Poetins ‘verwerpelijke schending van het internationaal recht’ vereist ‘nieuwe, krachtige capaciteiten’ voor de Duitse strijdkrachten, stelt Christian Göbel, filosoof en militair reserveofficier.
Toen Rusland op 24 februari 2022 zijn invasie van Oekraïne begon, veroordeelde de Duitse regering de aanval meteen en sprak zij haar onvoorwaardelijke steun aan Oekraïne uit. Maar het duurde enige tijd – en vergde meerdere beleidsaanpassingen – tot Duitsland de brede en robuuste steun bood die het inmiddels tot de op een na grootste wapenleverancier van Oekraïne heeft gemaakt, na de VS. De vertragingen waren grotendeels te wijten aan politieke en ethische overwegingen, waaronder constitutionele zorgen over wapenleveranties aan een oorlogsgebied, een mogelijke escalatie van de oorlog (nucleaire dreigingen, economische risico’s et cetera) en bezwaren van invloedrijke pacifisten. Met een beroep op het beginsel van verdediging van anderen en op de noodzaak de mondiale vredesorde te beschermen door de Russische agressor te stoppen, besloot de Duitse regering echter niet alleen Oekraïne te steunen, maar ook haar veiligheidsbeleid te herzien. Bondskanselier Olaf Scholz bestempelde deze koerswijziging veelzeggend als een ‘Zeitenwende’ (een keerpunt en begin van een nieuw tijdperk): Poetins ‘verwerpelijke schending van het internationaal recht’ vereist ‘nieuwe, krachtige capaciteiten’ voor de Bundeswehr (de Duitse strijdkrachten). De nieuwe defensierichtsnoeren van Duitsland, gepubliceerd op 9 november 2023, werken dit uit: ‘oorlogsvoeringsvermogen’ is het doel, en Duitsland wil de ‘ruggengraat van afschrikking en collectieve verdediging in Europa’ zijn.
Koerswijziging
Dit roept de vraag op of de strategische koerswijziging ook een verandering in onze benadering van de ethiek van oorlog en vrede vereist. Voor Duitsland betekent dit concreet een terugkeer van de doctrine van de rechtvaardige vrede naar de klassieke doctrine van de rechtvaardige oorlog. Terwijl de huidige focus op oorlogsvoering enerzijds brede ongemakkelijkheid heeft veroorzaakt in de Duitse burgersbevolking (hoewel de meeste Duitsers niet antimilitaristisch zijn, is de mogelijke militarisering van de samenleving een aanzienlijke zorg), zijn er anderzijds zelfs theologen die de ‘just-war-theorie’ (JWT, theorie van de rechtvaardige oorlog) nieuw leven hebben ingeblazen om (a) de steun aan Oekraïne en (b) sterkere inspanningen om de Bundeswehr te versterken te rechtvaardigen. Hoe begrijpelijk ook, dat is niet nodig. Mijn korte schets van het Duitse concept van de just peace-theorie (JPT, theorie van de rechtvaardige vrede) laat zien waarom Poetins agressie geen zoektocht naar een ‘nieuwe’ ethiek en een terugkeer naar de JWT vereist; de internationale reactie tot dusver bevestigt eerder de effectiviteit van JPT.
De theorie van rechtvaardige oorlog berust op zeven principes. Deze worden traditioneel onderverdeeld in (a) jus ad bellum (‘het recht tot oorlogsvoering’, de voorwaarden die oorlog moreel toelaatbaar maken: een rechtvaardige aanleiding, het laatste redmiddel, legitiem gezag, de juiste intentie en een redelijke kans op slagen) en (b) jus in bello (‘het juiste gedrag in de oorlog’, oftewel proportionaliteit en de onschendbaarheid van non-combattanten). Hoewel JWT wortels heeft in filosofie uit de oudheid en tegenwoordig ook in niet-religieuze contexten wordt gebruikt, is de theorie voornamelijk ontwikkeld door christelijke denkers als Augustinus (354-430) en Thomas van Aquino (1225-1274). Lange tijd werd het beschouwd als een essentieel onderdeel van de katholieke sociale leer. Katholieke ethici in de VS spraken dan ook van een ‘ingrijpende verandering’ toen de Vaticaanse conferentie ‘Geweldloosheid en rechtvaardige vrede’ in 2016 pleitte voor de vervanging van JWT door een concept van ‘rechtvaardige vrede’.
Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog riep het Tweede Vaticaans Concilie uit tot ‘Nooit meer oorlog!’
Het Duitse concept van JPT werd ontwikkeld na het einde van de Koude Oorlog. De principes gaan uit van een stabiele vrede in Europa – waar Duitsland ‘omringd is door vrienden’, zoals voormalig minister van Defensie Volker Rühe het omschreef – en richten zich op internationaal crisisbeheer. Het zou echter misleidend zijn om JPT te beschouwen als een vredesethiek voor het tijdperk ná de Koude Oorlog en JWT als een ethiek voor de Koude Oorlog, die nu nieuw leven moet worden ingeblazen vanwege de confrontatie met Rusland onder Poetin. JPT, zoals de Duitse bisschoppen die opvatten, stamt daarentegen uit de christelijke vredesleer, geïnspireerd door Jezus’ gebod om elkaar lief te hebben, in het bijbelse ‘verband tussen gerechtigheid en vrede’ en in het streven naar een op regels gebaseerde veiligheidsorde. Dit streven werd beïnvloed door Immanuel Kants visie op de ‘Eeuwige Vrede’ en kwam tot uiting in het oorlogsverbod van het VN-Handvest. Op het hoogtepunt van de Koude Oorlog riep het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) uit tot ‘Nooit meer oorlog!’ Dit motto is sindsdien leidend geweest voor pausen als Paulus VI, Johannes Paulus II en Franciscus.
Tegelijkertijd erkende het Concilie de rol van een sterke krijgsmacht bij het veiligstellen van de vrede; het noemde soldaten ‘vredesinstrumenten’ en rechtvaardigde hun dienst. De Duitse bisschoppen bouwen hierop voort, en het is veelzeggend dat deze visie naadloos aansluit bij het idee achter de Duitse herbewapening. De krijgsmacht – zo schreef generaal Wolf Graf von Baudissin, een van de grondleggers van de Bundeswehr, in 1957 – erkent ‘de vrede als de normale toestand, het enige doel dat een oorlog kan rechtvaardigen kan zijn. De vrede geeft de oorlogsvoering haar mandaat en haar grenzen.’
In tegenstelling tot anderen zie ik JPT niet zozeer als een ingrijpende ‘paradigmaverschuiving’, maar veeleer als een perspectiefwisseling die zich richt op het enige aanvaardbare doel van gerechtvaardigd militair geweld: vrede. JPT geeft prioriteit aan (a) vrede door gerechtigheid: het doel is geweldspreventie door ‘de diepere oorzaken van oorlog’ aan te pakken en wereldwijd economisch, sociaal, ecologisch en politiek rechtvaardige omstandigheden te scheppen die oorlog onnodig en onwenselijk maken. Geweldloze, civiele, constructieve en coöperatieve conflictoplossing en verzoening krijgen voorrang op militair geweld. Tegelijkertijd benadrukt JPT dat (b) alleen een rechtvaardige vrede acceptabel is, niet slechts de afwezigheid van vijandelijkheden.
Na 1945 vonden velen het idee van oorlog als een gerechtvaardigd politiek middel niet langer houdbaar. De wereldoorlogen hadden het langdurige misbruik van JWT opnieuw aan het licht gebracht. De inspanningen van vroege voorstanders als Augustinus en Thomas van Aquino om geweld in te dammen, waren verworden tot een vermeend ‘recht op oorlog’. Nationale belangen kregen vaak een schijn van legitimiteit doordat jus ad bellum werd gereduceerd tot het criterium van ‘legitiem gezag’, waaraan werd voldaan zodra een soevereine staat formeel de oorlog verklaarde. Massavernietigingswapens vormden een extra uitdaging voor de normen van het jus in bello, met name het principe van de onschendbaarheid van non-combattanten. Maar de Koude Oorlog hield JWT in leven en politici bleven de retoriek van JWT gebruikten om schijnmorele rechtvaardigingen te bieden voor proxy-oorlogen.
De filosofische renaissance van JWT, ingezet door Amerikaanse wetenschappers als R. Potter en M. Walzer, werd door Duitse ethici met scepsis ontvangen, waarna ze het concept van JPT ontwikkelden. Maar daarbij zagen ze over het hoofd dat hedendaagse JWT-theoretici kritisch stonden tegenover bijvoorbeeld de Vietnamoorlog en de doctrine van nucleaire afschrikking, en nooit de intentie hadden om oorlog opnieuw als een moreel aanvaardbaar politiek instrument te introduceren.
Die verwarring bestaat nog steeds. Hedendaagse JWT (contemporary JWT, cJWT) interpreteert het principe van de juiste intentie zeer restrictief: men moet niet alleen streven naar het herstel van de vrede, maar ‘de vrede die na de oorlog wordt gesticht, moet te verkiezen zijn boven de vrede die zou hebben geheerst als de oorlog niet was gevoerd’. Het doel van een werkelijk ‘rechtvaardige en duurzame vrede’ wordt nu soms zelfs beschouwd als een nieuwe categorie binnen JWT genaamd ‘jus post bellum’. Recent is ook een vierde categorie voorgesteld: ‘jus ante bellum’. Sommige Amerikaanse academici gebruiken de term in lijn met een kernidee van het Duitse JPT-concept: als een uitdrukking van de plicht om vrede te verzekeren en conflicten te voorkomen door middel van gerechtigheid en diplomatie.
Morele camouflage
Voor alle duidelijkheid: ik heb geen bezwaar tegen cJWT, dat geweld meer inperkt dan het legitimeert. Maar omdat het Duitse JPT-concept veel gemeen heeft met de huidige vormen van JWT, is er geen reden om naar laatstgenoemde terug te keren. Het grote voordeel van JPT is de terminologische helderheid: de focus ligt op vrede en de weigering om oorlog als een morele categorie te erkennen. Bovendien lijkt een realistische JPT, die prioriteit geeft aan conflictpreventie zonder de incidentele noodzaak van militair geweld te negeren, voor de hand liggender dan pogingen om conflictpreventie onder de noemer ‘jus ante bellum’ in JWT te integreren. Kortom, de oproepen van sommige Duitse theologen om JWT nieuw leven in te blazen na de Russische aanval zijn onnodig, aangezien het JPT-concept uit de kerkelijke documenten en cJWT een vergelijkbare opvatting heeft over gerechtvaardigd militair geweld.
Het is begrijpelijk dat Poetins agressie de belangstelling voor JWT opnieuw heeft aangewakkerd. Belangrijker is echter dat internationale reacties de principes van JPT onderstrepen. Ondanks enkele sympathisanten van Rusland blijft hierover een overweldigende consensus bestaan, die op 2 maart 2022 leidde tot de veroordeling van Rusland door de Algemene Vergadering van de VN. Politieke leiders wereldwijd, van de voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen tot NAVO-secretaris-generaal Jens Stoltenberg en VN-secretaris-generaal Antonio Guterres, hebben de term ‘rechtvaardige vrede’ op precies dezelfde manier gebruikt als die door de Duitse kerken wordt opgevat, namelijk om een vrede te eisen die meer is dan een ‘door Rusland gedicteerde vrede’, zoals Gutteres in januari 2024 zei. De oorlog in Oekraïne toont aan dat het Duitse JPT-concept geen ‘speciale weg’ is, zoals soms wordt beweerd, maar juist strookt met de internationale vredesethiek. Dit komt doordat het (a) prioriteit geeft aan vredesopbouw door gerechtigheid, en (b) de voorwaarden vaststelt voor een werkelijk rechtvaardige vrede.
Vasthoudend aan de principes van JPT steunen de meeste Duitse kerkleiders, met uitzondering van enkele radicale pacifisten, dan ook de militaire hulp aan Oekraïne. De Duitse Protestantse Kerkdag nodigde in 2023 voor het eerst in zijn geschiedenis de inspecteur-generaal van de Bundeswehr, generaal Carsten Breuer, uit. Hij greep de gelegenheid aan om het Oekraïnebeleid van de regering bondig samen te vatten: ‘Als het Westen geen wapens had geleverd, was de oorlog voorbij, maar dan zou Oekraïne onder het juk van Rusland leven. De oorlog zou voorbij zijn, maar het lijden zou doorgaan.’ De katholieke militair bisschop van Duitsland, Franz-Josef Overbeck, heeft een vergelijkbaar argument aangevoerd. Beiden verwoorden het fundamentele principe van JPT: negatieve vrede volstaat niet; we moeten strijden voor rechtvaardige omstandigheden die een vreedzaam bestaan garanderen.
Internationaal humanitair recht stelt militaire ethische vorming voor stevige uitdagingen
JPT en JWT delen de jus in bello-gedachte, die is verankerd in het internationaal humanitair recht. Deze omvat echter meer dan een reeks wettelijke normen waaraan soldaten zich moeten houden. Dit stelt de militaire ethische vorming voor stevige uitdagingen. Van militairen mag worden verwacht dat zij – om met [de Amerikaanse psycholoog] Lawrence Kohlberg te spreken – boven het ‘conventionele’ morele oordeel uitstijgen en hun beslissingen toetsen aan universele mensenrechtennormen. Daarbij is het goed om te beseffen dat de waarden waarop in de vorming vaak de nadruk ligt – plicht, loyaliteit, moed – vooral instrumentele deugden zijn: ze krijgen pas werkelijke morele betekenis wanneer ze zijn ingebed in een breder normatief kader.
Tijdens de Duitse deelname aan de internationale militaire missie in Afghanistan (ISAF) pleitten sommige generaals voor een ‘nieuwe’ krijgersmentaliteit, waarbij – zoals zij het formuleerden – ‘archaïsche vechters’ prioriteit kregen boven morele overwegingen. De oorlog in Oekraïne laat zien hoe kortzichtig dat was. Ze onderstreept het belang van een krijgsmacht die moreel handelt en in het bijzonder de jus in bello-principes omarmt die zowel deel uitmaken van JWT als JPT: de internationale gemeenschap heeft niet alleen de Russische aantasting van de internationale vredesorde veroordeeld, maar ook de voortdurende schendingen van het internationaal humanitair recht (IHR) – oorlogsmisdaden tegen burgers, krijgsgevangenen, civiele infrastructuur, enzovoort. Het feit dat Rusland elke morele verhevenheid heeft prijsgegeven, heeft de westerse steun voor Oekraïne alleen maar versterkt. Om deze en andere redenen kan de oorlog in Oekraïne worden gezien als een casus over de strategische relevantie van militaire ethiek – of beter gezegd: over het gebrek daaraan.
Er is nog steeds een weg naar duurzame vrede in Israël en Palestina, schrijft de Palestijnse politiek activist Samer Sinijlawi. ‘Maar om daar te komen, zullen beide partijen hun manier van denken radicaal moeten omgooien – evenals hun leiderschap.’
Vaak wordt aangenomen dat het conflict tussen Israëliërs en Palestijnen onmogelijk op te lossen is, dat het een kwestie is van twee nationale bewegingen met onverzoenlijke wensen voor één klein stukje land. Zo voelt het al bijna een eeuw, en misschien is dat gevoel nog nooit zo sterk geweest als in het afgelopen jaar, een jaar van woede en verdriet.
Maar als Palestijn die geboren is in de Oude Stad van Jeruzalem, die de bezetting heeft meegemaakt en die vijf jaar in een Israëlische gevangenis heeft gezeten, zie ik een uitweg. Zelfs nu, terwijl de pijn nog zo vers is, geloof ik dat de Palestijnen een eigen staat kunnen stichten en dat de twee volken naast elkaar kunnen bestaan. Maar om daar te komen zullen beide partijen hun manier van denken radicaal moeten omgooien – evenals hun leiderschap.
De toekomst die ik me voorstel is in sommige opzichten geworteld in een verleden dat ik me herinner uit mijn jeugd in het begin van de jaren tachtig. In de drukke straten van de Oude Stad wist iedereen tot welke gemeenschap hij behoorde, maar deelden de mensen samen de ruimte. Als jongetje begreep ik nog niet wie boven wie stond; ik wist alleen dat iedereen aan het eind van de week druk in de weer was: joden gingen naar de synagoge, christenen naar de kerk en moslims volgden de roep van de muezzin om te gaan bidden. Mijn familie is islamitisch, maar ik ging naar een christelijke school. Ik vroeg me nooit af hoe natuurlijk deze gelaagde realiteit was.
Maar toen, in 1987, begon de eerste intifada. Ik was veertien. Ineens werd ik het conflict in gezogen, aangetrokken tot wat ik op straat hoorde en op televisie zag, en wat een eenvoudiger verhaal was dan wat ik in Jeruzalem had gekend – de strijd van mijn volk, dat het gewapend met stenen opnam tegen tanks. Ik wilde ook stenen gooien, erbij horen. En dus deed ik dat. En net als veel van mijn vrienden werd ik als tiener uiteindelijk gearresteerd en door een militaire rechtbank veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
Begrip
Dit was het pijnlijkste moment van mijn leven. Mijn jeugd was voorbij. Ik kon de middelbare school niet afmaken. Maar mijn ervaring in de gevangenis heeft me op een onverwachte manier veranderd. Ik leerde er andere dingen. Ik werd verkozen tot woordvoerder en moest onderhandelen met de gevangenisautoriteiten, of het nu ging om beter eten of om speciale toestemming voor familiebezoek. En ik kreeg meer begrip voor mijn vijand.
Op straat bedekten wij ons gezicht met een keffiyeh, en de vijand zag ons alleen door het vizier van een geweer. Maar nu leerde ik een paar Israëliërs kennen, ik kon hun ogen zien en zij de mijne. Ik leerde Hebreeuws, ik leerde hun naam. En ik zag voor het eerst dat deze mensen, de onderdrukkers voor wie ik bang was geweest, zelf hun eigen angsten hadden. Ze waren bang voor ons, de Palestijnen, voor het geweld dat wij hun zouden kunnen aandoen, voor het geweld dat wij hun al aandeden. Voor mijn eigen volk, dat door Israël wordt onderdrukt, is het moeilijk om dit te begrijpen, maar de angst van Israëliërs is reëel en oprecht, en niet overdreven of verzonnen. De beelden van 7 oktober staan in hun geheugen gegrift. Vooral sinds dat bloedbad verlangen zij naar het soort veiligheid waar ieder van ons naar verlangt, en zij zullen de veiligheid van hun familie nooit op het spel zetten. Het is geen suïcidaal volk.
Ik heb ook geleerd hoe ik met Israëliërs moet onderhandelen. Ze kunnen koppig zijn, misschien vanwege hun eigen geschiedenis van overleven. Je hoeft niet te verwachten dat je iets bereikt door druk uit te oefenen. Geloof me, de Palestijnen hebben het geprobeerd: de strategie is al tientallen jaren om geweld te gebruiken tegen Israëlische burgers en de wereld te smeken om Israël te dwingen concessies te doen. Maar dit heeft niet gewerkt. Proberen de Amerikaanse president zover te krijgen dat hij de Israëliërs behandelt met de wortel en de stok is zinloos. Wij moeten zelf met ze dealen, dat is de enige manier. En net zoals wij onze behoeften hebben – waardigheid, rechten, onafhankelijkheid – hebben ook zij hun behoeften; we moeten manieren vinden om hen gerust te stellen over hun veiligheid, om hun angst weg te nemen.
