Islam El Shehaby, de Egyptische judoka die op de Olympische Spelen weigerde zijn Israëlische tegenstander de hand te schudden, kreeg ook in eigen land veel kritiek. Maar volgens schrijver Nael El Toukhy is zijn gedrag onderdeel van een groter probleem.
Er werd in Egypte heel wat gedebatteerd over de nederlaag van de Egyptische judoka Islam El Shehaby tegen zijn Israëlische tegenstander Or Sasson, en de weigering van de verliezer om zijn opponent daarna de hand te schudden. Zowel Shehaby’s critici als zijn verdedigers voelden zich beschaamd. Niemand zag hem als een held die geprezen moest worden. Velen vielen hem aan en weinigen sympathiseerden met hem. Op zijn best riep Shehaby medelijden op.
Ook ik had medelijden met Shehaby. Ik was het niet eens met de buitensporige aanvallen op hem, omdat ik hem als een slachtoffer van de maatschappij beschouw. Zijn gedrag geeft alleen maar aan dat er een probleem is, dat overdacht en opgelost moet worden. Er dringt zich een simpele en logische vraag op: wat doe ik als ik Israëli’s in het buitenland tegenkom? Negeer ik ze? Moet ik ze een klap geven? Moet ik me normaal gedragen? Wat zou ik doen als ik in het buitenland een Israëlische buurman had die me goedemorgen wenste?
Welnu, de meeste Egyptenaren die elders wonen, zouden goedemorgen terugzeggen tegen een Israëli, zoals tegen alle anderen, omdat mensen nu eenmaal zo met elkaar omgaan.
Wie het licht durft aan te doen zegt: “Zo ziet het spook eruit”, wordt ervan beschuldigd de vijand menselijk te maken
De nationalistische krachten in Egypte, die bestaan uit invloedrijke personen uit de film- en tv-wereld, plus minder invloedrijke nasseristen en linkse figuren, weten dit ook wel. Maar ze willen niet luisteren naar de vraag: ‘Wat zou jij in mijn plaats doen?’ omdat die vraag de nationalistische positie op losse schroeven zet.
Als de vraag wel wordt gesteld, gebruiken de nationalisten soms Egyptische martelaren als emotioneel chantagemiddel, als substituut voor een discussie gebaseerd op logica en collectief denken. Dit lijkt een beetje op het inzetten van Holocaustslachtoffers om mensen die wijzen naar zionistische misdaden het zwijgen op te leggen. Het debat stokt en vragen blijven onbeantwoord.
Als het om Israël gaat, neemt het gros van de bevolking een totaal ander standpunt in dan de nationalisten. De meerderheid van de Egyptenaren heeft niets tegen een normalisatie van de betrekkingen met Israël. De elite heeft daar geen antwoord op, behalve dat ze mensen bang maken voor Israëli’s.
De Egyptische elite maakt het volk bang voor de Israëli’s omdat ze er zelf bang voor zijn, en dat komt omdat ze er niets van afweten. Wij vechten tegen een vijand van wie we niets weten, een spook in een kamer. Wie het licht durft aan te doen zegt: ‘Zo ziet het spook eruit’, wordt ervan beschuldigd de vijand menselijk te maken.
Wat wordt er eigenlijk bedoeld met ‘normalisatie’? Volgens de ‘Campaign to Boycot supporters of Israel in Lebanon’ verwijst normalisatie naar deelneming aan elke activiteit die Arabieren en Israëli’s samenbrengt. Dit is van toepassing op alle vormen van wetenschappelijke, professionele, artistieke, feministische of jongerenactiviteit.
Israël is een onmisbare bondgenoot geworden in de oorlog tegen IS in de Sinaï. De vrede wordt steeds warmer, en ondertussen blijven Egyptenaren bang voor Israëli’s om onzinnige redenen.
Het normalisatiedebat wordt pas geopend als iemand normaliseert. Het document waaraan hierboven wordt gerefereerd, is alleen geschreven omdat de in Libanon geboren Franse romancier Amin Maalouf een interview gaf aan een Israëlisch tv-station.
Als iemand normaliseert – door Israël te bezoeken, zijn of haar werk te vertalen in het Hebreeuws of in de Israëlische media te verschijnen – staan intellectuelen tegen hem of haar op, en daarna staan andere intellectuelen weer op tegen die eersten. Beide partijen zijn niet echt geïnteresseerd in normalisatie, zoals bewezen wordt door het feit dat hun debat alleen oplaait als zich een incident heeft voorgedaan. Als ze tijd over hebben, besteden ze die niet aan het nadenken over de aard en de grenzen van normalisatie. De kwestie van normalisatie wordt altijd uitgesteld tot een gebeurtenis ons dwingt haar aan de orde te stellen, en als die zich voordoet, is er geen plaats voor een kalm gesprek, alleen voor hysterie, want we zitten midden in een crisis.
Dit is het moment waarop het nationalistische discours zich als mislukt moet verklaren
Het opvallende is: in de twee of drie jaar na de revolutie van 25 januari 2011 hoorde ik geen enkele beschuldiging van normalisatie. We hadden net een revolutie doorgemaakt, waren trots op onszelf en trots op het feit dat we Egyptenaren waren. We meenden dat we in opstand konden komen tegen de wereld. In dat jaar namen nationalistische gevoelens in Egypte en andere Arabische landen toe. Dat zal moeilijk te begrijpen zijn voor de vijanden van de Arabische lente, de kinderen van Bashar al-Assad en Gamal Abdel Nasser.
