren. We lezen de hele dag door, op verschillende schermen, we lezen dingen die ons in een echt boek niet zouden boeien, en vervolgens klagen we dat we het zo druk hebben.
In 1997 ben ik voor de tweede keer gestopt met roken. En vervolgens, in 2002, voor de laatste keer. En daarna, in 2003, voor de allerlaatste keer – tenzij je de rookloze nicotine meetelt die door mijn bloedbaan trekt terwijl ik dit schrijf. Dat ik probeer een integer essay te schrijven verandert niets aan het gegeven van de meerdere ikken: ik ben nog altijd zowel een verslaafde met een reptielenbrein, als iemand die piekert over zijn gezondheid, als een eeuwige puber, als iemand die kampt met depressies en die aan zelfmedicatie doet. Wat er ondertussen verandert, realiseer ik me als ik even de tijd neem om erbij stil te staan, is dat mijn zelf, dat uit meerdere identiteiten bestaat, iets steviger wordt.
Een deel van het mysterie van literatuur is dat zowel voor de schrijver als voor de lezer het wézen van de betrokkenen zich buiten hun beider lichaam bevindt, op een pagina, wat voor vorm die ook aanneemt. Hoe kan ik het gevoel hebben dat ik waarachtiger ben in mijn teksten dan in mijn lichaam? Hoe kan het dat ik me meer verwant voel met iemand wanneer ik haar woorden lees dan wanneer ik naast haar zit? Het antwoord is er deels in gelegen dat zowel lezen als schrijven volledige aandacht vereisen. Maar het heeft ongetwijfeld ook te maken met een soort ordening die alleen op papier mogelijk is.
A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump
Dit is misschien het moment om twee andere lessen van Henry Finder te vermelden. Een van die lessen luidde dat elk essay, ook een opiniestuk, een verhaal vertelt. De andere les was dat er maar twee manieren zijn om materiaal te ordenen: ‘soort bij soort’ en ‘a leidt tot b’. Deze regels lijken misschien nogal voor de hand liggend, maar wie geregeld essays leest van studenten of middelbare scholieren weet dat het lang niet altijd zo eenvoudig is. Mij was ook niet helemaal duidelijk dat een opiniestuk de regels van een narratief dient te volgen. Maar zeg nou zelf: begint een goede discussie niet vrijwel altijd met het poneren van een ingewikkeld probleem? En wordt er niet vervolgens een onconventionele oplossing aangedragen, waarna er obstakels voor het voetlicht worden gebracht in de vorm van bezwaren en tegenargumenten, waarna we tot slot, via een reeks omkeringen, naar een onverwachte maar bevredigende oplossing worden geleid?
Wie meegaat in Henry’s aanname dat geslaagd proza bestaat uit materiaal dat is geordend in een verhaalvorm, en wie mijn overtuiging deelt dat onze identiteit is opgebouwd uit de verhalen die we over onszelf vertellen, zal het er vermoedelijk mee eens zijn dat het proces van schrijven en het genoegen van lezen ons dicht in de buurt van iemands wezen brengen. Wanneer ik alleen door het bos loop, of met iemand zit te eten, word ik overspoeld door een enorme hoeveelheid willekeurige, zintuigelijke informatie. Door het proces van schrijven valt dat vrijwel allemaal weg, totdat enkel nog alfabet en leestekens resten, en de willekeur steeds verder naar de achtergrond wordt gedrongen. Het kan gebeuren dat je, bij het ordenen van de elementen van een vertrouwd verhaal, tot de ontdekking komt dat het niet betekent wat je dacht dat het betekende. Soms, met name bij een argumentatie (a leidt tot b) is een volkomen nieuw narratief vereist. Door de discipline om een meeslepend verhaal te vertellen, kunnen bepaalde gedachten en gevoelens uitkristalliseren waarvan je je tot dan toe slechts vaag bewust was.
Als je met een hele hoop materiaal zit waarvan je niet meteen ziet hoe je het tot een verhaal kunt smeden, zit er volgens Henry nog maar één ding op: onderverdelen in categorieën, vergelijkbare elementen bijeenbrengen. Soort bij soort. Dat is in ieder geval een overzichtelijke manier van schrijven. Maar patronen hebben ook de neiging zich tot verhalen te ontwikkelen. Het is heel verleidelijk om een a-leidt-tot-b-verhaal te construeren teneinde te begrijpen hoe het kon dat Donald Trump de verkiezingen won, terwijl in brede kring werd verwacht dat hij zou verliezen: Hillary Clinton sprong slordig om met haar mail, het ministerie van Justitie besloot haar niet te vervolgen, daarna doken de [sexting] berichten van Anthony Weiner op, vervolgens liet James Comey het Congres weten dat Clinton misschien alsnog in de problemen zou komen, en uiteindelijk won Trump de verkiezingen. Maar misschien levert het veel meer op om soort bij soort te plaatsen: Trumps overwinning was vergelijkbaar met de uitslag van de stemming over de Brexit en met de rechtse anti-immigratiebewegingen die steeds opnieuw de kop opsteken in Europa. De gevaarlijk nonchalante manier waarop Clinton met haar e-mail omsprong was vergelijkbaar met haar slecht uitgevoerde campagne en met haar beslissing om geen campagne meer te voeren in Michigan en Pennsylvania.
Lijstjesfreak
Op verkiezingsdag was ik in Ghana. Ik was gaan vogelen met mijn broer en twee vrienden. James Comeys bericht aan het congres had de campagne al op zijn kop gezet nog voordat ik naar Afrika vertrok, maar op Nate Silvers toonaangevende peilingenwebsite, FiveThirtyEight, maakte Trump evengoed nog maar dertig procent kans om te winnen. Ik had al vroeg mijn stem uitgebracht op Clinton en bij aankomst in Afrika was ik hooguit een klein beetje ongerust over de verkiezingsuitslag, maar ook tevreden over mijn beslissing om de laatste week van de campagne elders door te brengen en niet tien keer per dag op FiveThirtyEight naar de peilingen te kijken.
Ondertussen was ik in Ghana in de ban van iets heel anders. Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik een lijstjesfreak ben. Niet dat ik niet van de vogels zelf hou. Ik ben een vogelaar omdat ik me laaf aan hun schoonheid en diversiteit, omdat ik meer aan de weet wil komen over hun gedrag en hun habitat, en omdat ik graag lange, aandachtige wandelingen maak op plekken die ik nog niet ken. Maar daarnaast hou ik krankzinnig veel lijstjes bij. Ik hou niet alleen bij welke vogelsoorten ik over de hele wereld heb gezien, maar ik heb dat ook nog eens allemaal uitgesplitst naar de verschillende landen of staten van Amerika die ik speciaal met dat doel heb bezocht, of zelfs naar nog specifiekere plekken, zoals mijn achtertuin – en dat dan voor elk afzonderlijk jaar sinds 2003. Ik kan dit dwangmatige bijhouden van gegevens goedpraten door het te beschouwen als een soort spelletje binnen het kader van mijn hobby. Maar het heeft zonder meer iets dwangmatigs. Ik vind dan ook dat ik in moreel opzicht onderdoe voor vogelaars die het puur om het plezier is te doen.
Door naar Ghana te gaan hoopte ik mijn vorige jaarrecord – 1286 soorten – te verbeteren. Ik zat al op meer dan achthonderd in 2016 en ik wist, na wat op internet te hebben gesnuffeld, dat vergelijkbare reizen een kleine vijfhonderd soorten hadden opgeleverd, waarvan slechts een handjevol in Amerika voorkomt. Als ik in Afrika vierhonderdzestig unieke soorten zou kunnen spotten, en vervolgens mijn tussenstop van zeven uur in Londen zou weten te gebruiken om in een park in de buurt van Heathrow nog twintig veelvoorkomende Europese soorten te spotten, zou 2016 mijn beste jaar ooit worden.
We zagen echt schitterende dingen in Ghana, adembenemende toerako’s en bijeneters die alleen in West-Afrika voorkomen. Maar de paar bossen die het land nog rijk is worden ernstig bedreigd door intensieve jacht en houtkap, en onze wandelingen waren eerder verstikkend dan productief. Tegen het einde van verkiezingsdag hadden we al onze enige kans misgelopen om een aantal soorten te zien die ik op mijn lijstje had staan. Al heel vroeg de volgende ochtend, toen de stembureaus aan de westkust nog open waren, zette ik mijn telefoon aan om de prettige bevestiging te krijgen dat Clinton aan de winnende hand was. In plaats daarvan zag ik geschokte berichten van mijn vrienden in Californië, foto’s waarop ze ongelovig, en stuurs, naar de televisie staarden, foto’s van mijn vriendin die helemaal ineengedoken ergens op een bank lag. De kop van de Times luidde: ‘Trump haalt North Carolina binnen, lijkt niet te stuiten; Clintons pad naar de zege lijkt smal.’
Er zat weinig anders op dan weer te gaan spotten. Op een pad in het bos van Nsuta, waar we moesten uitwijken voor wagens vol hout die net zomin leken te stuiten als Trump, maar met in mijn achterhoofd de gedachte dat Clinton nog altijd een pad naar de zege had, zag ik de zwarte tok, de Afrikaanse koekoekswouw en een melancholische specht. Het was een zweterige maar bevredigende ochtend die, toen we weer bereik hadden, eindigde met het nieuws dat de ‘short-fingered vulgarian’ (de proleet met de dikke vingers) zoals Spy hem noemde, de nieuwe president van mijn land was. Op dat moment begreep ik wat ik in mijn hoofd had gedaan met Nate Silvers dertig procent kans voor Trump. Op de een of andere manier had ik het zo geïnterpreteerd dat de wereld er, in het ergste geval, na de verkiezingen, dertig procent slechter aan toe zou zijn. Wat het getal in feite betekende was natuurlijk dat er dertig procent kans was dat de wereld er honderd procent slechter aan toe zou zijn.