Het lijkt alsof we de helft van ons leven in de rij staan te wachten terwijl er een Israëlische soldaat met een geweer naast ons staat
Ik zie het conflict vaak als iets wat DNA bezit. De ene streng is de behoefte aan veiligheid en de andere een verlangen naar waardigheid. Ik heb geen speciale opleiding hoeven volgen om dit te leren; het hoort bij de realiteit van het Palestijnse leven. Wij leven in een staat van constante vernedering: bij elk checkpoint, elke keer als we een grens over moeten, als kolonisten op de Westelijke Jordaanoever onze mensen aanvallen en vermoorden en ongestraft onze akkers verbranden. Het lijkt wel alsof we de helft van ons leven in de rij staan te wachten terwijl er een Israëlische soldaat met een geweer naast ons staat. We hebben geen vrijheid. Elke vorm van menselijke waardigheid wordt ons ontzegd. En dit bestaan, het gevoel om voor altijd vertrapt te worden, is nu al minstens drie generaties lang ons deel.
Dit is het DNA, een verlangen naar zowel veiligheid als zelfbeschikking. Door deze twee verlangens te erkennen en ernaar te luisteren – in plaats van steeds over goed en slecht te spreken of telkens weer de geschiedenis te herhalen – kunnen mensen van goede wil het conflict oplossen. Ik maak deel uit van een initiatief – georganiseerd door Ehud Olmert, de voormalige premier van Israël, en Nasser al-Kidwa, de voormalige Palestijnse minister van Buitenlandse Zaken – dat precies dat wil bereiken. Wij streven naar een staakt-het-vuren in Gaza en naar de terugkeer van de gijzelaars die Hamas al sinds 7 oktober vasthoudt; daarnaast hebben we de details van een tweestatenoplossing uitgewerkt, met een plan voor het trekken van de grenzen, het bepalen van de status van Jeruzalem en de wederopbouw van Gaza.
De contouren zijn niet zo moeilijk te bedenken, maar er staan veel dingen in de weg. Ik zie vier belangrijke obstakels, twee binnen de Israëlische en de Palestijnse samenleving en twee van buitenaf.
Concessies
De Israëlische premier Benjamin Netanyahu en zijn rechtse regering willen geen concessies doen aan de Palestijnen. Ze hebben nauwelijks oog voor ons en zijn vastbesloten om onze eisen voor onbepaalde tijd te negeren. Maar ik denk niet dat zij de meerderheid van de Israëliërs vertegenwoordigen; velen hebben een hekel aan Netanyahu en willen dat er een einde komt aan zijn bewind. Ik denk dat degenen die elke week met tienduizenden tegelijk protesteren in Tel Aviv en Jeruzalem wel weten dat de status quo voor geen van beide volkeren acceptabel is.
Dus dit is het eerste obstakel: Netanyahu en zijn reactionaire, racistische bondgenoten. De Israëliërs moeten een manier vinden om hem en de extremisten weg te stemmen. Zolang de Israëlische leiders het nut van de oprichting van een Palestijnse staat niet inzien en zich onverschillig opstellen tegenover ons leven en onze behoeften, zal er niets veranderen. Maar het tweede obstakel dat ik zie, ligt voor mij dichter bij huis en is net zo cruciaal: het corrupte en incompetente leiderschap van Mahmoud Abbas, de president van de Palestijnse Autoriteit.
Ik ontmoette Abbas voor het eerst als lid van een Fatah-jongerendelegatie, kort na het einde van de eerste intifada. Na mijn vrijlating uit de gevangenis, in 1993, raakte ik betrokken bij de partij, destijds de grootste in de Palestijnse politiek. Mijn medeafgevaardigden en ik waren in de twintig; Abbas, destijds de tweede man van Fatah, was in de vijftig. ‘Jullie zijn de leiders van morgen,’ zei hij tegen ons. Inmiddels is Abbas bijna negentig en zijn wij in de vijftig. Door de jaren heen heeft hij ervoor gezorgd dat de ‘morgen’ die hij beloofde nooit kwam. Hij werd in 2005 tot president gekozen voor een ambtstermijn van vier jaar. Hij heeft er inmiddels bijna twintig uitgezeten, zonder ook maar één herverkiezing. In die periode heeft hij onze democratie, onze veiligheid, onze economie en onze waardigheid in gevaar gebracht.
Abbas verloor de parlementsverkiezingen van 2006 van Hamas en moest het jaar daarop het leiderschap over Gaza aan hen overlaten. Maar hij had de afgelopen twee decennia kunnen gebruiken om de Westelijke Jordaanoever op te bouwen en transparante, controleerbare instellingen te creëren die een bloeiend alternatief voor Hamas zouden vormen. Dat heeft hij niet gedaan, en daardoor kregen extremisten de kans om het vacuüm op te vullen. In 2021 annuleerde Abbas nog geplande verkiezingen, dit keer nadat Fatah zich in drie partijen had opgesplitst. Jongere, hervormingsgezinde Fatah-leiders stonden klaar om te proberen dat alternatief te realiseren; zij hadden een tegenwicht kunnen bieden aan het extremisme dat uiteindelijk leidde tot de aanslagen van 7 oktober. Maar Abbas stond hun in de weg.
Netanyahu en Abbas zijn de grootste interne obstakels
Palestijnen willen verandering. Uit opiniepeilingen blijkt dat ongeveer 90 procent van de bevolking wil dat Abbas aftreedt. Maar hem afzetten is niet alleen belangrijk voor de Westelijke Jordaanoever en voor de mogelijkheid om met de Israëliërs te onderhandelen, het is ook essentieel voor de toekomst van Gaza. Hoe wreed en onderdrukkend het Hamas-regime ook is geweest, de inwoners van Gaza willen niet dat het wordt vervangen door Abbas.
In plaats daarvan zouden Palestijnse politieke leiders een eenheidsregering moeten vormen die bestaat uit niet-partijgebonden nationale figuren; hervormers van Fatah zoals Nasser al-Kidwa, de voormalige veiligheidschef Mohammed Dahlan en, met een beetje geluk, de gevangen Fatah-leider Marwan Barghouti; en zelfs leden van niet-extremistische islamistische facties zoals de Ra’am-partij uit het Israëlische parlement. Deze brede coalitie zou dan verantwoordelijk zijn voor de wederopbouw van Gaza en het verenigen ervan met de Westelijke Jordaanoever. Ze zou de steun nodig hebben van Arabische landen en de internationale gemeenschap – en natuurlijk erkenning door Israël.
Dit is allemaal onmogelijk zolang Netanyahu en Abbas aan de macht blijven, en daarom zijn zij de grootste interne obstakels. Maar er zijn ook twee externe struikelblokken.
Het eerste is duidelijk: Iran is de vijand van zowel Israëliërs als Palestijnen die vrede willen, en van alle gematigde krachten in het Midden-Oosten. Iran heeft Hamas en Hezbollah gesteund, groeperingen waarvan de ideologie en het handelen tot niets anders zullen leiden dan tot eindeloze oorlog. De beste manier om Iran tegen te gaan is om Israël relaties te laten opbouwen met de Emiraten en de Saoedi’s en met een hervormde Palestijnse Autoriteit. Maar daarvoor moeten Abbas en Netanyahu eerst weg.
Het Westen
Het tweede externe struikelblok lijkt misschien verrassend, maar is daarom niet minder belangrijk om te onderkennen: de extreme sentimenten in het Westen. Ik begrijp wat de motivatie was voor de protesten op Amerikaanse universiteiten. Ik heb getreurd om de dood van elke Gazaan en ik ben zeker niet tegen vreedzaam demonstreren. Maar ik denk dat sommigen die zichzelf pro-Palestina noemen en onder de Palestijnse vlag meedoen aan demonstraties, ons echt kwaad doen – en ik zou hetzelfde willen zeggen over sommigen die onder de Israëlische vlag demonstreren en zichzelf pro-Israël noemen.
Deze protesten hebben de standpunten van Hamas en Netanyahu alleen maar verhard. Ze oefenen de verkeerde druk uit, namelijk die tegen het sluiten van compromissen. Tegen het zien van elkaar en het vinden van manieren om dichter bij elkaar te komen. Ze vervreemden de gewone Israëliërs en Palestijnen van elkaar. Wat mij betreft is er maar één idee waar we ons achter kunnen scharen, maar één pro-Israëlische, pro-Palestijnse slogan: ‘Stop de oorlog en bevrijd de gijzelaars’. Iets anders gaat niet helpen, zeker geen slogan als ‘From the river to the sea, Palestine will be free’.
Ik weet hoe moeilijk deze obstakels te overwinnen zijn; als Palestijn ben ik gewend aan eindeloze teleurstellingen. Het is veel gemakkelijker om zelfingenomen te blijven, om te geloven dat met genoeg geschreeuw of raketten de dingen vanzelf ten goede zullen veranderen. Maar dat zal niet gebeuren – dat kan pas als de twee partijen bereid zijn oprecht naar elkaar te kijken.
Ik heb in de loop der jaren met veel Israëliërs gesproken, eerst nadat ik was gekozen tot internationaal secretaris voor Fatah-jongeren en daarna als hoofd Israëlische betrekkingen voor de partij. Met velen van hen ben ik goed bevriend geraakt, niet alleen met mensen ter linkerzijde en in het midden, maar ook met mensen ter rechterzijde. Van al deze gesprekken heb ik een aantal lessen geleerd.
Haat heeft de Palestijnen nooit iets opgeleverd, behalve nog meer ellende
Ik heb allereerst besloten de ander niet te haten. Om een eenvoudige reden: wij hebben mensen van hen gedood en zij hebben mensen van ons gedood. Haat heeft de Palestijnen nooit iets opgeleverd, behalve nog meer ellende. Daarnaast heb ik besloten om Israëliërs nooit de les te lezen over moraliteit, over wat ze wel en niet moeten doen. In plaats daarvan heb ik ervoor gekozen me te richten op mijn eigen kant, op het voorbeeld dat ík geef.
Daarom ging ik begin dit jaar voor een condoleancebezoek naar Kfar Aza, een van de kibboetsen die op 7 oktober werd aangevallen. Ik heb er voor de camera’s de daden van Hamas veroordeeld. Ik wilde niet dat de geschiedenis zou vastleggen dat geen enkele Palestijn zich tegen deze gruweldaad zou uitspreken. In Kfar Aza, op zo’n anderhalve kilometer van de stad Beit Hanoun in Gaza, kon ik rook zien en bommen horen; ik wist wat daar gebeurde, maar ik was alleen gekomen om te veroordelen wat Hamas in naam van de Palestijnen, in mijn naam, had gedaan. Op een dag zal er een Israëliër voor ons staan en veroordelen wat er in Gaza is gebeurd. Ik hoef hun niet de les te lezen; het enige wat ik kan doen is mijn voorbeeld geven.
Ik weet dat het controversieel is om te zeggen, maar ik denk dat de Palestijnen de eerste stap moeten zetten. Voor ons is er meer urgentie dan voor de Israëliërs. Zij lijden onder het conflict, maar niet zo erg als wij. Zij kunnen nog eens 75 jaar wachten tot het voor hen noodzakelijk wordt om het land te delen, maar wij kunnen niet nog eens 75 uur wachten. Zij hebben een luchtmacht, wij niet. Zij hebben tanks, wij niet. We hebben decennium na decennium doorgebracht zonder met hen enige vooruitgang te boeken. Als praktisch ingestelde persoon ben ik tot de conclusie gekomen dat we iets anders moeten proberen.
Prioriteit
Als Palestijnen moeten wij een strategie opzetten die prioriteit geeft aan de veiligheid van de Israëliërs – niet in het belang van de Israëliërs, maar in ons eigen nationale belang. We moeten ervoor zorgen dat de Palestijnse Autoriteit geweld door Palestijnen naar behoren strafbaar stelt – net zoals Israël een einde moet maken aan het geweld van kolonisten op de Westelijke Jordaanoever en moet respecteren dat het leven van Palestijnen net zo heilig is als dat van Israëliërs. Beide partijen in dit conflict moeten hun gewelddadige neigingen in bedwang houden. En dan zal onze boodschap aan de Israëliërs zijn: voor wat, hoort wat. Als wij ervoor zorgen dat jullie je veiliger voelen, als wij instituties opbouwen die het geweld effectief beteugelen, die een succesvolle economie voor de Palestijnen opbouwen, die stabiliteit en transparantie creëren, dan verwachten wij van jullie meer waardigheid, vrijheid en vertrouwen.
De tweestatenoplossing lijkt op dit moment onmogelijk, dus moeten we die stap voor stap opbouwen door aan beide kanten een bijdrage te leveren – zodat we uiteindelijk klaar zijn voor de moeilijke beslissingen. Dit moet van bovenaf beginnen, en daarom hecht ik zo veel waarde aan nieuw leiderschap. Mensen moeten zien hoe vertrouwen kan ontstaan. Als ik de premier van de toekomstige staat Palestina was, zou ik willen dat de Israëlische premier mijn beste vriend was. Ik zou hem en zijn gezin uitnodigen voor een etentje en ze kennis laten maken met mijn vrouw en kinderen. Wederzijds vertrouwen tussen de hoogste leiders zal het vertrouwen tussen de mensen bevorderen.
Zelfs nu, nadat er in het afgelopen jaar tienduizenden doden zijn gevallen in Gaza, blijf ik erbij dat de meerderheid van de gewone Palestijnen en de gewone Israëliërs een uitweg willen vinden.
Ik heb onlangs besloten een master in conflictoplossing te volgen aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Elke maandag als ik naar college ga, krijg ik een levendige illustratie van hoe de toekomst eruit zou kunnen zien. Toen ik jonger was, leek de Hebreeuwse Universiteit verboden terrein voor Palestijnen; het voelde zelfs verkeerd om langs de poorten van de campus te lopen. Maar tegenwoordig bestaat de studentenpopulatie voor bijna 20 procent uit Arabieren en dragen veel jonge vrouwen een hidjab.
Ik zie dat velen, zowel Israëliërs als Palestijnen, bijna dezelfde hangertjes dragen waarop hetzelfde gebied staat afgebeeld
Als ik naar deze studenten kijk, zie ik dat velen van hen, zowel Israëliërs als Palestijnen, bijna dezelfde hangertjes dragen waarop hetzelfde gebied staat afgebeeld – het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee – dat beide partijen in zijn geheel opeisen voor hun eigen volk. (En ik durf te wedden dat beide hangertjes in dezelfde fabriek in China zijn gemaakt.) Maar vervolgens gaan ze naar dezelfde colleges en luisteren ze naar dezelfde professoren, en soms wijst een docent twee Israëlische studenten en twee Palestijnse studenten toe aan dezelfde onderzoeksgroep en werken die studenten, elk met hun eigen kettinkje, samen. Op dat moment zijn de verschillen tussen hen niet meer van belang; ze proberen allemaal gewoon hun studie af te ronden. En ik beloof je: ze willen elkaar echt niet de zee in gooien.
Ze dragen die hangertjes omdat ze in de war zijn, omdat hun geest is vergiftigd door hun politieke leiders. Deze jonge mensen, die weten hoe ze zo goed moeten samenwerken, die weten hoe ze moeten geven en nemen, weten allang hoe ze elkaars buren moeten zijn. Ze hebben alleen nog leiderschap nodig dat de kans daarop vergroot. Dat leiderschap is er nu niet, en dat is de echte vijand voor zowel Israëliërs als Palestijnen.
Samer Sinijlawi is een Palestijnse politieke activist en de oprichter van het Jerusalem Development Fund.
In tegenstelling tot mensen wordt kunstmatige intelligentie niet gedreven door emoties als triomf of eerzucht. Wat zal het voor de wereld betekenen als machines strategie en staatkunde gaan bepalen?
Of het nu gaat om de herijking van militaire strategieën of het wijzigen van de diplomatische koers, kunstmatige intelligentie zal een belangrijke rol gaan spelen in de wereldorde. Het zal worden ingezet om oorlogen te voeren en om ze te beëindigen. Omdat AI immuun is voor angst en onderlinge gunsten, krijgen we hier te maken met een bepaalde mate van objectiviteit. Maar hierbij moet de menselijke subjectiviteit worden behouden, aangezien deze essentieel is om op verantwoorde wijze geweld uit te oefenen.
De eeuwenlange inspanning van de mensheid om zichzelf te organiseren in steeds complexere structuren en daarmee te voorkomen dat één staat absolute dominantie over anderen verwerft, lijkt een bijna onwrikbare natuurwet te zijn geworden. Zelfs in een wereld waarin kunstmatige intelligentie een centrale rol speelt bij het informeren, adviseren en ondersteunen van besluitvorming, blijven mensen de belangrijkste actoren. Staten zouden daardoor een zekere mate van stabiliteit kunnen behouden, gebaseerd op gedeelde gedragsnormen die voortdurend evolueren en zich aanpassen aan de veranderende dynamiek van de tijd.
Bij machines ontbreekt ieder gevoel voor triomf of eerzucht
Als AI evolueert tot een vrijwel autonome verzameling politieke, diplomatieke en militaire entiteiten, zou dat het eeuwenoude machtsevenwicht ingrijpend kunnen verstoren. Het internationale systeem van natiestaten, met zijn fragiele en voortdurend verschuivende balans, is deels overeind gebleven door de relatieve gelijkwaardigheid van de betrokken spelers. Een wereld waarin ernstige asymmetrie ontstaat – bijvoorbeeld doordat sommige staten AI op topniveau sneller adopteren dan anderen – zou echter aanzienlijk onvoorspelbaarder worden. In situaties waarin mensen militair of diplomatiek moeten opboksen tegen een AI-geavanceerde staat, of zelfs tegen AI zelf, zouden zij mogelijk niet alleen hun concurrentievermogen verliezen, maar ook hun overlevingskansen in gevaar zien komen. Zo’n tussenfase zou kunnen leiden tot een interne ineenstorting van samenlevingen en een ongecontroleerde toename van externe conflicten.
Andere toekomstscenario’s zijn er te over. Waar mensen eeuwenlang oorlogen hebben gevoerd om te winnen, eer te verdedigen of macht te claimen, ontbreekt bij machines ieder gevoel voor triomf of eerzucht. Zij zouden bijvoorbeeld kunnen besluiten om conflicten te vermijden door grondgebied precies te herverdelen via complexe berekeningen. Maar net zo goed kunnen ze, onverschillig voor individuele levens, strategieën kiezen die leiden tot bloedige uitputtingsoorlogen in hun streven naar een doel. In het ene geval zou de menselijke soort zo getransformeerd kunnen worden dat het brutale gedrag uit het verleden volledig wordt achtergelaten. In het andere geval worden we zo overmeesterd door de technologie dat ze ons doet terugkeren naar een barbaars tijdperk.
Het AI-veiligheidsdilemma
Veel landen zijn volledig gericht op het winnen van de ‘AI-race’. Die focus is deels te begrijpen. Factoren als cultuur, geschiedenis, communicatie en perceptie hebben samen geleid tot een diplomatiek klimaat waarin grootmachten elkaar voortdurend met argwaan en onzekerheid bekijken. Leiders zijn ervan overtuigd dat een steeds groter tactisch overwicht doorslaggevend kan zijn in toekomstige conflicten – en zien in AI precies dat cruciale voordeel.
Als elk land eropuit is zijn positie te maximaliseren, ontstaat een klimaat waarin rivaliserende strijdkrachten en inlichtingendiensten verwikkeld raken in een psychologische strijd van ongekende intensiteit. Dit schept een existentieel veiligheidsdilemma. Een menselijke speler die de beschikking krijgt over superintelligente AI – een theoretische vorm van AI die de menselijke intelligentie overstijgt – zal waarschijnlijk als eerste prioriteit hebben om te voorkomen dat anderen toegang krijgen tot deze machtige technologie. Tegelijkertijd zal deze speler aannemen dat zijn rivalen, gedreven door dezelfde onzekerheden en uitdagingen, precies hetzelfde proberen te doen.