Omdat het nationalistische debat saai is en gevoeligheid ontbeert, durven dagelijks hoe langer hoe meer Egyptenaren te verklaren dat ze het Arabisch-Israëlische conflict niet begrijpen, en vragen ze zich af waarom Israël toch zo slecht is. Dit is het moment waarop het nationalistische discours zich als mislukt moet verklaren, of op zijn minst moet erkennen dat er diepe scheuren zitten in de muren die zijn opgetrokken tegen mensen die Israël niet als vijand beschouwen en die niet alleen Palestijnen zien op hun kaart van het Midden-Oosten.
Een Egyptisch blog dat onder auspiciën staat van de journalisten van de Egypt Independent (de Engelse versie van Al Masry al-Youm). ‘Mada Masr’ betekent: over Egypte.
Na vier jaar onderhandelen in Havana hebben de Colombiaanse regering en de rebellen van de FARC een vredesakkoord getekend. De Colombiaanse president roept zijn landgenoten op het verdrag goed te keuren in een referendum dat gepland staat voor 2 oktober.
NEE
Wat anderen ook mogen zeggen, het vredesakkoord lijkt verdacht veel op een capitulatie voor de eisen van de FARC. En ik ben bang dat die onomkeerbaar zal zijn. De FARC heeft de status gekregen van gelijkwaardige conflictpartij en heeft zijn terroristische acties daardoor kunnen rechtvaardigen als oorlogsdaden. Hun commandanten stellen duizenden ontvoeringen voor als gijzelnemingen, en stelselmatige afpersing als het innen van oorlogsheffingen. De rekrutering van minderjarigen is in de ogen van de FARC geen misdaad tegen de menselijkheid, maar een vrijwillige en spontane keuze van jonge boeren om zich bij een gewapende strijd in dienst van de onderdrukten aan te sluiten. In Havana kreeg drugssmokkel de status van politiek delict, in plaats van de duistere associatie met internationale drugskartels die het in werkelijkheid is.
Beide partijen dragen schuld aan het gebeurde, maar een van de twee blijft straffeloos. Terwijl FARC-leden, in plaats van de gevangenis in te draaien, hooguit een theoretische en lankmoedige vrijheidsbeperking krijgen opgelegd, zitten vijftienduizend militairen vast in afwachting van hun rechtszaak of zitten al onrechtvaardige gevangenisstraffen uit. Het is een heel ander lot dan dat van ‘Timoshenko’ [Rodrigo Londoño, de leider van de FARC] en andere FARC-commandanten, die met een mojito in de hand een lekker leventje leiden met de Cubaanse regeringschefs.
Mijn nee-stem moet gezien worden als een protest tegen de hoge prijs die de regering-Santos bereid is te betalen voor een op zijn best partiële vrede
Laten we vooral ook niet vergeten dat de slachtoffers geen schadeloosstelling krijgen. Maar in mijn ogen is dat nog niet eens het meest verontrustende. De FARC mag zelf leden van de Waarheidscommissie aanwijzen, en kan daardoor ook de keuze van rechters beïnvloeden die de fameuze Vredesrechtspraak moeten gaan uitvoeren.
Ook is het verre van ondenkbeeldig dat de regering samen met de FARC-commandanten een Grondwetgevende Vergadering zal gaan vormen. Wat betekent een stem in het referendum eigenlijk? Volgens de regering is een ja-stem een stem voor de vrede en is een nee-stem er een voor oorlog. Om de kiezers ervan te overtuigen voor het akkoord te stemmen, is president Santos een overweldigende publiciteitscampagne begonnen, vol valse beloften. Je onthouden van stemming dient nergens toe; dat is geen alternatief. Door nee te stemmen daarentegen wijs je het gevaarlijke recept af dat het Havana-akkoord inhoudt, met al zijn vredesofferanden.
Ik zal in ieder geval nee stemmen, al ben ik absoluut geen liefhebber van oorlog. Ik hoop oprecht dat de FARC zichzelf tot politieke partij zal omvormen. Mijn nee-stem moet gezien worden als een protest tegen de hoge prijs die de regering-Santos bereid is te betalen voor een op zijn best partiële vrede. In feite komt het akkoord neer op een capitulatie.
Auteur: Plinio Apuleyo Mendoza (rechts op de foto)
Plinio Apuleyo Mendoza is journalist, schrijver en diplomaat. Hij is vernoemd naar de klassieke schrijvers Plinius de Jongere en Apuleius. Mendoza was goed bevriend met Gabriel García Márquez.
JA
Ik heb begrip voor het wantrouwen dat veel Colombianen koesteren jegens de FARC. Toch heb ik vertrouwen in het akkoord en de manier waarop de onderhandelingen zijn gevoerd. U schrijft, meneer Mendoza [auteur van het artikel boven]: ‘Terwijl FARC-leden (…) hooguit een theoretische en lankmoedige vrijheidsbeperking krijgen opgelegd, zitten 15.000 militairen vast in afwachting van hun rechtszaak of zitten al onrechtvaardige gevangenisstraffen uit.’
Allereerst moet worden benadrukt dat de afspraken over de Vredesrechtspraak in het akkoord op alle plegers van misdaden van toepassing zijn. Daar horen zeker ook delinquente leden van leger en politie bij, maar ook alle anderen die zware delicten hebben gepleegd. U schrijft dat er vijftienduizend militairen vastzitten, terwijl de FARC-commandanten in Havana een lekker leventje leiden.