Terwijl wij naar het drogere, verlaten noorden van Ghana reisden, kruisten we het pad van enkele vogels waar ik al lange tijd van droomde: krokodilwachters, de zuidelijke karmijnrode bijeneter en het viervleugelnachtzwaluwmannetje, die er met zijn spectaculaire vleugelpunten uitzag als een nachtzwaluw die op de hielen wordt gezeten door twee vleermuizen. Maar we raakten steeds verder achter op het vogel-jaarschema dat ik moest aanhouden. Laat, veel te laat, werd me duidelijk dat op de lijsten met soorten die me online waren voorgespiegeld, ook vogels stonden die we alleen zouden horen maar niet zouden zien – terwijl een vogel voor mij pas meetelde als ik hem had gezien.
De lijsten op internet hadden hoge verwachtingen gewekt, net als Nate Silver. Met elke soort die ik had gemist nam de druk toe om alle overgebleven soorten wél te zien, zelfs de soorten waarvan dat hoogst onwaarschijnlijk was. Anders zou ik mijn eigen record niet weten te breken. Het was niet meer dan een onzinnige jaarlijst, die uiteindelijk volkomen onbeduidend was, maar ik werd achtervolgd door de krantenkop op de ochtend na verkiezingsdag. In plaats van 275 kiesmannen had ik 460 soorten nodig, en ook mijn pad naar de zege was inmiddels wel heel smal. Uiteindelijk, vier dagen voor het einde van de reis, bij de overlaat van een dam aan de grens met Burkina Faso, waar ik had gehoopt een handvol nieuwe graslandvogels te zien maar waar er niet eentje viel te ontdekken, moest ik berusten in de realiteit en mijn nederlaag erkennen. Ineens drong tot me door dat ik eigenlijk thuis had moeten zijn, om te proberen mijn vriendin te troosten na de verkiezingsuitslag, want als een depressieve pessimist ergens goed in is, is het wel in lachen in donkere tijden.
Hoe was de proleet met de dikke vingers in het Witte Huis terechtgekomen? Toen Hillary Clinton weer in het openbaar verscheen, verleende zij een ‘soort-bij-soort’-analyse van haar karakter geloofwaardigheid door een a-leidt-tot-b-narratief te volgen. We laten even buiten beschouwing dat ze nonchalant omging met haar mail en dat ze repte van een ‘basket of deplorables’. We laten even buiten beschouwing dat er onder kiezers misschien een terechte onvrede leeft over de linkse elite die Clinton vertegenwoordigde; dat kiezers de vrije handelsmarkt, de open grenzen en de automatisering misschien niet helemaal op waarde weten te schatten wanneer de middenklasse de prijs betaalt voor de wereldwijd toegenomen welvaart; dat kiezers er moeite mee hebben dat de liberale normen van stedelijke gebieden worden opgelegd aan het conservatieve platteland. Volgens Clinton kwam haar verlies op het conto van James Comey – en misschien ook wel van de Russen.
Ik zal niet ontkennen dat ik zelf ook mijn verhaal paraat had. Toen ik vanuit Afrika terugkeerde in Santa Cruz, worstelden mijn linkse vrienden nog altijd met de vraag hoe Trump in godsnaam kon hebben gewonnen. Ik herinnerde me een optreden dat ik ooit had gedaan met de optimistische socialmediaexpert Clay Shirky, die het publiek in herinnering had gebracht hoe ‘geschokt’ culinair recensenten in New York hadden gereageerd toen Zagat, een crowded-sourced recensieplatform, Union Square Cafe had uitgeroepen tot beste restaurant van de stad. Shirky wilde aantonen dat professionele recensenten lang niet zo slim zijn als ze denken; sterker nog, dat recensenten overbodig zijn in tijden van Big Data. Hoewel Union Square Cafe ook mijn favoriete restaurant was (het grote publiek had gelijk!) had ik me tijdens dat optreden wat zuur afgevraagd of Shirky echt van mening was dat recensenten ook gek waren wanneer ze zeiden dat Alice Munro een betere schrijver is dan James Patterson. Maar door Trumps overwinning voelt Shirky gesterkt in het ridiculiseren van experts. Social media hadden Trump in staat gesteld het kritische establishment te omzeilen en er waren net genoeg mensen onder de kiezers, in cruciale swing states, die zijn platte humor en zijn vlammende betogen ‘beter’ vonden dan Clintons genuanceerde argumenten en haar ongeëvenaarde politieke ervaring. A leidt tot b: zonder Twitter en Facebook geen Trump.
Na de verkiezing leek Mark Zuckerberg heel even, in zekere zin, verantwoordelijkheid te nemen voor wat er was gebeurd, voor het feit dat hij een platform had gecreëerd dat werd gebruikt voor het verspreiden van nepnieuws over Clinton, en hij leek te suggereren dat Facebook een actievere rol zou kunnen spelen bij het filteren van nieuws. (Nou, veel succes.) Twitter hield zich gedeisd. Wat moest Twitter zeggen, terwijl Trump onverdroten door twitterde? Dat Twitter een vooruitgang was?
In december hoorde ik op mijn favoriete radiozender in Santa Cruz een nepadvertentie voor een therapie gericht op mensen die verslaafd waren aan anti-Trumptweets en dito facebookberichten. De maand daarop, een week voor Trumps inauguratie, organiseerde PEN Amerika een aantal bijeenkomsten door het hele land om te protesteren tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting waar Trump symbool voor zou staan. Hoewel de inreisbeperkingen van zijn regering het voor schrijvers uit moslimlanden lastiger zou maken hun stem te laten horen in de Verenigde Staten, was er één ding waar we Trump niet van konden betichten, in januari, en dat was dat hij de vrijheid van meningsuiting op wat voor manier dan ook aan banden had gelegd. Zijn leugenachtige, misselijke tweets waren de vrijheid van meningsuiting in overdrive. PEN had nog geen drie jaar eerder een vrijheid-van-meningsuitingonderscheiding uitgereikt aan Twitter, voor de rol die het had gespeeld tijdens de Arabische Lente. Uiteindelijk heeft de Arabische Lente erin geresulteerd dat de autocratie zich heeft verschanst, en inmiddels lijkt Twitter zelf, in handen van Trump, het middel bij uitstek om een autocratie in stand te houden. De ironie kent geen grenzen: tijdens diezelfde week in januari riepen linkse auteurs en boekwinkels op tot een boycot van Simon & Schuster vanwege de voorgenomen publicatie van een boek van de nare, rechtse provocateur Milo Yiannopoulos. De kwaadste boekhandelaren overwogen alle titels van Simon & Schuster uit de schappen te weren, waaronder vermoedelijk ook de boeken van Andrew Solomon, de voorzitter van PEN. Er kwam pas een einde aan de controverse toen S&S het contract met Yiannopoulos verbrak.
Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn
Trump en zijn alt-rightaanhangers richten maar wat graag hun pijlen op de zwakke plekken van politiek correct links, maar dat kan natuurlijk alleen maar omdat die zwakke plekken er zíjn – studenten en actievoerders claimen het recht om niet te horen wat ze vervelend vinden, en om ideeën waar ze aanstoot aan nemen weg te jouwen. Onverdraagzaamheid viert hoogtij op internet, waar genuanceerde meningen worden afgestraft doordat er niet op wordt geklikt, waar onzichtbare Facebook- en Google-algoritmen je naar content leiden die in je straatje past, en waar tegendraadse stemmen zwijgen uit angst te worden geflamed, getrold of ontvriend. Met als gevolg dat je in een bubbel terechtkomt waarin je het gevoel hebt dat je, ongeacht aan welke kant je staat, het volste recht hebt om te haten wat je haat. En dat is ook een aspect waarin het essay verschilt van andere subjectieve manieren om je te uiten die er enigszins aan verwant lijken. Het essay is geworteld in de literatuur, en een van de mooie aspecten van literatuur – denk bijvoorbeeld aan het werk van Alice Munro – is dat literatuur je aan het denken zet, of je het misschien toch niet helemaal goed ziet, of misschien zelfs wel helemaal fout, en of het misschien valt te begrijpen dat iemand je haat.
Drie jaar geleden wond ik me ontzettend op over de klimaatverandering. De Republikeinen bleven vasthouden aan hun leugens over gebrek aan sluitend wetenschappelijk bewijs – het milieudepartement in Florida was zelfs zo ver gegaan dat het werknemers had verboden het woord klimaatverandering nog te gebruiken nadat de gouverneur van Florida, een Republikein, erop had gehamerd dat het ‘geen feit’ was. Maar ik was minstens zo kwaad op links. Ik had een nieuw boek gelezen van Naomi Klein, This Changes Everything, waarin ze de lezer geruststelde dat het weliswaar ‘vijf voor twaalf’ was, maar dat we nog altijd tien jaar de tijd hadden om de mondiale economie grondig te hervormen en te zorgen dat de temperatuur in de loop van deze eeuw met niet meer dan twee graden zou stijgen. Klein was niet de enige in linkse hoek die zei dat we nog tien jaar de tijd hadden. Sterker nog, milieuactivisten zeggen al sinds 2005 precies hetzelfde.
Ook in 1995 werd het al gezegd: we hebben nog tien jaar de tijd. Maar zo rond 2015 moest wel duidelijk zijn dat de mensheid op geen enkele manier – politiek, psychologisch, ethisch, economisch – in staat zal zijn de CO2-uitstoot snel genoeg te verminderen om het tij te keren. Zelfs voor de Europese Unie, die vooropging in de klimaatkwestie, en die andere delen van de wereld graag de les mocht lezen over hun onverantwoorde gedrag, was in 2009 een recessie voldoende om de focus te verleggen naar economische groei.
Tenzij er de komende tien jaar een wereldwijde opstand komt tegen het vrijemarktkapitalisme – het scenario waarvan Klein zei dat het ons nog net op tijd zou kunnen redden – zal de temperatuur deze eeuw vermoedelijk met een graad of zes stijgen. We mogen van geluk spreken als we een stijging van twee graden voor 2030 weten te voorkomen.