Zonder de noodzaak voor fysieke oorlog zou een superintelligente AI gemakkelijk de systemen van een rivaal kunnen ondermijnen en blokkeren. AI heeft het potentieel om conventionele computervirussen ongelooflijk krachtig te maken en ze vrijwel onzichtbaar te verbergen. Net als gebeurde met de Stuxnet-worm, het cyberwapen dat in 2010 werd ontdekt en naar verluidt een vijfde van de uraniumcentrifuges in Iran vernietigde, zou een AI-agent de voortgang van een tegenstander kunnen saboteren zonder dat zijn eigen aanwezigheid zichtbaar wordt. Dit zou wetenschappers aan de vijandige kant in verwarring brengen. Bovendien zou AI in staat zijn om de zwakheden in de menselijke psychologie te manipuleren, bijvoorbeeld door de media van een concurrerende natie te kapen en een vloedgolf van synthetische desinformatie te verspreiden. Dit zijn zulke verontrustende scenario’s dat ze massaal verzet oproepen tegen de verdere ontwikkeling van AI-technologie in dat land.
Het zal voor landen steeds moeilijker worden om een helder beeld te krijgen van hun positie in de AI-race ten opzichte van andere landen
Het zal voor landen steeds moeilijker worden om een helder beeld te krijgen van hun positie in de AI-race ten opzichte van andere landen. De grootste AI-modellen worden nu al getraind op beveiligde netwerken die volledig zijn afgescheiden van het reguliere internet. Sommige leiders geloven dat de ontwikkeling van AI uiteindelijk zal verschuiven naar ondoordringbare faciliteiten, waar supercomputers worden aangedreven door kernreactoren. Er worden zelfs datacenters gebouwd op de oceaanbodem, en in de nabije toekomst zouden ze in banen rond de aarde geplaatst kunnen worden. Landen of bedrijven zouden steeds vaker ‘op zwart’ kunnen gaan, door hun AI-onderzoek niet meer openbaar te maken, niet alleen om te voorkomen dat kwaadwillenden profiteren van hun werk, maar ook om de snelheid van hun eigen vooruitgang te verbergen. Om hun werkelijke vorderingen te maskeren, zouden anderen zelfs opzettelijk misleidend onderzoek kunnen publiceren, met behulp van AI om geloofwaardige, fictieve bevindingen te creëren.
Er is een precedent voor dit soort wetenschappelijke trucs. In 1942 realiseerde de Sovjet-natuurkundige Georgi Fljorov zich terecht dat de Verenigde Staten bezig waren met het ontwikkelen van een kernbom, nadat hij had opgemerkt dat de Amerikanen en Britten plotseling hun wetenschappelijke publicaties over atoomsplijting hadden gestaakt. Tegenwoordig zou zo’n wedloop echter veel moeilijker te doorgronden zijn, gezien de complexiteit en de ambiguïteit van het meten van vooruitgang op een abstract gebied zoals intelligentie. Hoewel sommigen denken dat het bezit van grotere AI-modellen een voordeel biedt, is een groter model niet per definitie superieur in alle situaties en kan het zelfs minder effectief zijn dan kleinere modellen die op grotere schaal worden ingezet. Kleinere, meer gespecialiseerde AI-systemen kunnen bijvoorbeeld werken als een zwerm drones tegen een vliegdekschip: ze kunnen het schip niet vernietigen, maar wel neutraliseren.
De exponentiële en onvoorziene toename van AI-capaciteiten in de afgelopen jaren laten zien dat de voortgang niet voorspelbaar is
Een speler zou een algemeen voordeel kunnen behalen door te laten zien dat hij een bepaalde vaardigheid beheerst. Het probleem met deze benadering is echter dat AI slechts een proces van machinaal leren vertegenwoordigt, dat niet beperkt is tot één technologie, maar zich uitstrekt over een breed scala aan technologieën. Vermogen op een bepaald gebied kan daardoor worden aangedreven door factoren die totaal verschillend zijn van die op een ander gebied. In die zin kan elk ‘voordeel’, zoals dat traditioneel wordt berekend, illusoir blijken te zijn.
Bovendien heeft de exponentiële en onvoorziene toename van AI-capaciteiten in de afgelopen jaren laten zien dat de voortgang niet lineair of voorspelbaar is. Zelfs als het lijkt alsof de ene speler de andere enkele jaren of maanden voor is, kan een onverwachte technische of theoretische doorbraak op een cruciaal moment de posities van alle spelers volledig veranderen.
In een wereld waar geen enkele leider volledig kan vertrouwen op zijn eigen intelligentie, zijn primaire instincten of zelfs de basis van de werkelijkheid, kan het niet verwonderen dat regeringen handelen vanuit een houding van maximale paranoia en achterdocht. Leiders nemen ongetwijfeld al beslissingen met de veronderstelling dat hun acties in de gaten worden gehouden of verstoord kunnen worden door kwaadaardige invloeden. In het slechtst denkbare scenario zou de strategische afweging van elke speler draaien om het geven van prioriteit aan snelheid en geheimhouding boven veiligheid. Onder druk zouden menselijke leiders zich gedwongen kunnen voelen om de inzet van AI versneld in gang te zetten, als afschrikmiddel tegen mogelijke externe verstoringen.
Een nieuw oorlogsparadigma
Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis werd oorlog gevoerd in een afgebakend kader, waarin men redelijkerwijs kon inschatten wat de mogelijkheden en posities van vijandelijke troepen waren. Deze voorspelbaarheid bood beide partijen een gevoel van psychologische veiligheid en een algemene consensus, wat op zijn beurt leidde tot weloverwogen terughoudendheid in het gebruik van dodelijke wapens. Oorlogen werden vaak alleen gevoerd wanneer de leiders van beide zijden eensgezind waren over de fundamenten van hoe een conflict zou moeten verlopen, waardoor de tegenpartij in staat was te beoordelen of een oorlog wel of niet gerechtvaardigd was.
Snelheid en mobiliteit zijn enkele van de meest voorspelbare factoren die het vermogen van een militair apparaat versterken. Een vroeg voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van het kanon. Meer dan duizend jaar na de bouw van de stadsmuren van Theodosius, die Constantinopel beschermden tegen indringers, stelde een Hongaarse artillerie-ingenieur in 1452 aan keizer Constantijn XI voor om een enorm kanon te bouwen dat vijanden achter de verdedigingsmuren zou kunnen verpletteren. De zelfgenoegzame keizer, die zowel de middelen als het inzicht miste om het belang van deze technologie te begrijpen, wees het voorstel echter af.
Helaas voor de keizer bleek de Hongaarse ingenieur een huurling te zijn. Hij veranderde van strategie en van partij, en paste zijn ontwerp aan zodat het kanon mobieler werd – het moest nu vervoerd kunnen worden door zestig ossen en vierhonderd man. Hij benaderde de rivaal van de keizer, de Ottomaanse sultan Mehmed II, die zich voorbereidde op een belegering van het ondoordringbare fort. De slimme Hongaar wekte de belangstelling van de jonge sultan door te beweren dat het kanon ‘zelfs de muren van Babylon had kunnen verbrijzelen’ en hielp de Turkse troepen om de oude vestingwerken in slechts vijfenvijftig dagen te doorbreken.
In kinetische oorlogsvoering zal AI een aanzienlijke vooruitgang betekenen
De contouren van dit vijftiende-eeuwse drama verschijnen door de eeuwen heen steeds weer. In de negentiende eeuw gaven snelheid en mobiliteit een beslissende wending aan het lot, eerst in Frankrijk, toen Napoleons leger Europa overrompelde, en later in Pruisen, onder leiding van Helmuth von Moltke de Oude en Albrecht von Roon, die de pas ontwikkelde spoorwegen gebruikten om sneller en flexibeler te kunnen manoeuvreren. Op vergelijkbare wijze werd de blitzkrieg, een evolutie van dezelfde Duitse militaire principes, in de Tweede Wereldoorlog met verwoestend effect tegen de geallieerden ingezet.
‘Blitzkrieg’ heeft een nieuwe betekenis gekregen en is nu alomtegenwoordig in het tijdperk van digitale oorlogsvoering. Snelheden worden in een oogwenk bereikt, en aanvallers hoeven de dodelijkheid niet op te offeren voor mobiliteit, aangezien geografie geen belemmering meer vormt. Hoewel deze combinatie de aanvallende kant van digitale aanvallen doorgaans bevoordeelt, zou in een tijdperk van AI de reactiesnelheid kunnen toenemen, waardoor cyberverdediging beter in staat zou zijn om cyberaanvallen te weerstaan.
In kinetische oorlogsvoering zal AI een aanzienlijke vooruitgang betekenen. Drones zullen extreem snel en ongekend mobiel zijn. Wanneer AI niet alleen wordt gebruikt om één drone te besturen, maar ook om vloten van drones aan te sturen, zullen er zwermen ontstaan die synchroon vliegen als één samenhangend collectief, perfect op elkaar afgestemd. In de toekomst zullen deze zwermen zich moeiteloos kunnen opsplitsen en hergroeperen in eenheden van elke gewenste grootte, vergelijkbaar met elite-eenheden voor speciale operaties, die flexibel kunnen worden aangepast en elk voor zich een zelfstandig commando kunnen voeren.
Daarnaast maakt AI ook een veel snellere en flexibele verdediging mogelijk. Het is onpraktisch, zo niet onmogelijk, om dronevloten neer te schieten met conventionele projectielen. Maar AI-gestuurde wapens die fotonen en elektronen afvuren (in plaats van traditionele munitie) zouden dezelfde verwoestende capaciteiten kunnen hebben als een zonnestorm, die in staat is de baan van kwetsbare satellieten te verstoren of zelfs te vernietigen.
De samenwerking tussen wetenschap en oorlog heeft geleid tot steeds nauwkeuriger instrumenten
AI-gestuurde wapens zullen ongekend nauwkeurig zijn. Beperkingen in de kennis van de geografie van de tegenstander waren lange tijd een belemmering voor de strategieën en plannen van oorlogvoerende partijen. Maar de samenwerking tussen wetenschap en oorlog heeft geleid tot steeds nauwkeuriger instrumenten, en van AI worden nog grotere doorbraken verwacht. AI zal de kloof tussen de oorspronkelijke intentie en de uiteindelijke uitkomst verkleinen, ook bij het gebruik van dodelijk geweld. Of het nu gaat om zwermen drones op land, machinekorpsen op zee of zelfs interstellaire vloten, machines zullen over uiterst precieze capaciteiten beschikken om mensen te doden met een minimale onzekerheid en een enorme impact. De grenzen van de potentiële vernietiging zullen afhangen van de wil en terughoudendheid van zowel mens als machine.
In het AI-tijdperk van oorlogsvoering zal de nadruk niet zozeer liggen op de capaciteiten van de tegenstander, maar eerder op zijn intenties en de strategische toepassingen van die capaciteiten. Hoewel we in het nucleaire tijdperk al een vergelijkbare fase hebben bereikt, zullen de dynamiek en betekenis van deze overwegingen veel duidelijker worden zodra AI zijn waarde als oorlogswapen bewezen heeft.
Met zulke waardevolle technologie zou de mens misschien zelfs niet meer de primaire doelwitten van AI-oorlog zijn. AI zou de mens kunnen vervangen als tussenpersoon in oorlogsvoering, waardoor de oorlog mogelijk minder dodelijk wordt, maar niet per se minder beslissend. Het is ook onwaarschijnlijk dat AI alleen agressie tegen fysiek grondgebied zal veroorzaken; eerder zouden datacenters en andere cruciale digitale infrastructuren wel eens het belangrijkste doelwit kunnen worden.
De overgave zal dus niet plaatsvinden wanneer de vijand in aantal is afgenomen of zijn wapenvoorraad is uitgeput, maar wanneer het technologische schild van de overlevenden – het silicium – niet langer in staat is om hun cruciale middelen, en uiteindelijk hun menselijke vertegenwoordigers, te beschermen. Oorlog zou kunnen evolueren naar een strijd van puur mechanische vernietiging, waarbij de psychologische kracht van de mens (of AI) doorslaggevend is, die hetzij moet vechten met het risico op totale vernietiging, hetzij verliezen om dat te voorkomen.
Het is onwaarschijnlijk dat een AI-oorlog enige vorm van liefde of haat met zich meebrengt
De motieven die het nieuwe slagveld aandrijven, zouden zelfs in zekere zin vreemd en onbegrijpelijk kunnen zijn. De Engelse schrijver G.K. Chesterton zei ooit dat ‘de echte soldaat niet vecht omdat hij haat wat voor hem staat, maar omdat hij houdt van wat achter hem staat’. Het is echter onwaarschijnlijk dat een AI-oorlog enige vorm van liefde of haat met zich meebrengt, laat staan concepten zoals soldatenmoed. Desondanks zouden er nog steeds elementen van ego, identiteit en loyaliteit kunnen bestaan, zij het dat de aard van die identiteiten en loyaliteiten mogelijk sterk verschilt van wat we vandaag kennen.
De dynamiek in oorlogsvoering was altijd relatief eenvoudig: de partij die als eerste het lijden in de strijd niet langer kan verdragen, zal waarschijnlijk het onderspit delven. In het verleden leidde het besef van eigen kwetsbaarheid vaak tot terughoudendheid. Maar zonder dit besef, en zonder het gevoel voor pijn – en dus een grotere tolerantie voor lijden – is het moeilijk te voorspellen wat een AI die in oorlogsvoering is getraind, zou kunnen weerhouden. Wat zou haar stoppen, en wat zou de conflicten beëindigen die ze zelf veroorzaakt? Een AI die nooit is geleerd wat de spelregels zijn die het einde van de strijd markeren, zou mogelijk doorgaan tot de laatste zet.
Geopolitieke herstructurering
In elk tijdperk van de mensheid lijkt er, opnieuw bijna als een natuurwet, altijd een macht te ontstaan die, zoals Kissinger ooit zei, ‘de kracht, de wil en de intellectuele en morele impuls heeft om het hele internationale systeem naar eigen waarden te herstructureren’. Het meest bekende model van menselijke ordening is het Westfaalse systeem, zoals we dat nu kennen. Het idee van soevereine natiestaten is echter slechts enkele eeuwen oud en ontstond na de verdragen van de Vrede van Westfalen in de zeventiende eeuw. Dit model is niet vanzelfsprekend of onveranderlijk, en het zou weleens ongeschikt kunnen zijn voor het tijdperk van AI. Sterker nog, als massale desinformatie en geautomatiseerde discriminatie het vertrouwen in dit systeem ondermijnen, zou AI zelf wel eens een fundamentele uitdaging kunnen vormen voor de macht van nationale regeringen. Een andere mogelijkheid is dat AI de machtsverhoudingen tussen staten opnieuw zou kunnen uitlijnen binnen het bestaande systeem. Als de kracht van AI vooral door natiestaten wordt ingezet, zou dit kunnen leiden tot stagnatie in de wereldhegemonie, of tot een nieuw evenwicht van met AI uitgeruste staten. Maar het is ook mogelijk dat AI de katalysator wordt voor een nog diepgaandere verandering: een verschuiving naar een totaal nieuw systeem, waarbij staten gedwongen worden hun centrale rol in de wereldpolitiek op te geven.
Een mogelijke uitkomst is dat de bedrijven die AI bezitten en ontwikkelen hun sociale, economische, militaire en politieke macht verder consolideren. Regeringen staan momenteel voor de moeilijke taak om zowel de rol van cheerleader voor privébedrijven te vervullen – die hun militaire invloed, diplomatiek kapitaal en economische macht inzetten om binnenlandse bedrijven te bevorderen – als die van pleitbezorgers voor de gewone burger, die wantrouwend staat tegenover monopolistische hebzucht en geheimzinnigheid. Deze tegenstrijdige positie zou wel eens onhoudbaar kunnen blijken.
Tegelijkertijd zouden bedrijven allianties kunnen smeden om hun al aanzienlijke macht verder te consolideren. Deze samenwerkingen kunnen voortkomen uit wederzijds voordelige voordelen en het potentieel van een fusie, of uit een gedeelde visie over de ontwikkeling en toepassing van AI-systemen. Dergelijke bedrijfsallianties zouden in staat kunnen zijn om de traditionele functies van natiestaten over te nemen. In plaats van zich te richten op het definiëren en uitbreiden van fysieke grenzen, zouden ze diffuse digitale netwerken als hun territorium cultivëren.
Het nieuwe ‘territorium’ dat elke groep zal opeisen zal in die toekomst geen fysiek grondgebied zijn
Daarnaast is er nog een ander scenario. De ongecontroleerde verspreiding van openbronnen zou de opkomst van kleinere bendes of stamgemeenschappen kunnen faciliteren, die over bescheiden maar effectieve AI-capaciteiten beschikken. Deze groepen zouden in staat zijn om zichzelf te besturen, te voorzien in hun eigen behoeften en zichzelf te verdedigen binnen een beperkt bereik.
Binnen menselijke groepen die de gevestigde autoriteit verwerpen ten gunste van gedecentraliseerde financiën, communicatie en bestuur, zou een door technologie mogelijk gemaakte protoanarchie kunnen opkomen. Dergelijke groeperingen zouden ook een religieuze dimensie kunnen hebben. Immers, het christendom, de islam en het hindoeïsme zijn qua omvang en duurzaamheid groter geweest dan welke staat dan ook in de geschiedenis. In het komende tijdperk zou religieuze identiteit, meer dan nationaal burgerschap, wel eens het belangrijkste kader voor persoonlijke identiteit en loyaliteit kunnen worden.
Of de toekomst nu gedomineerd wordt door bedrijfsallianties of verspreid is over losse religieuze groeperingen, het nieuwe ‘territorium’ dat elke groep zal opeisen – en waarvoor zij zullen strijden – zal in die toekomst geen fysiek grondgebied zijn, maar een digitaal landschap dat gericht is op de loyaliteit van individuele gebruikers. De verbindingen tussen deze gebruikers en een overheid zouden de traditionele betekenis van burgerschap ondermijnen, terwijl de overeenkomsten tussen de entiteiten fundamenteel anders zouden zijn dan gewone allianties.
Vroeger werden allianties gesmeed door individuele leiders en dienden ze om de kracht van een natie te vergroten in tijden van oorlog. In tegenstelling tot deze historische benadering zou het vooruitzicht van burgerschapsbanden en allianties – en mogelijk veroveringen of kruistochten – die zijn opgebouwd rond de meningen, overtuigingen en subjectieve identiteiten van gewone mensen in vredestijd, een nieuw (of misschien heel oud) perspectief op het concept van een imperium vereisen. Dit zou ook een heroverweging inhouden van de verplichtingen die verbonden zijn aan het beloven van trouw, evenals de kosten van mogelijke exitopties, mocht dat überhaupt mogelijk zijn in een door AI gedomineerde toekomst.
Vrede en macht
Het buitenlands beleid van natiestaten is altijd gevormd door een balans tussen idealisme en realisme. De tijdelijke evenwichten die leiders hebben bereikt, worden niet gezien als uiteindelijke doelen, maar als kortstondige strategieën die in hun specifieke tijd relevant waren. Elk nieuw tijdperk heeft dit spanningsveld anders ingevuld en de definitie van politieke orde is voortdurend veranderd. De tegenstelling tussen het nastreven van nationale belangen en het streven naar bredere waarden, of tussen het voordeel van een specifieke natiestaat en het algemeen belang, maakt deel uit van deze voortdurende evolutie. Leiders van kleinere staten reageerden vaak direct en gaven prioriteit aan hun eigen voortbestaan, terwijl degenen aan het hoofd van wereldrijken, die over de middelen beschikken om bredere doelen te realiseren, veel complexere uitdagingen tegenkwamen.
Sinds het begin van de beschaving, naarmate menselijke organisatie-eenheden groeiden, bereikten ze tegelijkertijd nieuwe niveaus van samenwerking. Tegenwoordig is er echter, mogelijk door de omvang van mondiale problemen en de materiële ongelijkheid tussen en binnen staten, verzet tegen deze trend. AI zou in staat kunnen zijn om te voldoen aan de eisen van deze grotere schaal van menselijk bestuur, doordat het niet alleen gedetailleerd en nauwkeurig kan zien wat er binnen een land moet gebeuren, maar ook inzicht heeft in de wereldwijde interacties en hoe deze elkaar beïnvloeden.