Ik moet zeggen dat deze overdrijving een tikje demagogisch op me overkomt: u vergeet dat in verhouding een groter deel van de FARC-strijders gevangenzit. En dat de aanwezigheid van FARC-leden in Havana als enig doel heeft om door middel van onderhandelingen een einde aan het conflict te brengen. Tot 2011 weigerden opeenvolgende Colombiaanse regeringen te erkennen dat er in juridische zin sprake was van een militair conflict met de FARC. Dit leidde ertoe dat militairen die zich aan misdaden schuldig hadden gemaakt, beoordeeld werden naar de strenge regels van de Rechten van de Mens, in plaats van naar die van het Internationaal Humanitair Recht, dat onderkent dat er een conflict gaande is en daarom voor een oorlogssituatie redelijkere criteria hanteert.
Uw keuze om nee te stemmen is volstrekt legitiem. Maar ik denk dat u daarmee een gouden kans laat liggen om een einde te maken aan dit slepende conflict
Verder beweert u dat ‘drugssmokkel in Havana de status (kreeg) van politiek delict’. Dat is onjuist. Er is een amnestie afgesproken, maar uiteraard niet voor zwaardere gevallen. U vergeet ook te vermelden dat de FARC beloofd heeft om elke connectie met drugs te verbreken.
U vermeldt niet dat de rekrutering van minderjarigen is opgenomen in de lijst van delicten waarvoor geen amnestie geldt, zoals het internationaal recht dicteert. Ook is het niet waar dat, zoals u zegt, slachtoffers niet schadeloos gesteld zullen worden. Terecht veroordeelt u de verschrikkingen die de FARC op haar geweten heeft. Wij waren niet in Havana om dergelijke misdaden toe te juichen of te rechtvaardigen. Alle betrokken partijen moeten onvoorwaardelijk afstand nemen van hun wandaden.
Uw keuze om nee te stemmen is volstrekt legitiem; het is uw goed recht. Maar ik denk dat u daarmee een gouden kans laat liggen om een einde te maken aan dit slepende conflict en te beginnen met de moeilijke taak een duurzame vrede te waarborgen. Ik hoop dat de Colombianen elkaar met dit referendum tegemoet zullen komen. Democratie en onenigheid gaan hand in hand. Maar een volwassen maatschappij moet op een volwassen manier zijn problemen kunnen oplossen.
Auteur: Humberto de la Calle (links op de foto)
Vertaler beide stukken: Valentijn van Dijk
Humberto de la Calle leidde de vredesonderhandelingen met de FARC namens de Colombiaanse overheid. In het verleden was hij minister en vicepresident.
El Tiempo (2x)
Colombia | dagblad | 243.000 (487.000 op zondag)
Een van de belangrijkste kranten van Colombia. Goed geïnformeerd, goed geschreven. Eigendom van de miljardair Luis Carlos Sarmiento
Bombarderen of niet bombarderen? Daarover gaat de discussie in het Westen als het IS betreft. Maar volgens de Libanese nieuwssite Now hebben militaire acties geen zin. Alleen door te proberen Irak nu eens écht te begrijpen, kunnen we een begin maken met een oplossing.
Op dit moment heeft Amerika twee opties om IS te bestrijden, en die zijn geen van beide militair van aard. De eerste, een noodoplossing die in de toekomst wel eens contraproductief zou kunnen werken, houdt in dat het evenwicht tussen soennieten en sjiieten in Irak en de hele regio wordt hersteld. Daarvoor is het noodzakelijk dat Washington zich krachtig opstelt tegenover Iran, maar dat is een politiek die Obama zichtbaar tegenstaat. Dit ondanks het feit dat een nucleair akkoord met Teheran naar zijn eigen zeggen de VS de vrijheid zou bieden om zich zonder angst voor een nucleaire countdown te kunnen concentreren op de destabilisatiepolitiek van Iran.
De tweede optie is Irak écht begrijpen – iets waar de Amerikanen niet voor openstaan, zoals Obama veelvuldig heeft herhaald. Amerika moet het idee loslaten een natie op te bouwen, en er juist voor zorgen dat het hele Midden-Oosten zich ontwikkelt tot een regio waarin gerechtigheid het wint van het recht van de sterkste.
Pech gehad
Om IS te ontmantelen moet Amerika eerst begrijpen wat de oorzaken zijn geweest voor het ontstaan van deze organisatie. Helemaal omdat Washington grotendeels verantwoordelijk is voor de situatie waaruit deze ergste terroristische groepering op aarde uiteindelijk is voortgekomen.
Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, zoals geldt voor de meeste leiders van IS, dan hebt u vermoedelijk rond uw negende het uitbreken van de oorlog met Iran meegemaakt. In de jaren tachtig ging het op de Iraakse televisie alleen maar over dit conflict en werden de hele dag vaderlandslievende liederen en items met het laatste nieuws van het front uitgezonden. Tijdens deze oorlog werden de Irakezen voortdurend geconfronteerd met de dood van tientallen jonge mensen – ouders, vrienden, buren, naasten. In die tijd behoorden verdriet, sterfgevallen en begrafenissen tot de dagelijkse realiteit.
Irakezen werden voortdurend geconfronteerd met de dood van ouders, vrienden, naasten
In 1991 zou een Iraakse man die begin jaren zeventig geboren was rond de twintig zijn. Op dat moment viel Irak Koeweit binnen, dat vervolgens naar het stenen tijdperk werd teruggebombardeerd door de luchtaanvallen van een coalitie van veertien landen die de hele infrastructuur vernietigden en het Iraakse leger totaal uiteensloegen om het uit Koeweit te verdrijven.
Dat was het moment waarop Washington de sjiieten in het zuiden en de Koerden in het noorden aanmoedigde om hun lot in eigen handen te nemen en tegen Saddam Hoessein in opstand te komen. Maar nadat de dictator de rebellen verpletterend had verslagen, was de enige reactie van Amerika: ‘pech gehad’.