In een landsbestuur dat steeds grimmiger verdeeld raakte, was de waarheid omtrent klimaatverandering links nog onwelgevalliger dan rechts. De klimaatontkenningen van rechts waren grove leugens, maar ze waren tenminste consistent met een bepaalde hard-realistische politieke lijn. Links, dat rechts altijd intellectuele onbetrouwbaarheid heeft verweten en dat klimaatontkenning als een soort strijdkreet heeft gehanteerd, bevond zich in een onmogelijke situatie. Het moest blijven hameren op de waarheden van de klimaatwetenschappers terwijl het tevens vasthield aan het fictieve idee dat wereldwijde actie het doemscenario nog zou kunnen afwenden: dat door een wereldwijde erkenning van de feiten, waarmee we in 1995 het tij nog hadden kunnen keren, het tij nog altijd gekeerd zou kunnen worden. Want wat deed het er anders nog toe dat de Republikeinen de wetenschappelijke bewijzen betwistten?
Omdat ik sympathiseerde met links – de CO2-uitstoot terugdringen is een stuk beter dan gewoon maar nietsdoen: elke halve graad helpt – verwachtte ik ook meer van links. Het ontkennen van de grimmige werkelijkheid, doen alsof het klimaatakkoord van Parijs het onheil kon afwenden, was een begrijpelijke tactiek om draagvlak te houden voor het terugdringen van de CO2-uitstoot: de hoop in leven houden.
Maar als strategie deed het meer kwaad dan goed. Men kon zich niet langer moreel superieur voelen, het was een belediging voor het intellect van kiezers die nog niet waren overtuigd (‘Echt? Hebben we nog tien jaar?’) en het stond een open discussie in de weg over de vraag hoe de wereldgemeenschap zich zou moeten voorbereiden op drastische veranderingen, en hoe landen als Bangladesh gecompenseerd moesten worden voor wat landen als Amerika hen hadden aangedaan.
Door al het gedraai ontstond ook een verkeerd beeld van de prioriteiten. In de afgelopen twintig jaar heeft de milieubeweging zich blindgestaard op één onderwerp. Deels uit oprechte zorg, maar ook deels omdat het in politieke zin minder riskant was – minder elitair – om de problemen voor de mens te laten prevaleren boven de natuur. De grote milieu ngo’s hebben dan ook hun politieke kapitaal ingezet op het tegengaan van de klimaatverandering, een probleem met een menselijk gezicht. De ngo waar ik me, als vogelliefhebber, enorm kwaad over heb gemaakt is de National Audubon Society, ooit een onvermoeibaar strijder voor vogels, nu een krachteloze instelling met een enorme pr-afdeling. In september 2014 maakte die pr-afdeling met veel tamtam wereldkundig dat de klimaatverandering de grootste bedreiging was voor de vogelstand in Noord-Amerika. Die voorstelling van zaken was niet alleen op kleine schaal vals, omdat de formulering niet strookte met de bevindingen van Audubons eigen wetenschappers, maar ook vals in bredere zin omdat niet één dode vogel direct kon worden gerelateerd aan de CO2-uitstoot. In 2014 was de grootste bedreiging voor de Amerikaanse vogel het verdwijnen van hun habitat, gevolgd door loslopende katten, gebouwen waar ze tegenop vlogen en pesticiden. Door het magische woord klimaatverandering van stal te halen, kreeg Aubudon veel aandacht in de linkse media. En weer was er een punt gescoord in de strijd tegen de rechtste klimaatontkenners. Maar geen idee wat de vogels daarmee opschoten. Naar mijn idee was het enige merkbare effect van de mededeling van Aubudon dat mensen hun ogen sloten voor de ware gevaren voor vogels in het hier en nu.
Kwaad
Ik was zo kwaad dat ik bedacht dat ik maar het beste een essay kon schrijven. Ik begon met een tirade tegen de National Audubon Society, plaatste die vervolgens in breder perspectief met een smalende aanklacht tegen de milieubeweging in het algemeen, en schrok vervolgens midden in de nacht in paniek wakker, vervuld van wroeging en twijfel. Voor de schrijver is een essay een spiegel, en wat ik in deze spiegel zag, zinde me niet. Waarom nagelde ik een paar linkse medestanders aan de schandpaal terwijl de klimaatontkenners zo veel erger waren? Het vooruitzicht van klimaatverandering vond ik minstens zo stuitend als de groeperingen waartegen ik van leer trok. Met elke graad die de aarde opwarmt, zouden wereldwijd nog eens honderden miljoenen mensen in grote problemen komen. Moesten we niet alles op alles zetten om dit tegen te gaan, al was het maar met een halve graad? Was het niet stuitend om het zelfs maar over vogels te hebben terwijl de kinderen in Bangladesh gevaar liepen? Ja, de aanname van mijn essay was dat we ook een ethische verantwoordelijkheid hebben tegenover andere soorten dan de mens. Maar stel nou dat die aanname niet klopte? En zelfs als hij wel klopte – ging de biodiversiteit mij echt zo aan het hart? Of was ik gewoon een bevoorrechte blanke die het leuk vond om in zijn vrije tijd te gaan vogelen? En dan ging het me nog niet eens alleen om de vogels, maar ook om mijn lijstjes!
Nadat ik drie nachten lang mijn karakter en mijn drijfveren in twijfel had getrokken, belde ik Henry Finder en zei dat het me niet lukte om het stuk te schrijven. Ik was vaak genoeg tekeergegaan over de klimaatverandering in het bijzijn van mijn vrienden en gelijkgestemde natuurliefhebbers, maar dat verschilde weinig van de tirades op internet, waar je je kunt verschuilen achter het feit dat alles spontaan uit je pen is gerold, ten overstaan van een publiek dat goeddeels achter je staat. Doordat ik nu een afgerond geheel wilde schrijven, een essay, werd ik geconfronteerd met de rafelranden van mijn ideeën. Daarnaast was er een groter risico op schaamte, omdat het hier een doordacht stuk betrof, en omdat het verspreid zou worden onder een publiek van vermoedelijk vijandige onbekenden. Henry’s aansporing (‘Daarom moet je’) indachtig, was ik de essayist gaan zien als een soort brandweerman, die recht de vlammen van de schaamte in moet rennen, terwijl iedereen die nu juist probeert te ontvluchten. Ik had ineens veel meer te vrezen dan alleen de afkeuring van mijn moeder.
Misschien zou mijn essay voorgoed uit beeld zijn verdwenen als ik niet al op een knop had geklikt op de website van Aubudon, om te bevestigen dat ook ik me wilde inzetten voor de strijd tegen klimaatverandering. Dat had ik alleen gedaan in mijn zoektocht naar retorische munitie voor mijn strijd tegen Audubon, maar vervolgens werd ik bedolven onder directmailberichten. Ik kreeg er zeker acht in zes weken, allemaal met een verzoek om geld. Daarnaast werd ik ook nog eens overspoeld door nieuwsbrieven. Een paar dagen nadat ik Henry had gesproken, klikte ik een van die nieuwsbrieven aan en zag een foto van mezelf – godzijdank een flatteuze foto, die in 2010 was gemaakt voor Vogue dat me beter had gekleed dan ik mezelf gewoonlijk kleed en dat me met mijn verrekijker in een weiland had gezet, als vogelaar. De kop luidde iets als ‘Steun Audubon, samen met schrijver Jonathan Franzen’. Het is waar dat ik me een paar jaar eerder, in een interview voor het blad van Aubudon, in beleefde bewoordingen positief had uitgelaten over de organisatie, of in ieder geval over het blad. Maar niemand had mij om toestemming gevraagd mijn naam en foto te gebruiken om steun te werven. Ik vroeg me zelfs af of die mail wel helemaal legaal was.
Vreemde vogel
Een wat mildere prikkel om het essay weer tevoorschijn te halen kwam van Henry. Voor zover ik wist had Henry maar weinig met vogels, maar hij leek wel iets te zien in mijn redenering dat onze obsessie met toekomstige rampen ons ervan weerhoudt iets te doen aan de behapbare milieuproblemen in het hier en nu. Hij stuurde me een mail met de voorzichtige suggestie dat ik misschien iets zou kunnen doen aan mijn toon van profetische hoon. ‘Gek genoeg zal het stuk winnen aan overredingskracht,’ schreef hij in een andere mail, ‘als je wat meer ambivalentie toelaat, je wat minder polemisch opstelt. Je richt je pijlen niet op de mensen die aandacht willen genereren voor klimaatverandering en emissiereductie. Maar je hebt wel oog voor de kosten. Zodoende wordt de discussie gevoerd op het scherp van de snede.’ Mail na mail, revisie na revisie, wist Henry me met zachte hand over te halen het essay niet in de vorm te gieten van een aanklacht, maar eerder van een vraag: hoe kunnen we zingeving vinden in ons handelen wanneer de wereld ten dode lijkt opgeschreven? In de laatste versie had ik veel ruimte gereserveerd voor een aantal goed ontvangen regionale milieuprojecten in Peru en Costa Rica, projecten waar de wereld ook echt beter van wordt, niet alleen voor wilde planten en wilde dieren, maar ook voor de lokale Peruvianen en Costa Ricanen. Het werken aan deze projecten is betekenisvol op persoonlijk vlak, en de positieve effecten zijn direct en tastbaar.
Door over die twee projecten te schrijven, hoopte ik dat een of twee grote liefdadigheidsorganisaties, die bijvoorbeeld tientallen miljoenen steken in de ontwikkeling van biodiesel of windmolenparken in Eritrea, bij het lezen van mijn stuk zouden overwegen geld te steken in projecten die tastbaar resultaat opleveren. In plaats daarvan werd ik onder vuur genomen vanuit het linkse kamp. Ik zit niet op social media, maar ik begreep van mijn vrienden dat ik voor van alles en nog wat werd uitgemaakt, waaronder ‘vreemde vogel’ en klimaatontkenner. Flarden uit mijn essay, volkomen uit hun verband gerukt, werden geretweet, waardoor het leek alsof ik er voorstander van was om te stoppen met remissiereductie – het standpunt van de Republikeinen. Binnen de polariserende logica van online discussies werd ik vervolgens bestempeld tot klimaatontkenner. Terwijl ik in werkelijkheid zo overtuigd ben van het gelijk van de klimaatwetenschappers dat ik geen enkele hoop meer koester voor de ijskappen. Het enige wat ik heb ontkend is dat een rechts georiënteerde internationale elite, die bijeenkomt in dure hotels over de hele wereld, in staat zou zijn het smelten van de ijskappen te voorkomen. Dat was mijn misdaad tegen de orthodoxe leer.