We koesteren de hoop dat AI, ingezet voor politieke doeleinden zowel binnen als buiten de grenzen, meer kan doen dan enkel het verhelderen van evenwichtige compromissen. Idealiter zou het in staat zijn om wereldwijd optimale oplossingen te bieden, doordat het opereert op langere tijdshorizons en met grotere precisie dan mensen, waardoor het concurrerende menselijke belangen op één lijn kan brengen. In de toekomstige wereld zou machinale intelligentie, die door conflicten navigeert en over vrede onderhandelt, kunnen bijdragen aan het verhelderen of zelfs overwinnen van traditionele dilemma’s.
Als AI in staat zou zijn om deze problemen op te lossen, zouden we te maken kunnen krijgen met een vertrouwenscrisis
Als AI echter daadwerkelijk in staat zou zijn om problemen op te lossen die wij zelf hadden willen aanpakken, zouden we te maken kunnen krijgen met een vertrouwenscrisis – zowel door overmoed als door gebrek aan vertrouwen. Wat betreft het eerste zou het moeilijk kunnen zijn om toe te geven dat we te veel macht aan machines hebben gegeven bij het omgaan met existentiële kwesties van menselijk gedrag, zodra we de grenzen van ons eigen vermogen tot zelfcorrectie begrijpen. Wat betreft het tweede zou het besef dat het simpelweg uitschakelen van menselijk handelen in het oplossen van onze problemen genoeg was geweest om onze meest hardnekkige kwesties op te lossen, de tekortkomingen van het menselijke ontwerp te pijnlijk blootleggen. Als vrede altijd maar een simpele vrijwillige keuze is geweest, heeft de prijs van menselijke imperfectie zich vertaald in voortdurende oorlog. De wetenschap dat er altijd een oplossing was, maar dat deze nooit door ons bedacht is, zou verpletterend zijn voor onze waardigheid.
In kwesties van veiligheid, in tegenstelling tot de beweging van mensen binnen wetenschappelijke of andere academische domeinen, zouden we wellicht eerder de onpartijdigheid van een mechanische derde partij als superieur aan de zelfzuchtige mens accepteren, net zoals we het belang van een bemiddelaar in een vechtscheiding gemakkelijk inzien. Sommige van onze minder positieve eigenschappen stellen ons in staat om ook onze betere eigenschappen te laten zien; ons menselijke instinct om uit eigenbelang te handelen, zelfs ten koste van anderen, zou een belangrijke stap kunnen zijn in de acceptatie dat AI ons op bepaalde gebieden overstijgt.
Volgens de Franse econoom en historicus Thomas Piketty zouden westerse landen krachtige sancties moeten invoeren. Alleen zo kan de tweestatenoplossing weer binnen handbereik komen.
Laten we met een optimistische noot beginnen: zowel in Israël als in Palestina zijn er vredesbewegingen van burgers die met grote vasthoudendheid en verbeeldingskracht pleiten voor een vreedzame, democratische oplossing. Helaas vormen deze groepen een minderheid, en zonder krachtige steun van buitenaf leggen ze te weinig gewicht in de schaal.
Om de impasse te doorbreken moeten de Europese Unie en de VS, tezamen goed voor bijna 70 procent van de Israëlische export, hoognodig de daad bij het woord voegen. Als westerse regeringen de tweestatenoplossing werkelijk steunen, is het tijd om de Israëlische regering sancties op te leggen. Die regering vertrapt immers elk uitzicht op vrede openlijk door haar aanhoudende politiek van kolonisatie en repressie en door zich te verzetten tegen het bestaan van een Palestijnse staat.
Concreet betekent dit dat de militaire hulp moet stoppen. Bovenal dienen de VS en Europa Benjamin Netanyahu en zijn medestanders in de portemonnee te raken met handels- en financiële sancties, net zolang tot ze een daadwerkelijke ontmoediging van het huidige beleid tot gevolg hebben. De academische boycot van universiteiten volstaat niet. Tegelijkertijd moeten Europa en de VS niet alleen sancties opleggen aan Israël maar ook aan Hamas en zijn externe bondgenoten, en tegelijkertijd representatieve en democratische Palestijnse organisaties wezenlijk versterken.
Zo’n nauwe externe betrokkenheid, die westerse landen en een coalitie van zuidelijke landen kan samenbrengen, is vooral zo belangrijk omdat een tweestatenoplossing onhaalbaar is zonder een soort Israëlisch-Palestijnse Unie – vergelijkbaar met de Europese Unie – die beide staten omvat en een aantal fundamentele rechten waarborgt. De gebieden en volken zijn innig verweven, vanwege alle Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, Palestijnen die in Israël werken en familiebanden hebben met Israëlische Arabieren en ook omdat de Palestijnse gebieden – de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever – niet aan elkaar grenzen. In de eerste plaats dient de Israëlisch-Palestijnse Unie vrij verkeer te garanderen, en basale sociale en politieke rechten te scheppen voor Israëli’s die in Palestina wonen of werken, evenals voor Palestijnen die in Israël wonen of werken. Een van de best uitgewerkte plannen in deze richting komt van de opmerkelijke Israëlisch-Palestijnse burgerbeweging A Land for All, die in het buitenland te vaak over het hoofd wordt gezien.
Prijs
Deze confederale structuur zou kunnen uitgroeien tot een werkelijke binationale Israëlisch-Palestijnse staat, die al zijn burgers gelijk behandelt, ongeacht afkomst, levensovertuiging en religie. Om dit proces op gang te brengen is zeer sterke druk van buitenaf essentieel, geschraagd door aanzienlijke financiële middelen (maar zeker behapbaar voor Europa en de VS) en een multinationale strijdmacht die het akkoord kan afdwingen en Hamas en andere extremistische groeperingen aan beide zijden kan ontwapenen.
Ja, ga d’r maar aan staan. Maar wat is het alternatief? Lijdzaam toezien tot er 40.000, 50.000, 100.000 Palestijnse burgers worden afgeslacht? De westerse passiviteit heeft een exorbitante morele en politieke prijs. Ze is vooral te wijten aan het navelstaren van Europese en Amerikaanse samenlevingen, die te zeer verstrikt zitten in hun eigen verdeeldheid om werkelijk geïnteresseerd te zijn in constructieve oplossingen voor Israël en Palestina. Natuurlijk speelt het traditionele antisemitisme, dat nooit is uitgedoofd, een rol. Elk moment kan het weer oplaaien door onwetendheid over en onbegrip van de ander. Iedere Jood beschuldigen van medeplichtigheid met Israëlische generaals is net zo dom als iedere moslim verdenken van medeplichtigheid met jihadisten.
Nieuw is de beschamende uitbuiting van de strijd tegen antisemitisme. Bij rechts maar nu ook in het politieke midden worden pro-Palestijnse bundelingen van krachten onmiddellijk gebrandmerkt als antisemitisch – zelfs door beruchte antisemieten – en in verband gebracht met een denkbeeldige islamitisch-links gedachtegoed, zonder enige aandacht voor wat er werkelijk wordt gezegd en voorgesteld. In elk kamp bevinden zich provocateurs die bereid zijn met vuur te spelen. Helaas lijkt de angst voor (of zelfs haat jegens) de islam en de Europese moslims soms elke kalme reflectie in de weg te staan. En beschuldigingen van antisemitisme stellen ons in staat ons geweten te sussen en de ogen te sluiten voor alle bloedbaden.
In de VS is de moslimminderheid kleiner dan in Europa, maar de politieke reflexen zijn hetzelfde, met daarbovenop een messiaanse, half-hallucinatoire beweging van evangelische christenen die Israël steunen. Omgekeerd is er nu een trans-Atlantisch bondgenootschap van Joodse studenten en seculiere Joden van alle leeftijden dat opkomt voor Palestijnse rechten. Zij zijn de belangrijkste reden voor hoop. Aan beide zijden van de Atlantische Oceaan verwerpen jonge mensen zowel de oude verdeeldheid als de nieuwe haat. Ze zien duidelijk dat wat in Israël-Palestina op het spel staat de mogelijkheid is om samen te leven, ongeacht onze oorsprong. Het is op deze hoop dat we de toekomst moeten bouwen.
Rusland was niet uitgenodigd voor de eerste vredestop
De Oekraïense president Volodymyr Zelensky kondigde maandag aan dat hij ‘een tweede top in november voorbereidt om te praten over het beëindigen van de oorlog’ tussen Kyiv en Moskou, en dat ‘Russische vertegenwoordigers hieraan zouden moeten deelnemen’, meldt Deutsche Welle. Rusland was niet uitgenodigd voor de eerste top, die vorige maand in Zwitserland werd gehouden.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Dit is de eerste keer dat Zelensky gesprekken wil voeren met het Kremlin zonder dat Rusland zich eerst terugtrekt van zijn grondgebied. Volgens een maandag gepubliceerde opiniepeiling van het Oekraïense tijdschrift Dzerkalo Tyzjnia gelooft bijna 44 procent van de Oekraïners (exclusief de Krim en door Rusland gecontroleerde gebieden) dat ‘de tijd is gekomen om formele vredesbesprekingen te beginnen’ met Moskou.
Aanleiding is de moord op vier inheemse kinderen door de EMC
De Colombiaanse regering heeft een halt toegeroepen aan een wapenstilstand met Estado Mayor Central (EMC), een afsplitsing van voormalige Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC). Dat schrijft El Espectador. Aanleiding is de moord op vier inheemse kinderen die probeerden rekrutering door de EMC te voorkomen. De opschorting van de wapenstilstand geldt in vier Colombiaanse provincies.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De EMC is een van de bewegingen die zich afsplitste van de FARC, nadat die groepering vrede sloot met de Colombiaanse regering in 2016. De EMC, die voornamelijk actief is in het zuiden van Colombia, houdt zich bezig met illegale drugs- en wapenhandel en mijnbouw. Elders in het land, met name bij het grensgebied met Venezuela, zijn ook veel dissidente groeperingen actief.
De huidige president Gustavo Petro beloofde bij zijn aantreden totale vrede met de vele gewapende groeperingen die actief zijn in Colombia. Onder meer met de ELN, de grootste nog actieve guerrillabeweging, zijn vredesbesprekingen gaande. Volgens Petro zijn wapenstilstanden echter niet van nut zolang bewegingen blijven doorgaan met geweld.
Volgens historicus en schrijver Yuval Noah Harari wordt in Oekraïne bepaald welke richting de geschiedenis van de mensheid uit zal gaan. De grootste politieke prestatie van de mensheid was het terugdringen van oorlog. Die ontwikkeling staat nu op het spel.
Aan de crisis in Oekraïne ligt een fundamentele vraag ten grondslag over de aard van de geschiedenis en de aard van de mensheid: is verandering mogelijk? Kunnen mensen hun gedrag veranderen, of blijft de geschiedenis zich eindeloos herhalen en zijn mensen ten eeuwigen dage gedoemd tragedies uit het verleden telkens opnieuw op te voeren zonder dat er iets verandert behalve het decor?
Eén stroming ontkent ten stelligste dat verandering mogelijk is. Ze betoogt dat de wereld een jungle is, dat de sterke aast op de zwakke en dat militaire kracht de enige manier is om te voorkomen dat het ene land het andere opslokt. Zo is het altijd geweest, en zo zal het altijd blijven. Mensen die niet in de wet van de jungle geloven houden zichzelf niet alleen voor de gek, ze zetten ook hun bestaan op het spel. Ze zullen niet lang overleven.
Een andere stroming betoogt dat de zogenaamde wet van de jungle helemaal geen natuurwet is. Ze is door mensenhanden gemaakt, en mensen kunnen haar veranderen. Archeologische annalen wijzen uit dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt geloofd, het eerste duidelijke bewijs voor georganiseerde oorlogvoering pas van dertienduizend jaar geleden stamt. Ook daarna zijn er veel periodes geweest waarin ieder archeologisch bewijs voor een oorlog ontbreekt. Anders dan de zwaartekracht is oorlog geen fundamentele natuurkracht. De intensiteit en het bestaan ervan zijn afhankelijk van onderliggende technologische, economische en culturele factoren. Als deze factoren veranderen, verandert de oorlog mee.
Het bewijs van zo’n verandering zien we overal om ons heen. De afgelopen generaties hebben kernwapens de oorlog tussen supermachten in een krankzinnige vorm van collectieve zelfmoord doen ontaarden die de machtigste landen op aarde ertoe dwingt conflicten op een minder gewelddadige manier op te lossen. Hoewel oorlogen tussen grote mogendheden, zoals de Tweede Punische Oorlog of de Tweede Wereldoorlog, een vooraanstaande plaats innemen in de geschiedenisboeken, is er de afgelopen zeven decennia geen rechtstreekse oorlog tussen supermachten geweest.
Kenniseconomie
In diezelfde periode is de wereldeconomie veranderd van een materiële economie in een kenniseconomie. Waar materiële bezittingen als goudmijnen, graanvelden en oliebronnen ooit de belangrijkste bronnen van rijkdom waren, is tegenwoordig kennis de belangrijkste bron. En waar je olievelden met geweld kunt veroveren, zal dat met kennis niet lukken. Gevolg is dat de gewapende strijd aan winstgevendheid heeft ingeboet.
Ten slotte heeft er wereldwijd een culturele aardverschuiving plaatsgevonden. Veel elites in de geschiedenis, zoals Hunnenhoofdmannen, Vikingjarls en Romeinse patriciërs, hadden een positieve kijk op oorlog. Heersers van Sargon de Grote tot Benito Mussolini probeerden zichzelf onsterfelijk te maken door middel van veroveringen (en kunstenaars als Homerus en Shakespeare gingen daar maar al te graag in mee). Andere elites, zoals de christelijke kerk, zagen oorlog als een noodzakelijk kwaad.
Maar de afgelopen generaties werd de wereld voor het eerst in de geschiedenis gedomineerd door elites die oorlog niet als een noodzakelijk kwaad beschouwden. Zelfs types als George W. Bush en Donald Trump, laat staan de Merkels en Arderns van deze wereld, zijn heel andere politici dan Attila de Hun of Alarik de Goot. Zij dromen als ze aan de macht komen gewoonlijk eerder over binnenlandse hervormingen dan over oorlog in het buitenland. In kringen van kunstenaars en denkers staan de meest toonaangevende vertegenwoordigers – van Pablo Picasso tot Stanley Kubrick – eerder bekend om het uitbeelden van de zinloze gruwelen van de oorlog dan om het verheerlijken van de architecten daarvan.
Gevolg van al deze veranderingen is dat de meeste regeringen aanvalsoorlogen niet langer als een acceptabele manier beschouwen om hun belangen te behartigen en dat de meeste landen niet langer fantaseren over het veroveren en annexeren van hun buren. Het is gewoon niet waar dat alleen militaire macht kan voorkomen dat Brazilië Uruguay verovert of dat Spanje Marokko binnenvalt.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Parameters van de vrede
Dat oorlog op zijn retour is blijkt uit talloze statistieken. Sinds 1945 gebeurt het relatief zelden dat internationale grenzen opnieuw worden getrokken door een buitenlandse invasie, en geen enkel internationaal erkend land is volledig van de kaart geveegd door een buitenlandse verovering. Aan andere soorten conflicten, zoals burgeroorlogen en opstanden, is geen gebrek geweest. Maar zelfs wanneer je alle soorten conflicten in beschouwing neemt, zijn er in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw minder slachtoffers gevallen door menselijk geweld dan door zelfmoord, auto-ongelukken en obesitas-gerelateerde aandoeningen. Buskruit is minder dodelijk geworden dan suiker.
Geleerden kibbelen over de exacte cijfers, maar het is belangrijk om verder te kijken dan rekenmodellen. De afname van oorlog is zowel een psychologisch als een statistisch verschijnsel. Het belangrijkste kenmerk ervan is een grote verandering in de betekenis van het woord ‘vrede’. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis betekende vrede alleen maar ‘de tijdelijke afwezigheid van oorlog’. Toen mensen in 1913 zeiden dat er vrede was tussen Frankrijk en Duitsland, bedoelden ze dat er op dat moment geen rechtstreekse confrontatie was tussen het Franse en het Duitse leger, maar iedereen wist dat een oorlog elk moment zou kunnen uitbreken.
De afgelopen decennia is de betekenis van het woord ‘vrede’ veranderd in ‘de onwaarschijnlijkheid van oorlog’. Voor veel landen is het bijna ondenkbaar geworden dat ze zouden worden binnengevallen en veroverd door buurlanden. Ik woon in het Midden-Oosten, dus ik weet heel goed dat er uitzonderingen zijn op deze regel. Maar het erkennen van de regel is minstens even belangrijk als het kunnen benoemen van de uitzonderingen.
De ‘nieuwe vrede’ is geen statistische meevaller of hippieverzinsel. Ze komt het duidelijkst tot uiting in kille begrotingscijfers. De afgelopen decennia voelden veel regeringen op de wereld zich veilig genoeg om maar zo’n 6,5 procent van hun begroting aan defensie te besteden, terwijl er veel meer naar onderwijs, gezondheidszorg en maatschappelijk werk ging.
Wij zijn geneigd dat als vanzelfsprekend te beschouwen, maar het is een verbazingwekkende noviteit in de geschiedenis van de mensheid. Duizenden jaren lang was het leger veruit de grootste post op de begroting van iedere vorst, khan, sultan en keizer. Aan onderwijs of medische zorg voor de massa werd nauwelijks een cent uitgegeven.
Dat er minder oorlog werd gevoerd kwam doordat mensen betere keuzes maakten
Dat er minder oorlog werd gevoerd kwam niet door een goddelijk wonder of een verandering in de natuurwetten. Het kwam doordat mensen betere keuzes maakten. Je kunt het met recht een van de grootste politieke en morele prestaties van de moderne beschaving noemen. Maar dat het een gevolg is van een menselijke keuze betekent helaas ook dat het omkeerbaar is.
Technologie, economie en cultuur blijven veranderen. De opkomst van cyberwapens, AI-gestuurde economieën en nieuwe militaristische culturen zou een nieuw oorlogstijdperk kunnen inluiden, erger dan alles wat we tot dusver hebben meegemaakt. Om in vrede te leven moet bijna iedereen de juiste keuzes maken. Een slechte keuze door maar één partij kan daarentegen tot oorlog leiden.
Daarom zou de Russische inval in Oekraïne iedereen op aarde zorgen moeten baren. Als het opnieuw doodnormaal wordt dat machtige landen hun zwakkere buren opslokken, dan zou dat van invloed zijn op het denken en doen van alle mensen op de wereld. Het eerste en duidelijkste gevolg van een terugkeer naar de wet van de jungle zou een sterke toename van de defensiebegrotingen zijn ten koste van alle andere begrotingen. Het geld dat naar leraren, verpleegkundigen en sociaal werkers zou moeten gaan zou in plaats daarvan aan tanks, raketten en cyberwapens worden besteed.
Ook zou een terugkeer naar de jungle de wereldwijde samenwerking ondermijnen bij het tegengaan van bijvoorbeeld catastrofale klimaatverandering of het reguleren van ontwrichtende technologieën zoals kunstmatige intelligentie en genetische manipulatie. Het is niet eenvoudig om met landen samen te werken die van plan zijn je te elimineren. En naarmate klimaatverandering en de AI-wapenwedloop versnellen, zal de dreiging van een gewapend conflict alleen maar toenemen en zou een vicieuze cirkel die fataal kan zijn voor onze soort zich kunnen sluiten.
De richting van de geschiedenis
Wie gelooft dat historische verandering onmogelijk is, en dat de mensheid de jungle nooit heeft verlaten en dat ook nooit zal doen, rest alleen nog maar de rol van roofdier of prooi. Als ze voor die keus zouden komen te staan, zouden de meeste leiders liever de geschiedenis ingaan als alfaroofdieren en hun naam willen toevoegen aan de lugubere lijst van veroveraars die die arme leerlingen uit hun hoofd moeten leren voor hun geschiedenisexamens.