Vervolgens kregen de Irakezen ook nog een zwaar VN-embargo te verduren dat bijna tot hongersnood leidde. Door hyperinflatie daalde de dinar sterk in waarde, waarna de Iraakse regering geen andere keuze had dan het voedsel te rantsoeneren, en dat wordt tot op de dag van vandaag volgehouden.
Net als Obama volgde ook oud-president Bill Clinton dezelfde beleidslijn – zich niet langer in de situatie ter plaatse mengen, maar wel de sancties hand‑ haven – met als enig resultaat dat de Iraakse bevolking nog verder verzwakte. Saddam en zijn handlangers hadden uiteraard geen last van het embargo en hebben het zelfs gebruikt om het weinige wat het land nog kon voortbrengen te plunderen. De rest van de bevolking leed armoede.
De door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd
Om de internationale sancties te overleven begonnen Irakezen die dicht bij de grens woonden te smokkelen. Na 2003 bleken de zo ontstane netwerken ook heel geschikt om mensen, geld en wapens te leveren voor een opstand die aan meer dan vierduizend Amerikanen het leven heeft gekost. Deze netwerken bestaan nog steeds en maken IS tot een goed geoliede organisatie, ondanks allerlei financiële sancties die door Amerika en de rest van de wereld zijn opgelegd.
Afgezien van de wijdverspreide armoede en de werkloosheid moesten de Irakezen ook nog leven in de greep van een megalomane leider die steeds wreder werd naarmate zijn machts‑ basis verder afbrokkelde. Alsof deze optelsom van armoede, werkloosheid, geweld en economisch isolement nog niet genoeg was, bleven Amerika en zijn bondgenoten Irak bestoken op het punt van zijn programma voor massavernietigingswapens, ook al was dat inmiddels stopgezet. Van tijd tot tijd bombardeerden westerse jachtvliegtuigen Bagdad of andere delen van het land. Operatie Desert Fox in 1998 is daar een voorbeeld van.
Operatie Wraak
Als u een Iraakse man bent die begin jaren zeventig geboren is, en u hebt twee verwoestende conflicten, een VN-embargo, armoede, werkloosheid en de dictatuur van Saddam overleefd, dan hebt u dus de Operatie Iraqi Freedom in 2003 meegemaakt. Maar de door de Amerikanen beloofde vrijheid was alleen voor de sjiieten weggelegd. Was u soenniet, dan was 2003 het jaar dat u er opeens onterecht van werd beschuldigd ofwel een Baath-aanhanger ofwel een terrorist te zijn. Zo raakten de vele duistere gevangenissen uit de tijd van Saddam langzaam vol met soennieten.
Tegenwoordig zijn de Amerikanen en de rest van de wereld ervan overtuigd dat het een grove vergissing van Washington is geweest om de oorlog tegen Irak te beginnen, want dat gebeurde op grond van verkeerde inlichtingen van de onlangs overleden Ahmed Chalabi. Maar dat is enkel het topje van de ijsberg. Chalabi, van wie later duidelijk werd dat hij voor [de Iraanse] generaal Qasem Soleimani werkte, heeft de Verenigde Staten gevoed met valse inlichtingen, niet alleen voorafgaand aan, maar vooral na de oorlog. Onder invloed van Chalabi, dus in feite onder invloed van Iran, is Operatie Iraqi Freedom omgebogen in Operatie Wraak van Iran. De nieuwe Iraakse leiders – voornamelijk uit ballingschap teruggekeerde sjiieten en getrouwen van Teheran – hebben de Amerikaanse macht gebruikt om de fanatieke Saddam-aanhangers, maar tegelijk ook alle soennieten, volledig uit te schakelen.
Arabische en Engelstalige nieuwssite sinds 2007, aanvankelijk geconcentreerd op Libanees nieuws. In 2012 werd de focus verlegd naar het gehele Midden-Oosten.
Zeventig jaar na de oprichting van de VN op 24 oktober 1945 maakt de Britse kwaliteitskrant The Guardian de balans op.
Dag Hammarskjöld, de tragisch omgekomen derde secretaris-generaal van de VN, verwoordde het trefzeker: ‘De Verenigde Naties zijn niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden.’ Welke hel hij in gedachten had was niet moeilijk te raden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en Hitlers vernietigingskampen, en in de schaduw van de atoombom.
De vraag in hoeverre de VN een rol speelde bij het voorkomen van een nucleaire vernietiging verdeelt historici, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de organisatie sinds haar oprichting in oktober 1945 miljoenen mensen voor andere vormen van de hel heeft behoed. Voor diepe armoede, voor het zien sterven van kinderen aan ziekten die te genezen zijn, voor de hongerdood tijdens de vlucht voor oorlogen in de heksenketel van ideologische rivaliteiten tussen Washington en Moskou, die op de slagvelden in Afrika en Azië werden uitgevochten. Het kinderfonds Unicef voorzag in de scholing en een beter levenspad voor miljoenen kinderen, onder wie de huidige secretaris-generaal Ban Ki-moon. De ontwikkelingsprogramma’s van de VN waren bepalend bij de hulp aan landen om na de koloniale overheersing zichzelf te gaan besturen.
Maar toch. De VN mag zijn geprezen als de grote hoop voor de toekomst van de mensheid, de organisatie is ook veroordeeld als een schandelijk hol van dictaturen, heeft woede gewekt door haar verlammende bureaucratie, als internationale dekmantel van corruptie en door de ondemocratische gang van zaken in de Veiligheidsraad. De VN trekt ten strijde in de naam van de vrede, maar heeft werkeloos toegezien bij genocide. En in zeventig jaar heeft de organisatie meer dan 500 biljoen dollar uitgegeven.