Het klimaat heeft de linkse verbeelding dusdanig in de houdgreep dat elke poging om het gesprek een andere wending te geven – zelfs een poging om het gesprek te brengen op het tragische uitsterven van de mens, waar we ook zonder hulp van het milieu al hard naartoe op weg zijn – maakt dat je als een afvallige wordt beschouwd.
Ik had begrip voor de mensen die zich beroepsmatig met klimaatverandering bezighouden en die zich tegen het essay keerden. Zij hadden zich tientallen jaren ingespannen om Amerikanen bewust te maken van het probleem, en uiteindelijk hadden ze president Obama aan hun kant weten te krijgen; er was een klimaatakkoord gekomen. Het was geen handig moment om te stellen dat de verregaande opwarming van de aarde al een voldongen feit is, en dat het onwaarschijnlijk is dat de mens de fossiele brandstoffen in de grond zal laten zitten, zeker wanneer je bedenkt dat op dit moment nog niet één land die toezegging heeft gedaan.
Ik had ook begrip voor de woede binnen de wereld van de duurzame energie, een industrie die met geen andere bedrijfstak valt te vergelijken. Als je je op het standpunt stelt dat het gebruik van duurzame energie slechts een vertragingstactiek is, omdat de schade van de CO2-uitstoot niet valt terug te draaien en nog eeuwen zal doorwerken, opent dat de deur voor talloze andere vragen op dit gebied. Hebben we bijvoorbeeld echt zo veel windmolens nodig? Moeten die echt in ecologisch kwetsbare gebieden worden geplaatst? En de zonneparken in de Mojavewoestijn? Was het niet veel logischer geweest om Los Angeles te bedekken met zonnepanelen en de open ruimte ongemoeid te laten? Waren we niet bezig om de natuur te verwoesten teneinde de natuur te redden? Volgens mij was het een blogger uit die hoek die me voor ‘vreemde vogel’ uitmaakte.
“Als het over de publieke opinie gaat,” zei hij, “dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd”
Even terug naar Aubudon. Dat fundraisingmailtje had me duidelijk moeten maken wat voor soort mensen daar aan de top zitten. Maar ik stond evengoed te kijken van Aubudons reactie op mijn essay: een frontale, persoonlijke aanval op iemand die ze twee maanden daarvoor nog probleemloos voor hun karretje hadden gespannen. Toegegeven, ik had Aubudon niet gespaard in mijn essay. Ik wilde dat ze ophielden met hun onzinverhalen, dat ze niet langer verwezen naar ‘over vijftig jaar’, en dat ze zich daadkrachtiger zouden inzetten voor de vogels die zowel hun als mij aan het hart gingen. Maar Aubudon zag duidelijk alleen een bedreiging voor hun ledental en fondsen, dus moest ik als mens onschadelijk worden gemaakt. Ik heb me laten vertellen dat het hoofd van Aubudon vier keer zijn pijlen op mij persoonlijk heeft gericht. Zo doet een directeur dat tegenwoordig kennelijk. En het werkte. Ik schaamde me, zonder die tirades te hebben gelezen – domweg omdat ik wist dat anderen ze hadden gelezen. Ik voelde me zoals ik me vroeger op school had gevoeld, gemeden door de rest van de klas en uitgemaakt voor van alles en nog wat, wat me eigenlijk niet zou moeten raken, maar dat ondertussen toch deed. Ik wilde dat ik mijn nachtelijke paniekaanvallen niet in de wind had geslagen en dat ik mijn mening voor me had gehouden. Over mijn toeren belde ik Henry en stortte al mijn schaamte en berouw over hem uit. Hij antwoordde, op zijn nauwelijks verstaanbare wijze, dat ik de online reacties moest zien als het weer. ‘Als het over de publieke opinie gaat,’ zei hij, ‘dan heb je het weer en het klimaat. Jij probeert het klimaat te veranderen, en dat kost tijd.’
Het deed weinig ter zake of ik dat al dan niet geloofde. Het was voldoende om te weten dat er één iemand was, Henry, die me niet verafschuwde. Ik troostte mezelf met de gedachte dat het klimaat zo groots en chaotisch is dat één iemand het onmogelijk kan veranderen, maar dat het daarom nog wel zin kan hebben om als individu te proberen iets te veranderen aan het lot van één getroffen dorp, één slachtoffer van de mondiale onrechtvaardigheid.
Of het lot van één vogel, één lezer. Nadat de online vlammen waren geluwd, hoorde ik een-op-een van mensen uit de milieuhoek dat ze mijn frustratie deelden maar het zich niet konden veroorloven daar uiting aan te geven. Er waren niet veel mensen die iets van zich lieten horen, maar het hoefden er ook niet veel te zijn. Bij iedereen die het wel deed, dacht ik: Ik heb dit essay voor jou geschreven.
Maar nu, tweeënhalf jaar later, terwijl de ijskappen afbrokkelen en de Twitterpresident zich heeft teruggetrokken uit het klimaatakkoord, slaat de twijfel toe. Ik zie inmiddels onder ogen dat ik het essay niet alleen heb geschreven om een paar milieubeschermers een hart onder de riem te steken en om wat liefdadigheidsgeld een bepaalde richting op te sluizen. Ik wilde echt het klimaat veranderen. Dat wil ik nog steeds. Ik deel, uitgerekend met de mensen die mijn essay hekelden, het inzicht dat de opwarming van de aarde hét probleem van deze tijd is, misschien wel het grootste probleem in de geschiedenis van de mensheid. We bevinden ons allemaal in de situatie van de indianen toen de Europeanen ten tonele verschenen met hun geweren en hun pokken: onze wereld staat aan de vooravond van een ingrijpende, onvoorspelbare verandering die naar alle waarschijnlijkheid slecht zal uitpakken. Ik koester geen enkele hoop dat we de verandering nog kunnen tegenhouden. Mijn enige hoop is dat we de realiteit op tijd onder ogen zullen zien om ons er op een menswaardige manier op te kunnen voorbereiden, en mijn enige overtuiging is dat het beter is om de werkelijkheid open en eerlijk tegemoet te treden, hoe pijnlijk ook, dan hem te ontkennen.
Als ik dat essay nu zou schrijven, zou ik dat misschien allemaal zeggen. De spiegel van mijn essay, zoals het destijds is gepubliceerd, toonde me een boos buitenbeentje dat van vogels houdt en denkt het beter te weten dan de grote massa. Misschien ben ik dat ook allemaal wel, maar ik ben ook meer dan dat, en een beter essay zou ook die andere kant hebben getoond. In een beter essay zou ik Audubon misschien ook hebben gehekeld, maar ik zou ook meer sympathie hebben opgebracht voor de anderen op wie mijn woede zich richtte: de klimaatactivisten, die twintig jaar lang hadden toegekeken hoe hun pad naar de overwinning angstaanjagend versmalde terwijl de CO2-uitstoot alleen maar toenam en de noodzakelijke emissiereductiedoelstellingen steeds onhaalbaarder werden; de mensen in de duurzame-energiebranche die een gezin moesten onderhouden en die op zoek waren naar alternatieven; de milieu-ngo’s die dachten eindelijk een onderwerp te hebben gevonden dat de wereld zou wakker schudden; politiek links dat de klimaatverandering aangreep als een laatste overtuigend argument voor collectivisme in een tijd waarin het neoliberalisme en de bijbehorende technologieën het electoraat reduceerden tot individuele consumenten. Ik zou vooral hebben getracht al die mensen tegemoet te komen die meer behoefte hebben aan hoop dan een depressieve pessimist, mensen voor wie het vooruitzicht van een hete toekomst vol rampspoed ondraaglijk triest en angstaanjagend is, en die daar dan ook niet aan willen denken – wat hen niet valt kwalijk te nemen. Ik zou zijn blijven schaven.
WIE IS JONATHAN FRANZEN?
De Amerikaan Jonathan Franzen (1959) wordt de belangrijkste schrijver van zijn generatie genoemd. In 2001 brak hij internationaal door met zijn meesterwerk De correcties, waarvoor hij de National Book Award ontving, negen jaar later lanceerde hij Vrijheid, en vervolgens Zuiverheid. Met opzet tweeslachtige termen waarvan de tegenpolen ‘onvrijheid’ en ‘verdorvenheid’ in de respectievelijke romans leidend zijn.
Franzen belandde als eerste schrijver in tien jaar op de cover van TIME magazine, als ‘Great American Novelist’. Kenmerkend voor zijn epische romans is het maatschappelijke decor waarbinnen de auteur zijn personages – of de Amerikaanse cultuur – met subtiele satire doorgrondt. In ‘Is it too late to save the world?’ toont hij zich opnieuw meester in het literaire genre van de essayistiek: de extensieve verhaallijnen van ‘oprecht zelfonderzoek en het uitdiepen van een bepaald gedachtegoed’ samenbrengen.
De Canadese schrijfster Margaret Atwood en haar echtgenoot Graeme Gibson zijn fanatieke vogelaars. Op het eiland Pelee in Ontario hebben ze een vogelobservatorium gesticht.
Loop naar buiten. Achter de auto’s en bouwwerkzaamheden, de grasmaaimachines en honden, hoor je waarschijnlijk het sjilpen, koeren, kwelen, kwetteren, fluiten en kwinkeleren van vogels. Het is zulke gewone muziek dat we die vaak alleen maar in extreme omstandigheden waarnemen: de betonnen stilte van een leeg industrieterrein, de groene symfonie van een bos. Meestal zijn de vogels er gewoon, glurend en tjilpend voordat ze wegschieten. Maar bij een verbazingwekkend grote groep Amerikanen en Canadezen – bijna 48 miljoen, volgens een telling – zijn ze bijzonder geliefd geworden. Tot de beroemdste leden van die groep behoren Margaret Atwood en Graeme Gibson, een schrijversechtpaar.