Maar zou een verandering misschien mogelijk zijn? Zou de wet van de jungle een keus kunnen zijn in plaats van iets onontkoombaars? Zo ja, dan zou elke leider die ervoor koos een buurland te veroveren een speciale plek in de geschiedenis van de mensheid krijgen waarbij die van Timoer Lenk verbleekt. Hij zou de geschiedenis ingaan als iemand die onze grootste prestatie teniet heeft gedaan. Net toen we dachten dat we uit de jungle waren, sleurde hij ons er weer in.
Ik weet niet wat er in Oekraïne zal gebeuren. Maar als historicus geloof ik dat verandering mogelijk is. Dat beschouw ik niet als naïviteit, maar als realisme. De enige constante in de menselijke geschiedenis is verandering. En dat kunnen we misschien leren van de Oekraïners. Vele generaties lang kende Oekraïne weinig anders dan tirannie en geweld. Ze kregen twee eeuwen tsaristische autocratie te verduren (die uiteindelijk bezweek tijdens de grote ommekeer van de Eerste Wereldoorlog). Een korte poging tot onafhankelijkheid werd in de kiem gesmoord door het Rode Leger dat de Russische heerschappij weer invoerde. Daarna werden de Oekraïners geteisterd door de gruwelijke door mensen veroorzaakte Holomodor (letterlijk vertaald de hongerpest), de stalinistische terreur, de nazibezetting en decennia ondraaglijke communistische dictatuur. Toen de Sovjet-Unie instortte, leek de geschiedenis te garanderen dat de Oekraïners opnieuw de weg van wrede tirannie zouden inslaan – ze waren immers niet anders gewend?
Maar ze maakten een andere keus. Ondanks de geschiedenis, ondanks de schrijnende armoede en ondanks schijnbaar onoverkomelijke obstakels stichtten de Oekraïners een democratie. Anders dan in Rusland en Belarus werden in Oekraïne functionarissen herhaaldelijk vervangen door oppositiekandidaten. Toen ze in 2004 en 2014 opnieuw door autocratie werden bedreigd, kwamen de Oekraïners tot tweemaal toe in opstand om hun vrijheid te verdedigen. Hun democratie is iets nieuws. Net als de ‘nieuwe vrede’. Beide zijn kwetsbaar, en wellicht is ze geen lang leven beschoren. Toch zijn beide mogelijk, en kunnen ze diepgeworteld raken. Alles wat oud is, is ooit nieuw geweest. Het ligt er alleen maar aan waar mensen voor kiezen.
Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week gaan we dieper in op de nieuwe geopolitieke rol van China. Het land profileert zich internationaal steeds meer als diplomatiek alternatief voor de Verenigde Staten.
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief Buiten de grenzen, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – al vanaf €4 per maand – op 360 Magazine en abonneer je op de nieuwsbrieven.
Hoe stelt China zich op in het Oekraïneconflict?
China heeft zich de laatste tijd veelvuldig geprofileerd als vredestichter en gepleit voor een vreedzame oplossing voor het Oekraïneconflict. Maar het vriendschappelijke bezoek van de Chinese president aan Moskou vorige maand en de presentatie van een vredesplan voor Oekraïne dat volgens velen op de hand van Rusland is, hebben ervoor gezorgd dat westerse landen zich zorgen maken over China’s houding.
Om de Chinese president ‘ervan te weerhouden de inval van Rusland in Oekraïne te steunen’ is Emmanuel Macron vandaag in China gearriveerd voor een driedaags staatsbezoek, schrijft The Guardian. ‘Parijs ziet China als een mogelijke “gamechanger” in de oorlog’, vervolgt de Britse krant. Het land zou een dialoog tussen de strijdende partijen tot stand kunnen brengen die tot vrede leidt. Anderzijds wordt gevreesd dat Beijing overweegt de steun aan Rusland op te voeren en wapens te leveren.
Op zijn beurt bracht Xi Jinping op 20 maart een bezoek aan de Russische president. Toen verzekerde hij Vladimir Poetin dat de ‘vriendschap tussen hun landen geen grenzen kent’, zoals The Wall Street Journalopmerkt. Al eerder, op 24 februari, presenteerde China een vredesplan van twaalf punten, waarin het zich uitspreekt voor onderhandelingen tussen Rusland en Oekraïne.
Maar ‘Xi Jinping [was] niet in Moskou om vrede te sluiten’, schrijft The Sunday Times. Het bezoek was volgens de Britse zondagskrant alleen bedoeld om ‘de indruk te wekken’ dat de Chinese president ‘een einde probeert te maken aan de oorlog in Oekraïne’. ‘Xi weet heel goed dat een einde aan de gevechten niet in zicht is, maar op die manier kan hij zich voordoen als een groot staatsman die geobsedeerd is door wereldvrede.’
The Observer, een andere grote zondagskrant uit de Britse hoofdstad, is het daarmee eens: ‘Beijing probeert zich het imago van een onpartijdige bemiddelaar aan te meten.’ Gideon Rachman schrijft hierover in Financial Times: ‘Voor Xi is het belangrijk om China te presenteren als een land dat zich vooral bezighoudt met commerciële overwegingen en het streven naar gedeelde welvaart benadrukt, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, die door China worden afgeschilderd als een ideologische oorlogsstoker die de wereld verdeelt in vrienden en vijanden.’
Maar in het geval van het Oekraïense conflict heeft Xi Jinping ‘duidelijk partij gekozen’, aldus The Observer. Dat blijkt onder meer uit China’s weigering om de Russische invasie te veroordelen en uit het ‘zeer onevenwichtige’ vredesplan voor Oekraïne. Daarin spreekt China zich onder andere uit tegen de westerse sancties.
In zijn hart hoopt Xi Jinping ‘vooral de nederlaag van Poetin te voorkomen’, analyseert The Sunday Times. ‘Ondanks de ups en downs in hun relatie is de bromance tussen de twee leiders oprecht, bestendigd door hun grieven met de door de VS gedomineerde wereldorde.’ Voor hun gemeenschappelijk doel, het opbouwen van een ‘alternatief model van internationale betrekkingen’, is het beter dat het Russische regime overleeft. ‘Vooral omdat een vernedering [van Rusland], gekoppeld aan een bekrachtigde eenheid van het Westen, de positie van de VS zou versterken, die vervolgens hun volledige aandacht op China zouden richten.’
Tekenend voor die houding is dat Xi Jinping zich bij monde van een woordvoerder tijdens zijn bezoek aan Moskou uitsprak tegen het arrestatiebevel voor Vladimir Poetin van het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag wegens oorlogsmisdaden. Volgens China moet het ICC de immuniteit respecteren die het internationaal recht aan staatshoofden toekent, bericht de Singaporese krant Lianhe Zaobao.
Wat wil China bereiken op het diplomatieke toneel?
Ook buiten de oorlog in Oekraïne probeert China zich te profileren als vredestichter. Zo bemiddelde het land met succes om tot een akkoord te komen tussen Iran en Saudi-Arabië, die lange tijd met elkaar in conflict waren. Op 10 maart kondigden de landen aan dat zij hun diplomatieke betrekkingen hervatten. ‘Soms kan geopolitieke rivaliteit [in dit geval tussen de VS en China] grootmachten ertoe aanzetten iets goeds te doen’, oordeelt Michael Schuman in The Atlantic.
‘De wereld mag meer van dergelijke initiatieven verwachten’, vervolgt de Amerikaanse journalist. ‘Het Iraans-Saoedische pact zou het begin kunnen zijn van een trend in het Chinese buitenlandse beleid, waarbij Beijing actievere diplomatie nastreeft in regio’s waar het beperkte macht heeft.’ Door een dergelijke rol aan te nemen probeert China voor landen buiten het Westen een alternatieve bondgenoot te zijn, in plaats van de VS. ‘De overeenkomst maakt deel uit van een intensievere campagne van Beijing om de Amerikaanse macht te ondermijnen en de wereldorde opnieuw vorm te geven.’
In die campagne worden de VS afgeschilderd als een door oorlog geobsedeerde natie en wordt de trans-Atlantische wereldorde weggezet als onrechtvaardig, instabiel en niet in staat om de urgente problemen van de wereld op te lossen, schrijft Schuman. In een in februari door de Chinese regering uitgebracht rapport worden de VS afgeschilderd als een dominante oorlogsstoker en wordt gewezen op ‘de gevaren van het Amerikaanse handelen voor de internationale vrede en stabiliteit en het welzijn van alle volkeren’.
China daarentegen is volgens zijn eigen propaganda een land van vrede dat betere oplossingen heeft voor onrecht in de wereld, ‘oplossingen die geworteld zijn in de Chinese wijsheid en geformuleerd zijn door Xi, de meesterfilosoof’, schetst Schuman. Die ideeën zijn vastgelegd in het Global Security Initiative dat Xi vorig jaar lanceerde, waarin het grote belang van staatssoevereiniteit wordt benadrukt en wordt opgeroepen tot niet-inmenging in binnenlandse aangelegenheden van landen en het beëindigen van ‘blokconflicten’, waarin landen gedwongen worden partij te kiezen.
Wat zijn de gevolgen van het actieve Chinese diplomatieke beleid?
China lijkt de rol als alternatief voor de VS voor landen buiten het Westen te willen voortzetten. The Wall Street Journalbericht bijvoorbeeld dat China later dit jaar een topontmoeting wil organiseren met leiders van een aantal Arabische landen en Iran. ‘Er lijkt een strategische leegte in [het Midden-Oosten] te zijn, en de Chinezen lijken te hebben bedacht hoe ze daar munt uit kunnen slaan,’ zei Mohammed Alyahya, een Saoedische fellow bij het Belfer Center for Science and International Affairs van Harvard, tegen The New York Times. ‘China wordt de spil van de machtspolitiek in het Midden-Oosten,’ aldus een andere analist in het New Yorkse dagblad.
Ook in Afrika speelt China niet alleen economisch maar ook politiek een steeds grotere rol. Zo heeft Beijing zijn invloed op defensie en veiligheid in heel Afrika uitgebreid, aldus South China Morning Post. Naast het leveren van diverse wapens heeft China een netwerk ontwikkeld van particuliere militaire beveiligingsbedrijven die Chinese investeringen in de bouw, infrastructuur en mijnbouw beschermen.
Diezelfde krant schreef vorig jaar nog dat China zich ook steeds meer laat gelden als vredestichter in de Hoorn van Afrika. Deze regio is al lange tijd het toneel van burgeroorlogen, islamistische opstanden en militaire staatsgrepen die Chinese investeringen bedreigen. Dit gebeurde het meest recent in Ethiopië, Eritrea en Somalië.
De rol van China roept ‘ernstige vragen op over het soort “vreedzame” nieuwe wereldorde dat Beijing nastreeft’, aldus Schuman in The Atlantic. ‘Met zijn nauwe banden met Rusland en Iran en zijn langdurige steun aan Noord-Korea is China een belangrijke beschermheer van de drie meest destabiliserende staten ter wereld. Afgezien van het akkoord tussen Iran en Saoedi-Arabië zijn er weinig aanwijzingen dat Beijing van plan is zijn invloed aan te wenden om de gevaarlijkste plannen van deze landen te beteugelen. Zolang dat niet het geval is, zal China’s nieuwe orde allesbehalve vreedzaam zijn.’
Israël en de Palestijnse Autoriteit praten over de-escalatie
Op de Westelijke Jordaanoever is het dit weekend in meerdere steden tot confrontaties gekomen tussen Israëlische kolonisten en Palestijnen, meldt het Israëlische Haaretz. Het epicentrum van het geweld lag in de stad Hawara, waar het leger eraan te pas moest komen om rellen door Israëliërs onder controle te krijgen. Het geweld ontstond op zondag als wraakactie na een schietpartij eerder op de dag in Hawara, waarbij een Palestijn twee mensen van Israëlische komaf had doodgeschoten.
Kolonisten in Hawara organiseerden vervolgens een protestmars, waarbij gebouwen, woningen en auto’s in brand werden gestoken. Ook werden Palestijnen aangevallen. Elders in het gebied, in de stad Nablus, was het ook onrustig. De Israëlische premier Benjamin Netanyahu heeft zijn landgenoten opgeroepen niet voor eigen rechter te gaan spelen.
Het geweld op de Westelijke Jordaanoever is de afgelopen dagen flink toegenomen. Om deze reden kwamen afgevaardigden van Israël en de Palestijnse Autoriteit zondag in Jordanië bijeen om te praten over manieren om de situatie onder controle te krijgen. Israël heeft daarbij enkele concessies gedaan, waaronder de belofte de komende maanden in ieder geval geen nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te bouwen. Ook zullen de gesprekken de komende tijd voortgezet worden.
De Colombiaanse president Gustavo Petro heeft zaterdag een verrassingsbezoek gebracht aan Caracas, waar zijn Venezolaanse ambtgenoot Nicolás Maduro hem verzekerde van zijn steun bij zijn vredesonderhandelingen met gewapende groepen. De ontmoeting – de derde tussen de twee mannen – komt enkele dagen na ‘de faux pas van Petro, die op oudejaarsavond een wapenstilstand met het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN) aankondigde, die onmiddellijk door de rebellen werd ontkend’, merkte El País op. Eind januari vindt in Mexico een nieuwe onderhandelingsronde plaats tussen de Colombiaanse regering en de opstandelingen.
Tijdens hun drie uur durende ontmoeting in het presidentieel paleis van Miraflores bespraken Maduro en Petro ook de volgende stappen in de normalisering van de betrekkingen tussen hun twee landen. Zo zijn de controle van hun gemeenschappelijke grens en grensoverschrijdende investeringen aan bod gekomen.
‘We hadden een brede en zeer vruchtbare bijeenkomst’, schreef Maduro, zonder in details te treden, in een bericht op Twitter. ‘Venezuela zal als garantstellend land de Colombiaanse regering steunen in haar doelstelling om het bilaterale staakt-het-vuren en de totale vrede te handhaven’, aldus de gezamenlijke verklaring.
De Nobelprijs voor de Vrede ging naar een drietal uit Sovjetlanden
De winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede hebben zaterdag bij een ceremonie in de Noorse hoofdstad Oslo hun prijs in ontvangst genomen, schrijft Deutsche Welle. De winnaars uit drie voormalige Sovjetlanden konden niet allemaal aanwezig zijn bij de uitreiking: de Belarussische mensenrechtenactivist Ales Bialiatski werd opgepakt in de nasleep van de protesten tegen de Belarussische leider Aleksandr Loekasjenko en zit in de gevangenis. Zijn vrouw verving hem tijdens de uitreiking.
De twee andere winnaars kwamen uit Rusland en Oekraïne. De Russische mensenrechtenorganisatie Memorial zet zich in voor mensenrechten in meerdere voormalige Sovjetlanden, waar het Oekraïense Center for Civil Liberties (CCL) zich bezighoudt met het verdedigen van de democratische rechtstaat in Oekraïne. De oorlog tussen Rusland en Oekraïne speelde vanzelfsprekend een rol bij de uitreiking. Alle prijswinnaars refereerden aan de Russische agressie en riepen op om mensenrechtenschendingen door het land te vervolgen.
De Nobelprijs wordt ieder jaar uitgereikt in Oslo, alleen in 2021 en 2020 vond er vanwege de pandemie geen ceremonie plaats. De prijswinnaars uit dit jaren waren er deze zaterdag ook bij. Ook de andere Nobelprijzen werden dit weekend uitgereikt. Alle winnaars ontvangen 900.000 euro aan prijzengeld, een medaille en een diploma.
Van overstromingen als verdediging tot het instellen van bufferzones: het inzetten van de natuur in gewapende conflicten is zo oud als oorlog zelf. Een extra voordeel: de natuur raakt erdoor hersteld. Zo ook rondom de Oekraïense rivier de Irpin.
Keuze uit het archief
Begin deze week werd de Nova Kachovka-dam in de regio Cherson opgeblazen, met grote overstromingen tot gevolg. Dat was niet de eerste keer dat in de oorlog in Oekraïne water werd ingezet om de tegenstander dwars te zitten. Al in de eerste dagen van de oorlog zetten de Oekraïners het gebied rond de rivier de Irpin bij Kyiv onder water om de opmars van de Russen tegen te houden. Gelukkig had dat toen minder desastreuze gevolgen dan nu in Cherson. Integendeel, de natuur bloeide ervan op.
In de eerste dagen van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne naderde de invasiemacht de rivier de Irpin en stond bijna voor de poorten van de Oekraïense hoofdstad. Maar toen het water van de rivier plotseling begon te stijgen, werden de Russen gedwongen om te draaien, waarbij ze een spoor van tanks en ander militair materieel moesten achterlaten. Kyiv kon weer ademhalen en het wetlands-ecosysteem raakte voor het eerst in meer dan zeventig jaar overstroomd.
Al had de gebeurtenis veel weg van een wonder, het was niet de hand van God die Oekraïne te hulp schoot. Jasper Humphreys, programmadirecteur van de Marjan Study Group, onderdeel van het departement oorlogsstudies aan het King’s College in Londen, dat onderzoek doet naar conflicten en milieu, noemt wat er bij de Irpin gebeurde warWilding, ofwel het manipuleren van de natuur tijdens conflictsituaties.
‘Ik werd ’s nachts wakker, een paar dagen nadat ik het verhaal over de “heldenrivier” in The Guardian had gelezen, over hoe het Oekraïense leger de opdrogende Irpin en de voormalige moerasgebieden weer onder water zette om de Oekraïense hoofdstad te redden,’ vertelt de academicus. Zo kwam hij op het woord. ‘Ik ging rechtop in bed zitten en fluisterde tegen mezelf: “Dit is warWilding.”’
Verwildering
Humphreys bedacht de term voor ‘het creëren en soms zelfs het vernietigen van een habitat als resultaat van tactische manipulatie van de natuur’. Of, om het simpeler te zeggen; ‘het toepassen van de natuur bij oorlogsvoering’. De tweede W wordt met een hoofdletter geschreven om het belang van wilding te benadrukken, legt hij uit.
‘Het tactische vernuft van het Oekraïense leger was dat ze de natuur inzetten om de invasie te stoppen, en het resultaat was positief omdat de Russische opmars door de “verwildering” van land en water tot halt werd geroepen. In die zin is deze gebeurtenis een klassiek voorbeeld van warWilding.’
Hoewel warWilding een neologisme is, is het strategische en tactische gebruik van de natuur al zo oud als oorlog zelf, zegt Humphreys, die eraan toevoegt dat de resultaten niet altijd positief uitpakken. ‘Helaas heeft warWilding ook een schaduwzijde. Saddam Hoesseins tactische manipulatie van de natuur resulteerde bijvoorbeeld in de drooglegging van de moerassen in Centraal-Irak en in de [etnische] zuivering van de Ma’dan, ofwel de moerasarabieren [de oorspronkelijke Arabische bewoners van de moerassen van Mesopotamië (het zuiden van het hedendaagse Irak en aangrenzende Iran)].’
‘De overstroming van de Irpin kan resulteren in een unieke hotspot van biodiversiteit’
Hij voegt eraan toe: ‘WarWilding is van nature onvoorspelbaar, maar als de strategische motieven creatief zijn en niet destructief, dan biedt deze tactiek uitgelezen mogelijkheden om grote stukken wildernis te redden en bufferzones in conflictgebieden te creëren. Op langere termijn kunnen deze zelfs voor vrede zorgen.’
De aanpak van het Oekraïense leger bij de overstroming van de Irpin is volgens Humphreys een goed voorbeeld van een geslaagde vorm van warWilding. ‘De overstroming van de Irpin redde niet alleen de Oekraïense staat, maar kan in het naoorlogse Oekraïne bovendien resulteren in een unieke hotspot van biodiversiteit door de heropleving van de eens zo machtige rivier en de tienduizenden hectaren aan moerasland.’