‘De Verenigde Naties is niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden’
Gecorrigeerd voor inflatie zijn de jaarlijkse uitgaven van de organisatie nu veertig maal hoger dan in de jaren vijftig. De VN telt thans zeventien ge- specialiseerde instellingen, veertien fondsen en een secretariaat met zeventien onderafdelingen en heeft alleen al in New York 41.000 mensen in dienst. De lopende begroting is in twintig jaar meer dan verdubbeld en bedraagt nu 5,4 miljard dollar per jaar. Maar dat is slechts een klein deel van de uitgaven. Vredesmissies slurpen nog eens 9 miljard per jaar op met 120.000 peacekeepers, voornamelijk in Afrika. En dan zijn er nog de vrijwillige bijdragen van sommige lidstaten voor noodhulp, ontwikkelingswerk en instellingen als Unicef.
Maar al met al geeft de VN dit jaar niet meer uit dan de helft van de begroting van 80 miljard van de stad New York voor 2015.
Helen Clark kreeg als premier van Nieuw-Zeeland voor het eerst te maken met de VN, en vond in die tijd dat de organisatie door haar omvang en middelen van groot nut was bij het verdelen van de hulpgelden die kleine landen zoals het hare beschikbaar stellen. Ze is sinds zes jaar het hoofd van het ontwikkelingsprogramma van de VN, het UNDP, en daarmee de machtigste vrouw in de organisatie. Sindsdien is ze wat minder enthousiast. ‘Toen ik hier kwam, was het UNDP net een jaar bezig met het allereerste strategische plan in zijn bestaan. Maar daarin werden zo veel doelen gesteld dat het allemaal geen enkele zin had.’
Tien jaar geleden kwam de VN met een rapport waarin verregaande hervormingen van de versplinterde organisatie werden voorgesteld. Die zouden moeten worden doorgevoerd onder leiding van Adnan Amin, een Keniaanse ontwikkelingseconoom. Dat rapport bevatte volgens Amin ‘fundamenteel goede ideeën’, maar had niet de gevolgen die de samenstellers ervan verwachtten. ‘Het leidde tot een stroom van nieuwe rapporten binnen de VN, die volstrekt onleesbaar waren voor buitenstaanders. Er is sindsdien wel vooruitgang geboekt, maar geen fundamentele wijziging in de manier waarop de VN de zaken aanpakt.’
Het grootste obstakel voor verandering zijn de lidstaten. Er is een tendens onder lidstaten die het grootste deel van de rekeningen betalen om de armere lidstaten af te schilderen als een struikelblok voor modernisering en vergroting van de doelmatigheid van de organisatie. Maar volgens de 134 kleinere contribuanten, verenigd in de G77, is dat streven naar meer doelmatigheid een truc van de rijke landen om hun greep op de VN te verstevigen. ‘In naam van de doelmatigheid hebben de rijke landen de topposities ingenomen in het secretariaat,’ zegt de Indiase VN-ambassadeur Asoke Kumar Mukerji, de leider van de G77.
Helen Clark, die wel wordt gezien als de toekomstige (eerste vrouwelijke) secretaris-generaal van de VN, wordt door westerse lidstaten geprezen om de hervormingen die zij in het UNDP heeft doorgevoerd. Maar de G77 ziet dat toch anders: er zitten in de top van het UNDP te weinig mensen uit de ontwikkelingslanden zelf. ‘En daardoor is het een organisatie geworden die het karakter niet begrijpt van de landen waarvoor zij werkt,’ werpt Mukerji tegen.
Er wordt met een schuin oog gekeken naar de huidige secretaris-generaal, die als zwak wordt beschouwd. ‘Het zou mooi zijn om eens te zien wat een krachtige secretaris-generaal voor verschil zou maken,’ zegt een topambtenaar in New York. ‘Dat vindt iedereen. Maar die sterke man of vrouw komt er hoogstwaarschijnlijk nooit. De grote lidstaten willen een secretaris-generaal die ze kunnen beïnvloeden, kunnen sturen.’
De Verenigde Naties, opgericht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, hebben zich niet aangepast aan de hedendaagse realiteit, meent het Russische tijdschrift voor internationale betrekkingen Rossia v globalnoj politike. In 1945 maakte de bevolking van de landen die een zetel hadden in de Veiligheidsraad 66 procent van de wereldbevolking uit, en hun bruto nationaal product was 59 procent van het mondiale bnp. Daarnaast waren de overwinnaars in de oorlog de enige landen die beschikten over de atoombom. In 2014 waren die cijfers gedaald tot respectievelijk 22 en 46 procent. Ten minste nog vier landen – India, Pakistan, Israël en Noord-Korea – beschikken nu over kernwapens en nog eens een twintigtal landen moet in staat worden geacht dergelijke wapens te produceren.
Het gebrek aan representativiteit van de Veiligheidsraad doet het vertrouwen in dat instituut teniet. Daarom, aldus het Russische tijdschrift, moet worden geprobeerd de VN te hervormen, rekening houdend met de nieuwe werkelijkheid. Dat wordt een van de voornaamste taken van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) in de komende jaren. Maar om het aantal leden van de Veiligheidsraad niet te vergroten – die uit een compact gezelschap dient te blijven bestaan – zouden Rusland en China bijvoorbeeld, zo stelt het Russische blad zich voor, hun vetorecht bij voorkomende gelegenheid kunnen afstaan aan een van hun partners binnen de BRICS, dat wil zeggen aan Brazilië, India of Zuid-Afrika.