In mei, op het hoogtepunt van de lentetrek, ontmoet ik de twee, die hun liefde voor vogels spotten en natuurbehoud gedurende het grootste deel van hun 46-jarige huwelijk met elkaar hebben gedeeld, in een café op het eiland Pelee in Ontario, gelegen in het westelijk deel van het Eriemeer. De 77-jarige Atwood, haar gezicht beschaduwd door een breedgerande hoed, deelt een sandwich met Gibson, die een platte pet en een bruin vest draagt. Ze zijn op het eiland voor het zestiende jaarlijkse Lentezangweekend – een evenement dat in 2002 mede door Atwood en Gibson werd geïnitieerd om geld in te zamelen voor het erfgoedmuseum op Pelee – en om vogels te spotten met de vrienden die ze daar elke lente ontvangen.
Tijdens de lunch, die lawaaierig is door vogels en vanaf de cafépatio binnen fladderende eilandbewoners, vertellen de twee hoe ze tot hun hobby zijn gekomen. Atwood, die opgroeide aan een meer, was al vroeg natuurbewust. Voor Gibson was het meer een plotselinge ontgroening: tijdens een wandeling in de jaren zestig van de vorige eeuw werd hij geconfronteerd met een roodstaartbuizerd. ‘Plotseling vloog dat rotbeest rakelings over mijn hoofd,’ vertelt hij, ‘en ik dacht: Wat was dat in vredesnaam?’ Dus kocht hij een verrekijker en een vogelgids, ontdekte het dier opnieuw en werd al snel verliefd op zijn ontdekking.
‘Die buizerd heeft het muntje bij Graeme laten vallen,’ zegt Atwood.
Gibson, die in 1996 stopte met het schrijven van romans, geniet minder publieke bekendheid dan Atwood, maar zijn passie voor de natuur is even onmiskenbaar. Na het voorval met de buizerd raakte hij, met wat hij zelf ‘de bezieling van een bekeerling’ noemt, geïnteresseerd in teksten die de oeroude relatie van de mens met de vogel illustreren. Het resultaat was zijn in 2005 verschenen The Bedside Book of Birds, een waar curiositeitenkabinet. In meer dan 370 bladzijden citeert Gibson passages uit middeleeuwse bestiaria (over papegaaien, kraanvogels en de mythische caladrius), uit reisverhalen van Bruce Chatwin (over albatrossen), uit Cubaanse volksverhalen (hanen) en uit romans van Franz Kafka (over gieren natuurlijk). Er zijn gedichten van Edna St. Vincent Millay, Okumura Masanobu en Margaret Atwood zelf (zwanen, koekoeken en opnieuw gieren) en talloze andere werken – met inbegrip van etsen, beelden, illustraties, schilderijen en tekeningen van vogels uit bijna elke periode en cultuur. In zijn inleiding bij een van de laatste hoofdstukken schrijft Gibson dat vogels spotten ‘een gemoedgesteldheid kan bevorderen die grenst aan vervoering – de vergetelheid die het individuele bewustzijn met iets anders vermengt dan zichzelf’.
Observatorium
In 2003 hielpen Atwood en Gibson bij de oprichting van het vogelobservatorium op het eiland Pelee (PIBO). Deze non-profitinstelling speelt een belangrijke rol bij het verzamelen van gegevens over passerende vogels. ‘De belangrijkste opdracht van PIBO,’ zegt Atwood, ‘is vogels tellen. Vandaar onze slogan: “Wij tellen vogels omdat vogels téllen”.’ Zonder precieze getallen, zegt ze, kun je onmogelijk weten wat er gebeurt tijdens de afstanden die veel soorten afleggen – en zulke informatie kan wetenschappers inzicht verschaffen in veranderingen op het gebied van ecologie en milieu. Gibson merkt op dat het eiland op de plek ligt waar de Atlantische Oceaan en de migratieroutes vanaf de Mississippi samenkomen. Maar liefst de helft van de vierhonderd erkende vogelsoorten van Canada is hier elke lente te zien. Op het iets noordelijker gelegen vasteland, in het Point Pelee National Park, komen duizenden mensen van over de hele wereld naar de roodhalsfuten, geelborstzangers en protonotaarzangers kijken, om maar enkele soorten te noemen, die daar even neerstrijken voordat ze hun reis hervatten.
De belangstelling voor vogels spotten is toegenomen sinds het echtpaar ermee begon; het is een van de weinige oeroude hobby’s die zich in een groeiende belangstelling mag verheugen. Er zijn hobbyisten die lijsten bijhouden van alle vogels die ze hebben gespot, of die zich concentreren op vogels in een specifieke regio, of echte ornithologen. De groeiende populariteit valt misschien te verklaren uit het toenemende aantal gepensioneerde babyboomers – maar de maatschappelijke geleding is verrassend veel groter. Of dat nu komt doordat het een goedkope hobby is, doordat het mindfulness bevordert of doordat het vertroosting kan bieden aan een generatie die verdoofd is door het drukke stadsleven, er worden steeds meer twintigers met verrekijkers gesignaleerd. Deze maand zal de Canadese uitgeverij Greystone Books Birdmania: A Remarkable Passion for Birds publiceren, geschreven door Bernd Brunner. Dit boek geeft een overzicht van de menselijke relatie met vogels, maar legt de nadruk op natuurbeschermers, aanstellers en excentriekelingen die van vogels het middelpunt van hun bestaan hebben gemaakt – een soort nachtkastjesboek voor vogelaars.
Atwoods tweets – die vaak humoristisch zijn en soms waarschuwen voor toenemend autoritarisme – worden door meer dan anderhalf miljoen mensen gevolgd
Afgelopen zomer lanceerde Atwood de derde graphic novel in haar serie Angel Catbird, een komisch, kleurig boek waarin ze samen met illustrator Johnnie Christmas sympathieke propaganda bedrijft. De boodschappen: (1) vogels zijn belangrijk voor ons milieu, maar (2) ze sterven in schrikbarende aantallen, en (3) die dood wordt vaak veroorzaakt door huiskatten, dus (4) houd uw katten alstublieft binnen. Er zijn ook andere beroemde echtparen met gemeenschappelijke hobby’s geweest – Vladimir Nabokov verzamelde vlinders, tot verrukking van zijn vrouw; Sylvia Plath werd imker, samen met Ted Hughes – maar niet veel van hen vormden zo’n perfect koppel voor het activisme dat vaak met vogels spotten gepaard gaat: Atwoods interesse, die bedaarder en enigszins ironisch lijkt, tempert het fanatisme van Gibson. In plaats van tekeer te gaan tegen katteneigenaars, zoals sommige vogelaars doen, hebben ze voor een evenwichtige, gemeenschappelijke benadering gekozen: gedreven maar begaan, niet zonder humor, geworteld in wetenschap, met een veelvuldig beroep op emotie en verstand.
Als het gesprek op andere plaatselijke initiatieven komt die het echtpaar ondersteunt – waaronder een van de eerste erkende biologische boerderijen op het eiland en het Pelee Island Book House, een pas geopende schrijversresidentie – rijst de kwestie van afzondering. Weinigen zouden het haar kwalijk nemen als Atwood de eenzaamheid zocht die haar roeping vereist en zich volledig buiten de eilandgemeenschap zou houden. In plaats daarvan kiest ze voor betrokkenheid.
‘Dat komt niet door mij,’ zegt ze. ‘Graeme kan het nou eenmaal niet laten.’
‘Nou, ze zijn goed voor ons geweest,’ zegt Gibson, ‘de mensen hier.’
Spotten van beroemdheden
Zoals andere afgelegen gemeenschappen in Canada heeft Pelee de reputatie erg op zichzelf te zijn. De eilanders moedigen het vogels spotten aan, maar niet het spotten van beroemdheden. Het wemelt van de komische verhalen over toeristen die de verkeerde kant op zijn gestuurd: vraag naar Atwood en de kans is groot dat je bij Dick’s Marina aan de andere kant van het eiland terechtkomt, een voormalige jachthaven waarvan alleen nog wat kapotte aanlegsteigers over zijn.
Terwijl we onze koffie opdrinken krijgen we het over de vrienden die op bezoek komen. De vogels komen nog steeds, maar de ‘oude kliek’ die zich verzamelt om ze te begroeten dunt uit. Shaughnessy Cohen, een van hun eerste gastheren op Pelee, bezweek aan een hersenbloeding tijdens een parlementszitting in 1998. Twee anderen zijn kortgeleden gestorven, onder wie historicus Ramsay Cook. Gibson is 84. Weken voordat ik hem ontmoette besloot hij een ingrijpende knieoperatie af te zeggen. ‘Ik word dement,’ zegt hij, bevestigend wat The New Yorker afgelopen lente al meldde in een lang portret van Atwood, ‘en dus leek het me beter me daarop te concentreren.’ Maar zo erg is het nog niet. Aan het begin van de dag kan hij nog steeds naar vogels kijken, vertelt hij me, terwijl hij zijn knie aanraakt. ‘Daarna, na twee biertjes, kan ik naar huis lopen.’
Vlaamse School, 17e eeuw. ‘Vogels in een boom voor een landschap’.
Net als Key West voor Ernest Hemingway is het eiland een soort toevluchtsoord voor Atwood – een ontsnapping uit een wereld die nog nooit zo veel belangstelling voor haar heeft gehad als nu. Als mediawijze oudere vrouw heeft ze meningen over wereldpolitiek, milieu en maatschappelijke kwesties die relevant en het citeren waard zijn. Ook haar werk vindt een groter publiek, vooral onder een jongere generatie. Atwoods tweets – die vaak humoristisch zijn en soms waarschuwen voor toenemend autoritarisme – worden door meer dan anderhalf miljoen mensen gevolgd. De tv-serie die is gemaakt van haar Verhaal van de dienstmaagd gaat zijn tweede seizoen in; de Canadese tv-zender CBC zendt sinds 25 september een miniserie uit op basis van haar roman Alias Grace uit 1996. Zelfs in het geweld van populaire cultuur en nieuwsberichten is het bijna onmogelijk geworden haar stem te negeren.