Park van de vrede
Humphreys noemt ook het Gorongosa Park in Mozambique als voorbeeld van een succesvol staaltje warWilding. ‘Negentig procent van de fauna was verwoest als gevolg van de burgeroorlog, maar dankzij gecoördineerde inspanningen en investeringen zijn de populaties olifanten en leeuwen weer hersteld. De waardering voor deze aanpak bleek uit de benoeming van het gebied tot “park van de vrede”.’
‘Op dezelfde manier zou een hersteld ecosysteem rondom de Irpin een monument kunnen worden voor een van de meest legendarische warWildings in de geschiedenis: een hotspot voor biodiversiteit, met safari’s voor toeristen, en bovendien een wildernisbarrière die Kyiv honderden jaren kan beschermen tegen indringers,’ aldus Humphreys.
De Amerikaanse bioloog en natuurbeschermer Thor Hanson, expert op het gebied van de invloed van oorlogen op het milieu, noemt de nieuwe term ‘aanstekelijk’. ‘Hij kan goed van pas komen om bepaalde milieugevolgen van oorlogsvoering mee aan te duiden,’ aldus Hanson, coauteur van het artikel Warfare Ecology uit 2008.
‘Vaker gebeurt deze verwildering onbedoeld, als gevolg van ingrijpende veranderingen in menselijk gedrag’
‘Aanzienlijke “verwilderings”-trends doen zich ook wel voor tijdens de voorbereiding op een oorlog, met name op de grote stukken land die zijn gereserveerd voor het trainen van troepen en het testen van bewapening. De gevolgen zijn dan niet noodzakelijkerwijs opzettelijk; in grote delen van zo’n gebied zijn simpelweg de meeste menselijke activiteiten opgeschort,’ zegt Hanson.
‘Ik weet nog niet goed of de term warWilding ook van toepassing is in dergelijke situaties, die zich ver buiten de context van de oorlogen zelf voordoen. Ik vind het een relevante term voor het opnieuw verwilderen van habitat als gevolg van oorlog. Dat kan om tactische redenen zijn, zoals het opzettelijk onder water zetten van de Irpin, maar vaker gebeurt deze verwildering onbedoeld, als gevolg van ingrijpende veranderingen in menselijk gedrag en landgebruik. Je kan denken aan regeneratie van verlaten landbouwgrond, of aan onderbreking van de exploitatie van een gebied, zoals commerciële visserij, bosbouw of jacht.’
Ecologische vredesopbouw
Verwijzend naar de Irpin, stelt Hanson voor om ten minste enkele van de overstroomde gebieden van het voormalige moerasland te behouden om daarmee ‘ecologische vredesopbouw’ in het naoorlogse Oekraïne te bevorderen. ‘Betwiste grensgebieden worden vaak bufferzones die conflicten kunnen helpen temperen, doordat ze het contact tussen beide partijen belemmeren,’ zegt hij.
‘Vermindering van menselijke activiteit in dergelijke gebieden kan leiden tot herstel van de habitat en de bijbehorende flora en fauna. Het klassieke moderne voorbeeld hiervan is de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Korea, maar er zijn vele andere voorbeelden te vinden in de geschiedenis. Als we milieuoverwegingen een rol laten spelen bij de vredesinspanningen, kan dat beide partijen in het conflict aanzienlijke voordelen opleveren – denk aan betere waterkwaliteit, leefgebied voor wilde dieren of beheersing van overstromingen. Bovendien nemen de spanningen mogelijk af doordat het conflict over de betwiste grond wordt weggenomen.’
‘Ik ken niet alle details van de situatie rond de Irpin, maar het is denkbaar dat een dergelijke situatie kan worden bereikt als ten minste een deel van dat overstroomde land in permanent moerasgebied wordt veranderd. Strategisch gezien kunnen permanente, onbegaanbare moerasgebieden ook potentiële toegangswegen blokkeren voor aanvallen in de toekomst. Dit is een goed voorbeeld van de overlap tussen militaire overwegingen en die van milieuplanning.’
‘Er is een sterk historisch patroon van geïntensiveerde conflicten in perioden van klimaatstress’
Hoewel de twee academici het nog niet helemaal eens zijn over de exacte definitie van warWilding, beamen beiden dat het fenomeen door de huidige klimaatsituatie, de voortdurende plundering van natuurlijke hulpbronnen en de snelle vernietiging van vitale ecosystemen steeds vaker zal voorkomen.
‘Er is een sterk historisch patroon van geïntensiveerde conflicten in perioden van klimaatstress, dus we verwachten wel degelijk dat spanningen toenemen naarmate de klimaatcrisis zich verder ontvouwt. Dat zal een context creëren voor oorlogszuchtige handelingen, zowel tactisch als onbedoeld,’ zegt Hanson.
‘Ik zie een toekomst waarin de Irpin weer krioelt van de wilde dieren’
‘Beleidsmakers, wetenschappers en natuurbeschermers moeten zich bewust zijn van de mogelijkheden die “verwildering” biedt om vrede en veiligheid te bevorderen, zoals het creëren van grensoverschrijdende vredesparken en bufferzones, maar ook sociale en politieke stabiliteit op de lange termijn, die worden geassocieerd met een gezond milieu.’
Humphreys, die de Oekraïense Groep voor Natuurbehoud heeft gevraagd een studie uit te voeren naar de ecologische staat van het gebied, stelt voor dat de Irpin, net als Gorongosa, een vredespark wordt.
‘Soms is “verwildering” alleen niet genoeg, maar warWilding kan er de perfecte voorwaarden voor scheppen en die kans moeten we grijpen, zowel tijdens de oorlog als in post-conflictfases,’ zegt hij. ‘Ik zie een toekomst waarin de Irpin weer krioelt van de wilde dieren, met waterbuffels die zich wentelen in onneembare moerasgebieden, lynxen die diep in het dichte kreupelhout sluipen en daarboven rondzwevende zeearenden.’
Volgens filosoof Yassin al-Haj Saleh ontbreekt het aan vredesdenken in de Arabische wereld. ‘Geen van onze hedendaagse intellectuelen heeft een boek of zelfs maar een artikel aan vrede gewijd.’
In de jaren tachtig vroeg de Marokkaanse historicus Abdallah Laroui zich af waarom Arabische intellectuelen zich zo weinig bezighielden met het vraagstuk ‘oorlog’, terwijl oorlog zo’n groot deel uitmaakte van hun dagelijks leven. Maar waar we eigenlijk ook zelden over nadenken, is een ander en zeker niet minder belangrijk onderwerp: vrede.
Niet dat de term niet voorkomt in gesprekken of in de media. Hij ontbreekt alleen in onze gedachten. Geen van onze hedendaagse intellectuelen heeft er een boek of zelfs maar een artikel aan gewijd. Misschien is dat te verklaren vanuit de beperkte aandacht van intellectuelen voor politiek en politieke theorie. En dat terwijl onze moderne geschiedenis één lange politieke crisis is. Hoe valt dit uit te leggen?
In de eerste plaats waarschijnlijk doordat we geen vrede in onszelf kunnen vinden. Vrede maakt geen deel uit van onze persoonlijke ervaringen, en wij slagen er niet in de roep om vrede in onszelf te herkennen. Evenmin lukt het ons om een smalle brug te slaan tussen onze interne conflicten en die vrede, of dat nu in onszelf is, in onze samenleving of wereldwijd. Onze gedachten zijn slechts een weerspiegeling van de geest, onder constante invloed van lawaai, spanningen, woede, verbittering en dagelijkse beslommeringen.
Onterecht toegeëigend
Ten tweede moeten we niet vergeten dat het woord ‘vrede’ vaak op een twijfelachtige manier wordt gebruikt. Dat geldt vooral binnen het Israëlisch-Arabische conflict, het eerste onderwerp dat in je opkomt als je het woord ‘vrede’ gebruikt. De Israëliërs en de Amerikanen zijn zo handig geweest zich het woord toe te eigenen. Sinds tientallen jaren doet de agressor, de partij in de sterke positie, het voorkomen alsof hij voor de vrede vecht, terwijl de aangevallene, die zich in de zwakke positie bevindt, overkomt alsof vrede er voor hem niet toe doet, soms zelfs alsof hij voorstander van oorlog is.
De Arabische wereld is er hooguit in geslaagd het beginsel van rechtvaardigheid als eerste vereiste voor de vrede te laten gelden. Maar dat idee is niet verder ontwikkeld of als theorie uitgewerkt. Erger nog, in geen enkel Arabisch land wordt dat beginsel door de politiek gerespecteerd – verre van dat.
Onder degenen die ons regeren, en voor wie wij geen respect hebben, heeft een aantal zich onterecht de titel van vredesheld toegeëigend, op dezelfde lage en misleidende manier als waarop ze zichzelf uitriepen tot oorlogshelden. Zowel oud-president Anwar Sadat van Egypte als de Syrische oud-president Hafiz al-Assad deed zich voor als oorlogs- en vredesheld. Vooral in het geval van Assad is dit een grove verdraaiing van de werkelijkheid. Zijn zogenaamde heldhaftige pacifisme was nooit voor de Syriërs bedoeld, maar enkel voor hem persoonlijk, om zijn contacten met de Israëliërs en de westerse wereld te onderhouden.
De islamitische verbeelding bestaat uit fantasieën over verovering, overheersing, macht en weelde
Misschien heeft de afwezigheid van de gedachte over vrede er ook mee te maken dat de islamitische verbeelding bestaat uit fantasieën over verovering, overheersing, macht en weelde. Die denkwijze komt ook terug in het islamitische onderwijs, waarin de wereld wordt verdeeld in dar al-harb (‘het huis van de oorlog’, de niet-moslimlanden) en dar al-islam (‘het huis van de islam’) – in plaats van dar al-salam (‘het huis van de vrede’).
Wel hebben de woorden islam en salam dezelfde oorsprong, en begroeten moslims elkaar met salam aleikum (‘dat de vrede met u is’). Maar de krijgszuchtige structuur van de islam, die voortvloeit uit de imperialistische erfenis en de laatste decennia is versterkt door de opkomst van het salafisme, heeft deze twee symbolische pijlers bijna compleet ondermijnd. Voor salafistische jihadisten is oorlog niet alleen iets wat je in de praktijk brengt, het is een identiteit.
In het dar al-salam zou in principe geen oorlog moeten bestaan. Maar een afwezigheid van oorlog betekent nog geen vrede. Wij hebben altijd geleden onder regimes die de macht grijpen en die vervolgens drie generaties lang vasthouden, totdat hun asabiyyah, de gemeenschapszin binnen de clan, uitdooft; een manier van heersen die is gebaseerd op de leer van Ibn Khaldun, een moslimhistoricus uit de veertiende eeuw. Vervolgens verschijnt een andere clan, die op zijn beurt de macht grijpt.
Gezag
Maar het belangrijkste element dat de afwezigheid van het begrip ‘vrede’ in ons denken verklaart, blijft het feit dat onze sociaal-politieke structuren niet op vrede zijn gericht. Wij leven niet in pluralistische maatschappijen, waar mensen op vreedzame wijze samenleven. Onze politiek wordt gedomineerd door een gezag voor geweld, oorlog en terreur. Onze leiders doen er alles aan om de angst te laten regeren en de burgers de indruk te geven dat ze in gevaar zijn, ingesloten en slechts voorwaardelijk veilig.
In Syrië is, toen de Baath-partij in 1963 aan de macht kwam, de noodtoestand afgekondigd, eerst onder voorwendsel van de oorlog tegen Israël, daarna van die tegen ‘het terrorisme’. Dat roept de vraag op of oorlog niet gewoon een middel is om die noodtoestand te kunnen verklaren; die is voor terroristische en nalatige regimes namelijk een manier om iedere legale en ethische beperking te omzeilen.
In de memoires van de Syrische oud-minister van Buitenlandse Zaken Farouk Al-Sharaa, The Missing Account (2015), beschrijft de auteur zijn vredesonderhandelingen met Israël. Hij doet Syrië voorkomen als een land zonder maatschappij, volk of politieke strijd. Wat zeggen en denken de Syriërs eigenlijk over het zogenaamde vredesproces met Israël? Zulke vragen komen niet aan de orde, en wij weten waarom: vanwege het ontbreken van vredesdenken en vrijheid van meningsuiting in Syrië, dat sinds 1970, toen de Assad-clan aan de macht kwam, in een latente burgeroorlog verkeert.
In het geval van Syrië is de situatie nog eens verergerd door tien jaar oorlog. Juist daarom moeten we nadenken over de juiste manier om onze politieke, sociale en intellectuele kaders vorm te geven, met als doel dat mensen zonder angst en geweld kunnen leven, ondanks een veelvoud aan tegenstrijdige overtuigingen en belangen.
Zeker, nadenken over de vrede is niet voldoende om vrede te stichten. Maar dat kleine beetje vrede dat we op een dag misschien zullen kennen, zouden we met een minimum aan intellectuele bagage moeten ontvangen. Alleen op die manier kan de vrede haar weerslag hebben op de politiek en zou ze zelfs als basis kunnen dienen voor een nieuwe cultuur.
Yassin al-Haj Saleh
Yassin al-Haj Saleh (1961, Raqqa) is schrijver, en een kritische intellectuele stem in de huidige Syrische crisis.
Toen Al Haj Saleh in 1980 medicijnen studeerde, werd hij gearresteerd wegens zijn lidmaatschap van een communistische, prodemocratische groepering. Hij zat zestien jaar gevangen. Om zijn geestelijke gezondheid te bewaren, las hij alles wat hij te pakken kon krijgen. Eenmaal vrij op z’n 35ste studeerde hij verder en werd arts. Maar hij besefte dat hij een grotere maatschappelijke bijdrage kon leveren als hij schrijvend zijn land zou volgen. Dat heeft hij gedaan en is hij onder bedreiging van opnieuw een gevangenisstraf blijven doen.
In 2012 kreeg hij de Nederlandse Prince Claus Prijs, bedoeld voor personen ‘die een progressieve en hedendaagse benadering hebben binnen een bepaald thema in de cultuur of ontwikkeling’. ‘Al Haj Saleh’, zo schreef de commissie van het Prins Claus Fond, ‘bekritiseert het regime door de diepere sociaal-culturele aspecten van politieke conflicten in de regio te verklaren. Hij onthoudt zich van door de media gegenereerde geruchten en ontleedt in heldere bewoordingen het functioneren en de strategieën van het regime en de oppositie.’
Yassin al Haj Saleh wordt verder geëerd voor de helderheid en diepgang van zijn werk over de complexe realiteit van sociale en politieke verandering in het hedendaagse Midden-Oosten; voor het volhouden van beredeneerde en zelfreflecterende analyse en een principiële visie te midden van gewelddadige conflicten en crises; voor het hooghouden van de rol van de intellectueel tegenover autoritaire macht en sensatiebeluste media; en voor zijn cruciale bijdragen tot een beter begrip van de Arabische wereld in de wereld.
Saleh publiceerde vier boeken: Syrië from the Shadow: Glimpses Inside the Black Box (2010); Asateer al Akhireen (‘De mythe van de opvolgers’, 2010) met als ondertitel Een kritiek op de hedendaagse islam en een kritiek op de kritiek; Al-Sayr ala Qadam Waheda (‘Lopen op één been’, 2011).
Hij leeft nu in ballingschap in Turkije en schrijft voor verschillende internationale Arabischtalige publicaties. Samen met een groep Syriërs en Turken heeft hij onlangs een Syrisch Cultureel Huis in Istanboel opgericht, genaamd Hamish.
In Liberia is een spannende presidentsrace gaande tussen ex-voetballer George Weah en voormalig vicepresident Joseph Boakai. Daarmee komt binnenkort een einde aan het bewind van Ellen Johnson Sirleaf, Afrika’s eerste vrouwelijke president en winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede. Over haar nalatenschap zijn de meningen verdeeld.
Langs de zandweg waar Anthony Chea staat loopt een rijtje zingende kinderen voorbij, de gezichten beschilderd met witte verf. Niet ver daarvandaan staat een handvol volwassenen in een tent waar traditionele Liberiaanse muziek uit de speakers schalt. Een oudere man danst in zijn eentje. De campagne voor de presidentsverkiezingen op 10 oktober is begonnen, en Chea en zijn dorpsgenoten maken zich op voor het bezoek van Alexander Cummings, een van de kandidaten die de huidige president, Ellen Johnson Sirleaf, hoopt op te volgen.
Chea woont in een klein plaatsje in de provincie Grand Kru. Hoewel het 560 kilometer van de hoofdstad Monrovia ligt, het centrum van de politieke macht, is de staat waarin kleine plaatsjes in het achterland verkeren illustratief voor de gemengde nalatenschap van Liberia’s eerste vrouwelijke president. Chea laat zijn blik dwalen over de zandweg vol kuilen die door het centrum van het dorp loopt, en wijst naar een waterpomp die een paar jaar geleden door een hulporganisatie is aangelegd. Het is een van de weinige waterpompen in het dorp – maar deze is defect.
Chea hoopt dat de volgende president meer kan betekenen voor dorpen als het zijne. Hij en zijn dorpsgenoten zijn van mening dat de huidige regering meer had kunnen doen om de provincie te ontwikkelen. Ze willen betere wegen, scholen, medische voorzieningen, water. Maar Johnson Sirleaf heeft het proces wel in gang gezet, geeft Chea toe. ‘Ze kan het niet in haar eentje afmaken. Nu is het de beurt aan iemand anders om de draad op te pakken.’
Sirleaf legt in januari, na twee ambtstermijnen van zes jaar, haar functie neer. Haar nalatenschap is lastig te duiden. Ze heeft vrouwen vooruitgeholpen, ze heeft wonden verzacht die door de burgeroorlog waren geslagen, maar haar critici vinden dat de politieke vooruitgang ten koste is gegaan van de ontwikkeling op korte termijn, en dat haar bewind wordt gekenmerkt door corruptie en nepotisme.
Had ze het beter kunnen doen? Misschien. Maar ze had het ook veel slechter kunnen doen.
Als eerste democratisch gekozen leider sinds het einde van de bloedige burgeroorlog stond Johnson Sirleaf bij haar aantreden in januari 2006 voor de moeilijke taak de zieltogende economie, de verwoeste infrastructuur en de lamgelegde instituties weer op te bouwen. Na twaalf jaar wordt ze alom geprezen voor het bewaren van de nog altijd kwetsbare vrede, maar veel Liberianen vinden dat ze op andere vlakken niet genoeg heeft gedaan.
Niet dat die kritiek haar raakt.
Op een donderdagavond zit Johnson Sirleaf aan het hoofd van een vergadertafel op de zesde verdieping in het gebouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Tubman Boulevard, de hoofdstraat van Monrovia. Op de muur tegenover haar hangt een geborduurde kaart van het land met daarop, keurig genaaid, alle vijftien provincievlaggen. ‘Ik kan er kort over zijn,’ zegt het 78-jarige staatshoofd luid om de herrie van een nabijgelegen bouwplaats te overstemmen. ‘Ik laat Liberia in veel betere staat achter dan waarin ik het aantrof.’
Het land was er nog slechter aan toe dan ze zich had gerealiseerd, bleek al snel toen Johnson Sirleaf als president was geïnstalleerd – en ze moest haar ambities noodgedwongen terugschroeven. ‘We hebben niet de doelen gehaald die ik voor ogen had.’