Strijd tegen straffeloosheid
Een commissie met een mandaat van de VN heeft een sleutelrol gespeeld in de ontwikkelingen waarbij president Otto Pérez Molina van Guatemala zich genoodzaakt zag af te treden, analyseert de krant El Periódico. De president werd vervolgens op verdenking van betrokkenheid bij corruptie gearresteerd.
De burgerbeweging die al weken manifesteerde tegen de president en de justitiële instanties heeft een overwinning behaald dankzij de steun van de Internationale Commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala (CIGIG), ‘een onafhankelijke organisatie die als een soort internationaal openbaar ministerie functioneert, maar onder de juridische autoriteit van Guatemala’, aldus een andere krant, El Espectador.
De CIGIG werd 2007 door de VN in het leven geroepen op verzoek van Guatemala om de autoriteiten bij te staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, die tot in de staatsinstellingen was doorgedrongen. Andere landen, waaronder Honduras, hebben de VN inmiddels gevraagd om voor hen ook een soortgelijk instituut in het leven te roepen.
‘Een lichte schijn van geloofwaardigheid’
De vredesmissie van VN-blauwhelmen in de Democratische Republiek Congo, MONUSCO, bestaat al zestien jaar. En er zit nog toekomst in, want nog altijd wordt het land verscheurd door oorlogshandelingen. Met 20.000 man is MONUSCO op dit moment de grootste VN-operatie in de wereld.
‘Tal van jaren heeft MONUC, later MONUSCO, niet uitgeblonken op militair gebied. Onmacht en passiviteit waren de belangrijkste trefwoorden om de acties van de VN in Congo te kenschetsen’, schrijft het blog Afrikarabia. In 2013 kwam er plotseling een einde aan de daadloosheid. De Interventiebrigade van MONUSCO werd in de strijd geworpen tegen de rebellenbeweging M23 in Noord-Kivu. De brigade had een nieuw, offensiever mandaat ontvangen en maakte een einde aan de rebellie van M23, met steun van het Congolese leger.
‘De Brigade heeft dus twee vliegen in één klap geslagen: M23 werd militair verslagen, en de blauwhelmen en het reguliere leger hebben weer een lichte schijn van geloofwaardigheid gekregen’, concludeert Afrikarabia.
Seksueel geweld tijdens VN-missie
Het hoofd van de VN-missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek heeft begin augustus op verzoek van de secretaris-generaal zijn functie neergelegd, na de zoveelste beschuldiging tegen de blauwhelmen onder zijn bevel van seksueel geweld. In de Keniaanse krant The Daily Nation schrijft de vrouwelijke commentator Rasna Warah: ‘De VN, die geen enkele tolerantie zegt te hebben voor seksueel geweld begaan door blauwhelmen, is niet in staat gebleken het kwaad in te dammen en is nog minder bereid de schuldigen voor de rechter te brengen. Erger nog: degenen die het misbruik hebben gemeld, zoals Anders Kompass [lid van de VN-missie die de zaak aan het daglicht bracht] zijn van hun functie ontheven.’
Als volgens Warah ‘de VN de daders niet kan vervolgen, kan de organisatie op zijn minst landen waaruit de betrokken soldaten afkomstig zijn weigeren om aan toekomstige vredesmissies deel te nemen’.
Geen geld voor vluchtelingen
Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) heeft een geldtekort. De organisatie heeft dit jaar 4,5 miljard dollar nodig, maar tot op heden is daar nog geen 40 procent van binnen. Bij gebrek aan middelen heeft het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) de rantsoenen voor de Syrische vluchtelingen al moeten inkrimpen. ‘Instellingen voor humanitaire hulp van de VN staan aan de rand van een faillissement,’ meldt The Guardian, die dat heeft vernomen van António Guterres, de hoge commissaris. In 2015 moet hij al met 10 procent minder toekomen dan het jaar ervoor, terwijl de nood nooit zo hoog is geweest.
De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.
In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.
De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.
Maar zijn twijfel had ook politieke redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet in geslaagd om een einde te maken aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.
Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.
Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit
Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van wereldmachten als Rusland, China en de VS. (Omdat geen enkel land in de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)
Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.
De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.
Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. ‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’
Een van de grootste problemen van De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.
Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’
Vriendjespolitiek
De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. De opkomst van IS heeft de situatie nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.
Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.
Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.
Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.
De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’
Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.
‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’
Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.
Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.
Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde – al wist hij natuurlijk ook wel dat verklaringen alleen weinig uitrichten.
‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’
Genève I en II
Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.
Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.
In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.
Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.
Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in Genève heeft gevoerd, waren deels bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.
Lokale gevechtspauzes
In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. Ooit was Aleppo de trots van Syrië, een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.
Maar toen de oorlog uitbrak werd Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.
In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens de sleutel naar vrede kon zijn. Een bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.
Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, en de stad was zowel doelwit van IS als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.
En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.
Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.
Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.
Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden geworsteld. ‘De oppositie wilde niet dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’
In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’
Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.
Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.
Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.
Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.
Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. ‘We moeten wel met ze samenwerken.’
De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.
Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie
Geen formule
Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op te houden met bloedvergieten.
Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak wist te forceren.
De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar dingen vóór op De Mistura, niet in de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.
Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’
Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.
Toen zijn broer werd doodgeschoten tijdens de tweede Palestijnse intifada, wilde Ali Abu Awwad wraak. Tegenwoordig is hij pacifist en gaat hij de dialoog aan met Joodse kolonisten. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren.’