Zou een buitenstaander dit kunnen weten als hij naar de plaatselijke bevolking kijkt die het café bezoekt voor boterkoek en koffie? Waarschijnlijk niet; ze lopen allemaal voorbij. Een paar lange blikken misschien. Maar niemand valt het echtpaar lastig. Ze verzamelt hun servetten en bordjes.
Als even later de serveerster weg is tuurt Atwood over mijn schouder. ‘We zien je wel,’ zegt ze op zangerige toon. ‘We weten wat je wilt.’ Gibson volgt haar blik en trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op. Ik verwacht een toerist. Maar het is alleen maar een glanstroepiaal, zwart en iriserend blauw. Hij draait heel nieuwsgierig zijn kop om, zoals deze kleurige vogels doen, en vliegt weg.
Vogels zijn verbluffend intelligente wezens, bewijst Jennifer Ackerman in haar nieuwe boek De genialiteit van vogels. Ze kunnen spellen en rekenen, geven cadeautjes en troosten elkaar. In dit fragment neemt Ackerman de zang- en imitatiekunsten van verschillende soorten onder de loep.
Alle vogels vocaliseren. Ze schreeuwen, jodelen, krassen, jammeren, ratelen, tsjitten, ziiiten en zingen als engelen. Ze roepen om andere vogels te waarschuwen voor predatoren, en om familie, vrienden en vijanden te identificeren. Ze zingen om hun territorium te verdedigen, uit te zetten of af te bakenen en om partners het hof te maken.
Roepen zijn in de regel kort, simpel, bondig en aangeboren, net als een menselijke gil of lach; beide seksen brengen er een bepaalde boodschap mee over. Zang is over het algemeen langer, complexer en aangeleerd; in tropische gebieden zingen doorgaans zowel de mannetjes als de vrouwtjes, in gematigde streken meer gebruikelijk de mannetjes, en dan alleen tijdens het broedseizoen. Maar er loopt geen nette scheiding tussen roep en zang en er bestaan tal van uitzonderingen. Zo vallen de roepen van kraaien in een tiental categorieën (oproepend tot de aanval, scheldend, begroetend, bedelend, verkondigend, in duet) en sommige daarvan zijn aangeleerd. En de roepen van de Amerikaanse matkop zijn aanzienlijk complexer dan de tweetonige zang van de koolmees.
Maar met dat zingen is iets speciaals aan de hand. ‘Bijna alle dieren die vocaal communiceren doen dit instinctmatig,’ zegt Erich Jarvis, die aan Duke University onderzoek doet naar vocaal leren. ‘Bij de geboorte weten ze al hoe ze moeten krijsen of roepen of schreeuwen.’ Deze uitingen zijn aangeboren of ingeprent, net als het mèè van een schaap. ‘Vocaal leren daarentegen behelst het vermogen een geluid te horen en vervolgens, door de spieren van je strottenhoofd of je syrinx te gebruiken, dat geluid zelf te herhalen,’ legt Jarvis uit, ‘of dit nu een geluid is dat met spraak wordt aangeleerd of een noot bij vogelzang.’
Syrinx
Bijna de helft van alle vogels op aarde behoort tot de zangvogels, circa vierduizend soorten. Hun zang varieert van het prevelende, melancholische gegrinnik van de sialia tot de uit veertig noten opgebouwde aria van de koevogel, van het lange, ingewikkelde lied van de rietzanger tot het heldere fluiten van de heremietlijster en de verbluffend naadloze duetten van mannetje- en vrouwtjewenkbrauwwinterkoning.
Vogels weten waar ze moeten zingen en wanneer. In de openlucht draagt het geluid het verst circa een meter boven de begroeiing, dus zingen vogels vanaf een zangpost om zo min mogelijk last te hebben van interferentie. Vogels die in de onderlaag van het bos zingen gebruiken tonale geluiden en lagere frequenties dan vogels die in de kroonlaag zingen. Sommige vogels gebruiken frequenties die het lawaai van insecten en verkeer omzeilen. Vogels die in de buurt van luchthavens leven beginnen hun ochtendkoor eerder dan normaal, zodat er minder overlapping is met het kabaal van de vliegtuigen.
In zijn gedicht ‘Ode aan het vogelkijken’ vraagt Pablo Neruda zich af: ‘Hoe / kan uit zijn keel / kleiner dan een vinger / het water vallen / van zijn lied?’
Door één enkele uitvinding: een uniek instrument, de syrinx, genoemd naar de nimf die in een rietstengel veranderde toen ze achterna werd gezeten door Pan, god van de velden, het vee en de vruchtbaarheid. Het heeft lang geduurd voor wetenschappers de details van dit orgaan hadden achterhaald, aangezien het diep in de vogelborstkas huist, op het punt waar de luchtpijp zich opsplitst in de bronchiën die lucht naar de longen geleiden. Pas enkele jaren terug zijn onderzoekers er met behulp van MRI-scans en micro-CT eindelijk in geslaagd een verbluffend driedimensionaal hogeresolutiebeeld van het orgaan in actie te creëren.
Vogelconcert, toegeschreven aan Paul de Vos (Hulst 1595 – Antwerpen 1678).
Dit hightechbeeld laat een buitengewoon bouwwerkje zien. Het bestaat uit fijne kraakbeenringen en twee membranen – één aan elke kant van de syrinx – die door de luchtstroom supersnel in trilling worden gebracht en zo twee onafhankelijke klankbronnen vormen. Getalenteerde zangvogels zoals de spotlijster en de kanarie kunnen die membranen onafhankelijk van elkaar laten vibreren, waardoor ze gelijktijdig twee verschillende, harmonisch ongerelateerde tonen kunnen produceren – links één met een lage frequentie, rechts één met een hoge. Bovendien kunnen ze het volume en de frequentie van elk van de twee met een adembenemende snelheid variëren. De klanken die ze zo voortbrengen behoren tot de akoestisch meest complexe en gevarieerde in de natuur. (Dit fenomeen is zeer bijzonder. Wanneer een mens praat, bewegen alle toonhoogten en harmonieën van onze vocalisaties in dezelfde richting.)
Dit alles wordt gecontroleerd door minuscule, maar krachtige spieren. Sommige zangvogels, zoals de spreeuw en de zebravink, kunnen die spiertjes met een precisie van minder dan een milliseconde (meer dan honderd keer zo snel als het knipperen van een mensenoog) samentrekken en ontspannen. Dit staaltje van supersnelle spiercontractie komt slechts bij een handvol dieren voor, zoals in het orgaan dat het geratel van de ratelslang voortbrengt. De Oost-Amerikaanse winterkoning, een klein bruin bolletje dat bekendstaat om zijn vliegensvlugge zang, kan wel zesendertig tonen per seconde aan – veel meer dan onze oren of hersenen kunnen waarnemen of opnemen. Sommige vogels kunnen hun syrinx zelfs zo manipuleren dat ze menselijke spraak kunnen nabootsen.
Vogels met een uitgebreider stel syrinxspieren produceren over het algemeen complexere zang. De spotlijster in die ceder beschikt over wel zeven paar spieren, die hem in staat stellen zijn vocale acrobatiek schijnbaar moeiteloos vol te houden – zeventien, achttien, negentien wijsjes per minuut wanneer hij goed op dreef is. Tussen de noten door houdt hij de luchttoevoer op gang met kleine ademhalinkjes.
Een Australische natuurfilmer merkte eens op dat het een verrassende ervaring is om door het bos te lopen en plotseling geconfronteerd te worden “met een fazantachtige bruine vogel die naar je blaft als een hond”
Maar ook al wordt zijn fantasmagorische zang door de syrinx uitgevoerd, zijn brein initieert en coördineert het geheel. Elk spiertje wordt via prikkels vanuit een ingewikkeld netwerk van gebieden in de linker- en rechterhersenhelft aangestuurd. De prikkels coördineren de spiertjes in elk van de helften van de syrinx en zorgen daar voor precies de juiste luchtstroom voor de honderden geïmiteerde frasen die de spotlijster voortbrengt.
Het lijkt allemaal zo moeiteloos te gaan.
Maar is dat wel zo? Stel dat je een Duits of Portugees zinnetje wil nazeggen. Dan moet je zorgvuldig luisteren naar de persoon die het uitspreekt en je moet het ook nog accuraat horen. Dat is nog niet zo eenvoudig, verzekert psycholoog Tim Gentner, en al helemaal niet wanneer je op een feestje of in een rumoerige straat bent, waar je dat zinnetje uit een kakofonie van geluiden moet zien te pikken, een fenomeen dat ‘auditieve stroomsegregatie’ of ‘selectieve aandacht’ wordt genoemd. Vogels hebben veel met dit soort kabaal te stellen, vooral tijdens zangpieken zoals het ochtendkoor. ‘Veel vogels zijn sociale wezens; ze communiceren met elkaar in relatief grote groepen,’ aldus Gentner, werkzaam aan de University of California, San Diego. ‘Er zijn een hele hoop signalen, en niet alles daarvan is op elk moment even nuttig voor elk individu, dus één belangrijke taak is uitvogelen welke akoestische stromen relevante informatie dragen.’
Wanneer je eenmaal een doelfrase uit al dat rumoer hebt geïsoleerd, moet je deze in gedachten houden terwijl je brein de klankenstroom vertaalt naar een set motorische opdrachten, die vervolgens weer naar je strottenhoofd worden gezonden, in de hoop dat dit een vergelijkbare klankenstroom zal voortbrengen. Je zal het zinnetje echter zelden al de eerste keer goed hebben. Het vergt oefening, vallen en opstaan, je eigen fouten horen en ze verbeteren. Als je het zinnetje wil vasthouden, moet je het zo vaak herhalen dat de hersenbanen die de herinnering in de eerste plaats hebben gecreëerd, worden versterkt. En als je het voor altijd wil onthouden, moet je het ook nog archiveren in een veilige langetermijnopslagplaats.