Haar ene zoon is bestuurslid van een oliebedrijf en een ander van de centrale bank. De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter: je bent óf rijk óf straatarm. Er bestaat geen middenklasse
De nieuwe president, in de jaren zeventig in de VS als econoom afgestudeerd, richtte zich eerst op de opbouw van de kwijnende economie. Een van haar grootste successen betrof de toekenning van een noodpakket van 4,6 miljard dollar van het Internationaal Monetair Fonds, in 2010. Tijdens de eerste jaren van haar regeerperiode trok de economie geleidelijk aan, met een groei van 6 procent in 2013. Maar in 2014 sloeg het noodlot toe met de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika. Bijna de helft van de meer dan tienduizend doden viel in Liberia. De vooruitgang stagneerde. ‘Investeerders verlieten het land, aannemers, onze eigen inwoners – er was een enorme leegloop. Daarbovenop kwam een scherpe prijsdaling van twee van onze belangrijke exportproducten, rubber en ijzererts,’ vervolgt Johnson Sirleaf, druk gebarend. Hoewel het land langzaamaan weer opkrabbelt, zijn de vooruitzichten op groei voor dit jaar gedaald naar 2 procent.
Maar de president is er stellig van overtuigd dat de vrede haar belangrijkste nalatenschap is, en niet zozeer het overwinnen van de ebolacrisis of de economische ontwikkeling van het land. Vrede was bij al haar beslissingen altijd de hoogste prioriteit, benadrukt ze, zelfs als dat inhield dat haar ontwikkelingsdoelen in gevaar kwamen. Op dat front is Johnson Sirleaf niet tekortgeschoten, en haar leidende rol in het bewaren van de vrede werd in 2011 erkend door het Nobelprijscomité. Samen met landgenoot Leymah Gbowee en de Jemenitische journaliste Tawakkul Karman kreeg ze de Nobelprijs voor de Vrede toegekend voor ‘de vreedzame strijd voor de veiligheid van vrouwen en het recht van vrouwen om volwaardig deel te nemen aan de vredesopbouw’.
Op andere gebieden heeft Johnson Sirleaf minder succes geboekt. Ze had beloofd corruptie uit te roeien, maar liep daarbij tegen een muur aan. ‘De culturele wortels van corruptie heb ik ook zwaar onderschat.’ Het werkte ook niet in haar voordeel dat ze zelf ook van nepotisme werd beticht: in 2012 benoemde ze haar zoon, Robert Sirleaf, tot algemeen directeur van het staatsoliebedrijf National Oil Company of Liberia, en ook twee andere zonen kregen lucratieve baantjes toegeschoven.
Zoals te verwachten was, barstte na Roberts benoeming een storm van kritiek los, niet alleen onder haar tegenstanders maar ook onder een aantal van haar vrienden. Mede-Nobelprijswinnaar Gbowee stapte uit protest uit de Waarheids- en Verzoeningscommissie. ‘Haar ene zoon is bestuurslid van een oliebedrijf en een ander van de centrale bank. De kloof tussen rijk en arm wordt steeds groter: je bent óf rijk óf straatarm. Er bestaat geen middenklasse,’ aldus Gbowee.
Johnson Sirleaf reageerde gepikeerd op de kritiek en beet fel van zich af. ‘Was de benoeming fout? Ik vind van niet, ik sta volledig achter mijn beslissing. Mijn zoon heeft de juiste kwalificaties.’ En ze voegt eraan toe dat ze hoopt dat het onderzoek snel openbaar wordt gemaakt zodat blijkt dat haar zoon ten onrechte van corruptie werd verdacht. Maar ze geeft toe dat de beschuldiging van nepotisme hout sneed. ‘Nepotisme is niet in de haak en we moeten allemaal ons best doen om het tegen te gaan. Maar laten we wel zijn: het komt in veel Afrikaanse landen voor, en echt niet alleen in Liberia. Dus waarom valt iedereen over ons heen? Waarom worden de VS niet op de vingers getikt?’
Vrouw als president
De verkiezing van Johnson Sirleaf in 2005 tot de eerste vrouwelijke president van Liberia, en zelfs de eerste vrouwelijke president in heel Afrika, was een gebeurtenis van grote betekenis. Zowel bij de verkiezingen van 2005 als van 2011 brachten vrouwen in het hele land massaal hun stem op haar uit. Gemobiliseerde marktkoopvrouwen speelden daarbij een belangrijke rol. ‘Ik heb mijn verkiezing aan hun vertrouwen en vastberadenheid te danken,’ zegt Johnson Sirleaf, ‘en een van de pilaren van mijn beleid was dan ook het versterken van de positie van de vrouw en de bevordering van vrouwenparticipatie. Dat is ons gelukt.’
Maar hoewel haar beleid vrouwen ontegenzeglijk vooruit heeft geholpen, is het tegelijkertijd koren op de molen van critici. ‘Ik denk dat we vooral op het gebied van vrouwenproblematiek extra kritisch zijn vanwege haar symbolische functie,’ zegt Lakshmi Moore, de interimdirecteur van ActionAid International in Liberia. Niet dat er geen successen waren: tijdens Johnson Sirleafs presidentschap werd verkrachting voor het eerst strafbaar gesteld, en dit jaar zal in Liberia eindelijk een wet tegen huiselijk geweld van kracht worden.
Maar Moore, en anderen, vinden dat er niet genoeg is gedaan. Er is bijvoorbeeld nog geen verbod op vrouwenbesnijdenis. Ook zijn vrouwenrechtengroepen bezorgd over wat vrouwen te wachten staat als Johnson Sirleaf haar ambt neerlegt. Veel mensen wijten de toestand waarin het land verkeert aan het feit dat de president een vrouw is. ‘Er komt zeker een terugslag, vooral op het gebied van vrouwenrechten. Johnson Sirleaf krijgt als vrouwelijke president allerlei misstanden in de schoenen geschoven,’ zegt Moore.
Die tegenreactie is al merkbaar in het slaperige kustplaatsje Harper, in de zuidoostelijke provincie Maryland. Straatverkoopster Eleano Cooper zit met twee vriendinnen langs de kant van de weg. Achter hen rijst een grote, verlaten villa op – een overblijfsel van Harpers hoogtijdagen tijdens de lange regeerperiode van William Tubman (van 1944 tot 1971), toen de elite strandhuizen in het stadje liet bouwen. Broodwinner Cooper verkoopt geroosterde maïskolven voor 20 à 50 Liberiaanse dollar [15 tot 35 eurocent]. Van haar schamele inkomen kan ze nauwelijks rondkomen.
De kosten van levensonderhoud zijn alleen maar gestegen,’ zegt ze. Het leven als straatverkoper en kostwinner is zwaar, en ze wijt dat aan het feit dat het land wordt geleid door een vrouw. ‘Ik heb liever een man aan het roer,’ antwoordt Cooper als haar wordt gevraagd of ze op een vrouwelijke kandidaat zou stemmen. ‘We hebben nu een vrouw als president en de prijzen rijzen de pan uit – dus geef mij maar een man.’ Ondanks haar frustratie geeft ze toe dat ze zich als vrouw wel gesterkt voelt. Ze voorziet in het onderhoud van haar gezin en heeft het idee dat ze beter is opgewassen tegen haar man.
Niet iedereen deelt Coopers zorgen over vrouwelijke leiders. Op een drukke markt in Monrovia vertelt Rebecca Kaley dat Johnson Sirleaf haar heeft overtuigd. Omringd door andere vrouwen die, net als zij, gedroogd bush meat, kippenbouillonblokjes en zoeteaardappelbladeren verkopen, denkt Kaley terug aan 2005, toen ze voor het eerst hoorde dat een vrouw zich kandidaat had gesteld. ‘Vrouwen zijn niet tegen de taak opgewassen, dacht ik. Ik stemde niet op haar.’ Maar in 2011 was ze van gedachten veranderd en stemde ze voor Johnson Sirleaf. ‘Dankzij Ellens beleid zijn we sterker geworden,’ zegt Kaley trots. ‘Wij vrouwen zijn sterker geworden.’
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube.
In een villa aan het Meer van Genève zetelt het HD Centre, een onafhankelijke non-profitorganisatie van zo’n 140 mediators die zich inzetten om crises en oorlogen te voorkomen of te beëindigen. Die Zeit mocht twee van hen – de Amerikaan David Gorman en de Fransman Romain Grandjean – bijna een jaar lang volgen.
Koekjes zijn goed, whisky is soms nog beter. Bij de start van onderhandelingen moet er iets zijn wat de gesprekspartners ontspant en de stemming verbetert. Suiker of alcohol. Daarover is vrijwel iedereen het eens.
Op een bloedhete dag eind juni 2016 stapt David Gorman het kantoor van de rampendienst in Kiev binnen. Hij heeft een paar zakjes koekjes bij zich. In het kantoor is alles bruin: stoelen, tafels, muren. De projector werpt vaal licht op de muur. ‘Ecologische risico’s in de regio Donbass’, staat er. De mannen van de rampendienst en van de Oekraïense Academie van Wetenschappen wachten aan de ene kant van de tafel, de mannen van de ambassades van Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië aan de andere. Ze kennen elkaar nog niet, maar moeten binnenkort zij aan zij gaan strijden. Tussen hen in deelt David Gorman zijn koekjes uit en legt het eerste contact.
Glimlachend gaan de mannen zitten. Gorman is 47 jaar oud en ruim 1,90 meter lang. Als hij zit, kromt hij zijn rug in een poging zich kleiner voor te doen. Hij wil niet boven de mensen uitsteken die naast hem zitten. Hoe men hem ziet, kan bepalend zijn voor de kant die de gesprekken opgaan. Is hij te luidruchtig of te stil? Te terughoudend of te vastbesloten? Hij moet niet alleen oog hebben voor wie hij tegenover zich heeft, maar ook altijd voor zichzelf. In Azië mag zijn handdruk niet te stevig zijn, in het Midden-Oosten niet te slap. Wat in het ene land wordt gerespecteerd, kan in het andere wrevel veroorzaken.
Gormans beroep is tussen de partijen in staan. Hij is niet vooringenomen en spant met niemand samen. Hij is vredesbemiddelaar en al 25 jaar op pad in de oorlogs- en crisisgebieden van deze wereld: Israël, Palestina, Bosnië, Liberia, Indonesië, de Filipijnen, Libië en sinds drie jaar Oekraïne en Rusland. Gorman verschijnt wanneer twee partijen in een conflict niet meer met elkaar praten. Of als ze niet willen dat de wereld weet dat ze in het geheim nog met elkaar praten.
Gorman werkt voor het Zwitserse Centre for Humanitarian Dialogue (HD Centre), een onafhankelijke non-profitorganisatie van zelfstandige vredesbemiddelaars die in een villa aan het Meer van Genève zetelt. Het is de grootste in haar soort. Al bijna twintig jaar spannen inmiddels 140 mediators zich in om crises en oorlogen te voorkomen of te beëindigen. Op dit moment bemiddelen ze in 25 landen. In de meeste gevallen krijgen ze een opdracht van regeringen, de Verenigde Naties of de Europese Unie, die naast stichtingen en particuliere sponsors de belangrijkste financiers van het HD Centre zijn. Sommige inspanningen zijn zo geheim dat zelfs de namen van de landen niet bekend mogen worden. De bemiddelaars handelen in het verborgen, elk zinnetje in het openbaar kan destructieve gevolgen hebben. Discretie is het DNA van hun business.
Daarom praten ze normaal gesproken niet over hun werk. Die Zeit mocht twee van hen – de Amerikaan David Gorman en de Fransman Romain Grandjean – bijna een jaar lang volgen. Gorman is regiodirecteur van het HD Centre voor Eurazië, met Oekraïne in zijn portefeuille, Grandjean voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika, dus ook voor Libië.
De vergaderzaal in Kiev is klein, de hitte dringt naar binnen. David Gorman vertelt over zijn reis naar Oost-Oekraïne in 2014. Het Donetsbekken is een van de grootste steenkoolgebieden ter wereld en het centrum van de zware industrie van het land. Nu behoort het tot de door pro-Russische separatisten gecontroleerde ‘Volksrepubliek Donetsk’, die zich van Oekraïne heeft afgesplitst. Gorman reist heen en weer tussen Donetsk en Kiev om boodschappen van de ene naar de andere kant over te brengen. Nu gaat het om een mogelijke ecologische ramp in het separatistengebied. De bodem zou verontreinigd geraakt kunnen zijn door bombardementen, waardoor de regio zonder drinkwater kan komen te zitten. Daarom hebben de wetenschappers uit Kiev dringend behoefte aan contact met het lokale waterleidingbedrijf Voda Donbassa. Maar de deskundigen van beide zijden mogen niet meer rechtstreeks met elkaar praten. Ze zijn bang dat ze wegens ‘illegale contacten’ als vijand worden bestempeld. Daarom brengt Gorman de Oekraïense wetenschappers vandaag in contact met westerse diplomaten. De westerlingen moeten hun best gaan doen om meer aandacht voor het onderwerp te genereren. ‘We moeten een ecologische crisis voorkomen. Dat is ons doel,’ zegt Gorman bij aanvang.
De projector in de vergaderzaal werpt beelden van verwoeste bruggen en waterleidingen in Oost-Oekraïne op de muur. Jevgeni Jakovlev, een oudere heer van de Oekraïense Academie van Wetenschappen, gaat staan. Hij somt enkele potentiële schrikbeelden voor het Donetsbekken op: raketten die opslagplaatsen van stoffen als chloor, lood of kwik treffen, kolenmijnen die klakkeloos onder water worden gezet, waardoor giftig mijnwater aan de oppervlakte komt. Jakovlev is bang dat dit allemaal al gebeurd is. De hele regio zou onbewoonbaar kunnen worden. ‘Maar we hebben geen gegevens over de daadwerkelijke situatie,’ zegt hij. De diplomaten zijn stil. Het lijkt wel alsof ze dit allemaal voor het eerst horen.
David Gorman heeft geluisterd en aantekeningen gemaakt. Luisteren tot je erbij neervalt, interesse tonen, mensen het gevoel geven te worden gehoord, dat zijn de belangrijkste eigenschappen van een vredesbemiddelaar. Aan het einde van de bijeenkomst vat hij de vervolgstappen samen: met hulp van westerse diplomaten in Kiev moet er een expert van Voda Donbassa worden uitgenodigd en er moet een gemeenschappelijke werkgroep worden opgericht om watermonsters te nemen in de bedreigde gebieden. ‘Om politici te overtuigen hebben we harde cijfers nodig,’ zegt Gorman.
Hij hoopt dat de zorg om het milieu de partijen dichter bij elkaar zal brengen, omdat het gevaar voor beide kanten dreigt. En als het lukt om het eens te worden over het drinkwater, dan is het misschien ook mogelijk om een akkoord te bereiken over grenzen en een staakt-het-vuren. Het zou een kleine stap kunnen zijn in de richting van een verzoening tussen Rusland en Oekraïne.
Opgegroeid met conflicten
David Gorman is opgegroeid met conflicten. Hij komt uit een wijk in het Amerikaanse Boston waar veel Ierse katholieken wonen. In zijn jeugd was de crisis in Noord-Ierland alomtegenwoordig; zijn broer had een tatoeage van de ondergrondse organisatie IRA. Ook het conflict in het Midden-Oosten liet Gorman niet met rust: de gijzeling, in 1979, van 52 Amerikaanse diplomaten in de Iraanse hoofdstad Teheran en de vraag ‘Waarom worden we toch zo gehaat?’ Gorman zegt dat het vinden van een antwoord op die vraag al in zijn jeugd een obsessie voor hem was. Na zijn studie volgde hij in Washington een opleiding tot mediator en op zijn vierentwintigste vertrok hij voor zijn eerste opdracht naar Israël. Sindsdien is de crisis zijn domein.
Tegenwoordig woont Gorman met zijn Bosnische vrouw en zijn drie kinderen op Cyprus. Op maandag pakt hij het vliegtuig, op vrijdag gaat hij terug. Ook zijn vrouw werkt voor een ngo, die zich inzet voor misbruikte kinderen. Thuis praten ze nooit over hun werk. ‘Te veel werkelijkheid,’ zegt Gorman.
Soms moet Gorman jarenlang werken om iets te bereiken. Frustratie heeft hij zichzelf afgeleerd. ‘Je moet blij zijn met de kleine overwinningen,’ zegt hij in de auto in Kiev. Vanavond vliegt hij naar Moskou, over twee dagen zal hij weer in Kiev zijn. Binnenkort staat de volgende bijeenkomst ter voorkoming van de watercatastrofe op de agenda. Gorman hoopt dat er dan ook een vertegenwoordiger van Voda Donbassa uit Oost-Oekraïne aan tafel zit.
Een paar weken eerder, medio juni 2016, staat Gormans collega Romain Grandjean vlak voor middernacht in een bar bij de haven van de Noorse hoofdstad Oslo. De 41-jarige Grandjean ziet er moe uit, hij heeft donkere kringen onder de ogen. Hij is pas aangekomen vanuit het hoofdkantoor van het HD Centre in Genève. Grandjean woont met zijn gezin net over de Zwitserse grens in Frankrijk. Het is niet eenvoudig om hem tijdens zijn werk te volgen. Naar Libië reizen is lastig voor journalisten: er zijn problemen met visa, en gesprekken worden verzet of uit veiligheidsoverwegingen afgezegd. Dus eerst maar eens Oslo. Elk jaar organiseert het HD Centre hier samen met het Noorse ministerie van Buitenlandse Zaken een informele conferentie waarbij vredesbemiddelaars, politici en diplomaten van gedachten wisselen over de toestand in de wereld. Dit keer worden vijf ministers van Buitenlandse Zaken verwacht; de Amerikaan John Kerry zal een toespraak houden.
Grandjean is tien jaar geleden begonnen bij het HD Centre. Daarvoor is hij in dienst geweest bij een ngo die politieke analyses van conflicten en oorlogen over de hele wereld maakt en heeft hij als waarnemer bij verkiezingen in Mexico, Libanon en Wit-Rusland gewerkt. Op een gegeven moment wilde hij de problemen niet meer alleen vanaf de zijlijn bekijken, maar ook proberen ze op te lossen. Voor het HD Centre heeft hij in de Centraal-Afrikaanse Republiek bemiddeld en later in Tunesië, Syrië en Egypte. Nu werkt hij in Libië. Er zijn missies waarover hij met niemand mag spreken. ‘Soms is dat een behoorlijke last,’ zegt hij. ‘Veel mensen denken dat ik een spion ben.’ Het valt op dat hij vragen vaak met een tegenvraag beantwoordt. ‘Een relatie opbouwen’, noemt hij dat. Pas wanneer hij iets over een ander weet, kan hij een inschatting van diegene maken en uiteindelijk onderhandelingen met hem of haar voeren. Grandjean en Gorman vertellen meestal maar weinig over zichzelf. Ze proberen zich in hun gesprekspartners te verplaatsen, bieden ruimte en blijven zelf op de achtergrond. Het zijn mensen met wie andere mensen zich graag omringen omdat ze belangstelling tonen en aandacht schenken zonder meteen een oordeel te vellen. ‘Mij interesseert de persoon en niet wat hij of zij vertegenwoordigt,’ zegt Grandjean. Misschien is het beroep van bemiddelaar ook een soort levenshouding.
Romain Grandjean citeert de Amerikaanse schrijver Ambrose Bierce: ‘Diplomatie is de patriottische kunst om voor je vaderland te liegen.’ Grandjean vindt het een groot voordeel dat hij niet de belangen van een land vertegenwoordigt en dus niet hoeft te liegen. ‘We hebben geen politieke agenda.’ Daarom neemt hij voor zijn werk in het Midden-Oosten en in Noord-Afrika geen geld aan van de VS of Frankrijk, want die landen zijn te zeer verwikkeld in de conflicten aldaar.
De bemiddelaars beslissen zelf met wie, wanneer, hoe en waarover ze praten, ze zetten hun eigen koers uit. ‘Sommige sponsors begrijpen dat beter dan andere,’ zegt Grandjean. Ook het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken financiert projecten van het HD Centre, waaronder enkele in Libië. De Duitse diplomaten werken sinds enige tijd intensiever samen met particuliere vredesbemiddelaars. ‘Ze doen het heel goed,’ zegt Rüdiger König, oud-ambassadeur in Afghanistan en nu de verantwoordelijke afdelingschef op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Onafhankelijke bemiddelaars, zegt hij, zijn in staat mensen te spreken die regeringsvertegenwoordigers uit veiligheids- of politieke overwegingen niet zouden kunnen ontmoeten.