Keuze uit het archief
Sinds vorige week zaterdag woedt het conflict tussen Israël en Palestina heviger dan ooit tevoren. De Palestijnse organisatie Hamas nam verschillende plaatsen in Israël onder vuur, doodde daarbij honderden burgers en nam nog eens honderden mensen gevangen. Als antwoord daarop begon Israël een groot bombardement op Gaza, waarbij eveneens honderden burgers werden gedood. De grote vraag die zich dan voordoet is: zal er ooit vrede tussen deze twee gebieden komen, en zo ja, hoe?
Hierop geeft pacifist Ali Abu Awwad in dit artikel van Christian Science Monitor uit 2015 antwoord. Volgens hem zouden geweldloosheid, solidariteit met elkaars leed en een open dialoog tussen de beide partijen een einde kunnen maken aan de Israëlische bezetting. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de individuele verantwoordelijkheid van iedere burger, ‘of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ aldus een van Awwads aanhangers.
We schrijven het jaar 2000 – de tweede Palestijnse intifada is net begonnen. Ali Abu Awwad zit in Saoedi-Arabië, waar hij herstellende is van een Israëlische drive-by shooting. Daar krijgt hij te horen dat zijn broer Youssef van dichtbij door een Israëlische soldaat door het hoofd is geschoten. ‘Hij heeft ons een zoon en een dochter nagelaten, en een enorme hoeveelheid verdriet, gemis en woede,’ zegt Abu Awwad. Een deel van hem hongert naar wraak. ‘Maar dan dringt zich de vraag op: Hoeveel mensen moet ik vermoorden? Hoeveel Israëli’s moeten er dood om deze pijn weg te nemen?’ Op dat moment neemt zijn moeder, een Palestijnse activiste die nauwe banden onderhoudt met Yasser Arafat, een opmerkelijk initiatief. Ze nodigt een aantal Israëli’s uit die hun kind zijn verloren. ‘Ik vond het een schok om een Israëli te zien huilen,’ zegt Abu Awwad, die als tiener tien jaar gevangenisstraf kreeg voor zijn betrokkenheid bij de eerste Palestijnse Intifada. ‘Ik had geen benul dat Joden ook tranen hebben.’
Sindsdien is Abu Awwad een groot pleitbezorger van geweldloosheid als middel om een einde te maken aan de Israëlische bezetting. Hij heeft meer dan tien jaar samengewerkt met vredesorganisaties en hij is zelfs de wereld over gereisd met een Israëlische moeder wier zoon, een vredesactivist, door een Palestijnse sluipschutter om het leven is gebracht. Maar de afgelopen jaren is hij tot de conclusie gekomen dat de vrede niet zal worden gesloten door de Israëli’s die hun wortels hebben in Tel Aviv, een kosmopolitische stad ver van de gewapende strijd.
Veel vredesactivisten distantiëren zichzelf van de Israëli’s die de grenzen van vóór 1967 over zijn getrokken – de door de internationale gemeenschap erkende grens van de Israëlische soevereiniteit. Ze mijden de Westelijke Jordaanoever, waar sinds de Oslo-akkoorden van 1993 het aantal kolonisten is verdrievoudigd. Abu Awwad heeft daar begrip voor, en hij ziet ook wel dat de nederzettingen een Palestijnse staat in de weg staan, maar zelf heeft hij een andere kijk op de kwestie. ‘Er wonen meer dan zeshonderdduizend kolonisten in Oost-Jeruzalem en op de Westoever. Wie gaat er met al die mensen praten?’ vraagt hij, onder een geïmproviseerd zonnedak op het land van zijn familie, ergens tussen Bethlehem en Hebron, omgeven door nederzettingen. ‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit. De wortel van het probleem zit hier, niet in Tel Aviv.’
Dus bedacht Abu Awwad dat hij, om rechten voor de Palestijnen te verwerven, op de Israëlische kolonisten af moet stappen. Wanneer dat verhaal eenmaal de ronde doet, zoekt Rabbi Hanan Schlesinger uit het nabijgelegen Alon Shvut contact met hem. Hoewel de rabbijn hier al tientallen jaren woont, is dit de eerste keer dat hij van een Palestijn hoort hoe het is om onder de Israëlische bezetting te leven. ‘Het was pijnlijk, het was ongemakkelijk, het was spannend en ik voelde me aangevallen,’ herinnert Schlesinger zich. ‘Maar hij was niet kwaad, hij was niet vervuld van woede en rancune. Hij vertelde me zijn levensverhaal.’ En door dat te doen brengt Abu Awwad een verandering teweeg in Schlesingers leven. De rabbijn zegt dat hem duidelijk is geworden dat hij zijn ogen heeft gesloten voor de realiteit waarin hij leeft. Hij gaat nog eens met Abu Awwad praten. En nog eens.
Ze krijgen gezelschap van Israëli’s uit het nabijgelegen Tekoa, waar wijlen Rabbi Menachem Froman woonde, die actief betrekkingen onderhield met Palestijnse leiders, onder wie Yasser Arafat, de legendarische strijder die was uitgegroeid tot president, en sjeik Ahmed Yassin, de oprichter van Hamas.
‘De vredesbeweging heeft niet de moed om dáár op te treden waar de wortel van het probleem zit’
Vorig jaar heeft de immer groeiende vredesbeweging een organisatie in het leven geroepen, Roots, die ervoor pleit dat mensen zelf verantwoordelijkheid nemen voor de oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. Roots schaart zich niet achter één bepaalde politieke oplossing, maar onderschrijft waarden als respect en geweldloosheid, en Roots erkent dat beide partijen diepe banden met het land hebben.