Spotlijsters zijn hier buitengewoon bedreven in. Het bewijs wordt geleverd door sono- of spectrogrammen. Dankzij deze visuele omzettingen van auditieve signalen (met de frequentie of toonhoogte op de verticale as en de tijd op de horizontale) kunnen wetenschappers subtiele verschillen in vogelzang zichtbaar maken.
Als je het sonogram van het prototype van een vogellied naast dat van de imitatie van een spotlijster legt, blijkt dat de spotlijster zich vrijwel perfect aan het oorspronkelijke script van de boomklever, de lijster of de whippoorwill houdt. Wetenschappers hebben ontdekt dat wanneer een spotlijster het lied van een rode kardinaal nazingt, hij zelfs de spierpatronen van die vogel nabootst. Als bepaalde tonen van zijn model buiten zijn normale frequentiebereik vallen, vervangt hij ze door andere of laat ze weg, maar in dat laatste geval zal hij andere tonen verlengen om de lengte van het lied gelijk te houden. Wanneer het snelvuur van tonen (bijvoorbeeld van kanariezang) hem te snel gaat, zal hij tonen clusteren en korte pauzes inlassen om adem te kunnen halen, maar nog steeds een identieke liedlengte aanhouden. Een whippoorwill of een lijster vliegt er misschien niet in, maar mij leidt hij met gemak om de tuin.
Natuurlijk is de spotlijster niet de enige imitator van het vogelrijk. De rosse spotlijster, eveneens van de familie der Mimidae, kan tien keer zo veel liedjes nabootsen als de spotlijster, maar niet zo nauwkeurig. Ook spreeuwen zijn begaafde imitatoren, evenals nachtegalen, die circa zestig verschillende wijsjes kunnen nazingen na elk slechts een paar keer te hebben gehoord. Van bosrietzangers is bekend dat ze een woeste, gedreven, internationale potpourri zingen, doorspekt met de wijsjes van meer dan honderd andere soorten. Sommige van die wijsjes zijn Europees, opgepikt in zijn broedgebied, maar de meeste zijn Afrikaans, verzameld in de streken in Oeganda waar hij zijn winters doorbrengt. Zijn imitaties van de borangraszanger, de wijntortel en de broebroe vormen een soort akoestische landkaart van zijn Afrikaanse reizen.
De liervogel is de geluidsdief bij uitstek. Een Australische natuurfilmer merkte eens op dat het een verrassende ervaring is om door het bos te lopen en plotseling geconfronteerd te worden ‘met een fazantachtige bruine vogel die naar je blaft als een hond’. De treurdrongo, die schrandere Afrikaanse vogel die eksterbabbelaars om de tuin leidt, imiteert niet alleen de alarmroep van de babbelaars, maar ook die van verrassend veel andere soorten. Zijn truc dient altijd hetzelfde doel: rechtschapen vogels of zoogdieren de stuipen op het lijf jagen, zodat hij hun moeizaam vergaarde hapjes kan stelen.
Er zijn gevallen bekend van een goudvink die erop getraind was ‘God Save the King’ te zingen, van een katvogel die de taptoe liet horen (wellicht opgepikt van ceremonies op de begraafplaats in de buurt) en van een kuifleeuwerik in het zuiden van Duitsland die zich de vier fluittonen eigen had gemaakt waarmee een plaatselijke herder zijn honden aan het werk zette. Zijn imitaties waren zo accuraat dat de honden de gefloten commando’s van de vogel direct opvolgden: ‘Naar voren! Snel! Halt! Hier komen!’ Die commando’s verspreidden zich vervolgens weer onder andere leeuweriken, waardoor een gebiedje met lokale ‘kreten’ (en waarschijnlijk enkele zeer kortademige herdershonden) ontstond.
Sommige vogels zijn buitengewoon goed in het imiteren van menselijke spraak. De grijze roodstaartpapegaai is er een van. De beo komt beslist ook in aanmerking, evenals de kaketoe. Die paar soorten worden als de grote redenaars van de vogelwereld beschouwd. Over een paar andere soorten uit de kraaien- en papegaaienfamilies, zoals parkieten, verschillen de meningen. The New Yorker berichtte ooit eens: ‘De eerste woorden die een parkiet uit Westchester na weken van stilte sprak, waren “Zeg wat, verdorie, zeg wat!”’
Het imiteren van menselijke geluiden vraagt veel van een vogel. Wij vormen onze klinkers en medeklinkers met onze lippen en tong, die tot de meest soepele, flexibele en onvermoeibare delen van het menselijk lichaam behoren. Voor vogels, die geen lippen hebben en een tong die in de regel niet wordt gebruikt voor het maken van klanken, is het nogal wat om de nuances van de menselijke spraak onder de knie te krijgen. Dit verklaart wellicht waarom slechts een handvol soorten die vaardigheid heeft verworven. Papegaaiachtigen zijn in die zin bijzonder dat ze hun tong gebruiken bij het roepen en hem kunnen manipuleren om klinkers te vormen, eigenschappen die waarschijnlijk ten grondslag liggen aan hun vermogen om spraak te imiteren.
De grijze roodstaartpapegaai is de parlementariër van het vogelrijk. Irene Pepperberg maakte deze papegaaien en hun spraakvermogen beroemd door haar werk met Alex, misschien wel de beroemdste sprekende vogel ter wereld. Pepperberg placht verschillende soorten vragen over voorwerpen te combineren, en Alex kon ze met een bijna perfecte precisie beantwoorden. Als ze hem bijvoorbeeld een groen vierkant van hout liet zien, vertelde hij welke kleur het had, welke vorm en, nadat hij het had aangeraakt, van welk materiaal het was gemaakt. Hij had een voorliefde voor zinnetjes die hij in het lab hoorde, zoals ‘Let op!’, ‘Rustig maar’ en ‘Doei, ik ga nu eten, ik zie je morgen weer!’
Alex was niet de enige vogel die grapjes maakte. Ik ken een grijze roodstaart die zijn naam, Throckmorton, met een shakespeareaanse precisie uitspreekt. Throckmorton is genoemd naar de man die tussenpersoon was voor de Schotse koningin Maria Stuart (en in 1584 werd opgehangen wegens samenzwering tegen koningin Elizabeth i). Hij heeft een breed repertoire aan geluiden uit het gezinsleven, waaronder de stemmen van zijn baasjes Karin en Bob, die hij in zijn eigen voordeel gebruikt. Hij roept Karins naam met een ‘Bob-stem’, die volgens Karin heel goed is – ze kan het verschil niet horen. Ook imiteert hij de ringtonen van hun mobieltjes. Een van zijn favoriete trucs is dat hij Bob uit de garage roept door zijn ringtoon na te doen. Als Bob dan komt aanrennen, ‘neemt’ Throckmorton de telefoon ‘op’ met de stem van Bob: ‘Hallo? Uh-huh, uh-huh, uh-huh.’
Hij sluit het gesprek af met de vlakke toon die je hoort als de verbinding is verbroken.
Favoriete Bob-woord
Throckmorton imiteert het klok-klokgeluid van Karin die water drinkt en het geslurp van Bob als hij kleine slokjes neemt van zijn te hete koffie, en ook het blaffen van de vroegere hond van het gezin, een jack russell die al negen jaar dood is. Hij beheerst ook het keffen van de huidige hond, een dwergschnauzer, en doet doodleuk mee als hij blaft, ‘waardoor mijn huis wel een kennel lijkt’, aldus Karin. ‘En ook dit doet hij weer perfect. Niemand merkt dat er een papegaai zit te blaffen in plaats van een hond.’ Toen Bob eens snipverkouden was, breidde Throckmorton zijn repertoire uit met snuiten, hoesten en niezen. Een andere keer kwam Bob met een vreselijke buikgriep terug van een zakenreis; Throckmorton maakte nog zes maanden daarna kokhalsgeluiden.
Een tijd lang was zijn favoriete Bob-woord ‘shhhhhhhiiiit’.
Er zijn gevallen bekend van papegaaiachtigen die andere papegaaiachtigen leerden vuilbekken. Een jaar of wat geleden kreeg een natuurkenner die bij de Search & Discover-desk van het Australian Museum werkte telefoontjes van mensen die wilde kaketoes in de outback hadden horen vloeken. Een aan het museum verbonden ornitholoog zinspeelde erop dat de wilde vogels dat hadden geleerd van voorheen gekooide kaketoes en andere papegaaiachtigen die ontsnapt waren en zo lang wisten te overleven dat ze zich konden aansluiten bij een groep, met wie ze de woorden deelden die ze in gevangenschap hadden opgepikt. Als het inderdaad zo is gegaan, is dat een mooi voorbeeld van culturele overdracht.
Auteur: Jennifer Ackerman
Jennifer Ackerman (1959) schrijft al bijna dertig jaar over wetenschap, natuur en biologie. Ze publiceert regelmatig in Scientific American,National Geographic en The New York Times.
De genialiteit van vogels (vertaling: Hanneke Bos) verscheen onlangs bij Prometheus.
Nog altijd zijn er veel vragen over de migratiebewegingen van dieren. Door ze uit te rusten met geavanceerde zendertjes hoopt een Duitse wetenschapper ‘levende meetstations’ te creëren.
Toen rijksgraaf Von Bothmer in 1822 op zijn landgoed in de buurt van Lübeck een ooievaar schoot, was dat kennelijk al de tweede aanslag op het dier. In de hals van de ooievaar stak een 40 centimeter lange Afrikaanse pijl. Voor de wetenschap was de pechvogel een gelukje. Al eeuwenlang was de vraag wat ooievaars en andere trekvogels in de winter doen voer voor talloze mythen.