Hoe langer je Grandjean en Gorman volgt, des te meer ze de indruk wekken geheel buiten adem te zijn. Een leven door anderen bepaald, door het wereldgebeuren opgejaagd
Mannen als Grandjean en Gorman zijn de libero’s van de wereldgemeenschap. Ze praten ook met mensen met wie verder niemand praat, zoals die van IS, de taliban of Al-Qaida. ‘Ze vertrouwen je of ze maken je van kant,’ zegt Grandjean. Hij vergelijkt zichzelf en zijn collega’s met acrobaten in een circustent, maar dan zonder net dat ze opvangt als ze vallen. Neem nu Grandjeans medewerker Hesham Gaafar in Egypte. Hij werd in oktober 2015 gearresteerd; sinds een halfjaar zit hij in eenzame opsluiting – zonder aanklacht. Tot nog toe is Grandjean er niet in geslaagd hem vrij te krijgen. ‘Ik denk elke dag aan hem,’ zegt hij.
De volgende ochtend begint de internationale conferentie, in een hotel bij een golfbaan in de buurt van Oslo. In pastelkleurige ruimten gaan ongeveer honderdvijftig vredesbemiddelaars, diplomaten en politici met elkaar in gesprek. Ook David Gorman is overgekomen uit Kiev. Het gaat over Syrië, Libië, Burundi, Jemen, Afghanistan, Colombia, Oekraïne. Het geheel biedt een ietwat surreële aanblik. Buiten wandelen golfers over zacht glooiende heuvels, binnen heerst de crisis. In Syrië hebben tot nog toe alle bemiddelaars gefaald, in Oekraïne is de situatie aan het verslechteren en Libië valt uiteen.
In de pauzes vinden de echt belangrijke gesprekken plaats. Op het terras praat Gorman met de Oekraïense minister van Buitenlandse Zaken. Grandjean is verdwenen voor een vertrouwelijke bespreking. Na de lunch neemt hij deel aan de besprekingen over Libië. Er zijn daar nu drie regeringen, in het oosten, in het westen en een van ‘nationale eenheid’, en bovendien verscheidene milities en Islamitische Staat, die allemaal strijden om de macht in het land. Veel partijen in het oosten weigeren elke dialoog met de Verenigde Naties. Romain Grandjean zal eerdaags weer naar Libië vertrekken.
Drie maanden later, op een ochtend in september 2016, staat David Gorman in een raamloze vergaderruimte van hotel President in Kiev. Eveneens aanwezig zijn Jevgeni Jakovlev van de Oekraïense Academie van Wetenschappen, westerse diplomaten, en voor het eerst iemand van de andere kant, uit het separatistengebied: Viktor Savodovski, de chef van de afdeling Investeringen en Ontwikkeling bij waterleidingbedrijf Voda Donbassa in Oost-Oekraïne. David Gorman rapporteert dat hun initiatief overal zeer positief is ontvangen. Zijn collega heeft een lijst gemaakt met plaatsen waar de experts uit beide delen van het land de komende weken naartoe zullen gaan om water- en bodemmonsters te nemen.
In november 2016 komt Romain Grandjean naar Berlijn. Hij heeft een afspraak bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. De dagen ervoor heeft hij nauwelijks geslapen. Eerst is hij in Libië geweest, vervolgens in Zürich.
Hoe langer je Grandjean en Gorman volgt, des te meer ze de indruk wekken geheel buiten adem te zijn. De voortdurende reizen, bijeenkomsten en gesprekken geven een gevoel van permanente rusteloosheid. Een leven door anderen bepaald, door het wereldgebeuren opgejaagd. Des te prangender is de vraag: wat drijft hen? Grandjean vat zijn beroep in twee woorden samen: frustratie en geduld. Maar saai is het nooit. ‘Ik geloof dat dialoog daadwerkelijk iets verandert.’ David Gorman ziet dat ook zo: ‘Je kunt iets bewerkstelligen, deel van iets groots worden.’ Wat is er zinvoller dan vrede stichten? In de afgelopen zes jaar was het HD Centre bij 35 verdragen betrokken.
Pas in december lukt het om Romain Grandjean naar Noord-Afrika te vergezellen. Na maandenlang wachten is er een bijeenkomst in Tunesië. Een delegatie uit Sintan, een belangrijke stad in het westen van Libië, vlak bij de grens met Algerije, zal naar Tunis reizen. Men zoekt toenadering tot de internationale gemeenschap, en het HD Centre moet het contact tot stand brengen.
Op een koele ochtend voert Grandjean overleg met acht van zijn medewerkers – een Slowaakse, een Fransman, een Marokkaan, een Tunesiër, een Soedanees, een Brit en twee Libiërs. Grandjean probeert een choreografie voor de ontmoeting te ontwikkelen. Op de eerste dag zullen de bemiddelaars van gedachten wisselen met de Libische delegatie, op dag twee moet er een gesprek met vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, de Europese Unie en verscheidene hulporganisaties volgen.
Grandjean doet altijd zijn best om alles nauwgezet in kaart te brengen. Wie komt er? Wie niet? Wie trekt er op de achtergrond aan de touwtjes? Als de bemiddelaars niet weten wie er aanwezig zal zijn, kunnen ze minder goed reageren op onverwachte situaties. Drie van hen zijn deze zomer al in Sintan geweest. Ze hebben enkele leden van de delegatie ontmoet en weten wat die acceptabel vinden en wat niet. Ze weten welke sleutelwoorden hen bij de onderhandelingen verder zouden kunnen helpen. En toch kan straks alles anders zijn.
Flessen water
Het hotel waar de volgende ochtend de eerste bijeenkomst plaatsvindt, staat in een wijk van Tunis die met hulp van Saoedische investeerders is gebouwd. Alcohol mag hier niet worden geschonken. Tien mannen uit Sintan zitten met zes bemiddelaars om een vierkante tafel. Grandjean opent de vergadering in het Arabisch en gaat vervolgens verder in het Engels: ‘We zijn er trots op dat u hier bent. Dit is een ontmoeting om u beter te leren kennen. We hebben goede contacten met westerse regeringen, maar we werken onafhankelijk. We zullen de dag van morgen met u voorbereiden en luisteren naar wat u te zeggen hebt.’
Er volgt een heel kort voorstelrondje: de burgemeester, een vertegenwoordiger van de raad van oude wijze mannen, een vertegenwoordiger van het lokale bedrijfsleven, een van de jeugd, een oud-minister van Defensie van Libië in de overgangsregering na de val van Gaddafi, twee mannen met een militaire achtergrond. Daarna heerst er stilte. Grandjeans collega’s roepen hun bezoek van afgelopen zomer in herinnering. De Libiërs reageren nauwelijks, vertrekken geen spier, lijken af te wachten. De koekjes van Gorman zouden nu een goede dienst bewijzen. Op tafel staan alleen flessen water, maar er is geen opener. Niemand zal het in de daaropvolgende twee uur wagen daarnaar te vragen.
Uiteindelijk neemt de burgemeester van Sintan het woord. Hij vertelt dat er momenteel tienduizend migranten en twintigduizend vluchtelingen uit Tripoli in Sintan zijn, maar dat er geen huisvesting voor hen is, geen medicijnen, geen psychologische hulp. ‘Voor de internationale gemeenschap zijn dat simpele dingen, waarmee duizenden mensen geholpen zouden zijn.’ Bovendien zou hij willen dat er weer internationale organisaties in de regio actief waren. Grandjean zegt dat het voor die organisaties momenteel moeilijk is om in Libië te werken. Ze hebben het land als no-go-area bestempeld.
De delegatie uit Sintan maakt bekend dat ze de dag ervoor als teken van goede wil een belangrijke oliepijplijn hebben heropend. De stad heeft de controle over twee olievelden, en twee pijplijnen lopen over hun grondgebied.
Aan het einde van de bijeenkomst stelt Grandjean vast dat de delegatie uit Sintan goede berichten heeft voor de bijeenkomst van morgen met de vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap. Hij raadt aan erop te wijzen dat een investering in Sintan een investering in vrede is. De stad zou een belangrijke partner in het proces van nationale verzoening kunnen zijn. Grandjean weet welke sleutelwoorden bij het Westen in de smaak vallen. De Libiërs zijn optimistisch.
Na de bijeenkomst rookt Romain Grandjean een sigaret voor het hotel. Zijn Tunesische collega rijdt de auto voor en Grandjean en zijn Britse medewerker stappen in. In de auto dreunt It’s a Man’s World van James Brown uit de speakers. De mannen zingen luidkeels mee. Het gezang wordt abrupt onderbroken door het alarm op Grandjeans telefoon. De volgende bijeenkomst wacht, dit keer met een EU-vertegenwoordiger.
Op een van de avonden in Tunis valt er een melktand van Grandjeans zevenjarige zoontje uit zijn portemonnee. Het is een treurig moment. Net als David Gorman probeert Grandjean de twee werelden van elkaar te scheiden. Met zijn gezin en zijn vrienden praat hij niet over zijn werk. ‘Ik wil een omgeving waarin het niet om oorlogen en conflicten gaat.’
Nieuwe morgen, nieuw en groter hotel. Het is koud, het regent en Grandjean dwaalt door het gebouwencomplex. Het is de enige keer dat hij iets van een slecht humeur vertoont. In de conferentiezaal trekt hij in één ruk de gordijnen omhoog. De mannen uit Sintan en de vertegenwoordigers van de VN, de EU en de hulporganisaties druppelen binnen. De westerlingen blijven aanvankelijk onder elkaar, de Libiërs ook, alleen de bemiddelaars praten met iedereen.
Later aan tafel geeft de burgemeester van Sintan een statement af, zoals voorgesteld door Grandjean: ‘We willen een einde maken aan de gewapende strijd in ons land. In onze regio hebben we dat voor elkaar gekregen. Ons doel is een staat voor alle Libiërs. We reiken hun de hand voor verzoening.’ Hij benadrukt dat Sintan een belangrijke rol wil spelen in het toekomstige Libië. Hij vraagt om hulp voor het ziekenhuis, hulp voor de oorlogsvluchtelingen en nodigt de internationale gemeenschap uit voor een bezoek aan de stad.
De burgemeester heeft de sleutelwoorden gebruikt. Maar de westerlingen lijken een beetje afwezig, sommigen kijken op hun telefoon. Grandjean vraagt: ‘Zou de internationale gemeenschap zich kunnen voorstellen niet heel Libië in de rode kleur van gevaar te zien, maar in nuances als oranje of geel?’ De westerse diplomaten nemen Grandjeans metafoor over, maar oranje vinden ze te weinig. Pas wanneer het hele land groen gekleurd is, zullen ze overwegen of ze weer medewerkers naar Libië zullen sturen. In de pauzes staan de Libiërs en de westerlingen wel met elkaar te praten.
De volgende dag verspreidt de militaire raad van Sintan een bericht via de sociale media: ‘Wij steunen de inspanningen voor de dialoog en de vreedzame co-existentie. Er is geen alternatief voor de dialoog, die leidt tot de opbouw van de instituties van een eenheidsstaat. Wij bieden geen steun aan de militaire actie die het westelijke deel van Libië in chaos stort en tot bloedvergieten leidt.’ Het is een succes voor het team van Romain Grandjean. Een van de groepen in Libië zweert openlijk het geweld af en zet een klein stapje in de richting van verzoening.
De laatste avond in Tunis gaan Grandjean en zijn collega’s de stad in. Ze zouden kunnen gaan feesten of zich kunnen ontspannen, maar ze blijven de Libische chaos analyseren. Namen, gebeurtenissen en plaatsnamen wisselen elkaar af en wekken de indruk van een blijvende urgentie. Als een drug waar je niet meer van afkomt.
Gedesillusioneerd
Twee dagen voor Kerst staat David Gorman te wachten voor de ontbijtzaal in zijn hotel in Kiev. Hij is om middernacht uit Moskou gekomen en is zijn kamernummer vergeten. ‘Kunt u dat opzoeken?’ vraagt hij aan de dame bij de deur. De volgende ontmoeting over de gevaren van een ecologische crisis is aanstaande; dit keer zullen de eerste resultaten van de watermonsters worden gepresenteerd.
In een ideale wereld zou Gorman erin slagen Russen en Oekraïners aan één tafel te krijgen. Eind 2016 is Gorman geregeld gedesillusioneerd. In Moskou heeft hij zijn gesprekspartners onlangs gevraagd: ‘Waar leiden onze gesprekken toe? Wanneer zien we vooruitgang?’ Er zijn veel redenen waarom het niet opschiet, zegt hij. Het is een kwestie van politieke wil en de juiste timing. Momenteel zit iedereen af te wachten. Donald Trump is weliswaar al verkozen, maar nog niet in functie. Hij heeft gewonnen met de slogan ‘America first’. Het is afwachten of Oekraïne hem interesseert en hoe hij daadwerkelijk tegenover Rusland staat.
Trump is een thema waarbij Gorman ongewoon stil wordt. Dat komt ook door zijn ouders. Gormans vader is een gepensioneerd zakenman, zijn moeder een grafisch ontwerpster. Bij de voorverkiezingen steunden ze de democratische kandidaat Bernie Sanders, maar uiteindelijk brachten ze hun stem uit op Donald Trump. Gormans ouders hebben op de kandidaat gestemd die staat voor alles wat hun zoon van de hand wijst: confrontatie, protectie, misbaar. ‘We praten er niet meer over,’ zegt Gorman. In zijn eigen familie is de bemiddelaar verstomd.
Aan het begin van het gesprek wijst David Gorman er nadrukkelijk op dat het in elk geval is gelukt om het contact tussen de experts uit West- en Oost-Oekraïne te herstellen. Jevgeni Jakovlev van de Academie van Wetenschappen in Kiev presenteert de eerste resultaten van het wateronderzoek: in het door de regering gecontroleerde gebied waren 30 van de 34 monsters vervuild, in het separatistengebied 24 van de 26. In sommige streken zouden mensen zelf putten boren om aan drinkwater te komen. ‘We moeten een systeem verzinnen om de bevolking te informeren waar er schoon water is.’
David Gorman vraagt: ‘Kunnen we ons rapport naar het ministerie voor bezette gebieden sturen?’ Hij wil het initiatief neerleggen op een hoger niveau, een groter effect sorteren. De wetenschappers aarzelen. Ze zijn bang dat hun thema, het water, daardoor nog meer wordt gepolitiseerd. De resultaten van de proeven zijn maar voorlopig, zeggen ze. Ze hebben onweerlegbare feiten nodig. ‘Wanneer kunnen we de eindresultaten verwachten?’ vraagt Gorman. Waarschijnlijk eind januari, is het antwoord.
Dit jaar was hij 42 van de 52 weken op pad. Nu heeft hij twee weken vrij en heeft hij een skivakantie in Bulgarije geboekt
De volgende ochtend vliegt Gorman naar huis. Dit jaar was hij 42 van de 52 weken op pad. Nu heeft hij twee weken vrij en heeft hij een skivakantie in Bulgarije geboekt. Gorman was bang dat hij zich zou gaan vervelen.
Ook Romain Grandjean heeft vakantie rond de kerstdagen. Op een woensdag in januari komt hij met zijn team bijeen in een café in Parijs om nieuwe ideeën voor Libië te bespreken. Zes mannen zitten dicht naast elkaar espresso’s te drinken rond een lage tafel. ‘Het door de VN uitonderhandelde vredesverdrag voor de beëindiging van de burgeroorlog werkt niet,’ zegt Grandjean. ‘De deling van het land is zich aan het intensiveren.’
Twee maanden later, in maart, gebeurt waarvoor Romain Grandjean heeft gevreesd: in Libië escaleert het geweld. Brigades uit Benghazi nemen belangrijke oliehavens aan de kust in. Het Libische parlement in het oosten zegt het vredesverdrag op. Later herovert de machtige generaal Khalifa Haftar de oliehavens. Romain Grandjean is op bezoek in Berlijn, hij heeft weer afspraken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hoe ziet hij de situatie in Libië na bijna een jaar werken? De eenheidsregering heeft het land nog altijd niet verenigd, antwoordt hij, het is nog altijd verdeeld in oost en west. Maar sommige regio’s, zoals Sintan, hadden het voor elkaar gekregen om zich buiten het conflict te houden, en er waren nog overheidsinstellingen die functioneerden. ‘Ik heb nog altijd goede hoop,’ zegt hij.
Eind maart is Gorman in Kiev om eindelijk de eindresultaten van het onderzoek naar de watervervuiling te presenteren. In de conferentiezaal van het Hilton neemt hij helemaal aan het einde van de tafel plaats. De zaal zit vol, er zijn vertegenwoordigers van verscheidene westerse ambassades en de EU gekomen, onder wie de wetenschappers Savodovski en Jakovlev. Gorman zegt: ‘De resultaten zijn wat vertraagd, maar inmiddels is er een honderd pagina’s dik rapport verschenen. We hopen dat het serieus wordt genomen en dat een ecologische ramp kan worden afgewend.’ Gormans Oekraïense collega houdt een powerpointpresentatie: door artillerievuur zijn waterleidingen en chemische fabrieken verwoest en zware metalen in het water terechtgekomen. De deskundigen hebben hoge concentraties nitraten, ijzer, magnesium, kobalt, chroom, zink en nikkel in het water aangetroffen. Op dit moment zijn er in het conflictgebied vrijwel geen schone waterbronnen meer. Het gaat om 6,5 miljoen mensen. Zonder een permanente wapenstilstand zou het gebied onbewoonbaar kunnen worden.
De westerse diplomaten achten een stabiele wapenstilstand op dit moment echter niet realistisch. In plaats daarvan zouden veiligheidszones rond de zwaarst getroffen plaatsen moeten worden ingericht. Gorman schrijft steekwoorden op. Na twee uur vat hij samen: ‘Ik wou dat ik iets kon zeggen wat alles zou veranderen. Maar ik heb zes ideeën genoteerd: gedemilitariseerde zones, observatie van de risicogebieden, sluiting van de bedreigde kolenmijnen, nieuwe boorputten, lobbyen voor onze zaak op regeringsniveau en de publieke opinie erbij betrekken.’ Het is de systematiek van de bemiddelaar: de anderen laten praten, positieve dingen opschrijven, negatieve dingen weglaten, sleutelwoorden gebruiken. Vrijwel alle aannames en angsten van de experts van afgelopen juni zijn bewaarheid. Nu hebben ze zekerheid. Maar waar leidt dat toe?
Tuinier
David Gorman heeft ’s middags nog afspraken met Oekraïense parlementariërs. Hij loopt schuin over het Maidanplein, langs foto’s van de doden van toen. Als hij nadenkt over wat hij heeft bereikt, komen er twee dingen in hem op: hij heeft voor een kanaal gezorgd waarlangs de conflictpartijen met elkaar in verbinding staan, ook als ze niet rechtstreeks met elkaar praten. En het gevaar van een ecologische crisis in het Donetsbekken staat nu in elk geval op de politieke agenda.
David Gorman en Romain Grandjean konden beide conflicten niet oplossen in deze maanden, geen vrede scheppen. Ze konden de wereld niet redden, maar misschien wel een beetje beter maken. Gorman zal met de resultaten van het wateronderzoek naar Moskou gaan. Grandjean zal weer naar Libië vertrekken om met milities in het oosten te praten.
Gorman staat op het Maidanplein, nog vol adrenaline van de laatste ontmoeting en in gedachten al bij de volgende. Dan vertelt hij dat hij zich ’s avonds, wanneer hij zich als het ware zwanger voelt van het luisteren, soms voorstelt hoe het zou zijn om bijvoorbeeld tuinier te worden. Maar slechts voor even.
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.