Tot nog toe zijn er meer dan zesduizend mensen op bezoek geweest, onder wie zeshonderd Israëlische studenten die nog in dienst moeten. ‘Ik geloof dat dit de juiste manier is,’ zegt Gal Rosenberg, een student met rechtse denkbeelden, nadat hij Abu Awwad heeft horen spreken. ‘Dit is de droom.’ In juni heeft Abu Awwad, samen met Schlesinger, een tournee gemaakt door de Verenigde Staten. En zowel Roots als Froman spelen een prominente rol in A Third Way, een documentaire die dit najaar in roulatie gaat in de Verenigde Staten en West-Europa. ‘Hopelijk geeft de film het publiek een goed beeld van dit dialoogmodel en hopelijk verandert de film het beeld van de ander, dat over het algemeen vrij stereotiep is, hopelijk ontstaat er een meer menselijke visie,’ aldus regisseur Harvey Stein, die zegt dat hij vraagtekens is gaan plaatsen bij zijn eigen ‘linkse opvattingen’.
Hij hoopt na afloop van de voorvertoningen in gesprek te kunnen gaan met het publiek – een gesprek dat wellicht een afspiegeling zal zijn van de dilemma’s waarmee de personages worstelen. Momenteel zijn het vooral buitenlanders die bij Roots betrokken zijn. Zij lijken eerder bereid tot een gesprek dan de lokale bevolking, die dagelijks wordt geconfronteerd met spanningen, checkpoints en aanslagen.
Binnen de Palestijnse gemeenschap leeft veel verzet tegen een ‘normalisering’ van de betrekkingen met Israël, en dat strekt zich uit naar alles en iedereen die lijkt te berusten in de status quo. En aan Israëlische zijde heeft de steun voor een tweestatenoplossing een historisch dieptepunt bereikt tijdens de oorlog in Gaza van het afgelopen jaar. Er is ook een sterke zionistische beweging die van mening is dat het hele land aan de Joden toebehoort, in tegenstelling tot Froman, die van mening is dat de Joden aan het land toebehoren.
Krankzinnig
Abu Awwad zegt dat hij weet dat zijn idee ‘krankzinnig’ klinkt – net als de ideeën van Froman, die ooit, met gebedsriem en al, samen met sjeik Yassin in Gaza-Stad voor duizenden Hamas-aanhangers is verschenen. Stein heeft gefilmd dat de sjeik tegen mevrouw Froman zei dat haar man een groot hart had, maar dat hij zich met opzet naïef opstelde. ‘En dat is pas echt wijsheid… als je weet hoe je naïef moet zijn,’ luidden zijn woorden. Anderzijds zijn Froman en zijn medewerkers ook pragmatisch. ‘Waar het om gaat, is dat je mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid om zich tegen het geweld te keren – of het nou gaat om leraren die zich inspannen om de haat bij scholieren weg te nemen, mensen die uit solidariteit bij slachtoffers van aanslagen op bezoek gaan, of mensen die kanttekeningen plaatsen bij het mantra dat er “met de andere kant niet valt te praten”,’ zegt Shaul Judelman, een van Fromans leerlingen. Logistiek gezien is het nog niet zo eenvoudig om Israëli’s en Palestijnen bij elkaar te brengen op de Westoever, aangezien hun goeddeels de toegang tot het gebied van de ander is ontzegd.
‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft’
Het landgoed van Abu Awwad is een van de weinige plekken waar beide bevolkingsgroepen welkom zijn. Er is geen bordje, alleen een openstaand hek dat toegang biedt tot een schaduwrijke plek waar bezoekers een plastic bekertje water krijgen. Men zit in een kring, moet soms moeite doen elkaar te verstaan wanneer een briesje de piepende metalen deur naar Abu Awwads eenvoudige eenkamerwoning openblaast.
Een paar minuten verderop is de liftplaats waar afgelopen zomer drie Israëlische tieners zijn ontvoerd en vermoord, wat uiteindelijk is geëscaleerd in de Gaza-oorlog. De jesjieve-klasgenoten van twee van deze jongens zijn onlangs bij Roots geweest. Judelman is met zijn partner naar een Palestijnse school geweest. De plaatselijke Israëlische commandant is gekomen en heeft een paar uur gepraat met Abu Awwad, die kans zag hem een rol te laten vervullen in de oplossing. Schlesinger heeft Abu Awwad zijn woonkamer ter beschikking gesteld om met zijn buren te praten – twee keer zelfs. Hij heeft van verschillende kanten het verwijt gekregen dat hij een ‘terrorist’ binnen heeft gehaald, maar er zijn tientallen mensen komen luisteren. Na afloop zei een van hen: ‘Het is moeilijk om niet overtuigd te zijn.’
Een ander gesprek
‘Er is bijzonder weinig wederzijds begrip in dit conflict,’ zegt Judelman in de documentaire. ‘Maar dan ineens tref je iemand aan de andere kant die naar je heeft geluisterd, en kun je met hem praten op een manier waaruit blijkt dat hij begrijpt wat je hebt doorgemaakt. Dan krijg je een heel ander soort… gesprek.’ Abu Awwad is bescheiden over de resultaten van zijn werk tot nog toe en hij benadrukt dat geweldloosheid een middel is, geen doel op zich, en dat de rechten van de Palestijnen nog verworven moeten worden. ‘Voor mij geeft geweldloosheid zin aan het bestaan. Vroeger werd ik wakker met de gedachte: Was ik maar nooit geboren. Als ik nu wakker word, voel ik dat mijn leven zin heeft,’ zegt hij.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.