Sommige mensen dachten dat ze zich in de koudste tijd van het jaar ingroeven in de modder of dat ze in muizen veranderden. Volgens een van de theorieën vlogen de dieren zelfs naar de maan om daar te overwinteren. In de negentiende eeuw waren onderzoekers het er nagenoeg over eens dat de dieren de winter in Afrika doorbrachten. Maar de ooievaar met de pijl was het eerste tastbare bewijs daarvan.
‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand’
Sindsdien hebben wetenschappers de migratiebewegingen van talloze diersoorten onderzocht door ze van ringen, zenders of camera’s te voorzien of met kleine vliegtuigjes te begeleiden. Maar nog altijd zijn tal van vragen onbeantwoord. Zo is volgens Martin Wikelski van het Max Planck Instituut voor Ornithologie in Radolfzell vaak onduidelijk wat de precieze routes zijn en waar de vogels tussenstops maken. Ook is het een raadsel waar veel van de vogels sterven. ‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand.’ Van sommige vogelsoorten is nog altijd niet duidelijk waar ze overwinteren, zegt Wikelski. ‘Goed beschouwd is er eigenlijk niets waar we echt goed bekend mee zijn.’
Om daarin verandering aan te brengen, wil Wikelski tienduizenden dieren gaan uitrusten met zendertjes, die elke beweging volgen. Een speciale antenne die de signalen opvangt, moet in juni door Russische kosmonauten aan het Internationale Ruimtestation worden bevestigd. Het project heet ICARUS (International Cooperation for Animal Research Using Space) en onderzoekers verwachten een stroom van nieuwe gegevens over de aanwezigheid en het gedrag van talloze diersoorten. Maar Wikelski heeft nog veel meer in gedachten.
Onlangs presenteerde hij in het Institut für Zoo- und Wildtierforschung in Berlijn zijn ideeën op een symposium van de Nationale Akademie der Wissenschaften Leopoldina. Volgens de onderzoeker kunnen de dieren als levende meetstations ook informatie over wind en weer, temperatuur en ozon- en CO2-gehalte leveren, en op die manier de mensheid helpen om klimaatmodellen te verbeteren of zelfs natuurrampen te voorspellen. Wat Wikelski voor ogen heeft, is een netwerk van levende sensoren dat zich uitstrekt over de planeet, een soort internet van de dieren.
Om te beginnen is ICARUS echter de hightechvariant van een onderzoeksterrein dat teruggaat tot het einde van de negentiende eeuw. Destijds gingen wetenschappers vogels van ringetjes voorzien. Meldingen van waar die vogels waren aangetroffen stelden hen in staat conclusies te trekken over het gedrag. ‘Het is ongelooflijk tot welke fundamentele inzichten we door het ringen van vogels zijn gekomen,’ zegt Walter Jetz, onderzoeker aan de Yale-universiteit in de Verenigde Staten. ‘Maar nu is het tijd voor een nieuwe technologie. Wat aan het begin van de twintigste eeuw het ringen van vogels was, dat is gps-tracking nu,’ zegt Jetz.
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.
De Duitse Anna Haifisch (30) maakt snel naam in de stripwereld met haar door dieren bevolkte graphic novels over het kunstenaarsbestaan. Begin november staat ze op Crossing Border in Den Haag.
Alleen al haar naam is briljant: Anna Haifisch. Beng! [Haifisch betekent ‘haai’]. In 1986 werd ze geboren in Leipzig, waar ze ook heeft gestudeerd en tegenwoordig haar atelier heeft. Anna Haifisch tekent comics, undergroundstrips waarin niet veel gebeurt, maar die wel heel goed zijn. Kikkers bezuipen zich op feestjes, twee skaters belanden in een griezelig opvangcentrum voor elektrische gitaren, een of ander figuur wordt door zijn Nintendo in de maling genomen en moet later als invalkracht in de supermarkt een hippie uit de vuilcontainer wegjagen, en een kungfuvechter – een haas – raakt bevriend met een octopus die net weduwe is geworden.
Dat zijn allemaal korte verhalen, maar onlangs is bij Rotopolpress het eerste langere stripverhaal van Anna Haifisch verschenen: Von Spatz. Alweer zo’n goede naam, als die van een nazi uit een Amerikaanse C-film uit de jaren zeventig. ‘In werkelijkheid’ zijn de Von Spatzs van oude Oostenrijkse adel en in 1938 na de Anschluss van Oostenrijk bij Hitler-Duitsland naar de VS geëmigreerd. Daar hebben ze het Von Spatz Rehab Center gesticht, dat de op leeftijd geraakte hippiedochter Margarete nu met veel liefde leidt.
Het Rehab Center is een psychiatrisch ziekenhuis voor opgebrande striptekenaars. Een losse verzameling modernistische kubussen met veel glas, veel licht, veel rust en veel tijd om te tekenen. Tussendoor vinden er groepstherapiesessies plaats en wordt natuurlijk ook wel eens een dosis lorazepam geslikt.
‘Als je de hele tijd maar wat voor je uit zit te tekenen, dan komen de lows vanzelf,’ zegt Anna Haifisch. ‘Ik zie dan altijd beelden voor me van Lindsay Lohan met enkelband en e-sigaret in LA, of van rocksterren in de Betty Fordkliniek. Ik kijk daar met een liefdevolle blik naar, waarom weet ik ook niet.’ Maar omdat ze niet een verhaal over zichzelf wilde schrijven, liet ze gewoon Walt Disney in het psychiatrisch ziekenhuis opnemen: als grote dunne gans met snor en een enorme cowboyhoed. Opgebrand wordt Walt in zijn kamer gevonden, letterlijk niet meer dan een leeg omhulsel. ‘Toen ik hier werd binnengebracht, woog ik niet meer dan een kat,’ noteert hij over zijn aankomst in het Von Spatz.
In veel korte episodes vertelt Anna Haifisch over Walts therapie, zijn vooruitgang, existentiële crises en nachtmerries, over innerlijke monologen in haikuvorm, een zonsverduistering en ook over de zeer uiteenlopende interpretaties van de opdracht ‘Teken een verhaal met een emmer, een mees en een wezel met een leuke hoed’. Behalve gans Walt zijn er namelijk nog twee stripcoryfeeën uit de twintigste eeuw bij Margarete von Spatz onder behandeling: de witte muis Tomi (Ungerer) en de kater Saul (Steinberg).
“De kleuren mogen beslist niet deprimerend zijn,” zegt ze. “Ze zijn een eerbetoon aan de Californische zon”
De surreële stijl is de bijzondere kwaliteit van Von Spatz, want die geeft de juiste draai aan het tamelijk uitgemolken thema van de crisisgevoeligheid van de kwetsbare kunstenaarswereld. Als in een aquarium bewegen Walt, Saul en Tomi zich door het Rehab Center. Hun stilzwijgen is ronduit rustgevend, alsof Margarete von Spatz ons lezers ook een paar kalmeringsmiddelen heeft gegeven. ‘Een van de pinguïns wilde dat ik hem met een haring een draai om z’n oren gaf,’ noteert Walt over de pinguïntherapie van de bewoners [waarbij ze pinguïns aaien]. Bij de stelling met boetseerklei in de kunstbenodigdhedenwinkel duikt plotseling stripfiguur Doraemon op. En telkens weer ligt er ergens een ananas.
Ook de kleuren dragen bij aan de onwerkelijke sfeer. Anna gebruikt uitsluitend seringenpaars, oranje, geel, hemelsblauw en oudroze. Hier komt haar achtergrond in het zeefdrukken om de hoek kijken, waarbij doorgaans weinig kleuren worden gebruikt. En haar afkeer van groen. ‘De kleuren mogen beslist niet deprimerend zijn,’ zegt ze. ‘Ze zijn een eerbetoon aan de Californische zon. Ik hoop dat ik die pretentie kan waarmaken, want ik ben daar nog nooit geweest. Het verhaal heb ik, net als Karl May, compleet verzonnen.’
The Artist
Von Spatz is niet Haifisch’ enige strip over het kunstenaarsbestaan. Voor VICE tekent ze wekelijks de webcomic ‘The Artist’, drie pagina’s lange anekdotes uit het leven van een hedendaagse bohemien. Het pijnlijke bezoek aan het ouderlijk huis en de creativiteitscrisis die al Facebookend in bed wordt doorgemaakt zijn evenzeer thema’s als de geweldige herinneringen aan de kunstacademie en het bezoek aan een met clichés overladen vernissage: ‘Haha, no Art Show without a Birdcage. Oh no… there is a naked man over there.’
Haifisch heeft nauwe banden met het deel van de Duitse comicscene dat van de kunstacademies komt. Samen met tekenaar James Turek uit Leipzig geeft ze Tiny Masters uit: broekzakgrote strips waarop je een verrassingsjaarabonnement kunt nemen. Elk kwartaal vallen er dan drie nieuwe nummers in de bus, die in good old fanzinestijl worden gekopieerd, gesneden en ingebonden. Tot de tekenaars behoren de Duitse stripgrootheden Arne Bellstorf en Sascha Hommer.
Bovendien is ze mede-initiatiefneemster van het festival The Millionaires Club – alweer zo’n gave naam! – een bonte verzameling strips, illustraties, posters en zeefdrukken, veelal gemaakt door amateurs. Sinds 2013 vindt het gelijktijdig plaats met de Leipziger Buchmesse.
Kunstenares is Anna Haifisch in elk geval graag: ‘Ik heb best een mooi leven. Ik kan zo’n beetje doen wat ik wil en vooral ook wanneer ik wil,’ zegt ze. Dat er onregelmatigheden in het geld verdienen zitten, neemt ze graag voor lief: ‘Als het kan, dan leef ik als een bohemienne. Zo niet, dan kruip ik weg in mijn atelier en eet ik knäckebröd.’
Auteur: Michael Brake
Op zaterdag 5 november is Anna Haifisch te gast op het Crossing Border Festival in Den Haag. Samen met de Nederlandse striptekenaar Wasco en de Fin Tommi Musturi treedt ze op het in het Graphic Novel-programma. Presentatie: Gert Jan Pos.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.